Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

De Sneuper 130, juni 2018

295 views

Published on

De Sneuper 130, juni 2018. Inhoudsopgave:
HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS
EENDENKOOIEN IN WESTDONGERADEEL
OPSKUOR YN MORRA : een reactie
NO-FRIEZEN IN A’DAMSE CONFESSIEBOEKEN
DOOD WIERUMER VISSERS IN DE DOOFPOT
TWEEDE LIEFDE VAN LISCK VAN EIJSINGHA
HELP, WE SLAAN OP DE ROTSEN BIJ AMELAND!
DE VERGETEN SCHOOLBESMETTING IN EE

COLUMN: Je mutte mar hoare...
VERGANE GLORIE: Tjessens te Holwerd
HERALDIEK: Waaxens, Wetsens & Wierum
DIGITAAL & ACTUEEL & VARIA
INGEBOEKT: Pastorieën & duivelse dilemma’s
MUSEUMBEZOEKJE: Schierstins Feanwâlden
DIGITAAL VERHAAL: van Tinco tot Sonttol

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper 130, juni 2018

  1. 1. DE SNEUPER nummer 130 jaargang 31 nr. 2 JUNI 2018 losse nummers € 3,95 EENDENKOOIEN IN WESTDONGERADEEL
  2. 2. © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. COLOFON 168 20 23 27 4 De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. 7 correspondentie uitsluitend via: Brokmui 62 9101 EZ Dokkum kopij via e-mail: redactie@hvnf.nl website www.hvnf.nl weblog http://sneuperdokkum.blogspot.com FOTO OMSLAG: GERARD MAST EENDENKOOI POLDER TERNAARD redactie Warner B. Banga Dokkum Theo Delfstra Feanwâlden Nykle Dijkstra Leeuwarden Piet de Haan Dokkum Lisette Meindersma Burgwerd JacobRoep Hollum (Ameland) Hans Zijlstra Amsterdam opmaak Warner B. Banga
  3. 3. prijs losse nummers € 3,95 (exclusief porto) eenendertigste jaargang nr. 2 juni 2018 verschijnt in maart, juni, september en december in een oplage van 650 exemplaren nummer 130 INHOUD Wie zich aanhoudend met historische studies bezig houdt, is niet meer bekwaam om met ware vreugde het leven aan te zien. Voltaire HISTORISCH CITAAT: SNEUPERDE 5 6 7 8 14 15 20 23 26 28 4 16 19 32 33 34 REDACTIONEEL LEDENNIEUWS 2018-02 VAN DE BESTUURSTAFEL HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS EENDENKOOIEN IN WESTDONGERADEEL OPSKUOR YN MORRA : een reactie NO-FRIEZEN IN A’DAMSE CONFESSIEBOEKEN DOOD WIERUMER VISSERS IN DE DOOFPOT TWEEDE LIEFDE VAN LISCK VAN EIJSINGHA HELP, WE SLAAN OP DE ROTSEN BIJ AMELAND! DE VERGETEN SCHOOLBESMETTING IN EE GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS RUBRIEKEN & COLUMN COLUMN: Je mutte mar hoare... VERGANE GLORIE: Tjessens te Holwerd HERALDIEK: Waaxens, Wetsens & Wierum DIGITAAL & ACTUEEL & VARIA INGEBOEKT: Pastorieën & duivelse dilemma’s MUSEUMBEZOEKJE: Schierstins Feanwâlden DIGITAAL VERHAAL: van Tico tot Sonttol WARNER B. BANGA JOHANNES DIJKSTRA GOSSE BOOTSMA GERARD MAST JAN GAASTERLAND FRANS THUIJS KEES BANGMA WIBO BOSWIJK THIJS GRAS THEO DELFSTRA IHNO DRAGT REINDER TOLSMA RUDOLF J. BROERSMA LISETTE & WARNER B. LISETTE MEINDERSMA HANS ZIJLSTRA WINDVAAN
  4. 4. COLUMN NIEUWE VLAG Sinds maart maak ik deel uit van een gemeentelijke ’Commissie voor de Heraldiek’onder voorzitterschap van de burgemeester van Kollumerland. Dit gezelschap gaat aan de eerste gemeenteraad van Noardeast-Fryslân advies uitbrengen over een nieuw gemeentewapen. En dan te bedenken dat het wapen en de daarvan afgeleide vlag van de gemeente Dongeradeel nog maar 34 jaar oud zijn (normaliter nog niet eens een half mensenleven tijds) en een wapen van bijna vijf keer zo oud vervingen. Zo’n snelle vervanging druist in tegen mijn gevoel voor traditie en ik hoop dan ook dat wapen en vlag van de nieuwe gemeente niet na enkele decennia vervangen zullen worden. Er zijn in deze regio meerdere bedrijven die (gemeente-)vlaggen kunnen maken, maar het oudste is ongetwijfeld de Dokkumer Vlaggen-Centrale (DVC). De eerste telg, de katholiek Joannes Gerardus Demes, vestigde zich omstreeks 1800, toen grote aan- tallen Duitsers zich in Friesland vestigden als linnenwevers, als weversknecht in Dokkum. In de tijd dat de gemeentewapens van de Dongeradelen vastgesteld werden (1818) ontwikkelde de familie Demes haar blauwververij en handel in fijn linnen bij het Blauwververssteegje. En in 1936, bij de verloving van Juliana en Bernhard, werd de Dokkumer Vlaggen-Centrale opgericht. Sindsdien kunnen we een vlag uithangen die nationaal of provinciaal is, van een gemeente of waterschap, maar die tegelijker- tijd ook altijd Dokkums is. VLAG HALFSTOK Tussen het schrijven en de publicatie van deze column zitten altijd verscheidene weken. Deze schreef ik op Bevrijdingsdag. Natuurlijk had ik toen de vlag in top en op 4 mei halfstok. Dit jaar had dat extra betekenis voor me vanwege acht brieven die 75 jaar geleden geschreven werden door de Joodse stiefkinderen van mijn in februari te Sint Annaparochie overleden tante Cora. Ze had die eigenlijk mee willen nemen in haar kist, maar wist ervan overtuigd te worden dat het Herinneringscentrum Kamp Westerbork een betere bestemming was. De media- belangstelling bij de aanbieding ervan was groot: radio, tv en krant besteedden er aandacht aan. Ik moest voor de camera een brief met datum 17 mei 1943 voorlezen en ik moet bekennen dat ik het nauwelijks droog hield. Enkele regels daaruit: Lieve mams, hoe gaat het met u? Dit is de laatste brief die u van ons krijgt, want morgen gaan we naar het onbekende land. ... Mary heeft van een meisje een leuke jurk gekregen en een paar schoenen. Aardig hè? U wordt vreselijk bedankt voor al die heerlijke pakjes die u gestuurd heeft. Die rabarber was heerlijk en die haringsla ook. ... Nu lieve Mams, ik schei eens uit want ik moet nog wat pakken. Geeft u iedereen de groeten van ons ... en we zullen maar hopen dat we elkaar gauw weer zien. Lieve mams duizend kussen van Elly. Dag!! HERDENKEN Ze gingen werkelijk als schapen naar de slachtbank. Vier dagen na het schrijven van hun laatste brieven werden Maurice (16), Elly (15) en Mary (11), na een helse treinreis van drie dagen, in Sobibor vergast. Hun leven was zelfs nog korter dan het korte bestaan van wapen en vlag van Dongeradeel. Om ze niet te vergeten heb ik een boekje geschreven waarin zoveel mogelijk achtergrondinformatie en foto’s als ik achterhalen kon. Onze webmaster Hans Zijlstra was zo vriendelijk om mee te helpen dit via zijn grote netwerk bekend te maken en de tekst ervan online te zetten. En dan te bedenken dat er mensen zijn (ik ken er een in Dokkum) die de holocaust ontkennen. En ik moet er toch niet aan denken dat de twee minuten stilte tijdens de herdenking van deze en andere doden verstoord zou zijn door lawaai, zoals sommigen van plan waren. 4 VLAGGEN door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl JE MUTTE MAR HOARE... ELLY MEIJER  AMSTERDAM 2781927  SOBIBOR 2151943 
  5. 5. 5 REDACTIONEEL SPECIALE ZWART -WIT Deze keer wel een bijzondere ZWART-WIT-foto op de achterkant van De Sneuper 130. Naar aanleiding van het artikel Fusillade te Dokkum van Jan Kooistra in De Sneuper 129 van maart 2018 kwam Sake Meindersma uit Burgum met de volgende reactie: In ons blad nummer 129 is een artikel geplaatst over de fusillade in Dokkum op 22 januari 1945. Daarbij is een foto geplaatst van een brug in De Valom. De indruk wordt gewekt dat dit de brug is die zo’n belangrijke rol speelt bij de verzetsdaad. Dat is volgens mij niet het geval. De brug op de foto is ouder. Duidelijk zichtbaar is dat de brug (gedeeltelijk) van hout is gemaakt. Deze brug is voor de oorlog vervangen door een stalen brug. Daarom op de achterkant nogmaals de oude, houten brug. Pieter van der Bij, medewerker Streekarchief Noord- oost-Friesland, met name voor Dantumadiel, waar ‘de brug in De Valom’ onder valt, kwam met de vol- gende uitleg: Meindersma heeft gelijk dat de brug niet de brug is, zoals beschreven in het artikel over de Fusil- lade te Dokkum. Van oudsher lag er een houten flap- brug in de weg tussen Moarmwâld (Murmerwoude, thans Damwoude) en Feanwâlden (voorheen Veen- wouden) uit 1850, geplaatst bij de verharding van deze weg. Deze brug is in 1924 vervangen door een groten- deels metalen brug vanwege de komst van de stoom- tram in 1926. Tot 1954 en dus ook in de oorlog lag deze brug over de Falomsterfeart en is daarna voor f 2000 aan ‘Dokkum’ verkocht. De brug werd daar herplaatst om over de Ee het Zuidwestplan – de Hoedemaker- spolder – van Dokkum te ontsluiten, ter plaatse van de huidige brug bij het parkeerterrein Hellingpad. Over de Falomsterfeart is toen een vaste brug gekomen, die na de aanleg van de Sintrale As in het kader van ‘Kansen in kernen’ op 29 mei 2017 verrijkt is met een kunstwerk in de vorm van een opbouw van hout. SPECIALE ZWART-WIT EEN BIERBIJBEL & door WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. VOLDAAN GEVOEL De Bierbijbel van Dokkum is klaar en als dit gelezen wordt, hebben we in het stadhuis een mooie presentatie gehad. Tweeënhalf jaar hebben Piet de Haan en ik er aan gewerkt en bijna al onze vrije tijd in gestoken. En daarnaast moest elk kwartaal een nieuw nummer van DeSneuper worden gemaakt. Ook in juni dat is dus weer gelukt, zodat wij met een voldaan gevoel de vakantieperiode ingaan. In het omslagartikel neemt Gerard Mast ons opnieuw mee in de wereld van de eendenkooien; dit keer in voormalig Westdongeradeel. Kees Bangma geeft een voorproefje van het boek over Friesland en de Eerste Wereldoorlog met een doofpotartikel over Wierumer vissers. Reinder Tolsma beschrijft de vergane glorie van het buiten Tjessens bij Holwerd en Rudolf Broersma beeindigt de beschrijving van de dorpswapens van Dongeradeel met Waaxens, Wetsens en Wierum. Thijs Gras beschrijft een stranding op‘de rotsen’van Ameland en redactielid Theo Delfstra haalt de schoolbesmetting uit Ee, tussen de wereldoorlogen, uit de vergetelheid. Jan Gaasterland reageert op de ‘opskuor yn Morra’ in De Sneuper 124. Frans Thuijs doorzocht de ‘Confessieboeken’ van het Stadsarchief Amster- dam op kruimeldieven tot moordenaars uit Noordoost-Friesland. Daarmee staat dit nummer boordevol interessante streekgeschiedenis! ORANJE BOVEN? Let op, want dit is de enige plek waar u in De Sneuper 130 de oranje kleur van genealogie en familiegeschiedenis tegen gaat komen! We zijn namelijk (bijna) door de voorraad genealogische bijdragen van onze leden heen... (Tenzij we in elk nummer een genealogisch artikel van Mattie Bruining of Sake Meindersma willen plaatsen). NOODOPROEP: stuur uw familie-artikel in! DE ECHTE BRUG VAN DE OVERVAL BIJ DE VALOM, DE METALEN BRUG UIT 1924 DIE GEDEELTELIJK OMHOOG GEDRAAID WERD
  6. 6. 7 BESTUURSTAFEL JAARVERGADERING FERWERT De jaarvergadering op 7 april in Ferwert was zeer geslaagd. Daaraan droeg zeker bij de rondleiding van Johannes van Dijk en Rigt Wiersma ’s middags door het dorp en in de kerk. Yde van Kammen werd voor- gesteld als adspirant bestuurslid. Binnenkort hoopt het bestuur een kandidaat voor het voorzitterschap te presenteren. De Maire-boeken zijn nu grotendeels toegankelijk via onze eigen web- site. Simon Koorn zal binnenkort een toelichting over het gebruik hier- van in De Sneuper publiceren. Aan de plaatsing van de steen van Foeke Sjoerds in de gevel van ‘zijn’ huis te Ee wordt gewerkt. De huidige be- woners hopen dat dit spoedig wordt gerealiseerd. Binnenkort hoopt Ciska Hoekstra, na een goed verlopen operatie, haar bestuursfunctie als secretaris weer te hervatten. IN DE ORDE VAN ORANJE NASSAU Tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau werden benoemd, onder andere vanwege hun vele onder- zoek en publicaties over de historie van Noordoost- Friesland, oud redactielid Reinder Postma (met nog regelmatig bijdragen in ons blad) en zijn echtgenote Yvonne te Nijenhuis. Namens ons allen gefeliciteerd! HISTORISCHE KALENDER Op 27 april waren de voorzitter en redactielid Piet de Haan aanwezig bij de heropening van het Vlas- museum ’t Braakhok in Ee. Een aanwinst voor Noord- oost-Friesland. Op zaterdag 19 mei bezocht een delegatie van de historische vereniging Aed Levwerd (Leeuwarden) Dokkum; zij betrokken onze vereniging bij dit bezoek. Een vooroverzicht van het historisch prentenboek over de Friese Elfsteden werd op 25 mei gepresen- teerd. Redactieleden Nykle Dijkstra en Jacob Roep werkten hieraan mee. Op 13 juni presenteren redactieleden Piet de Haan en Warner B. Banga het boek ‘Bierbrouwen in Dok- kum’, waaraan zij ruim twee jaar hebben gewerkt en dat de basis vormde van ons jubileumnummer. Tot slot een oproep van de redactie van De Sneuper: graag nieuwe genealogische bijdragen en verhalen van de leden en foto’s voor de beeldbank. VAN DEVOORZITTER VERENIGINGSNIEUWS door GOSSE BOOTSMA IMPRESSIE VAN DE JAARVERGADERING IN FERWERT TROTSE RIDDERS YVONNE EN REINDER BESTUURVERENIGINGSGEGEVENS Lidmaatschap van de vereniging € 15 per jaar / € 25 buitenland IBAN: NL08 RABO 0177 8581 41 BIC: RABONL2U BETALINGEN VIA REKENINGNUMMER 177.8581.41 t.n.v. Hist. Ver. NOF Opzegging lidmaatschap: uitsluitend schriftelijk voor 1 november via Brokmui 62 - 9101 EZ Dokkum voorzitter dhr. Gosse Bootsma tel.: 0518 - 45 15 81 secretaris mevr. Ciska Hoekstra tel.: 0594 - 63 22 62 penningmeester / ledenadministratie dhr. Arjen Dijkstra tel.: 0519 - 58 96 74 e-mail ledenadministratie keatsbuorren@knid.nl FOTO:FAMILIEPOSTMA FOTO’S:HENKAARTSMA
  7. 7. EEN EEUWENLANGE AANWEZIGHEID In Westdongeradeel zijn eeuwenlang eendenkooien geweest. Dat roept vragen op. Wanneer zijn er kooien in dit gebied? Hoeveel eendenkooien waren er dan en waren deze kooien in dezelfde tijd in werking? DegrietenijWestdongeradeelheeftvanoudsveertien dorpsgebieden. Alleen in vijf dorpsgebieden lagen ooit eendenkooien: Bornwird, Brantgum, Holwerd, Ternaard en Waaxens. Ze lagen westelijk van de lijn Ternaard – Dokkum. In de andere dorpsgebieden, Betterwird, Foudgum, Hantum, Hantumhuizen, Hantumeruitburen, Hiaure, Nes, Raard en Wierum, zijn tot nu toe geen verwijzingen naar eendenkooien gevonden. Dit oostelijke deel zal niet aantrekkelijk genoeg geweest zijn voor wilde eenden. We kunnen concluderen dat deze grietenij niet echt rijk aan eendenkooien is geweest. Opvallend aan de verspreiding van de eendenkooien in Westdongeradeel is dat de meeste kooien liggen in laaggelegen graslandgebieden. Zo lag de oudste kooi, die in Bornwird, vlak bij twee meertjes in een laaggelegen graslandgebied. Ook de eendenkooien in de mieden van Holwerd, Waaxens en Brantgum lagen in zo’n laaggelegen graslandgebied dicht bij de Holwerdervaart. Dergelijke natte gebieden trekken in de winterperiode natuurlijk veel wilde trekeenden. Daar probeerden de kooikers een deel van te bemachtigen. Deze kooien noemt men landkooien. Het gebied rond de twee eendenkooien van Ternaard is veel droger, met bouwlanden en liggen dichter bij de Waddenzee. Deze kooien moesten het vooral hebben van de trekeenden die van zee kwamen. Dergelijke kooien noemt men zeekooien. Bij de bepaling van de leeftijd van een eendenkooi is er een probleem. Pas vanaf 1717 bemoeit de overheid in Fryslân zich met de aanleg van eendenkooien. Daarom moeten we bijna altijd genoegen nemen met vermeldingen van eendenkooien in oude archieven of op oude kaarten en blijft het jaar van aanleg meestal onbekend. Bij nadere bestudering kan toch het nodige over de ouderdom van de eendenkooien in deze grietenij gezegd worden. In volgorde van oudste vermelding hebben we inWestdongeradeel de volgende zeven eendenkooien. BORNWIRD DeoudstevermeldingvaneeneendenkooiinWestdongeradeelblijkt,met dank aan mede-sneuper Reinder Tolsma, in het testament van jonkheer FransvanAylvatestaan.Dittestamentisvan1563.Hierinvermaakthijaan ‘Tjemck Aylva myn jongste dochter thuys thornleger hoff coij dy lutke ende grootemeertotbornwirt[...]mettelandenomtrentnegentichpondematen offte zo: veel mynder offte meir als tottet voorschreven huys ende state [Minoltsma] behoord [...].’. Een latere vermelding van deze kooi komt uit een testament uit 1611 ‘’t huijs te Bornwirt met die landen met d’hoven, hornleger, kooije, visschenie, swanejacht [het recht om knobbelzwanen te mogen houden en bejagen in een bepaald gebied], ‘t groote en cleijne meer van jr. Sixtus van Scheltema en juffr. Tziemck van Aijlva’. Ook in 1676 wordt de kooi genoemd, nu als onderdeel van een kooiplaats in de stukken van het Hof van Friesland ‘Zathe te Bornwerd, 32 pdm Tiessens koij genaemt [...]’. Om deze kooi echt te kunnen plaatsen in het landschap is er de gedetailleerde kaart van Bernard van Schotanus uit 1686. In 1693 is de kooiker Willem Freerx [Donjema van Gytsjerk]. In 1697 kooit hij samen met Gerrit Lenerts. Zij worden in 1697 opgevolgd door Einte Hendrix met zijn vrouw Eelk Fockis afkomstig van Driezum. 8 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS EENDENKOOIEN IN WESTDONGERADEEL door GERARD MAST g.mast@chello.nl BRON:TRESOARLEEUWARDEN VERSPREIDINGSKAART EENDENKOOIEN WESTDONGERADEEL NET BUITEN DE KAART LIGT IN DE RECHTER BENEDENHOEK DE STAD DOKKUM EN LINKSBOVEN LIGT HET DORP HOLWERD. VIJF VAN DE KOOIEN LIGGEN IN NATTE GRASLANDGEBIEDEN. DE TWEE KOOIEN BIJ TERNAARD LIGGEN IN EEN DROGER GEBIED MET BOUWLANDEN. DE ONDERGROND IS DE KAART VAN WOPKE EEKHOFF UIT 1853. TOEN BESTOND ALLEEN DE KOOI IN DE TERNAARDERPOLDER NOG. DE EENDENKOOI OF ‘VOGEL KOOY’ VAN BORNWIRD LIGT TE MIDDEN VAN GRASLANDEN TEN NOORDEN VAN HET TERPDORP. IN 1563 SCHRIJFT MEN IN HET TESTAMENT ‘DY LUTKE ENDE GROOTE MEER’. SCHOTANUS NOEMT IN 1686 HET KLEINE MEER ‘RIED POEL’ EN HET GROTE MEER ‘BORNWERDER MEER’. Ternaard Ternaard-Het Koyhuis Brantgum WaaxensHolwerd-Klein Baarda Bornwird Holwerd-De Koy BRON:TRESOARLEEUWARDEN
  8. 8. Hun eerste dochter Rompkjen wordt in Bornwird gedoopt op 15 november 1697. Bij de aanvaarding in 1697 wordt de kooi eerst ‘getauxeerd’en dat zal na beëindiging van de huurperiode van 7 jaar weer plaatsvinden. Het verschil in waarde moet verrekend worden. De jaarlijkse huur van deze kooiplaats is 31 pondemaat à 3 goudgulden per pondemaat is 93 goudgulden. Bijzonder is dat het kooikersechtpaar voorkomt in het boek van Catharina Schrader. Catharina Schrader was tot op hoge leeftijd verloskundige in Dokkum en omstreken en hield al haar verrichtingen in een boek bij. Zo schrijft zij twee maal over haar assistentie bij de bevalling van de vrouw van de kooiker: ‘1703 den 11 bij Eijnte sijn wiff Eeke har een dochter gehalt op de Coij tot bonwert 1-[8-0]’. Drie jaar later noteert ze: ‘1706 den 9 [maart] tot Bonwert bij de coyker Eynte sijn wiff Ellck. Een sware reys. Mar een levende dochter 1-8-0’. En dankzij de hulp van Catharina Schrader kan op 14 maart 1706 te Bornwird hun dochter Henrickje gedoopt worden. In 1708 is Oense Binnerts de huurder. In 1711 is dat‘Boele Sipkes weduwe’, die in dat jaar opgevolgd wordt door Sytse Ebes. De huurprijs is dan 107-0-0. In 1718 is Sijtse Ebes nog steeds pachter. De volgende pachter is in 1728 Douwe Jans. Omdat er geen stukken zijn, waaruit blijkt dat Douwe Jans of zijn opvolgers er nog gekooid hebben, is het onduidelijk wanneer de kooi buiten bedrijf geraakt is. Vermoedelijk is dat in het eerste kwart van de 18e eeuw geweest. De kooi van Bornwird heeft gefunctioneerd in de periode 1563 tot circa 1725. De grootte van de kooi is in 1832 door het Kadaster vastgelegd op 1.21.10 hectare. Dit is een forse kooi, waarin zeker plaats was voor vier vangpijpen. HOLWERD, KLEIN BAARDA De oudste vermelding van deze eendenkooi in de Holwerdermieden is van 1651. In het recesboek wordt ‘Jacob Jansen koicker’ genoemd. Hij is de huurder van wat later Klein Baarda wordt genoemd. Zijn vrouw wordt in 1656 als lidmaat van de Hervormde Gemeente Holwerd genoteerd als ‘Jacob Janssen koijckerswiiff’. Hun kooi ligt zuidelijk van zijn boerderij. Schotanus vermeldt in 1686 deze ‘Vogel Kooy’ op zijn kaart. Op de graslanden ten zuiden van de boerderij liggen geen stemrechten of florenen, waardoor het onduidelijk blijft wie de eigenaar is. De kadastrale kaart uit 1832 laat geen contouren van een kooi zien. De grootte van deze eendenkooi kan daarom niet achterhaald worden. In elk geval heeft deze eendenkooi gefunctioneerd in de periode 1651 tot 1686. TERNAARD, HET KOYHUYS De oudste vermelding van deze eendenkooi bijTernaard staat op de kaart uit 1664 in het boek ‘Beschryvinge van de Heerlyckheyt van Frieslandt’ van Schotanus. Op de kaart staat een bossage met de tekst ‘Vogel koy’. In de recesboeken van Westdongeradeel staat in 1683 een aantekening over Epo van Aijlva, grietman van Kollumerland cum annexis. Epo van Aijlva verlangt dat Minse Potma geen boelpenningen zal ontvangen, omdat hij eerst zijn achterstallige ‘huijr wegens de koej’ aan zijn landheer Van Aijlva moet betalen. Het gaat hier om de kooiboerderij SC 5/FC 3 van Ternaard waarvan Epo van Aijlva namens zijn vrouw eigenaar is. Deze kooiplaats hoort bij het slot Herwey van Ternaard dat al sinds 1640 in het bezit van de familie Van Aijlva is. In 1683 komt in het consignatieboek van Westdongeradeel de opvolger van Minse Potma in beeld. Dat is ‘Claes Jansen Koyker’, die met anderen als crediteuren genoemd wordt van Popcke Jans en Doetje Hessels ‘in tyden echtel. tot Wyrum.‘ Kooiker Claes Jansen en zijn vrouw Trijntje Ruurdts zijn al eerder, in 1681, als lidmaten van de kerk in Ternaard genoteerd. Op 17 mei 1685 wordt een dochter Aeltie gedoopt. Haar vader is kooiker Claas Jansen. In het weesboek van Westdongeradeel wordt in 1695 het bezit van de overleden Claes Jansen beschreven. Hierin staat dat zijn eerste vrouw Aeltie Pijters was en dat zijn tweede vrouw Trijn Ruijrdts is. Claes Jansen woonde ten tijde van zijn overlijden‘op het Slot van Ternaard’. Bij het opmaken van het floreenkohier in 1700 wordt FC 3 het ‘Koyhuys’ genoemd. Deze boerderij van 52 pondemaat staat op naam van jonkheer Epo van Aijlva. Helaas wordt de huurder niet vermeld, vermoedelijk is dat Jelte Allerts die in 1730 te Ternaard overlijdt. In 1721 is het ‘Koyhuys’ teTernaard het bezit van de erven Epo van Aijlva. Vier jaar later is het het eigendom van Johanna Wilhelmina barones van Schratenbach. Ze erfde dit bezit via haar moeder Juliana Dorothea van Aylva die gehuwd was met Willem Frederick baron van Schratenbach. Johanna Wilhelmina huwt in 1727 met jonkheer Edzard Hobbe van Burmania. BRON:TRESOARLEEUWARDEN KAART VAN BERNARD SCHOTANUS UIT 1686 DE HOLWERDERMIEDEN: DE EENDENKOOI VAN DE BOERDERIJ KLEIN BAARDA IS ROOD OMCIRKELD. DETAIL VAN KAART UIT 1664 VAN CHRISTIAAN SCHOTANUS HET KOOIBOS IS WEL ERG GROOT AANGEGEVEN. 9 tijd van regenten en vorsten BRON:TRESOARLEEUWARDEN HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS
  9. 9. 10 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS DE KOY MET HUIS De volgende kooiker is Jan Beerts die gehuwd is met Antje Gosses. Hij wordt in 1745 genoemd als hij 8 koeien, 2 rieren en 3 hokkelingen aan de veepest verliest. In de jaren 1748 en 1749 woont Jan Beerts als huurder in het huis bij ‘de kooi’. In het reëelkohier vanTernaard staat het als nummer drie vermeld als ‘De Koy’ en de grootte is 43 pondemaat. In 1748 betaalt hij 400 carolusgulden huur aan ‘Raadsheer E.H. van Burmania’, het volgende jaar betaalt hij maar 190 gulden. Het verschil in pacht valt niet echt te verklaren. Heeft het met de verslechterde opbrengst van de kooi te maken? Opvallend is dat het echtpaar Burmania-Schratenbach in 1756 een nieuwe eendenkooi in de Ternaarderpolder laat aanleggen. In 1751 overlijdt Jan Beerts. Hij wordt opgevolgd door Wytse Lieuwes die in de periode 1751 tot en met 1757 in het huis bij de kooi woont. Hij betaalt in de laatste jaren van zijn huurperiode 330 carolusgulden. Het complex FC 3 vanTernaard wordt in 1758 nog steeds aangeduid als ‘Koijhuis’. Maar in de zomer van 1758 wordt deze boerderij in stukken verkocht. Het eerste perceel, ‘De Koy met huis’, samen 13 pondemaat, wordt nu voor 2.405 goudgulden eigendom van Wytse Lieuwes cum soc. voor de ene helft en van Jacob Tjallings voor de andere helft. Het gaat om het volgende: ‘zekere huysinge, Schuire, Boomen en plantagie, mitsgaders hornleger aldaar, drie pond: land ten westen daaraan, ses pond ten zuijden, en vier pond ten noorden mitsgaders een wel gereguleerde vogelkoij met bomen, plantagie, schutten, horden [= vangpijpen] en veerspil daarin versmelten. Op Petrij en Maij 1759 vrij van huuringe moeten alles aan de koij wel onderhouden worden, door de huurders als meede kopers (door welke ’t veerspil zal worden verlaaten, soo als het is ten minsten tot Twaalf war tam gevogelte) belast met vier landsflorenen [...]. Aldus in coop bekomen van Vrouwe Johanna Wilhelmina Baronesse van Schratenbach gesterkt met haar man Jhr. Edzart Hobbe van Burmania old raadordinaris in den Hove van Frijsland’. Wytse Lieuwes blijft er wonen. Uit het bovenstaande blijkt ook dat de eendenkooi op zijn laatste benen loopt, want een stal van ten minste 12 war vogels is wel heel weinig. Vermoedelijk is de kooi rond 1760 vervallen, want latere gegevens over de kooi ontbreken. Als in 1832 de kadastrale kaarten verschijnen, is daarop geen spoor van de eendenkooi te vinden. We weten daarom niet hoe groot deze eendenkooi geweest is. In het floreenkohier van 1850 wordt deze plek nog steeds als ‘Kooihuis’ aangeduid. Wopke Eekhoff tekent in 1853 op zijn kaart een rondje als de lokatie van de kooi en schrijft daarbij : ‘Voorm. Vogelkooi’. In het veld is nu van de eendenkooi geen enkel spoor meer terug te vinden en naast de voormalige kooikerswoning staan nu grote aardappelloodsen. WAAXENS, DE KOAIFIIF In het recesboek van de grietenij Westdongeradeel wordt in 1672 de volgende zaak genoteerd: ‘Claes Feickes mede bisitter van Westdongeradeel ende Jauw Carstens echtelieden b.b.c. op de coop van 7 pondematen greide gelegen op de mieden bij d’koij hebbendeWaexenerpastorielant tenoesten,DrPierius Vermees ten suiden, Former Harmens ten westen ende Sipke Roeleff ten noorden beswaert met 1 ¾ floreen [...] in coop becomen van Juffr. Heidema yder pondemate ’t einde mate ’t einde gelt voor hondert goudgulden’. De kaart van Bernard Schotanus van 1686 laat echter nietsvaneenkooizien.Tochisnalangachiefonderzoek de lokatie van de eendenkooi gevonden. Het bleek dat de eendenkooi behoorde tot de boerderij SC 7/ FC 9 van Waaxens. Het betreffende perceel waarop het lag heet ‘De Kooij vijf’. De reconstructie is door mij beschreven in een eigen uitgave in 2010. In 2006 wist Tiete de Groot, boer te Holwerd, me nog te vertellen waar ‘de Koaifiif’ van Waaxens lag. Het is het perceel dat in 1832 kadastraal bekend is als gemeente Ternaard sectie D nummer 275 met een grootte van 2.06.60 hectare. Naar schatting zal hiervan 0.70.00 hectare door de eendenkooi in beslag genomen zijn, want dat was een laag gedeelte van dat perceel. Rond 1980 is in de ruilverkaveling Oost- en Westdongeradeel ter plaats aan egalisatie en perceelsvergroting gedaan, waardoor de oude kadastrale situatie geheel is verdwenen. HISGIS, MET DE KADASTRALE ONDERGROND IN 1832. DE RODE CIRKEL IS DE PLEK WAAR OOIT DE EENDENKOOI VAN WAAXENS LAG: PERCEEL TERNAARDSECTIED275GENAAMD‘DEKOAIFIIF’.DERODELIJNISDEDORPSGRENSTUSSEN WAAXENS EN BRANTGUM ZOALS DE FRYSKE AKADEMY DIE AANHOUDT. DE BLAUWE LIJN IS DE CORRECTIE OP DE DORPSGRENS AAN DE HAND VAN MIJN ARCHIEFONDERZOEK. DETAIL KAART BERNARD SCHOTANUS UIT 1686 MET DE STATE HERWEY EN DE NABIJGELEGEN ‘VOGEL KOOY’ BRON:TRESOARLEEUWARDEN BRON:HISGIS
  10. 10. 11 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS HOLWERD, DE KOY De tweede kooi op de Holwerdermieden staat in 1686 op de kaart van Bernard Schotanus. Vermoedelijk is de eendenkooi al snel rond het jaar 1700 in verval geraakt, want andere vermeldingen zijn niet gevonden in de archieven. Meer oostelijk van dit perceel heeft Schotanus een boerderij bij de Holwerdervaart getekend. Deze boerderij met de bijbehorende gronden staat in het stem- en floreenkohier als Holwerd SC 26/FC 21. Het perceel waarop de eendenkooi ligt heeft echter geen stem- of floreennummer. In 1698 en 1700 is het complex dat ‘De Koij’ genoemd wordt het eigendom van de grietman over Oostdongeradeel jonkheer Ulbo baron van Aylva. De gebruiker van deze kooiplaats in 1698 is volgens het stemregister Tjaard Diddes. Hij was eerder in 1650 en 1652 kooiker in Augustinusga. Op 23 maart 1673 trouwen te Holwerd Tieerd Didts en Rins Pieters wonende te Holwerd. In de periode 1673 tot en met 1689 worden er negen kinderen in Holwerd gedoopt. Op 6 augustus 1699 worden met attestatie van Holwerd de lidmatenTsjeerd Diddes en Rinske Pyters in het lidmatenregister van de Hervormde Gemeente Waaksens en Brantgum ingeschreven. Op 28 oktober 1703 staan zij op de naamrol van deze gemeente genoemd. Later wordt hierbij geschreven ‘beyde versturven’. In 1711 staat de boerderij in het reëelkohier als Holwerd RC 23 groot 30 pondemaat met een huurwaarde van 190 carolusgulden In 1728 is FC 21 het eigendom van de grietman Rengers, maar over een eendenkooi wordt niets vermeld. Wopke Eekhoff geeft in 1853 op zijn kaart vanWestdongeradeel met een tekentje de lokatie van deze eendenkooi aan met daarbij de tekst ‘Voorm Vogelkooi’. De kooi ligt binnen een groot perceel, kadastraal bekend gemeente Holwerd sectie B nummer 167 ‘weiland’groot 2.43.00 ha. Dit perceel valt niet binnen een complex gronden met een stem- of floreennummer. Contouren van een eendenkooi zijn op het bewuste kadastrale perceel niet terug te vinden. Het is onduidelijk hoe lang deze kooi gefunctioneerd heeft. Wel is duidelijk dat de kooi in 1686 in bedrijf was. Aannemelijk is dat Tjaard Diddes hier de laatste kooiker was. BRANTGUM De oudste vermelding van de eendenkooi van Brantgum staat op de kaart van B. Schotanus uit 1686 als ‘Vogel Kooy’. Volgens HisGis valt deze kooi binnen het complex Brantgum SC 9 dat in 1640 het eigendom is van jonkheer Pyter van Walta en de pachter is Jochim Watses. Het complex heet Namminga. Wanneer de kooi aangelegd is, is onbekend. InTresoar bevindt zich een accoordverklaring tussen jonkheer Ulbo baron van Aylva en Watse Jochums over het meijerrecht van een zate [SC 9] te Brantgum. Het is gedateerd op 15 juni 1691. De eendenkooi wordt in deze akte genoemd met daarbij het feerspil [= de eenden] en daarna nooit meer. Deze kooi heeft dus met zekerheid gefunctioneerd van 1686 tot 1691. In 1827 wordt de boerderij ‘Namminga’, nu Zadema geheten, in 25 percelen verkocht. Perceel 4, bestaande uit greidland, heet nu ‘de Kooy’. De voormalige eendenkooi is in 1832 het kadastrale perceel gemeente Ternaard sectie D nummer 258 ter grootte van 0.29.20 ha. TERNAARD, IN DE POLDER DejongsteenenigenogbestaandeeendenkooiophetgrondgebiedvanWestdongeradeelisdeeendenkooiindeTernaarderpolder. Het initiatief tot de aanleg van deze eendenkooi ligt bij jonkheer Edzard Hobbe van Burmania (1698-1772) en zijn vrouw Johanna Wilhelmina barones van Schratenbach (1699-1759).Van haar moeder, Juliana Dorothea van Aylva (†1733), erft zij de bezittingen in Ternaard, zoals Herwey State en de nabijgelegen vogelkooi op het oude land. De vangsten in deze oude kooi lopen terug en daarom wordt er een nieuwe eendenkooi dichter bij de Waddenzee aangelegd. De geschiedenis van deze nieuwe kooi heb ik in 2003 uitvoerig beschreven in het boek ‘De eendenkooi van Ternaard’. KAART BERNARD SCHOTANUS UIT 1686 MET DE ‘VOGEL KOOY’ IN DE HOLWERDERMIEDEN. DEZE EENDENKOOI ZAL BEHOORD HEBBEN TOT DE BOERDERIJ HOLWERD SC 26/FC 21 GENAAMD ‘DE KOIJ’. KAART VAN BERNARD SCHOTANUS UIT 1686 SCHOTANUS TEKENDE EEN GROTE KOOI, DOCH HET WAS MAAR EEN KLEINE MET ÉÉN VANGPIJP TERNAARDERPOLDER FOTO:GERARDMASTBRON:TRESOARLEEUWARDENBRON:TRESOARLEEUWARDEN
  11. 11. 12 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS Voor de aanleg van de eendenkooi in de Ternaarderpolder verzoekt jonkheer Edzard Hobbe van Burmania in 1756 bij het bestuur van de provincie om een octrooi. Op 5 maart 1756 geven de Staten van Friesland toestemming. De kooi moet binnen twee jaar aangelegd zijn en het octrooi moet bij het Hof van Friesland bevestigd worden. De procedure wordt keurig doorlopen. De brieven van ‘Octroij’ worden bij ‘klockklippinge’ in Ternaard bekend gemaakt. Er komt geen oppositie en daarom kan het Hof van Friesland op 24 mei 1756 positief beslissen. Volgens het reëelkohier blijkt dat de ‘nieuwe koy en 20 pondt land’ in 1760 door jonkheer E.H. van Burmania voor 140 carolusgulden verhuurd is aan Hoyte Pieters te Ternaard. Een jaar later, in 1761, kopen de gebroeders Hoyte Pieters en Rochus Pieters cum soc de nieuwe kooi met het ‘veerspil’ van hun landheer. Zij betalen 2.000 carolusgulden voor ‘dese coij’ met 26 pondemaat ‘tussen de Dyken’. Het gevogelte in de kooi zal na taxatie overgenomen worden. Ulbe Pieters, de broer van Hoijte en Rochus, wordt de kooiker in Ternaard. Op 24 mei 1761 trouwt hij met Attje Lieuwes, ook uitTernaard. Ulbe overlijdt daar in 1776, zijn weduwe Attje Lieuwes overleeft hem ruim twintig jaar, zij overlijdt op 22 juni 1799 in Ternaard. Hun zoon Lieuwe Ulbes neemt de achternaam Van der Kooij of Van der Kooi aan. In de 19e en 20e eeuw volgen vele kooikers elkaar op. Twee maal is de kooi in de Ternaarderpolder door overstromingen in het zoute zeewater komen te staan. Dat was in 1825 en in 1877. DE LAATSTE KOOIKER De laatste particuliere kooieigenaar is Sikke de Vries, die op 9 maart 1957 te Ternaard op de leeftijd van 84 jaar is overleden. Op het kerkhof van de Nederlands Hervormde kerk te Ternaard is hij aan de zuidkant van de kerk begraven in hetzelfde graf met liggende stenen, waarin ook zijn ouders liggen. Daarnaast staan de twee stenen van zus Geertje de Vries uit 1927 en broer Sije de Vries uit 1936. Na zijn overlijden is de rijksdienst Staatsbosbeheer geïnteresseerd in de veiligstelling van de eendenkooi. Medewerker Sjoerd Braaksma, werkzaam bij de afdeling Natuurbescherming en Landschap van het Staatsbosbeheer in Utrecht, is in Ternaard wezen kijken en maakt daarvan op 7 mei 1957 een rapport. Acht jaar eerder zou er nog een stal in de kooi zijn van 1.500 tot 2.000 wilde eenden. Jaarlijks worden er 300 broedkorven uitgezet. Het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap beslist dat voor dit ministerie de kooi aangekocht mag worden. Ingenieur Jan Vlieger, bosbouwconsulent bij Staatsbosbeheer, te Leeuwarden weet in overleg met notaris Straatsma de eendenkooi voor f 4.000 van de erven deVries te verwerven. Op 23 december 1957 wordt de akte gepasseerd. De eendenkooi is in zijn geheel 1.05.10 ha groot. Begin jaren 70 bouwt de Ternaarder Pieter Machiela de vangpijpen in de kooi weer op. Na zijn overlijden in 1979 wordt hij opgevolgd door kooiker Herman ten Klooster. Inmiddels is Herman ten Klooster al lang met pensioen. Hij gebruikt deze eendenkooi nog steeds. Op dit moment is de eenden- kooi van Staatsbosbeheer 262 jaar oud. Dat is een respectabele leeftijd voor een eendenkooi. Het is de laatste eendenkooi in Westdongeradeel die nog bestaat. DETAIL VAN DE KADASTRALE KAART UIT 1887 DE KOOI MET DE KADASTRALE NUMMERS TERNAARD SECTIE A 214 EN 215. TUSSEN DE TWEE ZUIDELIJKE VANGPIJPEN BEVINDT ZICH HET MAKHOK EN HELEMAAL ZUIDELIJK DAARVAN STAAT EEN KOOIHUISJE AANGEPIJLD ALS BEHOREND BIJ NUMMER 214 BRON:GERARDMAST PIETER MACHIELA BIJ DE VANGPIJP IN TERNAARD FOTO:GERARDMASTBRON:TRESOARLEEUWARDEN ZICHT IN DE VANGPIJP IN TERNAARD
  12. 12. 13 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS KOOIKER HERMAN TEN KLOOSTER KOMT IN DE HERFST VAN 2011 MET ZAK EN KOOIHOND UIT DE EENDENKOOI. OP DE ACHTERGROND HET JONGE KOOIBOS DAT IN RUILVERKAVELINGSVERBAND OM HET OUDE KOOIBOS AANGELEGD IS. DAARACHTER DE ZEEDIJK LANGS HET WAD KOAIPLEATS TE TERNAARD DOOR JENTSJE POMA DE KOOIPLAATS IS GEBOUWD TEGEN DE OUDE ZEEDIJK VAN DE TERNAARDERPOLDER EN IS GELEGEN AAN DE KOAIWEI EINDOVERZICHT In welke perioden zijn de eendenkooien in Westdongeradeel in gebruik? 1. Bornwird 1563-1725 2. Holwerd, Klein Baarda 1651-1686 3. Ternaard, het Koyhuys 1664-1760 4. Waaxens 1672-1680 5. Holwerd, De Koy 1673-1699 6. Brantgum 1686-1691 7. Ternaard, in de polder 1756-2018 Tijdsbalk met de perioden waarin deze eendenkooien voorkomen van 1563-2017. Elke kolom is 25 jaar. Kooi: 1550 1600 1700 1800 1900 2000 1 x x x x x x x x 2 x x 3 x x x x x x 4 x x 5 x x 6 x 7 x x x x x x x x x x x x Voor zover is na te gaan, was er in de periode 1563-1650 één vangende kooi. In de periode 1650-1675 zijn er vijf vangende kooien, in 1675-1700 zes kooien, in de periode 1725-1775 twee en na 1800 tot nu één vangende kooi in het gebied Westdongeradeel. De verdwenen eendenkooi van Bornwird heeft in elk geval 162 jaar bestaan en de kooi in de Ternaarderpolder bestaat al 262 jaar. Een dergelijk oud monument verdient van de overheid een monumentenstatus. FOTO:GERARDMASTBRON:COLLECTIEGERARDMAST
  13. 13. ONDERZOEK NAAR FEITEN & FICTIE In De Sneuper nummer 114 van juni 2014 verhaalt Hans Scholte in zijn artikel ‘Opskuor yn Moarre, onderzoek naar feiten en fictie’, het ervandoor gaanvandegehuwdeboerJacobHarkesDoumavanboerderij‘OpitFjild’ met de dochter van de kasteleinse uit Morra, Attje Kornelis Gaasterland. Jacob liet zijn vrouw, dochter van hereboer Botma, en hun dochtertje in de steek, om met zijn liefje Attje naar Amerika te emigreren. Het dorp Morra reageerde door de herberg van weduwe Gaasterland kort en klein te slaan. De kasteleinse en haar andere dochter vluchtten het dorp uit en kwamen nooit meer in Morra terug. Aldus het verhaal. Onder het kopje‘apocriefe bronnen’verwijst Hans Scholte dit verhaal naar het rijk der fabelen. De herberg is niet kort en klein geslagen en ook is de weduwe Gaasterland niet uit het dorp gevlucht. Scholte baseert zich op ‘Morra, 750 jaar’ van H. Notenbomer en B. Jansma uit 1980, maar die geven geen bronnen. Onderzoek in de gerechtelijke bronnen door Scholte leverde ook geen enkele aanknoping op van het smeuïge boven- staande verhaal. VERSLAG JOHANNES TERPSTRA Graag vermeld ik hierbij dat ik op 12 augustus 1964 met Johannes Terpstra (1881-1974), weduwnaar van Aukje IJmes Gaasterland, heb gesproken en daarvan toen het volgende verslag heb gemaakt: Johannes Terpstra, echtgenoot van Aukje IJmes Gaasterland (24 sept. 1881-18 maart 1956 Morra), thans nog wonende in Morra, vertelde mij het volgende verhaal over de herberg van Morra, waar een jaar of 80 geleden een familie Gaasterland woonde (hij wist niet of het familie van zijn vrouw was). Japik Harkes Douma was getrouwd met een dochter van de hereboer Botma (verscheidene Botma’s wonen nu nog in Morra; ze hadden vroeger in Morra bijna alles te vertellen). Het was zeker niet een al te best huwelijk, ondanks de ene dochter, die ze hadden. Japik ging namelijk vaak met Atje, de dochter van de herbergier erop uit. Wanneer ze ’s avonds laat thuiskwamen, dan hoorde de vader van Johannes Terpstra de tilbury eraan komen. Hij ging dan achter de haag van de kerk staan en kon zo alles ongezien bekijken. Thuis vertelde hij dan alles aan zijn vrouw; Johannes, die dan in de bedstede lag, kon zo alles horen. Hij wist zich niet meer pre- cies te herinneren wanneer het precies was, hij was een schooljongen van een jaar of acht, negen. Na verloop van tijd ging Japik geld lenen in het dorp, want ze legden met de tilbury nogal eens aan, wat nogal wat geld kost. Ook bij de vader van Johannes. Toen hij genoeg geld bij elkaar had, is hij met Atje Gaasterland midden in de nacht met de tilbury naar Harlingen gereden. In Harlingen heeft hij de tilbury en paard verkocht en is scheepgegaan naar Amerika. DOOR HET DOLLE HEEN Botma en zelfs Harke Douma waren door het dolle heen. Zij riepen een soort dorpsgericht bijeen en trokken met een man of twintig naar de herberg en sloegen bij de weduwe alles kort en klein. Deze vluchtte met haar kinderen naar een familielid in Oosternijkerk? Later is zij ook naar Amerika ver- trokken. Kornelis Dirks Gaasterland, de herbergier, is in 1888 overleden. Na zijn dood is het in de herberg nogal een losgeslagen boel geworden. Johannes wist ook nog te vertellen dat Japik Douma zich in Amerika Ja- cob de Lange noemde. 14 door JAN GAASTERLAND jcgaasterland@hotmail.com EEN REACTIE OPSKUOR YN MOARRE JACOB HARKES DOUMA ROND 1879 FOTO MEJ. C.H. MATHTYSSEN - PHOTOGRAPHE IN LEEUWARDEN HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS DE BOTMA-PLEATS BIJ MORRA
  14. 14. RIEWERT JANSZ VAN AMELAND MET DE BLOOTEN MESSEN IN DE HAND Op zondagavond 26 oktober 1721 om half negen kwamen vijf jongetjes het koekenbakkerswinkeltje in een kelder op de Noordermarkt binnen. Twee van hen vroegen om zes koeken, de andere twee wilden tegelij- kertijd een maatje pepernoten en de vijfde maakte van de gelegenheid gebruik om een pot van de toonbank te graaien. Alle vijf schoten ze tegelijk het winkeltje weer uit. De knecht van de bakker was alert. Hij sprong het diefje achterna en greep hem op de trap uit de kelder in de kladden. Hij had niet kunnen weten dat de jongens werden opgewacht door Riewert Jansz. Die stond daar met in iedere hand een mes en stak op de knecht in. Dat leverde hem een snee in zijn hand en zijn hoofd op. EEN KOEKENBAKKER Dit was geen spontane actie van Riewert en zijn straatjongetjes. In de loop van de volgende week ging het verder met dit onnozele bedrijf. Op woensdagavond werd door de bende bij een spekslager een stuk spek, een paar beulingen en rookvlees buitgemaakt. Elders waren krakelingen en koek het doelwit en verderop een hele bak met bokkingen. Alles werd naar de kamer bij Riewerts bijzit Antje in de Boomstraat bij het Karthuizerskerkhof gebracht en daar verdeeld. Op donderdag kwam Riewert nog thuis met een regenkleed, maar op maandag 3 november werd hij van die kamer gehaald. Hij was, zoals we dat nu zouden zeggen, in ieder geval een koekenbakker, een sukkel. Tal van omstanders waren getuige van het incident op de Noordermarkt. Ook Antje was daar herkend. Zij had daar op de uitkijk gestaan. Riewert wist van niks, maar bij het doorvragen bleek hij al die jongetjes die op rooftocht gingen wel bij naam te kennen. Riewert, 21 jaar, kwam van Ameland en was varensgezel. De naam Riewert met het patroniem Jansz is op Ameland niet onbe- kend, maar geruime tijd eerder. Dat sluit niet uit dat hij een nazaat van één hunner is. Zijn recente verleden was in ieder geval niet verbonden met de zeevaart. Hij vond zijn kost op straat en niet op zee en werd gezien als leider van deze straatschoffies. Bovendien kwam naar voren dat hijzelf ook op dievenpad was geweest. Het werd hem vooral kwalijk genomen, dat hij gemak- kelijk met zijn mes klaarstond. Daarvan was niet alleen die koekenbakkersknecht de dupe, ook de juffrouw die onder bedreiging van haar regenmantel was beroofd en een passant in de Duifjessteeg. Die was om onduidelijke redenen in zijn buik gestoken. AAN DE PALEI Riewert was niet van zins iets te bekennen van wat hem werd voorgehouden en daarom ging hij aan de palei. Hij werd opgehaald en gegeseld om vervolgens punt voor punt het ten laste gelegde te bevestigen. Het slot van het liedje was een veroordeling om onder de galg met een strop om de hals te pronk te staan, waarna hij werd gegeseld en gebrandmerkt. Vervol- gens werd hij voor tien jaar in het tuchthuis opge- sloten om daarna voor tien jaar te worden verbannen. BRON SAA 5061.380 fo. 10-11v, 34v-35, 52v en 5061.609 fo. 95 15 NO-FRIEZEN IN AMSTERDAMSE door FRANS THUIJS rechtshistoricus DEEL 1 CONFESSIEBOEKEN NOORDERMARKT IN AMSTERDAM, MET DE NOORDERKERK ETS DOOR REINIER NOOMS  CA. 1670 OP DE BINNENPLAATS VAN HET AMSTERDAMSE TUCHTHUIS ETS DOOR HERMANUS PETRUS SCHOUTEN  CA. 1770 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS CONFESSIEBOEKEN STADSARCHIEF AMSTERDAM Het gaat de laatste jaren snel met de digitalisering van archiefmateriaal. Bijzondere bronnen worden daardoor makkelijk raadpleegbaar en dat levert mooie vondsten op. Frans Thuijs doorzocht de ‘Confessieboeken’ van het Stadsarchief Amsterdam op mensen uit Noordoost-Friesland. Het leverde opmerkelijke verhalen op over mensen die met justitie in aanraking waren gekomen, van kruimeldieven tot moordenaars. In dit nummer het eerste deel van een kleine selectie van die verhalen. BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM BRON:COLLECTIERIJKSMUSEUM
  15. 15. VERGANEGLORIE:VERDWENENBUITENS HUIZE TJESSENS Aan de weg Dokkum-Holwerd, net voorbij Waaxens, ligt aan de rechterkant een verhoogd terrein: met de daar aanwezige stenen toegangsdam de laatste resten van ‘Huize Tjessens’. Rond 1500 woonden hier leden van de familieTjessens.Vader UulbetTziessens en zoon Gercke Tiessens worden in 1505 beiden onder de edellieden van Dongeradeel genoemd. Ulbe woonde op Tjessens, Gercke op Hemminga even verderop richting Holwerd (Hij wordt daarom ook wel Gercke Hemminga genoemd, maar in 1515 wordt hij als Gercke Tzessens ontslagen van zijn eed van trouw aan de hertog van Saksen). In 1511 bezat Ulbe 62 pondemaat land onder Tjessens, maar ook in Oosternijkerk, Raard, Hegebeintum, Bornwerderhuizen en Waaxens bezat hij landerijen. Toch bedroegen zijn inkomsten uit grondbezit niet meer dan 70 gulden per jaar. Hij was getrouwd met Syts Werps van Hania, ook afkomstig uit Holwerd. Ze overleden in 1512 en 1535 en werden begraven in de kerk te Holwerd. WORP & SICKE VAN TJESSENS Van zoon Worp van Tjessens is bekend dat hij in 1550 volmacht ten Landsdage was voor Westdongeradeel. Hij was getrouwd met Tziets Galama en ook zij liggen begraven in de kerk van Holwerd (1558 en 1581). Hun zoon Sicke nam deel aan de opstand tegen Spanje en speelde een rol tijdens de ‘Waalse Furie’, 1572 in Dokkum. Sicke van Tjessens en Sipke van Scheltema had- den van graaf Van Schouwenburg, vertegenwoordiger van Willem van Oranje in het noorden, opdracht gekregen om in naam der Geuzen soldaten te werven. Van Scheltema ging vanuit Ameland met een boot vol volk naar Dokkum om die stad tegen de Spanjaarden van De Robles te verdedigen. Sicke van Tjessens ging naar Franeker en samen met Johannes Bonga en twee vaandels voetknechten kwam hij terug om de Spanjaarden uit Dokkum te verdrijven. Ze kwamen te laat, maar wisten vanuit een hinderlaag de op Leeuwarden terugtrekkende Waalse soldaten bij de Ee te overmeesteren en hun de buit af te pakken. Niet lang daarna, in december 1572, stierf hij en werd met zijn tweede vrouw Geel van Heringa (1608) in de kerk van Holwerd begraven. Zijn eerste vrouw Auck van Bonga werd in de kerk van Waaxens begraven. TJESSENS IN ANDERE HANDEN De volgendeWorp vanTjessens was vaandrig in het leger en in 1607 bij de admiraliteit van Dokkum werkzaam. Hij had nogal veel schulden en moest geregeld land verkopen. Hij was getrouwd met Ursel van Scheltema en zij kregen samen zeven kinderen, van wie alleen zoon Syds de huwbare leeftijd bereikte. Syds kreeg slechts één dochter, waardoor het geslacht Tjessens in mannelijke lijn uitstierf. Het slot Tjessens ging over naar de zussen van Syds, waaronder Tjets, die trouwde met de Poolse edelman Hendrick van Suchten. Ze woonden ook op Tjessens, maar verkochten in 1652 de helft aan Albert van Loo. Van Suchten wordt in 1684 nog genoemd, maar daarna kan Tjessens met recht een‘adellijk goed’genoemd worden, omdat er maar liefst drie adellijke heren een derde deel bezaten: Tiaerd van Aylva, Aggaeus van Sixma en Hermanus Ydsinga. Daar kwam in 1699 een eind aan toen Tjaard van Aylva, grietman van Wonseradeel, de andere heren voor 9000 carolusgulden uitkocht. 16 TITEL TJESSENS TE HOLWERD door REINDER TOLSMA r.tolsma01@knid.nl LOCATIE VAN HET VOORMALIGE BUITEN ‘TJESSENS’ BIJ HOLWERD VERGANE GLORIE In middeleeuws Friesland stonden meer dan 600 ‘stinzen’, verdedigbare stenen huizen. Het waren de steunpuntenvoordeFriesehoofdelingen.Demeestestinzenverdwenenindeloopdereeuwen,eenenkelewerduitgebouwd tot een adellijke buitenplaats. Daarvan zijn er in Noordoost-Fryslân nog een paar over, o.a. De Schierstins te Feanwâlden en Rinsma State te Driezum. Deze reeks beschrijft in het kort de lotgevallen van een aantal verdwenen buitenplaatsen. FOTO:REINDERTOLSMA VERGANE GLORIE: VERDWENEN BUITENS
  16. 16. VAN HARINXMA THOE SLOOTEN Tjaard woonde zelf in Hichtum, maar dochter Agatha Wilhelmina, ge- trouwd met haar achterneef Hans Willem van Aylva, sinds 1712 griet- man van Westdongeradeel, bewoonde Tjessens tot de dood van Hans Willem in 1722. Agatha bleef eigenaresse, maar generaal bij de ruiterij Albert Coenders betrok met zijn gezin het slot. Na 1731 werd ‘het slot of adelyk huis vergeefs bewoont’ door Dirk Romkes, Catharina Jelles, Gerar- dus Jelles en anderen, tot de verkoop in 1754. Nieuwe eigenaar werd generaal-majoor Johan Sippo van Harinxma thoe Slooten, die er tot 1799 (’s zomers?) met zijn gezin zou wonen. Hij kocht Tjessens, beschreven als ‘een deftige Adelyke Heeren Huijsinge, bestaande in ellef manifique en royale onder en boven Kameren, waar onder een braaf ruime keuken is, voorsien met een exelente kelderinge, geapproprieert tot veelerhande Commoditeiten, mitsgaders een schoon koetshuis en fraye Stallinge voor ellef Paarden, overdekt met heel ruim en sterke Hooij-zolderingen en wijders met sijn schone Tuinen, Vrugthovin- gen, Zingels en Allées, leggende in besloten Gragten’ voor een bedrag van 21.380 carolusgulden. Van de in eerdere koopakten genoemde ‘poorte ende hinxtewad’ is geen sprake meer. Of alles wel zo mooi was als in de advertentie beschreven staat, valt nog te bezien, gezien de beschrijving die een tijdgenoot maakte [1] : ‘...Tjessens was doen een moye plaats, dan heeft door ’t ledig leggen nu al vry wat verloren.’ FEEST OP TJESSENS Op 13 januari 1789 was het groot feest op Tjessens. De zoon van Johan Sippo, Pieter Edserd van Harinxma thoe Slooten, werd ingehuldigd als grietman van Westdongeradeel ‘...wordende zyn H.W.Geb. door een aantal Inwoonders met Paarden en Sleeden, alle cierlyk opgemaakt en met Orange linten voorzien, afgehaald: -by het aankomen wierden 3 stukjes Kanon gelost en vervolgens de klokken geluid...’ De nieuwe grietman werd toegesproken en gefeliciteerd door mederechter Heeringa in herberg De Zwaan ‘hetgeen zyn H.W. Geb. met dankzegging beantwoorde; vandaar begaf een aanzienlyk Gevolg zig na het Hoog Adelyk Slot Tjessens (werdende de Wapens van Harinxma en Westdongeradeel voor af gedragen) alwaar het Gezelschap deftig wierd onthaald...’ Na de plechtigheden ‘heeft men den gantschen nagt in alle vroolykheit door gebragt.’ Helaas stierf de nieuwe grietman al in 1793. KONING WILLEM I OP BEZOEK Als in 1818 koning WillemIen prins Frederik Friesland bezoeken, komen zij slechts bij twee particulieren aan huis: bij de Scheltema’s in Heerenveen en bij Anna van Sijtzama douairière Harinxma thoe Slooten op Tjessens. Na een ontvangst op het grietenijhuis in Holwerd door grietman Willem Hendrik van Sijtza- ma vertrekt het gezelschap naar het met erepoorten bij oprit en plein versierde ‘oud Adelijk Tjessens’. In het wit geklede meisjes bestrooien het pad van de koets tot in de grote zaal waar de douairière ‘de eer mogt genieten, aan Zijne Majesteit een dejeuné aan te bie- den, en zich gedurende den tijd van twee uren, over het verblijf aldaar te verheugen.’ JONKER PIET & BOER SIKKE Rond 1863 zou Sikke Jensma de boerderij Sjuxma State opnieuw inhuren van jonker Piet van Harinxma ophetSlotinhet‘Waaxenserbosk’.Ophet laatstemo- ment kregen hij en jonker Piet een meningsverschil omtrent een artikel in het huurcontract. Dat liep zo hoog op dat de jonker boer Sikke de huur opzegde. In die tijd bestond er het zogenaamde kostuumrecht. 17 VERGANEGLORIE:VERDWENENBUITENSBRON:HISGIS TJESSENS IN 1832 tijd van regenten en vorsten FTOTO:REINDERTOLSMA/PARTICULIERECOLLECTIE LUTS VAN HARINXMA, IN 1665 GESCHILDERD DOOR NICOLAAS WIERINGA AFKOMSTIG UIT HUIZE TJESSENS boomgaard moestuin moestuin moestuin plaisiertuin
  17. 17. 18 Dat hield in dat de afgaande huurder één stuk land naar zijn keuze nog één jaar mocht gebruiken zonder er huur voor te be- talen. De jonker wilde hier echter niets van weten. Het kwam tot een proces en de rechter stelde Sikke in het gelijk. Die koos een zodanig perceel uit, dat de oogst ervan voor de ruiten van het Slot van de jonker gereden moest worden. Zijn zoons kregen de opdracht elke keer wanneer een volle wagen het Slot passeerde, de zweep treiterend omhoog te houden als de jonker voor het raam zat. In november werd Sikke bij de jonker ontboden. Die zei toen tegen hem: ‘Ik wou jou van de boerderij hebben, maar ons geschil zal je kinderen nooit benadelen.’ De jonker hield woord: de dochter van Sikke kwam met haar man op de‘poartepleats’.[2] KLAEIJLIET OP‘E ÔFBRAEK Rond 1850 zal de bovenverdieping van Tjessens verwijderd zijn en in 1880 schrijft L.H(eeringa) te Waaxens een ‘Klaeijliet fen in âld volk op ‘e ôfbraek fen it slot Tjessens’ in de Oostergo. Op 2 maart 1896 wordt de afbraak aanbesteed van de hoofdgebouwen met stalling van Tjessens. Nadien blijft er een ruïne over en in de strenge winters van 1940-1945 zijn de laatste bosschages op- geruimd. De Holwerders mochten gratis de stronken uit de grond graven: zij de brandstof en de boer een beter stuk bouwland! VERGANEGLORIE:VERDWENENBUITENS FOTO VAN TJESSENS VLAK VOOR DE SLOOP IN 1896 [2] GETEKENDE PLATTEGROND VAN TJESSENS OP DE ACHTERKANT VAN EEN ANSICHTKAART UIT 1918 COLLECTIE:ALIEVANDERMARK NOTEN & BRONNEN [1] Geographisch woordenboek, behelsende (...), E.M. van Burmania, 1749 [2] Jensma, een boerengeslacht uit het noorden van Friesland, G. Jensma, 1979 [3] Noordelijk Oostergo. De Dongeradelen, Herma M. van den Berg, 1983 Ontsnapt aan het bloedbad, G.I.W. Dragt, 2015 Genealogysk Jierboekje 2009 WINDVAAN VAN TJESSENS BRON:COLLECTIEJANVISSERWAAXENS FOTO VAN TJESSENS UIT 1896, VLAK VOOR DE AFBRAAK [3]
  18. 18. WAAXENS Het bouwwerk in het wapen stelt een van de oudste gebouwen in Waaxens voor, namelijk de poort van Sjuxmastate. Op de plaats van de wapensteen in het echte gebouw is hier een lelie uit het wapen Sjuxma geplaatst. De state stond pal aan de hoofdweg, lopend van Dokkum naar Holwerd, dwars door Waaxens. Deze hoofdweg wordt weerge- geven door de blauwe schuinbalk, rechtsschuin als verwijzing naar het wapen van Westdongeradeel. Met deze schuinbalk behoort het wapen en de vlag tot het trio Brantgum-Foudgum-Waaxens, die alle dezelfde schuine balk voor de genoemde hoofdweg hebben. In de vlag wordt de poort voorgesteld door de rode baan aan de broekzijde, met daarin de lelie. WETSENS De pot in het wapen staat voor Sint Vitus, de kerk- patroon. De pot is één van zijn attributen, naast onder andere de bekendere palmtak en leeuw, als verwij- zingnaardeketelmetkokendeoliealsmartelwerktuig en als beschermer van de ketelsmeden. De adelaars- vleugels vormen een verwijzing (als pars pro toto) voor de adelaar in het familiewapen Jarla van Wet- sens (er zijn meerder families Jarla / Jaarla). De ver- smalde blauwe dwarsbalk is een verwijzing naar de wateren bij het dorp, het Jellegat (- Jarla’s gat), de Jaar- lasloot en de Zuider Ee. De vlag is een vereenvoudigde afleiding van het wapen in de hoofdkleuren en heeft wel de kenmerk- ende schuindeling van Oostdongeradeel gekregen. WIERUM Het wapen verbeeldt de geschiedenis van Wierum in een notendop. De vissen verwijzen uiteraard naar de visserij, terwijl het zwarte schip het vergaan van de vissersvloot in 1893 symboliseert. De schilddeling geeft de situering van het dorp weer, liggend aan de Waddendijk. In de vlag is alleen één van de vissen opgenomen, om niet al teveel de nadruk op de ramp te leggen. Wapen en vlag waren een van de eerste ontwerpen voor dorpswapens en vlaggen van de auteur. HERALDIEK DE DORPSWAPENS VAN door RUDOLF J. BROERSMA tekenaar Fryske Rie foar Heraldyk WAAXENS, WETSENS& WIERUM WAAXENS WETSENS WIERUM ILLUSTRATIES:TERLUINBRON:WWW.WGJTUKKER.NL/CBG WIERUM 19 SJUXMASTATE SJUXMA
  19. 19. INLEIDING Symbool voor de waanzin van de Eerste Wereldoorlog is de loopgraven- oorlog van het westelijk front. Zinloze offensieven smoren in bloed en modder.Tegelijk ontwikkelt ook de Noordzee zich tot een oorlogstoneel, waarin Engeland en Duitsland elkaar op leven en dood bestrijden met zeemijnen en torpedo’s. Het wordt een niets en niemand ontziende strijd aan de rand van Nederland. En vaak over de rand. Veel Friezen zijn getui- ge, bestrijder of slachtoffer van de‘zeemonsters’in de Noordzee. Op het monument voor omgekomen vissers op de dijk bij Wierum staan vier namen van slachtoffers van zeemijnen: M.J. Post, W.S. van der Zee, K.J. Visser en L.H. Prins. Hun dood is omgeven door de geur van een ambtelijke en diplomatieke doofpot. LOTERIJ OM LEVEN EN DOOD Op de ochtend van 10 april 1918 vist Kees Tjeerds de Vries samen met zijn oom Willem Sybes van der Zee en Makke Post op de WL19 vlak boven de Engelsmanplaat. Even verder bevindt zich de WL36 waarop zijn vader vaart: ‘De lente zat al in de lucht, maar we hadden maar een paar scheepslengten zicht. Er hing een gore, witte mist op zee. Ik luis- terde naar de stemmen van Tjerk en Monte Visser, waar vader mee viste. Vijfenzeventig meter schatte ik, verder weg zijn ze niet. We hadden op dat moment even rust, want de sleep stond uit. Ik liep naar voren en zag nog, hoe de duimdikke korlijn goed om de bolder was geslagen, ik zag hoe strak gespannen hij in het blok stond en hoe degelijk hij verder aan de pen was vast gezet. De grote schol hadden we in de bun en de kleintjes waren voor de korf. Zonder dat wij het zelf wisten, was op dat ogenblik de loterij om dood en leven al begonnen. [...] Ineens barstte de hel los; ik werd in elkaar gedrukt en omhoog getild. Mijn oren begonnen te suizen. Ik kon niet meer denken en wist niet, wat er gebeurde. Toen zag ik de bodem van het Wad omhoog komen; grijze drek en verse splinters. De adem werd me afgesneden, maar ik klemde me aan een stuk van het schip vast. Heel gestadig kwam die grijze drek op me af. Ik ontdekte dat ik mijn laarzen nog aan had en begon als een gek van me af te trappen. Toen ik ze had uitgeschopt, voelde ik het koude water en zag ik, hoe het schip finaal aan splinters geslagen was. Hier staat negen vaam water, schoot me door het hoofd en ik moest ineens aan thuis denken en aan duizend andere dingen.’ Kees Tjeerds de Vries wordt gered door de bemanning van de WL36, waardoor de Friese schrijver en hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant Hylke Speerstra jaren later zijn verhaal kan optekenen. Willem van der Zee wordt nooit teruggevonden. Makke Post spoelt enkele dagen later aan op de Engelsmanplaat. ‘Hij heeft nooit geweten, wat een mijn betekent’, schrijft Speerstra. DUIZENDEN MIJNEN IN DE NOORDZEE Zeemijnen liggen op dat moment bij duizenden in de Noordzee. Begin 1917 is de loopgravenoorlog aan het westelijk front vastgelopen in een uitzichtloze im- passe. In een ultieme poging Engeland op de knieën te krijgen, kondigt Duitsland op 1 februari 1917 de on- beperkteduikbootoorlogaf.Datbetekentdatelkschip op de Noordzee en de Atlantische Oceaan, van welk land dan ook, voortaan zonder waarschuwing wordt getorpedeerd. Daarmee wil Duitsland de aanvoer van grondstoffen, voedsel en wapens en later militairen vanuit Amerika naar Engeland stoppen. In eerste in- stantie is de strategie succesvol. Honderden schepen gaandoorDuitsetorpedo’snaardebodemvandezee. Een deel van de duikboten heeft de thuishaven in Noord-Duitsland en vaart via de Noordzee naar het jachtgebied. Engeland probeert de Noordzee met zeemijnen volledig af te grendelen om de aanvoerroutes vanuit Amerika te beschermen. Onderdeel van dat plan is een enorme barrage van zeemijnen tussen Schotland en Noorwegen om daarmee de noordelijke Noordzee af te sluiten. Om de zuidelijke route richting het Kanaal te blokkeren, worden mijnenvelden boven de Nederlandse Waddeneilanden gelegd. Voor de Britse marine vormen de territoriale wateren van Nederland een probleem bij hun pogingen de Noordzee effectief met zeemijnen af te sluiten en de U-boten tegen te houden. 20 IN WO I IN DE DOOFPOT DOOD WIERUMER VISSERS door KEES BANGMA cbangma@hotmail.com HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FOTO:KEESBANGMA HET VISSERSMONUMENT BIJ WIERUM ZEEGEZICHT MET VISSERSBOOT BIJ WIERUM - 1917 HERDENKINGSMEDAILLON WILLEM SYBES VAN DER ZEE FOTO’S:COLLECTIEHILDABOUTA
  20. 20. 21 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS tijd van de wereldoorlogen FOTO:BEELDBANKAMELAND BRON:NATIONAALARCHIEF/FOTO:KEESBANGMA EEN AANZIENLIJKE REEKS INCIDENTEN Volgens het internationale recht mogen de Britten geen mijnen leggen in de territoriale wateren van het neutrale Nederland. De U-boten kun- nen de zeemijnen omzeilen door gebruik te maken van de territoriale wa- teren. Dat is ook in strijd met de Nederlandse neutraliteit, maar ons land is onmachtig om dit te voorkomen. Waarschijnlijk nemen de Britten het daarom bij het leggen van zeemijnen niet al te nauw met de Nederlandse territoriale grens boven Friesland. In het voorjaar van 1918 intensiveren de Britten het leggen van zeemijnen en vindt boven de eilanden een reeks incidenten plaats. Eind maart 1918 vaart de torpedoboot Hr.Ms. G11 ruim een zeemijl bin- nen de territoriale grens bijVlieland op een mijn. Het schip gaat ten onder, een opvarende verdrinkt. De onderzoekscommissie stelt vast dat het schip op een mijn is gevaren. Dan komen de vragen. Zijn alle voorzorgs- maatregelen genomen? Maar vooral: hoe komt het dat het marineschip ruim binnen de territoriale wateren in botsing komt met een zeemijn? Kort na het vergaan van de G11 vaart op 10 april de WL19 boven de En- gelsmanplaat op een mijn. De volgende dag vist schipper J.S. Jongeling van de WL6 op dezelfde plaats, samen met de WL1 van schipper G. van der Lei. Ineens trekt het net zwaar en vindt een hevige ontploffing plaats. Het schip wordt lekgeslagen, maar blijft drijven en wordt door andere vissersschepen in veiligheid gebracht. Diezelfde dag vist schipper R. de Beer van de TS13 in span met de WL5 van W. de Vries. Vlakbij de wrakton van de WL19 hebben ze bij het inhalen een zeemijn in het net. Het net wordt direct gekapt, waardoor een ongeluk uitblijft. De Beer verklaart dat de plek vol ligt met geankerde mijnen. Het zijn vermoedelijk recent gelegde mijnen. Uit mondelingeoverleveringvanWierumervissersisbekenddatindeperiodevoorafgaandaandeincidenten,eenaantalmalenvanaf zee een geluid als van rijdende treinen is gehoord. Het is hetzelfde geluid als zeemijnen die van de rails van mijnenleggers lopen. DE VISSERS KRIJGEN DE SCHULD Na de incidenten in het Friesche zeegat wordt een onderzoek ingesteld door de bemanning van het marineschip Hr.Ms. Volhar- ding. Dit als schelpenzuiger gebouwde schip van de firma Doeksen op Terschelling vaart vanaf 1914 in dienst van de Marine. Het wordt uitgerust met een kanon, zoeklicht en draadloze telegrafie. Vanaf 1916 moet het schip vanuit de thuisbasis Oostmahorn de zeegaten ten oosten van Ameland bewaken en optreden bij schendingen van de neutraliteit door Britse of Duitse schepen en vliegtuigen. De bij de zeemijnontploffingen betrokken vissers worden gehoord en commandant Hamersma maakt op basis van hun verklaringen een reconstructie op de kaart. Hij concludeert dat de WL19 geen mijn heeft gesleept. Het schip is op of nabij de grens van de territoriale wateren op een daar verankerde mijn gelopen. De rapporteur voegt hier, zonder enig bewijs en tamelijk suggestief, aan toe: ‘Misschien zijn wel vroeger al door visschers mijnen van buiten de grens daarbinnen gesleept, geheel onwetend.’ Over de incidenten de dag daarna is zijn conclusie dat het in beide gevallen moet gaan om mijnen die door de vissers van 10 en 11 vadem naar minder diepe plekken zijn gesleept en vervolgens, buiten de terri- toriale grens, zijn geëxplodeerd. Ook is volgens hem waarschijnlijk geen sprake van een mijnenveld binnen de grens. Zijn rapport gaat naar marinecommandant admiraal Naudin ten Cate in Den Helder. Deze neemt de con- clusies van de commandant van de Hr.Ms. Volharding over in zijn rapportage aan de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Hij rapporteert dat met vrij grote zekerheid kan worden aangenomen dat de mijnen door de vissers zelf uit het onveilige gebied naar ondieper water zijn gesleept. Kort daarna vist de UK16 een verankerde groen ge- schilderde mijn op twee mijl buiten de kust boven Vlieland op. De vissers slepen de mijn naar binnen en laten deze weer los ten noorden van het Posthuys op Vlieland, zodat deze daar gedemonteerd kan worden. Volgens de marinecommandant blijkt hieruit ‘dat ook nabij Stortemelk, en vermoedelijk ook wel op andere punten der kust door vissers verankerde mijnen versleept worden naar binnen onze territoriale wateren. Het komt mij daarom zeer gewenst voor zulks onder uwe aandacht te brengen aangezien de mogelijkheid niet is uitgesloten dat het ongeval van de Hr.Ms. G11 te wijten zou zijn aan een mijn die op dergelijke wijze daar ter plaatse is gekomen’. RECONSTRUCTIETEKENING VAN COMMANDANT HAMERSMA KINDEREN BIJ EEN ZEEMIJN OP HET STRAND BIJ HOLLUM AMELAND  1916
  21. 21. Het is opmerkelijk dat de marinecommandant zo snel de schuld in de schoenen van de vissers schuift. De verklaring van schipper De Beer,dathetbijdewraktonvandeWL19 volligtmetgeankerdemijnen,wordtgenegeerd.DatdeUK16dezeemijneenmijlbinnende territoriale wateren opvist, doet kennelijk niet ter zake. Nee, alle mijnen zijn vrijwel zeker door vissers van buiten de territoriale wateren naar binnen versleept. Het lijkt een poging om het eigen blazoen schoon te vegen. Toegeven dat de Britten mijnen hebben gelegd binnen de Nederlandse 3-mijls zone betekent dat de Marine haar werk als handhaver van de neutraliteit niet goed heeft gedaan en medeverantwoordelijk is voor het ondergaan van de Hr.Ms. G11. Het komt goed uit om de vissers als zondebok te kunnen gebruiken. NIEUWE SLACHTOFFERS Eind april wordt weer een stevig verankerde Engelse zeemijn gevonden. De mijn ligt 400 meter ten noorden van de plek van het ongeval met de G11, binnen de grens van de territoriale wateren. Opnieuw krijgen de vissers de schuld. Begin mei zetten de mijnenvegers Frans Naerebout en de Lutine boven Vlieland hun zoektocht voort en weer vinden ze ruim binnen de territoriale wateren een verankerde Engelse mijn. Plotseling zien bemanningsleden van de Lutine een zware ontploffing bij de Frans Naerebout. Binnen twee minuten is het schip onder water verdwenen. Negen bemanningsleden worden gered, tien anderen zijn dood of wor- den vermist. Het is het grootste verlies van de Marine in de Eerste Wereld- oorlog. De onderzoekscommissie komt, evenals bij de G11, tot de conclu- sie dat het schip op een zeemijn is gelopen. Tenslotte loopt 27 mei opnieuw eenWierumer vissersschip op een zeemijn, een halve mijl binnen de territoriale grens ten noorden van de vuurtoren van Ameland. Kornelis J. Visser en L.H. Prins zijn op slag dood. Als door een wonder overleeft J.W. Vonk. Hij wordt gered door een vissersschip uit de buurt. De Amelander reddingboot, gewaarschuwd door de vuurtorenbemanning, vaart uit en vindt alleen nog maar door een explosie versplinterd wrakhout. Om 21.00 uur komt schipper J.E. van der Zee in Wierum terug om het verschrikkelijke bericht te brengen, samen met het opgeviste stoffelijk overschot van Prins. Uit rapporten van de kustwacht blijkt dat de plaats van de explosie in de jaren daarvoor met enige regelmaat door Duitse schepen wordt gebruikt om vlak langs de kust te varen. Alle reden dus voor de Britten om hun zeemijnen een eindje binnen de territoriale grens te leggen. NIET DE VISSERS, MAAR DE BRITTEN Inmiddels heeft maatschappij Dirkzwager opdracht gekregen de gezonken Hr.Ms. Frans Naerebout te bergen. Al snel ontdekken de bergers weer zeemijnen in de omgeving van het wrak. Het blijken goed verankerde, recent gelegde Britse zeemijnen te zijn. Eindelijk moet de Marine erkennen dat de Britten ze hebben gelegd binnen de Nederlandse territoriale wateren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken dient een officieel protest in bij de Britse regering. De Britten worden verantwoordelijk gehouden voor de ondergang van zowel de G11 als de Frans Naerebout. De Britten ontkennen alles en geven als verklaring dat de mijnen naar binnen zijn gedreven ten gevolge van het mijnenvegen of – het wordt eentonig – door vissers naar binnen zijn gesleept. De Nederlandse regering probeert al schipperend de neutrale status te bewaren. Er is veel belang bij een goede relatie met Enge- land, die niet door een dergelijk incident op scherp mag worden gezet. De Nederlandse marine kan gezien de omstandigheden natuurlijk geen geloof meer hechten aan de Britse verklaring, maar men wil de zaak niet laten escaleren. De marineleiding oppert dat een Britse vaartuig de mijnen per ongeluk binnen de territoriale wateren gelegd heeft, waardoor de G11 en de Frans Naere- bout zijn vergaan. De Nederlandse regering vraagt de Britse regering om haar strijdkrachten de grootste omzichtigheid in te prenten bij het leggen van mijnen, in het bijzonder in de omgeving van de Nederlandse territo- riale wateren. Met dit vriendelijke protest, waarin Engeland een elegante uitweg wordt geboden, is de zaak symbolisch afgedaan. Naar de incidenten in het Friesche Zeegat vindt geen nieuw onderzoek plaats. Over de omgekomen Wierumer vissers en de grotendeels on- terechte beschuldigingen wordt nooit meer gesproken. Alleen op het monument bij Wierum leeft de herinnering voort. 22 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FOTO:KLAASKEVISSERFOTO:UITGEVERIJLOUISE HELP DEZE UITGAVE MOGELIJK TE MAKEN! Deze gebeurtenissen staan in het mede door ‘sneupers’ Kees Bang- ma en Nykle Dijkstra geschreven boek Ver van het Front? Friesland en de Friezen in de Eerste Wereldoorlog. In dit lijvige boek worden deze vergeten oorlogsjaren beschreven aan de hand van wat gewone mensen meemaakten. Ook in andere hoofdstukken komen Noordoost-Friesland en deWaddeneilanden uit- gebreid aan bod. Het wordt een gebonden boek, ruim 450 pagina’s, op groot formaat en in full colour, voorzien van circa 250 afbeeldingen. Het boek verschijnt 11 november 2018. Wilt u helpen deze unieke uitgave mogelijk te maken? Schrijf dan in op de voorintekening voor € 30. Na 11 november kost het boek € 35. Intekenen kan via de website www.uitgeverijlouise.nl of door een email te sturen naar cbangma@hotmail.com GROEP VISSERS MET KORNELIS JITZES VISSER O
  22. 22. ANTONIUS VAN AYLVA & LISCK VAN EIJSINGA In vervolg op de artikelen in De Sneuper 119 en De Sneuper 124 over Lisck van Eijsinga en Hessel van Meckema is er aanvullende informatie gevonden over de periode tussen haar beide huwelijken. Zoals reeds geopperd blijkt het tweede huwelijk met de Deen Erich Brahe duidelijk geen huwelijk uit liefde, maar een verstandshuwelijk, door de ouders gearrangeerd. Het komt naar voren uit een inschrijving in een vriendenboek van Anna van den Boetzelaar (1584-1650) en een rechtszaak die is gevoerd voor het Hof van Friesland in 1615. Bijhetlezenvanhetboek‘Dekaarsendemug’vanSophieReinderskwam Hans Zijlstra de vermelding van een gezamenlijke inschrijving van Anto- nius van Aylva en Lisck van Eijsinga in dit album tegen. De opmerkin- gen hierbij verwezen naar de tweede relatie van Lisck. Waarom dit niet tot een huwelijk kwam blijk uit de zaak gevoerd aan het Hof van Friesland. Vriendenboekjes waren populair onder de adel en gegoede burgerij in de loop van de 16e eeuw en in de 17e eeuw. Vaak waren het de heren die zo’n poëziealbum of album amicorum bijhielden. De teksten gingen veelal over liefde en vriendschap, soms wat prikkelend en waren meestal met eigen tekeningen versierd. Familiewapens werden hier veelvuldig voor gebruikt. Anna van den Boetzelaar, dochter vanToutenberch kwam uitVollenhove. Zij huwde in 1612 Godart van Reede van Amerongen en kwam daarmee op kasteel Amerongen aan de rand van de Utrechtse heuvelrug te wonen. STRIDEN TOT IEN DEN DOOT In het betreffende album staan inschrijvingen merendeels van 1607 tot Anna’s huwelijk in 1612. Onder andere van Philips van Nassau, Prins van Oranje (1554-1618) en zijn zuster Maria van Nassau, geboren Prinsesse van Oranje, gravin douairière van Ho- henlohe (1556-1616) uit 1611 en van Otto Brahe (1578-1651), kapitein van een compagnie Denen ter repartitie van Zeeland, uit 1609, een broer van de latere tweede echtgenoot van Lisck. De helft van de pagina’s van het boekje is nog leeg en zomaar middenin staan de twee ongedateerde pagina’s van Lisck en Antonijus. Deze moeten van 1614 -1615 zijn. Nergens in dit album komt zo’n gemeenschappelijke inschrijving voor. Op de ene pagina staat een ruiter op een steigerend paard met de spreuk ‘doer Liefde van ghot en zien wort, wel ick striden tot ien den doot ‘ 23 DE TWEEDE LIEFDE VAN door WIBO BOSWIJK & HANS ZIJLSTRA w.g.boswijk@gmail.com LISCK VAN EIJSINGHA HUISJE VAN HEERKE AAN DE LYTSE WEI  1962 / LATER IS HET AFGEBROKEN PORTRET LISCK VAN IJSINGA - ANNO 1611 FOTO:WIBOBOSWIJK ILLUSTRATIE EN INSCHRIJVING IN EIGEN ALBUM DOOR ANNA VAN DEN BOETZELAER  1606 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS PAGINA VAN LISCK IN ALBUM VAN ANNA VAN DE BOETZELAER PAGINA ANTONIJUS IN ALBUM VAN ANNA VAN DEN BOETZELAER FOTO'S:HANSZIJLSTRA
  23. 23. 24 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS L’AMOUR CONSTANT ET FIDELE Op de ander pagina een cartouche vastgehouden door een engel met de namen en twee spreuken geschreven door Lisck en Anthonis. ‘Rien sans Dieu (= niets zonder God), Lucia van Eijssingha’ en ‘L’ amour constant et fidele (= eeuwige liefde en trouw), Antonijus van Aijlwa’. Tevens een afbeelding van het wapen van Aylva. Of Lisck en Antonijus in Amerongen of in Friesland in het boekje hebben geschreven blijft de vraag. Het geeft het vermoeden dat ze elkaar op kasteel Amerongen ontmoet hebben, met genoeg tijd om tussen de ‘conversaties’ door een aantal uren aan deze inschrijving te werken. Dat Anna van den Boezelaer met haar niet meer actief gebruikte album uit haar vrijgezellentijd naar Leeuwarden is afgereisd, lijkt niet aannemelijk. Misschien heeft Anna haar gasten het boekje wel getoond om de inschrijvingen te laten zien van de prins van Oranje en/of die van de broer van de door de ouders gewenste huwelijkskandidaat, Otto Brahe. Na het overlijden van Hessel van Meckema in 1612 was Lisck als weduwe van 18 jaar achtergebleven. In de twee jaar die dan volgen vindt er de rechtszaak plaats over de erfenis van Hessel, gevoerd door haar schoonzuster Luts van Meckema, vertegen- woordigd door haar man als voogd. Lisck wordt bijgestaan door haar vader als ‘cuniuncta persona’, een met haar verbonden per- soon. Niet als voogd, aangezien ze door haar huwelijk op 15-jarige leeftijd wettelijk meerderjarig geworden was. Dit feit maakt het vervolg van het verhaal wat curieus. Uit het relaas van Antonijus in de rechtszaak, die hij aanspant tegen Lisck, blijkt wat er gespeeld heeft. Antonijus en Lisck heb- ben ‘conversatie ende omganck’ met elkaar gehad wat ‘tot haer lieffde verweckt’ heeft. Na vele gesprekken hebben ze elkaar uiteindelijk onvoorwaardelijk trouw beloofd ‘ende op trouwe malkanderen gesoent’ en dit met een roemer wijn beklonken en gedronken. Ter bevestiging van de trouwbelofte heeft Antonijus Lisck een gouden ketting gegeven, die zij heeft aangenomen. Om hun verloving bekend te maken en te overleggen wat nu het beste gedaan kon worden, zijn zij naar hun ‘neef’Frans van Humalda (± 1580 -1621) in Ee gegaan. Zij vertellen Frans over hun verloving. Er wordt weer een toost uitgebracht met een roemer wijn, die volgens Frans ‘een seer aangenaem ende lieve dronck’ is. Hij wenst hen geluk en vraagt of het met toestemming van de ouders is.Waarop Lisck verklaarde dat zij Antonijus niet om haar ouders wil zou willen verlaten ‘soolangehaeroogenopenstonden’. DAER SIJ GEEN SIN TOE HADDE Aan de vrouw van Frans, Ebel van Meckema (1588-1662), vertelt Lisck ook dat zij elkaar trouw hebben beloofd. Ook Ebel wenst haar geluk, waarop Lisck verder aangeeft dat zij ‘sulcx gedaen hadde vermits haer ol- ders haer ansporden om een ander persoon te nemen, daer sij geen sin toe hadde’. Toen Antonijus erbij kwam, heeft Ebel ook hem gelukgewenst, maar confronteerde hem tevens met de opmerking van Lisck. Antonijus vroeg Lisck daarop of zij dat werkelijk gezegd had. Lisck beantwoordde de vraag met ‘jae’. Antonijus accepteerde dit, waarna Ebel hen beiden nog eens feliciteerde. Frans en Ebel leek het verstandig om de zaak nu aan haar ouders te ver- tellen. Ook nog een andere persoon was op de hoogte gebracht van de trouwbelofte en ook deze had hen geluk gewenst. Waarna Antonijus met toestemming van Lisck naar haar ouders was gegaan en hen op de hoogte bracht. Als reactie had de familie Van Eijsinga de gouden ketting, tegen zijn wil, door een dienstbode terug laten brengen, die de ketting bij hem in zijn logement op de tafel gelegd had, aangezien hij nog sliep. WAPEN BRAHE GETEKEND DOOR OTTO BRAHE PHILIPS WILLEM, PRINS VAN ORANJE OTTO BRAHEMARIA VAN NASSAU FOTO'S:HANSZIJLSTRAFOTO'S:HANSZIJLSTRA
  24. 24. MINDER- OF MEERDERJARIG Ondanks dat hij Lisck gevraagd had haar woorden en belofte na te komen en zij dit kennelijk niet kon, was hem later gevraagd om een rechtszaak wegens breken van trouwbelofte als afgewezen persoon in te stellen, om haar als vertegenwoordiger te dienen. Zij kon zich volgens hem niet terugtrekken door het plakkaat op het huwelijk dat meisjes niet zonder toestemming van hun ouders mogen trouwen, omdat zij door haar eerdere huwelijk immers meerderjarig was geworden. Volgens het verweer van de familie Van Eijsinga is één en ander anders gelopen. Verder werd onder andere het feit dat het plakkaat geen onder- scheid maakt tussen gehuwde en ongehuwde dochters aangevoerd. Ook dat in Friesland men voor een goed huwelijk van dochters beneden de 20 uitgaat van toestemming van ouders of voogden. Dit met als doel op dat ‘iongeluijden niet verleit en souden worden deur persuasie (= overreding) ofte enige andere ongeoirloffde middelen’. Lisck was reeds 20 dat jaar, dus een zwakke redenering. In een latere versie van het plakkaat op het huwelijk wordt expliciet vermeld dat weduwen tot 25 jaar toestemming nodig hebben. In 1615 stond dat er nog niet in. VRIJEN ENDE TE ECHTE VERSOECKEN Bij Antonijus bezoek aan vader Aede van Eijsinga zou hij alleen toestemming gevraagd hebben om te mogen bezoeken en met toestemming te mogen ‘vrijen ende te echte versoecken’. Aede wilde er eerst over nadenken. Toen Antonijus een paar dagen later terug kwam, is hem verteld dat een verder gesprek geen zin had en dat hij zijn dochter niet aan hem zou geven. Antonijus had zich hierbij neergelegd met de woorden ‘dat hij haer (gedaegde) niet begeerde te vrijen ofte andersins met haer te handelen dan bij sijnen advijs en consent’ met de toevoeging ‘dat het geen eerlijck iongman ware die anders dede’. Antonijus zou ook aan anderen hebben meegedeeld niet met Lisck te trouwen zonder toestemming van haar ouders. Ook aan grootmoeder Rieme van Galama bij wie hij steun gevraagd had. Het verhaal over de gouden ketting en over hoe deze gegeven zou zijn, maakt ook deel uit van de discussie. Het was van belang of deze wel of niet gegeven en geaccepteerd was en of deze tegen zijn wil geretourneerd was. Maar uiteindelijk, in het Hof van Friesland waar vader Aede ook zitting had, had Antonijus geen kans. De uitspraak vond plaats op 4 juli 1615 in de Kanselarij. De zaak werd niet ontvankelijk verklaard en Antonijus werd veroordeeld tot de kosten. Misschien had de door beiden geschreven en getekende inschrijving in het album amicorum nog kunnen helpen als bijkomend bewijs. Lisck wordt in het geheel niet gehoord. Werd zij zo onder druk gezet en gewezen op de verplichtingen van haar stand? Op zich was zij na het overlijden van Hessel financieel onafhankelijk, dus onterfd worden was niet onoverkomelijk, maar wel een schande. Een jaar later op 3 juli 1616 vindt dan het huwelijk van Lisck met Erich Brahe plaats. Het huwelijk ‘daer sij geen sin toe hadde.’ Antonijus kon niet anders dan zich er definitief bij neerleggen. Hij trouwt 19 januari 1618 in Cornjum met Catharina Evertsdr Entens van Mentheda (1599-1660). Dat pril geluk mag helaas ook niet lang duren. ALS ICK NU WILDE... Als Antonijus met zijn vrouw op 25 februari 1618 ’s avonds over het Jacobijnerkerkhof ter hoogte van het koor van de kerk wan- delt, samen met twee dienstmeisjes en een knecht, passeren ze de beschonken Cornelis Cuijck, die Antonijus dermate hard aanstoot dat zijn hoed op de grond valt. Antonijus zet zijn hoed weer op en geeft Cornelis een vuistslag, zodat die op de grond valt. Daarna loopt het gezelschap verder over het kerkpad. Al scheldend komt Cornelis achter hen aan. Hij roept hen ‘smaedige redenen’ na. Misschien nog in wel in verband met de relatie met Lisck en de verbroken trouwbelofte? De rechtszaak van 1615 zal in Leeuwarden zeker door de gehele bevolking als een smeuïge soap zijn gevolgd. De knecht overhandigt daarop een geweer aan zijn meester, waarop deze naar Cornelis toe loopt en hem vraagt wat hij toch wil en dat hij beter kan ophouden, omdat hij een geweer heeft. Antonijus slaat Cornelis met de kolf van het geweer een paar maal op de schouder en laat zijn degen zakken. Dan valt Cornelis hem aan en steekt hem met een mes in de rechterzij. Antonijus voelt dat hij gewond is en vraagt Cornelis waarmee hij gestoken heeft. Op het zien van het mes pakt hij deze af, smijt Cornelis op de grond en zet het mes op zijn borst en zegt: ‘Als ick nu wilde, so conde ick dy, well rae- mende, een getal steken nae dijen doot geven.’ Zijn vrouw begint dan te gillen en hij maant haar tot stilte, hij zal het niet doen. Daarop breekt hij het mes in stukken en met het restant brengt hij Cornelis wat sneden toe in zijn gezicht. Het gezelschap loopt dan verder naar huis. Thuis geko- men blijkt de wond groter dan gedacht en reeds de volgende middag overlijdt Antonijus van Aylva. Lisck van Eijsinga leefde toen met haar tweede echtgenoot Erich Brahe nog in Leeuwarden en zal dit drama zeker ook meegekregen hebben. Met Cornelis Cuijck loopt het niet goed af. Op 13 maart 1619 wordt hij veroordeeld om: ‘bij de scherprechter op het geschavot geleidet, met den swaerde geexecuteert ende van levene ten dode gebracht te worden, gunnende het lichaem de begraef- fenisse.’16 maart wordt hem het vonnis voorgelezen en waarschijnlijk op dezelfde dag voltrokken. Hij was mogelijk Cornelis Adriaens Cuijck (* ± 1585) uit Franeker. 25 TERECHTSTELLING ‘MET DEN SWAERDE’ ILLUSTRATIE UIT ALBUM AMICORUM VAN HENRICA VAN ARNHEM BRON:STAATSARCHIVNÜRNBERG tijd van regenten en vorsten FOTO:HANSZIJLSTRA ng j is geko- overlijdt genoot ebben. eeld ert ef-efef fde ker. dy, well rae tot stilte, is wat BRON:STAATSARCHIVNÜRNBERG HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS
  25. 25. 26 ROTSEN BIJ AMELAND HELP! WE SLAAN OP DE door THIJS GRAS tgras@xs4all.nl STRANDING IN NOVEMBER 1928 In november 1928 teisterden drie stormen kort na elkaar het gebied van de Noordzee. Twee Scandinavische schepen kwamen voor de kust van Ameland in de problemen en liepen aan de grond. Ze zorgden voor heel wat opschudding, brachten zowel op Terschelling en Ameland als in Oostmahorn redders, bergers en jutters op de been en drukten jaren een stempel op de bewoners en bezoekers van Ameland. Het is vrijdag 16 november 1928 als vanuit de sluizen van het Kielerkanaal het stoomschip Malmö de Noordzee op vaart. Aan boord twintig beman- ningsleden en een grote lading hout uit Finland die hoog op het dek ligt gestapeld. Het waait flink en de bemanning is er niks gerust op. Terecht zo blijkt al snel: de deklast gaat schuiven, de metalen sjorring raakt los en komt in de schroef terecht. Die slaat vast en het schip is stuurloos. Via een passerend schip wordt hulp gezocht op Terschelling waar zaterdag- ochtend de bergingsfirma Doeksen de sleepboot Oceaan laat uitvaren. Zaterdagmiddag wordt een sleeptros bevestigd, maar die raakt al snel los en een stranding is onvermijdelijk. Rond 21.30 uur beukt de Malmö op de kust van Ameland. Een groot deel van de bemanning wil weg van het schip: sommigen den- ken dat ze bij een rotskust beland zijn! De reddingssloep wordt in gereed- heid gebracht en met 14 man te water gelaten. Helaas slaat de sloep uit de kraan en komt ze met een klap op het water. Drie opvarenden verdrin- ken, de rest weet op eigen kracht Ameland te bereiken. Inmiddels zijn door de noodseinen twee reddingboten onderweg: op Ameland verzamelt zich de ploeg van Nes bij hun roeireddingboot onder schipper Hofker, vanuit Oostmahorn vaart de motorreddingboot Insulin- de die kant op. Die nacht proberen beide de zes achterblijvers onder wie kapitein Ingemansson te redden, maar het is te gevaarlijk. In de ochtend weet schipper Toxopeus de Insulinde wel dicht genoeg langszij te krijgen en de zes Zweedse zeelieden springen in de netten. Zij worden die mid- dag nog in Oostmahorn opgevangen. BEGIN VAN DE BERGING Nadat de kapitein en de rest van de bemanning op Ameland herenigd zijn en de firma Doeksen van Terschelling de bergingsklus in de wacht heeft gesleept, moet eerst de zee wat kalmeren. In die periode worden twee aangespoelde Zweden op Ameland begraven (de derde is nooit gevonden). Na een paar dagen gaat een ploeg van 14 bergers (inclusief vier Zweedse bemanningsleden) aan boord om zoveel mogelijk hout te redden. Terwijl ze daarmee bezig zijn steekt onverwachts op zaterdag 24 november opnieuw een storm op. De golven beuken op het schip, sleep- boten van Doeksen proberen vergeefs om het vlot te trekken. Het schip dreigt te breken en de bergers vragen ten einde raad om hulp van de red- dingboot. Het is al donker, maar weer gaan de Amelandse roeiredders aan de slag. Zij krijgen steun van deTerschellinger motorreddingboot Branda- ris die echter niet veel kan uitrichten. Het is in het donker te gevaarlijk en men wacht tot het licht wordt. De ploeg van Nes is inmiddels aangevuld met redders van Hollum en onder de Hollumer schipper Visser, lukt het hun uiteindelijk de voltallige ploeg bergers veilig van boord te halen. Ze zijn er maar wat trots op! DE TARTAR En er is een derde storm onderweg die op 26 november het Noorse schip de Tartar lek doet slaan. De bemanning stapt midden op zee over op een passerend schip en de Tartar drijft als een spookschip richting de Amelander kust waar het ’s ochtends vroeg nabij Ballum aan de grond loopt. De reddingboot van Hollum vaart uit, maar treft niemand aan boord. Wel heeft ook dit schip een kostbare lading hout. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS STOOMSCHIP ‘MALMÖ’ IN DE HAVEN VAN KARLSHAMN BRON:ARCHIEFLARSOLOFBERGMAN SLEEPBOOT ‘OCEAAN’ VAN DE FIRMA DOEKSEN BRON:ARCHIEFFIRMADOEKSEN CONTRACT VOOR DE BERGING DOOR FIRMA DOEKSEN BRON:ARCHIEFFIRMADOEKSEN REDDINGSBOOT INSULINDE OP WEG NAAR OOSTMAHORN BRON:COLLECTIEEGGEKNOL
  26. 26. 27 DE VERDERE BERGING Dat hout brengt veel mensen op de been. VanafTerschelling stuurt de fir- ma Doeksen een ploeg die zelfs met explosieven aan de gang gaat. Dek- lading van beide schepen drijft in zee en wordt een mooie prooi voor de altijd alerte Amelander jutters. Als bergingsleider Volkert Doeksen een keer een wandeling in de duinen maakt, ziet hij onder wat zand en helm hele stapels hout verstopt. Hij doet dat daarna vaker en het levert hem aardig wat op! Maar de Amelanders weten ook veel hout weg te sluizen. Soms kopen ze legaal een kleine partij, maar er zijn ook wel bru- talere voorbeelden. Zo kunnen de gebroeders Boelens het niet laten een geborgen partij hout vanaf het strand door de duinen naar hun schuurtje te slepen. Ze worden echter gesnapt door de veldwachter en voor het gerecht gedaagd. Om een voorbeeld te stellen krijgen ze een zware straf: drie maanden gevangenis! De wrakken liggen voor de kust en zijn een ware toeristische attractie, helemaal als er ook geborgen wordt. In 1929 en 1930 kopen twee parti- culieren zowel de Malmö als de Tartar. Met hulp van het leger dat explo- sieven inzet en zelfs een duiker, proberen zij het hout dat klem zit in de ruimen eruit te halen. De badgasten en de Amelanders kijken hun ogen uit. Het lukt allemaal niet en na 1931 worden de schepen door de bergers met rust gelaten. Een laatste opleving volgt eind jaren vijftig als oud ijzerhandelaar Bertus Woudwijk, beter bekend als Dikke Bertus van Brangtum, een poging waagt om materiaal van de dan nog steeds zichtbare Tartar te slopen. Be- halve een mooie ankerspil, haalt hij er niet veel uit en zand heeft intussen beide wrakken bedekt. BLIJVENDE GEVOLGEN De strandingen van de Malmö en de Tartar laten blijvende sporen op Ameland achter: er zijn twee vakantiehuisjes bij Nes die zo genoemd wor- den en naar verluidt met hout van de schepen gebouwd zijn, net als veel Amelander schuren, daken en uitbouwen; de redders kregen diverse blij- ken van dank waaronder medailles zowel van de reddingsmaatschappij als uit Zweden; het reddingwezen op Ameland werd hervormd en de ver- halen werden doorverteld, soms verrijkt maar ook verarmd of verdraaid. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS FIRMA DOEKSEN ZETTE SPRINGSTOFFEN IN BIJ DE ‘TARTAR’ BRON:ARCHIEFFIRMADOEKSEN BERTUS WOUDWIJK WAS EEN WELGEZIENE GAST OP AMELAND BRON:FAMILIEARCHIEFFAMILIEWOUDWIJKBRON:COLLECTIEJ.A.BLAAK REDDINGBOOT VAN NES PASSEERT NA EEN OEFENING DE VAKANTIEHUISJES ‘MALMÖ’ EN ‘TARTAR’ DE ZWEEDSE KONING SCHONK DE MOEDIGE REDDERS PRESTIGIEUZE MEDAILLE BRON:FAMILIEARCHIEFFAMILIEROEP GESTRAND, GERED, GEBORGEN In het boek‘Gestrand,gered,geborgen.Destrandingenvande‘Malmö’ende‘Tartar’bijAmeland,november1928’vindt u nog veel meer details en uitwerking van vele interessante aspecten die aan deze complexe strandingen kleven. Het boek is gebaseerd op uitgebreid archiefonderzoek in Nederland en Zweden, telt 112 bladzijden en is rijk geïllustreerd. Het is te verkrijgen in de drie boekwinkels op Ameland, bij boekhandel Afûk in Leeuwarden en via internet te bestellen via www.HHSuitgeverij.nl tijd van de wereldoorlogen DE ‘MALMÖ’ ALS TOERISTISCHE ATTRACTIE BRON:COLLECTIEJ.A.BLAAK
  27. 27. INLEIDING Vanaf de jaren dertig tot en met de jaren zeventig kreeg ieder kind ermee te maken: jaarlijks werd je door de schoolarts gecontroleerd op tubercu- lose, ook wel tbc of tering genoemd. Een spannend moment, vooral voor de allerkleinsten. Leerlingen kregen een krasje op de arm (krastest van Pir- quet) of een prikje (Mantouxtest). Wanneer de huid allergisch reageerde op de toegediende tuberculine, dan moest je voortaan jaarlijks naar het consultatiebureau voor controle. Onderwijzers moesten deze test ook ondergaan bij hun verplichte periodieke medische keuring. Dat was al- lemaal wettelijk verplicht sinds een nagenoeg vergeten schooldrama te Ee in 1933. Dit voorval veroorzaakte landelijke onrust en legde een groot gevaar bloot voor de volksgezondheid. Wat was er precies gebeurd? Namen van de getroffen kinderen in dit artikel zijn bekend bij de auteur. Vragen of aanvullingen zijn van harte welkom. VERDACHTE OMSTANDIGHEDEN IN EE In mei 1933 meldde een 13-jarige jongen zich bij huisarts Johannes Nijhoff (1899-1984) te Ee. Deze jongen, luisterend naar de achternaam Keizer, had enige weken het bed gehouden wegens bronchitis. Sinds- dien bleef hij er wat slecht uitzien en hoestte soms nog. Inmiddels was zijn 11-jarige broertje met soortgelijke klachten opgenomen in het kinderziekenhuis te Groningen, waar longtuberculose bij hem werd vast- gesteld. Nijhoff vertrouwde de zaak niet. Hij verwees de oudste broer naar het consultatiebureau. Ook hij bleek tuberculose te hebben. Nijhoff was allerminst gerustgesteld. De laatste tijd constateerde hij vaker dan gewoonlijk bronchitisachtige klachten bij kinderen in Ee. Zijn aan- dacht viel op meester Van Kammen, een jonge onderwijzer die in de kost woonde bij het gezin Keizer. Kort na diens aanstelling te Ee, in november 1932, was hij wel wat opvallend gaan hoesten. Hoewel de dorpsbewoners hem niet wilden geloven, vermoedde de huisarts een tbc-haard op het spoor te zijn. Nijhoff nam eind mei contact op met dokter Hiskia Rintje Gerbrandy (1886-1955), tbc-specialist en leider van het districtsconsulta- tiebureau te Leeuwarden. Gezamenlijk besloten zij meester Van Kammen te onderzoeken, die vrijwillig meewerkte. Hoewel de meester zijn werk nog steeds goed kon doen, werd bij hem tuberculose gevonden. Het bleek zelfs te gaan om de zeer besmettelijke open variant van de ziekte. Van Kammen werd direct op non-actief gesteld. GROOTSCHALIG ONDERZOEK Nader onderzoek in Ee was noodzakelijk. Nijhoff en Gerbrandy schakelden de hulp in van het schoolbestuur en de noordelijke hoofdinspecteur van deVolksgezondheid. De school in kwestie was de gereformeerde lagere school van Ee, gelegen op de hoek Stienfeksterwei met Uniastrjitte. Het schoolgebouw dateerde uit 1925 en voldeed aan alle hygiëne-eisen. Er waren drie lokalen en de school telde 104 leerlingen. Alle kinderen ondergingen op school de krastest van Pirquet. De uitslag was zorgwekkend. In allerijl werden de meeste schoolkinderen per autobus naar het consultatiebureau in Leeuwarden gebracht. Dokter Gerbrandy verrichtte daarbij hoogstpersoonlijk doorlichting en maakte röntgenfoto’s. Naast de broers Keizers werden bij nog eens 27 leer- lingen actieve tuberculeuze longafwijkingen gevonden. De vrees van huisarts Nijhoff bleek gegrond: er was sprake van een flinke tbc-haard. Het schoolgebouw werd meteen grondig ontsmet. 28 VERGETEN SCHOOLBESMETTING IN EE UIT 1933 door THEO DELFSTRA theodelfstra@knid.nl RIJ BIJ DE SCHOOLARTS VOOR CONTROLE OP TUBERCULOSE BRON:BARTJEABBOTILSTRA/NIEUWSBLADVANHETNOORDENBRON::COLLECTIENATIONAALONDERWIJSMUSEUM TBC OF TERING Rond 1900 was tbc met afstand het grootste gevaar voor de volksge- zondheid. Niet alleen de sterfte was hoog, één op de vijf Nederlanders stierf eraan, maar de ziekte kon ook jarenlang voort sluimeren.Tubercu- lose was verantwoordelijk voor een derde van de schoolkindersterfte tussen vijf en veertien jaar. School was na thuis de plek waar de meeste kinderen besmet raakten met de tuberkelbacil. JOHANNES NIJHOFF HUISARTS EE DR. H.R. GERBRANDY TBCSPECIALIST HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS
  28. 28. ONDERWIJZER BESMET SCHOOLJEUGD! Vervolgonderzoek wees uit dat 23 van de 29 zieke kinderen in de laagste drie klassen zaten. Dat waren de klassen waar de zieke onderwijzer voor de klas had gestaan. In de hogere klassen werden slechts zes zieke leerlingen gevonden: dat waren de gebroe- ders Keizer plus vier van hun goede vrienden, die ook vaak bij hen thuis kwamen. In tegenstelling tot de onderwijzer, waren de kinderen vrijwel zeker niet besmettelijk. Had de zieke onderwijzer dan zijn leer- lingen besmet? Of was er misschien nog sprake van een tweede besmettingsbron? Om uitsluitsel te geven werden keuringen uitge- voerd bij het overige onderwijspersoneel en in de gezinnen van de besmette kinderen. Ook de klassen- plattegronden werd erbij gehaald, evenals een kaart van Ee, waarop Nijhoff de woningen van de getrof- fen kinderen intekende. Een tweede besmetting- shaard werd niet gevonden. Bij het bacteriologisch onderzoek werd overal dezelfde, zeer zeldzame tuberkelbacil gevonden. Daarmee stond het vast: de onderwijzer had een derde van zijn schooljeugd besmet met de gevreesde ziekte tuberculose! MEER SCHOOLBESMETTINGEN IN FRIESLAND Terwijl het onderzoek te Ee in volle gang was, stuitte de gealarmeerde regionale Gezondheidscommissie te Dokkum ook op een verdachte situatie in Wouterswoude. Daar stond een fysiek totaal ongeschikte onderwijzer voor de klas. Sinds zijn aanstelling waren er drie leerlingen aan tuberculose overleden. Later bleek de schoolmeester al lange tijd in erge mate aan tbc te lijden. Hij overleed na een korte verpleging te Ap- pelscha in een sanatorium.Waarschijnlijk had hij in ieder geval één van de overleden leerlingen besmet. Echter, het ontbrak hier aan harde bewijzen. Ondertussen meldde zich nóg een onderwijzer bij Gerbrandy op het districtsconsultatiebureau te Leeuwarden. Het was meester W. Wynia van de bijzondere school van het Terschellinger dorpje Hoorn. Sinds on- geveer vijf maanden hoestte hij veel en gaf bloed op. Toch kon hij tot kort tevoren zijn werk nog goed verrichten. De Terschellinger huisarts meende dat meester Wynia longontsteking had, maar Gerbrandy con- stateerde ook bij hem de besmettelijke open vorm van tuberculose. Vanwege zijn zeer recente ervaring met Ee wilde dokter Gerbrandy alle Hoornse schoolkinderen onderzoeken. Ook hier bleek sprake te zijn van een schoolbesmetting. Meester Wynia had veertien van zijn 37 leerlingen geïnfecteerd. Ook zijn enige collega, schoolhoofd Jan Starke, bleek door hem besmet. Deze tweede schoolbesmetting toonde aan dat Ee niet uniek was: onderwijzers infecteerden vaker leerlingen met tuberculose. SANATORIUMOPNAME Aanvankelijk kuurden de meeste geïnfecteerde kinderen uit Ee thuis. Het Groene Kruis stelde een ledikant of rusttentje ter beschikking en de wijkzuster hield een oog in het zeil. Sommige kinderen voelden zich loom en lusteloos, maar de meesten voelden zich helemaal niet ziek. Dit is het verraderlijke bij tuberculose. Dokter Gerbrandy was niet gerust over het ziektever- loop. Hij pleitte ervoor om de leerlingen naar sanatorium Sonnevanck te zenden. Gerbrandy had daar goede contacten. Medio augustus werden zestien kinderen uit Ee per touringcar naar Sonnevanck vervoerd. In de maanden daarna volgden nog zes kinderen uit Ee. De beide broers Keizer gingen niet mee, zij werden verpleegd in het kindersanatorium Hoog-Blaricum te Laren. Vijf ouders weigerden om hun kind zover weg te sturen en verpleegden hun kind thuis. De verplegingskosten in Sonnevanck werden betaald door het Rijk, de gemeente Oostdongeradeel, de diaconie van Ee, het provinciale Groene Kruis en particuliere giften. Medio oktober kregen de kinderen uit Ee gezelschap van acht Terschellinger lotgenootjes. In december volgden nog drie Terschellinger kinderen. 29 GEREFORMEERDE LAGERE SCHOOL VAN EE BRON:COLLECTIEREINDERH.POSTMA tijd van de wereldoorlogen EÉN VAN DE PATIËNTJES UIT EE, THUIS KUREND IN DE TUIN IN EEN LEDIKANT BRON:COLLECTIECISKAHOEKSTRA HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS

×