Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

De Sneuper 118, juni 2015

1,004 views

Published on

Publicatie van Historische Vereniging Noordoost Friesland, http://www.HVNF.nl

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

De Sneuper 118, juni 2015

  1. 1. DE MET DE TREKSCHUIT NAAR DOKKUM SNEUPER jaargang 28 nr. 2 JUNI 2015 nummer 118 losse nummers € 3,95
  2. 2. © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. COLOFON 148 18 20 28 4 correspondentie uitsluitend via: Postbus 369 9100 AJ Dokkum kopij via e-mail: redactie@hvnf.nl website www.hvnf.nl weblog http://sneuperdokkum.blogspot.com De Historische Vereniging Noordoost-Friesland is een Algemeen Nut Beogende Instelling. redactie Warner B. Banga Dokkum Hilda Bouta Neerijnen Atze Glas Gerkesklooster Piet de Haan Dokkum Jacob Roep Leeuwarden Hans Zijlstra Amsterdam opmaak Warner B. Banga 7 FOTO OMSLAG MET DANK AAN: ADEMA-ARCHITECTEN - DOKKUM
  3. 3. prijs losse nummers € 3,95 (exclusief porto) achtentwintigste jaargang nr. 2 juni 2015 verschijnt in maart, juni, september en december in een oplage van 640 exemplaren nummer 118 INHOUD Mijn beroep is om te varen al door de baren maar het is Godt die ons behoedt met schip en goedt In Godes Soon en Christus naem soo wort ons reijs gedaen Luijffelschrift tot Dockum bij de Woudpoort - 1668 HISTORISCH CITAAT: SNEUPERDE 5 6 7 8 20 24 26 14 18 4 21 28 29 30 REDACTIONEEL LEDENNIEUWS 2015-02 VAN DE BESTUURSTAFEL HISTORIE & STREEKGESCHIEDENIS MET DE TREKSCHUIT NAAR DOKKUM KORENMOLEN ‘DEWELKOMST’ AKKERWOUDE SPITKEET HARKEMA ROT- & ZENUWKOORTS IN TERNAARD GENEALOGIE & FAMILIEGESCHIEDENIS DE FAMILIE EGAS UIT HOLWERD DEEL 2 KWARTIERHERHALING RUBRIEKEN & COLUMNS COLUMN: JE MUTTE MAR HOARE... HERALDIEK: HANTUMHUIZEN & HIAURE DIGITAAL & ACTUEEL & VARIA NIEUWE AANWINST MUSEUM DOKKUM INGEBOEKT: Ontsnapt aan het Bloedbad Digitaal verhaal: Genealogieboeken & ramen WARNER B. BANGA JOHANNES DIJKSTRA HAIJE TALSMA BROOR S. ADEMA JAN KOOISTRA JAN DE VRIES SIMON KOORN KLAAS EGAS MATTIE BRUINING IHNO DRAGT RUDOLF J. BROERSMA IHNO DRAGT WARNER B. BANGA HANS ZIJLSTRA HOUTSNIJWERK
  4. 4. COLUMN 4 DE WARE BETEKENIS door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl JE MUTTE MAR HOARE... GERRIT J. ADEMA  WA’T WIT WAT ER WOL, PAKT IT HYNDER BY DE TEAM MARIUS VAN DOKKUM  PEER IN BUBBELBAD BRON:MUSEUMDOKKUMBRON:MARIUSVANDOKKUM BURCHT OF BLOKHUIS? Bij het schrijven van mijn laatste boek Ontsnapt aan het Bloedbad verwonderde het mij weer eens, hoe men op het verkeerde been gezet kan worden door het geschreven woord. Ik moest het in het Latijn geschreven ooggetuigenverslag vertalen van Hendrik van Bra, over de moordpartij in Dokkum in 1572. Hendrik vertaalde het blokhuis bij de Zijl in het Latijn als ‘arx’, dat eigenlijk burcht betekent. Hij moest wel, want de Romeinen kenden geen blokhuis (het woord leeft bij ons voort in blokkade). In de 19e eeuw schreef een vertaler die Dokkum niet goed kende dat de benaming Burcht voortleefde in de wijknaam. Maar die is toch echt Blokhuister Espel en niet Burcht Espel. Iedereen die wel eens oude geschriften heeft proberen te ontcijferen, kent ook het probleem van de schrijfwijze. ‘Hijer’ betekent hier en ‘Schiuerdt’ is hetzelfde als Sjoerd, maar pas wanneer je het woord als een slok wijn wat in de mondholte heen en weer hebt laten rollen, valt het kwartje. TWEETALIGHEID Ik kan me herinneren dat ik als kind niet naar de la- gere school wilde, omdat ik nog niet kon lezen en schrijven. Want ze hadden me verteld dat je vooral daarmee bezig ging op school. Pas toen me nadruk- kelijk was voorgehouden dat je dat daar juist leerde, kon ik ertoe bewogen worden om ernaartoe te gaan. Wij kregen er al vroeg Franse les en toen zat ik er weer mee (echt een tobberig type) hoe het mogelijk was dat een paard ook een cheval kon zijn. Een paard is toch een paard? Ziedaar meteen de voordelen van het tweetalig opvoeden van je kinderen. Pak it cheval by de team, zou ik zeggen en begin er zo vroeg mogelijk mee. Berntsjes (kindertjes) die op- groeien met Fries en Nederlands, met een pake en een opa, die weten wel dat er meer benamingen mogelijk zijn voor hetzelfde begrip. In de sf-klassieker The Matrix zegt Neo tegen het verliefde software- programma: ‘Liefde is een menselijke emotie’. Maar hij krijgt als antwoord: ‘Liefde is slechts een woord, het gaat om het begrip van verbondenheid dat het wil uitdrukken.’ En daarbij had het software-programma het natuurlijk bij het rechte eind. KUNST OF KITSCH? Precies hetzelfde kom ik in mijn museum tegen als mensen mij vragen of iets kunst of kitsch is. ’Dat zijn slechts woorden’, zeg ik dan. De kunst van Ruurd Wiersma (1904-1980) uit Burdaard kan zich vanuit technisch oogpunt niet meten met die van, laten we zeggen, Marius van Dokkum, van wie tot 8 augustus een expositie in het Museum Dokkum te zien is. Maar hij laat wel eerlijke emoties zien en daarom wordt zijn naïeve kunst hogelijk gewaardeerd, ook door mensen ‘die er verstand van hebben’. De beroemde kunstenaar René Magritte (1898-1967) schilderde in 1928 een zeer realistische afbeelding van een pijp en schreef eronder: ‘Ceci n’est pas une pipe’ (Dit is geen pijp). Hij wilde de toe- schouwer eraan herinneren dat je door het beeld verraden wordt: het is geen pijp, slechts olieverf op canvas. Marius van Dokkum schreef met zijn bekende humor onder zijn stilleven van peer, druiven en witte kom: ‘Peer in bubbelbad’. Voortdurend worden we op het verkeerde been gezet en moeten we op zoek naar de ware betekenis. Onbegonnen werk? ’Welnee, ’t komt vast-goed’, zei de makelaar.
  5. 5. 5 REDACTIONEEL RUST, RUIMTE & CULTUREEL ERFGOED Het is weer zomertijd en Noordoost-Fryslân wordt dan overspoeld door toeristen die hier rust en ruimte en cultureel erfgoed zoeken. In vroege- re tijden, eigenlijk nog niet eens zo heel lang geleden, zouden al die reizigers met de trekschuit gekomen zijn. Dat zou helemaal een rustige reis door de ruimte van het Friese landschap vol cultureel erfgoed ge- weest zijn. Broor S. Adema, vanuit zijn architectenbureau betrokken bij de verbouw van het pakhuisje op de plek van het voormalig Driezumer tolhuisje, bood ons een door hem en Oebele Vries samengestelde bro- chure aan met de vraag of wij belangstelling hadden voor De Sneuper. Altijd, maar zeker als het verhaal rijk gedocumenteerd en goed onder- bouwd is! Het is een prachtig hoofdartikel van dit 118e nummer van ons verenigingsorgaan geworden. Ondertussen kunnen al die toeristen nog steeds die rondvaart door rust & ruimte maken in de Dokkumer grachten met trekschuit ‘De Herinnering’, mede‘met dank aan’Broor. Het artikel van Jan de Vries zat meer dan een jaar in onze goed gevulde kopijportefeuille, maar mag in zo’n toeristische editie van De Sneuper natuurlijk niet ontbreken. Ook Jan is één van de vele vrijwilligers die ons cultureel erfgoed toegankelijk houden; hij is vrijwilliger in ‘De Spitkeet’ in Harkema en schreef er een mooi overzichtsartikel over. Bezichtiging gaat niet meer lukken bij molen ‘De Welkomst’ in Akker- woude, want in 1911 brandde de molen af. Jan Kooistra, ondertussen zo’n beetje een vaste medewerker aan De Sneuper, zette de geschiedenis van de molen op papier. GOED VOORBEELD Klaas Egas gaat in het tweede deel van zijn artikelenserie verder over de aannemersfamilie Egas uit Holwerd. Volgende keer het slot van dit rijk gedocumenteerde en geïllustreerde verhaal. Een goed voorbeeld doet volgen? Een tweede genealogische bijdrage komt van een andere ‘vaste medewerker’ namelijk Mattie Bruining, die opnieuw via Kwartierherhaling op zoek ging naar bekende voorouders. Ook hier een voorbeeld van genealogie, dat wij graag in ons blad opnemen. Simon Koorn ontdekte dat zich precies 200 jaar geleden een vreselijk drama afspeelde in Ternaard en verzocht ons daarom zijn artikel juist in dit juni- nummer op te nemen. WAAR ZULLENWE HET NU EENS OVER HEBBEN? Verder natuurlijk weer de vaste bijdragen en rubrieken, geschreven door mensen die ieder kwartaal zonder mopperen en klagen hun bijdrage inleveren, maar best wel eens geplaagd worden door de vraag: ‘Waar zullen we het nu eens over hebben?’ Rudolf Broersma, Ihno Dragt (trouwens nooit om onderwerpen verlegen), Piet de Haan of Hans Zijlstra. Helaas deze keer ook geen‘koffer’of andere, nieuwe rubriek van ons redactielid Hilda Bouta. Sterker nog, we misten haar zelfs op de ledenvergadering. Bovendien heeft Hilda heeft aangegeven dat zij de redactie weer gaat verlaten. Dat heeft een heel verdrietige reden. Hilda kon het bezoeken van de redactievergaderingen in Dokkum altijd mooi combineren met een bezoekje aan haar goede vriend en‘sneuper’(lidnummer 27) Gerrit de Jong in Feanwâlden. Gerrit is helaas op 21 april overleden. Hilda heeft aangegeven dat zij de redactie wil blijven steunen met haar artikeltjes en het (als oud-juf) corrigeren van teksten. Ze geeft aan dat ze er trots op is aan zo’n prachtig blad meegewerkt te hebben. Wij zullen haar kritische en eerlijke inbreng in onze redactievergaderingen missen; Hilda was altijd recht door zee en ook degene die de lekkere koeken meenam... Op de ledendag moesten we ook al stil staan bij het overlijden op 31 maart van oud-redactielid van verdienste Otto Vos. Wij gaan dus weer op zoek naar een nieuw redactielid; liefst iemand die een‘stukje’kan schrijven en taalkundig kan redigeren. Tot slot, voor u zich in dit weer zeer gevarieerde nummer van De Sneuper verdiept, roepen wij al onze leden, maar ook allen die onderzoeksresultaten of artikelen over historische onderwerpen (met een link naar Noordoost-Friesland) willen publiceren, op om hun kopij op te sturen naar redactie@hvnf.nl Onze kopijportefeuille is toch een stuk dunner geworden en wij hebben vooral behoefte aan enkele genealogische bijdragen. TOT LIEF & LEED VAN RUST & RUIMTE door WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl © Niets uit deze uitgave mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen. Deredactieheefternaargestreefddeauteursvanillustratiesopdejuistewijzetevermelden,daar waar afbeeldingennietdoordeschrijvers zijn gemaakt of werden aangeleverd. Zij die menen nog rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de redactie wenden. TREKSCHUIT ‘DE HERINNERING’ IN DOKKUM FOTO:WARNERB.BANGA
  6. 6. 7 BESTUURSTAFEL LEDENDAG IN HANTUM(HUIZEN) Zo sta je er nog voor, met alle drukte rond de voor- bereiding en dan is het al weer voorbij. We kunnen terugzien op een geslaagde ledendag in Hantum. Het ochtendgedeelte werd vlot afgehandeld, zodat er ook nog tijd was voor contacten. We namen afs- cheid van Gerard deWeger als bestuurslid en zetten zijn echtgenote in de bloemen. Gerard wordt op- gevolgd door Ciska Hoekstra. We kennen Ciska al als een trouw bezoekster van onze ledenactiviteit- en. Haar bestuurslidmaatschap werd met applaus bekrachtigd. De boekentafel en informatieuitwisseling verliepen nog niet echt stormachtig, maar alle begin is moei- lijk zullen we maar zeggen. De lunch was over- vloedig en de onderlinge contacten werden weer aangehaald. Het eerste deel van het middagprogramma, door de mediagroep H-dorpen, werd met grote belang- stelling gevolgd. Hier werd getoond hoe men met weinig middelen, maar een grote bijdrage uit de dorpen, door middel van oude foto’s een leuk stuk geschiedenis kan presenteren. Een eerder bezoek tijdensdepresentatievanhettweedeboekvandeze mediagroep toonde reeds aan dat de geschiedenis van dorpen toch wel erg leeft onder de inwoners, zeker gezien de grote groep belangstellenden. Of de auto op een foto nu wel of niet die van de domi- nee was werd o.a. haarfijn uitgeplozen en zo werd een foute algemene veronderstelling rechtgezet. Deze groep verricht dus wel degelijk ‘sneupers- activiteiten’. Het spontane bezoek aan de kerk van Hantum na afloop van de lunch en het geplande bezoek aan de kerk van Hantumhuizen was zeer geslaagd. De uitgebreide uitleg van de heer Coerts was genoeg om een ieder verbaasd rond te laten kijken in dit unieke interieur voor Noordoost-Friesland. Dat er orginele blauwdrukken van de restauratie open en bloot in de kerk lagen, was voor sommigen toch wel even een schok. Blijkbaar is nog niet iedereen overtuigd van het belang van behoud van ons cultureel erfgoed en de bijbehorende documentatie. Tijdens onze ledendag hebben Hans Zijlstra en Reinder Postma zeven unieke 78-toerenplaten van de bekende beheerder van het Vlasmuseum in Ee, Jacob Broersma, gedigitaliseerd. Op deze bijna witte platen staan opnamen van ingesproken boodschappen van hemzelf, zijn verloofde Minke Walda, zijn ouders Tjeerd Broersma en zijn moeder Tjerkje Groen uit Paesens, de dominee Baardt en zelfs een pleegkind van rond 1948. Jacob zat toen met zijn zwager Walda als dienstplichtig militair in Indië, in Soerabaja. Per week stuurde Jacob ook nog eens 3 brieven! Al met al prachtige bronnen van de‘oral history’uit onze regio. VOORBEREIDING NAJAARSVERGADERING Het bestuur gaat zich de komende tijd inzetten op een programma voor de najaarsvergadering. We doen dat deze keer samen met Jacob Roep van Ameland, omdat we daar wel eens willen kijken. We hebben een uitwisseling van ledenbladen met de vereniging op het eiland en worden daardoor regelmatig op de hoogte gesteld van de Amelander historie en ontwikkelingen. Wanneer de kosten van een gewenst programma niet te hoog oplopen, hierover is met de aanwezigen op de afgelopen le- dendag gecommuniceerd, dan kunt u in het najaar meer informatie van ons verwachten. Het bestuur bedankt de redactie en alle schrijvers voor hun bijdrage aan Sneuper 118 en wenst u allen weer veel leesplezier. VAN DEVOORZITTER VERENIGINGSNIEUWS door HAIJE TALSMA FOTO’S:HANSZIJLSTRA
  7. 7. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 8 NAAR DOKKUM INLEIDING Eigenaar van de Stroobosser Trekweg is de provincie Fryslân. In 2008- 2009 heeft de provincie deze weg opnieuw ingericht met veel gevoel voor historie. Een van de elementen die interessant zijn in die geschie- denis zijn de tolhuizen die aan de vaart gevestigd waren om te zorgen dat de vaart zijn geld opbracht. In 1899 besloot de Tweede Kamer dat het Rijk niet langer tol mocht heffen en zodoende veranderde het karak- ter van deze panden volkomen. Het tolhuis dat aan de kruising van de Trekweg en Eastwâld stond, is vervangen door een pakhuisje dat op zich weer een eigen geschiedenis heeft. Dr. Oebele Vries is betrokken geweest bij het vastleggen van de histo- rische aspecten van de Trekweg en Jouke Dantuma en Jaap Jongsma hebben zich mee ingezet om rondom dit gebouwtje meer historische beleving te laten ervaren. Als adviseur heb ik deze gegevens in een bro- chure verwerkt en de eindredacteur maakte daar dit artikel van. ‘ALSOF MEN IN EEN HUISKAMER ZIT’ In 1632 voer de eerste trekschuit in Nederland en wel tussen Amster- dam en Haarlem. Hiermee werd een nieuwe ontwikkeling ingezet op het gebied van het persoonsvervoer over lange afstanden. Reizen per trekschuit betekende een verbetering ten opzichte van verplaatsing met zeilschepen of rijtuigen. Zeilschepen waren afhankelijk van wind en windrichting, waardoor zij een gemiddelde snelheid haalden van niet meer dan 4 km/u. Zolang er nog geen goede landwegen waren, kon het rijtuig nog minder concurreren. De trekschuit voer met een snelheid van ongeveer 7 km/u en had vaste vertrek- en aankomsttijden. Daarnaast was het reizen per trekschuit zeer comfortabel: ‘Alsof men in een huiskamer zit’, zo schreef een reiziger. Met de verbetering van de wegen kreeg de trekschuit in de 18e eeuw meer en meer concurrentie van de postkoets. Echt verdrongen werd de trekschuit in de loop van de 19e eeuw door de komst van de stoomboot en de trein. Pas toen ging men, heel anders dan vroeger, de trekschuit associëren met traagheid. TREKVAART Een trekvaart is een waterweg met een jaagpad. De trekschuit werd met behulp van een jaaglijn in de vaart voortgetrokken door een paard. De eerste trekvaart kwam tot stand in Vlaanderen. De oudste in Nederland is de Haarlemmertrekvaart, die werd voltooid in 1634. In de loop van de 17e eeuw ontstonden in Nederland twee grote trekvaartnetwerken, één in het Zuiden (Holland en Utrecht ) en één in het Noorden (Groningen en Friesland). Rond 1700, toen het personenvervoer per trekschuit zijn hoogtepunt had bereikt, telde Nederland zo’n 415 km aan trekvaarten. ADMIRALITEIT VAN DOKKUM In 1597 werd in Dokkum, toen nog een havenstad, een van de vijf Nederlandse Admiraliteiten gevestigd. Een van de taken van de Admiraliteiten was de bouw en uitrusting van oorlogsschepen. Dokkum was hiervoor geen gelukkige keus, want de haven was eigenlijk te klein en het Dokkumdiep werd in toenemende mate onbevaarbaar door dichtslibbing. Om deze redenen werd de Dokkumer Admiraliteit verplaatst naar Harlingen. Het besluit hiertoe werd al in 1631 door de Staten van Friesland genomen, maar ook de Staten van Stad en Lande (Groningen en Ommelanden) hadden zeggenschap over wat gemakshalve de Friese Admiraliteit werd genoemd. Hierdoor kreeg de verplaatsing pas in 1645 zijn beslag. Het stadsbestuur van Dokkum stelde alles in het werk om compensatie voor het verlies van de Admiraliteit en van zijn plaats als havenstad te krijgen. Dankzij zijn bekwame burgemeester Johannes Veltdriel verkreeg Dokkum hierbij de steun van niemand minder dan de Friese stadhouder, Willem Frederik. Het nieuwe perspectief waarop Dokkum nu inzette, was: opname in het trekvaartstelsel. In 1646 verkreeg de stad octrooi van de Friese Staten voor de aanpassing van de Dokkumer Ee naar Leeuwarden tot trekvaart. Zo voeren al in de zomer van 1647 de eerste trekschuiten tussen Dokkum en Leeuwarden. MET DE TREKSCHUIT door BROOR S. ADEMA B.Adema@adema-architecten.nl TREKSCHUITENNETWERK IN 1650 BRON:GESCHIEDENISVANZUIDHOLLAND
  8. 8. HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS 9 TREKVAART NAAR STROOBOS & GRONINGEN De volgende stap was de aanleg van een geheel nieuw te graven trekvaart richting Kollum. Deze zou daar moeten aansluiten op de vaart van Kollum naar Stroobos, die al in 1508 was gegraven. Op deze manier zou een trekvaartverbinding tot stand kunnen worden gebracht tot de grens met ‘Groningerland’. Hier zou de aansluiting moeten komen op de trekvaart die de provincie Stad en Lande (Groningen en Ommelanden) wilde aanleggen vanaf Noordhorn tot Stroobos. Om middelen voor de trekvaart naar Stroobos vrij te maken verkocht Dokkum in 1654 de helft van de trekvaart naar Leeuwarden aan de stad Harlingen, de hofmeester van de stadhouder en de secretaris van Gedeputeerde Staten. Hierbij werd nadrukkelijk gesteld dat dit geld uitsluitend bestemd was ‘tot opmaeckinge van een treckpadt ende nieuwe vaert aen Groeningerlandt ende soo voorts op Groeningen’. Dokkum ondervond hierbij nogal wat tegenwerking. De steden Groningen en Leeuwarden en ook de schippers hadden namelijk een voorkeur voor het kortere traject tussen Leeuwarden en Groningen via Burgum.Toch bleek de lobby van Dokkum sterk genoeg om dit verzet te overwinnen. Dokkum had namelijk de steun van de stadhouder, de Staten van Friesland en ook de stad Harlingen (vanwege haar aandeel in het bezit van de trekvaart Dokkum- Leeuwarden). In 1654 kreeg Dokkum toestemming van de Staten tot aanleg van de trekvaart en daarenboven ook nog een financiële bijdrage tegen lage rente. Op 6 juni 1654 ging de eerste schop de grond in en op 6 juli 1656 was de trekvaart klaar. GEDENKPENNING 1657 De tien heren opzieners kregen als teken van bijzondere dank op 30 juni 1657 een gouden gedenkpenning. Het Latijnse randschrift luidde: Onder Prinselijk gezag is de nieuwe trekvaart gemaakt; dit maakt hem onsterfelijk onder de stervelingen. Op de keerzijde stond, eveneens in het Latijn: De 9e juli 1654 zijn, tot nut van het algemeen, de weg en trekvaart van Dokkum op Groningen en de Ommelanden begonnen, zijnde door de Staten van Friesland vergund, door het Hof goedgekeurd en onder het gezag van Prins Willem Frederik van Nassau, enz.: door de gemachtigden uit de magistraat en vroedschap, in naam van de raad, Wissema, Potter, Suyderbaan junior, Idtskema, Finck, Waelwiick, Boom, en uit de gemeente Radbodus en Hoochacker in 1656 voltrokken, toen P. Veltdriel secretaris en W. Conradi rentmeester waren. tijd van regenten en vorsten BOCKEBLOETKAART UIT 1646 MET DE VOORLOPER VAN DE TREKVAART MARSLOOT BRON:GRONINGERARCHIEVENBRON:ADMIRALITEITSHUISDOKKUM
  9. 9. 10 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS CONTRACT TOT HET EXPLOITEREN VAN DE TREKVAART Op 13 februari 1658, enkele maanden voor de opening van de trekschuitverbinding, werd er een overeenkomst getekend tussen de provincie Stad en Lande en de stad Dokkum. In deze overeenkomst werden o.a. geregeld de afvaarttijden, dat er in Dokkum geen oponthoud was voor doorgaande reizigers; de mogelijkheid werd geboden voor het meesturen van post- stukken; de wijze van afdracht van de vervoerskosten; het verbod om onderweg aan te steken en dat men de veerdienst met goede schepen en paarden verzorgde. Dit document werd in het provinciehuis te Groningen ondertekend door vertegen- woordigers van Groningen en Dokkum. Voor het gebruik van de trekvaart en trekweg werd een reglement van dertien punten opgesteld. Dit bevatte onder meer de volgende bepalingen: de trekweg mocht niet worden gebruikt met wagens, karren of sleeën. De tolgaarders moesten er bij het openen van de bomen of hekken op toezien dat het pad op de juiste wijze gebruikt werd, zij moesten op eigen kosten hun deel van de weg onderhouden, maar mochten de bermen gebruiken voor begrazing. Dan volgden de toltarieven die voor ieder schip bij ieder verlaat moest worden betaald. Een dertiental scheepstypen had ieder een eigen tarief. Degene die weigerde te be- talen of fraudeerde, moest bij ieder tolhek waar de fraude was gepleegd 4 gulden betalen. De tolgaarder moest dit terstond melden. ORDONNANTIE VANWEGE STAD & LANDE In een Ordonnantie op de trekvaart vanwege de Staten van Stad en Lande werden o.a. de vertrektijden voor het zomer- en winterseizoen vermeld; bij aankomst van het laatste schip in Dokkum moest de poort worden opengehouden. Ter voorkoming van oponthoud bij het overstappen waren kruiers in Groningen en Dokkum aangesteld; de schippers moes- ten nuchter zijn en altijd zelf varen; de schepen mochten geen andere schepen trekken; als er meer dan 24 personen kwamen opdagen dan moest een volgend schip worden ingezet; er moest bij het varen in het donker voorop het schip een lantaarn met brandende kaars worden ge- plaatst; de schippers waren verantwoordelijk voor de staat van onder- houd van het schip; de veerschepen moesten in het gewone seizoen binnen zeven uur de afstand tussen Dokkum en Groningen afleggen; de schippers mochten arme mensen niet laten staan; zij moesten deze vóórin of achterin de schuit een plaats geven. De schippers moesten op naleving van deze ordonnantie een eed afleggen. BRON:ADMIRALITEITSHUISDOKKUMBRON:STREEKARCHIEFNOORDOOSTFRYSLAN
  10. 10. 11 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS COMMISSARISSEN De commissarissen functioneerden als toezichthouders op de schippers enkregendaarvooreensalarisvan400gulden,maaralsborgsommoesten zij 1000 gulden betalen. Hun taak was o.a. toezicht houden bij de afvaart en aankomst van de trekschuiten en bij het slaan van de klok moesten zij in tweevoud registreren hoever de passagiers meevoeren. Zelf behield de commissaris een exemplaar en een duplicaat moest de veerschipper overhandigen in de plaats van aankomst. Hij moest de boekhouding bij- houden; bij het openen van de kas en het overhandigen van het geld moest hij de OntvangerGeneraaleen uittreksel van de ontvangsten tonen en voorzien van de ontvangen reisbiljetten; in alle gevallen van fraude moest de commissaris de gedeputeerden van Stad en Lande in kennis stellen. Alle commissarissen moesten volgens Smedema op naleving van deze regels een eed afleggen. TOLHUIZEN AAN DE STROOBOSSER TREKVAART Aan de trekvaart werden meteen al vier tolhuizen gesticht, het eerste onder Wâlterswâld, het tweede onder Driezum (in de buurtschap East- wâld), het derde onder Kollum en het vierde bij de uitmonding van de trekvaart in het Kolonelsdiep bij Gerkesklooster. Bij Kollum en bij Ger- kesklooster kwam bovendien een verlaat (schutsluis): het Kollumerver- laat en Jan-Ooms of Gerben Alles-verlaat. Later kwam er nog een vijfde tolhuis bij en wel bij de Rode Tille, waar de vaart door Kollum in de Trekvaart uitkomt (nu heet de vroegere Rode Tille de Tolhuisbrug). Dit tolhuis stond voorheen in het dorp zelf en is in 1779, toen de provincie eigenaar van trekvaart en trekweg werd, verplaatst. Hierbij bedongen de Kollumers dat zij werden vrijgesteld van het betalen van tol. Later is er ook enige tijd een tolhuis geweest bij de kruising van de trekweg met de Groninger straatweg (‘De leste stuver’). Onder een tolhuis wordt een gebouw verstaan waar tol werd betaald. Tol werd geheven voor de bestrijding van de kosten die waren gemaakt voor het aanleggen van wegen of vaarwegen. Tollen werden in de re- gel verpacht. De tolpachter betaalde dan jaarlijks een bedrag aan de overheid in ruil voor het recht tol te heffen. Vaak was het tolhuis ook de dienstwoning van de tolgaarder. Deze pachtte tegelijk ook het visrecht in een gedeelte van de trekvaart. De tolgaarders moesten ook zorgen voor het onderhoud van de trek- weg. Zodra de schipper op de hoorn had geblazen, moest de tolgaarder het tolhek op de trekweg en de ketting over de trekvaart openen. In 1656 mochten wagens nog niet gebruik maken van de trekweg naast de trekvaart. Voetgangers mochten dit wel en er mochten paarden, koeien, varkens en schapen langs worden gedreven. Aanvankelijk werden tollen meestal verpacht door een gewest of stad, later door de rijksoverheid, provincie of gemeente. In de 19e en 20e eeuw zijn bijna alle tollen in Nederland opgeheven. Tegenwoordig wordt er soms weer tol geheven ter bestrijding van de kosten voor grote kunst- werken als tunnels e.d. Tot 1899 moest er bij de tolhuizen nog tol worden betaald.Toen werden de tollen afgeschaft en verloren de tolhuizen hun oorspronkelijke func- tie. Zij werden niet dadelijk afgebroken. Met het Driezumer tolhuis gebeurde dat in 1911. Veel tolhuizen hadden intussen ook de functie van herberg gekregen. Anders gezegd: hier werd (sterke) drank getapt. Vooral scheepsjagers (de aanjagers van de paarden die de schepen trokken) stonden bekend als grote ‘innemers’. Bekend is ook dat er in het Driezumer tolhuis openbare verkopingen en boelgoeden werden gehouden. Er bestonden aan de trekvaart overigens veel meer gele- genheden waar sterke drank werd getapt. Ook ontwikkelden zich er verschillende vormen van bedrijvigheid. Zo bestonden er rond 1900 cichoreidrogerijen in Eastwâld, vlakbij het Driezumer tolhuis, en bij de Bûntehûnsbrêge onder Westergeest. tijdvanpruikenenrevoluties FOTO:WARNERB.BANGABRON:TRESOARBRON:JOUKEDANTUMABRON:JOUKEDANTUMA VOORMALIGE WISSELPLAATS VOOR PAARDEN BIJ DOKKUM STELPHUIZING OP PLEK VOORMALIG KOLLUMER VERLAATSHUIS VOORMALIG ‘EINEHÛSKE’ BIJ DRIEZUM DETAIL VAN TREKVAART UIT SCHOTANUSKAART  1664
  11. 11. 12 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS VAN DRIEZUMER TOLHUIS TOT PAKHUIS In 1911 werd het voormalige Driezumer tolhuis tijdens een openbare veiling voor afbraak verkocht. Het tolhuis stond gedeeltelijk op de Stroo- bosser Trekweg. Iets westelijker, op een perceel in eigendom van baron Maurits Pico Diederik Baron van Sytzema, werd een pakhuis gebouwd. De vermoedelijke aanvrager en gebruiker was Johannes Algra, die in 1913 een bouwvergunning aanvroeg voor het bouwen van een hok aan de Rijkstrekweg. Hij was zijn schoonvader Jan Dantuma opgevolgd als beurtschipper. Het Driezumer beurtschip voer op Dokkum, Leeuwarden en Groningen. De lading bestond meestal uit vee en groente, die in het ruim van het schip kwamen. De schipper vervoerde het vee naar de veemarkten in Leeuwarden en Groningen. Op de terugreis was er voldoende ruimte om o.a. lijnkoeken voor olieslager Roelfsema (Dokkum) of hout voor de Dokkumer molenaren Banga en Helder te vervoeren. Op het schip werden ook personen vervoerd. Zo is bekend dat Jan Dantuma de ‘fiskfroulju’van Wierum naar Groningen bracht, waar zij hun koopwaar uitventten. In de zomermaanden diende het Driezumer beurtschip voor boottochtjes over de Friese meren. Toen het vervoer steeds vaker over de weg plaatsvond, verkocht Algra zijn schip aan de familie Vleeshouwer uit Gorredijk. Diverse schippers gebruikten het pakhuis voor opslag van materialen. In 1958 kochten de ongehuwde broers en zusters Jan, Sake, Evert, Tjeerd, Grietje, Frederik, Wiepko en Zwaantje de Jong uit Eastwâld het pakhuis. Vanaf dit moment werd het niet meer gebruikt door schippers. HUSTERNOARD OpdewestelijkehoekvandetrekwegenMûntseweiisnogdestandplaats herkenbaar van het vroegere huis‘Huisternoord’(Fries: Hústernoard). Dit moet kort na het graven van de trekvaart zijn gesticht. Het huis, liggend aan het begin van de smalle opvaart naar Veenklooster, hoorde bij het landgoed Fogelsanghstate te Veenklooster. Het bruggetje op de plaats waar de opvaart in de trekvaart uitkomt, is later vervangen door een duiker. Op deze plaats vindt men nu een wegvernauwing in de vorm van een ‘schijnbrug’. Aan dit huis was het recht van beurtveer (dienst voor goederenvervoer per schip) op Dokkum en Leeuwarden verbonden. Er was tevens een herberg in gevestigd. Net zoals bij de tolhuizen was ook hier een opstapplaats van de trekschuit. Uiteindelijk was het huis alleen nog in gebruik als boerderij. In 1957 is het afgebroken. Aan de overzijde van de trekvaart werd in 1899 een coöperatieve zuivelfabriek gesticht, waaraan ook de naam ‘Huisternoord’ werd gegeven. Deze fabriek heeft zijn honderdjarig bestaan net niet gehaald. Nu leeft de naam Hústernoard alleen nog voort als benaming van het deel van de trekweg aan weerszijden van de kruisingen als naam van de buurtschap. ADVERTENTIE DRIEZUMER TOLHEK  1911 TOLHUIS WÂLTERSWÂLD  1950 TREKSCHUIT ‘DE HERINNERING’ OP DOKKUMER GROOTDIEP FOTO:WARNERB.BANGABRON:ADEMAARCHITECTEN
  12. 12. 13 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS ‘ARREM DOKKUM’ Over het overeengekomen reglement tussen de Staten van Stad en Lande en Dokkum ontstond al binnen twee jaar een conflict. De Gro- ningers klaagden over de verdeling van de opbrengsten van de trekvaart tussen hun stad en Dokkum. Van de ‘gemeengemaakte’ vaart lag het langste gedeelte, 27 km, in Stad en Lande (het Dokkumer deel van de vaart was 19 km). Dit leidde ertoe dat de Gedeputeerde Staten van Stad en Lande de trekschuiten vanaf 1661 niet verder lieten varen dan tot Stroobos. Hierdoor kreeg Dokkum aanzienlijk minder inkomsten dan waarop was gerekend. Dokkum kwam met zijn trekvaart helemaal in de problemen toen als gevolg van de inval van de bisschop van Munster in het rampjaar 1672 de bruggen over de Stroobosser Trekvaart onklaar moesten worden gemaakt. Om alle kosten te kunnen betalen ging het stadsbestuur een lening aan bij een Amsterdamse makelaar. Zo dichtte men het ene gat met het andere. In 1673 moest Dokkum de trekvaart en de trekweg zelfs afstaan aan zijn crediteuren, die voortaan ook de tollen inden. Zo werd de aanleg van de trekvaart uiteindelijk een drama voor Dokkum. De stad verviel hierdoor in grote armoede: ‘Arrem Dokkum’! Ongeveer honderd jaar later, in 1779, kocht de provincie trekvaart en trekweg met alle tollen aan van het consortium van crediteuren. Later werd het Rijk eigenaar, vervolgens weer de provincie, toen weer het Rijk. Heden ten dage is de trekweg, zoals gezegd, weer eigendom van de provincie. De beroemdste reiziger die per trekschuit over de Stroobosser Trekvaart is vervoerd, is admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Op 14 augus- tus 1665 reisde hij met zijn gevolg met de trekschuit van Delfzijl over Groningen, Stroobos, Dokkum en Leeuwarden naar Harlingen. In alle steden die hij aandeed, was er een grote toeloop van volk en werd hij met gejuich binnengehaald. ‘DE HERINNERING’ In Dokkum vaart sinds 1985 de enige trekschuit in Nederland, naar origineel model. Dit schip vaart in het seizoen op woensdag- middag voor publiek en is daarnaast af te huren voor gezelschappen. Er is een vaste vaarroute door Dokkum, maar op aanvraag zijn er mogelijkheden om in overleg zelf een vaarroute te maken. Er zijn vaartochten naar Kollum, Dokkumer Nieuwe Zijlen en Burdaard georganiseerd. Het schip is op diverse locaties in Nederland ingezet zoals in Noord-Groningen, tussen Sneek en Leeuwarden en bij Naarden. Tevens heeft het schip gevaren bij het 750-jarig bestaan van Berlijn ter herin- nering aan de ‘Wasseromnibus’ . De oorspronkelijke trekschuit, type snik, zou in 1981 worden gerestau- reerd op de Kromhoutwerf in Amsterdam, maar ging door brand verloren. Toen is besloten tot de bouw van dit schip. Aanvankelijk was de trekschuit eigendom van het Scheepvaartmuseum te Amsterdam, maar omdat deze niet in de collectie van het museum paste en omdat varen op het IJ te gevaarlijk was, is deze in Dokkum in de vaart gebracht. Het schip is ongeveer 12 m lang en 2,80 m breed. De ingang deelt het schip in een compartiment voor de tweede klas met ongeveer twintig zitplaatsen en een compartiment voor de eerste klas met ongeveer tien zitplaatsen. BRONNEN Verkenningen van dr. Oebele Vries Meindert Schroor, Geschiedenis van Dokkum - 2004 Handschrift Smedema 17e eeuw Wikipedia Aanvullingen en eindredactie Warner B. Banga. RONDVAART MET TREKSCHUIT ‘DE HERINNERING’ ‘IN DE DOKKUMER TREKSCHUIT‘ DOOR M. RORBYE IN 1834 PIETER BERNARDUS BOOMSMA EN JAN THIJSEN FEENSTRA BRON:MUSEUMDOKKUM FOTO:WARNERB.BANGA tijdvanburgersenstoommachines
  13. 13. 14 VAN HOLWERD deel 2 INLEIDING Er zijn maar weinig nazaten meer met de naam Egas. In een serie van drie artikelen beschrijf ik de diverse generaties in en vanuit Holwerd. In deel 1 hebben we gezien hoe Govert Egas in de jaren ’70 van de 19e eeuw in Holwerd terechtkwam en daar een aannemersbedrijf, een winkel en een gezin ontwikkelde. Van de acht kinderen zijn er twee jong overleden en zijn er vijf naar elders vertrokken om een eigen beroep uit te oefenen. Alleen Klaas bleef in Holwerd, als opvolger in het bedrijf van Govert. KLAAS ZET HET BEDRIJF VOORT Klaas trouwde op 12 november 1898 te Ternaard met Aaltje Klazes Colmer, die toen dienstmeid was te Murmerwoude. Klaas gaf daarbij ‘klompenmaker’als beroep op en ook bij de geboortes van zijn zoons in de jaren erna bleef hij dat. Zijn vader en moeder werden aangeduid als ‘winkeliers’. Haar vader kon er niet bij zijn en gaf toestemming per gereg- istreerde notariële akte. Zij gingen toen zelfstandig in Holwerd wonen in een klein huis aan het eind van de Visweg, tegenover Café Land- en Zeezicht van Cornelis Colmer op de dijk waar de veerboot aanlandde. Aaltje Colmer kwam van Ameland en groeide als een zeemansdochter op in het vriendelijke dorpje Nes. Haar vader Klaas Cornelis Colmer was kapitein op de grote vaart en dus weinig thuis. Maar als hij thuis was, dan was hij er ook. Het was een zwaargebouwde man en een bekwaam kapitein, die aan boord de wind eronder had. Aan de wal was hij ontspannen, vrolijk en dichterlijk. Aaltje was dol op haar vader. Toen Aaltje zeventien jaar was overleed haar moeder, de freule Geertruida Elisa- beth Bartra Bakker [1] , op bijna 50-jarige leeftijd aan tbc. Dochter Aaltje deed toen een aantal jaren het huishouden voor haar vader, totdat hij opnieuw trouwde met een Amsterdamse en zij het huis uit moest. In Murmerwoude kreeg zij een goede huishoudelijke opleiding bij een rijke vervener. Deze was een vriend van Govert Egas sr. en door die contacten leerde zij Klaas Egas kennen. Aaltje trouwde als doopsgezinde in een hervormd gezin. Zij bezocht daarna ook de NH-kerk. Het was de bedoeling, dat zoon Klaas het bedrijf van vader Govert zou overnemen. Aaltje en Klaas kregen al spoedig kinderen, zodat het bedrijf meer zou moeten opleveren. Aaltje bracht acht kinderen ter wereld: 1. Govert geboren 1900 te Holwerd en overleden 1970 te Hardegarijp 2. Klaas geboren 1901 te Holwerd en overleden 1950 te Holwerd 3. Aaltje geboren 1903 te Holwerd en overleden 1981 te Leeuwarden 4. Geertruida Elisabeth Bartra geb. 1905 te Holwerd en overleden 1971 te Leeuwarden 5. Gerrit geboren 1907 te Holwerd en overleden 1973 te Holwerd 6. Cornelis geboren 1909 te Holwerd en overleden 1912 te Holwerd, als 3-jarige 7. Cornelis geboren 1913 te Holwerd en overleden 2001 te Alkmaar 8. Cornelia geboren 1916 te Holwerd en na 5 maanden te Holwerd overleden Cornelis ( 6 ) verdronk op 12 juni om ca. 15.00 uur in de vaart achter het huis. Zijn moeder was degene, die hem vond... UITSLAANDE BRAND Trui – het vierde kind – herinnerde zich, dat zij als klein meisje met het gezin ternauwernood dwars door de ramen uit hun huis moest vluchten bij een felle uitslaande brand. ZijheefttoenanderhalfjaargelogeerdbijdeColmers op de dijk, een neef van moeder Aaltje. Blijkbaar kon er slechts tijdelijke huisvesting gevonden worden, met te weinig ruimte. Bij deze brand gingen het archief en gewonnen prijzen van Chariëtto verloren, waaronder de notulen t/m 1909. Het is dus waarschijnlijk herfst 1909 gebeurd. DE FAMILIE EGAS door KLAAS EGAS klaasjanneke@casema.nl OPHOGEN ZEEDIJK WESTERPOLDER 1908: ALLES HANDWERK. ‘HOGE HEREN’ OP INSPECTIE AALTJE KLAZES COLMER GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENISBRON:JANVANDERVELDE BRON:KLAASEGAS
  14. 14. 15 BEHEERDER VAN DE CICHOREIDROGERIJ Govert Egas senior was invloedrijk in het dorp en was ‘kruiwagen’ voor de aanstelling van zijn zoon Klaas als ‘beheerder’ van de cichoreidrogerij aan de kop van de Holwerder Vaart, waardoor het jonge gezin van Klaas ’s winters aanvullend inkomen had. Waarschijnlijk had hij deze functie tussen ca. 1909 en 1920 [2] . Het leverde – na de genoemde brand – ook een ruimere woning op voor het jonge gezin Egas. De eigenaar van de drogerij woonde in Murmerwoude. We kunnen ons de economische basis voor het gezin van Klaas na 1910 wellicht zo voorstellen, dat hij ’s zomers als aannemer het dijkonderhoudswerk voortzette (en ook in 1916 dat aan de uitbreiding van de pier voor de veerboot op Ameland), en ’s winters de cichoreidrogerij exploiteerde. Govert Egas overleed in januari 1910 en toen moest verdeling van de erfenis worden vastgesteld. Het vermogen bleef in het vastgoed van Moeke Egas zitten. Daarmee had Klaas een (te) krappe basis voor de voortzetting van het aannemersbedrijf. Hij was een goed vakman, maar niet hard genoeg voor de aannemerij. Het bedrijf kwijnde en Aaltje moest hem voortdurend achter de vodden zitten om te zorgen dat er voldoende verdiend werd. Daar kon hij slecht tegen, waardoor hun verhouding verslechterde. Tot 1920 was Klaas naast aannemer ook al steeds een van de vele gardeniers in Holwerd. Dat gaf een meer zekere basis voor het gezin bij de wisselvalligheid van het aannemerswerk. Ook de loondienst als beheerder van de cichoreidrogerij droeg bij tot die basis, omdat dit vooral werk in de winter bezorgde. Na 1920 werd zijn bedrijf een combinatie van het aannemerswerk en een gemengd land- bouw- en veeteeltbedrijf. Hij had de ambitie het agrarische bedrijf uit te bouwen ten behoeve van zijn zoons. OP HET SJIEKE AF De zoons werden na zes jaar lagere school op het eigen bedrijf ingezet. Klaas had nog op kleine schaal wat akkerbouw en koeien en geiten (voor de melk) en een eigen moestuin, waarbij het meeste verzorgings- en oogstwerk door moeder en dochters kon worden gedaan. Bovendien had moeder Aaltje ook enige jaren een kruidenierswinkeltje – daartoe gestimuleerd door haar schoonmoeder. Toch wordt in de familie de herinnering bewaard, dat Klaas als aannemer wel degelijk succes had en er goed werd verdiend. Blijkens de familieoverlevering liep moeder Aaltje altijd goed gekleed, soms op het sjieke af, en was zij het ook die de gezinsfinanciën bestierde. Als Klaas te gemakkelijk geld of goed weggaf, haalde zij het meeste weer ter- ug. (Maar zoals altijd verschillen de herinneringen per familielid en zullen ze in de loop der decennia wel wat zijn aangedikt…). Hoewelhethelegezinsocialistischgezindwas,isAaltje daar het meest bevlogen in geweest. In de 1 mei- optocht liep zij graag voorop. Zij werd ook voorzitter van de Vrouwenbond. Klaas was sinds 1911 lid, mani- festeerde het niet zo, maar zal wel SDAP gestemd hebben. Hij werd in Holwerd ook gezien als onder- nemer, en dan paste zo’n activistische houding niet... Maar de kinderen hebben het wel overgenomen! tijdvanburgersenstoommachines PIER-WERKERS IN 1916 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS VERKIEZINGSPOSTERS VAN DE SDAP GERRIT, AALTJE, CORNELIS ZITTEND, GOVERT EN TRUI EGAS BRON:WIKIPEDIA
  15. 15. 16 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS AANGEPAST BEDRIJF In juni 1919 verwierf Klaas nog de gunning van hei- en schutwerk aan de West-Holwerder zeedijk voor ruim f 2.200. In het najaar van 1919 brandde de cichoreidrogerij tot de grond toe af. De drogerij was deel van een langwerpig gebouwd geheel, waarin ook de woning en bedrijfsruimte was on- dergebracht. Klaas kocht voorjaar 1920 de grond en de bouwval (dus inclusief hun woning) om een aangepast bedrijf voort te zetten. Het kadastraal register 2539 meldt: ‘Klaas Egas, gardenier (!) te Hol- werd, koopt (verwerkt in dienstjaar 1922) het kad. nr. A 2532, huis, cichoreidrogerij en erf, van 8,10 are, alsmede A 2898, bouwland van 5,30 are, van Arnoldus Brakken, koopman te Murmerwoude.‘ Het erfdeel uit de verkoop in 1919 (door moeder) van het ouderlijk huis was ca. f 335 en dus onvol- doende voor de aankoop. Klaas sloot in mei 1920 een hypothecaire lening van f 2.800 bij Douwe Jans Heeringa, administra- teur te Holwerd. Met de uitkering van een brandverzekering en de lening kon hij ook sloopmaterialen kopen. Samen met zijn oudste zoons en met hulp van een zwager - de Holwerder timmerman (en socialist) Walraven (Wadner) Colmer - verbouwde hij de opstallen tot een nieuwe woning, een timmerwerkplaats en schuren voor vee: een koeienstal (voor twaalf koeien, later inclusief stamboekvee) en een paardenstal (voor vier paarden, hoewel ze er toen maar drie hadden. Die paarden hadden ze voor het werk aan de zeewering, maar ze kwamen uiteraard van pas op de boerderij). Terzijde: er waren geruchten, dat koop- man Brakken de zaak zelf had aangestoken, omdat het in de branche slecht ging en de verzekering meer opbracht. FLOREREND BEDRIJF De oude relatie met het waterschap resulteerde in voortzetting van het zomerse werk aan de dijken. Met de opgroeiende jongens erbij ging hij over tot het bijhuren van land en uitbreiding van het gemengde boerenbedrijf – om het hele jaar werk en inkomen te hebben. In oktober 1923 huurde hij voor de komende vijf jaar (en steeds te verlengen) 53,20 are bouwland ‘Jochumsanderhalf’ in de Westerpolder van Mej. Geertje Jensma te Dokkum en 1,68 are bouwland ‘De Dobbedrie’ in de Westerpolder van Pieter Watzes Hoogland te Niawier. De huur ging in ‘na het rispen der vrucht’ (= na de oogst). De gardeniers moesten de percelen zelf begreppelen, van onkruid vrijhouden en beslotten (aan de waterschapseisen voldoen). Ze had- denergeenjachtrecht.Inhetlaatstehuurjaarmochten ze alleen aardappelen, bonen of erwten verbouwen. De oudste zoon (Govert) volgde een landbouwwintercursus om wat basiskennis in huis te halen over akkerbouw en veeteelt. Verder werden er geiten gehouden voor de melk en een varken voor vlees en spek. Zulke dieren leefden van keukenafval en berm- gras. De belangrijkste werkkrachten waren dus Govert en Klaas jr. Ook Gerrit kwam in het bedrijf, maar hij bleek lichamelijk minder sterk en deed lichter werk. Vanaf 1927 kwam ook Cornelis in dit bedrijf meewerken, zodat ze met vijf man waren en daarnaast tijdelijke arbeiders in het aangenomen werk hadden. De zoons werkten voor kost en inwoning en een gulden zakgeld per week. In de loop van de jaren ’20 floreerde het bedrijf dan ook voorspoedig. Maar toen kwam de crisistijd (na de beurscrash van 1929). Overheidsinvesteringen werden teruggeschroefd, maar regulier onderhoud werd volgehouden – zeker door het polderbestuur. Zo nam Klaas in 1930 nog een onderhandse klus aan. Uiteraard bleef de behoefte aan agrarische producten. OORLOGSTIJD Het gemengde bedrijf van Klaas sr. werd in elk geval voortgezet. Huis en gebouwen waren inmiddels vrij van hypotheek. Ze werkten met stamboekvee (Klaas was aangesloten bij het Frysk Stamboek) en in de akkerbouw. Gerrit trouwde in 1934 en ging zelfstandig wonen en elders werken. In 1937 was er mond- en klauwzeer in Westdongeradeel en ook op het bedrijf van Klaas, maar ondanks tegenslag had het bedrijf ook in de Tweede Wereldoorlog vee. In februari 1937 vinden we nog de vermelding van de inschrijvingen op het onderhoud van Rijksduinen en oeverwerken op Ameland voor dat jaar, waarbij Klaas de een-na- laagste inschrijver was (maar het werk niet kreeg?). In datzelfde jaar verliet ook Cornelis het bedrijf van vader Klaas, omdat hij er te weinig perspectief in zag en in 1939 vertrok ook zoon Klaas (naar Slootdorp, NH). Wel heeft vader Klaas nog in 1937, 1939 en 1944 een schuur ( = stal? ) bijgebouwd, waarschijnlijk voor meer vee. ROODOMRANDE PERCEEL CICHOREI IN KADASTER 1832 WERKACCEPTATIE UIT 1930 VAN AANNEMER KLAAS EGAS BRON:TRESOARBRON:JANVANDERVELDE
  16. 16. TOT HET BITTERE EINDE In 1939 kwam het gezin van dochterTrui naar Holwerd en kwam schoon- zoon Oege bij vader Klaas in dienst op het boerenbedrijf. Zij woonden toen op ‘Vijfhuizen’. Toen Oege een periode ziek werd kreeg zijn gezin (van de kerk) zes gulden steun in de week, waarvan twee gulden be- stemd voor de huur. Het levensonderhoud werd aangevuld met een karige beloning (in geld, melk en groenten) van het melkerswerk dat de oudste zoon van Trui en Oege nog voor vader Klaas kon doen. In mei 1940 verlieten Oege enTrui Holwerd weer en kwam zoon Klaas terug (uit de Wieringermeer). Waarschijnlijk is het bedrijf van Klaas en zijn zoons Govert en Klaas jr. voortgezet ‘tot het bittere einde’. Het heeft nooit meer echt gefloreerd. In de oorlogstijd voerden zij ook een klompenmakerij. In de streek was uiteraard een grote behoefte aan klompen. Ook voor de kinderen van Trui en Oege was het een uitkomst. Hun dochter Geertje herinnert zich nog hoe blij zij was met haar maatwerk-klompen-met-een-leren-bandje. Klaas en Aaltje leden aan Parkinson en suikerziekte. Klaas kreeg veel last van trillende handen en hij overleed in 1946. Toen Aaltjes gezondheid te broos werd kreeg ze ook hulp van haar dochters: Trui kwam wekelijks op de fiets om in het huis- houden te helpen, en de laatste jaren werd Aaltje opgenomen in het gezin van dochter Aaltje te Nes, hetgeen daar bepaald geen gemakkelijke tijd moet zijn geweest. Aaltje werd ook erg slechtziende en zij overleed in 1952. Bij haar begrafenis huurden de dochters een voile (voor aan de hoed) bij de kruidenier. Kleinkinderen en zwangere vrouwen mochten er niet bij zijn... Zo ging dat nog in 1952. Het bedrijf werd in 1953 door de erfgenamen verkocht aan Ale Pieters Visser, gardenier en houder van een loonbedrijf te Holwerd. MET DANK AAN Het provinciaal archief Tresoar te Leeuwarden, het Streekarchivariaat Noordoost-Fryslan te Dokkum en Reinder Tolsma van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland. De Holwerder Jan van der Velde heeft mij vele (oude) afbeeldingen bezorgd en inzage gegeven in diverse thema ’s van zijn omvangrijke archief. Pieter Jan Borsch, oud-manager van Museum Sorgdrager te Hollum, verzamelt genealogieën van de Amelanders. Ook het digitaal archief van de Leeuwarder Courant leverde informatie op. Verder maak ik gebruik van het manuscript van Cornelis (Kees) Egas (1913-2001) met zijn levensverhaal, beschikbaar in het Rijksarchief te ’s Gravenhage en van informatie van twee nichtjes: Geertje Wijmenga-van Dijk en Alie Kuipers. NOTEN [1] - Zij was een dochter van Johanna Bartara van Heeckeren en Geert Siebrands Bakker. De familieVan Heeckeren was enkele eeuwen geleden baron en heer van Ameland. De stamhouders waren hier burgemeester, nadat Ameland als gemeente een deel van Friesland was geworden. De freule Geertruida E. B. werd uit de adel gestoten toen zij met een zeeman trouwde. Haar zuster trouwde met caféhouder Hofker te Nes – nu het deftige Hotel Hofker - en werd (dus) ook uit de adel gezet. [2] - Blijkens belastingkohieren van Dokkum woonde Klaas in 1909 op huisnummer 112 en in 1910 op nummer 156. Hij had toen alleen inkomen uit arbeid en betaalde f 1,26 en een halve cent aan hoofdelijke omslag (gemeentebelasting). Wordt vervolgd in De Sneuper 119 17 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS FOTO:KLAASEGAS AALTJE EGASCOLMER KLAAS GOVERTS EGAS HOUTSNIJWERK GEMAAKT DOOR KLAAS GOVERTS EGAS tijd van de wereldoorlogen
  17. 17. 18 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS DAT WAS NIET NAAR DE ZIN VAN MACHIEL... IK ZOEK KWARTIERHERHALING Als ik in mijn programma Haza-data zoek op voorouders komt vaak eerst de opmerking op het scherm: ‘ik zoek kwartierherhaling’; vervolgens zie je bij de namen van voorouders dubbele getallen ten teken dat het voorouders zijn van zowel de man als de vrouw . Dit is natuurlijk leuk om verder uit te zoeken. Zo kwam ik erachter dan mijn zoon Peter en zijn vriendin Marjan vier dezelfde voorouders, en natuurlijk hun voorgeslacht, delen. Het zijn: - Willem Douwes Bijlsma - Harm Jans Renkema - Egbert Meines - Minze Sijtsma In De Sneuper 116 van december 2014 schreef ik al over de verwant- schap van Peter en Marjan via Minze Sijtsma, die ook de voorouder was van Simke Kloosterman. De kortste lijn is die van Willem Bijlsma. RARE KOSTGANGER MACHIEL WILLEMS Hij was een zoon van Douwe Rienks, de zoon van Rienk Machiel, wiens vader Machiel Willems in de gevangenis is gestorven. Zijn verhaal wordt beschreven in ‘Rare kostgangers in de gemeente Achtkarspelen door de eeuwen heen’ Een gedeelte hieruit: ‘Op maandag 10 juni 1805 lag Bauke Johannes met zijn schip naast Machiel zijn woning. Machiel maakte bij huis een groot vuur en riep dat hij die nacht het huis zou opbranden. Bauke wist toen met een emmer water het vuur te doven, maar dat was niet naar de zin van Machiel. Bauke werd beetgepakt en op de grond gesmeten. Machiel had het mes klaar en dreigde de schipper te zul- len vermoorden. Bauke deed zijn best de dronkenman te overmeesteren en riep: “Machiel dat kan zo niet, dou handelst verkeerd!” Waarop Machiel schreeuwde: ”Dat weet ik wel, maar ik zal sterve of dou duvel zuiste sterve!” Bauke kon gelukkig de vlucht nemen.’ Machiel werd geboren te Rohel en trouwde met de vier jaar oudere Tieke Jans Kramer uit Surhuisterveen. Zij had al een achternaam, wat er op duidt dat haar vader Jan Kramer, naar zijn beroep werd genoemd. Machiel was een zeer onrustig man en kocht van zijn loon vaak meer dan één jonge jenever of bier. Hij was timmerman op de helling in Rohel. ‘Hij koe oars net as flokke, skelle, tiere en syn frou tamtjerje. As hij dronken thus kaem sloeg hij in e hus meestal alles koart en klyn, smyt it butendoar, baernde it op en dreigde mij moord en deaslag’, zo stond in het proces wat in Leeuwarden tegen hem is gevoerd en waar hij werd veroordeeld tot twee jaar tuchthuisstraf. Dat was op 19 juni 1805. KRAMER OF BIJLSMA Vijf maand later stierf hij in de gevangenis - als een wild dier dat vastgebonden en van zijn vrijheid is beroofd - van heimwee. Hij is begraven op de oude begraafplaats in Leeuwarden in een afgelegen hoek, waar criminelen die in de gevangenis waren gestor- ven werden neergelegd. Tieke, zijn vrouw, ging terug naar Surhuisterveen. Daar zij al een achternaam had, hoefde zij er geen naam op te geven. Voor zover bekend waren er zes kinderen. Drie daar- van namen de naam Kramer van hun moeder over: Willem, Michiel en Geeltje. De anderen gebruikten de naam Bijlsma: Jan, Paulus en Rienk. Rienk was schipper, hij trouwde met Stijntje Douwes Oostma. Bron: De Sneuper - Kriminaliteit in Achtkarspelen: ‘Michiel Michiels 24 jier berne Rohel (Rodehel) ûnder Droegeham. Op 11-7-1807 wie er dwaende fan Wytse Jarings boer to Kollum, doe’t dy fan honk wiene in wein to stellen. Dy wein hier er út de skuorre riden en wie der mei oan it opladen, 4 stikken spek en oare spullen. Doe’t er Wytse syn hynder ophelje soe kamen Wytse en syn buorlju him oer it mat. 5 jier tichthûs, 457-22-10-1807. Michiel Willems 28 jier skipstimmerfeint tot Reade Hel, Harkema-Opein, 27-21-11-1775. Michiel Willems 54 jier en syn frou Tieke Jans 57 jier tot Reade Hel of Rohel ûnder Harkema-opein. Hy koe oars net folle as flokke, skelle en syn frou tamtearje. Yn ‘e hûs faker as ienkear alles kuort en klien slein en dan opbarnd. Drige mei moard en deaslach. 2 jier tichthûs, 434-19-6-1805.’ TEKENING:H.VANDERBIJTWIJZEL KWARTIERHERHALING door MATTIE BRUINING-HOEKSMA www.mattiebruining.nl
  18. 18. Hier zien we‘onze’Machiel Willems twee keer vermeld, als 28 jarige en als 54 jarige. Ook zijn zoon Michiel Michiels, dan 24 jaar komt in het tuchthuis terecht, een jaar na het overlijden van zijn vader. Als je goed rekent klopt hier iets niet: Michiel is in 1775, 28 jaar en in 1805, 54 jaar. Hij zou dan de ene keer in 1751 geboren zijn en de andere keer in 1747. Heeft hij gelogen over zijn leeftijd? Ik hou vast aan 1747, hij trouwde namelijk in 1768 en zou anders 17 i.p.v. 21 jaar zijn geweest. Volgens bovenstaand verhaal stierf hij na een half jaar tuchthuis; hij stierf echter anderhalf jaar later. Bron Tresoar: Leeuwarden overlijden/begraven op 1 december 1806. Begraven: Mechiel Willems. Plaats: Leeuwarden Opmerking: de overledene verbleef in het Tuchthuis en was afkomstig van Rohel. LIJN VAN WILLEM DOUWES BIJLSMA Hier een korte opsomming van de lijn naar Peter en Marjan. Ik vermeld alleen de geboortedata van de eerste persoon: Machiel Willems *1747 x Tieke Jans Kramer Rienk Machiels *1782 x Stijntje Douwes Oostma Douwe Rienks *1809 x Antje Wytzes Tilstra Willem Douwes Bijlsma *1837 x Martje Tjeerds Loonstra Tjeerd Willems Bijlsma *1872 x Tietje Hoogsteen Ankje Willems Bijlsma *1874 x Rinze Bruining Wiepkje Bijlsma *1917 x Jacob Hamstra Sjoukje Bruining *1904 x N.N. Aldert Hamstra *1948 x Jannie Brouwer Rinze Bruining *1929 x Neeltje Veenstra Wiepkje Marjan Hamstra x Peter Bruining Jelle Bruining *1958 x Martje Hoeksma Peter Bruining x Marjan Hamstra LIJN VAN HARM JANS RENKEMA Harm Jans Renkema * 1798 x Trijntje Kornelis Olthof Geertje Renkema *1838 x Jan Nieuwhof Antje Renkema *1832 x Jan de With Harmke Nieuwhof *1869 x Jacob Beute Petrus de With *1860 x Martje Brink Ruurtina Beute *1890 x Jan Hamstra Gepke de With *1893 x Ate Postma Jacob Hamstra *1916 x Wiepkje Bijlsma Aafke Postma *1923 x Louw Hoeksma Aldert Hamstra *1948 x Jannie Brouwer Martje Hoeksma *1958 x Jelle Bruining Wiepkje Marjan Hamstra x Peter Bruining Peter Bruining x Marjan Hamstra De familie Renkema komt uit het Groninger Westerkwartier. De beide dochters van Harm Jans Renkema, Geertje en Antje heb- ben veel verdriet gekend in hun jonge leven. Geertje verloor haar eerst geboren zoon Tunnis al na 12 dagen, ( 10 juni 1862). Elf dagen na de geboorte van haar jongste dochter Fijkje ( 4 januari 1871) stierf haar man Jan Nieuwhof op 15 januari 1871 op de leeftijd van 33 jaar. Het verhaal gaat dat Jan op de markt te Groningen besmet is geraakt met pokken. Ook zijn gezinsleden kregen deze ziekte: 17 dagen na hem stierf zijn vrouw Geertje op 1 februari, ook 33 jaar oud. De volgende dag, op 2 februari, stierf dochter Trientje op de leeftijd van 5 jaar. Acht dagen later, op 10 februari stierf ook de baby Fijkje, vijf weken oud. Drie kinderen bleven leven: Tunnis (1863), Foktje (1867) en Harmke (1869). Tunnis en Foktje vertrokken in 1892 naar Amerika. Harmke bleef in Nederland. Ook de zus van Geertje, Antje, kreeg een dochter Harmke en wel in hetzelfde jaar als haar zus, (1869), deze stierf echter binnen het jaar. In 1871 krijgt Antje een doodgeboren tweeling, op 5 februari 1871. Haar zus, zwager en nichtje waren toen inmiddels overleden. Zelf stierf Antje, bijna twee maanden later, op 28 maart 1871 op de leeftijd van 38 jaar. (Bron: Familieboek Denkema/Renkema, de gegevens van 1628 - 1986. Auteur: Dhr. Lubbe Denkema) LIJN VAN EGBERT MEINES De lijn van Egbert Meines x Martje Holtrup heeft een overlap met die van Ham Jans Renkema, maar gaat verder terug in de tijd: Martje Holtrup was een dochter van Hendrik Holtrup en de kleindochter van Bernardus Holtrup. Hij werd rond 1600 geboren te Munsterland Duitsland. Hij was in 1621 schoolmeester teTen Post (Gr.) en rond 1624 dominee in Oosterwolde. Hij trouwde met Anna Hemelgaert en ze kregen negen kinderen. Zijn zoon Hendrik trouwde met Egbertien Lodewijks, zij kregen een dochter Martje die trouwde met Egbert Meines. Egbert Meines * 1657 x Martje Hendriks Geeske Egberts *1694 x Willem Renkema Meine Egberts *1703 x Luiktje Wiebes Martje Renkema *1729 x Garbrand Renkema Wiebe de Boer *1759 x Antje Lubbes Antje Renkema *1759 x Jan Lubbes Meine de Boer *1786 x Martje de Vries Harm Renkema *1798 x Trijntje Olthof Gepke de Boer *1829 x Jan Brink Geertje Renkema *1838 x Jan Nieuwhof Martje Brink *1865 x Petrus de With Harmke Nieuwhof *1869 x Jacob Beute Gepke de With *1893 x Ate Postma Ruurtina Beute *1890 x Jan Hamstra Aafke Postma *1923 x Louw Hoeksma Jacob Hamstra *1916 x Wiepkje Bijlsma Martje Hoeksma *1958 x Jelle Bruining Aldert Hamstra *1948 x Jannie Brouwer Peter Bruining x Marjan Hamstra Wiepkje Marjan Hamstra x Peter Bruining 19 GENEALOGIE&FAMILIEGESCHIEDENIS GEPKE DE WITH FOTO:MATTIEBRUINING
  19. 19. 20 KORENMOLEN ‘DE WELKOMST’ door JAN KOOISTRA jkooistra3@knid.nl HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS AKKERWOUDE MOLENWEG 25 AKKERWOUDE Op de plaats waar Cees en Brigitte Appel aan de Molenweg nummer 25 thans hun tuincentrum hebben, zag het er in de jaren 1960-1970 wel anders uit. Een woning met een groot hok erbij, waar brandstof- fen lagen opgeslagen. De familie Van der Woude woonde en werkte er jaren achtereen. Het grote hok stond echter niet, zoals de hiernaast staande foto doet vermoeden, oost-west achter de woning, maar stond een meter of 15 vanaf de Molenweg gerekend noord-zuid schuin oplo- pend voor de woning met een oprit van oude straatklinkers. Vrijwel op dezelfde plaats als waar het hok stond, werd enige eeuwen ervoor een korenmolen gebouwd, een zogenaamde standerdmolen. Die molen staat op de kaart van Schotanus aangegeven in 1718. Waarschijnlijk werd de molen verbouwd in 1850 tot de stellingmolen ‘De Welkomst’. ZANDPADEN & MODDERPOELEN In vroegere eeuwen waren de wegen nog onverhard en mede hierdoor werd de molen ietwat achteraf gebouwd aan de oude zandweg die al langer bestond. Zuidelijk van de molen lagen de hogere zandgronden, waar met veel moeite vruchten werden geoogst. In het voorjaar blies de wind wolken stof over de kale gronden waar hier en daar een woninkje stond. Ten noorden van de oude zandweg lagen de paden waarlangs de molenaar en de boeren het koren reden dat in de molen tot meel werd gemalen. Ten oosten hiervan liepen de Halepaden die op de Hoofdweg uitkwamen. In de molen die op een hoge en dorre grond was gebouwd, waar bijna niets wilde groeien, werd het koren gemalen dat in de vruchtbare omgeving groeide. De paarden trokken met de grootste moeite de zwaarbelaste wagens met graan, langs de weg waarop soms wel 15 centimeter zand lag, naar de molen. In de herfst echter, als de weg door langdurige regen in een modderpoel was veranderd, moesten voerman en paarden met hun wielen door hoog opspattende slijk en water waden. BEDRIJVIGHEID ROND ‘DE WELKOMST’ Voor de jeugd in die tijd had de molen een grote aantrekkingskracht. Bijna altijd was hier wel iets te halen. Soms was het een zak met grote bonen, die op het malen lag te wachten en spoedig de aandacht trok. Door heel even de zak met bonen te be- tasten, was snel de inhoud bepaald. Een andere keer betrof het een zak rogge, welke zich al gauw op de algemene belangstel- ling van de jeugd mocht verheugen. Bij windstilte kon de molen soms dagenlang stilstaan. De molenaar werd mistroostig, om- dat het koren zich in de tussentijd in de bergplaats almaar ophoopte en het weer geen uitzicht bood dat er spoedig gemalen zou worden. Als er dan wind kwam, moest men dag en nacht malen. Tijdens zulke dagen heerste er aan de Molenweg grote bedrijvigheid. De wagens reden af en aan. Bij hevige stormen had de molen het dikwijls zwaar te verduren. Eenmaal werd de duizend pond wegende as bij een felle storm dermate beschadigd, dat hij niet meer te gebruiken was. De zware eikenhouten as werd toen door een ijzeren as vervangen. Er ontstond in de late avond, als de molen rustig draaide en de wind door de oude hulstbomen waaide, een romantische sfeer rondom molen ’De Welkomst’. In de zomer schoten op het molenerf verschillende graansoorten hoog op. Gemengd stonden verscheidene korenaren bijeen. Onkruid groeide er eveneens in grote verscheidenheid. Naast de rode papavers stonden de blauwe korenbloemen. Al deze zaden waren met de zakken met koren aangevoerd. Vlinders warrelden in de zomer van bloem tot bloem. Rond de afscheiding van het molenerf stond een dichte haag van wilde alsem. Als op mooie zomeravonden de molen in rust stond, kwam er dikwijls omstreeks negen uur een ooievaar aangevlogen, die op het hoogste topje van één der wieken de nacht doorbracht. ALLESVERWOESTEND VUUR In de nacht van 7 op 8 juni 1911 zal Harm DatesWesterlaan zowat gek zijn geworden.Toen trof de molen met de zeventig voet roeden het lot dat zoveel molens in Friesland en elders heeft getroffen. Hij werd namelijk de dupe van het allesverwoestende vuur. De brandweer was spoedig ter plaatse, maar kon niets uitrichten aangezien ze grote problemen met de watertoevoer hadden. Het aangrenzende motorhok, een wagen en veestalling met de aanwezige granen gingen verloren. Een paard werd met moeite gered, evenals de naburige huizen. De volgende ochtend was er nog slechts een smeulende puinhoop over. De oude molen had zijn tijd gehad. Op de plaats waar deze stond, verrees een fabriekje, dat om te malen niet meer van weer en wind afhankelijk was. De oude naam ’De Welkomst’, die met duidelijke letters op de molen had gestaan, werd niet meer op de nieuwe maalinrichting aangebracht. KORENMOLEN ‘DE WELKOMST’ FOTO:COLLECTIEWARNERB.BANGA
  20. 20. 21 tijdvanburgersenstoommachines HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS OORZAAK ONBEKEND... Was hier sprake van brandstichting of grove nalatigheid? ‘s Morgens waren de assen nog gesmeerd en deze konden dus niet ‘doorgelopen’ zijn. ‘s Avonds om zes uur waren de wieken tot staan gebracht. Er was die dag weinig gemalen i.v.m. de zwakke wind. Later op de avond was de molen door Westerlaan met zijn knecht rond half acht afgesloten. Men heeft de oorzaak van de brand niet kunnen achterhalen. In hoeverre de heer Westerlaan hier tegen was verzekerd is evenmin bekend, maar de strop zal toch groot zijn geweest. Ook voor de boeren in de omgeving zal dit een grote klap zijn geweest. Nu moest men naar Dokkum om zijn granen te laten malen totdat het meelfabriekje er stond. Van dit fabriekje zijn voor zover bekend geen bijzonderheden of afbeeldingen. LEEUWARDER COURANT DECEMBER 1805 < LEEUWARDER COURANT AUGUSTUS 1849 LEEUWARDER COURANT APRIL 1870 GRIETENIJKAART DANTUMADIEL - WOPKE EEKHOFF 1847 MOLENAARS & BEWONERS MOLENAARSHUIS Het is heel goed mogelijk dat de molenaarsknecht inwonend was, voor- dat de molenaarswoning in 1920 werd verbouwd en ingekort. Het huis leende zich daar uitstekend voor. De eerste molenaar voor zover bekend, was JacobWilkes die met Pietje Repkes was gehuwd. Jacob was rog- en weitmolenaar begin 1800. In 1870 blijkt dat de op 1 januari 1793 te Molbergen geboren Johannes Hennericus Peeck eigenaar van de rog- en pelmolen is. Hij was gehuwd met de op 12 februari 1790 te Kropswolde geboren Margaretha Maria Scholtens. Verder woonden in de molenaarswoning Anna Johannes Peeck, geboren in 1822, en Aldericus Hermanus Peeck, geboren op 8 augustus 1824 te Akkerwoude. Daarna werd het molenaarshuis bewoond door: Henricus Theodorus Jongerman, geboren in 1807. Christina Engelina Jonger- man, geboren op 3 juli 1816 te Akkerwoude. Gerardus Aldenkes Jongerman, geboren op 7 januari 1814. Aldericus Johannes Hermanus Jongerman, geboren op 26 maart 1823. ChristinaWilhelmus Som Deters, geboren in 1753. Jacob Cornelis Meekma, geboren op 6 augustus 1811 in de gemeente Ferwerderadeel Jetske Teakes Schoffelmeer, geboren te Zwaagwesteinde op 13 maart 1845. Tabe Annes Annema, eigenaar windrogmolen en lijnzaadpletterij en landbouwer, geboren op 3 augustus 1840 te Akkerwoude, woonde in Akkerwoude en Dantumawoude, gehuwd met Antje Martens Wiegersma, geboren op 4 januari 1845. Lijsbert Tabes Annema, dochter van Tabe Annes Annema, geboren op 8 maart 1868 te Dantumawoude, gehuwd met AndriesTheunis Wiegersma, geboren op 4 juni 1866 te Akkerwoude. Anne Tabes Annema, windrogmolenenaar, geboren op 30 maart 1871 te Akkerwoude, gehuwd met Antje Johannes Annema, geboren op 16 januari 1869 te Akkerwoude. MartenTabes Annema, geboren op 27 november 1876 te Akkerwoude, gehuwd met Sjoukje Foekes Wiegersma, geboren op 11 september 1880 te Dantumawoude. Jelske Tabes Annema, geboren op 15 juli 1879 te Akkerwoude. Sijke Rinses Huizenga, geboren op 16 november 1877 te Murmerwoude. Harm Dates Westerlaan, molenaar, geboren op 17 mei 1874 te Akkerwoude, gehuwd met Eekje Foekes Wiegersma, geboren op 26 juli 1878 te Dantumawoude. Hotze Luitjens Venema, koren- en pelmolenknecht, geboren op 28 januari 1839 te Marum. BRON:TRESOAR
  21. 21. 22 Jan Douwes Zijlstra, molenaar, geboren op 23 oktober 1872 te Oostrum, gehuwd met Jitske Trijntje Sjoerds Boersma, ge- boren op 27 april 1867 te Oostrum. Jitske Jans Zijlstra, geboren op 17 juni 1895 te Bergum. Fetje Douwes Westra, geboren op 23 april 1837 te Ee, Sjoerd Tjiskes Boersma, geboren op 25 september. Maaike Aukes Zijlstra, geboren op 15 oktober 1877 te Wouterswoude. Saapke Gerhardus Pijper, geboren op 30 november 1884 te Murmerwoude. Sepkje Arjens Loonstra, geboren op 24 november 1882 te Wouterswoude. DICHTER-MOLENAAR KLOOSTERMAN Nu volgt een interessant gegeven, namelijk de naam Kloosterman. Deze familie staat bekend om haar dichtkunst en woonde in Twijzel. Ook Jan Ritskes Kloosterman, geboren op 23 februari 1847 en gehuwd met Trijntje Jans Beintema, was behalve mo- lenaar op ‘De Welkomst’, liefhebber van de poëzie. Van zijn hand zijn diverse werken verschenen, maar maakten niet al te veel indruk.Wel het proza van zijn dochter Simke Jans Kloosterman, geboren op 25 november 1911 teTwijzel. De familie verhuisde naar Twijzel en woonden er van 1847 tot 1914. Ooit schreef Jan Ritskes Kloosterman enkele regels, getiteld ‘Lanscipsbyld’, over de molen, waarvoor hij een voorliefde had en die regelmatig in zijn poëzie terug te vinden is. Dit gedicht is in zijn beginjaren als dichter geschreven en werd gezien als een simpel gedicht van iemand die het‘nog moest leren’. Later schreef hij meerdere gedichten die zijn gebundeld. Landscipsbyld de âld standermoune stjit op syn sânberch (ieuwen stie hy dear) stewich to draeijen, klear tsjin de aftergroun mei folle seijels, djip ynne hekken, deldrukt troch ’t waijen lit mar it radwerk snorje ind soesje; lit mar de rogstiin sjongend de kerrels, brekke yn stikken wylst mar de roeden, boartsjend de poesten opfange op ’t hekwirk… TURFHANDEL VAN WILLEM VEENSTRA Tot slot twee foto’s van de molenaarswoning Molenweg 25. De personen op bovenstaande foto zijn van links naar rechts; een persoon die ‘de Pool’ werd genoemd, Hendrik W. Veenstra, Pietje Veenstra-Venema, en haar man en eigenaar Willem Johannes Veenstra, rechts schoonzoon Hendrik Kremer afkomstig uit het Drentse Nieuwlande, wiens vrouw Johanna Kremer-Veenstra in januari 1916 is overleden. Na de molenbrand zijn huis en schuur door Willem Johannes Veenstra gekocht. Hij woonde daar- voor in Emmercompascuum (Dr.) en keerde na twaalf jaar afwezigheid terug in Akkerwoude en begon er een turfhandel. De tegen het huis staande schuur is in 1948 afgebroken. Willem Johannes Veenstra, geboren 26 april 1912. Teatske Klazes Visser, Hendrik Willems Veenstra, geboren in mei 1935. JochumWillemsVeenstra,geborenop1mei1957,trouwdemetTrijntjeMulder.KornelisJogchumsvanderWoudeenTrijntje Jogchums van der Woude-van den Bosch, Folkert Jogchums van der Woude. Tot slot Cornelis Appel sinds 1 oktober 1980. Zijn volle liefde voor de molens heeft Kloosterman uitgezongen in de verzen ‘De Mounle’, te vinden in zijn ‘Finne- blomkes’, en ‘Het Laagland’, welk gedicht voorkomt in zijn literair overigens weinig betekenende Nederlandstalige bundel ‘Varens en Mos’. DE LAATSTE MOLENAAR Harmen Dates Westerlaan, geboren op 17 mei 1874 te Akkerwoude was de laatste molenaar aan de Molenweg, gehuwd met Jelske Tabes Annema, geboren op 15 juli 1879 te Akkerwoude. Date Harms Westerlaan, geboren op 31 januari 1905 te Akkerwoude. Lijsbert Andries Wiegersma, geboren op 31 januari 1905 te Akker- woude. Sjoukje Harmens Westerlaan, geboren op 31 december 1907 te Akkerwoude. BRONNEN Eigen archief / Tresoar / Boek Annema van Dantumawoude Nieuwsblad van Noordoost-Friesland Internet diverse sites; o.a. archief Leeuwarder Courant JAN RITSKES KLOOSTERMAN FOTO:MATTIEBRUININGFOTO’S:JANKOOISTRA HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS
  22. 22. HERALDIEK 23 DE DORPSWAPENS VAN door RUDOLF J. BROERSMA tekenaar Fryske Rie foar Heraldyk HANTUMHUIZEN & HIAURE HANTUMHUIZEN Hantumhuizen, ontstaan in de Middeleeuwen, heeft uiteraard de schild- deling gekregen zoals die gebruikelijk is voor de dorpen die oorspron- kelijk in de gemeente Westdongeradeel lagen. Als symbool voor het dorp is gekozen voor het belangrijkste monument, de kerk die uit de eerste helft van de 13e eeuw dateert. De kerk is in het wapen omgewend geplaatst, zoals dat in de heraldiek heet. Het koor is nu - in plaats van naar het oosten - naar het westen gericht. Waarschijnlijk is dit gedaan in verband met de schilddeling; uit de archieven van de Rie kwam de reden niet duidelijk naar voren. Het groen verwijst naar het omliggende weidelandschap. De vlag is de gebruikelijke afleiding van het wapen, waarbij de kerk nu wel met het koor naar het oosten gericht is geplaatst. HIAURE Hiaure, of zoals in het Fries‘De Lytse Jouwer’, heeft als sprekend symbool voor de dorpsnaam een haverpluim (hjouwer) gekregen. De naam bete- kent hetzelfde als Joure, dat een schoof met oorspronkelijk waarschijnlijk haver in het oude dorps-wapen heeft staan. De kieviten vormen een verwijzing naar het wapen van dominee Wouterus Schregardus. Wouterus stond van 1705 tot 1749 als domi- nee in de gecombineerde gemeente Hiaure en Waaksens. De kieviten symboliseren ook het grote aantal weidevogels dat hier in de omgeving nestelt. De kleur goud van het schild is uit esthetisch oogpunt gekozen. De verwijzing naar Westdongeradeel vinden we nu alleen in de vlag terug, die een schuindeling van geel en groen heeft gekregen. In het geel is weer de haverpluim opgenomen. HANTUMHUIZEN HIAURE WAPEN VAN JOURE WAPEN VAN DS. SCHREGARDUS FOTO:ANDREASLECHTAPE FOTO:HISTORISCHCETRUMLEEUWARDEN TEKENINGEN:RUDOLFJ.BROERSMA
  23. 23. 24 DE SPITKEET VAN HARKEMA LEVEN OP DE FRIES-GRONINGSE HEIDE De Fries-Groningse heide wordt in grote lijnen begrensd door Surhuis- terveen, Doezum en Drachten. Oorspronkelijk was deze streek bedekt met een dik hoogveenpakket, maar reeds in de Middeleeuwen begon- nen particulieren voor eigen gebruik hier en daar een stukje af te graven. Ook kloosters in deze omgeving, zoals Buweklooster bij Drogeham en Gerkesklooster hadden hier stukken veen in bezit en gebruikten de turf voor verwarming, bierbrouwen, broodbakken enz. Pas in de 17e eeuw begon men hier met de systematische grootscha- lige afgraving. Er werden kanalen, dwarsvaarten en wijken gegraven en daarna kon het werk beginnen. Via deze vaarten en de Zuiderzee werd de meeste turf verscheept naar Holland. Het was de tijd van de Gouden Eeuw en daar lag toen ook al het zwaartepunt van de economie. Toen omstreeks 1800 het meeste veen was afgegraven ontstonden hier grote heidevelden. In de contracten was namelijk niet de bepaling opgenomen dat de grond na de veenafgraving geschikt moest worden gemaakt voor bouw- of weiland, dus liet men de natuur zijn gang gaan. Veel veenarbeiders raakten toen werkeloos en dat betekende: geen inkomen. Deze mensen moesten dus ander werk zoeken en hadden vaak geen geld om een fatsoenlijk huis te betalen. Daardoor trokken veel van deze arbeiders met hun gezinnen naar de heide en bouwden daar eenvoudige plaggenhutten. Het bouwmateriaal, de heideplaggen, lag letterlijk voor het opscheppen en samen werd in één dag een hut opgebouwd. Uit andere streken van Friesland en Groningen trokken mensen die tot armoede waren vervallen of zich vanwege kleine criminaliteit uit de voeten moesten maken eveneens naar deze afgelegen streken. Zo ontstond hier een zeer gemengde bevolking met zijn eigen wetten. In het openluchtmuseum‘De Spitkeet’ in Harkema wordt de geschiedenis van dit gebied vanaf ongeveer 1840 tot 1950 zeer duidelijk in beeld gebracht. HOLWONING & SPITKEET Een groep die onder leiding van een gids dit museum bezoekt, komt als eerste in de holwoning. De allerarmsten groeven vaak in een verhoging in het landschap, bijv. een leemwal naast een uitgegraven sloot, een hol en probeerden daarin te overleven. Vaak waren dit mensen die door één of andere oorzaak buiten de gemeenschap stonden. Na deze holwoning volgt de plaggenhut oftewel de spitkeet. Er is iets meer ruimte dan in de holwoning maar daar is dan ook alles mee gezegd. Een kleine ruimte achter met een bedstee en een hoekje voor de geit, een even kleine ruimte voor met een open vuur, een tafel en een paar stoelen. In deze hutten leefden vaak grote gezinnen, de gezondheidszorg ont- brak, de hygiëne was slecht, het voedsel eenzijdig en meestal te weinig. Geen wonder dat veel ziekten voorkwamen en kinderen vaak op jonge leeftijd overleden. In de kranten van begin 20e eeuw wordt o.a. vermeld dat de bewoners van deze heidedorpen, zoals Harkema en Zwaagwesteinde, met man- nen, vrouwen en kinderen naar de Groninger klei gingen om daar op de bouwlanden te wieden. Ook trokken arbeiders naar de Friese greidhoek om daar de boeren te helpen bij de hooioogst. Soms ging men zelfs naar veengebieden in Drente of Groningen in de buurt van Emmen of Stads- kanaal om daar als veenarbeider nog wat te verdienen. BEGRAAFPLAATS & KLOKKENSTOEL In 1869 kwam er een nieuwe wet op de lijkbezorging. Daarin stond o.a. dat in elke gemeente een stuk grond geschikt moest worden gemaakt om de armste inwoners van die gemeente op kosten van de gemeente te begraven. Soms werd hiervoor een deel van een bestaand kerkhof gebruikt, maar in Achtkarspelen kocht de gemeente een stuk grond en bestemde dat als begraafplaats. Dat stuk grond lag in Harkema-Opeinde, zoals dit dorp toen heette, op het terrein van het tegenwoordige museum. In 1870 was de begraafplaats klaar, maar tot 1879 werd er niemand begraven. Er stond namelijk nog geen klokkenstoel en zonder klokgelui wilden ook de armsten hun dierbaren niet begraven. Daarna zijn hier tot 1920 zo’n 200 mensen begraven, waarvan bijna de helft kleine kin- deren. Op de begraafplaats is de klokkenstoel herbouwd evenals het baarhuisje dat hier in 1874 moest worden gebouwd. door JAN DE VRIES www.despitkeet.nl HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS SPITKEET EN KLOKKENSTOEL OP BEGRAAFPLAATS BRON:TRESOARFOTO’S:WWW.DESPITKEET.NL
  24. 24. 25 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS Eind 19e begin 20e eeuw waren de leefomstandigheden voor de meeste mensen hier dus slecht. In diezelfde tijd kwam het socialisme op. Leiders waren o.a. Troelstra en Domela Nieuwenhuis. De invloed van de laatste was ook sterk voelbaar bij de arme bevolking van dit gebied. Er kwamen redenaars die hun boodschap predikten en deze mensen wilden doen geloven dat binnen korte tijd de armoede en rechteloosheid tot het verleden zouden behoren en dat iedereen gelijk zou zijn. Het gevolg was dat nog jaren later het socialisme en ook het communisme hier veel aan- hangers had. WOUDHUISJE & WONINGWETWONING Na het bezoek aan de plaggenhut volgt het woudhuisje. Het is de kopie van een woning die in 1840 in Harkema werd gebouwd. Er waren hier toen dus ook mensen die het wat ruimer hadden en een timmerman de opdracht konden geven om een fatsoenlijk stenen huis met woon- en slaapruimte voor de mensen en stalruimte voor wat vee te bouwen. In deze woning zijn drie bedsteden ingebouwd met daaronder de kelder. Hier kon men voedsel voor de winter opslaan. In de spitkeet was zo’n kelder niet nodig. Men had niets om op te slaan. De bewoners van deze woudhuisjes hielden vaak wat vee, maar moesten daarnaast allerhande andere werkzaamheden verrichten om een redelijk bestaan te krijgen. Mannen, vrouwen en ook de kinderen maakten vaak lange werkdagen. De vierde woning is de woningwetwoning, gebouwd in 1912 door de Stichting Woningbouw Achtkarspelen. In 1901 kwam de woningwet tot stand en die bepaalde o.a. dat de plaggenhutten moesten worden opge- ruimd. Er moesten voor de bewoners betere huizen worden gebouwd. Dat gebeurde in het begin van de 20e eeuw door de woningstichtingen die in elke gemeente werden opgericht. De indeling lijkt veel op die van het woudhuisje. Rondom deze huurwoningen lag een flinke lap grond waarop de bewoners hun eigen groente en aardappels konden verbouwen en wat vee konden houden. Deze woningstichtingen waren, en zijn nog steeds, sociale instellin- gen die probeerden goede woningen te bouwen voor mensen met een kleine beurs. Voor sommige bewoners van plaggenhut- ten was de huur, zo’n 28 euro per jaar, nog wel eens een probleem maar langzamerhand verbeterde hun inkomen en verdwenen de plaggenhutten uit het landschap. Wel was er na de Tweede Wereldoorlog grote woningnood, zeker in deze streek. In Harkema werden in de jaren ´50 vrijwel geen huizen gebouwd. Dan gebeurde het vaak dat een jong stel dat wilde trouwen, zijn intrek nam in een groot kippenhok op het erf van de ouders. Op het terrein van het museum is ook zo´n kippenhok herbouwd. JELLE DAM-HUISJE Eén van de mensen die zich sterk heeft ingezet voor de verbetering van de leefomstan- digheden in deze streek was Jelle Dam. Hij was sociaal zeer bewogen en probeerde op aller- lei manieren aandacht te krijgen voor de bevolking van dit gebied. Op zijn oude dag heeft hij zijn leven in de ‘Jeugdherinneringen van Jelle Dam’ beschreven. Een zeer boeiend sociaal document dat alleen in dit museum verkocht mag worden. Als hommage aan hem draagt het laatste huis zijn naam en worden daar ook herinneringen aan hem getoond. Verder is in dit huis, oorspronkelijk ook een woningwetwoning, een klein ouderwets winkeltje ingericht, een kamer met vitrines, waarin allerhande interessante voorwerpen liggen uitgestald en een ruimte met heel veel voorwerpen die door vrouwen vroeger in de keuken werden gebruikt. Dit museum laat duidelijk zien dat in deze streek in de 19e en begin 20e eeuw de omstan- digheden vaak slecht waren, maar dat in de jaren daarna op sociaal gebied en ook wat betreft de hygiëne en leefomstandigheden veel verbeteringen zijn opgetreden. De openingstijden zijn van 1 april tot 1 november, op zondag van 13.00 tot 17.00 uur en op dinsdag t/m zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur. Voor groepen zijn na afspraak gidsen beschik- baar en voor verenigingen is het mogelijk om voor hun bijeenkomst een dialezing aan te vragen die het leven in dit gebied vanaf ongeveer 1850 tot 1950 duidelijk in beeld brengt. Voor meer info zie: www.despitkeet.nl tijdvanburgersenstoommachines WOUDHUISJE EN INTERIEUR WONINWETWONING JELLE DAM
  25. 25. 200 JAAR GELEDEN IN TERNAARD Bij mijn genealogische onderzoek naar de familie Gulmans trof ik in 1815 in de burgerlijke stand van de Mairie Ternaard ver- schillende akten van overlijden aan. In de Leeuwarder Courant van 12 april 1816 stond een advertentie, dat de linnenweverij op de Nijbuorren in een publieke verkoping zou worden verkocht. Was er geen opvolger? Wat was hier aan de hand? In het register van uitgaande correspondentie van de Mairie Ternaard vond ik een brief van 8 juli 1815 gericht aan de veld- wachter met de opdracht op grond van artikel 5 van de instructie van 20 februari 1815 om toezicht te houden op het huis en inboedel van wijlen Jan Beerends Gulmans op de Nijbuorren te Ternaard, (huisnummer 91). Op zoek naar de genoemde circulaire. In de afschriften van ingekomen stukken vond ik de volledige tekst van de circulaire en nog meer correspondentie. De Gouverneur (commissaris) van de provincie Friesland vroeg op 8 februari 1815 aan de heer J.M. van de Velde, Medicina te Ternaard om binnen vierentwintig uren na ontvangst ingelicht te worden, over het gerucht, dat er in de Visbuurt een besmettelijke ziekte ‘grasseert’ (= heerst). EEN STRENGE INSTRUCTIE Op 10 februari antwoordde het bestuur van de Mairie Ternaard, dat zij inlichtingen hadden ingewonnen bij de praktiserend Doctor Johannes Marinus van de Velde te Ternaard. Hij bevestigde het gerucht, dat er Rot- en Zenuwkoorts heerste en deelde mee dat er reeds twee personen waren overleden en dat nog vijf andere personen besmet waren. Namen van de overledenen en besmette personen worden in de aantekeningen van de bewaarde correspondentie van de Mairie Ternaard niet genoemd. De Provinciale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toeverzicht in Friesland zond een strenge instructie. Deze circulaire werd op 20 en 21 februari 1815 na het luiden van de klok door de schout van Ternaard aan de bevolking bekend gemaakt. Dit werd gedaan opdat niemand later zou kunnen zeggen: ‘Ik heb het niet geweten!’ De circulaire werd op 23 februari 1815 vastgelegd in het register van ingekomen stukken. De voornaamste punten: 1. de overledene moest meteen in de kleren, waarin hij of zij gestorven was in de kist worden gelegd. De kist mocht na sluiting niet weer worden geopend. 2. de begraving moest binnen 36 uren geschieden; 3. de lijken of zieken mochten niet naar elders worden getransporteerd; 4. Bij de begraving mochten slechts 2 personen - naaste buren of bloedverwanten -aanwezig zijn en er mocht daarna geen leed- maaltijd worden gehouden; 5. De Doctor wordt belast met het toezicht op de ontsmetting van het sterfhuis en de daarin aanwezige inboedel; 6. Denk je de ziekte te hebben, dan moet dat gemeld worden bij de Doctor, ben je onvermogend dan zijn de verstrekte geneesmid- delen gratis; 7. Tegenstrevers zullen streng worden gestraft. De veldwachters zijn belast met het toezicht op de uitvoering van genoemde feiten. WAT IS ROT- & ZENUWKOORTS? Het was een zeer besmettelijke ziekte; de instructie van de Provinciale Commissie was op dit punt zeer duidelijk. In een oud vertaald medisch handboek van de lijfarts van de Koning van Pruissen kreeg ik antwoord op bovenstaande vraag. In beide gevallen ging het om typhus. Zenuwkoorts, febris nervosa of typhus nervosa was bij goede behandeling te genezen. Rotkoorts, febris putrida of typhus putridus was veel kwaadaardiger. Het begon met ontstekingen, maar ging gepaard met grote zwakte van bloedvaten en zenuwstelsel. Bij de kwaadaardige vorm zijn er tenslotte tekenen van ontbinding (rotting) van het bloed. Oorzaak: rottige smetstof, vaak aanwezig in warme en vochtige ongeventileerde lucht in gasthuizen, gevangenissen of krot- woningen. Ook moeraslucht of gebrek aan voedsel kon een oorzaak zijn. In de burgerlijke stand van de Mairie Ternaard werden in het jaar 1815 in totaal 40 overleden personen geregistreerd. Bij deze inschrijvingen zijn drie soldaten die in ‘s-Gravenhage overleden waren. In de Mairie Ternaard stierven 37 personen; 34 in de maanden januari tot en met juli, 2 in augustus en 1 in november.Tot 10 februari zijn er in de MairieTernaard in totaal 5 personen overleden, waarvan drie in de Visbuurt. Kunnen wij nu nog achter de namen van deze personen komen? 26 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS ROT- & ZENUWKOORTS IN TERNAARD door SIMON KOORN skoorn4@hetnet.nl BRON:LEEUWARDERCOURANT
  26. 26. 27 HISTORIE&STREEKGESCHIEDENIS BRIEF AAN DE VELDWACHTER Terug naar de genoemde brief van 8 juli 1815. Een brief aan de veld- wachter is in die tijd uitzonderlijk. Waarom werd deze brief geschreven? Was de ziekte over zijn hoogtepunt heen en nam men het inmiddels niet meer zo nauw met de voorgeschreven maatregelen? Een verslag over het verloop van de ziekte is er niet. Uit deze brief is af te leiden, dat leden van de familie Gulmans besmet zijn geraakt met rot- en zenuwkoorts en daaraan zijn overleden. Wie van de familie Gulmans zijn in die tijd overleden? Op de Nijbuorren: Jan Beerends Gulmans, oud 74 jaren, beroep linnenwever, gehuwd met Trijntje Jakobs, overleden 8 mei 1815 huisnummer 91 te Ternaard. Trijntje Jakobs, weduwe van Jan Beerends Gulmans, oud 60 jaren, overleden 22 mei 1815, huisnummer 91 te Ternaard. AaltjeJansGulmans,oud27jaren,huisvrouw,gehuwdmetBokkeKorne- lisMiedema,overleden12juni1816,nummer92teTernaard,hundochter. Op de Visbuurt zijn overleden: Hiltje Jakobs Gulmans, oud zes jaren, dochter van Jakob Jans Gulmans en Rigtje Harmens Hoekstra, overleden op 3 maart 1815, huisnr. 30, klein- dochter van bovengenoemd echtpaar. Jakob Jans Gulmans, oud 35 jaar, beroep gardenier, zoon van Jan Berends Gulmans en Trijntje Jakobs, overleden 14 april 1815, huisnr. 30. Gezien de familierelatie reken ik de twee leden van de familie Gulmans op de Visbuurt bij de besmette gevallen. WAAR IS DE EPIDEMIE OP DE VISBUURT BEGONNEN? Waarschijnlijk in nummer 34, daar overleed op 15 januari 1815 vrouw Auke Melles. Het leeggekomen huis werd betrokken door vrouw Ytje Minnes en haar man Kornelis Sipkes Werkman. Nadat Ytje Minnes op 3 februari 1815 overleden was, waren de symp- tomen duidelijker en het gerucht over de ziekte verspreidde zich. Kornelis Sipkes Werkman overleed op 10 februari 1815 om 11.00 uur ‘s morgens. Op die dag werd ook het antwoord aan de Gouverneur (Commissaris) van de provincie Friesland verzonden. Aantonen of er nog meer dorpelingen in de periode januari - juni 1815 aan rot- en zenuwkoorts of dan wel gewoon overleden zijn, vraagt om meer archiefonderzoek. NIET UITGESTORVEN Na deze ‘epidemie’ in 1815 in het dorp Ternaard, ging het leven verder. Beernt Jans Gulmans (1792) en Jan Jacobs Gulmans (1806), hebben ervoor gezorgd, dat de familienaam Gulmans in Ternaard niet is uitge- storven. Beiden waren van beroep gardenier en hadden kennelijk geen interesse om de weverij voort te zetten. De weverij werd in Ternaard in 1816 op een andere plek voortgezet door Harmen Warrink, weversknecht te Holwerd, geboren te Sandhausen onder Uelsen (Bentheim) en zijn vrouw Sjoukje Lammerts Beekmans, geboren te Holwerd, haar ouders komen uit Ohne (Bentheim). BRONNEN Archief van de gemeenteWestdongeradeel, 1640- 1816, inv. nrs. 280, 282 Handboek Bibliotheek van de Groninger Archieven, toegangsnummer 1769, cat.nr 5353 : Waarneming omtrent der Zenuwkoortsen en derzelver komplicatien door Christ. Wilh. Hufeland, voor henen Doctor en Hoogleraar in de geneeskunde te Jena, thans Lijfarts van den Koning van Pruissen te Ber- lijn; uit het Hoogduitsch vertaald door A. Numan met een voorrede van E.J. Thomassen à Theussink, doctor en hoogleeraar in de Geneeskunde, enz. te Groningen; Groningen en Amsterdam, bij H. Eekhof HZ. en L. van Es, 1808 . - VIII De Sneuper, nummer 113, jaargang 27 nr. 1, maart 2014: Wevers van Ohne in Noordoost-Friesland, pag. 12 NIJBUORREN TE TERNAARD ANNO 1832 VISBUURT BIJ TERNAARD ANNO 1832 BRIEF VAN 8 JULI 1815 AAN VELDWACHTER TERNAARD huisnummer 91 en 92 Noorden
  27. 27. HENDRINA GEERTRUID SUIDERBAAN DUCO DE KAMPHERBEKE VON EICHSTORFF Eind vorig jaar kreeg het Museum Dokkum twee portretten uit omstreeks 1825 ten geschenke, voorstellende het Dokkumer echt- paar Von Eichstorff-Suiderbaan. Schenker was, met‘goedkeuring’van zijn vrouw en kinderen, hun nazaat de heer Dees Talma te Haaksbergen. De forse schilderijen meten 96 x 82 cm inclusief lijst en zijn door een onbekende schilder (gedacht kan worden aan iemand als de Dokkumer Gosling Posthumus) gemaakt als pendant, naar alle waarschijnlijkheid voor in het huis van het echtpaar aan de Hogepol 18. Dat prachtige pand, waar nu de notaris van Dokkum zetelt, werd omstreeks 1808 gebouwd, het jaar van het huwelijk van het paar. In latere jaren waren er het kantongerecht en zetel der inspectie voor de belastingen in gevestigd. Hij: De achternaam van de man, die voluit Duco Ant(h)on(ius) de Kampherbeke (Kampferbeek / Campferbeck) von Eichstorff heette, doet uiteraard niet erg Dokkums aan. Dat klopt, maar toch was hij zelf een geboren en getogen Dokkumer (18 sept 1771 - 1 maart 1829) en zijn vrouw op het schilderij is in Friese traditionele klederdracht te zien. Zijn vader was Burghard Hertwich Friedrich von Eichstorff, geboren Kopenhagen 27 nov 1727 en overleden Dokkum 6 juli 1799 als luitenant-kolonel in dienst van de staat.VaderVon Eichstorff was op 15 jan 1758 in Dokkum getrouwd met de Dokkumse Elisabeth de Haan (1 jan 1737 - 21 juli 1811). Duco Anton voerde naast zijn vaders naam ook die van zijn grootmoeder van vaderskant‘De Kampferbeke’. Hij is al in de dertig als hij trouwt (7 aug 1808) met de een jaar jongere Hendrina Geertruid Suiderbaan, die dan weduwe is van de jurist Jan de Vries. Duco Anton werd majoor der infanterie (Landmilitie) en zat in het gemeentebestuur van Dokkum. Zij: Hendrina Geertruid Suiderbaan (Dokkum 16 sept 1772 - 11 maart 1837) was de dochter van de Dokkumer stadssecretaris Boote Suiderbaan (8 okt 1738 - 3 dec 1809) en Clementia Pols (Oudehorne 17 febr 1733 - Dokkum 12 juni 1789). Op 13 maart 1814 beviel ze van een dochter; Duco Anton heeft dan nog de rang van kapitein. Dit meisje Elisabeth Geertruid Charlotte von Eichstorff (overleden Utrecht 21 jan 1895) huwt te Dokkum op 19 nov 1829 als 15-jarig meisje met 32-jarige mr. Aritius Sybran- dus Talma, advocaat te Leeuwarden, griffier van het Vredegerecht te Dokkum en kooiker te Engwierum, waar hij op 6 sept 1797 geboren was (hij overleed Dokkum 4 juli 1882). Uiteraard komt deze familie voor in de publicaties van ons lid en kooikerspecialist Gerard Mast. Op een gevelsteen in de schuurgevel van ‘De Cooypleats’ daar staat vermeld: ‘Duco Anthon van Eichstorff Talma aan deze plaats geboren, heeft op 20 april 1848 den eerste steen gelegd.’ Aritius Talma en Elisabeth von Eichstorff werden de grootouders van dominee Aritius Sybrandus Talma (1864-1916) die het bracht tot minister van Landbouw, Nijverheid en Handel en die een der grondleggers van ons huidige pensioenstelsel werd. Over hem schreef Lammert de Hoop het boek ‘De rode dominee’ en het bekende Talma Rustoord (Hûs) in Veenwouden werd naar hem vernoemd, waar men zijn christelijk-sociale ideeën in de praktijk probeerde te brengen. De schenker van de schilderijen, Dees Talma, stamt niet af van de rode dominee, maar van een broer van diens vader met de naam Doederus Boëtius Talma (dus ook een kleinzoon van de geportretteerden). Aardig is te vermelden dat diens voornamen verlatiniseringen zijn van de Friese namen Doede en Bote; de laatste naam gaat terug op Bo(o)te Suiderbaan. Het zal door het hierboven staande duidelijk zijn, dat het museum zeer verheugd is dat de nazaten uit deze familie met roots in Dokkum en Engwierum deze prachtige portretten aan het museum hebben geschonken. 28 VARIA&ACTUEEL NIEUWE AANWINST MUSEUM DOKKUM door IHNO DRAGT giwdragt@museumdokkum.nl FOTO’S:MUSEUMDOKKUM
  28. 28. TERUG NAAR DE ORIGINELE BRON Iedere onderzoeker en (amateur)historicus weet het, maar toch is het de valkuil waar we vaak intrappen: nooit zomaar overschrijven van anderen, maar zelf op zoek gaan naar de originele bronnen! Fouten die anderen maakten, worden dan niet overgenomen en je ontdekt vaak de mooiste dingen. Museumconservator Ihno Dragt, die kunstgeschiedenis en klas- sieke archeologie studeerde aan de Rijksuniversiteit te Groningen, weet dat natuurlijk als geen ander. Opnieuw verscheen er een publicatie van zijn hand, nu over de zogenaamde ‘Waalse Furie’ die Dokkum in 1572 trof. Dragt, die tevens voorzitter is van de stichting Historia Doccumensis die het boekje uitgaf, werkte eigenlijk aan een boek over ‘Graven in de Bonifatius- terp’ naar aanleiding van de expositie over dat thema in zijn museum, maar deedbijhetteruggaannaarorginelebronnenzoveelmooieeninteressante vondsten, dat hij besloot eerst dit boekje uit te brengen. IK HUIVER NOG BIJ DE HERINNERING... Dokkum was in 1572 namelijk het toneel van een uiterst gewelddadig schouwspel, waarbij honderden inwoners meedogenloos afgeslacht werden: de zogenaamde Waalse Furie. De Dokkumer arts Hendrik van Bra schreef: Ik huiver nog bij de herinnering aan alles wat ik gezien heb. Zijn ooggetuigenverslag staat centraal in dit boek en wordt vergeleken met wat anderen uit het Spaanse kamp erover schreven. Ihno Dragt vertaalde de tekst van Bra opnieuw vanuit het Latijn en ont- dekte daarbij een aantal subtiele of opmerkelijke verschillen met een eerdere, 19e -eeuwse vertaling. Ongelofelijk genoeg zijn er ook nog schetstekeningen van de gebeurtenis zelf, die waarschijnlijk gemaakt werden in opdracht van De Robles en die in het licht van het Waalse bloedbad worden beschreven. Overigens voerde dezelfde stichting Historia Doccumensis - in het kader van een publicatie over bouwstijlen in Dokkum - dendrochronologisch (jaarringen) onderzoek uit, waaruit bleek dat niet de gehele Dokkumer binnenstad tijdens de plundering werd platgebrand, (zoals bijvoorbeeld het pand aan De Dijk 4, dat uit 1564 dateert). Ihno Dragt heeft op de voor hem kenmerkende wijze weer een gedegen boekwerkje samengesteld, waarbij bekende en nieuwe feiten over één van de grootste drama’s dat zich in Dokkum heeft afgespeeld op een aantrekkelijke wijze worden uitgelegd in een goed leesbaar en rijk geillustrreerd verhaal. Het verhaal van de Waalse Furie is verrijkt met vele nieuwe historische gegevens. ‘Ontsnapt aan het BLOEDBAD’ kost € 14,95 en is te bestellen via www.historia-doccumensis.nl ( onder Publicaties ). HERDRUK ‘GESCHIEDENIS VAN DOKKUM’ Goed nieuws voor hen die in 2004 te lang wachtten om het standaardwerk over de historie van Dokkum te kopen, want er komt naar alle waarschijnlijkheid een herdruk van dit al lang uitverkochte boekwerk. Daarvoor zijn 500 intekenaren nodig en om het goede voorbeeld te geven tekende burgemeester Marga Waanders onlangs namens de gemeente Dongeradeel als eerste in. “Een boek als Geschiedenis van Dokkum moet ge- woon altijd verkrijgbaar zijn. En voor iedereen,” vindt Louw Dijkstra van Uitgeverij Wijdemeer, die samen met de stichting Historia Doccumensis, Drukkerij Douma en de Nieuwe Dockumer Courant de inteken- actie opstartte. INTEKENACTIE Intekenen op dit standaardwerk kan voor € 39,50 ( na de actieperiode € 49,50 ). Alle intekenaren krijgen naamsvermelding in het boek en onder de intekenaren worden bovendien 10 gratis exemplaren ver- loot. De actie loopt totvrijdag26juni. Als er na de actieperiode 500 intekenaren zijn, wordt het boek gepresenteerd tijdens de Admiraliteitsdagen 2015. Intekenen via www.geschiedenisvandokkum.nl INGEBOEKT 29 BLOEDBAD IN DOKKUM: door WARNER B. BANGA warner.b.banga@knid.nl ‘DE WAALSE FURIE’ OMSLAG VAN HET BESPROKEN BOEK
  29. 29. 30 GENEALOGIEBOEK HALBESMA’S Op ons blog worden niet alleen door mij maar de laatste tijd ook regel- matig artikelen geplaatst waarvan de tekst en afbeelding door leden van onze vereniging worden aangeleverd. Het afgelopen kwartaal wa- ren daar diverse schrijvers van boeken over de genealogie van een fami- lie bij. Zo publiceerde Douwe Halbesma een boek over de geschiedenis van de Familie Halbesma uit De Falom en André Buwalda de Genealogie Buwalda: van Tjerkwerd to Pella 1500-2015. Als u zelf ook een dergelijk boek gaat uitgeven, laat het dan weten! GEBRANDSCHILDERDE RAMEN VAN AMELAND Door onze eerdere artikelen over de gebrandschilderde ramen uit de Nederlands Hervormde kerk van Hollum op Ameland hebben we in- middels een mooi netwerk van kenners op dat gebied opgebouwd. Dat levert ook regelmatig weer interessante vondsten op. Zo blijkt in een privécollectie in Vlaanderen een drietal glas-in-lood- ramen te zitten die uit een Friese kerk afkomstig zijn. Een ensemble met de allegorie op de Gerechtigheid komt uit een glas dat geschonken is door de [hoogmog]ende [Gedepu]teer [de] Staten van Fries[land]. Het andere ensemble met een allegorie op de Eenheid (zeven gebundelde pijlenbundels) komt uit een glas van de [Reken]mees [t]ers Va[n Friesland] uit 17[..]. De fragmenten zijn vroeg 18e -eeuws. Nog leuker is een vondst van wederom een raam uit de kerk van Hollum. De Amelander Vincent Robijn, die archivaris was in Rotterdam (inmid- dels Eemland), heeft schoonouders van wie de buren het raam in de vensterbank hadden staan (volgt u het nog?). Het raam is in 1978 bij de antiquair Douma uit Amsterdam op een veiling in Breda gekocht. Dezelfde antiquair van de ramen die nu in het bezit zijn van het Scheepvaartmuseum en het raam wat nog niet zo lang geleden door Arend Jan Hakman is aangekocht bij antiquair Bruil & Brandsma. Ook nu is het weer een bijeengeraapt geheel van kleine ruitjes. Gelet op de entourage van kersen en de zwarte vogelkop als helmteken betreft dit een Nesser raam. Het onderschrift is verkeerd geplaatst. Het is nu de vraag welke oorspronkelijke naam in het raam gestaan heeft. Vermoedelijk is dat Teunis Tijmens. Tijmens was in 1680 burgemeester van Nes. Hij was in die functie ook aanwezig bij een rechtszitting in 1681 en wordt in 1670 in de aktes uit een recesboek als burgemeester van Nes genoemd. Bij Tresoar vond Jacob Roep dat hij in 1661 met Lutske Gerlofs getrouwd is en hij wordt in de periode 1652-1657 een aantal keren in het Sonttolregister vermeld. De letters in het linker ruitje komen van de naam Douwe Liewes. Douwe Liewes is een old-burgemeester van Nes. Dit ruitje ontbrak in de reconstructie van Hakman. Zie de reconstructie Nes IV op pagina 2 van het vervolgartikel in De Sneuper 115. Mooi dat het ruitje nu gevonden is; dat bevestigt de juistheid van Hakmans reconstructies. LAET NIEMAND DIT LEZEN! Onlangs is ook een zestigtal brieven gebundeld in de uitgave Laet doch niemant dese brief leesen. Vrouwenbrieven uit Friese familiearchieven 1600-1800. Auteur Elizabeth de Groot heeft de brieven ontcijferd, hertaald en van een inleiding voorzien. Diverse bijzondere brieven van, vaak adellijke, dames uit onze regio worden daarin behandeld. In een komend nummer van De Sneuper kunt u een recensie verwachten in de rubriek Ingeboekt. Zilverkenner Jan Schipper meldde weer een leuke vondst van een zilveren lepel met De Vriendschap van de Kollumer zil- versmid Pieter Martens. De achterzijde van de bak is gegraveerd met de letters O M en S G.Het is een huwelijkslepel van het echtpaar Oeds Molles, uurwerkmaker te Kollum en stamvader van de familie Radema, en zijn eerste vrouw Stijntje Gosses. Zij trouwden in Kollum op 25 juli 1756. Over juweliersfamilie Radema publiceerden we in Op de Praatstoel 2. Aangezien we het delen van kennis over de geschiedenis en genealogie van Noordoost-Friesland hoog in het vaandel hebben staan, hebben we wederom een aantal publicaties, o.a. over de kerken van Anjum, Hantum en de Remonstrantse kerk in Dok- kum (door Wim Keune) gedigitaliseerd en gratis beschikbaar gesteld via www.slideshare.net/sneuperdokkum. Bij de Indexen op onze site hebben we als nieuwe o.a. Dokkumers in de Notariële Archieven van Amsterdam en Criminele Sententies 1649-1699! U kunt zich nog steeds aanmelden voor onze nieuwsbrief via www.HVNF.nl, De Sneuper als pdf ontvangen en inmiddels heb- ben we zo’n 1000 volgers op Twitter via twitter.com/sneuperdokkum. NIEUW ONTDEKT NESSER RAAM VAN TEUNIS TIJMENS GENEALOGIEBOEKEN & RAMEN (A) WEBSITE- & BLOGNIEUWS door HANS ZIJLSTRA sneuperdokkum@yahoo.com DIGITAAL&ACTUEEL

×