Skip to main content
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
1.2.1.0 Algemeen							 1
			 0.1 Inleiding					 1
			 0.2 Historische ontwikkeling metselwerk		 2
			 0.3 Constructieve aspecten			 5
			 0.4 Baksteen				 15
			 0.5 Voegwerk				 27
			 0.6 Benamingen en begrippen			 43
			 0.7 Onderhoudsgevoelige constructies	 47
			 0.8 Veel voorkomende problemen en oplossingen	 54
			 0.9 Literatuur				 67
1.2.1.1 Inspectie						 69
			 1.1 Methode en aanwijzingen		 69
			 1.2 Hulpmiddelen bij de inspectie		 74
			 1.3 Gebreken constructie en standzekerheid		 75
			 1.4 Gebreken baksteen			 76
			 1.5 Gebreken voegwerk			 77
1.2.1.2 Rapportage 						 80
			 2.1 Algemeen				 80
			 2.2 Kwaliteitsomschrijving			 82
			 2.3 Adviezen				 84
			 2.4 Voorbeeldomschrijvingen		 87
1.2.1.3 Herstel 					 90
			 3.1 Algemeen			 90
			 3.2 Werkzaamheden		 90
			 3.3 Nuttige adressen		 91
i
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
1.2.1.0 Algemeen
0.1 Inleiding
In het oude Mesopotamië werd al volop gebruikt gemaakt van baksteen. De baksteen is dus niet
een typisch Nederlands verschijnsel, maar wel zeer bepalend voor de Nederlandse architectuur.
Metselwerk met het voegwerk bepaalt in hoge mate het karakter van een gebouw. Het is evenals
onze huid, zeer kwetsbaar en gevoelig voor mishandeling en kneuzingen. Dit geldt in het
bijzonder voor het voegwerk als afwerking van deze huid. Om de kwaliteit van behoud en herstel
beter te borgen, streeft het Rijk in het kader van de Modernisering Monumentenzorg naar meer
“kwaliteit in de keten”en het stimuleren van erkenningsregelingen die hieraan voldoen.
1
Afbeelding 1
Origineel
metselwerk en
voegwerk, zoals bij
deze tuinmuur bij
kasteel Middachten
in De Steeg (Gld)
is een document
dat veel informatie
verschaft over
werkwijze en
techniek in het
verleden.
Om alle aspecten die te maken hebben met het restaureren van bakstenen gevels en het behoud
van historisch voegwerk te behandelen, is volstrekt onmogelijk. In deze moduul komen alleen die
zaken aan de orde die voor ons inspectiewerk van direct belang zijn. Zie voor een diepergaande
behandeling de literatuur die genoemd wordt onder paragraaf 0.9. Deze moduul geeft naast
enkele historische hoofdlijnen, ook uitvoerige richtlijnen voor het op de juiste wijze inboeten van
metselwerk en herstellen van voegwerk. Uitgangspunt hierbij is dat we de originele uitvoerings-
wijze en materiaal samenstelling zo nauwkeurig mogelijk volgen. Al wordt deze natuurlijk wel
beperkt door de beschikbaarheid van oude materialen, fabricage- en bouwtechnieken. Extra
aandacht wordt besteed aan verankeringen van en in het metselwerk, een onderschat probleem.
De laatste jaren is uitvoerig onderzoek gedaan naar de kwaliteit van nieuwe baksteen voor
inboetwerk. De uitkomsten zijn verwerkt in deze moduul. Voor restauratievoegwerk en reinigen
is inmiddels een goed bruikbare uitvoeringsrichtlijn (URL) opgesteld in samenwerking met de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Diverse aspecten uit deze richtlijn zijn in deze moduul
verwerkt. Verder komt het behoud en herstel van onderhoudsgevoelige elementen aan bod en
het beoordelen van de kwaliteit van metselwerk en voegwerk.
Inbepaaldegevallenkunnenproblemenmethetmetselwerkontstaandieeengevolgzijnvanmeer
of minder ernstige scheurvorming of funderingsgebreken, zie hiervoor moduul 1.1 Funderingen.
Instabiele kapconstructies kunnen door spatkrachten of afschuifkrachten voor behoorlijke
problemen in het opgaande metselwerk zorgen. Zie hiervoor moduul 2.1 Kapconstructies in
hout, ijzer of staal en beton. Hetzelfde geldt voor gebreken in gewelven, zie moduul 3.3 Gewelven
en plafonds. Instabiel metselwerk kan ook een gevolg zijn van ernstige gebreken bij balken en
andere dragende constructies. Zie hiervoor moduul 3.2 Dragende constructie en vloeren.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
2
0.2 Historische ontwikkeling
Kunst van het bakken
De Romeinen waren meesters in het bakken van steen en hebben daar dan ook intensief gebruik
van gemaakt. Dunne platen van ongeveer 4 cm dik en soms wel 80 cm lang en dan vormen,
drogen en bakken zonder krimpscheuren! Onder andere de restanten van de Kaiserthermen in
Trier geven hiervan nog een goed beeld. Met het te niet gaan van het Romeinse Rijk in de 4e
eeuw na Christus verdween de kennis van het bakken van steen in onze landstreken geheel.
In de 8e en 9e eeuw werd in Lombardije (Noord-Italië) een dikkere baksteen gebruikt, 5 tot 8 cm
dik, vermetseld in wat wij nu een Vlaams verband noemen (kop-strek-kop-strek). Vòòr het jaar
1000 werd in Zuid-Duitsland in de omgeving van Augsburg en München ook al gebruikt gemaakt
van baksteen.
Afbeelding 2
Romeins
metselwerk in
baksteen aan de
Kaisersthermen in
Trier (Duitsland).
In het midden van de 12e eeuw kwamen monniken uit Lombardije en Zuid-Duitsland naar
Noord-Duitsland en Denemarken en bouwden rond 1160 kloosterkerken in baksteen.Van daaruit
verspreidde zich de kennis van het stenen bakken naar de Nederlanden. De eerste bakstenen
werden aan het einde van de 12e eeuw gebakken in formaten die aansloten op de ervoor
gebruikte tufsteen, circa 8 à 9 cm dik en wel 37 cm lang. De eerste bakstenen muren werden
evenals bij tufsteen als een soort kistwerk opgetrokken met een buiten- en binnenschaal van
goede baksteen. Inwendig werden het afval en de misbaksels verwerkt, onder andere in de
Hervormde Kerk te Aalsum bij Dokkum. Ook werd in de beginperiode tufsteen en baksteen in
elkaar afwisselende lagen gebruikt, zie afbeelding 4. Zowel tufsteen als de eerste zware bakstenen
werden met twee handen vermetseld. Er werd vol en zat gemetseld, waarbij de speciebaarden
uitgestreken werden en afgewerkt als een dunne pleisterlaag.
Ontstaan van metselverbanden
Een strak verband was bij de eerste toepassing van baksteen nog niet ontwikkeld. Aanvankelijk
paste men in het noorden van ons land een soort Noor(d)s verband toe, twee tot drie koppen
afgewisseld met een strek. Later in de 13e eeuw kwam in het zuiden en westen van ons land
een Zuidelijk verband - Vlaams verband- in zwang, gemetseld in kop-strek-kop. In elke laag zaten
dus koppen en strekken. In het begin van de 14e eeuw ging men over van Vlaams verband naar
staand verband. Een bekend voorbeeld is de Nobelpoort in Zierikzee, onder in Vlaams verband
en boven in staand verband gemetseld. Met gesinterde koppen werden in de 15e en 16e eeuw
ruitvormige patronen gemetseld, onder andere zichtbaar in het muurwerk van het Muiderslot te
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
3
Muiden, Kasteel De Cannenburch te Vaassen en het Klooster Ter Apel. Ook het aanbrengen van
speciale metseltekens kwam in die periode voor. Een jonge toepassing van Vlaams verband uit
de periode van de Jongere Bouwkunst (1850-1940) is het Hoofdgebouw III van de Nederlandse
Spoorwegen in Utrecht, de zogenaamde “Inktpot”, gebouwd in 1918-’21 door architect H.J. van
Heukelom.
Voor 1500 werd niet gemetseld in kruisverband. Hoekoplossingen werden steeds met een
klezoor in de koppenlaag gemetseld. Door het kleiner worden van de steen werd het gebruik
van klezoren moeilijker. Aan het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw ging men in
het westen van ons land over op het toepassen van drieklezoren in de strekkenlaag. Per streek
verschilde het tijdstip van invoering. In Zuid-Limburg kwam het gebruik van drieklezoren pas in
de loop van de 19e eeuw in zwang.
Toepassing van baksteen
In de loop van de 17e eeuw werd baksteen voor representatieve gevels streng geselecteerd op
maatvastheid en kleur als gevelklinkers. Dit leidde uiteindelijk in de 18e eeuw tot een enorme
verfijning van metselwerk en voegwerk. Over het metselwerk werden krassen gezet voor het strak
zetten van stootvoegen. Een bekend voorbeeld is het Mauritshuis in ‘s Gravenhage. Bij zeer fijn
werk werd op zogenaamde“kelderveren”of koperen strips van 3 mm gemetseld, de stootvoegen
bijna zonder specie. Na 1800, met de komst van het neo-classicisme, neemt de belangstelling
voor baksteen af en komen geheel of gedeeltelijk gepleisterde gevels steeds meer in zwang.
De neorenaissance en de neogotiek in de tweede helft van de 19e eeuw luidden echter de
herontdekking en herwaardering van de baksteen in, onder andere door een kleurig gebruik
van verblendsteen, geglazuurde steen, siermetselwerk in verdiepte velden van geprofileerde
blindnissen, boogfriezen en speklagen. De bekende architect P.H.J. Cuypers maakte hiervan
overvloedig gebruik bij de bouw van het Rijksmuseum in 1875-‘85 en het Centraal Station in
1875-‘89 , beiden in Amsterdam.
Afbeelding 3
Noorderhavenpoort
te Zierikzee,
ruitvormig patroon
met verglaasde
koppen uit het
begin van
de 16e eeuw.
Afbeelding 4
Kerk in
Hogebeintum
(Fr) Zeer vroege
baksteenbouw
uit het einde van
de 12e eeuw, die
aansluit op de
formaten van
de tufsteen.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
4
Behalve deze herleving vond rond 1860 ook een grote stijging van de bouwproductie plaats.
Denk aan de uitbreiding van veel steden na hun opheffing als vesting in 1873 en de bouw van
de tientallen forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in dezelfde periode. Deze stijging van
de bouwproductie werd mogelijk gemaakt door de opkomst van de machinale productie van
baksteen en de introductie van de ringovens, een uitvinding van de Duitser Hoffman, waarmee
volcontinu gebakken kon worden. De baksteen die op deze wijze geproduceerd werd, zit echter
stijver in elkaar, is harder en minder poreus. Aanvankelijk werd de steen gevormd met behulp van
vormbakmachines,dezogenaamdevormbaksteen,toegepastinhetVredespaleiste‘sGravenhage.
Rond 1915 kwamen de zogenaamde strengpers-machines in zwang met de strengperssteen.
Onder andere bij het Raadhuis van Hilversum, gebouwd door Dudok in 1927-’31, is een witgele
strengperssteen toegepast. Hiervoor werd de geelbakkende klei vermengd met kalk of kalkaarde,
afkomstig van de suikerraffinage van suikerbieten.
Afbeelding 5
Metselwerk
in gebogen
vormen van de
Amsterdamse
School in het
Spaarndammer-
plantsoen in
Amsterdam.
Afbeelding 6
Karakteristieke
detaillering van
het stadhuis in
Medemblik,
gebouwd in
1939-’42 door
A. J. Kropholler in
de trant van de
Delftse School.
De herleving van de baksteentraditie gold ook voor de grote representatieve gebouwen. Berlage
maakte definitief een einde aan de 19e eeuwse stijlopvatting om baksteen weg te moffelen
achter een pleisterlaag. Zeer bekend is de Beurs van Berlage gebouwd in 1898-1903. Waardering
voor schoon metselwerk herleeft. Ook veel kerkinterieurs werden bij restauraties op deze
wijze benaderd, zie moduul 3.7 Binnenpleisterwerk. Ook werden veel gevels van baksteen en
natuursteen van hun historische verflagen ontdaan.
De toepassing van baksteen vond qua gebruik en vormenrijkdom een hoogtepunt in de plastiek
van de zogenaamde Amsterdamse School, vlakke gevels, geen of weinig negge bij de kozijnen en
een zeer nauwkeurige detaillering, ook bij waterkeringen. Verder wordt het metselwerk voorzien
van zeer bijzondere elementen zoals staande lagen, vlechtingen etc. Er werden harde klinkers met
een sterke voegmortel verwerkt. Het Noor(d)se of kettingverband werd weer veel toegepast.
In de twintiger jaren wordt de baksteen ook gebruikt als omhulling van een betonskelet,
zie moduul 3.2 Dragende constructies en vloeren. Een vroege toepassing is het Gemeente-
museum van Berlage in ‘s Gravenhage uit 1927-‘34, als het ware een huid in blokverband. Het
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
5
blokverband werd gemetseld in portland-cementmortel. Het blokverband bleek gevoelig voor
temperatuurswisselingen–uitzettenenkrimpen.Ditmaaktedilatatiesnoodzakelijkdieverborgen
werden achter de hemelwaterafvoeren.
De Delftse School hield tot in de vijftiger jaren de baksteentraditie hoog. Belangrijke architecten
waren Kropholler met zijn stadhuis te Medemblik, zie afbeelding 6 en Granpré Molière, met zijn
tuindorp Vreewijk in Rotterdam, aangelegd in 1920-’28.
Afbeelding 7
Gemeentemuseum
in ’s Gravenhage,
gebouw door
Berlage in 1927-’34.
Een betonskelet
omhult door
metselwerk in
blokverband.
0.3 Constructieve aspecten
Algemeen
Belangrijk is het onderkennen van het geheel eigen constructieve karakter van oud metselwerk.
Brengt men moderne starre en op stijfheid berekende constructies in, dan kan dit leiden tot
problemen. Te denken valt aan het inboeten van metselwerk in portlandcement, het verstijven
van een koorsluiting met betonnnen randbalken of een torenromp met betonnen vloeren. etc. In
welke opzichten onderscheidt oud en modern metselwerk zich?
Oud metselwerk tot circa 1890 Modern metselwerk vanaf 1890
Baksteen van niet ontluchte klei, langzaam
gedroogd en gebakken, sterk poreus, grote
vochtopname, lagere uitzettingscoëfficient.
Baksteen van ontluchte klei, snel gedroogd,
bij hoge temperaturen gebakken, hogere
dichtheid en minder poreus, hogere uit-
zettingscoëfficient.
Grote verscheidenheid aan kleine en grote
poriën (rommelig), bijna perfect bestand
tegen vorst.
Homogene gelijkmatige poriënstructuur,
hierdoor meer vorstgevoelig.
Zacht en elastisch, neemt gemakkelijk
temperatuurspanningen op.
Hard en stijf, neemt moelijker temperatuur-
spanningen op, zodat dilataties noodzakelijk
zijn.
Gemetseld met zachte poreuze kalkmortels,
versteent met koolzuur uit de lucht, mortel is
vervormbaar, elastisch.
Gemetseld met harde weinig poreuze
cement, versteent door chemische reactie
met het aanwezige water.
Vervorming als gevolg van beperkte
zettingen kunnen gemakkelijk worden
opgenomen, zonder dat de samenhang van
het metselwerk verloren gaat.
Zettingen kunnen niet zonder scheurvorming
worden opgenomen, samenhang van het
metselwerk gaat hierdoor verloren, dilataties
noodzakelijk.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
6
Juist vanwege bovenstaande verschillen, is het belangrijk herstelwerk uit te voeren met een
specie die zoveel mogelijk overeenkomt met het bestaande werk. Ook dienen vervormingen in
het oude metselwerk geheel anders beoordeeld te worden dan in modern metselwerk. Lichte
vervormingen zijn acceptabel, zolang het constructieve verband niet verloren gaat.
Oudere gebouwen zijn meestal gemetseld als massieve dragende muren. De benodigde dikte
van een muur houdt verband met het draagvermogen, de hoogte en de constructiewijze. Naar
mate men hoger komt, verjongt het metselwerk zich. Massief betekent overigens niet altijd
homogeen. Bekend is het kistwerk van tufsteen waarbij 2 schalen van blokken steen werden
opgetrokken en er tussen een vulling van overgeschoten brokken steen en kiezels met kalkmortel.
Deze werkwijze werd ook nog lang gevolgd bij het bouwen in baksteen, waarbij de misbaksels
en halfgare steen in de kern van de muur werden verwerkt. Massief metselwerk kan ook bekleed
zijn met natuursteen. Een veel gevolgde werkwijze in Nederland. Het meest bekende voorbeeld
is de St-Jan in ’s Hertogenbosch, die oogt als een in natuursteen gebouwde kerk, maar waarvan
de kern in baksteen is opgetrokken.
Spouwmuren
Spouwmuren bestaan uit twee evenwijdige muren, wel aan elkaar gekoppeld door stenen of
ijzeren ankers, maar gescheiden door een smalle luchtspleet: de spouw. Het woord spouw is
afgeleid van een oud woord “spouden” dat splijten betekent. De vroegst bekende toepassing
in Nederland is de oranjerie op de historische buitenplaats Berbice in Voorschoten uit 1688-’95.
De spouwmuur was hierbij bedoeld als isolatie en gevuld met boekweitdoppen. Spouwmuren
werden ook al vroeg toegepast bij de bouw van ijskelders voor het zo koel mogelijk bewaren
van het ijs. In 1762 werd Kasteel Zypendaal bij Arnhem al voorzien van een spouwmuur tegen
doorslaand vocht.
In de tweede helft van de 19e eeuw worden steeds meer spouwmuurconstructies toegepast,
onder andere bij bomvrije remises in forten, stationsgebouwen, watertorens. Met de komst
van de Woningwet in 1901 wordt de toepassing van spouwmuren algemeen. Hierbij is het
binnenblad dragend, voor de balklagen, het buitenblad is vaak dragend voor de kapconstructie.
Een spouwmuur is gemakkelijk te herkennen aan:
Afbeelding 8
Om te bepalen of
een overhellende
muur of een
samenstel van
muren gevaarlijk is,
kan de vuistregel
gebruikt worden
dat het snijpunt
van de diagonalen
(= het zwaartepunt)
niet voorbij de
middelste 1/3
mag komen.
De hoogte is dus
ook medebepalend. L
1 2 3 1 2 3
L
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
7
-	 Ontbreken van koppen in het metselwerk en gemetseld in halfsteens- of klezorenverband.
- 	Dikte van de muur van binnen naar buiten: 22-5-11 cm of 11-5-11 cm.
- 	Meestal gebouwd na 1900.
- 	Scheuren in binnenblad en buitenblad verlopen niet hetzelfde.
- 	Aanwezigheid van open stootvoegen voor de ventilatie.
De belangrijkste functie van de spouwmuur is het tegengaan van doorslaand vocht. Dat is ook
de reden dat het buitenspouwblad aan de binnenzijde werd vertind. Een vochtige spouw is een
ideale omgeving voor de huiszwam. Deze kan zich verspreiden via de spouw en op de meest
onwaarschijnlijke punten opduiken, zoals kroonlijsten zo’n 10 meter boven het maaiveld. Vaak
wordt deze aantasting pas in een te laat stadium ontdekt. Een punt van aandacht is koppeling
van beide spouwmuren door ijzeren spouwankers. Deze roesten uiteindelijk door, waardoor de
samenhang tussen binnen- en buitenblad verloren gaat, met uitbuiken en wegvallen van het
buitenblad als gevolg.
Stabiliteit
Met baksteen metselen is eigenlijk stapelen. Steen is berekend op het opnemen van druk. De
stabiliteit van de muur berust dus naast massa op een goed samenspel tussen baksteen en
mortel. De kwaliteit van oud metselwerk is zelden echt homogeen en kan van plaats tot plaats
sterk verschillen. Dit geldt zowel voor het metselen zelf en de kwaliteit van de baksteen, als latere
aanpassingen en inboetwerk van eerdere restauraties.
Bij te grote belasting gaat de baksteen kapot omdat de maximale druksterkte is bereikt. Bij te
grote vervorming gaat steen stuk omdat de uiterste rek wordt bereikt. In beide gevallen hoeft dit
nog geen bezwijken van het metselwerk te betekenen, meestal treedt dan scheurvorming op.
Scheuren werken dus als verklikkers. Zie voor een uitgebreide behandeling van scheurvorming
verder moduul 1.1 Funderingen.
Krachten in dwarsrichting, denk aan de wind, moeten opgevangen worden door:
-	 Een zeer grote dikte van de muren, denk aan Romaanse kerkbouw.
-	 Het plaatselijk verzwaren door lisenen of steunberen, bijvoorbeeld voor spatkrachten van een
	 gewelf.
-	 De aansluiting met binnenmuren, waardoor haakse hoeken ontstaan die een grotere
	 weerstand bieden of door het cirkelvormig metselen zoals bij ronde torens.
-	 Het verankeren door een balklaag, zodat uitwijken wordt belet door aan de muren verankerde
	 balken, de zogenaamde ankerbalken.
Verankeringen in en van metselwerk
Een tot heden onderschat probleem is het voorkomen van ring- en kettingankers in het
muurwerk. Om de constructieve samenhang en stabiliteit bij het optrekken van hoge gebouwen
te waarborgen werden om de 5 à 6 meter ijzeren ringankers toegepast. Dit was onder andere het
geval bij de herbouw van Kasteel Amerongen in 1680. Heel vaak zijn aan deze ijzeren ringankers
in het metselwerk van steunberen of penanten nog zware verticale staven gekoppeld van het
ene ringanker naar het andere. Vooral in het metselwerk van torens kan dus een heel samenstel
van ijzerwerk verborgen zitten. Dit is niet alleen bij laatmiddeleeuwse torens het geval, maar
ook bij torens van neogotische kerken. Doorgaande horizontale scheuren in pleisterwerk aan
de binnenzijde of afschervende steen aan de buitenzijde door roestvorming van deze ankers
vormen een herkenningspunt.
Behalve ringankers die bij de bouw zijn toegepast, kunnen aanvullende verankeringen ook bij
restauraties in het verleden ingebracht zijn. Dit was het geval bij de restauratie van 1887-1905 na
een gedeeltelijke instorting van de toren van de St. Pieter in Oirschot . Bij een recente restauratie
van een watertoren in Katwijk bleken ook zware ringankers toegepast te zijn.
Een andere vorm van verankering betreft het tegengaan van uitbuiken van onvoldoende
homogeen metselwerk of kistwerk. Een veel voorkomend euvel bij Friese torens, maar ook wel
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
8
Afbeelding 10
Scheurvorming
in baksteen
muren die
aangeeft in welke
richting krachten
werken door
scheurbreedte-
verschillen van
lint- en stootvoeg.
elders. Kenmerkend zijn de grote X-vormige of Y-vormige ankers verspreid over het muurwerk.
Vaak aangevuld met metselwerk in een kleiner steenformaat uit de 17e of 18e eeuw. Soms stortten
torens plotseling en ongewild in, zoals het geval was bij de restauratie van de toren in Jorwerd
(Fr) in 1951. Hetzelfde type ankers werd ook toegepast bij verankeren van bruggehoofden of de
tegenoverliggende muren over de kruin van keldergewelven.
Scheuren door thermische werking en te grote spanning
Massief metselwerk zet uit en krimpt door temperatuurveranderingen. Hierdoor ontstaan te
grote schommelingen van de temperatuur tussen de schil en de kern van het metselwerk, die het
metselwerk niet kan volgen…. en het scheurt! Dit komt veel voor bij lange muren van bastions en
forten. Grote temperatuurverschillen kunnen ook ontstaan door de ligging ten opzichte van de
Afbeelding 9
Een detailopname
van een ringanker
dat blootgelegd
werd bij de
restauratie in
2009-’11 van de
toren van de
St. Pieter in Oirschot.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
9
zon. Denk hierbij aan torens, molenrompen en fabrieksschoorstenen. Er ontstaan zogenaamde
“laterale”scheuren. Dit zijn scheuren evenwijdig aan de voorzijde van het metselwerk. Door een
overmaat aan vocht in de ontstane holten, treedt na verloop van tijd vorstschade op, waardoor
de buitenste schil wegvalt.
Scheuren kunnen ook ontstaan door langdurige zware belasting van het metselwerk. Meestal
zijn dit scheuren die dwars door de stenen lopen. Vaak is ook vervorming zichtbaar. Bij torens zijn
spanningen vaak zichtbaar in het midden van de torenromp door lange verticale scheuren.
Verankering van balklagen en kapconstructies
Om het opgaande muurwerk met de balklagen en kapconstructies tot een hecht geheel
te vormen, worden ankers toegepast. Zie hiervoor ook moduul 3.2 Dragende constructies.
Aanvankelijk werden zogenaamde gevelankers gebruikt. Deze kunnen niet alleen verbonden zijn
met balken maar ook met muurstijlen van korbeelstellen. Het meest eenvoudige anker dat op
het platteland tot in deze eeuw veel is toegepast, is het schootanker. Dit bestaat uit een veer met
uitgesmeed einde dat aan de balk of stijl is bevestigd. Het andere einde heeft een oog of knoop
waardoor de schieter past, die blijft hangen op een uitgesmede of aangewelde neus of vastgezet
wordt met een al dan niet krulvormige wig. Haakankers hebben een omgezet einde. Deze komen
niet alleen als blindanker voor, maar in Limburg ook als gevelanker.
In de 16e en 17e eeuw worden als onderdeel van de architectuur veel sierankers en jaartalankers
toegepast. In de loop van de 17e eeuw gaat men over op blinde verankering om de strakkere
gevelarchitectuur niet te verstoren. Door roestvorming kunnen deze blindankers voor aanzienlijke
problemen zorgen. Met de komst van de neogotiek, neorenaissance en jugendstil worden ook
weer royaal smeedijzeren gevelankers toegepast.
Behalve deze gevelankers worden in de tweede helft van de 19e eeuw steeds meer gietijzeren
roset- of schotelankers toegepast. Hierbij is aan het einde van de veer een schroefdraad is getapt,
waarop de rozet met een moer kan worden vastgezet.
Afbeelding 12
Gietijzeren anker,
vastgezet door een
gesmede kop op
een staaf.
Afbeelding 11
Uitgesmeed 17e
eeuws gevelanker,
vastgezet met krul.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
10
Venster- en deuropeningen
Deze spelen als vormgevend element een belangrijke rol in de diverse bouwstijlen en bepalen in
sterke mate het karakter ervan, zie hiervoor moduul 1.4 Vensters en 1.5 Deuren.
Venster-endeuropeningenvormengatenenbetekenenduseenverzwakkingvanhetmetselwerk.
Het gewicht van een bovenliggend piramidevormig stuk metselwerk moet opgevangen en
afgeleid worden. Het opvangen van het metselwerk gebeurde door het aanbrengen van eiken
lateien, het slaan van bogen of het aanbrengen van een strek.
In de steenbouw werden doorgaans natuurstenen lateien gebruikt. Deze kunnen echter maar
een zeer beperkte opening overspannen. Bij het metselen in baksteen fungeert in veel gevallen
de bovendorpel van houten kozijnen als latei, zo nodig verzwaard met een extra eiken plaat.
Afbeelding 13
Een later
aangebracht kozijn
dat te breed is om
het bovenliggende
metselwerk op te
vangen en een
bewijs dat kozijnen
in Nederland
dragende
elementen zijn.
Afbeelding 14
Eenvoudig
schootanker. Let
er op dat de veer
niet aangemetseld
wordt. Door het
vrijhouden ervan,
kan de balkkop
ventileren.
Afbeelding 15
Een uitgezakte
korfboog met
naar links lopende
scheur duidt op
structureel gebrek,
in dit geval
weggezaagde
hildebalken van
de hilde of zolder
boven de koestal.
Ingerotte
gebintstijlen
waardoor het
gebint zakt, zorgen
voor hetzelfde
verschijnsel.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
11
Kozijnen hadden dus vaak een dragende functie, vandaar de zware houtmaten van oude kozijnen.
Denk hierbij ook aan de zogenaamde puibalken van puien in 17e eeuwse gevels.
Ter ontlasting werden boven de houten vensters bogen geslagen in diverse vormen. Ook
konden hiermee grotere openingen worden overbrugd zonder dat dit gevolgen had voor het
bovenliggende metselwerk.
Rond 1870 kwamen lateien in zwang die samengesteld werden uit stalen profielen. Een probleem
is de soms sterke roestvorming bij de oplegging.
Pas na de oorlog werd ook de betonnen latei algemeen toegepast. Een bekend probleem is de
scheurvorming van het metselwerk door de kruip van het beton en verschil in uitzetting.
Omdat venster- en deuropeningen zwakke plaatsen zijn worden structurele problemen zoals
zettingen, uitbuiken door spatkrachten van kapconstructies daar vaak het eerst zichtbaar. Het zijn
als ware verklikkers. Enkele veel voorkomende problemen zijn:
-	 Te grote overspanning waardoor een latei breekt of doorhangt, waardoor scheurvorming in
	 het erboven gelegen metselwerk optreedt. Ook bij houten kozijnen zonder voldoende
	 ontlasting door een boog, weggezaagde of ingerotte stijlen ontstaan deze problemen.
- 	Een te vlakke boog. Deze is onvoldoende in staat de druk van het bovenliggende metselwerk
	 op te vangen
- 	Te grote horizontale krachten (spatkrachten) of afschuiving. De verschuiving wordt het eerst
	 zichtbaar bij de aansluiting van het kozijn op het metselwerk.
- 	Te grote verticale krachten, onder andere als gevolg van vervorming en zetting door te
	 zwakke fundering, te grote belasting van muurdammen naast de kozijnen, waardoor de
	 onderdorpels bol gaan staan.
Vochthuishouding
Veel vochtproblemen ontstaan door een verstoring van de vochthuishouding in het metselwerk.
Dit geldt overigens niet alleen bij metselwerk, maar ook bij de afwerking zoals pleister- en
verfsystemen, zie moduul 1.3 Buitenpleisterwerk en moduul 3.7 Binnenpleister-werk &
muurschilderingen. Om de juiste diagnose te kunnen stellen, is een juist begrip nodig hoe
vocht en baksteen op elkaar reageren. Ter verduidelijking eerst wat we bedoelen met enkele
begrippen:
Damp	 als we het hebben over vocht in gasvormige fase.
Water	 als we uitsluitend de vloeibare fase bedoelen.
Vocht	 als we zowel damp als water bedoelen.
Afbeelding 16
Bij de witte pijl
ontstaat een brede
naad tussen kozijn
en metselwerk;
ernaast breekt
en buikt het
metselwerk
uit als gevolg
van ingerotte
balkkoppen en
spatkrachten.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
12
Vochtgehalte
Baksteen is een poreus materiaal dat vocht op kan nemen en weer af kan staan. Een dichte klinker
met een grote massa - kleine poriën - neemt langzaam weinig vocht op en staat deze langzaam
af. Een zacht gebakken kloostermop is minder dicht en heeft grote poriën, neemt snel veel vocht
op en staat dit weer snel af.
Baksteen is een materiaal dat weinig hygroscopisch is. Hygroscopisch wil zeggen dat een
materiaal vocht uit de lucht tot zich neemt. Bij een Relatieve Vochtigheid van 80% is dit minder
dan 1 volumeprocent. Droge muren van een gezonde gevel hebben een vochtgehalte van circa
2 à 3 % water van de massa van het metselwerk. Water zit alleen in kleine poriën, waardoor zeer
beperkt damptransport plaatsvindt. Hierbij worden (nog) geen oplosbare stoffen zoals zouten
getransporteerd. Zouten verhogen dit hygroscopisch vochtgehalte echter sterk! Bij 20 kg/m3 ruim
5% en bij 40 kg/m3 zelf 10%. Grondvocht waarin zich meestal zouten bevinden, wordt opgezogen,
de zouten blijven achter, het zoutgehalte neemt toe en hierdoor het hygroscopisch vochtgehalte.
Er ontstaat een soort “bisonvochtvreter” in de muur. Langs de kusten van de Noordzee en de
voormalige Zuiderzee kan het zoutgehalte tot op grote hoogte in de muren hoog zijn door het
“inwaaien”van zeezouten. Het gevolg is dat de muur nooit meer droog wordt! Ook het met vocht
opzuigen van strooizout zorgt voor eenzelfde verstoring van de vochthuishouding. De overmaat
aan vocht veroorzaakt vervolgens vorstschade aan steen en voeg.
Capillairen
Baksteen bestaat uit een netwerk van nauwe kanaaltjes en holten - de poriën - waardoor vocht
zich in dampvorm en als water kan verplaatsen. Capillaire krachten - zuiging - zorgen er voor dat
vocht door de poriën gaat stromen. Als de naar boven gerichte capillaire kracht even groot is als
de zwaartekracht, is de maximale stijghoogte bereikt. De maximale stijghoogte van vocht neemt
toe naarmate de kanaaltjes en holten (poriën) nauwer worden. De maximale stijghoogte wordt
verder sterk beïnvloed door de mate van verdamping aan het oppervlak van de steen.
Verdamping
Bij een goede vochthuishouding is er een zeker evenwicht tussen vochtaanvoer en verdamping.
Daarom is een zachte middeleeuwse steen minder gevoelig voor verstoring van dit evenwicht
binnen
vocht
buiten binnenbuiten binnenbuiten binnenbuiten
vocht vocht vocht
regen-
doorslag
vocht
verdeling
vocht
verdeling
vocht
verdeling
warmkoud
vocht-
doorslag
zoutencondensatieoptrekkend
vocht
Afbeelding 17
Doorsneden
van massieve
muren met een
karakteristieke
verdeling van
het vocht voor
doorslag,
opstijgende vocht,
condensatie en
zouten.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
13
dan een verblendsteen uit het begin van de 20e eeuw. In een dikke muur met minder verdamping
zorgt vocht sneller voor problemen dan in een dunne muur met meer verdamping. Als een dichte
pleister of een lambrisering de verdamping verhindert of afremt, dan trekt het vocht hoger op.
Erboven ontstaat een nieuw evenwicht en meegevoerde zouten slaan hier uit.
Vochtproblemen
Doorslag			
Voor het doorslaan van muren zijn doorgaans de voegen verantwoordelijk. De steen wordt niet
vol en zat gemetseld, er ontstaan holtes met name bij stootvoegen; voegen krimpen wat los; kalk
heeft een hogere wateropname etc. Zelfs een krimpscheurtje van 0.1 mm heeft als gevolg dat
door winddruk water naar binnen wordt gestuwd. Bij een windsnelheid van 5 m/s (windkracht
4 of meer) in het vrije veld is de horizontale hoeveelheid van de regen al hoger dan de verticale
hoeveelheid! Door krimpscheurtjes van slecht voegwerk komt dus zeer veel water naar binnen.
Afbeelding 18
Doorsnede
van massieve
muur waarin het
oorspronkelijke
niveau door de
aanleg van een
drainage zonder
ingrepen in de
muur tot een
acceptabel niveau
kan worden
verlaagd.
maaiveld
binnenbuiten
drainage
oorspronkelijk niveau optrekkend vocht
oorspronkelijke stand grondwater
nieuw niveau optrekkend vocht
- uitslag van zouten
- kapot voegwerk
schade aan pleisterwerk
vloer
verhang grondwater
Opstijgend vocht	
Dit kan worden veroorzaakt omdat de funderingsvoet in het water staat, maar ook indirect door
vochtconcentraties ter hoogte van het maaiveld, onder andere door spatwater. Door deze extra
toevoer wordt het evenwicht tussen vochtopname en verdamping verstoort.
Een drainage blijkt in veel gevallen een goede oplossing. Deze onttrekt de overmaat aan vocht
aan de muur en brengt een nieuwe lager gelegen evenwichtszone tot stand, zie afbeelding 14
Voor binnenplaatsen en grondwerk binnen terrasmuren kan een drainage eveneens uitkomst
bieden.
Condensatie		
Deze treedt alleen aan de binnenzijde op in ruimten waar sprake is van een relatief koude muur
en een hoge vochtproductie in deze ruimte. Karakteristiek voor condensatie is dat het vocht zich
alleen bevindt aan de buitenzijde van de steen of afwerking.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
14
Zouten				
Zoals gezegd, hebben zouten een vochtvasthoudend karakter. Bij grotere concentraties zorgen
zouten voor altijd vochtige muren. Daarnaast worden zouten door optredende vochtstromen
verplaatst en slaan bij verdamping in en op de baksteen neer. Door kristallisatie kunnen zouten in
Afbeelding 19
Een regenroos,
waaruit blijkt
dat verreweg
de meeste
regen uit het
zuidwesten komt.
Regendoorslag
komt dan ook
alleen bij gevels op
de zuid- en
westzijde voor.
Afbeelding 20
In de zone waar
de maximale
stijghoogte van
vocht wordt
bereikt, slaan de
zouten neer op het
oppervlak van de
steen. Hier uitslag
van nitraten uit de
mest van een stal.
neerslag
zuidwest
N
W
Z
O
noordoost
Afbeelding 21
Witte uitslag,
vaak verward met
zouten. Hier is
echter sprake van
uitbloei van niet
verharde kalk uit
het binnenste van
een brug naar een
kasteel.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
15
de porieën grote drukken veroorzaken waardoor de baksteen verpulvert, met name sulfaten en
chloriden zijn berucht. Er kunnen drukken worden opgebouwd van 100 tot 120 bar, 30 tot 40 keer
meer dan van een autoband! Zie voor het ontzouten paragraaf 0.4 Baksteen.
0.4 Baksteen
Bakken van steen
Zonder er al te diep op in te gaan, is het voor een goed begrip belangrijk om het productieproces
van baksteen beknopt te beschrijven.
Kleisoorten
De productie van baksteen begint met het afgraven van geschikte kleisoorten, het zogenaamde
“aftichelen”. We onderscheidden hierbij roodbakkende klei met een overmaat aan ijzeroxiden en
geelbakkende klei met een overmaat aan kalk. De afgegraven klei werd bij de oven opgetast en
na de winter verwerkt als de verontreinigingen waren verteerd. De klei werd met water gemengd
tot een homogene massa. Rond de Hollandse IJssel werd slib uit de rivier opgebaggerd en
opgehoopt in inhammen van de rivier tot het de nodige vastheid verkregen had. Dan werd het
per schip naar de steenoven vervoerd en zonder enige verdere bereiding in de kleimolen tot een
verwerkbare massa gemengd voor het vormen en drogen.
Afbeelding 22
Het met de hand
vormen van
baksteen bij
steenbakkerij
Biezeveld.
Vormen en drogen
Bij het handvormen werden afgemeten porties klei door een “vormer” op de vormtafel in een
houten raamwerk geslagen. De klei kreeg hiermee de vorm van de ongebakken steen, de
zogenaamde“vormeling”. Deze werden op een veld gedroogd en na voldoende droging op hun
kant gezet. Na volledige droging werden de“groenlingen”opgestapeld. Om minder van het weer
afhankelijk te zijn, werden sinds de 18e eeuw droogloodsen of haaghutten gebruikt waarin de
vormelingen op plankjes te drogen werden gelegd.
Rond 1870 vond Aberson in navolging van het buitenland een voor Nederland bruikbare en
betrouwbare vormbakmachine uit, waarbij met een vormbak in één keer 6 stuks stenen gevormd
konden worden. In combinatie met de ringovens leidde dit tot een spectaculaire verhoging van
de productie. De vormbakmachine werd al snel gevolgd door de strengpersmachine. Hierbij
werden de stenen gevormd door de klei als een lange streng door een spuitmond te persen en
naderhand met een stalen draad in 4 tot 6 stuks sneden te snijden, de bekende strengperssteen.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
16
Op basis van de wijze van vormen onderscheiden we de volgende soorten steen:
1. Handvormsteen
Deze worden gemaakt volgens het zandtaartjesprincipe, maar dan handmatig. Een bal klei
van geschikte grootte wordt door zand gerold, in de bezande vorm geworpen, aangedrukt
en afgestreken. De wijze van rollen bepaalt het aanzien van de steen, zo ontstaan namelijk de
karakteristieke nerven. Het handmatig vormen van steen is het oudst. Door het afstrijken van
de steen ontstaat een “arme” kant en een “rijke” kant. Pas in de loop van de 19e eeuw werd
hadvormsteen verdrongen door de vormbaksteen. In de arme streken van ons land, zoals de
zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland komen voor het optrekken van binnenmuren stenen
voor die alleen gedroogd worden, de zogenaamde“zonnesteen”.
2. Vormbaksteen
Ook deze steen wordt gemaakt volgens het zandtaartjesprincipe, maar dan gemechaniseerd. De
vormbakkenwordenvoorafmetzandbestrooid,daarnawordtdekleieringeperst.Vormbakstenen
zien er tamelijk glad en strak uit. Ze missen de karakteristieke nerven. Behoudens het afstrijkvlak
zijn vormbakstenen rondom bezand. De vormbaksteen werd vanaf 1890 steeds meer gebruikt.
3. Strengperssteen
Deze steen wordt gevormd in een strengpers die de klei als een lange streng door een
vormopening perst. De streng wordt dwars op de looprichting in plakken gesneden. Beide
vlijvlakken zijn onbezand. De inwendige structuur verschilt van handvorm en vormbak. Persen
lukt alleen met zeer stijve klei waar alle lucht uit verdwenen is. De beweging door de strengpers
veroorzaakt een zekere gelaagdheid in de steen en inwendig kleine scheurtjes. Hierin kan zich
een ijslens vormen, die de scheurtjes verder openwerkt. Veel strengpers-steen is hiervoor boven
een bepaald vochtgehalte en vorst heel gevoelig voor.
4. Verblendsteen
Dit is een bijzonder soort strengperssteen, bedoeld om metselwerk van mindere kwaliteit
te “verblenden of te blinderen”, vandaar de naam. De steen wordt gemaakt van speciale zeer
fijnkorrelige klei met een hoog aandeel aan plaatvormige deeltjes. Bij de hoge baktemperatuur
ontstaat een zeer harde dichte steen. Om krimp en kromtrekken bij deze temperatuur te
voorkomen, is de steen voorzien van 8 gaten. De steen neemt door de zeer kleine poriën
zeer langzaam vocht op, maar staat deze ook weer zeer langzaam af! Van de verblendsteen
werden ook profielstenen gebakken. Bij kerken werden deze wel toegepast om de wat grauw
Afbeelding 23
Karakteristiek
metselwerk in
twee kleuren
verblendsteen
met een in
profielsteen
afgeronde hoek
en een
verdiepte voeg.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
17
waalformaatsteen op hoeken en bij de dagkanten van vensterharnassen af te zomen met een
helder rode verblendsteen. De steen werd vanaf 1860 steeds meer toegepast. Vooral in de
periode van de Jugendstil 1900 – 1910 was de steen populair.
Een bijzondere vorm verblendsteen was de Bricornasteen. De naam was afgeleid van “Brique en
ornament”. De steen werd geproduceerd vanaf 1905 door Fr. v.d. Loo in Bemmel. De steen was
bedoeld als verbetering van de verblendsteen en leverbaar in heldere kleuren geel, lichtrood en
geelroze.
5. Geprofileerde steen
Al vrij snel na de komst van de baksteen, werd geprofileerde steen toegepast. Aanvankelijk uit
strekken gehakt en gescharreerd als natuursteen. Later werden de stenen in profiel gebakken.
Bekend zijn de rijk geprofileerde dagkanten van de vensters van Romano-Gotische kerken in
Groningen. Ook voor het metselen van de montants en de tracering werden speciaal gevormde
montantstenen toegepast. Met de komst van de neogotiek en neorenaissance leeft ook het
gebruikvanprofielsteenvoordevensterharnassenenblindnissensterkop.Voordezeprofielstenen
werd als extra kleurig accent helder rode verblendsteen verwerkt.
Bakken
Veldbrand
Aanvankelijk werd gebakken in zogenaamde eenmalige veldbrand zo dicht mogelijk bij de
bouwplaats zonder een speciale oven. De gedroogde stenen en de brandstof (turf) werden met
elkaar gestapeld en afgedekt met halfgare steen, klei en graszoden, de zogenaamde “meilers”.
Na een bakproces van 6 tot 10 weken werd de oven ontmanteld en de stenen verwerkt. Deze
kleinschalige ovens werden nog tot in het begin van de 20e eeuw gebruikt.
Veldovens
Deze bestonden uit hoog opgemetselde zware muren met stookgaten parallel aan elkaar of in
U-vorm op een vaste plaats, meestal gunstig gelegen aan water voor aan- en afvoer van klei,
brandstof en stenen. Tussen deze muren werden de groenlingen opgestapeld met stookgangen
die aansloten op de stookgaten in de muren. De capaciteit groeide in de loop van de eeuwen
van zo’n 10.000 stenen tot zelfs 600.000 stenen. Tot vlak na de Tweede Wereldoorlog bleven deze
ovens in gebruik. Langs de Hollandse IJssel zijn nog op enkele plaatsen de zware muren van de
veldovens bewaard gebleven.
Volcontinu-ovens
Veldovenswarengebaseerdopseizoenarbeid.In1858kwamhierinveranderingdoordeuitvinding
van een ringoven door de Duitse ingenieur Hoffmann. In deze oven vonden de verschillende
stadia van de productie gelijktijdig en naast elkaar plaats: inruimen, voorverwarmen, stoken,
koelen en uitruimen in van elkaar gescheiden kamers met een rondgaand vuur dat gaande
gehouden werd van af de erboven gelegen stookvloer. Hierdoor kon het gehele jaar door steen
gebakken worden. Bij een sterke reductie van de brandstof, was de productie aanzienlijk hoger en
leverde bovendien ook een beter doorbakken steen. Naderhand werden de ringovens verbeterd
door de“zigzagovens”omstreeks 1900 en de“vlamoven”van circa 1920.
Bij het bakken van de steen worden verschillende stadia onderscheidden:
1.	Het droogstoken tot 400 °C, waarbij al het hygroscopische vocht ontwijkt. Bij een veldoven
	 varieerde dit per regio van 1 tot 3 weken. In deze fase krimpt de steen.
2.	Het stoken of branden zelf. Bij circa 485 °C ontwijkt ook het kristalwater en het plastisch
	 vermogen van de klei gaat verloren. Bij 800 tot 900 °C is de porositeit van de steen maximaal.
	 Een vrij poreuze steen (rood) voor binnenmuren. Bij 900 tot 1050 °C ontstaat de hardere steen
	 met een dichtere structuur, geschikt voor buitenmuren (boerengrauw en hardgrauw). Bij 1050
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
18
	 tot 1080 °C smelten de poriën verder dicht en sintert tot een hardgrauwklinker, geschikt voor
	 een trasraam. In deze fase krimpt de steen nog aanmerkelijk. Boven de 1080 °C sintert de
	 steen geheel dicht en ontstaat de kwaliteit straatklinker. Bij veldovens varieerde het stoken of
	 branden zelf eveneens per regio van 1 tot 3 weken.
3.	Het afkoelen van de steen. Bij een veldoven bedroeg dit ongeveer een week.
Afbeelding 24
Het inruimen van
de groenlingen in
een kamer van de
ringoven.
Met de komst van de ringoven werd het totale bakproces, afhankelijk van de grootte van de oven
ingekort tot maximaal 2 weken.
Baksteen kon ook gesmoord worden. Door het afsluiten van de zuurstof wordt de rode Fe2O3
omgezet in Fe3O4. Het baksel wordt dan blauwachtig zwart. Voor bestrating en siermetselwerk
toegepast vanaf circa 1880. J. van der Loo uit De Steeg (Gld) bezat in 1885 zo’n smooroven.
Formaten
Oude baksteen kan voorkomen in zeer veel verschillende formaten, zie voor de ontwikkeling en
verscheidenheid de genoemde literatuur uit paragraaf 0.9.
Afbeelding 25
Karakteristieke
uiterlijk van de
oudste gebakken
steen, met een
lagenmaat van
9,5 cm, grote
verschillen in
hardheid en
daardoor krimp.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
19
Hieronder een korte opsomming van de meest voorkomende (gemiddelde) maten:
-	 Kloostermop			 32 x 15 x 8 cm
-	 Groningersteen			 28 x 13 x 6 cm
-	 Friese steen (moppen)		 21,5 x 10,6 x 4,5 cm, geel, rood, appelbloesem
-	 Friese steen (drieling)		 18 x 8,8 x 4 cm, geel, rood, appelbloesem
-	 Waalsteen			 21,5 x 10,6 x 5,3 cm
-	 Utrechtse platte		 23 x 11 x 3,8/4,2 cm
-	 Rijn of Utrechtsformaat		 21,5 x 10 x 4,5 cm
-	 Rijnsteen (drieling)		 18 x 9 x 4,3 cm, fris oranje
-	 (Hollandse) IJsselsteen		 16 x 7,8 x 4,5 cm, geel
-	 Dordtse drieling		 18 x 9 x 4,5 cm
-	 Noord-Brabantse steen		 18 x 9 x 5,2 cm, rood/bruin
-	 Limburgse steen 		 24 x 11,8 x 6 cm, paars/bruin
-	 Limburgse steen (drieling)	 18 x 8,7 x 5 cm, paars/bruin
Afbeelding 26
Benamingen en
maatverhouding
van de door
bijhakken te
verkrijgen
baksteen. strek
lagenmaat
kop
platte kant
koppenmaat
handvormsteen
lintvoeg
hele steen
drieklezoor geschifte steen
(t.b.v. paslaag)
klezoor lepe steen
halve steen klisklezoor (hengst)stootvoeg
“rijke”kant “arme”kant
Sortering
Aanvankelijk werd de baksteen uit veldbrand en de veldovens ongesorteerd verwerkt, vandaar
de grote verschillen in hardheid en verschillen in formaat door krimp bij metselwerk uit de vroege
middeleeuwen. Later werden de bakstenen die uit de oven kwamen gesorteerd naar hardheid.
Per sortering werden deze variërend per streek nog verder onderverdeeld. Hieronder de meest
gehanteerde sortering voor Waalformaat in opklimmende hardheid, met de toepassing ervan:
-	 Rood 		 De hoogrode kleur was de beste kwaliteit en werd gebruikt voor binnenmuren
			 en funderingen.
-	 Boerengrauw	 Was wat harder en werd om de rode kleur zeer gezocht voor gevelwerk.
-	 Hardgrauw 	 Was wat grauwer van kleur en werd vermetseld in gevels en opgaand werk
-	 Klinker 	 Deze werden gebruikt voor het metselen van trasramen om optrekkend vocht
			 tegen te gaan.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
20
Metselverbanden
Historische ontwikkeling
Zoals gezegd ontwikkelden zich de metselverbanden zich in ons land in de loop van de eeuwen
van een Noor(d)s en Vlaams verband naar een staand en kruisverband.
Een apart verband is het patijtse of koppenverband. Hierbij bestaan alle lagen uit koppen die een
halve kop ten opzichte van de onderliggende laag verspringen. Dit verband vond toepassing bij
het metselen van fabrieksschoorstenen en putten.
Voor de verwerking van legmortel en voegmortel, zie paragraaf 0.5 Voegwerk voor de samen-
stellende bestanddelen.
Afbeelding 27
Diverse
metselverbanden
overhoeks gezien.
Hoekoplossingen
met een klisklezoor
(ouder) drieklezoor
(jonger).
Kruislagen
Een bijzondere constructie zijn de overhoeks gemetselde lagen baksteen, beter bekend als
kruislagen. Deze kun je aantreffen in het inwendige van dikke gemetselde muren, meestal dikker
dan 1.00 meter. Ze werden kruislings gemetseld met 1 tot 3 in gewoon verband gemetselde lagen
ertussen. Hoewel niet geheel zeker, werd deze wijze van metselen vooral toegepast ter verhoging
van de weerstand en tegen afschuiving bij kastelen, stadsmuren en waterbouwkundige werken.
met klisklezoor
Vlaams verband
Noor(d)s- of kettingverband
staand verband
kruisverband
met drieklezoor
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
21
Hergebruik van baksteen
Vroeger was materiaal kostbaar en arbeid relatief goedkoop. Omdat baksteen tot het 4e kwart
van de 19e eeuw in kalk gemetseld werd, konden stenen hergebruikt worden. Dit is op grote
schaal gebeurd, denk aan de sloop van grote aantallen huizen en kastelen. Veel ruïnes van
kastelen werden als“steengroeve”gebruikt voor de bouw van boerderijen in de naaste omgeving.
We onderscheidden dus de primaire verwerking van baksteen vanuit de oven in een bepaald
metselverband en noemen dit bij hergebruik secundaire verwerking.
Als het niet gemaskeerd werd door pleisterwerk, dan is dit metselwerk herkenbaar aan weinig
strekken en overmatig veel koppen en drieklezoren in een niet herkenbaar verband. Ook het
formaat van de stenen komt niet overeen met andere constructies uit de bouwtijd.
Van Kasteel De Haar in de provincie Utrecht is bekend dat daar kloostermoppen uit Groningen bij
de herbouw zijn gebruikt.
Kalkzandsteen
Het vervaardigen van kalkzandsteen berust op een patent uit 1880 van Wilhelm Michaëlis
in Berlijn. Met de komst van geschikte verhardingsketels werd in 1894 in Duitsland de eerste
fabriek voor kalkzandsteen opgericht. In 1898 volgde in Losser (Ov) de eerste Nederlandse
kalkzandsteenfabriek. Ook elders in het land werden fabrieken opgericht, zodat in 1907 de
“Vereeniging van Nederlandsche Kalkzandsteenfabrikanten” werd opgericht. Binnen deze
vereniging werden afspraken gemaakt over formaten en samenstelling. Enkele jaren na de
oprichting van deze vereniging werden al 80 miljoen stenen per jaar geproduceerd.
Kalkzandsteen wordt samengesteld uit een mengsel van gemalen en gebluste kluitkalk en fijn
zand in een verhouding van 1 deel kalk op 14 delen zand. Dit wordt onder toevoeging van
water tot een aardvochtige massa in vormen geperst tot “rauwe steen”. Na het persen worden
de gevormde stenen in een verhardingsketel of zogenaamde “autoclaaf”. In deze ketels wordt
onder een druk van 8 tot 11 atmosfeer stoom geblazen, waardoor een reactie optreedt tussen de
gebluste kalk en het zand, waardoor de zandkorrels aan elkaar worden gekit.
Ook bij beschermde monumenten komen we regelmatig metselwerk in kalkzandsteen tegen.
De steen was goedkoop en werd binnen korte tijd populair, vooral in gebieden met veel
armoedige woonomstandigheden zoals de Friese woudstreken, Drenthe en de Veluwe.
Aanvankelijk werd kalkzandsteen vooral voor gevels toegepast, maar na deTweedeWereldoorlog
ook steeds meer voor binnenmuren. De steen kon geleverd worden in verschillende kleuren:
wit, rozerood (appelbloesem), paars (heidekleur), lichtgeel, grijs en zwart. Voor siermetselwerk en
bogen werden verschillende kleuren kalkzandsteen toegepast, vaak met rood gekleurde voegen.
Afbeelding 28
Karakteristiek
verweringspatroon
van kalkzandsteen
door een te harde
metselspecie.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
22
Kalkzandsteen werd ook verwerkt als speklagen in gevels van baksteen. Specifieke problemen
zijn het voorkomen van pitten van ongebluste kalk bij de eerste generatie kalkzandsteen, het
aan de noordzijde sterk vervuilen van de steen en een grote gevoeligheid voor kapotvriezen als
een te harde specie gebruikt is en in de zilte lucht langs de kust. Het muurwerk lijkt dan op een
honingraat, zie afbeelding 28.
Natuurstenen onderdelen
In Nederland zijn van oudsher veel natuurstenen onderdelen verwerkt in gevels van baksteen.
Hierbij kan gedacht worden aan plintenlijsten, leklijsten, speklagen afdekkingen van trapgevels.
Zolang de hardheid van de baksteen en de natuursteen min of meer op elkaar zijn afgestemd,
ontstaan niet gauw problemen. Is de natuursteen harder, dan treedt schade op in de erboven
aanwezige baksteen. Is de baksteen harder en minder poreus dan de natuursteen, dan treedt
ernstige schade op bij de natuursteen, ondermeer speklagen van mergel of tufsteen verpulveren
steeds dieper. Dit komt door een verschillend gedrag onder invloed van vocht en temperatuur.
Voor specifieke gebreken aan de natuursteen wordt verwezen naar moduul 1.2.2 Wanden -
natuursteen. Afhankelijk van de situatie kunnen natuurstenen onderdelen apart of bij baksteen
op kwaliteit worden beoordeeld, zie Rapportage paragraaf 2.1 Algemeen.
In de tweede helft van de 19e eeuw werden ook speklagen of banden uitgevoerd als imitatie
van natuursteen door 2 of 3 lagen baksteen terugliggend te metselen en af te werken met
pleisterwerk. Op dezelfde wijze werden ook imitatie-hoekblokken toegepast. Zie hiervoor moduul
1.3 Buitenpleisterwerk.
Afwerking van metselwerk
Profileren en scharreren
Niet altijd werd baksteen in profiel gebakken, maar naderhand of in een bepaalde situatie
geprofileerd. Vaak is dan nog een duidelijke scharreerslag te herkennen op de steen. Deze
ontbreekt bij in profiel gebakken steen.
Schuren
Inde17eeeuwwerdvoorspecialeomlijstingenvanpoortjes,maarookwelbijvoorgevelsdesteen
zodanig geschuurd dat een volkomen glad oppervlak ontstond. Gecombineerd met nauwelijks
zichtbare voegen leverde dit een bijzonder staaltje van vakmanschap op. Heel bekend zijn de
meesterproeven aan de vm. St-Antoniespoort, later omgebouwd tot waag in Amsterdam.
Afbeelding 29
Kenmerkende
verweringspatroon
van te zachte
tufsteen van de
speklaag (grote
porositeit) ten
opzichte van de
te harde steen
(zeer geringe
porositeit) die bij
een restauratie uit
de twintiger jaren
is gebruikt.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
23
Sausen
Ook metselwerk was vroeger veel kleuriger dan we ons nu kunnen voorstellen. Als op basis van
kleuronderzoek baksteen gesausd wordt, is het belangrijk om hiervoor een damp-open verf te
kiezen. Zie voor de diverse mogelijkheden moduul 1.2.2 Gevels – natuursteen.
Oliën
Ook vroeger was doorslaan van regen al een probleem. Vooral in Amsterdam, maar ook elders
werden de gevels in de lijnolie gezet. Aan de olie werd het pigment dodekop toegevoegd voor
een rood-paarse kleur. Door het nadonkeren van de lijnolie werd bij elke volgende schilderbeurt
een kleur toegepast die aansloot op de nagedonkerde kleur, tot uiteindelijk gevels geschilderd
werden in een nagenoeg zwarte kleur.
Herstel van metselwerk
Herstel van metselwerk komt voornamelijk aan de orde bij een restauratie, toch kan het bij wat
uitgebreider onderhoud ook voorkomen. Hieronder enkele aanwijzingen:
Kwaliteit van de te verwerken steen
Bij het inboeten en het vernieuwen van grotere delen van metselwerk moet zowel de her te
gebruikensteenalsdenieuwtebakkensteenaanbepaaldeeisenvoldoen,omnieuweproblemen
te voorkomen. Hiernaar is uitgebreid onderzoek gedaan door Caspar Groot en Jos Gunneweg
in verband met de grote problemen rond lekkende molenrompen. De uitkomsten van dit
onderzoek zijn ook goed bruikbaar voor het herstel van ander massief metselwerk. Enkele zaken
uit dit onderzoek waarmee rekening gehouden moet worden bij de keuze van de baksteen:
-	 Zorg voor stenen met een matige opzuigsnelheid en een bijpassende vochtopname-
	 capaciteit. Hierbij is de opzuigsnelheid als criterium belangrijker dan de vochtopname-
	 capaciteit.
-	 Door het reinigen van gevels verdwijnt soms tot 50% van het patina dat de opzuigsnelheid
	 beperkt.
-	 De snelheid waarmee de baksteen droogt, wordt, naast het poriënvolume, mede bepaald
	 door de verhouding tussen fijne en grove poriën.
1
massief metselwerk
waterlijn
maaiveld
kelder
trasraam
kademuur
3
22
4 3
Afbeelding 30
Typen metselwerk
en toepassing:
1. Funderingen;
2. Waterkerend
werk onder water;
3. Permanent
vochtig werk;
4. Opgaande
metselwerk
met hoge
regenbelasting.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
24
Tabel toepassing baksteen kwaliteit en morteltype
Zone Toepassingsgebied Voorbeelden Kwaliteit bak-
steen
Toe te passen leg-
mortel
1 Funderingen Aanleg en voet van
muurwerk
R 6
(rood)
Kalk(-mortel)
Niet hydraulisch
2 Waterkerend werk
onder water
- kelders
- kademuren
- wielbakken molens
R 1
(kelderklinker)
Sterke tras
Sterk hydraulisch
3 Permanent vochtig
werk
- trasramen
- kademuren boven
waterlijn
- voor/ achterloop
molens
R 2
(trasraam-
klinker)
Basterdtras
Gematigd
hydraulisch
4 Opgaande muren
met hoge regen-
belasting
- diverse soorten torens
- gebouwen > 20 meter
- molens
R 3
(gevelklinker)
R 4
(hardgrauw)
Slappe basterdtras
Kalk(-mortel)
Licht hydraulisch
5 Opgaande muren
zonder regen-
belasting
Alle overige opgaande
muren
R 5
(boerengrauw)
Kalk(-mortel)
Zwak hydraulisch
6 Binnenmuren Dragend en niet dra-
gend
R 6
(rood)
Kalk(-mortel)
Niet hydraulisch
Bij het bepalen van de kwaliteit spelen de volgende begrippen een belangrijke rol:
-	 Hallergetal, uitgedrukt in [g/dm2/min], is de opzuigsnelheid, ook aangeduid als Initiële Water-
	 opzuiging (IW). Het Hallergetal geeft de maat aan voor de snelheid waarmee regenwater in
	 de muur trekt, ofwel de indringsnelheid, kortom het opzuiggedrag.
-	 Vrijwillige Wateropname, uitgedrukt in [% v/v], wordt bepaald door de porositeit van de steen
	 als percentage van het volume.
Herstel van scheuren:
Bij dilatatie- en zettingsscheuren met vallende tanden kan doorgaans worden volstaan met
het voldoende diep uithakken van de scheur en deze in lagen volkauwen met specie. Vooraf
ruim bevochtigen. Na het dichtzetten enkele dagen afdekken met vochtige zakken of “groene”
steenwoldeken voor het goed afbinden van de mortel, zie ook 0.4 Voegwerk.
In uitzonderlijke gevallen zijn stootvoegen zo breed uitgescheurd dat uitmetselen van de stenen
noodzakelijk is om de scheur afdoende dicht te krijgen en een esthetisch aanvaardbaar resultaat
te verkrijgen.
Bij dilatatie- en zettingsscheuren waarbij veel stenen zijn gescheurd, dienen de kapotte stenen
verwijderd te worden en in verband door nieuwe stenen vervangen te worden.
N.B. Alleen een “groene” steenwoldeken neemt water aan! Deze wordt namelijk gebruikt als kunstbodem
(substraat) in kassen. De “gewone” steenwoldeken is hiervoor niet geschikt omdat deze waterafstotend
gemaakt is.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Injecteren
Injecteren wordt toegepast bij het herstellen van gescheurd metselwerk, het inwendig vullen van
kistwerkachtige constructies en loslatende schillen metselwerk van molens tot een homogeen
geheel. Voor een juiste werkwijze gelden de volgende aandachtspunten:
-	 Samenstelling metselwerk + samenhang met sterk of zwakzuigende stenen
-	 Keuze van de injectiemortel. Meestal wordt gekozen voor een mortel van hydraulische kalk of
	 kalktras, omdat deze onder invloed van vocht verhard.
-	 Geen middelen toepassen met dispersies voor extra hechtkracht. Deze zijn bijna altijd te
	 dampdicht en veroorzaken op den duur problemen.
-	 Vooraf voldoende bevochtigen van het metselwerk om te zorgen voor het goed verspreiden
	 en volledig afbinden van de mortel.
-	 Extra zorg dient besteed te worden aan het weglopen van injectiemortel
Inboeten van stenen
Beperk het inboeten zoveel mogelijk, soms is het voorzichtig afhakken naar de aanliggende steen
mogelijk. De te vervangen baksteen moet zoveel mogelijk aansluiten wat betreft bouwfysische
eigenschappen, dikte, formaat steen, kleur en uiterlijk. Inboeten met te dunne steen komt
veel voor, hierdoor wordt de voeg veel te breed. Een ander belangrijk punt is dat de steen
vermetseld wordt met mortel van de juiste samenstelling en hardheid. Dus geen steen inboeten
met portlandcementmortel in een muur die met schelpkalk is gemetseld. Het verstoort de
vochthuishouding.
Als tweedehands steen wordt gebruikt, inspecteer deze dan nauwkeurig op herkomst, mogelijk
aanwezige zouten, roet, kwaliteit en hardheid. Halfgare achterwerkers zijn ongeschikt voor het
herstel van gevelwerk.
Soms kan afkomende beschadigde steen na het zorgvuldig ontdoen van kalkresten worden
omgekeerd en opnieuw worden vermetseld. Is de schade het gevolg van kristalliserende zouten
in de te zachte steen, dan kunnen deze niet opnieuw gebruikt worden.
Afbeelding 32
Inboeten van
sterk aangetaste
steen rond een
hemelwaterafvoer.
Vooral het vinden
van het juiste
formaat is vaak een
probleem.
Afbeelding 31
Een losgetrokken
schil metselwerk
boven de waterlijn
van een kasteel.
Zorgvuldig herstel
vereist het royaal
inkassen van het
metselwerk. Deze
losgetrokken
schillen komen
ook op grote
schaal voor bij
de forten van de
Nieuwe Hollandse
Waterlinie.
25
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Bij herstel en inboeten dient erop te worden gelet dat dit gebeurt volgens het oorspronkelijke
verband, goede hoekoplossingen met bijvoorbeeld klezoortjes etc. Let ook op herkenbare
patronen van gesinterde koppen, verstoor deze niet door het inboeten.
Zorg bij het inboeten van grotere delen dat het nieuwe werk met tanden of inkassingen wordt
verankerd in het bestaande werk. Dus geen soort kistwerk en de erachterliggende ruimte vullen
met specie en scherven. Dit veroorzaakt vochtbarriéres. Door de opeenhoping van vocht ontstaat
kans op vorstschade en het wegvallen van het metselwerk. Een ander belangrijk facet is het vooraf
goed bevochtigen van de te metselen steen met het aanliggende metselwerk, gevoegd bij het
vol en zat metselen. Dit stelt echter hoge eisen aan de verwerkbaarheid van de specie.
Ontzouten van metselwerk
Het doel hiervan is om zouten tot een bepaalde diepte uit de ondergrond te onttrekken. De
diepte hangt sterk af van de omstandigheden. Het is van groot belang dat als men dit overweegt
hiervoor deskundigen in te schakelen. Ontzouten kan overwogen worden:
-	 Als het aanbod van nieuwe zouten van binnenuit of buitenaf niet verder toeneemt.
-	 De ondergrond voldoende samenhang heeft en niet al geheel verpulverd is.
-	 Het metselwerk geen vochtgevoelige materialen bevat.
Voor het ontzouten vormen twee verschillende mechanismen de grondslag:
-	 Diffusie, hierbij wordt een kompres aangebracht die tijdens de duur van de behandeling
	 natgehouden wordt. Door een verschil in ionenconcentratie verplaatsen zoutionen uit de
	 ondergrond zich naar het kompres.
-	 Advectie, een mechanisme dat berust op vochttransport, waarbij het kompres tijdens het
	 onttrekken van zout uitdroogt. Opgeloste zouten worden door capillaire krachten in het
	 kompres getransporteerd.
“kist”werk inkassen
Afbeelding 33
Doorsnede van
tweeëneenhalf
steens metselwerk.
Bij inboeten
van metselwerk
altijd zorgen
voor voldoende
verankering in het
achterliggende
metselwerk, dus
geen kistwerk!
26
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
0.5 Voegwerk
Algemeen
Voegwerk bepaalt in hoge mate de afwerking van het gebouw. Door gebrek aan vakmanschap en
toenemende werkdruk gaat met het herstel hiervan helaas veel fout. Hieronder een vergelijking
voor de productie van platvol voegwerk:
1950-1960	 9-urige werkdag	 35 m2 per dag	 3,90 m2 per uur.
1980-1990	 8-urige werkdag	 50 m2 per dag	 6,25 m2 per uur.
In deze paragraaf komen de diverse soorten voegwerk, wijze van herstel en aanwijzingen voor het
samenstellen van voegmortels aan de orde. Onder voegwerk wordt hier verstaan: de zichtbare
laag mortel tussen de opgestapelde stenen. Het gaat hierbij zowel om afgestreken specie als om
later volgezette voegen.
Gelet op de vele ontsporingen bij het herstel dient het volgende overwogen te worden:
1.	Het is een document van een werkwijze en techniek. Origineel metselwerk en voegwerk
	 verschaft veel informatie over de geschiedenis van het bouwen in het algemeen en de
	 bouwperioden van het bouwwerk in het bijzonder. Het is“gestolde”geschiedenis en daarmee
	 een belangrijk bouwhistorisch gegeven.
2.	Het bepaalt in hoge mate het karakter van het gebouw. Het is als het ware de huid. Streng-
	 perssteen platvol doorgestreken “oogt” heel anders dan een handgevormd gevelklinkertje
	 met een gesneden voeg. Ook het “patina” dat door de tijd is ontstaan door wat dichtslibben
	 van nerven door roet, stof etc, speelt een belangrijke rol. Deze“huid”vraagt evenals onze huid
	 veel zorg en aandacht.
3. Het bepaalt de monumentale waarde. Behalve voor beperkt herstel en zorgvuldig onderhoud,
	 is voor algeheel herstel van het oorspronkelijke metselwerk en voegwerk een vergunning
	 nodig ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988. Het wordt namelijk als een wijziging van
	 het uiterlijk beschouwd. Hetzelfde geldt voor het reinigen van gevels.
Afbeelding 34
Overzicht van
diverse typen
voegwerk. doorgestreken
voeg
platvolle voeg iets terugliggende
voeg
verdiepte voeg
doorgestreken
platvolle voeg met
dagstreep
gesneden voeg geknipte voeg schaduw voeg
27
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Typen voegwerk
Doorstrijken
Tot diep in de 17e eeuw vond het zogenaamde nastrijken plaats. De steen werd vol en zat
vermetseld.Despeciebaardenwerdenófuitgesmeerdoverdegevel,ófverwijderdendelegmortel
werd doorgestreken en aangedrukt met de troffel. Een werkwijze die bijvoorbeeld in Engeland en
Canada nog algemeen gebruikelijk is. Hierdoor vormt voeg- en legmortel één geheel en verschaft
de voeg een grote duurzaamheid. Deze voegafwerking wordt alleen nog aangetroffen op muren
die kort daarna inpandig werden, onder andere bij de toren van Hervormde Kerk Hengelo (Gld).
Oud voegwerk werd glad en strak afgewerkt. Borstelwerk is dus historisch bezien onjuist.
Hoogstens kan het worden toegepast om nieuw voegwerk wat beter aan te laten sluiten op
ouder verweerd voegwerk.
Vooral bij het metselen of inboeten van kwetsbare onderdelen, zoals grondkerende muren,
schoorstenen, afzaten en steunbeerkoppen, zou de legmortel weer doorgestreken moeten
worden. Een bijkomend voordeel is dat het de metselaar dwingt goed vol en zat te metselen. Tot
slot bespaart het de kosten van een langere steigertijd in verband met het navoegen.
Hoewel inmiddels zeer zeldzaam, komt nog metselwerk uit de 12e en 13e eeuw voor, waarbij de
uitpuilende specie over het metselwerk uitgestreken is, waardoor een zogenaamde vertinlaag
ontstond. Deze vertinlagen werden in veel gevallen met kleur afgewerkt.
Afbeelding 35
Doorgestreken
voegwerk aan de
binnenzijde van de
Hervormde kerk te
Voorst (Gld).
Platvolle voeg
Bedacht moet worden dat veel wat zich nu als platvol aandient, oorspronkelijk een doorgestreken
voeg geweest zal zijn, die later bij reparaties en restauraties als platvol is gevoegd. Middeleeuws
metselwerk heeft zodoende vaak al een tweede of derde generatie platvol voegwerk.
Bij platvol voegwerk ligt de voorkant van de voeg ongeveer gelijk met het gevelvlak. In Nederland
is in de 17e en 18e eeuw de gewoonte ontstaan de voegen uit te krabben en daarna apart
af te voegen. Aanvankelijk alleen voor eenvoudig werk van schuren en pakhuizen toegepast,
verdrong de platvolle voeg in het begin van de 20e eeuw ook bij andere gebouwen steeds meer
de gesneden voeg. Bij het herstellen van voegwerk in oudere steen wordt iets terugliggend
gevoegd (circa 2 mm) om te voorkomen dat door de wat afgeronde hoeken van de baksteen
grove brede voegen ontstaan. Tevens bevordert dit een wat snellere droging van de steen. De
voeg kan glad doorgestreken worden, of opgeklopt of geborsteld. Borstelen alleen gebruiken
voor aansluiten op bestaand wat verweerd werk. Het borstelen mag niet te snel na het voegen
worden uitgevoerd om smetten van de baksteen te voorkomen.
28
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Voegwerk met een dagstreep
Bij het vlak doorstrijken van de voeg werd vaak in de verse specie van de lint- en stootvoegen
als nabewerking een streep getrokken: de dagstreep. Deze werd aangebracht met een platte of
holle voegspijker of dagge-ijzer. Een“dagge”was een korte dolk of degen. Het woord gaat via het
Franse woord “dague” terug op het Latijnse woord “dagua”. Het aanbrengen van deze dagstreep
noemt men“daggen”.
Afbeelding 36
Authentiek
voegwerk met
dagstreep uit de
18e eeuw.
Het verkeert
behoudens
lichte slijtage nog
in goede conditie.
Er geldt slechts één
parool,“blijf er af”!
Over de functie ervan verschillen de meningen, onder andere:
-	 Bij het schilderen van de gevel na het voegen kon de dagstreep die door het schilderwerk
	 zichtbaar bleef, worden gebruikt als“onderlegger”voor de te schilderen schijnvoeg.
-	 Door de dagstreep, met name bij grote formaten zoals kloostermoppen kreeg het voegwerk
	 een strakker beeld.
-	 Een combinatie van aandrukken en vergroting van oppervlak om een stevige voeg zonder
	 krimp te verkrijgen.
De oudste voorbeelden van een dagstreep dateren al uit de 13e eeuw. De dagstreep bleef
vooral op het platteland tot het begin van de 20e eeuw toegepast. Bij veel restauraties zien we
de dagstreep terug in onjuiste vorm als een messcherpe snede die alleen in de lintvoegen is
aangebracht.
Gesneden voeg
Halverwege de 17e eeuw, maar met name in de 18e eeuw, werd voor de representatieve gevels
een gesneden voeg toegepast. Uit bouwhistorisch onderzoek blijkt dat al in de 15e en 16e eeuw
incidenteel een gesneden voeg werd toegepast. Uit dit onderzoek blijkt verder dat er geen
verschil is tussen legmortel en voegmortel! Door vol en zat metselen met een lichte overmaat
puilde de legmortel iets uit. De overtollige hoeveelheid werden afgesneden en per dagproductie
nabewerkt tot een uiterst fragiele snijvoeg. Naderhand zo’n fragiele snijvoeg aanbrengen is
onmogelijk.
Ondanks de vele minuscule krimpscheurtjes, verkeert dit voegwerk na 200 jaar nog in uitstekende
staat. Het stond dus garant voor een lange levensduur. In de late 18e eeuw werden krassen
op de bakstenen gezet om de stootvoegen precies boven elkaar te krijgen. Voor dit verfijnde
metselwerk werd kalkdeeg gebruikt dat verschraald was met marmermeel. De hechtkracht werd
soms vergroot door toevoeging van lijm. Op dit voegwerk dient men uitzonderlijk zuinig te zijn,
alleen plaatselijk restaureren is toegestaan.
In de loop van de 19e eeuw wordt een tendens zichtbaar om de lintvoeg te benadrukken door
deze dikker te maken dan de stootvoeg, zie afbeelding 38. Bij sommige gevels verschrompelen
29
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
stootvoegen soms tot een naaldvormige voegen en liggen de stenen tegen elkaar. In samenhang
met deze ontwikkeling ontstaat ook het gebruik om de voegen uit te krabben en een aparte
snijvoeg aan te brengen met een speciaal hiervoor samengestelde specie. Na het uitkrabben
van de voeg werd een baksteen overhoeks door de lintvoegen gehaald. Het steenstof dat aan
de boven- en onderzijde van de steen kleeft, voorkwam het smetten van de baksteen. Met
een voegmes worden eerst de stootvoegen gezet, daarna werd langs een reilat de lintvoeg
aangebracht. Er is sprake van een besneden voeg als niet alle randen worden gesneden. Voor alle
duidelijkheid, een gesneden voeg steekt niet voor het gevelvlak uit.
Afbeelding 37
Voorbeeld van de
uiterste perfectie
waarmee een
gesneden voeg in
deze 18e eeuwse
gevel werd gezet.
Afbeelding 38
Voegwerk uit 1890
van Huis Suyderas
in Vierakker (Gld).
Kenmerkend
zijn de brede
lintvoegen en
de zeer smalle
stootvoegen. Het
voegwerk is zeer
strak besneden
om oneffenheden
van de steen te
maskeren.
Geknipte voeg
Degekniptevoegiseentypisch19eeeuwsverschijnsel,eigenlijkeenontaardingvandegesneden
voeg. Origineel knipwerk is overigens zeer zeldzaam. Men liet de gesneden voeg zover voor de
gevel uitsteken dat ze in samenhang met bredere lintvoegen en minimale stootvoegen een
belangrijk deel van de architectuur werd. Ook werd gebruik gemaakt van gekleurde voegmortels,
onder andere bij het Universiteitsgebouw op het Domplein te Utrecht, waar een rode voeg
ontstond door het toevoegen van dodekop aan de specie. Een knipvoeg steekt dus altijd voor de
gevel uit. Veel nieuw voegwerk is door gebrek aan historisch besef meer een geknipte dan een
gesneden voeg.
30
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Verdiepte voeg
Verdiepte voegen werd veel toegepast bij gebouwen van de Amsterdamse School gedurende de
twintiger en dertiger jaren van de 20e eeuw. Hierbij was de metselspecie tevens weer voegspecie.
Soms werden de stootvoegen platvol gevoegd, waardoor de gevel, in combinatie met een platte
smalle steen, een horizontaal gelaagdheid krijgt. Een verdiepte voeg brengt de steen op de
voorgrond. Een voordeel is dat het oppervlak van de steen dat aan de buitenlucht blootstaat 20
tot 30% groter is en de gevel hierdoor sneller droogt na een regenbui. Nadeel is de wat grotere
inwatering aan de bovenzijde van de steen. Over het algemeen verkeert dit voegwerk echter
door de beschutte ligging in goede tot zeer goede staat.
Afbeelding 39
Karakteristiek
metselwerk
met een
stichtingssteen
en verdiept
voegwerk
uitgevoerd
in cement.
Schaduwvoeg
Deze voeg is een compromis tussen een platvolle en verdiepte voeg. De lintvoeg loopt van
boven sterk terugliggend naar beneden tot op de voorzijde van de steen. De stootvoegen zijn
dichtgezet. Dit type voeg benadrukt daardoor de steen en heeft een goede afvoer van water. Bij
monumentale gebouwen is deze weinig toegepast. Een architect die deze voeg graag toepaste
was Dudok, vandaar dat de voeg ook bekend staat als“Dudokvoeg”.
Afbeelding 40
De schaduwvoeg
toegepast in
combinatie met
een bleek-gele
verblendsteen aan
het Raadhuis van
Dudok uit 1928.
31
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Uitpuilende voeg
Deze voeg werd vooral veel toegepast in de jaren dertig en veertig door de “Bosche School”,
onder meer bij diverse kerken van architect Valk. Het is feitelijk geen voeg, maar het vol en zat
metselen van een vaak wat harde gesinterde steen, waarbij er voor gezorgd wordt dat de specie
iets uitpuilde. Het voegwerk is vaak wat gaterig zonder noemenswaardige schade. Vervanging of
herstel van dit voegwerk is nauwelijks mogelijk zonder het karakter aan te tasten.
Afbeelding 41
Metselwerk met
uitpuilende
voegen in de
uitbreiding uit
1932/33 van de
Rk kerk te Groessen
(Gld). Bij gebreken
nauwelijks qua
uiterlijk op dezelfde
wijze te herstellen
Herstel van voegwerk
Algemeen
Met voegwerk kan in het verleden al veel gebeurd zijn. Daarom is het bij het herstellen van
voegwerk van belang de volgende situaties te onderscheiden:
1. Oorspronkelijk voegwerk zonder herstel
	 Voorbeelden: middeleeuws metselwerk aan de binnenzijde van torens, met het metselen
	 tegelijk met de zijkant van de troffel afgestreken; 18e eeuws knipwerk van woonhuisgevels,
	 verdiept voegwerk Amsterdamse School.
2. Oorspronkelijk voegwerk dat in het verleden is hersteld
	 Dit kan veel of weinig zijn en goed of slecht zijn gebeurd. Alle variaties zijn mogelijk.
3. Voegwerk dat bij een eerdere restauratie geheel is vernieuwd
	 Vooral bij kerken en torens is dit doorgaans het geval. Opvallend is dat dit vernieuwde
	 voegwerk over het algemeen minder lang meegaat, circa 30 à 40 jaar. Uitzonderingen
	 daargelaten heeft dit voegwerk maar een zeer beperkte historische waarde.
Voegwerk vernieuwen of restaureren - mits goed uitgevoerd - doet recht aan de visuele en
technische kwaliteit. Voegen zorgen voor een waterwerend vlak in samenhang met baksteen.
Doordemetsel/voegmortelkunnenkleinezettingenwordenopgevangen.Demetsel/voegspecie
dient iets zachter te zijn dan de steen. De droging vindt namelijk plaats via de voegen, te sterke
voegspecie belemmert de droging, het vocht blijft in de steen hangen en verhoogt de kans op
vorstschade. Goed uitgevoerd voegwerk gaat 50 tot 100 jaar mee. Het herstellen van voegwerk
lijkt gemakkelijker dan het is, Het is zeer arbeidsintensief en dus duur. Besparing is mogelijk door
met zorg uitgevoerd plaatselijk herstel, beter weinig vierkante meters goed, dan veel vierkante
meters slecht.
32
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Bestanddelen van legmortel en voegmortel
Algemeen
Voor de leg- en voegmortel werden tot ver in de 19e eeuw uitsluitend kalk- en traskalkmortels
gebruikt. Aan het einde van de 19e eeuw deed de portlandcement aarzelend zijn intrede bij het
samenstellen van mortels. Het toepassen van cement in mortels vond pas algemeen toepassing
na de Eerste Wereldoorlog. Dit zette versterkt door na de Tweede Wereldoorlog voor een steeds
verder opgevoerde bouwproductie. Dit had ook z’n weerslag op uitgevoerde restauraties, een
voortdurende strijd om sterk cementhoudende mortels te weren. Kalk zou aangetast worden
door zure regen, snel verweren, enzovoort. Sinds enkele jaren vindt een herbezinning plaats op
de toepassing van kalk in mortels. Omdat monumentenzorg zich ook uitstrekt tot gebouwen uit
de Wederopbouw 1940 - 1965, kan het gehele scala aan kalk- en cementgebonden mortels zijn
toegepast. Hieronder de bestanddelen voor het samenstellen van leg- en voegmortels.
Afbeelding 42
Plaatselijk herstel
van oorspronkelijk
voegwerk. Enig
kleurverschil is
bijna onvermijdelijk.
Kleine kleur-
verschillen vallen
na circa 5 jaar weg.
Afbeelding 43
Voegwerk waarbij
alleen het
donkergekleurde
huidje plaatselijk
wegvalt, maar
verder niets
mankeert. Geen
noodzaak tot
herstel!
Kalk
Zoals gezegd was kalk in het verdere verleden het hoofdbestanddeel van leg- en voegmortels.
Het komt onder veel benamingen voor die mogelijk verwarring wekken:
Luchtkalk	 Dit is kalk die aan de lucht verhardt ofwel afbindt onder opname van koolzuur. Let
		 wel dit kan zowel steenkalk als schelpkalk zijn. Luchtkalken zijn niet of zwak
		 hydraulisch.
Waterkalk	 Dit is hydraulische kalk die onder water verhardt of afbindt. Het hydraulische
		 karakter ontstaat door een zekere bijmenging van kleibestanddelen, zo’n 9 tot
		 12 %. Een vroeger veel toegepaste hydraulische kalk was de Doornikse kalk.
Steenkalk	 Dit is kalk, gebrand van kalkhoudende steen (calciet), de hoeveelheid klei-
		 bestanddelen zorgen bepalen of steenkalk tot de lucht- dan wel tot de
		 waterkalken behoort. Luikse (kluit)kalk is een bijvoorbeeld een steenkalk die
		 onder invloed van de lucht verhard, dus een luchtkalk.
33
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Schelpkalk	 Dit is kalk gebrand van schelpen (aragoniet), die afkomstig zijn uit de Waddenzee
		 en de Noordzee Vanouds waren de kalkbranderijen geconcentreerd aan
		 vaarwater langs de kust. Sinds enkele jaren wordt weer de originele schelpkalk
		 gebrand. Schelpkalk is zwak hydraulisch.
Zuiver chemisch gezien is er geen verschil tussen schelpkalk en steenkalk. In de praktijk blijkt
schelpkalk echter beter te voldoen. Schelpkalk blijkt na het branden wat poreuzer en meer
bolvormig te zijn dan steenkalk.
Kalkkangebrandwordenvankalkhoudendegesteenten,schelpenenmarmers.Bijhetbrandenvan
kalkwordtonderinvloedvanhittekoolzuurgasafgesplitst,erontstaatongeblustekalk.Informule:
CaCO3 (calciumcarbonaat) gebrand bij 900 °C en er ontstaat + CaO (calciumoxide=ongebluste
kalk) en er ontwijkt CO2 (koolzuurgas)
Vroeger sprak men van vette kalk als de kalk gebrand werd van zuivere kalksteen en van magere
of schrale kalk als er 8% of meer verontreiniging in de kalksteen aanwezig was.
Na het branden wordt de kalk met water geblust. Rond het blussen van kalk spelen de volgende
begrippen een rol die de moeite waard zijn om te onthouden:
Kluitkalk	 Dit is ongebluste steenkalk. Bij het blussen vallen de kluiten door een expansieve
		 chemische reactie uit elkaar. Hierbij komt veel warmte vrij. Tegenwoordig wordt
		 alleen gebluste kalk geleverd.
Poederkalk	 Dit is kalk waaraan precies voldoende water is toegevoegd om alle ongebluste
		 kalk te blussen. Dit noemen we droog blussen.
Deegkalk	 Kalk die nat geblust werd met een overmaat aan water en die in een put onder
		 water werd bewaard, ook wel bekend onder de naam“putkalk”. Vroeger hield men
		 aan dat 3 volumedelen poederkalk gelijk stond aan 2 volumedelen deegkalk.
Bij het blussen wordt water aan de ongebluste kalk toegevoegd, in formule:
CaO (calciumoxide) + H2O (water) en er ontstaat Ca(OH)2 (gebluste kalk). De gebluste kalk wordt
gebruikt voor het maken van kalkmortel. Dan vindt onder invloed van koolzuur uit de lucht weer
omzetting plaats naar de verharde kalk. In formule: Ca(OH)2 (gebluste kalk) + CO2 (koolzuurgas uit
de lucht) en er ontstaat CaCO3 (calcium-carbonaat) waarbij H2O (water) ontwijkt.
Afbeelding 44
Zuivere
schelpkalkmortels
zijn helaas niet
meer verkrijgbaar.
Er kan nog wel
een kalkmortel
worden geleverd
die bestaat uit
1 deel schelpkalk
en 2 delen
steenkalk.
34
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Cement
Cement ontstaat door, het ten koste van veel energie, tot sinterens toe branden van een
innig mengsel van kalk-, leem of kleihoudende grondstoffen. Daarna wordt het vermalen tot
poeder. Joseph Aspdin verkreeg hierop in 1824 een octrooi. Pas na 1860 werd dit steeds meer in
Nederland toegepast. Pas in 1926 werd de Eerste Nederlandse Cementindustrie (ENCI) opgericht.
Cementmortels zijn hard en bros en kunnen nauwelijks enige zetting opvangen. Ook zijn dilataties
noodzakelijk om de thermische uitzetting in het metselwerk op te vangen. Sinds enkele jaren is
de oude classificatie vervangen door de groepen die hieronder zijn aangegeven.
CEM I Portlandcement
Hieronder vallen alle portlandcementen. Het wordt gebrand van kalkhoudende gesteente dat
een verhoogd kleigehalte bevat en gebrand bij 1450 – 1600 °C tot portland-klinker dat vervolgens
vermalen wordt tot poeder. Des te fijner de klinker is vermalen des te sneller verhardt de cement.
We onderscheiden:
-	 Grijze en zwarte portlandcement, eerder bekend als klasse A.
-	 Witte portlandcement , nagenoeg ijzervrij. Witte portlandcement reageert gemakkelijk met
	 zouten zoals chloriden en sulfaten. Daarom nooit gebruiken bij monumenten in verband met
	 de bijna altijd aanwezige zouten.
-	 Sulfaatbestendige portlandcement. Bekend zijn Sulfodur van Dyckerhoff en Cibelor. Deze
	 portlandcement is nagenoeg zwart.
CEM II Portland mengcement
Dit is een portlandcement die gemengd wordt met hoogoverslak, vliegas, lei- of kalksteen. Voor
historische leg-en voegmortel ongeschikt.
CEM III Hoogovencement
Deze cement was bekend als hoogovencement klasse A, licht grijs. Het wordt gemalen van
hoogovenslak met portlandklinker en een trager verhardende cementsoort. Het is gevoelig voor
de omstandigheden waaronder het verhardt. Het “verbrandt” namelijk snel. Wel is het redelijk
bestand tegen chloriden en sulfaten.
CEM IV Puzzolaancement
Dit is een mengsel van gemalen portlandklinker, puzzolaan en vliegas. Voor historische leg- en
voegmortel ongeschikt.
CEM V Composietcement
Een cement als puzzolaancement, maar dan met een toevoeging van hoogovenslak. Wordt in de
restauratie niet toegepast.
Tras
Dit is afkomstig uit de Eifel en wordt verkregen door het vermalen van hiervoor geschikte tuf. Tras
was vroeger kostbaar. Tufsteen van de afbraak van kerken en torens bracht veel op. De Valkhof
in Nijmegen is op deze wijze voor het overgrote deel in de trasmolen verdwenen. Vermenging
met luchtkalk maakt de specie hydraulisch. Zuiver chemisch beschouwd maakt men iets dat op
Portlandcementspecie lijkt, in de praktijk levert kalk met tras echter een veel elastischer mortel
op. De hiermee vervaardigde mortel is ook wat slijtvaster, vertoont minder krimp en zet bij vocht
iets uit. Deze mortel vraagt wel gedurende een veel langere tijd het nodige vocht om goed af te
binden.
Voor kleine hoeveelheden traskalkmortels voor plaatselijk herstel wordt geadviseerd geen kant
en klare mortels te gebruiken, maar zelf trasmeel aan een kalkmortel toe te voegen. Bij grote
hoeveelheden verdienen kant en klaar mortels de voorkeur in verband met mengfouten.
Tras bindt niet zelfstandig af, de hydraulische eigenschappen van tras ontstaan alleen als deze
aan kalk of cement wordt toegevoegd. Daarom de tras pas kort voor gebruik aan kalk- of
cementmortel toevoegen. Gaat de tras geen reactie aan met kalk dan is het inert als zand en
ontstaat feitelijk een zeer schrale mortel.
Bijzondere vermelding verdient het zogenaamde “Amsterdams cement”. Dit werd gebrand van
35
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
kleislib uit het IJ. De ontwikkeling was een gevolg van de hoge prijs van tras door een conflict over
de geheven tolgelden op de Rijn. Mortel waarin het is verwerkt is enigszins roodachtig van kleur.
Het heeft dezelfde werking als tras en is toegepast in de periode 1790 tot 1840. Een soortgelijk
cement werd ontwikkeld door de (tras)cementhandelaar Cazius uit Utrecht, bekend onder de
naam Caziuscement. De werking hiervan was echter beduidend minder.
Vulmiddelen
Zand bestaat voor het overgrote deel uit kwarts en vormt als het ware het skelet van een
mortel. Het gebruikte zand kwam vroeger altijd uit de naaste omgeving, met als gevolg dat de
korrelgrootte niet altijd optimaal was. Als vulmiddel heeft het een belangrijke functie:
1.	Vette species met bijna alleen bindmiddel, krimpen bij droging sterk. Zand om deze species
	 te verschralen, gaat deze krimp tegen.
2.	Zand, in de juiste korrelgrootte, zorgt voor vergroting van de porositeit, waardoor koolzuur uit
	 de lucht meer toetreedt en de verstening van de mortel bevordert.
3.	Zand maakt de mortel goedkoper. Te veel zand maakt de mortel echter stug en weer
	 moeilijker verwerkbaar.
Zand komt in zeer veel vormen voor. De meest voorkomende zijn:
-	 Scherp rivierzand met een goede korrelverdeling. Levert een wat grijze voeg. Door bijmengen
	 met bergzand wordt de kleur beter.
-	 Bergzand. Dit komt in veel kleuren voor. Let wel op dat er geen leem en verontreinigingen in
	 het zand voorkomen. Bij voorkeur vooraf goed wassen.
-	 Klapzand is fijn zand, niet scherp, klontert snel en laat zich moeilijk mengen.
-	 Duinzand wordt bij de tegenwoordige fijne maling van de bindmiddelen gebruikt, mits het
	 scherp is en niet vervuild
-	 Zilverzand. Dit heeft evenals duinzand een zeer ongunstige korrelverdeling (te véél kleine
	 korrels van dezelfde afmeting) en is ongeschikt voor gewoon voegwerk. Wel wordt het
	 gebruikt voor het verschralen van specie voor knipvoegen en gesneden voegen.
Naast zand werd in het verleden ook marmermeel toegepast. Dit was slijpsel afkomstig van het
zagen van marmeren platen. Het kan gebruikt worden bij het verschralen van kalkmortel voor
het maken van knipvoegen en gesneden voegen. Het geeft een mooie kleur en structuur aan
de voeg. Om specie te verschralen werd in het verleden ook regelmatig gebruik gemaakt van
pannengruis, kleipoeder en sintels.
Toeslagen
Dit zijn kunstharsdispersies, eigenlijk bindmiddelen die de hechting verbeteren, water langer
vasthouden en daarmee bij kwetsbare toepassingen het “verbranden” tegengaan. Ook al eerder
gehydrofobeerde baksteen is dan beter te voegen. Verder worden aan moderne cementmortels
luchtbelvormers toegevoegd. Deze mogen echter nooit aan een schelp- of steenkalkmortel
worden toegevoegd.
Voorbereiding
Proefstuk
Voordat met het inboeten van metselwerk en het aanbrengen van voegwerk begonnen
wordt, eerst een proefstuk opzetten, waarin alle fasen van het herstel worden uitgevoerd. Zet
het proefstuk op naast een in nog goede staat verkerend stuk metselwerk met voegwerk. Na
acceptatie kan het proefstuk dienen als referentie voor het gehele werk. Het proefstuk moet dus
tijdens de gehele uitvoering aanwezig blijven! Hieronder enkele aanwijzingen:
-	 Voor zover nodig het reinigen en schoonmaken van de gevel. Als nog gekozen moet worden
	 voor een bepaalde methode dan 2 of 3 van de meest in aanmerking komende methoden
	 uitvoeren. Dit is vooral van belang voor de beoordeling van een aanvaardbare en verant-
	 woorde schoonheidsgraad en het vaststellen of schade ontstaat aan baksteen en voegwerk.
36
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Uithakken van de eventueel in te boeten steen en uithalen van de voegen met de voor dit
	 werk te gebruiken gereedschappen. Dit is noodzakelijk om te bekijken of beschadiging van
	 de baksteen optreedt en of de vereiste diepte van de voegen voldoende is. Uithakken veroor-
	 zaakt al gauw schade aan de omringende steen. Met uitboren zijn betere ervaringen
	 opgedaan.
-	 Ter goedkeuring overleggen van steenmonsters. Dit luistert nauw zowel wat betreft de kleur
	 als de afmeting. Meestal vergt dit het nodige speurwerk van de aannemer.
-	 Opzetten van voegmonsters, minstens 3, in verschillende samenstelling. Let wel kalk en kalk
	 met tras binden zeer langzaam af! De kleur kan daarom pas beoordeeld worden na een
	 standtijd van minimaal tien tot veertien werkdagen.
-	 Vraag van de aannemer de exacte samenstelling van de voegmonsters. Leg de gekozen of
	 aangepaste samenstelling voor het voegwerk altijd vast in een verslag of documentatie.
	 Hierdoor kan bij eventuele problemen altijd worden nagegaan wat er is toegepast.
Kleur en samenstelling
Voor een goed eindresultaat is de juiste kleur en een goede samenstelling essentieel. Van een
gemetselde gevel is circa 25 tot 30% van het oppervlak voegwerk. Neem voor het vergelijken van
de kleur tussen oud en nieuw, een oud stukje voegwerk en breek dit door midden en vergelijk dit
met het nieuwe goed afgebonden en gedroogde nieuwe voegwerk.
Afbeelding 45
Beschadiging steen
door te dikke
beitels, daarom
eerst proefstuk
met het juiste
gereedschap!
Afbeelding 46
Een proefstuk
met enkele
opgezette
voegmonsters om
kleur en uitvoering
te kunnen
beoordelen,
standtijd minimaal
tien dagen!
37
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Hieronder enkele aanwijzingen:
-	 De kleur van het zand bepaalt in hoge mate de kleur van het voegwerk.
-	 Voor de samenstelling van voegspecie als uitgangspunten een bindmiddel/ zand-verhouding
	 aanhouden van 1 op 2 tot 1 op 2,5 voor kalk; voor cement maximaal 1 op 3.
-	 Meng 4 delen grof (berg)zand op 1 deel fijn zand om een goede verdeling van de korrel-
	 grootte krijgen. Gebruik zilverzand alleen bij knipvoegen en gesneden voegen.
-	 Toegevoegde kleurpigmenten alleen van minerale oorsprong. Voor rood is dit gebrande of
	 rode oker; voor geel is dit gele oker of terra siena.
N.B. Een methode die heel goed werkt om een juiste indruk te krijgen van de kleur, is het droog mengen
van bind- en vulmiddelen in een kommetje. Afpassen kan met een reageerbuisje of een dopje. De bind- en
vulmiddelen moeten wel absoluut droog zijn.
Voor het nauwkeurig samenstellen van de voegspecie altijd afmeten in volumedelen, dus niet
met de schop! Afpassen gaat goed met strak afgestreken emmers.
- 	Benader de oorspronkelijke voegmortel in kleur, korreligheid en detaillering.
-	 De voegmortel moet altijd iets zachter zijn dan de baksteen.
-	 De voegmortel even zacht als de originele mortel
Alleen in een dwangmenger wordt de specie goed gemengd. Bij een betonmolen is de menging
onvoldoende. Dit laatste wordt dan ook zeer beslist afgeraden.
N.B. Bij gevels waarin het verleden ook al veel hersteld is en vensters dichtgemetseld zijn etc, valt niet te
ontkomen aan voegwerk met een verschillende samenstelling. Bij de recente restauratie van Kasteel
Waardenburg (Gld) zijn om die reden kalkpitten, fijn gestampte rode pannen en zelfs fijngestampte
steenkool toegevoegd aan de voegmortel.
Afbeelding 47
Een dwangmenger
voor het goed
mengen van de
specie. Met
een reguliere
betonmolen
lukt dit niet!
Afbeelding 48
Restauratievoeger
is een vak apart.
Het vereist veel
kennis, affiniteit
en ervaring om
een verantwoorde
wijze historisch
voegwerk te
kunnen herstellen.
Bij platvol voegen
verdient het eerst
zetten van
stootvoegen
overigens een
sterke voorkeur.
38
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Hardheid en kwaliteit
In de nieuwbouw is vaak de vereiste hardheid van de voeg vastgelegd in het bestek. Dit wordt
dan gecontroleerd met behulp van een zogenaamde voeghardheidsmeter. Ook in de restauratie
is dit in het recente verleden wel gepropageerd. Uiteindelijk heeft zich dit niet doorgezet. Op dit
moment wordt het nauwelijks meer geëist en op deze wijze gecontroleerd. In de praktijk van
restauratie en herstel bleek dit bij voegen van kalk en traskalk lastig vast te stellen, zeker gelet op
het feit dat we zoveel mogelijk streven naar partieel herstel. Een voeghardheidsmeter is alleen
goed toe te passen bij een platvolle voeg op cementbasis. Voor beoordeling van kwaliteit kan
daarnaast snel aanvullende informatie worden verkregen door krassen, steken en prikken, zie
verder onder hoofdstuk Inspectie. Goed voegwerk heeft een poreusheid die ligt rond de 30%,
de korrelgrootte van het zand en de hoeveelheid bindmiddel hebben een sterke invloed op de
dichtheid. Zeer dicht voegwerk is bij overmatige vochtbelasting gevoeliger voor vorstschade.
Uithalen van de voegen
De voegen minimaal uithalen tot een diepte van 1,5 tot 2,0 maal de dikte van de voeg. Er is dus
altijd een relatie tussen dikte en diepte van een voeg. Een zeer dunne gesneden voeg hoeft
minder diep uitgehaald te worden dan voegwerk in 15e eeuws metselwerk. Door voldoende
diep uithalen ontstaat meer hechtoppervlak voor de voegspecie met voldoende massa voor een
normaal afbindingsproces. De voeg rechthoekig uithalen, zonder speciebaarden of “tanden” te
laten zitten. Bij het aandrukken van de voegspecie wordt op deze wijze een betere hechting
verkregen.
Bij het uithalen bestaat het meeste risico op beschadiging van de steen door te dikke beitels,
te veel geweld door pneumatische hamers en het afboeren van de hoeken. De beitel mag
nooit dikker zijn dan de helft van de dikte van de voeg. Naaldvormige stootvoegen kunnen niet
uitgehaald worden zonder de steen te beschadigen. Laat deze gewoon zitten! Stootvoegen
mogen niet opgehakt worden tot een dikkere voeg, de steen wordt beschadigd en het aanzien
cq karakter van de gevel ondergaat een ingrijpende wijziging! Ook mogen stootvoegen nooit
met een diamantzaag uitgeslepen worden, alleen uithakken.
Afbeelding 49
Bij dit herstelde
voegwerk zijn de
stootvoegen
uitgehaald met
een diamantzaag
die ter plaatse de
onder- en
bovenliggende
steen heeft
beschadigd.
Slijpen kan alleen onder zeer bepaalde condities, namelijk: alleen dikkere lintvoegen inslijpen
met een dunne zaag met een zeer goede afzuiging van het gruis en stof zodat het zicht op
de voeg behouden blijft. Daarna kan gemakkelijk met een beitel de voeg worden weggehakt.
Stootvoegen altijd met de hand uithakken. Schrijf voor dat alle stenen die beschadigd worden
tijdens het verwijderen van de voegen moeten worden vervangen!
39
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Een nieuwe ontwikkeling is het gebruik van de Arbotech. Deze machine werkt met oscillerende
schijfjes met geharde tandjes die langs elkaar werken. Hiermee is zeer nauwkeurig uithalen van
in te boeten steen en voegwerk mogelijk. Wel zijn de schijfjes gevoelig voor uitbreken en daarom
is de Arbotech alleen geschikt voor kalkvoegen. De Fein-cutter is hier een verfijnde versie van,
geschikt om dunne snijvoegen van 2 of 3 mm uit te frezen.
Afbeelding 50
Doorsneden van
onjuist of te ondiep
uitgehaalde
voegen.
uitgesleten
voeg
bakhuid bakhuid verdwenen!
te breed
uitgehaalde
stootvoeg
bakhuid verdwenen!
karakter metselwerk is
wezenlijk aangetast
nieuwe
voegwerk
vriest eruit
te ondiep uitgehaald,
niet schoongemaakt
oude mortel
afscherven/ afboeren steen
afscherven/ beschadigen steen
te dikke beitel
Nadat de voegen voldoende diep zijn uitgehakt, wordt de volgende werkwijze aangehouden:
Smalle voegen bij snijwerk uitzuigen, bij brede voegen met lucht krachtig schoonblazen, dan
pas met water uitspoelen. Steeds van boven naar beneden werken. Als direct van boven naar
beneden met water nagespoeld wordt, dan blijft naar onderen toe steeds meer slib kleven op
het daar nog aanwezige stof en gruis. Dit blijft als aangekoekt gruis en stof in de voeg achter. Na
enige tijd wordt gruis en stof droog en zorgt voor een verminderde aanhechting van het nieuw
aan te brengen voegwerk.
Inzetten van voegwerk
Ruim voor het voegen de gevel voldoende bevochtigen, maar niet drijfnat en nat vlak voor het
voegen. De steen moet winddroog zijn. Bij hardere steen die moeilijker water opneemt al twee
dagen van te voren beginnen met voorbevochtigen; eerste dag 3 x bevochtigen; dag ervoor
alleen ‘s ochtends bevochtigen om smetten te voorkomen. Ook bij zachtere steen verdient dit
de voorkeur.
Bij voorkeur eerst de stootvoegen volzetten en dan de lintvoegen! Hierdoor kunnen vanuit de
lintvoegen ook naaldvormige stootvoegen zo goed mogelijk dichtgezet worden. Zeer diep
uitgesleten voegwerk in lagen vol zetten. De lagen tussentijds voldoende door laten harden.
Zeer smalle stootvoegen eerst afplakken om het smetten tegen te gaan. Soms is het vullen van
zeer dunne stootvoegen niet mogelijk. Bij sterk verweerde steen (meelzakken) wat terugliggend
voegen en zonodig de randen iets afwaterend besnijden.
De voegspecie steeds aardvochtig aanbrengen. Hydraulische toeslagstoffen zoals tras pas
één uur van te voren toevoegen aan de kalkspecie om een vroegtijdige reactie met de kalk te
voorkomen.
40
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
De voegspecie vooral goed aandrukken, dus geen veegwerk. Alleen door stevig aandrukken
komt een goede hechting met baksteen, legmortel en een goede verdichting van de voegspecie
tot stand. Dit betekent onder andere een korte voegspijker die steviger aandrukken mogelijk
maakt. Het belang van goed aandrukken kan niet genoeg benadrukt worden voor het verkrijgen
van duurzaam voegwerk. Strijken bij te lichte druk brengt het bindmiddel naar het oppervlak
toe, waardoor een dunne verharde laag ontstaat met daarachter een mortel met weinig of geen
samenhang. Na het verweren van de harde toplaag waait de rest van de voeg er versneld uit.
Om na het zetten van platvolle voegen het aandrukken te vergemakkelijken zijn de volgende
gereedschappen ontwikkeld:
-	 Een op perslucht trillende voegspijker met een voet naar keuze van 8, 10 of 12 mm waarmee
	 de voegmortel mechanisch kan worden verdicht. Dit wordt in steeds meer bestekken
	 voorgeschreven.
-	 Een nastrijkapparaat op 2 wieletjes met diverse verwisselbare schoenen qua breedte en qua
	 profiel. Zo is er een schoen met een bol profiel waarmee goed verdicht iets terugliggende
	 voegwerk gemaakt kan worden.
Als voor de aanpassing op het bestaande werk gekozen moet worden voor een wat korrelige
textuur, dan nooit borstelen maar heel voorzichtig tamponeren.
Het inzetten van nieuw voegwerk mag niet bij temperaturen geschieden hoger dan 25°C, bij kans
op (nacht)vorst binnen 72 uur en bij lang aanhoudende temperaturen onder de 5°C.
N.B. Bedenk dat metselwerk dat sterk aan weer en wind bloot gesteld is zoals middeleeuwse stadsmuren en
torens bijna altijd al enige generaties voegwerk hebben gehad. Het gevolg is een sterk verwijde voeg met
afgeronde steen. Belangrijk is dan afwaterend besnijden van het voegwerk.
Samenstelling van enkele voegspecies
Deze dienen opgevat te worden als uitgangspunt niet als vaststaand recept. Per situatie bekijken
en met enige variatie minimaal 3 monsters opzetten.
1.	Voor dikke voegen in middeleeuws opgaand metselwerk, iets terugliggend of platvol
	 doorgestreken en tamelijk poreus: 1 maatdeel schelpkalk, 2 à 2,5 maatdelen zand. Zand
Afbeelding 51
Doorsneden van
juist en onjuist
aangebracht
voegwerk.
voeg
losgekrompen
door afspoelen met
water, blijft gruis achter,
waardoor geen
hechting ontstaat!
onjuist en te
breed gevoegd
zanderige onsamen-
hangende voegmortel
losgekrompen
verbrandt vaak!
voeg
voeg
voeg
steen steen
te veel doorgestreken,
hierdoor ontstaat huidje
met teveel bindmiddel
nieuwe“veegmortel”
nieuwe“veeg”mortel
oude mortel
terugliggend gevoegd
bij oude wat afgeronde
steen = dunne voeg
voegwerk altijd haaks
uithalen
krimpnaad
water + holte
water
41
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
	 bestaande uit grof metsel- of bergzand met korrelgrootte van circa 1 mm tot maximaal 4
	 mm. Donkerbruin bergzand geeft een bruinachtige voeg. Donkergeel bergzand geeft een
	 meer crème-achtige voeg. Voegspecie van te voren minstens een week tot tien dagen in de
	 rot zetten en goed afdekken voor een innige vermenging van de schelpkalk met het zand.
2.	Voor het metselen en meteen doorstrijken van kwetsbare onderdelen waarbij hoge eisen
	 aan de waterdichtheid worden gesteld: 1 maatdeel schelpkalk, 1,25 maatdeel trasmeel, 1,5
	 à 2 maatdelen zand. Bij grof zand per 4 maatdelen, 1 maatdeel wat fijner duinzand toevoegen,
	 Hierdoor ontstaat een wat dichtere voeg. Het grove en fijne zand vooraf mengen.
3.	Voor het aanhelen op bestaande gesneden of geknipte voegen in 18e en 19e eeuws
	 gevelwerk: 1 maatdeel fijngemalen schelpkalk (of 1 maatdeel steenkalk) en 2 maatdelen fijn
	 wit zand of zilverzand. Bij zeer fijn werk kan als verschraling marmermeel worden toegepast.
	 Na het mengen moet de voegspecie worden gezeefd. Bij dit voegwerk ontstaat een zeer
	 witte voeg, die soms te sterk afsteekt bij het oude werk. Het toevoegen van een zeer weinig
	 omber breekt het wit. Door toevoegen van water ontstaat een aardvochtige voegspecie, die
	 voor een goede verwerkbaarheid in een bak “getrapt” moet worden. De deegachtige specie
	 mag alleen van de bal, onder regelmatig slaan, worden verwerkt. Voor wat sneller werken kan
	 in plaats van een rei ook een slee worden gebruikt. Stootvoegen en neggekanten met de
	 korte voegspijker voegen en met het voegmes besnijden.
4.	Gevels met harde klinkers uit de jaren twintig, Amsterdamse School, gemetseld in een
	 cementkalkspecie: 1 maatdeel portland cement, 0,5 maatdeel steenkalk, 1 maatdeel duinzand
	 en 2 maatdelen rivierzand. Levert een sterke harde dichte voeg op, meestal iets terugliggend.
N.B. Als de voegen van in kalk gemetselde muren met een mortel van sterke dichte portlandcement worden
afgewerkt, verteert de kalk door gebrek aan hardende koolzuur uit de lucht, die er nog maar moeilijk bij kan
komen. Enige remedie is de cementvoegen vervangen door een kalkvoeg.
Nazorg
Kalkmortels en kalk/trasmortels binden langzaam tot zeer langzaam af. Indien dit afbinden door
gebrek aan vocht door opzuiging en/of verdamping halverwege stopt, is “verbrand” voegwerk
het gevolg. De basis om dit verbranden tegen te gaan ligt bij het goed voorbevochtigen. De
nazorg bestaat het enkele dagen tot een week vochtig houden van het voegwerk. Het risico
van verbranden wordt sterk vergroot door één van de onderstaande factoren of een combinatie
ervan:
-	 Een dichte steen zoals verblendsteen die nauwelijks vocht opneemt en deze voor het
	 afbinden weer aan de voegspecie afstaat.
-	 Hoge temperaturen zoals hittegolven waarbij vocht snel verdampt. Voegwerk het liefst
	 uitvoeren bij bedekt weer en temperaturen tussen de 15°C en 20°C. Boven de 25°C mag niet
	 worden gevoegd.
-	 Directe zonnestraling. Dient ten allen tijde vermeden te worden door het afdekken van de
	 steigers met zeilen die geen licht doorlaten.
-	 Wind, met name aan de kust en vlakke veld. Steigers afschermen met dichte zeilen.
Om zolang mogelijk een vochtig klimaat bij het verse voegwerk te handhaven:
-	 Voorhangen van een dampremmende folie of vochtig gemaakte“groene”steenwoldeken.
-	 Na enkele dagen zeer voorzichtig vernevelen van water. Zorg dat er door te veel vocht geen
	 kalksluier ontstaat.
42
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
0.6 Benamingen en begrippen
Hieronder de meest belangrijke termen en begrippen:
Aanzet	 Geboorte of begin van een boog, eerste steen of laag die al deel heeft aan de
		 kromming van de boog.
	
Aanzetsteen	 Vaak een blokje natuursteen, waartegen de deklijst of rollaag van een top- of
		 halsgevel leunt. Ook hoekblok waarop een (venster) boog begint.
	
Achterwerker	 Niet in zicht komende steen, meestal minder hard gebakken.
	
Afzaat	 Hellend bovenvlak van een horizontale lijst, van een dorpel; ook dit lijstwerk
		 zelf, waterslag.
	
Amsterdams	 Een hydraulische toeslag van gebrande slib uit het IJ als vervanger van
cement	 tras, toegepast van 1790 tot circa 1840. Mortel is rozerood van kleur en veel
		 toegepast bij waterbouwkundige werken.
	
Blokverband	 Tegelverband waarbij de bakstenen in groepen, afwisselend staand en
		 liggend zijn verwerkt, zie afbeelding 52.
	
Boog	 Overspant een opening vanaf twee steunpunten. Er zijn: rondboog;
		 segmentboog; spitsbogen in diverse vormen; kielboog; Tudorboog; korfboog;
		 ellipsboog, kettingboog; strekse boog; keperboog;
	
Boogfries	 Reeks kleine bogen naast elkaar, rustend op kraagstenen als afsluiting van
		 spaarveld of muurkroon. Ook boogfriezen met keperbogen, vlecht- of elkaar
		 kruisende bogen of langs een topgevel klimmende boogfriezen komen voor.
	
Afbeelding 52
Voorbeeld
van diverse
sierverbanden.
Vaak toegepast
in blindnissen bij
Romano-gotische
kerken in het
noorden van ons
land.
blokverband
keperverband
sierverband met klezoren in boogtrommel van een venster
strekken - geel ; klezoren - rood
sierverband als keperverband in boogtrommel van een venster
43
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Boogrug	 Bovenkant, buitenwelfvlak van een gemetselde boog. Indien gemarkeerd
		 door een profiel dan wordt dit een booglijst genoemd.
	
Boogstenen	 Bakstenen waaruit een boog is samengesteld door radiale voeging.
Boogtrommel	 Timpaan, vulling van een boogveld aangebracht boven vensters en
		 deurkozijnen.
	
Bouwnaad	 Zichtbare, meestal verticale scheiding in een muur tussen twee bouwfasen of
		 bouwperioden.
	
Caziuscement	 Een hydraulische toeslag van gebrande steenklei, ontwikkeld door de heer
		 Cazius in Utrecht als vervanger van tras en toegepast van 1792 tot circa 1840.
		 Mortel is rozerood van kleur en veel toegepast bij waterbouwkundige werken.
	
Dagkant	 Loodrecht, afgeschuinde of geprofileerde op de muur of het kozijnvlak
		 staande kant.
	
Drieklezoor	 Baksteen waarvan een kwart van de lengte is afgeslagen, toepassing op
		 hoeken en beëindigingen.
	
Ezelsrug	 Metselconstructie toegepast als afwaterende beëindiging van gevelvlakken,
		 tuin- en kerkhofmuren.
	
Kantelaaf	 Neg of dagkant, vooruitspringend muurwerk om een kozijn al of niet
		 betimmerd met een platstuk.
Keellijst 	 Een holle lijst met kwartcirkelprofiel, veel gebruikt als afsluiting bij een
		 muurkroon.
	
Keperlaag	 Horizontale laag metselwerk, waarin de stenen onder 45° ten opzichte van de
		 wandvlakken liggen en afwisselend haaks op elkaar geplaatst zijn.
	
Keperverband	 Minder juist visgraatverband genoemd. Metselwerk gevormd door schuin
		 gestelde in elkaar grijpende bakstenen op hun kant en toegepast als
		 mozaïekachtige vulling van boogtrommels en spaarvelden.
Afbeelding 53
Diverse begrippen
bij ontlastingsboog
boven venster:
1. Boogbrug;
2. Boogstenen;
3. Ontlastingsboog;
4. Boogtrommel.
44
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Kiellaag	 Een laag metselwerk die in dikte verloopt om een fout te corrigeren, ook wel
		 varken genoemd.
	
Klamplaag	 Verticale laag stenen op hun kant gemetseld als verzwaring of om kelders en
		 putten waterdicht te maken.
	
Klezoor	 Baksteen van een kwart lengte, gebruikt in hoekoplossingen om te zorgen dat
		 de stootvoegen van de opeenvolgende lagen niet boven elkaar kwamen.
	
Klisklezoor	 In de lengte doorgehakte baksteen, op de kop een klezoor en in de lengte
		 een strek.
	
Koppenverband	Metselverband met in elke laag koppen, ook patijts verband genoemd.
		 Toegepast voor putten en schoorsteenpijpen.
	
Kortelinggat	 Opening in muurwerk ontstaan na het verwijderen van een ingemetselde
		 korteling. Werd opengelaten voor toetreding van lucht om verharding van
		 kalkspecie mogelijk te maken en voor het plaatsen van onderhoudssteigers.
	
Lepe steen	 Steen met een niet haakse beëindiging aan één of beide zijden, zie afbeelding
		 26.
	
Lintvoeg	 Horizontale voeg tussen twee lagen metselwerk. Ook wel lopende, liggende,
		 leger- of strekse voeg genoemd.
Loodvoeg	 Stootvoeg die over meer dan één laag doorloopt.
Mortel	 Plastische, deegachtige, samengestelde stof, waarmee stenen tot één geheel
		 verbonden, althans met gelijkmatige drukverdeling worden vastgelegd en
		 uiteindelijk de hardheid van de steen nabijkomt.
Afbeelding 54
Een uitgemetselde
muurkroon met
een muizentand
ofwel zaagtand en
een bloktand.
muizentand
zaagtand
muizentand
zaagtand
30°
45°
45
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Muizentand	 Bakstenen lijst bestaande uit een laag koppen, die onder een uitkraging om
		 en om iets uitgemetseld zijn (platte muizentand of bloktand) of onder een
		 hoek van 45° uitsteken (overhoekse muizentand).
	
Neg(ge)	 Schuin ingesneden dagkant, vaak met profilering, van een deur- of venster-
		 opening.
	
Neggeblok	 Natuurstenen blok, vooral in de baksteenarchitectuur van 15e tot 16e eeuw
		 aangebracht ter verlevendiging van venster- en deurneggen. Neggeblokken
		 fungeren soms ook als gehengduimsteen.
	
Patijts 	 Dwars op de lengterichting van een muur leggen van bakstenen, zichtbaar als
		 koppen.
	
Parement	 Vlakke natuursteen bekleding van baksteen, afgeleid van het Latijnse “parare”
		 dat gereedmaken of opsieren betekent.
	
Pareren	 Het aan één zijde bekappen van natuursteen.
	
Porring	 Kromming van een boog, gemeten ten opzichte van de geboorten van de
		 boog, ook kleine kromming bij hanekammen en strekse bogen.
	
Rollaag	 Reeks van gemetselde stenen op hun kant, bijvoorbeeld als afdekking van of
		 laag onder een kozijn, als afdekking van een muur of topgevel.
	
Speklaag	 Horizontale band in metselwerk, bestaande uit één of meer lagen baksteen
		 die in kleur afwijkt of een natuurstenen of gepleisterde band als afwisseling in
		 baksteenmuurwerk.
	
Stootvoeg	 Staande voeg in metselwerk.
	
Strek	 1.	Strekse horizontale boog.
		 2.	Met één van de lange zijden in de dag komende steen van een metsel-
			 verband.
Stroomlaag	 1.	Rij van enigszins hellend op hun kant gestelde stenen, aangebracht b.v.
			 onder een balk of boog waar geen plaats genoeg is voor een haaks metsel-
			 verband.
		 2.	Een rij overhoeks gelegde stenen in een bestrating of als platte laag in een
			 keldervloer om grondwater te keren.
	
Tand	 1.	Gedeelte van een baksteen dat vooruitspringt ten opzichte van de
			 onmiddellijk erboven en eronder gelegen stenen.
		 2.	Verticale vertanding dat wil zeggen een regelmatige opvolging van tanden
			 en kassen een zogenaamde staande tand
		 3.	Trapsgewijze opeenvolging van liggende en staande voegen, een
			 zogenaamde liggende of vallende tand.
	
Tandlijst	 Zie Muizentand
	
Varken	 Zie Kiellaag
	
46
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Vermetting	 Enigszins terugspringende laag metselwerk als geblokte pilaster, veel
		 toegepast in de 17e en 18e eeuw voor hoekaccenten.
Versnijding	 Een lichte sprong in het metselwerk als versmalling van opgaand metselwerk
		 bij steunberen en torens.
	
Vlechting	 Metselwijze waarbij loodrecht op de schuine zijkanten van een bakstenen
		 puntgevel wigvormige stukken in de horizontale lagen worden ingelaten.
		 Ook wel boerenvlechting genoemd.
	
Zaagtand	 Zie Muizentand
0.7 Onderhoudsgevoelige constructies
Algemeen
Veel in baksteen uitgevoerde onderdelen zijn gevoelig voor een hoge vochtbelasting. Zorg dat
water er door een goede detaillering afvalt en niet over onderliggend metselwerk stroomt of
hierop blijft staan. Hieronder worden enkele veel voorkomende constructies behandeld, met
aanwijzingen voor het voorkomen of verminderen van de problemen. Bij inspecties is het
belangrijk juist aan deze onderdelen aandacht te geven en in het rapport duidelijk aan te geven
wat er aan mankeert en aan moet gebeuren. Aandacht en zorg voorkomt erger.
Lek- of waterlijsten
Deze dienen om het water zoveel mogelijk van de gevel af te houden. De stootvoegen zijn
meestal het zwakke punt. Als de stootvoegen uitgesleten zijn, loopt veel water geconcentreerd
Afbeelding 55
Een vermetting
in 18e eeuws
metselwerk
1. Vermetting,
2. Geblokte pilaster,
3. Basement.
Afbeelding 56
Romaanse absis
van Oldenzijl (Gr)
rondom
voorzien van
rondboogfriezen
onder, in en boven
de vensterzone.
47
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
op één punt de gevel in. Op wat langere termijn ontstaan onder de stootvoegen lange zwarte
strepen met algen en mos.
Versnijdingen
Bij versnijdingen verjongt zich het metselwerk. Zonder bescherming blijft op het vlakke deel veel
water staan dat in de steen trekt. Symptomen hiervan zijn “baarden” met overmatige mosgroei
net onder de versnijding. Versnijdingen blijven kwetsbaar, toch is de schade in bepaalde gevallen
te beperken. Indien rollagen zijn toegepast deze aan de bovenzijde afwaterend maken door
afsmeren, zie afbeelding 58.
Bij lijsten van natuursteen kunnen deze lijsten afwaterend gesteld en wat naar buiten geschoven
worden. Dan dient wel een waterhol toegepast te worden.
Afbeelding 57
Door jarenlang
achterwege
gebleven
onderhoud slaan
alle stootvoegen
van de leklijsten
door. Aan de
binnenzijde heeft
dit desastreuze
gevolgen voor het
pleisterwerk!
opvallend
regenwater
mosgroei
diep
uitgesleten
iets
afwaterend
afwerken
vocht blijft
lang in de
steen
hangen
versnijding afzaat detail voegwerk afzaat
zorg dat dit vlak
gelsoten blijft
waterlijst
regenwater
uitgesleten voeg
indringend vocht
voegwerk iets
besnijden
48
Afbeelding 58
Doorsnedes van
versnijding en
afzaat met diverse
onderhouds-
problemen.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Afzaten
Deze schuin aflopende vlakken onder kerkvensters vangen zeer veel water. Omdat het vlak schuin
afloopt hebben ook de lintvoegen een zeer aanzienlijke breedte. Zelfs bij licht uitslijten blijft al
gauw water staan, zie afbeelding 58 en treedt er gemakkelijk vorstschade op. Aan de binnenzijde
wordt het pleisterwerk onder de vensters eraf gedrukt. In meerjarenonderhoudsplannen dient
voor het dichthouden van de afzaten periodiek een post te worden opgenomen.
Cordonlijsten
Dit is een veel voorkomend element in de 19e eeuwse architectuur. Meestal zijn cordijnlijsten
gepleisterdomeenkernvanuitgemetseldebaksteen.Doorscheurvormingvanditpleisterwerken
eentevlakkebovenkantishetbovenliggendeenachterliggendemetselwerkgevoeligvoorschade
en vochtdoorslag. Als het water er niet afvalt ontstaat onder de lijst mosgroei. Bij ver uitstekende
lijsten verdient een afwerking met lood aanbeveling, zie moduul 2.3 Loodaansluitingen, bladzijde
21.
Steunbeerkoppen
De schuin aflopende vlakken vangen veel water. Als ook een goot ontbreekt stroomt ook nog
eens veel water van de daken over de steunbeerkop. Door een overmaat aan vocht vriezen deze
koppen snel kapot, stenen liggen snel los etc. Bij eenvoudige steunbeerkoppen is het beter om
het voegwerk te vernieuwen met een taaiere kalktrasmortel.
Om het onderhoud te beperken kunnen grote steunbeerkoppen, mits esthetisch verantwoord,
worden afgedekt door een watervast verlijmde plaat multiplex, die rondom voldoende uitsteekt
en net iets ventilerend vrij blijft van het metselwerk. Deze plaat kan dan bekleed worden met lood
of leien. Mits op de juiste wijze uitgevoerd is een met lood gerealiseerde afdekking nagenoeg
onderhoudsvrij, zie hiervoor moduul 2.2.3 Dakbedekking-leien en 2.3 Loodaansluitingen. Wel
dient de plaat bij het aanbrengen van lood vooraf goed in een lijvige grondverf gezet te worden
tegen de zure lijmen uit het multiplex.
Afbeelding 59
Een in Noord-
Nederland veel
toegepaste
oplossing met een
over de pannen
uitkragende
rollaag. De
aansluiting met
de pannen is dan
uitgevoerd met
een speciezoom
in plaats van
met lood.
Afbeelding 60
Vroeger werden
trapgevels aan de
achterzijde tegen
vocht vertind. De
vertinlaag liep als
speciekraag door
op de dakpannen.
49
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Rollagen en vlechtwerk
Rollagen en vlechtwerk worden veel gebruikt om topgevels af te werken die boven de pannenlijn
uitsteken.Detopgevelsvangenveelzakwaterop.Ditveroorzaaktingerottekoppenvangordingen
en het afdrukken van binnenpleisterwerk net onder het beschot. Om met name inwatering tegen
te gaan, kan de gevel afgedekt worden met red-cedar waterborden afwaterend naar het dakvlak
aangebracht en voorzien van schuine naar het dakvlak aflopende leklatten, zie afbeelding 61.
Zorg voor een voldoende overstekende rand met waterhol. Voor grote gebouwen zoals kerken
en landhuizen kan gekozen worden voor borden, naar het dakvlak afwaterend aangebracht,
bekleed met lood in meterstukken, waarvan de felsnaad schuin afloopt naar het dakvlak. Zorg
voor voldoende overstekende rand en een goede druipkant aan de zijde van het dakvlak Een
kostbare oplossing die bij restauratie wordt toegepast is het afdekken door overstekende
natuursteenplaten van 5 cm dikte. Deze wijze van afdekken is wel gevoelig voor loskrimpen en
opentrekken van de stootvoegen. Om afschuifkrachten te voorkomen op de schouderstukken
dient elke plaats afzonderlijk in het onderliggende metselwerk verankerd te zijn of voorzien te
zijn van een zogenaamde“vlag”.
Schouderstukken en gevelbeëindigingen
Voor deze onderdelen geldt dezelfde werkwijze als genoemd onder rollagen en vlechtwerk.
Vroeger werden deze al heel vaak afgewerkt met een afdekking in natuursteen. Als de bovenzijde
van een topgevel al bekleed is met lood, kan deze doorgezet worden over het schouderstuk. Bij
red-cedar waterborden kan ter plaatse van de aanzet een gootje gemaakt worden dat afstromend
water afvoert op het dakvlak. Impregneren van deze vlakken met een acrylaat wordt afgeraden.
De waterdruppels slaan door deze impregnatie heen en op den duur laat de filmvormende
acrylaat in vellen los.
Afbeelding 61
Aanzicht met
doorsnede over
een afdekking met
red-cedarplank.
Een goede
detaillering is erg
belangrijk. Voor
het schouderstuk
is lood het beste.
Zink wordt sneller
aangetast door
inhoudsstoffen die
uit de red-cedar
spoelen.
waterhol
red-cedar deel
onbehandeld
kelderveer
loodslab
25 kg/m2
red-cedar deel latjes met
RVS bevestigingsmiddelen
dakvlak
deel hellend naar het dakvlak
50
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Ezelsruggen
Ezelsruggen en rollagen krimpen in de lengterichting van de muur. De staande stenen dienen
met zo dun mogelijke voegen gemetseld te worden om loskrimpen van het onderliggende
metselwerk te voorkomen. De specie hoeft dus niet sterker gemaakt te worden. Toevoeging
van wat tras is alleen bedoeld om overmatige slijtage op de hoeken tegen te gaan. Ook is tras
enigermate waterwerend, het voorkomt krimp van het voegwerk en zwelt enigszins als het
vochtig wordt.
Torentransen en borstweringen
Door vorm en constructie vangen deze extreem veel water. Afdekkingen zijn moeilijk te realiseren.
Bij torentransen met een vlakke bovenzijde zijn dunne natuursteen platen mogelijk, bij voorkeur
naar binnen afwaterend. Is sprake van een borstwering met schietgaten en moordgaten zoals
bij kastelen, dan is afdekken niet mogelijk zonder het visuele aspect geweld aan te doen. Het
beste is niet af te dekken met een te harde steen, deze krimpt los. Een wat zachtere steen neem
gemakkelijkvochtopenstaatditweeraf.Voegenmeteenkalkmortelondereenkleinetoevoeging
van tras en consequent zorgen voor regelmatig onderhoud.
Grondkerende muren
Bij veel monumenten komen in meer of mindere mate grondkerende muren voor. Denk hierbij
aan voorpleinen van historische buitenplaatsen; forten en vestingwerken zoals bij de Vesting
Naarden; werfmuren en kademuren in beschermde stadsgezichten en de landhoofden bij
bruggen. Enkele problemen die zich hierbij voordoen:
1.	Afschuifkrachten door een toenemende gronddruk. Deze gronddruk kan toenemen door
	 inklinken, maar ook door de steeds grotere belasting van verkeer. Bij de rollaag of afdekstenen
	 wordt dit het eerst zichtbaar door het afschuiven van lagen metselwerk of de afdekstenen.
2.	Vochtbelasting door ophoping van vocht achter de grondkerende muur. Hierdoor ontstaat
	 ernstige schade en laten schillen los, zie schilvorming. Ook ontstaat uitslag van kalk en vriezen
	 stenen kapot.
Door ervaring en schadegevallen na soms ingrijpende restauraties zijn we wijzer geworden.
Effectieve middelen die afschuiving voorkomen en een te hoge vochtbelasting voorkomen:
-	 Achter de grondkerende muren aanbrengen van een koffer van fijn grind of grof zand die
	 veel water afvoert tot voet van de muur. Hier moeten dan wel voldoende stootvoegen open
	 gehouden worden. Zorg dat water zo goed en zo snel mogelijk wordt afgevoerd.
-	 Het aanleggen van goed afwaterende bestrating op een stabilisatie en een riolering die niet
	 loost via een spuwer, maar bij voorkeur tot onder bij de voet van de muur. Bij aardwerken kan
	 op dezelfde wijze een drain een goede oplossing bieden.
Afbeelding 62
Afdekking van
schouderstuk altijd
uitvoeren met een
afwaterende
bovenzijde en
een aangehakte
aansluiting op
de afdekplaten
van de gevel. Het
schouderstuk van
Peperino-duro is
ten onrechte op
de hoeken niet
voorzien van een
randslag.
51
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Het aanbrengen van diep geboorde groutankers tegen het uitbuiken van het metselwerk.
	 Hierbij moet wel een berekening worden gemaakt door een constructeur.
-	 Als de gronddruk door parkeren of langsrijdend verkeer niet verminderd kan worden, kan een
	 damwand of een wand van betonnen elementen achter de keermuur worden aangebracht.
	 Wel moet dan voldoende aandacht besteed worden aan de afvoer van water achter de wand
	 en tussen de wand en de grondkerende muur.
Middelen die niet effectief blijken te zijn:
-	 Het metselwerk waterdicht te krijgen, of door een sterke cementvoeg of door de muur aan de
	 achterzijde waterdicht te maken.
-	 Vlak onder het maaiveld een folie aan te brengen zodat er geen vocht meer in de ondergrond
	 dringt. Folie wordt al vrij snel door allerlei oorzaken beschadigt en het middel wordt erger dan
	 de kwaal, onder andere bleek dit het geval bij een bastion van de Vesting Naarden.
Afbeelding 63
Afschuiven en
uitbuiken van een
kademuur in de
havenkom van
Sluis (Zl) door een
toenemende
gronddruk als
gevolg van
vrachtauto’s en
parkeren.
Ruïnes
Nederland kent in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland heel weinig ruïnes. Een wezenlijk
kenmerk van een ruïne is dat het een restant is van een gebouw in verval. Het gaat bij onderhoud
en herstel van ruïnes om het zoveel mogelijk af te remmen van verder verval zonder dat het
karakter van de ruïne verloren gaat. Er is dus een spanning tussen behoud, verder verval en
begroeiïng. Als het ergens geldt, dan geldt het bij ruïnes, blijf er zoveel mogelijk vanaf! Toch kan
het noodzakelijk zijn om ruïneus metselwerk te herstellen. Dit metselwerk bevat meestal heel veel
bouwsporen. Het is daarom verstandig om voorafgaand aan het herstel deze bouwsporen door
een bouwhistoricus te laten documenteren. Dit biedt tevens een goede basis voor het herstel.
Enkele aanwijzingen:
-	 Zorg dat de stabiliteit van brokken opgaand muurwerk gewaarborgd blijft, zodat geen
	 gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.
-	 Bij het herstellen van afgebrokkelde muren en losliggende muurkronen steeds steen voor
	 steen opnemen en weer vastleggen met specie. Vol en zat in de specie leggen en nastrijken.
	 Navoegen is overbodig.
-	 Begroeiïng die geen overmatige schade veroorzaakt zoveel mogelijk handhaven. Bomen die
	 door overhangende takken schade aanrichten zo beperkt mogelijk snoeien. Bomen waarvan
	 het wortelgestel de fundering omhoog drukt, alleen in overleg weghalen. Hiervoor is een
	 omgevingsvergunning vereist.
-	 Boompjes die in het muurwerk groeien en deze door hun wortelgestel ontwrichten stelsel-
	 matig verwijderen.
52
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Laat beschadigde muurvlakken zoveel mogelijk intact. Aanhelen alleen daar waar de stabiliteit
	 wordt bedreigt of brokken weg dreigen te vallen.
-	 Kleine horizontale vlakken iets afwaterend aanwerken met specie.
-	 Grotere horizontale vlakken afdekken door 2 lagen plaggen met de wortels naar boven. Deze
	 dekken goed af, groeien enigszins aan elkaar vast en verhinderen een overmatig indringen
	 van vocht.
-	 Raadpleeg deskundigen van Milieu en Faunabeheer en Staatsbosbeheer en ontwikkel samen
	 een verantwoord onderhoudsplan.
Molenrompen
Door de wijze van bouwen van een ronde conische molenromp, liggen de stenen naar binnen
toe koud tegen elkaar zonder voldoende specie in de stootvoegen.
Het metselwerk zit dus van buiten naar binnen vol met “gaten en gangetjes” die gemakkelijk
doorslaand regenwater geleiden. Het meest voorkomende probleem is dan ook vochtdoorslag.
Niet voor niets werden veel conische molenrompen geheel of op de regenzijde gepleisterd om
vochtdoorslagzoveelmogelijktegentegaan.Eenandergrootprobleemdathiermeesamenhangt
is schilvorming door ondeskundige restauratie zoals inboeten met te harde steen, voegen met
cement en waterwerend behandelen, en thermische belasting op de zuidzijde van de molen, zie
verder paragraaf 0.8.
Een drietal kwetsbare plaatsen waar snel problemen met het metselwerk optreden zijn:
1.	Ter hoogte van de balklagen door dunner metselwerk. Hier ontstaan ook gemakkelijk
	 horizontale scheuren door trillingen van het gaande werk die hier door de balken op het
	 metselwerk worden overgebracht.
2.	De oplegging van de stellingliggers, deze liggen op afschot naar de molenromp. Als de
	 afdichting defect is loopt hier het water de stenen romp binnen.
3.	De plaats waar de stellingsteunen in of aan de molenromp zijn bevestigd.
Een ander veel voorkomend probleem is scheurvorming in de romp door trillingen die
overgebrachtwordendoordeindemurenopgelegdebalken.Watookgemakkelijktotproblemen
leidt is een nieuwe stijve betonnen fundering in combinatie met in kalk gemetseld muurwerk,
zoals in Gouda met de molen de Rode Leeuw is gebeurd.
In het recente verleden zijn veel materialen en technieken onjuist of onnodig toegepast. In veel
gevallen bestreed men de symptomen en werd de oorzaak niet weggenomen, onder andere
door verkeerde pleistersystemen, onjuiste afwerking met verf, hydrofobering, etc.
Afbeelding 64
Afdekking door
begroeiïng
van de ruïne
van de kerk te
Ammerzoden (Gld).
53
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Als algemene gedragslijn geldt:
-	 Eerst op een rij zetten van de oorzaken van schilvorming, scheurvorming en doorslag. Dat
	 vergt in veel gevallen zorgvuldig onderzoek door ter zake deskundigen.
-	 Dan goed op elkaar afgestemde maatregelen ten uitvoer brengen om de oorzaken weg te
	 nemen. In heel veel gevallen kan door bouwkundige maatregelen zoals zorgvuldig uitvoeren
	 van onderhoud aan metselwerk, voegwerk, aangepaste detaillering, verbetering ventilatie
	 etc., voorkomen worden dat naar middeltjes als hydrofobering gegrepen wordt. Inmiddels is
	 bekend dat deze voor verergering van de kwaal zorgen en tot zeer aanzienlijke schade leiden.
-	 Streven naar een permanente ventilatie, ook als de molen niet draait. Dit houdt in dat ramen
	 en deuren op de stelling worden voorzien van een kierstand.
0.8 Veel voorkomende problemen en oplossingen
Schilvorming bij massief metselwerk
Zoals gezegd ontstaat schilvorming door spanningen in het metselwerk. De buitenste schil
metselwerk van een halve steen dikte raakt los van het achterliggende werk. In extreme gevallen
vallen plakken metselwerk weg. Behalve thermische belasting, zie paragraaf 0.4, kan dit ook
andere oorzaken hebben:
-	 Gebruikte steen, gebakken van fijne goed gemengde klei (hardgrauw) met een zeer dichte
	 poriënstructuur.
-	 Toegepaste specie is een kalktrasmortel, eveneens met een zeer dicht poriënstructuur.
-	 Schilvorming treedt het eerst op naast bogen waar al een zekere spanning in het metselwerk
	 aanwezig is.
Veel water wordt in de steenmassa vastgehouden als gevolg van de dichte poriënstructuur. Van
buitenaf kan nu nog water in de muur komen door:
-	 Regenwater dat op de muur valt of bij forten door de gronddekking heen sijpelt.
-	 Verstopte drinkwaterkanalen waardoor regenwater niet meer in reinwaterkelders terechtkomt.
-	 Regenwater dat van het terrein of van grond achter een grondkerende muur opgezogen
	 wordt.
-	 Grondwater als het metselwerk met de voet hierin staat.
Door verzadiging van het metselwerk zoekt het opgehoopte water een uitweg.
1.	Aan de achterzijde van de muur is dit nagenoeg onmogelijk.
2.	Aan de voorzijde door verdamping of afdruipen
Afbeelding 65
Bij een goede
molenromp is
afwaterend naar
buiten gemetseld,
zoals bij deze
molen in Hoek bij
Terneuzen (Zl).
54
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
3.	In de muur uitzakken naar lagere delen. Dit wordt bemoeilijkt door: hoge grondwaterstand,
	 grachtwater of diep in de muur grijpende natuursteenlijsten of blokken.
Uiteindelijkhoopthetwaterzichop,bevriestenzorgtvoorverhoogdespanninginhetmetselwerk.
Bij aanhoudende vorst worden de holtes gevuld met ijs.
Opeenhoping van vocht kan worden voorkomen door aangepaste poreuze leg- en voegmortel
en de juiste kwaliteit steen voor het herstel. Verder is aanbrengen van open stootvoegen en een
drainage in veel gevallen zinvol.
Vorstschade in de baksteen
Behalve vorstschade door schilvorming kan dit ook worden veroorzaakt door drukopbouw in de
steen als gevolg van inwendige ijsvorming door een overmaat aan vocht. Schade door ijsvorming
hangt af van de poriënstructuur, sterkte van de steen en het watergehalte. Strengperssteen en
verblendsteen zijn bekend om hun vorstgevoeligheid.
Het volume van water neemt bij bevriezing circa 9% toe. In oude steen met veel grote poriën
kruipen ijskristallen daarin en er gebeurt niets. Het maakt niet uit of het streng of matig vriest,
de vernielende kracht is gelijk. Vooral kwakkelweer met veel regen overdag en ’s nachts vorst is
funest.
Vorstschade is herkenbaar aan het afstoten van scherfjes, platte stukjes evenwijdig aan het
zichtvlak van de steen, met een diepte van enkele milimeters tot een centimeter. De eerste
symptomen zijn kleine scheurtjes. Door het bekloppen met een hamertje vallen de scherfjes eraf.
Het meest gevoelig is de regenkant van een gebouw, dus de west-, zuidwest- en zuidgevel.
Vochtregulerende systemen
Knapensifons
Syfons zijn gebaseerd op een patent van A. Knapen uit 1909. Feitelijk betreft het boorgaten die
verdamping van water zouden kunnen bevorderen en optrekkend vocht tegengaan. Vandaar dat
deze sifons veel in plinten van gebouwen zijn aangebracht. De boorgaten worden gemaskeerd
Afbeelding 66
Door een
combinatie van
bevriezend vocht
achter de voegen
en thermische
spanning knapt
een schil
metselwerk los.
Deze buikt steeds
verder uit en valt
uiteindelijk weg.
buikt uit
dichte voeg
er wordt een
grote spanning
opgebouwd
spanning
ontlaadt
zich door
lostrekken/
losknappen
van een schil
van het
metselwerk
vocht hoopt zich op achter de voeg
55
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
door speciaal gevormde aardewerk pijpjes, afgeschermd door een aardewerk roostertje. Het
effect is nooit bewezen. De sifons zijn eerder schadelijk door verlaging van de temperatuur in de
muur met het risico van condensatie en verhoogde kans op zoutafzetting. Het is een vorm van
symptoombestrijding, omdat de oorzaak niet wordt weggenomen. Bij restauraties worden deze
sifons verwijderd.
Systeem Schrijver
Ook dit systeem beoogt vocht aan metselwerk te onttrekken. Het is in 1985 door H.B.A. Schrijver
uit Heteren (Gld) ontwikkeld. Het is een steen met een holte van het formaat van een “kop”. Een
uitstekend deel dat in de holte is geplaatst, vangt de wind die door de holte strijkt en vocht
wegzuigt. De nadelen zijn identiek aan Knapensifons.
Osmose
Hierbij worden positief geladen deeltjes ingebracht door een zwakstroomsysteem, waarmee de
negatief geladen deeltjes als het ware naar beneden worden geduwd.
Osmose ontmoet in Nederland veel argwaan. Inmiddels zijn er bruikbare systemen ontwikkeld,
waarmee ook in ons land proeven worden uitgevoerd, onder andere in Blokker (N-H).
Scheurvorming
In oud metselwerk treden soms zulke zware scheuren op die geen gevolg zijn van een
funderingsgebrek dat de samenhang van het metselwerk verloren gaat. Denk maar aan
dilatatiescheuren boven vensters die doorlopen tot in de muurkroon. Onder bepaalde
voorwaarden kan het dan zinvol zijn om de samenhang te herstellen door een wapening met
roestvaststalen spiraalankers in de lintvoegen. Spiraalankers zijn leverbaar in doorsneden van 6
mm, 8 mm en 10 mm en hierdoor ook goed te passen in dunne lintvoegen. De spiraalvorm zorgt
voor een grote hechting. Deze wijze van verankeren beperkt de trekspanning in het metselwerk
langs de scheur aanzienlijk en verdeeld deze over een groter oppervlak. Nieuwe scheurvorming
wordt hiermee voorkomen of in ieder geval sterk beperkt. Enkele aandachtspunten bij het
aanbrengen:
-	 De spiraalankers voldoende diep in de lintvoegen van het metselwerk aanbrengen met de
	 voorgeschreven verlijming, minstens 50 mm.
-	 De verankering alleen aan laten brengen door een gekwalificeerd bedrijf, dat tevens de lint-
	 voeg weer hersteld in dezelfde samenstelling, kleur en type als het omliggende voegwerk.
-	 Bij metselwerk dat zwaarder is dan anderhalf steens moet de verankering zowel aan de
	 buiten- als de binnenzijde worden aangebracht om a-symmetrische trekspanning te voor-
	 komen.
Afbeelding 67
Bij scheurvorming
kan het onder
een aantal
voorwaarden
zinvol zijn om in
het metselwerk
een roestvaststalen
wapening aan
te brengen
om de trek- en
afschuifkrachten
binnen de perken
te houden.
56
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Zouten
Zouten in metselwerk kunnen grote problemen opleveren. Afhankelijk van de schade zijn diverse
methoden ontwikkeld om zouten te bestrijden:
1.	Symptoombestrijding, dampopen oppervlak, regelmatig wegborstelen en opvangen van de
	 zouten. Zout is hygroscopisch en trekt vocht aan.
2.	Stopzetten of beperken van vochttransporten door diverse maatregelen. Aantasting door
	 zouten kan alleen plaatsvinden als er sprake is van vochttransporten.
3.	Omvormen van schadelijke zouten in onoplosbare zouten. In de praktijk nagenoeg onbruik-
	 baar. Theoretisch is dit mogelijk bij sulfaten.
4.	Opsluiten van zouten. Dit is onder andere toegepast na de Watersnoodramp van 1953 in
	 Zuid-West Nederland, door eerst de binnenzijde van muren te voorzien van een bitumineuze
	 laag en daarop het pleisterwerk aan te brengen.
5.	Zouten de vrije doorgang geven. Ga niet in tegen de krachten van de natuur. Zorg dat het
	 naar buiten komt. Dit ligt eigenlijk in het verlengde van 1.
6.	Verwijderen van zouten door het ontzouten door middel van kompressen of het verwijderen
	 door het opwekken van elektrische spanning in het metselwerk. Dit laatste ontmoet in
	 Nederland de nodige scepsis.
Gevelreiniging
Algemeen
De meest belangrijke en maar weinig gestelde vraag bij gevelreiniging is, moet wel echt worden
gereinigd? In de meeste gevallen is het namelijk niet nodig. Waarom moet een oud gebouw er
als nieuw uitzien? Het effect van één dag op een verkeerde manier een gevel reinigen is erger
dan honderd jaar weer, wind en regen. Vaak is het een esthetische kwestie, de nieuwe eigenaar
wil iets nieuws. Voor en na de restauratie of onderhoudsbeurt moet uit de foto’s blijken. Voor het
reinigen is overigens altijd een vergunning ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988 of een
gemeentelijke monumentenverordening vereist!
Wees er op bedacht dat veel bedrijven de voor hen meest gemakkelijke methode uitkiezen
met de apparatuur waarover zij beschikken. Bepaal daarom eerst de methode die het best bij
de reiniging past die men voor ogen staat en zoek dan bedrijven die volgens deze methode
werken.
Als er wordt overgegaan tot reiniging stel dan de volgende vragen en formuleer een antwoord.
Dit vergemakkelijkt de keuze voor een bepaalde methode:
-	 Hoe schoon moet het oppervlak worden? Alleen schoonmaken zodat het patina blijft en het
	 loszittend vuil wordt verwijderd, of reinigen zodat ook het patina verdwenen is?
-	 Gaat het alleen om het ontstoren door het verwijderen van vlekken of om ingeboete steen en
	 sterk vervuild bestaand metselwerk naar elkaar toe te brengen?
-	 Wat is de aard van de vervuiling? Is het patina dat op natuurlijke wijze is ontstaan of is het vuil
	 dat door industrie en verkeer is ontstaan?
-	 Welk product lost de vervuiling voldoende op? Dit kan ook alleen water of stoom zijn.
-	 Wat zijn de kenmerken en het karakter van de gevel? Bijvoorbeeld de hardheid van de steen,
	 het type voeg en de samenstelling ervan. Een gesneden voeg is bijvoorbeeld veel kwetsbaar-
	 der dan een platvolle voeg.
-	 Hoe is de muur geconstrueerd? Is het een massieve muur of een spouwmuur? Denk daarbij
	 aan het roesten van blinde verankeringen van balklagen, muurplaten en gordingen door de
	 soms grote vochttoename in het metselwerk.
-	 Bescherming van de omgeving, gezondheid en veiligheid. Behoudens water zonder druk en
	 stoom zonder toevoegingen, moeten voor alle andere methoden en vergunning aange-
	 vraagd worden. Al het afkomende water moet opgevangen worden.
57
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Enkele aanwijzingen:
-	 Zorg dat de gevels waterdicht zijn en dat voeg- en metselwerk is gerepareerd.
-	 Zorg voor zo weinig mogelijk watergebruik in verband met het indringen van water bij de
	 aansluitingen en het activeren van zouten in de muren, vorstschade door overmaat aan water
	 en roestende verankeringen.
-	 Gebruik altijd kunststof en/of non-ferro gereedschappen en borstels.
-	 Scherm alle deur/vensteropeningen, gootlijsten en houtwerk zorgvuldig af.
-	 Zorg dat metselwerk ruim voldoende kan drogen, minimaal 3 weken voordat nachtvorst kan
	 optreden, dus tot uiterlijk eind oktober.
-	 Zet altijd een proefstuk op een onopvallende plaats, dat tijdens de uitvoering gehandhaafd
	 blijft. Dit proefstuk nauwkeurig beoordelen en opletten dat de methode voor het gehele werk
	 zo wordt toegepast.
Afbeelding 68
Opsluiten van
zouten door
bitumineuze
afdeklaag.
Uiteindelijk komt
deze met het
pleisterwerk
van de muur.
Reinigingsprincipes
We onderscheidden twee principes voor reiniging van de ondergrond:
1.	De vervuiling wordt van de ondergrond losgemaakt en afgevoerd. Onder bepaalde voor-
	 waarden kan dit met een vergunning worden toegestaan.
2.	Een dun oppervlaktelaagje van de ondergrond waaraan de vervuiling is gehecht, wordt
	 losgemaakt en afgevoerd. Voor dit principe wordt geen vergunning gegeven, een zeer hoge
	 uitzondering daargelaten.
Reinigingsmethoden
Er zijn globaal drie wijzen van reiniging te onderscheiden:
1.	Met water of stoom.
2.	Met chemische middelen (chemisch).
3.	Met mechanisch middelen (fysisch).
Ook is een combinatie van methoden is mogelijk, bijvoorbeeld bij het verwijderen van graffiti.
Afbeelding 69
Het desastreuze
verschil tussen
het bestaande
voegwerk links en
het zonder enige
noodzaak reinigen
en opnieuw
voegen rechts.
58
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
1. Reinigen met water of stoom
Wordt niet veel toegepast maar levert in veel gevallen een goed resultaat op.
Handschrobben:	
Bij plaatselijke vervuiling gaat dit gemakkelijk en is in veel gevallen voldoende. Hiervoor kokos- of
nylonborstels gebruiken, geen staalborstels omdat deze roestsporen nalaten! Bij zeer hardnekkige
vervuiling kan gebruik gemaakt worden van Complexonpasta’s, zie Reiniging met chemische
middelen.
Sproeien:
Sproeien met zuiver leidingwater via sproeikoppen zonder druk met een intervalschakelaar.
Check wel de Ph-graad van het water. Geen ijzerhoudend water gebruiken! Gipskorsten lossen
alleen op in steenkoud water. Gips is namelijk slecht oplosbaar in warm water.
Stomen:
Het wordt gelukkig steeds meer toegepast, is effectief en heeft de voorkeur boven andere
reinigingsmethoden. Door de temperatuurschok gaat veel vuil eraf. Reinigen met verzadigde
stoom - temperatuur van 105 °C - Door gebruik van stoom onder toevoeging van een non-iogene
zeep (oppervlakte-aktieve stof) verbetert de reiniging bij hardnekkige vervuiling. Stoom kan ook
gebruikt worden bij het afspoelen van complexonpasta’s
Onder druk:
Met water kan inmiddels een zeer hoge druk - zelfs méér dan 150 bar - worden opgebouwd,
die hetzelfde effect heeft als gritstralen. Voor het uitvoerend bedrijf is 10 tot 15 bar laag, voor
de monumentenzorger nog onaanvaardbaar hoog. Lage druk betekent maximaal 2-5 bar.
Beschadiging is aan de voegen snel en het eerst zichtbaar!
Door een overmaat aan water dat onder druk de muur wordt ingedreven, kan in balkkoppen en
betimmeringen aan de binnenzijde een explosieve zwamgroei optreden!
N.B. Als men aanbiedt de matige voegen eruit te spuiten bij het reinigen, heeft dit altijd beschadiging en
aantasting van de baksteen tot gevolg. Dus nooit toestaan!
2. Reinigen met chemische middelen
Meestal is dit het reinigen met water onder druk in combinatie met bepaalde chemicaliën.
Gevelreinigen met zure middelen lost de kalkvoeg op, met alkalische middelen kan het leiden tot
de vorming van ongewenste zouten in de steen.
Gevelreinigen met een zuur product en daarna neutraliseren met een loog (volgens de theorie
heft een base het zuur op) lukt door de steeds wisselende omstandigheden in de praktijk nooit.
Neutraliseren levert dus altijd zouten op! Wees daarom zeer beducht voor nadelige effecten ook
op langere termijn van het reinigen met chemische middelen.
Afbeelding 70
Vervuild
metselwerk met
oververzadigde
stoom
terughoudend
gereinigd.
Dit blijkt
voldoende. Het
losse vuil is er af
en de voeg is niet
beschadigd.
59
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Complexonpasta’s:
Dit zijn ingewikkelde chemische verbindingen op neutrale of alkalische basis, verwerkt in een
pasta. Zowel geschikt voor plaatselijke vervuiling als grotere oppervlakken. Het is verkrijgbaar in
verschillende samenstellingen die afgestemd zijn op de aard van de vervuiling. Na het opbrengen
en afdekken met folie, twee dagen intrekken en dan wordt het met het erin opgeloste vuil van
de gevel gespoeld.
3. Reinigen met mechanische middelen
Voor het reinigen met mechanische middelen zijn zeer veel methoden ontwikkeld, van zeer grof
(gritstralen) tot zeer verfijnd (gummen). Door de steeds hoger wordende milieu-eisen zijn diverse
natstraal-methoden ontwikkeld met een opvanggoot voor het opvangen en filteren van het
afkomende water en het scheiden van de schadelijke stoffen. Hieronder enkele methoden van
grof naar fijn:
Gritstralen:
Hierbij worden harde korrels in lucht en/of water tegen de gevel geslagen. Voor de korrels wordt
meestal gemalen hoogovenslak gebruikt. Een gevel mag nooit gestraald worden omdat de inslag
van de korrels:
-	 Beschadiging van details en profilering (natuursteen) veroorzaakt.
-	 Verwijdering van bakhuid en verdicht voegoppervlak tot gevolg heeft.
-	 Zware beschadiging van voegwerk veroorzaakt.
-	 Verruwing en putten veroorzaakt. Dit betekent een vergroting van het oppervlak en daarna
	 versnelde vervuiling.
-	 Beschadiging van aansluitende bouwdelen en het houtwerk van kozijnen onstaat.
Het bijmengen van water verzacht het effect enigszins, maar de schade blijft duidelijk zichtbaar.
Afbeelding 71
Door gritstalen
vernietigd
metselwerk
van een fort in
Hellevoetsluis (Z-H).
De bakhuid is
verdwenen en door
de verruwing wordt
het metselwerk
sneller vuil.
Micro-nevelstraalapparatuur:
Hierbij wordt zeer weinig water gebruikt, circa 5-10 liter per uur. Het levert bijna droog afval op.
Als straalmiddel wordt een Noors mineraal (olivine) gebruikt dat niet schadelijk is voor het milieu,
omdat het geen vrije silica bevat en dus geen probleem geeft met betrekking tot de eisen die
gesteld worden in het Arbeidsomstandighedenbesluit..
Lage-druk vochtstraalsysteem:
Dit werkt in tegenstelling tot conventionele systemen met een lage variabele druk van 1 bar.
Straalmiddelen worden met water verspoten in een verhouding van 80% water en 20% materiaal.
De waterfilm voorkomt stofvorming. Voor monumenten worden zeer fijne middelen met
korrelgroottes van 0,04 tot 0,2 mm toegepast, onder andere olivine, calcium-carbonaat, micro-
basalt.
60
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
“Gummen”:
Dit is een reinigingsmethode met poederachtig materiaal. Dit wervelt dan wel veegt langs de
vervuildegevel.Hetinslag-effectisnihilwaardoorzeerbeperktenigeverruwingvanhetoppervlak
ontstaat, die in bepaalde situaties acceptabel is. Het vuil wordt als het ware weggegumd. Het
systeem, afkomstig uit Frankrijk, wordt in Nederland regelmatig toegepast voor zeer kwetsbare
ondergronden met hardnekkige vervuiling.
Speciale reinigingstechnieken
-	 Laserblast is een reinigingsmethode met behulp van laserstralen. De energie van het laserlicht
	 wordt geabsorbeerd door het vuil, dat wordt verhit en vervolgens verdampt, geholpen door
	 de optredende mini-schokgolf. Het voordeel is dat er nauwelijks afval is, geen milieu-
	 schadelijke stoffen worden gebruikt en geen verruwing van het oppervlak ontstaat. Zeer
	 geschikt voor lichte (kalk)stenen beelden. Alleen toe te passen bij kleine oppervlaktes in zeer
	 speciale situaties. Bij de grootschalige toepassing bij het reinigen van de zandsteen gevels
	 van stadhuis in Rotterdam was de ervaring negatief. Naderhand trad hierbij verkleuring van
	 de zandsteen op.
-	 Het reinigen door middel van ijskorrels bestaande uit vast koolzuurgas. Door de sterke
	 afkoeling van het baksteenoppervlak gevoegd bij de enorme uitzetting van het koolzuur van
	 een vaste vorm naar gas, ontstaat een reinigende werking. De korrels werken als een straal-
	 middel! Het kan ook zeer goed gebruikt worden om verf en teer te verwijderen. Dit wordt
	 bros en laat zich dan vrij gemakkelijk verwijderen.
Hydrofobering
Algemeen
Het voorkomen dat gevels nat worden en doorslaan, heet hydrofoberen ofwel waterwerend
maken. Omdat baksteen poriën bevat, is het oppervlak waterminnend (hydrofiel), het zuigt water
op en laat damp door. Een hoog vochtgehalte van de steen in combinatie met vocht-transporten
zorgt voor allerlei schadelijk neveneffecten, zoutuitbloei, vorstschade, mosgroei.
Afbeelding 72
Duidelijk is te zien
hoeveel invloed
een waterwerend
middel heeft op
het verdampen,
zelfs bij een bijen-
was.
61
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Het opnemen van vocht kan worden tegengegaan door een goede detaillering zoals waterlijsten,
overstekende randen etc. maar in bepaalde gevallen ook door het behandelen van de poriën met
een waterwerend middel. De poriën worden dan waterwerend gemaakt, damp kan echter wel
passeren.
Hydrofoberenheeftindemonumentenwereldeentwijfelachtigereputatie,nietalleenveroorzaakt
door een onjuiste analyse van gebreken, oorzaak en gevolg, maar ook door overschatting van de
mogelijkheden van diverse waterwerende middelen.
Hydrofoberen is een preventieve maatregel. Het voorkomt indringing van vloeibaar vocht. Het
is dus geen redmiddel tegen:
-	 Bouwkundige gebreken en verkeerde detailleringen, zoals indringen van vocht door rollagen,
	 geen afschot, geen waterhol of overstekende lijsten.
-	 Doorgaande kieren en naden! Op een gehydrofobeerde gevel vormt zich al heel snel een
	 gesloten waterfilm. Deze dringt onder invloed van winddruk snel scheuren, naden en kieren
	 binnen. Veel sneller dan bij een niet gehydrofobeerde gevel, waar eerst alle stenen vocht
	 opnemen. Ook treedt een veel hogere vochtbelasting op rond de houten kozijnen!
- 	Scheuren groter dan 0,3 mm. Deze kunnen door de toegepaste middelen niet worden over-
	 brugd. Dus ook geen krimpscheuren in een gesinterde kop!
- 	Zwakke voegen die gaterig zijn en krimp vertonen. Vaak vallen gaten bij de aansluiting van
	 stootvoegen op de lintvoegen. Bij krimpnaad op scheidingsvlak steen met voeg vaak alg- en
	 mosvorming.
- 	Te veel zout in de steen, met name natriumsulfaat is berucht. Veel 19e eeuwse baksteen is
	 gebakken met zwavelhoudende brandstoffen, waardoor de steen van nature al een forse
	 zoutbelasting heeft. Door kristallisatie in de steen gaat de steen kapot.
Noodzaak
In negen van de tien gevallen kan waterdoorslag door het treffen van bouwkundige maatregelen
worden voorkomen. Waterwerend behandelen is dan helemaal niet nodig. Slechts in zeer
uitzonderlijke gevallen blijkt het nodig te zijn en dan alleen na een zorgvuldige toetsing en
afweging. Stel daarom de volgende vragen:
-	 Zijn er wel echt problemen, zoals vochtdoorslag, schadelijke vuilaanhechting etc?
-	 Zijn deze problemen door bouwkundige maatregelen zoals aanpassing van de detaillering,
	 herstel van het voegwerk etc, te voorkomen?
	
Afbeelding 73
Door het
aanpassen van
de detaillering en
het aanbrengen
van lood, dus een
bouwkundige
maatregel, kon
overmatige
mosgroei en
vervuiling worden
tegengegaan en
hydrofobering
worden
voorkomen.
62
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Speciaal bij het waterwerend behandelen van oudere gebouwen worden al gauw enkele gevaren
over het hoofd gezien, zoals:
-	 Zeer verschillende en vaak kwetsbare materialen, onder andere banden en lijsten van mergel
	 en kalksteen.
-	 Grote verschillen in hardheid van de baksteen onder andere gesinterde koppen met
	 krimpscheurtjes en nauwelijks goed doorbakken steen in één gevel.
-	 Grote kans op aanwezigheid van (zee)zouten.
-	 Meer kans op zakvocht dat achter de waterwerende laag blijft hangen, waardoor de muur
	 steeds natter wordt in plaats van steeds droger.
-	 Andere wijzen van bouwen, onder andere massief metselwerk, ontbreken van stootvoegen
	 (maar wel holtes!) zoals molenrompen
Te stellen eisen
De ondergrond moet in ieder geval aan de volgende eisen voldoen:
-	 Deze moet gaaf zijn, geen grote verschillen in hardheid van de steen.
-	 Voegen met voldoende samenhang, niet verzand, geen krimp (zwak voegwerk wordt
	 namelijk na hydrofoberen sneller aangetast)
-	 Gesloten geveloppervlak, dus geen naden tussen kozijn en metselwerk, of naaldvoegen die
	 nooit 100% dicht zijn of te krijgen zijn.
-	 Geen zouten onder andere natriumsulfaat. Dit moet altijd gecontroleerd worden door middel
	 van een onderzoek.
-	 Voldoende opnamevermogen. Bij oud-metselwerk is het oppervlak van de voeg en de
	 bakhuid van de steen te dicht door het patina en/of de vervuiling.
Het middel moet in ieder geval aan de volgende eisen voldoen:
-	 Middel dient aangepast te zijn aan de poriënstructuur, met een indringdiepte voor vorm-
	 baksteen 5-8 mm, strengperssteen 4-5 mm en van verblendsteen 2-3 mm.
-	 Vermindering van de vochtabsorptie met minimaal 70%.
-	 Waterdampdoorlaatbaarheid mag niet meer dan 20% verminderen.
Behandeling met silikonenpreparaten geeft tot op heden de beste resultaten, waterwering
minstens 10 jaar. Deze loopt echter terug onder invloed van U.V.straling tot circa 1 mm onder het
oppervlak. Waterdoorslag treedt niet op, wel weer vervuiling van het oppervlak.
Acrylaten zijn filmvormend. Door verwering van de film ontstaan scheurtjes, waardoor weer snel
vervuiling optreedt. Ook kan algengroei tussen steen en film optreden. Voor de waterwering
wordt 8 tot 10 jaar aangehouden. Hoewel jarenlang gepropageerd voor horizontale afdekkingen,
bladdert het na enkele jaren af. Om die reden wordt het sterk afgeraden.
Enkele bijzonderheden
-	 Door de gatenstructuur heeft het geen enkele zin de in monumenten veel verwerkte Römer
	 en Ettringer tuf te hydrofoberen.
-	 Bij reparatie of vervanging van voegwerk in een al gehydrofobeerde gevel wordt de gevel ter
	 plaatse van het nieuwe voegwerk lek! Dit houdt dus opnieuw hydrofoberen in.
-	 Uit onderzoek blijkt dat het aanbrengen van voegen in een reeds gehydrofobeerde gevel -
	 mits goed uitgevoerd - mogelijk is.
-	 Van het voor de tweede keer hydrofoberen zijn geen nadelen bekend. Het aanvullen van de
	 waterwerende eigenschappen betreft alleen buitenste laag (afbraak door U.V.straling). In de
	 steen blijft de waterwering gehandhaafd.
Begroeiing
Begroeiing van gevels door klimop en bruidssluier is onmiskenbaar schilderachtig. Over het feit of
deze schade veroorzaken zijn de meningen verdeeld. Enerzijds geven ze een stuk bescherming,
63
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
anderzijdskanweldegelijkschadeaanhetvoegwerkwordenaangericht,zieverderondermoduul
4.5 Bomen en begroeiing. De feiten moeten het uitwijzen.
Vocht zorgt voor de groei van algen en mossen. Met name mossen zijn als het ware de“verklikker”
van een overmaat aan vocht. Mossen zijn wel schadelijk. De wortels ervan scheiden zuren af om
voedingsstoffen op te nemen. Deze zuren tasten het bindmiddel kalk in de mortel aan. Kijk altijd
bij inspecties naar mogelijkheden om overmatige mosgroei tegen te gaan. Algen en korstmossen
komen vooral op zeer oude muren voor en zijn doorgaans niet schadelijk. Op plaatsen waar algen
voorkomen, treedt in symbiose met schimmels de vorming van korstmossen op. Deze behoeven
niet verwijderd te worden.
Graffiti
Inmiddels een zeer hinderlijk verschijnsel waarbij hiervoor niet bedoeld metselwerk wordt beklad
en beschilderd. Meestal gebeurt dit met (gestolen) spuitbussen. Niet zozeer het bekladden maar
het verhinderen of wegnemen van de graffiti zorgt voor de schade. Inmiddels worden jaarlijks
tientallen miljoenen euro’s besteed aan de verwijdering van graffiti. Om een afgewogen keus te
maken bij het verwijderen van graffiti en het aanbrengen van een anti-graffitimiddel heeft de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in de brochure hierover een goed bruikbaar stroomschema
opgenomen, zie par. 0.9 Literatuur.
Afbeelding 74
Maatregelen tegen
graffiti, waarbij
na het veelvuldig
schoonspuiten de
voegen met grijze
cement gevoegd
zijn en het
metselwerk met
glimmende
anti-graffiti is
behandeld.
Afbeelding 75
Niet alle
begroeiing hoeft
schadelijk te zijn.
Bij het verwijderen
van de begroeiing
kwam gaaf
voegwerk
tevoorschijn bij
het bouwhuis van
Kasteel Biljoen in
Veld (Gld).
Verwijdering van graffiti
De spuitbussenverf is meestal zeer dun-vloeibaar en dringt gemakkelijk en diep door in de
poriënstructuur van baksteen, impregneert deze al het ware. Grijp zo snel mogelijk in, wacht
niet tot de verf doorgehard is. Bedek de plaats met een afbijtmiddel op basis van organische
oplosmiddelen, in geen geval middelen op basis van logen of zuren. Deze tasten door het vormen
van zouten de steen na korte of langere tijd aan. Dek het afbijtmiddel af met folie en laat deze
meerdere uren inwerken; neem daarna folie met de restenafbijtmiddel weg; afstomen onder lage
druk. Het afbijtmiddel en het afvalwater verzamelen en als chemisch afval afvoeren.
64
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Afdrukken van de graffiti blijven meestal toch vaag zichtbaar. Reinig een wat groter oppervlak en
zoek hiervoor een logische beëindiging. Met sterk verdunde waterige oplossing van Oostindische
inkt kan de lichter geworden ondergrond wat verdoezeld worden.
Voorkomen van graffiti
Soms kan dit door het planten van stekelig struikgewas, aanbrengen van extra verlichting
etc. In andere gevallen ontkomt men er niet aan een preparaat aan te brengen waardoor het
metselwerk gemakkelijk schoon te maken is. Maar let op! Niet geschikt zijn de middelen die de
poriën afdichten, de vochthuishouding verstoren en hierdoor de kans op vorstschade vergroten.
Meestal glimmen deze middelen hinderlijk en slaan op den duur wit uit.
Sinds enkele jaren worden met succes systemen ingezet op basis van polymere zetmeel-
derivaten. Deze glimmen niet, verstoren nauwelijks de vochthuishouding en voldoen aan de
hoogste milieueisen. Graffiti hecht er niet op. Omdat het een zelfopofferend systeem is, moet wel
na afspoelen weer een nieuw systeem worden aangebracht. De verfresten moeten als chemisch
afval worden afgevoerd.
Sinds kort is ook een middel als “goed” getest op basis van natuurlijke wassen, die beperkte
veranderingen van het drooggedrag geeft en prima werkt. Voor reinigingstechnieken zie verder
onder“reiniging van gevels”.
Afbeelding 76
In het metselwerk
doorgeroet
schoorsteenkanaal
van een Fries
landarbeiders-
huisje. Opnieuw
voegen heeft geen
zin, want het hecht
niet. Handhaven
als“gebruiksspoor”
of al het
metselwerk geheel
verwijderen en met
niet beroete steen
herstellen.
Doorslaan van metselwerk
Regendoorslag van gevels kenmerkt zich door vrij willekeurige vlekken aan de binnenzijde. Met
name steensmuren kunnen hieronder lijden. Uit onderzoek blijkt dat water zich verplaatst langs
het contactvlak tussen voeg en baksteen. De vochttransporten die regendoorslag veroorzaken
zijn meestal terug te voeren uit fouten in de hechting tussen voegmortel, metselmortel en
baksteen. Een andere oorzaak voor versnelde doorslag kan het feit zijn dat in het verleden niet
voldoende vol en zat gemetseld is. Dit geldt met name voor de stootvoegen. Bij vochtdoorslag
komen bijna altijd in de muur aanwezige zouten mee naar buiten. Regendoorslag komt
nauwelijks voor aan de noord- en oostzijde.
Als roetdoorslag optreedt bij metselwerk dan tekent dit zich af als een donkere baan in het
metselwerk. Door de vele condens die afkomstig is van gasgestookte ketels ontstaat deze
roetdoorslag of neemt sterk toe. Stenen ter plaatse van roetdoorslag zijn niet geschikt voor
hergebruik. Ook nieuw aangebracht voegwerk hecht niet op doorgeroet metselwerk. Enige
remedie is het geheel verwijderen van het doorgeroete metselwerk. Als geen verdere schade
aanwezig kan men overwegen het doorgeroete metselwerk te handhaven, zie afbeelding 76.
65
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Schilderen van gevels
Veel baksteengevels worden al sinds lang geschilderd. Enerzijds ter versterking van
architectonische effecten, anderzijds ook als waterwering. Bedenk wel dat damp-open relatief
is. Ook dampdoorlatende verf beperkt de uittreding van vocht of damp nog steeds sterker dan
gewenst is. Dampdichtheid wordt wel weergegeven als de moeite die een waterdampdeeltje
heeft om als het ware een eindje in de lucht te reizen. Waarden van 10 tot 20 cm worden als
damp-open beschouwd, in tegenstelling tot filmvormende verf met waarden van 100 tot 200
cm! De volgende verfsoorten zijn relatief damp-open:
Lijnolieverf
De structuur van verf en steen sporen goed met elkaar. De verf is reversibel en redelijk damp-open
door de vele barstjes die ontstaan . De gebruikte lijnolie is half om halfrauw /gekookt - voorzien
van aardkleurige pigmenten zoals dodekop. Dodekop donkert na, vandaar dat veel gevels in
Amsterdam bij volgende schilderbeurten steeds donkerder werden geschilderd tot aan zwart
toe. Lijnolieverf verzeept op vers (alkalisch) metsel- en voegwerk.
Siliconen-emulsieverf
Dit is beter houdbaar dan lijnolieverf ook op moeilijke ondergronden omdat het spanningsarm
is. Het heeft een groot dampdoorlatend vermogen met een goede waterafstotende werking.
Bekende merken zijn Funcosil LA van Remmers Bouwchemie en Amphisilan van Caparol.
Minerale verf
Het bindmiddel is waterglas met silicaten als pigment. De verf is niet reversibel en hecht voor
altijd. Vlekken kunnen niet verwijderd worden. Minerale verf, meestal bekend onder Keim, heeft
een hoge dampdoorlaatbaarheid en gaat een diepe chemische binding aan met de baksteen. De
verf vult niet of nauwelijks. De ondergrond moet schoon, droog en niet eerder geverfd zijn.
Afbeelding 77
Minerale verf is
niet filmvormend
en heeft hoge
dampdoorlaat-
baarheid. Struktuur
van baksteen blijft
zichtbaar.
Afbeelding 78
In Utrecht op de
Nieuwe Gracht
een met dodekop
geschilderde gevel
van baksteen.
66
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
0.9 Literatuur
Algen, mossen, korstmossen op monumenten, brochure Techniek nr 16, Rijksdienst voor de
		 Monumentenzorg, Zeist 1999.
Ashurst, John & Nicola, Practical Building Conservation, Volume 2 Brick, Terracotta & Earth, blz 1
		 t/m 66, Gower Techn. Press, Aldershot 1990.
Baksteenmetselwerk Scheuren en herstel, brochure Techniek nr 4, Rijksdienst voor Archeologie,
		 Cultuurlandschap en Monumenten, Zeist 2009.
Berends, G., Baksteen in Nederland in de Middeleeuwen, Restauratie Vademecum, R.V. blad 02
		 (1989).
Beenacker-Heeren, B., T Roelfsema, Huisjes van zand, Het gebruik van gekleurde kalkzandsteen in
		 Noord-Nederland van 1900 tot 1925, Groningen 2005.
Brans, Erik Jan en Sarah A.P. Nooren, Ruïnes in de praktijk van de Rijksgebouwendienst, Instand-
		 houding van metselwerk van ruïnes, Praktijkreeks Cultureel Erfgoed, Den Haag,
		 juni 2011, nr 39.
Bunnik, T., e.a., Graffiti, Het verwijderen van en beschermen tegen graffiti, WTA/RDMZ Zeist 2004.
Campbell, James W.P., Baksteen, geschiedenis, architectuur, technieken, Thoth, Bussum 2003.
Dzierson, M, J.Zull, Altbauten zerstörungsarm untersuchen, hoofdstuk 3 Mauerfeuchtigkeit und
		 Salze, blz 127 t/m 163. Verlag R. Müller, Köln 1990.
Groot, dr, ir Caspar, Jos Gunneweg, Rapport Kwaliteitseisen Restauratiebaksteen, Kwaliteitseisen
		 Metselmortels in Kalk, Delft 2007.
Groot, dr, ir Caspar, Jos Gunneweg, Bouwstenen voor de Richtlijn Restauratiebaksteen & Metsel-
		 mortels, Delft 2007.
Hees, R.P. van, S. Naldini, MDDS, Masonry Damage Diagnostic System, Praktijkboek Instand-
		 houding Monumenten, deel II-4 Buitenwanden 6, 2002.
Hees, R.P. van, e.a., Richtlijnen voor het ontzouten van poreuze ondergronden, Praktijkreeks
		 Cultureel Erfgoed, ’s Gravenhage, september 2010/32.
Hemert, M van, e.a., Restauratietechnieken, syllabus module 5 Metselwerk blz 5 t/m 230, NRC,
		 Amsterdam 2007.
Heusden, L. van, Handleiding tot de Burgerlijke Bouwkunde, 1833.
Hollestelle, J., De steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560, Van Gorcum Assen, 1965.
Hunen, Ir. M van, Reinigen van gevels, Gracieus verouderen, aflevering Praktijkboek Instand-
		 houding Monumenten, aflevering 1999.
Hunen, Ir. M van, (red), Historisch metselwerk, instandhouding, herstel en conservering, Zwolle
		 2012.
67
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Hydrofoberen, brochure Techniek nr 1, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en
		 Monumenten, Zeist 2007.
Janse, H., Benamingen van Nederlandse metselbaksteen, Restauratievademecum, R.V. blad 01
		 1989.
Kamphuis, J., e.a., Onderzoek restauraties vesting Naarden, Praktijkreeks Cultureel Erfgoed, afl. 12
		 september 2010 nr 30.
Kloes, J.A. van der, Onze Bouwmaterialen, deel II Kunststeen en deel III Mortels en beton,
		 Amsterdam, 3e druk 1923.
London, Mark, Masonry, How to Care voor Old en Historic Brick and Stone, Preservation Press,
		 Washington, 1986.
Meichsner, Heinz, Spiralanker für die Mauerwerkinstandsetzung, Berechnung und Konstruktion,
		 Fraunhofer IRB Verlag, Stuttgart, 2009.
Naldini, Silvia, e.a., Definitie van schade aan metselwerk, Praktijkboek Instandhouding Monu-
		 menten, deel II-4 Buitenwanden 19, Den Haag, 2006.
Naldini, Silvia, Schadeprocessen in metselwerk, Praktijkreeks Cultureel Erfgoed afl 2 maart 2008
		 nr 6, ’s Gravenhage.
Nash, W.G., Brickwork, Repair and Restoration, Attic Books, Powys, Second Edition.
Querido, J, en R Crévecoeur, Vochtproblemen bij stenen windmolens, R.D.M.Z. Zeist 1998.
Reinigen van gevels, Het, brochure Techniek nr 17, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist
		 1999.
Schulte, A.G. (red), diverse auteurs, Ruïnes in Nederland, Cultuurhistorische Studies, Waanders
		 Zwolle, RDMZ Zeist, 1997.
Staal, J.P., Metselwerk en daarop aangebrachte afwerklagen; bouwhistorische beschouwing,
		 Restauratievademecum, R.V. blad 01 (1986).
Stenvert, Ronald, Biografie van baksteen 1850 - 2000, Zwolle 2012.
Voegwerk, brochure Techniek nr 2, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monu-
		 menten, Zeist 2007.
Wattjes, J.G., Constructie van gebouwen, deel I Muren en aangebouwde schoorstenen, Uitgeverij
		 Kosmos, Amsterdam, 3e druk, 1942.
Wattjes, J.G., Constructie van gebouwen, deel II Uitvoeren en afwerken van muren, vrijstaande
		 aangebouwde schoorstenen, Uitgeverij Kosmos, Amsterdam, 3e druk, 1943.
Wielinga, R.J, en H.Th.D. Dijkstra en H. Janse, De waarde en het behoud van oorspronkelijk
		 voegwerk. Restauratie Vademecum, R.V. blad 01 (1990).
68
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
69
1.2.1.1 Inspectie
1.1 Methode en aanwijzingen
Algemeen
Maak eerst een algemene ronde om een indruk te krijgen van de onderhoudsstaat van metsel-
en voegwerk, onderhoudsgevoelige bouwdelen etc. Deze ronde biedt tevens gelegenheid voor
een oriëntatie op de architectuur, bouwtijd, inzicht in de toegepaste steensoorten, gebruikte
metselverbanden en typen voegwerk. Probeer verder inzicht te krijgen in de wijze waarop het
gebouw is en wordt gebruikt; wordt onderhouden en is gewijzigd; is sprake van bijzondere
condities; wordt het wel of niet verwarmd
Neem bij een aanvangsinspectie de tijd voor het in kaart brengen van de onderhoudsstaat. Werk
systematisch van groot naar klein. Probeer eerst overzicht en inzicht te krijgen in de totale situatie.
Belangrijk is uitvoerig na te gaan hoe de waterhuishouding in elkaar zit; hoe loopt het water over
de gevel; waar zitten afvoeren; zijn deze verstopt? Wordt al het water goed en snel afgevoerd.
Water is de hoofdvijand! Een gunstig tijdstip om de waterhuishouding te bekijken is tijdens een
regenbui. Let op waar water zich verzamelt.
Maak van specifieke problemen altijd foto’s. Neem foto’s van problemen, beschadigd metselwerk/
scheuren en slecht hersteld voegwerk zoveel mogelijk loodrecht op de muur om vertekening
te voorkomen. Voor intensief en/of plaatselijk herstel is een geveltekening belangrijk om aan te
geven wat ingeboet en wat gevoegd moet worden. Dit voorkomt later misverstanden, zie 1.2.1.2
Rapportage. Problemen door middel van trefwoorden noteren! Nauwkeurig inspecteren betaalt
zich altijd terug.
Risico’s
Probeer zoveel mogelijk metselwerk van dichtbij te bekijken door het bijplaatsen van ladders of
in bijzondere gevallen met een hoogwerker. Dus niet even kijken over de rand van een goot of
iets dergelijks. Neem wel voldoende veiligheidsmaatregelen in acht, zie moduul 0.4 Uitrusting.
Neem geen onaanvaardbare risico’s. Kies de veiligste inspectiemethode. Ramen kunnen gebruikt
worden om van binnenuit het aansluitende metselwerk, de bovenzijden van afdekkingen,
waterlijsten en dergelijke te inspecteren. Specifieke problemen bevinden zich vaak op moeilijk
toegankelijke plaatsen, bijvoorbeeld topgevels, opgaand metselwerk boven daken, metselwerk
langs de waterlijn enz.
Nader onderzoek
Inspectie en aantekeningen moet voldoende opleveren om gebreken goed te kunnen
omschrijven en gericht adviezen te kunnen geven. Niet altijd is de oorzaak van de gebreken of
problemen duidelijk, verwijs dan naar deskundigen voor nader onderzoek. Door de Technische
Universiteit Delft is voor het op een rij zetten van verschijnselen en mogelijke oorzaken het
Masonry-Damage-Diagnostic-System, kortweg MDDS, ontwikkeld. Door middel van systematisch
beantwoorden van vragen aan de hand van afbeeldingen van verschijnselen, worden suggesties
gedaan voor mogelijke oorzaken. Het is een hulpmiddel om problemen te analyseren. Verder
onderzoek moet uitwijzen wat werkelijke oorzaken zijn en hoe deze verholpen kunnen worden.
Dit kan zijn:
-	 Een test voor zoutgehalte en zoutverdeling in de diepte en hoogte van de muur.
-	 Een grondboring bij structurele scheuren, zie hiervoor ook moduul 1.1 Fundering.
-	 Vochtmetingen diep in de muur en op verschillende hoogten.
-	 Het voor langere tijd meten van temperatuur en Relatieve Vochtigheid.
-	 Infrarood thermografie voor opsporen van vochtbelasting.
Vervolginspectieszijnbelangrijkomhetverloopoftoenamevanproblemenintekunnenschatten.
Ook kunnen maatregelen om gebreken te verhelpen op hun effect worden beoordeeld.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
70
Volgorde van werken
Bij het werk van groot naar klein komt het volgende aan de orde:
1. Omgeving
-	 Algemeen klimaat: is het een open veld of een sterk beboste omgeving? Dit is van invloed op
	 de temperatuur, windsnelheden en de snelheid van de verdamping.
-	 Een ligging dicht aan zee of een voormalige zee. Zeezout regende of regent de muur in. De
	 zouten zijn sterk hygroscopisch en trekken vocht aan met alle problemen van dien.
- 	Vervuilende industrie in de directe omgeving, bijvoorbeeld een kolengestookte energiecen-
	 trale. Deze zorgt voor een agressief klimaat met sterk verzuurde regen. Denk verder aan de
	 omgeving van hoogovens en chemische industrie.
-	 Een nabijgelegen weg of spoorweg. Door trillingen kunnen op zwakke plaatsen zoals boven
	 kozijn en deuropeningen scheuren ontstaan.
-	 Bouwactiviteiten zoals nieuwbouw, verbouw of sloop, zelfs op honderden meters afstand, kan
	 verzakkingen en scheurvorming veroorzaken.
-	 Bronbemaling, afhankelijk van de grondsoort en de duur van de bemaling, kan bronbemaling
	 zorgen voor ernstige verzakkingen en verstoringen van de grondwaterstand, zie hiervoor ook
	 moduul 1.1 Funderingen.
-	 Vlak achter of in het talud van een dijk gelegen met kans op kwelwater, optrekkend vocht en
	 extreem natte muren.
-	 Ligging ten opzichte van de zon, schaduw, regen en wind. Dit heeft een sterke invloed op de
	 vochtbelasting, waardoor gevels kunnen doorslaan.
Afbeelding 79
Bij gebreken aan
voegwerk zeer
voorzichtig en met
beleid prikken of
voegen loszitten of
verbrand zijn.
Afbeelding 80
Het loont altijd de
moeite om van
bovenaf ook zicht
te krijgen op
kwaliteit van
metselwerk,
stootvoegen van
lijsten etc.
2. Terrein
-	 De grondsoort zoals klei, zand of een veenpakket in samenhang met de grondwaterstand.
	 Deze beïnvloedt de waterafvoer rond het gebouw, onder andere optrekkend vocht door te
	 veel water dat tegen de fundering blijft staan.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
71
-	 Een hellend of komvormig terrein. Veel water zakt net onder het maaiveld naar beneden en
	 blijft tegen muren staan met optrekkend vocht als gevolg.
-	 Grondkering. Deze zorgen voor het opeenhopen en doorslaan van vocht. Denk hierbij aan
	 forten, vestingwerken, dijkbebouwing, souterrains, kelders en beltmolens.
3. Bomen/begroeiing
-	 Bomen binnen 15 meter van het gebouw. Iepen en populieren zorgen in de zomer voor het
	 uitdrogen van bijvoorbeeld klei, met krimp als gevolg. Hierdoor kan het gebouw zich op-
	 nieuw gaan zetten.
-	 Muurbegroeiing. In het algemeen houdt deze vocht vast. Bij verwaarlozing van klimop over-
	 groeien deze vensters en houtwerk en zorgt voor verstopping van goten en afvoeren.
4. Stabiliteit
Zie voor een uitgebreide behandeling moduul 1.1 Fundering. Standzekerheid is een basis-
voorwaarde voor de verdere inspectie. Hierbij kan gelet worden op:
-	 Overhellen, uitbuiken en verschuiven. Hierbij proberen vast te stellen of dit al sinds mensen-
	 heugenis zo is of dat dit van recente datum is.
-	 Scheurvorming en de oorzaken ervan. Zijn het verse scheuren of oude scheuren? Lopen de
	 scheuren door de baksteen of door de voegen? Waar bevinden zich de scheuren: bij muur-
	 openingen, aanbouwen of zijn het lange verticale scheuren die duiden op inwendige
	 spanningen?
5. Metselwerk
-	 Homogeniteit van het metselwerk. Wel met het in achtnemen van bouwsporen. Soms geven
	 deze bouwsporen een wat rommelig aanzien, waardoor men zich niet moet laten misleiden.
	 Ook kan sprake zijn van hergebruik van baksteen en herstel in kleinere formaten baksteen. Is
	 sprake van schilvorming van de buitenzijde of is bij eerdere restauraties en herstel een te
	 harde steen toegepast (vals werk).
-	 Hoge vochtbelasting met als symptomen algen, korstmossen en mosgroei. Korstmossen
	 mogen niet verwijderd worden. Hoge vochtbelasting kan voor ernstige (vorst)schade zorgen.
	 Onderzoek altijd waar het vandaan komt, dus de oorzaak.
-	 Zouten. Veel muren zijn zoutbelast, in veel gevallen is dit zichtbaar. Heel vaak op het schei-
	 dingsvlak van voegwerk en baksteen. Zoutbelasting leidt tot verwering van de baksteen en
	 het voegwerk. Dit vereist een aangepaste wijze van herstel van metselwerk en voegwerk.
	 Waarschuw de eigenaar hiervoor in het rapport of advies.
Afbeelding 81
Standzekerheid die
door uitgebreide
maatregelen
geborgd is bij
Burgh Castle
Norfolk Engeland.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
72
-	 Doorroeten ontstaat vaak door stoken van gasketels op oude rookkanalen. Van zwaar door-
	 geroete muurdelen kan het voegwerk niet hersteld worden. Na verbetering van rookgasaf-
	 voer is voor goed voegwerk het inboeten van nieuwe steen onvermijdelijk.
-	 Schade aan de steen zelf zoals afboeren aan de randen, verpulveren van het oppervlak,
	 beschadiging als gevolg van herstel of door reinigen of het verwijderen van graffiti.
6. Voegwerk
Hierbij kan gelet worden op:
-	 Afstemming van baksteen/legmortel/voegmortel. Heel belangrijk is dat deze goed op elkaar
	 afgestemd zijn. Voor het herstel is een goede analyse van de legmortel belangrijk voor de
	 samenstelling van de voegspecie. Bij voorkeur een zachtere voegspecie bij herstel gebruiken
	 ten opzichte van steen en legmortel. Grote verschillen tussen baksteen, leg- en voegmortel
	 leiden bijna altijd tot problemen.
-	 Is het al dan niet oorspronkelijk voegwerk? Oorspronkelijk voegwerk zoals een gesneden voeg
	 uit de 18e eeuw, vereist een andere aanpak dan een toren die al driemaal opnieuw gevoegd
	 is.
-	 Kwaliteit van het voegwerk zelf, is het dicht, gaaf, niet verzand of verbrand, klinkt het niet hol.
	 Is het goed aangebracht zonder krimpscheurtjes etc.
-	 Problemen bij aansluitende bouwdelen zoals goten en hemelwaterafvoeren.
N.B. Zet vooral bij een aanvangsinspectie hier en daar een ladder erbij om een zo goed mogelijk beeld te
krijgen van de kwaliteit van het voegwerk. Maak een goede inventarisatie bij de aanvangsinspectie, dat
levert bij vervolginspecties veel gemak op.
7. Onderhoudsgevoelige onderdelen
Maak een nauwkeurige inventarisatie van deze onderdelen en geef ze duidelijk in het rapport aan.
Gevelbeëindigingen en schoorsteenkoppen zijn erg gevoelig voor verwering, zie hiervoor ook
moduul 2.6 Schoorstenen. Klim er waar mogelijk bij. Vaak is het veel erger (stenen liggen los) dan
het op een afstand lijkt. Verbetering van de detaillering en aangepaste taaiere en dichtere mortel
leidt tot aanzienlijk minder onderhoud. Afzaten en waterlijsten zijn erg gevoelig voor inwateren.
Door opspattend water en vorstschade als gevolg van te grote vochtigheid, slijt het voegwerk
op maaiveldhoogte snel uit. Ook onder het maaiveld is het vaak (zelfs na restauraties) niet best
gesteld. Graaf zo nodig als steekproef enkele kleine putjes om een goed beeld te krijgen.
Afbeelding 82
Noordmuur
van de kerk in
Lettelbert (Gr). De
vele interessante
bouwsporen“ogen”
wat rommelig, toch
is de kwaliteit van
het metselwerk
goed.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
73
Vervangen van voegwerk
Het grote discussiepunt bij de beoordeling hiervan is: wanneer en hoeveel voegwerk moet
er vervangen worden? Ook bij het uitgangspunt: “behouden gaat voor vernieuwen”, is er een
spanningsveld tussen:
1. Inspecteur/monumentenwachter
	 Uitgangspunt voor de rapportage: behouden gaat voor vernieuwen. Dit betekent sober en
	 doelmatig onderhoud. Alleen vernieuwen wat technisch gezien strikt noodzakelijk is.
2. Eigenaar/beheerder
	 Deze wil vooral bij groot onderhoud of een restauratie een perfect en oogstrelend resultaat,
	 dat jarenlang meekan. Je moet kunnen zien dat er wat gebeurd is. Plaatselijk herstel is dan
	 vaak moeilijk te verkopen.
3. Uitvoerend bedrijf
	 Dit wil bij de uitvoering zo weinig mogelijk risico lopen in verband met aansprakelijkheid.
	 Haalt al gauw het voegwerk dat enige twijfel oproept eruit! Hierdoor verdwijnt te vaak veel
	 oorspronkelijk voegwerk dat nog jaren mee kon.
4. Subsidiabele kosten
	 Hoever gaan Rijk, Provincies en Gemeenten bij het subsidiëren? Bij de overheden staat bij het
	 subsidiëren het behoud van de monumentale waarden voorop.
N.B. Voor het inboeten van metselwerk geldt het bovenstaand spanningsveld ook, zij het in mindere mate.
Een bijkomende factor die zowel bij het inboeten van metselwerk als het vervangen van voegwerk speelt is
dezogenaamdesteigercyclus.Vooreengewonegevelwordthiervoorinhetalgemeen50jaaraangehouden,
maar voor torens geldt 25 tot 30 jaar. Als stelregel wordt aangehouden dat al het herstel uitgevoerd moet
worden in samenhang met de voorziene steigercyclus.
Afbeelding 84
Afdruipspoor van
regenwater, kijk
naar de oorzaak.
In dit geval
adviseren om een
eenvoudige
mastgoot aan te
brengen.
Afbeelding 83
Onderhouds-
gevoelige hoek op
zuid-westzijde van
toren. Voegwerk
waait er snel uit.
Om de vertikale
scheuren in
verband in te
boeten moet
behoorlijk wat
metselwerk
uitgehaald worden.
Aangeven
in rapport.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
74
1.2 Hulpmiddelen bij de inspectie
Eenvoudige hulpmiddelen
Naast de checklist, een notitieblokje en eventuele gevelaanzichten kunnen de volgende hulp-
middelen ingezet worden:
-	 Kaartje met scheurdiktes voor het bepalen van scheuren.
-	 Een bloemenspuit die zeer fijn verdeeld water sproeit. Hiermee kan bij twijfel getest worden
	 of muren gehydrofobeerd zijn. Parelt het water er af, dan zijn de muren ooit waterwerend
	 behandeld.
-	 Digitale camera met zoomlens. Deze kan gebruikt worden bij opnames van uitgesleten
	 voegwerk, vochtschade, afschuiven, scheurvorming etc. Met pijlen of kringen kan het gebrek
	 naderhand worden gemarkeerd.
-	 Verrekijker of vogelkijker. Deze kan worden gebruikt voor een indicatie van de toestand op
	 moeilijk bereikbare plaatsen, denk bijvoorbeeld aan keellijsten, versnijdingen etc. Benut hier-
	 voor ook hoger gelegen punten in of op het gebouw.
-	 Stevig mes. Hiermee kan men krassen om de hardheid van de voeg te beproeven; prikken
	 om te kijken of alleen een harde toplaag aanwezig is; of met het heft over de voeg strijken om
	 te horen of deze hol klinkt en onvoldoende hechting met het omringende werk heeft. Met
	 het mesblad kan worden vastgesteld of ruimte aanwezig is tussen de voegmortel en de steen.
Speciale hulpmiddelen
-	 Een zware detectiemeter die geschikt is om ook diepliggende blindankers te detecteren tot
	 circa 20 cm in de muur.
-	 Karstenbuisje voor indicatie vochtopname. Dit kan gebruikt worden om de vochtopname
	 te controleren, bijvoorbeeld of er al dan niet gehydrofobeerd is. Het kan ook gebruikt worden
	 om verschillen in wateropname tussen bestaand metselwerk en nieuw gebakken steen te
	 controleren.
Afbeelding 85
Het dilemma! Links
een uitsnede van
een 19e eeuw
gevel, wat vervuild,
met gesneden
voeg en nauwelijks
stootvoegen.
Afbeelding 86
Rechts een andere
uitsnede van
dezelfde gevel na
de restauratie, licht
beschadigd door
het gevelreiniging,
een geknipte
voeg en breed
opgehakte
en gevoegde
stootvoegen,
een wezenlijk
andere gevel!
Onherstelbaar
gerestaureerd.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Meetmethoden
Wat een overmaat aan vocht veroorzaakt en waar het precies vandaan komt, is niet eenvoudig
vast te stellen. Vaak is sprake van een combinatie van de eerder genoemde factoren. Het gaat
hierbij niet alleen om de hoeveelheid vocht maar ook om de verdeling van het vocht in de muur..
Wordt het van buiten naar binnen vochtiger of juist droger. Wordt het van de vloer naar boven
droger of juist vochtiger. Dit kan alleen bepaald worden door op een uitgekiende wijze monsters
te nemen. In het algemeen geldt dat het meten van vocht overgelaten dient te worden aan ter
zake deskundige instanties en bedrijven.
Calcium-carbid-methode
Relatief eenvoudig en redelijk nauwkeurig is de calcium-carbid-methode. Hierbij reageert een
monster van steenboormeel in een apparaat met carbid, waarbij acetyleen wordt gevormd. De
hierdoor opgebouwde druk heeft een relatie met de hoeveelheid vocht. Via een tabel kan dan
het percentage vocht worden bepaald.
Drogen in oven
Monsters baksteen op diverse hoogten en diepten uit een muur met vochtproblemen genomen,
worden luchtdicht verpakt meegenomen naar een laboratorium, per monster vooraf gewogen,
dan gedroogd in een oven en weer gewogen. Het verschil tussen beide gewichten kan worden
herleid tot het percentage vocht. Het is een nauwkeurige, relatief kostbare en meer tijd vergende
methode. Om werkelijk inzicht te verkrijgen in de vochthuishouding bij problematische situaties
is deze methode sterk aan te bevelen.
Meten elektrische weerstand
Meetmethodes op basis van electrische weerstand worden sterk beïnvloed door het zoutgehalte
en zijn daardoor onbetrouwbaar. Hiervoor worden de zogenaamde indicatieve meters
toegepast.
Meten van de geleidbaarheid
Hierbij wordt de geleidbaarheid gemeten van een extract van het boormeel van de getrokken
monsters. Dit is een indirecte totaalmeting, die zeer indicatief blijkt te zijn.
Masonry Damage Diagnostic System (MDDS)
In de medische wereld zijn expertsystemen al heel lang bekend. Op basis hiervan is voor het
stellen van een diagnose van schade aan oude gemetselde structuren het MDDS ontwikkeld.
Centraal staat hierbij de wederzijdse beïnvloeding tussen materialen en omgevingsfactoren.
De kennisstructuur van het systeem bestaat uit: 1. Schadetype en 2. Schadeproces. Het systeem
helpt de gebruiker om alles op een rij te zetten, door stelselmatig vragen te beantwoorden op
basis van de visuele inspectie met de verschijnselen gekoppeld aan een schadeatlas met foto’s
en een uitleg. Het is een hulpmiddel die deskundigen helpt bij het geven van een advies voor
behoud en herstel.
1.3 Gebreken constructie en standzekerheid
Zie hiervoor ook moduul 1.1 Funderingen en moduul 3.3 Gewelven en plafonds.
-	 Overhellen van de muur door gronddruk, kantelen van de fundering door ongelijke zetting.
-	 Afschuiven van de kop/rollaag van een muur.
-	 Uitbuiken door onvoldoende verankering als gevolg van verrotte balkkoppen, loslaten van
	 klamplagen in kleiner formaat steen of wegzakken van de fundering door ongelijke belasting.
-	 Knikken van het muurwerk vlak boven balklaag door het afschuiven van de kapconstructie.
	 Er zit beweging in de muur, directe actie is dan noodzakelijk!
75
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
- 	Oude scheuren. Er heeft beweging in de muur gezeten. Nagaan wat de oorzaak is geweest.
	 Objectief vast te stellen door het zetten van gipspleisters of op gezette tijden te meten.
- 	Groter wordende nieuwe scheuren. Het probleem is actueel. Eerst de oorzaak opsporen
	 alvorens het gebrek te verhelpen.
1.4 Gebreken baksteen
Bij het opsporen van gebreken is het volgende noodzakelijk:
-	 Onderkennen van het probleem of gebrek, met de aard en omvang.
-	 Achterhalen van onderliggende oorzaak die het gebrek veroorzaakt.
-	 Zorgvuldige diagnose zodat niet gekozen wordt voor een niet effectieve of zelfs gevaarlijke
	 oplossing.
-	 Voor ingewikkelde problemen onder andere bij vocht en zouten, is minimaal één jaar (met
	 seizoen en weersomstandigheden) nodig om problemen of gebreken in kaart te brengen en
	 de juiste diagnose te kunnen stellen.
Afbeelding 87
Plantengroei is
vaak het“signaal”
dat er sprake is van
een hoge vocht-
belasting. Toch kan
begroeiing op een
kalkrijke onder-
grond zo belangrijk
zijn dat deze niet
verwijderd mag
worden zoals hier
bij de Koppelpoort
in Amersfoort.
Frequent
onderhoud is
dan noodzakelijk.
Afbeelding 88
Veel schade door
abrupte overgang
van harde naar
zachte baksteen
vlak onder de
galmgaten. Bij
het inboeten een
overgang creeëren
van iets hardere
steen.
Waarom gaat metselwerk kapot? Hieronder enkele veel voorkomende oorzaken:
-	 Te hoog vochtgehalte in de steen, gevolgen:
	 * transport van zouten en schade door kristallisatie en het verpulveren van de baksteen.
	 * vorstschade met name in kwakkelwinters door de vorst-dooi cyclus.
	 Achterhaal altijd de oorzaken zoals: te harde voegen, optrekkend vocht, niet versteende kalk,
	 slechte of niet geschikte steen.
-	 Loslatende schillen metselwerk door vorstschade of thermische spanning door sterke zon-
	 belasting op het zuiden met grote temperatuurverschillen tussen de schil en de kern van het
	 metselwerk. Komt veel voor bij forten en molens.
76
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Er loopt te veel water langs de gevel, waardoor inwatering ontstaat met als gevolg het
	 roesten van blindankers, haakankers van gordingen en het inrotten van balkkoppen. Door het
	 beter detailleren van afdekkingen, lijsten etc. kan dit voor een groot deel worden voorkomen.
	 Vaak is het metselwerk in het verleden gehydrofobeerd zonder dat iemand het nog weet.
-	 Zetting. Het gebouw zoekt een nieuw evenwicht na verlaging van de grondwaterstand of
	 bronbemaling. Ook een andere belasting van het gebouw na een restauratie of herbestem-
	 ming kan zetting veroorzaken.
-	 Uitzetting en krimp. Dit is bij metselwerk met zachte steen in kalk grotendeels op te vangen,
	 alleen onder vensters van een koorsluiting en dergelijke treden “natuurlijke” dilataties op.
	 Lange muren gemetseld met cementmortel vormen onder invloed van zonbestraling even-
	 eens“natuurlijke”dilataties.
-	 Ontzetten van metselwerk. Het wortelgestel van bomen en struiken drukt een fundering
	 omhoog. Ook door luchtdruk bij de inslag van granaten tijdens de afgelopen Wereldoorlog
	 kan metselwerk ontzet worden of er treden doorgaande verticale scheuren op, onder andere
	 bij torens.
-	 Agressieve reiniging van de gevel, waardoor de bakhuid verdwijnt.
-	 Winderosie of graafwespen. Deze kunnen aan halfgare steen of zachte mortel aanzienlijke
	 schade toebrengen. Inboeten van hardere steen is de enige remedie.
-	 Verkeerde renovatietechnieken, om enkele te noemen: te harde steen, waardoor onderlig-
	 gende zachtere steen kapot gaat; inboetwerk metselen met portland-cement, waardoor dit
	 losknapt uit het oude werk.
Afbeelding 89
Beoordeel
voegwerkherstel
met de nodige
voorzichtigheid,
bepaal of het
voegwerk
technisch goed
is uitgevoerd. Bij
plaatselijk herstel is
een zekere
vlekkerigheid
niet te vermijden.
Extreme kleur-
verschillen kunnen
terughoudend
in het rapport
worden verwoord.
1.5 Gebreken van voegwerk
Veel gebreken aan voegwerk zijn het gevolg van toenemende werkdruk en gebrek aan
vakmanschap, slechte bestekken of werkomschrijvingen met onvoldoende begeleiding en een
te krap ingeschat budget met haastwerk als gevolg.
Algemeen
-	 Verzanden van de voeg omdat in het verleden een te schrale mortel is toegepast. Door
	 verzandende voegen dringt vooral op hoogte zeer veel water binnen.
-	 “Verbranden” van de voegmortel. Door onvoldoende vocht is deze niet goed afgebonden.
	 Treedt bij kalk- en kalktrasmortels gemakkelijk op.
-	 Gaterige mortel, in verleden onvoldoende aangedrukt, niet goed gemengd. Treedt vooral op
77
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
	 bij aanzetten in de lintvoegen, op het grensvlak van baksteen en voeg en op de aansluiting
	 van stootvoegen op lintvoegen. Goed aandrukken en doorstrijken is de enige remedie.
-	 Groei van mossen. Mosgroei begint op het grensvlak van voegmortel en baksteen, worteltjes
	 groeien in de mortel en scheiden zuren af, deze tasten het bindmiddel kalk en/of cement aan.
	 Sterke groei van mossen komt door een te hoge vochtbelasting. Achterhaal de oorzaken
	 ervan! Algen geven weliswaar een groene waas, maar zijn niet direct schadelijk.
-	 Krimpnaden tussen voegen en aansluitend metselwerk. Geringe krimp kan al leiden tot veel
	 indringend water, ook bevordert dit de groei van mos. Een geringe toevoeging van trasmeel
	 gaat het krimpen tegen. Krimpscheurtjes in de mortel zelf duidt op een te vette mortel met te
	 fijn zand. Wat minder bindmiddel en/of wat grover zand toepassen bij herstel.
-	 Schade door vorming van zouten. In voegwerk met kalkspecie kan door aanvoer van sulfaten
	 gips worden gevormd. Dit zwelt op en laat in korsten los. Ook dooizouten zijn zeer schadelijk!
-	 Vorstschade. Door een overmaat aan vocht in het metselwerk zuigt met name zeer dicht
	 voegwerk met fijne poriën het water uit de steen op. In kwakkelwinters zorgt de vorst-dooi
	 cyclus voor aanzienlijke schade.
-	 Losgekrompen reparatiemortels voor het herstellen van beschadigingen en gaten. De appli-
	 catie vereist zeer veel zorg. Zie voor meer informatie moduul 1.2.2 Gevels – natuursteen.
Afbeelding 90
In kalk gemetselde
muur, waarvan het
voegwerk“hersteld”
is in een harde zeer
dichte mortel van
portlandcement.
Het metselwerk is
inmiddels
onherstelbaar
beschadigd.
Beoordeling van inboeten metselwerk en herstel voegwerk
Gestimuleerd door subsidies voor instandhouding wordt regelmatig metselwerk ingeboet en
voegwerkhersteld.Bijdeeerstvolgendeinspectiemoetditaltijdnauwlettendwordenbeoordeeld.
Hieronder enkele veel voorkomende problemen:
-	 Beschadiging van de steen. Onzorgvuldig uithalen van te vervangen baksteen of voegwerk
	 door het hakken met te brede beitels, met slijpschijven zonder stofafzuiging in de steen
	 zagen, smalle stootvoegen breed ophakken en dergelijke.
-	 Onjuist verwerkte reparatiemortels die loskrimpen of scheuren, zie hiervoor moduul 1.2.2
	 Gevels - natuursteen
-	 Niet diep genoeg uitgehaalde voegen. Dit leidt binnen 2 à 3 jaar opnieuw tot problemen.
	 Hetzelfde geldt voor niet goed schoongemaakte voegen. Niet met water schoonspuiten maar
	 schoonzuigen of uitblazen met lucht, zie paragraaf 0.5 Voegwerk.
-	 Hardheid en porositeit van de leg- of voegmortel is niet aangepast aan het bestaande metsel-
	 of voegwerk. Het aanbrengen van een cementmortel in met kalk gemetselde muren leidt
	 onherroepelijk tot problemen. Pas bij herstel wat zachtere leg- en voegmortels toe met
	 voldoende porositeit.
78
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Onvoldoende hechting van de voegmortel en krimp. Veel voegwerk komt neer op“veegwerk”.
	 De voegspecie dient bij elke streek goed aangedrukt te worden om een goede hechting te
	 krijgen met ondergrond. Gebruik een wat vettere mortel met een ruime dosis bindmiddel.
	 Schrale mortels komen uit de nieuwbouw en leiden binnen korte tijd tot verzanden en
	 winderosie, met name aan de weerkant. Let op de juiste vochtigheid van ondergrond in
	 samenhang met de gebruikte mortel. Te snelle droging leidt tot “verbranden” van het voeg-
	 werk. De voegspecie is door gebrek aan vocht niet doorgehard.
-	 Kleur, textuur of afwerking wijkt af van het bestaande werk. De kleur mag niet te sterk afwijken
	 van het bestaande werk, ervan uitgaande dat de gevel niet al te zeer is vervuild. Textuur en
	 oppervlak moet het bestaande voegwerk qua ruwheid benaderen. Bestaand werk met een
	 dagstreep herstellen met dagstreep en niet met glad doorgestreken voegen, etc.
-	 Smetten op de steen, door een gebruik van te natte specie, kalksluier door regenachtig weer
	 en onvoldoende uitpluizen bij snijvoeg en knipvoeg.
-	 Onjuiste nazorg door het niet afdekken tegen regen en zon, waardoor het bindmiddel uit-
	 spoelt respectievelijk verbrandt. Als het bindmiddel onvoldoende is verhard, spoelt dit door
	 veel vocht uit en er ontstaat een witte waas op het metselwerk.
Afbeelding 91
Bovenin een
gesneden voeg
in zeer zorgvuldig
gemetselde gevel
uit 1780, let op de
kraslijnen. Onderin
aangeheeld zonder
enige besef van
de monumentale
waarde in platvol,
cementmortel en
een totaal afwijkende
kleur. Voegwerk
altijd herstellen in
zelfde soort en zelfde
samenstelling
specie etc.
Afbeelding 92
Reparatiemortel
die esthetisch en
technisch eigenlijk
niet kan, maar geen
problemen geeft.
Afwegen of weg-
halen of aanhelen
meer schade
toebrengt dan
laten zitten.
79
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
80
1.2.1.2 Rapportage
2.1 Algemeen
Rapporteren
Het is erg belangrijk om datgene wat men heeft geconstateerd, op de juiste wijze te verwoorden
in het rapport. Dat kan op veel manieren, hieronder enkele algemene aanwijzingen:
-	 Kwaliteitsverschillen dienen duidelijk aangegeven te worden. Dit maakt fasering mogelijk van
	 het onderhoud - in samenhang met andere bouwdelen - het liefst per gevel.
-	 Bij een duidelijk kwaliteitsverschil tussen metselwerk (goed) en voegwerk (matig) beiden apart
	 benoemen.
-	 Bij voegwerk altijd het soort voegwerk vermelden, zoals: platvol, gesneden voeg, knipvoeg
	 etc.
-	 Bij gebreken altijd aangeven wat er aan mankeert en waar het zich bevindt.
-	 Gebruik bij veel gebreken, indien deze beschikbaar zijn, gevelaanzichten om door middel van
	 een arcering aan te geven waar steen stuk is en ingeboet moeten worden en waar matig of
	 slecht voegwerk aanwezig is en hersteld moet worden. Men krijgt op deze wijze een beter
	 inzicht in de percentages voegwerk die vervangen moeten worden.
Afbeelding 93
Geveltekening
waarop gearceerd
staat aangegeven
waar steen
beschadigd is en
ingeboet moet
worden en waar
de voeg sterk
uitgesleten is en
vernieuwd moet
worden.
uitgesleten voegwerk
dicht kauwen van
de scheur
in te boeten steen
weerkant
oude lekkage oude lekkage
-	 Geef duidelijk in het rapport aan dat herstel van het voegwerk pas zinvol is als - behoudens
	 verwering - andere oorzaken zijn weggenomen.
-	 Geef duidelijk aan als plaatselijk en terughoudend herstel voldoende is.
-	 Geef duidelijk aan of hersteld voegwerk naar behoren is aangebracht.
-	 Verwoord esthetische zaken terughoudend in het rapport. Doe dit alleen bij:
	 * zeer extreme kleurverschillen of een sterk afwijkend voegtype
	 * onderhoudsgevoeligheid van de bij de restauratie of herstel gekozen constructies en dan in
	 constaterende zin, wijs met name op technische onvolkomenheden en/of schadelijke
	 gevolgen.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
81
Instandhouding of restauratie
De grens is niet altijd scherp te trekken. Subsidies voor instandhouding van door het Rijk
beschermde monumenten, worden alleen verstrekt op basis van een Periodiek Instandingsplan
(PIP). Voor restauraties is een apart beperkt structureel budget beschikbaar, bijvoorbeeld voor
herstel van de fundering. Beschrijf de kwaliteit concreet, maar vooral niet te geflatteerd. Houd
hierbij ook rekeningen met de zogenaamde“steigercyclus”. Wanneer wordt het gebouw weer in
de steigers gezet.
Hieronder een grove indicatie aan de hand van een kwaliteitsbeeld:
- 	Goed	 Door middel van onderhoud, incidenteel een gebrek.
- 	Redelijk	 Door middel van onderhoud, plaatselijk enkele gebreken.
- 	Matig	 Dit is sterk afhankelijk van de situatie. Is het alleen het voegwerk of moet er nog
		 meer gebeuren. Hangt ook of van de aard en de grootte van het object af. Kan
		 meestal nog onder instandhouding worden gerangschikt. Is sprake van herbe-
		 stemming dan is al gauw sprake van restauratie.
- 	Slecht	 Door middel van restauratie.
Vervanging voegwerk
Bij de vervanging van voegwerk kan als richtlijn het volgende worden aangehouden:
1.	Oorspronkelijk voegwerk zonder herstel
	 Alleen vervangen bij het kwaliteitsbeeld slecht.
2.	Oorspronkelijk voegwerk met gedeeltelijk herstel
	 Afhankelijk van de hoeveelheid herstelwerk die in het verleden al uitgevoerd is, vervangen bij
	 het kwaliteitsbeeld slecht.
3.	Niet oorspronkelijk voegwerk
	 Afhankelijk van de situatie, moeten er wel of niet voorzieningen worden getroffen zoals bij
	 torens, vervangen bij het kwaliteitsbeeld slecht. In uitzonderingsgevallen bij het kwaliteits-
	 beeld matig.
Een andere mogelijkheid om het al dan niet vervangen van voegwerk globaal te bepalen is een
tabel.Depercentagesdienenbijvoorkeurgebaseerdtezijnopeengeveltekeningmetarceringen.
Ook deze tabel geldt als richtlijn.
Percentages Oorspronkelijk
werk
Niet oor-
spronkelijk werk
Eerder herstel
aangepast
Eerder herstel
niet aangepast
0 - 10% + + + +
10 - 20% + + + +
20 - 30% + + + +
30 - 40% + + + +
40 - 50% + 0 + 0
50 - 60% + 0 0 0
60 - 70% 0 - 0 -
70 - 80% 0 - - -
80 - 90% - - - -
90 - 100% - - - -
Waardering:	 +	=	plaatselijk herstel
	 0	=	plaatselijk herstel of algehele vervanging wordt bepaald door omstandig-
				 heden, onder andere te treffen voorzieningen, komt het verspreid voor, of
				 betreft het samenhangende vlakken.
		 -	 =	algehele vervanging.
N.B. Indien tot algehele vervanging moet worden overgegaan, dient gezocht te worden naar handhaving
van een gaaf stuk origineel voegwerk op een beschutte plaats als document.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
82
2.2 Kwaliteitsomschrijving
Onder buitenwanden - baksteen wordt verstaan het opgaande metselwerk, gemetselde
bakstenen onderdelen zoals bogen, afdekkingen etc, inclusief het voegwerk.
Speciale en/of uitstekende bouwdelen zoals steunberen kunnen apart worden benoemd.
Beoordeling
Voor een goede beoordeling zijn de volgende factoren van belang:
Algemeen -	 Stabiliteit van het muurwerk
	 -	 Kwaliteit van het metselwerk/baksteen
-	 Kwaliteit van het voegwerk
Specifiek -	 Kwetsbare onderdelen
-	 Vochtigheid, mosgroei
-	 Zouten, doorroeten
Kwaliteitsbeelden
Het gaat om het bieden van enig houvast in de veelheid van situaties die men tegenkomt. Belang-
rijk is het inschatten van gevolgschade en termijnen voor herstel. Het is niet noodzakelijk dat voor
het bepalen van de kwaliteiten goed, redelijk, matig en slecht alle daarbij vermelde kenmerken
aanwezig zijn. De omschrijving van de kwaliteiten geldt steeds per gevel of bouwdeel!
Goed:	 Geen maatregelen, behoudens zeer beperkt herstel van voegwerk en kwetsbare
		 onderdelen, onder andere verwijderen mos/algen.
Kenmerken:	 -	 Stabiliteit van het muurwerk is goed, geen scheurvorming, zeer kleine dilatatie-
			 scheurtjes.
		 -	 Het metselwerk met de baksteen vertoont geen gebreken.
		 -	 Het voegwerk vertoont geen gebreken, behoudens wat verwering en zeer
			 plaatselijk licht uitgespoelde voegen.
		 -	 Kwetsbare onderdelen, zoals afdekkingen en ter hoogte van het maaiveld ver-
			 tonen geen gebreken, behoudens zeer beperkt licht uitgespoelde voegen.
		 -	 De vochthuishouding vertoont geen problemen. Niet of nauwelijks mosgroei
		 -	 Gebreken door uitbloeien van zouten of het doorslaan van roet niet waarneem-
			 baar.
Redelijk:	 Zeer beperkt herstel van vlakke werk, dilatatiescheurtjes
		 Beperkt herstel voegwerk (o.a. maaiveld) en kwetsbare onderdelen.
		 Geen ernstige vervolgschade, herstel bij gelegenheid.
Kenmerken:	 -	 Stabiliteit van het muurwerk is goed, lichte dilatatiescheuren.
		 -	 Zeer incidenteel komen kapotte of verpulverde stenen voor.
		 -	 Het voegwerk vertoont geen wezenlijke gebreken. Plaatselijk komen uitge-
			 spoelde voegen voor, onder andere bij het maaiveld.
		 -	 Kwetsbare onderdelen vertonen plaatselijk kleine gebreken en lichte aantas-
			 ting. Plaatselijk uitgespoeld voegwerk.
		 -	 Incidenteel lichte problemen met vocht. Plaatselijk mosgroei.
		 -	 Plaatselijk licht uitbloeien van zouten, doorslaan van roet waarneembaar.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
83
N.B. Indien bij herstel of restauratie formaat/kleur van de steen en samenstelling/kleur voegspecie sterk
afwijken van het bestaande werk, dit nooit kwalificeren als goed alleen maar omdat het net hersteld cq
gerestaureerd is, hoogstens omschrijven als redelijk, met vermelding van de feiten en vermoedelike
oorzaken.
Matig:	 Beperkt herstel van vlakke werk.
		 Uitgebreid herstel voegwerk en kwetsbare onderdelen.
		 Vervolgschade, algeheel herstel binnen 5-10 jaar.
Kenmerken:	 -	 Stabiliteit van het muurwerk overwegend goed, op enkele plaatsen vrij zware
			 dilatatiescheuren waarneembaar; bij het maaiveld plaatselijk weggevallen
			 metselwerk.
		 -	 Op diverse plaatsen komen kapotte en verpulverde stenen voor.
		 -	 Het voegwerk is op veel plaatsen uitgesleten of zit los. Plaatselijk diep uitge-
			 spoeld.
		 -	 Bij kwetsbare onderdelen komen diverse gebreken voor, ook weggevallen of
			 loszittende onderdelen. Veel voegwerk is uitgesleten.
		 -	 Duidelijke problemen met vocht. Plaatselijk zware mosgroei.
		 -	 Op diverse plaatsen uitbloeien van zouten, doorslaan van roet waarneembaar.
Slecht:	 Uitgebreid herstel/vernieuwing van vlakke werk, voegwerk en onderhoudsge-
		 voelige onderdelen.
		 Ernstige vervolgschade, algeheel herstel binnen 2-5 jaar.
Kenmerken:	 -	 Stabiliteit loopt op termijn gevaar met plaatselijk uitbuikend metselwerk, zware
			 dilatatiescheuren, veel weggevallen metselwerk op maaiveldhoogte.
		 -	 Op veel plaatsen komen kapotte en verpulverde stenen voor.
		 -	 Het voegwerk is op grote schaal weggevallen, geen samenhang meer met
			 ondergrond. Op veel plaatsen diep uitgesleten.
		 -	 Aan bijna alle kwetsbare onderdelen komen gebreken voor. Al het voegwerk is
			 uitgespoeld, plaatselijk diep.
		 -	 Grote problemen met vocht. Op veel plaatsen zware mosgroei.
		 -	 Op veel plaatsen hevig uitbloeien van zouten, duidelijk doorslaan van roet.
Afbeelding 94
Kwaliteitsbeeld
slecht, uitgebreid
herstel van metsel-
en voegwerk,
algeheel herstel
binnen 2-5 jaar.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
84
2.3 Adviezen
Algemeen
Hieronder enkele algemene adviezen die betrekking hebben op de preventieve maatregelen.
-	 Zorg dat het omliggende terrein van het gebouw afloopt dan wel afwatert. Dit voorkomt
	 hoge waterconcentraties bij de fundering.
-	 Zorg dat bomen niet te dicht bij het gebouw staan. Deze verstoren de vochthuishouding en
	 de wortels veroorzaken bij ondiep gefundeerde gebouwen of aanbouwen het omhoog
	 drukken van de fundering.
-	 Zorg dat de waterhuishouding goed is, het dak lekdicht is en de goten en hemelwateraf-
	 voeren regelmatig worden schoongemaakt.
-	 Gebruik geen zout voor het laten smelten van sneeuw en ijs bij muren, op trappen etc. De
	 in de steen trekkende zouten zorgen voor veel schade aan het voegwerk en gepleisterde
	 plinten. Gebruik dan liever scherp rivierzand.
-	 Verwijder muurbegroeiing als dit schade veroorzaakt, in ieder geval van al het houtwerk,
	 lijstwerk en goten.
-	 Verwijder algen niet, deze veroorzaken geen schade.
-	 Zorg ervoor dat uitgesleten en verzandend voegwerk tijdig wordt hersteld om overmatige
	 vochtbelasting te voorkomen. Waar roet voorkomt, moet roetuitslag in de voegen grondig
	 verwijderd worden, omdat nieuw voegwerk niet hecht op roet. Roet blijft altijd zichtbaar.
	 Soms valt niet te ontkomen aan het inboeten van nieuwe stenen.
-	 Controleer naden en oudere scheuren regelmatig op beweging. Zorg dat aansluitingen
	 tussen houtwerk en/of bouwdelen en het metselwerk goed dicht blijven.
-	 Bescherm waar dit esthetisch mogelijk is, de uitstekende randen of cordonlijsten door een
	 afdekking in lood, zink of koper.
-	 Zorg dat nergens water op de baksteen blijft staan. Dit leidt tot ernstige vochtschade. Het
	 zakkende water zorgt voor een ernstige verstoring van de vochthuishouding.
Herstel op maaiveldhoogte
Voor het herstel van muurwerk op maaiveldhoogte/aanleg drainage wordt afhankelijk van de
situatie de volgende werkwijze geadviseerd:
Bij aanwezigheid van goten
Grondwerk
De grond circa anderhalve steek diep (40 cm) uitgraven tot op de versnijding van de fundering
over een breedte van 50 à 60 cm, zodat men er goed bij kan. Na het zorgvuldig schoonspoelen
controlerenofhettrasraam/funderingnogingoedestaatverkeert.Zonodigherstellenofinboeten
van de verpulverde stenen. Voor het aanvragen van een offerte bij een aannemer door middel
van steekproeven (putjes graven) proberen een indicatie te krijgen van de technische staat van
het trasraam/fundering. Ook bij een in goede staat verkerende fundering is het verstandig voor
enig herstelwerk een stelpost op te nemen.
Bij voegwerk
Alle slechte voegen en uitgesleten voegwerk uithakken, diepte van de voeg circa 2 à 2,5 maal de
dikte van de lintvoeg. Na het uithakken de voegen met lucht schoonspuiten en goed met water
reinigen/naspoelen.
Het voegen van het trasraam dient te gebeuren met een kalktrasmortel. Dit is een taaie
mortel, die het overmatig uitspoelen van het voegwerk tegengaat. Hiervoor kan de volgende
verhouding gebruikt worden: 1,0 maatdeel gezeefde schelpkalk, 0,50 of 0,75 maatdeel trasmeel
en 2,5 maatdelen zand met een goede verdeling van de korrelgrootte. Voor gewoon voegwerk
vooral niet te fijn zand gebruiken! Kant en klare tras/kalkmortels kleuren bij het voegen vrij grijs
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
85
en donker op. Door een mespunt gele oker kan de kleur worden aangepast. Het voegwerk dient
tot minstens 15 cm onder het maaiveld te worden doorgezet en aan te sluiten op het verder te
vertinnen of vertinde deel van trasraam/fundering. Na voldoende doorharding sleuven dichten
met zand en circa 10 cm teelaarde opbrengen en inzaaien met gras of de bestrating herstellen.
Zonodig het maaiveld corrigeren zodat het water van de gevels wegloopt.
Bij pleisterwerk
Alle losse delen verwijderen, met lucht reinigen en met water goed naspoelen, gaten dichtzetten
en de te pleisteren delen bewerpen met een tras/cementpap of tras/kalkpap. Nadat dit voldoende
is “aangetrokken” de muren afpleisteren. Het pleisterwerk dient tot minstens 15 cm onder het
maaiveld te worden doorgezet en aan te sluiten op het verder te vertinnen of vertinde gedeelte
van trasraam/fundering.
Na ruim voldoende droging en het sausen van het pleisterwerk de sleuven dichten met zand en
circa 10 cm teelaarde opbrengen en inzaaien met gras of de bestrating herstellen. Zo nodig het
maaiveld corrigeren zodat het water van de gevels wegloopt.
Bij ontbreken van goten
Indien goten ontbreken of het betreft een ongunstige terreinsituatie of bodemgesteldheid, de
fundering ontgraven tot de voet of in ieder geval tot 75 à 80 cm diepte, daarna het herstelwerk
uitvoeren aan voegwerk en/of pleisterwerk zoals boven omschreven.
De drainage dient op afschot te worden aangelegd. De aansluiting op de gewone riolering
mag alleen plaatsvinden via een zogenaamd slibputje. Op hoeken en knikpunten dient een
ontstoppingsstuk te worden aangebracht, onder andere voor het doorspuiten van de drainage.
Bij boerderijen fungeert een drainage als het ware als een ondergrondse goot voor de afvoer van
het regenwater, zodat bij rietbedekking met eronder enkele rijen pannen geen goten behoeven
te worden aangebracht.
Afbeelding 95
Doorsnede van
de opbouw van
een drainage ter
verbetering van de
vochthuishouding.
druiplijn riet/ pannen
maaiveld aflopend
bij voorkeur grind/ schelpen
of inzaaien met gras
grof grind
drainage
bodem afdekken met zand
Herstel uitgesleten voegwerk
Voor het herstel van uitgesleten, loszittend en verzandend voegwerk wordt de volgende
werkwijze geadviseerd:
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
86
Verwijderen van voegwerk
Al het slechte voegwerk uithalen tot circa 2 à 2,5 maal de dikte van de lintvoeg. Bij het uitgesleten
voegwerk eveneens de voegen tot voldoende diepte uithalen. Verwijderen met pneumatische
beitels bij smalle voegen in hardere steensoorten moet sterk worden afgeraden, omdat de steen
dan gemakkelijk beschadigd wordt door afspringende stukken. Het zeer voorzichtig uitslijpen
met een goede afzuiging van het stof wil dan naast handmatig verwijderen nog het beste
lukken. Nadat de voegen verwijderd zijn met lucht schoonspuiten en goed met water reinigen/
naspoelen. Bij het schoonmaken met water wordt een hogedrukspuit afgeraden, omdat deze
te grote hoeveelheden water de muur indrijft. Verdund zoutzuur mag in geen geval worden
gebruikt!
Voegen met kalk
Het voegen dient te gebeuren met een goed gerotte kalkspecie (een tikkeltje hoogovencement
mag alleen worden toegevoegd als bij niet betrouwbaar weer een wat snellere verharding is
gewenst). Het zand dient voor de verwerking zorgvuldig te worden gezeefd met een vrij fijne
zeef om het al te fijne zand eruit te zeven. De kleur van het zand is bepalend voor het uiteindelijke
resultaat. De voegspecie moet goed zijn aangepast aan de hardheid van de steen. Een verhouding
van 1 maatdeel gezeefde schelpkalk en 2 à 2,5 maatdelen zand met een goede verdeling van de
korrelgrootte is doorgaans voldoende.
Voegmonsters
De voegspecie zoveel mogelijk laten kleuren naar het bestaande werk Het verdient dan ook
aanbeveling om drie voegmonsters op te zetten die wat betreft de kleur van het zand en qua
samenstelling verschillen om een en ander na voldoende droging (7-10 dagen) te kunnen
beoordelen.
Voegen van kwetsbare onderdelen
Het gaat hier om plinten, trasraam, waterlijsten, afzaten, muurafdekkingen en rollagen.
Geadviseerd wordt hiervoor een kalktrasmortel te gebruiken. Deze gaat door een grotere taaiheid
het overmatig slijten tegen. Hiervoor kan de volgende verhouding gebruikt worden: 1,0 maatdeel
gezeefde schelpkalk, 0,5 maatdeel trasmeel en 2,5 maatdelen zand met een goede verdeling van
de korrelgrootte.
Kant en klare tras/kalkmortels kleuren bij het voegen vrij grijs en donker op. Door een mespunt
gele oker kan de kleur aangepast worden. In het algemeen wordt aangeraden zelf kalktrasmortels
samen te stellen met behulp van schelpkalk en trasmeel. Een kalktrasmortel die te snel afbindt,
wordt gauw te grijs. Dit dient vermeden te worden door langdurig vochtig houden.
Uitvoering
Het voegwerk mag alleen bij de juiste weersgesteldheid worden uitgevoerd, dat wil zeggen
niet bij volle zon, grote hitte en een droge schrale wind, omdat anders de voegspecie te snel
droogt en/of verbrandt. Het metselwerk een dag van te voren goed vochtig maken en na het
voegen voldoende vochtig houden. Als het uitgesleten voegwerk het gevolg is van lekkages
en overlopende goten, kan pas na een periode van voldoende droging, minstens een jaar, aan
het herstel worden begonnen. Bij gebruik van steigers kunnen zeilen worden gebruikt om het
voegwerk van direct zonlicht te vrijwaren. Bij warm weer dient het voegwerk enige dagen langer
voldoende vochtig gehouden te worden. Omdat met name kalktrasmortels langzaam afbinden
(hard worden) dient onder alle omstandigheden gezorgd te worden voor voldoende vocht ten
behoeve van het afbindingsproces!
Algen
Als hinderlijke begroeing van algen voorkomt, kan deze behandeld worden met een algen- en
mosdodend preparaat. Na het afsterven (2 à 3 dagen) kunnen de restanten worden verwijderd
met een harde nylon borstel. Geen stalen borstel gebruiken, deze laat roestsporen na!
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
87
Hydrofoberend of waterwerend behandelen
Als het voegwerk op de juiste wijze is aangebracht, is het veel gepropageerde waterafstotend
behandelen van de muren niet noodzakelijk! Slechts na uitvoerig onderzoek, en in zeer
uitzonderlijke gevallen kan impregneren noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld als in al eerder
geïmpregneerde muren voegwerk vernieuwd wordt. Impregneren heeft bij plaatselijk herstel het
grote nadeel dat dit herstelde voegwerk als het ware wordt gefixeerd en tot in lengte van jaren
duidelijk zichtbaar blijft zonder te kunnen verweren. Bij tufsteen met grote holtes, oude steen met
zeer verschillende hardheid is het resultaat zeker negatief. Bovendien treedt bij harde steen na
enkele jaren vaak het afscherven van de steen op.
2.4 Voorbeeldomschrijvingen
Hieronder volgt een aantal voorbeelden van omschrijvingen zoals die - per situatie aangepast -
gebruikt kunnen worden in de rapporten:
Zie voor algemene aanwijzingen moduul 0.7 Rapportage.
De omschrijvingen zijn volgens de algemene aanwijzingen als volgt opgebouwd:
1.	algemene kwalificatie
2.	nadere bijzonderheden, verschillen tussen de kwaliteit van het metselwerk en het voegwerk
3.	eventuele vervangingstermijn en prioriteit
4.	nadere adviezen en oplossingen
Tussen [ ] geplaatste cijfers in de onderstaande omschrijvingen verwijzen naar de hierboven
genoemde opbouw.
Reparaties worden behoudens uitzonderingen op het voorblad vermeld.
Rubriek Kwalificatie Toelichting
1.2.1 Gevels - baksteen
- straatgevel (staand verband) G [2] Inclusief het besneden voegwerk.
- achtergevel (staand verband) G [2] Inclusief het platvolle voegwerk.
1.2.1 Gevels - baksteen
- metselwerk gevels rondom G
- voegwerk voorgevel
- rollaag in roosvenster
achtergevel
M
S
[2] Diep uitgesleten. [3] Herstel binnen 1-3 jaar is
noodzakelijk om vochtdoorslag te voorkomen.
- voegwerk zuidwesthoek S [2] Idem
1.2.1 Gevels - baksteen
- metselwerk algemeen G [2] Inclusief gesneden voeg.
- voegwerk naast deur
voorgevel
S [2] Zeer sterk uitgesleten. Rekenen op vernieuwen.
- metselwerk boven venster R [2] Boven het venster loopt een zeer kleine, niet
verontrustende scheur, mogelijk door enige zetting.
1.2.1 Gevels - baksteen
Topgevel tussen koor en schip
- metselwerk R [2] Incidenteel een licht beschadigde steen.
- rollaag M [2] Plaatselijk ligt deze los. [4] Deze dient in samen-
hang met vernieuwing voegwerk vastgelegd te
worden.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
88
Rubriek Kwalificatie Toelichting
- voegwerk platvol S [2] Over het gehele gevelvlak diep uitgesleten en/of
verzand. [3] Binnen 2-5 jaar rekenen op uitgebreid
herstel topgevel en algehele vernieuwing voegwerk.
[4] Men zou kunnen overwegen om de topgevel af
te dekken met gefelst lood, zie bijgaande schets.
1.2.1 Gevels - baksteen
- oost- en zuidgevel M [2] Verspreid over de muurvlakken is metselwerk
gescheurd en weer dichtgezet. In deze scheuren zit
werking. Vermoedelijk zet de fundering zich.
[4] Nader onderzoek en uitzetten van meetpunten
noodzakelijk.
Westgevel voorhuis [3] Om grote vervolgschade te voorkomen binnen 1
à 2 jaar herstellen.
- metselwerk R
- voegwerk platvol algemeen M
- voegwerk beide tuitgevels S [4] Na herstel overwegen van afdekking met red-
cedarplank.
- voegwerk rollagen S
- voegwerk rond scheurvorming S [4] Scheurvorming ophakken en zorgvuldig dicht-
kauwen in lagen, zie informatieblad.
- gevelankers (5 st) R [2] Geen gebreken aan smeedwerk. Schilderwerk
niet meegenomen. Dit is dof en schraal.
[4] Bij volgende schilderbeurt meenemen om
roestsporen op de gevel te voorkomen.
Afbeelding 96
Bij restauratie van
deze kerk is het
advies opgevolgd
om de topgevel
van de zijbeuk af
te dekken met een
afdekking in gefelst
lood.
Afbeelding 97
Het oogt als
onzorgvuldig
herstel. Toch bleek
reinigen na alle
pogingen een
onverantwoorde
schade op te
leveren. Trek in zo’n
geval na waarom
dit op deze wijze
is uitgevoerd,
voordat een
onjuiste conclusie
in het rapport
wordt verwoord.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
Rubriek Kwalificatie Toelichting
1.2.1 Gevels - baksteen
Torenromp [3] Binnen 2-5 jaar rekenen op algeheel en grondig
herstel torenromp.
- metselwerk noord- en
oostzijde
R
- metselwerk zuid- en westzijde S [2] Rekenen op veel intensief inboetwerk.
- voegwerk noord- en oostzijde M [2] Sterk verzand en uitgesleten. [4] Zie schets met
arcering van te vervangen delen.
- voegwerk zuid- en westzijde S [2] Diep uitgesleten. [4] Zie schets met arcering van
te vervangen delen.
- metselwerk rond toreningang S [2] Deze klamp uit de 18e eeuw buikt sterk uit en
dreigt weg te vallen. [4] Stutten is urgent om wegval-
len te voorkomen.
1.2.1 Gevels - baksteen
Voorgevel
- metselwerk algemeen G
- metselwerk linker hoekpenant M [2] Sterk beschadigd door herhaalde malen
verwijderen graffiti.
- snijvoeg op cementbasis R [2] Oorspronkelijke kalkvoeg in het verleden vervan-
gen. Cement is te hard en niet passend, veroorzaakt
op termijn problemen. Nu nog niet zichtbaar.
- snijvoeg bij verwijderde graffiti S Geheel verdwenen. Herstel noodzakelijk met een
mortel op basis van kalkbasis.
Afbeelding 98
Eveneens
kwaliteitsbeeld
slecht, ernstig
uitbuikend en
verzakkend
metselwerk. Gezien
de ernst van de
gebreken, loopt de
stabiliteit gevaar.
Ondanks
“tijdelijk”stutten is
restauratie urgent.
Afbeelding 99
Grote delen van
het voegwerk
verkeren in goede
staat, alleen bij
het maaiveld en
rechts van de
staldeur is het sterk
uitgesleten. Het
kwaliteitsbeeld dan
ook op deze wijze
specificeren.
89
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
90
1.2.1.3 Herstel
3.1 Algemeen
Uitvoering
Er komt de laatste jaren steeds meer aandacht voor het waarborgen van de kwaliteit bij de
uitvoering. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gaat daarom steeds meer stimuleren dat
herstel van metsel- en voegwerk van monumenten wordt uitgevoerd op basis van kwaliteitseisen
die vastgelegd zijn in zogenaamde Uitvoeringsrichtlijnen (URL’s). Inmiddels zijn er voldoende
bedrijven die op basis van een erkenningsregeling aangetoond hebben aan deze kwaliteitseisen
te kunnen voldoen. Bedrijven die deze kwaliteitseisen hanteren kenningsregelingen zijn:
-	 Erkende Restauratie Bouwbedrijven (ERB) voor de hoofdaannemers.
-	 Erkende Restauratie Voegbedrijven (ERV) voor de gespecialiseerde aannemers.
Afhankelijk van de omvang en complexiteit van het herstel zijn bovenstaande aannemers
in staat om zowel het inboeten, als het verantwoord reinigen en voegen uit te voeren. Het
verdient aanbeveling eigenaren te verwijzen naar bedrijven die gecertificeerd zijn volgens de
bovenstaande erkenningsregelingen.
Werkomschrijvingen
Voor het onderhoud zoals beperkt inboeten van baksteen en het aanhelen en vernieuwen van
voegwerk zijn binnen de Monumentenwacht werkomschrijvingen beschikbaar, die gekoppeld
zijn deze moduul. Als extra service en aangepast op de situatie kunnen eigenaren of beheerders
hiermee op weg geholpen worden bij het aanvragen van offertes voor herstel. De volgende
werkomschrijvingen zijn beschikbaar:
-	 Code 1.2.1 Metselwerk algemene uitvoeringsvoorschriften
-	 Code 1.2.1 Metselwerk herstellen
-	 Code 1.2.1 Voegwerk algemene uitvoeringsvoorschriften
-	 Code 1.2.1 Voegwerk herstellen
-	 Code 1.2.1 Gevelankers onderhoud
-	 Code 1.2.1 Aanbrengen grindkoffer met drainage
-	 Code 1.2.1 Topgevel afdekken in hout
-	 Code 1.2.1 Topgevel afdekken in lood / zink
3.2 Werkzaamheden
Herstelwerk aan voegwerk kan voor de Monumentenwacht niet meer zijn dan zeer kleine
incidentele gebreken herstellen. Te denken valt aan de volgende situaties:
-	 Loszittende hoeksteen van een rollaag op de schoorsteen vastleggen.
-	 Loszittende voeg in vlakke afdekking vernieuwen om lekkage te voorkomen.
-	 Plaatselijk afvoegen van muurlood.
-	 Enkele uitgesleten stootvoegen of een uitgesleten lintvoeg dichtzetten.
-	 Wegborstelen van plaatselijke aanwezige mosbegroeiïng op plintlijsten, rollagen etc.
Alleen als sprake van een duidelijke lekkage of iets dergelijks en dit op gemakkelijke wijze door
ons verholpen kan worden, mag het voegwerk hersteld worden.
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
3.3 Nuttige adressen
-	 Klopinnovations, Gezellenstraat 7, postbus 1130, 3860 BC Nijkerk
	 Telefoon 033-2466912
	 Website: www.klopinovations.com, e-mail info@klopinnovations.com
	 Heeft stofafzuiging ontwikkeld en de Arbotech AS 160 met oscillerende schijfjes voor het
	 verwijderen van voegen.
-	 InfoMil, postbus 30732, 2500 GS ’s Gravenhage
	 Telefoon 070-3610575
	 Website www.infomil.nl , e-mail mail@infomil.nl
	 Informatiecentrum voor milieuvergunningen, onder andere eisen en maatregelen.
-	 Total Wall, Postbus 272, 8600 AG Sneek
	 Telefoon 088-1112525
	 Website: www.totalwallconcept.nl, e-mail info@totalwallconcept.nl
	 Systeem voor het verankeren van scheurvorming en versterking van metselwerk.
-	 De Hazelaar Art Supplies, Pimpelmees 1, 3766 AX Soest.
	 Telefoon 035-6012825
	 Website www.hazelaar.nl, e-mail info@hazelaar.nl
	 Levert handmatig en pneumatisch gereedschap met diverse speciale zeer dunne beitels,
	 geheel aangepast om op zeer voorzichtige wijze voegwerk uit te halen.
-	 Wienerberger Steenfabriek Bemmel, Buitenpolder 10, 6685 MA Haalderen
	 Telefoon 0481-463924
	 Website www.wienerberger.nl
	 Deze levert steen op kleur en maat, ook profielstenen.
-	 Bofimex Bouwstoffen b.v. De Wetering 12, 4906 CT Oosterhout
	 Telefoon 0162-499575
	 Website www.bofimex.nl, e-mail info@bofimex.nl
	 Levert hydraulische kalk Unilit 35 N/M/F.
-	 Carmeuse Nederland b.v, Postbus 436, 2800 AK Gouda
	 Telefoon 0182-527255
	 Website www.carmeuse.nl, e-mail info@carmeuse.nl
	 Leverancier van Mekal steenkalk (luchtkalk) en Decorcal steenkalk met schelpdeeltjes voor
	 restauratievoegwerk.
-	 Labshop v.o.f. Oude Rijksstraatweg 44, 7391 ME Twello
	 Telefoon 0571-276340
	 Website www.labshop.nl, e-mail labshop@labshop.nl
	 Levert speciale gereedschappen zoals karstenbuisjes.
-	 Steenfabriek Biezeveld b.v. Lange Weistraat 25, 5331 LH Kerkdriel.
	 Telefoon 0418-631719.
	 Levert op aanvraag op het project aangepaste vormstenen en handvormstenen.
91
2012
GEVELS
1.2.1 Baksteen
1.2
-	 Profielsteen b.v. Van Milt Restaurateurs, Kauwenhoven 38, 6741 PW Lunteren
	 Telefoon 0318-482256
	 Website www.profielsteen.nl , e-mail info@profielsteen.nl
	 Gespecialiseerd in het op kleur leveren van enkele stuks profielsteen als kunststeen in juiste
	 kleur en vorm.
- 	Stichting Historie Grofkeramiek Trasmolen 19, 8754 GL Makkum
	 Telefoon 0515-232281
	 Website www.grofkeramiek.nl, e-mail shg@tiscali.nl
	 Vereniging die zich bezighoudt met de geschiedenis van grofkeramiek zoals baksteen en
	 dakpannen.
-	 Schelpkalkmortel-Nederland, Driemanssteeweg 622, 3084 CB Rotterdam
	 Telefoon 010-4103951
	 Website www.schelpkalkmortel.nl, e-mail info@schelpkalkmortels.nl
	 Levert Bremer schelpkalkmortels met technische informatiebladen.
-	 Stichting Technisch Centrum voor de Keramische Industrie (TCKI)
	 Postbus 27, 6880 AA Velp (Gld)
	 Telefoon 026-3845600
	 Website www.tcki.nl
	 Doen onderzoek naar de kwaliteit van baksteen, vochtopname en gebreken.
-	 Vereniging Nederlandse Voegbedrijven (VNV)
	 Dukatenburg 90-93, 3437 AE Nieuwegein, telefoon 030-6381938
	 Website www.vnv-voeg.nl, e-mail secretariaat@vnv-voeg.nl
	 De hierbij aangesloten restauratievoegers hebben zich verenigd in het Gevelgilde met een
	 eigen erkenningsregeling en een richtlijn voor restauratievoegwerk.
-	 Zilverschoon Randwijk, Renkumse Veerweg 3, 6666 LE Heteren
	 Telefoon 026-4720115
	 Website www.steengalerijoverbetuwe.nl, e-mail info@steengalerijoverbetuwe.nl
	 Levert gebakken vormstenen in allerlei maten en kleuren. Maakt gebruik van oude zigzag-
	 oven met het oorspronkelijke bakproces.
Verantwoording afbeeldingen:
K. Boeder: afbeelding 1 t/m 7, 9, 11 t/m 18, 20 t/m 29, 31 t/m 46, 48 t/m 51, 53, 55 t/m 65, 67 t/m
71, 73 t/m 92 en 94 t/m 99.
Folder van Importeur Frybo Bolsward: afbeelding 47.
Bewerkt naar C. Groot, Rapport Kwaliteitseisen: afbeelding 30.
Bewerkt naar Donald Insall, The Care of Old Buildings Today: afbeelding 8.
Bewerkt naar C. F. Janssen, Behoud en Herstel: afbeelding 10.
Bewerkt naar Praktijkreeks Cultureel Erfgoed: afbeelding 66 en 72.
Bewerkt naar RCE: afbeelding 19, 52, 54 en 93.
Naast de redactieraad is de eerste versie van deze tekst ook gelezen door R. Crévecoeur, Epe en
Carla Rogge architectuur-historica Amstelveen. Alle aanvullingen en waardevolle opmerkingen
zijn voor zover mogelijk verwerkt in de tekst
92