2




                                    DANK AAN TIMMY                           MOOD




                              ...
3

Inhoudsopgave

             INLEIDING


Hoofstuk 1   TIMMY MOOD
    1.1      Biografie geënt op de probleemstelling    ...
4

                                             Inleiding
Iedere filosofische of theologische stroming, maar ook de medisc...
1


                                                Hoofdstuk 1
Timmy Mood
Begin mei 2004 werd ik gebeld door een docent v...
2

In de pauze krijg ik specifiekere vragen: “Hoe oud ik ben; of ik kinderen heb, getrouwd ben, etc.”
Eén kind reageert ‘s...
3

1.3 Het begin: de grot- en landschapsessies
Omdat de ‘Grot- en Landschapserie’, tijdens mijn studie aan academie De Wer...
4

1ste sessie – In de grot
Aan het begin van de 1ste sessie vertel ik Timmy dat hij al schilderend
een reis gaat maken. D...
5

4de sessie Grot en Landschap – De rivier
In eerste instantie heeft Timmy zin om te schilderen. Maar gaandeweg
het schil...
6

een vriend heeft gemaakt in het dorp en dat deze vriend graag met hem mee wil reizen. Hij blijft een
tijdje naar de sch...
7

9de sessie Grot en Landschap – Land in zicht
Timmy ziet er kwetsbaar uit tijdens deze sessie en lijkt wat in zichzelf g...
8

1.4 De tussenfase: vormschilderen & vormboetseren
Alvorens met Timmy binnen het kader van mijn 4dejaars stage verder te...
9

                                                  Hoofdstuk 2
Beeldentaal
Beelden zijn belangrijk in ons leven. Beelden...
10

2.2 Archetypen
Moderne theorieën over de betekenis en toepassing van symbolen zijn grotendeels gebaseerd op het
pionie...
11

                                                Hoofdstuk 3

3.1 De eindfase: op weg naar de voet van de regenboog
Als...
12

mee te blijven ‘reizen’ met de toneelspelers of te kiezen voor een vaste verblijfplaats, een vaste
verbinding, binnen ...
13

Dat in sommige landen mensen al nieuwe ontdekkingen gingen doen en daardoor begonnen te leren wat
ze wilden leren en z...
14

Oxford trokken om hun geluk te zoeken. In eerste instantie zwegen de mannen toen hij was uitgesproken,
maar toen maakt...
15

4de sessie Op weg naar de regenboog – De pijper
Hugh was nu bijna twee maanden bij het gezelschap en had al heel veel ...
16

5de sessie Op weg naar de regenboog – Seisin van de broederschap
In september kwam het gezelschap aan op de grote jaar...
17

hij en zij is opvallend. Als ik hem vraag of het een ‘zij’ is, wordt hij zichtbaar onzeker en zegt dat het een
‘hij’ i...
18

Maar na een korte stilte vertelt hij, dat hij gelooft, dat iemand die dood gaat, niet écht dood gaat. Dat
‘zij’ dan in...
19

Toen de tijd kwam dat hij hen moest verlaten gaf de abt hem het toverzwaard Meribah, zoals hij had
beloofd. En Sint Jo...
20

donkerrood wambuis, een beetje ouder dan Hugh, die eruit zag als het soort jongen met wie je fijne
avonturen zou kunne...
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Publicatie kunstzinnige therapie:  Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Publicatie kunstzinnige therapie: Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005

5,795 views

Published on

Verslag van een 12-jarige jongen die door middel van kunstzinnige therapie een rouwproces doormaakt.

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
5,795
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
53
Actions
Shares
0
Downloads
106
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Publicatie kunstzinnige therapie: Op Weg Naar De Voet Van De Regenboog Auteur Nicole De Vries 2005

  1. 1. 2 DANK AAN TIMMY MOOD A Coat I made my song a coat overed with embroideries out of old mythologies from head to throat; But the fools caught it, wore it in the world’s eyes as though they’d wrought it. Song, let them take it, for there’s more enterprise in walking naked. William Butler Yeats Copyright © Nicole de Vries 2005 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur
  2. 2. 3 Inhoudsopgave INLEIDING Hoofstuk 1 TIMMY MOOD 1.1 Biografie geënt op de probleemstelling 01 1.2 De observatieperiode 01 1.3 Het begin: de ‘Grot- en Landschap’ sessies 03 1.4 De tussenfase: Vormschilderen & Vormboetseren 08 Hoofstuk 2 BEELDENTAAL 2.1 Symbolen o9 2.2 Archetypen 10 Hoofstuk 3 OP WEG NAAR DE VOET VAN DE REGENBOOG 3.1 De eindfase: op weg naar de voet van de regenboog 11 Hoofstuk 4 HYPOTHESE VERVOLGTHERAPIE 4.1 Het begin 22 4.2 De tussenfase 22 4.3 De eindfase 22 4.4 Conclusie 23 4.5 Timmy Mood beschouwt vanuit de 4 wezensdelen 23 4.6 Vervolgtherapie 24 Sessie 1 t/m 6: Kleur- en vormbeleving Voorbeelden van de zeven archetypen van het ganzenbord; gebruikt bij de presentatie 25 Sessie 7 t/m 14: Via het Ganzenbord naar de abstractie 26 Voorbeeld eigentijds ganzenbord; gebruikt bij de presentatie 27 NAWOORD 28 LITERATUUROPGAVE 29 Bijlage 1 HET PERSPECTIEF VAN DE VIER WEZENSDELEN Bijlage 2 HET PERSPECTIEF VAN DE DRIELEDIGHEID: LICHAAM, ZIEL EN GEEST Bijlage 3 DE DRIELEDGHEID VAN DE ZIEL Bijlage 4 ONTWIKKELINGSFASEN VAN HET KIND Bijlage 5 HET IK IN DE KINDERLIJKE ONTWIKKELING Bijlage 6 ONTWIKKELING VAN HET DENKEN – VOELEN – WILLEN Bijlage 7 ONTWIKKELING VAN DE ZINTUIGEN
  3. 3. 4 Inleiding Iedere filosofische of theologische stroming, maar ook de medische wetenschap en sociale sector ontkomt er naar mijn mening niet aan, bewust of onbewust, een mensbeeld te hanteren. Een ieder die zich in één van dezen begeeft heeft een bepaald beeld van de mens, van ‘hoe de mens in wezen is’, van hoe hij/zij de mens ziet. Een mensbeeld omvat in de regel een visie op de menselijke ontwikkeling of existentie. Vanuit een bepaald mensbeeld zal een aanhanger/sympathiesant daarvan ook altijd kijken en proberen te verklaren wat verstoringen zijn en waarom deze optreden. Zo zal eenzelfde gedrag vanuit de ene theorie heel anders verklaard worden dan vanuit de andere. Het mensbeeld bepaalt wat er als normaal en niet- normaal gezien wordt en welke verschijnselen waargenomen worden. Als bijvoorbeeld uitsluitend een materiële werkelijkheid in of aan de mens onderscheiden wordt (monistische theorieën), zal vooral met overeenkomstig werkende geneesmiddelen gewerkt worden en zal aan de ontmoeting met de ander minder aandacht besteed worden. Als een triadische theorie de grondslag van het mensbeeld is, zal deze uitgaan van een drievoudige opbouw van de mens (bijvoorbeeld bij Aristoteles: lichaam, ziel en geest). Een kunstzinnig therapeut werkt vanuit het Antroposofisch mensbeeld. Antroposofie is een geesteswetenschap die de wereld achter de fysiek waarneembare wereld als een realiteit neemt. Vanuit de antroposofie is een mensbeeld ontwikkeld en dit mensbeeld wordt gehanteerd binnen de diverse werkgebieden van de antroposofie, zoals de pedagogie, de biologisch dynamische landbouw, de geneeskunde en ook de kunstzinnige therapie. Bij het antroposofische mensbeeld wordt uitgegaan van de volgende ideeën: De mens is niet een wezen dat slechts lichamelijk geboren is en uit dat lichamelijke bepaalde geestelijke eigenschappen ontwikkelt, die er door de erfelijkheid ingelegd zijn. De mens is een wezen, dat deelneemt aan twee werelden, aan een stoffelijk-lichamelijke en aan een goddelijk-geestelijke. Daarbij is het antroposofische mensbeeld zeer uitgebreid en kent het vele invalshoeken of perspectieven om naar de mens te kijken. Het ligt niet in de lijn van deze scriptie om uitgebreid de mensbeeldtheorieën en verschillen of overeenkomsten daartussen te beschrijven; maar daar de kunstzinnig therapeut in de regel uitgaat van een duidelijk mensbeeld, namelijk het Antroposofisch mensbeeld, ontkom ik er voor mijn gevoel toch niet aan deze kort te beschrijven omdat dit mensbeeld invloed heeft op de middelen die bij een behandeling gebruikt worden in de ontmoeting met de hulpvrager. Ik heb er voor gekozen om de antroposofische uitwerking en onderbouwing van mijn scriptie als bijlagen toe te voegen. Diegenen die naast deze informatie meer verdieping wil over de diverse invalshoeken die beschreven staan in deze bijlagen, verwijs ik naar de opgenomen literatuurlijst. Het thema van deze scriptie is rouwtherapie, maar u zult deze benaming verder niet meer tegenkomen. Ook zult u geen hoofdstuk aantreffen over diverse rouwfases en de therapeutische behandeling daarvan. Ik heb mij namelijk vanaf het begin van mijn stage niet op deze benaming, en alles wat daarover gezegd en geschreven is, willen vastleggen en zo ook het kind waarmee ik werkte niet willen vastzetten binnen dit kader. Waarom ik hiervoor gekozen heb zal u duidelijk worden in het verhaal van Timmy Mood*. Tevens zal het u -naar ik hoop- duidelijk worden, dat achter ieder beeld een waarheid verborgen ligt en dat deze waarheid alles te maken heeft met het leven en de dood. Nicole de Vries 2005 * Timmy Mood is een gefingeerde naam
  4. 4. 1 Hoofdstuk 1 Timmy Mood Begin mei 2004 werd ik gebeld door een docent van de Tobiasschool in Amsterdam*. Hij informeerde of ik al een stageplek had en sprak vervolgens zijn zorg en machteloosheid uit over het lot van één van de leerlingen van de Tobiasschool. Zijn vraag aan mij kwam er in het kort op neer of ik binnen mijn stageperiode ‘iets’ met dit kind kon doen. Gezien mijn ruime ervaring in het verleden met getraumatiseerde kinderen schrok deze vraag mij niet af; wel wist ik -juist door mijn ervaringen in het verleden- dat het een situatie kon zijn van ‘erop of eronder’. Daar bedoel ik mee, dat de ziel van het getraumatiseerde kind zich bij verkeerde benadering nog verder kan terugtrekken en zelfs -in ernstige gevallen- definitief kan afhaken. Daarbij was het voor mij een serieuze vraag of ik dan wél de juiste persoon was om ingang bij dit kind te vinden. Tenslotte had het kind toch al kunstzinnige therapie gehad en als zelfs een traumapsycholoog de sessies had moeten beëindigen zonder resultaat….. Ik stelde daarom voor, alvorens een toezegging in deze te doen, gedurende drie weken dit kind –genaamd Timmy Mood- binnen de groep te observeren en van daaruit een weloverwogen besluit te nemen. 1.1 biografie geënt op de probleemstelling Timmy is als twee-eiige tweeling geboren op 10 september 1991 onder het gesternte van maagd. Van het begin af aan was Timmy trager dan zijn iets oudere broer en behoefde meer zorg en aandacht. Deze kreeg hij vooral van de moeder, waardoor hij een enorme sterke band met haar heeft opgebouwd. In een gesprek met de vader van Timmy begreep ik dat beide ouders nog erg jong waren toen de tweeling zich aankondigde en dat hij, de vader, eigenlijk nog niet ‘klaar’ was voor de verantwoordelijkheid van het vaderschap en daardoor soms verstek liet gaan. In de loop van de jaren ontstaat er steeds meer spanning binnen het gezin en er is sprake van een tijdelijke echtscheiding. De kinderen blijven in deze periode bij de moeder wonen. Op het moment dat beide ouders besluiten toch weer samen als gezin verder te gaan overlijdt moeder door een fataal auto-ongeluk. De inslag is groot. In eerste instantie verbindt het verdriet de vader en beide jongens, maar na bepaalde tijd trekt in het bijzonder Timmy zich steeds meer terug uit dit sociale rouwproces en wordt emotioneel onbereikbaar voor zijn vader en broer. Hij uit dit enerzijds door enorme woedeaanvallen en onredelijkheid, en anderzijds door totale emotionele onbereikbaarheid. Ondanks wanhopige pogingen van vader weigert Timmy nog langer over zijn verdriet, zijn moeder en het verlies van haar te praten. Vader schakelt daarop een traumapsycholoog in, maar ook deze weet niet door het verzet van Timmy heen te breken, waarop vader de therapie beëindigt. De school maakt zich tevens grote zorgen om de jongen, omdat de emotionele geslotenheid ook daar gehandhaafd wordt wat zorgt voor een ernstige ontwikkelingsachterstand op alle niveaus, zowel fysiek, als cognitief, als emotioneel. Daar de jongen zich met name niet meer verbaal wil c.q. kan uiten, wordt er gekozen voor Kunstzinnige therapie binnen de veilige muren van de school. Ook deze sessies hebben niet als resultaat het gestagneerde rouwproces weer op gang te brengen; het tegendeel, Timmy’s verzet tegen elk appèl op zijn gevoelsgebied wordt nog groter. Zo ook is er sprake van lichamelijke regressie, waaronder o.a. het poepen in de broek. Een jaar na het overlijden van moeder valt Timmy uit zijn slaapkamerraam en belandt daardoor met ernstige verwondingen in het ziekenhuis. Het vermoeden bestaat dat dit gebeurde tijdens een ‘slaapwandeling’, maar niemand durft dit met zekerheid te bevestigen. Inmiddels heeft de vader een nieuwe vrouw ontmoet die een zoontje heeft van dezelfde leeftijd als Timmy en zijn tweelingbroer. De broer lijkt weinig aanpassingsproblemen te hebben met deze nieuwe situatie, maar Timmy daarentegen trekt zich nog verder terug. 1.2 De observatieperiode Als ik eind mei 2004 mijn intrede doe in groep 9 van de Tobiasschool in Amsterdam en rustig - als observant - achter in de klas ga zitten, ontstaat er gelijk roering. De kinderen zijn zenuwachtig, nieuwsgierig, sommigen ietwat afwachtend, anderen in de rol van kritische observant en sommigen schelms aandachtvragend. Het duurt niet lang alvorens de vragen losbarsten: “Wie ben ik; wat kom ik doen en hoe lang blijf ik?”. * Tobiasscholen vallen onder het Speciaal Onderwijs op grondslag van de Antroposofie
  5. 5. 2 In de pauze krijg ik specifiekere vragen: “Hoe oud ik ben; of ik kinderen heb, getrouwd ben, etc.” Eén kind reageert ‘schijnbaar’ niet op mijn aanwezigheid; hij stelt geen vragen, heeft geen nieuwsgierige blik en lijkt verdiept in zijn eigen bezigheid: het krabbelen c.q. tekenen op een klein stukje papier wat voor hem ligt. Aan het einde van de schooldag, als de kinderen bij het weggaan hun meester en mij een hand geven, krijg ik van hem een snelle, ontmoetingsloze hand, zonder geluid- of oogcontact. De naam van dit kind is Timmy Mood en het zal nog ruim twee weken duren voordat de eerste schreden tot een échte ontmoeting met hem zal plaatsvinden. In de tussentijd hou ik mij quasi van hem terug; leg contact met andere kinderen; surveilleer consequent op het schoolplein, ben regelmatig aanwezig in de klas, bij uitjes en andere activiteiten. Intussen observeer ik Timmy, zo onopvallend mogelijk, in allerlei schoolse situaties, om zodoende een beeld van hem, zijn positie in de klas en zijn zielestemmingen te krijgen. Uit deze observaties concludeer ik dat hij zich vooral op jongens richt qua contact en uitwisseling. Hij toont zich niet geïnteresseerd in meisjes. Ook binnen samenwerkingsgroepjes in de klas of op het schoolplein valt op dat hij in jongensgroepen zit. Toch heb ik het idee dat hij zich niet echt verbindt met deze groepen. De kinderen komen ook vaak naar hem toe en niet andersom. Timmy maakt over het algemeen een dromerige, in zichzelf gekeerde, timide, eenzame indruk op mij. De gehele dag door zit hij met zijn capuchon over het hoofd, voorovergebogen te tekenen op kleine velletjes papier. Hij mengt zich niet actief in groepsdiscussies, hoewel hij deze wel zijdelings volgt. Hij gaat regelmatig een ongebreidelde, bijna dwangmatige discussie aan met de docent, vooral als deze hem begrenst of corrigeert in zijn ‘eigen’ activiteit. Maar zo ook blijkt hij zeer gevoelig voor positieve beloning. Tijdens sportactiviteiten zie ik een heel ander beeld van hem; het is duidelijk te zien dat het lichamelijk in beweging zijn hem goed doet, dat hij er plezier in heeft; dat hij niet enkel uiterlijk, maar ook innerlijk in beweging komt. Tijdens competitie- en teamspelletjes maakt hij met alles en iedereen contact, is hij zeer dominant en fanatiek; heeft hij enorm veel lol en lacht opvallend veel, vooral als een ander kind iets verkeerd doet. Maar tevens blijkt zijn socialiteit en grootmoedigheid tijdens het gebruik van vrijspelatributen. Als tijdens zijn verwoede pogingen om op een grote plastic bol te kunnen balanceren een ander kind aan hem vraagt of zij de bal mag hebben staat Timmy deze als vanzelfsprekend af en wacht geduldig totdat het andere kind deze weer links laat liggen om zijn spel te hervatten. Na twee weken is daar onverwacht een eerste ontmoetingsmoment in de tram; terwijl ik verdiept ben in een boek staat daar inene Timmy Mood voor mij. Als ik opkijk zegt hij mij gedag en gaat schuin tegenover mij zitten en draait zijn hoofd weg. Via de spiegeling van de ramen observeren wij elkaar stiekem, doch zeer nauwkeurig. Dit ritueel zal zich nog een aantal malen herhalen. Juist omdat Timmy een aantal maal uit zichzelf -al was het summier en verhuld- contact met mij maakte, concludeerde ik daaruit dat ik, als mens, zijn nieuwsgierigheid gewekt had. Daarbij interpreteerde ik zijn continue drang om te tekenen als behoefte om zich beeldend te willen, moeten uiten. Ik vond dit voldoende basis om de sprong te wagen en bedacht een plan van aanpak. Kinderen die rouwen worden, net zoals volwassenen, heen en weer geslingerd tussen ontkenning, verzet, boosheid, angst, paniek, idealisering en zich vastklampen. Ze worden geconfronteerd met pijn die een weg zoekt in hun lichaam. Ontkenning, van de dood van een geliefde betekent daarom in mijn ogen, dat het kind op dat moment het verdriet gewoonweg niet aankan. De ontkenning of het verzet is een natuurlijke bescherming voor de té grote pijn. Ik besloot daarom niet de weg te bewandelen van een open en confronterende rouwtherapie. Het was voor mij duidelijk dat ik hem letterlijk moest lokken, verleiden, om met mij aan het werk te gaan en dit zeker niet onder de vlag van Kunstzinnige therapie. Ik zou eerder als kunstenaar dan als therapeut een relatie met hem aan moeten gaan. Belangrijk was dat ik hem het gevoel zou geven dat hij er mocht zijn op de manier zoals hij er wilde zijn. Dat betekende dat hij vanuit vrijwilligheid met mij zou moeten willen werken en niet opgelegd door de vader of de school. Om dat te bewerkstelligen besloot ik allereerst met die klasgenoten aan het werk te gaan met wie hij zich het meest verbonden wist, om zo via hun enthousiasme zijn interesse te wekken. Dit lukte, en wij -Timmy Mood en ik- begonnen aftastend en tegelijkertijd onbevangen aan onze wonderbaarlijke reis, die ons uiteindelijk bracht bij de voet van de regenboog*, de brug tussen hemel en aarde. * Zie hoofstuk 3 - ‘Op weg naar de voet van de regenboog’.
  6. 6. 3 1.3 Het begin: de grot- en landschapsessies Omdat de ‘Grot- en Landschapserie’, tijdens mijn studie aan academie De Wervel, op mij persoonlijk een enorme indruk had gemaakt als zowel diagnostisch als therapeutisch middel binnen de Kunstzinnige therapie, leek het mij een uitdaging om deze serie te beproeven -en zonodig te vertalen- binnen de doelgroep van 10 t/m 13 jarigen. Ik was met name nieuwsgierig of de diagnostische kracht van deze serie ook binnen deze leeftijdsgroep toepasbaar is. Daar ik mij vooral op de diagnostische vraag wilde toeleggen besloot ik geheel blanco met de kinderen aan het werk te gaan. Behalve de zeer summiere informatie over Timmy Mood wist ik niets over de kinderen; niets over de reden van hun aanmelding op de Tobiasschool en niets over hun thuissituatie. Zodoende kon ik vrijwel objectief beoordelen of binnen de schilderingen de problematiek van het kind zichtbaar was geworden. Het verheugde mij dat dit bij alle kinderen het geval was*. Binnen het kader van deze scriptie beperk ik mij natuurlijk tot de sessies met Timmy Mood, daar het werken met dit kind mijn afstudeerproject is geworden. De ‘Grot- en Landschapreeks’ is een fictieve reis, opgebouwd uit archetypische zielebeelden waarbij een figuurtje en een diertje samen vanuit een grot de wereld in trekken. De reis gaat over land en zee en eindigt tenslotte in het aankomen en vestigen op nieuw land. Vanaf de eerste sessie heb ik het schilderen van deze serie naar de kinderen toe als een kunstzinnig project benoemd en nadrukkelijk niet als een onderdeel van kunstzinnige therapie. Zoals ik al eerder beschreef heb ik deze keuze bewust gemaakt om Timmy’s verzet tegen elke vorm van therapie te omzeilen. Omdat ik de serie diagnosticerend wilde hanteren heb ik niet sturend of via visuele voorbeelden gewerkt. De begeleiding zat voornamelijk in de techniek van het nat-in-nat schilderen, aanmaak aquarelpigment, kleurmenging en kleurperspectief. Met in mijn achterhoofd de woorden van de kunstenaar Paul Klee -‘Kunst geeft niet het zichtbare weer, maar kunst maakt zichtbaar’- hoopte ik aan de schilderingen van Timmy niet enkel zijn biografie, maar ook zijn drie- en vierledigheid* af te kunnen lezen, om zodoende op non-verbale wijze een beeld te krijgen van zijn denk- gevoels- en wilsleven. Daarnaast koos ik bewust voor de techniek van het nat-in- nat schilderen met de glanskleuren (geel, rood, blauw), omdat hij met name een teruggetrokken, zo niet verkrampte indruk op mij maakte in het zielegebied c.q. gevoelsgebied. Het appèl op Timmy’s kunstenaarsziel bleek de juiste ingang om hem te ontmoeten. Hij genoot zichtbaar van ‘zijn reis’, het schilderen en de gesprekken over kleurmenging, compositie, kleurperspectief, etc. In het verloop van de sessies heb ik Timmy langzaam innerlijk in beweging - naar buiten - in verbinding, en tot enthousiasme zien komen. De stilte van de eerste sessies werd langzaam doorbroken, tot hij in de laatste sessie al schilderend, vanuit een eigen innerlijke beweging mij vertelde dat zijn moeder was overleden, hoe zij was overleden, dat ze er altijd voor hem was en hoezeer hij haar miste. Wij spraken over wat hij precies miste en wat er voor hem allemaal veranderd was in zijn leven van alle dag. Hoe eenzaam, bang, bedreigd en geïsoleerd hij zich voelde; over de nieuwe vriendin van vader en het zogenaamde nieuwe stiefbroertje, die hij ‘té irritant’ vond. Natuurlijk raakte zijn verhaal mij diep, maar het was zijn schildering die mij het meest ontroerde! (zie 2de schildering op pagina 7) Het innerlijke proces wat hieraan vooraf ging liet hij op non-verbale, beeldende wijze zien in zijn schilderingen: het in aanvang zwaar bewapende figuurtje, veelal in gevechtshouding -tegenover onzichtbare vijanden- en sterk begrensd ten opzichte van de omgeving, vindt de kracht om angst, eenzaamheid en doodsgevaar te trotseren en bereikt uiteindelijk in de laatste schildering ongewapend nieuw land; waar ‘iemand’ op hem wacht, die dezelfde reis als hij heeft meegemaakt en die hem zodoende zal begrijpen als hij over zijn reis verhaalt. In de laatste sessie bespraken wij niet alleen meer fenomenologisch alle schilderijen. We spraken ook over ‘de reis’ en hoe zwaar deze was geweest. We spraken over zijn zware bewapening en het continue in gevecht zijn met eenzaamheid, angst en gevaar. En we spraken over de laatste schildering, waarin hij zijn nieuwe land verbeeldde. Dat hij daar alleen nog een mes droeg en dit gebruikte voor het kappen van hout voor een nieuw huis. Van wie die grote ogen waren, bespiedend op hem gericht vanuit het woud. Dat zijn beschermend gezelschap zowel een zichtbaar als onzichtbaar dier was. Als afsluiting wilde Timmy persè de gehele schilderserie presenteren aan de klas; hij wilde zijn klasgenoten deelgenoot maken van ‘zijn’ reis! Het was ontroerend om te zien hoe dit ventje, zelfverzekerd en met rode konen, al wijzend met een provisorische aanwijsstok zijn klasgenoten meenam op zijn reis. En zo ook was het ontroerend om te zien hoe vanzelfsprekend zijn klasgenoten met hem meegingen; hoe serieus zij hem namen en zich lieten betoveren. Hij vertelde over zijn strijd, zijn eenzaamheid, hoe zijn diertje hem redde van een wisse dood in de kolkende zee, het nieuwe land, zijn ontwapening en van wie die ogen waren die hem bekeken vanuit het dichte woud. Ik was natuurlijk bevooroordeeld, maar ik was trots op hem, súper trots; en ik was dankbaar en blij dat hij de kracht had gevonden zich opnieuw te verbinden met de buitenwereld. * Ik schrijf hier uitgebreid over in mijn 3de-jaars stage verslag Kunstzinnige therapie * Voor een uitgebreide beschrijving van de drie- en vierledigheid zie de bijlagen 1 en 2
  7. 7. 4 1ste sessie – In de grot Aan het begin van de 1ste sessie vertel ik Timmy dat hij al schilderend een reis gaat maken. Dat ik hem elke keer zal vertellen waar hij naar toe gaat en welke vaste onderdelen er in de schildering verwerkt moeten worden. Naast deze vaste onderdelen is hij geheel vrij om te schilderen wat hij wil. De reis begint in een grot, waar we een figuurtje, een vuurtje en een jong diertje kunnen waarnemen. Ik heb Timmy geheel op eigen wijze laten schilderen. Dit om te zien hoe hij vanuit zichzelf de verf en het penseel hanteert. Hij besteedde veel aandacht aan het mengen van water en pigment, maar schilderde te nat omdat hij telkens vergat zijn penseel af te strijken. Dat hij in de plaats van een warm vuurtje enkel kolen en as wilde schilderen verbaasde mij. Symbolisch gezien vond ik het wel treffend: opgesloten vuur! Zijn figuurtje is binnen deze eerste schildering zeer klein en verborgen achter een groot ninjaschild en zwaard. Het dier wat hij gekozen heeft: een draak, is wonderlijk genoeg het archetype van de innerlijke wereld van emoties en het onbewuste. 2de sessie – Grot en uitzicht Het vuur laait hoog op deze keer en is oranjerood. Het diertje (wat binnen deze serie gelezen wordt als staand voor het astrale, het gevoelsgebied) is blauw en geheel met oranje begrensd. Het relatief kleine figuurtje is tevoorschijn gekomen en draagt een wapenuitrusting. Buiten de grot schildert hij twee reusachtige bomen (archetype voor levenskracht); enkel het groen en de stammen zijn zichtbaar, niet de wortels. Zijn grot bevindt zich dus op zeer grote hoogte, in de lucht. Wat opvalt aan beide bomen zijn de breukvlakken. De levensenergie is ingesnoerd. Het diertje -dat staat voor het gevoelsleven- is sterk en geheel begrensd; niet in verbinding met de buitenwereld. 3de sessie – De waterval Timmy werkt ontspannen, geconcentreerd en serieus. Onder het schilderen vertelt hij dat hij in de grote vakantie met zijn vader en tweelingbroer naar de Pyreneeën gaat. Als ik hem vraag wat ze daar gaan doen dan zegt hij dat niet te weten. Tijdens het praten kijkt hij mij nog steeds niet aan, maar hij neemt duidelijk al mijn handelingen scherp waar. Ik overweeg om hem te vragen naar zijn moeder (“En je moeder dan? Gaat zij niet mee op vakantie?”) Ik besluit dit niet te doen, intuïtief voel ik dat het nog te vroeg is. Opvallend aan de schildering is de symmetrie en de drie watervallen, waarvan de middelste het meest duidelijk in vorm en kleur en twee breukvlakken heeft. Als ik hem vraag waarom hij een vraagteken boven het figuurtje heeft geschilderd beantwoordt hij dit met: “ik vraag mij af waarom mijn diertje zo’n plezier heeft”.
  8. 8. 5 4de sessie Grot en Landschap – De rivier In eerste instantie heeft Timmy zin om te schilderen. Maar gaandeweg het schilderproces neem ik zowel aan hem uiterlijk als aan zijn schildering waar dat hij zich ongemakkelijk voelt. Zijn houding wordt ongeconcentreerd, onrustig en hij maakt geen enkel contact meer met mij. Hij schildert veel te nat, waardoor alles uitvloeit geen vorm kan krijgen en de kleuren verdwijnen. Hij doet geen poging de schildering te redden, maar besluit al vrij snel dat het klaar en goed is zo. Hij wil weg, terug naar de groep. Ook binnen deze schildering is de symmetrie opvallend! Er zijn veel hartachtige vormen zichtbaar en de (Levens) rivier stroomt niet, maar lijkt bevroren. Het diertje (gevoelsleven) gaat ten onder in de levensrivier. Het Figuurtje vloeit uit, is onbegrensd, bewapend en in gevechtshouding. Er zit geen kracht meer in de penseelstreek en de kleuren zijn vaal en dood -de levenskrachten zijn lamgeslagen. Binnen deze schildering is duidelijk een crisis op gevoelsniveau zichtbaar. Biografisch gelezen staat deze schildering voor de periode van het 10e - 11e jaar. Rond deze leeftijd heeft Timmy zijn moeder verloren. 5de sessie Grot en Landschap – De vesting Wanneer Timmy de opdracht hoort zegt hij “Ik ga mijzelf groot maken”, vervolgens vraagt hij of hij eerst het dorp mag schetsen met potlood. Ik vertel hem dat dit niet de bedoeling is, omdat dit echt een schilderreeks is. In eerste instantie gaat hij schilderend aan het werk, maar als hij het dorp vorm wil geven schetst hij deze (automatisch?) met de achterkant van het penseel. Als ik daar een opmerking over maak, zegt hij dat zo’n klein dorpje niet met de kwast geschilderd kán worden; dat het wel zo moet. Als we de schildering samen van een afstand bekijken, besluit hij dat het nog niet goed is. Hij verandert het diertje dat naast het figuurtje staat in een grote rots en ‘tekent’ aan de andere kant van het figuurtje het nieuwe diertje in enkel contour. Hij zegt daarvan dat het diertje nu ‘onzichtbaar’ is geworden zodat eventuele vijanden hem niet kunnen zien. De schildering doet erg desolaat aan. De kleur is nagenoeg verdwenen. Het diertje is getekend, wat erop zou kunnen duiden dat het gevoelsgebied bij dit beeld niet tot uitdrukking kan komen. Op deze leeftijd zie je meestal niet meer dat kinderen rook uit schoorstenen schilderen of tekenen. Rook gezien als archetype staat voor de verbinding met de geestelijke wereld. Het figuurtje is nog steeds zwaar bewapend en staat in gevechtshouding tot de rots (?) naast hem. Het archetypisch beeld voor ‘de vesting’ is een sociaal anker, een nieuwe subcultuur. Biografisch gelezen heeft deze schildering met het nú, het heden van de persoon te maken; het bewustzijn van de wereld, cultuur waarin je leeft en het contact met deze wereld, cultuur. In de schildering lijkt het dorpje boven de aarde te zweven en is naar verhouding erg klein. 6de sessie Grot en Landschap – Het woud Gelijk bij binnenkomst vraagt Timmy of hij de volgende schildering mag tekenen. Het schilderen, met name nat-in-nat, doet een appèl op het gevoelsgebied. Dat Timmy met deze vraag onbewust aangeeft daar moeite mee te hebben snap ik dus wel, maar toch wil ik dat hij zoveel mogelijk probeert te blijven schilderen. Ik heb de vorige schildering van ‘De vesting’ opgehangen en vraag hem wat er gebeurd is; is hij de brug overgegaan naar het dorp of is hij doorgelopen? Timmy vertelt dat hij naar het dorp is gegaan en dat hij daar veel vijanden heeft gemaakt. Hij is door stenengooiende mensen het dorp uitgejaagd en het woud ingevlucht. (Ik ben zeer verbaasd dat hij zelf over ‘een woud’ begint - het woud is archetypisch voor de ziel, het gevoelsgebied). Op zijn vlucht wordt zijn diertje, dat in het dorp onzichtbaar was, weer zichtbaar en de mensenmenigte die hem achtervolgt deinzen voor deze gedaante terug en worden bang. Dit is het beeld wat hij vandaag wil schilderen. Ik ga akkoord daar zijn beeld past binnen de opdracht. Als hij klaar is ziet hij een schildering van een andere leerling die ligt te drogen. Hij vraagt waarom deze leerling twee figuren heeft geschilderd. Ik vertel hem dat de jongen die deze schildering gemaakt heeft,
  9. 9. 6 een vriend heeft gemaakt in het dorp en dat deze vriend graag met hem mee wil reizen. Hij blijft een tijdje naar de schildering kijken, maar reageert er uiterlijk niet op. Vervolgens kijken we samen naar zijn vorige schildering, die van ‘De vesting’. Ik wijs hem op zijn vechthouding en vraag: “Je bent altijd in gevecht hè?”. “Nee hoor” zegt hij, maar dan ziet hij het zelf ook. Wijzend op de schildering van de andere jongen zegt hij dat deze eerst ook een wapen had. “Já dat klopt zeg ik, maar sinds hij een vriend heeft niet meer; misschien voelt hij zich veilig bij deze vriend.” Timmy denkt na, kijkt weer aandachtig naar de schildering van de twee figuren in het woud, maar reageert niet. Voordat hij afscheid van mij neemt zegt hij over de volgende schildering: “Ik ga volgende week een boot bouwen in het woud en dan via de rivier weg.” Hij geeft tot mijn stomme verbazing weer zelf de volgende opdracht aan. Deze schildering zegt iets over hoe iemand in zijn vel zit qua gevoelsleven en de ziel. Driekwart van de schildering beslaat de kleur rood (met name de bodem c.q. aarde); het kleurgebruik is helder en intens! Het figuurtje is nu kleiner dan het diertje (dat was eerst andersom), nog steeds bewapend en in defensieve gevechtshouding. Opvallend is de evenwichtige compositie, wat duidt op bewustzijn van het eigen wezen in de omgeving. Hoopvol is dat de levensrivier begint te stromen. ! 7de sessie Grot en Landschap – De boot Timmy komt ontspannen binnen en begint gelijk het woud te schilderen in heldere, genuanceerde groenen. Het bootje is in eerste instantie een getekend vlot met een richtingaanwijzer daarop. We kijken samen van een afstand naar dit vlot en Timmy besluit daarop het vlot met een groot penseel in te kleuren en maakt van de richtingaanwijzer een mast met een zeil daaraan opgehesen. Als ik hem vraag waarom hij niet op het vlot zit antwoordt hij: “Eerst zien of het wel veilig is; of het niet zinkt.” Tijdens het vormgeven van het figuurtje zegt hij: “Zo… het zwaard kan weg!” Ik reageer daarop met: “ Oh… mooi, eindelijk.” Hij kijkt mij daarop aan en een bevrijdende lach is zijn reactie. Vervolgens wil hij weten waarom ik “eindelijk!” zei. Ik zeg hem dat het weglaten van het zwaard wel eens zou kunnen betekenen dat het nu veilig is. Terwijl hij dit beaamd is daar weer die open en bevrijdende lach. Ondanks dat mijn hart een sprongetje maakt door deze ontwikkeling blijf ik toch alert, want het diertje tekent hij weer enkel in contour, wat in zijn beeldtaal staat voor onzichtbaar en voorbereid op gevaar. 8de sessie Grot en Landschap – Open zee Timmy begint vrij rustig en geconcentreerd aan de schildering, maar al gauw komt hij letterlijk in woelig vaarwater. Er wordt een zeer woeste zee zichtbaar en zowel diertje als figuurtje (beiden rood) zwemmen ‘buiten de boot’ voor hun leven in deze woestenij. De boot is transparant en lijkt daardoor te zinken. De zee bestaat uit losse vlakken, die niet met elkaar verbonden zijn. Het is het moment binnen de reeks die staat voor het nú; waar je nú vaart. Ben je zeewaardig? Sta je aan het roer of…? Heb je de wind in de zeilen of…? De zee is het archetype voor het gevoelsgebied. Het commentaar van Timmy over deze schildering bij de nabespreking luidde: “De zee is zo heftig dat mijn boot is vergaan. Ik ga nu op de rug van mijn diertje op zoek naar land.” Weer sta ik met stomheid geslagen; weer weet hij intuïtief het vervolg van de reis.
  10. 10. 7 9de sessie Grot en Landschap – Land in zicht Timmy ziet er kwetsbaar uit tijdens deze sessie en lijkt wat in zichzelf gekeerd. Er wordt tijdens het schilderen weinig tot niet met elkaar gesproken. Bij de nabespreking vertelt hij dat zijn diertje hem brengt naar het land waar hij (het diertje) vandaan komt; het land waar zijn soortgenoten wonen. Op het land wachten twee dierfiguren hen op; één dier is zichtbaar, de andere onzichtbaar (uitgebeeld via contour en vanuit vogelperspectief). Mijn vraag waarom het ene dier onzichtbaar is, beantwoordt hij enigszins ontwijkend met: “gewoon”. Ik vraag mij af of beide landdieren symbool zouden kunnen staan voor zijn ouders, waarvan de moeder is overleden. Het is meer een soort ingeving die ik niet kan onderbouwen dus ook niet verder uitdiep. Er zijn twee standpunten zichtbaar in de schildering: de zee, diertje, figuurtje en één dier op het land (in contour = onzichtbaar) van bovenaf, en het land en andere massieve dierfiguur vanuit vooraangezicht. Het geheel rode dier links op het land trekt de meeste aandacht; door de rode kleur, maar vooral door de rode vlek om kop en hals en het feit dat dit dier in vooraangezicht is geschilderd (het ligt voor je = toekomst). Het diertje en met name het figuurtje hebben massa gekregen en zijn onbegrensd. Wat opvalt aan het figuurtje, is dat deze van kleur is veranderd: niet meer rood maar gelig-wit. 10de sessie Grot en Landschap – Nieuw land Het is de laatste schildersessie en ik ben zeer benieuwd hoe Timmy de laatste opdracht -die staat voor zijn toekomstbeeld- zal gaan vormgeven. Hij zal daarin al mijn verwachtingen ver overtreffen. Hij begint te schilderen met geel en krijgt het voor elkaar om deze kleur -die normaal snel vervaagt en uitvloeit- zeer intens en compact neer te zetten. Terwijl hij zo bezig is begint hij spontaan over zijn tweelingbroer en nieuwe stiefbroertje te vertellen. Dat ze veel ruzie hebben en helemaal niet op elkaar lijken. Als ik hem vraag hoe hij aan een stiefbroertje komt, vertelt hij dat zijn moeder is overleden, wanneer en hoe het gebeurd is. Vervolgens vertelt hij uit zichzelf hoe de situatie thuis veranderde daarna en hoe erg hij zijn moeder mist. Toen zij nog leefde deed hij veel met zijn moeder en er was altijd tijd en ruimte voor hem en zijn vriendjes. Na haar dood was dat afgelopen. Hij vertelt hoe bezorgd zijn vader om hem is; dat hij bang is dat Timmy ook een ongeluk krijgt en dat hij dit wel kan begrijpen. Hij vertelt hoe alleen en eenzaam hij zich voelt. Zo ook dat vader een nieuwe vrouw heeft en dat zij eigenlijk best wel aardig is, maar dat het niet zijn moeder is en nooit zal worden ook. Hij praat drie kwartier aan één stuk door, terwijl hij ondertussen gewoon doorschildert. Soms stel ik een vraag; meer om te checken of hij zich nog bewust is van tijd, plaats handeling en van mijn aanwezigheid. Dit blijkt het geval. Als hij klaar is met zijn verhaal, is hij ook klaar met zijn schildering. Hij zet de schildering zelf op een afstand en begint met de nabespreking daarvan: hij heeft zich gevestigd op het nieuwe land. Water haalt hij uit de rivier en zijn voedsel zijn de rode bessen aan de struiken. Hij is bezig met het bouwen van een huis voor hem en zijn diertje. “Het wapen is geen wapen hoor, daar hak ik enkel het hout mee.” Het eiland wordt bevolkt door de soortgenoten van zijn diertje. Als ik hem vraag van wie die twee ogen zijn, die door de bomen van het bos kijken antwoordt hij: “ Aan de andere kant van dit eiland woont nog iemand. Het is iemand die dezelfde reis als mij heeft meegemaakt. Zo af en toe zien we elkaar en praten dan over wat we hebben meegemaakt.” Ik vraag of ze vrienden zullen worden. Hij lacht en zegt: “hmmm… misschien… zoiets.” Opvallend aan deze schildering is de intense volheid en warmte van het geel. Het figuurtje is klein, maar in proportie getekend. Het is bezig met het bouwen van een huis (archetypisch beeld voor bouwen aan je lichaam, groeien, sterk worden) De voorstelling wordt omzoomd door een dicht woud (een archetypisch beeld voor bijvoorbeeld ‘het kunnen zijn in de ziel’) En er zijn twee ‘beschermende’ dierfiguren, één zichtbaar en één onzichtbaar.
  11. 11. 8 1.4 De tussenfase: vormschilderen & vormboetseren Alvorens met Timmy binnen het kader van mijn 4dejaars stage verder te gaan werken ben ik met hem gaan vormschilderen en vormboetseren. Deze keuze was tweeledig: ten eerste vond ik de tussenperiode tussen 3dejaars en 4dejaars stage, gezien zijn innerlijke ontwikkeling c.q. proces, te groot (5 mnd). En ten tweede wilde ik met name de onderste vier zintuigen* bij hem aanspreken. De keuze om met deze technieken en materialen te gaan werken ten behoeve van de onderste vier zintuigen was, zeker bij aanvang, min of meer intuïtief. Ik had voor deze sessies niet echt een onderbouwd plan gemaakt met daarin ‘het beeld’ van de doelstelling. Het voelde voor mij gewoon als vanzelfsprekend, als logische tussenstap. Binnen het vormschilderen beoefende Timmy ritme (de levenszin), evenwicht (de evenwichtszin) en beweging (de zelfbewegingszin); bij het vormboetseren werd vooral zijn tastzin aangesproken, terwijl indirect natuurlijk ook de andere drie zintuigen daarin meewerkten. Als laatste opdracht heeft hij een tableaureliëf gemaakt, met als vorm het Keltische kruis. Ik koos voor het Keltisch kruis omdat het met name een symbool is voor de vereniging van hemel en aarde, leven en dood. In de open ruimtes van het kruis werd door middel van een symbool aan de ene zijde ‘een innerlijke wens’ verwerkt en aan de andere zijde ‘een geheim’, zodoende werd het tableau een zeer persoonlijk symbolisch amulet voor hem. Het zogenaamde ‘beeld’ kreeg ik aan het einde van deze sessies van Timmy cadeau. Ik observeerde regelmatig de kinderen tussen de sessies door; in de klas, op de buitenschoolplaats, tijdens de computerles. Deze maal deed ik mijn observaties binnen de gymles van groep 9, de groep waar ook Timmy toe behoorde. Ik zag Timmy op een grote plastic bal klimmen en er diverse malen van afvallen tot hij zich kon verbinden met de bal en zich daarop kon strekken. Er ontstond een balansprobleem, maar hij volhardde en vond daarop zijn evenwicht. Vervolgens wilde hij vooruit, zijn bal besturend als een ware acrobaat. Hij keek niet links of rechts, enkel vooruit naar de weg die voor hem lag. Alle (zintuiglijke) kwaliteiten die je nodig hebt om op een ronde plastic bal te kunnen lopen, die groter is dan jijzelf, werden door ‘Ik-kracht’ in de strijd geworpen: de tastzin, de evenwichtszin, de bewegingszin en de levenszin. Hij bereikte glorieus zijn doel en daarmee kreeg ik ‘het beeld’ van het mijne cadeau.
  12. 12. 9 Hoofdstuk 2 Beeldentaal Beelden zijn belangrijk in ons leven. Beelden op foto’s, in kranten en tijdschriften, film- en televisiebeelden en reclame. Dit zijn allemaal beelden die door de zintuigen, de ogen, bij ons binnenkomen. Naast de kant-en-klare beelden die van buiten bij ons binnenkomen, zijn daar ook nog andere beelden; beelden die we niet met de ogen maar met ons hart kunnen waarnemen. Het grote verschil met de zogenaamde kant-en-klare beelden is, dat wij deze beelden zélf kunnen vormen door innerlijk actief te worden naar aanleiding van bijvoorbeeld waarnemingen in de natuur, het lezen van een sprookje, poëzie, (levens) verhalen, eigen herinneringen, enzovoort. Deze, door innerlijke activiteit gevormde beelden, kunnen een inspiratiebron zijn in ons dagelijks leven. Deze beelden kunnen tot gelijkenissen worden, die ons de moed en de kracht kunnen geven op onze levensweg verder te gaan, omdat ze het vermogen hebben een geheel nieuw, vaak verrassend licht te werpen op ervaringen, gevoelens, problemen, situaties en levensvragen. Beelden die je door innerlijke activiteit gevormd hebt, inspireren om innerlijk en uiterlijk in beweging te komen. Ze prikkelen de fantasie, het voorstellingsvermogen en de verbeeldingskracht. Levende beelden uit allerlei bronnen hebben de kracht om te helen, heel te maken wat in je beleving uiteengevallen of verstard was. Beelden kunnen helpen bij het zoeken naar de zin van het leven, doordat ze je gezichtsveld en bewustzijn kunnen verruimen, waardoor je ervaringen, problemen en vragen in een groter verband kunt gaan plaatsen. Je kunt een geheel nieuwe werkelijkheid gaan zien omdat de beelden een ander licht werpen op een situatie. Daarnaast kunnen wij, daar waar wij ons niet kunnen uitspreken in taal, onze innerlijke psychische processen een uiterlijke vorm geven, waardoor zij voor ons herkenbaar en hanteerbaar worden. ‘Als de mond zwijgt, praten de handen’; dit is, naar mijn mening, de essentie van de kunstzinnige therapie: werkend met non-verbale middelen, zoals tekenen, schilderen, boetseren, etc., een gestagneerd proces weer op gang brengen; via het aanbieden van gerichte kunstzinnige middelen, mensen helpen om hun (onbewuste)problemen onder ogen te zien -wat nog belangrijker is- zélf een oplossing hiervoor te laten vinden. In elke levensfase, maar vooral bij de confrontatie met de dood, is het belangrijk dat volwassenen en kinderen zich uiten. Niet wat geschreven of geschilderd of anderzijds vormgegeven wordt staat centraal, maar de mens, het kind zelf. Bij wat ik, als kunstzinnig therapeut, hoor en zie, gaat het niet om de logica maar om de wijsheid van de beleving bij de ander. Het is een voorrecht om kinderen op de vleugels van de fantasie weg te brengen van hun pijn en weer voeling te laten krijgen met het magische, om via de taal van de ziel de kracht en moed te vinden zichzelf te helen! Er zijn mensen die nooit in Fantasië kunnen komen. Er zijn ook mensen die dat wel kunnen, maar die daar voor altijd blijven. Er zijn ook mensen die naar Fantasië gaan en weer terugkomen. En die maken beide werelden gezond.* 2.1 Symbolen De mens heeft altijd symbolen gebruikt om uiting te geven aan zijn inzicht in de dynamische, creatieve krachten achter het leven: de elementen, goden of kosmos. Op een meer praktisch niveau zijn symbolen -vooral symbolische verhalen als sprookjes, mythen en legenden- gebruikt om uiting te geven aan abstracte begrippen als waarheid, rechtvaardigheid, heldhaftigheid, genade, wijsheid, moed en liefde. Hoewel het westerse rationalisme symbolen graag wegmoffelt, is de psychologische betekenis van symbolen vandaag de dag nog even sterk als vroeger en komen ze nog steeds veel voor in kunst, literatuur, film, en in de verhalen waar elke nieuwe generatie kinderen weer dol op is. De meeste mensen komen vooral in hun dromen in contact met krachtige symbolen; maar we zien ze ook in spontane schilderijen en tekeningen van met name kinderen en mensen die in therapie zijn. *Passage uit 'The never ending story' - Michael Ende
  13. 13. 10 2.2 Archetypen Moderne theorieën over de betekenis en toepassing van symbolen zijn grotendeels gebaseerd op het pionierswerk van, de Zwitserse psycholoog en psychotherapeut, Garl Gustav Jung. Begin 20ste eeuw analyseerde Jung de dromen van normale, neurotische en psychotische patiënten en ontdekte dat bepaalde sterke symbolische beelden steeds terugkeerden, zoals -het kennelijk universele symbool- van de ‘mandala’. Bovendien werd hij gefascineerd door de overeenkomst tussen de beelden die tijdens analysen opdoken en de symbolen die gebruikt werden in oosterse en westerse godsdiensten, mythen, legenden en rituelen, en in het bijzonder in esoterische richtingen als alchemie. Jung concludeerde niet alleen dat sommige symbolen een universele betekenis hebben, maar ook dat ze een belangrijke rol spelen in de psychische processen die ieder aspect van het denken en doen van de mens beïnvloeden. Jung geloofde dat de psyche van de mens -dat is de som van bewuste en onbewuste geestelijke activiteit- een duidelijke en waarneembare structuur had. Het bewustzijn was opgebouwd uit gedachten en daden die aan de wil onderworpen waren. Daaronder ligt het ‘voorbewustzijn’, de zetel van de geestelijke vermogens en herinneringen die gemakkelijk naar het bewustzijn kunnen worden geroepen, en het ‘persoonlijk onbewuste’, een enorm reservoir van persoonlijke herinneringen (waarnemingen, ervaringen en onderdrukte verlangens), waarvan we af en toe iets merken als de inhoud via dromen of plotselinge herinneringsflitsen in het bewustzijn terechtkomt. Nog dieper in de psyche bevindt zich het ‘collectief onbewuste’, de zetel van de instinctieve gedachten- en gedragspatronen die door duizenden jaren menselijke ervaring zijn geworden tot wat we nu bestempelen als emoties en waarden. Deze collectieve oerbeelden kunnen niet in het bewustzijn worden opgeroepen, ze kunnen alleen bestudeerd worden in een symbolische vorm. Jung heeft deze oersymbolen ‘Archetypen’ genoemd en hij was er van overtuigd dat ze het gemeenschappelijke erfgoed van alle mensen vormden. Kort gezegd is een archetype een oerbeeld of oervoorstelling die een diepere, meer universele betekenis heeft dan een symbool en afkomstig is uit het collectief onbewuste. Het gaat hier om basisgevoelens die universeel menselijk zijn. Als voorbeeld van een bekend archetypisch motief kan het ‘goddelijk huwelijk’ genoemd worden of het ‘sprookjeshuwelijk’, dat de eenwording tussen twee geliefden voorstelt. Dergelijke gevoelens zijn steeds weer in mythen en sprookjes verteld en gaan over het streven om tegenstellingen tot elkaar te brengen. Dat betekent dat diep van binnen de mens weet dat hij tegengestelde eigenschappen en verlangens in zich heeft en dat deze eigenschappen en verlangens in harmonie met elkaar gebracht moeten worden. Het gaat er dus niet om dat iedere man een ideale vrouw moet vinden, en iedere vrouw een prins op het witte paard, maar dat iedere man zijn eigen tegenstelling, de innerlijke vrouw (de anima, zoals Jung haar noemt) moet vinden en iedere vrouw haar eigen tegenstelling: de innerlijke man (de animus). Anima en animus met zowel positieve als negatieve eigenschappen. Voor de anima en animus zijn voorstellingen (figuren of afbeeldingen) ontstaan die archetypen worden genoemd. In dromen, mythologie, oude verhalen, maar ook moderne televisieseries en soaps kunnen we deze figuren steeds weer tegenkomen. Voor de (anima) vrouwelijke eigenschappen kennen wij: de goede fee, de oude wijze vrouw, de onschuldige maagd, de goede moeder, de madonna. Maar ook: de sluwe feeks, de heks en de verleidster. Voor de (animus) mannelijke eigenschappen kennen wij: de ontdekkingsreiziger, de uitvinder, de zorgende vader en de oude wijze man. Maar ook: de duivel, de verleider, de tiran en de machtswellusteling. Er zijn legio archetypische voorstellingen voor allerlei menselijke eigenschappen en verlangens. Wij kennen het archetype van het kind (onschuld, spontaniteit, naïviteit, afhankelijkheid) en het archetype van de oude koning (macht, overheersing, bescherming, wijsheid). Een moderne mythe wordt verteld in het boek van Harry Potter (J.K. Rowling) dat gaat over een kind dat zich eenzaam en verlaten voelt en op zoektocht gaat naar wie het werkelijk is. Zijn zoektocht is te vergelijken met het individuatieproces (ontwikkelingsproces) zoals door Jung beschreven is: Het archetypische kind –Het Goddelijke Kind- dat een innerlijke wens heeft ‘gevonden te worden’, verwijst naar de vele mythologische verhalen en sprookjes van een kind dat zich vrijmaakt en gered wordt door anderen om zich te laten zien en kan worden wie het werkelijk is. Dat betekent dat, zelfs al heeft het kind (of de volwassene) in zijn leven helemaal niets te maken gehad met adoptie, verwaarlozing of mishandeling, er kennelijk toch een innerlijke wens bestaat om ‘gevonden te worden’. Het miskende, misbruikte of genegeerde kind is een deel van onze eigen onbekende en ongebruikte psyche dat in een onbewust, donker hoekje -als het ware in de meterkast van ons huis- wordt weggestopt.
  14. 14. 11 Hoofdstuk 3 3.1 De eindfase: op weg naar de voet van de regenboog Als afsluiting van de 3de jaars stageperiode en opstap naar een therapeutisch plan voor de 4de jaars stageperiode heb ik enige weken intensief met Timmy’s werk ‘geleefd’. Regelmatig hing ik zijn ‘Grot- en Landschapserie’ aan de muur en liet deze op mij inwerken; zo ook herlas ik de werkjournaals van onze sessies regelmatig. In de tussentijd kreeg ik van Timmy een uitnodiging om naar zijn expositie te komen. Hij bleek in een soort kids-kunstenaarsclub te zitten en wilde graag dat ik het werk dat hij daar gemaakt had kwam bekijken. Hij had drie werkstukken gemaakt, waarin ik direct bevestigd kreeg dat ik inderdaad te maken had met een kunstenaarsziel. Onder een kunstenaarsziel versta ik dat iemand verder reikt in zijn gevoelsleven, tot in het scheppende toe; iemand die in staat is bepaalde gevoelens te sublimeren*. In de werkstukken die hij tijdens de expositie tentoonstelde, was duidelijk te zien en te voelen dat hij met zijn kunstwerken -nog onbewust- zijn diepste belevingswereld had gesublimeerd. Zo had hij op een groot versplinterde ruit met viltstift een zelfportret in contour gezet. (versplintering/fragmentatie). Hij had een enorme grote salontafel van afvalhout gemaakt en attendeerde mij erop dat onder het blad letters, woorden waren geschilderd in geheimtaal (magische verbeelding van eigen intense wensspreuken die nog niet boven tafel mogen komen). Als laatste werkstuk liet hij mij een soort stekelvarken zien, dat geheel opgebouwd was van stukken roestig ijzer (stekelvarken: kom niet te dichtbij). Los van mijn idee dat Timmy duidelijk innerlijk in beweging en enigszins naar buiten was gekomen, zich minder bedreigd en afgesloten voelde en de warmte weer door zijn gevoelsleven begon te stromen; was het meest opvallende element in alle sessies dat Timmy nog erg leefde in de wereld van symboliek en archetypen (het magisch denken). In elke schildering van de Grot- en landschapserie was het archetypisch beeld van de volgende schildering al aanwezig, zonder dat ik hem de informatie voor de volgende schildering had aangereikt. Deze vooruitblik manifesteerde zich ofwel mondeling, ofwel beeldend bij álle schilderingen, zonder enige manipulatie van mijn zijde. Als we kijken naar de ontwikkelingsfasen van het kind*, dan leeft het kind ongeveer tot het 9de levensjaar als vanzelfsprekend met de taal van de archetypen; we spreken tot die leeftijdsfase nog over het ‘magisch denken’. Het kind verstaat nog onbewust de verborgen taal van sprookjes, fabels en legenden. Het kind is namelijk nog verbonden met de etherische wereld die hem vult en omhuld. Je kunt ook zeggen: het kind is nog sterk verbonden met het collectieve bewustzijn dat gedragen wordt door de etherwereld. Toch moet het zo zijn dat dit magisch denken rond het 9e jaar transformeert naar het cognitieve denken (het logisch denken: oorzaak en gevolg). Gelet op Timmy’s leeftijd en zijn ontwikkelingsachterstand zou ik in de volgende sessiereeks hem iets moeten aanbieden waarin hij een ontwikkelingssprong zou kunnen maken naar het logisch denken, maar tegelijkertijd zijn innerlijk zieleproces via de symbolische verbeelding zou kunnen aanraken en vormgeven. Ik koos daarop om te gaan werken met een boek van Rosemary Sutcliff. In haar boeken staat vaak een eenling centraal die via een reis zich weer weet te verbinden met de buitenwereld. In haar zeer beeldende schrijfstijl maakt zij gebruik van archetypen -zoals de gevangenis, de herberg, vaderfiguur, etcetera- maar plaatst deze in de context van het hier en nu; zij beschrijft al verhalend de wijsheid die verborgen ligt in de beeldentaal. Het boek beschrijft de reis van een 11-jarige jongen die beide ouders aan de dood verliest. Hij komt daarop bij zijn oom en tante te wonen, maar als die dreigen zijn hond ‘Argus’ te doden, loopt hij weg en neemt zijn hond mee. Zo ook neemt hij zijn pot met maagdenpalm mee, het enige wat hem nog herinnert en verbindt aan het ouderlijke huis. Hoewel hij geen cent op zak heeft wil hij naar Oxford, om de universiteit te bezoeken. Want daar, in Oxford, onder aan de regenboog, ligt het geluk; zo heeft zijn vader hem ooit verteld. Op zijn reis ontmoet hij een troep rondtrekkende toneelspelers bij wie hij zich aansluit en met name met één van hen een bijzondere vriendschap ontwikkelt. Een jaar lang trekt hij met hen mee, tot hij op een dag een bijzondere ontmoeting heeft. Hij komt daardoor voor een moeilijke keuze te staan: * Sublimeren: onderbewust aanwezige of bewust geworden verlangens, gevoelens op een hoger peil brengen en veredelen. * Zie Bijlage 4 - Ontwikkelingsfasen van het kind
  15. 15. 12 mee te blijven ‘reizen’ met de toneelspelers of te kiezen voor een vaste verblijfplaats, een vaste verbinding, binnen een nieuw gezin. Ook bij deze serie koos ik voor het nat-in-nat schilderen. Zijn kleurenpalet breidde ik uit met diverse blauwen, waaronder ook het indigo, en diverse roden. Ik had bedacht dat Timmy in elke sessie een beeld uit een hoofdstuk zou schilderen. Ik twijfelde eraan of ik het (archetypische) beeld moest bepalen of dat ik hem de vrije keus moest laten. Ik besloot uiteindelijk geen keuze te maken, maar af te wachten op wat er zou gaan gebeuren. Het zou mij niets verbazen als Timmy ook nu weer de archetypische beelden zou uitkiezen, omdat deze taal hem aansprak. En zo geschiedde het ook: om de beurt lazen wij binnen elke sessie, van om en nabij anderenhalf uur, één hoofdstuk en Timmy koos bij elk hoofdstuk het (archetypisch) beeld dat hij wilde schilderen. Zowel ik als Timmy stelde vragen: ‘Wat wordt hiermee bedoeld, wat gebeurt hier precies? Waarom gebeurt het? Wat is waar en wat is niet waar? Wat zou ik doen als ik dit mee zou maken? Wat betekent dit voor mij’?. Timmy leefde erg mee met de hoofdpersoon, identificeerde zich ermee, maar niet meer zoals in de ‘Grot- en Landschapserie’. Het was nu duidelijk de reis van een ander en niet zijn reis. De hoofdpersoon benoemde hij dan ook bij de gegeven naam en niet alszijnde ‘ik’. Opvallend aan de schilderingen was dat de figuren enorm uitvloeiden en daarmee ook de kleuren. Timmy was inmiddels 13 jaar geworden en in de puberteit. Het ‘uitvloeien’ is een typisch kenmerk van de puberteit (vorm verliezen) en met name het 'nat-in-nat schilderen' is een techniek waarbij je dan al heel snel uitvloeit. Daarbij ging het nu niet zozeer om de uiterlijke verbeelding van het verhaal, maar om de ‘wijsheid’ ervan in het bewustzijn te brengen. Ik maakte mij in dit geval dan ook geen zorgen, want Timmy stelde de juiste vragen, soms aan mij, maar meestal aan zichzelf. Neem kleur en verf en laat het voelen leven schilder zonder woorden het nu en straks voorbij als je iets in je hoort kreunen weet dan: dit wil nu gebeuren. Laat eenzaamheid binnen en hoor de zucht van weemoed en gemis schilder dan in eindeloze tonen een lied van nu en ooit een verhaal van straks en nooit tevoren Claire vanden Abbeele 1ste sessie Op weg naar de regenboog – Drie avonturiers gaan op pad Ik vertel Timmy dat ik een boek heb gevonden, waarvan ik denk dat het hem aan zal spreken. Ik stel hem voor om samen, binnen elke sessie, een hoofdstuk te lezen en daar een beeld uit te kiezen om te schilderen. In dit eerste hoofdstuk leren we de hoofdpersoon Hugh kennen en ook zijn tragiek: Hughs moeder was gestorven toen hij nog zo klein was dat hij zich haar helemaal niet kon herinneren, al had zijn vader hem zo dikwijls over haar verteld, hoe vriendelijk zij was en hoeveel zij van bloemen hield, vooral van maagdenpalm. Daarom hadden zij ook een bedje maagdenpalm in de tuin gemaakt. Toen Hugh acht jaar was stierf ook zijn vader en moest hij gaan wonen bij zijn oom en tante. Het enige wat hij van thuis meenam was zijn hond Argus en in een pot een stukje van het maagdenpalmbedje. Toen Hughs vader nog leefde, had hij Hugh dikwijls over zijn studieperiode in Oxford verteld. Over de schitterende colleges die hij had gevolgd, en over het bijzondere van de Nieuwe Leer. Hij had Hugh verteld dat tot aan de tijd dat Hendrik VII koning van Engeland was, behalve de priesters, heel weinig mensen iets hadden geleerd. Dat de boeken, die er waren, meestal in het Latijn waren geschreven. Dat er in die tijd niet van de mensen verwacht werd dat ze veel nadachten, omdat ze dan misschien het geloof in de heiligen en in het nut van een vroom leven zouden verliezen.
  16. 16. 13 Dat in sommige landen mensen al nieuwe ontdekkingen gingen doen en daardoor begonnen te leren wat ze wilden leren en zélf gingen nadenken over de dingen die ze leerden en ontdekten. Dat deze Nieuwe Leer ook langzamerhand in Engeland veld ging winnen. Zo ook had Hughs vader hem verteld over de vele torens van Oxford, hoe die op mooie zomerochtenden oprezen uit een gouden nevel en dat de Magdalenatoren boven alles uitstak, als een aartsengel met gevouwen vleugels die de wacht hield over de weg naar de stad. Vaak had hij Hugh verteld over de eerste keer dat hij de Magdalenatoren had gezien en hoe zijn pinakels een regenboog hadden geraakt. Dit had hij zo vaak verteld dat, wanneer Hugh aan Oxford dacht – en dat was heel vaak – de Magdalenatoren als het ware op de tenen zag staan om de regenboog een hand te geven. Hugh had drie lange jaren een vreselijke tijd bij zijn oom en tante; met name zijn tante was een boosaardige vrouw en sloeg zowel Hugh als Argus erg vaak. Als op een dag de tante dreigt Argus te vermoorden besluit Hugh, samen met zijn hond en pot maagdenpalm, op weg te gaan naar de voet van de regenboog. Want zo geloofde hij: als hij daar eenmaal was zou alles goed komen, omdat aan de voet van de regenboog álles altijd goed is. Na het lezen van het eerste hoofdstuk geeft Timmy aan dat het verhaal hem aanspreekt en dat het hem erg leuk lijkt om al lezend en schilderend dit verhaal door te werken. Hij wil van alles weten over de Nieuwe Leer en hoe dat er in het dagelijkse leven dan uitzag in die tijd. We halen het gegeven van zelf leren nadenken over ‘de dingen’ naar het hier en nu, en komen tot de conclusie dat die overgang te maken heeft met onder andere naar school gaan en ouder worden. Als beeld kiest Timmy het weglopen van Hugh met zijn hond Argus en de pot maagdenpalm. Hij kiest voor deze schildering de primaire kleuren (geel, rood en blauw) en gaat gelijk aan de slag. De hoek rechtsonder van het blad laat hij in eerste instantie leeg; hij loopt daar vast, weet niet wat daar moet komen en vraagt raad. Als ik daarop vraag waarop hij precies vastloopt, zegt hij dat hij eigenlijk wil dat de boerderij van die tante en oom nog een beetje in zicht is, maar dat hij niet weet hoe hij dat moet schilderen. Ik zet daarop de schildering op een afstand en terwijl wij daar samen naar kijken ziet hij zelf het antwoord op zijn vraag en schildert vervolgens een gedeelte van de boerderij. De schildering heeft een diagonale compositie; de weg loopt stijl omhoog. De kleuren zijn zuiver, maar flets. Zo ook is er weinig detail in de vormen aan- gebracht. 2de sessie Op weg naar de regenboog – Het vrolijke gezelschap De reis was zwaarder dan Hugh verwacht had en moeheid en honger overvielen hem. Met al zijn kracht zette hij toch door tot dat de zwarte nacht invalt en hij, Argus en de pot maagdenpalm, zo moe worden dat zelfs de honger hen niet wakker kon houden. Gewekt door de zon van de nieuwe dag gaan zij vol goede moed weer op pad en komen uiteindelijk bij een scheefgezakte, armoedige herberg aan. Voor de herberg zaten op hun gemak een stuk of wat mannen. Zij waren met hun vijven en ze zagen er haveloos en bestoft uit en zelfs tamelijk vuil, maar ieder van hen had een klein, vrolijk toetsje aan zijn lorrige kleren. Hun ogen schitterden vrolijker en hun stemmen klonken helderder dan Hugh ooit had meegemaakt. Alles bij elkaar hadden zij iets over zich dat Hugh als heel blij voorkwam, alsof zij meer sterrenschijnsel in zich hadden dan de meeste mensen. Wanneer de mannen Hugh zien roepen zij hem bij zich en stellen zich voor als zijnde een groep rondtrekkende toneelspelers die in elk dorp komen en gaan als de wind; ‘Wij volgen de weg naar de voet van de regenboog, maar tot nu toe hebben we nog geen goud gevonden’ antwoordt de leider van de groep op Hughs vraag waar zij naar toe gaan. Hugh beseft daarop dat hij eenvoudig met hen mee moet, hoe dan ook, en vraagt: ‘O, alsjeblieft, laat mij met u meegaan?’ In eerste instantie zijn de mannen stomverbaasd over Hughs vraag, maar dan spreekt de leider tot hem: ‘Zo broeder trekvogel, het is geen gebruik bij hen, die langs de wegen trekken, te informeren naar het verleden van degenen die ze toevallig ontmoetten op hun pelgrimages. Zoiets zou onder alle trekvogels als een vergrijp tegen de goede manieren beschouwd worden. Maar als ik het zeggen mag, jij bent nogal een kleine vagebond en je ziet er niet naar uit dat je het allang bent. Je bent toch toevallig niet weggelopen van een dierbaar thuis en treurende ouders?’ Hugh legde daarop alles uit, over zijn gestorven ouders en zijn boosaardige tante die zijn hond Argus wilde vermoorden; en hoe ze samen waren weggelopen en nu naar
  17. 17. 14 Oxford trokken om hun geluk te zoeken. In eerste instantie zwegen de mannen toen hij was uitgesproken, maar toen maakte de leider een diepe buiging voor hem en nam daarbij zijn muts af met een zwaai, die eenvoudig prachtig was, en legde zijn andere hand op de borst. ‘Oké trekvogel, ik heb de eer je mee te delen dat je fortuin zo goed als gemaakt is. Je bent in handen gevallen van mensen, die meesters in de kunst zijn en op een dag zul jij, onder behoorlijke zorg en aandacht, eveneens meester in de kunst worden!’ Vanaf dat moment hoorde Hugh bij de groep toneelspelers en zette met hen de reis voort. Timmy koos voor het beeld waarop Hugh en de toneelspelers met een huifkar vol spullen op weg gaan naar het volgende dorp. Hij schilderde vol overgave en had enorm veel aandacht voor de kledij van de toneelspelers. Bij elk figuurtje vroeg hij mij weer even de tekst voor te lezen waarin de spelers beschreven werden. Alle elementen kregen evenveel aandacht: mensen, huifkar, paard, de hond Argus en de omgeving. Zelfs de maagdenpalm vergat hij niet. De compositie is wederom diagonaal en sterk. Vooral de figuren vloeien erg uit, maar het is zichtbaar dat er getracht is gedetailleerd aan de vormen te werken. De kleuren zijn zuiver en de hoofdpersoon en het paard zijn begrensd door een lijn. Wat mij ook al in de ‘Groet- en Landschap opviel, komt ook in deze reeks weer terug: ´De veer op het hoofd van persoon waarmee Timmy zich identificeert.’; het symbool voor verbinding met de geestelijke wereld. 3de sessie Op weg naar de regenboog – De ware en nobele geschiedenis van Sint Joris Het gezelschap marcheert het eerste dorp binnen onder vrolijke klanken van de trommel en de schuiftrombone. Deze dag zouden de toneelspelers ‘De ware en nobele geschiedenis van Sint Joris’ voor het toegestroomde, verwachtingsvolle publiek spelen. Hugh en Argus waren deze maal nog toeschouwers, zodat zij konden wennen aan hoe het één en ander er aan toe ging. Met open mond en wijd opengesperde ogen hing Hugh ademloos over de gebeeldhouwde balustrade, terwijl het verhaal zich ontvouwde op het als een juweel schitterende toneeltje. Hij zag de koning van Egypte, in scharlaken gewaad en met gouden kroon, spreken met zijn bisschop over de vreselijke draak, die aan zijn grenzen woonde en die iedere dag een mooi, jong meisje als maaltijd moest hebben. Hij zag hoe de dochter van de koning, heerlijk mooi in een geel satijnen hoepelrok, werd uitgeleide gedaan door het treurende volk en vastgebonden aan een boom vlak bij het hol van de draak. Toen sprong plotseling, met een lichtflits en een sterke zwavelgeur, de draak het toneel op en sperde zijn afschuwelijke, rode muil open en zwiepte met zijn groene, geschubde staart. Maar juist toen hij de gillende prinses wilde grijpen sprong Sint Joris op het toneel en stormde op de draak af met zijn blinkend zwaard in de hand. Vervolgens vond er een verschrikkelijke worsteling plaats tussen de draak en Sint Joris. De draak zonk uiteindelijk stervend neer op het toneel, terwijl Sint Joris met geheven zwaard over hem heen stond. Daarna bevrijdde Sint Joris de prinses en voerde haar naar huis naar haar treurende vader en werden zij door de bisschop getrouwd, onder algemeen vreugdebetoon. Timmy leeft zich erg in het verhaal in en kan bijna niet wachten om te gaan schilderen. Hij kiest - zoals ik ook verwachtte- voor het beeld van de strijd tussen Sint Joris en de draak. De compositie die hij maakt is naar mijn mening erg sterk en origineel: hij maakt eerst een soort omhulling en daarbinnen het tafereel; dit geeft een Claire Obscure- effect. Dat hij het tafereel van bovenaf bezien schildert, kan aangeven dat hij schildert vanuit het standpunt van de hoofdpersoon die boven op een balustrade naar het stuk kijkt. Ik zeg kán, omdat Timmy sowieso de neiging heeft om vanuit het vogelperspectief zijn beelden neer te zetten. De kleuren zijn helder gebleven; de vormen zijn uitvloeiend en niet gedetailleerd. In dit hoofdstuk ontstaat er een beginnende, bijzondere vriendschap tussen de hoofdpersoon en één van de toneelspelers. Timmy komt hier na de schildering op terug; wil weten hoe die toneelspeler er ook al weer uit zag en waarom hij van die lange armen heeft, of dat een betekenis heeft. Ik vraag aan hem wat je kunt doen met lange armen. ‘Veel vasthouden’ zegt Timmy.
  18. 18. 15 4de sessie Op weg naar de regenboog – De pijper Hugh was nu bijna twee maanden bij het gezelschap en had al heel veel geleerd. Hij en Argus hadden al een poosje meegespeeld in de toneelstukken die speciaal voor hen herschreven waren om hun er ook een rol in te geven; en de maagdenpalm werd op het toneel gezet om de rol van tuin te spelen, wanneer dat nodig was. Alle leden van het gezelschap waren aardig voor Hugh op een onverschillige manier, en hij voelde zich erg prettig bij hen. Vooral met één van hen – Jonathan met rode maillot en de lange armen – had hij een bijzondere band. Op een mooie ochtend nam het hele gezelschap zijn gemak ervan op de hoogste heuvel van de Cotswolds en lagen languit op hun rug in het warme gras. Plots verscheen er een vreemde figuur over de heuveltop en kwam met grote stappen in hun richting. Het was een haveloze man; groene en grijze en roestrode vodden fladderden om hem heen en hij droeg een lange staf in zijn hand en liep in een vreemde, vrije cadans die Hugh deed denken aan een wild dier. Toen de vreemdeling dichterbij kwam zag Hugh dat zijn huid bruin was als een rijpe hazelnoot en zijn lange haar wit, hoewel hij niet oud leek. Hij had een leren tas aan zijn gordel gebonden en aan zijn hoed en zijn gerafelde mantel waren zoveel heiligenfiguurtjes bevestigd dat hij onder het lopen zacht rinkelde en tingelde. Het was een pelgrim en hij ging tussen Hugh en Jonathan in zitten. Hij vertelde over zijn reizen; over steden die ooit drukke bedevaartplaatsen waren geweest, en over pelgrimspaden die nauwelijks meer gebruikt werden. Hugh vroeg zich af waarom de pelgrim eigenlijk nog op bedevaart ging, nu zo weinig mensen dat nog deden, totdat hij merkte dat de pelgrim niet zozeer om de heiligdommen scheen te geven als wel om de wegen die er heen leidden. Ineens stond de pelgrim op, even plotseling als hij was gaan zitten, en vroeg of Hugh die dag met hem mee wilde gaan, dan zou hij hem s’avonds weer terugbrengen bij zijn vrienden. Hugh was verbaasd, maar wilde graag met hem mee, omdat hij meer wilde horen over verre landen. En zo ging Hugh en Argus met ‘de pijper’ op weg. Van tijd tot tijd pakte de man zijn rietfluit uit zijn gordel. Die zette hij aan de lippen en speelde eindjes en regeltjes van volkswijsjes, die Hugh, Argus -maar zo ook talloze wilde diertjes- achter hem aan leken te trekken als een zilveren ketting van klanken. De pelgrim sprak over het land waar zij doortrokken en wat daar in het wild leefde. Vele, vele dingen vertelde hij Hugh: over veldmuizen en wulpen, wilde bijen en ringslangen en otters. Toen de schaduwen langer werden en de avond verguld werd stond de ‘pijper’ aan de bosrand stil en wees op een dorp even verderop. Het daglicht was nog nauwelijks verminderd, maar in een raam van een van de huisjes stond al een kaars, om iemand te verwelkomen. ‘Kijk,’ zei de pijper, en legde zijn handen op Hughs schouders en keek hem diep in de ogen. ‘Kijk, daar wachten je vrienden. Maar kom met mij mee! Laat dat licht maar, daarginds in het raam. Ik zal je de tover van mijn fluit leren; ik zal je je woud- erfdeel geven; maar dan moet je nu meegaan, voordat ze ons gaan zoeken. Eventjes leek het Hugh alsof de fluit hem weer riep, maar hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Nee, ik moet naar mijn vrienden terug. Ik hoor bij de trekvogels, net als mijn vrienden, en het spijt me -ik zal deze dag nooit vergeten- maar ik wil niet met je mee.’ Vervolgens rende Hugh naar het dorp, daar naar waar zijn vrienden op hem wachten. Halverwege zijn weg ontmoette hij Jonathan, die liggend tegen een boom op hem lag te wachten. Toen hij Hugh zag lachtte hij blij en vroeg: ‘Je bent toch niet door het Kleine Volkje om de tuin geleid jonkje?’ Timmy wilde na het lezen nogmaals het laatste stukje van ‘de pijper’ lezen. Daarop koos hij voor het beeld van Jonathan en Hugh zittend onder de boom, tegenover het huis waar het kaarslicht brandt. Hij schilderde de hoofdpersoon, de boom waar beiden onderliggen, en het huis waar de kaars voor het raam staat, rood. Als we van een afstand samen zijn schildering bekijken, vindt hij dat ‘de pijper’ ook in het beeld moet, maar dan wel weglopend in de verte. Zo ook stelt hij voor iets van een woud te maken, als tegenhanger van het huis (compositie). Onder het schilderen vertelt hij over zijn thuis: dat hij ruimer zou willen wonen; dat zijn kamer helemaal van hout is en als de zon naar binnen schijnt, de kamer heel erg gezellig en knus is. Dat hij begint te wennen aan de vriendin van zijn vader en haar zoontje; dat het eigenlijk best gezellig is zo met zijn vijven, maar ook druk – vooral als oma er ook nog eens is. Hij vertelt dat zijn oma (moeder van zijn overleden moeder) elke week komt koken, en dat hij het heel goed met haar kan vinden. Hij oppert dat ik het waarschijnlijk raar vind dat hij een vriendschap met zijn oma heeft. Ik vertel hem dat ook ik een zeer hechte vriendschapsband met mijn oma heb gehad. Hij denkt na en zegt: ‘Ja, weet je, oud hoeft niet oud te zijn.’
  19. 19. 16 5de sessie Op weg naar de regenboog – Seisin van de broederschap In september kwam het gezelschap aan op de grote jaarmarkt van Stourbridge. ’s Avonds waren er overal op het marktterrein vrolijke bijeenkomsten om de hemelhoge kampvuren en de mensen hadden plezier met elkaar. Hugh en de toneelspelers kregen die avond gezelschap van heel wat mensen en zoals zij daar samen om het vuur zaten was er geen vrolijker vriendenkring op de hele jaarmarkt van Stourbridge te vinden. In hun midden zat ook een ‘Gekke Tom’ die een lied zong: ‘Met een schare woeste grillen waarover ik ’t bevel doe gelden, met vlammende speer en een paard van lucht dwaal ik naar de wilde velden. Met en ridder van geest en schaduw moet ik in het toernooi mij meten, tien mijl voorbij der wijde wereld eind; dat mag toch geen reisje heten.’ Het was een lied dat alle Gekke Toms zongen bij hun komen en gaan langs de wegen en Hugh had het heel vaak gehoord, maar er eigenlijk nooit echt naar geluisterd. Nu hij dat deed leek het Hugh plotseling dat de nacht buiten de vuurgloed vol toverij was, vol van de rondwentelende, woeste grillen uit het lied. Plots ging de Gekke Tom overeind staan en stond met zijn armen over elkaar, hoog boven hen allen als een koning, ondanks zijn vodden. ‘Wie treedt op als vriend voor de nieuwe broeder?’ vroeg de Gekke Tom. ‘Wie spreekt voor hem?’ Het volgende ogenblik was Jonathan overeind en stond aan Hughs zijde. ‘Ik treed op als vriend voor de nieuwe broeder. Ik spreek voor hem.’ ‘Wie nog meer? brulde de Gekke Tom en tuurde in het rond door zijn wilde haren heen. ‘In alle broederschappen, in alle ridderorden is het voorschrift dat er twee moeten zijn, die spreken voor de nieuwe broeder.’ Een kwakzalver, die Hugh eerder die dag op de jaarmarkt ontmoet had, kwam overeind en sloeg Hugh op de schouder. ‘Já, ik! Ook ik zal voor hem spreken.’ De Gekke Tom boog daarop naar voren om Hugh in het gezicht te kijken. ‘Heb je wake gehouden?’ vroeg hij gebiedend. ‘Heb je heel alleen je wake gehouden, met enkel de sterren en de Ouden als gezelschap?’ Hugh was zo bang dat zijn mond helemaal droog werd, maar hij hield stand en staarde terug in de ogen van de Gekke Tom. Bijna ademloos zei hij: ‘Ja heer.’ De gekke Tom draaide zich om naar Hughs vriend Jonathan en vroeg gebiedend: ‘Waar is zijn ridderlijk zwaard? Waar zijn de gouden sporen?’ ‘Zijn gouden sporen heeft hij tijdens de reis verloren in een moeras,’ zei Jonathan onmiddellijk. ‘En de zwaardsmid heeft zich in de hand gesneden en kan pas morgen de kling afmaken.’ De gekke Tom schudde daarop zijn wilde haren naar achteren en zei: ‘Dan moeten we het zonder doen. Geef mij het mes dat je in je gordel draagt, vriend.’ Jonathan gaf hem de blinkende kleine dolk uit zijn riem en de Gekke Tom bukte zich en sneed een kleine zode uit het gras naast het vuur. Toen wendde hij zich weer tot Hugh en gebiedde hem zijn beide handen op te houden. Toen Hugh deze haastig ophield, legde hij de zode erin. ‘Zweer nu trouw aan de broederschap. Zweer bij het witte stof van de weg en bij het rode vuur aan het eind van de lange dag, en bij datgene, dat altijd voorbij de top van de volgende heuvel ligt.’ Hugh zwoer geheel ademloos trouw. ‘Zo!’, zei de Gekke Tom. ‘Dat is je seisin; seisin van de weg; seisin van de broederschap.’ Als Het hoofdstuk is uitgelezen is Timmy een tijdje stil; dan vraagt hij inene honderduit over de betekenis van de scènes: ‘Lees je dat lied nog eens voor? Waarom zingen alle Gekke Tom’s dat lied? Wat is een seisin?’ Ik leg hem uit dat het hier om een inwijding gaat en dat dit ook in onze tijd eigenlijk nog steeds plaatsvindt; al gaat dat dan niet op zo’n spectulaire wijze. We spreken over vriendengroepen en als je daar nieuw bijkomt, dat je dan ook min of meer ingewijd wordt. We praten over wat je doet als je een probleem hebt, of heel verdrietig of bang bent en er met niemand over kan spreken. Timmy vertelt dat hij iemand – hij noemt deze ‘iemand’ afwisselend hij of zij – eens heel erg gekwetst heeft, zonder dat hij wist dat hij dat gedaan had. Later bleek dat hij/zij hem uit de weg ging, hem negeerde. Hij had aan hem/haar gevraagd wat hij gedaan had, en zijn excuses aangeboden. Toen was het weer goed. Zijn geharrewar met
  20. 20. 17 hij en zij is opvallend. Als ik hem vraag of het een ‘zij’ is, wordt hij zichtbaar onzeker en zegt dat het een ‘hij’ is. Ik voel dat dit niet klopt, maar laat het daarbij. Op mijn vraag, ‘wat hij gedaan had als zijn excuses niet geaccepteerd waren’, zei hij: ‘Niks! Meer kan ik toch niet doen?’ ‘Voel je je dan niet rot?’ vroeg ik hem. ‘Nee! Want meer dan mijn excuses aanbieden en spijt hebben kan ik niet doen.’ Vervolgens draaide ik de zaak om, en vroeg hem of hij altijd gelijk weer aardig was als iemand hem een excuus aanbood. ‘Nee, dat duurt dan nog een hele tijd. Ik aanvaard de excuses wel, maar word niet meer zo gauw je vriend.’ Daarbij gaf hij een voorbeeld van een (ex-)vriend. Timmy zocht zelf het beeld van de seisin (inwijding) uit om te schilderen. Hij schilderde drie figuren, de hond Argus en de pot maagdenpalm, rondom het vuur. Daarvoor de Gekke Tom met de graszode in beide handen en de dolk rechtop in de grond naast zijn voeten. Wat mij opvalt, is dat Timmy veel waarde hecht aan de pot maagdenpalm. In elke scène schildert hij deze erin, ook als er in het boek niet over geschreven wordt. De schildering is voor het eerst compositorisch slecht in verhouding, eenderde van het blad is leeg gebleven. Met name de figuren zijn veel te waterig geschilderd en zonder details. Het geheel is zuiver van kleur, maar te flets. 6de sessie Op weg naar de regenboog – Pan en de Ster Drie dagen voor Kerstmis ploeterden het gezelschap langs een modderige Pelgrimsroute. Doodmoe en bevuild arriveerde het gezelschap in het dorp waar zij hun kerstverhaal zouden vertonen. Hugh was vreselijk wanhopig en vol van verdriet, want onderweg was hij Argus kwijtgeraakt en heeft de hond niet meer kunnen vinden. Om hem te troosten vertelt zijn vriend Jonathan hem het verhaal van Pan en de Ster: In een zekere herfst maakte Pan een warme plek voor zichzelf diep onder de wortels van een oeroude boom en rolde zich op om daar te gaan slapen gedurende de donkere, koude maanden tot de lente weer kwam. Hij viel in slaap en droomde de dingen, die de dieren dromen in hun lange winterslaap; tot hij op een nacht met een schok wakker werd. Het leek alsof iets hem naar buiten riep, naar de wereld buiten zijn hol. Toen Pan omhoog keek door de opening van zijn hol, zag hij plotseling dat alle helderheid van de sterren samengetrokken werden in één ster, die hem recht in de ogen scheen met een doordringend, gouden licht. Nu wist hij wat het was dat hem riep; en hij wist dat hij de roep moest beantwoorden. Dus trok hij zijn harige geitenpoten naar zich toe en nam zijn fluit en kroop uit zijn hol. ‘Wat het ook is’, zei Pan bij zichzelf, ‘het moet in Bethlehem zijn.’ En zo ging hij geleidt door het licht van de ster op weg. In de glooiing tussen de heuvels vond hij een kudde schapen, angstig en dicht op elkaar gedrongen buiten hun kooi met stenen muren. ‘Wat is er aan de hand jongens?’ vroeg Pan. Het oudste schaap antwoordde: ‘Meester, wij zijn bang. Eerst kwam er een groot licht aan de hemel en toen een vreemd ding, als een mens met de vleugels van een gouden adelaar. Het sprak tot onze herders en even later gingen onze herders haastig weg, zonder ons in de kooi te sluiten. En nu ruiken wij wolf en wij zijn banger dan ooit!’ Pan stelde de schapen gerust en sloot zelf de schapen in de schaapskooi en sloot deze af. Hij vervolgde zijn weg en er doemden plotseling donkere gedaanten op overal om hem heen en hij wist dat het wolven waren. Woest, met melkwitte tanden, hun ogen rood glimmend als hete kolen. Pan vroeg aan de grote grijze aanvoerder van het vervaarlijke stel waar zij naar op weg waren. Deze antwoordde: ‘Jie-ow! Meester, wij ruiken schaap!’ ‘Keer terug van je jacht,’ zei Pan. ‘Vannacht is het vrede broeders.’ De wolf antwoordde: ‘Meester, als jij zegt dat het vrede is tussen ons en het schapenvolk dan is het vrede, en voor vannacht keren wij terug van onze jacht, zelfs al hebben onze jongen honger.’ Pan keek toe hoe zij verdwenen in de schaduwen en ging weer verder, richting Bethlehem…. Timmy komt te vroeg, blij en uitgelaten binnen en vraagt of ik een mop wil horen. Ik ben verbaasd; voor het eerst zie ik hem vrolijk en met schelmse ondeugd in zijn ogen. Zijn uiterlijk is veranderd: hij heeft zijn haar rood geverfd en draagt kleurige, modieuze kleding. De ene na de andere mop wordt lachend verteld. Ik laat deze sfeer een half uur bestaan – daar ik deze nieuwe energie als een uiting van heling ervaar– en roep hem dan op tot serieusiteit en arbeid. Hij is geboeid door het verhaal van Pan en de Ster. Vraagt wie Pan is en hoe hij er precies uitziet. Ik vertel hem dat Pan de God van de herders is; half dier, half mens. Daarop zegt hij, het wel spannend te vinden om na te denken of er wel of geen Goden bestaan. Ik haak in en vraag naar zijn ideeën daarover. Vraag wat er, volgens hem, gebeurt als je dood gaat. In eerste instantie zegt hij dat niet te weten.
  21. 21. 18 Maar na een korte stilte vertelt hij, dat hij gelooft, dat iemand die dood gaat, niet écht dood gaat. Dat ‘zij’ dan in een andere dimensie verder leeft. Ik vraag hem wat hij daar precies mee bedoelt; of je ‘haar’ dan nog kunt ontmoeten. ‘Nee,’ volgens hem niet. Vervolgens vraagt hij mij of ik wel eens naar sciencefictionfilms kijk. Als ik dit beaam, zegt hij: ‘Nou, zoiets is het; een echte wereld net als hier, maar dan in een andere dimensie.’ Omdat hij expliciet spreekt over een ‘zij’, vraag ik hem naar zijn gedachten over zijn moeder: ‘Waar is je moeder volgens jou? Zijn hoofd veert omhoog en hij kijkt mij enige ogenblikken doordringend aan. Dan ontspant zijn blik en hij legt mij uit dat ook het leven hier op aarde een dimensie is, en dat er velen zijn. ‘Zoals wanneer je droomt, dan ben je toch ook in een andere wereld.’ ‘Mijn moeder leeft nu in een andere dimensie. Misschien heeft ze daar ook wel weer kinderen waar ze voor zorgt. Het is daar net als hier; snap je?’ Dan richt hij zijn vragen op mij. Hoe ik over de dood denk; of ik in reïncarnatie geloof. Ook wil hij weten waarom ik er vandaag misschien niet zou zijn, want dat had zijn juf gezegd. Als ik hem vertel dat ik eigenlijk ziek ben, wil hij precies weten wat ik heb en of het ernstig is. Als ik hem uitleg dat ik wat grieperig ben en dat het niets ernstigs is, kijkt hij mij onderzoekend aan en zegt vervolgens: ‘O, gelukkig; want ik ben blij dat je er bent.’ Een bijzondere sessie! Maar ik besef nu ook dat ik hem nu moet gaan voorbereiden op ons naderend afscheid. 7de sessie Op weg naar de regenboog – Argus Argus had zijn weg terug naar Hugh gevonden, ook al was hij ernstig verwond. Hugh, die na drie lange dagen van wanhopig zoeken dacht dat Argus dood was, was uitzinnig van vreugde toen hij Argus weer in zijn armen sloot. Nog nooit was hij zo gelukkig geweest. Het was helemaal donker toen het tijd werd het kerstspel te spelen. De lantaarns, die langs de galerijen hingen om de mensen de weg naar hun plaatsen te laten vinden, gloeiden en schitterden boven de dringende menigte. Er was nog meer gelach en geduw en geroep dan gewoonlijk, omdat het kerstavond was. Hugh speelde de engel Gabriël. Als eerste kwam hij het toneel op en hief de lange, gouden trompet, die schitterde in het lantaarnlicht, en blies een prachtige en geweldige fanfare, het soort fanfare dat alleen maar kon worden geblazen door iemand die héél erg gelukkig was. Daarna draaide Hugh zich om en klom van het toneel af en het spel begon. Het was de beste voorstelling die er ooit in Canterbury werd gegeven. Dat zei iedereen: de toneelspelers en het publiek dat hen zag spelen. Maar de mensen herinnerden zich naderhand één ding beter dan al het andere. Zij herinnerden zich de engel Gabriël alleen op het lege, door lantaarns verlichte toneel, tamelijk klein, maar zo blij dat het leek alsof hij ieder ogenblik zijn vleugels met de vurige toppen kon uitspreiden om recht omhoog naar de sterrenhemel te vliegen Hoewel het hoofdstuk over veel meer verhaalt, kiest Timmy voor de scène van het kerstspel. Het is een mooie, evenwichtige compositie. Hij heeft al eerder de kleur indigo (donkerblauw) ontdekt, maar nu geniet hij er enorm van om de schildering, als zijnde nacht, stapje- voor-stapje met het indigo te verduisteren, waardoor het toneel door een gouden gloed omhuld wordt. De kleuren zijn zuiver en minder flets. Geen details in de figuren en de maagdenpalm is wederom prominent aanwezig. 8ste sessie Op weg naar de regenboog – Nog eens Sint Joris, en een groen wambuis En Jonathan vertelde hen hoe Sint Joris uiteindelijk aan een zwaard voor zijn schede en een devies voor zijn lege schild kwam: ‘Daar in de kleine bloemenweide vochten zij, de zwarte ridder en Sint Joris met zijn lege, witte schild, terwijl de groep monniken hen gadesloeg in wanhoop en vrees. De ronde kluiten vlogen van de paardenhoeven af en de lucht was vervuld van de trommelende hoefslagen. De lans van de zwarte ridder trof Sint Joris in de linkerschouder en een ogenblik zwaaide hij heen en weer in het zadel, terwijl het bloed uit zijn schouder in een brede, rode baan langs zijn witte schild omlaag stroomde. Gekreun steeg op uit het groepje toekijkende monniken toen hij neersloeg in het gras. Maar ook de zwarte ridder was uit het zadel gestoten en Sint Joris was de eerste, die weer overeind krabbelde. Terwijl hij dat deed zagen de monniken dat het bloed uit zijn wond ook dwars over het schild was gestroomd, en nu lag er op het wit een groot, scharlakenrood kruis. Het gevecht duurde nog een tijd voort, maar uiteindelijk kwam Sint Joris als overwinnaar uit de strijd. De monniken, voor wie hij met zijn leven gevochten had, verzorgden zijn wonden en hij bleef bij hen tot hij weer gezond en sterk was.
  22. 22. 19 Toen de tijd kwam dat hij hen moest verlaten gaf de abt hem het toverzwaard Meribah, zoals hij had beloofd. En Sint Joris reed heen met het zwaard in de schede en met het bloedrode kruis op zijn witte schild, dat hij voortaan altijd zou dragen.’ Het bovenstaande beeld had ik als schildering uitgekozen in dit verhaal: Sint Joris met op zijn schild het scharlakenrode-bloedkruis in gevecht met de zwarte ridder. Zoals bij elke sessie vroeg ik eerst aan Timmy welk beeld hij zou willen schilderen en net als altijd pakte hij hetzelfde beeld als wat ik in mijn hoofd had. Hij pakt het Archetype!* Het is mijn geboortedag en ik heb een traktatie voor Timmy meegenomen. Timmy vraagt hoe oud ik ben geworden en of ik dat oud vind. Zo ook vraagt hij of ik het een leuke leeftijd vind, en ik zeg: ‘De leukste!’ Hij denkt na en zegt dan dat 20 jaar hem de leukste leeftijd lijkt. Als ik verder vraag, vertelt hij dat hij dan een eigen huis heeft en álles zelf mag bepalen. Welke meubels en waar ze komen te staan; en voegt daaraan toe: ‘en héél veel snoep.’ Over deze laatste opmerking moeten we samen erg lachen. ‘Het inrichten van mijn huis lijkt mij het allerleukst. Want mijn vader bepaalt het nu. Hij vraagt wel aan mij en mijn broer waar een nieuwe stoel moet staan, maar hij bepaalt wélke stoel en de kleur daarvan.’ Ik vraag hem of hij al een beeld heeft wat betreft een toekomstig beroep of studie. Hij zegt daarop te gaan studeren aan de universiteit, omdat je dan daarna heel veel werk kunt krijgen en veel meer verdient dan wie dan ook. ‘Oké’ zeg ik, ‘maar wat ga je dan studeren?’ Dat weet hij niet precies, maar in ieder geval iets waarmee je veel geld verdient. Ik vraag hem of hij niet liever naar een kunstacademie gaat. Timmy denkt daarover even na en zegt vervolgens: ‘Ja, misschien wel; maar daar verdien je niet zoveel mee hoor.’ Het gesprek gaat nog een tijdje door, waarin ik probeer Timmy mee te geven: dat veel geld verdienen relatief is, en dat je gelukkiger wordt als je óók in je werk je hart volgt. Vervolgens bespraken wij samen zijn schildering en ik maakte hem erop attent dat er weinig dynamiek in zat en dat het grootteverschil tussen beide ridders wel erg groot was. Timmy ratelde daarop een heel verhaal af, met de bedoeling mij te overtuigen dat het grootteverschil wel degelijk klopte. De voorstelling was een soort droom, vertelde hij. Vandaar dat in de hoeken en op de voorgrond de kleuren lichter en vager waren. En de zwarte ridder… die was ver weg, en diagonaal; vandaar dat hij zo klein was. Toen ik akkoord ging met zijn verhaal, zei hij met een triomfantelijke grijns: ‘Mooi! Daar heb ik mij weer goed uitgepraat.’ 9de sessie Op weg naar de regenboog – Het woud van het Witte Hert Het gezelschap naderde steeds dichter Oxford. Toen zij door de Vallei van Blackmoor trokken, vertelde Jonathan dat het hier vroeger het ‘Woud van het Witte Hert’ heette, naar een wonderbaarlijk wit hert dat koning Hendrik III daar op de jacht had aangetroffen. Het was zo mooi geweest – een sneeuwwit hert, in het nauw gedreven en staande tussen de groene bladeren – dat de koning zijn honden had teruggeroepen en het had laten gaan. Sinds die tijd had het dal die naam gedragen. ‘Het kon best zijn dat het een betoverd hert was’, zei Jonathan; ‘het was hier zo’n gebied waar dingen gebeuren die ergens anders niet gebeuren.’ Die avond speelden zij in een dorp onder de vleugels van Oxford. Vlak voor aanvang, terwijl de mensenmenigte nog toestroomde, hoorde Hugh een gebiedend stemmetje roepen: ‘Hee! Jongen! Jongen! Jongen!’ Hugh keek omhoog naar de overvolle galerij boven zijn hoofd. Daar, zo ver over de gebeeldhouwde balustrade hangend, dat het leek alsof zij ieder ogenblijk op haar hoofd naar beneden kon komen, was een klein meisje. Eventjes dacht Hugh dat zij een elf was, een kleine, bruine, stralende elf in een bladgroene jurk. Maar toen zag hij dat vlak achter haar een lange, donkere man stond, lachend, met in zijn greep de achterplooien van haar rok om te voorkomen dat zij op haar hoofd viel. ‘Jongen’, zei het kleine meisje, ‘hoor jij bij het stuk?’ ‘Ja kleine dame,’ antwoordde Hugh, ‘ik ben de heldin.’ Toen haastte hij zich naar het toneel, want het spel begon. Tijdens het stuk had Hugh menige gelegenheid naar het kleine meisje en haar familie te kijken, en hoe meer hij naar hen keek, hoe aardiger zij leken. Zij waren met hun vieren en je kon zien dat zij een gezin vormden, omdat ze er uitzagen als mensen die bij elkaar hoorden. Het kleine meisje deed denken aan een sterretje. De donkere man, die haar vader wel zou zijn, kreeg alleraardigste rimpeltjes om zijn ogen, die tot dansende spleetjes werden bij de grappige gedeelten van het stuk. De dame, die haar mama wel zou zijn, zag eruit alsof zij heel lekker rook – naar anjelieren misschien, of een andere bloem met een warme geur. Er was ook een jongen; een donkere jongen in een
  23. 23. 20 donkerrood wambuis, een beetje ouder dan Hugh, die eruit zag als het soort jongen met wie je fijne avonturen zou kunnen beleven. Er waren veel mensen op dat binnenplein, maar die vier stonden apart van alle anderen, of dat leek Hugh tenminste zo en hij wenste aldoor maar dat hij hen kende. Het is een groot hoofdstuk, waarin veel verschillende dingen aan de orde komen. Als ik vraag naar Timmy’s beeld, dan zegt hij dat hij graag het Witte Hert wil schilderen. Ik vraag hem of dat volgens hem het belangrijkste beeld in dit hoofdstuk is, waarop hij zegt: ‘Ja. Want dat beeld geeft aan dat er iets belangrijks gaat gebeuren. Toch?’ Ik ben verrast door zijn opmerking. Ik had in eerste instantie gehoopt dat hij de voorstelling van het gezin op de balustrade zou kiezen, maar besefte – door zijn opmerking – dat hij dit indirect ook had gedaan. Voor het eerst schilderde hij een boom met wortels en takken. Zowel de hoofdpersoon als de hond werd vrij gedetailleerd vormgegeven. Er is veel dynamiek en de kleuren zijn helder. Het Witte Hert werd uitgespaard en in een droom- denkballon gezet. Een eigen, verzonnen beeld, met veel symboliek: hoofdpersoon zittend tegen de levensboom (symbool voor groei en levenskracht), hond (symbool voor het gevoelsleven) in zijn armen, denkend aan ‘het beeld’ van het Witte Hert (een symbool voor geestelijke, innerlijke wijsheid). Mooi! 10de sessie Op weg naar de regenboog – Het scheiden van de wegen De volgende dag kwam de stalknecht van de herberg Hugh ophalen en vertelde hem dat de heer Anthony Heritage in de privé-tuin van de herbergier op hem wachtte. ‘Meneer Anthony Heritage! Zo heette de vriend, die zijn vader had gediend in Oxford!’ Hugh had een gevoel alsof hij droomde en ieder ogenblik wakker kon worden. In de tuin zag hij de man en de jongen die hij die avond daarvoor op de balustrade had gezien. De man kwam naar hem toe en legde zijn handen op Hughs schouders en keek heel vriendelijk op hem neer. ‘Hoe heet je?’ vroeg de man. ‘Hugh Copplestone.’ zei Hugh. ‘Dat dacht ik wel,’ zei de man. ‘Je lijkt erg op je vader. Ik heet Anthony Heritage.’ Hugh knikte. ‘Mijn vader sprak vaak over u. Hij was uw serviteur op Oriel.’ Meneer Heritage ging zitten en keek naar hem zonder een spoor van zijn rimpeltjes-glimlach. ‘En hoe komt het dat de zoon van Peter Copplestone door het land zwerft met een troep reizende toneelspelers?’ Hugh haalde diep adem en vertelde hem alles wat er was gebeurd. Toen hij klaar was zei heer Heritage: ‘Mijn zoon Martin hier is juist thuisgekomen van Oriel voor de zomervakantie. Als hij weer teruggaat, zou je dan met hem meewillen Hugh?’ Hugh staarde hem aan met zijn mond wagenwijd open. ‘U bedoelt, mee naar Oriel? Echt? Om zijn serviteur te zijn, zoals mijn vader bij u was, en naar college te gaan en zo?’ ‘Ja,’ zei heer Heritage. ‘Denk er maar eens rustig over.’ Hugh keek naar Martin en Martin keek naar Hugh en allebei mochten ze elkaar op het eerste gezicht. Hugh zou wanhopig graag met Martin meegaan. Maar toen dacht hij aan de spelers en vooral aan Jonathan en even wanhopig begeerde hij bij hen te blijven en als verder te zwerven langs de wegen. Bovendien waren zij zijn vrienden en hij kon hen niet in de steek laten alleen maar omdat hij een kans kreeg die zij niet hadden. Wanneer je twee verschillende dingen verlangt te doen met een groot en vreselijk verlangen en je kunt maar een van tweeën doen, dan is het niet gemakkelijk een keus te maken, vooral niet wanneer er dingen als trouw bij te pas komen. Tegen de tijd dat hij wist wat hij wilde voelde hij zich alsof er diep binnenin hem iets in tweeën was gescheurd. Maar hij wist wat hij wilde. Timmy kiest als beeld voor de schildering, het gesprek in het prieel van de herbergtuin. Hij schildert de voorstelling vanuit vogelperspectief. Het wordt een zeer waterige schildering. De figuren van de hoofdpersoon en de heer Heritage vloeien enorm uit. De kleuren zijn vuil en flets; absoluut niet helder. Timmy vraagt mij aan het eind van de sessie of dit de laatste keer was. ‘Nee, nog twee keer joh’ zeg ik hem. Een klein lachje breekt door in zijn bleke gezicht. Ik krijg een hand en hij is verdwenen. Ik vermoed dat hij het moeilijk heeft met ons naderend afscheid en dat dit misschien de reden is, waarom hij het zo moeilijk heeft gehad met deze scène.

×