Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
ZINNEN VOOR HERHALENUITOEFENING 01 e 02   1. Ik heb een nieuwe fiets en een oude.Eu tenho uma bicicleta nova e uma velha  ...
4. Hoe laat is het?     Que horas são?  5. Wat is uw adres?     Qual é o seu enderenço  6. Hij heeft weinig vrienden op sc...
Onde estamos?  7. Vandaag is het een mooie dag.     Hoje é um dia lindo.  8. Kan dat niet wat sneller?     isso não pode s...
9. Gelukkig heb ik mijn portemonnee nog gevonden.     Felizmente eu encontrei a minha carteira.UITOEFENING 09  1. Kunnen w...
UITOEFENING 11 e 12   1. Kan ik me even voorstellen?   2. Waarom doet u dat nou?       Por que você faz isso agora?   3. M...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Zinnen voor herhalen PFD

3,027 views

Published on

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Zinnen voor herhalen PFD

  1. 1. ZINNEN VOOR HERHALENUITOEFENING 01 e 02 1. Ik heb een nieuwe fiets en een oude.Eu tenho uma bicicleta nova e uma velha 2. Heb je een pen bij je?Você tem uma caneta com você? 3. Bent u getrouwd?Você é casado? 4. Zou je dat wel willen?Gostarias de? 5. Hoe kan dat zo gebeuren?Como poderia acontecer? 6. Ik denk dat het bijna twaalf uur is.Eu Penso que é quase doze horas. 7. Pas op! Voorzichtig!Cuidado! traquilo 8. Zij kunnen heel goed zwemmen.Eles sabe nadar muito bem. 9. Hoe zag hij eruit?Como ele se parece?UITOEFENING 03 e 04 1. Vind jij die jongens ook niet lastig?Você acha que esses meninos também não são difíceis? 2. Naar wie waren zij aan het luisteren?Quem eles vão ouvir? 3. Het is niet helemaal gegaan zoals we bedoeld hadden.Não é exatamente assim que nós pensamos . 4. Hij is een beetje dom geweest.Ele tem sido um pouco estúpido. 5. Hij heeft mijn fiets geleend. 10. Ele emprestou a minha bicicleta. 6. We krijgen maar weinig klachten. 7. Nós temos mas poucos clientes 8. Wat is je voornaam?Qual e o seu primeiro nome? 9. Ik vind dat een leuk meisje. Eu acho aquela garota legal. 10. Kijk nou toch eens uit wat je doet.Olhe agora o que você faz? 1. Mak ik me even voorstellen? Por favor eu posso me apresentar? 2. Waar denk je aan? O que você está pensando? 3. Ik ga naar Nederland. Eu vou pra Holanda.
  2. 2. 4. Hoe laat is het? Que horas são? 5. Wat is uw adres? Qual é o seu enderenço 6. Hij heeft weinig vrienden op school. Ele tem poucos amigos na escola. 7. Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt. Desculpe, estamos totalmente seguindo o mapa. 8. Kun je me dat nog eens uitleggen? Pode explicar-me novamente? 9. Zwemmen in de Noordzee is lekker fris. Natação no Mar do Norte é muito fresca.UITOEFENING 05 1. Kan je iets meer over jezelf vertellen? pode dizer algo mais sobre você? 2. Het boek is nog niet uit. O livro ainda não acabou. 3. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd. A dura chuva muitas plantas danificadas 4. Dat kan wel kloppen. sso pode estar certo. 5. De vogel blijft op een hoge tak zitten. O pássaro fica em cima de um galho alto. 6. Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk. Rápido ,assim você chegou tarde demais para o seu trabalho. 7. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden. Não é totalmente assim ,que nós esperavamos . 8. Kun u op een andere dag niet terugkomen? O senhor Poderia não voltar em outro dia? 9. Vandaag is het een mooie dag. Hoje e um lindo diaUITOEFENING 06 1. Ik begrijp het niet. Eu não entendo 2. Ik denk dat het bijna twaalf uur is. Eu penso que é quase doze horas. 3. De volgende keer betaal ik. A próxima vez eu pagar. 4. Hoe kon dat zo gebeuren? Como poderia acontecer? 5. Dat kan wel kloppen. isso pode estar certo. 6. Waar zijn we gebleven?
  3. 3. Onde estamos? 7. Vandaag is het een mooie dag. Hoje é um dia lindo. 8. Kan dat niet wat sneller? isso não pode ser mais depressa? 9. Tot ziens! Adeus!UITOEFENING 07 1. Ik moet een nieuwe bril. Eu Preciso de um novo óculos. 2. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Isso eu Nunca ouvi falar. 3. Twee is teveel. Dois é demais. 4. Heb je een pen bij je? Você tem uma caneta com você? 5. Het moet in januari klaar zijn. Deve estar pronto em Janeiro. 6. We gaan daar de volgende les mee verder. Nós vamos continuar na próxima aula. 7. Dat was een pijnlijke vergissing. Isso foi um erro doloroso. 8. Als ze tenminste op tijd zijn. Se eles termina a tempo. 9. Hij gaat ieder weekend vissen. Ele vai pescar cada fim de semana.UITOEFENING 08 1. Tot morgen, half 10. Até amanhã, as 9:30. 2. Je mag hier maar 80 rijden. Você pode conduzir até 80 3. Ik ga straks naar school. Eu vou depois para a escola. 4. Pas op dat je niet valt. Tenha cuidado para que você não cair. 5. Ga je morgen mee naar het strand, het wordt lekker weer. Vamos comigo amanhã para a praia, vai fazer uma bom clima. 6. Is er vanavond nog wat op de televisie? . Anoite tem alguma coisa na TV? 7. Ik hoop niet dat het zo blijft. Eu espero que não fique. 8. Volgende keer beter. Da próxima vez melhor.
  4. 4. 9. Gelukkig heb ik mijn portemonnee nog gevonden. Felizmente eu encontrei a minha carteira.UITOEFENING 09 1. Kunnen we er niet over praten? Nós não Podemos falar sobre ? 2. Zou jij dat even voor me willen doen? Você gostaria de fazer por mim? 3. Ik ben vanavond laat thuis, ik moet overwerken. Eu hoje noite chego tarde em casa , eu preciso trabalhar extra. 4. Moet je horen wat er in de krant staat. Você precisa ouvir o que esta no jonal . 5. Morgen is er weer een dag. Amanhã é um outro dia. 6. Dat is toch niet mijn probleem. Isso não é problema meu. 7. Mijn fiets heeft een lekke band. A minha bicicleta tem um pneu furado 8. Ik denk niet da we nog op tijd komen. Eu penso que nós não vamos chegar a tempo. 9. Ik heb geen kleingeld bij me. Eu Não tenho dinheiro trocado comingo.UITOEFENING 10 1. Als we geluk hebben kunnen we het nog net zien. Se tivermos sorte ainda podemos ver. 2. Ik voel me al weer een stuk beter. Eu me sinto denovo um pouco melhor. 3. Heb je het al gehoord? Você Ouviualguma coisa ? 4. Het eten was verrukkelijk. A comida estava deliciosa 5. Heb jij toevallig geld bij je? Por conhencidência você tem dinheiro com você? 6. Ik heb haar eergisteren nog gezien. Tenho visto ela antes de ontem. 7. Volgens mij moeten we die kant op. Pra mim eu Acho que precisamos ir por esse canto. 8. Zullen we vanavond naar de bioscoop gaan. Vamos ao cinema hoje à noite 9. Neem jij de telefoon even aan? Leve o seu o telefone por favor ?
  5. 5. UITOEFENING 11 e 12 1. Kan ik me even voorstellen? 2. Waarom doet u dat nou? Por que você faz isso agora? 3. Mag het iets meer zijn? Pode ser algo mais? 4. Ik heb daar helemaal geen zin in. Eu Não tenho absolutamente nenhum vontade. 5. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd. A dura chuva muitas plantas danificadas. 6. Ik weet niet hoe dat kon gebeuren. Não sei como isso pôde acontecer. 7. Het spijt me, dat is uitverkocht. Desculpe-me, que é vendido para fora. 8. Ik zou niet meer alleen naar huis gaan als ik u was. Gostaria que você não forse mais sozinho para casa, se eu forse você. 9. Kunt u dat nog eens herhalen. Você pode repetir isso novamente 1. Hallo! Hoe gaat het met je? . Olá! Como vai você? 2. U moet hier wachten. Você precisa esperar aqui. 3. Het boek is nog niet uit. O livr ainda nào acabou 4. Dit is twee euro teveel. Isso e dois euro demais 5. Ik heb twee koffers. Eu tenho duas malas 6. Mijn broer doet gewoonlijk de afwas. Meu irmão faz normalmente limpa os pratos 7. Kan je iets meer over jezelf vertellen? pode dizer algo mais sobre você? 8. Ik ben iemand die snel kan beslissen Eu sou alguém que pode decidir rapidamente. 9. De vogel blijft op een hoge tak zitten. O pássaro fica em cima de um galho alto.Bons estudos e sucesso no exameassim lucyhttp://estudandoholandes.blogspot.com/

×