Successfully reported this slideshow.
Het ITS maakt deel uit
van de Radboud
Universiteit Nijmegen

Hoogbegaafdheid van leerlingen
in het primair onderwijs
Ontwi...
HOOGBEGAAFDHEID VAN LEERLINGEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS
ii
Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
Ontwikkelingen en samenhangen met kenmerken van thuis, de groep en...
De particuliere prijs van deze uitgave € 12,Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00.
Foto omslag: Henrie...
Voorwoord

Maatschappelijk en wetenschappelijk komen ‘hoogbegaafdheid’ en ‘ontwikkeling
van talenten’ steeds meer in de be...
Bij de uitwerking van dit derde deelonderzoek zijn velerlei statistische analyses verricht die bij elkaar een beeld geven ...
Inhoud

1 Inleiding
1.1 Achtergronden
1.2 Probleemstelling en onderzoeksvragen

1
1
3

2 Databestanden en variabelen
2.1 H...
7 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
7.1 Achtergrond en probleemstelling
7.2 Onderzoeksopzet
7.3 Ontwikkelingen qua...
1 Inleiding

1.1 Achtergronden
Brede aandacht voor (hoog)begaafde leerlingen in het onderwijs is relatief laat op
gang gek...
tijdsperiode 4 – 12 jaar niet konden worden meegenomen (vgl. Mooij, 2003). Bovendien kon door Guldemond e.a. (2003) niet w...
van Hoogeveen e.a. (2005) liet zien dat het aantal studies naar effecten van onderwijsaanpassingen (zoals verrijkings- en ...
1. Is er een ontwikkeling in het aandeel (hoog)begaafde leerlingen over de jaren
heen?
Methode. (Hoog)begaafde leerlingen ...
geven zij antwoord op de vraag of er zich bij deze specifieke groep gedrags- en houdingsproblemen voordoen.
4. Kunnen vers...
6
2 Databestanden en variabelen

2.1 Het PRIMA-cohortonderzoek
Voor deze studie maken we gebruik van gegevens die zijn verza...
Tabel 2.1 – Aantallen leerlingen naar steekproef, jaar en groep
totale steekproef

representatieve steekproef

jaar

groep...
Langen & Oudenhoven (1994), Driessen, Van Langen & Vierke (2000, 2002, 2004,
2006), Driessen, Van Langen, Portengen & Vier...
vergeleken. Vanaf die meting kunnen bovendien de scores van groep 4, 6 en 8 met
elkaar worden vergeleken.
Intelligentietes...
Figuur 2.1 – Oude en nieuwe classificatie advies voortgezet onderwijs
oud

nieuw

1. vso/ivbo
2. vbo
3. vbo/mavo
4. mavo
5...
De volgende schalen zijn beschikbaar:
• Werkhouding (bv. ‘denkt al gauw dat het werk af is’).
• (Sociaal) Gedrag (bv. ‘is ...
een voor de leerkrachten van groep 4, 6 en 8. Hierna volgt een summiere beschrijving; voor details verwijzen we naar Van d...
•

•

•
•

•
•
•

•

Nadruk spelactiviteiten: heel onbelangrijk/onbelangrijk/gemiddeld/belangrijk/heel
belangrijk.
Nadruk ...
oordelen. Soms worden combinaties van instrumenten en indicatoren gehanteerd. Als
het gaat om test- of toetsresultaten wor...
16
3 Stabiliteit begaafdheidsgroepen over vijf metingen

3.1 Begaafdheidsdifferentiatie in intelligentie, taal en rekenen
Een...
Tabel 3.1 – Ontwikkeling aandeel begaafde leerlingen op basis van de intelligentietestscores, naar jaar en groep (in %)
gr...
Tabel 3.3 – Ontwikkeling aandeel begaafde leerlingen op basis van de rekenprestaties, naar jaar en groep (in %)
groep

beg...
den in groep 2 en 4 relatief overeenkomstig is, in groep 6 relatief iets afneemt, en in
groep 8 steeds duidelijk lager is ...
Voorafgaand aan deze analyses zijn we eerst nog nagegaan of er zich in de onderzochte periode ontwikkelingen hebben voorge...
Vervolg Tabel 3.4 – Ongecorrigeerde jaareffecten, interactie-effecten en voor opleiding en etniciteit gecorrigeerde effect...
4 Begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken

4.1 Samenhangen tussen begaafdheid en overige leerlingkenmerken
Ee...
gemiddelden. In de laatste twee kolommen staat eerst de (gewone) eta en daarna de
interactie-eta met jaar. Die laatste gee...
Vervolg Tabel 4.1 – Samenhangen begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie...
taal-(onder)gemiddeld is. Voor rekenen zijn de samenhangen volgens ons relevantiecriterium meer van belang dan voor taal. ...
Het vierde blok (houding, gedrag, aanpak) maakt duidelijk dat er in het algemeen
hooguit zwakke samenhangen zijn met de so...
Tabel 4.2 – Samenvatting relevante samenhangen begaafdheid en leerling-, gezinsen groepskenmerken, vanuit de perspectieven...
Vervolg Tabel 4.2 – Samenvatting relevante samenhangen begaafdheid en leerling-,
gezins- en groepskenmerken, vanuit de per...
De (sterke) samenhangen met de gemiddelde intelligentie-, taal- en rekenscores liggen voor de hand. Eerder is er op geweze...
achtergrondkenmerk is hoogbegaafd? In Tabel 4.3 hebben we voor groep 8 in het jaar
2004 de verschillen naar sekse, loopbaa...
treft het opleidingsniveau van de ouders. Ook hier zijn de verschillen ten aanzien van
de categorie (onder)gemiddelden het...
5 Intelligentieverschillen en taal- en rekenverschillen

5.1 Onderpresteren: verschil tussen intelligentie en schoolpresta...
leerlingniveau lastig te bepalen valt, zijn we hier uitgegaan van de totale PRIMAsteekproeven.14 Het betreft in totaal (ma...
Tabel 5.2 – Frequentie absoluut en relatief onderpresteren, naar groep en begaafdheidscategorie (in %)
groep 4
absoluut
ta...
hen is er qua taal sprake van onderpresteren. Verschillen tussen absoluut en relatief
onderpresteren doen zich vooral voor...
kunnen we een deel van genoemde toevalligheden uitsluiten en nagaan hoe stabiel of
structureel het onderpresteren is. De c...
Tabel 5.5 – Samenhangen absoluut onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intellige...
Tabel 5.6 – Samenhangen absoluut onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intellige...
Tabel 5.7 – Samenhangen relatief onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intellige...
Tabel 5.8 – Samenhangen relatief onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intellige...
Uit de tabellen blijkt dat er qua taal geen sekseverschillen zijn; die zijn er wel wat
betreft rekenen. De categorie altij...
6 Begaafdheid en pedagogisch-didactische aanpak

6.1 Effecten van onderwijsaanpak
De laatste onderzoeksvraag luidt of vers...
contextuele kenmerken. Wanneer blijkt dat bepaalde kenmerken relevant en systematisch samenhangen met de verschilscores, d...
2.2 wil zeggen dat gemiddeld genomen leerlingen die in groep 2 hoogbegaafd waren
in groep 4 twee categorieën achteruit zij...
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
 Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs

983 views

Published on

Published in: Education
  • Be the first to comment

Geert Driessen et al. (2007) Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs

  1. 1. Het ITS maakt deel uit van de Radboud Universiteit Nijmegen Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs Ontwikkelingen en samenhangen met kenmerken van thuis, de groep en de school dr. Geert Driessen | prof. dr. Ton Mooij | drs. Jan Doesborgh
  2. 2. HOOGBEGAAFDHEID VAN LEERLINGEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS
  3. 3. ii
  4. 4. Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs Ontwikkelingen en samenhangen met kenmerken van thuis, de groep en de school Dr. Geert Driessen Prof. dr. Ton Mooij Drs. Jan Doesborgh ITS - Nijmegen
  5. 5. De particuliere prijs van deze uitgave € 12,Deze uitgave is te bestellen bij het ITS, 024 - 365 35 00. Foto omslag: Henriette Veld CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK DEN HAAG Driessen, Geert. Hoogbegaafdheid van leerlingen in het primair onderwijs. / Geert Driessen, Ton Mooij & Jan Doesborgh – Nijmegen: ITS ISBN 978 – 90 – 5554 – 313 – 7 NUR 840 Projectnummer: 2005443 © 2007 ITS, Radboud Universiteit Nijmegen Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een retrieval systeem worden opgeslagen, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen. No part of this book/publication may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher. iv
  6. 6. Voorwoord Maatschappelijk en wetenschappelijk komen ‘hoogbegaafdheid’ en ‘ontwikkeling van talenten’ steeds meer in de belangstelling. In en buiten het onderwijs neemt de aandacht voor hoogbegaafde of anderszins getalenteerde leerlingen toe. Daarbij gaat het tevens om hun onderwijservaringen en de mogelijke onderwijsverbeteringen voor deze leerlingen. In 2003 vroeg het ministerie van OCW verschillende instituten van de Radboud Universiteit Nijmegen (ITS, Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO), Afdeling Orthopedagogiek: Leren en Ontwikkeling) een aanvrage voor onderzoek in te dienen. Het onderzoek op het gebied van ‘hoogbegaafdheid in het onderwijs’ zou zich met name dienen te richten op mogelijke succescondities in het onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen. Aanvankelijk stonden twee aspecten daarbij op de voorgrond. Ten eerste het uitvoeren van een inventarisatie van internationale interventieonderzoeken naar effecten van speciale onderwijsprogramma’s op hoogbegaafde leerlingen, en ten tweede het longitudinaal onderzoeken van de effecten van in Nederland plaatsvindende onderwijsaanpassingen op hoogbegaafde leerlingen. Aanvullend werd in 2005 nog een derde onderzoeksdeel toegevoegd, namelijk het uitvoeren van een secundaire analyse op de cohortgegevens van leerlingen en leerkrachten uit het PRIMAonderzoek in het primair onderwijs. De voorliggende rapportage is het verslag van dit derde onderzoeksdeel. Over elk van deze drie onderzoeksdelen wordt apart gerapporteerd, terwijl tevens een afsluitende, geïntegreerde eindrapportage verschijnt wat betreft de opbrengsten uit alle drie de deelonderzoeken. Dit overeenkomstig de wens van het ministerie. In die afsluitende rapportage wordt nader ingegaan op de relevantie van de onderzoeksuitkomsten voor de onderwijspraktijk, de toekomstige benodigde ontwikkelingen en onderzoeken in scholen, en het onderwijsbeleid. v
  7. 7. Bij de uitwerking van dit derde deelonderzoek zijn velerlei statistische analyses verricht die bij elkaar een beeld geven van de positie, ervaringen en beperkingen van hoogbegaafde leerlingen in het huidige reguliere onderwijs. Bij de uitvoering van deze analyses is ook door drs. Hermann Vierke een bijdrage geleverd. Een woord van dank geldt de Programmaraad voor Onderzoek van het Onderwijs (PROO) van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor het gebruik van de PRIMA-gegevens. ITS - Nijmegen Prof. dr. E. de Gier, directeur vi
  8. 8. Inhoud 1 Inleiding 1.1 Achtergronden 1.2 Probleemstelling en onderzoeksvragen 1 1 3 2 Databestanden en variabelen 2.1 Het PRIMA-cohortonderzoek 2.2 Soorten variabelen 2.3 Operationalisatie 7 7 8 9 3 Stabiliteit begaafdheidsgroepen over vijf metingen 3.1 Begaafdheidsdifferentiatie in intelligentie, taal en rekenen 3.2 Samenhangen met opleiding en etniciteit ouders 17 17 20 4 Begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken 4.1 Samenhangen tussen begaafdheid en overige leerlingkenmerken 4.2 Begaafdheid en leerling- en gezinskenmerken 23 23 30 5 Intelligentieverschillen en taal- en rekenverschillen 5.1 Onderpresteren: verschil tussen intelligentie en schoolprestaties 5.2 Achtergronden van onderpresteren 33 33 34 6 Begaafdheid en pedagogisch-didactische aanpak 6.1 Effecten van onderwijsaanpak 6.2 Ontwikkelingen in prestaties, gedrag en houding 6.2.1 Van groep 2 naar groep 4 6.2.2 Van groep 4 naar groep 6 6.2.3 Van groep 6 naar groep 8 6.3 Ontwikkelingen in ruwe taal- en rekenprestaties groep 2→4 en 4→6 43 43 44 44 53 56 57 vii
  9. 9. 7 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 7.1 Achtergrond en probleemstelling 7.2 Onderzoeksopzet 7.3 Ontwikkelingen qua begaafdheid 7.4 Samenhangen met leerling-, gezins- en groepskenmerken 7.5 Onderpresteren 7.6 Ontwikkelingen in begaafdheid en pedagogisch-didactische aanpak 7.7 Aanbevelingen voor beleid 59 59 59 60 61 63 64 66 Referenties 69 Bijlagen 75 viii
  10. 10. 1 Inleiding 1.1 Achtergronden Brede aandacht voor (hoog)begaafde leerlingen in het onderwijs is relatief laat op gang gekomen, halverwege de jaren ’80 - begin jaren ’90 (Onderwijsraad, 2004). Wat precies onder ‘(hoog)begaafd’ moet worden verstaan, is vaak niet geheel duidelijk (zie ook Hoogeveen, Van Hell, Mooij & Verhoeven, 2005; Mooij, 1992; Rost, 1990). Dit komt ook omdat het verschijnsel betrekking kan hebben op velerlei verschillende competentiegebieden (Gallagher, 1975; Révész, 1952) en de operationalisatie van het begrip vaak veelvormig is. Veelal wordt gesproken over ‘de bovenste 3%’ van de leerlingen, waarbij doorgaans intelligentie als de sterkste indicator wordt beschouwd: een (hoog)intelligente leerling is in potentie of feitelijk een (hoog)begaafde leerling. Van ‘begaafd’ wordt dan gesproken bij een score op een intelligentietest van 120 tot 129 (6.9% van de populatie) en van ‘hoogbegaafd’ bij een score van 130 en hoger (2.2% van de populatie) (vgl. Guldemond, Bosker, Kuyper & Van der Werf, 2003). Volgens sommige theoretische zienswijzen zegt intelligentie vooral iets over de potentie die er in een leerling zit; of die potentie wordt geactualiseerd hangt vervolgens van meerdere factoren af. Ook persoonlijkheidskenmerken als doorzettingsvermogen zijn hier van belang. Naast persoonsgebonden ofwel meer aangeboren kenmerken wordt vaak aangenomen dat ook omgevingsfactoren een rol spelen bij de ontwikkeling van hoogbegaafdheid. Bijvoorbeeld de ambities en pedagogische begeleiding van de ouders en de invloeden vanuit ‘peers’ en school (Van Eijl, Wientjes, Wolfensberger & Pilot, 2005; Hoogeveen e.a., 2005; Mooij, 1991a, 1991b). De persoons- en omgevingskenmerken kunnen elkaar wederzijds beïnvloeden, met name via cognitieve en sociale individuele kenmerken en groepsgemiddelden en -spreidingen. In het bijzonder sociale vergelijkingsprocessen tussen leerlingen zijn doorslaggevend voor de cognitieve en sociale motivatie en ontplooiing van enerzijds relatief (hoog)begaafden en anderzijds relatief minder begaafde leerlingen (Davis, 1966; Marsh, Chessor, Craven, & Roche, 1995; Mooij, 1992). De invloed van schoolse omgevingskenmerken op de ontwikkeling van hoogbegaafde leerlingen is internationaal aangetoond (vgl. Hoogeveen e.a., 2005). In bepaalde onderzoekscondities is de invloed van omgevingsfactoren klein: vergelijk het onderzoek van Guldemond e.a. (2003). Dat onderzoek vond plaats in het voortgezet onderwijs, waardoor de mogelijk belangrijkste ontwikkelingsprocessen in de leef1
  11. 11. tijdsperiode 4 – 12 jaar niet konden worden meegenomen (vgl. Mooij, 2003). Bovendien kon door Guldemond e.a. (2003) niet worden onderzocht of variatie in onderwijsaanbod zou kunnen leiden tot verschillen in schoolmotivatie en cognitieve ontwikkeling of prestaties. Ook is nog van belang er op te wijzen dat veel kennis en preferenties cultuurgebonden zijn. Hierdoor is het met name voor allochtone leerlingen moeilijker om hun ware talenten zichtbaar te maken. Middels cultuur-fair testen wordt geprobeerd aan dit probleem tegemoet te komen (Uiterwijk & Vallen, 2003). Onderzoek wijst overigens niet uit dat er bijvoorbeeld in de Cito-Eindtoets sprake is van systematische bias (Uiterwijk, 1994). Het vermoeden bestaat dat er ten gevolge van omgevings- en culturele factoren wel sprake is van niet-aangesproken of ‘verborgen’ talent. Wanneer er niet-aangesproken of verborgen talenten zijn, kan zich dat uiten in onderpresteren: leerlingen presteren lager dan zij kunnen. Een mogelijke oorzaak hiervoor is gelegen in het feit dat in het les- en schoolaanbod onvoldoende rekening wordt gehouden met de specifieke kwaliteiten van de leerling. Daarnaast komt het voor dat leerkrachten lage verwachtingen hebben van (groepen) leerlingen (Van der HoevenVan Doornum, 1990). Dit kan leiden tot demotivatie en probleemgedrag, waardoor de leerling in een neerwaartse motivatie-prestatie-spiraal terecht komt (Mooij, 1987). Hoe vaak dit voorkomt in het basisonderwijs is onbekend. Een belangrijk adagium is dat het onderwijs rekening dient te houden met verschillen tussen leerlingen. Het lijstje aanbevelingen ten aanzien van ‘what works’ is echter relatief kort (Meijnen e.a., 1991). Met betrekking tot achterstandsleerlingen wordt recentelijk gewezen op het belang van sterk gestructureerd onderwijs, met nadruk op de kernvakken, monitoring van vorderingen en, als nodig, snel ingrijpen (Tesser & Iedema, 2001). Deze aanpak zou als ‘traditioneel onderwijs’ gekwalificeerd kunnen worden (Driessen, 2003). In hoeverre deze methode wordt gepraktiseerd, is onduidelijk. Voor risicoleerlingen is tegenwoordig ‘adaptief onderwijs’ de meest geopteerde benadering. Uit longitudinale analyse (zowel verschilscore- als covariantie-analyse) van Jungbluth en Van Langen (1997) bleken echter geen effecten van adaptief onderwijs op prestatie- en gedragsmaten. Vergelijkbare analyses met een vijftal varianten van remediëring wezen uit dat, voorzover er effecten optraden, deze negatief (!) waren. Psychologisch en pedagogisch laten (hoog)begaafde kinderen vaak zeer specifieke persoonlijke ontwikkelingstrajecten zien. Een vraag is dan of dergelijke kinderen in het onderwijs aparte steun behoeven. Hoewel een groot aantal van deze kinderen geen opvallende problemen vertoont, hetgeen op zich positief is, is er volgens Van Eijl e.a. (2005) sprake van een verborgen probleem: zonder een op maat gesneden aanpak krijgen zij onvoldoende kans hun potenties waar te maken. De recente meta-analyse 2
  12. 12. van Hoogeveen e.a. (2005) liet zien dat het aantal studies naar effecten van onderwijsaanpassingen (zoals verrijkings- en versnellingsprogramma’s) beperkt is. Bovendien bleken ze alle betrekking te hebben op de niet-Nederlandse situatie. De resultaten van de meta-analyse wezen in het algemeen op positieve effecten op het cognitieve domein, en zowel positieve als negatieve effecten op het gebied van het zelfconcept. De negatieve zelfconcepteffecten kunnen worden verklaard uit bijkomstige effecten van de veranderingen in onderwijssituatie (ten gevolge van nieuwe sociale vergelijkingen). Er is dus alle reden preciezer na te gaan hoe de wisselwerkingsprocessen tussen kind- en onderwijskenmerken plaatsvinden, van jongs af aan. En welke effecten zich daarbij voordoen, met name wat betreft mogelijk ‘onderpresteren’ (duidelijk onder het mogelijke eigen niveau presteren). 1.2 Probleemstelling en onderzoeksvragen In het primair onderwijs is sprake van een grote diversiteit qua leerlingenpopulatie, terwijl het onderwijs zelf via het leerstofjaarklassensysteem vrij homogeen gestructureerd is. Het beleid besteedt in verschillende mate aandacht aan uiteenlopende leerlingenpopulaties, met name ‘achterstandsleerlingen’. De beleidsaandacht voor de groep (hoog)begaafden is van recente datum. Er zijn resultaten van enkele kwalitatieve en optimaliseringsonderzoeken in de schoolpraktijk (bv. Mooij, 1999a, 1999b, 2004a, 2004b, 2007) en een kwantitatief onderzoek naar succescondities van hoogbegaafde leerlingen in de periode eind basisschool - overgang naar het voortgezet onderwijs (Mooij, Hoogeveen, Driessen, Van Hell & Hoogeveen, 2006). Er is voor het overige in het primair onderwijs nagenoeg geen zicht op de eventuele risicoontwikkelingen in de groep hoogbegaafde leerlingen. Wel is er discussie over de relatieve invloed van omgevingsfactoren op (de ontwikkeling van) intelligentie en schoolprestaties en schoolmotivatie naar aanleiding van de interpretatie van relevante onderzoeksresultaten in het voortgezet onderwijs (zie Guldemond e.a., 2003). Het lijkt mogelijk deze discussie via empirisch onderzoek te verhelderen en een meer adequaat fundament te geven voor wat betreft het primair onderwijs. Sinds geruime tijd zijn gegevens beschikbaar uit het zogenoemde PRIMA-cohortonderzoek, een landelijk, grootschalig onderzoek dat sinds het schooljaar 1994/95 tweejaarlijks wordt uitgevoerd onder circa 600 basisscholen en 60.000 leerlingen in de groepen 2, 4, 6 en 8 (Driessen, Van Langen & Vierke, 2006). Met behulp van secundaire analyse van de gegevens uit dit onderzoek kan een deel van de openstaande vragen worden beantwoord. Hierna volgt een overzicht van de onderzoeksvragen die we willen beantwoorden, een korte aanduiding van de methode die daarbij wordt gehanteerd en de verwachte opbrengsten. 3
  13. 13. 1. Is er een ontwikkeling in het aandeel (hoog)begaafde leerlingen over de jaren heen? Methode. (Hoog)begaafde leerlingen worden geïndiceerd op basis van hun intelligentietestscores en taal- en rekenprestaties. Door de eerste PRIMA-meting als vertrekpunt te nemen, kan worden nagegaan of de omvang van de groep leerlingen met eenzelfde score of lager in de daaropvolgende jaren stijgt of daalt. Opbrengst. De uitkomsten van deze analyses geven een indicatie van de kwalitatieve samenstelling van ‘de beoogde leerlingengroep’, of de omvang stabiel blijft dan wel verandert, en of eventueel extra praktijk- en beleidsaandacht gewenst zou zijn. 2. Is er een relatie tussen het (hoog)begaafd zijn en leerling- en gezinsachtergronden en compositiekenmerken van de klas/school? Methode. Nagegaan wordt welke relatie er is tussen het (hoog)begaafd zijn en de sekse, etniciteit en het sociaal milieu van de leerling en de compositie van de groep in termen van de sociaal-etnische samenstelling en het prestatieniveau van de groep. Tevens wordt onderzocht welke samenhangen er zijn met een aantal gedrags- en houdingsaspecten, zoals werkhouding en welbevinden. Opbrengst. Op deze manier kan zicht worden verkregen op een eventuele oververtegenwoordiging van bepaalde leerlingcategorieën en of zich daar in de loop van de jaren een ontwikkeling in voordoet. Tevens wordt een antwoord verkregen op de vraag of (hoog)begaafden relatief veel gedrags- en houdingsproblemen kennen. 3. Is er sprake van onderpresteren van de (hoog)begaafden? Methode. Hier wordt de begaafdheid qua intelligentie gerelateerd aan de taal- en rekenprestaties. Daarmee kan de vraag worden beantwoord in hoeverre er sprake is van onderpresteren of verborgen talent, dat wil zeggen het lager presteren qua taal en rekenen dan op basis van de intelligentiescores verwacht zou worden. Van dit laatste zou sprake kunnen zijn als leerlingen gedurende meerdere jaren wel hoge scores realiseren op de intelligentietests, maar desondanks laag scoren op de schoolprestatietoetsen. In deze analyses wordt ook nagegaan of er sprake is van een relatie tussen onderpresteren en achtergrondkenmerken van leerlingen, gedrags- en houdingskenmerken en groepskenmerken. Opbrengst. Deze analyses geven inzicht in de omvang van de groep onderpresterende (hoog)begaafden, en of er een relatie is met de leerling- en groepskenmerken. Tevens 4
  14. 14. geven zij antwoord op de vraag of er zich bij deze specifieke groep gedrags- en houdingsproblemen voordoen. 4. Kunnen verschillen in de ontwikkeling van (hoog)begaafden wat betreft prestaties en gedrag/houding worden verklaard uit de gehanteerde pedagogisch-didactische aanpak? Methode. Hier staan de effecten van de onderwijsaanpak centraal: welke aanpak is het meest effectief? Daarbij kan gedacht worden aan aspecten als omgaan met heterogeniteit, differentiatie en traditioneel versus constructivistisch didactisch handelen. Het betreft hier (voornamelijk) een longitudinale benadering. In een eerste analyse wordt uitgegaan van de categorie (hoog)begaafde leerlingen in groep 2. Geprobeerd wordt verschillen in hun scores te verklaren door verschillen in aanpak, onder constanthouding van verschillen in leerlingkenmerken. Door in deze analyses ook klascompositiekenmerken (bv. gemiddelde en heterogeniteit qua prestaties) mee te nemen, kan ook zicht worden verkregen op de invloed van dergelijke omgevingskenmerken. Vervolgens wordt nagegaan hoe dezelfde leerlingen twee jaar later in groep 4 scoren qua prestaties. Geprobeerd wordt ook deze verschillen in vooruitgang te verklaren door verschillen in aanpak, onder constanthouding van leerling- en klascompositiekenmerken. Vergelijkbare analyses worden verricht voor de overgang van groep 4 naar 6 en van groep 6 naar 8. Opbrengst. Deze analyses geven inzicht in mogelijke aspecten van de onderwijsaanpak die de ontwikkeling van (hoog)begaafde leerlingen beïnvloeden. In de hierna volgende hoofdstukken zullen we deze vier vragen successievelijk beantwoorden. In het voorgaande hebben we steeds gesproken over begaafden en hoogbegaafden. In onze analyses zullen we ons echter niet beperken tot deze twee categorieën, maar het hele spectrum qua begaafdheid meenemen – dus ook de bovengemiddeld, gemiddeld en ondergemiddeld begaafden. Voordat we overgaan tot het presenteren van de onderzoeksbevindingen, zullen we in het volgende hoofdstuk eerst een beschrijving geven van de door ons gebruikte PRIMA-data. 5
  15. 15. 6
  16. 16. 2 Databestanden en variabelen 2.1 Het PRIMA-cohortonderzoek Voor deze studie maken we gebruik van gegevens die zijn verzameld binnen het cohortonderzoek Primair Onderwijs (PRIMA). PRIMA is een grootschalig, longitudinaal onderzoek onder circa 600 basisscholen en 60.000 leerlingen in de groepen 2, 4, 6 en 8. Het onderzoek is gestart in het schooljaar 1994/95 en is daarna eenmaal in de twee jaar herhaald; de laatste meting vond plaats in 2004/05. Informatie is verzameld bij directies van scholen, groepsleerkrachten, leerlingen en hun ouders (zie o.m. Driessen, Van Langen & Vierke, 2006). Voor de onderhavige studie concentreren we ons op de laatste vijf metingen, dat wil zeggen PRIMA2 t/m PRIMA6, uit de jaren 1996/97, 1998/99, 2000/01, 2002/03 en 2004/05.1 PRIMA kent een zogenoemde referentiesteekproef die representatief is voor alle Nederlandse basisscholen en een aanvullende steekproef die scholen bevat met veel (allochtone en autochtone) achterstandsleerlingen. Deze laatste steekproef is toegevoegd om ook betrouwbare uitspraken te kunnen doen over subcategorieën van leerlingen die in de representatieve steekproef met relatief geringe aantallen zijn vertegenwoordigd. Bovendien geeft deze steekproef waarschijnlijk een beter beeld van de typische allochtone leerlingen, die in werkelijkheid meestal ook geconcentreerd op dergelijke achterstandsscholen zitten. In Tabel 2.1 presenteren we een overzicht van de (maximale) aantallen leerlingen verdeeld naar steekproef en daarbinnen naar meting/jaar en groep. De tabel laat zien dat de totale steekproef steeds rond de 57.000 leerlingen per jaar bevat; per groep gaat het om circa 14.000 leerlingen (in de lagere groepen wat meer dan in de hogere groepen). In totaal zijn bij dit onderzoek 284.053 leerlingen betrokken. De representatieve steekproef telt bijna 200.000 leerlingen. 1 De eerste meting in 1994/95 kende een andere opzet dan de latere metingen en wordt daarom hier niet in de analyses betrokken. 7
  17. 17. Tabel 2.1 – Aantallen leerlingen naar steekproef, jaar en groep totale steekproef representatieve steekproef jaar groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 totaal groep 2 groep 4 groep 6 groep 8 totaal 1996 1998 2000 2002 2004 15485 15159 15050 14719 14997 14615 15258 14748 14215 14276 13814 13547 14470 13699 13447 12934 13176 13480 13660 13304 56848 57140 57748 56293 56024 10483 10104 10255 10236 10746 10134 10351 10170 9978 10254 9615 9301 10045 9651 9770 9089 9021 9308 9569 9606 39321 38777 39778 39434 40376 totaal 75410 73112 68977 66554 284053 51824 50887 48382 46593 197686 2.2 Soorten variabelen In de loop van de jaren hebben er verschillende aanpassingen plaatsgevonden binnen PRIMA, qua opzet, instrumenten en variabelen. Voor de hier geselecteerde variabelen heeft dat weinig consequenties, waardoor de vergelijkbaarheid over de jaren heen gewaarborgd is. Voor de onderhavige studie zijn de volgende categorieën van kenmerken van belang. Op het niveau van de leerlingen: • persoonskenmerken (bv. sekse); • gezinsstructurele kenmerken (bv. opleiding ouders); • intelligentietestscores; • toetsprestaties taal en rekenen; • advies voortgezet onderwijs; • sociaal-emotionele kenmerken (houding, gedrag, aanpak). Op het niveau van de groep (veelal leeftijdsgebonden) of van de klas (meerdere groepen mogelijk, bv. combinatieklas) en school: • groeps- of klaskenmerken (bv. pedagogisch-didactische werkwijze; sociaal-etnische en cognitieve samenstelling); • schoolkenmerken (visie, beleid, uitgangspunten). De centrale variabele betreft een vierdeling in begaafdheidscategorieën. Hierna volgt een korte toelichting op de operationalisatie van elk van de verschillende kenmerken. Voor een uitgebreide verantwoording verwijzen we naar Driessen, Van 8
  18. 18. Langen & Oudenhoven (1994), Driessen, Van Langen & Vierke (2000, 2002, 2004, 2006), Driessen, Van Langen, Portengen & Vierke (1998) en Vierke (1995). 2.3 Operationalisatie Persoonskenmerken • Sekse (1) jongen, (2) meisje. • Loopbaanverloop (o.b.v. leeftijd; indicatie doubleren): (1) vertraagd, (2) normaal, (3) versneld. De informatie voor beide kenmerken is afkomstig uit de schooladministraties. Gezinsstructurele kenmerken • Opleiding ouders (hoogste niveau binnen het gezin): (1) l.o., (2) lbo, (3) mbo, (4) hbo/wo. • Etnische herkomst (o.b.v. geboorteland ouders): (1) Nederlands, (2) gemengd Nederlands-allochtoon, (3) Surinaams/Antilliaans, (4) Turks, (5) Marokkaans, (6) overig allochtoon. Ook de informatie voor deze twee kenmerken is afkomstig uit de schooladministraties. Toetsprestaties In alle onderzochte groepen (i.c. 2, 4, 6 en 8) zijn taal- en rekentoetsen afgenomen (in groep 2 voorbereidend lezen en rekenen). Alle toetsen zijn ontwikkeld door het Cito. De toetsen verschillen per groep qua moeilijkheidsgraad. • Taal. Bij PRIMA2 tot en met PRIMA4 is in groep 2 de Cito Begrippentoets afgenomen; bij PRIMA5 en PRIMA6 de Cito-toets Taal voor kleuters. In de groepen 4, 6 en 8 zijn steeds speciaal voor PRIMA door het Cito ontwikkelde taaltoetsen afgenomen; deze zijn bij alle PRIMA-metingen hetzelfde gebleven. De scores op al deze toetsen zijn na een kalibratieprocedure omgezet naar zogenoemde PRIMAvaardigheidsscores (Vierke, 1995). Dit houdt in dat de scores over de groepen heen op één schaal zijn gebracht; ze kunnen niet alleen over de groepen heen met elkaar worden vergeleken, maar ook over de metingen heen. • Rekenen. Bij alle PRIMA-metingen is in groep 2 de Cito-toets Ordenen oudste kleuters afgenomen. Bij PRIMA2 zijn in groep 4, 6 en 8 speciaal door het Cito ontwikkelde rekentoetsen afgenomen. Deze toetsresultaten zijn omgezet in PRIMA-vaardigheidsscores. Met ingang van PRIMA3 zijn echter de rekenen/wiskunde-toetsen uit het Cito Leerlingvolgsysteem genomen. De scores op deze toetsen zijn omgezet in Cito-vaardigheidsscores. Door deze wijzigingen kunnen de scores per groep pas vanaf PRIMA3 over de metingen heen met elkaar worden 9
  19. 19. vergeleken. Vanaf die meting kunnen bovendien de scores van groep 4, 6 en 8 met elkaar worden vergeleken. Intelligentietests In de groepen 4, 6 en 8 zijn twee nonverbale intelligentietests afgenomen, Figuren en Exclusie. Beide subtests behoren tot het domein ‘ruimtelijke intelligentie’. Bij Figuren samenstellen moet een voorgegeven figuur, bijvoorbeeld een vierkant, worden samengesteld uit een reeks onregelmatig gevormde segmenten. Bij Exclusie moet er in een reeks figuren één worden aangewezen dat er niet in past. Deze tests zijn door het RION ontwikkeld ten behoeve van de evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid (Doddema-Winsemius & Van der Werf, 1988). Ze tonen veel verwantschap met bijvoorbeeld de RAKIT-onderdelen Closure en Exclusie (vgl. Te Nijenhuis, Tolboom, Resing & Bleichrodt, 2004; Evers, Vliet-Mulder & Groot, 2000a,b). Gekozen is voor nonverbale tests om eventuele bias tegenover allochtone leerlingen te vermijden (vgl. Extra & Verhoeven, 1985). Elders is overigens geconcludeerd dat er wat betreft de PRIMA-toetsen geen aanwijzingen zijn voor testbias. Factoranalyse liet namelijk zien dat de subtests bij allochtone leerlingen hetzelfde meten als bij autochtone leerlingen (Tesser, Mulder & Van der Werf, 1991). Ook is uit ander Nederlands onderzoek naar cultuur-fair toetsen, meer specifiek naar de Eindtoets basisonderwijs van het Cito, niet gebleken dat er sprake is van systematische bias (Uiterwijk, 1994).2 Er bestaan drie verschillende versies van de twee subtests, namelijk voor groep 4, 6 en 8. De tests zijn voor elk van de PRIMA-metingen identiek gebleven. Voor groep 4 telt Figuren samenstellen 17 en Exclusie 20 items; voor groep 6 en 8 gaat het om 19, respectievelijk 15 items. De test als geheel omvat dus 37, 34 en 34 items. Er zijn steeds somscores (i.c. het aantal goed gemaakte opgaven) berekend voor de twee subtests samen. Deze scores zijn niet vergelijkbaar over de groepen heen. Advies voortgezet onderwijs In groep 8 krijgen de leerlingen een advies voor een voor hen meest geschikt geachte type voortgezet onderwijs. Door invoering van het vmbo is de structuur van de adviezen met ingang van PRIMA4 gewijzigd. Ter wille van de vergelijkbaarheid zijn de scores van deze en latere metingen aangepast. In Figuur 2.1 staan de resulterende categorieën van deze variabele. 2 Onlangs is de binnen de evaluatie van het Onderwijsvoorrangsbeleid gehanteerde test onder de naam ‘NSCCT: de Niet-Schoolse Cognitieve Capaciteiten Test’ (Van Batenburg & Van der Werf, 2004; 2005) commercieel op de markt gebracht. Deze bevat dus ook de twee hier gebruikte subtests Figuren en Exclusie. De NSCCT is door de COTAN op alle onderdelen als ten minste ‘voldoende’ beoordeeld. 10
  20. 20. Figuur 2.1 – Oude en nieuwe classificatie advies voortgezet onderwijs oud nieuw 1. vso/ivbo 2. vbo 3. vbo/mavo 4. mavo 5. mavo/havo 6. havo 7. havo/vwo 8. vwo vmbo-pro, vmbo-pro/lwo, vmbo-lwo, vmbo-lwo/bbl vmbo-bbl, vmbo-bbl/kbl, vmbo-kbl vmbo-kbl/gl, vmbo-gl, vmbo-gl/tl vmbo-tl vmbo-tl/havo havo havo/vwo vwo Sociaal-emotionele kenmerken3 Met behulp van het zogenoemde Leerlingprofiel hebben de groepsleerkrachten hun leerlingen op een aantal kenmerken met betrekking tot houding, gedrag en (onderwijs)aanpak beoordeeld. Ze hebben daartoe op een serie uitspraken gereageerd in termen van (1) ‘beslist onwaar’ tot (5) ‘beslist waar’. Op basis van factor- en betrouwbaarheidsanalyse zijn verschillende schalen geconstrueerd. De profielen zijn in principe ingevuld voor elk van de groepen 2, 4, 6 en 8 en zijn voor alle groepen identiek. Wel hebben er in de loop van de tijd enkele bijstellingen plaatsgevonden, waardoor bij PRIMA2 en PRIMA3 sommige schalen niet beschikbaar zijn, dan wel dat ze zijn samengesteld uit minder items dan de schalen van PRIMA4 t/m PRIMA6. Voor de vergelijkbaarheid over de metingen heen heeft dit laatste waarschijnlijk weinig gevolgen, aangezien de schaalscores zijn berekend als het gemiddelde van de samenstellende items. Bij PRIMA2 en PRIMA3 zijn alle leerlingen individueel door hun leerkrachten beoordeeld. Met ingang van PRIMA4 is dat in verband met de belasting van de leerkrachten niet meer gebeurd. De leerlingen uit groep 2 werden nog wel allemaal beoordeeld, maar bij de hogere groepen werd bij elke groep een zodanige random steekproef getrokken dat (maximaal) 15 leerlingen werden geselecteerd. Bij latere metingen zijn weer andere selectiecriteria gehanteerd. De respons lag daardoor bij die metingen tussen de 50 en 75%. Analyse wees echter uit dat er daarbij geen sprake was van selectiviteit. 3 Het betreft een zeer gevarieerd aantal kenmerken van leerlingen die te maken hebben met houding, gedrag en aanpak. In PRIMA worden ze kortheidshalve samengevat onder de noemer ‘sociaalemotionele kenmerken’, alhoewel die vlag de lading niet helemaal dekt. 11
  21. 21. De volgende schalen zijn beschikbaar: • Werkhouding (bv. ‘denkt al gauw dat het werk af is’). • (Sociaal) Gedrag (bv. ‘is vaak brutaal’). • Discipline (bv. ‘krijgt extra aandacht voor discipline’). • Zelfvertrouwen (bv. ‘raakt gauw in paniek’). • Welbevinden (bv. ‘komt met tegenzin naar school’). • Populariteit (bv. ‘is populair bij klasgenoten’). • Relatie leerkracht (bv. ‘heeft met mij een goede relatie’). 4 • Extra leerstofaanbod (bv. ‘krijgt ook de moeilijkere stof aangeboden’) . • Onderpresteerder (bv. ‘blijven de prestaties achter bij de capaciteiten’). De schaalscores zijn berekend als het gemiddelde van de samenstellende items, waarbij de scores op negatief geformuleerde items eerst zijn gespiegeld. Groepskenmerken Op groepsniveau (groep 2, 4, 6 en 8) hebben we enkele variabelen geconstrueerd die een indruk geven van de sociale, etnische en cognitieve samenstelling van de leerlingenpopulatie. De scores zijn steeds berekend op basis van de leerlingen die in de betreffende groep zitten. Dus, in een combinatieklas groep 4/5 gaat het alleen om de leerlingen in groep 4. Het betreft twee soorten maten, namelijk geaggregeerde gemiddelden en standaarddeviaties (die een indruk geven van de spreiding van het kenmerk binnen een klas). Het betreft de volgende maten: • Groepsgrootte (aantal leerlingen). • Percentage allochtone leerlingen (o.b.v. etnische herkomst ouders, categorieën 365). • Percentage kinderen van laagopgeleide ouders (o.b.v. opleiding ouders, categorieen 1-2). • Gemiddeld intelligentieniveau (o.b.v. intelligentietestscores). • Spreiding intelligentieniveau. • Gemiddeld prestatieniveau taal en rekenen (o.b.v. taal-, resp. rekentoetsscores). • Spreiding prestatieniveau. Pedagogisch-didactische kenmerken Behalve kenmerken die een indruk gegeven van samenstelling van de groep is ook een aantal kenmerken beschikbaar wat betreft de pedagogisch-didactische aanpak. De betreffende informatie is afkomstig uit de vragenlijsten die voor de vijfde PRIMAmeting zijn ingevuld door de directies en groepsleerkrachten. Voor de leerkrachten waren er twee verschillende vragenlijsten, een voor de leerkrachten van groep 2 en 4 In PRIMA ook wel aangeduid als ‘leerplanverrijking’. 5 De Nederlands-allochtone (=gemengde) gezinnen zijn bij de Nederlanders gevoegd, omdat zij qua cognitieve aspecten zeer sterk op hen lijken. 12
  22. 22. een voor de leerkrachten van groep 4, 6 en 8. Hierna volgt een summiere beschrijving; voor details verwijzen we naar Van der Veen, Van der Meijden en Ledoux (2004). Allereerst enkele kenmerken die betrekking hebben op de school: • Schoolgrootte (aantal leerlingen). • Aanpak: constructivistisch onderwijs (stimulering zelf oplossingen bedenken; instructie en oefening afgestemd op niveau en belangstelling individuele leerlingen; nadruk ontwikkelen denkvaardigheden en leerstrategieën; aanbieden rijke leeromgeving): helemaal niet typerend/niet typerend/enigszins/typerend/zeer typerend. • Deskundigheid leerkrachten met omgang van cognitieve verschillen: helemaal niet/niet/niet-wel/goed/zeer goed. • Deskundigheid leerkrachten met omgang van probleemgedrag verschillen: helemaal niet/niet/niet-wel/goed/zeer goed. • Deskundigheid leerkrachten met omgang van cognitieve verschillen: helemaal niet/niet/niet-wel/goed/zeer goed. • Inzet formatie OAB: niet/in geringe mate/in aanzienlijke mate. • Inzet formatie WSNS: niet/in geringe mate/in aanzienlijke mate. • Gebruik leerlingvolgsysteem voor planningsdoeleinden: niet-enigszins/redelijk/veel/zeer veel. • Vaststelling doelen: nee/ja methodegerelateerd//ja, niet-methodegerelateerd. • Grondigheid evaluatie onderwijsaanbod: niet/enigszins/redelijk/zeer. Dan kenmerken die betrekking hebben op groep 2: • Klassengrootte (bij combinatieklassen alle leerlingen). • Dubbele bezetting in de klas (meer leerkrachten): nee/ja. • Splitsing klas: nee/ja. • Remedial teacher: nee/ja. • Gebruik VVE-programma Piramide: nee/ja. • Gebruik VVE-programma Kaleidoskoop: nee/ja. • Gebruik VVE-programma Basisontwikkeling: nee/ja. • Gebruik VVE-programma Taalplan kleuters: nee/ja. • Gebruik VVE-programma anders: nee/ja. • Aanpak kleuteronderwijs: kindgericht (individuele aandacht, actief leren): helemaal niet/niet/enigszins/wel/zeer. • Aanpak kleuteronderwijs: aanbodgericht (vast plan, vooraf geformuleerde doelen): • helemaal niet/niet/enigszins/wel/zeer. • Systematisch programma ontwikkelingsaspecten: nee/globaal/gedetailleerd. • Gebruik kant-en-klare methodes ontwikkelingsaspecten: aantal. • Instructie begrippen: nooit, zelden/terloops/systematisch. 13
  23. 23. • • • • • • • • Nadruk spelactiviteiten: heel onbelangrijk/onbelangrijk/gemiddeld/belangrijk/heel belangrijk. Nadruk cognitieve activiteiten: heel onbelangrijk/onbelangrijk/gemiddeld/belangrijk/heel belangrijk. Consistente leerlijn woordenschatonderwijs: helemaal niet/niet/enigszins/wel/zeer. Volgen leerlingen op ontwikkelingsaspecten: nee/sommige leerlingen/alle leerlingen, later/alle leerlingen, nu. Toetsing begrippen: aantal. Aandacht voorbereidend lezen en rekenen: geen/deels/ja. Aanpak voorbereidend lezen en rekenen: uitsluitend klassikaal/overwegend klassikaal/gedifferentieerd. Contact en waardering VVE: helemaal niet/niet/enigszins/wel/zeer. En ten slotte kenmerken die betrekking hebben op groep 4, 6 en 8: Klassengrootte (bij combinatieklassen alle leerlingen). • Dubbele bezetting in de klas (meer leerkrachten): nee/ja. • Splitsing klas: nee/ja. • Remedial teacher: nee/ja. • Aantal minuten per week lezen. • Aantal minuten per week taal. • Aantal minuten per week rekenen. • Huiswerk: zelden. • Huiswerk: alleen zwakke leerlingen. • Huiswerk: alleen goede leerlingen. • Huiswerk: alle leerlingen. • Registratie vorderingen: nooit/1-2x pj/3-4x pj/5x of meer pj. • Instructie taal, lezen en rekenen: uitsluitend klassikaal/overwegend klassikaal/gedifferentieerd. • Overslaan leerstof basisvaardigheden: nooit/soms/regelmatig/vaak. • Aandacht voor studievaardigheden en –strategieën: geen...veel. • Gebruik diagnostische toetsen: nooit/1-2x pj/3-4x pj/5x of meer pj. • Klassikale differentiatie bij lezen, taal en rekenen (differentiatie in combinatie met klassikaal lesgeven): nee...ja. • Individuele differentiatie bij lezen, taal en rekenen (volledige individualisering): nee...ja. • Nadruk op cognitieve doelen: helemaal niet/niet/enigszins/wel. • Begaafdheidscategorieën In de literatuur (onderzoek, beleid) wordt (hoog)begaafdheid op zeer uiteenlopende manieren geoperationaliseerd. Meestal gebeurt dat op basis van de uitslag van een intelligentietest, maar het vindt ook plaats op basis van prestatietoetsen en leerkracht14
  24. 24. oordelen. Soms worden combinaties van instrumenten en indicatoren gehanteerd. Als het gaat om test- of toetsresultaten worden doorgaans verschillende begaafdheidscategorieën geconstrueerd op basis van de percentuele verdeling in de steekproef. Hoe een dergelijke classificatie er dan uitziet, hangt mede af van het doel. Soms wordt de top 3% als de groep (hoog)begaafden aangeduid, soms de top 5% of 10%. In de UK bijvoorbeeld, wordt in het beleid uitgegaan van de top 5%; die groep kan worden toegelaten tot de National Academy for Gifted and Talented Youth (NAGTY) en worden ingeschreven bij het National Register van de hoogst begaafde kinderen (N=150.000). Wat betreft NAGTY gaat het om het identificeren van leerlingen die werken, of daartoe de potentie hebben, in de top 5% van de ‘ability range’ in een of meer vakken (vgl. Campbell, Muijs, Neelands, Robinson, Eyre, & Hewston, 2005). Identificatie vindt plaats op basis van testresultaten en aanbevelingen van leerkrachten of andere onderwijsprofessionals (Strand, s.a.). Volgens Cigman (2006) wordt er daarbij nog een nader onderscheid gemaakt tussen de top 1% en top 5% voor de ‘gifted’, respectievelijk ‘exceptionally gifted’. Guldemond e.a. (2003) differentiëren in hun onderzoek in het Nederlandse voortgezet onderwijs naar hoogbegaafden: 2.5%, begaafden: 7.5%, en bovengemiddelden: 15%. De mogelijkheid om tot een verfijnde indeling te komen hangt natuurlijk mede af van het aantal geteste personen en het aantal items van de afgenomen test. Hoe de indeling er ook uitziet, er is altijd discussie over mogelijk (Hewston, Campbell, Eyre, Muijs, Neelands, & Robinson, 2005; Strand, s.a.). Voor het onderhavige onderzoek hebben we drie indicatoren genomen, namelijk de score op de intelligentietest, de taaltoets en de rekentoets. Bij de concrete indeling zijn de volgende categorieën aangehouden: (1) hoogbegaafd, (2) begaafd, (3) bovengemiddeld, en (4) (onder)gemiddeld. Wat betreft de procentuele differentiatie onderscheiden wij (voorzover mogelijk), aansluitend op Guldemond e.a. (2003), respectievelijk 2.5%, 7.5%, 15%, en 75%. Een en ander betekent dus dat wij ons niet zullen beperken tot de groep (hoog)begaafden, maar ons op de hele range van begaafdheid richten en vergelijkingen zullen maken tussen de vier door ons onderscheiden categorieën. Gelet op het gegeven dat het bij deze indeling conform variabelenscores verschillende groepen betreft, met soms per groep verschillende toetsen en tests, dient bij de precieze procentuele vulling van deze categorieën voor een pragmatische oplossing te worden gekozen: de precieze percentages per categorie kunnen daardoor per groep en toets/test enigszins verschillen. 15
  25. 25. 16
  26. 26. 3 Stabiliteit begaafdheidsgroepen over vijf metingen 3.1 Begaafdheidsdifferentiatie in intelligentie, taal en rekenen Een eerste onderzoeksvraag is of er over de jaren heen, in de periode 1996-2004, sprake is van een ontwikkeling qua begaafdheid of dat de aandelen leerlingen per begaafdheidscategorie stabiel zijn gebleven. Begaafdheid is geïndiceerd in termen van intelligentie en taal- en rekenprestaties, met als specificatie: (1) hoogbegaafden, (2) begaafden, (3) bovengemiddelden, en (4) (onder)gemiddelden. Door de eerste PRIMA-meting (i.c. PRIMA2/1996 voor intelligentie en taal, en PRIMA3/1998 voor rekenen) als vertrekpunt te nemen, wordt nagegaan of de omvang van de groep leerlingen met eenzelfde scorebereik in de daaropvolgende jaren is gestegen, gelijk is gebleven of is gedaald (de zogenoemde index-methode). Qua analysetechnieken maken we daarbij gebruik van variantie- en covariantie-analyse. Voor intelligentie hebben de analyses betrekking op alle metingen en daarbinnen de groepen 4, 6 en 8, voor taal op alle metingen en groepen, voor rekenen op de metingen van PRIMA3/1998 en later en alle groepen. Omdat we een representatief beeld willen geven van de ontwikkelingen hebben we de analyses verricht op de representatieve steekproef. In Tabel 3.1-3.3 presenteren we voor achtereenvolgens intelligentie, taal en rekenen de resultaten in termen van het percentage leerlingen per begaafdheidscategorie. In de laatste kolom van de tabel staat de nominaal-metrische correlatiecoëfficiënt eta, die per begaafdheidscategorie de grootte van het verschil tussen jaren in statistische zin samenvat.6 6 De interpretatie van eta is vergelijkbaar met die van de gewone correlatiecoëfficiënt (r). 17
  27. 27. Tabel 3.1 – Ontwikkeling aandeel begaafde leerlingen op basis van de intelligentietestscores, naar jaar en groep (in %) groep begaafdheid 1996 1998 2000 2002 2004 eta 4 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 6.6 5.7 15.8 71.9 13.7 7.7 16.7 61.9 12.7 7.2 17.0 63.0 12.2 7.5 17.0 63.2 12.0 6.8 16.4 64.7 .08 .03 .01 .08 6 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 2.8 10.6 16.6 70.1 3.6 12.0 18.0 66.5 3.6 12.5 17.2 66.7 3.5 11.2 17.8 67.5 3.2 11.2 17.4 68.2 .02 .02 .01 .03 8 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 2.7 11.5 17.8 68.0 3.3 13.2 18.4 65.2 3.2 13.0 18.9 64.9 3.3 12.4 18.9 65.5 2.6 11.0 17.9 68.5 .02 .03 .01 .03 Tabel 3.2 – Ontwikkeling aandeel begaafde leerlingen op basis van de taalprestaties, naar jaar en groep (in %) groep begaafdheid 1996 1998 2000 2002 2004 eta 2 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 3.7 7.9 14.6 73.7 6.3 13.1 18.3 62.4 7.1 12.9 19.5 60.6 5.7 14.2 24.6 55.5 3.4 14.2 26.7 55.7 .07 .07 .11 .14 4 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 4.3 9.0 14.7 72.0 6.5 10.9 17.6 65.1 6.5 11.4 17.2 64.9 6.4 11.7 17.7 64.2 6.1 11.7 17.4 64.8 .03 .03 .03 .06 6 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 3.7 8.2 13.4 74.7 4.1 8.4 14.4 73.2 3.6 7.9 13.5 75.0 3.6 7.8 13.8 74.9 3.6 8.0 15.2 73.2 .01 .01 .02 .02 8 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 1.0 7.6 17.6 73.8 .9 7.9 18.0 73.2 .7 7.0 15.9 76.4 .6 6.5 16.1 76.8 .6 6.9 15.4 77.1 .02 .02 .03 .04 18
  28. 28. Tabel 3.3 – Ontwikkeling aandeel begaafde leerlingen op basis van de rekenprestaties, naar jaar en groep (in %) groep begaafdheid 1998 2000 2002 2004 eta 2 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 3.8 7.9 20.0 68.3 4.1 9.1 20.0 66.8 3.6 9.0 20.1 67.3 3.2 7.6 19.1 70.0 .02 .02 .01 .03 4 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 2.8 11.4 12.9 72.9 3.2 10.5 12.8 73.5 .0 9.1 20.7 70.2 .0 3.4 18.4 78.1 .12 .11 .09 .07 6 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 2.9 7.3 16.7 73.1 2.5 6.4 16.6 74.5 2.9 8.2 14.7 74.2 2.9 8.0 14.1 75.0 .01 .03 .03 .02 8 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 2.8 7.5 17.9 71.8 2.6 7.4 16.8 73.2 2.1 8.8 18.7 70.3 2.1 8.5 17.6 71.9 .02 .02 .02 .02 Als we eerst naar Tabel 3.1 met de intelligentietestscores kijken, valt op dat het aandeel hoogbegaafden dat in 1996 in groep 4 op 6.6% is gesteld7 in de jaren daarna ongeveer is verdubbeld. Los van het feit dat de bijbehorende eta van .08 als nietrelevant kan worden beschouwd8, kan deze geheel aan deze ‘breuk’ worden toegeschreven. Voor het overige laat deze tabel zien dat de begaafdheid voor elk van de groepen zeer stabiel is. Opvallend is wel de relatieve achteruitgang in percentage hoogbegaafden tussen enerzijds groep 4 en anderzijds groep 6 of groep 8: zie de tabel. Ook met betrekking tot begaafdheid op basis van de taalprestaties in Tabel 3.2 valt de meting van 1996 uit de toon, tenminste voor de groepen 2 en 4. Wat betreft groep 2 is het opmerkelijk dat het aandeel hoogbegaafden in 2004 weer op het niveau ligt van dat in 1996. Voor groep 4 blijven de percentages na 1996 ongeveer gelijk. Ook hier geldt dat begaafdheid vrij stabiel is: opvallend is wel dat het percentage hoogbegaaf7 Dit heeft te maken met de specifieke verdeling van de scores in dat jaar, waardoor het niet goed mogelijk was om tot een kleiner percentage te komen. 8 Vaak wordt als criterium voor relevantie een ondergrens van eta=.15 aangehouden, hetgeen overeenkomt met ruim 2% verklaarde variantie (vgl. Driessen & Doesborgh, 2003). Cohen (1988) kwalificeert een samenhang van eta=.10 als ‘weak’, eta=.30 als ‘medium’ en eta=.50 als ‘strong’. Hij benadrukt echter dat deze kwalificaties niet al te rigide moeten worden opgevat. 19
  29. 29. den in groep 2 en 4 relatief overeenkomstig is, in groep 6 relatief iets afneemt, en in groep 8 steeds duidelijk lager is dan in eerdere groepen. Als het gaat om de ontwikkeling van begaafdheid op basis van de rekenprestaties volgt uit Tabel 3.3 dat die voor de groepen 2, 6 en 8 zeer stabiel is. Voor groep 4 zien we na 2000 wel een flinke verschuiving optreden: het aandeel hoogbegaafden daalt in 2002 en 2004 tot 0%, terwijl het aandeel begaafden in 2004 ook nog eens afneemt tot 3.4%. Uit deze resultaten volgt dat er – in statistisch significante zin – in de periode 19962004 geen ontwikkelingen zijn in het percentage als hoogbegaafd gekwalificeerde leerlingen in het basisonderwijs. Er doen zich wel enkele relatieve trends voor. Een vervolgvraag is dan of het ontbreken van duidelijke ontwikkelingen van doen kan hebben met (veranderingen in) kenmerken van de steekproef. 3.2 Samenhangen met opleiding en etniciteit ouders De vraag is of het ontbreken van de bovenbedoelde ontwikkelingen wellicht te maken heeft met (veranderingen in) kenmerken van de steekproef. Deze vraag kan uiteen worden gelegd in twee delen: • Zijn de hierboven gepresenteerde bevindingen (i.c. jaareffecten) verschillend voor bijvoorbeeld kinderen van laagopgeleide ouders ten opzichte van kinderen van hoogopgeleide ouders, of autochtone kinderen ten opzichte van Turkse kinderen? Het kan immers zo zijn dat het aandeel hoogbegaafden onder kinderen van laagopgeleide ouders wel toeneemt, maar van kinderen van hoogopgeleide ouders niet of zelfs afneemt. • Wat zijn de jaareffecten op hoogbegaafdheid als mogelijke verschillen in samenstelling van de steekproef met betrekking tot opleiding en etniciteit ouders worden verdisconteerd? Het is namelijk mogelijk dat er zich geen ontwikkelingen in begaafdheid voordoen, terwijl die wel verwacht zouden kunnen worden, bijvoorbeeld omdat het algemene opleidingsniveau in Nederland in de afgelopen periode is gestegen of omdat het aantal allochtone ouders is toegenomen. Om de eerste deelvraag te beantwoorden hebben we tweeweg variantie-analyse uitgevoerd met als factoren jaar en opleiding, respectievelijk etniciteit. Als het effect van jaar voor elk van de categorieën van opleiding en etniciteit hetzelfde is, mogen er geen interactie-effecten optreden. Om de tweede deelvraag te beantwoorden hebben we vervolgens covariantie-analyse verricht, waarbij opleiding en etniciteit constant zijn gehouden. 20
  30. 30. Voorafgaand aan deze analyses zijn we eerst nog nagegaan of er zich in de onderzochte periode ontwikkelingen hebben voorgedaan in de steekproeven wat betreft opleiding ouders en etnische herkomst. De resultaten van de betreffende variantieanalyses staan in de Bijlage (Tabel B3.1). Op basis van deze tabel kan worden geconcludeerd dat er alleen wat betreft het percentage ouders met een lbo-opleiding een niet significante, licht dalende trend is (eta=.10) en ten aanzien van hbo/wo een licht stijgende (eta=.09 of .08); ten aanzien van etniciteit zijn de percentages voor elk van de categorieën zeer stabiel. De resultaten van de analyses die zijn uitgevoerd om beide deelvragen te beantwoorden staan in Tabel 3.4. In de kolom onder eta staan (nogmaals: vgl. Tabel 3.1-3.3) de ongecorrigeerde eta’s, in de twee kolommen daarna volgen de interactie-eta’s voor opleiding, respectievelijk etniciteit, en in de kolom onder eta cov de eta’s waarbij via covariantie-analyse is gecorrigeerd voor de effecten van opleiding en etniciteit.9 Tabel 3.4 – Ongecorrigeerde jaareffecten, interactie-effecten en voor opleiding en etniciteit gecorrigeerde effecten op begaafdheid, naar domein en groep (eta’s) groep 2 domein begaafdheid eta groep 4 etai opl etai etn eta cov intelligentie hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld eta etai opl etai etn eta cov .08 .03 .01 .08 .03 .01 .02 .01 .02 .02 .02 .02 .07 .03 .01 .07 taal hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld .07 .07 .11 .14 .02 .03 .03 .04 .02 .03 .04 .05 .06 .06 .11 .13 .03 .03 .03 .06 .01 .01 .01 .02 .02 .02 .01 .03 .03 .03 .03 .05 rekenen hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld .02 .02 .01 .03 .02 .01 .02 .02 .02 .01 .02 .02 .02 .03 .01 .03 .12 .11 .09 .07 .07 .05 .04 .02 .04 .03 .03 .03 .13 .12 .09 .07 9 Covariantie-analyse vooronderstelt dat er geen interactie-effecten zijn; voor een zinvolle interpretatie van de gemiddelden mogen de jaareffecten op begaafdheid tussen de categorieën van opleiding en etniciteit niet teveel verschillen (=interactie). 21
  31. 31. Vervolg Tabel 3.4 – Ongecorrigeerde jaareffecten, interactie-effecten en voor opleiding en etniciteit gecorrigeerde effecten op begaafdheid, naar domein en groep (eta’s) groep 6 domein begaafdheid eta groep 8 etai opl etai etn eta cov eta etai opl etai etn eta cov intelligentie hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld .02 .02 .01 .03 .02 .03 .02 .02 .02 .02 .02 .02 .02 .02 .01 .03 .02 .03 .01 .03 .02 .02 .03 .02 .01 .02 .02 .02 .02 .03 .01 .04 taal hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld .01 .01 .02 .02 .02 .01 .02 .01 .01 .02 .02 .02 .02 .02 .01 .02 .02 .02 .03 .04 .01 .02 .01 .02 .01 .01 .02 .02 .02 .03 .04 .05 rekenen hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld .01 .03 .03 .02 .02 .02 .01 .01 .01 .02 .02 .01 .01 .02 .04 .03 .02 .02 .02 .02 .02 .02 .01 .02 .01 .01 .02 .02 .03 .02 .02 .03 Wat de eerste deelvraag betreft blijkt uit de tabel dat er nergens significante interactie-effecten optreden van jaar en opleiding, respectievelijk etniciteit (de interactieeta’s bedragen maximaal .07). Met andere woorden: de eerder geconstateerde afwezigheid van een jaarontwikkeling qua begaafdheid is voor elke categorie van opleiding en etniciteit statistisch gelijk.10 Met betrekking tot de tweede deelvraag is het – gegeven deze bevindingen – vervolgens niet verwonderlijk dat de partiële jaarontwikkeling in begaafdheid (eta cov), dus onder constanthouding van opleiding en etniciteit, vrijwel identiek is aan de totale jaarontwikkeling (eta). Met andere woorden: ook wanneer rekening wordt gehouden met mogelijke wijzigingen in de sociaal-etnische samenstelling van de steekproeven hebben er zich in de onderzochte periode geen ontwikkelingen voorgedaan in begaafdheid. 10 Dit betekent dus ook dat daarmee voldaan is aan een voorwaarde voor het verrichten van covariantie-analyse, te weten afwezigheid van interacties. 22
  32. 32. 4 Begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken 4.1 Samenhangen tussen begaafdheid en overige leerlingkenmerken Een volgende onderzoeksvraag is welke relatie er bestaat tussen begaafdheid en een aantal leerling- en gezinsachtergronden en groepskenmerken. Om die vraag te beantwoorden zijn de samenhangen bepaald tussen de vierdeling van begaafdheid zoals die eerder is gepresenteerd en de eerder genoemde persoonskenmerken, gezinsstructurele kenmerken, intelligentietestscores, toetsprestaties taal en rekenen, het advies voortgezet onderwijs, de sociaal-emotionele kenmerken (houding, gedrag, aanpak) en samenstelling van de groep. Het analyseperspectief is hier de begaafdheidsindeling, bijvoorbeeld hoeveel procent van de hoogbegaafden is een jongen? Daarnaast zijn ook nog enkele analyses uitgevoerd vanuit het perspectief van de achtergrondkenmerken, bijvoorbeeld zijn er meer jongens hoogbegaafd dan meisjes? De analyses zijn ook hier uitgevoerd op de representatieve steekproef. De gehanteerde techniek is een- en tweeweg variantie-analyse. Omdat er drie perspectieven van begaafdheid zijn (intelligentie, taal en rekenen), zijn alle analyses steeds vanuit elk van die perspectieven afzonderlijk verricht. Vanwege verschillen tussen de groepen 2, 4, 6 en 8 zijn ze bovendien apart per groep uitgevoerd. Omdat we beschikken over gegevens van vijf metingen is tevens nagegaan of er zich in de loop van de jaren veranderingen hebben voorgedaan in de samenhangen tussen begaafdheid en de genoemde achtergrondkenmerken. Dat is gedaan door voor elke samenhang ook nog de interactie met jaar (1996-2004) te berekenen. Het zal duidelijk zijn dat het hier een zeer groot aantal analyses betreft (ca. 1000), met enorm veel output. We zullen ons daarom hier beperken tot de presentatie en bespreking van de resultaten van groep 8 in 2004, waarbij is uitgegaan van de operationalisatie van begaafdheid vanuit het intelligentieperspectief. Deze gegevens staan in Tabel 4.1; de resultaten van alle andere analyses zijn opgenomen in de Bijlage (Tabel B4.1-B4.10). Tabel 4.1 bevat in de rij met n het aantal leerlingen in de vier begaafdheidscategorieen, afzonderlijk en in totaal. In de rijen daaronder wordt een onderscheid gemaakt naar de uiteenlopende kenmerken. In de eerste twee blokken staan de percentages per begaafdheidscategorie (dus verticaal gepercenteerd). Met uitzondering van het v.o.advies (waar ook percentages worden gepresenteerd), staan in alle overige blokken 23
  33. 33. gemiddelden. In de laatste twee kolommen staat eerst de (gewone) eta en daarna de interactie-eta met jaar. Die laatste geeft aan of de samenhang tussen het betreffende kenmerk en begaafdheid verschilt naar jaar. Terwille van de leesbaarheid geven we in de kolom na eta ook nog een indicatie van de relevantie van de samenhang. Als ondergrens voor relevantie hebben we eta ≥.15 genomen, voor sterker relevante samenhangen is het criterium eta ≥.20; deze niveaus zijn gemarkeerd met respectievelijk * en **. Tabel 4.1 – Samenhangen begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie; groep 8, 2004 (in % en gemiddelden) intelligentie hoog- be- boven- (onbeg. gaafd gem. der) gem. n taal rekenen sekse loopbaanverloop opleiding ouders etniciteit ouders 24 totaal eta etai jaar 225 943 1533 5861 8562 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 3 16 31 50 9 25 34 32 2 14 26 58 7 22 29 42 1 11 23 65 3 13 27 57 0 4 11 84 1 4 13 82 1 7 15 77 2 9 18 72 .08 .15 .18 .26 .17 .24 .19 .36 jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederlands gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. 48 52 8 89 2 2 12 33 53 86 7 1 3 0 3 49 51 11 84 5 3 11 38 48 87 4 1 2 1 4 50 50 15 82 4 5 14 41 40 85 5 1 3 2 4 51 49 25 72 3 7 25 40 28 78 5 3 5 4 5 51 49 21 76 3 6 21 39 33 81 5 2 4 3 4 .01 .01 .14 .12 .04 .07 .14 .03 .17 * .09 .02 .05 .06 .07 .02 * * ** * ** * ** .03 .02 .03 .03 .03 .02 .02 .02 .02 .02 .02 .01 .02 .02 .02 .03 .03 .02 .01 .01 .02 .02 .01
  34. 34. Vervolg Tabel 4.1 – Samenhangen begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie; groep 8, 2004 (in % en gemiddelden) intelligentie hoog- be- boven- (onbeg. gaafd gem. der) gem. n prestaties advies v.o. totaal 225 intelligentie taal rekenen vmbo-pro/lwo/bbl vmbo-bbl/kbl vmbo-kbl/gl/tl vmbo-tl vmbo-tl/havo havo havo/vwo vwo houding/gedrag/aanpak werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder groepskenmerken groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau 943 1533 5861 31 1140 124 1 4 5 11 9 19 20 31 29 1130 121 2 9 6 17 11 21 14 19 24 1111 115 12 23 9 20 8 13 8 7 26 1119 117 9 18 8 18 9 15 10 13 3.8 3.9 1.9 3.9 4.2 3.7 4.1 3.8 2.2 3.8 3.8 2.0 4.0 4.2 3.7 4.1 3.5 2.3 3.6 3.7 2.2 3.9 4.1 3.7 4.1 3.2 2.4 3.3 3.6 2.4 3.8 3.9 3.6 4.0 2.6 2.5 22 9 21 27 4 1124 34 119 8 22 10 22 27 4 1124 34 118 8 22 11 24 26 4 1122 33 118 8 21 16 30 25 4 1116 33 117 8 etai jaar 8562 33 1146 126 0 4 4 8 5 17 18 42 eta .73 .32 .37 .18 .19 .06 .09 .05 .10 .14 .29 ** ** ** * * ** .02 .02 .01 .04 .01 .02 .02 .01 .02 .02 .04 3.4 3.7 2.3 3.8 4.0 3.6 4.0 2.8 2.5 .19 * .12 .17 * .10 .12 .07 .07 .33 ** .12 .02 .02 .02 .03 .01 .01 .02 .10 .03 22 15 27 26 4 1118 33 117 8 .03 .11 .14 .29 ** .06 .19 * .05 .11 .02 .01 .02 .02 .03 .02 .03 .02 .02 .02 In het eerste blok van de tabel (taal, rekenen) wordt de samenhang tussen de indeling van begaafdheid op basis van intelligentie en die van taal, respectievelijk rekenen gepresenteerd. Deze samenhangen blijken veelal niet heel sterk te zijn. Zo is bijvoorbeeld 50% van de leerlingen die volgens het intelligentieperspectief hoogbegaafd zijn, volgens het taalperspectief gemiddeld dan wel ondergemiddeld begaafd. In totaal is slechts 19% van de intelligentie-hoogbegaafden tevens taal-(hoog)begaafd. Aan de andere kant is het zo dat 84% van de intelligentie-(onder)gemiddelden tegelijkertijd 25
  35. 35. taal-(onder)gemiddeld is. Voor rekenen zijn de samenhangen volgens ons relevantiecriterium meer van belang dan voor taal. Uit deze samenhangen volgt dat de indeling van begaafdheid op basis van intelligentie maar zeer ten dele samenvalt met de indeling op basis van prestatiescores op taal, respectievelijk rekenen. Uit de laatste kolom van de tabel blijkt hier overigens dat deze samenhangen niet verschillen voor de onderzochte jaren: de interactie-eta’s zijn alle niet relevant. We willen nu al opmerken dat dit voor alle in deze tabel gepresenteerde analyses geldt: vrijwel steeds liggen de interactie-eta’s rond de .02 en nergens bereiken ze het criterium van .15. We concluderen in dit opzicht dat de samenhangen tussen begaafdheid en de uiteenlopende kenmerken voor elk van de onderzochte jaren statistisch gezien niet van elkaar afwijken. In het tweede blok van de tabel (leerling- en gezinskenmerken) blijkt dat er binnen elk van de begaafdheidscategorieën geen verschillen zijn tussen percentages jongens, en evenmin tussen percentages meisjes. De categorie (onder)gemiddelden bevat relatief meer leerlingen die vertraging hebben opgelopen tijdens hun loopbaan (drie keer zoveel als de categorie hoogbegaafden). Opvallend is dat de categorie hoogbegaafden relatief minder leerlingen met een versnelde loopbaan bevat (slechts 2%) dan de overige categorieën. Verschillen met betrekking tot de opleiding van de ouders komen vooral tot uitdrukking ten aanzien van het hoogste niveau: de categorie hoogbegaafden telt bijna twee keer zoveel kinderen van hbo/wo-opgeleide ouders dan de categorie (onder)gemiddelden. Bij de (onder)gemiddelden zijn juist de kinderen van lboopgeleide ouders relatief oververtegenwoordigd. Wat betreft de etnische achtergrond zijn er in statistische zin geen verschillen tussen de begaafdheidscategorieën. Dat neemt niet weg dat de Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse en Turkse leerlingen relatief sterk oververtegenwoordigd zijn bij de (onder)gemiddelden. Uit het derde blok (prestaties, advies) blijkt dat de begaafdheidsindeling volgens het intelligentieperspectief samenhangt met de prestaties – iets sterker met rekenen dan met taal. In beide gevallen scoren met name de (onder)gemiddelden laag. In de categorie hoogbegaafden zitten vooral kinderen met een vwo-advies, in de categorie (onder)gemiddelden vooral kinderen met een vmbo-advies. Dit is volgens verwachting; desondanks is het opvallend en – gelet op hun potentie – op zich niet passend dat een vrij groot deel van de hoogbegaafden en begaafden (21 resp. 30%) een advies lager dan havo krijgt.11 11 Uit Tabel B4.9 en B4.10 blijkt dat dit nauwelijks geldt voor het taal- en rekenperspectief; we komen hier later op terug. 26
  36. 36. Het vierde blok (houding, gedrag, aanpak) maakt duidelijk dat er in het algemeen hooguit zwakke samenhangen zijn met de sociaal-emotionele kenmerken zoals door de leerkracht waargenomen. Hoogbegaafden onderscheiden zich aldus vooral wat betreft het feit dat ze meer extra aanbod krijgen (leerplanverrijking), een betere werkhouding hebben en dat er ten aanzien van hen minder disciplinaire maatregelen nodig zijn. Wat betreft het door de leerkracht waargenomen gedrag, zelfvertrouwen, welbevinden, populariteit, relatie met de leerkracht, en onderpresteren zijn er geen verschillen tussen de op grond van intelligentie samengestelde groepen leerlingen. Uit het vijfde blok (groepskenmerken) volgt dat er geen verschillen zijn wat betreft het aantal leerlingen in de groep. Iets grotere verschillen zijn er ten aanzien van de twee sociaal-etnische kenmerken: in de categorie (onder)gemiddelden bevinden zich relatief meer allochtone kinderen en kinderen van laagopgeleide ouders in de klas. Hoogbegaafde en begaafde leerlingen zitten in het algemeen in klassen met intelligente medeleerlingen. Tevens ligt in die groepen het taalniveau hoger. Het rekenniveau is relatief gezien ook iets hoger. Qua spreiding in intelligentie, taal- en rekenvaardigheid van deze groepen is er tussen de begaafdheidscategorieën echter geen verschil. Tot nu toe hebben we – op exemplarische wijze – de resultaten van kinderen in groep 8 vanuit het intelligentieperspectief besproken. Om een samenvattend overzicht van relevante bevindingen te verkrijgen, hebben we de samenhangen van alle groepen en perspectieven in Tabel 4.2 bij elkaar gezet. Deze tabel bevat de eta’s uit Tabel 4.1 en B4.1-B4.10. Teneinde een scherper overzicht te krijgen zijn deze eta’s in drie categorieën samengevat, namelijk eta=.15 - .29, eta=.30 - .49 en eta ≥.50. In de tabel hebben we ze grafisch weergegeven met respectievelijk ▪, ■ en ▀. Eta’s kleiner dan .15 beschouwen we niet als relevant en deze zijn daarom niet opgenomen in de tabel. De tabel met de coëfficiënten staat in de Bijlage (Tabel B4.11). Een eerste algemene opmerking naar aanleiding van Tabel 4.2 is dat – voorzover er relevante samenhangen zijn – deze zich vaak bij elk van de groepen voordoen, zij het dat ze niet overal even sterk zijn. De samenhangen tussen de begaafdheidsindeling volgens het intelligentieperspectief zijn sterker voor rekenen dan voor taal. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat beide intelligentietests nonverbaal zijn. De samenhangen zijn overigens het sterkst voor de categorie (onder)gemiddelden. 27
  37. 37. Tabel 4.2 – Samenvatting relevante samenhangen begaafdheid en leerling-, gezinsen groepskenmerken, vanuit de perspectieven intelligentie, taal en rekenen; 2004 (eta’s: ▪ .15 - .29; ■ .30 - .49; ▀ ≥.50) intelligentie groep intelligentie taal rekenen sekse loopbaan opleiding etniciteit prestaties advies 28 4 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederlands gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. intelligentie taal rekenen vmbo-pro/lwo/bbl vmbo-bbl/kbl vmbo-kbl/gl/tl vmbo-tl vmbo-tl/havo havo havo/vwo vwo 6 8 taal 2 4 rekenen 6 8 ▪ ▪ ▪ 2 ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ 8 ▪ ▪ ■ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ■ 6 ▪ ▪ 4 ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▀ ▪ ▪ ▀ ■ ▪ ▀ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▀ ■ ■ ▀ ■ ■ ▀ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▀ ▪ ■ ▀ ■ ■ ▀ ■ ■ ▪ ▪ ▪ ▀ ▀ ▪ ■ ■ ▀ ▪ ▪ ▀
  38. 38. Vervolg Tabel 4.2 – Samenvatting relevante samenhangen begaafdheid en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit de perspectieven intelligentie, taal en rekenen; 2004 (eta’s: ▪ .15 - .29; ■ .30 - .49; ▀ ≥.50) intelligentie groep houding/ gedrag/ aanpak groepskenmerken taal rekenen 4 werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau 6 8 2 4 6 8 2 4 6 8 ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ■ ▪ ▀ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ■ ▪ ▪ ■ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ ■ ▪ ▪ Ten aanzien van de sekse van de leerlingen zijn er geen significante verschillen tussen de begaafdheidscategorieën. Dat neemt niet weg dat meisjes relatief oververtegenwoordigd zijn bij de hoogbegaafden wat betreft taal, terwijl jongens relatief oververtegenwoordigd zijn met betrekking tot rekenen. Ten aanzien van het loopbaanverloop vallen de (onder)gemiddelden qua taal en rekenen op door hun vertraging. Dat dit alleen voor de groepen 6 en 8 geldt, kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit dat in de hogere groepen het cumulatieve effect van zittenblijven pregnanter naar voren komt. Als het gaat om het ouderlijk opleidingsniveau zijn er eigenlijk alleen verschillen ten aanzien van het hoogste niveau (hbo/wo); de (onder)gemiddelden zijn daarin sterk ondervertegenwoordigd. Aan etniciteit gerelateerde verschillen treden voornamelijk op met betrekking tot taal: binnen de categorie Nederlanders bevinden zich relatief weinig (onder)gemiddelde leerlingen, terwijl de allochtone categorieën daar juist relatief oververtegenwoordigd zijn. 29
  39. 39. De (sterke) samenhangen met de gemiddelde intelligentie-, taal- en rekenscores liggen voor de hand. Eerder is er op gewezen dat volgens het intelligentieperspectief veel hoogbegaafde en begaafde leerlingen een laag advies kregen. Uit Tabel B4.9 en B4.10 blijkt dat dit nauwelijks geldt voor het taal- en rekenperspectief. Voor taal krijgt slechts 2% van de hoogbegaafden en 13% van de begaafden een dergelijk advies. Voor rekenen gaat het zelfs om 0, respectievelijk 6%.12 Binnen de groep sociaal-emotionele kenmerken valt op dat extra aanbod, werkhouding en discipline bij elk van de groepen en perspectieven terugkeert. Hoogbegaafden en begaafden krijgen een uitgebreider aanbod, hebben een betere werkhouding en behoeven minder disciplinaire maatregelen. Daarnaast is er voor rekenen en taal ook een samenhang met onderpresteren. Hoewel hoogbegaafden volgens de perceptie van de leerkracht ook onderpresteren, gebeurt dit relatief vaker bij bovengemiddeld en (onder)gemiddeld begaafden. Opgemerkt kan worden dat er geen significante verschillen zijn wat betreft het zelfvertrouwen, populair zijn bij medeleerlingen, en een goede relatie hebben met de leerkracht. Binnen de categorie groepskenmerken is er wat betreft de sociaal-etnische achtergronden alleen sprake van relevante samenhangen op taalgebied. Het gemiddelde intelligentieniveau speelt bij elk van de drie perspectieven een rol; dat geldt echter niet voor de spreiding in intelligentieniveaus binnen de klas. Het gemiddelde taal- en rekenniveau is ook vrijwel steeds van belang. De spreiding in taalniveau is alleen relevant wanneer het gaat om het taalperspectief. Voor rekenen doet die spreiding er – op een enkele uitzondering na – niet toe. Al deze samenhangen overziend is er een duidelijke trend naar lineariteit. Dit neemt niet weg dat er vaak ook een breuk waarneembaar is, met aan de ene kant de hoogbegaafden, begaafden en bovengemiddelden en aan de andere kant de (onder) gemiddelden. 4.2 Begaafdheid en leerling- en gezinskenmerken In het voorgaande hebben we voor een groot aantal kenmerken steeds gekeken naar verschillen tussen de begaafdheidscategorieën. De omgekeerde benadering is echter ook mogelijk. De vraag luidt dan: hoeveel procent van de leerlingen met een bepaald 12 Luyten & Bosker (2004) hebben er al op gewezen dat de advisering op het eind van het basisonderwijs een steeds meritocratischer karakter krijgt. Driessen (2006) heeft daarnaast laten zien dat vroeger veelvuldig toegepaste praktijken van wat wordt aangeduid met ‘overadvisering’ (bij gelijke prestaties krijgen bepaalde categorieën van leerlingen hogere adviezen dan andere categorieën) tegenwoordig nog maar weinig voorkomt. 30
  40. 40. achtergrondkenmerk is hoogbegaafd? In Tabel 4.3 hebben we voor groep 8 in het jaar 2004 de verschillen naar sekse, loopbaanverloop, ouderlijke opleiding en etniciteit bij elkaar gezet. De aantallen zijn steeds horizontaal gepercenteerd. Tabel 4.3 – Samenhangen begaafdheid en leerling- en gezinskenmerken; groep 8 2004 (in %) intelligentie taal rekenen hoog- be- boven- (onder) hoog- be- boven- (onder) hoog- be- boven- (onder) beg. gaafd gem. gem. beg. gaafd gem. gem. beg. gaafd gem. gem. sekse jongen meisje eta 3 3 .01 11 11 .01 18 18 .00 69 68 .01 1 1 .00 7 7 .01 15 16 .02 77 77 .01 3 1 .07 11 6 .07 19 16 .04 67 76 .10 loopbaan vertraagd 1 normaal 3 versneld 2 eta .05 6 12 17 .09 12 19 23 .08 81 65 59 .14 0 1 1 .04 2 8 13 .11 6 18 25 .14 92 73 61 .20 0 2 5 .07 3 10 19 .11 8 20 27 .13 88 68 49 .20 opleiding lo lbo mbo hbo/wo eta 1 2 2 4 .08 6 6 11 16 .13 13 12 18 22 .10 80 81 69 58 .19 0 0 0 1 .07 1 3 6 12 .15 4 9 15 23 .16 95 88 79 64 .23 0 1 2 4 .09 3 4 7 14 .14 9 10 17 24 .15 88 85 74 59 .24 etniciteit Ned. gemengd Sur/Ant. Turks Marok. ov. all. eta 3 4 2 2 0 2 .04 12 9 6 6 4 10 .07 19 19 10 12 10 15 .07 66 68 83 81 85 73 .11 1 0 0 0 0 1 .03 8 7 1 0 1 2 .10 17 14 9 2 4 10 .12 74 78 90 98 95 88 .16 2 2 0 0 0 2 .04 9 8 3 3 3 7 .06 19 18 14 9 9 13 .07 70 73 84 87 87 79 .11 Wat sekse betreft zijn er geen verschillen in relatie tot intelligentie en taal. Met betrekking tot rekenen zijn er relatieve verschillen: het percentage jongens dat hier begaafd en hoogbegaafd is, is dubbel zo groot als het percentage meisjes. Vanuit een causaliteitsoogpunt zou kunnen worden opgemerkt dat de relatie loopbaanverloop – begaafdheid zoals hier gepresenteerd wellicht niet voor de hand ligt. We kijken hier namelijk feitelijk achterom, om te zien of bijvoorbeeld versnelde leerlingen al dan niet begaafd zijn. De grootste en ook significante verschillen tussen de drie loopbaancategorieën blijken op te treden ten aanzien van de (onder)gemiddelden. De verschillen die herleid kunnen worden tot verschillen in ouderlijk opleidingsniveau zijn weer het grootst – en significant – met betrekking tot de (onder)gemiddelden. De verschillen die gerelateerd zijn aan de etnische herkomst zijn relatief kleiner dan die wat be31
  41. 41. treft het opleidingsniveau van de ouders. Ook hier zijn de verschillen ten aanzien van de categorie (onder)gemiddelden het grootst. 32
  42. 42. 5 Intelligentieverschillen en taal- en rekenverschillen 5.1 Onderpresteren: verschil tussen intelligentie en schoolprestaties Vanaf groep 4 worden in PRIMA behalve de taal- en rekentoetsen ook intelligentietests afgenomen. Dit biedt de mogelijkheid om na te gaan of er een discrepantie is tussen begaafdheid vanuit het intelligentieperspectief en het schools presteren in termen van taal- en rekenvaardigheid. Daarmee kan dan ook de vraag worden beantwoord in hoeverre er sprake is van onderpresteren of verborgen talent, dat wil zeggen het lager presteren op schoolvorderingen dan op basis van de intelligentiescores verwacht zou worden. Van dit laatste zou sprake kunnen zijn als leerlingen – gedurende meerdere jaren – wel hoge scores realiseren op de intelligentietests, maar desondanks laag scoren op de prestatietests. Een relevante vraag is dan vervolgens met welke leerling-, gezins- en groepskenmerken dergelijk onderpresteren samenhangt. Deze discrepantie wordt bepaald door het verschil te berekenen tussen de gestandaardiseerde intelligentie- en taal-, respectievelijk rekenscores en vervolgens bij een verschil van één standaarddeviatie of meer uit te gaan van onderpresteren. Gekozen is voor een verschil van ten minste één standaarddeviatie, omdat dat op een behoorlijk verschil duidt (vgl. Mulder, Roeleveld & Vierke, 2006). Deze analyses worden vanuit twee invalshoeken verricht, namelijk het absolute verschil van individuele leerlingen binnen de hele steekproef, en het relatieve verschil ofwel de positie van een leerling ten opzichte van de andere leerlingen in de groep.13 Bij dit laatste is het bijvoorbeeld van belang om te weten of er eventueel invloeden zijn van de andere leerlingen binnen de groep: trekken ze het niveau omhoog of omlaag, en waar heeft dat mee te maken? Deze analyses hebben een longitudinaal karakter. Daarom is gebruik gemaakt van de drie laatste PRIMA-metingen uit 2000, 2002 en 2004. Omdat de intelligentietest niet in groep 2 is afgenomen, richten deze analyses zich op de groepen 4, 6 en 8. Concreet wordt van een leerling die in 2000 in groep 4 zit nagegaan of er sprake is van onderpresteren, vervolgens wordt dat van dezelfde leerling twee, respectievelijk vier jaar later (wanneer die dus in groep 6, resp. groep 8 zit) nogmaals bepaald. Omdat hier representativiteit niet aan de orde is, en vanwege de tussentijdse uitval op school- en 13 De z-scores voor het absolute verschil zijn per meting berekend op de representatieve steekproef en vervolgens zijn deze scores gebruikt om voor de totale steekproef z-scores te berekenen. De zscores voor het relatieve verschil zijn per meting per groep berekend. 33
  43. 43. leerlingniveau lastig te bepalen valt, zijn we hier uitgegaan van de totale PRIMAsteekproeven.14 Het betreft in totaal (maximaal) 5791 leerlingen. Deze leerlingen hebben dus aan alle drie de metingen deelgenomen. Het resultaat van bovenstaande bestaat per meting uit een score voor taal en een score voor rekenen die aangeeft of er sprake is van onderpresteren. In Tabel 5.1 presenteren we een overzicht, met een uitsplitsing naar groep. Tabel 5.1 – Frequentie absoluut en relatief onderpresteren, naar groep (in %) onderpresteren ten opzichte van groep 4 groep 6 groep 8 n=100% (min.) absoluut taal rekenen 19 15 21 17 20 16 5587 5314 relatief taal rekenen 18 15 20 16 18 14 5489 5313 De percentages onderpresteerders zijn over de groepen heen vrij stabiel; voor taal gaat het steeds om rond de 20% en voor rekenen om circa 16%. Onderpresteren qua taal komt dus vaker voor dan onderpresteren qua rekenen. Mogelijk ligt hier een link met het feit dat de intelligentietests nonverbale tests betreffen. 5.2 Achtergronden van onderpresteren Hoe verhoudt zich nu onderpresteren ten opzichte van begaafdheid? In Tabel 5.2 hebben we de betreffende verdelingen samengebracht. In de tabel staan de percentages leerlingen die onderpresteren vanuit het taal- dan wel rekenperspectief. Hierbij is begaafdheid volgens het taalperspectief gekoppeld aan onderpresteren qua taal ten opzichte van intelligentie, respectievelijk begaafdheid volgens het rekenperspectief gekoppeld aan onderpresteren qua rekenen ten opzichte van intelligentie. 14 Een deel van de leerlingen is vanuit een bepaalde PRIMA-meting doorgestroomd naar een volgende meting, een deel weer naar een volgende, etc. Er is ook uitval, op schoolniveau (omdat hele scholen niet meer meededen aan PRIMA; daarbij zijn er geen systematische verschillen qua prestaties) en op leerlingniveau (omdat leerlingen zijn verhuisd, blijven zitten of verwezen naar het speciaal onderwijs; de prestaties van de verhuizers – in groep 2 betreft het 50% van de totale uitval; in groep 8 is dat 75% – verschillen nauwelijks; de prestaties van zittenblijvers en verwezenen – in groep 2 50%; in groep 8 25% – verschillen natuurlijk wel). Deze laatste systematische verschillen zijn voor ons onderzoek echter minder relevant, omdat hier de groep (hoog)begaafden centraal staat. 34
  44. 44. Tabel 5.2 – Frequentie absoluut en relatief onderpresteren, naar groep en begaafdheidscategorie (in %) groep 4 absoluut taal rek. hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld eta 0 0 1 28 .32 0 0 0 20 .24 groep 6 relatief taal rek. 0 1 5 25 .27 0 0 4 19 .22 absoluut taal rek. 6 12 18 24 .14 2 4 7 21 .19 groep 8 relatief taal rek. 9 14 17 22 .10 1 4 8 19 .16 absoluut taal rek. 13 10 15 23 .12 9 5 10 19 .14 relatief taal rek. 12 12 17 20 .08 4 4 10 18 .14 De tabel maakt duidelijk dat onderpresteren in groep 4 zich met name voordoet binnen de categorie (onder)gemiddelden en nauwelijks of niet in de hogere begaafdheidsranges. In de categorie bovengemiddeld begaafden doet onderpresteren zich in relatief opzicht – dus binnen een groep – verhoudingsgewijs wel vaker voor dan in absoluut opzicht, dus ten opzichte van alle hier relevante leerlingen. In groep 6 en 8 doet het onderpresteren zich echter ook in aanzienlijke mate voor bij de andere begaafdheidscategorieën, bij taal overigens meer dan bij rekenen. In groep 8 zou je bijvoorbeeld van 13% van de hoogbegaafde leerlingen verwachten dat ze gezien hun intelligentiescore een hogere score voor taal zouden hebben. Onderpresteren beperkt zich dus in groep 4 tot de (onder)gemiddelde leerlingen, maar in groep 6 en vooral groep 8 hebben alle begaafdheidscategorieën er mee te maken. Ook voor de leerling- en gezinskenmerken zijn we nagegaan of er verschillen bestaan tussen de onderscheiden categorieën. In Tabel 5.3 hebben we de resultaten samengebracht. Duidelijk wordt uit de tabel dat de resultaten niet veel verschillen tussen de drie groepen. Wel zijn er op sommige punten wat grotere verschillen tussen absoluut en relatief onderpresteren. Als we naar de gegevens met betrekking tot groep 4 kijken, dan zien we dat er qua absoluut onderpresteren ten aanzien van taal geen verschillen zijn tussen jongens en meisjes. Ten aanzien van rekenen zijn die er wel: bijna twee keer zoveel meisjes als jongens presteren lager dan we zouden verwachten op basis van hun intelligentie. Wat betreft het loopbaanverloop blijkt dat er qua taal onder de vertraagden het vaakst sprake is van onderpresteren; qua rekenen zijn de verschillen veel kleiner. Dat geldt evenzeer wat betreft het ouderlijk opleidingsniveau: bij een relatief groot deel van de kinderen van ouders met maximaal lager onderwijs is er sprake van onderpresteren qua taal, qua rekenen zijn de verschillen klein. Met betrekking tot de etnische herkomst vallen vooral de Turkse kinderen sterk op: bij bijna de helft van 35
  45. 45. hen is er qua taal sprake van onderpresteren. Verschillen tussen absoluut en relatief onderpresteren doen zich vooral voor bij de vergelijking naar etniciteit en, meer specifiek, onderpresteren qua taal van de Turkse en Marokkaanse leerlingen. Ten opzichte van de totale steekproef is er bij beide groepen veel vaker sprake van onderpresteren dan ten opzichte van de eigen klas. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het gegeven dat de Turkse en Marokkaanse leerlingen vaak geconcentreerd zitten in klassen met veel leerlingen van dezelfde etnische groepen, die ook met taalproblemen kampen. Tabel 5.3 – Frequentie absoluut en relatief onderpresteren, naar groep en leerlingen gezinskenmerken (in %) groep 4 groep 6 groep 8 absoluut taal rek. relatief taal rek. absoluut taal rek. relatief taal rek. absoluut taal rek. relatief taal rek sekse jongen meisje eta 20 18 .02 10 19 .14 20 17 .04 10 19 .13 21 21 .00 11 23 .15 20 20 .00 10 21 .15 20 20 .00 13 20 .10 18 18 .01 11 19 .11 loopbaan vertraagd normaal versneld eta 26 18 16 .08 19 14 13 .06 23 17 8 .07 18 14 11 .05 29 19 16 .10 26 15 9 .12 26 18 14 .08 23 14 7 .10 28 18 14 .10 25 14 7 .12 25 17 14 .09 22 14 8 .10 opleiding lo lbo mbo hbo/wo eta 34 21 17 14 .15 17 17 14 13 .05 22 19 17 17 .04 16 16 15 13 .04 32 24 18 16 .13 22 21 15 12 .10 24 21 19 17 .06 17 18 15 13 .04 31 22 18 14 .13 18 20 16 12 .08 24 19 18 15 .07 16 17 15 12 .05 etniciteit Nederlands gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. eta 15 16 16 46 25 29 .23 13 17 16 20 17 18 .06 17 12 13 33 15 22 .13 14 14 15 17 14 18 .03 17 21 21 39 26 28 .16 14 24 25 23 23 20 .10 18 16 18 29 18 24 .08 15 17 22 18 16 17 .04 16 16 22 43 25 24 .20 15 17 22 21 15 18 .06 17 12 18 31 19 17 .10 14 15 23 19 15 14 .05 Onderpresteren, zoals hier geoperationaliseerd, kan te maken hebben met toevallige omstandigheden tijdens de afname van de tests en toetsen. Omdat we beschikken over gegevens over drie metingen kunnen we voor individuele leerlingen een patroon maken dat zowel een indicatie geeft van de frequentie van onderpresteren, als van het tijdstip waarop dat gebeurt (in groep 4, 6 of 8, en combinaties daarvan). Op die wijze 36
  46. 46. kunnen we een deel van genoemde toevalligheden uitsluiten en nagaan hoe stabiel of structureel het onderpresteren is. De categorieën die we onderscheiden zijn: (1) nooit, (2) eerst niet-later wel, (3) wisselend, (4) eerst wel, later niet meer, (5) altijd. In Tabel 5.4 laten we de verdelingen zien, met een uitsplitsing naar absoluut en relatief onderpresteren. Tabel 5.4 – Frequentie en tijdstip van absoluut en relatief onderpresteren in de periode groep 4-6-8 (in %) onderpresteren ten opzichte van nooit niet-wel wisselend wel-niet absoluut taal rekenen 59 67 13 12 12 9 relatief taal rekenen 60 68 13 11 11 9 altijd n=100% 13 10 3 3 5166 4815 13 10 3 2 5160 4808 De tabel laat zien dat er gedurende de periode van groep 4 tot en met groep 8 bij circa tweederde van de leerlingen geen sprake is van onderpresteren bij rekenen; bij taal is dit 60%. Bij taal en rekenen is er bij circa 10% eerst wel sprake van onderpresteren, maar later niet meer, terwijl het omgekeerde ook bij circa 10% van de leerlingen het geval is. Dit betekent dus dat onderpresteren ongeveer even vaak in een lagere groep begint en in de hogere groep is gestopt, als omgekeerd. Bij 3% van de leerlingen is er in alle drie de groepen sprake van onderpresteren in taal en in rekenen; er kan hier gesproken worden van structureel onderpresteren.15 Op vergelijkbare wijze als in een eerder hoofdstuk hebben we variantie-analyse verricht met de vijfdeling van onderpresteren en de leerling-, gezins- en groepskenmerken.16 De resultaten staan in Tabel 5.5-5.8. 15 Uit het feit dat de verdelingen voor absoluut en relatief onderpresteren vrijwel gelijk zijn, mag trouwens niet worden geconcludeerd dat het identieke maten zijn; ze correleren namelijk ‘slechts’ .68, respectievelijk .64. 16 Hiervoor zijn de gegevens van de vierde PRIMA-meting genomen, dus toen de leerlingen in groep 4 zaten. 37
  47. 47. Tabel 5.5 – Samenhangen absoluut onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie – taal (in % en gemiddelden) nooit n intelligentie-taal niet-wel wisselend wel-niet altijd totaal eta 3036 677 629 648 176 5166 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 8 5 14 72 8 15 19 58 3 12 14 71 8 5 16 71 6 8 17 69 2 9 10 78 12 7 19 63 3 8 14 75 2 7 12 79 28 12 23 37 0 0 1 99 3 9 14 74 26 14 24 36 0 0 1 99 0 6 11 83 12 6 17 65 6 11 15 68 3 10 13 74 .21 .11 .09 .27 .13 .18 .18 .32 .04 .06 .04 .08 jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederlands gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. 50 50 16 81 3 8 25 38 29 76 5 3 4 7 6 48 52 24 74 2 16 28 34 22 63 4 3 13 10 7 51 49 24 74 2 16 28 33 23 62 4 4 12 10 7 51 49 21 77 2 19 26 33 22 60 4 2 14 10 10 57 43 39 60 1 27 33 32 9 37 2 3 33 11 14 50 50 19 78 2 12 26 36 26 69 4 3 9 8 7 .03 .03 .13 .11 .03 .16 .04 .05 .10 .20 .02 .04 .23 .06 .07 prestaties intelligentie taal rekenen 27 1055 69 27 1046 67 28 1038 67 31 1015 69 32 1007 66 28 1045 69 .30 .42 .09 houding/ gedrag/ aanpak werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder 3.5 3.7 2.3 3.7 4.1 3.7 4.1 3.0 2.4 3.4 3.6 2.4 3.7 4.1 3.7 4.0 2.7 2.6 3.3 3.6 2.5 3.6 4.0 3.5 4.0 2.8 2.6 3.5 3.6 2.4 3.7 4.1 3.7 4.1 3.0 2.5 3.5 3.6 2.5 3.7 4.0 3.6 4.1 2.6 2.7 3.5 3.7 2.4 3.7 4.1 3.7 4.1 2.9 2.5 .08 .06 .09 .06 .07 .07 .08 .12 .12 groepskenmerken groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau 21 22 37 27 5 1046 31 68 11 20 28 42 27 5 1042 31 67 11 21 32 45 27 5 1039 31 66 11 20 33 45 28 5 1034 31 67 10 20 45 52 27 5 1028 31 65 10 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 .06 .18 .16 .06 .03 .24 .05 .12 .07 intelligentie taal rekenen sekse loopbaan opleiding etniciteit 38 ** ** * * ** * * ** ** ** * * **
  48. 48. Tabel 5.6 – Samenhangen absoluut onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie – rekenen (in % en gemiddelden) nooit n intelligentie taal rekenen sekse loopbaan opleiding etniciteit prestaties houding/ gedrag/ aanpak groepskenmerken intelligentie-rekenen niet-wel wisselend wel-niet altijd totaal eta 3229 570 415 476 125 4815 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 10 6 16 68 6 12 17 65 4 14 17 65 7 6 14 74 4 11 15 70 2 5 11 82 12 4 16 68 4 9 11 75 0 4 6 90 29 12 28 32 5 10 14 71 0 0 0 100 26 11 22 41 2 7 10 80 0 0 0 100 12 6 17 64 6 11 16 67 3 10 13 73 .19 .09 .10 .25 .05 .04 .05 .09 .09 .18 .18 .29 * jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederland gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. 56 44 15 82 3 11 24 37 29 72 4 2 7 7 6 42 58 28 71 1 11 33 37 19 67 5 4 11 7 6 40 60 26 72 2 16 29 34 21 60 6 3 12 13 6 36 64 22 76 2 14 30 32 25 64 5 2 12 10 7 27 73 31 68 2 15 36 33 15 54 7 4 11 10 14 50 50 19 79 2 12 26 36 26 69 4 3 9 8 7 .17 .17 .14 .11 .05 .05 .08 .03 .09 .10 .04 .03 .08 .06 .05 * * intelligentie taal rekenen 28 1049 72 27 1043 67 27 1040 64 32 1042 60 31 1030 57 28 1046 69 .26 .12 .41 ** 3.6 3.7 2.3 3.8 4.2 3.7 4.1 3.1 2.4 3.4 3.6 2.5 3.6 4.0 3.6 4.0 2.6 2.6 3.4 3.6 2.5 3.7 4.1 3.6 4.0 2.6 2.7 3.5 3.8 2.3 3.6 4.1 3.6 4.1 2.6 2.6 3.5 3.7 2.4 3.7 4.0 3.6 4.0 2.5 2.6 3.5 3.7 2.3 3.7 4.1 3.7 4.1 2.9 2.5 .09 .07 .09 .09 .08 .08 .07 .23 .14 21 24 38 27 5 1044 31 68 11 22 27 42 27 5 1041 31 67 10 21 32 45 27 5 1038 31 66 11 21 30 43 28 5 1040 31 64 11 21 35 45 28 5 1036 31 64 10 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 .03 .10 .09 .07 .06 .11 .02 .18 .05 werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau ** * * ** ** ** * 39
  49. 49. Tabel 5.7 – Samenhangen relatief onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie – taal (in % en gemiddelden) nooit n intelligentie-taal niet-wel wisselend wel-niet altijd totaal eta 3102 677 593 651 137 5160 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 9 5 14 72 8 14 18 61 3 11 14 72 10 5 18 68 5 10 18 67 3 9 10 78 11 6 20 63 4 9 14 73 2 8 13 77 26 12 24 37 0 1 4 94 4 9 14 73 31 12 26 31 0 1 2 97 1 7 12 80 12 6 17 65 6 11 15 68 3 10 13 74 .20 .11 .10 .27 .12 .15 .14 .26 .04 .05 .04 .06 jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederlands gemengd. Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. 50 50 16 81 3 11 26 37 27 71 5 3 6 9 7 47 53 25 73 2 14 28 35 23 69 3 2 11 9 5 49 51 23 75 2 13 28 34 25 67 4 4 12 6 6 54 46 21 78 1 14 27 34 26 66 3 1 13 7 9 58 42 40 59 1 23 27 32 18 52 1 2 25 7 13 50 50 19 78 2 12 26 36 26 69 4 3 9 8 7 .05 .05 .12 .11 .05 .07 .02 .03 .04 .07 .04 .04 .14 .03 .06 prestaties intelligentie taal rekenen 27 1053 69 27 1046 68 28 1039 68 31 1019 69 32 1015 68 28 1045 69 .28 .34 .05 houding/ gedrag/ aanpak werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder 3.5 3.7 2.3 3.7 4.1 3.7 4.1 3.0 2.4 3.4 3.6 2.4 3.7 4.1 3.7 4.1 2.7 2.6 3.4 3.6 2.5 3.7 4.1 3.6 4.1 2.7 2.6 3.5 3.7 2.4 3.7 4.1 3.6 4.1 2.9 2.5 3.6 3.6 2.5 3.7 4.0 3.6 4.1 2.5 2.6 3.5 3.7 2.4 3.7 4.1 3.7 4.1 2.9 2.5 .07 .05 .08 .04 .05 .05 .02 .12 .08 groepskenmerken groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 21 26 40 27 5 1041 31 67 11 21 26 40 27 5 1043 31 67 11 21 30 41 27 5 1042 31 67 10 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 .04 .02 .01 .01 .02 .02 .04 .01 .04 intelligentie taal rekenen sekse loopbaan opleiding etniciteit 40 * ** ** ** **
  50. 50. Tabel 5.8 – Samenhangen relatief onderpresteren en leerling-, gezins- en groepskenmerken, vanuit het perspectief intelligentie – rekenen (in % en gemiddelden) nooit n intelligentie taal rekenen sekse loopbaan opleiding etniciteit prestaties houding/ gedrag/ aanpak groepskenmerken intelligentie-rekenen niet-wel wisselend wel-niet altijd totaal eta 3280 524 412 481 111 4808 hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld hoogbegaafd begaafd bovengemiddeld (onder)gemiddeld 10 6 16 68 6 12 17 65 4 14 16 66 6 4 16 74 6 9 15 70 1 4 11 83 10 5 18 67 4 12 13 71 0 3 8 88 29 13 23 35 5 11 13 71 0 0 4 96 24 7 32 37 1 6 17 76 0 0 0 100 12 6 17 64 6 11 16 67 3 10 13 73 .19 .10 .08 .23 .04 .04 .04 .06 .10 .18 .13 .26 jongen meisje vertraagd normaal versneld lo lbo mbo hbo/wo Nederlands gemengd Sur/Ant. Turks Marokkaans overig all. 56 44 16 81 3 12 25 36 28 71 4 2 8 8 7 38 62 27 72 1 12 30 35 23 67 5 4 9 9 6 40 60 24 75 1 11 29 36 24 65 6 4 10 9 6 38 62 22 76 2 13 28 37 23 69 4 2 10 7 8 24 76 30 70 0 16 30 33 20 64 1 3 14 8 10 50 50 19 79 2 12 26 36 26 69 4 3 9 8 7 .18 .18 .11 .09 .05 .02 .05 .01 .05 .04 .04 .03 .04 .02 .03 * * intelligentie taal rekenen 28 1048 71 27 1044 66 27 1043 64 32 1043 62 31 1035 58 28 1046 69 .25 .07 .34 ** 3.6 3.7 2.3 3.8 4.1 3.7 4.1 3.1 2.4 3.4 3.6 2.4 3.6 4.1 3.6 4.1 2.6 2.6 3.4 3.6 2.5 3.7 4.0 3.5 4.0 2.5 2.6 3.4 3.6 2.4 3.6 4.0 3.5 4.0 2.6 2.6 3.6 3.8 2.3 3.6 4.0 3.7 4.1 2.5 2.7 3.5 3.7 2.3 3.7 4.1 3.7 4.1 2.9 2.5 .10 .05 .08 .10 .08 .12 .05 .26 .12 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 21 27 41 27 5 1042 31 67 11 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 21 25 39 28 5 1043 31 68 10 22 27 39 28 5 1041 30 67 10 21 26 40 27 5 1042 31 67 11 .03 .02 .01 .03 .04 .01 .04 .06 .05 werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder groepsgrootte % allochtone lln. % laagopgeleid gem. iq-niveau sd iq-niveau gem. taalniveau sd taalniveau gem. rekenniveau sd rekenniveau * ** * ** ** ** 41
  51. 51. Uit de tabellen blijkt dat er qua taal geen sekseverschillen zijn; die zijn er wel wat betreft rekenen. De categorie altijd onderpresterende leerlingen bevat aanzienlijk meer meisjes, terwijl de categorie nooit onderpresterende leerlingen juist meer jongens telt. Met loopbaanverloop zijn er geen relevante samenhangen; met opleiding ouders één: in de categorie qua taal altijd onderpresterende leerlingen zitten veel meer en in de categorie nooit onderpresterende leerlingen veel minder kinderen van ouders met alleen lager onderwijs. Wat betreft etniciteit valt de positie van Turkse kinderen bij taal op: zij zijn sterk oververtegenwoordigd in de categorie altijd onderpresterenden. De samenhangen met de sociaal-emotionele kenmerken zijn op een enkele uitzondering na niet relevant. Die uitzondering betreft het extra aanbod dat snelle leerlingen krijgen in rekenen: leerlingen die nooit onderpresteren, dus waar de intelligentie in overeenstemming is met de rekenprestaties, kregen het meeste extra aanbod; leerlingen die altijd onderpresteren kregen het minste extra aanbod. In taal is dit niet het geval. Dit verschil tussen rekenen en taal toont overeenkomst met de resultaten uit de internationale interventiestudie (Hoogeveen e.a., 2005). Ten aanzien van de groepskenmerken zijn er nauwelijks relevante samenhangen. Bij absoluut onderpresteren qua taal bevat de categorie altijd onderpresterenden meer leerlingen in groepen met veel allochtonen en kinderen van laagopgeleide ouders en zijn bovendien de gemiddelde taalprestaties aanzienlijk lager.17 Bij absoluut onderpresteren qua rekenen scoren de altijd onderpresterende kinderen lager op de rekentoetsen. Er zijn nergens relevante verschillen die te maken hebben met de spreiding qua intelligentie-, taal- en rekenniveau. 17 Waarbij bedacht moet worden dat de percentages allochtonen en kinderen van laagopgeleide ouders redelijk sterk samenhangen (r >.50). 42
  52. 52. 6 Begaafdheid en pedagogisch-didactische aanpak 6.1 Effecten van onderwijsaanpak De laatste onderzoeksvraag luidt of verschillen in de ontwikkeling van de onderscheiden begaafdheidscategorieën wat betreft prestaties en gedrag/houding kunnen worden verklaard uit kenmerken die te maken hebben met de door de school en leerkrachten gehanteerde pedagogisch-didactische aanpak. Hier staan effecten van de onderwijsaanpak centraal: Kan een effectieve aanpak worden onderscheiden? Uit welke elementen bestaat die? Dient daarbij gedifferentieerd te worden naar leerlingencategorieën? De ontwikkeling (c.q. vooruitgang) is hier bepaald door het verschil te berekenen tussen de prestatie- en gedrags/houdingsscores (zgn. verschil- of ‘gain’-scores) die de leerlingen in twee groepen hebben gehaald.18 We richten ons voor deze longitudinale analyses op de twee laatste PRIMA-metingen, namelijk die uit 2002 en 2004. De scores zijn berekend voor de overgangen van groep 2 naar 4, van 4 naar 6 en van 6 naar 8. Omdat de taal- en rekentoetsscores zijn gekalibreerd (op één schaal gebracht voor alle groepen; voor rekenen van groep 2 naar 4 geldt dit overigens niet) kan via verschilscores de ontwikkeling worden bepaald. De gedrags- en houdingskenmerken zijn in elk van de onderzochte groepen op identieke wijze gemeten. Ontwikkelingen tussen opeenvolgende groepen kunnen daarom eveneens via verschilscores worden bepaald. Omdat ook hier representativiteit niet aan de orde is, is uitgegaan van de totale steekproef. In eerdere analyses is gebruik gemaakt van vier begaafdheidscategorieën. Daarbij vormde de eerste meting in 1996 het ijkpunt en zijn op basis van de scoreverdeling van dat jaar de indelingen voor de latere metingen gemaakt (de indexmethode). Voor de analyses in dit hoofdstuk zijn de begaafdheidscategorieën opnieuw bepaald, c.q. geactualiseerd, nu op basis van de scoreverdeling in 2002 en van daaruit vertaald naar de scores van 2004. De analyses worden in stappen uitgevoerd. De eerste stap is een screeningsfase, waarin de verschilscores bivariaat worden gerelateerd aan de school-, groeps- en leerlingkenmerken. De school- en groepskenmerken worden in deze analyses opgevat als 18 Omdat de intelligentietests voor elk van de groepen verschillen en niet zijn gekalibreerd, is het niet mogelijk ook daarvan de ontwikkelingen tussen opeenvolgende groepen te bepalen. 43
  53. 53. contextuele kenmerken. Wanneer blijkt dat bepaalde kenmerken relevant en systematisch samenhangen met de verschilscores, dan worden die in een tweede stap in onderlinge samenhang geanalyseerd. De analyses worden steeds eerst per overgang voor de totale groep van leerlingen uitgevoerd en daarna met een uitsplitsing naar elk van de vier begaafdheidscategorieën. Met dit laatste wordt dus nagegaan of eventueel effectieve aanpakken verschillen tussen begaafdheidscategorieën. 6.2 Ontwikkelingen in prestaties, gedrag en houding 6.2.1 Van groep 2 naar groep 4 In Tabel 6.1 presenteren we voor groep 2 de ontwikkelingen in prestaties, gedrag en houding naar begaafdheid qua taal. Het betreft dus het verschil tussen de scores die in 2002 in groep 2 zijn behaald en die twee jaar later in groep 4 zijn behaald.19 In het linkerdeel van de tabel staan de gemiddelden, in het rechter ter informatie de (maximale) aantallen leerlingen waarop ze zijn gebaseerd. Tabel 6.1 – Ontwikkelingen in prestaties, gedrag, houding en aanpak tussen groep 2 en 4, naar taalbegaafdheid (gemiddelden en aantallen) taal ontwikkeling in: begaafdheid taal taal werkhouding gedrag discipline zelfvertrouwen welbevinden populariteit relatie leerkracht extra aanbod onderpresteerder n hoog- be- boven- (onder) totaal beg. gaafd gem. gem. 2.2 -13 .1 .1 .1 .1 -.1 -.2 -.1 .0 .1 1.3 26 -.1 .0 .2 -.1 -.2 -.2 -.2 .0 .2 .4 45 -.1 .0 .1 -.1 -.2 -.2 -.1 -.1 .2 -.2 63 .0 .0 .2 -.1 -.2 -.1 -.1 .0 .0 .1 55 .0 .0 .1 -.1 -.2 -.1 -.1 .0 .1 eta .65 ** .45 ** .04 .02 .03 .02 .01 .04 .04 .04 .09 hoog- be- boven- (onder) totaal beg. gaafd gem. gem. 208 208 133 137 129 133 128 132 130 124 136 618 618 398 410 395 395 395 398 391 377 397 1207 1207 726 762 733 726 738 742 735 709 726 5458 5458 3441 3520 3406 3427 3455 3422 3442 3257 3415 7491 7491 4698 4829 4663 4681 4716 4694 4698 4467 4674 In de bovenste rij van de tabel staat het kenmerk ‘begaafdheid taal’. Daarvoor zijn de vier categorieën gecodeerd van 4 (hoogbegaafd) tot 1 ((onder)gemiddeld). Het getal 19 P.M. Omdat er voor de overgang van groep 2 naar groep 4 geen verschilscores met betrekking tot rekenen berekend kunnen worden, zijn die in de betreffende tabellen weggelaten. 44
  54. 54. 2.2 wil zeggen dat gemiddeld genomen leerlingen die in groep 2 hoogbegaafd waren in groep 4 twee categorieën achteruit zijn gegaan en in de categorie bovengemiddeld zijn terechtgekomen. De leerlingen in de andere categorieën zijn gemiddeld ook gedaald (de begaafden en bovengemiddelden), dan wel iets gestegen (de (onder)gemiddelden). We moeten met deze interpretatie wel wat voorzichtig zijn; het betreft immers een grove en ordinale classificatie. We zullen daarom hierna nog een iets andere analyse presenteren. Ondanks deze beperking geeft het verloop van de gemiddelden een duidelijke indicatie wat betreft de ontwikkeling in prestatieniveau voor de diverse categorieën leerlingen. Deze interpretatie wordt ondersteund door het resultaat bij het volgende kenmerk ‘taal’, ofwel het verschil tussen de taalscore in groep 2 en groep 4. Hieruit blijkt duidelijk dat hoogbegaafden in absolute zin zijn achteruitgaan qua taalscore. Bij een zogenoemd plafond-effect zouden ze een nul-verandering moeten laten zien. Als de lagere startniveaus wel vooruitgaan, dan gaan deze gelijkblijvers er relatief op achteruit, waardoor de negatieve samenhang tussen startniveau en ontwikkeling ontstaat. Blijkbaar hebben deze groep 2 hoogbegaafden een voorsprong die ze niet vast kunnen houden, bijvoorbeeld omdat de voorsprong hun motivatie om te leren wegneemt, waardoor ze een feitelijke achterstand gaan oplopen. Een andere (daarmee samenhangende) verklaring is het onderwijs onvoldoende inspringt op het niveau, c.q. potentieel van deze leerlingen en hen niet genoeg weet uit te dagen en motiveren. De leerlingen ‘weten niet beter’ en zijn gedwongen zich hieraan aan te passen. Dit kan ook de interpretatie zijn van het empirisch resultaat dat de gedrags-, houdings- en aanpakkenmerken in de tabel laten zien dat er wat dit betreft geen verschillen zijn tussen de diverse begaafdheidscategorieën. Anders geformuleerd: er is geen samenhang tussen de ontwikkeling in deze kenmerken en begaafdheid. In Tabel 6.2 staan vergelijkbare gegevens als in Tabel 6.1, maar nu bezien vanuit het perspectief van begaafdheid qua rekenen. Tabel 6.2 laat zien dat wanneer hoogbegaafdheid wordt gedefinieerd vanuit het perspectief van rekenvaardigheid er een iets ander beeld ontstaat. Hoogbegaafden in rekenen gaan iets minder vooruit in taal dan minder begaafden. De verschillen tussen deze begaafdheidscategorieën zijn ook aanzienlijk minder groot – iets wat misschien ook wel voor de hand ligt. 45

×