Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
Onderadvisering in beeld
Onderadvisering in beeld
Voorwoord
De overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs is een belangrijke schakel
in de schoolloopbaan. Een goede...
Inhoudsopgave
Samenvatting
1 Inleiding 	 9

1.1	 Probleemstelling 9

1.2	 Hoofdlijn in het rapport 9

2	 Schoolkeuzeadvies...
Samenvatting
Er zijn geen aanwijzingen dat leerlingen uit allochtone groepen in Nederland bij het
verlaten van de basissch...
1 Inleiding
Dit rapport geeft antwoord op de vraag naar het bestaan van stelselmatige onderad­
visering van leerlingen van...
I
Wetenschappelijk onderzoek: overzicht van beschikbare kennis
In Nederland is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan na...
In hoofdstuk 3 worden de centrale analyses, zoals het ITS die heeft uitgevoerd,
weergegeven en de voornaamste conclusies s...
I
Onderadvisering en schoolsucces in het voortgezet onderwijs
Dat er geen reden is om uit te gaan van systematische ondera...
2 Schoolkeuzeadvies en onder- en overadvisering
2.1 Inleiding
Het schoolkeuzeadvies bij de overgang van basisschool naar v...
I
In een eerder rapport (Inspectie van het Onderwijs, 2007) wees de inspectie op
vier factoren die de allocatie van leerli...
In het advies in het leerlingrapport geeft het Cito aan welk school- en brugklastype
het best bij de leerling past
Voor op...
I
Op basis van een secundaire analyse van data uit het vierde PRIMA-cohort onder
ruim vijfduizend leerlingen op meer dan v...
Daarna worden andere factoren besproken die invloed kunnen hebben op de hoogte
van het advies en daardoor op mogelijke ond...
I
Voor allochtone achterstandsleerlingen is de conclusie dat de overadvisering waar­
van begin jaren negentig sprake was v...
Over- en onderadvisering in relatie tot leerlingen- en achtergrondkenmerken
Claassen en Mulder (2006) constateren dat auto...
I
In tegenstelling tot het voortgezet onderwijs beperkt onderpresteren in het
basisonderwijs zich niet tot specifieke leer...
3	 Onderadvisering nader onderzocht: een analyse
van het PRIMA-cohort
3.1	 Recent landelijk beeld
Veranderende trend?
Wete...
I
Het onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen publiceert re­
gelmatig over de in de PRIMA-cohorten ve...
C) Is er ten aanzien van sommige groepen van leerlingen (bijvoorbeeld allochtonen
of woonachtig in de grote steden, met na...
I
Verreweg de meeste niet-deelnemers hebben het laagste vmbo-advies gekregen;
daarnaast scoren ze ook veel lager dan wel-d...
Voor vmbo gl/tl krijgt 12 procent een lager en 34 procent een hoger advies. Bij de
categorie havo/vwo is overadvisering ni...
I
In de analyse is vervolgens ook de variabele etniciteit toegevoegd. Er zijn geen
effecten, behalve voor de (zeer heterog...
3.4 Samenvatting en conclusies
Uit de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in de afgelopen jaren werd in
hoofdstuk 1 ...
I
Centrale conclusie
In het rapport van het ITS worden de conclusies van het onderzoek als volgt sa­
mengevat.18
‘De hoofd...
4 Onderadvisering: regio en Randstad
De tot nu toe gepresenteerde gegevens hebben duidelijk gemaakt dat er geen
aanwijzing...
I
De lagere adviezen in Friesland hangen voor een deel samen met kenmerken van
leerlingen, zoals zittenblijven, sociaaleco...
Leerlingen in de groep met hogere Cito-scores worden in 32 procent van de geval­
len ondergeadviseerd en voor 21 procent o...
I
Uit het conceptrapport komt naar voren dat de automatische toelaatbaarheid sterk
verschilt per bevolkingsgroep. Autochto...
Vervolgens is van belang dat de gepubliceerde gegevens alleen betrekking hebben
op de relatie tussen advies, etniciteit en...
5	 Onderadvisering en later schoolsucces: een
analyse van het VOCL-cohort
5.1	 Advies en loopbanen in het voortgezet onder...
I
Ruim de helft van de leerlingen zit op het niveau van het advies, terwijl ruim 20 pro-
cent een hoger advies kreeg (en i...
Bij de allochtone leerlingen beperkt deze afstroom zich tot de helft, niet veel meer
dan bij niet-achterstandsleerlingen h...
I
De centrale onderdelen van de analyse en resultaten zijn samengevat in de volgen­
de paragrafen. Daarbij is zoveel mogel...
De hoogste score wordt dus toegekend aan een leerling die vwo-6 met succes
voltooid heeft, één punt minder voor een leerli...
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies

328 views

Published on

De relatie tussen prestaties en advies
Onder- of overadvisering bij de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs?

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Geert Driessen & Ed Smeets (2007) De relatie tussen prestaties en advies

  1. 1. Onderadvisering in beeld
  2. 2. Onderadvisering in beeld
  3. 3. Voorwoord De overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs is een belangrijke schakel in de schoolloopbaan. Een goede aansluiting tussen beide is in hoge mate bepa­ lend voor het uiteindelijke niveau waarop een leerling het voortgezet onderwijs verlaat. De Inspectie van het Onderwijs heeft verschillende keren aandacht geschonken aan de elementen die voor een goede aansluiting tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs van belang zijn. Zo verschenen eerder dit jaar de resultaten van onder­ zoek naar de plaatsing van leerlingen in het voortgezet onderwijs en het verloop van de loopbaan in de eerste jaren daarna (Aansluiting voortgezet onderwijs op het basisonderwijs, 2007). In het rapport dat nu voor u ligt, houdt de inspectie zich opnieuw bezig met een onderdeel van de transitie van basisschool naar voortgezet onderwijs. Naar aanleiding van berichten die begin dit jaar verschenen over lagere vo-adviezen van allochtone leerlingen op basisscholen in de gemeente Amsterdam en een verzoek van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om na te gaan hoe dat landelijk ligt, heeft de inspectie onderzocht in hoeverre sprake is van onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen. Dit rapport beschrijft de resultaten van het onderzoek, dat is gebaseerd op een inventarisatie van wetenschappelijke kennis, op gegevens van de inspectie en op secundaire analyse van landelijke steekproefdata. Laatst genoemde analyses zijn op verzoek van de inspectie uitgevoerd door de onderzoeksinstituten ITS (Radboud Universiteit Nijmegen) en GION (Rijksuniversiteit Groningen). Ik ben dr. G. Dries­ sen (ITS) en prof.dr. R. Bosker (GION) en hun onderzoeksteams erkentelijk voor de bijdrage die ze daarmee aan dit rapport hebben geleverd. Ik hoop dat dit rapport bijdraagt aan een goed inzicht in het verloop van de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs, met name ook voor wat betreft het schoolkeuzeadvies en de factoren die daarop van invloed zijn. De hoofdinspecteur primair onderwijs en expertisecentra dr. L.S.J.M. Henkens oktober 2007
  4. 4. Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 9 1.1 Probleemstelling 9 1.2 Hoofdlijn in het rapport 9 2 Schoolkeuzeadvies en onder- en overadvisering 15 2.1 Inleiding 15 2.2 Het advies voor voortgezet onderwijs 16 2.3 Onder- en overadvisering 18 2.4 Conclusies 22 3 Onderadvisering nader onderzocht: een analyse van het PRIMA-cohort 25 3.1 Recent landelijk beeld 25 3.2 Opzet van het onderzoek 26 3.3 Resultaten 27 3.4 Samenvatting en conclusies 31 4 Onderadvisering: regio en Randstad 35 4.1 Afwijkende situatie in regio’s of grote gemeenten? 35 4.2 Onderadvisering in Amsterdam? 36 4.3 Kanttekeningen 38 4.4 Andere grote steden 39 5 Onderadvisering en later schoolsucces: een analyse van het VOCL-cohort 41 5.1 Advies en loopbanen in het voortgezet onderwijs 41 5.2 Opzet van het onderzoek 44 5.3 Resultaten 45 5.4 Samenvatting en conclusies 46 6 Conclusie 49 6.1 Aanleiding en probleemstelling 49 6.2 Onderadvisering van allochtone leerlingen? 50 6.3 Advies en succes in het voortgezet onderwijs 52 Literatuur 55 Bijlage(n) I Analyse onderzoeksinstituut ITS 59 II Analyse onderzoeksinstituut GION 83
  5. 5. Samenvatting Er zijn geen aanwijzingen dat leerlingen uit allochtone groepen in Nederland bij het verlaten van de basisschool substantieel en systematisch lagere adviezen voor het voortgezet onderwijs krijgen. Ook worden ze niet hoger geadviseerd. Met deze zinnen is de voornaamste conclusie uit dit rapport samengevat. Uit­ gangspunt voor het onderzoek was de vraag in hoeverre in Nederland sprake is van onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen. Aanleiding voor die vraag waren berichten over basisscholen in de gemeente Amsterdam, waar sprake zou zijn van lagere adviezen voor hoog presterende allochtone leerlingen. De inspectie heeft op verzoek van de staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzocht hoe dit landelijk ligt. In het onderzoek zijn verschillende aanpakken gecombineerd: analyse van inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, aanvullende analyse van recente data en een ge­ detailleerde beoordeling van de resultaten van het eerdere onderzoek over Amster­ damse basisscholen. De drie benaderingen ondersteunen alle de bovengenoemde conclusie. In aanvulling op de voornaamste conclusie zijn verder de volgende bevindingen van belang. Er bestaan verschillen in de adviezen van leerlingen uit uiteenlopende groepen. Zo krijgen leerlingen uit migrantengroepen en uit lagere sociaaleconomische milieus gemiddeld lagere adviezen. Deze zijn het gevolg van verschillen in de tijdens het basisonderwijs behaalde resultaten: naarmate de leerprestaties hoger zijn, worden hogere adviezen gegeven. Het prestatieniveau is dus verreweg de belangrijkste factor bij de advisering voor voortgezet onderwijs. Andere factoren spelen slechts een beperkte rol. Zo krijgen meisjes, intelligentere leerlingen, leerlingen die niet zijn blijven zitten en kinderen van hoger opgeleide ouders - bij een gelijk prestatieniveau - iets hogere adviezen. Het gaat echter om zeer bescheiden verschillen. Onderadvisering en overadvisering komen dus wel voor. Het beschikbare onder­ zoek laat zien dat, waar aanwijzingen voor onderadvisering worden gevonden, autochtone achterstandsleerlingen daar meer ‘last’ van ondervinden dan allochtone achterstandsleerlingen. Andere studies laten in het geheel geen onderadvisering van allochtone leerlingen zien. Van te lage advisering die systematisch in het nadeel van allochtone leerlingen uitpakt, is dus geen sprake. Onderadvisering is een ongewenst verschijnsel. Als daarvan sprake is, heeft het ern­ stige implicaties voor de verdere schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs. Leerlin­ gen waarvan het advies bij de overgang naar het voortgezet onderwijs lager was dan het prestatieniveau deed verwachten, sluiten het voortgezet onderwijs af op een lager niveau dan leerlingen met hetzelfde prestatieniveau maar met een hoger advies. Daarmee is een tweede belangrijke conclusie genoemd: onderadvisering leidt vaak tot achterstand die niet meer wordt ingelopen. De inspectie constateert dan ook dat onderadvisering voorkomt en een serieus te nemen knelpunt vormt. Ach­ tergrondkenmerken spelen ook hier een rol: sommige groepen, zoals jongens en leerlingen uit lagere sociale milieus, hebben er meer ‘last’ van dan andere. Etniciteit hoort daar niet bij. 7
  6. 6. 1 Inleiding Dit rapport geeft antwoord op de vraag naar het bestaan van stelselmatige onderad­ visering van leerlingen van allochtone herkomst bij de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs in Nederland. Met onderadvisering wordt bedoeld dat leerlingen een lager advies voor voortgezet onderwijs krijgen dan op grond van de score op een eindtoets verwacht zou mogen worden. Bij overadvisering gaat het om een schoolkeuzeadvies dat hoger is dan op basis van deze score te verwachten viel. In dit hoofdstuk worden de aanleiding voor het onderzoek en de onderzoeksvraag toegelicht. Bij wijze van leeswijzer worden vervolgens de hoofdlijn van het betoog en de opbouw van het rapport weergegeven. 1.1 Probleemstelling Begin 2007 trokken berichten over verschillen in de mate waarin allochtone en autochtone leerlingen op basisscholen in Amsterdam te maken zouden krijgen met onderadvisering landelijke aandacht. Deze berichtgeving leidde eveneens tot vragen in het parlement: kan een dergelijk verschijnsel zich ook landelijk voordoen, welke plaats nemen andere achtergrondkenmerken - bijvoorbeeld het sociaaleconomisch milieu - in en welke factoren spelen een rol bij de wijze waarop het advies van de basisschool tot stand komt. Tegen deze achtergrond heeft de Inspectie van het Onderwijs op verzoek van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzoek gedaan naar het bestaan van onderadvisering van allochtone leerlingen op basisscholen in Ne­ derland. De resultaten worden in dit rapport weergegeven. In overleg met de staatssecretaris heeft het onderzoek van de inspectie zich gericht op de volgende vraag: In hoeverre is in Nederland sprake van onderadvisering (of overadvisering) van leer­ lingen uit allochtone groepen? Hoewel het accent in dit onderzoek dus ligt op mogelijke onderadvisering van leer­ lingen uit etnische minderheden, worden waar zinvol ook de onderadvisering (of overadvisering) van autochtone leerlingen in het beeld betrokken. Waar van belang wordt bovendien aandacht geschonken aan de mogelijke invloed van andere leer­ lingenkenmerken die met stelselmatige onderadvisering (of overadvisering) zouden kunnen samenhangen, zoals sociaaleconomisch milieu, geslacht of regio. 1.2 Hoofdlijn in het rapport Deze paragraaf biedt een overzicht van de gegevens waarmee een beeld geboden wordt van onder- en overadvisering van leerlingen op basisscholen in Nederland. Met dit overzicht worden de hoofdlijnen van het rapport geschetst en de elementen genoemd waarmee de vraag naar het bestaan van onderadvisering van allochtone leerlingen wordt beantwoord. 9
  7. 7. I Wetenschappelijk onderzoek: overzicht van beschikbare kennis In Nederland is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs en de factoren die daarbij van belang zijn. Uit deze studies komt globaal genomen naar voren dat de aanvankelijke over­ advisering van allochtone leerlingen overwegend verdwenen is. Waar sprake is van onderadvisering, doet zich die met name voor bij leerlingen uit autochtone achterstandsgroepen. Verder laat onderzoek zien dat het advies voor voortgezet onderwijs grotendeels bepaald wordt door de in het basisonderwijs gerealiseerde prestaties. Achtergrondkenmerken van leerlingen of gedragsvariabelen spelen een (veel) minder belangrijke rol. Beantwoording van de vraag naar onderadvisering van allochtone leerlingen op ba­ sis van het beschikbare onderzoek leidt dan ook tot een negatieve conclusie: er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van substantiële, systematische onderadvisering van leerlingen van allochtone herkomst. In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van de voornaamste literatuur en wordt deze conclusie toegelicht en verder uitgewerkt. Aanvullende analyses: de meest recente gegevens Hoewel het beschikbare wetenschappelijk onderzoek niet op systematische onder­ advisering van allochtone leerlingen wijst, rijst de vraag of er in de afgelopen jaren een verandering in deze situatie kan zijn opgetreden. Tussen het moment waarop de gegevens worden verzameld en de analyseresultaten gepubliceerd, verstrijkt doorgaans enige tijd. Kan er wellicht sprake zijn van een nieuwe tendens, nog niet zichtbaar in de wetenschappelijke onderzoekspublicaties? Om na te gaan of het ontstaan van een dergelijke veranderende tendens waarschijn­ lijk is, heeft de onderwijsinspectie het onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen gevraagd een analyse uit te voeren op de meest recente, beschikbare gegevens. Met name de PRIMA-cohorten, waarin via een landelijk representatieve steekproef van basisscholen gegevens worden verzameld over omvangrijke groepen leerlingen, bieden daarvoor een goed uitgangspunt. Het ITS analyseerde de invloed van etniciteit op het schoolkeuzeadvies op de laatst be­ schikbare PRIMA-data, die in 2004/2005 onder ruim tienduizend leerlingen op circa vijfhonderd scholen verzameld werden. Het ITS concludeert dat er geen sprake is van onderadvisering van de onderschei­ den etnische groepen. Weliswaar ontvangen leerlingen van Surinaamse, Antil­ liaanse, Turkse en Marokkaanse herkomst, absoluut gezien vaker lagere adviezen en autochtone leerlingen vaker hogere adviezen, maar dat hangt samen met het feit dat de schoolprestaties van de eersten gemiddeld genomen lager liggen dan die van de laatsten. Van lagere adviezen, gegeven behaalde prestaties, blijkt geen sprake. Samengevat is het antwoord op de vraag naar onderadvisering van allochtone leer­ lingen op basis van de meest recente gegevens dus opnieuw negatief: analyse van de PRIMA-gegevens door het ITS leidt tot de conclusie dat allochtone leerlingen niet anders worden geadviseerd dan autochtone leerlingen. 10
  8. 8. In hoofdstuk 3 worden de centrale analyses, zoals het ITS die heeft uitgevoerd, weergegeven en de voornaamste conclusies samengevat. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de rapportage die door het ITS is aangeleverd. De integrale tekst van de rapportage van het ITS is opgenomen in bijlage I. Amsterdam: een afwijkend beeld? Op verzoek van de inspectie heeft het ITS deze analyses ook uitgevoerd op ge­ gevens van Amsterdamse basisscholen uit het PRIMA-cohort. Ook deze analyse leidt niet tot andere conclusies: nadat voor de prestatieverschillen die er tussen leerlingen bestaan wordt gecorrigeerd, doen er zich qua adviezen geen verschillen voor tussen de onderscheiden etnische groepen. Wel komt naar voren dat in de grotere steden gemiddeld lagere adviezen worden gegeven, maar dit verschil verdwijnt als de verschillen in prestaties van leerlingen worden verdisconteerd. De conclusie is ook in dit geval dat er geen sprake is van onderadvisering van onderscheiden etnische groepen in grote(re) gemeenten. Het beeld, zoals dat naar voren komt uit wetenschappelijk onderzoek en analyse van recente landelijke data, bevat dus geen aanwijzingen voor het bestaan van substantiële onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen. Dat roept de vraag op hoe de aanvankelijke berichtgeving over afwijkende schoolkeuzeadviezen van allochtone leerlingen op Amsterdamse basisscholen begrepen moet worden: Is - hoewel zowel de landelijke als de Amsterdamse PRIMA-steekproefdata daar niet op wijzen - wellicht sprake van regionale verschillen? Tegen de achtergrond van de berichtgeving over de onderadvisering van allochtone leerlingen eerder dit jaar, springt eerst de situatie in Amsterdam in het oog. Alvo­ rens daar conclusies aan te verbinden is het goed te bedenken dat de voornaamste boodschap uit het aanvankelijke (concept)rapport was, dat in het algemeen gespro­ ken geen sprake is van systematische onderadvisering voor etnische groepen. Veel aandacht trok echter de bevinding dat, als wordt ingezoomd op leerlingen met een hoge score op de Cito Eindtoets, leerlingen van Turkse en Marokkaanse komaf iets vaker worden ondergeadviseerd. Voor Surinaamse en ook Marokkaanse leerlingen werd daarnaast echter eveneens overadvisering gerapporteerd. Dat er vooralsnog weinig aanwijzingen zijn voor het bestaan van systematische on­ deradvisering van allochtone leerlingen wordt eveneens bevestigd door analyse van de verdeling van schoolkeuzeadviezen in de gemeente Utrecht. In een onderzoek dat op verzoek van de gemeente Utrecht door Oberon is uitgevoerd wordt gecon­ cludeerd dat - ondanks verschillen binnen de groep allochtonen - allochtone en autochtone leerlingen bij vergelijkbare scores op de Cito Eindtoets gemiddeld even hoge adviezen voor voortgezet onderwijs krijgen. Binnen de groep leerlingen bij wie sprake is van onderadvisering zijn autochtone leerlingen oververtegenwoordigd. Al met al is de teneur in lijn met het beeld zoals dat uit ander onderzoek naar voren komt: van systematische, substantiële onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen is geen sprake. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeken naar advisering in de gemeente Amsterdam verder besproken. Daar komen ook de gegevens over de effecten van de regio aan de orde. 11
  9. 9. I Onderadvisering en schoolsucces in het voortgezet onderwijs Dat er geen reden is om uit te gaan van systematische onderadvisering van alloch­ tone leerlingen, betekent niet dat onderadvisering niet voorkomt of dat allochtone leerlingen daar niet mee mee te maken kunnen krijgen. Onderadvisering is voor alle leerlingen ongewenst. Immers, voor elke leerling die met onderadvisering te maken krijgt, is de belangrijkste vraag in hoeverre een advies onder het niveau dat haalbaar is, tot blijvende achterstand leidt. Tot besluit wordt dan ook een schatting gepresenteerd van het effect daarvan op het uiteindelijke schoolsucces. Zet een te lage intrede in het voortgezet onderwijs leerlingen op blijvende achterstand of valt het effect daarvan weg tegen de invloed van andere factoren die van belang zijn voor het succes in de verdere schoolloopbaan? Het antwoord op deze vraag is gebaseerd op een analyse die het onderzoeksin­ stituut GION van de Rijksuniversiteit Groningen op verzoek van de inspectie heeft uitgevoerd. Daarvoor is gebruik gemaakt van een omvangrijke representatieve set gegevens waarmee kan worden onderzocht of de factor etniciteit een rol speelt in het verband tussen advies en het niveau aan het eind van het voortgezet onderwijs. Het betreft het cohort VOCL’99, waarin de schoolloopbaan van circa twintigduizend leerlingen vanaf de start in het voortgezet onderwijs jaarlijks is gevolgd. Het GION concludeert dat de gevolgen van onderadvisering op het eindniveau fors zijn. Een advies dat lager is dan gezien de prestaties bij intrede in het voortgezet onderwijs in de verwachting lag, leidt tot een lager eindniveau dan leerlingen met een hoger advies, maar met gelijke prestaties, hebben bereikt. De analyses van het GION laten tevens zien dat etniciteit daarbij geen rol speelt. De door het GION uitgevoerde analyses worden samengevat in hoofdstuk 5. De integrale tekst van de rapportage van het GION is te vinden in bijlage II. 12
  10. 10. 2 Schoolkeuzeadvies en onder- en overadvisering 2.1 Inleiding Het schoolkeuzeadvies bij de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs is een belangrijk gegeven. De overgang naar het voortgezet onderwijs markeert een centraal transitiemoment in de schoolloopbaan en bepaalt in sterke mate het verde­ re verloop daarvan. Met het advies en de daarop volgende keuze voor een bepaald type vervolgonderwijs worden de onderwijskansen en, in het verlengde daarvan, de latere maatschappelijke kansen van leerlingen in hoge mate vastgelegd. Het advies kan worden opgevat als een expertoordeel over welke vervolgopleiding in het voortgezet onderwijs het meest geschikt is voor de leerling, gebaseerd op het inzicht van de basisschool in de ontwikkelmogelijkheden van die leerling. De school kan daarbij terugvallen op het inzicht dat ze kreeg van het ontwikkelings­ potentieel in de jaren dat de leerling op school verbleef. Op basis van kennis over factoren, zoals prestaties, werkhouding, motivatie en zelfstandigheid wordt een verwachting uitgesproken over het vervolgonderwijs waarin de capaciteiten van de leerling optimaal tot ontplooiing kunnen komen. De globale verdeling van de adviezen voor voortgezet onderwijs laat zich een­ voudig samenvatten. Ongeveer de helft van de leerlingen ontvangt een advies voor vmbo en ongeveer een kwart wordt geadviseerd door te stromen naar havo respectievelijk vwo.1 Adequate adviezen? Twee perspectieven In hoeverre het advies adequaat functioneert, kan vanuit twee geheel verschillende perspectieven beoordeeld worden. Enerzijds is een zo goed mogelijke inschatting van de mogelijkheden van een leer- ling belangrijk, gegeven de informatie die in groep 8 van de basisschool beschikbaar is. Leerlingen voor wie die inschatting, afgaande op het in groep 8 gerealiseerde prestatieniveau, te laag is, worden ondergeadviseerd, en leerlingen voor wie het geadviseerde schooltype hoger is dan dat niveau worden overgeadviseerd. Vanuit deze invalshoek gaat het dus om de vraag in hoeverre het advies de best mogelijke voorspelling is, gegeven de op dat moment beschikbare informatie om een ver­ wachting uit te spreken over het geëigende niveau van voortgezet onderwijs. Anderzijds moet worden bedacht dat het schoolkeuzeadvies ‘slechts’ een voorspel­ ling is. Ook wanneer die voorspelling is gebaseerd op een optimale afweging van alle beschikbare gegevens, blijft sprake van een voorspelling die naar haar aard juist of onjuist zal zijn. Immers, ook de loopbaan in het voortgezet onderwijs staat onder invloed van allerlei factoren die het daadwerkelijke schoolsucces bepalen. De waarde van een adequaat schoolkeuzeadvies is er daarbij vooral in gelegen dat de onderwijskansen die het schooltype waarop de leerling het voortgezet onderwijs binnenkomt biedt, optimaal zijn voor de verdere ontplooiing van de capaciteiten van de leerling. De feitelijke realisering van die kansen hangt tevens af van de factoren die op het verloop van de verdere schoolloopbaan van invloed zijn. 1 Bij ‘dakpanadviezen’ (dubbele en soms drievoudige adviezen) is uitgegaan van het hoogste onderwijstype. 15
  11. 11. I In een eerder rapport (Inspectie van het Onderwijs, 2007) wees de inspectie op vier factoren die de allocatie van leerlingen in het voortgezet onderwijs tot een lastige opgave maken. In groep acht is slechts zelden volledige en betrouwbare informatie beschikbaar over de talenten van leerlingen en ‘foutieve’ allocatie blijkt pas na verloop van tijd of blijft onzichtbaar. Ook kan een op zich goede doorverwij­ zing onder druk komen te staan door gebrekkige onderwijskwaliteit op de school voor voortgezet onderwijs. Tenslotte is er de invloed van de ontwikkelingen in de levensloop van de betreffende adolescent. De gedeeltelijke onzichtbaarheid van suboptimale allocatie hangt onder meer sa- men met het ontbreken van problemen in de loopbaan van te laag geadviseerde leerlingen, ‘die het immers zo goed doen’. Latere opstroom naar hogere schoolty­ pen of, wanneer sprake is van overadvisering, doubleren of afstroom kan doorgaans bovendien niet één op één aan de kwaliteit van het advies verbonden worden. In hoeverre een advies juist is, kan dus nooit met zekerheid gezegd worden. Een en ander betekent dat voor een beoordeling van het probleem van onderad­ visering twee invalshoeken van belang zijn. Aan de ene kant is er de vraag of het schoolkeuzeadvies het best denkbare advies was dat op dat moment mogelijk was. Aan de andere kant kunnen de nadelen van onderadvisering (en overadvisering) al­ leen afdoende gewogen worden, wanneer daarbij ook het effect op het uiteindelijke schoolsucces betrokken wordt. Hoewel het accent in dit rapport bij de eerste vraag ligt - is bij het tot stand komen van het advies sprake van onderadvisering? - zal ook de tweede invalshoek aan de orde komen. Opbouw van het hoofdstuk Over de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs is relatief veel kennis beschikbaar, onder meer via wetenschappelijk onderzoek. Dat heeft bijgedragen aan het inzicht in de rol die het schoolkeuzeadvies bij die overgang speelt. Over de mate waarin dat advies adequaat blijkt, is de nodige kennis beschikbaar, evenals over de leerlingen- en achtergrondkenmerken die daarop van invloed zijn. Voor beantwoording van de vraag naar het bestaan van onderadvisering van allochtone leerlingen biedt deze kennis dan ook een goed uitgangspunt. In dit hoofdstuk wordt een beknopte weergave gegeven van de resultaten van dat onderzoek en op basis daarvan wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre sprake is van aanwijzingen voor systematische, substantiële onderadvisering van leerlingen uit etnische minderheidsgroepen. Om te beginnen zal in paragraaf 2.2 kort worden weergegeven welke factoren een rol spelen bij het tot stand komen van het advies, waarbij eveneens aandacht gegeven wordt aan de plaats van de Cito-eindtoets.In paragraaf 2.3 wordt een beeld geschetst van onder- en overadvi­ sering en de factoren die daarbij een rol spelen. 2.2 Het advies voor voortgezet onderwijs Bij de overgang naar het voortgezet onderwijs stelt de basisschool voor elke leerling een advies op dat, zoals voorgeschreven, vergezeld is van een tweede onafhankelijk toetsgegeven. Vrijwel alle basisscholen beschikken over landelijk genormeerde gegevens over de prestaties van hun leerlingen aan het eind van de basisschool (Inspectie van het Onderwijs, 2006). Op de meeste scholen betreft dit tweede gegeven de Eindtoets Basisonderwijs van het Cito (Inspectie van het Onderwijs, 2007). 16
  12. 12. In het advies in het leerlingrapport geeft het Cito aan welk school- en brugklastype het best bij de leerling past Voor optimale advisering zijn betrouwbare gegevens gewenst over achtergrond­ kenmerken en de thuissituatie van de leerling, over intelligentie en motivatie en over het actuele prestatieniveau van de leerling. Hoewel intelligentie en ook moti­ vatie relevante voorspellers zijn van schoolsucces (Kuyper & Van der Werf, 2001), ontbreekt het op dit punt veelal aan geobjectiveerde gegevens; in de praktijk spe­ len met name het advies van de basisschool in combinatie met de score op een landelijk genormeerde prestatietoets een rol. De inspectie kwalificeerde dit nog recent als een ‘kwetsbare combinatie’ omdat alleen het objectief gemeten pres­ tatieniveau het expertoordeel van de school valideert, zonder dat geobjectiveerde informatie over intelligentie en motivatie wordt meegenomen (Inspectie van het Onderwijs, 2007). Het belang van prestaties Het verwondert dan ook niet dat Driessen en Doesborgh (2005) op basis van een onderzoek naar de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs tot de slotsom komen dat de hoogte van het basisschooladvies voor het overgrote deel wordt bepaald door de prestaties in de vakken taal, lezen en rekenen. Andere voor­ spellers, waaronder gedragsvariabelen, spelen veel minder een rol. De onderzoe­ kers benadrukken dan ook de dominante rol van prestaties bij het tot stand komen van het advies. Een reeks van andere factoren die van invloed zouden kunnen zijn, blijken slechts een zeer bescheiden bijdrage te leveren. Ook uit een studie naar overadvisering komt dit beeld naar voren (Driessen, 2006). Gebaseerd op in het schooljaar 2002/2003 verzamelde PRIMA-gegevens van bijna achtduizend leerlingen in ruim vijfhonderd klassen wordt onder meer de invloed van etniciteit op het advies onderzocht. De prestaties verklaren ruim twee derde van de variantie in advies. Andere, niet-prestatiegebonden overwegingen die van invloed zouden kunnen zijn en leiden tot een hoger of lager advies dan op grond van de prestaties in de rede ligt - zoals opleiding van de ouders, etniciteit, inzet, zelfvertrouwen, etcetera - verklaren samen slechts drie procent van de totale vari­ antie in het schoolkeuzeadvies (Driessen, 2006). Dat staat overigens niet in de weg dat leerkrachten ook andere factoren belangrijk vinden. Leerkrachten geven aan kenmerken van de leerling, zoals zelfvertrouwen en inzet, behoorlijk te laten meewegen en het belangrijk te vinden niet alleen af te gaan op de scores op prestatietoetsen. Een ondersteunend thuisklimaat, beheersing van het Nederlands en de score op een eindtoets zijn, volgens leerkrachten, minder be­ palend. Leerkrachten in de grote steden kennen daarbij, naar verhouding, overigens meer waarde toe aan de score op een eindtoets (Driessen et al., 2005). De dominantie van het prestatieniveau bij de bepaling van het advies komt ook naar voren in een studie van Luyten en Bosker (2004) naar het meritocratisch gehalte van het schooladvies. Zij geven een overzicht van onderzoek naar de relatie tussen de score op de Cito-eindtoets en het schoolkeuzeadvies en concluderen dat sprake is van een trend waarbij gemeten capaciteiten een steeds prominentere rol in het adviseringstraject zijn gaan spelen. 17
  13. 13. I Op basis van een secundaire analyse van data uit het vierde PRIMA-cohort onder ruim vijfduizend leerlingen op meer dan vierhonderd scholen laat deze studie verder zien dat het feitelijke prestatieniveau van de leerling een grote invloed heeft op het advies (en ruim 74 procent van de variantie verklaart). De inschatting van de capa­ citeiten door de leerkracht en het oordeel van de leerkracht over de werkhouding bepalen 5 procent unieke variantie in de adviezen. Toevoeging van achtergrondge­ gevens (opleiding en afkomst van ouders) voegt iets minder dan 1,5 procent toe. De resultaten laten eveneens zien dat de sterkte van het verband tussen achtergrond en advies bovendien afhankelijk is van het prestatieniveau: de achtergrond van de leerling heeft een sterker effect bij leerlingen met zwakke prestaties dan bij leerlingen die goed presteren. Advies en Cito-eindtoets Zoals gezegd zijn voor verreweg de meeste leerlingen objectief gemeten prestatie­ gegevens beschikbaar. Zo heeft het gebruik van de Cito-eindtoets in de afgelopen jaren een grote vlucht genomen (cf. Luyten & Bosker, 2004). Circa 80 procent van de scholen gebruikt deze toets (Inspectie van het Onderwijs, 2007). Luyten en Bosker (2004) onderzochten de rol van het al dan niet deelnemen aan de Cito­ eindtoets op het advies. Zij concluderen dat niet deelnemen aan de Cito-eindtoets samen gaat met een sterkere invloed van de achtergrond van de leerlingen op de totstandkoming van het advies. Naar aanleiding van berichten dat scholen voor voortgezet onderwijs bij de toelating van leerlingen nog slechts uitsluitend afgaan op het advies gebaseerd op de score op de Eindtoets Basisonderwijs, deed het Cito onderzoek onder scholen voor voort­ gezet onderwijs naar de relatie tussen beide (Van der Lubbe et al., 2005). Daaruit kwam naar voren dat het advies en de score op de Cito-eindtoets in 86 procent van de gevallen overeenkomen. Waar verschil optreedt, wordt in bijna tweederde van de gevallen het advies van de basisschool gevolgd. Vrijwel alle scholen geven bovendien aan van de normering volgens Cito af te wijken wanneer daarvoor aan­ leiding bestaat. Van der Lubbe et al. constateren dan ook dat het van de Cito-score afgeleide advies - zoals ook bedoeld - lijkt te fungeren als een onafhankelijke second opinion. Het beeld dat scholen voor voortgezet onderwijs zonder meer zouden afgaan op de Cito-eindtoets behoeft derhalve nuancering. 2.3 Onder- en overadvisering Nog recent werd vastgesteld dat bij de overgang van basisonderwijs naar voortge­ zet onderwijs sprake lijkt van onderbenutting van talent. Op basis van de PRIMA­ gegevens rapporteren Mulder et al. (2007) dat het aandeel leerlingen dat, afgaande op de gerealiseerde prestaties, een te laag advies ontvangt rond de 5 procent ligt. Ook het aandeel te lage keuzes ligt in deze orde van grootte. In het licht van de centrale vraag gaat de belangstelling in dit rapport uit naar de verdeling van deze onderadvisering over allochtone en autochtone groepen. Zoals gezegd is de rol van kenmerken als sociaaleconomische en etnische achter­ grond in relatie tot het schooladvies en de prestaties van leerlingen in wetenschap­ pelijk onderzoek uitvoerig onderzocht. Op basis daarvan geeft deze paragraaf een beeld van de samenhang tussen deze kenmerken, het advies en de prestatiescore. Eerst wordt ingegaan op over- en onderadvisering van leerlingen in relatie tot de (cognitieve) prestaties. 18
  14. 14. Daarna worden andere factoren besproken die invloed kunnen hebben op de hoogte van het advies en daardoor op mogelijke onderadvisering of overadvisering. Over- en onderadvisering in relatie tot prestaties In het verleden is geconstateerd dat met name leerlingen van allochtone herkomst een hoog advies krijgen ten opzichte van het prestatieniveau. Driessen (1991) wijst op een vorm van ‘positieve discriminatie’ die zich uitte in de advisering en doorstro­ ming naar het voortgezet onderwijs. Er zijn aanwijzingen dat een dergelijke overad­ visering zich vooral voordeed bij allochtone leerlingen met lage schoolprestaties, maar niet bij hoge prestaties (Bosma & Cremers, 1996). In de literatuur worden uiteenlopende verklaringen voor de aanvankelijke over­ advisering van allochtone leerlingen gegeven. Zo’n verklaring is bijvoorbeeld dat leerkrachten de ontwikkelingspotentie laten prevaleren boven het actuele presta­ tieniveau (cf. De Jong, 1987). Ondanks bijvoorbeeld gebrekkige taalvaardigheid Nederlands vertrouwen leerkrachten er op dat de intellectuele capaciteiten van de leerlingen een hoger onderwijstype rechtvaardigen. Ook de angst om te discrimine­ ren zou een rol spelen en leerkrachten houden rekening met het migrantenverleden van leerlingen uit allochtone groepen (cf. Jungbluth, 2003). Bovendien zijn er aanwijzingen dat het advies ook door het gemiddelde presta­ tieniveau van de klas beïnvloed wordt. Het oordeel van de leerkracht over een leerling wordt mede beïnvloed door het niveau van de rest van de klas. Naarmate het gemiddelde prestatieniveau lager is en er meer allochtone kinderen of leerlin­ gen uit lagere sociaaleconomische milieus in een klas zitten, kan dit effect eerder optreden, zodat de iets betere leerlingen een hoger advies krijgen dan het geval zou zijn geweest in een klas met een hoger gemiddeld prestatieniveau (Mulder & Tesser,1991). Guldemond (1994) laat zien dat het oordeel van leerkrachten over individuele leerlingen wordt beïnvloed door het niveau van de andere leerlingen. Daardoor krijgen iets betere leerlingen in een klas met een overwegend laag cogni­ tief niveau makkelijker een hoog advies dan leerlingen met vergelijkbare prestaties in een klas met een hoog gemiddeld niveau. Omdat het cognitieve niveau mede gerelateerd is aan de sociale en etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie, kan overadvisering van allochtone leerlingen eerder optreden. Later onderzoek maakt duidelijk dat de overadvisering van allochtone leerlingen in de tweede helft van de jaren negentig is verminderd (cf. Bronneman et al., 2002; Dagevos et al., 2003). In de afgelopen jaren lijkt dan ook nauwelijks meer sprake van overadvisering van allochtone leerlingen. Tesser en Iedema (2001) stelden vast dat in de loop van de jaren negentig de adviezen meer zijn afgestemd op het prestatieniveau en de overadvisering afneemt. In een overzichtsstudie van Mulder et al. (2005) wordt onder meer aandacht be- steed aan de ontwikkelingen in het verband tussen de schoolprestaties in het basis­ onderwijs en de hoogte van het advies voor voortgezet onderwijs. Het onderzoek is gebaseerd op gegevens over een periode van bijna vijftien jaar (tussen 1988 en 2002 verzamelde LEO- en PRIMA-data). Uit de analyses komt naar voren dat kin­ deren uit achterstandsgroepen bij gelijke prestaties wat lager geadviseerd worden dan andere leerlingen. Dit verschijnsel doet zich het sterkst voor bij autochtone kinderen met laag opgeleide ouders. 19
  15. 15. I Voor allochtone achterstandsleerlingen is de conclusie dat de overadvisering waar­ van begin jaren negentig sprake was verdwenen is; in de tweede helft van de jaren negentig zijn de adviezen bij gelijke prestaties iets lager dan de adviezen van leer­ lingen die niet uit achterstandsgroepen komen. Echter, bij autochtone leerlingen uit achterstandsgroepen doet deze onderadvisering bij gelijke prestaties zich sterker voor dan bij allochtone achterstandsleerlingen. Ook Claassen en Mulder (2003) rapporteren dat het vooral autochtone achter­ standsleerlingen zijn die, bij gelijke prestaties, lagere adviezen krijgen dan anderen. Voor allochtone leerlingen komt naar voren dat de in 1988 en 1992 geconstateerde overadvisering in 2000 is omgeslagen in een lichte mate van onderadvisering. Toch zijn het autochtone achterstandsleerlingen die in sterkere mate te maken krijgen met onderadvisering. Het advies van autochtone achterstandsleerlingen ligt, zo rapporteren deze onderzoekers, een punt lager dan dat van andere leerlingen met hetzelfde prestatieniveau (een verschil ter grootte van, bijvoorbeeld, dat tussen een havo of havo/vwo-advies). Het verschil voor allochtone achterstandsleerlingen is de helft kleiner. Ook in een recent vervolgonderzoek komen Claassen en Mulder (2006) tot deze conclusie. Beide studies zijn gebaseerd op gegevens uit de PRIMA­ cohortonderzoeken en hebben betrekking op de schoolloopbaan van leerlingen die in schooljaar 2000/2001 in groep 8 van de basisschool zaten tot vier jaar daarna. Claassen en Mulder (2006) wijzen er in dit verband onder meer op dat het vooral de autochtone achterstandsleerlingen zijn die, over de tijd gezien, nog weinig baat hebben gehad bij de aanpak van onderwijsachterstanden. Hoewel deze groep bij binnenkomst in het basisonderwijs een duidelijk minder grote achterstand heeft dan allochtone achterstandsleerlingen, hebben de laatste hen acht jaar later ingehaald. Mede vanwege de relatief lage advisering van autochtone achterstandsleerlingen in vergelijking met andere leerlingen, inclusief die uit allochtone achterstandsgroepen, neemt de achterstand van autochtone achterstandsleerlingen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs verder toe. De studie van Driessen (2006) kwam al ter sprake. Dit onderzoek leidt tot de conclu­ sie dat overadvisering van allochtone leerlingen zich praktisch niet meer voordoet. Uitgezonderd een kleine, naar samenstelling gemêleerde restcategorie allochtonen (die relatief gezien enigszins hogere adviezen krijgt) ontvangen leerlingen uit de grotere migrantengroepen bij gelijke prestaties vergelijkbare adviezen. Dit verdwijnen van overadvisering van allochtone leerlingen wordt met verschillende factoren in verband gebracht (cf. Driessen et al., 2005; Driessen, 2006). Binnen gemeenten zijn procedures vastgelegd die er toe leiden dat het advies meer wordt afgestemd op de prestaties van leerlingen. Ook krijgen leerkrachten steeds meer ervaring met de advisering en het inschatten van de ontwikkelingsmogelijkheden van allochtone leerlingen. Bovendien is een verandering opgetreden in het poli­ tieke klimaat. Zo is de terughoudendheid bij het stellen van eisen en de angst om te discrimineren aanzienlijk minder geworden. Evenzo wordt wel gewezen op de veranderende context voor scholen voor voortgezet onderwijs, die steeds meer worden afgerekend op gerealiseerde rendementen en kritischer geworden zijn bij de toewijzing van leerlingen aan schooltypen. 20
  16. 16. Over- en onderadvisering in relatie tot leerlingen- en achtergrondkenmerken Claassen en Mulder (2006) constateren dat autochtone en allochtone achterstands­ leerlingen met gelijke capaciteiten in het voortgezet onderwijs verschillende trajec­ ten doorlopen. Dat roept de vraag op in hoeverre deze verschillen voortvloeien uit verschillen in de ambities van leerlingen of ouders en in welke mate de adviezen van leerkrachten daarbij een rol spelen. Over de betekenis van ambitieverschillen is het onderzoek niet eenduidig. Autochtone achterstandsleerlingen en hun ouders, zo stellen Claassen en Mulder, hebben over het algemeen lagere ambities en wor­ den daarin ook bevestigd door het advies van de basisschool. Daarbij wordt wel verwezen naar het ontbreken van een traditie van het volgen van hoger onderwijs en de aspiratie om uit de kinderen te halen wat er in zit (Mulder en Kloprogge, 2001). Allochtone achterstandsleerlingen komen in doorsnee ambitieuzer naar vo­ ren, waardoor zij, al dan niet bewust, meer risico nemen door in te zetten op een hoger onderwijstype, ook als de haalbaarheid daarvan niet zeker is. Een deel lijkt met die strategie succes te hebben, maar anderen hebben te hoog gegrepen en zakken uiteindelijk voor het eindexamen. Claassen en Mulder (2006) werpen dan ook de vraag op of autochtone leerlingen uit achterstandsgroepen in het voortgezet onderwijs niet onder vermogen worden uitgedaagd en allochtone achterstands­ leerlingen boven vermogen. Nog recent wezen Mulder et al. (2007) in dit verband op het belang van ambities van ouders en verwachtingen van leerkrachten bij het voorkomen van onderbenutting (cf. Onderwijsraad, 2007). Aspiraties worden doorgaans als een belangrijke factor gezien. Zo benadrukt Jung­ bluth (2003) dat lage verwachtingen voor zwakke leerlingen niet bijdragen aan een succesvolle schoolcarrière2 . Jungbluth wijst er op dat het vooral leerlingen uit de lagere sociaaleconomische milieus zijn, die, ook bij gelijke prestaties, kwetsbaar zijn voor een te lage inschatting, een eenvoudiger lesstofaanbod en advisering onder niveau. Allochtone leerlingen met lager opgeleide ouders geven daarentegen vaker aan dat ouders hoge verwachtingen van hen koesteren (Driessen et al., 2005; cf. Dagevos et al., 2003). Het is niet duidelijk in hoeverre de hoge ambities van allochtone ou­ ders zich uiten in druk naar leerkrachten toe om zo hoog mogelijk te adviseren. Zo melden leerkrachten eerder pressie tot hogere adviezen uit hogere opleidingsgroe­ pen dan van lager opgeleide ouders en ook niet specifiek van allochtone ouders. Tamelijk veel leerkrachten zeggen dat ze de mening van ouders laten meewegen in het advies, maar hierbij wel zelf de verantwoordelijkheid houden. Ook komt naar voren dat naarmate ouders hoger opgeleid zijn, leerkrachten de wensen van ouders belangrijker vinden (Driessen et al., 2005). Onderbenutting van bij leerlingen aanwezige cognitieve talenten In een studie voor de Onderwijsraad onderzochten Mulder et al. (2007) of er sprake is van onderpresteren van leerlingen in het funderend onderwijs (cf. Onderwijs­ raad, 2007). Ruim 10 procent van de leerlingen presteert onder niveau en haalt minder hoge cijfers dan mogelijk is. Onderpresteren komt het meest voor in het basisonderwijs. 2 Nog onlangs, in een bijeenkomst naar aanleiding van de Amsterdamse publicaties over het schoolkeuzeadvies, be­ pleitte Jungbluth de strategie van bewuste overadvisering als middel voor verbetering van de onderwijskansen van de betreffende groepen. Zie: De glazen bol: Cito-score en schooladvies. Verslag van een bijeenkomst. Forum, juni 2007. 21
  17. 17. I In tegenstelling tot het voortgezet onderwijs beperkt onderpresteren in het basisonderwijs zich niet tot specifieke leergebieden en komt bij zowel taal als rekenen voor. Afhankelijk van de gekozen prestatiemaat wordt de omvang van onderadvisering ten opzichte van het prestatieniveau, geschat op zo’n 4 tot 6 procent van de leerlingen. Als gekeken wordt naar leerlingen die een lager schooltype kiezen dan vanwege het advies mocht worden verwacht, kiest, af­ hankelijk van de prestatiemaat, 6 tot 10 procent van de leerlingen onder niveau. Daarbij doen zich verschillen tussen groepen voor. Onderpresteren treft leerlin­ gen van ouders met een lagere opleiding (maximaal lager beroepsonderwijs) twee keer vaker dan andere leerlingen. Als de etnische factor in beschouwing wordt genomen, stijgt het percentage onderbenutting nog iets, maar niet veel. Als mogelijke verklaringen van het achterblijven van de prestaties van leerlingen met laag opgeleide ouders wordt wel gewezen op het leesgedrag thuis, de thuistaal, de taalbeheersing en talige interactie tussen ouders en kinderen en de deelname aan sociaal-culturele activiteiten. De etnische factor speelt ook een rol, via de thuistaal en de talige interactie. Een in dat verband relevante bevinding is onder meer dat 35 à 40 procent van de leerlingen die Turks spreken, onderpresteren op taal. Dit aantal is beduidend groter dan onder bijvoorbeeld Marokkaanse of Surinaamse leerlingen. Bij rekenen is dit verschil kleiner (Onderwijsraad, 2007). 2.4 Conclusies De voorgaande paragrafen geven een beeld van de inzichten die in de omvangrijke wetenschappelijke kennis over het schoolkeuzeadvies beschikbaar zijn. Daarmee zijn de voornaamste lijnen genoemd voor beantwoording van de vraag naar het bestaan van onderadvisering van allochtone leerlingen. Onderzoek laat zien dat het schoolkeuzeadvies in hoge mate beïnvloed wordt door het rond het eind van de basisschool behaalde prestatieniveau. Andere factoren, zoals achtergrondkenmerken van leerlingen of gedragsvariabelen, spelen een min­ der belangrijke rol. Hoewel wetenschappelijk onderzoek aanvankelijk uitwees dat allochtone leerlingen hogere adviezen kregen dan gezien de gerealiseerde presta­ ties in de rede lag, is een dergelijke overadvisering thans grotendeels verdwenen. Wel is, hoewel in beperkte mate, van onderadvisering sprake. De Onderwijsraad schat de omvang van de groep leerlingen waarbij sprake is van onderbenutting als gevolg van onderadvisering op 4 tot 6 procent. Deze onderadvisering doet zich het sterkst voor onder autochtone leerlingen uit gezinnen met laag opgeleide ouders. Afgaand op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat in de afgelopen jaren werd uitgevoerd, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van substan­ tiële, systematische onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen. Ook de overadvisering waarvan eerder sprake was, is grotendeels verdwenen. Voor zover sprake is van onderadvisering, springt met name de positie van autochtone achterstandsleerlingen in het oog. 22
  18. 18. 3 Onderadvisering nader onderzocht: een analyse van het PRIMA-cohort 3.1 Recent landelijk beeld Veranderende trend? Wetenschappelijk onderzoek rond het functioneren van het schoolkeuzeadvies bij de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs geeft, zoals in hoofdstuk 2 naar voren komt, geen aanwijzingen voor het bestaan van substantiële, syste­ matische onderadvisering gerelateerd aan de etnische achtergrond van leerlingen. Wel wordt duidelijk dat de overadvisering waarvan in eerdere jaren sprake was, is afgenomen. Dat laatste maakt duidelijk dat de relatie tussen het schoolkeuzeadvies en factoren die daarop van invloed zijn, geen onveranderlijke is, maar in de loop van de tijd kan verschuiven. Het roept ook de vraag op of dan wellicht sprake kan zijn van verdere ontwikkelingen in de advisering van allochtone leerlingen, die in de beschikbare wetenschappelijke analyses nog niet zichtbaar zijn. Immers, tussen de publicatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de verzameling van de data waarop die gebaseerd zijn verstrijkt doorgaans enige tijd. Denkbaar is dat eventuele veranderende trends in advisering pas in analyse van de meeste recente gegevens zichtbaar worden. Hoewel de gemeente Amsterdam constateerde dat er zich over de hele linie ge­ nomen geen systematische onderadvisering van allochtone leerlingen voordoet, trokken de lagere adviezen van leerlingen met hoge Cito-scores veel aandacht (zie hoofdstuk 3). De gegevens over de advisering van basisscholen in Amsterdam zijn van recente datum. Dit roept de vraag op of het mogelijk is dat het tijdsverloop een rol speelt; leiden de meest recente landelijke gegevens wellicht tot een ander antwoord op de vraag naar onderadvisering van allochtone leerlingen? In dit hoofdstuk wordt de vraag naar het bestaan van onderadvisering van allochtone leerlingen daarom nogmaals beantwoord. Daarvoor worden de resultaten gebruikt van een analyse van de meest recente gegevens die uit landelijk steekproefonder­ zoek beschikbaar zijn. PRIMA-cohort: onderadvisering volgens de meest recente landelijke gegevens De PRIMA-cohorten, waarin via grootschalige dataverzameling op representatieve steekproeven basisscholen omvangrijke groepen leerlingen worden gevolgd, bieden een goed uitgangspunt voor een robuuste taxatie van de landelijke situatie. Ook voor wat betreft eventuele verschillen in de adviezen die aan uiteenlopende groe­ pen worden verstrekt. De meest recente gegevens die voor analyse beschikbaar zijn werden verzameld in het schooljaar 2004/2005, dezelfde periode waarop (een deel van) de uitspraken over de situatie in de gemeente Amsterdam betrekking hebben. 25
  19. 19. I Het onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen publiceert re­ gelmatig over de in de PRIMA-cohorten verzamelde gegevens. Op verzoek van de inspectie heeft het ITS een aanvullend onderzoek uitgevoerd en de relatie tussen schoolkeuzeadvies en etniciteit nogmaals geanalyseerd op basis van de jongste PRIMA-gegevens die voor analyse beschikbaar zijn. Naast de beschikbaarheid van recente gegevens biedt gebruik van de PRIMA-data nog twee belangrijke voordelen. Zoals in het vorige hoofdstuk naar voren kwam, is het voor een goed inzicht in de relatie tussen advies en etniciteit van belang ook de andere factoren te verdiscon­ teren die het schoolkeuzeadvies beïnvloeden. Het PRIMA-cohort biedt daarvoor goede mogelijkheden en maakt het mogelijk om het effect van etniciteit te schatten onder gelijktijdige correctie voor de invloed van factoren zoals sociaaleconomisch milieu, intelligentie en het verloop van de eerdere schoolloopbaan. Analyse van de PRIMA-gegevens geeft dan inzicht in de ‘netto’ invloed van etniciteit. Een ander voordeel is dat de PRIMA-steekproef ook een groot aantal Amsterdamse scholen bevat. Daarmee is het mogelijk een vergelijking te maken tussen basis­ scholen in Amsterdam en de rest van Nederland en bij de analyse van de invloed van etniciteit afdoende rekening te houden met effecten van andere variabelen die het advies kunnen beïnvloeden. De analyses maken dus enerzijds een extra toetsing mogelijk van de conclusies die op basis van reeds beschikbare kennis getrokken kunnen worden (zie hoofdstuk 1). Anderzijds is het mogelijk om, met gebruik van geavanceerde statistische me­ thoden, te toetsen of de relatie tussen schoolkeuze en etniciteit op Amsterdamse basisscholen afwijkt van de situatie elders in Nederland. De resultaten van de door het ITS uitgevoerde analyses zijn gepubliceerd in het rapport ‘De relatie tussen prestaties en advies. Onder- of overadvisering bij de overgang van basis- naar voortgezet onderwijs’ (ITS, juni 2007) van de hand van de onderzoekers dr. G. Driessen en dr. E. Smeets, met medewerking van dr. L. Mulder en drs. H. Vierke. De centrale onderdelen van de analyses en resultaten uit het onderzoek worden hierna samengevat. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van de rap- portage die door het ITS werd aangeleverd. Voor een compleet overzicht van de bevindingen uit dit onderzoek zij verwezen naar het rapport van het ITS (opgeno­ men in bijlage I). 3.2 Opzet van het onderzoek Onderzoeksvragen Het ITS heeft op verzoek van de inspectie de volgende vragen beantwoord: A) Welke relatie bestaat er tussen de prestaties in groep 8 van het basisonderwijs en de adviezen voor voortgezet onderwijs? B) Welke relatie bestaat er met achtergrondkenmerken van leerlingen (bijvoorbeeld sekse, etniciteit, milieu) en scholen (bijvoorbeeld sociaaletnische compositie, gemeentegrootte)? 26
  20. 20. C) Is er ten aanzien van sommige groepen van leerlingen (bijvoorbeeld allochtonen of woonachtig in de grote steden, met name Amsterdam) sprake van ‘over- of onderadvisering’? Ofwel: krijgen deze groepen leerlingen hogere dan wel lagere adviezen dan op basis van de prestaties verwacht zou worden? gegevens In deze analyses is gebruik gemaakt van gegevens die zijn verzameld bij de zesde meting van het PRIMA-cohortonderzoek in het schooljaar 2004/2005 (Driessen et al., 2006). Vertrekpunt vormt het bestand van leerlingen waarvan het advies via het zoge­ noemde Uitstroomformulier is doorgegeven door de school. De respons op dit formulier bedroeg circa 85 procent. Deze respons bleek niet selectief te zijn ten aanzien van de sociaaletnische achtergrond van de leerlingen. In totaal betreft het informatie van 516 scholen en 10.901 leerlingen, waarvan 43 scholen uit Amster­ dam met in totaal 1.169 leerlingen. Naast het schoolkeuzeadvies is een reeks indicatoren van de cognitieve competen­ ties van leerlingen in de analyses opgenomen. Het betreft de intelligentie van de leerlingen, vertraging tijdens de eerdere schoolloopbaan, de score op prestatietoet­ sen voor taal, rekenen en begrijpend lezen en de scores op de Cito-eindtoets voor taal, rekenen, algemene vaardigheden en de totaalscore. Als achtergrondkenmerken van leerlingen zijn meegenomen sekse, het opleidingsniveau van de ouders en de variabele etniciteit. Daarnaast is rekening gehouden met de percentages autochtone en allochtone achterstandsleerlingen op de school. Tenslotte zijn ook gegevens over de plaats van vestiging van de basisschool in het onderzoek betrokken, te weten rurale gebieden, modale gebieden, gemeenten die tot de G21 behoren, gemeenten uit de G4 (exclusief Amsterdam) en scholen uit de gemeente Amsterdam. De variabele schoolkeuzeadvies is opgebouwd uit adviezen voor (1) vmbo-pro - vmbo-lwoo/bbl, (2) vmbo-bbl - vmbo-kbl, (3) vmbo-kbl/gl - vmbo-tl, (4) vmbo-tl/ havo - havo, (5) havo/vwo - vwo. De variabele etniciteit bevat de categorieën (1) autochtoon, (2) gemengd autochtoon en allochtoon, (3) Surinaams en Antilliaans, (4) Turks, (5) Marokkaans, (6) overig. 3.3 Resultaten Cognitieve competenties en schoolkeuzeadvies De beschrijvende analyses wijzen uit dat, absoluut gezien, leerlingen die lagere adviezen hebben gekregen systematisch en monotoon lager scoren op de ver­ schillende indicatoren van cognitieve competentie dan de leerlingen met hogere adviezen. Naar mate de cognitieve competentie toeneemt, is ook het verstrekte advies hoger.3 Nagenoeg alle leerlingen met een wat hoger advies (vanaf vmbo kbl-tl) hebben aan de Cito-toets deelgenomen. Doordat van alle leerlingen de scores op de PRIMA­ prestatietoetsen beschikbaar zijn, kan tevens worden nagegaan in hoeverre niet­ deelnemers aan de Cito-toets verschillen van wel-deelnemers. 3 Zie bijlage I, tabel 1. 27
  21. 21. I Verreweg de meeste niet-deelnemers hebben het laagste vmbo-advies gekregen; daarnaast scoren ze ook veel lager dan wel-deelnemers op de andere indicatoren van cognitieve competentie.4 Advies en opleidingsniveau van de ouders Met betrekking tot de opleiding van de ouders zijn er, absoluut gezien, veel verschil­ len in advies en competenties gevonden. Naarmate het ouderlijk milieu hoger is, scoren de leerlingen ook hoger op de competentievariabelen. Met het stijgen van het opleidingsniveau neemt ook het advies toe, waarbij sprake is van een duidelijke scheiding tussen enerzijds kinderen van lo- en lbo-opgeleide ouders en anderzijds kinderen van mbo- en hbo/wo-opgeleide ouders.5 Advies en etnische achtergrond Afgaande op de absolute verdeling krijgen leerlingen uit de autochtone groep en de groep ‘etnisch gemengd’6 gemiddeld genomen de hoogste adviezen, terwijl leerlingen uit de groepen Surinaams/Antilliaans, Turks en Marokkaans het laagste advies krijgen. De verdeling van cognitieve competentie naar etniciteit laat, zoals te verwachten, zien dat de verschillen in toetsscores naar etnische achtergrond het grootst zijn bij het onderdeel taal.7 Een aspect, dat een rol kan spelen bij de advisering van allochtone leerlingen, is de onzekerheid van leerkrachten wat betreft de inschatting van de capaciteiten van leerlingen in combinatie met de ondersteuning die zij thuis kunnen ontvangen. Deze onzekerheid zou tot uitdrukking kunnen komen in het feit dat de leerkrachten allochtonen vaker een dubbeladvies geven dan autochtonen. Dat blijkt niet het geval. Uit de analyses blijkt juist dat Surinaamse/Antilliaanse, Turkse en Marok­ kaanse leerlingen veel minder vaak een dubbeladvies krijgen dan leerlingen uit de autochtone en etnisch gemengde groepen.8 Advies en gemeente Tussen de hoogte van het schoolkeuzeadvies en de plaats van vestiging van de school blijken de volgende verschillen. In het algemeen scoren de leerlingen in plattelands- en modale gemeenten het gunstigst. De vier grote steden scoren beduidend lager, maar binnen die groep scoort Amsterdam beter dan de overige drie.9 Onderadvisering Aansluitend bij de normtabellen van het Cito voor de relatie tussen de toetsscore en het meest geëigende advies is ook de discrepantie tussen de Cito-score en het verstrekte schoolkeuzeadvies onderzocht. Bij de laagste categorie is onderadvise­ ring niet mogelijk en krijgt 28 procent een hoger advies. 4 Zie bijlage I, tabel 2. 5 Zie bijlage I, tabel 3. 6 Het betreft leerlingen met een allochtone en autochtone ouder. 7 Zie bijlage I, tabel 4. 8 Zie bijlage I, tabel 5. 9 Zie bijlage I, tabel 7. 28
  22. 22. Voor vmbo gl/tl krijgt 12 procent een lager en 34 procent een hoger advies. Bij de categorie havo/vwo is overadvisering niet mogelijk en krijgt 10 procent een lager advies.10 Om na te gaan of er verschillen zijn in de mate van overeenstemming met betrek­ king tot de achtergrondkenmerken van de leerlingen, is per kenmerk de gemiddelde overeenstemming tussen Cito-score en advies berekend. Voor sekse blijken geen relevante verschillen. Dat is wel het geval voor het oplei­ dingsniveau van de ouders. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, neemt ook de mate van overadvisering in de categorie vmbo bbl/kbl iets toe; deze leerlingen krij­ gen dus een advies dat enigszins hoger is dan de Cito-score zou doen vermoeden. Voor vmbo gl/tl en havo/vwo is geen duidelijke lijn waarneembaar. Voor etniciteit zijn er geen verschillen, evenmin als dat voor gemeentetype het geval is.11 Integrale analyse: onderadvisering na verdiscontering van andere variabelen De analyses hadden tot zover betrekking op de verdeling van de variabelen en de samenhangen tussen het advies en de verschillende gegevens die over de cogni­ tieve competenties en achtergrondkenmerken van leerlingen beschikbaar waren. De resultaten daarvan zijn niet toereikend om daar conclusies over onderadvisering van leerlingen uit allochtone groepen op te kunnen baseren. Om uitspraken te kunnen doen over verschillen in advisering van allochtone en andere leerlingen, is het nodig om - behalve de score op de Cito-toets - ook de andere variabelen, die op het advies van invloed zijn, te verdisconteren. Dat voorkomt dat verschillen die het gevolg zijn van andere factoren, zoals bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders of de eerdere schoolloopbaan, niet van het effect van etniciteit onderschei­ den worden. Hierna worden de resultaten van multivariate analyses gepresenteerd waarbij de invloed van dergelijke factoren is gecorrigeerd. Op basis daarvan kun­ nen genuanceerde uitspraken gedaan worden over de relatie tussen etniciteit en onderadvisering. Voor de analyses wordt gebruik gemaakt van multilevel modellen, zodat recht wordt gedaan aan het niveau van gegevens (leerlingen en scholen). Wanneer de invloed van het gemeentetype op het advies wordt geschat, blijkt in de grote steden (inclusief Amsterdam) lager te worden geadviseerd. Nadat in rekening wordt gebracht dat leerlingen in de grote steden lager scoren op de Cito­ eindtoets, verdwijnt dit verschil. Verschillen tussen gemeenten vloeien dus voort uit de verschillende scores op de Cito-eindtoets. De score op de Cito-eindtoets hangt significant samen met de hoogte van het advies: met elke extra punt op de Eindtoets stijgt het advies met ruim een tiende punt. Verdiscontering van andere kenmerken van leerlingen verandert daar praktisch niets aan. Er zijn positieve effecten van intelligentie, sekse (meisjes iets hoger) en opleiding van de ouders en een negatief effect van vertraging in de eerdere school­ loopbaan (vertraagden krijgen lagere adviezen). Anders gezegd betekent dit dat intelligentere leerlingen, onvertraagde leerlingen, meisjes en kinderen van hoger opgeleide ouders (iets) hogere adviezen krijgen dan gelet op de score op de Cito­ eindtoets te verwachten was. Deze leerlingen worden dus iets ‘overgeadviseerd’ ten opzichte van het in groep acht gerealiseerde prestatieniveau. 10 Zie bijlage I, tabel 10. 11 Zie bijlage I, tabellen 11-13. 29
  23. 23. I In de analyse is vervolgens ook de variabele etniciteit toegevoegd. Er zijn geen effecten, behalve voor de (zeer heterogene) categorie ‘overig allochtoon’.12 Voor deze leerlingen is sprake van een hoger advies, ook nadat rekening is gehou­ den met de Cito-score en andere achtergrondkenmerken - enige overadvisering dus. Bij de genoemde vijf effecten dient te worden opgemerkt dat ze weliswaar significant zijn, maar tegelijkertijd ook zeer bescheiden. Vervolgens is nagegaan of het percentage autochtone of allochtone achterstands­ leerlingen op school het advies beïnvloedt. Ook daarvoor worden geen effecten gevonden. Tenslotte is onderzocht of de scores op de Cito-eindtoets, respectievelijk geslacht, respectievelijk gemeentetype in samenhang met etniciteit van invloed zijn. Toevoe­ ging van deze interacties leidde niet tot een significante verbetering van de verkla­ ring van het advies. Met andere woorden: de effecten (dan wel het ontbreken van effecten) van de score op de Cito-eindtoets, van sekse en van gemeentetype op het schoolkeuzeadvies verschillen niet voor de onderscheiden etnische groepen.13 Integrale analyse: herhaling met andere maten Wanneer deze analyses worden herhaald terwijl niet de score op de Cito-eindtoets als criterium voor onderadvisering wordt gekozen, maar de prestaties voor taal, rekenen en studievaardigheden, worden vergelijkbare resultaten gevonden.14 Dat geldt ook wanneer de door de leerling gerealiseerde prestaties niet met de Cito-eindtoets worden gemeten, maar de PRIMA-prestatietoetsen voor taal, reke­ nen en lezen als indicatie worden gebruikt. Ook de resultaten van deze analyses zijn vergelijkbaar met die van de eerdere analyses.15 De laatstgenoemde analyses laten daarnaast zien dat het al dan niet gebruiken van de Cito-eindtoets door de school niet van invloed is op het schoolkeuzeadvies. Wel is van belang of leerlingen deelnemen. Leerlingen die niet deelnemen aan de Cito­ eindtoets krijgen lagere adviezen, ook nadat rekening is gehouden met verschillen in de prestaties voor taal, rekenen en leesvaardigheid. Anders gezegd: leerlingen die niet deelnemen aan de Cito-eindtoets lijken dus te worden ondergeadviseerd.16 Integrale analyse: schoolkeuzeadviezen in Amsterdam Dezelfde analyses zijn ook uitgevoerd voor scholen in de gemeente Amsterdam. Uit deze analyses blijkt dat in Amsterdam alleen effecten optreden van het presta­ tieniveau, intelligentie en eerdere vertraging tijdens de schoolloopbaan. Dat geldt zowel voor metingen met behulp van de totaalscore op de Cito-eindtoets, de Cito­ eindtoetsen voor taal, rekenen en studievaardigheden, alsmede voor de PRIMA­ toetsen voor taal, rekenen en lezen. Dat betekent dat ook hier, nadat rekening is gehouden met prestatieverschillen tussen leerlingen, er qua advisering geen verschillen zijn tussen de onderscheiden etnische groepen. Tenslotte lijken ook op Amsterdamse scholen leerlingen die niet deelnemen aan de Cito-eindtoets ondergeadviseerd te worden.17 12 Het betreft leerlingen uit landen als Griekenland, Spanje, Italië, China en de groep overige. 13 Zie bijlage I, tabel 14. 14 Zie bijlage I, tabel 15. 15 Zie bijlage I, tabel 16. 16 Zie bijlage I, tabel 16. 17 Zie bijlage I, tabellen 17-19. 30
  24. 24. 3.4 Samenvatting en conclusies Uit de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in de afgelopen jaren werd in hoofdstuk 1 geconcludeerd dat geen sprake is van aanwijzingen voor het bestaan van substantiële, systematische onderadvisering van allochtone leerlingen. In dit hoofdstuk is nagegaan in hoeverre die conclusie bevestigd wordt door analyse van de meest recente gegevens die op basis van grootschalig steekproefonder­ zoek onder Nederlandse basisscholen beschikbaar zijn. Het betreft een onderzoek naar onderadvisering van allochtone leerlingen, gebaseerd op gegevens van circa elfduizend leerlingen op vijfhonderd basisscholen in 2004/2005 uit het PRIMA­ cohortonderzoek. Onderzoek naar onderadvisering met gebruik van de PRIMA-gegevens heeft niet alleen als voordeel dat een recent landelijk beeld kan worden geschetst. Het maakt door de ruime beschikbaarheid van achtergrondkenmerken van leerlingen ook af­ doende controle voor andere factoren mogelijk, zodat een beter beeld van de feitelijke rol van etniciteit wordt verkregen. Bovendien kan worden nagegaan in hoeverre de situatie op scholen in de gemeente Amsterdam afwijkt van die op scholen in de rest van Nederland. Onderzoeksvraag A De analyses laten, overeenkomstig de resultaten van eerder onderzoek (zie hoofd­ stuk 1) een sterke relatie zien tussen de prestaties in groep acht en de hoogte van het schoolkeuzeadvies. Naarmate de prestaties toenemen, wordt een hoger advies gegeven. Onderzoeksvraag B Het schoolkeuzeadvies varieert met achtergrondkenmerken, zoals etniciteit en opleidingsniveau. Een integrale analyse, waarin met deze en andere factoren wordt rekening gehouden, maakt duidelijk dat intelligente leerlingen, leerlingen die zonder vertraging door de basisschool zijn gestroomd, meisjes en leerlingen uit gezinnen met hoger opgeleide ouders iets hogere adviezen krijgen dan op basis van de prestatiescore in groep 8 te verwachten viel. Deze groepen worden dus, na verdis­ contering van prestaties en achtergrondkenmerken, enigszins overgeadviseerd. Het betreft overigens zeer bescheiden effecten. Afgezien van enige overadvisering van leerlingen uit de groep overig allochtoon, speelt de factor etniciteit geen rol. Schattingen van onderadvisering op basis van verschillende indicaties voor het door leerlingen gerealiseerde prestatieniveau, zoals de Cito-eindtoets, differentiatie naar taal, rekenen, lezen of studievaardigheden of gebruik van de PRIMA-prestatietoet­ sen, leiden niet tot een ander beeld. Onderzoeksvraag C Identieke analyses voor basisscholen in de gemeente Amsterdam geven vergelijk­ bare bevindingen te zien. Nadat rekening wordt gehouden met prestatieverschillen tussen leerlingen, doen zich geen verschillen voor in de adviezen die aan leerlingen uit onderscheiden etnische groepen gegeven worden. Aanvankelijke verschillen in de schoolkeuzeadviezen van leerlingen op scholen in gemeenten van verschil­ lende grootte, verdwijnen nadat met verschillen in leerlingprestaties rekening wordt gehouden. 31
  25. 25. I Centrale conclusie In het rapport van het ITS worden de conclusies van het onderzoek als volgt sa­ mengevat.18 ‘De hoofdvraag van dit onderzoek luidde of er bij de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs sprake is van een correcte advisering, ofwel of leerlingen een advies krijgen dat past bij hun capaciteiten zoals gemeten via toetsen. (…) Onze analyses laten zien dat er verschillen zijn in advieshoogte tussen gemeentetypen: in de grotere steden worden lagere adviezen gegeven. Wanneer echter rekening wordt gehouden met verschillen in toetsprestaties (Cito-eindtoets; Cito-taal, -re­ kenen en studievaardigheden; PRIMA-taal, -rekenen en lezen) verdwijnen deze verschillen. Met uitzondering van de zeer heterogene categorie ‘overig allochtoon’ worden, gegeven de toetsprestaties, allochtone leerlingen ook niet anders geadvi­ seerd dan autochtone leerlingen. Uit analyse van interacties volgt dat er zich binnen elk van de gemeentetypen geen verschillen voordoen wat betreft advisering. Het antwoord op de hoofdvraag luidt dan ook dat er geen sprake is van onderadvisering van onderscheiden etnische groepen in verschillende gemeentetypen.’ Onderadvisering De analyses bevestigen dus het beeld zoals dat ook uit het beschikbare weten­ schappelijk onderzoek (zie hoofdstuk 1) oprees. Er zijn, afgaande op de patronen die uit het PRIMA-cohort naar voren komen, geen aanwijzingen die duiden op substantiële, systematische onderadvisering van allochtone leerlingen op basis­ scholen in Nederland. Wel blijkt sprake van enige mate van overadvisering. Meisjes, niet vertraagde leer­ lingen, intelligentere leerlingen en leerlingen uit hoger opgeleide gezinnen profite­ ren hiervan. Etniciteit speelt daarbij geen rol, afgezien van leerlingen uit de (zeer heterogene) categorie ‘overig allochtoon’ die, bij gelijke prestaties, ook licht worden overgeadviseerd. Een relevante bevinding is verder dat leerlingen die niet deelnemen aan de Ci­ to-eindtoets (op scholen die de toets afnemen) lagere adviezen krijgen dan hun prestaties zouden doen vermoeden, ook nadat de verschillen in taal, rekenen en leesprestaties zijn verdisconteerd. Uit het ontbreken van aanwijzingen voor systematische onderadvisering van alloch­ tone leerlingen moet overigens niet de conclusie getrokken worden dat onderadvi­ sering geen relevant thema is. Uit de analyses kwam immers eveneens naar voren dat relatief veel leerlingen een advies krijgen dat niet in het verlengde ligt van de prestaties zoals die door een prestatietoets geïndiceerd worden. Twaalf procent van de leerlingen die voor een advies voor de gemengde of theoretische leerweg vmbo in aanmerking zou komen, en 10 procent voor wat betreft havo of vwo, krijgt een lager advies.19 Dat onderadvisering zich, afgaande op de PRIMA-gegevens, niet duidelijk bij specifieke etnische groepen lijkt te concentreren, betekent niet dat het effect op de schoolloopbaan van leerlingen die er mee te maken krijgen, niet problematisch kan zijn. In hoofdstuk 5 zal hier verder op worden ingegaan. 18 Zie bijlage I, paragraaf 3.3. 19 Zie bijlage I, tabel 10. 32
  26. 26. 4 Onderadvisering: regio en Randstad De tot nu toe gepresenteerde gegevens hebben duidelijk gemaakt dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van substantiële, systematisch afwijkende advi­ sering van allochtone leerlingen. Eerder dit jaar leek, naar aanleiding van berichten over de advisering op scholen in Amsterdam, echter de indruk te ontstaan dat zich verschillen zouden voordoen in het nadeel van allochtone groepen. Dat roept de vraag op of dan wellicht rekening gehouden moet worden met verschillen tussen regio’s. Wijken bepaalde regio’s of steden als Amsterdam mogelijk af van het beeld, zoals dat uit de vorige hoofdstukken naar voren komt? Op basis van bevindingen uit wetenschappelijk onderzoek wordt eerst een korte, algemene indruk gegeven van de eventuele rol van regionale variatie. Vervolgens wordt ingezoomd op de situatie in Amsterdam. Aanleiding voor de publiciteit over te lage adviezen van allochtone leerlingen op Amsterdamse scholen waren twee onderzoeksrapporten van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de ge­ meente Amsterdam. Na een korte weergave van beide rapporten worden naar aanleiding daarvan enkele opmerkingen gemaakt en wordt ingegaan op de vraag in hoeverre van verschillen sprake is. 4.1 Afwijkende situatie in regio’s of grote gemeenten? In het wetenschappelijk onderzoek naar de adviezen voor voortgezet onderwijs is ook aandacht besteed aan regionale verschillen. Soms worden daarvoor aan­ wijzingen gevonden. Zo signaleren Dronkers et al. (1998) en Van der Vegt en Van Velzen (2002) verschillen in prestatiegerichtheid tussen regio’s. Het economische klimaat in niet-stedelijke gebieden zou daaraan bijdragen, onder meer vanwege de werkgelegenheidsstructuur en de behoefte aan laaggeschoolde arbeidskrachten. Dit draagt er aan bij dat ouders minder waarde zouden hechten aan een hoge schoolopleiding, omdat ook een lagere opleiding afdoende kansen geeft op de regionale arbeidsmarkt. Waar leerkrachten deze mentaliteit volgen, neemt ook de kans op onderadvisering van leerlingen toe (De Boer et al., 2006). Dronkers et al. (1998) lieten op basis van in schooljaar 1994/1995 verzamelde PRIMA-gegevens zien dat leerlingen in de Randstad bij gelijke prestaties gemiddeld hogere adviezen krijgen dan leerlingen in steden buiten de Randstad. In de grote steden zou, volgens deze onderzoekers, sprake zijn van een andere leefstijl, een assertiever klimaat en grotere druk van ouders. Mulder et al. (2005) constateren in een analyse van school­ loopbanen van achterstandsleerlingen tussen 1988 en 2002 dat zowel allochtone als autochtone leerlingen in de G4 vaker doorstromen naar hogere schooltypen, maar daar vervolgens vaker blijven zitten. In een analyse van Driessen (2006) van in 2002/2003 verzamelde PRIMA-gege­ vens, keert zo’n verband met gemeentegrootte niet terug. De in de grotere steden gemiddeld iets lagere adviezen vallen weg wanneer de lagere schoolprestaties van leerlingen in rekening worden gebracht; van overadvisering is dan geen sprake. Naar aanleiding van een uitgebreide, op het VOCL-cohort gebaseerde analyse van verschillen tussen provincies constateren ook De Boer et al. (2006) dat geen sprake is van een duidelijk Randstedelijk effect. Wel lijken leerlingen in de provincie Friesland een enigszins aparte positie in te nemen. Ook na correctie voor prestatiescores in groep 8 van de basisschool zijn de adviezen in Friesland significant lager dan in de rest van Nederland (De Boer et al., 2006). Dit geldt met name voor de lage en de hoge presteerders. 35
  27. 27. I De lagere adviezen in Friesland hangen voor een deel samen met kenmerken van leerlingen, zoals zittenblijven, sociaaleconomische status en streefniveau, maar blijven ook na verdiscontering daarvan bestaan. Wel blijkt dat het vooral de lagere adviezen van hoogpresterende leerlingen zijn, die door verschillen in sociaaleco­ nomische status worden beïnvloed; bij lage prestatieniveaus doet de sociale ach­ tergrond er minder toe. Het effect van zittenblijven op het advies is in Friesland groter dan in de rest van Nederland. 4.2 Onderadvisering in Amsterdam? In 2005 vroeg de Amsterdamse Adviesraad Diversiteit en Integratie20 zich af of sprake is van onderadvisering bij bepaalde etnische groepen in het Amsterdamse basisonderwijs. Mede naar aanleiding daarvan bracht de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam eind januari 2007 een rapportage uit over de adviezen van allochtone leerlingen op Amsterdamse basisscholen.21 Daar­ naast gaf de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling opdracht voor een externe analyse van de resultaten van scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam op basis van de Amsterdamse VO-monitor.22 De voorlopige resultaten daarvan kwamen in dezelfde tijd beschikbaar. Beide onderzoeken worden hierna kort weer­ gegeven. Het rapport ‘Basisschooladviezen en etniciteit’ van de Dienst Maatschappe­ lijke Ontwikkeling geeft een beeld van de door basisscholen in Amsterdam verstrekte schoolkeuzeadviezen in relatie tot de scores op de Cito-eindtoets. Uitgaande van de scores op de Cito-toets is onderzocht of het advies hiermee overeenkomt. Als het advies hoger is dan gegeven de Cito-score verwacht mocht worden, spreekt het rapport van overadvisering en als het advies lager is van onderadvisering. De analyses zijn gebaseerd op de gegevens van ruim tienduizend leerlingen waarvan een score op de Cito-eindtoets beschikbaar is. De gegevens hebben betrekking op de schooljaren 2004/2005 en 2005/2006. Analyse van de relatie tussen advies en de Cito-score wijst uit dat er in de groep ondergeadviseerden (22 procent van alle leerlingen) nauwelijks verschillen op­ treden. In de categorie overgeadviseerden (40 procent van alle leerlingen) zijn allochtone leerlingen oververtegenwoordigd. Allochtone leerlingen krijgen dus vaker een hoger advies dan de score op de Cito-eindtoets zou doen verwachten. Ook geeft het rapport een beeld van de verdeling van advies naar de scores op de Cito-eindtoets, na opdeling in een groep met lage en een groep met hoge Cito­ scores.23 Leerlingen in de groep met lagere Cito-scores worden in 80 procent van de geval­ len overgeadviseerd. Het percentage onderadviseringen in deze groep is gering en verschilt niet of nauwelijks naar etniciteit. 20 Een cruciaal Basisschooladvies, Adviesraad Diversiteit en Integratie, Amsterdam, december 2005. 21 Basisschooladviezen en etniciteit, Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Gemeente Amsterdam. Onderzoeksver­ slag 29 januari 2007. 22 Voortgezet Onderwijs in beeld. De leerlingen en hun resultaten in het Amsterdamse VO. Schooljaar 2005/06. Concept rapport. Almere: Babeliowsky Onderwijsonderzoek, februari 2007. 23 Het betreft leerlingen met een Cito-score tot en met 533 punten en leerlingen met een score vanaf 534 punten. Ter vergelijk: in 2007 bedroeg de gemiddelde standaardscore landelijk 535,1 en voor de G4 533,0 (Cito, 2007). 36
  28. 28. Leerlingen in de groep met hogere Cito-scores worden in 32 procent van de geval­ len ondergeadviseerd en voor 21 procent overgeadviseerd. Bij de overgeadviseer­ den zijn de allochtonen evenredig of oververtegenwoordigd.24 Daarnaast valt 28 procent van de autochtone leerlingen en respectievelijk 34, 44 en 41 procent van de Surinaamse, Turkse en Marokkaanse leerlingen in de groep ondergeadviseerden. Het is dit verschil dat, ondanks de kleine aantallen waarom het in absolute termen gaat en de oververtegenwoordiging van allochtone leerlingen in de totale groep overgeadviseerden, in de landelijke berichtgeving aandacht trekt en het beeld domi­ neert. De analyse van Amsterdamse scholen uit het PRIMA-onderzoek (hoofdstuk 2) wijst echter uit dat als daarbij ook de invloed van andere factoren betrokken wordt, er qua advisering geen verschillen zijn tussen etnische groepen. Ook de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling concludeerde dat over de gehele linie geen sprake is van systematische onderadvisering voor etnische groepen, en dat bij de lagere adviezen alle groepen worden overgeadviseerd. Bij de hogere adviezen krijgt de groep autochtone leerlingen de meest overeenkomstige adviezen. Bij etnische groepen is deze relatie minder sterk, omdat zowel sprake is van onder- als overadvi­ sering. De Turkse groep heeft ten opzichte van de andere groepen de meeste onder­ geadviseerden en de groep Surinaamse leerlingen de meeste overgeadviseerden.25 Ook in het conceptrapport ‘Voortgezet Onderwijs in beeld’ dat in opdracht van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling werd uitgebracht, worden de verstrekte adviezen geanalyseerd, zoals die volgens de in Amsterdam overeengekomen ‘Kern­ procedure’ worden gegeven. In deze procedure is de toelating tot scholen voor voortgezet onderwijs onder meer afhankelijk van het advies van de basisschool en de gerealiseerde Cito-score. Daarbij is per advies een bandbreedte vastgesteld, die aangeeft of een leerling al dan niet automatisch toelaatbaar is. Als gevolg hiervan kunnen zich verschillende mogelijkheden voordoen: ■■ leerlingen hebben een Cito-score waarmee ze automatisch toelaatbaar zijn; ■■ leerlingen hebben een Cito-score waarmee toelating na overleg mogelijk is; ■■ leerlingen hebben een Cito-score die niet toereikend is, zodat voor toelating aanvullend onderzoek gewenst is. De analyses zijn, evenals die in het eerder weergegeven onderzoek van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, alleen gebaseerd op de leerlingen waarvan zowel het advies als de Cito-score beschikbaar zijn. Ook leerlingen in het praktijk- en leer­ wegondersteunend onderwijs blijven buiten beschouwing. Om over voldoende ge­ gevens te beschikken om uitsplitsing mogelijk te maken, zijn ook hier de gegevens van twee schooljaren samengevoegd. De uiteindelijke gegevens omvatten circa 25.000 leerlingen; de andere leerlingen (43 procent) blijven buiten beschouwing. 24 Van de autochtone leerlingen wordt 20 procent overgeadviseerd. Binnen de allochtone groepen gaat het om respec­ tievelijk 28, 19 en 23 procent van de Surinaamse, Turkse en Marokkaanse leerlingen. 25 Basisschooladviezen en etniciteit. Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Gemeente Amsterdam, Onderzoeksverslag 29 januari 2007. 37
  29. 29. I Uit het conceptrapport komt naar voren dat de automatische toelaatbaarheid sterk verschilt per bevolkingsgroep. Autochtone en westerse allochtone leerlingen zijn voor zo’n 70 procent automatisch toelaatbaar en leerlingen uit de groepen Suri­ naams/Antilliaans, Turks en Marokkaans tussen de 40 en 45 procent. Op basis van een regressie-analyse die, gecorrigeerd voor de Cito-score, een ‘klein effect’ van etnische herkomst op het advies laat zien, worden vervolgens de schooladviezen uitgesplitst naar etniciteit en voor de hogere Cito-scores in vier scoregroepen ver­ geleken26 . Binnen elk van de groepen krijgen autochtone leerlingen hogere adviezen dan de andere bevolkingsgroepen. Geconcludeerd wordt dat het er naar uitziet dat niet-Nederlandse leerlingen over het algemeen lagere adviezen krijgen dan Neder­ landse leerlingen en scholen bij de advisering van allochtone leerlingen mogelijk wat voorzichtiger zijn dan bij autochtone leerlingen27 . Ook in dit verband zij echter verwezen naar de analyse van Amsterdamse scholen uit het PRIMA-onderzoek (hoofdstuk 2) waaruit - na verdiscontering van de invloed van andere factoren - geen verschillen tussen etnische groepen blijken. 4.3 Kanttekeningen Beide rapporten betreffen een voorlopige weergave van resultaten en zijn naar aanleiding van de ontstane media-aandacht in conceptvorm naar buiten gekomen. Dat betekende niet alleen dat de wijze waarop de basisscholen tot het advies komen nog niet in het onderzoek was betrokken, maar ook dat de definitieve rap- portage nog zal verschijnen. Naar verwachting zullen de definitieve resultaten in de nazomer van 2007 beschikbaar komen; een afdoende duiding van de Amsterdamse resultaten is dus nog slechts gedeeltelijk mogelijk. Voor een goede weergave van de Amsterdamse resultaten dient ondertussen wel met de volgende overwegingen rekening te worden gehouden. In de eerste plaats is het van belang nogmaals te bedenken dat, hoewel in de berichtgeving het ele­ ment van onderadvisering van allochtone leerlingen met hoge Cito-scores het beeld bepaalde, de voornaamste conclusie van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling luidde dat over de hele linie géén sprake was van systematische onderadvisering in etnische groepen28 . Die conclusie vloeide onder meer voort uit het gegeven dat leerlingen met hoge Cito-scores van Surinaamse, Turkse en Marokkaanse komaf weliswaar vaker lager geadviseerd worden dan autochtonen, maar Surinaamse en Marokkaanse leerlingen uit deze groep eveneens vaker hogere adviezen krijgen dan autochtone leerlingen. Van een stelselmatige ‘ruis’ in het nadeel van allochtone leerlingen is dus geen sprake. Verder onderzoek van de Dienst bevestigt de eerdere bevindingen en leidt tot de conclusie dat onderadvisering zich niet bij specifieke groepen concentreert, maar het voor basisscholen wel moeilijker lijkt te zijn allochtone leerlingen een passend advies te geven29 . De gemeente Amsterdam en de schoolbesturen hebben dan ook afspraken gemaakt om het proces van de advisering te verhelderen en, waar nodig, te verbeteren. 26 Onderscheiden zijn de categorieën 534-537, 538-541, 542-545 en 546-550. 27 Voortgezet Onderwijs in beeld. De leerlingen en hun resultaten in het Amsterdamse VO. Schooljaar 2005/06. Concept rapport. Almere: Babeliowsky Onderwijsonderzoek, februari 2007. 28 Basisschooladviezen en etniciteit. Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Gemeente Amsterdam, Onderzoeksverslag 29 januari 2007. 29 Informatie ontvangen van Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam, 22 augustus 2007. 38
  30. 30. Vervolgens is van belang dat de gepubliceerde gegevens alleen betrekking hebben op de relatie tussen advies, etniciteit en Cito-score. Andere factoren die een rol kunnen spelen waren (zoals de onderzoekers ook aangeven) daarbij niet betrok­ ken. De analyse van de adviezen van Amsterdamse basisscholen op basis van het PRIMA-cohort (zie hoofdstuk 2) wijst uit dat ook andere factoren, zoals vertraging tijdens de schoolloopbaan, van belang zijn en verdiscontering daarvan leidt tot een ander beeld. Onduidelijk is ook in hoeverre de behandeling van gecombineerde (‘dakpan’) adviezen een rol speelt, evenals de beperking tot leerlingen waarvan een Cito-score beschikbaar is. Dergelijke methodische overwegingen ondersteunen de constatering van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling dat er geen aanleiding is om van systematische onderadvisering in etnische groepen te spreken. 4.4 Andere grote steden De gemeente Rotterdam heeft, zoals via de Rotterdamse Onderwijsmoni­ tor30 , veel gegevens gepubliceerd over de scores van basisscholen in de ge­ meente Rotterdam op de Cito-eindtoets, maar vergelijkende analyses van de relatie tussen schoolkeuzeadvies, Cito-scores en etniciteit zijn ons niet bekend. Ook de gemeente Den Haag heeft veel gegevens gepubliceerd31 over de leerlin­ genstromen in het primair en voortgezet onderwijs, waarbij ook gekeken is naar de etnische samenstelling van de leerlingenpopulatie op schoolniveau. Autochtone leerlingen zijn naar verhouding oververtegenwoordigd in het avo, terwijl vmbo­ scholen met een specifieke beroepsrichting en/of een speciaal onderwijsconcept relatief veel allochtone leerlingen trekken. Maar, evenals in Rotterdam, zijn geen gegevens bekend over de relatie tussen advies, Cito-scores en etniciteit. Naar aanleiding van de aandacht voor de relatie tussen advies en etniciteit in Am­ sterdam liet ook de gemeente Utrecht onderzoek doen naar de relatie tussen schoolkeuzeadvies en de scores op de Cito-eindtoets. In het door het onderzoekbu­ reau Oberon uitgevoerde onderzoek wordt geconstateerd dat allochtone leerlingen op basisscholen in de gemeente Utrecht in het schooljaar 2005/2006 bij gelijke prestatieniveaus gemiddeld even hoge adviezen krijgen als voor autochtone leer­ lingen het geval is.32 Wel doen zich binnen de groep allochtonen verschillen voor: Surinaamse en Turkse leerlingen ontvangen gemiddeld wat hogere adviezen en Marokkaanse leerlingen wat lagere. Ook voor de hogere adviezen (vmbo-tl, havo en vwo) krijgen autochtone en allochtone leerlingen, gegeven de Cito-score, ge­ middeld dezelfde adviezen. Binnen de groep allochtonen blijken Turkse leerlingen gemiddeld wat hogere adviezen te krijgen. De gemeente Utrecht concludeert op basis van het on­ derzoek dan ook dat er zich op Utrechtse basisscholen geen opmerkelijke ver­ schillen voordoen in de advisering van allochtone en autochtone leerlingen.33 30 Rotterdamse Onderwijsmonitor. Primair en voortgezet onderwijs in Rotterdam 2006, december 2006. 31 Leerlingstromen in het Haagse Voortgezet Onderwijs 2001-2004, Signaal (Onderzoek en Integrale Vraagstukken en Buurtmonitor). 32 Onderadvisering van allochtone leerlingen in Utrecht, Oberon, 1 maart 2007. 33 Utrechtse leerlingen krijgen goede schooladviezen, persbericht gemeente Utrecht, 2 maart 2007. 39
  31. 31. 5 Onderadvisering en later schoolsucces: een analyse van het VOCL-cohort 5.1 Advies en loopbanen in het voortgezet onderwijs Tot besluit gaat dit hoofdstuk in op de vraag in hoeverre onderadvisering bij het verlaten van de basisschool doorwerkt in het uiteindelijke schoolsucces in het voortgezet onderwijs. Leidt een te laag advies tot blijvende achterstand? Na een korte verkenning op basis van beschikbaar wetenschappelijk onderzoek en inspectiegegevens worden in de volgende paragrafen de resultaten gerapporteerd van enkele analyses die het onderzoeksinstituut GION van de Rijksuniversiteit Gro­ ningen voor de inspectie heeft uitgevoerd. Advies en onderwijspositie in het voortgezet onderwijs De Inspectie van het Onderwijs is in een landelijk onderzoek nagegaan hoe de advisering over de plaatsing van leerlingen in het voortgezet onderwijs verloopt. Ook is geanalyseerd in welke schoolsoort leerlingen drie jaar na de overgang naar het voortgezet onderwijs zitten. Tabel 5.1 biedt inzicht in het percentage leerlingen dat in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs onder, op of boven het advies zit dat ze van de basisschool kregen.34 In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zit een kwart van de leerlingen niet meer op het niveau van het basisschooladvies. Van deze leerlingen stroomt zo’n 14 procent op naar een hoger niveau en stroomt circa 10 procent af naar een schooltype dat lager is dan werd geadviseerd. Als leerlingen naar een hoger schooltype overstappen spreken we van opstroom, in het tegenovergestelde geval van afstroom. Tabel 5.1: Correspondentie tussen advies en schooltype in het derde jaar voortgezet onderwijs (2006) Hoger advies Op Lager advies (afstroom) advies (opstroom) Basisberoepsgerichte leerweg 18,8 81,2 0,0 Kaderberoepsgerichte leerweg 22,5 55,6 21,9 Theoretische en gemengde leerweg 12,9 76,7 10,4 Havo 5,7 79,8 14,5 Vwo 0,0 79,5 20,5 gemiddeld over alle leerlingen 10,5 75,6 13,9 Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2007 Opvallend is het grote percentage op- en afstromers onder leerlingen die in het derde leerjaar van de kaderberoepsgerichte leerweg van het vmbo (vmbo-k) zit- ten. 34 Bij de zogenoemde ‘dakpanadviezen’ is uiteraard veel minder sprake van op- of afstroom ten opzichte van het advies, omdat er twee of zelfs drie onderwijssoorten kunnen zijn waar de leerling zich conform het advies bevindt. 41
  32. 32. I Ruim de helft van de leerlingen zit op het niveau van het advies, terwijl ruim 20 pro- cent een hoger advies kreeg (en is dus afgestroomd), respectievelijk een lager ad- vies ontving (en ondertussen is opgestroomd). Ook het grote aantal leerlingen dat, ondanks een lager advies, naar het vwo is doorgestroomd springt in het oog. In hoeverre voorspelt het advies de loopbaan in het voortgezet onderwijs? Dat neemt niet weg dat het advies een belangrijke voorspeller is van het succes van de loopbaan in het voortgezet onderwijs. Zo laten studies als die van Luyten en Bosker (2004) en Mulder et al. (2005) zien dat het advies een belangrijke rol speelt bij de verdere onderwijsloopbaan van de leerling. Uitgaande van de gegevens van ruim vierduizend leerlingen uit groep 8 uit het PRIMA-cohort 1996 analyseerde ook Roeleveld (2005) de verdere schoolloopbaan. De analyse laat zien dat ruim 60 procent van de variatie in onderwijsposities in het voortgezet onderwijs door het advies wordt verklaard. De prestaties voor taal en rekenen voegen daar nog slechts een beperkt extra effect aan toe; de totale verklaarde variantie stijgt met iets meer dan 1 procent. Evenzo leveren de achtergrondkenmerken van leerlingen slechts een bescheiden extra bijdrage aan de verklaring van de verschillen in on­ derwijsposities in het vierde jaar voortgezet onderwijs (zo’n 1,5 procent extra ten opzichte van het advies en de prestaties). Autochtone achterstandsleerlingen sco­ ren lager dan niet-achterstandsleerlingen. Voor allochtone achterstandsleerlingen is, na rekening te houden met verschillen in advies en prestatie, geen sprake van een lagere onderwijspositie dan andere leerlingen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelde vast dat schakelmomenten in de school­ loopbaan, zoals de overgang naar voortgezet onderwijs, geen probleem zijn voor leerlingen uit migrantengroepen (Tesser en Iedema, 2001; Herweijer, 2003). Op basis van onder meer het cohort VOCL’99 onderzocht Herweijer (2003) de relatie tussen de prestaties bij de start en verdere loopbaan in het voortgezet onderwijs. De analyse laat zien dat allochtone leerlingen bij een gelijk prestatieniveau tot hogere schoolsoorten worden toegelaten dan autochtone leerlingen. Ook hebben allochtone leerlingen, bij gelijke prestaties, in de verdere loopbaan meer succes geboekt. Vergelijking van twee cohorten wijst er vervolgens op dat het aanvanke­ lijke effect van advies - overadvisering van allochtone leerlingen - op de loopbaan in het voortgezet onderwijs, in het laatste cohort verdwijnt. Nadat aanvankelijk sprake was van hogere adviezen bij gelijke prestaties voor allochtone leerlingen en een hoger bereikt niveau in het verlengde daarvan, worden bij een jongere generatie leerlingen geen effecten van onder- of overadvisering van allochtone leerlingen op het schoolsucces in het voortgezet onderwijs gevonden. Uit de al genoemde studie van Claassen en Mulder (2006) naar het verloop van schoolloopbanen van leerlingen in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs blijkt dat autochtone achterstandsleerlingen, bij gelijke scores op de Cito-eindtoets, na vier jaar vaker in het vmbo terechtkomen dan allochtone achterstandsleerlingen. Zij presteren daar echter beter dan allochtone leerlingen uit achterstandsgroepen en doubleren minder vaak. Bij allochtone achterstandsleerlingen ligt het percentage gezakte leerlingen in het vmbo twee keer hoger dan onder autochtonen. Daarnaast constateren Claassen en Mulder een stijging van het percentage vwo-leerlingen. Dit geldt in mindere mate voor de autochtone leerlingen uit achterstandsgroepen, waarvan twee derde na instroom in een havo/vwo-brugklas is afgestroomd naar het havo. 42
  33. 33. Bij de allochtone leerlingen beperkt deze afstroom zich tot de helft, niet veel meer dan bij niet-achterstandsleerlingen het geval is. Bovendien, zo constateren Claas­ sen en Mulder, zijn er relatief veel allochtone achterstandsleerlingen die op een lager niveau aan het voortgezet onderwijs zijn begonnen, maar opstromen naar het vwo. Mulder et al. (2007) komen tot vergelijkbare bevindingen. Uit dit onderzoek blijkt dat allochtone leerlingen vaker op een hoger schooltype terechtkomen dan gead­ viseerd was. Voor autochtone leerlingen met laag opgeleide ouders is dat minder vaak het geval; deze categorie blijkt zelfs de enige groep te zijn die vrijwel niet naar een hoger dan geadviseerd schooltype gaat. Bij vergelijking van leerlingen die zich op een lager schooltype bevinden dan was geadviseerd, bleek aanvankelijk sprake van verschillen naar etniciteit, maar in de latere gegevens is dit effect vrijwel ver­ dwenen. Wel hebben allochtone leerlingen bij gelijke prestaties een grotere kans om een hogere dan geadviseerde positie te bereiken. Daarnaast worden effecten van sekse (in het voordeel van meisjes) en het opleidingsniveau van de ouders gerapporteerd. Werkt onderadvisering door in de schoolloopbaan van allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs? Hoewel de resultaten van eerder onderzoek dus niet duiden op systematische on­ deradvisering van allochtone leerlingen bij de overgang naar het voortgezet onder­ wijs, wordt in dit hoofdstuk niettemin antwoord gegeven op de vraag wat - indien zich onderadvisering voordoet - daarvan de effecten zijn op het latere schoolsucces van (allochtone) leerlingen in het voortgezet onderwijs. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de resultaten van een aantal analyses die het onderzoeksinstituut GION van de Rijksuniversiteit Groningen op verzoek van de inspectie heeft uitgevoerd. Daarbij is gebruik gemaakt van de gegevens van een grote groep leerlingen waarvan de loopbaan gedurende de gang door het voortgezet onderwijs is gevolgd. In de betreffende dataset, het VOCL-cohort 1999, zijn naast de prestatiescores en het advies van de basisschool, ook gegevens beschikbaar over het prestatieniveau aan het begin van het voortgezet onderwijs, het daar be­ reikte niveau en de etnische achtergrond van leerlingen. Dat maakt het niet alleen mogelijk om na te gaan in hoeverre sprake is van onderadvisering van allochtone leerlingen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs, maar ook om vast te stel­ len of eventuele onderadvisering negatieve effecten heeft op het latere resultaat van allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs. Omdat een dergelijke analyse zoveel mogelijk de uiteenlopende loopbaantrajecten die in het voortgezet onderwijs gevolgd kunnen worden, moet bestrijken, dienen de gegevens een relatief lange periode te beslaan. Gebruik van een al enige jaren geleden gestart cohort is dus onvermijdelijk.35 De resultaten van het door het GION uitgevoerde onderzoek zijn gepubliceerd in het rapport ‘De gevolgen van onder- en overadvisering’ (GION, augustus 2007) van de hand van drs. H. de Boer, prof.dr. R.J. Bosker en prof.dr. M.P.C. van der Werf. 35 Bij de interpretatie van de resultaten moet dus rekening worden gehouden met het tijdsverloop dat sindsdien is opgetreden. 43
  34. 34. I De centrale onderdelen van de analyse en resultaten zijn samengevat in de volgen­ de paragrafen. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van de rapportage van het GION. Voor een compleet overzicht van de bevindingen zij verwezen naar het rapport van het GION (zie bijlage II). 5.2 Opzet van het onderzoek Onderzoeksvraag De onderzoeksvraag, die in deze analyse centraal staat, is geformuleerd als: Wat zijn de gevolgen van onderadvisering (of overadvisering) van allochtone leer­ lingen voor de verdere loopbaan in het voortgezet onderwijs? gegevens Sinds hun entree in het voortgezet onderwijs in 1999 zijn in het VOCL’99 cohort circa twintigduizend leerlingen in hun schoolloopbaan gevolgd. Van deze leerlingen zijn bij binnenkomst in het voortgezet onderwijs de vorderingen in taal, rekenen en informatieverwerking gemeten met de Cito-entreetoets. Ook is het advies dat ze hadden ontvangen van de basisschool vastgelegd. Vervolgens is jaarlijks in kaart gebracht in welk leerjaar en welke schoolsoort de leerlingen zich bevonden. In de analyse zijn onderadvisering en overadvisering op de volgende manier ge­ operationaliseerd. Uit combinatie van de prestatiescore en het advies van de basis- school is een maat voor onder- en overadvisering gedestilleerd, waarbij in eerste instantie wordt nagegaan welke adviescategorieën corresponderen met welke prestatiescores. De adviescategorieën lopen van praktijkonderwijs, parktijkonder­ wijs/bb-leerweg, bb-leerweg, tot uiteindelijk de categorieën havo/vwo en vwo. Per adviescategorie wordt vastgesteld wat de gemiddelde toetsscore is. De maat voor onder- en overadvisering is vervolgens het verschil tussen het advies van de leerling en het gemiddelde advies behorend bij de prestatiescore van de leerling. Op basis van deze score zijn de leerlingen ingedeeld in een groep ‘niet onder- of overgeadviseerd’ dan wel in één van de drie categorieën voor onder- of overadvi­ sering: ernstig, tamelijk en enigszins onder- of overgeadviseerd.36 Om na te gaan of over- of onderadvisering zich vooral bij bepaalde groepen leerlin­ gen voordoet, worden meerdere achtergrondkenmerken in de analyse opgenomen. Het betreft sekse, prestatiemotivatie van de leerling, zittenblijven, etniciteit en de sociaaleconomische status en het ambitieniveau van de ouders. Het schoolsucces in het voortgezet onderwijs is gemeten via de score op de zoge­ noemde ‘leerjarenladder’. In deze maat is het hoogst haalbare niveau in het voort­ gezet onderwijs (een diploma vwo) het uitgangspunt. De overige scores worden daarvan afgeleid op basis van het aantal jaren dat nodig is om vanaf dat punt het hoogste niveau te bereiken. 36 Deze maat verschilt dus van een ander type maten dat ook wel gebruikt wordt om onder- en overadvisering vast te stellen, die gebaseerd zijn op het verschil tussen advies en het feitelijk gekozen schooltype. Uitgangspunt in deze analyse is de verhouding tussen de prestatiescore in het eerste jaar vo en het advies. Een voordeel van de gevolgde werkwijze is onder meer dat ook niet-lineaire effecten opgespoord kunnen worden en een gedetailleerd beeld wordt verkregen. 44
  35. 35. De hoogste score wordt dus toegekend aan een leerling die vwo-6 met succes voltooid heeft, één punt minder voor een leerling die vwo-5 voltooid heeft, nog een punt minder voor leerlingen die vwo-4 of havo-5 voltooid hebben, enzovoorts. 5.3 Resultaten Onder- en overadvisering De resultaten laten zien dat voor ruim 10 procent van de leerlingen sprake is van substantiële onderadvisering of overadvisering. Als gevolg van de gebruikte maat voor onder- en overadvisering vallen relatief veel leerlingen - zo’n twee derde van het totaal - in de groep ondergeadviseerden of overgeadviseerden.37 Hierbij moet worden opgemerkt dat de prestatietoets op basis waarvan de overeenstemming met het advies is gemeten, ongeveer een halfjaar nadat het advies verstrekt werd, is afgenomen. De resultaten van de multivariate meerniveauanalyse laten vervolgens zien dat, bij gelijke prestaties, meisjes, leerlingen uit hogere sociaaleconomische milieus en leerlingen van ouders met een hoog aspiratieniveau vaker worden overgeadviseerd. Leerlingen die zijn blijven zitten worden vaker ondergeadviseerd. Een effect van de prestatiemotivatie van leerlingen wordt niet gevonden.38 Leerlingen uit allochtone groepen krijgen bij gelijke prestaties hogere adviezen dan andere leerlingen.39 Van onderadvisering van allochtone leerlingen is geen sprake. Ook komt naar voren dat het behaalde niveau in het voortgezet onderwijs sterk af­ hangt van de prestatiescore in het eerste leerjaar. Vervolgens blijken, bij gelijke pres­ tatiescores bij intrede, meisjes, leerlingen uit hogere sociaaleconomische milieus, leerlingen met een hogere prestatiemotivatie en leerlingen van ouders met een hoog aspiratieniveau in het voortgezet onderwijs een hoger niveau te behalen. De etniciteit van de leerling, gegeven alle genoemde invloeden, speelt geen rol.40 De invloed van onderadvisering op de loopbaan in het voortgezet onderwijs Kernvraag in de analyses is welke factoren van invloed zijn op de gevolgen die onderadvisering heeft op de loopbaan in het voortgezet onderwijs. De gevolgen daarvan blijken fors te zijn. ‘Ernstig’ ondergeadviseerde leerlingen blijven bijna driekwart trede (0,725) op de leerjarenladder achter bij leerlingen die op niveau zijn geadviseerd. Leerlingen die ‘ernstig’ zijn overgeadviseerd scoren 0,631 tree hoger. Om op hetzelfde niveau uit te komen als een ernstig overgeadviseerde leerling, zou een ernstig onderge­ adviseerde leerling dus 1,35 onderwijsjaar moeten overbruggen. Het op dezelfde manier uitgedrukte verschil tussen leerlingen die ‘tamelijk’ zijn ondergeadviseerd en overgeadviseerd bedraagt bijna driekwart onderwijsjaar. 37 Zie bijlage II, tabel 1. 38 Zie bijlage II, tabel 2. 39 Hierbij herinnert zij aan de periode waarin de voor deze analyse gebruikte gegevens over de overgang naar voortgezet onderwijs (1999) werden verzameld. Zoals in hoofdstuk 2 naar voren kwam, wijzen de resultaten van onderwijsonder­ zoek uit dat de aanvankelijke overadvisering van allochtone leerlingen ondertussen grotendeels is verdwenen. 40 Zie bijlage II, tabel 3. 45

×