Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Vikingen 5: materiële cultuur

Dit is de vijfde diapresentatie in een reeks van vijf over de Vikingen naar aanleiding van een Amarant-cursusreeks

  • Be the first to comment

Vikingen 5: materiële cultuur

  1. 1. “Verlos ons, Heer, van de furie van de Noormannen!”
  2. 2. • Studeerde archeologie aan de K.U. Leuven • Docent en opleidingshoofd in de lerarenopleiding van MAD-faculty, hogeschool voor de kunsten, Limburg • Leerkracht cultuurvakken in het CVO Leuven • Amarantdocent sinds 2002 • Auteur van jeugdthrillers www.erwinclaes.com
  3. 3. Dat kan! U hoeft enkel te surfen naar: slideshare.net  gebruik zoektermen: erwinclaes7, Vikingen, Amarant
  4. 4. Vikingen 1. Inleiding 2. Historische Situering 3. Maatschappij 4. Religie 5. Materiële Cultuur
  5. 5. 5.1 Wooncultuur 5.1.1 Huizen 5.1.2 Versterkingen 5.1.3 Nederzettingen 5.2 Schepen 5.2.1 Voorlopers van het Vikingschip 5.2.2 Het Vikingschip 5.3 Wapentuig 5.3.1 Algemeen 5.3.2 Krijgsmacht 5.3.3 Houwzwaard 5.3.4 Sax 5.3.5 Speren (Ango) 5.3.6 Lansen 5.3.7 Bijl 5.3.8 Pijl en boog 5.3.9 Schild 5.4 Toegepaste Kunsten
  6. 6. Huizen en dorpen verschilden vanzelfsprekend van streek tot streek  gebruikte bouwmateriaal typische Vikinghuis  Langhuis: Langgerekt min of meer rechthoekig  wanden vaak wat gebogen één enkel vertrek  +/- 12 m lang Wanden uit twijgen en leem Vaak (zeker in meer noordelijke streken) half ingegraven  schuine dak tot tegen grond Dakbedekking uit stro, houtschalies en/of graszoden
  7. 7. Huizen meestal in kleine groepjes bij elkaar vooral in Denemarken en Zweden groepen van Langhuizen die volgens een duidelijk grondplan zijn geordend Zelfde patroon ook in de grotere nederzettingen en in de forten
  8. 8. In een Langhuis woonde een uitgebreide familie met haar slaven en dieren grote families  Langhuis uitgebreid met bijgebouwen en schuurtjes Opvallend is hier vooral de aanwezigheid van een apart toilet en een heuse sauna De Vikingen kenden dan ook een uitgebreide badcultuur.
  9. 9. Het woonvertrek moet relatief warm zijn geweest door de opvallend dikke muren zonder ramen Vensters verschijnen pas in late Vikingtijd (importproduct uit het zuiden) rook van de centrale haard kon via 2 gaten in het dak wegtrekken. De centrale haard  stookplaats van aangestampte aarde omgeven met krans van stenen Vuur  zowel licht als warmte en om op te koken. Langs de wanden  verhoging van aarde en hout als zit- en slaapbank Enkel rijkere families  bedden die s’ avonds werden neergezet en s’ morgens rechtop werden geplaatst om plaats te maken.
  10. 10. Koning Harald Blauwtand was als koning van het eengemaakte Denemarken bijzonder actief: liet wegen en bruggen aanleggen  bvb: 700 m lange brug van Ravning Enge (978), ten zuiden van Vejle meest opmerkelijk constructie  enkele enorme ringwalburchten bekendste ringwalburchten  Fyrkat en Trelleborg (beide gebouwd rond 980)
  11. 11. Mogelijk rol in de politiek van de koning om het land een te maken? rol in de bestuurlijke administratie? forten zien er militair uit  toch amper archeologische bewijzen dat ze ook een militaire functie hadden opgravingen  huizen betrokken door ambachtslui forten eerder dienst als mobilisatiecentra voor het geval van oorlog met de Karolingen?
  12. 12. Omwalling  grote kisten van op elkaar gestapelde boomstammen die werden opgevuld met turfplaggen.
  13. 13. Grote gelijkenis qua constructie met ringwalburchten kustverdediging Lage Landen van Karel de Grote en zijn nazaten Bvb: Oost-Souburg (een wijk in Vlissingen) De Karolingische ringwalburchten worden allen gedateerd in de 2e helft van de 9e eeuw Deense varianten zijn ruim eeuw ouder
  14. 14. Gesticht in 866 was in de 10e eeuw een van de grootste en rijkste steden van Engeland dicht bevolkt grote populatie ambachtslui die werkzaam was in de handel 1069: in 2 dagen door brand verwoest toen Normandische troepen plaats wilden maken voor een nieuw kasteel  vuur sloeg over naar gehele stad
  15. 15. In meeste huizen werd zowel geleefd als gewerkt in hetzelfde vertrek huizen van hout en leem stonden dicht op elkaar Huizen stonden parallel op de wegen van aangestampte aarde Het straten plan van Jorvik volgde heel opvallend het stratenplan van de vroegere Romeinse stad Eboracum Stallen, latrines, waterputten en afvalkuilen stonden allen dicht op elkaar Het moet er vreselijk gestonken hebben.
  16. 16. huizen waren lang en smal (7,5 m op 4m) in één ruimte leefden ouders, grootouders, kinderen en personeel ook hier een centrale haard die was afgeboord met stenen Meubilair was er amper: tafel, kruk, enkele planken, … Achter de huizen  klein erf met een moestuintje voor groenten en enkele dieren.
  17. 17. de inwoners van Jorvik zijn niet rijk toch tijd voor ontspanning  veel vondsten die verwijzen naar dans, muziek, schaatsen, spel, …
  18. 18. Zowel mannen als vrouwen droegen sieraden (vooral mantelspelden) uit koper, lood, zilver, goud, glas, … Vikingen houden van felgekleurde stoffen die worden versierd met gouden banden mannen dragen lange tunieken met lange mouwen en daaronder wollen broeken Vrouwen dragen lange jurken met daarover kokervormige overjurken met schouderbanden die met een speld worden vastgezet Vaak dragen vrouwen een warme omslagdoek of een zijden kapje Veel van deze stoffen worden door de vrouwen thuis geweven.
  19. 19. Kleding mannen Kleding vrouwen
  20. 20. Op basis van de archeologische opgravingen mogelijk om de voedingsgewoonten van de inwoners van Jorvik te reconstrueren: Granen Groenten: bonen en erwten Vruchten: pruimen, kersen, bosbessen, appels Vlees: vooral rundsvlees, maar ook varkens en kippen Vis: vooral zoetwatervissen en haring Drank: vooral licht bier en heel soms geïmporteerde wijn
  21. 21. Net als alle andere handelscentra uit die tijd lag Haithabu op een kruispunt van water- en landwegen: 40 km van het Oostzeeverkeer 16 km van de bevaarbare rivier Treene en Eider enkele kilometers van de heirbanen die vanuit Jutland naar het zuiden liepen de stad lag nog binnen de Danewirke goed bereikbaar voor schepen + goed verdedigbaar.
  22. 22. ongeveer 25 ha groot omringd door een halfcirkelvormige wal met torens. haven werd beschermd door een palissade haven voorzien van een reeks scheepsbruggen die het in- en uitladen van schepen vergemakkelijkte Haithabu ook de belangrijkste oorlogshaven van de Deense koning.
  23. 23. Walrusivoor uit de Noordzee Ijzerbaren uit Zweden Spekstenen en wetstenen uit Noorwegen Glaswerk en keramiek uit het Rijngebied Molenstenen uit de Eiffel Vaten van dennenhout uit het Boven-Rijngebied Bergkristal uit de Zwarte Zee-kusten Kwik uit Spanje Houtteer uit het Oostzeegebied Sieraden en sierbeslag uit Ierland Een zegel uit Byzantiumwijst op contacten met die illustere stad
  24. 24. Heel veel vergankelijke goederen (enkel gekend via tollijsten): Slaven (krijgsgevangenen) Vikingbuit (dit moet erg lucratief geweest zijn, want er moest belasting op betaald worden) Kruiden, linnen, zout, honing, was wijn, gezouten vis, …
  25. 25. De Vikingscheepsbouw ligt in een oude traditie van scheepsconstructie die vermoedelijk helemaal teruggaat tot de bronstijd.
  26. 26. vermoedelijk een oorlogsschip dat met opzet verzonken werd in een veen als offer voor de goden een open vaartuig  voortbewogen door 20 of 24 peddels (geen roeispanen!) geen ruimte voor een mast 19 m lang ongeveer 2 meter breed  leek wel grote kano
  27. 27. bodem  een brede half-uitgeholde boomstam van een lindenboom (soort kielplank, zonder dat het een echte kiel was) Weerszijden  twee planken als boorden van het vaartuig kielplank en de bovenste planken eindigden in karakteristieke sprieten wandplanken  dun, maar breed + van lindenhout binnenwerk  skelet van bundels hazelaartwijgen, die op hun plaats gehouden werden door een dwarsbalk waarop de roeier kon zitten.
  28. 28. sluit aan bij het Hjortsping-schip, maar staat toch al een stapje verder in de evolutie gebouwd uit dennenhoutenplanken, die aan elkaar zijn genaaid met touwen van plantenwortels kieren tussen de planken  dichtgestopt met stroken rode stof, die in teer van hars waren gedrenkt Roeispanen rusten in roeiklampen (geen peddels!) Kielplank en boeg lopen in elkaar over  karakteristieke vorm latere Vikingschip is geboren
  29. 29. Gaat om 3 schepen die samen in een moeras zijn gevonden in 1863 Vooral Nydam 2-schip  grote vooruitgang ten opzichte van de voorgaande periode met zekerheid klinkergebouwd Niet meer genaaid  wel met ijzeren nagels vastge-klonken door uiteinde om te slaan over een metalen plaatje geen lindehout meer  wel eikenhout of dennenhout.
  30. 30. nog steeds geen echte kiel  wel een kielplank voordeel kiel  kan druk doorgolfbewegingen op scheepsbodem opvangen omdat ene kiel hoger is en dus ook stijver kielplank echter niet sterk genoeg om golfbewegingen op te vangen andere tekortkoming  enkel roeiriemen roeiriemen zo kort dat het roeien het midden hield tussen roeien en peddelen.
  31. 31. lag in het centrum van een grote grafheuvel klinker-gebouwd opvallend grote voor- en achtersteven geen aanwijzing dat er een mast zou hebben gestaan (dus ook geen zeil) Toch  zeewaardig genoeg om grote stukken zee over te steken hiermee waren de Zuid-Germaanse volkeren in staat om Romeins Brittannië binnen te vallen + piraterij te bedrijven ver van eigen thuislanden.
  32. 32.  Ondanks zelfde leeftijd als Sutton Hoo-schip toch een volgend stadium in de evolutie van zeewaardigheid! 18 m lang 3 m breed diepgang van 80 cm 10 paar roeiriemen gebouwd volgens zelfde principes als Nydam 2-schip Onderaan  uitwendige kiel die uit één stuk was gemaakt (groot verschil met Nydam 2!)
  33. 33. dankzij kiel  vaartuig breder  meer mensen vervoeren planken niet meer uit een geheel  korte plankjes die in de lengte samen werden geklonken. gebruik van een zij-roer of stuurriem Kvalund-schip  eerste archeologische bewijs voor gebruik zeil in Scandinavië Lijkt al erg op klassiek Vikingschip
  34. 34. uit de Schelde opgevist exemplaar in het MAS niet van een Vikingschip gedateerd rond het jaar 600.
  35. 35. Term afkomstig uit saga’s Een zeewaardig oorlogschip lang en smal met de nodige roeiriemen snel en machtig wapen kon ook op een eerder klein schip slaan
  36. 36. Termen komen uit de saga’s en skaldenverhalen Namen stellen volgens specialisten niet veel voor verzinsels die hielpen om een bepaalde tekst volgens de metrische principes van de dichtkunst te laten kloppen
  37. 37. term zou verwijzen naar verschillende soorten handelsvaartuigen werd ook regelmatig als oorlogsschip gerecupereerd was belangrijkste boot op de Atlantische Oceaan tot in Ijsland en Groenland toe  eerste kolonisten!
  38. 38. zijn breder in verhouding tot lengte (anders dan bij Langschip) rondere vorm groter vrij-boord grotere diepgang Mast  vastgezet omdat men bijna uitsluitend het zeil gebruikte enkel vooraan en achteraan  plaats om te roeien
  39. 39. in totaal 5 Vikingschepen in 1962 opgegraven in de Roskildefjord lagen er op elkaar en waren met stenen gevuld Moesten barrière vormen om vijandelijke schepen te verhinderen Roskilde (rijke koninklijke hoofdstad) te bereiken.
  40. 40. Zeewaardig handelsschip vooral ingezet op de lokale kustwateren Gemaakt van hout uit de Noorse Sognefjord 16,5 m lang 4,8 m breed
  41. 41. Tot 30 m lang 3,8 m breed 112 m2 zeil-oppervlak 80 tot 100 bemanningsleden opvallend lang en smal met een hoge boeg gemaakt van hout uit de omgeving van Dublin
  42. 42. Klein oorlogsschip 17,5 m lang in totaal 13 paar roeiers (+ uitkijk en stuurman) mogelijk in Roskilde zelf gebouwd
  43. 43. Vissersboot 12 m lang 2,5 m breed in een latere fase omgebouwd tot een klein vrachtschip
  44. 44. best bewaarde Vikingschip van Scandinavië in 1904 ontdekt (90 % nog origineel!) dateert uit de periode 850 à 900  scheepskamergraf voor twee welstellende vrouwen. 22 m lang + 5 m breed 15 paar roeigaten  30 roeiers + een stuurman + een uitkijk (mogelijk nog drukker aan boord) In midden schip  mastblok met mastgat om mast recht te zetten  vastgeklonken met een houten blok, het mastslot. sinds 1926 tentoongesteld in een speciaal hiervoor gebouwd museum in Oslo
  45. 45. bouwproces  ongeveer 6 maanden 1e stap  uitkiezen van het hout dicht begroeid bos nodig met hoge, rechte stammen ook bomen nodig die enkele specifieke stukken konden leveren  bvb: de gebogen blokken hout voor de boeg en de ribben scheepsbouwer kiest zelf de bomen uit hout moest niet drogen  werd meteen verwerkt
  46. 46. Gebruik kiel  een van de essentiële kenmerken van een Vikingschip hierdoor boot hoger op het water  minder weerstand, dus sneller kiel helpt ook schip stabiliseren: Wanneer wind in de zeilen schip erg schuin door winddruk Kiel dan functie van een scheepszwaard  met behulp van waterdruk voor tegendruk zorgen. Een ander voordeel van hoger op water liggen  geringe diepgang, dus dieper landinwaarts trekken over de waterwegen.
  47. 47. Worden ook boegen genoemd tijdens de kiellegging voorbereid om er de beplanking op aan te sluiten hadden een karakteristieke hoge vorm  esthetisch mooi, maar wel eerder stremmend omdat ze veel wind vangen.
  48. 48. Stammen, gekapt om planken van te maken voor de scheepsbouw: eerst in tweeën splijten dan iedere helft nog eens in tweeën splijten zo opnieuw tot de plank nog 1/16 was van de oorspronkelijke stam.
  49. 49. Voordelen van deze methode: Planken zeer sterk van structuur Planken plooibaar Planken krimpen niet Planken zetten niet uit  verklaring: de loop van de houtvezels werd gevolgd
  50. 50. Eigenschappen van de planken  maken schip erg flexibel Enkel eikenhouten planken werden op deze manier gevormd dennenhout  stammen worden gewoon gehalveerd en vervolgens met een dissel of bijl in de vorm van een plank gehakt. scheepshuid  karakteristieke klinkerwerk van elkaar overlappende plankenlijnen samengehouden met platte, rondhoofdige klinknagels  langs buiten door 2 elkaar overlappenplanken gedreven om dan aan de binnenkant over een klein plaatje plat geklopt te worden
  51. 51. ribben plaatsen  als planken opgebouwd tot aan de waterlijn moeilijkste onderdeel bij de bouw! in de bossen houtblokken uitgezocht die reeds de juist vorm hadden afstand tussen de ribben in het vaartuig  steeds constant  de slag van een roeiriem groot om de ribben te verstevigen  verbonden met een dwarsbalk
  52. 52. In het midden van een schip  mastblok in mastblok  mastgat In mastgat  mogelijkheid om mast recht te zetten vastklinken met een houten blok, het mast-slot Voordeel: naar believen mast rechtzetten of juist neergelaten Opmerking: bij kleinere kustvaarders enkel een vaste mast
  53. 53. brief van Romeinse aristocraat Sidonius Apollinaris beschrijft Saksische raid op de Gallische kust in 475  zou gaan om schepen met zeilen Echter  rotstekeningen uit Gotland  pas vanaf 7e eeuw schepen met zeilen Daarom  nog onzeker wanneer zeil in Scandinavië werd gebruikt Vikingperiode  goede kennis was van het gebruik van het zeil.
  54. 54. Zeilen meestal gekleurd Zeilen  lijn- of ruitpatroon Gemaakt van heel vette, waterafstotende wol Bronnen hiervoor  saga’s + wandtapijt van Bayeux
  55. 55. was belangrijkste sterkte van de oorlogsschepen van de Vikingen Geheim van het roeivermogen: lange dolboord over de hele lengte van het schip dolboord ter hoogte van de waterlijn Gevolg: roeiriemen over het volledige schip gebruiken Ieder element in het schip was zo ontworpen dat het gebruik van de riemen vlot moest kunnen gebeuren Een schip telde één paar riemen per 2 ribben, wat dus overeen kwam met de afstand van de slag van een riem.
  56. 56. Bij opgraving van het Gokstadschip zijn riemen teruggevonden: uit dennenhout varieerden in lengte tussen 5,30 m en 5,85 m Verklaring variatie: lengte roeiriemen bepaald door de plaats waar ze werden gebruikt. Roeiriemen aan uiteinde van boot  langer omdat ze daar hoger boven de waterlijn lagen.
  57. 57. Vikingschip  eerder apart roer roer lijkt op een te grote roeiriem die aan de buitenkant van het schip hing stuurriem  uit één stuk eikenhout: ongeveer 3 m lang en 50 cm breed
  58. 58. soort wolachtige plukken dierenhaar die tot een dik koord werden gesponnen dit koord  in soort (hout)teer gedipt het in teer gedompelde koord  aangebracht op de plaats waar twee planken tegen elkaar werden geklonken (dus niet achteraf!) Voordeel: het touw stevig tussen beide planken persen om het niet alleen goed vast te zetten, maar ook om de waterdichtheid te bevorderen Op einde bouwproces  hele schip nog eens geteerd, inclusief de naden.
  59. 59. Alles bij elkaar was Vikingschip een knap staaltje technologie: Schip aan zijkanten laag genoeg om nog te kunnen roeien schip was breed genoeg om stabiel te kunnen zielen schip was licht genoeg om door de bemanning op het strand getrokken te worden technische vernieuwingen als de kiel, het gebruik van spanten en de overnaadse planken  mogelijk om schepen van meer dan 25 m te bouwen Door geringe diepgang  overal aanleggen Snelheid bij roeien  3 tot 4 knopen (+/- 5 tot 7 km/u) Snelheid bij zeilen  10 tot 11 knopen (+/- 18 tot 20 km/u)
  60. 60. Technologische vernieuwingen  stellen Vikingen in staat om dodelijk hit-and-run-tactiek te ontwikkelen. Bovendien konden Vikingen navigeren op zee (weliswaar op basisniveau): Ze kenden geen kompas Wel navigeren op basis van de zon en de sterren Ze hadden een goede kennis van de zeestromingen Ze hadden een goede kennis van het gedrag van zeedieren Hun zuidelijke tijdgenoten konden dit allemaal niet
  61. 61. weinig organisatie in de vroegmiddeleeuwse manier van vechten slagkracht van een leger  in grote mate afhankelijk van de individuele kracht, moed en behendigheid legers stormden als groep op elkaar af  dan verzameling van man-tegen-man-gevechten wie de meeste duels won  won ook de veldslag in de loop van de Vikingtijd verandert deze manier van vechten  meer ruimte voor organisatie, discipline en strategie: Lindisfarne (793): groepje onbekende piraten Hastings (1066): goed georganiseerd leger met een politiek en economisch netwerk
  62. 62. iedere krijger moest voor eigen wapenuitrusting zorgen rijkere krijger  betere uitrusting de armen vochten vaak enkel met een (alledaagse) bijl meeste wapens  erg duur Gevolg: in het leger soort klassenverschil
  63. 63. Enkel voor elite  paarden erg duur Ruiters genoten hoog aanzien Ruiters liepen relatief gezien ook minder kansen om te sneuvelen De rijke ruiters: maliënkolder, helm, schild en een speer of lans  in gevechten van dichtbij: zwaard of sax (kort steekzwaard)
  64. 64. Vikingen namen geen paarden mee op hun lange zeereizen Uitzondering  Willem de Veroveraar die met paarden het Kanaal overstak
  65. 65. Droegen enkel een leren bescherming Vochten met een bijl
  66. 66. Droegen meestal geen bescherming Slechts licht bewapend
  67. 67. Dit is het gebruikelijk aan 2 zijden snijdende zwaard. bestond in diverse kwaliteit, van uiterst praktisch tot zuiver pronkzwaard zwaarden waren ook een symbool van macht. De greep van een zwaard mat meestal 8 à 10 cm en bestond meestal uit massief ijzer dat eindigde in een knop. De kling mat meestal ongeveer 80 cm
  68. 68. Kling werd verstevigd d.m.v. damasceren: techniek waarbij staven koolstofarm ijzer met ingewikkelde techniek werden versmolten met koolstofrijk ijzer het geheel werd vervolgens uitgesmeed resultaat  zowel een sterke als elastische kling. Frankische wapensmeden zijn de beste: beheersen techniek van het afkoelen van fosfaatrijk ijzer een soort staal week niet veel af van ons modern staal gaven zwaarden ook iets andere vorm, waardoor je er enkel mee kon slaan
  69. 69. Frankische klingen waren erg gewild Worden in heel Scandinavië gevonden werden vaak ruw geïmporteerd om ze lokaal volgens eigen smaak af te werken Keizer Karel de Kale zag het gevaar van deze export  vaardigde verbod uit op uitvoer, maar zonder veel succes …
  70. 70. soort zwaard-mes werd gebruikt om van dichtbij te steken of zelfs om mee te gooien was slechts aan één zijde scherp vaak ook minder gedecoreerd
  71. 71. is in principe een werpwapen vanop een paard ook wel gebruikt om mee te steken waren venijnige wapens met een dunne, spitse speer ging je vlot doorheen een maliënkolder.
  72. 72. is familie van een speer wel veel zwaarder vooral gebruikt als jachtwapen gekenmerkt door de twee uitsteeksels onderaan de lans-punt In Frankische wereld was de lans een privilege van de elite.
  73. 73. Was meest gebruikte wapen van het voetvolk iedereen kon zich wel een bijl kon veroorloven ook speciale strijdbijlen vervaardigd wapen voor alle sociale klassen  ook in de koningsgraven worden strijdbijlen gevonden
  74. 74. ideale wapen voor doelen op afstand Basiskennis gebruik van pijl en boog ook wijd verspreid onder de bevolking door gebruik als jachtwapen
  75. 75. vooral veel oefening om zoveel mogelijk pijlen na elkaar te kunnen afvuren beste schutters haalden een ritme van 20 pijlen per minuut er werd vooral op de borst gemikt  meeste krijgers droegen nu eenmaal een lichte bepantsering
  76. 76. opgraving van Haithabu: een perfect bewaarde boog van taxushout 191 cm lang bereik van ongeveer 200 m . Pijlen: ongeveer 70 à 80 cm lang Pijlpunten  soms met weerhaken: pijl niet zomaar uit de wonde trekken  weggesneden  grotere kans op infecties
  77. 77. karakteristieke ronde schilden goed bewaard exemplaar gevonden in Gokstad-schip Tijdens naderen van de vijandelijke kusten werden de schilden langs de boord van het schip geplaatst om de roeiers te beschermen meestal wordt enkel de metalen knop teruggevonden
  78. 78. De kunst van de Vikingen is in de eerste plaats toegepaste kunst laat zich kenmerken door haar kracht, vitaliteit en rijke dierenornamentiek
  79. 79. De basis van de Viking-stijl is de Noordse dierenstijl die vanaf 600 n.Chr. werd ontwikkeld. De ornamenten kwamen voort uit: Figuren: dieren en mensen Planten: ranken, bladeren, bloemen Geometrische patronen: driehoeken, cirkels, spiralen, slangen
  80. 80. zogeheten grijpdier een vaak voorkomend stijlfiguur fabeldier dat met een poot grijpt naar zijn eigen nek Het grijpdier kan erg verschillen in uitvoering: 2 of 4 poten meer of minder volume langgerekt of juist gedrongen
  81. 81. De Vikingkunst wordt ingedeeld in 3 grote perioden: Vroege Vikingperiode: late 8e eeuw tot late 9e eeuw Midden-Vikingperiode: late 9e eeuw tot 2e helft 10e eeuw Late Vikingperiode: 2e helft 10e eeuw tot begin 12e eeuw
  82. 82. Ontwikkeld in de late Vikingperiode Laatste hoogtepunt in het houtsnijwerk van de staafkerken in Noorwegen (11e eeuw) Deze stijl wordt de Urnes-stijl genoemd naar de stafkerk van Urnes in Noorwegen.
  83. 83. in een christelijke context scènes uit de Vikingmythologie afgebeeld onder meer scènes uit het verhaal van Sigurd en de draak Sigurd wordt afgebeeld met de typische conische Vikinghelm op zich heel bijzonder omdat in Vikingkunst sowieso weinig mensen worden afgebeeld
  84. 84. Een van de bekendste Vikingkunstwerken staat in het Deense Jelling  enkele zwerfkeien naast een kerkje waarop een kunstig reliëf is aangebracht met een opschrift in runentekens. Het reliëf en de inscripties dateren uit de 10e eeuw Inscriptie verwijst naar koning Gorm van Denemarken.
  85. 85. De kleinste steen is ongeveer 1,5 m hoog en de grootste steen ongeveer 2,5 m. Op de kleine steen wordt Christus afgebeeld in een patroon van in elkaar vervlochten ranken een typisch christelijke voorstelling in een al even typisch Scandinavisch decoratiepatroon
  86. 86. een schrift dat bestaat uit een reeks rechte lijnen met hoekige dwarsstreepjes zou ontstaan zijn om in steen of hout te kerven opschriften werden vooral aangebracht langs de zogeheten Haervejen (heirwegen)
  87. 87. oudste stenen met inscripties worden gedateerd in 400 n.Chr. Vanaf de 8e eeuw ook aangebracht in decoraties, veelal monsters in reliëf Soms worden ze zelfs ingekleurd Vaak bedoeld om rovers en demonen af te schrikken

×