Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Begraving en rituelen bij Kelten en Vikingen

Dit is de diapresentatie van de gelijknamige lezing die ik voor Amarant gaf in Gent en Antwerpen

  • Be the first to comment

Begraving en rituelen bij Kelten en Vikingen

  1. 1. • Studeerde archeologie aan de K.U. Leuven • Docent artistieke vakdidactiek in de lerarenopleiding van hogeschool voor de kunsten PXL-MAD, Limburg • Leerkracht cultuurvakken in het CVO Leuven • Amarantdocent sinds 2002 • Auteur van jeugdthrillers www.erwinclaes.com
  2. 2. Dat kan! U hoeft enkel te surfen naar: slideshare.net  gebruik zoektermen: erwinclaes7, Begraving & rituelen, Amarant
  3. 3. 1. Begraving en rituelen in de Keltische Wereld 1. Historische en geografische situering van de Kelten 2. Goden en rituelen bij de Kelten 3. Stamhoofdgraven in de Hallstat-periode 2. Begraving en rituelen in de wereld van de Vikingen 1. Historische en geografische situering van de Vikingen 2. Goden en rituelen bij de Vikingen 3. Koningsgraven bij de Vikingen
  4. 4. 1. Historische en geografische situering van de Kelten 2. Goden en rituelen bij de Kelten 3. Stamhoofdgraven in de Hallstat-periode
  5. 5. Geschreven bronnen Taalkunde Archeologie
  6. 6.  Omvat al het geschreven materiaal met betrekking tot de Kelten  Teksten op munten, inscripties op steen, literaire bronnen, …  Geen Keltische geschreven bronnen (orale traditie!)  Wel geschreven bronnen van tijdgenoten uit Griekse en Romeinse Wereld  Bekendste literaire bron: De Bello Gallico van Julius Caesar (100 – 44 v.C.)
  7. 7.  Kelten hebben amper geschreven bronnen achtergelaten  Studie oude Keltische talen vooral gebaseerd op: eigennamen, plaatsnamen, woorden in klassieke teksten, …  Aparte tak binnen Indo-europese talenfamilie  Geen dode talenfamilie!
  8. 8.  Ierland  Schotland  Wales  Bretagne  Het eiland Man  Cornwall
  9. 9.  Veel organisch materiaal is verloren gegaan  Door verbeterde technieken toch nog heel veel informatie
  10. 10. • Hallstatt • La Tène
  11. 11. Hallstatt •+/- 1200 – 475 v.C. La Tène •475 v.C. - …
  12. 12.  1e helft 19e eeuw opgegraven  Uitzonderlijk rijke stamhoofdgraven  Wapens, spelden, aardewerk, …  Importproducten uit mediterrane gebied (in casu Italië)
  13. 13.  N-EU: geen grootschalige politieke organisatie met uitgebreide machtscentra  Toch: ruilhandel over zeer lange afstanden (tin + koper)  8e eeuw v.C.  controle over ijzer stimuleert opkomst lokale machtscentra - heuvelforten - prestigecultuur - rijke stamhoofdgraven in Z-DU, Bohemen, W-Hongarije
  14. 14.  kleine elite → toegang tot mediterrane prestigegoederen └► niet in gewone graven  benadrukte sociale status eigenaar  elite = zeer kleine groep ( 1 of enkele families)  macht  gebaseerd op controle handel in luxe- goederen  verwerven enorme rijkdom  Hierdoor elite in staat om heuvelforten te bouwen
  15. 15. heuvelforten stamhoofdgraven
  16. 16.  Begin 5e eeuw v.C.  plots verdwijnen van stamhoofdrijken:  Heuvelforten verdwijnen  Geen rijke grafbijzettingen meer  Oorzaak→ einde handel met mediterraan gebied !  Reden: vernietiging handelscentra in Po-vlakte  Verschillende theorieën :  A ) → maatschappelijke + ideologische veranderingen  B ) → Massalia = geen handelsactiviteiten meer naar Noorden → ingeperkt door Carthago  Gelijktijdig  opkomst rijke + oorlogszuchtige samenlevingen ten N van de Alpen:  Keltisch sprekend  Materiële cultuur  La Tène
  17. 17. 1. Historische en geografische situering van de Kelten 2. Goden en rituelen bij de Kelten 3. Stamhoofdgraven in de Hallstat-periode
  18. 18.  oneindig aantal goden  karakter = wispelturig + onvolmaakt + gevaarlijk  goden → tevreden stellen met offers  sommige godheden worden enkel lokaal vereerd  steeds verband met bepaalde plaatsen in de natuur → vooral water └► cfr. Bath → opgedragen aan Sul : godin warm water  veel goden gekend via plaatsnamen └► vb: Lugdunum (Lyon) : vesting van Lug
  19. 19. Gewijd aan Keltische godin Sulis die door de Romeinen werd herdoopt tot Minerva
  20. 20. Belenus : ‘helder’ , ‘schitterend’  Gallische zonnegod en heler Camulos : oorlogsgod uit Brittannië en Gallië
  21. 21. Cernunnos : ‘de gehoornde’ → meester v/d dieren Epona : paarden- en vrucht- baarheidsgodin ( Gallië )
  22. 22. Sequana : godin v/d Seine Teutates : ‘stamgod’ → wellicht een titel van veel verschillende godheden
  23. 23.  veel godheden = vereerd in triades (cfr Heilige Drievuldigheid)  3 aspecten van 1 godheid └► uitgebeeld in sculpturen met 3 gezichten  via Ierse literatuur → godheden van vorm veranderen (vb: een raaf) └► Kelten in late ijzertijd stelden zich hun goden NIET mensvormig voor  cfr. verhaal van Brennus in Delphi
  24. 24.  geen voorstelling van een hemel of hel als straf of beloning voor dagelijks leven  automatisch herboren in Hiernamaals  geen duidelijke grenzen tussen wereld van de levenden en van de doden & goden └► cfr. Ierse verhalen
  25. 25. 1. Historische en geografische situering van de Kelten 2. Goden en rituelen bij de Kelten 3. Stamhoofdgraven in de Hallstat-periode
  26. 26.  Hallstatt-samenleving → prestigecultuur  begrafenis = ideale gelegenheid om rijkdom te tonen aan onderdanen  uitzonderlijk karakter rijkdom → benadrukken door overdadige / prestigieuze verspilling └► meegeven van goederen met overledene vb: 4-wielige wagens
  27. 27.  Graven overdekt met grafheuvel  meestal in nabijheid heuvelfort  voortdurend bevestigen van elite als machthebber
  28. 28.  Belangrijkste overblijfsel uit Hallstatt-periode  strategische oneffenheden  Domineren belangrijkste handelsroutes  Meeste zijn slecht gekend, want later opnieuw bewoond  Bekendste  Heuneburg  Vlaanderen  Kemmelberg
  29. 29.  domineert bovenloop Donau ( O-W-handelsweg )  7e eeuw tot eind 5e eeuw v.C. Bewoond  3,5 ha groot  opgravingen → nijverheidsactiviteiten: brons, goud en koraal  3 laatste bouwfasen  allen door brand verwoest  Fascinerend  verdedigingsmuur uit 6e eeuw v.C.  tichelsteen op fundament van natuursteen  bouwtechniek = volledig uitheems ( Grieks ? )  ongeschikte techniek voor klimaat Midden-EU
  30. 30.  8,5 ha groot  belangrijkste hoogtenederzetting in omgeving  complex systeem van grachten + wallen  omsloten areaal → verdeeld in aristocratische woonzone + ambachtelijke zone └► weinig gegevens door verwoestingen WO I  woonzone = +/- 3 ha  vorstelijk karakter nederzetting → luxe-artikelen (vb: glazen kralen, bladgoudmotieven) └► einde 6e eeuw tot midden 4e
  31. 31.  economische welvaart → controle over zoutproductie aan Belgische kust  uitkoken zeewater in grote kommen  zout werd vervoerd in tegen elkaar geplaatste gootjes  opmerkelijk = productie eigen soort luxe-keramiek └► - zeer veel misbaksels - kleiconcentraties binnen areaal
  32. 32.  ontdekt in 1953  in buurt heuvelfort Mont Lassois  6e eeuw v.C.  grafkamer = 3 x 3 m  Lichaam van vrouw +/- 35 jaar  opgebaard op wagenbak
  33. 33.  4-wielige wagen → met wielen = tegen wand gezet  gouden torque  drinkgerei voor wijn → Etruskische schenkkan + Attische bekers
  34. 34.  enorm bronzen mengvat  1,64 m hoog  versiering: Griekse krijgers + strijdwagens  vervaardigd in Sparta of Griekse kolonie in Zuid-Italië  in onderdelen naar noorden + ter plekke geconstrueerd
  35. 35.  ontdekt in 1977  overledene met grafgiften in houten koffer  Houten koffer verzonken in 2,4 m diepe put  grafkamer overdekt met 50 ton aan boomstammen + steenblokken  grafheuvel: 20 m hoog + 60 m diameter
  36. 36.  40-jarige man (1,87 m lang) └► lag op bronzen bank (3 m) met 8 poten op wielen in vorm vrouwen-figuurtjes  Bed versierd met wagens + krijgers + dansers  vorst → riemplaat + in goud gevatte dolk  enkelhoge laarsjes bedekt met gouden plaatjes
  37. 37.  4-wielige wagen (ijzer + brons)  9 grote drinkhorens + servies voor 9 pers. └► 9 is ideaal aantal voor Grieks symposium
  38. 38.  aan voeten vorst → grote bronzen kookpot uit Italië  a.h.v. bronzen kookpot  gedateerd op 530 v.C.  géén wapens in graf  enkel jachtwapens  conclusie uit grafgiften = jagen + feestvieren
  39. 39. 1. Historische en geografische situering van de Vikingen 2. Goden en rituelen bij de Vikingen 3. De koningsgraven
  40. 40.  In deze cursus kiezen we ervoor om niet te spreken over Noormannen, maar over Vikingen en dit om onnodige naamsverwarring te vermijden met de bewoners van Normandië.  Viking  Germaanse woord “vik” (baai of kreek)  “vik”  betekende in Oudnoors: “expeditie op zee”  Vikingen  deelnemers aan de strooptochten
  41. 41.  meeste leden van de expeditie kwamen uit de Scandinavische landen  ook vrijwilligers uit Engeland, Ierland, Friesland Bretagne, Ierland, …  Vikingen  niet één groep  WEL een verzameling van stammen en koninkrijken die ook elkaar viseerden met hun strooptochten.
  42. 42.  start Vikingperiode: Lindisfarne 793  einde Vikingperiode: verovering Engeland door Willem de Veroveraar in 1066  totale duur Vikingperiode  300 jaar  Vikingen evolueerden in die periode naar een meer Europees- feodaal en christelijk model  op dat moment houden ze op Vikingen te zijn en worden ze gewoon Noord-Europeanen.
  43. 43.  amper schriftelijke bronnen over de religieuze opvattingen van de Vikingen  belangrijkste getuigenis  Snorri Sturluson die als christelijke Ijslander ( 1e helft 13e eeuw) een beschrijving maakte van het geloof van zijn voorvaderen.  De Ijslandse saga’s vertellen weinig over de organisatie en belangrijkste liturgische feesten van de Vikingen.
  44. 44.  Volgens de Noordse  mythologie was de wereld geschapen uit het dijbeen van de reus Ymir  De wereld bestond in het midden uit een reusachtige, steeds groenblijvende boom  Yggdrasil  De wortels van deze levensboom reikten tot in hel  de takken liepen helemaal tot in de hemel.
  45. 45.  De boom verbond:  de wereld van de mensen (midgaard)  met de woonplaats van de reuzen (utgard) daaronder  de wereld van de goden (asgard) daarboven.
  46. 46.  Bij de centrale as van de wereld leefden 3 schikgoden urd, skuld en verdandi die beschikten over het lot, waar iedereen (ook de goden!) ondergeschikt aan was.
  47. 47.  Volgens de opvattingen van de Vikingen bestond midgaard uit een platte schijf met daaromheen een gevaarlijke zee waarin de midgaardslangen leefden.
  48. 48.  De Asen waren de belangrijkste goden  Zij gaven ook hun naam aan asgard, waar zich het Walhalla bevond, de zetel en grote hal van Odin  Walhalla was de plek waar de Walküren de geesten van de gesneuvelde krijgers heen brachten  De gesneuvelde krijgers konden er feesten en vechten tot ze zouden worden opgeroepen voor de apocalyptische eindstrijd  ragnarok.  De 3 belangrijkste goden: Odin, Thor en Freyr
  49. 49.  Overzag vanop zijn troon in walhalla de schepping en de onderwereld  8-benig paard: Sleipnir  2 raven:  Hugin (de gedachte)  Munin (het geheugen)  Speer: Gungnir  Toverring: Draupnir
  50. 50.  Odin had slechts één oog  het andere had hij opgeofferd in zijn zoektocht naar wijsheid  Hij heeft zichzelf eens 9 nachten opgehangen om de geheime runen te leren.
  51. 51.  Odin kende weinig medelijden met de mens  Zijn aanbidders vreesden hem erg  Toch was hij de beschermer van koningen, hoofdmannen, tovenaars en skalden (dichters)  god van de aristocratische bovenklasse maakte
  52. 52.  god van de donder die hij veroorzaakte als hij met zijn bokkenkar langs de hemel reed  belangrijkste attribuut: onafscheidelijke hamer met korte steel, Mjöllnir  Mjöllnir keerde steeds terug als hij hem wegwierp.
  53. 53.  beschermgod van de reuzen  Beschermgod van de akkerbouw  net als Herakles beschermde hij mensen en goden tegen bedreigingen als geesten, koude en honger.
  54. 54.  Thor was gewelddadig  maar had een goed hart  daarom herkenden zijn gelovigen zich in hem  meest geliefde god onder de mensen
  55. 55.  Freyr betekent Heer  is dus eigenlijk geen naam, maar een titel  Mogelijk ging het om een taboenaam voor een god waarvan de eigenlijke naam ons niet bekend is
  56. 56.  Freyr is de god van de mannelijke seksualiteit  wordt vooral door de dynastie van de Ynglingen vereerd (met als thuisbasis het Zweedse Uppsala)
  57. 57.  tweelingzus van Freyr  godin van de schoonheid en de bekoring.
  58. 58.  Voor Vikinggoden is moed net zo belangrijk als welbespraaktheid en intelligentie  cfr. mensen  meeste verhalen over de goden gaan over avontuur en dapperheid  voorbeeld voor mensen
  59. 59.  Wie moedig leefde en stierf in de strijd werd daarvoor beloond met het eeuwige feesten in walhalla  sneuvelen in de strijd ver van huis  geen angstaanjagend vooruitzicht  sowieso beter om te sneuvelen dan zich over te geven en verder te leven als zwakkeling  Verklaring voor de wreedheid van de plundertochten? Je moest je immers dapper en krachtig tonen  Toch namen Vikingen geen onnodige risico’s namen  Zeker de meer georganiseerde legers streden heel weloverwogen  maken evenzeer gebruik van efficiënte onderhandelingstechnieken om doel te bereiken.
  60. 60.  Vikinggoden waren niet almachtig  hadden zowel goede als slechte karaktertrekken  Mensen hadden plichten ten overstaan van de goden  Mensen hadden ook rechten  als een god je onvoldoende hulp gaf, mocht je je van hem afkeren.
  61. 61.  De goden konden hulp bieden in het dagelijks leven  daarom droegen veel Vikingen allerlei amuletten in de vorm van de hamer van Thor of een miniatuurwapen.
  62. 62.  De goden werden aangesproken in collectieve rituelen  rituelen steeds in openlucht  Vikingen zagen de goden vooral in bomen, waterbronnen, grote stenen, bergen, open waters, …  Hier werden offers gebracht van vruchten en/of dieren  soms ook mensenoffers  hoogste offer  offers moesten de mensen verbinden met de goden.
  63. 63.  vaste rituelen die seizoensgebonden waren  Bvb: joelfeest, ook wel midwinterritueel genoemd (cfr. Kerstmis)
  64. 64.  om de 9 jaar  Blöt  groots feest met offers van mensen en dieren gehouden  deze bloedoffers werden Blöt genoemd  meestal gevolgd door feestmaal waar het offer ritueel werd gegeten.
  65. 65.  meest spectaculaire grafvorm van de Vikingen  bootkamergraf van Oseberg opgegraven in 1904  schip werd tussen 850 en 900 uit het water werd getrokken en in een kuil werd gelegd  overdekt met enorme grafheuvel van stenen, klei en plaggen turf
  66. 66.  In het schip werd een grafkamer gebouwd waarin twee vrouwen werden gevonden:  jongere vrouw van 20 à 30 jaar  oudere vrouw van ongeveer 60 jaar  lagen beide op houten bedden in een tentvormige kamer  Zowel in de kamer als daarbuiten werden allerlei voorwerpen gevonden die stuk voor stuk opvallen door hun rijke houtsnijwerk  Houtsnijwerk  vooral dierfiguren en verhalende scènes uit de mythologie voorstellen  moeten zeer belangrijk en welstellende vrouwen zijn geweest
  67. 67.  In het graf is geen goud of zilver meer gevonden.  vermoedelijk gestolen door grafrovers die zich met een tunnel toegang hadden verschaft tot de centrale grafkamer
  68. 68.  Eentje bestond uit maar liefst 1061 fragmenten en werd weer helemaal in elkaar gepuzzeld  Het bestond uit een bakvormig bovenstel en kon voortgetrokken worden door paarden  Het was rijkelijk gedecoreerd met schitterend houtsnijwerk  Opvallend is de extra glijder die was aangebracht onder de met houtsnijwerk gedecoreerde glijder
  69. 69.  Dit soort wagens komt wel vaker voor in de graven van hooggeplaatste vrouwen  Opvallend is dat de constructie erg gelijkt op die van schepen, zodat het misschien door een scheepsbouwer is gebouwd geweest  De rijke versiering van de wagen duidt mogelijk op een eerder ceremoniële functie. Er zal niet echt mee gereisd zijn.
  70. 70.  gaat om grote stukken bewerkt hout  de houtblokken monden uit in opengesperde dierenkoppen  onderaan bevindt er zich een handvat  het is uitgewerkt met het allermooiste houtsnijwerk dat ooit is teruggevonden in Scandinavië  Over de functie van deze dierposten blijft het gissen: mogelijk werden ze in processie meegevoerd of ging het om tekenen van waardigheid.
  71. 71.  deze dienden als opbergmeubel  ze waren voorzien van ijzerbeslag en een slot
  72. 72.  waaronder een speciaal ondersteunend paar voor de oudere dame die aan reuma leed
  73. 73.  Houtenschalen om uit te eten  2 geslachte ossen  Brooddeeg in een trog  Schalen met appels  …
  74. 74.  Vermoedelijk gaat het hier om leden van de Noorse koninklijke Yngling-dynastie  Vele koningen zijn hiervan bekend  slechts één koningin en dat was koningin Asa  Mogelijk ligt zij hier begraven  Ose-berg zou afgeleid zijn van haar naam: Asa-berg
  75. 75.  Opgegraven in 1908  3 volwassen mannen  3 kostbare lange zwaarden  4 schilden  pijlkoker met pijlen en een boog  glazen bekers  houten emmer met ijzerbeslag  kostbaar paardentuig  skeletten van 3 paarden
  76. 76.  Bovenop de grafkamer was een zeewaardig oorlogsschip van 18 m lang begraven.  Het idee achter deze vorm van begraving zou de mogelijkheid zijn om per schip over te steken naar het Walhalla om dan per paard de laatste rit naar de feestzaal van Odin af te leggen.  Opvallend aan dit graf is vooral dat de koning in kwestie begraven werd met twee hoge functionarissen die hem vrijwillig (of niet) in de dood gevolgd zijn.
  77. 77.  in totaal 682 graven  200 in de vorm van een schip  begraafplaats voor krijgers en dames uit de hogere kringen  kregen een graf in de vorm van een boot, wat bewijst hoe het schip ook een hoog ingeschat symbool was.

×