Wiemooiwilzijn

331 views

Published on

school taal

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Wiemooiwilzijn

  1. 1. 7.4 Wie mooi wil zijn…..
  2. 2. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld.
  3. 3. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Wat is de persoonsvorm in deze zinnen?
  4. 4. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Wat is de persoonsvorm in deze zinnen?
  5. 5. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Wat is het onderwerp deze zinnen?
  6. 6. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Wat is het onderwerp deze zinnen?
  7. 7. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp
  8. 8. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers. Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld. Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat is het lijdend voorwerp in deze zinnen?
  9. 9. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Ze hebben kappers . Hierdoor ontwikkelen veel kinderen een negatief zelfbeeld . Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat is het lijdend voorwerp in deze zinnen?
  10. 10. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp .
  11. 11. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. De jongen plaagt de hond Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat (wie) plaagt de jongen?
  12. 12. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. De jongen plaagt de hond Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat (wie) plaagt de jongen? de hond
  13. 13. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. Marieke duwt haar kleine broertje Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat (wie) duwt Marieke?
  14. 14. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. Marieke duwt haar kleine broertje Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat (wie) duwt Marieke? Haar kleine broertje
  15. 15. 7.4 Wie mooi wil zijn….. Het onderwerp doet iets met het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp ondergaat een handeling. Marieke duwt haar kleine broertje Het antwoord op de vraag: wie (wat) + gezegde + onderwerp noemen we het lijdend voorwerp . Wat (wie) duwt Marieke? Haar kleine broertje Net als het onderwerp kan ook het lijdend voorwerp uit meerdere woorden bestaan.

×