Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Innovatiecatalogus 2019

58 views

Published on

Het jaarlijkse overzicht van Acquire Publising met innovaties in materialen en producten is weer uit.

En wel met de volgende Booosting bijdragen:
> Circulaire Top 40 samengesteld door Peter Fraanje
> Interview met oud-Booosting-voorzitter/architect Jouke Post
> Interview met gevelexpert Esther Hebly van DGMR, tevens oud-booosting-bestuurslid.

Veel leesplezier!

Published in: Technology
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Innovatiecatalogus 2019

  1. 1. 1stedebouw & architectuur | nr. 7 | november 2013stedebouw & architectuur | nr. 7 | november 2013 platform voor ontwerp, fabricage, bouw en gebruik van prefab betonproducten in co-productie met: INNOVATIECATALOGUS2019 INNOVATIES IN MATERIALEN EN PRODUCTEN
  2. 2. 3B:ton H et Centre for Urban studies/GPIO van de Universiteit van Amsterdam onder- zocht de huidige architectuurpraxis. Conclusie van de UvA-onderzoekers: “Het veld waarin architecten werkzaam zijn, is in de afgelopen twee decennia drastisch gewijzigd. Nieuwe regels, nieuwe spelers, nieuwe technologie en een diepe economische crisis hebben gevestigde verhoudingen diepgaand getransformeerd.” Een van de veranderingen: de machtspositie van de architect is verkruimeld, de architect moet zijn macht delen. Is dat een slechte ontwikkeling? Niet dus. In een maatschappij die vanouds gestoeld is op polderen, is delen een sinds eeuwen ingeburgerde eigenaardigheid van Nederlanders. Nu de grote verbouwing van Nederland zich aandient, loont het om de oude mores te revitaliseren. Want de opgaven zijn te complex en zodanig maatschappelijk verankerd dat ze niet vanuit een ivoren toren zijn op te lossen. Dat sharing werkt en mooie dingen oplevert, bewijst het BNA-onderzoeksproject De Stad van de Toekomst. Vrijdag 30 november presenteerden tien ontwerpteams in Pakhuis de Zwijger hun ontwerpvisies voor de vijf grote steden. Stuk voor stuk hybride oplossingen, stuk voor stuk exempelen van ‘systeem- en netwerkinnovaties’, aldus Mark Frequin, DG Bereikbaarheid bij het ministerie van IenW. Volgens Frequin is dat ook de route voor de komende jaren, alleen zo ‘halen we Parijs en krijgen we de steden van de toekomst die we willen’. Paris-proof als stok achter de deur, om andere wegen in te slaan, om te vernieuwen, om integraal te werken, maar ook om te overleven. Want proptech en contech staan te trappelen van ongeduld om de bouwmarkt op z’n kop te zetten. Silicon Valley is aan het warmlopen. Enkele recente voorbeelden. Google gaat een stadsdeel in Toronto (her)ontwikkelen en slimmer maken. En Airbnb introduceert eind volgende jaar een woningconcept, volgens Airbnb co-founder Joe Gebbia, een geheel nieuwe manier van ’design, build and share homes’. Dreigt met deze en andere disruptors de traditionele bouw- en ontwerpkolom van de kaart geveegd te worden? Zo’n vaart zal het niet lopen. Maar misschien toch handig om na te denken over de versteviging van de positie van architecten. Hoe? Door aan te haken op maatschappelijke opgaves, een richting die ook Rijksbouwmeester Floris Alkemade voor ogen heeft: “Architecten in Nederland zijn doorgaans uitstekend opgeleid. Het is een sector die ook internationaal volop aanzien geniet. Het onderzoek toont aan dat we ontwerpers de goede vragen moeten stellen en ze meer en eerder moeten koppelen aan grote maatschappelijke opgaves als klimaatverandering en sociale segregatie.” Dat stimuleert innovatie, maar dan innovatie met een lange adem. Paul Engels, B:ton Wijnand Beemster, Stedebouw & Architectuur INNOVATIECATALOGUS 2019 Paul Engels, hoofdredacteur B:ton. wijnand beemster, hoofdredacteur Stedebouw & Architectuur. Innovatiecatalogus 2019 Innovatiecatalogus 2019 is een coproductie van Stedebouw & Architectuur en B:ton Magazine. Stedebouw & Architectuur is een 6x per jaar verschij- nend themagericht magazine dat naar abonnees in de ontwikkel-,ontwerp-, bouw- en beheerkolom wordt verzonden. B:ton Magazine is een in opdracht van en in samenwerking met de BFBN samengestelde uitgave die 2x per jaar verschijnt. Hoofdredactie Paul Engels Wijnand Beemster Eindredactie Susan Traag, Jos Oude Holtkamp, Constant Stroecken Redactionele medewerking Aan deze editie werkten mee: Paul Engels, Naomi Heidinga, Peter Fraanje, Hans Fuchs, Peter Bekkering en Menno Lammers. Hoofd Traffic Bea Schreurs (traffic@acquiremedia.nl) Vormgeving de Bladenkamer | grafisch ontwerpers, Zwolle www.debladenkamer.nl Druk Veldhuis Media BV - Raalte Stedebouw & Architectuur en B:ton zijn uitgaven van Acquire Publishing bv Schrevenweg 3 8024 HB Zwolle T 038 4608954 acquirepublishing.nl stedebouwarchitectuur.nl bton.nl Uitgever Geert Dijkstra Advertentie-exploitatie Esmeralda van Milgen en Bram Petri T +31 (0)38 46 06 384 evanmilgen@acquiremedia.nl Persoonlijk Lid van Acquire Publishing Sluit u aan bij het netwerk van 30.000 Architectuur-, Ruimte & Mobiliteitsprofessionals en kies uit een van de drie Persoonlijke Lidmaatschappen. Het Gratis Lidmaatschap geeft recht op alle Acquire Publishing emailnieuwsbrieven. Het Standaard Lidmaatschap (€ 195,-) geeft recht op een digitale en/of papieren versie van alle magazines en 1 gratis PopUp-sessie en het Premium Lidmaatschap (€ 395,-) geeft recht op de magazines, 3 gratis PopUp-sessies en 1 keer gratis deelname aan een van de nationale congressen van Acquire Publishing. Meer informatie vindt u op acquirepublishing.nl. Opzegging van een lidmaat- schap kan alleen schriftelijk of via e-mail naar klantenservice@acquirepublishing.nl. Reprorecht Het verlenen van toestemming tot publicaties in Stedebouw & Architectuur houdt in dat de uitgever met uitsluiting van ieder ander onherroepelijk door de auteur gemachtigd is de door derden verschuldigde vergoedingen voor kopiëren, als bedoeld in art. 17 lid 2 van de Auteurswet 1912 en in het Kon. Besluit van 20 juni 1974 (Stb. 35) ex en art. 16b van de Auteurswet 1912, te innen en/of daartoe in en buiten rechte op te treden. © Copyright Acquire Publishing bv, 2019 voorwoordcolofon
  3. 3. 4 5 stationslocaties Bijproduct hoogovenslak kans voor betonindustrie Leverancier Ecocem en gebruiker Thijssen-Den Brok enthousiast Top-40 innovaties en bouwproducten van Peter Fraanje Koplopers in circulaire bouweconomie 3D-printen van staalconstructies Nog altijd tijdrovend en niet goedkoop Staalbouw 4.0 sterk in customization Bedrijven in plaat- en profielbewerking groeien uit tot ‘smart industries’ Trends in vastgoed volgens Menno Lammers Snelle stijgers: spraaktechnologie, abonnementsdiensten en freelancen Teleporteren, volgende stap in informatieoverdracht Interview met Gertjan Baars, senior directeur bij PwC Nederland PropTech en Contech dringen door in de bouwkolom Menno Lammers maakt rondgang langs vier start-ups Brancheregister Geen revolutie maar evolutie Interview met prof. Jouke Post, XX architecten Woningbouw op duurzaam dieet Interview met Fred Veer, universitair hoofddocent Materiaalkunde,  TU Delft Innovatief pad TU Enschede Energieneutraal pad van 1,1 kilometer Kruidenbuurt Tilburg Techniek helpt natuur bij klimaatmaatregelen Circulaire brug, experiment Rijkswaterstaat Opgebouwd uit 40 prefab betonnen ‘Legoblokjes’ Biobased bouwen in Friesland Nieuwbouw Kenniscentrum Biosintrum in Oostellingswerf Hoogste woontoren van Nederland Hoogtepunt prefab beton Innovaties in gevels Interview met Esther Hebly Hightech beton en baksteen Vingeroefening door prof. Peter Böhm en beeldend kunstenaar Martin Kleppe Innovatie en de bouwsector: contradictio in terminis? Madeline Buijs, Sectoreconoom Bouw en Vastgoed, ABN AMRO Gesloten kringlopen in ETH-experiment Door UMAR, een initiatief van Werner Sobek, Dirk Hebel en Felix Heisel stedebouw & architectuur B:ton INNOVATIECATALOGUS 2015 8 18 24 32 36 42 46 52 56 64 68 76 80 90 98 106 108 113 119 INNOVATIECATALOGUS 2019 inhoud
  4. 4. 7B:ton BMI / Monier: Nieuwbouw Van der Valk hotel Leeuwarden ibulb: Biodiversiteit begint bij gevarieerd groen in de stad VBI: Droge balkonmontage aantrekkelijk voor appartementenbouw Enermatics: Energiemonitoring loont Systemair: Samen een gezond binnenklimaat creëren Kingspan: Toekomstbestendig isoleren Kawneer: CIRCL, clubhuis van circulariteit Renson: Invisivent, raamventilatie op maat Fleetshield: Experts in folietoepassingen Vilton: Gebouw ontwerpen doe je ook met je oren 16 22 28 40 50 60 72 86 96 104 INNOVATIECATALOGUS 2019 inhoud Balkons droog monteren zonder steiger? www.vbi.nl Door voortdurend te innoveren werken onze specialisten aan slimmer en sneller bouwen. Zo werken we samen met onze partners aan duurzame, flexibele en comfortabele woon- en werkomgevingen. Flexibel comfort noemen we dat. Meer weten? Bel +31 (0)26 379 79 79 of volg ons via @flexibelcomfort Projecten & producten
  5. 5. 8 9B:tonstedebouw & architectuur “Als je wilt innoveren, is het van belang dat de opdrachtgever de innovatie omarmt. Zonder Wereldhave hadden we nooit het XX kantoorgebouw kunnen bouwen. De uitvoerende partijen lagen dwars. Maar toen de directie van Wereldhave met de vuist op tafel sloeg, ging de innovatie door.” In een interview met Stedenbouw & Architectuur rijgt Jouke Post anekdotes aaneen. Rode draad in het interview (en in zijn carrière) is innovatie of, in zijn eigen woorden, de drive om grenzen te verleggen. Interview met Jouke Post, XX architecten je hebt je altijd nadrukkelijk beziggehouden met innovatie; als architect, als hoogleraar. Wat is je drive, waarom steeds weer grenzen verleggen? “Ik denk dat het te maken heeft met een onderzoekende natuur. Op de TU/e hebben we met de andere faculteiten eens de karakteristieken van een ingenieur, in vergelijking met die van andere wetenschappers, proberen vast te leggen. Een ingenieur is nieuwsgierig en praktisch en combineert die eigenschappen met een wetenschappelijke aanleg. Een ingenieur gaat het experiment niet uit de weg. Daarom voel ik me wel thuis bij ingenieurs. Mijn drive is nieuwsgierigheid en net als ingenieurs wil ik graag grenzen verleggen. Niet welbewust; het zit in je. Met die ingenieursattitude werk ik als architect maar ook indertijd als hoogleraar. De mogelijkheden om grenzen te verleggen – in ieder geval om over de grenzen van je eigen vakgebied heen te kijken – zijn wat ruimer als hoogleraar. Het is in die functie makkelijker – en meer vanzelfsprekend – om met andere vakdisciplines samen te werken.” In je carrière heb je heel veel innovaties langs zien komen. Wat is je top vier? Bedenk wel dat veel innovaties, hoe veelbelovend ook, de eindstreep niet halen, en uiteindelijk geen stempel drukken op de bouw- en ontwerppraktijk. Een voorbeeld van zo’n (geweldige) innovatie die geen succes is geworden, is de Phillips- of Polynormwoning van Alexandre Horowitz (uitvinder van het Philishave scheerapparaat, jaja), ontwikkeld in een periode van materiaalschaarste en woninggebrek, zo rond de jaren vijftig van de vorige eeuw. Alle elementen voor de woning waren prefab. Het concept bestond uit heel veel losse onderdelen, zoals een verdiepingsvloer, met metalen platen en liggers en daaronder plafondplaten, die terplekke aan elkaar werden gebout. Er is een foto van een straat waar al die in het werk te monteren onderdelen waren uitgelegd. Een hele straat vol! De montage was arbeidsintensief, dat was toen nog geen probleem. In 1951 werden in de wijk Lievendaal, in opdracht van Philips, 221 van die woningen gebouwd. Maar daarna werd het langzaam stil. De woningen van Horowitz werden te duur. Het in elkaar sleutelen van die woningen vergde te veel tijd. Dat merkten we enkele jaren geleden nog, toen wij vanuit de TU/e zo’n woning demonteerden en weer opbouwden op het TU/e terrein. Daar gingen heel veel uren in zitten. Dat nekte deze innovatie: te duur door de stijgende lonen. De tweede innovatie die ik wil noemen is de bollenvloer. Nog heel goed herinner ik me hoe een vertegenwoordiger aan mijn bureau stond met een kunststof bol in zijn handen. Daarmee kon je beton besparen in vloeren. Ik had daar forse twijfels over. Enkele jaren later werd deze nieuwe techniek door de TU/e vakgroep Construction Management & Engineering uitvoerig in het laboratorium beproefd. Met positief resultaat. Inmiddels zijn er duizenden vierkante meters bollenvloeren gemaakt. › De drive om grenzen te verleggen Prof ir Jouke Post, XX architecten en prof. TU Eindhoven. INNOVATIECATALOGUS 2019 Interview Wijnand Beemster interview
  6. 6. 11B:ton hoeft de Tesla helemaal niet meer op een traditionele auto te lijken. Honderd jaar geleden was de eerste auto ook een koets zonder paard. Maar wat dat betreft verandert er weinig in de auto-industrie, het oude ontwerpidioom bepaalt het uiterlijk van de high tech auto’s van nu. De bouw doet het heel wat beter? De ingenieursattitude die ik hiervoor noemde, zit echt wel in de genen van de bouw- en ontwerpkolom. Kijk maar eens wat in de wederopbouwperiode is gepresteerd. Met overheidssteun werden honderdduizenden woningen uit de grond gestampt. Door rationeel en niet-traditioneel te bouwen 3) . Er is toen zeer veel en heel snel geïnnoveerd. Innovaties zijn sindsdien verder gegaan wat onder andere resulteerde in een enorme kostenreductie. De bouwkosten van een woning liggen nu vele malen lager dan die van een vergelijkbare woning uit de jaren twintig van de vorige eeuw. En: huidige woningen zijn kwalitatief veel beter en veel sneller te bouwen. Ook weer door innovatie. En kijk eens naar de hoogbouw met torens van 200 meter hoog in Nederland of 800 meter in Dubai. Daar zit een geweldige innovatie achter. Complex De Rotterdam van OMA bijvoorbeeld, een immens gebouw, is in een paar jaar gebouwd. Innovatie in de wederopbouwperiode werd door de overheid gestimuleerd. Wie doet dat nu? Wij hebben in Nederland een cultuur van experimenteren en innoveren. Met dank aan de overheid die de wederopbouw krachtig heeft gestimuleerd. Dankzij de woningbouwverenigingen konden experimenten gerealiseerd worden en nu zijn we zover dat we voor innovatie de overheid niet meer nodig hebben. Innovaties als self-healing materials worden door de markt, vaak in samenwerking met de TU’s, ontwikkeld. De overheid heeft in dit soort innovaties geen echte rol meer. › Hoewel nu verschillende gebouwen problemen door deze vloer hebben, doet dit niets af aan de kracht van deze innovatie. Want de hechtingproblemen waar de bollenvloer nu mee kampt, hebben niets te maken met het concept zelf, maar zijn in hoofdzaak een gevolg van een onjuiste uitvoering. Ik blijf erbij: de bollenvloer is een zeer geslaagde innovatie. Een derde belangrijke innovatie heeft te maken met de isolatie van gebouwen. Dat begon feitelijk met de spouwmuur, door L. Zwiers geïntroduceerd in zijn baanbrekende boek Kleine woningen (1923) 1) . Nu zijn we zover dat woningen nauwelijks meer energie nodig hebben om comfortabel te zijn. Met dank aan de innovatieslag in isolatie. Een vierde innovatie - ik mag er helaas maar vier noemen - is het digitale tekenen. Toen ik mijn bureau begon, begin jaren tachtig, tekenden we alles nog met de pen. Wijzigingen werden met krassen en opnieuw intekenen verwerkt. Dat is niet meer aan de orde. Het digitale tekenen heeft de werkwijze enorm veranderd. Wijzigingen, aanpassingen, verbeteringen worden integraal meegenomen. En kunnen ook niet meer als meerkosten verrekend worden. Nadeel was de geringe mate van integratie van de verschillende systemen. Tijdens de fusie van mijn bureau met dat van anderen, in 2000, hebben we meerdere tekensystemen op elkaar af moeten stemmen. Een enorme operatie. Met de huidige generatie systemen, en met de invoering van BIM, is dat ook al weer verleden tijd. Bouwagendavoorman Wientjes predikt de revolutie. Ben je het eens met Wientjes of kies je voor evolutie? John Habraken, de schrijver van het interessante boekje ‘aap, noot, mies, huis’, en de eerste decaan van de faculteit Bouwkunde TU/e, deed zijn beklag eens tegen mij dat zijn Open Bouwen ideeën, vervat in het SAR-maatsysteem, uiteindelijk niet geïmplementeerd zijn 2) . Ik zie dat anders, ik ben ervan overtuigd dat al deze ontwikkelingen in de tijd wel zijn geïmplementeerd, alleen steeds weer in een nieuwe verbeterde vorm. Het is geen oude wijn in nieuwe zakken, maar steeds betere wijn in nieuwe verpakkingen. Habraken introduceerde met de SAR een maatafsprakensysteem, met het doel om middels slimme industrialisatie variatie en differentiatie in de woningbouw mogelijk te maken. Hier kwam het ‘Open Bouwen’ uit voort. Later werd dit ondersteund met een vier jaar durend IFD ( Industrieel Flexibel en Demontabel) subsidieprogramma van de overheid. Mijn standpunt is: innovatie vereist een lange adem, is een evolutionair proces. Met een schuin oog naar de bouwsector constateert Wientjes dat innovatie in de bouwsector te traag gaat. Andere sectoren innoveren meer en sneller? Mensen praten elkaar na en verdiepen zich niet echt in het onderwerp. Vaak wordt als voorbeeld de auto-industrie genoemd. Ik vind dat een hele slechte vergelijking. Is de auto- industrie wel zo vernieuwend? Het is pas sinds de introductie van de elektrische auto dat er echt wat gebeurt. En dan nog worden ontwerpen gemaakt in het idioom van 1900. De Tesla bijvoorbeeld heeft geen kooiconstructie meer, maar de auto lijkt wel op een gewone staal geperste kooiauto. Feitelijk kan de vrijheid van het accuplatvorm veel beter gebruikt worden en ‘IKEA laat Nederland nu nog links liggen, maar lang zal dat niet duren’ Cradle to Cradle Woning. XX kantoorgebouw in Delft, ontwerp XX architecten. De lifespan-benadering vertaald in en gebouw. stedebouw & architectuur10 INNOVATIECATALOGUS 2018interview
  7. 7. 13B:ton Wat maakt een innovatie tot een succes? Belangrijk is dat de partijen inzien dat er veel te winnen valt bij innovatie. Dat innovatie loont. Dat wil niet zeggen dat alle betrokkenen direct overstag gaan. Er is veel koudwatervrees. Gewoonlijk is een innovatie afwijkend van wat men gewend is en dus risicovol. Maar op de lange termijn kan zo’n innovatie zeer lucratief zijn, dat besef moet tussen de oren komen. Het liefst bij de top van het opdrachtgevende bedrijf. Ik heb op dat punt veel geleerd van project XX in Delft (een kantoorgebouw met een lifespan van twintig jaar). Met de directievoorzitter van Wereldhave aan tafel konden we een jaar lang alle hoeken van dit experiment uitzoeken. Een gebouw van glas? Of van karton? Architect, zeg het maar. Maar dan de horde van de uitvoering! Het gebouw dat we uiteindelijk hebben gemaakt 20 jaar geleden, dreigde in de uitvoering teruggedraaid te worden tot een ‘normaal’ gebouw. Uitvoerende partijen lagen dwars. Onder druk van de directie van Wereldhave bleven de uitgangspunten overeind, met alle innovaties. Toen begreep ik dat je alleen kunt innoveren als de top van het (betalende) bedrijf de innovatie ondersteunt. Dat staat ook te lezen in het boekje ‘De kunst van rekbaar vastgoed’ dat ik met Henk Bouwmeester en Gert-Jan van de Brand naar aanleiding van het XX gebouw heb geschreven 4) . Als de top van het bedrijf de innovatie niet omarmt en de medewerkers het belang niet onderstrepen dan verzandt de innovatie. Welke segmenten blijven achter in de bouw- en ontwerppraktijk? De installatietechniek kan nog stappen zetten. Die branche is nog te veel gericht op de handel in pijpen, buizen en machines. En niet op de ontwikkeling van essentiële verbeteringen. De sector excelleert in risicomijding. Dat zit daar erg diep. Mede in de hand gewerkt doordat installatietechniek niet in direct contact staat met de klant. Terwijl bouwbedrijven door opdrachtgevers onder druk worden gezet om risico’s te nemen en te innoveren (onder het motto: klant centraal), staat de installatietechniek wat verder af van de opdrachtgever en consumenten en kiest al gauw voor een veilige en behouden route. Dat conservatisme, die afstand tot gebruikers en opdrachtgever – daar hebben de bouw- en ontwerpkolom last van. Probeer als architect maar eens een keuze te maken uit het enorme aanbod warmtepompsystemen. Dat lukt je niet. En als de installatiebranche openstaat voor vragen dan wordt elke vraag al gauw beantwoord met techniek - installateurs weten niet beter. Ze zitten vast aan hun pijpen, en hun machines. Dat het misschien ook anders kan – die vraag leeft niet of nauwelijks. Wellicht kan door een ander bouwproces, waar de producent van de installaties al in een vroege fase van het project aan tafel zit, vernieuwing worden bereikt? Je hebt je altijd nadrukkelijk beziggehouden met duurzaamheid. Je bouwde de eerste C2C woning, met Villa Zebra brak je een lans voor circulariteit – zie je in duurzaam bouwen nog ruimte voor innovatie? In het begin van de jaren tachtig begon de milieuproblematiek steeds duidelijker te worden, waardoor de milieubelasting van bouwmaterialen belangrijk werd. Toen ontstonden de eerste lijstjes van wel en niet toe te passen materialen. In het verlengde van deze discussie introduceerde ik de lifespan- benadering met het project XX kantoor. Tien jaar later werden in Nederland de principes van Cradle to Cradle (C2C) uitgerold. Dat was weer een stapje verder, een nog bredere benadering om de footprint van een product in kaart te brengen. Circulariteit is daar een essentieel element in. Het paste naadloos in het overheidsbeleid om de CO2 uitstoot te verminderen. Dus de vraag of ik nog ruimte zie voor innovatie, beantwoord ik met een volmondig ja. De enorme publieke druk om de CO2 uitstoot te verminderen wordt in de bouwkolom opgepakt. Welke innovaties volg je met meer dan gemiddelde belangstelling? Er zijn, zoals ik al aangaf, zoveel innovaties. Neem nu het ontwerpproces. Tot voorkort maakten we een schets, soms een maquette en in ieder geval enkele renderings van een 3D opzet. De introductie van de VR-bril gooit dit aardig op zijn kop. Daar zit ook een gevaar in. Steeds meer neemt marketting de lead door de klanten met een VR-trip door, over en langs het gebouw te verleiden tot aankoop. Daarna komt het ontwerp. Dat is dan in principe al vastgesteld door de marketting. Design wordt zo leidend, dit kan je een ontwerpprocesinnovatie noemen. › INNOVATIECATALOGUS 2019 In opdracht van Havensteden onderzoek naar de tijdelijke bouw van een wijk in Rotterdam voor starters en groeiers. Het idee was dat gedurende de woning de bestemming van het oude havengebied ‘Vierhaven Merwehaven’ wordt gewijzigd naar een dergelijke langdurende bewoning. Kijk voor uw oplossingen op master-builders-solutions.basf.nl Of bel direct voor advies: T +31 (0)162 476 660 Nieuwe technologie voor betonspecie met een lagere viscositeit MasterEase hulpstoffen voor beton en mortel
  8. 8. 15B:ton Wat is je toekomstbeeld - hoe ziet de bouw er over 10-20 jaar uit? Zeker als kwantiteit een rol speelt, zoals in de woningbouw, zal industrialisatie flinke vooruitgang boeken. IKEA laat Nederland nu nog links liggen. Maar lang zal dat niet duren. In het oosten van het land staan geweldige woningfabrieken die in de fabriek het gehele huis op klantspecificatie gereed maken. Ontwerp, onderzoek en productie gebeuren allemaal in de fabriek. Op de bouwplaats is dan nog slechts een maand nodig voor de montage en afwerking. Maar dè innovatie komt uit landen met een explosieve bouwopgave. Booming steden in Rusland, China - daar is de productie gigantisch en daarmee de innovatiedrang, om sneller en kosten efficiënter te bouwen. Zoals wij dat deden in de wederopbouwperiode. Na een bezoek aan die steden keek ik toch met andere ogen naar onze bouwproductie. In vergelijking met wat daar gebeurt, is het bouwen in Nederland meer een vorm van groot-onderhoud. Noten 1. Kleine woningen L.Zwiers arch BNA Amsterdam, uitgegeven door J. Clausen Amsterdam 1923 2. aap, noot, mies, huis. John Habraken, Scheltema en Holkema, 1970 3. Zie hiervoor: Elk, R.S.F.J. van & H.Priemus (1971) Niet-traditionele woningbouwmethoden in Nederland, Stichting Bouw Research, Samson uitgeverij n.v, Alphen aan den Rijn. 4. De kunst van rekbaar vastgoed; Bouwen in een tijd vol verandering, 2006, Rotterdam, SEV Realisatie, ISBN 90-8577-002-5, 978-90-8577- 002-2. BOOOSTING 30 jaar Jouke Post was jarenlang voorzitter van BOOOSTING. Over dit platform voor koplopers in bouwinnovatie dat dit jaar het dertigjarig bestaan viert, zegt hij: “Buckminster Fuller, Jean Prouvé, Richard Rogers, Renzo Piano; het waren onze grote helden in de begintijd van BOOOSTING. De oprichtingstentoonstelling bestond dan ook uit inno- vatieve producten in deze lijn. De oprichters waren prak- tische, goed nadenkende ontwerpers, die uitgedaagd werden door het maakproces. De aangeslotenen, zoals de leden heten, kwamen uit de ontwerpers-, universiteit- en productiehoek. Bijeenkomsten werden georganiseerd rond wederzijds bezoek en kritische lezingen waardoor men elkaar inspireerde en waaruit initiatieven voortkwamen voor nieuwe innovaties. Inmiddels wordt de (bestuur-)kar getrokken door de vijfde generatie, die mee geïnnoveerd is. De winst is dat ontwerp en markt elkaar veel makke- lijker vinden en met elkaar samenwerken. Gebleven is het platform met de drie invalshoeken: ontwerp, onderzoek en productie. De oprichters riepen na zo’n tien jaar dat het klaar was en dat BOOOSTING kon worden opgeheven. Maar dat gebeurde niet. Het dertigjarig bestaan wordt inderdaad dit jaar gevierd, overigens in combinatie met het twintig jarig bestaan (en dus het einde?) van project XX. Nee, ik zie deze club wel doorgaan: er sluiten zich steeds weer nieuwe bedrijven aan en regelmatig is het toch het plat- vorm om je ontwikkelde product te tonen en te bespreken. Een half jaar geleden bij Octatube, waar de integratie van ontwerp en productie getoond en besproken werd, met als bijgerecht een architect/kunstenares die plafondafwer- kingen met geweven materiaal introduceerde. Kortgeleden toonde Eduard Böhtlingk ons zijn ‘open huis’ in Almere. Glasontwikkelingen, betonprinten enzovoort – het door BOOOSTING gevolgd en besproken. BOOOSTING is nog steeds een inspirerend platform voor bouwinnovaties. Om ons heen wordt veel geïnnoveerd, er is heel veel te zien en te bespreken. BOOOSTING brengt dat bij elkaar en biedt je een blik op wat er gaande is aan inno-vaties, binnen en buiten ons vakgebied.” ©luukkramer Villa Notenkraker, een derde generatie gebouw, ontworpen door XX architecten, in 2015 genomineerd voor de Hilversumse Architectuur- prijs. Daarvoor waren dezelfde elementen gebruikt om in Hoogvliet een tijdelijke basisschool te maken, Villa Camera. En daar weer voor zijn opnieuw dezelfde elementen, schakelbare units uit de industrie, ingezet voor de bouw van Villa Zebra, de kinderkunsthal voor kinderen, dat gedurende 4 jaar, tot 2006, heeft gestaan naast het Boymansmuseum in Rotterdam. Een mooi voorbeeld van industrieel, flexibel en demon- tabel bouwen, ofwel circulair bouwen in de praktijk. adviseurs projectmanagers procesmanagers
  9. 9. 16 17B:tonstedebouw & architectuur Eerste Friese hotel met BREEAM Excellent certificaat In het oog springen de dak- en gevel- bekleding van het nieuwe hotel: kap- en kopgevel kregen een bijzonder accent met een bekleding van rode dakpannen. In totaal zijn 60.000 vlakke keramische dakpannen (Signy-Finnez Naturel van producent Monier (BMI Group), verwerkt; elke pan afzonderlijk geschroefd en gehaakt. De huid van dakpannen is niet alleen esthetisch fraai: ze draagt ook bij aan de hoge duurzaamheidsambities. Het gebouw voldoet aan BREEAM Excellent; het eerste hotel in Friesland met dit certi- ficaat. IJzersterk bouwteam Lex Beck, salesmanager oost van Monier en nauw betrokken bij de nieuwbouw van het Van der Valk Hotel in Leeuwarden, noemt het project een schoolvoorbeeld van succesvol samenwerken. “Met bouw- bedrijf Hunebouw en dakdekkersbedrijf Dak Totaal Noord uit Kootstertille vormde BMI Group een ijzersterke combinatie. Complexe projecten zoals in Leeuwarden, onder andere met die ononderbroken overgang van gevels naar daken, en dat uitgevoerd in dakpannen, lukt alleen als je in het bouwteam open en transparant met elkaar aan tafel zit. Wij hebben in het team onze kennis ingebracht, de detaillering uitgewerkt en een uitvoerings- plan gemaakt – met als doel om de aan- nemer en het dakdekkersbedrijf zoveel mogelijk te ontzorgen. En daar zijn we in geslaagd.” Duurzame mega-blikvanger Het nieuwe Van der Valk Hotel is een van de duurzaamste hotels van Nederland. Eén van de manieren waarop het hotel haar duurzaamheid waarborgt, is door warmte op te vangen uit de restaurants, de zalen en de keuken (geen gas, maar elektrisch) en deze te hergebruiken. Op deze manier wint het hotel 95% van de warmte terug. Een belangrijke stap om te scoren in duurzaamheid is ook het materiaalgebruik. Architectenbureau van den Hoeven B.V. koos voor keramische dakpannen.” Lex Beck: “Van der Valk brengt met de dakpannen van BMI Group duurzaamheidsambities in praktijk, zonder afbreuk te doen aan de estheti- sche uitstraling. De hotelgroep heeft er een mega-blikvanger bij gekregen.” In Leeuwarden is vlak voor de opening van de manifestatie Leeuwarden-Fryslân 2018 Culturele Hoofdstad van Europa het derde Van der Valk Hotel geopend. Gelegen op een markante plek aan verkeersknooppunt Werpsterhoek ten zuiden van de stad, refereert het gebouw door de bijzondere kapvorm aan het idioom van de boerderijen in het omliggende Friese platteland. Giga-blikvanger met huid van dakpannen Nieuwbouw Van der Valk Hotel Leeuwarden Projectgegevens Hotel Van der Valk Leeuwarden Opdrachtgever: Matser beheer bv Architect: Architectenbureau van den Hoeven b.v. Dakdekkersbedrijf: Dak Totaal Noord Producent dakpannen en dakuitvoeringadvies: BMI Group Constructeur: Goudstikker – de Vries i monier.nl Natuurinclusief bouwen met De Vogelvide® Natuurinclusief bouwen neemt een enorme vlucht. Door de verdergaande verstedelijking komen flora en fauna in het nauw. Zo worden plekken om te nestelen steeds schaarser. De overheid grijpt in. Met beleid voor inclusief bouwen wordt ruim baan gemaakt voor flora en fauna. En met succes. De vergroening in steden is in volle gang en ook gebouwen doen mee. In lijn met deze ontwikkeling kijken architecten met extra aandacht naar de mogelijkheid om natuurinclusiviteit te integreren in hun ontwerpen. Monier, onderdeel van BMI Group, zag tien jaar geleden een eerste, voorzichtige vraag ontstaan en ontwikkelde De Vogelvide® , in samenwerking met Vogelbescherming Nederland . Daan de Mooij, van BMI Group: “Vogels konden vroeger om te nestelen terecht in de onderste rij dakpannen. Maar het Bouwbesluit stak daar een stokje voor. De kier (10 mm) tussen dakvlak en pannen moest conform de regelgeving afgedicht. De vogels hadden het nakijken. Vogelbescherming Nederland sloeg alarm en vroeg om een oplossing. Met als resultaat De Vogelvide® , een vogelvriendelijk product dat huismussen een veilige nestelplek onder de pannen biedt. De Vogelvide® , aangebracht bij de onderste rij dakpannen ter hoogte van de dakvoet, is een kunststof (ABS) nestkast met op maat gemaakte invliegopeningen. De breedte is naar eigen keuze te bepalen – door de breedte op te rekken kunnen meerdere vogels tegelijk een nest bouwen in een-en-dezelfde vide. Daan de Mooij, van BMI Group, geeft aan dat het natuurinclusieve assortiment van Monier breder is dan alleen De Vogelvide® . “We hebben al heel lang losse dakpannen met openingen voor huismus en gierzwaluw. Beide met een eigen opening: de huismus heeft als toegang een ronde opening van circa 36 millimeter doorsnede en de gierzwaluw een ovale opening. De mus trippelt naar binnen en de gierzwaluw vliegt de opening in, vandaar.” De nestkast, inmiddels geland in de bouwstroom, krijgt een vervolg. De Mooij: “We leggen de laatste hand aan versie 2.0 die in 2019 wordt geïntroduceerd. Deze versie kan ook toegepast worden in combinatie met vlakke pannen.” BMI Group Monier is onderdeel van BMI Group, een gezamenlijke onderneming van Braas Monier en Icopal. In Europa is BMI Group verreweg de grootste producent in platte en hellende daken. BMI Group is in 2017 ont- staan als onderdeel van Standard Industries Inc., uit Noord-Amerika, wereldleider in dakoplossingen. Het one-stop-shop-concept, de bunde- ling van producten, systemen en expertise, in zowel hellende als platte daken, onder één dak, maakt BMI Group tot een aantrekkelijke en veel- gevraagde partner voor opdracht- gevers (ontwikkelaars, architecten, bouwers) die snel geïnformeerd en bijgepraat willen worden over ont- wikkelingen en mogelijkheden van moderne daksystemen. INNOVATIECATALOGUS 2019Projecten & producten
  10. 10. 18 19B:tonstedebouw & architectuur Kan een woning veel minder zwaar zijn qua bouwmaterialen? “Ter vergelijking: in Amerika is een woning al snel een factor tien lichter dan in ons land. Daar bouwen ze namelijk veel in hout en staal. Dat scheelt aanzienlijk ten opzichte van bouwen in beton, maar betekent niet dat wij op andere materialen dan beton moeten overstappen. Integendeel. Beton werd al door de Romeinen voor bouwwerken ingezet vanwege de aantrekkelijke technische duurzaamheid. De vrijheid in vormgeving is ook ongekend groot. Ik ben ervan overtuigd dat juist beton zich via een andere ontwerpbenadering en voldoende knowhow in het realisatieproces leent voor grote stappen op het gebied van duurzaamheid. Kijk naar experimenten om via 3D geprint beton half zo zware vloerconstructies in beton te maken. En dan ook nog met prachtige vormen, waar Pier Luigi Nervi blij mee zou zijn geweest.” Is overstappen op andere, lichtere materialen niet eenvoudiger dan een uitdagend innovatietraject voor beton? “Je kunt denken aan hout; dat is in principe volledig hernieuwbaar. Maar er is gewoon niet voldoende productiegrond voor grootschalige bosbouw om daarvan genoeg woningen te kunnen bouwen. Met een groeiende wereldbevolking – zeker in Afrika – hebben wij bovendien juist meer landbouwgrond nodig voor voedselproductie. Hout wordt daarom niet de vervanger van beton. Kunststoffen ook niet, want we willen juist uit milieutechnisch oogpunt geen grondstoffen als olie uit onze bodem halen. Staal en aluminium vergen bij de productie heel veel energie en zijn mede daardoor ook geen goed alternatief. Er zijn wel plekken met natuurlijke waterkrachtenergie zoals Noorwegen waar je goed aluminium kunt maken, maar dan moet je zowel de grondstoffen als het aluminium over grote afstanden transporteren. Glas lijkt een prima optie vanwege de grote beschikbaarheid van zand, alleen raakt het zilverzand dat we gebruiken voor helder glas op. Ook de snelle montage van glaspanelen is een groot voordeel, maar glaspanelen halen lang niet de technische levensduur van beton omdat het isolerende gas weglekt, zeker als we de betonlevensduur naar 200 tot 500 jaar kunnen tillen. En dat is mogelijk. Hoe je het ook wendt of keert, beton blijft voor de bouw één van de meest aangewezen bouwmaterialen.” Waar liggen de specifieke innovatiekansen van (prefab) beton? “Als eerste is er de massa die zeker voor de helft omlaag kan. Laten wij ons richten op een woning van pakweg 100 ton, dat zou al een enorme winst zijn. Dat betekent slechts een derde van het gewicht aan verbruikte bouwmaterialen, minder zware funderingen, minder vrachtwagens richting bouwplaats; het kan allemaal. Want 300 ton ofwel 30 volle vrachtwagens op Nederlands wegen voor één woning is feitelijk niet normaal. Zelfs een passagiersvliegtuig met 200 mensen, bagage en brandstof weegt beduidend minder. De veel toegepaste kanaalplaatvloer lijkt met zijn holle ruimtes zeer efficiënt en materiaalvriendelijk, maar daarbij kunnen de vloerconstructies zeker de helft minder zwaar door ze specifiek op belasting vorm te geven en op maat in beton te printen. Waar nodig inclusief prachtige vormen aan de onderzijde. Het verhaal dat wij de betonmassa nodig hebben voor geluidsdemping kan worden ondervangen door andere geluidsmaatregelen. Echt, we zijn woningen aan het dimensioneren alsof het parkeergarages zijn, zo zwaar.” Die 500 jaar levensduur, is dat haalbaar? “Met een aanpassing van de betonsamenstelling, is dat beslist mogelijk. Er is helaas in de jaren na de Tweede Wereldoorlog vaak te gehaast en met ongeschoold personeel gebouwd aan de wederopbouwwoningen met het materiaal beton. Het imago van zaken als betonrot klinkt nog steeds door als je het over beton en duurzaamheid hebt. Het is mogelijk om beton een levensduur te geven van enkele eeuwen. Juist ook met bindmiddelen/ cementen die voor een lagere CO2 uitstoot zorgen. Zaak is wel dat tegelijkertijd de circulariteit anders wordt benaderd dan vandaag de dag wordt gedaan. Nu staan we te juichen als er bijvoorbeeld 30% aan secundaire grondstoffen in beton wordt verwerkt, maar dan gaat er nog steeds 70% aan primaire grondstoffen in. We moeten van recycling van grondstoffen naar veelvuldig hergebruik van complete bouwelementen. Dat kan perfect met prefab betonnen elementen. Alleen moet je ze dan zo ontwerpen en fabriceren dat ze bij de sloop van woningen makkelijk in een volgend bouwproject kunnen worden ingezet. En zo een aantal malen achter elkaar. Je praat dan mogelijkerwijs over een catalogus van tienduizend onderdelen/ elementen voor woningbouw. We moeten die kant op. Dan hoor ik architecten zeggen dat daarmee de vormgeving onder druk komt te staan, maar wat moet zwaarder wegen voor de dr. ir. Fred Veer, Associate Professor, universitair hoofd- docent Materiaalkunde, Afdeling Architectural Engineering & Technology TU Delft. ‘Investeer in duurzamere bouwoplossingen, anders komen de woningen hier per schip uit China aan’ interview INNOVATIECATALOGUS 2019 Het is te gek voor woorden dat een gemiddeld VINEX-rijtjeshuis 300 ton weegt: er worden veel zware steenachtige bouwmaterialen en (prefab) beton toegepast. Volgens dr. ir. Fred Veer is vervanging door lichtgewicht materialen uit oogpunt van duurzaamheid geen goede optie, maar zou beton bijvoorbeeld via innovaties 90 tot 95% milieuvriendelijker kunnen. Veel minder zware constructies, meermaals hergebruik van prefab betonelementen met een langere levensduur van 200 tot 500 jaar en een andere betonsamenstelling met minder CO2 belasting. Dat zijn de sleutels tot een nieuwe sociaal-maatschappelijke, duurzame vorm van woningbouw. Woningbouw op duurzaam dieet tekst Paul Engels Interview met Fred Veer, Associate Professor, universitair hoofddocent Materiaalkunde, Afdeling Architectural Engineering & Technology TU Delft
  11. 11. 20 21stedebouw & architectuur B:ton toekomst van onze kleinkinderen: dat onze bouw milieutechnisch en maatschappelijk in balans is of de architectonische vrijheid? Zaken als vloerverwarming of installaties in een betonvloer kunnen dan ook niet meer, maar er zijn eenvoudige alternatieve oplossingen voor. We kunnen het ons maatschappelijk niet veroorloven om te blijven bouwen zoals we nu doen. Dat belast het milieu te veel en zorgt ook voor veel te dure woningen. Dit is een groot sociaal-maatschappelijk probleem, want nu steken eigenaren zich in veel te hoge schulden in relatie tot hun inkomen. Door innovaties in de bouwsector kan de woningbouw tientallen procenten goedkoper en blijven koop- en huurwoningen betaalbaar.” Gaan dit soort innovaties snel genoeg? “Helaas zijn er veel te veel belangen. Bij alle betrokkenen. Van de hypotheekverstrekker die graag zoveel mogelijk wil uitlenen tot de bouwsector, die zaken liever bij het oude houdt. Soms is dat ook te begrijpen. Als je ziet dat de marges in de bouw tussen de 2 en 4% liggen, dan is er weinig financiële ruimte voor de benodigde innovaties. De rijksoverheid heeft ook geen visie op dit soort noodzakelijke ontwikkelingen en laat het aan de bouwsector over, terwijl je over grote maatschappelijke vraagstukken praat. Het gaat bovendien om lange termijnvisie. Ook heeft zeker de lokale overheid een pervers belang in dure woningen door de OZB en de nationale overheid door BTW op nieuwbouwwoningen en de overdrachtsbelasting. Je praat niet over veranderingen die op stel en sprong mogelijk zijn, maar enkele decennia tijd nodig hebben. Ik kan de prefab betonfabrikanten alleen meegeven dat productielijnen pakweg dertig jaar meegaan en dat er dus een moment komt om na te denken over een investering in productie ‘op de oude manier’ of een investering in duurzamere bouwoplossingen. Een waarschuwing daarbovenop: als we het niet in eigen land doen, dan komen die elementen straks uit China. Daar ontdekt men nu dat je slimmer, lichter en efficiënter met bouwmaterialen kunt omgaan - omdat ook daar gigantisch veel primaire bouwmaterialen worden verbruikt - en dan komen de woningen straks hier per schip aan.” Zitten er nu afstudeerders en promovendi op bovengenoemde onderwerpen? “We kijken in de volle breedte naar het reduceren van de massa van woningen, mede omdat er Europese beleidsplannen op dit gebied zijn. Het streven is die 95% milieubelastingreductie. Daarnaast praat je over reductie van woonkosten, het oplossen van het afvalprobleem, verminderen van de filedruk, allemaal vanuit de (materiaal-)technische kant bekeken. Het is uitermate interessant waar wij mee bezig zijn. Zoals een Nederlandse afstudeerder die kunststof knopen voor bamboeconstructies bedenkt, een afstudeerder die demontabele en herbruikbare vloerdelen geprint in beton ontwikkelt en een civiel promovendus die lage CO2 betonmengsels onderzoekt. Op vele plekken in de wereld wordt momenteel gekeken naar zowel gewichtsbeperking van beton als naar modulaire, herbruikbare oplossingen. We kunnen meer vernuft in beton stoppen. De tijd dat we uitwisselbare betonelementen in de Nederlandse bouw hebben, is misschien dichterbij dan we denken.” Wat is daarbij nog de grootste hobbel of bedreiging? “Het schort behoorlijk aan het kennisniveau in Nederland. Politici die over maatschappelijke vraagstukken als een modern woningbouwbeleid moeten nadenken, begrijpen de complexe technische kwesties niet. Personeel op de bouwplaatsen heeft nu niet voldoende scholing om de innovatieve systemen van morgen te kunnen verwerken. Sowieso is er vooral toezicht op tekeningniveau in plaats van vakkundig toezicht op de bouwplaats. Het kennisniveau zal moeten meegroeien met de innovaties. Dat is misschien nog een grotere opgave dan het tot stand brengen van duurzame, herbruikbare betonelementen.” ‘30 volle vrachtwagens op Nederlands wegen voor één woning is feitelijk niet normaal’ INNOVATIECATALOGUS 2019interview
  12. 12. 22 23B:tonstedebouw & architectuur I n de stad staat de biodiversiteit onder druk door de sobere inrichting van de buitenruimte, efficiënt en traditioneel beheer en versteende tuinen waardoor groen verloren gaat. Toch ligt dáár juist een kans om het tij te keren. Sleutelpositie plant De plant heeft de sleutelpositie. Een rijk insecten- en dierenleven begint bij gevari- eerd groen. Vooral bomen, bloembollen, heesters en (vaste) planten die bestui- vende insecten aantrekken zijn belangrijk voor de biodiversiteit. Deze insecten houden de botanische rijkdom in stand. Ze zijn een belangrijke schakel in het eco- systeem. De planten en de insecten zijn op hun beurt een voedselbron voor vogels en andere dieren. Kleine ingreep, groot effect Wat insecten en dieren nodig hebben, verschilt niet zoveel van onze behoeften: voldoende eten, een veilige woning en een geschikte leefomgeving. Het liefst zo gevarieerd mogelijk en niet ver van elkaar verwijderd. Dan vindt elke soort wat van zijn gading. “Met relatief kleine ingrepen in beheer kan er al veel bereikt worden voor de biodiversiteit zonder hoge kosten”, zegt Joop Spijker, senior onderzoeker team Vegetatie, Bos – en Landschapsecologie bij Wageningen Environmental Research. In bermen of andere grasvegetaties ontstaat een bloemrijke berm als je minder frequent maait, niet alles tegelijk maait en het maaisel na enkele dagen weghaalt. Hoeveel je moet laten staan, hangt af van waar het ecologisch te beheren groen ligt. In de stad waar meer kleinere biotopen zijn, is de vuistregel dat je 10% van het hele gebied in de winter laat overstaan zodat insecten en kleine dieren daar hun toevlucht kunnen zoeken. Klaarzetten voor natuur “Bij aanleg van nieuw groen kun je een gebied zo inrichten dat je het klaarzet voor natuurlijke processen”, aldus Spijker. Dat betekent dat je de bodem niet verrijkt door standaard teeltaarde te gebruiken, maar dat je uitgaat van de oorspronkelijke bodem of juist zorgt voor een schrale bodem en geleidelijke overgangen. In stedelijk gebied liggen op het dak nog ongebruikte kansen voor natuur. Net als langs de gevel. In de factsheet ‘Groen: meer dan mooi en gezond’ uit het programma Groene Agenda staat dat de stad al een goed leefgebied kan zijn voor vlinders en (wilde) bijen als 10% van het oppervlak voorzien is van gevarieerd groen. Deze flora moet dan wel verspreid door de stad liggen, zodat ze van plek naar plek kunnen vliegen. Van nature en van verre De biodiversiteit heeft het meeste baat bij planten die van nature in Nederlandse gebieden voorkomen. Toch betekent dit niet dat je alleen inheems sortiment moet aanplanten. Gecultiveerde bomen en planten kunnen het bloeiseizoen verlen- gen, waardoor insecten langer van voedsel worden voorzien. Wat van belang is bij toepassing van uitheemse soorten is dat ze voldoende nectar en stuifmeel bieden. Ook heeft bij het uitzaaien van wilde planten de abso- lute voorkeur om zaad van Nederlandse soorten te nemen en niet die uit andere klimaatzones. Deze zijn vaak minder geschikt voor de insecten en kunnen bovendien de oorspronkelijke soorten wilde planten verdringen. Bij een aantrek- kelijke, stedelijke leefomgeving voor mens, insect en dier gaat het om de balans tussen inheemse en gecultiveerde soorten. Cultuursoorten zorgen voor fleur en kleur in stadskernen, op rotondes en parken. En dat wordt gewaardeerd door de inwo- ners. Spijker: “Biodiversiteit maakt mensen blij. Een bijkomend voordeel: wat mooi is, willen mensen mooi houden. Dat scheelt zwerfafval.” Verticaal bos Het Trudo Vertical Forest in de Eindhovense wijk Strijp-S is een voor- beeld van een innovatieve toepassing van stedelijk groen die de biodiversiteit verhoogt. Het verticale bos is een ontwerp van de Italiaanse architect Stefano Boeri. De groene woontoren krijgt 125 sociale huurwoningen met elk een balkon en twee grote plantenbakken. Straks groeien daar 125 volwassen inheemse bomen en 5.200 struiken en planten in grijs- en roodtinten. Brenda Swinkels is als groen- adviseur betrokken bij het project. “We hebben gekozen voor variatie in sterke boomsoorten die in een bak kunnen groeien, windbestendig zijn en ziekteresis- tent.” Verschillende soorten zetten straks de gevel in het groen. Voor Swinkels is het duidelijk: “We moeten zo langzamerhand af van het traditioneel bouwen en de natuur terugbrengen in de stad.” De stad is bij uitstek de plek voor meer flora en fauna in Nederland. Er liggen volop kansen voor inrichting van ver- schillende leefgebieden. Of het nu gaat om wild begroeide gebieden of fijn afgestemde beplantingen, natte oeverzones of een verticaal bos langs de gevel van hoogbouw. De plant heeft hierin de sleutelpositie: biodiversiteit begint bij gevari- eerd groen. Biodiversiteit begint bij gevarieerd groen in de stad INNOVATIECATALOGUS 2019Projecten & producten
  13. 13. 24 25B:tonstedebouw & architectuur INNOVATIECATALOGUS 2019 W outer Stadshouders van StadLandWater, een bureau voor Civiel Management en Advies is één van de initiatiefnemers van het pad. “Dit project gaat verder dan de infrastructuur alleen. Het draait ook om het creëren van een verbinding tussen bezoekers, studenten en ondernemers. De omgeving moet leiden tot nieuwe ontmoetingen, ideeën en samenwer- kingen. Ook moet dit pad het Kennispark helpen op de kaart te zetten, om de regio te laten zien dat hier gave nieuwe dingen ontwikkeld worden. Wist je bijvoorbeeld dat bluetooth hier bedacht is?” Consortium van vijf bedrijven Als civieltechnisch bureau had Stadshouders partners nodig om het pad te realiseren. Hij ging op zoek naar bedrijven die mee wilden denken. “Verschillende lokale bedrijven sloten zich aan.” Dit leidde tot een consortium van vijf bedrijven. Naast het adviesbureau zijn dat Easypath, Limesquare Brand Improvement, Keypoint Consultancy en Odin Landschapsarchitecten. Dit consortium is behalve voor de aanleg ook verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer. › Innovatief pad zet Enschede op de kaart auteur Naomi Heidinga Wouter Stadshouders, van StadLandWate. Vorig jaar is in Enschede ‘Flow of Innovation’ in gebruik genomen. Langs dit energie neutrale pad van 1.1 kilometer tussen station Enschede Kennispark en Universiteit Twente kunnen studenten en bedrijven innovatieve technieken zien en ervaren. Zo is wifi beschikbaar, staan er solar benches waar gebruikers laptop of telefoon kunnen opladen en de verlichting is ‘intelligent’. Een lichtgevende boom en fontein zorgen voor een bijzondere ervaring in het donker. Het pad bestaat uit prefab elementen, die deels voorzien zijn van zonnepanelen. ’s Winters zijn de elementen te verwarmen, wat zout strooien overbodig maakt. Langs de route staan solar benches van struyk verwo infra, betonnen bankjes met zonnepanelen.
  14. 14. 27B:ton INNOVATIECATALOGUS 2019 Betonplaten 3.0 Een modulaire uitvoering, dat was één van de uitgangspunten voor het pad. “In de komende jaren wordt de route nog wat verlegd vanwege nieuwbouw. We waren daarom op zoek naar betonplaten 3.0: platen met innovaties erin verwerkt die we als legosteentjes kunnen oppakken en elders opnieuw gebruiken.” Zonnepanelenfietspad Partner Easypath kon deze wens realiseren. Het bedrijf levert prefab elementen voor fiets- en wandelpaden. Twee innovaties van het bedrijf hebben een plek gekregen in Enschede: SolarPath en ThermoPath. “De elementen van het eerste type zijn voorzien van een toplaag met zonnecollectoren,” aldus Job van Roekel van het bedrijf. “Deze is voldoende stroef om ook onder natte omstandigheden voldoende grip te bieden aan fietsers en wandelaars.” De energie die wordt opgewekt met de collectoren voeden de straatverlichting en de verlichting van de fontein, die aan het einde van de route staat.” Langs de route staan Solar Benches van Struyk Verwo Infra, betonnen bankjes met zonnepanelen. De bankjes zijn voorzien van Wifi en accu’s om mobiele telefoons en laptops op te laden. Opschalen Het zonnefietspad is niet geheel nieuw. “De eerste 10 m2 hebben we in Ede aangelegd. Hier hebben we kunnen opschalen tot 30 m2 . Het gaat nog om een proefstuk, maar het werkt zoals verwacht,” aldus Van Roekel. “De elementen met zonnecollectoren worden ook toegepast bij de Energieweg, de N211 in Zuid-Holland. Hier zorgen een twintig tal innovaties voor een CO2 neutrale weg.” IJsvrij met rioolwater In Ede ligt ook een proefstuk met Thermopath. “In deze elementen is een buizensysteem opgenomen. Zo kunnen we met behulp van warm water de elementen verwarmen, om ze in de winter sneeuw- en ijsvrij te houden. In Enschede zullen we dat gaan doen met behulp van rioolwater. Dit is niet de enige plek waar dat gebeurd. In Gelderland wordt een aanbesteding gedaan voor een fietspad dat met het afvalwater van een papierfabriek kan worden verwarmd. Dat afvalwater is 30 graden. Die warmte kun je benutten. Dankzij de toepassing van verwarmde fietspaden heb je geen strooizout nodig. Dat levert een win- winsituatie op: een deel van het fietspad loopt door Natura 200 gebied. Daar mag niet gestrooid worden.” Communicerende fietspaden Van Roekel ziet nog andere mogelijk- heden, met name op het gebied van communicatie. “In de toekomst krijgen we communicerende fietspaden, waar je bijvoorbeeld wordt gewaarschuwd voor een naderend kruispunt, ziet hoelang het duurt voordat het groen wordt of je informatie krijgt over een bijzonder bouwwerk waar je voorbij komt.” Wellicht wordt daarmee gestart in Enschede. De komende jaren zullen telkens nieuwe vindingen worden toegepast. “Doel is om mensen uit hun kantoor te krijgen, om de verbinding met hun omgeving aan te gaan. Dit leidt tot nieuwe contacten en verfrissende ideeën,” aldus Stadshouders. farringdon station. i flowofinnovation.com ‘In de toekomst krijgen we communicerende fietspaden’ Job van Roekel van Easypath, het bedrijf dat prefab elementen levert voor fiets- en wandelpaden. Foto:PedroSluiter
  15. 15. 28 29B:tonstedebouw & architectuur INNOVATIECATALOGUS 2019 M et name in de grondgebonden woningbouw is de kanaal- plaat een bekend en succesvol product. Ook in de utiliteitsbouw wordt het veel toegepast. “Bij bijna alle utiliteits- gebouwen met grote overspanningen zijn kanaalplaten aan de orde,” aldus Dennis Duffels. Hij legt uit waarom het gebruik van kanaalplaten in appartementenbouw zo’n uitdaging is: “Normaliter worden uitkragende balkons met een natte verbin- ding bevestigd aan vloervelden. Wij willen echter bij appartementen droog gaan bouwen. Daarom is een natte verbinding geen optie, want het levert geen tijds- winst op. Dus moesten we op zoek naar een droge oplossing voor uitkragende balkons. Die oplossing hebben we inmid- dels gevonden.“ Bevestiging VBI besloot een vloerdeel te ontwikkelen, een appartementenvloer waar wel droog een uitkragend balkon aan kon worden bevestigd. Om het balkon aan het vloer- deel te bevestigen, zocht VBI de samen- werking met Schöck voor het ontwikkelen van een bevestingssysteem tussen balkon en vloerdeel. Duffels benadrukt dat het vervolgens aan de architect of bouwer is welk type balkon (prefab beton, staal, hout) hij na de afronding van het casco aan het vloerdeel wil bevestigen. “Bij die keuze willen we geen rol spelen.” Om te zorgen voor een verantwoorde en veilige bevestiging is het vloerdeel van VBI voorzien van een massieve randplaat, waar de helft van de bevestigingsmateri- alen in is opgenomen. Gerard Wittebol, adviseur bouwconcepten bij VBI, is nauw betrokken bij de ontwikkeling van het product. Hij noemt nog een voordeel van de droge oplossing: “Er vindt geen onderstempeling plaats van het balkon. Het complete balkon, eventueel inclusief hekwerk, wordt – nadat het casco is vol- tooid – hangend in de kraan rechtstreeks aan het achterliggende randelement gekoppeld. Het kan dus steigerloos gemonteerd en gebouwd worden. De bevestiging kan overigens zowel aan de overspanningskant van de kanaalplaten als aan de kopse kant.” Veilig De droge balkonoplossing is uitvoerig getest. Uiteindelijk kwam VBI na die testen uit bij de oplossing met de mas- sieve randplaat. Wittebol: “We hebben verschillende testen gedaan op ware grootte om de verbinding op zijn werking te testen. De uiteindelijke oplossing is vervolgens beoordeeld en goedgekeurd door Adviesbureau ir. J.G. Hageman B.V., een van de gerenommeerde bureaus die zich bezighouden met het beoordelen van innovaties.” Hij geeft aan hoe veilig de oplossing is: “De belasting die nu is getest is vijf maal zo hoog als de gebruiks- belasting. De capaciteit van de verbinding is dus heel erg hoog. Wat overigens niet wil zeggen dat hij overgedimensioneerd is. Het heeft meer te maken met het incasseringsvermogen dat zo’n verbinding volgens de normen moet hebben, omdat uitkragende balkons nu eenmaal erg gevoelig liggen in bouwend Nederland.” Hoewel VBI met deze balkonoplossing er technisch klaar voor is om een appar- tementengebouw volledig droog te laten optrekken, verwacht Duffels niet dat de markt in dat segment de oplos- sing meteen zal omarmen. “Dat komt omdat de sector – zowel architecten als constructeurs als aannemers – erg werkt met beproefde bouwmethoden waarvan ze weten dat ze constructief veilig zijn. Daarom hebben we nog een duidelijke missie om ten eerste de markt het product te laten zien, ten tweede om ze van het product te overtuigen en ten derde om ze het te laten toepassen.” En daarvoor heeft Duffels goede argu- menten: “Ten eerste snelheid. Droogbouw is sneller. En ten tweede vereist het bouwproces van cascobouwen met droge stapelsystemen inclusief de uitkragende In de bouw groeit de markt voor appartementen. Daarbij is het aandeel van droge bouw nog gering. VBI wil dit aandeel vergroten door een droge oplossing aan te bieden voor het monteren van uitkragende balkons. In de bouw wordt veel gebouwd met kanaalplaten. Er is echter ook een segment, waar de kanaalplaat nog amper wordt toegepast, de appartementenbouw. Dennis Duffels, hoofd verkoop en marketing bij VBI: “Dat ligt niet aan de vloer, want die hebben we al jaren in ons assortiment. De uitdaging is meer dat een gemiddeld appartement ook een balkon heeft. Dat balkon is vaak uitkragend. En een uitkragend balkon maken aan een kanaalplaat kon tot voor kort niet.” Droge balkonmontage aantrekkelijk voor appartementenbouw auteur Peter Bekkering Projecten & producten
  16. 16. 30 31B:tonstedebouw & architectuur balkons relatief minder bouwterrein dan nat bouwen. En dat is handig wanneer je een appartementengebouw in een stad wilt realiseren in een bestaande woonomgeving. Want daar zit men niet te wachten op een bouwput van twee tot drie jaar. Je belast op deze manier de omgeving minder.” Handjes Wittebol noemt nog een argument. “Momenteel heeft de bouw een chronisch gebrek aan handjes. Daarom zie je een ontwikkeling naar steeds meer industrieel bouwen. Daarbij maak je grote elementen in fabrieken en worden risicovolle hande- lingen en activiteiten zoveel mogelijk op zo’n fabriekslocatie verricht. De bouw- plaats wordt vervolgens steeds meer een stapelplaats van elementen en een assem- blageplaats.” Duffels vult aan: “Bij grond- gebonden woningbouw en utliteitsbouw zag je al eerder die nadruk op prefab, eigenlijk was het vreemd dat appartemen- tenbouw daarbij lang achter bleef. Terwijl prefab, inclusief droog bouwen, juist voor appartementenbouw aantrekkelijk is, vanwege minder ruimtegebruik maar ook vanwege de snelheid. Dat laatste bete- kent dat appartementen eerder verhuurd kunnen worden, een direct voordeel voor de opdrachtgever. Want die rekent in tegenstelling tot een bouwer wel met een return on investment.” Ontwerpers Nu VBI het ‘stempel van goedkeuring’ van Hageman heeft voor de balkonoplos- sing is het bedrijf naarstig op zoek naar ontwerpers die deze oplossing mee willen nemen in hun ontwerp voor een appar- tementengebouw. En naar opdrachtge- vers die haar vanwege bovengenoemde argumenten – snel, kleinere bouwplaats, veilig – willen toepassen. Duffels: “Ik ben ervan overtuigd dat in 2019 de eerste opdrachten zullen komen. Het liefst zouden we klein beginnen om daarmee in de praktijk te laten zien dat het werkt. Zodat de bouw vervolgens ziet dat het een beproefde bouwmethode is. En ik verwacht dat het, als die stap eenmaal is genomen, heel snel kan gaan en dat onze balkonoplossing definitief gaat doorbreken in de appartementenbouw. De balkonoplossing krijgt daarom ook een prominente plaats in de VBI-stand op de BouwBeurs, die van 4 tot en met 8 februari 2019 in de Jaarbeurs wordt gehouden.” Ontwerphandleiding Om de ontwerpers in de appartementen- bouw op weg te helpen wil VBI een ontwerphandleiding voor prefab apparte- mentenbouw gaan samenstellen waarmee zowel de opdrachtgever als de ontwerper zijn voordeel kan doen. “In die handlei- ding komen uitgangspunten voor ontwer- pen met kanaalplaatvloeren en de balko- noplossing te staan. Want als je bepaalde grote stramienmaten van kanaalplaten als voorwaarde stelt, betekent dat niet dat je de indeling van zo’n appartement geweld aan moet doen. Wel wordt het daarna voor de voorschrijvende partijen construc- tief een stuk gemakkelijker.” Slimme koppeling En dat geldt ook voor slimme koppeling van Schöck. Wittebol, lachend: “Die oplossing is zo slim dat ik hem wel eens ‘stupidproof’ noem. Hij kan namelijk maar op één manier gemonteerd worden. Dus hij past wel of hij past niet. Improviseren is onmogelijk. En dat is prettig want juist improviseren leidt in de bouw vaak tot ongelukken.” Duffels vult aan: “Bij deze oplossing zet het balkon zich door het gewicht bij de montage ook meteen vast. Er hoeft dus niet achteraf nog gesteld te worden. Alles zit in één keer op zijn plaats.” VBI Verkoop Maatschappij B.V. Looveer 1 6851 AJ Huissen +31 (0)26 379 79 79 vbi@vbi.nl vbi.nl INNOVATIECATALOGUS 2019Projecten & producten
  17. 17. 32 33B:tonstedebouw & architectuur INNOVATIECATALOGUS 2019 I n de naoorlogse Kruidenbuurt, net als in andere wijken, koppelt de gemeente Tilburg de herinrichting van de open- bare ruimte aan maatregelen tegen de klimaatverandering. Projectleider Jozèf Sebregts van de gemeente Tilburg: “Het integrale herinrichtingsontwerp is met een klimaatadaptieve bril opgesteld, conform onze omgevingsvisie Tilburg 2040. Het gaat in dit project niet om méér doen, maar om het anders te doen. Hierbij valt te denken aan het opvangen van regenwater van daken en/of bestrating, zodat dit zoveel mogelijk wordt vast- gehouden in de directe omgeving. We verbinden de onderdelen water, riolering, groen, wegen en ruimtelijke ontwikkeling. Zo kun je zonder grote extra investeringen het gewenste resultaat bereiken in de vorm van een veilige en gezonde stad en ruimte voor groen en water. Bovendien zorgt deze aanpak voor een woonwijk met een gevarieerde vegetatie en een hoge ecologische waarde.” Van den Bergh: “Bij een klimaatadaptief ontwerp probeer ik alle mogelijke maatregelen een plekje te geven. Want elke regendruppel die niet naar het riool hoeft maar direct naar de ondergrond kan om verdroging tegen te gaan en hitte te temperen, telt voor mij mee. Het doel is zoveel mogelijk hemelwater af te koppelen van het riool en het water te infiltreren in de bodem. Bewoners worden gestimuleerd om hun regenpijpen af te koppelen van het riool en het hemelwater te gebruiken of te laten infiltreren in de ondergrond. Het hemelwater kan ook naar de openbare ruimte worden geleid en daar verder worden opgevangen. De makkelijkste en goedkoopste oplossingen daarbij zijn die oplossingen waarbij je de natuur benut. Denk aan grasvelden waar je water naar toe leidt, verlaagde wadi’s waar je veel regenwater kunt bufferen, laaggelegen regentuinen met beplanting die regen en droogte kan verdragen, maar ook bomen die zorgen voor schaduw en temperatuurdaling. De Kruidenbuurt is een wederopbouwwijk die destijds ruim is opgezet met veel bomen. Het was oorspronkelijk bosgebied met een licht geaccidenteerd terrein en een goede infiltrerende zandondergrond. Dat gaf ons een goede uitgangspositie voor de genomen natuurlijke én technische maatregelen, want die versterken elkaar.” Ontwerptrits De combinatieaanpak past binnen haar trits aan ontwerpmaatregelen. “Als eerste kijk ik naar het weghalen van ongebruikte verhardingen. Rond de woningen lagen enorme hoeveelheden bestratingen, grote parkeerplaatsen en wegprofielen van 7,5 meter breed. Dat is voor een woonwijk met 30 km straten niet nodig. We hebben ze versmald tot 5,5 meter. Zo creëer je ruimte voor extra groen en/ of wateropvang. Ten tweede probeer je het hemelwater naar groenvoorzieningen te laten afstromen. Het lijkt heel logisch, maar doorgaans liggen de bermen of grasstroken hoger dan de straten. We hebben hier de grasvelden verlaagd, alsmede diepere wadi’s aangelegd. Best lastig omdat bestaande bomen op heuveltjes stonden die te hoog zouden komen te staan na het verlagen van de omgeving. Tevens liggen er veel kabels en leidingen in de ondergrond en dan kun je niet zomaar het maaiveld verlagen. Maar het is in grote lijnen gelukt om veel hemelwater naar het groen te leiden. Ten derde zijn er de technische oplossingen. We hebben in de Kruidenbuurt goede verhardingen voor trottoirs en straten aangelegd in de vorm van lichtgrijze betontegels 20x20 cm en lichtgrijze dikformaat betonstraatstenen voor de wegen, geleverd door Struyk Verwo Infra. Het kleinere formaat tegels heeft te maken met de vele inritten naar garages over het trottoir. Met opzet is voor een lichte kleur gekozen omdat zwart asfalt of donkere stenen de warmte veel meer accumuleren. Dit betekent winst in de strijd tegen hittestress in woongebieden. › Er ligt een grote opgave om bestaande woonwijken klimaatbestendiger te maken. Bijvoorbeeld om in geval van hoosbuien het regenwater ter plekke te bergen en daarmee de hinder voor bewoners en schade aan woningen te minimaliseren en verdroging van de ondergrond tegen te gaan. “De oplossing is dichterbij dan menige gemeente denkt,” stelt Floor van den Bergh van Buro Bergh Klimaatadaptie Stedelijk Ontwerp. “Omdat dezelfde natuur die voor extreme natheid, droogte en hitte zorgt, tegelijkertijd veel oplossingen biedt. In de Kruidenbuurt in Tilburg hebben wij veel natuurlijke maatregelen kunnen realiseren. En waar de natuur dat door omstandigheden niet kan, omdat er bijvoorbeeld te weinig ruimte voor wadi’s, gras of bomen is, kan de techniek een handje helpen. Ook de prefab betontechniek.” Techniek helpt natuur bij klimaatmaatregelen Kruidenbuurt Tilburg voorbeeldproject auteur Paul Engels Beelden Picture Productions en Buro Bergh Beelden: Hans Hebbink/Picture Productions en Buro Berg floor van den Bergh, Buro Bergh Klimaatadaptie Stedelijk Ontwerp.
  18. 18. 35B:ton INNOVATIECATALOGUS 2019 Het idee dat je voor parkeerplaatsen zwarte stenen of tegels nodig hebt is verleden tijd, want de auto’s van nu lekken geen olie.” Ter hoogte van de parkeerplekken is gekozen voor hetzelfde type beton- straatstenen, maar dan als water- passerende bestrating. Die halfopen bestrating, genaamd hydro lineo, vormt een mooie overgang tussen de straten en de grasvelden. Betonnen stootbanden voorkomen dat auto’s het gras oprijden. Van den Bergh: “Voor een kleine meerinvestering op de projecten heb je zo’n waterpasserende bestrating en die helpen om regenwater te laten infiltreren in de ondergrond. We hebben ook op enkele plekken grasbetontegels toegepast. In beide gevallen liggen deze bestratingen er een paar maanden na de realisatie fraai bij; het gras tussen de stenen ontwikkelt zich goed. Maar er zijn ook leermomenten, want bewoners willen bij het uitstappen van hun auto liever een gedeelte dichte bestrating. Zulke wensen zijn eenvoudig in te passen in nieuwe ontwerpen.” Jozèf Sebregts haakt in: “Wat wij als gemeente hebben geleerd, is beter te communiceren over zo’n klimaatadaptieve inrichting. Als we zeggen dat wij de openbare ruimte gaan aanpakken, verwachten de bewoners een beeld dat zij kennen van andere straten. Maar opeens zien zij gras tussen de stenen en dan krijg je reacties als ‘wat moeten wij met dat onkruid tussen de stenen?’ Of ze zien de waterspuwers en de goten over de trottoirs waarover het hemelwater naar de groenvoorzieningen stroomt. Wij moeten duidelijker vertellen wat we van plan zijn en waarom dat is.” Kennis delen De Kruidenbuurt is innovatief en dat wordt opgemerkt door professionals. Sebregts: “We hebben een stagiaire van een andere gemeente gehad, een student van de Universiteit Wageningen en menig bezoeker van een collega-gemeente. Het blijkt dat er behoefte is om onze kennis te delen. Van den Bergh: “Het was voor mij een normale opdracht, maar er is sinds de realisatie veel belangstelling naar het verhaal achter dit plan. Het project is opgenomen als voorbeeldproject binnen ruimtelijkeadaptatie.nl. Op zich zijn de maatregelen niet bijzonder, maar wel dat zij hier integraal zijn samengebracht. Op die manier kijk je op een nieuwe manier naar de herinrichting van een bestaande woonwijk.” De gemeente Tilburg onderzoekt hoeveel duurder dergelijke klimaatadaptieve ontwerpen zijn in vergelijking met tradi- tionele herinrichtingen, niet alleen qua investering, ook qua beheer. Bij het beheer praat je bijvoorbeeld over het maaien van de groenverhardingen en onderhoud aan wadi’s en regentuinen, naast onderhoud aan bestratingen. Sebregts: “De investeringen liggen hoger en de verdeling van de beheerkosten tussen de beheergroepen is anders dan je gewend bent, maar daar staat tegenover dat je naast een oplossing voor de open- bare ruimte ook een oplossing voor de gevolgen van de klimaatverandering hebt.” Van den Bergh: “Je hebt een zeer diverse biodiversiteit aan beplanting. Dat vergt iets meer onderhoud voor de beplanting, maar is absoluut een verrijking voor de buurt.” Innovatieve regentuinen De innovatieve regentuinen die in de Kruidenbuurt en andere woonwijken in Tilburg worden toegepast, hebben hetzelfde principe van een verlaagde tuin met beplanting waar regenwater maximaal 48 uur mag blijven staan , maar ze kunnen in vormgeving verschillen. Van den Bergh: “In de Kruidenbuurt zijn het vooral natuurlijk aangebrachte tuinen. In een andere woonwijk die momenteel klimaatadaptief wordt ingericht, is veel minder ruimte tussen de bebouwing. Daar worden de regentuinen uitgevoerd met speciaal ontwikkelde prefab beton- nen keerwandjes, geleverd door Kemper Keerwanden. Je wilt dat zo’n tuintje er netjes uitziet. Met dit element hebben we een mooie mix tussen functionaliteit en uitstraling. Een verlaagde tuin die goed wordt omsloten door een beton- element en een doordachte vormgeving zodat het er keurig uitziet. Deze regen- tuinen hebben een overloop op het riool, zodat bij hevige regenval het teveel aan water wordt afgevoerd. We zijn blij met deze technische oplossing voor deze vorm van regentuin. Wel onderzoeken we het effect, want we willen graag een vergelijk tussen investering en resultaat. Dat geldt voor alle klimaatadaptieve maatregelen die wij nemen. Wat we tot nu toe in de Kruidenbuurt zien, is dat ze het gewenste effect sorteren.” Primeur in Europa! • Nu leverbaar in machinale pakketten voor een arbotechnisch verantwoorde verwerking. • Gemixt genuanceerd • Diverse kleuren gemixt Al onze graselementen zijn voorzien van een -kwaliteitsverklaring
  19. 19. 36 37B:tonstedebouw & architectuur INNOVATIECATALOGUS 2019 Egas. “We sluiten met ons initiatief perfect aan bij de ambitie van Rijkswaterstaat; de overheid heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Rijkswaterstaat besloot een gezamenlijk initiatief te starten en mee te denken toen wij samen met Consolis Spanbeton gingen brainstormen over de ontwikkeling van een circulair viaduct. We werken in projecten veel samen met deze prefab betonfabrikant en weten dat zij vooraanstaand zijn qua kennis en innovatieve oplossingen voor infrastructurele projecten. Zij waren direct enthousiast en zo was sprake van een vliegende start van een complex proces, want we hadden nog een heel eind te gaan. De partners in deze ontwikkeling gingen wekelijks met elkaar om tafel om deze innovatieve gedachte handen en voeten te geven.” Universele opzet Er is daarbij gekozen voor een referentieproject: een viaduct in de N18 tussen Groenlo en Enschede. Dick Egas: “We moesten daar als Van Hattum en Blankevoort verschillende viaducten bouwen, maar de ontwikkeling van het circulaire viaduct kwam niet meer op tijd om ter plekke toe te passen. Omgekeerd hebben wij wel de specificatie van één van die viaducten gebruikt voor onze innovatie. Het gaat hier om een viaduct van 20 meter lengte, waarbij onze insteek was een circulair viaduct te ontwikkelen met een reikwijdte van 15 tot 25 meter, zodat je meteen meer toepassingsruimte creëert.” Kees Quartel, Hoofd Verkoop van Consolis Spanbeton vult aan: “Uitgangspunt was dat we de betonelementen maximaal universeel zouden maken. Bijvoorbeeld dat ze zowel de maximale buigingsbelasting als maximale dwarskrachten moeten kunnen opnemen, waar ze ook in het viaduct zitten. Het krachtenspel verschilt namelijk binnen een ligger ten opzichte van oplegpunten en pijlers. In een later stadium willen wij naar langere viaducten gaan kijken. Bij dit eerste viaduct zijn de betonelementen hoger H et circulaire viaduct is opgebouwd uit 40 prefab betonnen ‘Legoblokjes’. Na elke 30 à 40 jaar gebruiksperiode van het viaduct zijn de elementen compleet te demonteren en voor een nieuwe infrastructurele oplossing elders in het land weer samen te stellen. Meermaals hergebruik tot wel 200 jaar. Initiatiefnemer voor het eerste circulaire viaduct is VolkerWessels-onderneming Van Hattum en Blankevoort. Ambassadeur Levenskwaliteit Projectmanager Dick Egas legt uit dat Van Hattum en Blankevoort in 2025 de duurzaamste civiele bouwer van Nederland wil zijn. “Die ambitie wordt op velerlei terreinen ingevuld. We hebben in Esther van Eijk, Ambassadeur Levenskwaliteit binnen ons concern, iemand die deze ambitie aanjaagt, van de werkvloer tot directieniveau. In 2016 kwam Esther met het idee om na te denken over een circulair viaduct. Het is namelijk van de gekke dat wij vandaag de dag een viaduct met een technische levensduur van 100 jaar ontwerpen en dat in de praktijk vaak na 30 à 40 jaar dat viaduct (deels) wordt gesloopt omdat de weg moet worden verbreed of er een nieuwe infraoplossing op de rol staat. Dan eindigt het viaduct als puin dat waarschijnlijk ergens een plekje krijgt als funderingsmateriaal onder wegen of in het gunstigste geval als secundaire grondstof in een nieuw betonnen viaduct. Voor ons was de inzet om te onderzoeken of een gerealiseerd viaduct na beëindiging van z’n functie op die plek wederom als viaduct een tweede, derde, vierde en vijfde toepassing kan krijgen.” Sprong voorwaarts Daarmee zou een enorme sprong voorwaarts worden gemaakt op de duurzaamheidsladder. Het mooiste op die ladder is als wordt afgezien van de realisatie van een nieuw viaduct, maar dat is niet realistisch binnen de maatschappij. Dan is volwaardig hergebruik een geweldige second-best oplossing, vindt Een viaduct voor nu én voor onze achterachter- kleinkinderen tekst paul engels Stel je voor, een viaduct dat je volledig uit elkaar kunt halen en opnieuw kunt gebruiken. Het is realiteit geworden met het eerste circulaire viaduct van Nederland, dat begin december 2018 is gebouwd op het werkterrein van het project Ruimte voor de Rivier IJsseldelta. Daar doet het enkele maanden dienst als aanvoerweg bij het bouwproject en dan wordt het weer gedemonteerd, wachtend op een nieuwe bestemming. Met alle opgedane kennis van ontwerp, engineering, productie, montage, gebruik en demontage krijgt de bouwsector de kans om aan te haken bij deze innovatie die Rijkswaterstaat ‘Experimenteerruimte’ noemt.
  20. 20. 39B:ton INNOVATIECATALOGUS 2019 dan feitelijk noodzakelijk zou zijn voor een overspanning van 20 meter. Echter, daardoor zijn ze wel breed inzetbaar voor uiteenlopende viaducten. We hebben alle mogelijke varianten doorgerekend, ook voor een scheve stand en de statisch onbelaste variant. Zo zijn de elementen straks voor meerdere toepassingen interessant.” Losse prefab betonelementen De crux van het circulaire viaduct is een opbouw uit losse prefab betonelementen. Standaard holle betonelementen van 2,5 m lengte, 1,5 m breedte en 1 m hoogte. Door middel van voorspanning worden de ‘blokjes’ tot betonliggers en brugdek aaneengeregen. Allemaal losse componenten die weer te demonteren zijn en kunnen worden hergebruikt. Hetzelfde geldt voor de fundering en landhoofden die bij dit eerste project in staal zijn uitgevoerd. Het viaduct voor het project Ruimte voor de Rivier IJsseldelta, uitgevoerd door de combinatie Isala Delta, is 20 m lang en 7,5 m breed, opgebouwd uit vijf liggers. Quartel: “We hebben in onze fabriek telkens 8 elementen tot één ligger samengesteld en de vijf liggers op de vertrouwde manier naar het werk gereden. Daar zijn ze na montage zijdelings aan elkaar gespannen. Voor het proces van voorspannen en (dwars) naspannen is DSI Nederland Voorspantechniek ingeschakeld. Want ook dit proces is zo ontwikkeld dat je alles weer moet kunnen demonteren en hergebruiken.” Schat aan informatie Bij alle fasen van het ontwikkelingsproces is de opgedane knowhow uitvoerig gedocumenteerd. Tevens zijn op het viaduct in de gebruiksfase allerlei sensoren aangebracht om de werking in de praktijk vast te leggen. Zo wordt een schat aan informatie vergaard, die van pas komt bij de verdere ontwikkeling van het circulaire viaduct. Dick Egas schetst de voortgang: “Er is nog zoveel te onderzoeken. We willen veel meer variaties in het systeem inbouwen. Belangrijke vraag is tevens hoe wij esthetisch verder gaan. Het is nu primair een functioneel viaduct, maar in de wetenschap dat architecten doorgaans een eigen gezicht aan viaducten willen geven, moeten wij kijken naar oplossingen in de vorm van modulaire randliggers, voorhangschorten et cetera. Dat zal nog een discussie opleveren of we straks met een pakket standaardoplossing moeten gaan volstaan. Aan de ene kant heb je de roep om circulariteit en hergebruik met dientengevolge standaardisatie en aan de andere kant de wens voor architectonische vrijheid. Dat wordt een keuze, tenzij wij die werelden dicht bij elkaar kunnen brengen. Het mooie is dat alle kennis van het eerste circulaire viaduct op de markt komt. Iedere partij mag aanhaken, wij houden niets aan kennis voor onszelf. Dat is voor Rijkswaterstaat heel erg belangrijk. De bouw moet nu gezamenlijk verder met dit prototype.” Daarmee lijken de initiatiefnemers hun kennisvoorsprong te verspelen. Maar daar is Dick Egas niet bang voor. “Ik vergelijk het met het samenstellen van een nieuw voertuig. Je kunt de complete bouwhandleiding krijgen, maar dat betekent nog niet dat je het voertuig één, twee, drie in elkaar kunt zetten. Wij hebben als initiatiefnemers dat maakproces al volledig doorlopen, met alle haken en ogen. Bovendien is onze visie dat je in de markt een voorsprong moet blijven houden, dus we zijn alweer bezig met volgende stappen. Zo kijken wij nu naar het rijdek dat we eveneens circulair willen maken.” Modulaire ontwerpen Kees Quartel besluit: “Daarnaast is er de uitdaging voor bouwend Nederland. Want op dit moment is elk viaduct in Nederland uniek. We zullen met z’n allen naar een niveau van standaardisatie moeten, wil je voortbouwen op dit systeemviaduct. Nu is het ene viaduct 21,19 m en een volgend viaduct 24,36 m. Met dit systeem kunnen wij in een modulair stramien van 2,5 m ontwerpen. Dat is prima mogelijk. Denken en handelen in bouwsteentjes. Het begin is er. Het eerste circulaire viaduct van Nederland laat zien dat we de ‘bouwstenen’ voor onze maatschappelijke duurzaamheidsambitie in handen hebben.” Innovatie met nog meer voordelen: De FK5 metselwerkondersteuning > Modulair opgebouwd systeem > Optimaal in hoogte verstelbaar > Grote hoogteverstelplaat en standaard tanddrager > Standaard voorzien van drukbout > Duidelijke gelaserde markering > 2D en 3D engineering inclusief > Met KOMO attest-met-productcertificaat Lees meer over HEK op www.halfen.nl Snel monteren – direct belastbaar: De HEK prefab verbinding > Snel en economisch > Verstelbaar in alle richtingen > Direct belastbaar > Voorzien van Zulassung HEK biedt de mogelijkheid prefab betonelementen snel en eenvoudig met zeskantbouten en contraplaten duurzaam constructief te verbinden. Geen wachttijden meer voor laswerkzaamheden of uithardingstijden van mortelverbindingen. Met HEK kan een prefab casco in zeer korte tijd verticaal gemonteerd worden. MEER INFORMATIE? Telefoon: 074 - 267 14 49 E-mail: advies@halfen.nl NIEUW INNOVATIEF MODULAIR BOUWEN
  21. 21. 40 41B:tonstedebouw & architectuur Installateurs Ook voor de installateur biedt Enermatics voordelen. Hij krijgt notificaties wanneer een storing dreigt te ontstaan, zodat hij tijdig service kan verlenen. Bovendien weet hij exact voor welk onderdeel hij actie moet ondernemen, zodat de juiste monteur met de juiste onderdelen op pad kan. Wijnen legt uit hoe dat kan. “Wij kunnen via verschillende protocol- len verschillende installaties uitlezen. Via bijvoorbeeld het modbusprotocol is het mogelijk om van een warmtepomp of cv-ketel het storingsregister uit te lezen. Ik verwacht dat partijen als bouwers, installateurs en woningcorporaties steeds meer gaan vragen om deze installatie- technische gegevens omdat ze daarmee een betere dienstverlening kunnen opzetten zoals ‘predictive maintenance’.” Bouwers Ook bouwers weten Enermatics steeds beter te vinden. Wijnen legt uit waarom: “Een bouwer kan op basis van de data uit E-Control een energieprestatiegaran- tie afgeven. Voorwaarde daarvoor is wel dat de installaties goed zijn geïnstalleerd en het gebruik goed is gemonitord.” Inmiddels werkt Enermatics nauw samen met verschillende bouwers. Daaronder is ook een bouwer van een geïndustri- aliseerd bouwsysteem voor Nul-op-de- Meterrenovaties, dat bestaande woningen verduurzaamt door er een schil omheen te zetten. “Daarbij gebruiken ze onze appa- ratuur om te kijken of het huis inderdaad Nul op de Meter is.” Ook de overheid begint de voordelen van Enermatics in te zien. “De gemeente Almere heeft voor 100 bewoners in de Filmwijk apparaten besteld om ze bewust te maken van hun energieverbruik. Zij wil- len op basis van die data besparingsvoor- stellen gaan doen aan bewoners.” Ook met TNO werkt Enermatics samen. “Met TNO bekijken we hoe we de flexi- biliteit in huis kunnen gebruiken om het elektriciteitsnetwerk te ontlasten. Daarbij is ons uitgangspunt: hoe fijnmaziger de data, het liefst op huishoudniveau, hoe beter energiestromen in een stad of regio kunnen worden aangestuurd.” Stroomversnelling Voor Enermatics is samenwerking belang- rijk. Daarom is het bedrijf actief lid van de Stroomversnelling, een brede marktgedra- gen coalitie van partijen die gezamenlijk hun schouders onder de energietransitie willen zetten. “Daarbij houden wij ons, samen met andere partijen, onder meer bezig met het vaststellen van een moni- toringsstandaard. Deze Energieprestatie Monitoring Norm is onafhankelijk van fabrikanten en zorgt voor een aantoon- bare kwaliteit van monitoring. Alle aspec- ten komen aan de orde, zoals welke data uit een woning je minimaal beschikbaar moet hebben. Daarbij kijken we naar het garanderen van veiligheid en privacy. Dus: welke gegevens moet de bewoner hebben en welke gegevens mag de woningcorporatie inzien om de EPV- rapportage te kunnen uitdraaien. Ons voordeel is dat we niet alleen weten hoe we met bouwers, installateurs en woning- corporaties moeten communiceren, maar dankzij IUNGO ook met bewoners. Bovendien zijn wij in staat om met uiteen- lopende systemen te communiceren.” Volgende stap Wijnen ziet de huidige activiteiten van Enermatics als basis voor een volgende stap. “Natuurlijk wil ik naar energie- management, maar momenteel is dat met de huidige wet- en regelgeving niet mogelijk. Onze gateway is er echter wel al klaar voor om bijvoorbeeld met flexibele energietarieven om te gaan, om via block- chaintechnologie energie die jij over hebt te verkopen aan de buren en om slimme apparaten aan te sturen.” Daarbij zoekt Enermatics nadrukkelijk de samenwerking. Wijnen: “Wij willen graag input van de partijen waarmee we samenwerken om E-Control nog verder te verbeteren. Want inmiddels is één ding duidelijk: als Nederland de doelstellingen voor CO2 -reductie wil halen, moeten we de handen ineenslaan.” Wonen in Nederland moet verduurzamen om de doelstellingen voor CO2 -reductie te halen. Het probleem voor partijen zoals bouwers, woningcorporaties en installateurs was tot voor kort dat ze geen grip hadden op het monitoren van energie- prestaties, niet aan energiemanagement konden doen en problemen hadden met het innen van de Energieprestatie- vergoeding (EPV). Om dit op te lossen komt Enermatics met E-Control. Energiemonitoring loont E nermatics maakt in eerste instantie gebruik van technologie van IUNGO die al enkele jaren succes- vol aanwezig is op de markt van energie- monitoring voor consumenten. In samenwerking met IUNGO ontwikkelde Enermatics E-Control. E-Control biedt een B2B-oplossing voor bouwers, installateurs en woningcorporaties. Het ondersteunt woningcorporaties bij een belangrijke uitdaging: met behulp van monitoring de correcte rapportages genereren waarmee de EPV kan worden geïnd. Woningcorporaties Jeroen Wijnen, een van de founding fathers van Enermatics: “Wij halen de data uit huis en verrijken die zodanig dat ze voor woningcorporaties een gegaran- deerde EPV-rapportage opleveren.” Maar Enermatics doet nog meer. “Je kunt pas echt iets doen wanneer je weet hoe een woning zich energetisch gedraagt en als je weet hoe bewoners het huis gebruiken. Dan weet je namelijk welke maatregelen en welke investeringen wel en niet renda- bel zijn. En dat geldt zowel op individueel als op collectief niveau. Dat laatste is inte- ressant voor een woningcorporatie omdat die steeds meer naar woonlasten in plaats van naar huur kijkt bij het beheer van haar vastgoedportefeuille.” Enermatics helpt bewoners op weg door ze via een realtime dashboard permanent inzicht te geven in het energieverbruik. “Daarmee krijgen ze meer grip op de te verwachten energierekening aan het eind van het jaar.” Belangrijk is dat al het meten van Enermatics gecertificeerd gebeurt. “Dat voorkomt discussies achteraf over de hoogte van de EPV. Als je onze data en onze oplossing gebruikt, heb je gecerti- ficeerd en onomstotelijk bewijs voor een goed uitgemeten woning waarop je de EPV kunt baseren. Vervolgens kan een woningcorporatie ervoor kiezen om zelf een rapportage te maken of deze door Enermatics te laten opstellen.” tekst Peter Bekkering INNOVATIECATALOGUS 2019 i www.enermatics.nl Projecten & producten
  22. 22. 42 43stedebouw & architectuur B:ton 1. Friesland profileert zich met biobased in de bouw. Waarom en wat zijn de ambities? “In de bouwsector is veel milieuwinst te halen als je bedenkt dat de bouw een grote impact op het milieu heeft. De bouw is verantwoordelijk voor 60% van het totale materiaalverbruik op aarde, 40% van het Nederlandse energieverbruik en voor 25% van de CO2 -emissie. Friesland heeft veel bouwnijverheid en grote aannemersbedrijven. In 2025 wil Friesland bij alle nieuwbouw hoogwaardige bouwmaterialen toepassen die kunnen worden hergebruikt en weinig impact hebben op het milieu. Of, zoals bij biobased, waar wij ons als gemeente op richten, materialen die kunnen worden teruggebracht in de natuurlijke kringloop. Wij hebben onze ambities met biobased in 2016 vastgelegd in een programma van 50 projecten. Het Biosintrum is daarvan het grootste. We zijn verder bijvoorbeeld bezig met een project met bouwbedrijven voor een biocomposiet applicatiecentrum, een testplek voor materialen. Hiernaast zijn we bezig met een proef om koffiebekers van rioolslib te maken, samen met bedrijven en onderwijsinstellingen. Nu smelt zo’n beker nog en je hebt natuurlijk ook nog de regels van de Voedsel- en Warenautoriteit, omdat je consumeert uit afval.” 2. Hoe worden de ambities gerealiseerd? “Door te doen! Als overheid moet je de vraag naar biobased creëren. Bij aanbestedingen vragen wij naar biobased materiaal en naar innovaties. Zo trekken we ondernemers aan die nieuwe dingen uitproberen en komt er een beweging op gang. Als je partijen enthousiasmeert, komen er ideeën los. We hebben 50 bedrijven bezocht en zijn in gesprek gegaan hoe ze hun pro- ductieproces duurzamer kunnen maken. In het Noorden zit veel mkb dat wil en kan innoveren. Als overheid moet je ook incalcu- leren en kunnen accepteren dat een innovatie wel eens mislukt en dat er dan niet meteen politieke koppen hoeven te rollen.” 3. Wat is het traject, ook in de tijd? “In 2030 moet Ooststellingwerf een grote stap hebben gezet naar een biobased/circulaire economie. We willen dat alle nieuwe of gerenoveerde gebouwen dan energiezuinig of energieleverend zijn, dus een CO2 -uitstoot van nul hebben. Ook moet de natuur en de biodiversiteit bij nieuwbouw en gebiedsontwikkeling versterkt worden. Bij het Ecomunitypark, waar het Biosintrum op staat, is 55% natuur en zijn er allerlei maatregelen genomen voor flora en fauna. Met de vijf Friese mbo- en hbo-onderwijsinstellingen en het mkb werken we als gemeente samen. We brengen bedrijven en onderwijsinstelling met elkaar in contact. In de Vereniging Circulair Friesland werken bedrijven, gemeenten, provincie Fryslân, onderwijs en andere organisaties samen om een circu- laire economie te bevorderen.” 4. Hoe bewerk je de bouw- en ontwerpsector om ze mee te krijgen? “Als opdrachtgever moet je durven kiezen voor biobased mate- riaal, ook al is dat soms duurder. Dat gaat dan misschien geen 40 jaar mee zoals beton, maar 25 jaar, maar dat risico moet je nemen. Ook moeten opdrachtgevers zelf de vraag creëren naar biobased materiaal. Je moet er in aanbestedingen om vragen. › Kenniscentrum Biosintrum in Oostellingswerf is voor 80% gebouwd met biologisch materiaal. Friesland gaat circulair en Ooststellingwerf zet vol in op biobased. Bart Sieben (31), programmamanager bij de gemeente Ooststellingwerf, raadt opdrachtgevers aan risico’s te nemen in hun keuze voor bio- based. “Gewoon doen. Dat trekt innovaties aan.” ‘Gewoon doen. Dat trekt innovaties aan’ tekst karin de mik Bart Sieben, programma- manager bij de gemeente Ooststellingwerf. ‘Je kunt weer voor die betonnen brug gaan, maar je kunt ook om een houten brug vragen. In die zin is het een mindset’ INNOVATIECATALOGUS 2019interview
  23. 23. 44 45B:tonstedebouw & architectuur Soms moet je ook financiële incentives geven. Dat hoeft niet per se in de vorm van een subsidiepot, waaraan je als overheid voorwaarden verbindt. Wij hebben het met de 50 bedrijven die we bezochten, nooit over geld gehad. Pas nadat er projecten zijn bedacht is er geld aan gekoppeld.” 5. Welke vernieuwingen zijn nodig om biobased te laten landen in de brede bouwstroom? “Als opdrachtgever moet je om biobased durven vragen. Het begint met de vraag. Je kunt weer voor die betonnen brug gaan, maar je kunt ook om een houten brug vragen. Vaak zeggen bouwers: ‘We gebruiken altijd beton. Dat gaat lang mee, dus doen we het nu ook in beton.’ Dat is een mindset. Maar die kun je veranderen. Belangrijk is ook dat aannemers moeten weten welke leveranciers biologisch materiaal leveren. Hun eerste vraag is vaak: waar haal ik het vandaan? Als opdrachtgever moet je weten welke biologi- sche materialen er te krijgen zijn om een goede uitvraag te kun- nen doen. Wij hebben een inventarisatie gemaakt en brachten de leveranciers in beeld. Al zoekende blijkt er soms ineens iets anders mogelijk. De bioboundvloer (van miscanthus/olifantsgras red.) stond bijvoorbeeld niet in het ontwerp. Vlak voor de dek- vloer erin moest kwam er nog een bedrijf uit het zuiden dat zei: wij hebben fietspaden van miscanthus gemaakt, kan dat ook niet als vloer? Je moet ook durven zeggen dat iets duurder mag zijn als het biobased is. Al betekent duurzaam niet per definitie duur. Een lemen vloer viel bij ons af omdat die drie ton zou kosten.” 8. Het Biosintrum, ontworpen door Paul de Ruiter, is nagenoeg biobased. Hoeveel procent? Welke bijzondere materialen en producten zijn er gebruikt? “Het is een van de duurzaamste biobased gebouwen van Europa. Van de gebruikte materialen is 80% biobased. De binnenwanden zijn van hennep. Voor de isolatie zijn cellulose uit oude kranten en katoen van oude spijkerbroeken gebruikt. De hele gemeen- schap hier leverde oude spijkerbroeken in. Heel leuk, zo betrek je de inwoners bij het gebouw. De biobound dekvloer op de begane vloer is van olifantsgras, dat CO2 heeft opgenomen. Het is voor het eerst dat dit in een gebouw is toegepast. Op de tweede ver- dieping is de vloer van inlands lariks. Hout is het gemakkelijkste biobased materiaal, al moet je geen lijm of andere chemische toe- voegingen gebruiken en uiteraard wel weer bomen aanplanten. De stopcontacten zijn van bamboe. De buitenvensters van acoya, dat niet behandeld hoeft te worden. De lichtkoepel van het centrum is opgebouwd uit diverse lagen biofolie, waartussen lucht wordt geblazen. Dit luchtkussen- koepel (ETFE) oogt als glas, werkt isolerend en zorgt voor een goed binnenklimaat. Voor de gevel zijn biocomposieten (neolife red.) gebruikt, die voor 96% van houtvezel zijn gemaakt. Twintig procent is niet-biobased. Met de constructeur keken we of het centrum op houten palen kon staan. Dat kon niet, omdat de grond heel nat en drassig is. Dus moesten we wel heien en regulier beton als ondervloer gebruiken.” 9. Welke rol gaat dit centrum spelen in biobased promotie? “Dit is een visitekaartje van onze gemeente en van het bouwen met biologische materialen. We hebben diverse nominaties voor gekregen en komen er veel mee in publiciteit. Het centrum krijgt ruimtes voor congressen, vergaderen, onderwijs en flexplekken. Ook komt er een restaurant in. Bezoekers zijn welkom. In die zin heeft het ook een educatieve rol. We maken zichtbaar waar welk materiaal zit. Omdat spijkerstof tussen de wanden als isolatie zit, maken we ergens een opening, zodat bezoekers zien waar het zit.” 10. Wat hebben jullie geleerd van de nieuwbouw? “Vooral welke biologische materialen er zijn, welke eigen- schappen ze hebben, hoe duur en duurzaam ze zijn en hoe ze eruitzien. We hebben een matrix gemaakt van al deze aspecten, ook van de risico’s zoals brandveiligheid en akoestiek. Een heel leerproces en een zoektocht. De ontwerpfase duurde daardoor anderhalf jaar. Bijzonder is dat de aannemer er al in de ontwerp- fase bij betrokken was. Niet alles was vooraf meteen duidelijk. We wilden bijvoorbeeld eerst hennepbeton als tussenwanden, maar dat viel af, omdat de akoestiek niet goed genoeg gegaran- deerd was. Nu is het OSB geworden.” INNOVATIECATALOGUS 2019
  24. 24. 46 47B:tonstedebouw & architectuur gebouwd, wat betekent dat de ruimte beperkt is. Ook moet de overlast voor de omgeving tot een minimum worden beperkt. Dat heeft invloed op niet alleen de bouwmethode en logistiek, maar ook op werktijden. Daarbij is veiligheid voor de omgeving een belangrijk onderwerp. “Als je kijkt naar de vallijn, kom je steeds meer richting de belendingen. Wanneer je verkeerde keuze maakt met de uitvoerings- en ontwerpmethode zijn deze risico’s niet goed beheersbaar.” Invulling van de veiligheid “Nederland is wat betreft de regelgeving geen hoogbouwland,” aldus Schönherr. “Voor alles boven de 70 meter red je het niet meer alleen met het Bouwbesluit, je komt in een ‘grijs’ gebied. Dat betekent dat er afspraken moeten worden gemaakt met instanties over de invulling van bijvoorbeeld de veiligheid. Voor de Zalmhaven hebben we gezocht naar welke bouwmethode het beste past bij het ontwerp en de omgeving. Dit heeft geleid tot de keuze om de toren grotendeels te prefabriceren en daarbij gebruik te maken van de hijsloods. Niet een nieuwe bouwmethode, maar deze is wel verder ontwikkeld voor dit project.” Alles prefab vanaf vijfde verdieping Vanaf de vijfde etage wordt alles opgetrokken in prefab: de dragende gevels, wanden, stabiliteitskernen en vloeren. “Een van de zaken waar extra aandacht aan is besteed, is de detaillering van de verbinding tussen de elementen,” vertelt Derikx. “De verbindingen worden uitgevoerd als natte knopen. Dat is nodig om krachtoverdrachten te kunnen laten plaatsvinden. Maar deze natte knopen dienen met zorg gekozen en gedetailleerd te worden, anders kan het bouwtempo eronder gaan leiden.” Hijsloods In plaats van traditionele torenkranen wordt gewerkt met een hijsloods. Hierdoor kan gedurende het hele jaar zonder al te veel hinder van slechte weers- omstandigheden gebouwd worden. › H et is niet het eerste hoogbouw- project voor het betonbedrijf. Ervaring werd opgedaan bij onder meer het ‘Strijkijzer’ in Den Haag (130 meter hoog) en het Erasmus MC in Rotterdam (120 meter). De laatste ook in opdracht van BAM. Ook al is het dankzij de prefabricage ’slechts’ een kwestie van stapelen, toch is dit project bijzonder. Bij constructies van deze hoogte spelen immers andere dingen mee dan bij gebouwen van 100 meter. “Je moet rekening houden met ‘tweede orde effecten’, de vervorming die optreedt op deze hoogte is afhankelijk van stijfheden waarbij verschillen tussen de berekende en de werkelijke stijfheid enorm kan zijn,” aldus Dirk Derikx, projectengineer van het betonbedrijf. Pionieren “Hoogbouw is altijd een stukje pionieren,” aldus Bernd Schönherr, projectdirecteur van BAM. Bij dit project moet daarnaast met een aantal zaken rekening worden gehouden. Er wordt binnenstedelijk INNOVATIECATALOGUS 2019 auteur Naomi Heidinga Bernd Schönherr, projectdirecteur van BAM. Een wereldprimeur voor Rotterdam: daar wordt de hoogste woontoren gebouwd met prefab elementen. De toren wordt 215 meter hoog. Met zo’n zestig verdiepingen en 485 woningen is het zelfs de hoogste toren binnen de Benelux. Het Brabantse bedrijf Byldis produceert industriële bouwcomponenten voor het nieuwe icoon van Rotterdam. Aannemer is BAM. Rotterdamse woontoren Zalmhaven wereldprimeur ‘De hijsloods is geen nieuwe bouwmethode, maar is wel verder ontwikkeld voor dit project’

×