DE BERGPAPOEAS VAN NIEUW-GUINEAEN HUN WOONGEBIED
DE BERGPAPOEAS VANNIEUW-GUINEAEN HUN WOONGEBIEDDOORC. C. F. M. LE ROUXTWEEDE DEELMET 87 AFBEELDINGEN OP 35 PLATEN, 3 FIGUR...
Copyright 1950 byKoninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig GenootschapAll rights reserved, including the right to translate ...
INHOUDLijst der figuren in de tekst VIIILijst der afbeeldingen VIIIXIV.XV.XVI.GEESTELIJKE CULTUURAlgemene geestelijke eige...
VIXVII.XVIII.XIX.XX.XXI.XXII.INHOUDDe varkensfeestenBedoeling en oorsprong der grote en kleine varkensfeesten. Orga-nisati...
XXIII.XXIV.XXV.INHOUDZiekten en geneeskunde — LeeftijdsgrensGezondheidstoestand. Meest voorkomende ziekten. Papoeasegenees...
VIIIFig.10.11.12.INHOUDLIJST DER FIGUREN IN DE TEKSTOrnamentiek van BergpapoeapijlenSchets vande opstelling derverschillen...
INHOUD IXTegenoverAfb.81.82.83.84.85.86.87.88.89.90.91.92.93.94.95.96.97.98.99.100.101.102.103.104.105.106.107.108.109.110...
X INHOUDTegenoverAfb.115.116.117.118.119.120.121.122.123.124.125.126.127.128.129.130.131.132.133.134.135.136.137.138.139.1...
VEERTIENDE HOOFDSTUKALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN —VOLKSKARAKTEROp de moeilijkheden waarmede het volkenkundig onderzo...
486 GEETELIJKE CULTUURIn het zo vlot en boeiend geschreven populair-wetenschappelijk werk,van den anthropoloog BIJLMER ove...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 487het volgende, wel zeer gunstige oordeel (32, p. 44): „Es ist ein gro...
488 GEESTELIJKE CULTUURmoeten aandoen; ieder wenscht een veilig bezit van zijn leven, zijn vrij-heid, zijn vrouw, zijn kin...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 489waar zijn, als ook de gemaaktheid, het snobisme en het parvenu-achti...
4 9 0 GEESTELIJKE CULTUURtrekken. Ik zal mij bepalen tot het nauwkeurig weergeven van die han-delingen en gedragingen, wel...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 491ken in Melanesië, Indonesië en elders ter wereld nog op een lage tra...
4 9 2 GEESTELIJKE CULTUURnog al uiteen. Daarbij komt nog dat ook de Bergpapoea ongetwijfeldanders optreedt tegenover de Eu...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 493Bij alle stammen vond ik hiervoor steeds grote belangstelling. Berg-...
494 GEESTELIJKE CULTUURHet zou verkeerd zijn uit het bovenstaande de gevolgtrekking temaken dat de Bergpapoea niet in staa...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 495Mij zou het niet verwonderen, indien onze Bergpapoeas het in detoeko...
496 GEESTELIJKE CULTUUReigen grondstoffen. Zo werd bij de Dèm-stam de stof van onze kleren,vooral die der gebreide goedere...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 497der uitzondering van schrik ineen, waarna zij in koor hun kai, kai-g...
4 9 8 GEESTELIJKE CULTUURwoners nog geen aanraking met de blanken hadden verkregen, hun ge-dachtengang wel een geheel ande...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 499westelijk deel van het grote bekken der Meervlakte, die nog zeer wei...
5 0 0 GEESTELIJKE CULTUURbleven, met de behandeling van framboesia-patiënten. Men toonde nietde minste angst voor het toed...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 5 0 1het bij de vrouwen wat meer moeite dan bij dt mannen. Zelfs gelukt...
5 0 2 GEESTELIJKE CULTUUROok door het vertonen van platen en tekeningen heb ik, in navolgingvan andere onderzoekers, de in...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 503vertrouwen dat de Bergpapoeas in ons stelden wil ik hier vermelden.I...
504 GEESTELIJKE CULTUURCarstensz-berg enige op de zuidhellingen daarvan wonende Bergpa-poeas een uitstapje laten maken naa...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 505de grootste schat vormden, die hij uit de wereld der blanken had med...
506 GEESTELIJKE CULTUURgemoedelijkheid. In zijn omgang met ons betoont hij zich zeer joviaalen hulpvaardig. Wat dat betref...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 507legen te worden gemaakt. Enige malen heb ik meegemaakt, dat expedi-t...
5 0 8 GEESTELIJKE CULTUURdaarna in het hooggebergte zo voorkomend en gastvrij te worden ont-vangen. Vrede toch kennen eers...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 509Toch heb ik meermalen opgemerkt, dat de Bergpapoea bang is omalleen ...
510 GEESTELIJKE CULTUURnaburige stammen alles kan verkrijgen wat een Papoea-hart maar kanverlangen en wanneer men dan in a...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 5 1 1bij de gemeenschappelijke maaltijd. In het mannenhuis vindt hij ee...
5 1 2 GEESTELIJKE CULTUURkelijk is. Omtrent de begroetingswijze in die laatste streek wordt ge-zegd: „Men geeft elkaar daa...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 513Daarnaast nog de woorden woondià en nàgàlàk, waarvan ik de betekenis...
5 1 4 GEESTELIJKE CULTUURonderwerpen. Men pakt elkaar bij de polsen of de onderarmen, druktzich tegen elkaar aan, slaat de...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 515wen onder gelijktijdig neigen van het hoofd naar één zijde en daarbi...
5 1 6 GEESTELIJKE CULTUURonder het mompelen van: „sa,sa, sa". Onderwijl werd de zieke beblazenen onder het prevelen van fo...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 517te maken. Te Koeboe maakten wij de komst van een soort afvaardigingv...
518 GEESTELIJKE CULTUURdenken en dat het niet alleen in de gehele polynesisch-melanesische cul-tuurkring een bekend versch...
ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 519De uitspraak van WIRZ (32, p. 45): „Der Kuss ist natürlich unbe-kann...
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Leroux 1950 ii Bergpapoeas
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Leroux 1950 ii Bergpapoeas

4,305 views

Published on

Leroux 1950 ii Bergpapoeas

Published in: Art & Photos
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
4,305
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1,004
Actions
Shares
0
Downloads
4
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Leroux 1950 ii Bergpapoeas

  1. 1. DE BERGPAPOEAS VAN NIEUW-GUINEAEN HUN WOONGEBIED
  2. 2. DE BERGPAPOEAS VANNIEUW-GUINEAEN HUN WOONGEBIEDDOORC. C. F. M. LE ROUXTWEEDE DEELMET 87 AFBEELDINGEN OP 35 PLATEN, 3 FIGUREN IN DE TEKST,1 GENEALOGISCHE TABEL EN 2 AANHANGSELS, RESP. VANMEVR. C. M. DE SITTER-KOOMANS EN J. KUNSTLEIDENE. J. BRILL1950
  3. 3. Copyright 1950 byKoninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig GenootschapAll rights reserved, including the right to translate or to reproducethis book or parts thereof in any formPRINTED IN THE NETHERLANDS
  4. 4. INHOUDLijst der figuren in de tekst VIIILijst der afbeeldingen VIIIXIV.XV.XVI.GEESTELIJKE CULTUURAlgemene geestelijke eigenschappen — Volkskarakter .Critische beschouwing van het oordeel van diverse auteurs overde geestesgesteldheid der Bergpapoeas. Invloed van de geogra-fische omstandigheden daarop. Maatstaven voor de intelligentie.Vindingrijkheid, bevattings- en aanpassingsvermogen. Voorbeel-den daarvan. Levendige belangstelling voor Westerse zaken,vooral muziek. Uitwerking vliegtuig. Denkbeelden daarover.Groot vertrouwen in blanken. Ondernemingsgeest. Volksaard,deugden en ondeugden. Omgangsvormen. Wijzen van begroe-ting. Tranengroet. Samenvattend oordeel over geestelijke eigen-schappen.Tellen e nrekenen — M a t e n — Tijdrekening — W i n d -streken — Kennis van kleuren — G e b a r e n t a a l . . . .De telwoorden en talstelsels in gebruik bij de verschillendestammen in ons gebied. Betekenis der zelfstandige telwoorden.Tellen op vingers en lichaamsdelen. Aanwezigheid van hetAustralische parensysteem, naast het 5-tallig, 10-tallig en 20-tallig stelsel. Handen en voeten als telraam, naast voorwerpen.Schelpensnoer, knoopjestouw en meetband. Kennis van meetkun-dige figuren. Wijze van oriënteren in ruimte en tijd. Windstre-ken. Tijdsindeling. Schijngestalten van de maan. Onderschei-dingsvermogen voor kleuren; benamingen daarvoor. Beschrij-ving der gebarentaal.Beelden kunsten- Dans, zang en muziek......................................Tekenkunst. Versieringen op pijlpunten en oorkokers. Geometri-sche figuren. Toempalmotieven. Plastiek. Rijendans, liefdes-dans, rondedans, marschdans, danshuis, geestendansen, driftdans.Zangkunst op vrij hoog peil. Inhoud der gezangen. Sfeer. Hetmondharpje.485528554
  5. 5. VIXVII.XVIII.XIX.XX.XXI.XXII.INHOUDDe varkensfeestenBedoeling en oorsprong der grote en kleine varkensfeesten. Orga-nisatie der feesten. Het feestterrein. Oprichting der varkenshui-zen. Verloop der feesten. Rituele handelingen. Verbodsbepalin-gen. Sociale en religieuze betekenis.Godsdienst en magieDe hogere geestenwereld. Personificatie van hemellichamen. Zon-en maangoden. Aardgod. Heilig huwelijk tussen hemel en aarde.De lagere geestenwereld. Lucht- en aardgeesten. Geesten derafgestorvenen. Verblijfplaats der geesten. Toverij. Magische ste-nen. Afweermiddelen. Geestenbezweerders. Toverformules. Ver-schillende vormen van bezweringen in geval van ziekten, enz.Heksengeloof. Verbodsbepalingen. Koppensnellen en kannibalis-me. Voorstellingen omtrent ziel en hiernamaals. Dromen. Voor-stelling van het zielenland.Maatschappelijk leven. — Clan- en stamorganisatie . .Weerspiegeling in aanleg en bouw van nederzetting en huizen.Vrouwen- en mannenhuizen. Clan- en stamindeling. Hoofden.Oorsprongsiegenden. Indeling op genealogische en territorialegrondslag. Zielenaantal. Onderlinge verhouding der clans enstammen. Totemistisch twee-klassen-systeem. Betekenis der clan-namen. Rechtsbegrippen.ZedelijkheidsbegrippenEthische verhoudingen. Schaamtegevoel. Geslachtsleven.Verloving en huwelijk. . . . .Verkeer tussen de sexen. Invloed der ouders op de keuze derechtgenoot. Huwelijksgebruiken. Bruidschat. Patrilineaal stelselmet een voorkeur voor het cross-cousin huwelijk. Monogamieregel. Polygamie geoorloofd. Verhouding tussen de echtelieden.Echtscheiding.Geboorte en kindKinderen zeer gewenst. Vruchtafdrijving. Denkbeelden om-trent samenhang tussen cohabitatie en conceptie. Verloop der be-valling. Gebruiken met betrekking tot de placenta. Miskraam.Geboortefeest. Behandeling en opvoeding van zuigelingen.Naamgeving. Verbodsbepalingen. Kindersterfte. Initiatie.586606642679697717
  6. 6. XXIII.XXIV.XXV.INHOUDZiekten en geneeskunde — LeeftijdsgrensGezondheidstoestand. Meest voorkomende ziekten. Papoeasegeneeskunde.Dood — Lijkbezorging — RouwgebruikenDoodsoorzaken volgens Papoea-opvattingen. Gebruiken bij hetoverlijden. Handelingen op de dag der begrafenis of bijzettingvan het lijk. Grote verscheidenheid in wijze van lijkbezorging.Bijzetting in hurkende houding in dodenhuisje. Betekenis daar-van. Boomstellages. Platformmodellen. Mummificeren van lij-ken. Begraven van lijken. Lijkverbranding. Bijzetting schedels enbeenderen. Rouwgebruiken. Insmeren met modder, verbrandenhuis overledene, enz. Vinger- en oorschelpmutilatie. Betekenishiervan. Weduwendoodpijling.Taalkundige gegevensTaalgebieden. Enige grammaticale opmerkingen.A. Alphabetische woordenlijst Nederlands — Moni en DèmB. 1. Alphabetische woordenlijst Moni — Nederlands..............B. 2. Alphabetische woordenlijst Dèm— Nederlands...............C. Systematische woordenlijst Nederlands — Moni en Dèm....D. 1. Zinnen en uitdrukkingen Nederlands — Moni..................D. 2. Zinnen en uitdrukkingen Nederlands — Dèm...................E. Vergelijkende woordenlijst Nederlands — Wolani, Ekari enMoni............................................................................................F. Vergelijkende woordenlijst Nederlands — Ndani, Oeringoepen P s ch m................................................................................G. Vergelijkende woordenlijst Nederlands — Jabi, Simori,Ekari, Moni, Dèm, Oehoendoeni, Ingkipoeloe, Oeringoep,Pësëchëm, Saoeweri-Hablifoeri en Goliath................................VII731740776809836852863890892896898901Aanhangsel I: Petrografisck onderzoek der stenen bijlen en mes-sen van Nieuw-Guinea, door C. M. DE SITTER-KOOMANS......Aanhangsel II: De inheemse muziek in Westelijk Nieuw-Guinea,door J. KUNST..................................................................................Alphabetisch register van auteurs...................................................Literatuur.........................................................................................Zaakregister.....................................................................................9149219979991015
  7. 7. VIIIFig.10.11.12.INHOUDLIJST DER FIGUREN IN DE TEKSTOrnamentiek van BergpapoeapijlenSchets vande opstelling derverschillende huizen tijdens een varkens-feestOverzichtskaartje vanstammen en talen derBergpapoeas . . . .Pag.562590808LIJST VAN AFBEELDINGENTegenoverAfb.56.57.58.59.60.61.62.63.64.65.66.61.68.69.70.71.72.73.74.75.76.77.7880.Gebaar voor het bijzetten op de dodenstellageGebaar voor het niet weten, niet begrijpenDe àmàkanè-groet bij de Moni: de tepel -wordt aangeboden . . .Gebaar voor slapenPijlpuntversieringen van de BergpapoeasBamboekokertjes der EkariDe ontwikkeling van het toempalornamentOorversieringen der EkariMagische stenen van Moni en EkariPoppetjes van vruchtenzaden, gebruikt als medium bij het uitdrijvenvan ziekten-veroorzakende geestenDanshuis te Waniboega in het Kemaboe-dalMannenhuis te Koegapa, versierd met kaken van offerdieren enboomtakken, gebruikt bij de geestenbezweringenAls afb. 67, van dichtbij gezienHouten staketsel, afweermiddel tegen geesten, op de toegangswegtot de ompaggerde kampong Bilorai, Doraboe-valleiHouten staketsel met bladertakken, afweermiddel tegen geesten .Houten staketsel met bladertakken, afweermiddel tegen geesten.Kema-dal, kampong Sosiga-WaniboegaStok, waaraan pakje met bezweringskruiden, doorschoten met eenpijlRavijnwand der Waboe, met afgeschoten pijlen ter afweer vanboze geestVerbodsteken in de kampong: afsluiting met rotandraad . . . .Verbodsteken nabij de tuinenHuis met antenne van rotandraad in kampong Bilorai (Moni, Dora-boe-vallei), ter afweer van boze geesten en slechte mensen . . . .Antenne van dichtbij gezien. Doraboe-valleien 79. Afweertekenen in de tuinen, tevens verbodstekenen . . . .Offerplaats in het bos voor de zielen der voorouders, met offer-stokken . . . .pag.516516517517532533533533564565580580581581596596597597612612613613628628
  8. 8. INHOUD IXTegenoverAfb.81.82.83.84.85.86.87.88.89.90.91.92.93.94.95.96.97.98.99.100.101.102.103.104.105.106.107.108.109.110.111.112.113.114.Offerdier, waarbij oude vrouw metbladertak de geesten verdrijft. .Tafeltje met resten van maaltijden als offer aan de zielen der voor-oudersGeestenbezweerder van de Ekari-stam (Tigi-meer), met pruik entouwgordel ....P mali-teken op het zadel van de Maratara-berg, vanopzij gezien . .Idem, van voren gezienHuiselijk tafereeltje bij de Moni in het Kemaboe-dalZwangerschapPrimitieve hutten van takken en gelagah aan de rand van een Moni-kampong (Doraboe-vallei). Hier wachten de vrouwen haar be-valling af.......................................................................................Een dergelijke hut, van dichtbij gezienAls afb. 88 en 89. Zwangere vrouwen bij de hutten.........................Papoea-deur met afbeelding van een moeder met kind, afkomstigvan Siéboe (Jauer, Laagvlakte-Papoeas)Conisch toestel bij de Dèm, waar nageboorte en navelstreng wordenbegravenPlatform in de Dèm-kampong Tombe, voor hetzelfde doel als afb.92Korfvormig toestel bij de Dèm,ter bewaring van de uitwerpselen vande pasgeboren zuigeling bij de pagger tussen twee huizen. . . .Korfvormig toestel bij de Moni, opgesteld in de tuinen. Bestemdvoor hetzelfde doel als afb. 94...........................................................Gezicht in dodenhuisje, waarin gemummificeerd lijk is bijgezet .Hetzelfde huisje van dichtbij ........Dodenhuisje in tjemara-boom, Moni, Doraboe-vallei...........................Hetzelfde huisje, van opzij gezienDodenstellage, bestaande uit platform in Kemandora (Moni). . .Vervallen dodenhuisjeSchedel in boom. Detail van afb. 98Een schedel, bijgezet in een boomholteDodenhuisje in zware boomDodenhuisje met twee lijken, beiden in gehurkte houding . . . .Man met gemutileerde rechterhand, welke meestal wordt gespaard.Man met beide handen gemutileerdPelietenGlaucofanietenWaigeo, kampong Urbinasopen: zingen voor de gramophoon . . .Mannendans te ManooiMannendans te ManokwariHaaiensistrum van BiakHaaiensistrum van Biakpag.629629644645645692692693693708708708709709709740740741741756756757757772772773773914915932932933933933
  9. 9. X INHOUDTegenoverAfb.115.116.117.118.119.120.121.122.123.124.125.126.127.128.129.130.131.132.133.134.135.136.137.138.139.140.141.142.MondharpjesSpleettrom van de Humboldt-baaiDanssperen van de NoordkustDansstavenTrom van het eiland JapènTrommen van de Waropèn-kustGetailleerde trom van het eiland WakdéTromvormenTromvorrnenDierplastiek op een trom van de Geelvink-baaiTrom met snijwerk, Sentani-meerEén-snarig bamboe-idiochord van de Schouten-eilandenHet blazen van de heilige fluiten te Kaptiau (Noordkust)...................Noordkust. Fluitorkestje van de schooljeugd (Ambonnese fluiten).SchelptrompettenHouten trompet van de Noordkust .....................Houten trompet, Humboldt-baaiBamboe brulbuizenMarind-anim van de klasse der gehuwde mannenDanssperen..Marind-anim-trommen.Trommen van de ZuidkustMarind-anim met tromBamboe- en houten trompettenHouten trompet den Digoel-Papoeas ...........Klapper-ocarinas van de Marind-animSnorrebot van Marind-animSnorrebottenpag.948948948948948948949949949949949949949949964964964964964965965965965965965965980980
  10. 10. VEERTIENDE HOOFDSTUKALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN —VOLKSKARAKTEROp de moeilijkheden waarmede het volkenkundig onderzoek tijdensde grote wetenschappelijke expedities naar het centrale bergland tekampen heeft, hebben wij in de inleiding van dit boek reeds gewezen.In het bijzonder treden deze op bij het doorgronden van de geestelijkegesteldheid. In de vele reisbeschrijvingen, expeditieverslagen en weten-schappelijke verhandelingen, die wij thans over de Bergpapoeas in onsgebied bezitten, vindt men over talrijke plaatsen verspreid meer ofminder uitvoerige beschouwingen, korte mededelingen en opmerkingenomtrent hun aanleg, karakter en gezindheid. Als regel worden daarbijdoor de verschillende explorateurs vergelijkingen getrokken met onzeeigen opvattingen omtrent zeden en gewoonten, hetgeen voor een juistebeoordeling van de psyche dezer bergbewoners velerlei gevaren metzich meebrengt. Ongetwijfeld zijn in de primitieve cultuur der Berg-papoeas dezelfde krachten werkzaam alsin onze moderne. Men ontdektbij hen in aanleg alle elementaire eigenschappen van de menselijkegeest, maar deze hebben zich in een dikwijls geheel andere richting ont-wikkeld dan bij ons, zodat hun geestelijke cultuur bepaalde vormenvertoont, die sterk afwijken van de onze. Tijdens de korte duur derexpedities is het uiteraard niet doenlijk de eigen aard en het juistekarakter dier cultuur behoorlijk te onderkennen, ook al is men ge-wapend met een gedegen kennis van de culturen van andere primitievevolken.G e e s t e s g e s t e l d h e i dAlvorens de indrukken weer te geven, die ik zelf bij de bevolkingin het westelijk deel van het centrale bergland heb opgedaan, moge ikhier eerst het algemene oordeel laten volgen, dat bekende onderzoekersals BIJLMER, LAM en WIRZ te dien aanzien geven over de door henbezochte stammen.LE ROUX, Bergpapoeas van Nieuw Guinea, II 32
  11. 11. 486 GEETELIJKE CULTUURIn het zo vlot en boeiend geschreven populair-wetenschappelijk werk,van den anthropoloog BIJLMER over zijn laatste expeditie naar de Berg-papoeas, getiteld: ,Naar de achterhoek der aarde, schetst deze auteurde Tapiro van het Nassau-gebergte als volgt (48, p. 77): „Zijn dezemannen, zonder kleeren, bijkans zonder huisraad en met een minimumaan kunst, zijn deze „wilden" halve beesten? Allerminst. Wild kanmen deze menschen toch wel terecht noemen, daar ze immers geenerleiaanraking hadden met Westersche of Oostersche cultuur en hun géheeleleven slechts de hen omringende natuur is aangepast. Wild, zooals weeen niet gekweekte bloem wild noemen. Maar allerminst in den zinvan bloeddorstig of boosaardig. Want het zijn echte menschen. Al naargelang van de omstandigheden zijn ze vriendelijk of nurks, gemoedelijkof balsturig, ijverig of laks, voortvarend of gemakzuchtig en hun reactieis juist zooals we dat van onze medemenschen gewend zijn. Zij hebbenover recht en onrecht, trouw en ontrouw, of om het in één begrip samente vatten, over rechtschapenheid dezelfde opvatting als wij. Onze woor-den vatten elkaar niet door het verschil van taal, maar onze gedachtenverstaan elkaar als grootheden van dezelfde orde. Als menschen be-grijpen we en worden we begrepen."Hoe de botanicus LAM over de bewoners van de Swart-vallei denkt,moge blijken uit de volgende aanhaling uit zijn ,Fragmenta Papuana(30 (e), p. 325): „De Timorini is, ook in ons oog, volop mensch, maarprimitief; ik meen daarmee uit te drukken, dat zijn gedachtenleven veelmeer onbewust is dan het onze, meer „dierlijk", veel minder ingewik-keld en veel minder gemakkelijk combineerend. Wij kunnen hen be-schouwen als een soort tusschenvorm tusschen het „verstandige" zoog-dier als hond of paard, en ons; ik laat mij niet uit over de plaats vandien tusschenvorm. In hen schuilen dezelfde kiemen van goed en kwaadals in ons. Eiken dag, elk uur, elk oogenblik worden wij weer getroffendoor uitingen, die wij juist zoo bij ons eigen ras aantreffen. Hun maat-schappij is als de onze, op sterk verkleinde en vereenvoudigde schaal."LAM typeert daarna op rake wijze de verhoudingen tussen ouderdomen jeugd, stelt hun deugden en ondeugden tegenover elkaar en komtdan evenals BIJLMER tot het besluit, dat de Bergpapoeas wat hunkaraktertrekken aangaat tenslotte mensen zijn net als wij.De ethnoloog WIRZ, die aan de geestelijke eigenschappen van de-zelfde groep Bergpapoeas een geheel hoofdstuk wijdt, geeft over hen
  12. 12. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 487het volgende, wel zeer gunstige oordeel (32, p. 44): „Es ist ein grosserIrrtum wenn man glaubt das hinter allen fremden Dingen des weissenMannes etwas Geheimnisvolles, Zauberkräftiges vermutet wird, und sokann ich ruhig sagen, dass ihre geistigen Fähigkeiten, vor allem ihreErfassungskraft hinter derjenigen der Träger der Expedition aus denverschiedensten Teilen des Archipels der Dajaks und Javanen, Bali-nesen, Sundanesen und Atjehern kaum nachstehen. Im Gegenteil — dieDajak vielleicht ausgenommen — sind unsere Papua entschieden vielregeren Geistes, viel erfinderischer, erfassen viel rascher als die meistenVölker des malayischen Archipels. Überall griffen unsere Papua zu,halfen mit wo es etwas zu tun gab, während dem unsre Sträflinge erstnach mehrfacher Auf forderung Hand anlegten, meistens aber die Papuaallein arbeiten lessen, denn diese standen nach ihrer Meinung tief unterihnen, vor allem weil sie keine Kleider trugen, und sich nie badeten."In deze schilderingen van de algemene geestesgesteldheid onzer Berg-papoeas treft mij allereerst de bijzondere nadruk, die BIJLMER en LAM— ook nog op andere plaatsen in hun beschrijvingen — leggen op hetfeit, dat de Bergpapoeas ,echte mensen zijn. Hadden zij dan verwacht,zo zou ik willen vragen, in de onbekende gebieden van Nieuw-Guineasbinnenland een ander soort mensen aan te treffen dan wij; mensen metsterk afwijkende lichamelijke en geestelijke kenmerken? Dit zou instrijd zijn met de uitkomsten, die de anthropologie en de ethnologieons overal hebben opgeleverd, want deze wetenschappen hebben onsnu wel met zekerheid geleerd, dat de huidige mensheid, ondanks alleverschillen die er zijn, niet alleen naar haar lichamelijke maar ook naarhaar geestelijke eigenschappen een eenheid is. Alle geleerden, die zichmet de studie van de zogenaamde primitieve mens hebben bezig gehou-den, zijn het daarover eens, dat ook de cultuurarmsten reeds een betrek-kelijk hoge mate van ontwikkeling te zien geven. Aan het bestaan vancultuurlozen gelooft niemand meer. Ook LÉVY-BRUHL, de om zijnstudiën van de ,primitieve mentaliteit zo bekende geleerde, verkondigtuitdrukkelijk de fundamentele eenheid van structuur van de menselijkegeest (195, p. 21). VAN EERDE (180, p. 26) schreef enige tientallenjaren geleden: „Ook de laagststaanden in ontwikkeling onderscheidentusschen goed en kwaad; het goede wordt geprezen en beloond, hetkwade verafschuwd en gestraft. Begrippen van recht en onrecht, mijnen dijn, vond men bij allen, zoo mede het bewustzijn geen onrecht te
  13. 13. 488 GEESTELIJKE CULTUURmoeten aandoen; ieder wenscht een veilig bezit van zijn leven, zijn vrij-heid, zijn vrouw, zijn kinderen, have en goed. Overal wordt oprecht-heid, trouw, mildheid, gastvrijheid, beleefdheid jegens den naaste ge-waardeerd; gevoel van saamhoorigheid en solidariteit bestaat bij primi-tieven, dapperheid wordt door hen geëerd."Aan de Bergpapoeas is geen enkele menselijke eigenschap vreemd.Men vindt onder hen goede en slechte individuen, en tussenvormen. Zijhoren ten volle thuis in de familie der Hominidae, waarvan de dichtervan Dreizehnlinden zo treffend juist heeft gezegd:Menschen sind die MenschenkinderAller Zeiten, aller Zonen,Ob sie unter BirkenbüschenOb sie unter Palmen wohnen;Ob sie vor dem ChristengotteOb vor Wodan sie sich bücken,Ob sie sich in Lumpen bergenOder sich mit Purper schmücken.De conclusie dat de Bergpapoeas ,echte menschen zijn, is slechtseen bevestiging van een bij de ethnologen reeds lang vaststaande waar-heid, die voor alle primitieve volken ter wereld geldt. Men denke niet,om de woorden van DUYVENDAK te gebruiken (199a, p. 491), „dat mennog ergens zooiets als den „oermensch" met zijn „oereigenschappen"in levenden lijve zal aantreffen". Ook de schijnbaar zo primitieve Berg-papoeas hebben reeds een lange evolutie-weg afgelegd. Het feit datzij nog in het steentijdperk leven, al is het ook het hyper-moderne, heeftonwillekeurig de gedachte opgewekt aan intellectueel inferieure wezens.LAM komt naar mijn gevoelen met zich zelf in strijd door de Berg-papoea enerzijds te willen beschouwen als een soort tussenvorm tussenhet ,verstandige dier en ons, anderzijds als ,echte mensen, net als wij.Deze zelfde tegenstrijdigheid komt ook tot uiting, wanneer hij de Berg-papoeas prijst als een rustig, vreedzaam, gemoedelijk en plooibaar volken daarna van hen zegt (30 (e), p. 326): „In zulk een volk vinden wehet beste van het dier tot menschelijken staat verheven; en wij voelenons veel nader tot hen dan bijv. tot den door opheffing van zijn isolatieuit het evenwicht geraakten Jong-Javaan". Dit laatste moge in zoverre
  14. 14. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 489waar zijn, als ook de gemaaktheid, het snobisme en het parvenu-achtigevan sommige grote-stadsmensen ons afstoten en daarentegen de natuur-lijkheid, de rechtschapenheid en de eenvoud van den landman onsaan-trekken. Wat echter de vergelijking van de Bergpapoea met het dierbetreft, spreekt in LAMteveel de bioloog, die deze natuurmens wilopnemen in de algemene ontwikkelingsketen der levende wezens endan voor hem een plaats zoekt tussen de hoogst ontwikkelde dieren ende volwaardige mens. Met dit streven kan ik mij geenszins verenigen,daar de prae-historici reeds met duidelijke bewijzen hebben aangetoond,dat zelfs de palaeolithische mens al hoog menselijk ontwikkeld moetzijn geweest, zoveel te meer dus de hedendaagse neolithische mens.De Bergpapoea is geen ander soort mens dan wij, al noemen wij hem,primitief. Wanneer men hem beschouwt in vergelijking met andereprimitieve en half-cultuurvolken in de Indische Archipel, dan ziet menslechts graduele beschavingsverschillen, die op het gebied van de mate-riële cultuur het sterkst spreken. Niet minder dan die volken zijn ookde Bergpapoeas volop mens, noch wild, noch barbaars, noch dierlijk.In hen zijn alle kiemen aanwezig voor ontwikkeling tot een hogerecultuur. Door hen het praedicaat ,wild toe te kennen — een betitelingdie in de volkenkunde voor primitieve volken reeds lang heeft afge-daan — blijkt dat ook BIJLMER zich nog niet geheel aan de gedachtekan onttrekken, dat deze steentijd-mensen geestelijk minderwaardig zijn.Moge deze uitdrukking voor die Papoea-stammen in de laagvlakten,waarbij kannibalisme en koppensnellen nog in zwang zijn, in populairezin wellicht te aanvaarden zijn, voor de over het geheel genomen vreed-zame, landbouwende bevolking van het hooggebergte wekt de naam,wilden ondanks de verzachting die BIJLMER er aan geeft en ondankshet feit, dat hij hen op andere plaatsen (bv. 131a dl. I, p. 252) duidelijktekent als „volledige menschen", onwillekeurig onjuiste gedachten op.Wanneer men ziet hoe hoog WIRZ de Bergpapoeas geestelijk wel aan-slaat door hen wat hun levendigheid, vindingrijkheid en bevattingsver-mogen betreft, verre te verheffen boven de door hem genoemde incultuur reeds zo hoog staande volken van de Maleise Archipel, dan kanmen moeilijk van ,wilden spreken.Zo ver alsWIRZ zou ik in mijn oordeel niet durven gaan, daar ik onzekennis van de psyche, de zeden en de gewoonten der Bergpapoeasnog te beperkt acht om nu reeds dergelijke vergelijkingen te kunnen
  15. 15. 4 9 0 GEESTELIJKE CULTUURtrekken. Ik zal mij bepalen tot het nauwkeurig weergeven van die han-delingen en gedragingen, welke hun geestesgesteldheid, hun karakter-trekken en hun talenten duidelijk typeren zonder daarbij te vervallen inhet trekken van vergelijkingen met ons zelf, daar wij de cultuur dezerprimitieven nu eenmaal niet kunnen afmeten aan onze moderne.De Bergpapoea is geheel afhankelijk van de geografische omstandig-heden waaronder hij leeft. Deze drukken haar stempel niet alleen opzijn materieel, doch ook op zijn geestelijk beschavingsbezit; immers, zijngehele bestaan is ten nauwste verbonden met de hem omgevende natuur.Zoals bij alle natuurvolken het geval is, zijn zijn overpeinzingen en uit-vindingen in hoofdzaak gericht op het gebruikmaken van het goede datde natuur hem biedt en het bestrijden van de werkelijke of de ver-meende kwade invloeden, die daarvan uitgaan. In de omgang metmannen en vrouwen bemerkt men hoe hun gedachten voortdurenden in hoofdzaak zijn gevestigd op de noodzakelijke bezigheden voorhet dagelijks onderhoud: op concrete zaken als de tuinbouw, de var-kensteelt, de jacht, de visvangst en de handel, op de bereiding van heteten, de verzorging van de kleine kinderen en zo meer. Bijzonderevoorvallen waaraan zij hun aandacht en zorgen moeten wijden, komenweinig voor. Naar abstracte dingen gaat hun belangstelling in de dage-lijkse gesprekken zelden uit. Toch komt deze duidelijk tot uiting in degeregelde zorg voor de afweer van boze geesten en kwade invloeden,die de individuen of de gehele gemeenschap bedreigen. Ook wanneermen des avonds in de mannenhuizen zijn oor goed te luisteren legt,vooral wanneer er gasten op bezoek zijn en de om het haardvuur ge-schaarde groepen met aandacht luisteren naar de verhalen van de oudenvan dagen of naar de reeksen van aanroepingen op zangerige toon vaneen voorzanger, die als bij een lange litanie in koor worden beantwoord,komt men tot de overtuiging, dat ook de Bergpapoea zich af en toeboven de sfeer van het gewone dagelijkse leven verheft en er zijn eigengeestesleven op na houdt.I n t e l l i g e n t i eEen belangrijke maatstaf voor de intelligentie dezer bergstammenzijn de prestaties die hun materiële cultuur ons te zien geven. Al mogendeze in vergelijking met die van andere primitieve en half-cultuurvol-
  16. 16. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 491ken in Melanesië, Indonesië en elders ter wereld nog op een lage trapvan ontwikkeling staan, toch hebben zij reeds een zodanige hoogte be-reikt als men slechts kan verwachten van volwaardige mensen, die overeen goede verstandelijke aanleg beschikken. De beschrijvingen van deverschillende onderdelen van het stoffelijk beschavingsbezit der Berg-papoeas leveren bewijzen in overvloed van de dikwijls vernuftigewijze waarop zij de voortbrengselen uit het planten-, dieren- en delf-stoffenrijk voor hun levensonderhoud hebben weten aan te wenden.Men denke hierbij slechts aan hun opschik, wapens en werktuigen, huntuin-, huizen- en bruggenbouw, hun vuurbereiding en zoutwinning. Almoge dat materiële cultuurbezit in vergelijking met hetgeen men bijhoger ontwikkelde volken ziet, nog zo gebrekkig zijn, eenvoudig is hetzeker niet. Het getuigt van een grote vindingrijkheid en een behoorlijknadenken. Trouwens, het feit alleen reeds dat de Bergpapoeas kanshebben gezien om zich uit het zwervende jagers- en verzamelaarsleven,dat zij evenals hun rasgenoten in de laagvlakten in het verleden onge-twijfeld zullen hebben geleid, op te werken tot gezeten tuinbouwers envarkenstelers, is een bewijs voor een vrij hoge intelligentie. Alle onder-zoekers zijn het daarover eens dat de Bergpapoea zich op bewonderens-waardige wijze aan de hem omringende natuur heeft aangepast endaaruit zodanig voordeel heeft weten te trekken, dat hij een werkelijkmenswaardig bestaan leidt.Het is moeilijk, welhaast ondoenlijk, zich tijdens de korte duur derexpeditie en met de geringe taalkennis een goed algemeen oordeel tevormen over de verstandelijke vermogens, de natuurlijke begaafdhedenen de karaktertrekken van de Bergpapoea en vooral om te dien aanziennog onderscheid te leggen tussen de verschillende stammen en volks-groepen. Daarbij komt dat men onder dit natuurvolk evenals bij onsmoderne mensen sterk uiteenlopende typen aantreft, van zeer schrandertot ogenschijnlijk dom, van moedig tot bepaald laf, van luidruchtig enopdringerig tot ingetogen en stil, van uiterst vriendelijk en openhartigtot wantrouwig, van hartelijk gastvrij tot bijkans vijandig, van eerlijken oprecht tot hebzuchtig en diefachtig toe. En al naar gelang onzeonderzoekers in de dikwijls zeer korte tijd van hun verblijf onder henmet bepaalde individuen te maken hebben gehad, lopen hun onder-vindingen en de daarop gegronde qualificaties van de karaktertrekken
  17. 17. 4 9 2 GEESTELIJKE CULTUURnog al uiteen. Daarbij komt nog dat ook de Bergpapoea ongetwijfeldanders optreedt tegenover de Europeaan, die zijn taal en zijn zedenniet kent, dan tegenover zijn stamgenoten. Zijn ware karakter leertmen eerst kennen door hem lange tijd en ongemerkt gade te slaan in deomgang met zijn soortgenoten.Van de verstandelijke vermogens der Bergpapoeas heb ik bij deistammen in het westelijk deel van het centrale bergland over het geheelgenomen een gunstige indruk verkregen. Steeds heeft het mij bij mijnondervragingen van de bevolking verwonderd hoe snel zij uit de wei-nige woorden die ik van de taal machtig was, aangevuld met de nodigegebarentaal, in de meeste gevallen mijn bedoelingen wisten op temaken. De doorsnee Bergpapoea heeft dan ook een goed bevattings-vermogen. Hij observeert zowel personen als dingen scherp. De eigen-aardigheden in de karakters van de deelnemers aan de expeditie had hijgauw door en hij hield daarmede rekening.Merkwaardig is het hoe goed hij Maleise en Hollandse woorden inzich opneemt en zelfs moeilijke woorden met sch-klank kan nazeggen.De deelnemers aan de ARCHBOLD-expeditie deden dezelfde onder-vinding op (66, p. 96). Mijn onvolprezen gids en inlichtingenbron bijde Dèm-stam, het hoofd Igoen van de nederzetting Tombe, kende naeen 2½ maand verblijf van de expeditie mijn naam en die van enkeleandere expeditieleden en sprak ongeveer een 20-tal Maleise woorden,als toewan, soldadoe, strappan, senapang, besi, nasi, ikan, oebi, pisang,garam, enz. Trouwens, daarin stond de Bergpapoea niet alleen; ook bijde Mamberamo-Papoeas rondom Pionierbivak deed ik in 1926 dezelfdeervaring op. Acht jaren later rapporteerde een bestuursambtenaar diedaar op tournee was, dat men mijn naam nog kende en naar mij vroeg.Als gids bij de topografische werkzaamheden, vooral bij waarne-mingen op hoog gelegen observatiepunten, bleek hun grote terrein-kennis en snelheid van begrip. Men gaf de meest waardevolle inlich-tingen. Zij beschikken over een goed voorstellingsvermogen en eenscherp gevoel voor richtingen en afstanden. Dit kwam bijzonder totuiting bij het construeren van terreinvoorstellingen op de grond of eenander plat vlak. Voor het verkrijgen van een globale indruk van eente verkennen landstreek en het aanvullen van de gemaakte terreinschetsen, vooral met het oog op de juiste benamingen, is dit bij de vluchtigeterreinopnamen tijdens expedities een bijzonder goed hulpmiddel.
  18. 18. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 493Bij alle stammen vond ik hiervoor steeds grote belangstelling. Berg-ketenen werden met zandophopingen, hoge bergtoppen met keien,rivierlopen met rotanrepen en touwtjes, nederzettingen met schelpjesof grote kralen aangegeven. Nadat ik de reeds bekende hoofdpunten uithet terrein had uitgezet — natuurlijk zuiver volgens de windstreken —en nadat onze Papoeas daaraan hun goedkeuring hadden gehecht, be-ijverde men zich om alle terreinvoorwerpen daartussen op hun plaatste brengen. Nauwlettend zagen de omstanders toe, of de uitvoerderbergtoppen, rivierlopen en nederzettingen wel op de juiste plaats enin de goede richting legde, en of geen belangrijke rivierlopen of neder-zettingen werden vergeten. Herhaaldelijk greep een van de toeschou-wers in en bracht, dikwijls na enige discussie, de nodige verbeteringenaan. Wanneer ik de aldus verkregen terreinvoorstelling opruimde ende volgende dag opnieuw met hen reconstrueerde, was het steeds eenverrassing te zien hoe juist men hetzelfde terreinbeeld terug kreeg.Hieruit heb ik een uitstekende indruk gekregen van de intelligentie derBergpapoeas en van hun belangstelling voor zaken, die binnen hunbegrip vallen, en waarvan zij blijkbaar het nut inzien.Bij de ondervragingen op ethnografisch gebied, vooral wanneer hetging over onderwerpen betreffende hun geestelijke cultuur, was hetechter veel moeilijker om hun belangstelling gaande te houden, daarmen in het laatste geval geheel was aangewezen op de geringe taal-kennis die men bezat, aangezien gebarentaal daarbij bijna niet is toe tepassen en aanschouwelijke voorstellingen evenmin zijn te geven. Zijverloren daarbij spoedig alle aandacht en gingen met hun landgenoteneen gesprek aan over geheel andere zaken dan wel staarden zij met eenair van volkomen afwezigheid voor zich uit, zodat men hen als het wareuit hun overpeinzingen moest wakker schudden. Het meest probatemiddel om in zon geval hun aandacht weer op het onderwerp te vesti-gen, was het tonen van een mooi kauri-schelpje. Dit werkt altijd als eenmagneet. Zodra zij het in hun bezit hadden, kon ik weer een tijdjedoorgaan met hen uit te horen. Dit middel was echter ook gevaarlijk,want de meesten bleken schrander genoeg om het uit te buiten door tel-kens een nieuw schelpje te vragen, voor zij wilden verder gaan. Om bijeen èramo mè, een medicijnman van de Ekari-stam, de lange bezwe-ringsformule er uit te krijgen, met de nodige herhalingen voor eenjuiste weergave, moest ik achtereenvolgens 6 schelpjes neertellen.
  19. 19. 494 GEESTELIJKE CULTUURHet zou verkeerd zijn uit het bovenstaande de gevolgtrekking temaken dat de Bergpapoea niet in staat zou zijn, zijn aandacht voldoendelang aan één onderwerp te wijden of dat zijn denkvermogen spoediguitgeput zou raken. De schuld ligt bij ons, daar wij door nagenoeg vol-slagen gebrek aan taalkennis niet in staat zijn behoorlijk met hen vangedachten te wisselen. Wanneer men de vergaderingen op het dorps-plein of in de mannenhuizen bijwoont, vooral wanneer er gasten aan-wezig zijn, kan men lange gesprekken beluisteren met een levendig de-bat van verschillende zijden over allerlei zaken, die de belangen van declan of de familiegroep uitmaken. VAN EECHOUD (57, p. 136) typeerthen zeer goed met te zeggen: „Het zijn groote redenaars, bij de minsteaanleiding worden lange redevoeringen afgestoken, die met veel„Schwung" en veel gebaren worden voorgedragen. Gewoonlijk luistertdaar niemand naar, maar dat schijnt het enthousiasme van den redenaarin het minst niet te bekoelen".Wanneer wij de intelligentie der Bergpapoeas zouden willen af-meten aan hun kennis op het gebied van tellen en rekenen en aan hunuitingen op kunstgebied, dan slaan zij een zeer slecht figuur. Hieropkom ik in de hierna volgende hoofdstukken terug.De algemene indruk, die ik van alle bergstammen in ons gebied hebgekregen, is, dat de Bergpapoea noch dom, noch traag kan wordengenoemd; integendeel, hij is levendig van geest en voor allerlei dingen,die binnen zijn bevattingsvermogen liggen, toont hij de grootste belang-stelling. De ondervinding door onze onderzoekers in andere streken vanhet hooggebergte opgedaan, stemt daarmede overeen. Wat na behoor-lijke opleiding en onderwijs is bereikt bij verschillende Papoea-stammenin de laagvlakten en de kuststreken, kan men voor ons gebied lezen inde geschriften van missionarissen en zendelingen en voor wat betrefthet Australische gebied, waar men in dezen veel verder is, in de wer-ken van den bekenden gouverneur MURRAY. Om een paar voorbeeldente noemen: in Merauke ontpopten de Marind-anim zich als goede hand-werkslieden; in de kerk toonden zij hun intelligentie als misdienaars,organist en zangers van Latijnse kerkliederen; bij MURRAY (112a, p.110) kan men lezen, hoe de Papoeas in de Territory of Papua allerleilagere betrekkingen in de overheidsdienst vervullen, dat zij geschiktzijn voor het werk op de plantages bij het tappen van rubber, voorts alsmotorist en bedienaar van de telefoon kunnen dienst doen en zelfs inde operatiekamer een narcose weten toe te dienen.
  20. 20. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 495Mij zou het niet verwonderen, indien onze Bergpapoeas het in detoekomst even ver brengen. Met verbazing heb ik aanschouwd, hoe be-vattelijk de Papoea-jeugd was op het Zendingsschooltje aan het Paniai-meer; hoe een Ambonese goeroe een aantal van die jonge steentijdmen-sen in enkele maanden de eerste beginselen van het rekenen, van onsletterschrift en van de Maleise taal bijbracht. Men zou op grond daar-van geneigd zijn de verwachtingen ten aanzien van de voortgezetteontwikkeling dezer jeugd hoog te spannen. Voorzichtigheid is in dezenechter geboden, daar de ondervinding door missionarissen en zende-lingen opgedaan bij het onderwijs aan verschillende primitieve volken,heeft geleerd, dat het bevattingsvermogen met het klimmen van dejaren afneemt en dat het dan niet meer mogelijk blijkt de leerstof uitte breiden. Dit verschijnsel schijnt zich voor te doen bij de intrede vande puberteitsleeftij d. Het sexuele leven neemt de primitief dan zo sterkin beslag, dat het lijkt alsof het zijn verstand benevelt. Dit heeft paterTILLEMANS ervaren bij de Papoeas aan de Oeta- en Mimika-kust. Deintelligentie der jeugd is daar zodanig, dat haar verstandelijke ontwik-keling maar tot een bepaald peil is op te voeren, dat vrij laag is, waarnaeen volkomen stilstand intreedt. Van de Bergpapoea-jeugd heeft dezemissionaris echter veel grotere verwachtingen.Alle onderzoekers geven hoog op over de levendige belangstelling,die de Bergpapoeas betoonden voor ons Europeanen, voor de verschil-len in landaard onder de overige leden van de expedities en voor detalloze wonderlijke zaken, die de vreemdelingen hadden medegebracht.Het rasonderscheid tussen de expeditieleden had hun bijzondere belang-stelling, waarbij de overheersende positie der blanken hun natuurlijkniet ontging. Een grote bezienswaardigheid was voor hen steeds eenzich badende en inzepende Europeaan. Maar vooral genoten zij van hetwerk onzer waterratten, de Dajaks, bij het slaan van bruggen en hetdoorwaden van stroomversnellingen. Dit werk wekte ten zeerste hunverbazing op.Al onze bezittingen werden, onder talrijke uitroepen en tekenen vanverwondering, bekeken. Alles moesten zij in de handen hebben om tebetasten en te onderzoeken. Men hield niet op met het stellen vanvragen omtrent de betekenis, de wijze van vervaardiging en het gebruikvan de verschillende voorwerpen, die van hand tot hand gingen. Ver-gelijkingen werden voor wat de materialen betreft getroffen met hun
  21. 21. 496 GEESTELIJKE CULTUUReigen grondstoffen. Zo werd bij de Dèm-stam de stof van onze kleren,vooral die der gebreide goederen, vergeleken met het breiwerk (wèh)van hun tassen, terwijl het leer onzer schoenen voor oewòm asi, d.i.varkenshuid, werd versleten.Schrijfmachine, horloges, meetinstrumenten, potlood en vulpen, alleswerd met aandacht aanschouwd, maar zij kregen tenslotte zoveel zon-derlinge dingen te zien, dat zij zich over niets meer verwonderden. Zeergoed wisten zij echter uit alles die dingen te kiezen, waarvan zij voorhen zelf het practische nut inzagen. In de allereerste plaats natuurlijkbijlen, kapmessen en gewone messen, maar ook papier om sigarettenvan te rollen en vooral lucifers, waar zij spoedig het gebruik van leer-den kennen, waren van hun gading. Mijn vriend Igoen bij de Dèm-stam geurde met een sigarettenaansteker, die hij van mij ten geschenkehad gekregen en waarvoor hij geregeld bij mij kwam om hem met ben-zine te vullen.Op muziek zijn de Bergpapoeas verzot. Wanneer s avonds in hetbivak de radio werd aangezet, liep het mannenhuis leeg en zat een iedertot het einde toe met stomme verwondering te luisteren. Ook het spe-len op de mondharmonica was een grote attractie en zowel Igoen, hetDèm-, als Kimoegoealolè, het Moni-hoofd, bewaarden zon instrumentjeals hun grootste schat in de nettas en verschillende malen betrapte ik henin het mannenhuis, terwijl zij poogden er tonen aan te ontlokken.Overweldigend succes heb ik aan het Paniai-meer gehad met het pho-nograafapparaat voor het opnemen van gezangen. Het vertrouwen in onswas zo groot, dat een ieder zich voor het toestel liet brengen en bereidwas te zingen. Het was steeds een genot te zien met welk een stommeverbazing, die weldra oversloeg in grote vreugde en hilariteit, de zan-ger en het talrijke auditorium reageerden op het ten gehore brengenvan de verrichte opname van hun eigen stemmen en liederen. Voor mij-zelf was EDISONS geniale uitvinding steeds opnieuw een bekoring;wat moet er wel niet zijn omgegaan in het gemoed van deze natuur-mensen, die hun stemmen zagen gevangen in dat wonderlijke toestel.Een geweldige indruk maakte voorts steeds het schieten met de kara-bijn; natuurlijk als demonstratie. Als doel werd daarbij gewoonlijk eenpetroleumblik gekozen gevuld met water, dat op een grote afstand vooreen dikke boom werd geplaatst. Bij het afgaan van het schot krompende Bergpapoeas die voor het eerst zulk een vertoning meemaakten zon-
  22. 22. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 497der uitzondering van schrik ineen, waarna zij in koor hun kai, kai-geroep ter verjaging van de boze geesten aanhieven. Schoorvoetendwerden dan het spuitende blik en de doorboorde boom in ogenschouwgenomen onder de gebruikelijke uitroepen en tekenen van verwonde-ring. Evenals aan alle andere vreemde zaken die wij hun vertoonden,waren zij ook aan dit schieten spoedig gewend; men doorstond de scho-ten ten slotte zonder schrik en uit eigen beweging rende men naar deboom om de uitwerking van het schot te bekijken. Steeds drong mener op aan om de demonstratie voor nieuw aangekomen landgenoten teherhalen. Wanneer dezen bij het knallen der schoten de schrik om hethart sloeg, hadden zij het grootste plezier dat hun opzet gelukt was.Een ontzettende gewaarwording voor de bergbevolking moet wel deaankomst zijn geweest van het eerste vliegtuig, dat in 1936 boven debewoonde dalen en valleien van het hooggebergte heeft rondgevlogenen laag boven het Paniai-meer heeft gecirkeld, evenals de eerste lan-ding van een vliegtuig op dit meer, een half jaar later. Wat er toen inhun gedachten is omgegaan, welke voorstelling zij zich van dit wonderder Westerse techniek hebben gemaakt, heb ik helaas niet door onder-vraging kunnen vaststellen. Daarvoor was mijn taalkennis te gering.DE BRUIJN (82, p. 17) vernam echter enige jaren later van de bevol-king, dat men zeer beangst uit de vissersprauwen was gesprongen, ennaar land gezwommen. Er was toen juist een groot varkensfeest; devarkens werden in het water geworpen, en iedereen vluchtte de rimboein. De zendeling VICEDOM vertelt van de Mount-Hagen-stammen hetvolgende (147, p. 131): „Als sich das Flugzeug dem Bodem naherteverschwanden alle irgendwo im Gras, sie warfen sich auf der Erde undbebten innerlich so vor Angst, dass sie ihre Notdurft nicht mehr haltenkonnten. Wohl jeder hatte damals mit seinem Leben abgeschlossen.Einem solch ungeheurem Geist zu begegnen war keine Kleinigkeit".Bij de komst van de expeditie in het merengebied was de bevolkingreeds zo bekend met de vliegtuigen, dat zij er niet de minste angst meervoor toonde. Op mijn vraag, of het vliegtuig een taoe of enija, d.i. eengeest was, kreeg ik een stellig ontkennend antwoord. Het was eenwoekoma, welk woord een samenstelling is van woe = ,krijgsgehuilen koma = ,prauw; alzo een ,brulprauw, waarmede het watervlieg-tuig met zijn denderende motoren heel juist is getypeerd. Dit neemt nietweg dat bij het verschijnen van het eerste vliegtuig, toen de meerbe-
  23. 23. 4 9 8 GEESTELIJKE CULTUURwoners nog geen aanraking met de blanken hadden verkregen, hun ge-dachtengang wel een geheel andere kan geweest zijn. Immers, ookVICEDOM zegt van de Mount-Hagen-bewoners: „Die Mbowamb er-fuhren bald genug, dass die Europäer auch Menschen waren".Bij mijn terugkomst van de Oost-patrouille waren enkele Ndani- enMoni-stammen uit de Doraboe-vallei met mij mede gegaan naar hethoofdbivak aan het Paniai-meer. Toen zij voor het eerst de vliegtuigenzagen naderen, waren zij duidelijk aan een hevige innerlijke ontroeringten prooi. Zij sloegen de armen om mij heen onder het herhaaldelijkuiten van hun vriendschapsbetuigingen: „àmàkane"en„dolepanoea".Maar toen de beide vliegtuigen met donderend geweld op een 100 mhoogte over onze hoofden schoren om voor het bivak op het meer tekunnen landen, sloegen zij van schrik plat in de modder. Zeer spoedigwaren ook zij echter aan het schouwspel der machines gewend en wasalle angst er voor verdwenen.Bij de Mamberamo-papoeas deed ik tijdens de expeditie 1926 ge-lijke ervaring op. Aanvankelijk toonden zij bij de eerste vlucht van hetwatervliegtuig enige angst en vroegen zij met grote verbazing „tàraraidiom = valt hij niet?" Toen zij zagen hoe rustig het watervliegtuigweer op de rivier landde en naar de wal taxiede, begaven zij zich zon-der enige vrees op de pontons van het toestel en wilden zelfs mee delucht in. Nu behoeft dit vertrouwen dezer natuurmensen in de wonder-baarlijke zaken, die de blanken in hun land brengen, niet te zeer teverwonderen, daar de Mamberamo-bewoners door de vele expeditiesdie het Pionier-bivak als uitgangspunt hebben gehad, reeds met zoveleonzer westerse uitvindingen hadden kennisgemaakt, dat zij zich eigen-lijk over niets meer verbazen. Al die vreemde, voor hen volkomen on-begrijpelijke zaken, horen blijkbaar bij ons. Men aanvaardt ze zondermeer. Terwijl het opstijgen en landen van de vliegtuigen voor onssteeds een schouwspel bleef, dat ons bekoorde, keken zij er ternauwer-nood naar om. Veel meer belang stelden zij in eenvoudige zaken, waar-van de betekenis meer tot hen doordrong. Zo had de expeditiearts, dieeen paar valse tanden in zijn gebit had, de gehele dag een stoet Pa-poeas om zich heen, die het uithalen en weer inzetten van de tandenwilden aanschouwen.Volkomen in tegenstelling tot mijn verwachtingen was ook de hou-ding van de zo schuwe Rivier-papoeas rondom Splitsingsbivak in het
  24. 24. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 499westelijk deel van het grote bekken der Meervlakte, die nog zeer wei-nig aanraking met blanken hadden gehad. Ik had zeker verwacht, datde gehele bevolking in die streek door een zodanige schrik zou wordenbevangen bij de nadering van het vliegtuig, dat zij voor geruime tijdde bossen in zou vluchten. Het tegendeel bleek waar; bij de naderingvan de grote vogel en de daling op de rivier nabij een zandbank stroom-de de bevolking van alle kanten toe en dromden zij om het toesteltezamen, alsof zij door een grote magneet werden aangetrokken. Toenwij naderhand per prauw in hun gebied aankwamen, bleek de gehelevoorraad aan levensmiddelen en andere expeditiebenodigdheden, dieop de oever onder tentzeilen was gedeponeerd, verdwenen. Trots enalsof zij zich in het geheel niet bewust waren van diefstal te hebbengepleegd, liepen de mannen met mooie schaamlappen rond, die zij had-den verkregen door de groepszeilen van imitatieieder aan stukken tescheuren.Wanneer ik mijn ervaringen, zowel die opgedaan bij de Bergpapoeasals bij de laagvlaktebewoners, in haar geheel overzie, kom ik tot hetbesluit dat deze primitieven veel minder geschokt bleken door onzetechnische wonderen dan ik had verwacht. Zij verliezen zeer spoedig debelangstelling voor het merendeel van de door ons medegebrachte za-ken, wanneer zij er tenminste niet het onmiddellijke nut van inzien.Het merendeel der dingen valt geheel buiten hun begrip, zodat zij ookgeen moeite doen om hun gedachten er op te concentreren. Zij aanvaar-den ons en de dingen die wij meebrengen als een complex van vol-komen onbegrijpelijke zaken. Door het grote vertrouwen dat men overhet algemeen genomen in de blanken stelt, past men zich echter snel bijal het nieuwe aan.Het vertrouwen in de vreemdelingen bleek o.a. uit het dadelijk aan-vaarden van onze geneesmiddelen en het zonder bedenken proeven vanal onze voedingsmiddelen. Kininepillen tegen koorts, sa togwi (sa =pijn, ziekte, togwi = rillen), vonden bij de Dèm gretig aftrek. Bijnaoveral in de bivaks, ook in streken waar het contact pas was bewerk-stelligd, liet men gewillig oude wonden reinigen en verbinden, entoonde men zich daarvoor zeer dankbaar. De toeloop op de dagelijksepolikliniek bij den Inlandsen arts aan de Wisselmeren was groot.Buitengewoon succes had Dr. BROUWER, onze expeditiearts, in hetbivak te Masiga in het Midden-Kema-dal, waar wij enige weken ver-
  25. 25. 5 0 0 GEESTELIJKE CULTUURbleven, met de behandeling van framboesia-patiënten. Men toonde nietde minste angst voor het toedienen van de salversaan-injecties. Verras-send was dan ook de uitwerking. Kinderen, die onder de framboesia-gezwellen zaten, kwamen een week na de behandeling volkomen gene-zen in ons bivak terug, terwijl de moeders uit dankbaarheid als ge-schenk oebi, suikerriet en pisang meebrachten.De meeste onzer levensmiddelen vielen bij de Bergpapoeas in desmaak. Alles wat men hen voorzette, werd bekeken, beroken en daarnàgeproefd. Vooral op ons spek uit blik (M. bambà wòrò = varkensvet)en gestoomde rijst (M. soerabaja nòta = soerabaja oebi) was menver-zot. Gezouten vis werd echter overal met een minachtend neusophalenterzijde geschoven.Het vertrouwen in ons bleek ook uit de bereidwilligheid, waarmedezich zowel mannen als vrouwen overal onderwierpen aan de talrijkelichaamsmetingen van den anthropoloog, al was daarbij het kauri-schelpje als beloning dan ook een groot lokaas. Ik heb steeds versteldgestaan, hoe betrekkelijk gewillig en onbevreesd de meesten dezer pri-mitieven allerlei maten met de meetlat en de passers van zich lietennemen aan schedel, lichaam en ledematen. Hoe zij hun gebit lieten be-kijken, vingerafdrukken van zich lieten nemen en zich smaakproevenen prikken in de vinger voor bloedgroepbepaling lieten welgevallen.Alleen het nemen van haarmonsters ging niet overal even vlot. In som-mige streken o.a. in Delosi en Agindora verzette men zich daar beslisttegen. LAMdeelt mede (30(e), p. 366, 367), dat in het Swart-dal dereeds door den anthropoloog verkregen haarmonsters moesten wordenteruggegeven. Naar mijn gevoelen moet de verklaring hiervan gezochtworden in de overal ter wereld verbreide magie omtrent de bijzonderelevenskrachten, die niet alleen in het hoofd en het bloed, in nagels entanden, maar ook in het haar van de mens zetelen. In het primitievedenken geldt de sterke groèikracht van het haar als een bijzondere ver-rijking van de levenskrachten en door het wegsnijden daarvan offertmen een deel daarvan op, een deel van zich zelf.Klagen sommige onderzoekers, o.a. JONGEJANS bij de Swart-vallei-bewoners, over de moeite die zij hebben gehad om de mensen voor defotografische lens te krijgen, bij de stammen in het westelijk deel vanhet centrale bergland lieten mannen, vrouwen en kinderen gewillig toe,dat men elke gewenste fotografische opname van hen maakte, al kostte
  26. 26. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 5 0 1het bij de vrouwen wat meer moeite dan bij dt mannen. Zelfs geluktehet, zowel tijdens de expeditie 1926 onder de Dèm als nu tijdens deexpeditie 1939 van het Aardrijkskundig Genootschap, om verschillendescènes, zoals het kappen met de stenen bijlen, het maken van vuur, eenkrijgsdans, en zo meer, in elkaar te zetten voor de kinematografischeopnamen, waarbij enkele personen zelfs niet onverdienstelijk acteerden.Voorwaar, een groot verschil met de ondervinding opgedaan bij delaagvlakte-bewoners, o.a. de schuwe Meervlakte-papoeas, die over hetalgemeen een heilige vrees toonden voor het fotografische apparaat enzelden waren over te halen om daarvoor ook maar een korte tijd teposeren.Wat betreft het herkennen van personen, dieren en andere voorstel-lingen op fotos en platen, was het resultaat daarvan bij de Dèm enMoni verrassend goed. Op de ter plaatse gemaakte afdrukken van fotos,die van henzelf genomen waren, herkende men vrij spoedig onder groteverbazing en hilariteit de betrokken personen. Op een groepsfoto wistmen met name alle afgebeelde personen aan te wijzen. Zeer grote be-langstelling had men voor de portretten van mijn vrouw en kinderen,die van hand tot hand gingen en allerlei vragen ontlokten omtrent aan-tal, woonplaats, kleding, enz. In het Kema-dal ontmoette ik drie man-nen van de Dèm-stam, die de lange reis van uit het 100 km oostwaartsgelegen Nògòlò-dal hadden ondernomen om aldaar zout te kopen enandere transacties te voeren. Ik toonde hun fotos door mij tijdens deexpeditie 1926 van een aantal van hun stamgenoten gemaakt, waaropzij tot mijn grote verbazing aanstonds een drietal personen herkendenmet naam en woonplaats o.a. mijn ouden vriend Igoen uit Tombe.RAWLING deed in 1913 bij de Bergpapoeas aan de Otakwa gelijkeervaringen op. Hij schrijft (6, p. 184): „Portraits were at once recog-nised". CATOR (50, p. 25) toonde aan de Dzj nggoenaoe van Itodahfotos van Papoeas van de Noordkust, die ze, naar hij zegt, vrij vlugherkenden. Een ander geluid laat echter JONGEJANS horen. Van deSwart-vallei-bewoners zegt hij (25, p. 49/50): „Het zien van fotos gafhun bovendien groote moeilijkheden, terwijl ze ook niet begrepen, datdit het resultaat van fotografeeren was. Sommigen meenden met eenspiegeltje te doen te hebben en grepen — als aapjes — aan de achterzijdevan de foto naar het beeld. Anderen weer hielden de foto absoluut ver-keerd en zagen ook blijkbaar in het geheel niets".LE ROUX, Bergpapoeas van Nieuw Guinea, II 33
  27. 27. 5 0 2 GEESTELIJKE CULTUUROok door het vertonen van platen en tekeningen heb ik, in navolgingvan andere onderzoekers, de intelligentie zowel van mannen als vrou-wen op de proef gesteld, waarbij de eersten het van de laatsten won-nen. Afbeeldingen van dieren, waarvoor ik prentenboekjes had meege-bracht, werden met de grootste belangstelling bekeken, terwijl menelkaar allerlei bijzonderheden aanwees. Zij hadden niet de minstemoeite om hun eigen diersoorten, als varkens, kangoeroes, koeskoes,casuarissen, papegaaien en paradijsvogels te herkennen. Met diersoor-ten die hun onbekend waren, zaten zij terecht verlegen. Bij de Dèmwerd een paard een kwa aboea = een grote hond, een koe een wamaboea = een groot varken. Bij de Moni kreeg een geit de naamwordwomè = varken-hond, terwijl een kip werd wòrò bega = varken-vogel. RAWLING kwam tot de juiste conclusie: „Every animal had tocome under the category of dog, pig, wallaby or cuscus". Met land-schapsbeelden en stadsgezichten wisten zij begrijpelijk geen raad. Dein het boek van WIRZ afgebeelde ethnografica der Swart-vallei-bewo-ners wisten zij echter bijna alle dadelijk met de juiste naam aan teduiden.RAWLING (6, p. 184) maakt nog een zeer juiste opmerking, wanneerhij zegt: „The subject of a photograph, if present, usually assumed asickly grin and would refuse to look". Zowel bij de Dèm, Moni alsEkari kreeg ik daarvan duidelijk een bevestiging. Men is zichtbaar bangvoor zijn eigen beeld, hetzij als foto dan wel als spiegelbeeld. Stilstaandewateren heeft men niet veel in het hooggebergte, zodat zij weinig ge-legenheid hebben om hun spiegelbeeld enigszins scherp te aanschou-wen. Met zekerheid kon ik echter vaststellen dat zij dit beeld kennen.De Ekari noemt zijn spiegelbeeld in het water èmaoetia; hij ziet daarinde ziel die in het onderlijf zetelt en die na de dood langs de rivier naarzee gaat. Zowel bij de Bergpapoeas als bij de laagvlakte-stammen in deMeervlakte langs de Mamberamo deed ik de ondervinding op, datspiegeltjes als ruilmiddel in den beginne niet gewild zijn. De meestePapoeas, zowel mannen als vrouwen, die ik in een spiegel hun beeldliet zien, maakten een afwerend gebaar en keerden zich van het voor-werp af. Op den duur echter overwonnen verschillenden hun angst enbetrapte ik hen er meermalen op, dat zij zich zelf heimelijk achter eenhuis in het gekregen spiegeltje zaten te bewonderen.Nog een aardig staaltje van de gemoedelijkheid en het bijzondere
  28. 28. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 503vertrouwen dat de Bergpapoeas in ons stelden wil ik hier vermelden.In de kampong Tombe kreeg ik een geheel gezin, man, vrouw en tweekinderen op bezoek, afkomstig uit de landstreek Agindora. Zij haddeneen driedaagse tocht achter de rug en brachten, gebonden aan een piko-lan, een groot, zwaar varken in het bivak, dat zij voor 10 schelpjes aanmij wilden verkopen. Helaas was mijn voorraad geheel uitgeput en washet wachten op een nieuwe aanvoer, die over acht dagen per opkomenddragerstransport uit de Meervlakte kon worden verwacht. Met denodige gebarentaal door de hand tegen de zijkant van het hoofd tegenhet rechteroor te leggen, het hoofd daarna zijwaarts te neigen en aldusacht malen het bij hen gebruikelijke gebaar voor slapen en overnachten(D. oetawè) te hebben gemaakt en door verder de beide gesloten vuis-ten tegen elkaar te hebben gelegd (D. jàgà noàk), het gebaar voor 10,kon de verkoper van het varken aan het verstand worden gebracht, dathij over 8 dagen zijn 10 kauri-schelpjes in ontvangst kon nemen. Dekoop werd bezegeld door op een stukje papier een bon uit te schrijvenvoor 10 schelpjes, welke bon zorgvuldig opgevouwen in het borsttasjewerd geborgen. Nadat vrouw en kinderen ieder nog een mooi kra-lensnoer ten geschenke hadden ontvangen, vertrok de man voldaanweer over de bergen huiswaarts, het varken in ons bezit latend. Prompt8 dagen later verscheen hij weer in het bivak en op vertoon van zijnbon mocht hij uit het blik met schelpjes, dat intussen was gearriveerd,de mooiste exemplaren uitkiezen, hetgeen dan ook op minutieuze wijzegeschiedde, daarbij geholpen door een paar vrienden, die de schelpjesmet hem van alle kanten bekeken en er hun goedkeuring aan verleen-den. Voorwaar, een ,doux pays, waar men met inachtneming van denodige takt zo vertrouwelijk en gemoedelijk met de mensen kanomgaan!Een parallel van hetgeen mij hierboven in 1926 bij de Dèm over-kwam, vindt men bij VAN EECHOUD (57, p. 135), die in zijn schets vanAuki-Auki ibo, de grote Auki — het invloedrijke en vooruitstrevendehoofd bij de Simori in het Mapia-dal — schrijft: „Zoo was het typisch,dat hij een varken, bij gebrek aan bijlen en kigis op de bon verkocht".De ondernemingsgeest der Bergpapoeas blijkt wel zeer duidelijk uithet sterke verlangen van velen in het merengebied, vooral onder dedaar wonende Dzjönggoenaoe, de Moni-clan, om het land der Soera-baja-mènè te zien. Reeds COLIJN had na zijn beklimming van de
  29. 29. 504 GEESTELIJKE CULTUURCarstensz-berg enige op de zuidhellingen daarvan wonende Bergpa-poeas een uitstapje laten maken naar Babo, het emplacement der N.I.Petroleum Maatschappij. CATOR nam na zijn eerste tocht naar het me-rengebied enige Dzj nggoenaoe-mannen uit Itodah mee naar Fakfaken bij mijn aankomst te Ambon voor de voorbereiding van de expeditielogeerde op het erf van den Resident Kigimoeajakigi, de grote sonowiuit Koegapa, met twee jeugdige zonen van Zoalekigi, het hoofd vanItodah.Tijdens een bespreking van de expeditieleden op het kantoor vanden Resident werd Kigimoeajakigi binnengeleid, netjes gestoken in jasen broek met een bamboehoed op het hoofd. Na de hoed te hebbenafgezet ging hij de kring rond en gaf aan ieder een handdruk. Zonderenige verlegenheid nam hij een sigaret uit de koker die de Resident hemaanbood, stak die met een lucifer aan en plaatste zich daarna op eenstoel in de kring. Rustig antwoordde hij op de hem door den tolk ge-stelde vragen, onderwijl de as van zijn sigaret, net als wij, in het op detafel staande bakje deponerende. Enige weken lang kwam hij mij ge-durende mijn verblijf te Ambon herhaaldelijk in het hotel opzoeken,waar ik met behulp van Sitanala, den bestuursassistent aan de Wissel-meren, tal van volkenkundige gegevens uit zijn mond kon optekenen.Al was het steeds onder geleide, toch bewoog onze Bergpapoea-hoofd-man, zo per vliegmachine overgeplaatst uit het hedendaagse steentijd-perk in het hypermoderne leven, in de havenplaats Ambon met haaraanzienlijk verkeer, zich ogenschijnlijk zonder enige vrees en volkomenop zijn gemak in het stadsgewoel. Hij maakte gebruik van de taxisen stapte de tokos in en uit, waar alles zijn belangstelling had. Eenbewoner van het platte land bij ons, die voor het eerst in een grotestad komt, zou zich niet beter weten te beheersen dan hij.Toch trad na ruim een maand verblijf duidelijk het heimwee bijhem op. Kigimoeajakigi werd stil en teruggetrokken, terwijl hij her-haaldelijk zijn verlangen te kennen gaf om spoedig naar zijn bergenterug te keren. Ook scheen hij een malaria onder de leden te hebben,wat op zijn gemoedstoestand een duidelijke invloed had. Hij was blijaan boord van de gouvernementsstomer te kunnen stappen, die hemnaar de Etna-baai vervoerde. Nog meer verheugd was hij, toen ik hemeen paar dagen na aankomst aldaar in het vliegtuig liet stappen enmet de geiten en kippen, die de Resident hem geschonken had en die
  30. 30. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 505de grootste schat vormden, die hij uit de wereld der blanken had mede-gebracht, veilig in Enarotali aan de oever van het Paniai-meer aanland zette, waar hij door zijn clangenoten, mannen, vrouwen en kin-deren als een uit den dode herrezene werd aangegaapt en verwelkomd.Kigimoeajakigi zelf stapte trots als een pauw rond met de geiten aaneen touw en de kooi met kippen in de hand. Daarna ging het in op-tocht naar zijn stam-kampong Koegapa, waar hij natuurlijk als de heldvan de dag is vereerd en uren en urenlang in het mannenhuis verhalenheeft moeten opdissen over de wonderlijke wereld der blanke mensen,die hij enige maanden lang had aanschouwd. Van welk een waardezou het geweest zijn, indien ik die verhalen had kunnen aanhoren enbegrijpen.Drie weken later zag ik hem terug. Gelukkig niet in de Westersekledij waarin ik hem te Ambon zag, maar in zijn tenue van sonowien krijgsoverste van Koegapa; de grote kromme peniskoker parmantigrecht omhoog gestoken, de fraaie siertas met varkensslagtanden enbandoulière over de linker schouder geslagen, het gelaat rood beschil-derd met de glanzend witte varkensslagtanden door de neus gestokenen de boog met een bundel pijlen in de hand. Welk een gedaantever-wisseling!Hoe is het mogelijk, heb ik mij afgevraagd, dat deze natuurmensenover een dergelijk geweldig aanpassingsvermogen beschikken. Hetgeval van deze Bergpapoea toch staat niet alleen. Men leze het verhaalvan de vijf Kapaoekoe-mannen aan boord van de K.P.M.-stomer, de,Rochussen, op de rede van Babo, die COLIJN daar op Bergpapoea-wijze kwamen begroeten (51, p. 201) en die zelfs nog verder met hemmee wilden. „Welk een ondernemingslust van deze bergbewoners!",roept COLIJN terecht uit. Tijdens onze expeditie boden zich aan demeren telkens liefhebbers aan voor een vliegtochtje naar het land derSoerabaja mènè. Zij hadden er gaarne een dik varken voor over. Slechtsenkelen, o.a. Zoalekigi, het hoofd van Itodah, konden wij in de ge-legenheid stellen heen en terug te vliegen naar de Etna-baai.V o l k s a a r dThans het een en ander omtrent de karaktereigenschappen van deBergpapoea, zijn goede en kwade, zijn deugden en ondeugden. Overhet algemeen is de Bergpapoea geprezen om zijn onbevangenheid en
  31. 31. 506 GEESTELIJKE CULTUURgemoedelijkheid. In zijn omgang met ons betoont hij zich zeer joviaalen hulpvaardig. Wat dat betreft steekt hij zeer gunstig af tegen dePapoeas der Meervlakte en het Van Rees-gebergte, waarmede ik ken-nis maakte. Bij het opslaan van de bivaks, werd als regel en zelfs onge-vraagd de behulpzame hand geboden bij het aandragen van bivak-materiaal, als rondhouten, boomschors, rotan en palmbladeren, en vanbrandhout en water. In het begeleiden van de patrouilles van het enedal naar het andere en het dragen van lasten toonden zij zich naar mijnondervinding over het algemeen niet zo bereidwillig als andere onder-zoekers daarvan wel gewagen (WIRZ 32, p. 38). Er was steeds veeloverredingskracht voor nodig, waarbij de kauri-schelpjes, ijzeren bijlenen messen, die als beloning in het vooruitzicht werden gesteld, de door-slag gaven. Had men hen echter eenmaal overgehaald, dan vervuldenzij hun taak goed. Aangenaam deed het steeds aan te zien met welk eenzorg de hoofdman van het geleide de weg voor ons baande; om-gevallen boomstammen en takken werden opgeruimd, stekellianen diehet pad verspreden zorgvuldig weggekapt. Bij het doorwaden van debergstromen of het passeren van de slingerende rotanhangbruggen werdop de meest voorkomende manier op letterlijke wijze de behulpzamehand geboden en allerlei lasten van de dragers naar de overkant ge-bracht. Gleed ik eens uit over een glibberige boomstronk of een gladderolsteen in de rivier, dan schoten mijn vrienden Igoen en Kimoegoealolèonder een uitroep van medelijden ogenblikkelijk toe om mij op debeen te helpen. En zo betoonden zij talrijke andere kleine attentiesmeer, als het dragen van de veldfles, etensdrager, jachtgeweer en watdies meer zij.Maar ook tegenover hun soortgenoten, vooral hun vrouwen en kin-deren en ouden van dagen, zijn zij galant. In het terrein ziet men denman steeds vooruit lopen, nauwkeurig acht slaande dat hen niets kanoverkomen, vooral bij het passeren van zware terreinhindernissen enzwiepende gammele rotanhangbruggen en vondertjes.De Bergpapoea is levendig van aard, vrolijk en goedlachs. Zij zijnaltijd tot schertsen bereid. Wanneer wij trachtten iemand met het eenof ander kunstje in de val te laten lopen, zaten de omstanders die erreeds mee op de hoogte waren met spanning op de uitslag te wachtenen barstten in een onbedaarlijk lachen uit als de toeleg gelukt was.Een hekel heeft de Bergpapoea er echter aan om beschaamd of ver-
  32. 32. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 507legen te worden gemaakt. Enige malen heb ik meegemaakt, dat expedi-tieleden de spot van anderen wilden opwekken door iets aan de op-schik, in het bijzonder aan de peniskokerdracht van een persoon, teveranderen. Zij ontstaken dan in toorn, die zich bij de Ekari uitte inde merkwaardige driftdans, waarvan CATOR (55, p. 17) het eerst ge-wag maakte. Op zijn hakken, stampvoetende en in enigszins gebogenhouding, met de armen de beweging van het afschieten van een pijlnabootsende, met rollende ogen en onder het voortdurend uitstoten vaneen krijgsgeschreeuw, voert de man minutenlang een soort dans uit,waarbij de omstanders rustig toezien, totdat hij tot bedaren komt. Hetis een uiting van drift en ook een wijze om zijn argumenten kracht bijte zetten, die bij de Ekari algemeen gebruikelijk is. DE BRUIJN (72,p. 54) zag haar ook in praktijk gebracht bij de onderhandelingen overde betaling van de bruidschat.Men kan niet zeggen dat de Bergpapoea bepaald goedig is en zichvan alles laat welgevallen. Meermalen heb ik medegemaakt, dat zijonderling onenigheid hadden. Over de verdeling van de van ons ge-kregen schatten, kauri-schelpjes en ijzer, konden zij soms heftig tegenelkaar te keer gaan en in grote opgewondenheid geraken. Bij de ruil-handel die wij met hen voerden, en waarbij wij om te sterke deprecia-tie van onze ruilmiddelen te voorkomen de ethnografica, varkens enveldvruchten op prijs trachtten te houden, waren zij over het algemeenallesbehalve goedgeefs. Koppig hielden zij aan hun eisen vast.JONGEJANS (25, p. 54) schetst hun gedrag zo treffend juist, wanneerhij schrijft: „Soms gingen ze vertoornd heen en verstoord over onzekleinzieligheid, brachten ze de te koop aangeboden vruchten eenvoudigweg naar de keuken of overhandigden die aan onze dwangarbeiders engaven met trotsch gebaar te kennen, dat we ze cadeau kregen. Soms ookwierpen ze het ons eenvoudig toe en gingen heen". Ook LAM (30(e),p. 348) schrijft in dezelfde geest over deze typische, trotse wijze vandoen. En niet alleen de bewoners van de Swart-vallei, ook bij Dèm enMoni constateerde ik deze karaktertrek.Verschillende onderzoekers roemen de door en door vreedzame aardvan de Bergpapoea-stammen in ons gebied. Dit valt niet te verwonde-ren, wanneer men eerst met de Mamberamo-Papoeas en de schuwestammen der Meervlakte heeft kennis gemaakt, dan wel met de koppen-snellende en kannibalistische stammen der zuidelijke laagvlakten om
  33. 33. 5 0 8 GEESTELIJKE CULTUURdaarna in het hooggebergte zo voorkomend en gastvrij te worden ont-vangen. Vrede toch kennen eerstgenoemde stammen niet. Zij zijn bijnavoortdurend met elkaar in oorlog en leven steeds in een angstpsychose,doordat zij zich omringd weten door hen besluipende naburen, die hetop hun vrouwen en hun leven hebben gemunt. Wanneer men met hendoor het terrein loopt, zijn zij schichtig als het wild en voelen zij zichoveral belaagd door onzichtbare vijanden. Voor een groot deel levendvan de jacht bezitten de bewoners der laagvlakten allen van nature eengrote lust tot besluipen, tot het meedogenloos doden van groot en kleinwild. Het aanvallen van de wilde varkens, casuarissen en krokodillenvereist moed en behendigheid; het wekt hun strijdlust op.De Bergpapoea is minder natuurmens dan de Papoea der laagvlakte.Hij is een gezeten landbouwer en varkensteler geworden, wiens be-staan meebrengt dat hij zoveel mogelijk in vrede moet leven. Grootwild dat hem aanvalt en waartegen hij zich verdedigen moet, komt bin-nen het hooggebergte weinig voor, daarvoor moet hij afdalen naarlager gelegen streken. Toch gaat hij zoals wij reeds gezien hebben metplezier op jacht naar klein wild, zet vallen uit, graaft valkuilen enligt op de loer. Dat maakt ook hem agressief. Maar het is alles in veelbeperkter mate dan bij zijn rasgenoten in de laagvlakten. In tegen-stelling met hen waagt de Bergpapoea het om overal in het gebied rond-om zijn nederzettingen zonder pijl en boog uit te gaan en ziet men devrouwen zonder geleide in de nabijgelegen bossen hout sprokkelen enrotan en andere materialen vergaren.Hoewel deze levensomstandigheden de Bergpapoea-stammen veelminder agressief doen zijn dan de laagvlakte-stammen, zo vreedzaamals zij ons tijdens de korte kennismakingen gedurende de expeditiesvoorkomen, zijn zij in werkelijkheid zeker niet. De littekens van pijl-wonden die vele mannen dragen en de verhalen die zij daarover tenbeste geven, getuigen van menige onderlinge strijd en gevechten metnaburige stammen. Voor wat wij gezien hebben en te weten zijn ge-komen omtrent hun wijze van oorlogvoering en de oorzaken die tot dekrijg leiden, verwijzen wij naar pagina 481 en 482 van deel I. Zij wet-tigen de conclusie dat de Bergpapoea niet bepaald oorlogszuchtig vanaard is, maar wel krijgshaftig kan worden genoemd. Laf is hij zekerniet, de nodige moed kan hem niet worden ontzegd, trouwens zonderdat zou het leven van deze primitieve mensen niet denkbaar zijn.
  34. 34. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 509Toch heb ik meermalen opgemerkt, dat de Bergpapoea bang is omalleen te zijn. Hij heeft een angst voor onzichtbare vijanden in de vormvan geesten en behekste mensen, die hem kwaad kunnen berokkenen.In het huis verontrusten hem allerlei geluiden; in het woud verkeerthij steeds in vrees voor ontmoetingen met de kwade geesten en trachthij zich door allerlei magische praktijken tegen hen te beschermen.Al naar gelang van de ervaringen met hen opgedaan, staan de me-ningen van de verschillende onderzoekers over de eerlijkheidsbegrippender Bergpapoeas lijnrecht tegenover elkaar. Zo schrijft PULLE (15,p. 175) van de Pësëchëm, dat hij van nature een aartsdief is, terwijlFEUILLETAU DE BRUIJN (9, p. 84) van de naburige bergbevolking aande Noordwest-rivier zegt, dat diefstal bij hen niet is voorgekomen.WIRZ (32,p. 41) is over de Papoeas der Swart-vallei op dit punt slechtte spreken: „Selten noch habe ich zudringlichere, alles begehrende, undbettelhaftere Papua gesehen als diese, und dass es auch mit deren Ehr-lichkeit nicht goldig bestellt ist, haben wir wahrend der Expeditionmehrfach erfahren". KREMERS ervaring (36a) van diezelfde Papoeasis veel gunstiger; hij zegt: „Diefstal kwam al heel weinig voor, in hetoog houdende het groot aantal menschen, dat dikwijls in onze bivaksaanwezig was; en zoon enkele maal kwam als de diefstal tijdig ont-dekt was, het gestolene nog terug ook". VAN EECHOUD (57, p. 136)deelt omtrent de Moni mede: „Van diefstal werd nimmer iets bemerkt".Gedurende mijn beide expedities heb ik bij de Dèm-, Ndani-, Moni-en Ekari-stammen een zeer gunstige indruk gekregen van de eer-lijkheid der Bergpapoeas, zowel ten aanzien van de veiligheid vanonze goederen als op het punt van het nakomen van beloften en af-spraken. In de bivaks bij hun nederzettingen werd mij nimmer iets ont-stolen, alhoewel de gelegenheid daartoe zeer groot was. Overal langsde patrouillewegen had ik in de huizen, toevertrouwd aan de zorgen derbewoners, en in onbewaakte bosbivaks goederen opgeslagen, maar geenenkele maal werd bij terugkomst iets vermist.Dat de zucht tot bedelen bij de Bergpapoeas groot is, vooral watbetreft het verkrijgen van het zo geliefde schelpjesgeld, valt tochwaarlijk niet te verwonderen. Wanneer men bedenkt dat die schelpjesde plaats innemen van ons goud, dat een jonge man waarschijnlijkjaren nodig heeft om een voldoend aantal bijeen te brengen voor debruidschat zijner vrouw, dat een Bergpapoea voor die schelpjes bij
  35. 35. 510 GEESTELIJKE CULTUURnaburige stammen alles kan verkrijgen wat een Papoea-hart maar kanverlangen en wanneer men dan in aanmerking neemt, dat de blankevreemdelingen de gehele dag hun ogen verblinden met handen vol vandat magische betaalmiddel om ethnografica, varkens en veldvruchtente bemachtigen, dan zijn wij toch zeker zelf de oorzaak van die bedel-zucht, die opdringerigheid, die grote begerigheid, die eindeloze jere-miade om schelpjes. Het ligt voor de hand dat de van een grote han-delsgeest bezielde Bergpapoeas, hetzij Oeringoep, Dèm, Moni of Ekari,van heinde en verre naar onze bivaks stromen, als de gouddelvers naarKlondyke, en alles aanslepen om maar tingaleh,woe, kigi, mègè,kèpè,d.w.z. schelpjes, te bemachtigen.Even natuurlijk is het dat onder de honderden bezoekers die inonze kampen allerlei wonderlijke en begeerlijke zaken voor het grijpenzien liggen, er enigen rondlopen, die de verleiding niet kunnen weer-staan om een kapmes, vork, keukenmes of wat voor kleinigheden ookmee te nemen. Men moet een kat niet op het spek binden. Wat zou eengroep Westerlingen, die goudstukken en andere kostbare zaken op eendergelijke wijze onder hun bereik hadden als de Bergpapoeas blikkenmet schelpjes, ijzerwaren, kralen en andere ruilartikelen, wel hebbengedaan? Zij zouden het gehele kamp de eerste de beste dag hebben be-stormd en leeg gestolen. Wij hebben niet het recht het stempel vandiefachtigheid op de Bergpapoea te drukken, of een bepaalde groepvoor ,aartsdieven uit te maken op grond van bovengeschetste ervarin-gen. Wij dienen ons op de hoogte te stellen van hun gevoel voor eigen-dom, van hun begrippen omtrent eerlijkheid, en eerst na lang verblijfonder hen zullen wij dan kunnen vaststellen in welke mate diefachtig-heid als een ondeugd van hen moet worden aangemerkt.Diefstal komt onder de Bergpapoeas onder verschillende vormenvoor en op allerlei wijze tracht de clan, de familie of het individu zichdaartegen te beschermen. Wat ik omtrent eigendom en diefstal te we-ten ben gekomen, vindt men in het hoofdstuk Rechtsbegrippen (p. 676)nader omschreven.Bij de beschrijving van de eerste aanrakingen hebben wij reeds ge-zien, dat de Bergpapoea-stammen in ons gebied jegens ons een grotegastvrijheid aan de dag hebben gelegd. Ook ten opzichte van hunstamgenoten en leden van bevriende stammen wordt die deugd be-oefend. Iedere bezoeker wordt uitgenodigd plaats te nemen in de kring
  36. 36. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 5 1 1bij de gemeenschappelijke maaltijd. In het mannenhuis vindt hij eengastvrij onderkomen. Wat bijzonder opvalt, in tegenstelling met delaagvlakte-bewoners, zijn de prettig aandoende omgangsvormen die deBergpapoea er op na houdt, zowel jegens familie en bekenden als tegen-over vreemdelingen die hij als zijn vrienden erkent. Van alle stammenwaarmede wij in aanraking zijn gekomen, wordt melding gemaakt vanverschillende wijzen van begroeting en betuiging van vriendschap.B e g r o e t i n gWanneer men onderweg personen tegenkomt, dan wel een neder-zetting binnengaat of na verkregen toestemming een huis betreedt,wordt men als regel op de meest vriendelijke wijze verwelkomd. DeBergpapoea houdt er daarbij verschillende karakteristieke begroetings-wijzen op na, waarvan de zogenaamde knokkelgroet reeds van verschil-lende expedities een algemene bekendheid geniet. WOLLASTON (17, p.263) noemt hem „pulling knuckles" en beschrijft hem als in gebruikzijnde bij de Bergpapoeas aan de Boven-Otakwa, WIRZ (32, p. 45),LAM (30(e), p. 344) JONGEJANS (25, p. 53) en BIJLMER (48, p. 177)vermelden hem van de Swart-vallei-bewoners, Ik zag deze groet overalin gebruik bij de Dèm, Ndani en Daoewa in het stroomgebied derBoven-Rouffaer-rivier. Hij bestaat hierin dat de gast die op bezoekkomt de gekromde wijsvinger van de rechterhand steekt tussen de ge-kromde wijs- en middelvingers van de persoon, die hij wil begroeten.Deze laatste omklemt de uitgestoken knokkel, waarna beiden de handmet een korte ruk terugtrekken, zodat een klappend geluid wordt voort-gebracht (D. k mbè gajawè = letterlijk: knokkels klappen). Gewoon-lijk wordt deze handeling één of twee malen herhaald. JONGEJANSdeelt mede, dat de knokkelgroet bij de Bergpapoeas in de Swart-valleivooraf werd gegaan door het omvatten van de pols en gevolgd doorhet geven van een stevige hand. Zowel LAM als BIJLMER noemen alsbegroetingswijze bij diezelfde volksgroep het geven van een stevigehanddruk, al of niet gevolgd door de knokkelgroet. WIRZ maakt vandie handdruk geen melding, doch zegt: „gute Freunde pflegen sichausserdem (d.w.z. naast de knokkelgroet) auch den Arm zu drückenoder gar zu umarmen". De deelnemers aan de ARCHBOLD-expeditiedelen mede (60, p. 418) dat de bewoners van het Ibèlè-dal wèl bekendwaren met de knokkelgroet, doch dat deze aan de Balim niet gebrui-
  37. 37. 5 1 2 GEESTELIJKE CULTUURkelijk is. Omtrent de begroetingswijze in die laatste streek wordt ge-zegd: „Men geeft elkaar daarbij een hand, de handen houden dan overen weer de pols of bovenarm vast. Ook het op westersche wijze gevenvan een hand vond de Papoea niet vreemd. Onderscheid tusschen linker-en rechterhand werd daarbij niet gemaakt".Met de westerse handdruk heb ik noch bij de Dèm of Ndani, nochbij Moni of Ekari de mensen elkaar ooit zien begroeten. Wel zijn deDzj nggoenaoe in het merengebied, die veel met ons in aanraking zijngeweest, begonnen die handdruk over te nemen, maar zoals DE BRUIJNterecht zegt (69, p. 81) is hij niet oorspronkelijk en is hij een teken van„groot, deftig doen".Bij alle stammen in het Westen van het centrale bergland, Dèm,Ndani, Moni en Ekari is de knokkelgroet (E. kipobai; kipo = vinger-knokkel) in zwang. In het Charles-Louis-gebergte bij de Simori in hetdal der Màpia kwam men de expeditie-BIJLMER wel niet met die groettegemoet, maar men bleek er mede vertrouwd en hij werd, naar BIJLMERmededeelt, met verrassing aanvaard (48, p. 177). Als variatie van dehiervoren beschreven knokkelgroet, ziet men vooral bij de Moni het inelkaar haken van de gekromde wijsvingers, waarna men enige tijd zoblijft staan en elkaar enige welkomstwoorden toevoegt. Deze vorm vanvriendschapsbetuiging is ook bekend van sommige laagvlaktestammen,o.a. de Marind-Anim1).De welkomstwoorden die men elkaar bij de begroeting toevoegt, zijntalrijk, doch de juiste betekenis kon van de meeste nog niet wordenvastgesteld. WIRZ (32, p. 45) vermeldt van de Swart-vallei-bewonersde woorden: ayonak, peratnak, anembinak, anenonak, galutnak, uinoen kugitnak. Dit laatste woord hangt volgens hem waarschijnlijk samenmet kugi en zou daarom kunnen betekenen, dat men de persoon die menbegroet geen ontmoeting met de kugï = ,de kwade geesten toewenst.Deze veronderstelling lijkt mij juist, want bij Dèm en Ndani was hetmeest gebruikelijke begroetingswoord kaijonak (gelijkende op hetayo-nak van WIRZ), waarin kat beteekent ,boze geest. Ook de woordenkugitnak en ainovond ik als begroetingswoorden bij die stammen terug.1) CODRINGTON (157) beschrijft in zijn werk over de Melanesiërs der Banks-Islands(Nieuwe Hebriden) onder het hoofd „Salutations" (p. 354) een daar in gebruik zijndebegroetingswijze, die volkomen overeenkomt met de knokkelgroet bij de Bergpapoeasin Centraal Nieuw-Guinea.
  38. 38. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 513Daarnaast nog de woorden woondià en nàgàlàk, waarvan ik de betekenisniet kon vaststellen.Bij de verschillende clans van de Moni-stam tekende ik de volgendewoorden op: àmàkanè, ànàgàmè, àlegamè, kawinoai, àmànoeai en aino.Hieronder is àmàkanè de geliefkoosde begroeting. Bij de ontmoetingvan familieleden, goede vrienden en bekenden ligt de Moni dat woordop de lippen bestorven. Men zegt àmàkanè bij het brengen van deknokkelgroet, doch gebruikt het eveneens in de betekenis van ons ,dankU en ,alstublieft. Bij de Ekari hoorde ik bij de groet dikwijls hetwoord norè. Al deze begroetingswoorden worden meestal op zachte,prevelende toon uitgesproken en met een zekere genegenheid in destem.De eigenlijke ,àmàkanè-groet bestaat bij de Moni echter hierin, datde mannen onder het herhaaldelijk uitspreken van dat woord met derechter- of de linkerhand en met opgeheven elleboog hun borst bij detepel tussen duim en wijsvinger pakken, een weinig heen en weerschudden en de te begroeten persoon als het ware aanbieden (afb. 58).Het woord àmàkanè is dan ook een samenstelling van àmà = ,borst ennenè = ,geven. Zinnebeeldig zal daarmede de genegenheid ten op-zichte van de te begroeten persoon wel gelijkgesteld worden aan dietussen moeder en kind. Toen ik tijdens de Oostpatrouille na de over-schrijding van het brede waterscheidingsgebergte tussen het Kema-dalen de Doraboe-vallei aankwam in de nederzetting Bilorai, ontmoetteonze gids Dàbiamè, de zoon van Kimoegoealolè, een ouderen man bijwien hij als jongeling lang was thuis geweest. Het weerzien was hart-roerend. De oude man bracht, terwijl hij in een halve cirkel voorDàbiamè met danspasjes heen en weer dribbelde, minutenlang deàmàkanè-groet Met een brede lach om zijn lippen en met zichtbaarwelgevallen nam Dàbiamè die in ontvangst, terwijl hij met de knokkelvan de wijsvinger van de opgeheven rechterhand terug groette. Tenslotte eindigde de vertoning in het opsteken van een sigaret, waarnazij de armen om eikaars lendenen sloegen en in druk gesprek weg-wandelden, waarbij de sigaret na enige trekjes van mond tot mondging.Het betasten van eikaars lichaamsdelen en omhelzen van elkaar nade begroeting is bij de ontmoeting van zeer goede kennissen en verwan-ten bij alle stammen regel. Ook wij moesten ons daaraan meermalen
  39. 39. 5 1 4 GEESTELIJKE CULTUURonderwerpen. Men pakt elkaar bij de polsen of de onderarmen, druktzich tegen elkaar aan, slaat de armen om eikaars schouders en kloptelkaar op de rug. Zoals SNELL (16, p. 74) reeds vermeldde van deP s ch m, laat men daarbij ook wel het hoofd op eikaars schoudersrusten en blijft men zo enige tijd staan.Als tekenen van bijzondere genegenheid gelden het elkaar pakkenbij de borst en slaan van de arm om de lendenen. Na het geven vaneen geschenk moest ik mij als regel daaraan onderwerpen, terwijl menop hartelijke toon zeide: „M. ànàgamè matoewan = toewan is eengoede vriend van mij". Bij het betonen van grote dankbaarheid eninnige vriendschap slaan de Moni de arm om iemands zitvlak, waarbijze de uitdrukking bezigen: „dolé-panoea", hetgeen, naar de bestuurs-assistent Sitanala mij mededeelde, een samentrekking is van: „dolégana noea = ik neem bezit van Uw partes posteriores". Of deze uit-drukking verband houdt met pederastische neigingen zou ik niet durvenzeggen. Zowel bij de Dèm als bij de Moni heb ik een enkele maalgezien, dat bij de begroeting de geslachtsdelen werden betast.Meermalen heb ik opgemerkt, dat het zitten in de kring rondom devuurplaat in het mannenhuis door de Bergpapoeas als een teken vanbijzondere vriendschap wordt opgevat, waarbij de pijp of sigaret vanmond tot mond gaat. Eveneens stelt men het zeer op prijs wanneer menbij de gemeenschappelijke maaltijd des namiddags aanschuift in dekring om de geopende smoorkuil.Evenals de mannen brengen ook de vrouwen de knokkelgroet. Meestalbukken de vrouwen zich echter wanneer zij de mannen begroeten enomvatten zij hun benen. De man legt dan zijn hand op het hoofd ofde schouder van de vrouw.Bij ontmoetingen met vrouwen en het daarbij uitreiken van contact-artikelen is mij meermalen overkomen dat zij mijn benen omvattendan wel met de vlakke hand onder de kin streken, waarbij zij dan terbegroeting en uit dankbaarheid op beminnelijke wijze enige malen dewoorden „eita, neita" prevelden. Dit woord betekent in de Moni-taalzo iets als ,vadertje en wordt hoofdzakelijk door vrouwen en kinderentegenover ouden van dagen gebezigd. Bij de Dèm zegt men in dit geval„àbagè, àbagè".Ook de wijze van begroeting waarvan WOLLASTON melding maakt(17, p. 262), bestaande in het enkele malen ophalen van de wenkbrau-
  40. 40. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 515wen onder gelijktijdig neigen van het hoofd naar één zijde en daarbijglimlachen, zag ik herhaalde malen bij verschillende stammen, dochhoofdzakelijk door vrouwen.Bijzondere vermelding verdient ten slotte dat de zogenaamde tranen-groet, die sedert de publicaties van FRIEDERICI (o.a. 167) (zie TENKATE, T.A.G. 1908, p. 145 e.v. en 1910 p. 607 en 790 e.v.) in de ethno-logische wereld bijzondere bekendheid geniet, ook bij de Bergpapoeasin gebruik is of althans in een vorm voorkomt, die daarop gelijkt. Bijde Dèm-stam heb ik in het bivak Tombe, waar wij van heinde en verreuit het grote stroomgebied der Boven-Rouffaer-rivier mensen op bezoekkregen, herhaalde malen ontmoetingen meegemaakt tussen Bergpapoeasdie in nauwe familie- of andere betrekkingen tot elkaar stonden, dochdie elkaar in lange tijd niet hadden gezien. Dit weerzien was als regelzo hartelijk, dat de gebruikelijke omarmingen gepaard gingen met hetspontaan plengen van de nodige tranen. Nadat men die enige tijd devrije loop had gelaten, werden zij met de rug van de hand weggewisten wandelde men, de arm om eikaars rug of lendenen geslagen, terwijlde sigaret telkens van mond tot mond ging, in fluisterend gesprek eentijdlang heen en weer, dan wel zette men zich neer op een enigszinsafgelegen plaats, blijkbaar om elkaar allerlei nieuws mede te delen.Zo heb ik Igoen in ons bivak Tombe meerdere malen op één dag, toengroepjes stamgenoten uit nederzettingen, die op vele dagmarsen afstandwaren gelegen in het grote dal der Nògòlò, ons kwamen bezoeken,de tranengroet zien brengen, die dan door de bezoekers op gelijke wijzewerd beantwoord. Van een hevige gemoedsstemming, een hardophuilen of snikken, was daarbij geen sprake. Na het afwissen van detranen mengde men zich weer lachend en opgewekt onder de veleandere bezoekers. Kwam een nieuw groepje aangewandeld, waarbijzich intieme kennissen bevonden, dan kwamen bij de begroeting detranen als het ware op commando weer voor de dag.Op de terugweg van de expeditie 1926 uit het hooggebergte ver-gezelde Igoen met een aantal van zijn stamgenoten ons tot aan hetHoofdbivak, gelegen in de benedenste uitlopers nabij de rand derMeervlakte. Mijn mantri MOHAMMED SALEH lag ten gevolge van eenzeer hevige malaria-aanval in dat bivak met hoge koorts op zijn veldbed.Igoen, die ook met hem verschillende tochten had gemaakt, zocht hemdadelijk op in zijn tent, zat minutenlang bij hem te wenen en te klagen
  41. 41. 5 1 6 GEESTELIJKE CULTUURonder het mompelen van: „sa,sa, sa". Onderwijl werd de zieke beblazenen onder het prevelen van formules en het zwaaien met een bladerentakde ziekte-veroorzakende geesten weggejaagd. Toen ik in dit bivak vanonzen gastheer en trouwen gids onder het herhaald brengen van deknokkelgroet afscheid nam en in de prauw wilde stappen, biggeldende tranen weer langs zijn gezicht en herhaalde hij telkens op meewarigetoon: „sa, sa, sa, toewan ibigin = jammer, jammer, dat mijnheer weg-gaat".Ook tijdens de expeditie van het Genootschap heb ik, toen onze pa-trouille de nederzetting Sosiga-Waniboega binnentrok, onzen gids Ki-moegoealolè de tranengroet zien brengen bij de ontmoeting van zijnouden vader en andere familieleden. Daarna nog eens toen wij van ge-noemden sonowi na een verblijf van twee maanden in zijn kampongMasiga en omliggende streken, afscheid namen. Mijn hele voorraadbijlen, kapmessen en keukenmessen, die ik toen nog bij mij had, hadik onder hem en zijn kamponggenoten uitgedeeld. Men was zeer dank-baar gestemd en het „àmàkanè" klonk talloze malen op zeer hartelijkewijze van beide kanten. Bij de laatste knokkelgroet liet de stoere sonowivan Masiga zijn tranen de vrije loop. Daarna gingen wij op marsch, terugnaar het merengebied. Gekomen op de hellingen aan de overzijde vanhet ravijn van Masiga blikten wij nog eenmaal op het dorpsplein neer,waar Kimoegoealolè te midden der zijnen stond, de tranen nog van zijnwangen vegende. Nog een laatste ,àmàkanè-groet weerklonk door hetgrote Kema-dal, waarna wij de bergrug omtrokken en uit het gezichtverdwenen.KREMER (36a) is de enige explorateur bij wien ik gegevens vermeldvind, die wijzen op het voorkomen van de tranengroet bij de stammenwonende in de dalen ten Noorden van de Wilhelmina-top. Bij zijn be-schrijving van de begroetingswijze der Bergpapoeas deelt hij het vol-gende mede: „Dikwijls heeft zoon ontmoeting ook nog een ander veelsomberder karakter; met de handen ineen wordt dan een geruimen tijdzeer klagend huilerig geluid gemaakt en niet gesproken; de menschener omheen trekken zich van deze verrichtingen niets aan; of de stem-ming werkelijk zoo down is, betwijfel ik, hoewel soms tranen te voor-schijn komen; maar direkt daarna nemen deze treurenden, als het moet,weer op de hun eigen vervaarlijke wijze aan het rumoer deel.Toch heeft het waarschijnlijk wel iets met een slechte tijding of zoo
  42. 42. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 517te maken. Te Koeboe maakten wij de komst van een soort afvaardigingvan de Balim mede, een man of 10-12, met zich voerende vele varkens,verpakte pijlen en bogen, lansen, een prachtige casuaris-veeren hoofd-versiering en meerdere kleinere dingen; voor zij verder gingen, huildendeze lieden allen tezamen bij hunne geschenken en herhaalden dit nogeens, waarbij opviel, dat de Koeboe-menschen zich al heel weinig vandeze plechtigheid aantrokken.Voor zoover wij de beteekenis van dit bezoek hebben begrepen, hieldhet verband met het dooden of verwonden van een Koeboe-bewoner ofvan meerdere hunner door de Balimers en zouden die geschenken eensoort boete zijn. Is deze verklaring juist, dan is een treurende houdingvoor de hand liggend".Bij de bergbevolking in het Australisch gebied komt de tranengroetvoor bij de stammen in het Mount Hagen-gebergte. VICEDOM (147, p.264) bericht ons over de Mbowamb: „Die Begrüssung des Krankenist sehr innig. Der Besucher umarmt den Kranken und weint eine Zeit-lang mit ihm, wobei er ihn streichelt und bedauert. Dieser Tränengrussist wohl das innigste vom ganzen Krankenbesuch".Een begroeting met tranen is ons Europeanen bij de eerste aanrakin-gen met de Bergpapoeas nooit ten deel gevallen. Wel wordt hiervanmelding gemaakt door WOLLASTON bij de ontmoeting van de deelne-mers aan de eerste Engelse expeditie met de Kust-Papoeas in deMimika-streek. Deze auteur schetst ons onder het hoofd „A welcome oftears" de ontvangst der expeditie in de kampong Wakatimi: „Many ofthe people both men and women on this and other occasions of greatexcitement were so overcome with emotion that they actually shed tearsof rapture" (5, p. 41).De hierboven omschreven gevallen van begroeten en afscheid nemenonder het storten van tranen gepaard gaande met een stil geweeklaagwijzen er wel op, dat dit onder de naam van ,tranengroet in de ethnolo-gie bekend geraakte gebruik waarschijnlijk bij alle Bergpapoea-stam-men over het gehele eiland in zwang is, of dat althans de resten daar-van nog aanwezig zijn. FRIEDERICI zelf stelde het gebruik indertijd vastbij enkele Papoea-stammen aan de noordkust van het voormalige KaiserWilhelmsland. In verband met de mededeling van WOLLASTON isdaarom het vermoeden gewettigd, dat dit eigenaardige volksgebruikook onder de laagvlakte- en kuststammen meer is verbreid dan wij welLE ROUX, Bergpapoeas van Nieuw-Guinea, II 34
  43. 43. 518 GEESTELIJKE CULTUURdenken en dat het niet alleen in de gehele polynesisch-melanesische cul-tuurkring een bekend verschijnsel is, of is geweest, doch ook onder allePapoea-volken. Elders ter wereld is deze zede reeds aangetoond voorgeheel Zuid-Amerika en een aantal Indianenstammen in Noord-Ame-rika; verder bij de bewoners der Andamanen en ten slotte overal in deZuidzee tot op Nieuw-Zeeland en Australië toe.Aan de tranengroet heeft men verschillende oorspronkelijke beteke-nissen gehecht (TEN KATE, T.A.G. 1910, p. 790): ,wenen van vreugde,joy-weeping over het weerzien van goede bekenden en verwanten;,wenen van smart, grief-weeping ter gedachtenis van overledenbloedverwanten en vrienden, die in herinnering worden gebracht envoorgewend medelijden met de doorgestane vermoeienissen en gevarenvan de aangekomen gasten. Ook een religieuze betekenis in de vormVan het misleiden van afgunstige geesten schijnt niet uitgesloten.Mijn indruk van de betekenis van de tranengroet bij de Bergpapoeas,voorzover ik die bij navraag kon te weten komen, is met het vorenstaan-de in overeenstemming. De begroetingswoorden kaijonak en kugitnakwijzen reeds op een uiting van vreugde dat de gasten geen ontmoetingmet de geesten hebben gehad, dat hun geen ongelukken op de langereis zijn overkomen. Igoen voegde mij toe, toen ik na een huilscene ach-ter de reden trachtte te komen: „sadzèjè agoenònawi boekmé = mede-lijden schoonvader overleden". Rouw over een in de tussentijd over-leden bloedverwant was dus in dit speciale geval een motief voor detranengroet. Medelijden met eikaars rampen en ziekten en verdriet overhet vertrek van goede verwanten en vrienden waren eveneens duide-lijke motieven.Nu kan men opmerken, dat deze redenen algemeen menselijke zijn;dat deze gewoonte van het plengen van tranen bij het begroeten en hetafscheid nemen van gasten hoogstens getuigt van het sterk emotioneleof sentimentele karakter van deze bergbewoners. Dit neemt niet wegdat deze tranengroet een zo vaste gewoonte bij hen is, die samenhangtmet zulke bijzondere, nog grotendeels duistere betekenissen, dat hij weldegelijk als een bijzonder eigenaardig volksgebruik moet worden aan-gemerkt. Gezien de grote verspreiding van de tranengroet en het feitdat hij nu ook bij de Bergpapoeas is geconstateerd, wint de veronder-stelling — door TEN KATE (T.A.G. 1910, p. 792) geuit — veld, datmen in de tranengroet waarschijnlijk een algemeen menselijke, primi-tieve wijze van begroeting moet zien.
  44. 44. ALGEMENE GEESTELIJKE EIGENSCHAPPEN — VOLKSKARAKTER 519De uitspraak van WIRZ (32, p. 45): „Der Kuss ist natürlich unbe-kannt" onderschrijf ik ten volle voor wat betreft de kus als wijze vanbegroeting tussen twee personen, althans bij Bergpapoea-stammen inons gebied, Als liefkozing heb ik echter zowel bij Dèm als Moni eenmoeder haar zuigeling, terwijl zij deze aan haar borst drukte, meer-malen een kus zien geven, althans de lippen zien drukken op voorhoofden wangen.Maken wij echter even een sprong naar de bergbevolking in het Oos-ten van het eiland, dan blijkt de kus daar bij de bergstammen wel be-kend te zijn, als men tenminste DETZNER mag geloven; hij schrijft(105a, p. 188): „Wie innig küssten sich die von allen Seiten zusammen-geströmten Männer bei der Begrüssung auf Mund, Wangen, Nasen,sie die noch kurze Zeit zuvor sich als Todfeinde gegenüber gestandenhatten!". Zijn mededeling, ook inzake het betasten bij de begroetingvan armen, schouders, borst en geslachtsdelen, vindt bevestiging bijTAYLOR, die in 1934 exploreerde onder de Bergpapoeas wonende inde Bena-Bena-streek en de Waghi-vallei gelegen in het Bismarck-gebergte: „When two men meet they embrace and sometimes kiss"(127a, p. 34).Uit al het voorgaande moge blijken, dat de Bergpapoea er in onzeogen zeer prettige omgangsvormen op na houdt, waardoor hij gunstigafsteekt bij zijn rasgenoten in de laagvlakte. Vermeldenswaard in ditverband is nog het volgende. In het merengebied heb ik enkele malenhet opdragen van de mis bijgewoond door den missionaris TILLEMANS.Daarbij waren telkens een groep Ekari, mannen, vrouwen en kinderenaanwezig. Met verwondering heb ik toegezien hoe ordelijk allen zichgedroegen. Met aandacht keken zij toe, rustig zaten zij gedurende degehele godsdienstoefening neer, spraken niet, lachten niet en verwij-derden zich niet.Tot de goede karaktertrekken van de Bergpapoea behoort ook deeerbied die hij betoont voor oudere personen, waarop WIRZ reeds heeftgewezen in zijn beschrijving van de Swart-vallei-bewoners (32, p. 44).De oude mannen en vrouwen worden met bijzondere voorkomendheidbehandeld en genieten bij verschillende gelegenheden de voorrang,zoals bij het uitdelen van de maaltijden. De kinderen betonen zich je-gens hen onderdanig. In de nederzetting Tombe had Wimelòk, de oudemoeder van Igoen, zeer veel in te brengen. Zij verdeelde het eten en de

×