Module
initiatie verpleegkunde

Thema 4
Zorg bij uitscheiding

Westlaan 99 - 8800 Roeselare

T. 051/20 73 54

F. 051/24 70...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

ii

Module: Initiatie verpleegkunde
Thema 4: Zorg bij uitscheiding
1ste jaar verpleegkunde
...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

iii

Doelstellingen
Zijn per hoofdstuk toegevoegd aan het thema.

Didactische methodes en d...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

iv

Leerinhouden
Verantwoording ..............................................................
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

v

7.2.2 Verteren door bacteriën..............................................................
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

vi

Doelstelling..............................................................................
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

vii

1.2 Observatiepunten.....................................................................
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

viii

6.5.2 tweedelig systeem.................................................................
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

1

I Spijsverteringsstelsel
Doelstellingen
-

De student kan de functies van het spijsverte...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

1
1.1

2

Inleiding
Functies van het spijsverteringsstelsel

Het voedsel dat men eet, kan n...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

3

dikke darm : blinde darm (caecum) met appendix
karteldarm (colon) :
stijgend deel

(colo...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2

4

Mond

2.1

Mondholte algemeen

2.1.1

Bouw van de mondholte

De mondholte wordt door ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2

5

Gebit

Men wordt zonder tanden geboren. Wanneer het kind een half jaar oud is, brek...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.3
2.3.1

6

Speekselklieren
Ligging van de speekselklieren

In de mondholte monden speeks...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.4

7

Tong

2.4.1

Bouw van de tong

De tong bestaat uit dwarsgestreept willekeurig spier...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

3

8

Pharynx

Nadat het voedsel de mondholte is gepasseerd, begint de pharynx. Hier kruise...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

5

9

Gaster

5.1

Bouw van de gaster

De maag wordt ook wel gaster genoemd. Het is een pee...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

5.2
5.2.1

10

Functie van de gaster
Productie van maagsap

Per dag wordt er ongeveer 1500 ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

6
6.1

11

Dunne darm
Bouw van de dunne darm

De dunne darm is 5 à 6 m lang en ongeveer 3 c...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

6.1.3

12

Wand van de dunne darm

De wand van de dunne darm bestaat net als de rest van he...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

13

In het eerste gedeelte van de dunne darm staat het afscheiden van verteringssappen op d...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

6.2.3

14

Resorptie van voedingsstoffen

Na de vertering zorgt de mucosa van de dunne darm...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

7
7.1

15

Dikke darm
Bouw van de dikke darm

De dikke darm is het laatste deel van het spi...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

7.1.1

16

Caecum

Het laatste gedeelte van de dunne darm mondt uit in het caecum.
Op de ov...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

7.1.3

17

Rectum

Het laatste deel van de dikke darm (en het spijsverteringskanaal) is het...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

7.2
7.2.1

18

Functie van de dikke darm
Indikken van de resterende voedselmassa

De voedse...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

8
8.1

19

Pancreas
Bouw van de pancreas

De pancreas is een langwerpige klier die 12 à 15 ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

8.2

20

Functie van de pancreas

De pancreas bevat twee soorten klieren en wordt daarom oo...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9
9.1

21

Hepar
Bouw van de hepar

9.1.1

Macroscopische bouw

De lever is de grootste en ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9.1.2

22

Microscopische bouw

De lever is opgebouwd uit talloze leverlobjes. Deze lobjes ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9.1.2.1

23

Bloedvaten

In de leverlobjes vertakken de bloedvaten (zowel van de vena porta...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9.2

24

Functies van de hepar

9.2.1

Opslag en stofwisseling van voedingsstoffen

Telkens...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9.2.2

25

Galvorming

Het uitscheidingsproduct van de lever is de gal. Gal bevat water, zo...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

26

10 Galwegen en galblaas
10.1 Bouw van de galwegen en galblaas
De gal verlaat de lever d...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

1

II Urinestelsel
Doelstellingen
-

De student kan de verschillende delen van het urineste...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2

De nieren en de urinewegen.
1.
linker bijnier
2.
arteria renalis
3.
linker nier
4.
vena ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.1.1

3

Macroscopisch uitzicht

De nieren zijn twee boonvormige organen die gelegen zijn ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

4

Het nierweefsel is opgebouwd uit verschillende nierkanaaltjes, de nefronen. Per nier zij...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.1.2.2

5

Glomerulair (bloedvat-) gedeelte

Bij het kapsel van Bowman bevindt zich een kl...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2

6

Fysiologie

De grote hoeveelheid bloed die de nieren krijgen, is noodzakelijk voor ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2.2

7

(Terug)resorptie

Per dag produceert een gezonde volwassene slechts 1,5 tot 2 lit...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2.3

8

Invloed van hormonen op de urineproductie

2.2.3.1

ADH

Het ADH (antidiuretisch ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

9

Urine wordt vanuit het pyelum vervoerd naar de blaas via de ureters (urineleiders). Even...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

4
4.1

10

Blaas
Anatomie

De blaas is gelegen in het bekken, vlak achter het os pubis. Als...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

4.2

11

Mictie

De urine die druppelsgewijs vanuit de ureters de blaas binnenkomt, wordt i...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

12

Het verloop van de urethra bij de man.

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.

wervelkolom
bla...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

6

13

Urine

De samenstelling van urine wisselt voortdurend. Dit in tegenstelling tot het ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

1

III Aanbrengen van materiaal voor het opvangen van
urine en feces
Doelstellingen
De stud...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

3.1

2

Inlegluier met fixatiebroekje

Module initiatie verpleegkunde – zorg

Thema 4: Zorg...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

3.2

3

Kleefluier

Module initiatie verpleegkunde – zorg

Thema 4: Zorg bij uitscheiding
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

4

4

Het aanbrengen van de condoomkatheter

−

indien noodzakelijk, scheert u lang schaamh...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

4.1.2

5

Waarom ?

Voor het aanbrengen van een condoomkatheter is geen medische indicatie ...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

1

IV Eliminatie van urine
Doelstelling
-

De preventieve taak van de verpleegkundige i.v.m...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2

- De verpleegkundige kan bij eventueel moeilijk urineren:
water laten lopen in de lavabo...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2

Observatiepunten

2.2.1

3

Helderheid

- Normaal: urine is helder bij lozing.
- Afwij...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

2.2.3

4

Geur

- Normaal: verse urine heeft een flauw zure geur.
- Afwijkingen:
niet-patho...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

5

* OLIGURIE = minder urine dan 500 ml / 24uur
komt voor bij:

- overdreven vochtverlies t...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

6

= verhoogde urineproductie gedurende de nacht komt voor bij: hart- en nieraandoeningen w...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

3.7

7

Urineretentie

= onmogelijkheid tot normale lediging van een gevulde blaas
komt voo...
HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw

8

Oorzaken:
- van psychische aard (spanningen, emoties)
- lichamelijke aard (infecties, bl...
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
M1 t4 zorg_bij_uitscheiding
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

M1 t4 zorg_bij_uitscheiding

1,853 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,853
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
8
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

M1 t4 zorg_bij_uitscheiding

  1. 1. Module initiatie verpleegkunde Thema 4 Zorg bij uitscheiding Westlaan 99 - 8800 Roeselare T. 051/20 73 54 F. 051/24 70 45 info@icdien.be www.icdien.be
  2. 2. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw ii Module: Initiatie verpleegkunde Thema 4: Zorg bij uitscheiding 1ste jaar verpleegkunde Uren : 29 Leerkracht(en): Verantwoording Als hulpverlener is het belangrijk dat je de patiënt kunt helpen bij het elimineren van lichaamsvochten zoals urine, stoelgang, transpiratievocht en menstruatie. De verschillende opvangmaterialen die daarbij kunnen gebruikt worden, komen in dit thema aan bod. Als verpleegkundige zal men, op aanvraag van de behandelende arts, stalen van lichaamsvochten moeten opnemen. Deze basiscompetenties zullen in dit thema ook behandeld worden. Hierbij is het noodzakelijk de anatomie en de fysiologie te kennen van het maagdarmstelsel en het urinestelsel. De anatomie en fysiologie van de huid komt aan bod in thema 2. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  3. 3. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw iii Doelstellingen Zijn per hoofdstuk toegevoegd aan het thema. Didactische methodes en didactisch materiaal Doceren Maquette: nier – nefron – glomerulus Anatomische kaarten: urinestelsel spijsverteringsstelsel Leergesprek Demonstratie Inoefenen Overheadprojector Cursus PowerpointPresentatie met grootbeeldprojector Evaluatie Er worden evaluatiemomenten voorzien waar de leerinhouden getoetst worden. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  4. 4. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw iv Leerinhouden Verantwoording .......................................................................................................................................ii Doelstellingen..........................................................................................................................................iii Didactische methodes en didactisch materiaal.........................................................................................iii Evaluatie..................................................................................................................................................iii Leerinhouden...........................................................................................................................................iv I Spijsverteringsstelsel...............................................................................................................................1 Doelstellingen.......................................................................................................................................1 1 Inleiding..............................................................................................................................................2 1.1 Functies van het spijsverteringsstelsel..........................................................................................2 1.2 Organen van het spijsverteringsstelsel.........................................................................................2 2 Mond..................................................................................................................................................4 2.1 Mondholte algemeen...................................................................................................................4 2.1.1 Bouw van de mondholte.......................................................................................................4 2.1.2 Functie van de mondholte.....................................................................................................4 2.2 Gebit............................................................................................................................................5 2.2.1 Bouw van de tanden.............................................................................................................5 2.2.2 Functie van de tanden...........................................................................................................5 2.3 Speekselklieren............................................................................................................................6 2.3.1 Ligging van de speekselklieren.............................................................................................6 2.3.2 Functie van het speeksel.......................................................................................................6 2.4 Tong............................................................................................................................................7 2.4.1 Bouw van de tong................................................................................................................7 2.4.2 Functie van de tong..............................................................................................................7 3 Pharynx...............................................................................................................................................8 4 Oesophagus........................................................................................................................................8 4.1 Bouw van de oesophagus............................................................................................................8 4.2 Functie van de oesophagus..........................................................................................................8 5 Gaster.................................................................................................................................................9 5.1 Bouw van de gaster.....................................................................................................................9 5.2 Functie van de gaster.................................................................................................................10 5.2.1 Productie van maagsap.......................................................................................................10 5.2.2 Kneden van voedsel............................................................................................................10 6 Dunne darm......................................................................................................................................11 6.1 Bouw van de dunne darm..........................................................................................................11 6.1.1 Duodenum..........................................................................................................................11 6.1.2 Jejunum en ileum................................................................................................................11 6.1.3 Wand van de dunne darm...................................................................................................12 6.2 Functie van de dunne darm........................................................................................................12 6.2.1 Neutraliseren van de darminhoud.......................................................................................13 6.2.2 Afscheiden van darmsappen...............................................................................................13 6.2.3 Resorptie van voedingsstoffen............................................................................................14 6.2.4 Afscheiding van hormonen.................................................................................................14 6.2.5 Darmtransit.........................................................................................................................14 7 Dikke darm.......................................................................................................................................15 7.1 Bouw van de dikke darm...........................................................................................................15 7.1.1 Caecum...............................................................................................................................16 7.1.2 Colon..................................................................................................................................16 7.1.3 Rectum...............................................................................................................................17 7.1.4 Wand van de dikke darm....................................................................................................17 7.2 Functie van de dikke darm.........................................................................................................18 7.2.1 Indikken van de resterende voedselmassa..........................................................................18 Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  5. 5. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw v 7.2.2 Verteren door bacteriën......................................................................................................18 7.2.3 Darmtransit.........................................................................................................................18 7.2.4 Opstapelingsfunctie............................................................................................................18 8 Pancreas............................................................................................................................................19 8.1 Bouw van de pancreas...............................................................................................................19 8.2 Functie van de pancreas.............................................................................................................20 8.2.1 Exocriene klieren................................................................................................................20 8.2.2 Endocriene secretie.............................................................................................................20 9 Hepar................................................................................................................................................21 9.1 Bouw van de hepar....................................................................................................................21 9.1.1 Macroscopische bouw........................................................................................................21 9.1.2 Microscopische bouw.........................................................................................................22 9.2 Functies van de hepar................................................................................................................24 9.2.1 Opslag en stofwisseling van voedingsstoffen .....................................................................24 9.2.2 Galvorming.........................................................................................................................25 9.2.3 Vorming en opslag van vitaminen......................................................................................25 9.2.4 Ontgiftende werking...........................................................................................................25 10 Galwegen en galblaas......................................................................................................................26 10.1 Bouw van de galwegen en galblaas.........................................................................................26 10.2 Functie van de galwegen en de galblaas..................................................................................26 II Urinestelsel.............................................................................................................................................1 Doelstellingen.......................................................................................................................................1 1 Inleiding..............................................................................................................................................1 2 Nieren.................................................................................................................................................2 2.1 Anatomie.....................................................................................................................................2 2.1.1 Macroscopisch uitzicht.........................................................................................................3 2.1.2 Microscopisch uitzicht..........................................................................................................3 2.2 Fysiologie....................................................................................................................................6 2.2.1 Ultrafiltratie..........................................................................................................................6 2.2.2 (Terug)resorptie...................................................................................................................7 2.2.3 Invloed van hormonen op de urineproductie .......................................................................8 2.2.4 Productie van hormonen ......................................................................................................8 3 Ureters................................................................................................................................................8 4 Blaas.................................................................................................................................................10 4.1 Anatomie...................................................................................................................................10 4.2 Mictie.........................................................................................................................................11 5 Urethra..............................................................................................................................................11 6 Urine.................................................................................................................................................13 6.1 Kenmerken van urine.................................................................................................................13 6.2 Normale bestanddelen van urine................................................................................................13 III Aanbrengen van materiaal voor het opvangen van urine en feces........................................................1 Doelstellingen.......................................................................................................................................1 1 Het plaatsen van de bedpan................................................................................................................1 2 Het plaatsen en fixeren van de urinaal................................................................................................1 3 Het aanbrengen van incontinentiemateriaal........................................................................................1 3.1 Inlegluier met fixatiebroekje........................................................................................................2 3.2 Kleefluier.....................................................................................................................................3 4 Het aanbrengen van de condoomkatheter...........................................................................................4 4.1 Toelichting bij het aanbrengen en verzorgen van een condoomkatheter.....................................4 4.1.1 Wat ?....................................................................................................................................4 4.1.2 Waarom ?.............................................................................................................................5 4.1.3 Bijzonderheden :...................................................................................................................5 4.2 Het aanbrengen van opvangmateriaal bij menstruatie..................................................................5 IV Eliminatie van urine.............................................................................................................................1 Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  6. 6. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw vi Doelstelling.......................................................................................................................................1 1 De preventieve taak van de verpleegkundige i.v.m. het urinair stelsel...............................................1 2 Observeren van de urine.....................................................................................................................2 2.1 Doel.............................................................................................................................................2 2.2 Observatiepunten.........................................................................................................................3 2.2.1 Helderheid............................................................................................................................3 2.2.2 Kleur.....................................................................................................................................3 2.2.3 Geur......................................................................................................................................4 2.2.4 Hoeveelheid..........................................................................................................................4 3 Observeren van de mictie....................................................................................................................5 3.1 Pollakisurie..................................................................................................................................5 3.2 Enuresis nocturna........................................................................................................................5 3.3 Nycturie.......................................................................................................................................5 3.4 Blaasdistentie...............................................................................................................................6 3.5 Blaasatonie..................................................................................................................................6 3.6 Dysurie........................................................................................................................................6 3.7 Urineretentie................................................................................................................................7 3.8 Urineresidu..................................................................................................................................7 3.9 Urine-incontinentie......................................................................................................................7 3.9.1 Definitie................................................................................................................................7 3.9.2 Soorten incontinentie............................................................................................................7 4 Verzorging van een patiënt met verblijfskatheter...............................................................................9 4.1 Omschrijving van een verblijfskatheter........................................................................................9 4.2 Indicaties......................................................................................................................................9 4.3 Gevaren van een verblijfskatheter................................................................................................9 4.4 Urethratoilet................................................................................................................................9 4.4.1 Voorbereiding.......................................................................................................................9 4.4.2 Uitvoering...........................................................................................................................10 4.4.3 Nazorg................................................................................................................................11 5 Opname van urine voor onderzoek...................................................................................................13 5.1 Algemeenheden i.v.m. opnemen van stalen...............................................................................13 5.1.1 Doel....................................................................................................................................13 5.1.2 Vereisten en algemene voorzorgen.....................................................................................13 5.2 Verschillende mogelijkheden.....................................................................................................14 5.2.1 Microscopisch onderzoek...................................................................................................14 5.2.2 Bacteriologisch onderzoek.................................................................................................14 5.2.3 Chemisch onderzoek...........................................................................................................14 5.2.4 Cytologisch onderzoek.......................................................................................................14 5.3 Opname bij patiënt zonder verblijfskatheter..............................................................................15 5.3.1 Steriele opname of midstream via spontane mictie.............................................................15 5.3.2 Niet-steriele opname...........................................................................................................16 5.4 Opname bij patiënt met verblijfskatheter...................................................................................18 5.4.1 Steriele opname..................................................................................................................18 5.4.2 Niet-steriele opname...........................................................................................................19 5.5 Verzamelen van urine................................................................................................................19 5.5.1 24-uur debiet......................................................................................................................19 5.5.2 Strikt 24-uur debiet............................................................................................................19 6 Stoornissen in de waterhuishouding.................................................................................................20 6.1 Vochttekort t.g.v. een falend regulatiemechanisme (dehydratatie)............................................20 6.2 Vochtteveel t.g.v. een falend regulatiemechanisme (hyperhydratatie).......................................20 V Eliminatie feces......................................................................................................................................1 Doelstellingen.......................................................................................................................................1 1 Observeren van de feces.....................................................................................................................1 1.1 Samenstelling van de feces..........................................................................................................1 Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  7. 7. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw vii 1.2 Observatiepunten.........................................................................................................................2 1.2.1 Hoeveelheid..........................................................................................................................2 1.2.2 Kleur.....................................................................................................................................2 1.2.3 Vastheid of consistentie........................................................................................................3 1.2.4 Frequentie.............................................................................................................................3 1.2.5 Geur......................................................................................................................................4 1.2.6 Aanwezigheid van vreemde lichamen...................................................................................4 1.3 Taak van de verplegende.............................................................................................................5 1.4 Opname van een staal feces.........................................................................................................5 2 Defecatiestoornissen...........................................................................................................................6 2.1 Obstipatie.....................................................................................................................................6 2.1.1 Bepaling................................................................................................................................6 2.1.2 Oorzaken..............................................................................................................................6 2.1.3 Behandeling..........................................................................................................................7 2.1.4 Verwikkelingen.....................................................................................................................7 2.2 Diarree.........................................................................................................................................7 2.2.1 Bepaling................................................................................................................................7 2.2.2 Oorzaken..............................................................................................................................7 2.2.3 Behandeling..........................................................................................................................8 3 Middelen ter bevordering van de ontlasting........................................................................................9 3.1 Orale middelen.............................................................................................................................9 3.1.1 Voorwaarden........................................................................................................................9 3.1.2 Soorten.................................................................................................................................9 3.1.3 Tijdstip van toedienen is afhankelijk van............................................................................10 3.2 Rectale middelen........................................................................................................................11 3.2.1 Zetpil of suppositorium......................................................................................................11 3.2.2 Lavement............................................................................................................................12 4 Het toedienen van lavementen..........................................................................................................14 4.1 Gegevens verzamelen en ordenen..............................................................................................14 4.1.1 Administratieve gegevens...................................................................................................14 4.1.2 Verpleegkundige gegevens.................................................................................................14 4.1.3 Medische gegevens.............................................................................................................14 4.2 Doelstellingen............................................................................................................................14 4.3 Verschillende mogelijkheden van toedienen..............................................................................15 4.3.1 Lavement met irrigator.......................................................................................................15 4.3.2 Met spuit.............................................................................................................................18 4.3.3 Microklysmata....................................................................................................................21 4.3.4 Plaatsen van een rectale sonde............................................................................................23 5 Manueel verwijderen van feces.........................................................................................................24 5.1 Doel...........................................................................................................................................24 5.2 Wanneer.....................................................................................................................................24 5.3 Voorbereiding............................................................................................................................24 5.4 Materiaal....................................................................................................................................24 5.5 Techniek....................................................................................................................................24 5.6 Nazorg.......................................................................................................................................25 5.7 Gevaren.....................................................................................................................................25 6 Huishoudelijke verzorging van een A.P............................................................................................26 6.1 Gegevens verzamelen en ordenen..............................................................................................26 6.2 Doelstellingen............................................................................................................................26 6.3 Planning.....................................................................................................................................26 6.4 Actie..........................................................................................................................................26 6.4.1 Voorbereiding.....................................................................................................................26 6.5 Soorten opvangapparaten voor colostomie...............................................................................27 6.5.1 Eendelig systeem................................................................................................................27 Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  8. 8. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw viii 6.5.2 tweedelig systeem...............................................................................................................28 6.6 Nazorg.......................................................................................................................................30 6.7 Aanvullende hulpmiddelen.........................................................................................................30 6.7.1 Stomacap............................................................................................................................30 6.7.2 Stomaplug...........................................................................................................................31 6.7.3 Irrigatiesysteem voor een stoma.........................................................................................31 6.7.4 Accordeon Flange systeem.................................................................................................31 6.7.5 Gordeltje.............................................................................................................................32 6.7.6 Filters..................................................................................................................................32 6.7.7 Beschermhoezen.................................................................................................................32 6.7.8 Pasta of poeder...................................................................................................................32 VI Eliminatie transpiratie...........................................................................................................................1 Doelstellingen.......................................................................................................................................1 1 Bepaling..............................................................................................................................................1 2 Wanneer transpireert iemand?............................................................................................................1 3 Plaatsen waar men vooral transpireert................................................................................................1 4 Observatiepunten................................................................................................................................2 5 Verpleegkundige interventies.............................................................................................................2 Bibliografie..............................................................................................................................................iii 1. Boeken..............................................................................................................................................iii 2. CD-roms...........................................................................................................................................iii 3. Websites............................................................................................................................................iv 4. Video................................................................................................................................................iv Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  9. 9. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 1 I Spijsverteringsstelsel Doelstellingen - De student kan de functies van het spijsverteringsstelsel uitleggen. - De student kan de organen van het spijsverteringsstelsel benoemen en aantonen op een anatomische kaart. - De student kan de bouw en de functie van de mond verwoorden. - De student kan de functie(s) van de tanden met betrekking tot de spijsvertering toelichten. - De student kan de functie(s) van de speekselklieren met betrekking tot de spijsvertering uitleggen in eigen woorden. - De student kan de functie(s) van de tong met betrekking tot de spijsvertering toelichten. - De student kan de bouw en de functie van de pharynx uitleggen (zie ademhalingsstelsel 2.1.2). - De student kan de bouw en de functie van de oesophagus in eigen woorden toelichten. - De student kan de bouw van de maag (verschillende delen en samenstelling van de maagwand) schematisch weergeven en aantonen op een anatomische kaart en de functies van de maag. - De student kan de bouw van de dunne darm schematisch weergeven en de verschillende delen aantonen op een anatomische kaart en de functies beknopt verwoorden. - De student kan de bouw van de dikke darm schematisch weergeven en de verschillende delen aantonen op een anatomische kaart. - De student kan de functies van de dikke darm met betrekking tot de spijsvertering toelichten in eigen woorden. - De student kan de bouw en de functies van de pancreas verduidelijken. - De student kan de bouw van de lever (macroscopisch en microscopisch) en zijn functies met betrekking tot het spijsverteringsstelsel verduidelijken. - De student kan de bouw en de functies van de galblaas en galwegen in eigen woorden uitleggen. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  10. 10. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 1 1.1 2 Inleiding Functies van het spijsverteringsstelsel Het voedsel dat men eet, kan niet zonder meer uit het spijsverteringskanaal in het bloed worden opgenomen. Het voedsel moet worden omgezet tot bruikbare stoffen voor het lichaam. Tussen het moment waarop het voedsel op het bord ligt en het moment waarop de voedingsstoffen in de cellen van de verschillende organen worden verbrand, speelt zich heel wat af. Men kan hierbij een aantal processen onderscheiden: 1. het opnemen van voedsel door de mond 2. het fijnmalen van voedsel en het mengen met water tot een vloeibare brij 3. het verder transporteren van de voedselbrij doorheen het spijsverteringskanaal 4. het mengen van voedsel met spijsverteringssappen (verteren1) 5. het opnemen van voedingsstoffen vanuit het spijsverteringskanaal in het bloed (resorptie) 6. het verwijderen van de onverteerbare voedselresten (feces) uit het lichaam 1.2 Organen van het spijsverteringsstelsel Het spijsverteringsstelsel bestaat uit het spijsverteringskanaal (holle organen) en de klieren die de spijsverteringssappen afscheiden (vaste organen). Holle organen : mond keelholte (pharynx) slokdarm (oesophagus) maag (gaster) dunne darm : twaalfvingerige darm (duodenum) nuchtere darm (jejunum) kronkeldarm (ileum) Verteren is het afbreken van voedingsstoffen opdat ze door de darmwand kunnen worden opgenomen in de bloedbaan. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 1
  11. 11. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 3 dikke darm : blinde darm (caecum) met appendix karteldarm (colon) : stijgend deel (colon ascendens) dwarsverlopend deel (colon transversum) dalend deel (colon descendens) s-vormig deel (sigmoïd) endeldarm (rectum) Vaste organen : speekselklieren alvleesklier (pancreas) lever (hepar) met galblaas Het spijsverteringskanaal. 1. gehemelte 2. mondholte 3. mond 4. tong (lingua) 5. speekselklieren 6. epiglottis 7. oesophagus 8. diafragma 9. hepar 10. galblaas 11. duodenum 12. colon ascendens 13. appendix 14. rectum 15. anus 16. sluitspier van het rectum 17. sigmoïd 18. ileum 19. colon descendens 20. jejunum 21. colon transversum 22. pancreas 23. milt 24. gaster 25. pharynx 26. oorspeekselklier Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  12. 12. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2 4 Mond 2.1 Mondholte algemeen 2.1.1 Bouw van de mondholte De mondholte wordt door verschillende delen gevormd : aan de voorzijde door de lippen aan de zijkanten door de wangen aan de bovenzijde door het harde en zachte (bevat de huig) gehemelte aan de achterzijde door de voorste gehemeltebogen aan de onderzijde door de tong (lingua) en de mondbodemspieren De mondholte 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. bovenlip hoektand harde gehemelte zachte gehemelte huig ingang van de pharynx tongpapillen onderlip ware kies keelamandel achterste gehemelteboog voorste gehemelteboog verstandskies snijtand 2.1.2 Functie van de mondholte 1. Opname van voedsel 2. Fijnmaken van voedsel 3. Vermengen van voedsel met speeksel 4. Gelaatsuitdrukking (met behulp van de gezichts- en mondspieren) 5. Spraak : a. tong en lippen helpen mee in het vormen van letters (articulatie) b. geluid wordt gevormd door de lucht die meetrilt in de mondholte (resonantie) Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  13. 13. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2 5 Gebit Men wordt zonder tanden geboren. Wanneer het kind een half jaar oud is, breken de eerste tanden door (het melkgebit). Het melkgebit bevat 20 melktanden. Het bestaat in boven- en onderkaak uit : 4 snijtanden, 2 hoektanden, 4 melkkiezen Tussen 7 en 12 jaar verliest men het melkgebit en wordt het vervangen door het blijvend gebit. Dit proces heet tandwisseling. Het blijvend gebit bevat 32 tanden en kiezen. Het bestaat in boven- en onderkaak uit : snijtanden, 2 hoektanden, premolaren of valse kiezen, molaren of echte kiezen2 2.2.1 Bouw van de tanden Een tand bestaat uit: 1. de kroon: dit is het gedeelte dat boven het tandvlees en de kaak uitsteekt 2. de hals: deze wordt bedekt door het tandvlees 3. één of meerdere wortels: deze zitten in de kaak, een tand heeft één wortel, een kies meerdere 4. de tandholte: deze bevindt zich binnen in de tand deze holte bevat capillairen en zenuwen De tanden en kiezen zijn opgebouwd uit tandbeen. Bij de kroon is dit met glazuur (email) bedekt. Email beschermt de tanden en kiezen tegen bederf. Doorsnede van een kies in de kaak. 1. tandvlees (gingiva) 2. deel van de kaak waarin de tand zich bevindt 3. tandwortel 4. capillairen en zenuwen naar de wortel 5. tandbeen 7. 2.2.2 wortelkanaal 6. tandhals 8. tandholte 9. kroon, bedekt met email u F n ctie van de tanden Het fijnmaken van het voedsel, dat eigenlijk al in de keuken begint, wordt voortgezet door het gebit. Met behulp van de snijtanden hapt men het voedsel af. Met behulp van de andere tanden en kiezen wordt het voedsel verder gekauwd. Een goed gebit is essentieel voor een goede spijsvertering: hoe kleiner het voedsel gekauwd is, hoe makkelijker de verdere vertering zal zijn. Anderzijds helpt het gebit ook om het voedsel te vermengen met speeksel. Het derde paar ware kiezen van iedere kaak heet de wijsheidstand. Deze breekt pas na het achttiende jaar door, soms blijft ze achterwege. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 2
  14. 14. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.3 2.3.1 6 Speekselklieren Ligging van de speekselklieren In de mondholte monden speekselklieren uit. De drie paar grote speekselklieren zijn: 1. oorspeekselklieren (glandulae parotideae) 2. onderkaakspeekselklieren (glandulae submandibulares) 3. ondertongspeekselklieren (glandulae sublinguales) De oorspeekselklieren liggen links en rechts in de wangen en monden uit in het wangslijmvlies. De onderkaakspeekselklieren liggen aan de onderzijde tegen de onderkaak en monden uit achter de middelste rij snijtanden in de onderkaak, samen met de ondertongspeekselklieren. De ondertongspeekselklieren liggen in de mondbodem. De speekselklieren. 1. (tong en voorste tongspeekselklier) 2. (uitmonding van de ondertong- en onderkaakspeekselklieren) 3. (tongriempje) 4. mandibula 5. ondertongspeekselklier 6. onderkaakspeekselklier 7. (afvoergang van de oorspeekselklier) 8. oorspeekselklier 2.3.2 Functie van het speeksel De speekselklieren scheiden per dag ongeveer een anderhalve liter speeksel af. Het speeksel is een kleurloos, troebel vocht dat onder meer het enzyme3 amylase bevat. Amylase is het eerste enzyme waarmee het voedsel in aanraking komt en breekt het zetmeel af. De speekselproductie is een autonoom proces, dat op gang wordt gebracht door het ruiken, zien en proeven van voedsel. Ook het denken aan of het praten over voedsel kan de speekselsecretie op gang brengen. Enzymen zijn stoffen die in staat zijn om andere stoffen te splitsen in bruikbare voedingsstoffen. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 3
  15. 15. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.4 7 Tong 2.4.1 Bouw van de tong De tong bestaat uit dwarsgestreept willekeurig spierweefsel en is bedekt met mucosa (slijmvlies). In de mucosa bevinden zich de smaakpapillen waarmee men kan proeven. 2.4.2 Functie van de tong 2.4.2.1 Kauwen : De tong brengt het voedsel, dat moet gekauwd worden, steeds weer tussen de tanden en kiezen. Samen met de wangspieren kan de tong het voedsel rondbewegen in de mondholte. 2.4.2.2 Slikken Slikken gebeurt reflexmatig : wanneer voedsel of vocht achter in de mond komt, maakt men automatisch een slikbeweging. Slikken is onmogelijk als men niets in de mond heeft. Bij het slikken drukt de tong tegen het harde gehemelte en wordt het voedsel naar de pharynx geschoven. 2.4.2.3 Proeven Het proeven gebeurt door de smaakzintuigen in de smaakpapillen. Men kan vier verschillende smaken proeven : zout, zuur, bitter en zoet. Andere smaken worden geroken door de neus. 2.4.2.4 Gebit en mondholte reinigen Doordat de tongspier een willekeurige spier is, kan men de vorm en stand van de tong veranderen. Daardoor speelt de tong een rol in het reinigen van het gebit en de mondholte. 2.4.2.5 Spreken Doordat de vorm en de stand van de tong kan worden veranderd, kan men eveneens spreken (letters vormen), zingen en blaasinstrumenten bespelen. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  16. 16. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 3 8 Pharynx Nadat het voedsel de mondholte is gepasseerd, begint de pharynx. Hier kruisen luchtweg en spijsweg elkaar. De afsluiting van de neusholte met de pharynx geschiedt door de huig (uvula). De huig zorgt ervoor dat bij het eten en drinken niets in de neusholte terecht komt. 4 4.1 Oesophagus Bouw van de oesophagus De oesophagus is gelegen achter de trachea. De wand van de oesophagus lijkt op de wand van de rest van het spijsverteringskanaal. Van binnen naar buiten onderscheidt men de volgende lagen : mucosa (slijmvlies) bindweefsel (submucosa) met daarin bloedvaten en zenuwen glad spierweefsel : kringspieren lengtespieren dun laagje bindweefsel (serosa) 4.2 Functie van de oesophagus De oesophagus dient om het voedsel vanuit de pharynx naar de maag te brengen. Dit gebeurt gedeeltelijk door de zwaartekracht, maar het belangrijkste hulpmiddel is de peristaltiek: een voorwaarts knedende spierbeweging. Deze spierbewegingen treft men aan in het hele spijsverteringskanaal. Schematische voorstelling van de peristaltische beweging in de slokdarm . Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  17. 17. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 5 9 Gaster 5.1 Bouw van de gaster De maag wordt ook wel gaster genoemd. Het is een peervormig, hol orgaan. De grootte en de vorm is afhankelijk van de vulling : een matig gevulde maag is ongeveer 30 cm lang en heeft een inhoud van 1500 ml. De maag is gelegen linksboven in het abdomen, net onder het diafragma (middenrif). Aan de voorzijde wordt de maag bedekt door de lever. Aan de achterzijde van de maag ligt de pancreas. In de bouw van de maag merkt men de volgende delen : De maag. 1. 2. 3. 4. 5. 6. oesophagus diafragma cardia (maagingang of –mond) kleine curvatuur (kleine bocht) antrum (voorhof) pylorus ((maagpoort of – uitgang)) 7. duodenum 8. maagslijmvliesplooien 9. (grote net of omentum majus) 10. grote curvatuur (grote bocht) 11. fundus (maagkoepel) De maagwand is, net als de oesophagus, opgebouwd uit verschillende weefsels. Van binnen naar buiten bevinden zich : • mucosa: hierin bevinden zich de maagklieren die het maagsap aanmaken • submucosa • glad spierweefsel : kringspieren en lengtespieren • serosa : peritoneum4 (buikvlies) De lagen van de maagwand (lengtedoorsnede). 1. mucosa 2. submucosa 3. glad spierweefsel met kringspieren (A) en lengtespieren (B) 4. peritoneum Het peritoneum bedekt de buikholte en de organen in de buikholte. Module initiatie verpleegkunde – visie 4 Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  18. 18. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 5.2 5.2.1 10 Functie van de gaster Productie van maagsap Per dag wordt er ongeveer 1500 ml maagsap geproduceerd. De productie van maagsap staat onder invloed van een aantal factoren : uitzetting van de maag door vocht of voedsel prikkeling door de nervus vagus (een onwillekeurige zenuw) gastrine5 psychisch-nerveuze invloeden (smaak, geur, uitzicht, stress, …) Het maagsap is een waterige, zure vloeistof die bestaat uit verschillende bestanddelen: 5.2.1.1 Zoutzuur (HCl) Het zoutzuur veroorzaakt een sterk zure omgeving in de maag (pH 2). Dit zure milieu activeert de enzymen van het maagsap (pepsine) en doodt de micro-organismen die de maag binnengeraken. 5.2.1.2 Mucus Doordat mucus (slijm) de mucosa volledig bedekt, beschermt zij de mucosa tegen het zure maagsap. Daarnaast zorgt het mucus ervoor dat het voedsel beter glijdt doorheen de maag. 5.2.1.3 Pepsinogeen Het maagsap bestaat tevens uit pepsinogeen, dat na contact met het zoutzuur wordt omgezet tot pepsine. Pepsine is een eiwitsplitsend enzyme. 5.2.1.4 Intrinsiek factor Deze stof staat in voor de opname (resorptie) van Vit B12 ter hoogte van de darmwand. Vit B12 is belangrijk in de aanmaak van bloedcellen. 5.2.2 Kneden van voedsel In de maag wordt het voedsel verder gekneed en vermengd met het maagsap. Tijdens het kneden is de pylorus gesloten. Als de maaginhoud voldoende gekneed is en vloeibaar en zuur genoeg is, kan het voedsel de maag verlaten. De maag ledigt zich in kleine beetjes. De cardia sluit zich, de pylorus gaat open en een deel van de maaginhoud verlaat de maag door middel van peristaltische bewegingen. Als het voedsel in het duodenum is, sluit de pylorus zich. In het duodenum wordt het voedsel geneutraliseerd door natriumbicarbonaat (zie 6.2.1). De pylorus blijft gesloten tot het zure voedsel niet meer zuur is. Dan gaat de pylorus opnieuw open om het volgende zure voedselbrokje uit de maag door te laten. Dit proces herhaalt zich zo vaak tot de maag volledig leeg6 is. Gastrine is een hormoon dat gevormd wordt door de maagklieren. Het heeft een stimulerende invloed op de zoutzuuren pepsinogeensecretie. 6 Men is nuchter (de maag is volledig leeg) 2-3 uren na een ontbijt, 4-5 uren na een gewoon middagmaal. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 5
  19. 19. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 6 6.1 11 Dunne darm Bouw van de dunne darm De dunne darm is 5 à 6 m lang en ongeveer 3 cm in doorsnede. Het vult een groot deel van het abdomen op. Men onderscheidt drie delen :het duodenum het jejunum het ileum 6.1.1 Duodenum Het duodenum is ongeveer 12 vingerbreedten (21 cm) lang. Het heeft een hoefijzervorm met een uitholling naar rechts, waarin de pancreas past. Gal (afkomstig vanuit de lever via de ductus choledocus) en pancreassappen (via het kanaal van Wirsung) komen tesamen in het duodenum via de papil van Vater. Het duodenum. 1. hepar 2. ductus hepaticus (communis) 3. ductus cysticus 4. galblaas 5. ductus choledocus 6. kanaal van Wirsung 7. papil van Vater 8. duodenum 6.1.2 Jejunum en ileum Het jejunum en ileum zijn niet duidelijk van elkaar te onderscheiden. Ze liggen in allerlei bochten in het abdomen. Het eindpunt van het ileum mondt haaks uit in het eerste deel van het colon (caecum). Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  20. 20. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 6.1.3 12 Wand van de dunne darm De wand van de dunne darm bestaat net als de rest van het spijsverteringskanaal uit (van binnen naar buiten) : mucosa : hierin bevinden zich de darmklieren die het darmsap aanmaken submucosa glad spierweefsel : kringspieren lengtespieren peritoneum De mucosa van de dunne darm is sterk vergroot door plooien en vlokken (villi). De villi zijn uitstulpingen van de mucosa. Tussen de villi monden de darmklieren uit. Deze villi en darmklieren zijn het talrijkst aan het begin van het jejunum, hun aantal neemt in distale (richting dikke darm) richting af. De wand en het slijmvlies van de dunne darm. 1. dwarse plooien (van Kerckring) 2. villi 3. mucosa 4. darmklierweefsel 5. submucosa 6. uitgang van het darmklierweefsel (crypte) 7. glad spierweefsel 8. peritoneum Vergroting van het darmweefsel. 6.2 Functie van de dunne darm Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  21. 21. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 13 In het eerste gedeelte van de dunne darm staat het afscheiden van verteringssappen op de voorgrond. Verderop in de dunne darm komt het opnemen van voedingsstoffen in de bloedbaan (resorptie) meer op de voorgrond te staan. 6.2.1 Neutraliseren van de darminhoud Zodra de zure maaginhoud in het duodenum terecht komt, prikkelt het zuur de mucosa van het duodenum. Hierdoor komen twee hormonen vrij : secretine (prikkelt de pancreas tot afscheiding van pancreassappen) cholecystokinine (prikkelt de galblaas tot afscheiding van gal) De pancreassappen bevatten natriumbicarbonaat en neutraliseren op deze manier de zure maaginhoud. Het neutraliseren van de darminhoud. maag maag gal Secretine gaat naar pancreas. Cholecystokinine gaat naar galblaas gevolg pancreas Zuur prikkelt de mucosa van het duodenum 6.2.2 Afscheiden van darmsappen Het darmsap dat in de dunne darm wordt afgescheiden, bestaat uit : water mucus enzymen7 : amylasen (breken suikers af) proteïnasen (breken eiwitten af) lipasen (breken vetten af) Het pancreassap bevat dezelfde enzymen. Module initiatie verpleegkunde – visie 7 Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  22. 22. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 6.2.3 14 Resorptie van voedingsstoffen Na de vertering zorgt de mucosa van de dunne darm voor de resorptie. De mucosa is hierop voorzien van een aantal aanpassing om het oppervlakte te vergroten : plooien en villi. De villi zorgen voor de resorptie van voedingsstoffen. Ze zijn rijkelijk voorzien van capillairen. Deze capillairen voeren voedingsstoffen en zuurstof aan naar de dunne darm en voeren afvalstoffen af. Tegelijk worden de verteerde voedingsstoffen opgenomen vanuit de dunne darm. De bloedvaten vervoeren dit voedselrijk bloed verder naar de vena portae. 6.2.4 Afscheiding van hormonen Naast secretine en cholecystokinine worden door de dunne darm nog andere hormonen afgescheiden : villikinine (zorgt voor de beweeglijkheid van de villi) enterogastron (remt de maagfunctie) 6.2.5 Darmtransit De voedselbrij wordt verder doorgeschoven doorheen de dunne darm, richting dikke darm, door peristaltische bewegingen. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  23. 23. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 7 7.1 15 Dikke darm Bouw van de dikke darm De dikke darm is het laatste deel van het spijsverteringskanaal en vormt als het ware een kader rondom de dunne darm. Hij is ongeveer 120 cm lang en 7 cm in doorsnede. Hij bestaat uit drie delen : caecum colon : colon ascendens colon transversum colon descendens sigmoïd rectum . Ligging van de dikke darm ten opzichte van de andere buikorganen 1. hepar 2. colon transversum 3. colon ascendens 4. caecum 5. appendix 6. ileum 7. anus 8. rectum 9. sigmoïd 10. colon descendens 11. jejunum 12. duodenum 13. gaster 14. bocht van het colon bij de milt 15. bocht van het colon bij de lever Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  24. 24. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 7.1.1 16 Caecum Het laatste gedeelte van de dunne darm mondt uit in het caecum. Op de overgang tussen het ileum en het caecum ligt de klep van Bauhin die ervoor zorgt dat de inhoud van de dikke darm niet terug kan naar de dunne darm. Aan het onderste einde van het caecum bevindt zich een wormvormig aanhangsel : de appendix. Overgang van ileum naar caecum. De pijl geeft de richting aan waarin voedselresten zich verplaatsen. 1. colon ascendens 2. inmonding van de appendix 3. appendix 4. ileum 5. klep van Bauhin 7.1.2 Colon De colon is opgebouwd uit : 1. opstijgend deel of colon ascendens: dit deel ligt rechts in het abdomen en loopt naar boven tot aan de lever 2. dwarsverlopend deel of colon transversum: dit deel loopt van rechts naar links, onder de maag door tot aan de milt 3. Afdalend deel of colon descendens: dit deel loopt links in het abdomen 4. S-vormig deel of sigmoïd:dit deel ligt in het bekken het gaat over in het rectum Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  25. 25. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 7.1.3 17 Rectum Het laatste deel van de dikke darm (en het spijsverteringskanaal) is het rectum. De uitgang van het rectum is de aars of anus. Het rectum bevat twee sluitspieren (sfincters), een binnenste en een buitenste. De binnenste aarssfincter is een onwillekeurige spier. De buitenste aarssfincter staat onder invloed van de wil. Door de werking van deze buitenste aarssfincter kan men stoelgang gewild ophouden (continentie voor stoelgang). Rectum en anus. 1. rectum 2. anaal kanaal 3. anus 4. binnenste aarssfincter 5. buitenste aarssfincter 6. capillairen in de wand 7.1.4 Wand van de dikke darm Van buiten naar binnen bemerkt men de volgende weefsellagen : mucosa (hierop bevinden zich geen villi meer zoals in de dunne darm) submucosa glad spierweefsel : kringspieren (liggen hier samen in groepjes, vandaar het gekarteld uitzicht) lengtespieren peritoneum Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  26. 26. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 7.2 7.2.1 18 Functie van de dikke darm Indikken van de resterende voedselmassa De voedselmassa die terechtkomt in de dikke darm is heel vloeibaar. In de dikke darm wordt het water geresorbeerd (terug opgenomen in de bloedbaan). 7.2.2 Verteren door bacteriën In de dikke darm leven ontelbare bacteriën8, deze worden de fysiologische darmflora genoemd De functie van deze darmbacteriën is niet volledig gekend. Sommige spelen een rol in de vertering van de onverteerde voedselresten (cellulose)9. Anderen spelen een rol in de gisting en rotting van de darminhoud (waardoor flatulentie ontstaat). 7.2.3 Darmtransit Ook hier wordt de voedselbrij verdergeschoven door middel van peristaltische bewegingen. 7.2.4 Opstapelingsfunctie Het rectum heeft een opstapelingsfunctie. Wanneer voldoende stoelgang (resterende voedselbrij) in het rectum aanwezig is, ontstaat defecatiedrang. Dit zijn peristaltische bewegingen die ontstaan doordat het rectum wordt uitgerokken. Door het opspannen van de uitwendige aarssfincter kan stoelgang tijdelijk worden opgehouden. Men defeceert door de uitwendige aarssfincter te ontspannen. Ook de buikpers helpt mee bij de defecatie. - Samenstelling van stoelgang : onverteerbare voedselresten water mucus dode en zeer veel levende darmbacteriën zouten (o.a. calcium, fosfaten, ijzer) galkleurstoffen dode cellen - Uitzicht van stoelgang : stevig gebonden bruin gekleurd De bekendste bacterie die in de darmen leeft is de Escherichia Coli (colibacterie). In de dikke darm worden geen verteringssappen meer afgescheiden, alleen maar slijm. De vertering van de voedselbrij gebeurt hier enkel door bacteriën. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 8 9
  27. 27. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 8 8.1 19 Pancreas Bouw van de pancreas De pancreas is een langwerpige klier die 12 à 15 cm lang is en 5 à 6 cm breed. Zij ligt achter de maag. Men onderscheidt drie delen : kop (caput), gelegen in de bocht van het duodenum staart (caudaal gedeelte), geheel links gelegen lichaam (corpus), het middelste gedeelte De pancreas bevat kanalen die instaan voor het vervoeren van pancreassap naar het duodenum. Het kanaal van Wirsung is het grootste kanaal. Zij loopt doorheen de hele klier en begint in de staart. Onderweg monden zijtakjes uit in het kanaal van Wirsung. In de kop verenigt zij zich met de ductus choledocus en mondt ter hoogte van de papil van Vater uit in het duodenum. De pancreas wordt bedekt door het peritoneum. De ligging van de pancreas. 1. gaster 2. duodenum 3. kop van de pancreas 4. lichaam van de pancreas 5. staart van de pancreas 6. kanaal van Wirsung Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  28. 28. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 8.2 20 Functie van de pancreas De pancreas bevat twee soorten klieren en wordt daarom ook een klier met gemengde werking genoemd : exocriene klieren endocriene klieren 8.2.1 Exocriene klieren Dit zijn trosvormige klieren die spijsverteringssappen (pancreassap) afgeven aan het spijsverteringsstelsel. Per dag wordt er ongeveer 1 liter pancreassap aangemaakt. Het pancreassap bevat : enzymen : amylasen proteïnasen lipasen natriumbicarbonaat Het pancreassap komt via het kanaal van Wirsung en de papil van Vater (samen met de gal) in het duodenum. 8.2.2 Endocriene secretie De eilandjes van Langerhans zijn groepen van endocriene klieren (behoren tot het hormoonstelsel). De eilandjes bevatten twee soorten cellen : α-cellen (alfacellen) die glucagon produceren β-cellen (bètacellen) die insuline produceren Beide hormonen zijn betrokken in de regeling van de glycemie. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  29. 29. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9 9.1 21 Hepar Bouw van de hepar 9.1.1 Macroscopische bouw De lever is de grootste en zwaarste klier van het menselijk lichaam. Hij weegt ongeveer 1,5 kg. Hij is gelegen rechtsboven in het abdomen, net onder het diafragma. De hepar bestaat uit een grote rechter kwab en een kleinere linker kwab (die vlak voor de maag ligt). Aan de onderkant komen de vena portae (met bloed vanuit het maagdarmstelsel) en de arteria hepatica (zuurstofrijk bloed) de lever binnen, deze plaats wordt de leverhilus genoemd. De ductus hepaticus (leverbuis), die de gal vanuit de lever naar de galblaas voert, verlaat op deze plaats de lever. De ductus hepaticus splitst zich in de ductus cysticus (gaat naar de galblaas) en de ductus choledocus (gaat naar het duodenum). De arteria hepatica en de vena portae vertakken doorheen heel de lever (capillairen). Uiteindelijk wordt het bloed terug verzameld in de vena hepatica, die uitmondt in de vena cava inferior. Schematisch overzicht van de bloedvaten van de lever en de galwegen : 1. vena cava inferior 2. vena hepatica 3. rechter leverkwab 4. linker leverkwab 5. vena portae 6. arteria hepatica 7. ductus hepaticus (communis) 8. galblaas 9. leverhilus Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  30. 30. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9.1.2 22 Microscopische bouw De lever is opgebouwd uit talloze leverlobjes. Deze lobjes zijn meestal zeshoekig. Hierin liggen de levercellen. Onder microscoop is te zien dat op de hoekjes van elke lobje telkens één klein tak van de arteria hepatica, één klein takje van de vena portae en één kleine galgang ligt (deze drie takjes worden de driehoekjes van Kiernan genoemd)10. Microscopische bouw van de hepar. De levercellen zijn gerangschikt in balkjes. Tussen de balkjes vertakken zich capillairen en galwegen. 1. centrale ader (mondt uit in de vena hepatica) 2. levercel 3. sinus 4. galgang (mondt uit in de ductus hepaticus) 5. zijtak van de vena portae 6. zijtak van de arteria hepatica 7. uitmonding van een sinus in de centrale ader 8. galcapillairen (monden uit in de galgang) Deze structuren zijn dezelfde als in de leverhilus, nu gaat het om kleine vertakkingen hiervan in de lever. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 10
  31. 31. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9.1.2.1 23 Bloedvaten In de leverlobjes vertakken de bloedvaten (zowel van de vena portae als van de arteria hepatica) zich in vele dunne capillairen (sinussen). Het bloed in de sinussen omspoelt de levercellen, die in rijen rond de sinussen gelegen zijn. Uiteindelijk wordt dit bloed terug afgevoerd naar een centraal gelegen adertje, gelegen in het midden van een leverlobje. Alle centrale adertjes komen tenslotte uit in de vena hepatica. Het bloed in de lever leverslagader met zuurstofrijk bloed  poortader met voedselrijk bloed   levercellen  leverader 9.1.2.2 Galwegen De galwegen beginnen als capillairen(kleine bloedvaten) tussen de levercellen (galcapillairen). Zij vervoeren gal vanuit de levercellen naar de rand van een leverlobje. De gal vanuit de beide leverkwabben verenigen zich tot de grote gemeenschappelijke leverbuis (ductus hepaticus communis), die de gal vanuit de lever naar de galblaas vervoert (zie 10.1). Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  32. 32. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9.2 24 Functies van de hepar 9.2.1 Opslag en stofwisseling van voedingsstoffen Telkens men eet komen er voedingsstoffen in het bloed terecht. Als deze voedingsstoffen meteen in de grote bloedsomloop terecht komen, zou dat de samenstelling van het bloed telkens sterk veranderen na een maaltijd. De extracellulaire ruimte zou hierdoor ook steeds veranderen van samenstellingen. Dit zou schadelijk zijn voor de cellen. De lever is een bewaar- en opslagplaats van voedingsstoffen. Het zorgt ervoor dat het bloed in de grote bloedsomloop niet te veel wisselt van samenstelling : de lever slaat de voedingsstoffen op en geeft deze aan het bloed af wanneer dat nodig is. 9.2.1.1 Opbouw en afbraak van suikers De lever helpt mee het bloedsuikergehalte (glycemie) op peil te houden : ze geeft glucose af aan het bloed wanneer de glycemie te laag is ze stapelt een teveel aan glucose op in de vorm van glycogeen Dit proces staat onder invloed van insuline en glucagon. Daarnaast kan de lever zelf glucose maken uit eiwitten (gluconeogenese) en glucose omzetten in vetten. 9.2.1.2 Opbouw en afbraak van eiwitten Eiwitten komen onder de vorm van aminozuren via de vena portae bij de lever. De lever gaat hieruit bloedeiwitten maken (zoals albumine, fibrinogeen, protrombine, …). Aminozuren die niet meer nodig zijn voor het lichaam worden in de lever afgebroken. Hierbij ontstaat onder andere ammoniak. Deze giftige stof wordt in de lever omgezet tot het onschadelijke ureum, dat via de nieren wordt uitgescheiden. 9.2.1.3 Opbouw en afbraak van vetten De lever slaat vetten en cholesterol op. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  33. 33. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9.2.2 25 Galvorming Het uitscheidingsproduct van de lever is de gal. Gal bevat water, zouten, bilirubine en galzuren. 9.2.2.1 Bilirubine Het afbraakproduct van hemoglobine (een deel van de rode bloedcellen) is bilirubine. Bij de afbraak van rode bloedcellen in de milt komt bilirubine vrij. In de lever wordt bilirubine wateroplosbaar gemaakt, zodat het kan worden uitgescheiden via de nieren (vandaar de gele kleur van urine). Een gedeelte van het bilirubine wordt uitgescheiden via de stoelgang, vandaar de bruine kleur. 9.2.2.2 Galzuren Galzuren helpen mee in de vertering van vetten : gal emulgeert vet. Dit wil zeggen dat grote hoeveelheden vet verdeeld worden in kleine stukjes. Hierdoor wordt vet beter toegankelijk voor het enzyme lipase11. Galzuren binden zich aan de vetzuren in de darmen. Hierdoor kunnen de vetzuren worden opgenomen in het bloed (de vetzuren zijn nu wateroplosbaar). Samen met de vetzuren worden ook de galzuren terug opgenomen in de bloedbaan. Via de vena portae bereiken zij opnieuw de lever. Zij worden opnieuw uitgescheiden via de gal en kunnen hun functie opnieuw uitoefenen in de darmen. Dit proces van uitscheiding in de darmen en heropname in het bloed wordt de entero-hepatische kringloop genoemd. 9.2.3 Vorming en opslag van vitaminen De lever heeft een belangrijke functie in de aanmaak en opslag van vitaminen : Vitamine A wordt hier aangemaakt Vitamine B-soorten worden hier opgeslagen. 9.2.4 Ontgiftende werking In de lever kunnen giftige stoffen worden ontgiftigd. De giftige stof kan door de lever worden gebonden aan een andere stof of worden omgezet tot een andere stof die voor het lichaam niet meer giftig is (zie 9.2.1.2). Ook medicatie wordt op deze manier in de lever verwerkt. Deze stoffen kunnen met de gal of met de urine worden uitgescheiden. Gal kan vetten niet afbreken, het heeft geen enzymenwerking. Module initiatie verpleegkunde – visie 11 Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  34. 34. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 26 10 Galwegen en galblaas 10.1 Bouw van de galwegen en galblaas De gal verlaat de lever door een gemeenschappelijke buis (ductus hepaticus). Deze splitst zich in de ductus cysticus (galblaasbuis) die de gal voert naar de galblaas en de ductus choledocus (galbuis) die de gal voert naar het duodenum. De ductus choledocus en het kanaal van Wirsung monden uit in het duodenum ter hoogte van de papil van Vater. 1. galblaas 2. ductus choledocus 3. kanaal van Wirsung 4. papil van Vater 5. duodenum 10.2 Functie van de galwegen en de galblaas Gal stroomt voor het grootste deel vanuit de lever naar de galblaas (via de ductus hepaticus en ductus cysticus). De galblaas dikt de gal in, door water te onttrekken aan de gal. De gal krijgt daardoor een donkere bruingroene kleur (de gal uit de lever is geel). Daarnaast dient de galblaas als opslagplaats voor gal. Als er in de darmen voedsel aanwezig is, wordt de galblaas geprikkeld door hormonen (cholecystokinine) om gal af te staan aan de darmen. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  35. 35. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 1 II Urinestelsel Doelstellingen - De student kan de verschillende delen van het urinestelsel aanduiden op een anatomische kaart. - De student kan de nier anatomisch beschrijven (macroscopisch en microscopisch). - De student kan de fysiologie van de nieren bespreken in eigen woorden (ultrafiltratie en resorptie). - De student kan de invloed van hormonen op de urineproductie uitleggen. - De student kan de anatomie en fysiologie verwoorden van de ureters. - De student kan de anatomie en fysiologie van de blaas in eigen woorden weergeven. - De student kan de mictie bespreken. - De student kan de anatomie en fysiologie van de urethra omschrijven. - De student kan de anatomische verschillen van de urethra bij mannen en vrouwen aanduiden op een anatomische kaart en uitleggen. - De student kan urine-continentie in eigen woorden uitleggen. - De student kan de normale kenmerken en samenstelling van urine weergeven. 1 Inleiding Vroeger dacht men dat de urinewegen, en meer bepaald de nieren, enkel afvalstoffen uit het lichaam verwijderden. Later is men erachter gekomen dat de nieren de hoeveelheid en de samenstelling van de lichaamsvloeistoffen (homeostase van de samenstelling van het bloed) regelen (water- en zouthuishouding). Tot het urinestelsel behoren: - De nieren die urine produceren en uitscheiden in het nierbekken - De ureters die de urine transporteren naar de blaas - De blaas waar de urine tijdelijk wordt opgeslagen - De urethra die de urine transporteert vanuit de blaas naar de buitenwereld Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  36. 36. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2 De nieren en de urinewegen. 1. linker bijnier 2. arteria renalis 3. linker nier 4. vena renalis 5. (buik)aorta 6. ureter 7. blaas 8. opening van de ureter in de blaas 9. blaashals 10. urethra 11. vena cava inferior 12. rechter nier 13. rechter bijnier 2 2.1 Nieren Anatomie Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  37. 37. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.1.1 3 Macroscopisch uitzicht De nieren zijn twee boonvormige organen die gelegen zijn achter en bovenin het abdomen, ter hoogte van de eerste lumbale wervels, links en rechts van de wervelkolom. De nieren liggen retroperitoneaal (achter het peritoneum12). De rechter nier ligt onder de lever en daardoor lager dan de linker nier. De nieren zijn roodbruin van kleur. Ze hebben een glanzend uitzicht omdat ze omgeven zijn door een vettig bindweefselkapsel. De nier 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. cortex pyelum nierkelk ureter medulla (piramide) (mergpapil) nierkapsel Bij doorsnede is, aan de holle zijde, het nierbekken (pyelum) te zien. Hierin verzamelt zich de urine die in de nieren wordt gemaakt. De uitlopers van het pyelum worden de nierkelken genoemd. Om het pyelum bevindt zich het nierweefsel. Het nierweefsel bestaat uit twee lagen: - schors of cortex: de buitenste laag - merg of medulla: de binnenste laag. Deze laag lijkt opgebouwd uit piramidevormige stukjes weefsel. De toppen van de piramiden monden uit in de nierkelken. De nieren ontvangen zuurstofrijk bloed via de arteria renalis (nierslagader), een rechtstreekse vertakking van de aorta. Deze arteria renalis splitst zich in duizenden vertakkingen die steeds kleiner worden. De slagaders bevatten naast zuurstof en voedingsstoffen ook wateroplosbare afvalstoffen. Zuurstofarm, gezuiverd bloed verlaat de nier via de vena renalis (nierader). Deze mondt rechtstreeks uit in de vena cava inferior. 2.1.2 2.1.2.1 Microscopisch uitzicht Tubulair (nierbuis-) gedeelte Het peritoneum, of buikvlies, bedekt zowel de buikwand als de organen die in de buikholte gelegen zijn Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 12
  38. 38. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 4 Het nierweefsel is opgebouwd uit verschillende nierkanaaltjes, de nefronen. Per nier zijn er ongeveer een miljoen nefronen. Het is in de nefronen dat de samenstelling van het bloed en de urine wordt geregeld. De nefronen zijn opgebouwd uit een aantal onderdelen: - het kapsel van Bowman - 1ste of proximale (het dichtst bij het kapsel van Bowman gelegen) kronkelbuis - Lis van Henle met een dalend en een opstijgend deel - 2de of distale (het verst van het kapsel van Bowman gelegen) kronkelbuis - de verzamelbuis: hierin monden verschillende nefronen uit Een nefron 1. kapsel van Bowman 2. proximale tubulus 3. lis van Henle 4. distale tubulus 5. verzamelbuis 6. distale tubulus van een ander nefron 7. andere verzamelbuisjes 8. (nierpapil) 9. nierkelk Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  39. 39. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.1.2.2 5 Glomerulair (bloedvat-) gedeelte Bij het kapsel van Bowman bevindt zich een kleine nierslagader (nierarteriool) die bloed aanvoert. Dit bloedvat wordt het aanvoerend bloedvat of vas afferens genoemd. Dit bloedvat vertakt zich in een soort kluwen van capillairen. Dit kluwen wordt de glomerulus genoemd en bevindt zich in het kapsel van Bowman13. De kluwen komt weer samen tot een groter bloedvat. Dit bloedvat wordt het afvoerend bloedvat of vas efferens genoemd. Het vas efferens is nog steeds een slagadertje met zuurstofrijk bloed. Wanneer het vas efferens het kapsel van Bowman heeft verlaten, vertakt het zich weer in capillairen. Deze capillairen bevinden zich om de kronkelbuisjes en de lis van Henle. Het verloop van de capillairen in de nefronen. 1. arterie 2. aanvoeren bloedvat 3. glomerulus 4. afvoerend bloedvat 5. capillairen 6. vene 7. kapsel van Bowman 8. proximale tubulus 9. lis van Henle 10. distale tubulus 11. verzamelbuisje Het kapsel van Bowman en het bloedvatenkluwen wordt ook het lichaampje van Malpighi genoemd. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 13
  40. 40. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2 6 Fysiologie De grote hoeveelheid bloed die de nieren krijgen, is noodzakelijk voor de functie van de nieren: het regelen van de samenstelling van het bloed. Deze taak is te verdelen in het regelen van: - de hoeveelheid water die in de urine komt (waterhuishouding) - de hoeveelheid zouten die in de urine komt (zoutuitscheiding) - het uitscheiden van schadelijke stoffen In de nefronen gebeuren een aantal processen om dit te regelen: - ultrafiltratie - (terug)resorptie 2.2.1 Ultrafiltratie De arteriae renales komen rechtstreeks uit de aorta. De bloeddruk in deze arteriën en in de capillairen van de glomeruli is nog zeer hoog. Hierdoor wordt vloeistof vanuit de capillairen van een glomerulus als het ware in het kapsel van Bowman geperst. Dit proces wordt ultrafiltratie (of eerste filtratie) genoemd. De vloeistof die op deze manier in het kapsel van Bowman terecht komt, wordt ultrafiltraat of voorurine genoemd. De wand van de haarvaten van de glomerulus werkt als een soort filter : water, zouten, suiker en andere kleine stoffen worden doorgelaten en komen terecht in het kapsel van Bowman. Eiwitten en bloedcellen worden niet doorgelaten en blijven in de bloedvaten14 De vorming van voorurine. A. capillairen van de glomerulus B. kapsel van Bowman C. proximale tubulus De samenstelling van de voorurine is hetzelfde als het (bloed)plasma zonder de eiwitten. Per dag wordt er ongeveer 170 liter voorurine geproduceerd in de nieren. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 14
  41. 41. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2.2 7 (Terug)resorptie Per dag produceert een gezonde volwassene slechts 1,5 tot 2 liter urine. De rest van de voorurine wordt teruggegeven aan het bloed (geresorbeerd). Deze resorptie (of 2de filtratie) is 99% van de voorurine (of ongeveer 168 liter vocht). - Het grootste deel van het water, afhankelijk van wat het lichaam nodig heeft, komt terug in de bloedbaan (waterhuishouding). - Maar ook stoffen die voor het lichaam belangrijk zijn, worden terug geresorbeerd (glucose en aminozuren15). Normaal zit er dus geen glucose in de uiteindelijke urine. - Zouten worden ook gedeeltelijk terug opgenomen. Ook dit hangt af van de hoeveelheid (homeostase) die nodig is in het lichaam (zouthuishouding). Stoffen die het lichaam niet meer nodig heeft, worden niet terug opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor ureum (een afvalstof van de eiwitstofwisseling) en creatinine (een afvalstof die ontstaat uit de spierstofwisseling). Deze stoffen worden door de urine uitgescheiden. De terugresorptie vindt plaats ter hoogte van de 1ste kronkelbuis, de lis van Henle, de 2de kronkelbuis en de verzamelbuizen. Aminozuren zijn bouwstenen van eiwitten. Module initiatie verpleegkunde – visie 15 Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  42. 42. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2.3 8 Invloed van hormonen op de urineproductie 2.2.3.1 ADH Het ADH (antidiuretisch hormoon) stimuleert de resorptie van water ter hoogte van de distale niertubuli en de verzamelbuisjes. Het zorgt ervoor dat de wanden van deze buisjes meer water doorlaten naar de bloedbaan. ADH wordt door de hypofyse-achterkwab gevormd als er te weinig water in het lichaam aanwezig is. Voorbeelden zijn als er te weinig wordt gedronken of als een grote hoeveelheid water verloren is gegaan door zweten of diarree. 2.2.3.2 Aldosteron Het aldosteron (mineralocorticoïd), afkomstig van de bijnierschors, heeft een effect op de zouthuishouding. Het regelt voor een groot deel de uitscheiding van : natruim : resorptie16 vermeerderen kalium : uitscheiding vermeerderen 2.2.3.3 Parathormoon Het parathormoon, afkomstig vanuit de bijschildklieren, bevorderen de resorptie van calcium en de uitscheiding van fosfaat. 2.2.4 Productie van hormonen De nieren produceren ook enkele hormonen : - Renine : speelt een rol in de bloeddrukregeling (verhogen) - Erythropoëtine: bevordert de aanmaak van erytrocyten 3 Ureters Doordat er minder natrium wordt uitgescheiden, wordt er ook minder water uitgescheiden: het natrium neemt als het ware het water mee naar de bloedbaan. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding 16
  43. 43. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 9 Urine wordt vanuit het pyelum vervoerd naar de blaas via de ureters (urineleiders). Evenals de nieren zijn de ureters retroperitoneaal gelegen. Ze zijn 25 à 30 cm lang en hebben de dikte van een potlood. De wand van de ureters bestaat onder andere uit glad spierweefsel. De urine wordt door peristaltische bewegingen naar de blaas vervoerd. Druppelsgewijs komt de urine in de blaas terecht. De ureters komen de blaas binnen aan de achter-onderkant van de blaas. Ze lopen schuin door de blaaswand. De blaaswand heeft zo het effect van een klep : urine kan niet vanuit de blaas naar de ureters stromen, ze worden vanzelf dichtgedrukt wanneer de blaas gevuld is. Ingang van de ureters in de blaas (man). 1. ureters 2. urethra 3. blaas(driehoek) 4. prostaat 5. ingang van de ureters in de blaas De sfincters van de blaas en de urethra. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  44. 44. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 4 4.1 10 Blaas Anatomie De blaas is gelegen in het bekken, vlak achter het os pubis. Als de blaas leeg is, is ze driehoekig van vorm en ligt ze volledig achter de symfyse. Een gevulde blaas kan zeer groot zijn : ze kan tot aan de navel reiken. De blaas is aan de binnenzijde bedekt met mucosa (slijmvlies). Deze mucosa heeft een bactericide (bacteriëndodende) werking. Boven de mucosa bevinden zich verschillende lagen glad (onwillekeurig) spierweefsel. Naar onderen in de blaas gaan deze spieren over in de kringspieren (sfincters) van de blaashals. Deze kringspieren bestaan zowel uit glad (onwillekeurig) als uit dwarsgestreept willekeurig spierweefsel. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  45. 45. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 4.2 11 Mictie De urine die druppelsgewijs vanuit de ureters de blaas binnenkomt, wordt in de blaas opgeslagen. Hierdoor is het mogelijk dat men slechts enkele keren per dag moet urineren. De werking van de spieren van de blaaswand en de blaassfincters zijn op elkaar afgestemd. Bij een matige blaasvulling is de spanning van alle spieren (blaaswand en sfincters) vrij laag. Bij een sterkere vulling neemt de spanning van beide spieren toe. Hierdoor ontstaan er prikkels die naar de hersenen worden geleid. Hierdoor wordt men zich bewust van de blaasvulling : mictiedrang (drang om te urineren). Toch kan een gezond iemand, door de blaassfincter op te spannen, urine gewild ophouden (continentie). Pas wanneer de blaassfincter zich ontspant en de spieren in de blaaswand (samen met de spieren van de buik) gaan samentrekken, kan de urine de blaas verlaten. 5 Urethra Als de blaas samentrekt, komt de urine terecht in de urinebuis (urethra). Aan het einde van de urethra bevindt zich nog een sluitspier : de urethrasfincter. Deze sfincter bestaat uit dwarsgestreept (willekeurig) spierweefsel en wordt ondersteund door de bekkenbodemspieren (eveneens willekeurig spierweefsel). De urethrasfincter (en de bekkenbodemspieren) helpen bij het bewust ophouden van de urine(=continentie). Pas wanneer deze spieren zich ontspannen, kan de urine het lichaam verlaten. Het verloop van de urethra is bij mannen en vrouwen verschillend : - bij de vrouw is de urethra 4 à 5 cm lang en mondt ze uit bij de uitwendige geslachtorganen (tussen de schaamlippen) – bij de man is de urethra langer (15 à 20 cm) en loopt ze eerst door de prostaat, na de urethrasfincter loopt ze verder tot aan het uiteinde van de penis Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  46. 46. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 12 Het verloop van de urethra bij de man. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. wervelkolom blaas urethra penis prostaat rectum symfyse uterus (baarmoeder) vagina uitmonding van de urethra Het verloop van de urethra bij de vrouw. Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  47. 47. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 6 13 Urine De samenstelling van urine wisselt voortdurend. Dit in tegenstelling tot het (bloed)plasma dat vrijwel constant is (homeostase). Omdat de samenstelling van urine per keer wisselt, is het niet mogelijk vaste waarden voor de samenstelling van urine te geven. Daarom onderzoekt men meestal urine die gedurende 24 uur is verzameld. De samenstelling van deze urine kan men beter vergelijken met de gemiddelde waarden dan elke portie apart. 6.1 Kenmerken van urine Het soortelijk gewicht van urine schommelt gedurende een etmaal (tussen 1,005 en 1,025). Overdag is het soortelijk gewicht laag (er is dan naar verhouding veel water aanwezig en weinig opgeloste stoffen). Meestal is urine zuur of licht alkalisch (zout). Dit is afhankelijk van de voeding die men eet. De kleur van urine is zeer licht- tot donkergeel, afhankelijk van de hoeveelheid water, soort voeding en ingenomen medicamenten. Urine ruikt nauwelijks. Geuren ontstaan door bepaald voedsel en door rotting. De rotting wordt veroorzaakt door bacteriën en vindt plaats wanneer men urine een tijd aan de lucht laat blootstaan. 6.2 Normale bestanddelen van urine De urine bestaat normaal onder andere uit : - water - afbraakproducten : ureum creatinine urinezuur (afkomstig van afbraak uit de celkern) … - zouten/ionen: calcium: Ca+ kalium: K+ natrium: Na+ fosfaat: (PO4)3- … - eventueel hormonen en vitaminen - dode cellen, afkomstig vanuit de urinewegen Module initiatie verpleegkunde – visie Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  48. 48. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 1 III Aanbrengen van materiaal voor het opvangen van urine en feces Doelstellingen De studenten kunnen: - Een bedpan en een urinaal plaatsen. - Incontinentiemateriaal aanbrengen. - Een condoomkatheter aanbrengen - Opvangmateriaal bij menstruatie aanbrengen. 1 Het plaatsen van de bedpan Ze moet steeds droog en proper geplaatst worden. De bedpan wordt in de ene hand genomen met de platte kant naar de rug toe. Men vraagt aan de patiënt de benen op te trekken en te steunen op de hielen. Met de andere hand de patiënt ondersteunen in de lendenen, terwijl men de bedpan onder de stuit plaatst. De verpleegkundige moet steeds nagaan of de bedpan goed geplaatst is. De bovenlaag over de patiënt brengen en de bel en toiletpapier binnen zijn / haar bereik leggen. Na defaecatie stuitwassing uitvoeren (indien nodig) en de patiënt de gelegenheid geven zijn / haar handen te wassen. Onmiddellijk de bedpan, voorzien van een deksel of doekje, uitdragen. De verpleegkundige moet consistentie, hoeveelheid, geur en kleur van feces observeren, vooraleer de bedpan uit te gieten. Bij abnormale observaties de hoofdverpleegkundige verwittigen. Bedpan grondig ontsmetten, reinigen, spoelen en afdrogen. Wekelijks worden alle bedpannen grondig afgewassen. 2 − Het plaatsen en fixeren van de urinaal respecteer de privacy door de geslachtsdelen niet aan te raken met de blote hand, maar neem een handschoen of gebruik een handdoek − gebruik een opgeplooid steeklaken om de urinaal te fixeren 3 Het aanbrengen van incontinentiemateriaal Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  49. 49. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 3.1 2 Inlegluier met fixatiebroekje Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  50. 50. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 3.2 3 Kleefluier Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  51. 51. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 4 4 Het aanbrengen van de condoomkatheter − indien noodzakelijk, scheert u lang schaamhaar weg − maak het gebied rond de penis schoon en droog goed af − open de verpakking door het papier in de lengte te scheuren − verwijder beide beschermpapieren van de kleefstrip − bevestig de strip op de penis, maar boven de eikel − rol de externe katheter over de penis met plakstrip − bevestig de Conveen urinezak aan de externe katheter − Bij verwijdering van de externe katheter: rol deze terug, − de kleefstrip komt vanzelf mee − NB: Om hygiënische redenen moet u het systeem elke 24 uur verschonen. 4.1 4.1.1 Toelichting bij het aanbrengen en verzorgen van een condoomkatheter Wat ? Een condoomkatheter is een condoom van stevig materiaal met een aansluiting voor een urinezak. Door middel van een condoomkatheter wordt bij een mannelijke patiënt de urine opgevangen en afgevoerd. Het condoom wordt daarvoor aangesloten op een urinezakje met afvoerslang. Het gebruik van een condoomkatheter is één van de middelen om de gevolgen van verminderde controle over de blaas op te vangen. Een condoomkatheter is in verschillende maten verkrijgbaar. Ook de manier van bevestigen is verschillend. Deze kan variëren van een plaklaag, aan de binnenzijde van het condoom, tot het gebruik van een tweezijdig hechtend pleister. Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  52. 52. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 4.1.2 5 Waarom ? Voor het aanbrengen van een condoomkatheter is geen medische indicatie nodig. Voor een verblijfskatheter is dit wel het geval. Waarom juist deze methode wordt gekozen, is afhankelijk van verschillende factoren: − de aard van de incontinentie − het gevaar van een infectie, − persoonlijke voorkeur van de patiënt In tegenstelling tot een verblijfskatheter, die in de blaas wordt ingebracht, wordt een condoomkatheter over de penis gerold. Het voordeel daarvan is dat de blaas zijn normale functie blijft vervullen en de patiënt dus “aandrang” kan blijven voelen vóór een urinelozing. 4.1.3 Bijzonderheden : − Gebruik zo mogelijk een zelfklevende condoomkatheter. Op deze wijze is het vrijwel onmogelijk − dat er urine langs het condoom loopt. De juiste maat van de condoomkatheter is van groot belang. Neem de eerste keer verschillende − maten mee, zodat je de juiste keuze kunt maken. Wanneer de patiënt het koud heeft, heeft de penis de neiging ‘terug te trekken’. Houd daarmee − rekening bij de temperatuur van het waswater en de temperatuur in de ruimte waar de condoomkatheter wordt aangebracht. Een condoomkatheter kan maximaal 24 uur op zijn plaats blijven. Bij een hulpbehoevende, − bedlegerige patiënt is het het handigste om deze te verwisselen bij de wasbeurt. Bij een condoomkatheter is een erectie van de penis geen probleem. Het materiaal past zich − daaraan aan. Informeer de patiënt hierover. Vanzelfsprekend moet het urinezakje van tijd tot tijd worden geleegd. Verreweg het handigst is het − wanneer je beschikt over een urinezak met onderaan een aftapkraantje. Je hoeft dan niets af te koppelen. Gebruik een urinaal om daarin de urine op te vangen. Doe een urinezakje altijd in een afzonderlijk zakje van textiel. Het is voor de patiënt niet − aangenaam wanneer de urine voor iedereen in de omgeving zichtbaar is. Laat zoveel mogelijk handelingen door de patiënt zelf doen. Dit vindt hij meestal prettiger. Vanzelfsprekend moet je dan wel zorgen voor een duidelijke instructie en controleren of de condoomkatheter op de juiste wijze is aangebracht. 4.2 Het aanbrengen van opvangmateriaal bij menstruatie Dit komt aan bod bij het bezoek aan de thuiszorgwinkel. Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  53. 53. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 1 IV Eliminatie van urine Doelstelling - De preventieve taak van de verpleegkundige i.v.m. het urinestelsel toelichten. - De urine en de mictie observeren en afwijkingen opmerken en interpreteren. - De vochttoestand bij de patiënt vaststellen en deze beschrijven. - De mogelijke urine-onderzoeken opnoemen en uitleggen. - De algemeenheden bij het afnemen van stalen uitleggn. - Een staal urine kunnen opnemen voor onderzoek, zowel bij patiënten met als zonder verblijkfsonde. - Op een correcte manier urine verzamelen voor 24-uur debiet. - Een patiënt met een verblijfskatheter verzorgen en nodige aandachtspunten opnoemen. - Een urethratoilet toedienen. 1 De preventieve taak van de verpleegkundige i.v.m. het urinair stelsel - De verpleegkundige zal de patiënt aansporen tot voldoende vochtopname, rekening houdend met de aandoening en de algemene toestand van de patiënt. Hij zal in staat moeten zijn om dehydratatie op te sporen en te voorkomen. - De verpleegkundige moet regelmatig controle uitoefenen op mictie, hoeveelheid, geur, kleur van de urine. - De verpleegkundige moet de geriatrische patiënt stimuleren bij de vochtopname daar deze patiënten vaak te weinig drinken omdat zij bang zijn ‘s nachts te zullen moeten urineren of omdat zij bij het urineren aangewezen zijn op de hulp van de verpleegkundigen. - De verpleegkundige moet om incontinentie te voorkomen de patiënt op geregelde tijdstippen naar het toilet brengen of indien zij bedlegerig zijn en niet mogen opstaan, hen op de bedpan plaatsen of het urinaal aanleggen. Tevens moet de verpleegkundige de tijdstippen waarop de patiënt nat lag noteren, het gebruik van verblijfsonden moet tot het strikte minimum herleid worden daar ze incontinentie in de hand werken. - De verpleegkundige wordt geacht onmiddellijk aan de beloproepen te beantwoorden, daar nat liggen op de patiënt psychologisch kan inwerken. Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  54. 54. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2 - De verpleegkundige kan bij eventueel moeilijk urineren: water laten lopen in de lavabo de handen van de patiënt in koud water dompelen eventueel druk uitoefenen op de blaas ter hoogte van de suprapubische streek de bedlegerige patiënt, indien toegelaten, in halfzittende houding op de rand van het bed brengen de patiënt alleen laten de patiënt de kans geven erover te praten de verpleegkundige moet steeds proper en ongeschonden materiaal gebruiken. 2 Observeren van de urine 2.1 Doel Observatie van urine is van belang omdat de afbraakproducten van de stofwisseling voor een groot gedeelte via de nieren en de blaas uitgescheiden worden. Het onvoldoende functioneren en letsels ter hoogte van de urinewegen kunnen via nauwlettend onderzoek van de urine geconstateerd worden. bvb. - bij diabetici - bij patiënten met nierpathologie - bij bewusteloze patiënten - bij patiënten in shocktoestand - bij operatiepatiënten Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  55. 55. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2 Observatiepunten 2.2.1 3 Helderheid - Normaal: urine is helder bij lozing. - Afwijkingen = troebele urine niet-pathologische oorzaken: Het bewaren van urine geeft aanleiding tot vertroebeling. Dit wordt veroorzaakt door neerslag en ontwikkeling van bacteriën waarbij ureum omgezet wordt tot amoniak. pathologische oorzaken: * aanwezigheid van etter in de urine = PYURIE * aanwezigheid van eiwitten in de urine = PROTEÏNURIE * bij koorts: zanderige urine 2.2.2 Kleur - Normaal: citroengele kleur, welke veroorzaakt wordt door de galkleurstoffen. - - Afwijkingen niet-pathologische oorzaken: * verhoogde vochtopname ⇒ heldere, waterige urine * verhoogd vochtverlies ⇒ donkergele urine * inname van geneesmiddelen bvb. vitamine B ⇒oranje kleur van de urine * inname van bepaalde voeding bvb: rode bieten pathologische oorzaken: * donkerbruine kleur met aanwezigheid van geel schuim ⇒dit duidt op een hoog gehalte aan galkleurstoffen bvb. aandoeningen van lever en galwegen * roodbruine urine ⇒dit duidt op aanwezigheid van bloed = HEMATURIE bvb. - hevige ontstekingen van het urinestelsel - letsels ter hoogte van de urinewegen - operaties ter hoogte van de urinewegen Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  56. 56. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 2.2.3 4 Geur - Normaal: verse urine heeft een flauw zure geur. - Afwijkingen: niet-pathologische oorzaken: * het bewaren van urine, hierbij ontstaat een amoniakale geur * voeding bvb. Asperges * medicatie bvb. Antibiotica, vitamine B pathologische afwijkingen: * visgeur: komt voor bij ontsteking van de blaas = CYSTITIS * appelgeur = acetongeur: komt vrij bij een verhoogde vetafbraak bvb. bij diabetici * fecale geur: komt voor bij fistelvorming tussen blaas en darm. 2.2.4 - Hoeveelheid Normaal: 1 l tot 1,5 l over 24 uur = normale DIURESE Is afhankelijk van: * voedsel- en vochtopname * waterafgifte via transpiratie, feces, verdamping . Er bestaat een verband tussen wateropname en urine uitscheiding. Wanneer een persoon veel vocht opneemt, zal er veel urine uitgescheiden worden, wanneer er weinig vocht opgenomen wordt, zal de urine uitscheiding ook beperkt zijn. Dit verschijnsel noemt men verdunnings- en concentratievermogen van de nier. - Afwijkingen: niet pathologische oorzaken: * POLYURIE = meer urine dan 2 tot 2,5 l / 24 uur komt voor bij: - verhoogde vochtopname zowel oraal als parentaal - bij gebruik van diuretica Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  57. 57. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 5 * OLIGURIE = minder urine dan 500 ml / 24uur komt voor bij: - overdreven vochtverlies ten gevolge van koorts brandwonden - sterk verminderde vochtopname pathologische afwijkingen: * POLYURIE komt voor bij diabetespatiënten * ANURIE = minder urine dan 40 ml / 24 uur komt voor bij: - nierinsufficiëntie - niertrauma - hypovolemische shock 3 3.1 Observeren van de mictie Pollakisurie = het frequent en in kleine hoeveelheden urineren. Diurese over 24 uur is normaal. - pijnlijke pollakisurie komt voor bij: - cystitis - prostaathypertrofie - blaaspoliepen - pijnloze pollakisurie komt voor bij: - zenuwachtigheid - zwangerschap 3.2 Enuresis nocturna = het bedwateren op een normaal reeds zindelijke leeftijd Oorzaken: meestal heeft dit geen lichamelijke, maar wel een psychische oorzaak. bvb.: 3.3 verhuis, verandering van school Nycturie Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  58. 58. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 6 = verhoogde urineproductie gedurende de nacht komt voor bij: hart- en nieraandoeningen welke gepaard gaan met oedeemvorming 3.4 Blaasdistentie = uitzetting van de blaas komt voor bij: - prostaathypertrofie - letsels van de urethra 3.5 Blaasatonie = onvoldoende samentrekking van de blaas komt voor bij: - M.S.-patiënten - na epidurale verdoving - na langdurig gebruik van V.S. 3.6 Dysurie = het moeilijk en pijnlijk urineren komt voor bij: - cystitis - prostaathypertrofie - vernauwing van de urethra -blaas- of urethrasteen Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  59. 59. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 3.7 7 Urineretentie = onmogelijkheid tot normale lediging van een gevulde blaas komt voor bij: - traumata van de blaas en urethra - bij prostaathypertrofie - postoperatief ten gevolge van de verdoving - na langdurige aanwezigheid van een verblijfsonde - bij M.S.-patiënten 3.8 Urineresidu = urine die na de lozing achterblijft in de blaas 3.9 3.9.1 Urine-incontinentie Definitie Onvrijwillig, objectief aantoonbaar verlies van urine via de urethra. 3.9.2 3.9.2.1 Soorten incontinentie Stressincontinentie = inspanningsincontinentie = verlies van kleine hoeveelheden urine (± 50 ml), enkel uitgelokt door fysische inspanningen, zoals hoesten, niezen, heffen van gewichten, lachen, sporten 3.9.2.2 Drangincontinentie = drangincontinentie of urge-incontinentie = plots optredende drang tot plassen, die vaak niet in voldoende mate kan geremd worden. De oorzaak is een overactiviteit van de blaas. De blaasspier trekt onverwacht samen en men plast zonder waarschuwing, zodat men het toilet niet tijdig kan bereiken. Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding
  60. 60. HBO Verpleegkunde Ic Dien vzw 8 Oorzaken: - van psychische aard (spanningen, emoties) - lichamelijke aard (infecties, blaasontsteking, buikoperatie) waardoor verminderde blaascapaciteit. - prikkeling van de blaas door alcoholgebruik of cafeïne. 3.9.2.3 Reflexincontinentie = Met redelijk voorspelbare tussenpozen, onvrijwillig urine verliezen bij het bereiken van een bepaald blaasvolume. Oorzaak: neurologische aandoeningen, bvb. dwarslaesie. 3.9.2.4 Functionele incontinentie = Onvrijwillig en onvoorspelbaar urineverlies, ondanks een normale blaas- en sfincterwerking. Oorzaken: - veranderde omgeving - gewijzigde zintuigelijke waarneming (sufheid, slecht zien) - verminderde mobiliteit. 3.9.2.5 Totale incontinentie = vaak en onvoorspelbaar urineverlies: op onvoorspelbare tijdstippen. Module initiatie verpleegkunde – zorg Thema 4: Zorg bij uitscheiding

×