EindrapportGroeipotentieel voor sociale economie in de zorgsector                     Januari 2011                        ...
Inhoud1         Lijst met afkortingen .......................................................................................
7.1.7        Algemene opmerkingen i.v.m. tewerkstelling van kansengroepen in de zorgsector ...40    7.2    Resultaten van ...
1    Lijst met afkortingen    ADL                      Algemene dagelijkse levensverrichtingen    CBS                     ...
2   Lijst met grafieken, tabellen en figurenGrafiek 1    Evolutie NWWZ – voortschrijdend gemiddeldeGrafiek 2    Evolutie N...
3     Opzet van het onderzoeksproject3.1    De vraagDe bevolking van ons land veroudert. Dat geldt ook voor het Vlaamse Ge...
3.3   Relevantie Dit project speelt in op een aantal belangrijke maatschappelijke evoluties. Via een verkenning vanhet gro...
3.5   StappenWe schetsen nu de belangrijkste stappen in het onderzoek.1. Selectie van vijf toonaangevende zorginstellingen...
6. Verwerking van de gegevensDe gegevens uit de interviews en de verdere bevraging werden verwerkt in voorliggend rapport....
4      Evoluties op vlak van tewerkstellingIn het nu volgende, inleidende hoofdstuk, schetsen we een aantal evoluties die ...
4.2.1   Algemene evolutie NWZGrafiek 1: Evolutie NWWZ – voortschrijdend gemiddelde                                        ...
4.2.2   Evolutie NWWZ naar geslachtGrafiek 3: Evolutie NWWZ naar geslacht                                                 ...
Grafiek 4 bevestigt de boven geschetste trend: een stijging van jaar tot jaar van het aantalvrouwelijke NWWZ in Vlaanderen...
•   Van 25 tot en met 49 jaarBij de groep 25 tot en met 49 jaar is de trend gelijklopend (zie grafiek 6) als bij de min 25...
•   Ouder dan of gelijk aan 50 jaarIn de evolutiegrafiek van de niet-werkende werkzoekende 50-plussers (grafiek 7) zien we...
4.2.4   Evolutie NWWZ naar scholingsgraad    •   KortgeschooldIn de evolutiegrafiek (grafiek 8)van het aantal kort geschoo...
•   MiddengeschooldDe evolutie van het aantal middengeschoolde NWWZ (maximum 3e en 4e graad secundair onderwijs)is gelijkl...
•   HooggeschooldGrafiek 10 toont de evolutie van het aantal hooggeschoolde NWWZ (bachelor/master). We merkendezelfde tren...
4.2.5   Evolutie NWWZ met arbeidshandicapGrafiek 11: Evolutiegrafiek NWWZ met arbeidshandicap                             ...
4.2.6   Evolutie NWWZ van allochtone origineBij het aantal NWWZ van allochtone origine zien we een negatieve trend (grafie...
4.2.7   Evolutie NWWZ naar werkloosheidsduur   •    Minder dan 1 jaar        In onderstaande grafiek (grafiek 13) kunnen w...
•   1 jaar tot 2 jaarGrafiek 14: Evolutiegrafiek NWWZ 1 tot 2 jaar werkloos                                               ...
•   Gelijk aan of meer dan 2 jaarBij de langdurig werklozen, de niet-werkende werkzoekenden die 2 jaar of meer werkloos zi...
Onderstaande tabel laat toe een aantal conclusies te trekken over de evolutie van dewerkloosheidscijfers binnen de regio K...
Onderstaande figuur geeft een grafisch beeld van de procentuele stijging of daling van het aantalNWWZ tussen 2009 (jaargem...
5     De gezondheids – en zorgsectorIn dit hoofdstuk behandelen we in een eerste paragraaf zeer beknopt de veranderingen i...
Verder is er een stijgende vraag naar ambulante zorg. Dit wijst erop dat mensen langer thuis willenverzorgd worden, zonder...
5.2   Kwaliteitsvolle zorg Op basis van de verkennende interviews met verantwoordelijken van zorginstellingen (afgenomendo...
6     Acties die tewerkstelling (in de gezondheidzorg en de zorgsector) stimulerenIn het vijfde hoofdstuk geven we beknopt...
Mentor vzw is erkend door de VDAB voor het aanbieden van beroepsopleidingen die praktischekennis en de juiste arbeidshoudi...
vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (en dus ook in de zorgsector) beter af te stemmen op    elkaar. Het biedt ook kansen vo...
Voor andere relevante beroepen in de zorgsector bestaat er momenteel nog geen testcentrum.       Het gaat hier om polyvale...
6)   In een aantal kinderdagverblijven in Amsterdam worden Melkert 1-werknemers tewerkgesteld     als groepshulpen in de k...
7         Resultaten7.1        Resultaten van de verkennende interviewsEen tiental studenten van de opleiding bachelor in ...
We kunnen een aantal knelpunten formuleren met betrekking tot de toeleiding en screening vankansengroepen. Ten eerste word...
7.1.3     VormingsbeleidInzake het vormingsbeleid willen we een onderscheid maken tussen enerzijds opleidingen dieaangebod...
bepaalde sector. De opleiding polyvalent verzorgende kan als richtinggevend voorbeeld dienen.VDAB dient in deze op te tred...
job). De begeleiding moet afgestemd worden op de aanwezige motivatie.. Die begeleiding isverschillend van de begeleiding v...
niet kennen van de Nederlandse taal en meer specifiek het dialect, en de beperkte mobiliteit vankansengroepen, drempels vo...
tewerkstelling van kansengroepen valt bij de logistieke taken te situeren, zo menen degeïnterviewden.Om tewerkstelling van...
7.2     Resultaten van de data-analyseNa de weergave van de gegevens uit de interviews met de zorgvoorzieningen in de vori...
7.2.3     Functies waarin kansengroepen tewerkgesteld zijn/kunnen zijnUit de verzamelde data kunnen wij de beroepsgroepen ...
De laatste groep zijn de ‘algemene en zorgondersteunende functies’ die verantwoordelijk zijn voor deuitvoering van indirec...
Vooral in managementfuncties, verpleegkundige functies en expertfuncties zijn er geenkansengroepen tewerkgesteld . In de v...
7.2.4   Functieomschrijvingen en diplomaniveau voor beroepsgroepenHieronder geven we de beroepsgroepen weer met het groots...
Verpleegkundige                                                                  B en C niveau - Interdisciplinair overleg...
Verzorgende /zorgkundige                                                       C niveau (met zevende jaar voor zorgkundige...
Uit het KB van 12 januari 2006 op de zorgkundige leiden we volgende definitie van ‘zorgkundige’ af. “De persoon die specif...
Professionele oppassers                             D niveau(Oppas voor zorgbehoevende volwassenen)-   Toezicht op de thui...
Begeleid(st)er                                                                   C niveau: jeugd- en gehandicaptenzorg-   ...
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie

3,268 views

Published on

2 Comments
1 Like
Statistics
Notes
No Downloads
Views
Total views
3,268
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
3
Actions
Shares
0
Downloads
30
Comments
2
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Eindrapport kansengroepen in de zorgsector januari 2011 led sociale economie

  1. 1. EindrapportGroeipotentieel voor sociale economie in de zorgsector Januari 2011 1
  2. 2. Inhoud1 Lijst met afkortingen .............................................................................................................42 Lijst met grafieken, tabellen en figuren .................................................................................53 Opzet van het onderzoeksproject..........................................................................................6 3.1 De vraag.................................................................................................................................. 6 3.2 Doelstelling ............................................................................................................................. 6 3.3 Relevantie ............................................................................................................................... 7 3.4 Stuurgroep.............................................................................................................................. 7 3.5 Stappen .................................................................................................................................. 84 Evoluties op vlak van tewerkstelling ....................................................................................10 4.1 Demografische context ........................................................................................................... 10 4.2 Tewerkstelling van kansengroepen in Vlaanderen, West-Vlaanderen en Kortrijk ..................... 10 4.2.1 Algemene evolutie NWZ ............................................................................................11 4.2.2 Evolutie NWWZ naar geslacht ....................................................................................12 4.2.3 Evolutie NWWZ naar leeftijd ......................................................................................13 4.2.4 Evolutie NWWZ naar scholingsgraad ..........................................................................16 4.2.5 Evolutie NWWZ met arbeidshandicap ........................................................................19 4.2.6 Evolutie NWWZ van allochtone origine ......................................................................20 4.2.7 Evolutie NWWZ naar werkloosheidsduur ...................................................................215 De gezondheids – en zorgsector ..........................................................................................26 5.1 Een veranderende zorgvraag................................................................................................... 26 5.2 Kwaliteitsvolle zorg ................................................................................................................. 286 Acties die tewerkstelling (in de gezondheidzorg en de zorgsector) stimuleren.....................29 6.1 Opleidingen ............................................................................................................................ 29 6.2 Andere initiatieven.................................................................................................................. 307 Resultaten...........................................................................................................................34 7.1 Resultaten van de verkennende interviews ............................................................................. 34 7.1.1 Toeleiding van kansengroepen naar de zorgsector .....................................................34 7.1.2 Onthaalbeleid ............................................................................................................35 7.1.3 Vormingsbeleid..........................................................................................................36 7.1.4 Begeleiding op de werkvloer ......................................................................................37 7.1.5 Knelpunten ................................................................................................................38 7.1.6 Groeipotentieel voor sociale tewerkstelling in de zorgsector......................................39 2
  3. 3. 7.1.7 Algemene opmerkingen i.v.m. tewerkstelling van kansengroepen in de zorgsector ...40 7.2 Resultaten van de data-analyse............................................................................................... 41 7.2.1 Definiëring van kansengroepen..................................................................................41 7.2.2 Tewerkgestelde kansengroepen.................................................................................41 7.2.3 Functies waarin kansengroepen tewerkgesteld zijn/kunnen zijn ................................42 7.2.4 Functieomschrijvingen en diplomaniveau voor beroepsgroepen ................................45 7.3 Taakherschikking en functiedifferentiatie ................................................................................ 59 7.3.1 Begripsverklaring en toepasbaarheid .........................................................................59 7.3.2 Knelpunten ................................................................................................................60 7.3.3 Effecten van taakherschikking en/of functiedifferentiatie ..........................................608 Besluit.................................................................................................................................629 Bronnenlijst ........................................................................................................................6310 Bijlagen ...............................................................................................................................66 10.1 Bijlage 1: vragenlijst voor de verkennende interviews ............................................................. 66 10.2 Bijlage 2: Powerpointpresentatie trefdag zorg Brugge 11 mei 2010 ......................................... 70 10.3 Bijlage 3: overzicht opleidingen welzijns- en zorgberoepen (VDAB) & sociale promotie secundair onderwijs ................................................................................................................ 77 3
  4. 4. 1 Lijst met afkortingen ADL Algemene dagelijkse levensverrichtingen CBS Centraal Bureau voor de Statistiek Departement WSE Departement Werk en Sociale Economie ESF Europees Sociaal Fonds KIKO-SPK Kempense Initiatieven voor Kinderopvang NAH Niet aangeboren hersenletsel NWWZ Niet-werkende werkzoekenden PCBO Vzw Provinciale Commissie Buitenschoolse Opvang PDL Passiviteiten dagelijks leven PIT Professioneel in thuisondersteuning RVZ Raad voor de Volksgezondheid en Zorg UBK/UCB Unie van de Belgische Kappers/Union des Coiffeurs Belges VAPH Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap VCOK Vormingscentrum voor Opvoeding en Kinderopvang VDAB Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding VIVO Vlaams Instituut voor Vorming en Opleiding WIP Werkgelegenheids- en investeringsplan 4
  5. 5. 2 Lijst met grafieken, tabellen en figurenGrafiek 1 Evolutie NWWZ – voortschrijdend gemiddeldeGrafiek 2 Evolutie NWWZGrafiek 3 Evolutie NWWZ naar geslachtGrafiek 4 Evolutiegrafiek vrouwelijke NWWZGrafiek 5 Evolutiegrafiek NWWZ jonger dan 25 jaarGrafiek 6 Evolutiegrafiek NWWZ van 25 tot en met 49 jaarGrafiek 7 Evolutiegrafiek NWWZ 50 jaar of ouderGrafiek 8 Evolutiegrafiek NWWZ kortgeschooldenGrafiek 9 Evolutiegrafiek NWWZ middengeschooldenGrafiek 10 Evolutiegrafiek NWWZ hooggeschooldenGrafiek 11 Evolutiegrafiek NWWZ met arbeidshandicapGrafiek 12 Evolutiegrafiek NWWZ van allochtone origineGrafiek 13 Evolutiegrafiek NWWZ minder dan 1 jaar werkloosGrafiek 14 Evolutiegrafiek NWWZ 1 tot 2 jaar werkloosGrafiek 15 Evolutiegrafiek NWWZ 2 jaar of meer werkloosGrafiek 16 Stijgende vraag naar gezinszorg en aanvullende thuiszorgTabel 1 Werkloosheid in regio KortrijkTabel 2 Evolutie rusthuizen, serviceflats, kortverblijf en dagverzorgingscentraTabel 3 BeroepsgroepenFiguur 1 Regionale spreidingFiguur 2 Functiehuis van Beckers en Nijhuis 5
  6. 6. 3 Opzet van het onderzoeksproject3.1 De vraagDe bevolking van ons land veroudert. Dat geldt ook voor het Vlaamse Gewest. “Volgens de jongstebevolkingsvooruitzichten zal vooral de vergrijzing nog sterk doorzetten. Het aandeel 65-plussersevolueert van 18% vandaag, over 24% tegen 2030, naar 27 à 28 % tegen 2060. Het aandeel 80-plussers zal naar verwachting verdubbelen: van 5% vandaag naar 11% tegen 2060” (Vrind 2009,p.40). Verder valt de komende jaren te vrezen voor krapte op de arbeidsmarkt. Tot 2020 immersovertreft de potentiële uitstroom uit de arbeidsmarkt (55-64jarigen) de potentiële instroom (15-24jarigen) (Vrind, 2009, p. 40).Door de vergrijzing stijgt de nood aan zorg en vooral thuiszorg Uitbreiding van het zorgaanbod envan de werkgelegenheid binnen deze sector worden onvermijdelijk. De zorgsector kampt nu al metschaarste aan geschikt personeel. Kan die schaarste worden overwonnen door in de zorg nieuwetewerkstellingsmogelijkheden voor kansengroepen te creëren? De sociale economie slaagt er alvastin om kansengroepen, onder andere laaggeschoolde (langdurig) werklozen een opleiding te biedenen duurzaam tewerk te stellen, vaak in kwaliteitsvolle jobs. Dit komt niet enkel het activeringsbeleidten goede, maar ook de integratie in de samenleving en de kwaliteit van leven van personen met eengrote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt (Lauwereys, Matheus & Nicaise, 2000). Via eenverkennend onderzoek willen we de aard van de in de zorg te creëren jobs en de ermee verbondenopleidingsbehoeften in kaart brengen.De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Wat is het groeipotentieel van de sociale economie in dezorgsector? We gaan via een verkennend onderzoek op zoek naar mogelijkheden om kansengroepenin te schakelen. We verkennen dus (nieuwe) beroepsgroepen waarin kansengroepen kunnentewerkgesteld worden en tezelfdertijd zoeken we naar inspiratie voor opleidingsinitiatieven om deinschakeling van kansengroepen in zorgberoepen kans op succes te bieden.3.2 DoelstellingDeze analyse van de zorgsector in de regio Kortrijk beoogt nieuwe denksporen te openen voor detewerkstelling van kansengroepen in kwaliteitsvolle en duurzame jobs. 6
  7. 7. 3.3 Relevantie Dit project speelt in op een aantal belangrijke maatschappelijke evoluties. Via een verkenning vanhet groeipotentieel voor de tewerkstelling van kansengroepen i, willen we oplossingen helpenzoeken voor het personeelstekort in de zorgsector, die met een stijgende vraag naar dienstverleningwordt geconfronteerd. Meer bepaald onderzoeken we voor welke taken laaggeschoold personeelkan worden ingezet. We bekijken ook de noodzakelijke begeleidende maatregelen, oparbeidsorganisatorisch vlak en op het gebied van bijscholing, om die tewerkstelling mogelijk temaken. De tewerkstelling van kansengroepen past niet alleen in het activeringsbeleid van deoverheid; een duurzame en kwaliteitsvolle job heeft ook een positief effect op de levenskwaliteitvan mensen (Lauwereys, Matheus & Nicaise, 2000).3.4 StuurgroepHet onderzoeksproject werd begeleid door een stuurgroep waaraan, naast de onderzoeker, eenvertegenwoordiger van volgende zorginstellingen zijn medewerking verleende: - AZ Groeninge - Familiehulp - Centrum voor Kinderopvang (Kortrijk) - Zorggroep Heilig Hart Kortrijk - OCMW Kortrijk 7
  8. 8. 3.5 StappenWe schetsen nu de belangrijkste stappen in het onderzoek.1. Selectie van vijf toonaangevende zorginstellingen in de regio Kortrijk.Het LED Sociale Economie selecteerde vijf instellingen om aan het onderzoek mee te werken: AZGroeninge, Familiehulp, Centrum voor Kinderopvang Kortrijk, Zorggroep Heilig Hart Kortrijk enOCMW Kortrijk. Betrokkenheid bij het onderzoek van diverse deelsectoren (kinderopvang,algemeen ziekenhuis, thuiszorg, ouderenzorg en voorzieningen voor mensen met een handicap) washet belangrijkste criterium bij de selectie ( zie ook Pacolet et al.,2002). DEELSECTOR NAAM ORGANISATIE Algemeen ziekenhuis AZ Groeninge Thuiszorg Vzw Famliehulp Voorziening voor personen met H.Hart een handicap Ouderenvoorzieningen OCMW Kortrijk Kinderopvang Centrum voor Kinderopvang2. Verkennende interviews met de geselecteerde zorginstellingenStudenten bachelor in het sociaal werk van KATHO, departement Sociaal-agogisch werk - IPSOC,namen in het kader van het opleidingsonderdeel ‘Seminarie sociale problemen’ verkennendeinterviews af van verantwoordelijken van de geselecteerde zorginstellingen. De vragenlijst vindt uterug in bijlage 1.3. Focusgroep met een vertegenwoordiger van elke zorginstellingOp 10 mei 2010 vond een focusgroep plaats waarop een vertegenwoordiger van drie zorginstellingenaanwezig was (van de andere zorginstellingen kon niemand aanwezig zijn). Op deze focusgroepwerden de resultaten van de verkennende interviews besproken en verder uitgediept. Verder werdgevraagd of de instellingen verder wilden meewerken aan het project en bijkomende gegevens terbeschikking konden stellen.4. Presentatie van het project op de Trefdag Zorg in Brugge op 20 mei 2010Op de Trefdag Zorg (Brugge, 20 mei 2010) verzorgde het LED Sociale Economie een presentatie overde voorlopige resultaten van het project. In bijlage 2 vindt u de powerpoint van deze presentatie .5. Bevraging bij de zorginstellingenZoals afgesproken op de stuurgroep en de focusgroep, verzamelde de onderzoekmedewerkster vanhet LED Sociale Economie bijkomende gegevens over de zorginstellingen. Er werden hoofdzakelijkkwalitatieve gegevens verzameld over volgende aspecten: - de definiëring van het begrip ‘kansengroepen’ binnen de zorginstelling; - de arbeidsorganisatie, de diverse arbeidsposten en taakomschrijvingen; - de bij de personeelsallocatie gehanteerde kwalificatievereisten en competentieprofielen. 8
  9. 9. 6. Verwerking van de gegevensDe gegevens uit de interviews en de verdere bevraging werden verwerkt in voorliggend rapport. Ditrapport werd uiteraard ook aangevuld met andere informatie.7. Bekendmaking van de resultaten 9
  10. 10. 4 Evoluties op vlak van tewerkstellingIn het nu volgende, inleidende hoofdstuk, schetsen we een aantal evoluties die duidelijk maken hoebelangrijk het is om nieuwe wegen te zoeken om de toenemende vraag naar zorg te kunnenbeantwoorden. De cijfergegevens zijn gebaseerd op de Vlaamse Regionale Indicatoren 2009.4.1 Demografische contextLaten we eerst en vooral stilstaan bij enkele demografische fenomenen. De bevolking veroudert ofvergrijst. In het Vlaamse Gewest bedraagt het aandeel 65-plussers in de totale bevolking vandaag18%. Dat aandeel zal toenemen tot 28% tegen 2060. Het aandeel 80-plussers in de totale bevolkingbedraagt vandaag 5% en zal toenemen tot 11% in 2060. Tezamen met de vergrijzing zien we eendaling van de potentiële beroepsbevolking. Tot 2020 blijft het aantal jongeren dat kan intreden in dearbeidsmarkt, dalen. Het aantal potentiële uittreders (de 55-64 jarigen) blijft stijgen. Vlaanderen zouwel eens kunnen te kampen krijgen met een nijpend tekort aan arbeidskrachten.4.2 Tewerkstelling van kansengroepen in Vlaanderen, West-Vlaanderen en KortrijkIn deze paragraaf schetsen we, op basis van de gegevens van Arvastat VDAB 1, de evolutie van het aantal niet-werkende werkzoekenden in Vlaanderen, West-Vlaanderen enarrondissement Kortrijk. In grafieken tonen we enerzijds de gemiddelde waarden per jaartal enanderzijds de procentuele evolutie tussen 2 jaartallen. We gaan eerst dieper in op de globale evolutievan het aantal NWWZ en daarna focussen we op een aantal kansengroepen dieondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt of zo je wil oververtegenwoordigd in dewerkloosheidscijfers. Het gaat om vrouwen, jongeren, ouderen, kortgeschoolden, personen met eenhandicap, allochtonen en langdurig werklozen.1 http://arvastat.vdab.be/arvastat/index2.htm 10
  11. 11. 4.2.1 Algemene evolutie NWZGrafiek 1: Evolutie NWWZ – voortschrijdend gemiddelde Bron: http://arvastat.vdab.be/arvastat/index2.htmIn grafiek 1 zien we dat het voortschrijdend gemiddelde aantal NWWZ in Vlaanderen tussen 2006en medio 2008 afneemt. Daarna zien we een toename tot 2010. Vanaf 2010 stellen we voor heteerst sinds oktober 2008 weer een afname vast van het gemiddelde aantal NWWZ. Volgens decijfers van de VDAB (http://www.vdab.be) lag het aantal NWWZ in 2010 gemiddeld + 2,7% hoger danin 2009. Grafiek 2 toont dat de evolutie van het aantal NWWZ in West-Vlaanderen en hetarrondissement Kortrijk een gelijk verloop kent als in Vlaanderen. Tussen 2008 & 2009 stijgt hetaantal in het arrondissement Kortrijk sterker (+23.4%) dan in West-Vlaanderen (+20.7%). Het aantalin West-Vlaanderen stijgt op zijn beurt sterker dan in Vlaanderen (+20.1%), al is het verschil klein.Tussen 2009 en 2010 blijft het aantal NWWZ in Vlaanderen (+2.7%) en West-Vlaanderen (+0.8%)stijgen. In het arrondissement Kortrijk daarentegen kunnen we een afname constateren van -0.6%.Grafiek 2: Evolutiegrafiek NWWZ Bron: Arvastat, eigen bewerking. 11
  12. 12. 4.2.2 Evolutie NWWZ naar geslachtGrafiek 3: Evolutie NWWZ naar geslacht Bron: http://arvastat.vdab.be/arvastat/index2.htmGrafiek 3 toont de evolutie van het aantal NWWZ naar geslacht. Tot 2008 daalt het aantal NWWZzowel bij de mannen als bij de vrouwen. 2009 is een kantelmoment: in dat jaar stijgt het aantalmannelijke NWWZ sterker dan het aantal vrouwelijke NWWZ. De tewerkstellingsgraad bij vrouwenblijft stijgen maar toch ligt de werkloosheidsgraad bij vrouwen hoger dan bij mannen (7,61% versus6,80%). Tussen het 2009 en 2010 steeg het aantal NWWZ bij de vrouwen met +2,9% ; bij demannen bedroeg die stijging + 2,5% (www.vdab.be).Grafiek 4: Evolutiegrafiek vrouwelijke NWWZ Bron: Arvastat, eigen bewerking. 12
  13. 13. Grafiek 4 bevestigt de boven geschetste trend: een stijging van jaar tot jaar van het aantalvrouwelijke NWWZ in Vlaanderen, West-Vlaanderen en het arrondissement Kortrijk. Tussen 2007 en2008 is de daling kleiner dan tussen 2006 en 2007; in 2009 valt er een opvallende stijging te noterenin vergelijking met 2008. De stijging manifesteert zich sterker in het arrondissement Kortrijk (+13.2%)dan in Vlaanderen (+10.3%) en West-Vlaanderen (+10.9%). Van 2009 tot 2010 is de toename als veelkleiner dan tussen 2008 en 2009; in het arrondissement Kortrijk valt in de laatste periode zelfs eenstatus-quo te noteren.4.2.3 Evolutie NWWZ naar leeftijd • Jonger dan 25 jaarGrafiek 5 schetst de evolutie van het aantal NWWZ jonger dan 25 jaar. Op de drie niveaus neemthet aantal NWWZ tussen 2006 en 2007 sterk af.. Die afname zet zich door tussen 2007 en 2008 maarze is kleiner. Tussen 2008 en 2009 merken we dan weer een enorme toename, waarbij de toenamein arrondissement Kortrijk (+27.3%) iets lager ligt dan deze in Vlaanderen (+30%) en West-Vlaanderen (+29.6%). In 2010 is het aantal NWWZ alweer gedaald tegenover 2009. De daling in hetarrondissement Kortrijk is groter (-4.1%) dan in West-Vlaanderen (-0.9%). In Vlaanderen blijft dewaarde constant.Grafiek 5: Evolutiegrafiek NWWZ jonger dan 25 jaar Bron: Arvastat, eigen bewerking. 13
  14. 14. • Van 25 tot en met 49 jaarBij de groep 25 tot en met 49 jaar is de trend gelijklopend (zie grafiek 6) als bij de min 25-jarigen,met dat verschil dat de toename tussen 2008 en 2009 hoger ligt in het arrondissement Kortrijk(+27.2%) dan in Vlaanderen (+21.9%) en West-Vlaanderen (+22.8%). We merken ook , net zoals bij demin 25-jarigen, dat tussen 2009 en 2010 de grootste afname genoteerd wordt in hetarrondissement Kortrijk (-2.7%). In Vlaanderen stellen we een toename vast van +2.1%.Grafiek 6: Evolutiegrafiek NWWZ van 25 tot en met 49 jaar Bron: Arvastat, eigen bewerking. 14
  15. 15. • Ouder dan of gelijk aan 50 jaarIn de evolutiegrafiek van de niet-werkende werkzoekende 50-plussers (grafiek 7) zien we een anderetrend dan bij de 2 voorgaande leeftijdsgroepen. Tussen 2006 en 2007 merken we een zeer lichtedaling, met West-Vlaanderen als koptrekker (-3.1%). Tussen 2007 en 2008 is de daling van hetoudere niet werkende werkzoekenden het sterkst in het arrondissement Kortrijk (-2.3%). Tussen2008 en 2009 stijgt het aantal oudere niet werkende werkzoekenden, sterker in het arrondissementKortrijk (+13.6%) dan in West-Vlaanderen (+10.6%) en Vlaanderen (+8.8%).. In 2010 zet de stijgendetrend zich verder, zij het met lagere exacte waarden dan het jaar voordien. De evolutie op de 3niveaus is hier meer gelijklopend, namelijk +6.3% voor Vlaanderen, +5.9% voor West-Vlaanderen en+6.6% voor arrondissement Kortrijk. Gezien de stijgende trend langer aanhoudt en uitgesprokener isdan bij de andere leeftijdscategorieën, vraagt deze doelgroep extra aandacht in het activeringsbeleid.Grafiek 7: Evolutiegrafiek NWWZ 50 jaar of ouder Bron: Arvastat, eigen bewerking. 15
  16. 16. 4.2.4 Evolutie NWWZ naar scholingsgraad • KortgeschooldIn de evolutiegrafiek (grafiek 8)van het aantal kort geschoolde NWWZ (maximum 2e graad secundaironderwijs), zien we tussen 2006 en 2007 een afname op de 3 niveaus. Deze dalende trend zet zichdoor tussen 2007 en 2008 maar drukt zich uit in minder negatieve exacte waarden. Tussen 2008 en2009 merken we een sterke toename waarbij het arrondissement Kortrijk koptrekker is met +19.5%(West-Vlaanderen: +17.5%; Vlaanderen:(+17%). Tussen 2009 en 2010 zien we minimaleschommelingen: + 1.40% in Vlaanderen, + 0.30% in West-Vlaanderen, -1.1% in het arrondissementKortrijk.. In Vlaanderen was in 2010 50.49% van alle niet-werkende werkzoekenden kort geschoold.Grafiek 8: Evolutiegrafiek NWWZ kortgeschoolden Bron: Arvastat, eigen bewerking. 16
  17. 17. • MiddengeschooldDe evolutie van het aantal middengeschoolde NWWZ (maximum 3e en 4e graad secundair onderwijs)is gelijklopend met de trend bij de kort geschoolde NWWZ (zie grafiek 9). Het verschil tussen 2006en 2007 en tussen 2007 en 2008 is telkens negatief. Tussen 2008 en 2009 merken we eenomgekeerde trend, waarbij de toename in het arrondissement Kortrijk (+27.9%) groter is dan inWest-Vlaanderen ( +24%) en Vlaanderen (+23.90%). Tussen 2009 & 2010 is er nog een lichte stijging(0.20% in het arrondissement Kortrijk, 1.50% in West-Vlaanderen en +2.90% in Vlaanderen). 33,53%van de niet-werkende werkzoekenden is middengeschoold.Grafiek 9: Evolutiegrafiek NWWZ middengeschoolden Bron: Arvastat, eigen bewerking. 17
  18. 18. • HooggeschooldGrafiek 10 toont de evolutie van het aantal hooggeschoolde NWWZ (bachelor/master). We merkendezelfde trend als bij de kort geschoolde en middengeschoolde NWWZ. Het verschil tussen 2006 en2007 en dat tussen 2007 en 2008 is telkens negatief. Maar tussen 2008 en 2009 stijgt het aantalhooggeschoolde NWWZ. De toename in het arrondissement Kortrijk (+29.8%) is groter dan in West-Vlaanderen ( +26.40%) en Vlaanderen (+24.10%). Net zoals bij de kort geschoolde enmiddengeschoolde populatie, valt er bij de hooggeschoolden tussen 2009 en 2010 slechts eengeringe verandering van het aantal NWWZ te noteren: in Vlaanderen en West-Vlaanderen een kleinetoename met respectievelijk +6.30% en +1.40%, in het arrondissement Kortrijk lichte daling van -0.7%. In Vlaanderen was in 2010 15.99% van alle niet-werkende werkzoekenden hooggeschoold.Grafiek 10: Evolutiegrafiek NWWZ hooggeschoolden Bron: Arvastat, eigen bewerking. 18
  19. 19. 4.2.5 Evolutie NWWZ met arbeidshandicapGrafiek 11: Evolutiegrafiek NWWZ met arbeidshandicap Bron: Arvastat, eigen bewerking.Uit bovenstaande grafiek 11 kunnen we afleiden dat tussen 2009 en 2010 het aantal NWWZ met eenarbeidshandicap voor het eerst sinds 2007 daalt. Tussen 2006 en 2007 stellen we een kleine afnamevast in Vlaanderen (-1.80%) en West-Vlaanderen (-1.0%). Enkel in het arrondissement Kortrijk zienwe een minimale toename van +0.2%. Tussen 2007 en 2008 kan er een toename vastgesteld wordendie in arrondissement Kortrijk kleiner is (+2.1%) dan in Vlaanderen (+3.50%) en West-Vlaanderen(+6.6%). I Tussen 2008 en 2009 zet de stijgende trend zich door met een uitschieter in hetarrondissement Kortrijk (+12.8%). In Vlaanderen merken we een stijging van +8% en in West-Vlaanderen van +9.4%. Tussen 2009 en 2010 treedt een kentering op: het aantal NWWZ met eenarbeidshandicap daalt met -6% in West-Vlaanderen, -2.90% in Vlaanderen en -3.50% in hetarrondissement Kortrijk. 19
  20. 20. 4.2.6 Evolutie NWWZ van allochtone origineBij het aantal NWWZ van allochtone origine zien we een negatieve trend (grafiek 12). Tussen 2006en 2007 en tussen 2007 en 2008 blijven de schommelingen zeer gering. Maar tussen 2008 en 2009 isde stijging spectaculair, meer bepaald +25.30% in Vlaanderen, +28.10% in West-Vlaanderen en+27.90% in het arrondissement Kortrijk. De stijging tussen 2009 en 2010 is weer kleiner:+8.60% inVlaanderen, +12.20% in het arrondissement Kortrijk en +15.30% in West-Vlaanderen.Grafiek 12: Evolutiegrafiek NWWZ van allochtone origine Bron: Arvastat, eigen bewerking. 20
  21. 21. 4.2.7 Evolutie NWWZ naar werkloosheidsduur • Minder dan 1 jaar In onderstaande grafiek (grafiek 13) kunnen we de evolutie zien van het aantal niet- werkende werkzoekenden die minder dan 1 jaar werkloos zijn. Na een daling tussen 2006 en 2007, volgt een heel lichte stijging tussen 2007 en 2008, een uitgesproken stijging tussen 2008 en 2009 (arrondissement Kortrijk: +32.1%; West-Vlaanderen: +27.90%; Vlaanderen: +27%), en opnieuw een daling tussen 2009 en 2010. Grafiek 13: Evolutiegrafiek NWWZ minder dan 1 jaar werkloos Bron: Arvastat, eigen bewerking. 21
  22. 22. • 1 jaar tot 2 jaarGrafiek 14: Evolutiegrafiek NWWZ 1 tot 2 jaar werkloos Bron: Arvastat, eigen bewerking.Bij de niet-werkende werkzoekenden die een tot twee jaar werkloos zijn (zie grafiek 14), valt eenandere trend te noteren: een daling die langer aanhoudt (niet alleen tussen 2006 en 2007, maar ook,zij het lichter, tussen 2007 en 2008), gevolgd door een opmerkelijke stijging in 2008-2009(arrondissement Kortrijk: +37%; West-Vlaanderen: 35,50%; Vlaanderen: +35,60%). De stijging zetdoor tussen 2009 en 2010, zij het minder sterk (arrondissement Kortrijk: +20,8%; West-Vlaanderen:+20.8%; Vlaanderen: +22.50%). 22
  23. 23. • Gelijk aan of meer dan 2 jaarBij de langdurig werklozen, de niet-werkende werkzoekenden die 2 jaar of meer werkloos zijn,verloopt de evolutie weer anders. Dat valt af te lezen van grafiek 15. Tussen 2006 en 2007 verschilthet beeld van niveau tot niveau. We zien een dalende trend in Vlaanderen (-7.30%), ongeveer eenstatus-quo in West-Vlaanderen (-0.70%) en een stijging in het arrondissement Kortrijk (+3.10%).Tussen 2007 en 2008 daalt het aantal NWWZ die 2 jaar of meer werkloos zijn gevoelig, sterker danhet aantal NWWZ met 1 tot 2 jaar werkloosheid tijdens dezelfde periode Tussen 2008 en 2009 blijftde situatie ongeveer constant, maar tussen 2009 valt op de drie niveaus opnieuw een duidelijkestijging te noteren (Vlaanderen:+7.70%; West-Vlaanderen:+7% en arrondissement Kortrijk:+6.7%).Grafiek 15: Evolutiegrafiek NWWZ 2 jaar of meer werkloos Bron: Arvastat, eigen bewerking. 23
  24. 24. Onderstaande tabel laat toe een aantal conclusies te trekken over de evolutie van dewerkloosheidscijfers binnen de regio Kortrijk.Tabel 1: 2006-2007 2007-2008 2008-2009 2009-2010Anzegem -18.4% -2.5% +29% -7.5%Avelgem -19.5% -10.5% +16.7% +3.1%Deerlijk -25% -7% +27% +2.2%Harelbeke -17.2% -7.6% +24.6% -1%Kortrijk -17.9% -3.6% +26.6% +0.1%Kuurne -19.4% -5.6% +23.8% +0.7%Lendelede -16.6% -4% +17.2% +4.0%Menen -13.8% -2.4% +18.5% -1.3%Spiere-Helkijn -10.2% -12.2% +32.1% -9.9%Waregem -16.9% -5.2% +25% -2.5%Wevelgem -13.1% -9.2% +17.4% +4.4%Zwevegem -15.7% -10.5% +21.3% -4.8% Bron: http://arvastat.vdab.be/arvastat/index2.htm Tussen 2006 en 2007 en tussen 2007 en 2008 daalt het aantal NWWZ in alle steden en gemeentenvan het arrondissement. Maar tussen 2008 en 2009 merken we een algemene toename van hetaantal NWWZ. Een meer divers beeld krijgen we in 2009-2010. In Avelgem, Deerlijk, Lendelede enWevelgem zet de stijgende trend zich het sterkst door. Althans procentueel, want in absolute cijfersgaat het om een beperkte toename van de werkloosheid. Ook in Kortrijk en Kuurne houdt stijgendetrend aan, maar in zeer beperkte mate. Anzegem, Harelbeke, Menen, Spiere-Helkijn, Waregem enZwevegem slagen erin de toename van 2008-2009 om te turnen in een afname tussen 2009 en 2010. 24
  25. 25. Onderstaande figuur geeft een grafisch beeld van de procentuele stijging of daling van het aantalNWWZ tussen 2009 (jaargemiddelde) en 2010 (idem) in de gemeenten van het arrondissementKortrijk. De procentuele toename is het grootst in Lendelede, Wevelgem, Deerlijk en Avelgem(meer dan 0.8%), de procentuele daling het sterkst in Spiere-Helkijn en Anzegem.Figuur 1: regionale verdeling (procentueel verschil tussen gemiddelde 2009 en gemiddelde 2010) Bron: http://arvastat.vdab.be/arvastat/index2.htm (januari 2011) 25
  26. 26. 5 De gezondheids – en zorgsectorIn dit hoofdstuk behandelen we in een eerste paragraaf zeer beknopt de veranderingen in de vraagnaar zorg. In een tweede paragraafje zetten we enkele kenmerken van een kwaliteitsvolle zorg opeen rijtje.5.1 Een veranderende zorgvraagOver het algemeen kunnen we een stijgende vraag naar zorg vaststellen en dit in alle deelsectoren .We proberen hier een aantal specifieke veranderingen aan te geven per deelsector. Door de vergrijzing en het feit dat senioren langer in hun eigen woning blijven wonen, krijgt men eenveranderende zorgvraag. Wonen en zorg dienen beter op elkaar afgestemd te zijn. De scheidingslijntussen residentiële ouderenzorg en thuiszorg moet afgebouwd worden. De nadruk komt te liggen opde thuiswonende zorgbehoevende oudere en dus meer en meer op de thuiszorg. Verder dient erspecifieke aandacht uit te gaan naar mantelzorg, thuiszorgondersteunende diensten (kortverblijf,dagverzorging) en een thuisvervangend aanbod (woon-en zorgcentra). Tabel 2 maakt duidelijk datin alle deelsectoren van de ouderenzorg het aantal beschikbare plaatsen stijgt, dat ook hetprogrammacijfer stijgt en dat, behalve voor de rusthuizen (nu woonzorgcentra genoemd), derealisatiegraad in 2009 hoger ligt dan in 2006 . Vooral hoogbejaarden verblijven in woonzorgcentra.Omwille van het stijgend aantal hoogbejaarden is ook in deze subsector een hoge realisatiegraadgewenst. VRIND stelt: “Als men de geplande uitbreidingen mee in rekening brengt, loopt derealisatiegraad op tot 100%” (VRIND 2010, p.219).Tabel 2: Evolutie rusthuizen, serviceflats, kortverblijf en dagverzorgingscentra 26
  27. 27. Verder is er een stijgende vraag naar ambulante zorg. Dit wijst erop dat mensen langer thuis willenverzorgd worden, zonder de tussenkomst van residentiële zorg of opvang. Grafiek 16 toont destijgende vraag naar gezinszorg en aanvullende thuiszorg. Hierbij moeten we opmerken dat West-Vlaanderen hoog scoort met een realisatiegraad van meer dan 80% (VRIND 2010, p.218). Merk opdat in de thuiszorg steeds meer complexe zorgvragen voorkomen.Grafiek 16: Stijgende vraag naar gezinszorg en aanvullende thuiszorgBinnen de sector voor mensen met een beperking merken we een stijgende zorgvraag. “Alleindicatoren wijzen erop dat de zorgvraag zal blijven stijgen, wat duidelijk blijkt uit demeerjarenanalyse van het VAPH. Tegen de actuele, moeilijke economische achtergrond betekentdit dat er meer vragen op het VAPH afkomen dan de diensten en voorzieningen met hun huidigecapaciteit aankunnen.” (Website VAPH september 2010). “Sedert 2000 steeg het (semi-)residentieel aanbod met 13% en het ambulante aanbod verdubbelde. Twee derde van deaanvragen vorig jaar werden geregistreerd als vragen met urgentiecode 1 (zeer urgent) of 2(urgent). Het hoge aantal dringende zorgvragen is een belangrijk signaal dat de tekorten in dezorgsector nog bijzonder groot zijn” (VRIND 2010, p. 218).Wat de kinderopvang betreft: volgens de Barcelona norm moet 33% van het aantal kinderen uit eenbepaalde leeftijdsgroep toegang hebben tot een of andere vorm van formele kinderopvang.Vlaanderen scoort met 44,5% beter dan de Barcelona norm. Dit neemt niet weg dat er nog steedseen tekort is aan opvangplaatsen (VRIND 2010, p.211). 27
  28. 28. 5.2 Kwaliteitsvolle zorg Op basis van de verkennende interviews met verantwoordelijken van zorginstellingen (afgenomendoor de studenten sociaal werk) kunnen we heel kort een aantal eisen formuleren die aan eenkwaliteitsvolle zorg moeten gesteld worden. Vaak worden vraagtekens geplaatst bij de combinatievan tewerkstelling van kansengroepen en het behouden van kwaliteitsvolle zorg. Uit debegripsverkenning (interviews) ‘kwaliteitsvolle zorg’ kwamen een aantal kenmerken naar voren: - Effectief: de zorg moet de vooropgestelde doelstellingen behalen - Efficiënt: bij het verlenen van zorg mag er geen verspilling van middelen optreden. - Tijdig: nodeloze wachttijden moeten vermeden worden. - Patiënt georiënteerd: de zorg moet in functie staan van de noden van de patiënt en uitgevoerd worden in goed overleg met de patiënt. - Veilig: de patiënt mag geen vermijdbare schade oplopen tijdens de zorg. - Toegankelijk: er mag geen onderscheid zijn in ras, stand, financiële mogelijkheden, overtuiging,…Dit laatste kenmerk wordt vaak aangehaald ten gunste van de tewerkstelling van kansengroepen.Door de tewerkstelling van kansengroepen wordt voor bepaalde gebruikers de drempel omgebruik te maken van voorzieningen verlaagd. Gebruikers die zelf tot de kansengroepen behorenherkennen zich immers in het personeel. 28
  29. 29. 6 Acties die tewerkstelling (in de gezondheidzorg en de zorgsector) stimulerenIn het vijfde hoofdstuk geven we beknopt enkele exemplarische voorbeelden van acties die wordengenomen om de tewerkstelling van kansengroepen in de gezondheidzorg en in andere zorgsectorente stimuleren.6.1 OpleidingenTer bevordering van de tewerkstelling in de zorgsector, zet de VDAB een specifieke opleiding op,namelijk de ‘opleiding tot polyvalent verzorgende’. In West-Vlaanderen nemen tot nu toe 168cursisten deel aan deze opleiding. 143 onder hen volgen ook de bijkomende opleidingsmodule totzorgkundige . 60% van het aantal positief gemeten uitgestroomde cursisten van de opleidingpolyvalent verzorgende moeten tot de kansengroepen (m.n. kortgeschoolden, ouderen, allochtonen,personen met een arbeidshandicap) behoren. De opleiding polyvalent verzorgende omvat 1200lesuren en de cursisten moeten een aantal proeven afleggen. De bijkomende opleidingsmodule totzorgkundige omvat 120 uur en een aantal proeven. De opdracht om de opleiding aan te biedenwerd in West-Vlaanderen gegund aan het opleidingscentrum Familiezorg met als co-aannemersFamiliehulp, OC Solidariteit voor het Gezin en Thuishulp (www.vdab.be).Aangestuurd door een interfacewerkgroep ,werd door het Kenniscentrum Woonzorg Brussel en deVDAB, in samenwerking met Tracé Brussel, Familiehulp, Solidariteit voor het Gezin en Actiris, eenaanbod van beroepsopleidingen uitgestippeld. Enerzijds worden bijscholingen voorzien voorwerkzoekenden die al een diploma polyvalent verzorgende behaald hebben. Zij kunnen zichbijvoorbeeld inschrijven voor taalcursussen. Anderzijds wordt een extra opleiding polyvalentverzorgende georganiseerd, voornamelijk gericht op anderstaligen. Verder wordt er ook nog eenvooropleiding Social Profit aangeboden om de opstap te maken naar polyvalent verzorgende. Eenpromotiefilmpje promoot tewerkstelling als polyvalent verzorgende (www.woonzorgbrussel.be) .United Colours of Nursing is een Vlaams partnerschap van 14 organisaties uit het onderwijs, degezondheidszorg en openbare of intermediaire organisaties: K.H.Leuven, KATHO, UZ Leuven, AZ St.-Jan, AZ Groeninge, Gezondheidszorg H.Familie vzw, De Wingerd, Woon en Zorg H.Hart vzw, OCMWLeuven, VDAB, RESOC Leuven, Naric-Vlaanderen, VIVO, Integratiedienst Leuven. Het partnerschapwordt mee gefinancierd door het Europees Sociaal Fonds. Het is gericht op hoger opgeleiden meteen in België niet-erkend (para)medisch diploma. Er wordt een studietraject op maat aangebodenom het diploma verpleegkunde te kunnen behalen(http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/toespraak/archief/2005/050920-nursing.htm).Het infopunt Zorgopleiding is een fysiek punt om mensen geïnteresseerd te maken voortewerkstelling binnen de zorgsector en hen op een actieve manier toe te leiden naar de bestaandezorgopleidingen en naar jobs binnen de zorgsector. Het infopunt heeft bijzondere aandacht voor eenaantal specifieke kansengroepen (o.a. oudere werkzoekenden, kortgeschoolden, deeltijds werkendenen allochtonen). Meewerkende partners zijn VIVO, VDAB, KH Limburg, Stad Genk, HBO Genk,Zekenhuis Oost-Limburg, OCMW Genk, Wit-Gele Kruis Limburg(http://www.infopuntzorgopleiding.be). 29
  30. 30. Mentor vzw is erkend door de VDAB voor het aanbieden van beroepsopleidingen die praktischekennis en de juiste arbeidshouding bijbrengen. Dit kan onder andere voor een aantal beroepenwaarmee men in de gezondheidszorg en de zorgsector aan de slag kan: keukenhulp, huishoudhulp-poetshulp, assistent voor personen met een handicap (www.vzwmentor.be).6.2 Andere initiatievenIn de nu volgende paragraaf sommen we een aantal initiatieven op die tewerkstelling vankansengroepen ondersteunen en die potentieel ook tewerkstelling binnen de zorgsector kunnenstimuleren.1) Het ESF-agentschap lanceerde een oproep ‘tender werkvloerbegeleiding’ (deadline op 30 september 2010). Deze oproep is gericht naar aanbieders van werkvloerbegeleiding. De doelgroepen die in aanmerking komen voor werkvloerbegeleiding zijn personen met een arbeidshandicap, kortgeschoolden, allochtonen, ouderen (50+), kwetsbare groepen zoals omschreven in het Werkgelegenheids- en investeringsplan (uitgezonderd arbeidszorg), die ofwel ingeschreven zijn als niet-werkende werkzoekende én toegeleid kunnen worden tot een beschutte of sociale werkplaats of werkend zijn binnen een beschutte of sociale werkplaats of binnen een initiatief lokale diensteneconomie. Voor West-Vlaanderen wordt in een budget voorzien voor de VDAB-regio Brugge/Kortrijk-Roeselare/Oostende-Ieper. Concreet gaat het om 340 000 euro voor werkenden in een beschutte of sociale werkplaats of binnen een initiatief lokale diensteneconomie en 190 000 euro voor werkzoekenden met het profiel sociale werkplaats of beschutte werkplaats. De doelstelling en tevens één van beoordelingscriteria is een duurzame tewerkstelling in de reguliere economie. Deze oproep kan ook de tewerkstelling in de zorgsector ten goede komen op voorwaarde dat acties ondernomen worden in deze sector.2) Een ander initiatief is de nieuwe ESF-oproep ‘Persoonlijk ontwikkelingsplan (Pop)’ (deadline 18 januari 2011).In het kader van het Pact 20202 schuiven het departement WSE en de VDAB het concept ‘persoonlijk ontwikkelingsplan’ naar voren. De zorg voor een permanente persoonlijke ontwikkeling moet werknemers beter wapenen voor deelname aan de arbeidsmarkt. Elke werknemer heeft recht op een ontwikkelingsplan en in dat kader moet onder andere het levenslang leren gefaciliteerd worden. Organisaties die POP’s verzorgen voor deelnemers en/of organisaties die participeren aan het ontwikkelen van POP’s kunnen inschrijven voor de ESF- oproep. “Het werken met persoonlijke ontwikkelingsplannen is geen volledig nieuw gegeven. In verschillende contexten (vb. loopbaanbegeleiding, outplacement, …) wordt reeds met POP gewerkt. Doordat de finale doelstelling echter verschilt, worden er telkens andere accenten en klemtonen gelegd. Hierdoor is het werken met POP’ s momenteel eerder een fragmentarisch en ad hoc gegeven. Ook op technologisch vlak bestaan er nu reeds instrumenten, maar deze zijn niet gestandaardiseerd en enkel toegespitst op specifieke loopbaantransities (vb. het ontwikkelen van één competentie) van welbepaalde groepen van individuen die een ondersteuning kunnen bieden.” (www.esf-agentschap.be). De POP’s kunnen een middel zijn om2 Pact 2020 is een engagementsverklaring, ondertekend door de Vlaamse regering, de Vlaamse sociale partnersen het georganiseerde middenveld van de Verenigde Verenigingen. Samen willen ze twintig doelstellingenrealiseren, verspreid over vijf kernthema’s: 1)Meer welvaart en welzijn; 2)Een competitieve en duurzameeconomie; 3)Meer mensen aan de slag, in meer werkbare jobs en in gemiddeld langere loopbanen;4)Levenskwaliteit van hoog niveau; 5)Een efficiënt en doeltreffend bestuur. 30
  31. 31. vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (en dus ook in de zorgsector) beter af te stemmen op elkaar. Het biedt ook kansen voor werknemers of werkzoekenden om zich te oriënteren in hun loopbaan (eventueel in en naar de zorgsector). 3) Mensen leren niet enkel op school, maar doen ook ervaringen op in andere contexten: door te werken, door maatschappelijk actief te zijn, door een cursus of opleiding te volgen of gewoon door in het leven te staan, vrienden te helpen of kinderen op te voeden. Met het ervaringsbewijs bestaat een instrument om die opgedane ervaring te erkennen en te valoriseren. Het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid zorgt niet enkel voor een wettelijke verankering van het ervaringsbewijs maar tekent ook de dienstverlening en een nieuwe procedure uit die er moeten toe bijdragen dat mensen hun EVC werkelijk kunnen verzilveren op de arbeidsmarkt.. De nadruk ligt op competentieontwikkeling en de activering van talenten. De selectie van beroepen waarvoor ervaringsbewijzen kunnen worden uitgereikt gebeurde door het SERV (Sociaal Economische Raad van Vlaanderen) . Bij de selectie werd voorrang gegeven aan knelpuntberoepen, beroepen waarin veel kansengroepen tewerkgesteld zijn, nieuwe beroepen waarvoor geen opleiding bestaat e.d. Sinds het uitvoeringsbesluit van 23 september 2005 werden door het ESF- agentschap 6 oproepen gelanceerd voor kandidaatstelling als testcentrum. Momenteel lopen er 2 ESF-oproepen (deadline 31 januari 2011). Voor de oproep actie 1 kunnen organisaties inschrijven die een praktijkproef willen ontwikkelen voor beroepen waarvoor er nog geen gevalideerde test bestaat. Bij oproep actie 2 gaat het over de erkenning als testcentrum voor de uitreiking van bestaande ervaringsbewijzen. Uit de lijst met beroepen die in aanmerking komen voor een ervaringsbewijs selecteren we beroepen die relevant zijn voor de zorgsector. Het gaat om zowel logistieke als zorgondersteunende beroepen: keukenmedewerker, polyvalent assistent, hovenier onderhoud park/tuinen, poetshulp, begeleider voor de buitenschoolse kinderopvang, kinderverzorgster in meerlingengezinnen, kapper en receptionist/telefonist. Voor 4 van deze beroepen bestaan er reeds één of meerdere testcentra die ervaringsbewijzen uitreiken. Deze worden opgenomen in onderstaand schema.Begeleider in de buitenschoolse kinderopvang Turnhout (vzw KIKO-SPK), Hasselt (vzw PCBO), Gent (vzw VCOK)Keukenmedewerker Brussel (Horeca Vorming Vlaanderen i.s.m. VDAB), maar deze test en begeleiding kan ook plaatsvinden in Antwerpen, Gent, Hasselt of Oostende.Kapper Gent (vzw UBK/UCB).Hovenier onderhoud park/tuinen Nazareth (VDAB i.s.m. Eduplus en PCLT). De begeleiding kan gevolgd worden in Nazareth, Hasselt, Wondelgem of in een plaatselijk VDAB- kantoor. Beoordelingen kunnen plaatsvinden in de VDAB-centra van Hasselt en Wondelgem.Poetshulp Turnhout (Vormingscentrum Hoger Instituut voor(pas vanaf februari 2011 actief als testcentra) verpleegkunde Sint-Elisabeth) en VDAB (Oostende, Sint-Niklaas, Diest, Hamme en Wevelgem). 31
  32. 32. Voor andere relevante beroepen in de zorgsector bestaat er momenteel nog geen testcentrum. Het gaat hier om polyvalent assistent, poetshulp, kinderverzorgster in meerlingengezinnen en receptionist/telefonist. De regionale spreiding van de bestaande startcentra inspireert ons tot enkele kritische bedenkingen over de toegankelijkheid van deze centra. In West-Vlaanderen is er enkel een testcentrum keukenmedewerker en binnenkort één testcentrum poetshulp beschikbaar, meer bepaald in Oostende. Er is dus nog veel groeimarge op dit vlak. Maar voor een beroep waarvoor reeds 2 of meer testcentra bestaan, worden er geen nieuwe meer erkend. Dit komt uiteraard de regionale spreiding niet ten goede. Men streeft ernaar om de regionale spreiding zo groot mogelijk te maken via het afsluiten van partnerschappen tussen opleidingsaanbieders onderling (Vanden Berghe S. & Sabbe K., persoonlijk contact, 28 november 2010). In het recentste jaarrapport ervaringsbewijzen 3 van het departement Werk en Sociale Economie (2008) kunnen we lezen dat 95,4% van de kandidaten tot één van de vier kansengroepen (45- plussers, allochtonen, arbeidsgehandicapten, kort- en middelgeschoolden) behoort. Ook uit het rapport van het belevingsonderzoek4 kunnen we enkele relevante vaststellingen maken. Eerst en vooral is er een hoog slaagpercentage bij het afleggen van een test. De werkzoekenden zijn oververtegenwoordigd in de procedure maar het slaagpercentage ligt bij werkzoekenden (79%) wel lager dan bij werkenden (91%). Dit wijst op het belang van (recente) werkervaring. Professionele ervaring blijft noodzakelijk bij het inbrengen van ervaringen, enkel bij de kandidaten kinderopvang werd niet-professionele ervaring ingebracht. De meest geëigende informatiekanalen zijn werkgevers ( onder andere naar aanleiding van een sollicitatie) of de VDAB. De geslaagden geven aan dat het ervaringsbewijs een positief effect heeft op de tewerkstellingskansen en op de eigen ontwikkeling (subjectieve meerwaarde) Objectieve gegevens over de effecten van het ervaringsbewijs worden in het rapport niet weergegeven. Alles bij elkaar genomen kunnen we besluiten dat de erkenning van testcentra in West- Vlaanderen een stap in de goede richt is om geschikt personeel te vinden voor beroepen in de zorgsector. Het ervaringsbewijs maakt het tevens mogelijk kansengroepen aan te trekken voor functies in de zorgsector.4) Tussen 2007 en 2009 werd in Limburg een proefproject opgezet ter bevordering van de tewerkstelling van kansengroepen. Werknemers uit de sociale werkplaatsen werden via enclavewerking tewerkgesteld in 4 woon- en zorgcentra. De betrokken werknemers werden ingezet om de taken van het rusthuispersoneel te verlichten en om de rusthuisbewoners meer persoonlijke aandacht te kunnen geven . Het gaat bijna uitsluitend om eenvoudige, arbeidsintensieve logistieke taken die anders niet of slechts in beperkte mate worden uitgevoerd, meer bepaald : maaltijden opdienen, bedden opmaken, de bewoners begeleiden naar kinesist of kapper, bewoners vergezellen bij een wandeling, etc. Voor de effecten van dit proefproject zie verder (Van den Broeck, 2007).5) In Hoogeveen in Nederland werden werknemers in een zogenaamd Melkert-3 statuut tewerkgesteld als gastheer of gastvrouw in verzorgingstehuizen. Tot hun takenpakket behoorden de volgende taken: begeleiding van bewoners bij maaltijden, koffie drinken, eigen kamer schoonmaken, winkelen, liedjes zingen en het begeleiden van spelletjes (Van den Broeck, 2007).3 https://www.werk.be/beleid/competentiebeleid/documenten/jaarrapport_EB_2008.pdf?SMSESSION=NO4 https://www.werk.be/beleid/competentiebeleid/documenten/Rapport_beleving_effect.pdf 32
  33. 33. 6) In een aantal kinderdagverblijven in Amsterdam worden Melkert 1-werknemers tewerkgesteld als groepshulpen in de kinderopvang. Zij nemen een aantal lichte huishoudelijke en verzorgende taken over, zodat de groepsleider meer tijd heeft voor de kinderen. Ook bij buitenspelen en uitstappen hebben zij een begeleidende rol (Van den Broeck, 2007).7) In het kader van het generatiepact coördineert VIVO drie Vlaamse projecten die de instroom van kortgeschoolden bevorderen. (Zie de sectorconvenant tussen de Vlaamse Regering en de sociale partners van de social profit voor januari 2010 tot eind 2011). Ten eerste wil men meer tewerkstellingsplaatsen voorzien die deeltijds leren /werken na de opleiding mogelijk maken. Ten tweede zijn er tewerkstellingsprojecten (voorjaar 2010) voor de animatie en logistieke functies in de dagverzorgingscentra. Ten derde zijn er tewerkstellingsprojecten (voorjaar 2010) voor de functie van begeleider en logistieke functies in de buitenschoolse kinderopvang.8) In het kader van WIP-middelen (Werkgelegenheids- en investeringsplan) worden door bepaalde zorgsectoren omscholingstrajecten uitgewerkt. Bijvoorbeeld omscholing van logistiek medewerker naar verzorgende, van verzorgende naar verpleegkundige, van verzorgende naar zorgkundige, van begeleider in de kinderopvang naar zorgkundige. 33
  34. 34. 7 Resultaten7.1 Resultaten van de verkennende interviewsEen tiental studenten van de opleiding bachelor in het sociaal werk aan KATHO – IPSOC, namen inhet kader van het opleidingsonderdeel ‘Seminarie sociale problemen’ interviews af vanverantwoordelijken van de geselecteerde zorginstellingen. In hun rapport groepeerden ze deresultaten van deze interviews rond volgende zeven thema’s: - Toeleiding van kansengroepen naar de zorgsector - Onthaalbeleid - Vormingsbeleid - Begeleiding op de werkvloer - Knelpunten - Groeipotentieel voor sociale tewerkstelling in de zorgsector - Algemene opmerkingen i.v.m. tewerkstelling van kansengroepen in de zorgsector7.1.1 Toeleiding van kansengroepen naar de zorgsectorHet begrip ‘toeleiding’ wordt door de meeste zorginstellingen gedefinieerd als ‘alle activiteiten dievoorafgaan aan een arbeidscontract en die het tot een goed einde brengen van de tewerkstelling totdoel hebben’. Deze activiteiten worden meestal opgenomen door organisaties extern aan dezorginstellingen. Tot deze activiteiten behoren het aanbrengen van kandidaten voor een bepaaldefunctie en het screenen van de kandidaten. Hieronder begrijpen we het toetsen van het profiel vande kandidaten aan de eisen van de functie. Vaak voert de zorginstelling zelf ook nog een internescreening door. Dit kan gaan van een kennismakingsgesprek of een selectie-interview tot eenscreening-test. Daarin wordt gepolst naar de verwachtingen ten aanzien van de job, de inhoud vande job, enz.Bij de toeleiding en screening spelen verschillende elementen een rol. Vooreerst moeten dekandidaten aan bepaalde voorwaarden voldoen, wil de zorginstelling in aanmerking komen voorloonsubsidie. Kandidaten moeten ten tweede over de juiste competenties beschikken om de job uitte oefenen. Dit lijkt logisch maar is vaak ook problematisch omdat men niet de jobinhoud afstemt opde competenties van de kandidaat maar omgekeerd rekruteert. Bepaalde zorginstellingen geven eenaantal minimale vereisten op waaraan kandidaten moeten voldoen. Minimale vereisten kunnen zijn:zelfstandigheid, inlevingsvermogen, een bepaald niveau van Nederlandse taalbeheersing, motivatie(om een opleiding te volgen), een attest van goed gedrag en zeden kunnen voorleggen(noodzakelijkvoor bepaalde deelsectoren bv. kinderopvang), flexibiliteit op het vlak van werkuren, etc.Verschillende toeleiders worden opgesomd: het OCMW, De Poort, Werkpunt, VDAB, JobcentrumWest-Vlaanderen, Fietsrijk en Kantwerk, Mentor, enz. Mond aan mond reclame en persoonlijkecontacten worden ook als belangrijke toeleidingskanalen aangestipt. Opvallend is datzorginstellingen voor de toeleiding van kandidaat-werknemers geen beroep doen op socialeeconomie-initiatieven (bv. arbeidszorginitiatieven, LDE, …) . Ze geven wel aan daar open voor testaan. 34
  35. 35. We kunnen een aantal knelpunten formuleren met betrekking tot de toeleiding en screening vankansengroepen. Ten eerste worden toeleiding en screening in de meeste zorginstellingen niet doorde werknemers geëvalueerd. Er zijn dan ook weinig of geen gegevens beschikbaar over desubjectieve beleving van deze toeleiding door de werknemers. Ten tweede erkennen de meestezorginstellingen dat ze weinig tot geen overleg plegen met de partners die de toeleiding op zichnemen. Verder speelt de grootte van de zorginstellingen een belangrijke rol: grotere voorzieningenhebben meer mogelijkheden om energie te investeren in de toeleiding en screening (en ooktewerkstelling) van kansengroepen dan kleinere voorzieningen. En derde knelpunt is potentiëlekandidaten onvoldoende op de hoogte zijn van tewerkstellingskansen bij zorginstellingen. Tenvierde en ten laatste worden enkele factoren opgesomd die de aanwerving vandoelgroepwerknemers belemmeren: de vereiste om een attest van goed gedrag en zeden te kunnenvoorleggen, het gebrek aan interesse of motivatie bij kandidaten of een onjuist beeld van de job,de beperkte mobiliteit van kansengroepen en het feit dat ze niet altijd geschikte kinderopvangvinden.7.1.2 OnthaalbeleidIn alle interviews werd beklemtoond dat het onthaal niet anders verloopt bij kansengroepen dan bijandere werknemers. Wel krijgen werknemers uit de kansengroepen informatie over een vaak hogeraantal opvolgingsgesprekken en het traject dat daarbij wordt doorlopen. Tevens komenaandachtspunten zoals stiptheid, problemen in de rand van het werk en de scheiding tussen werken privéleven aan bod . De onthaalgesprekken worden gevoerd door een leidinggevende (bv. deverantwoordelijke van een dienst). Andere werknemers worden betrokken bij het onthaal vannieuwe medewerkers, meer bepaald bij het onthaal op de werkvloer (bv. in het kader van het meter-peterschapsysteem 5).Het onthaal gebeurt meestal individueel en op maat van de betrokkene. Voor bepaalde zaken ,bijvoorbeeld uitleg over het arbeidsreglement, worden collectieve sessies georganiseerd in de vormvan inscholingsnamiddagen, introductiedagen e.d. De meeste instellingen voorzien in aangepastefaciliteiten voor het onthaal van kansengroepen, zoals een tolk voor slechthorenden, documenten inverschillende talen, enz. De betrokken zorginstellingen formuleren een aantal knelpunten van het onthaalbeleid. Nieuwewerknemers (vooral uit de kansengroepen) worden vaak overdonderd door alle informatie die henwordt meegegeven bij het onthaal. Het is dus vooral een opdracht om het onthaal in verschillendefasen te laten verlopen waarbij de informatie stapsgewijs wordt meegegeven. Bijkomend wordtgesteld dat het onthaal meer interactief dient te gebeuren dan nu het geval is. Nu wordt vaakeenzijdig informatie meegegeven.5 Het peter-meterschapsysteem als onderdeel van het onthaalbeleid voor nieuwe medewerkers is wettelijkverplicht volgens KB 24 april 2007. 35
  36. 36. 7.1.3 VormingsbeleidInzake het vormingsbeleid willen we een onderscheid maken tussen enerzijds opleidingen dieaangeboden worden in een opleidingscentrum en die leiden tot kwalificatie binnen eenberoepsgroep, en anderzijds opleidingen/bijscholingen die kunnen gevolgd worden tijdens detewerkstelling maar die niet leiden tot een certificaat. In bepaalde deelsectoren werden specifiekekwalificerende beroepsopleidingen ontwikkeld in overleg met de VDAB, waarbij bijzondere aandachtwordt besteed aan de uitstroom van kansengroepen. Bijvoorbeeld in de thuiszorgsector kan er eenopleiding tot polyvalent verzorgende6 en een bijkomende module tot zorgkundige gevolgd worden.Diverse initiatiefnemers bieden deze opleiding aan en de VDAB volgt ze van nabij op. Naastkwalificerende opleidingen organiseert de VDAB (eventueel samen met derden) ook voorbereidendeopleidingen. Ook het onderwijs voor sociale promotie biedt een aantal opleidingen aan. Eenoverzicht van de opleidingen in welzijns- en zorgvoorzieningen, aangeboden door VDAB, en van deopleidingen sociale promotie secundair onderwijs, geven we in bijlage 2. Specifiek voorkansengroepen biedt de VDAB ook ‘taalcoaching op de opleidingsvloer’ aan, waarbij taallessenaangeboden worden tijdens het volgen van een beroepsopleiding.De meeste opleidingen en bijscholingen voor hun werknemers, organiseren de zorginstellingenintern. Voor externe vorming doen ze vooral een beroep op gratis aangeboden vorming(bijvoorbeeld door de provincie, werkgeversorganisaties, het sociaal Maribelfonds enz.). Hetvormingsbeleid wordt in de mate van het mogelijke op maat van de medewerkers uitgewerkt.Tijdens functioneringsgesprekken en consultatiegroepen verzamelt men de nodige informatie envervolgens worden individuele vormings- en begeleidingstrajecten uitgetekend.Er wordt ook sterk gebruik gemaakt van job- en taalcoaching op de werkvloer. Deze gratisbegeleiding op de werkvloer is specifiek gericht op kansengroepen. Bij jobcoaching krijgen zowel dewerknemer als de werkgever begeleiding door een bedrijfsexterne coach. Het gaat hierbij vooral overhet ontwikkelen van (communicatie)vaardigheden en attitudes met het oog op een kwaliteitsvolleen duurzame tewerkstelling. Bij taalcoaching op de werkvloer ligt het accent gelegd op hetremediëren van taalvaardigheid en het aanleren van vakjargon om een vlotte integratie van dewerknemer te bekomen.De thema’s die zorginstellingen aanhalen zijn tot op een bepaalde hoogte gelijklopend. Het gaat danvooral over algemene arbeidsattitudes en –vaardigheden. De vorming rond deze thema’s komtmeestal op de eerste plaats. Meer specifiek per deelsector of zorginstelling zijn de eisen diegerelateerd zijn aan de uit te voeren job. Hierbij denken we aan hef-en tiltechnieken,brandbijscholing, omgaan met bewoners/gebruikers, EHBO, koken volgens bepaalde diëten, hygiëne,rechten en plichten, normering omtrent voeding, HACCP-norm, etc. Gezien de hedendaagse contextschuiven de zorgvoorzieningen een aantal specifieke opleidingsnoden naar voren zoals hetsamenwerken met anderstaligen en met mensen uit verschillende culturen. De thema’s die specifiekzijn voor de taakinhoud komen vaak op de tweede plaats, na de meer algemene attitude – envaardigheidstraining. Belangrijke aandachtspunten bij het aanbieden van vorming aankansengroepen zijn het laagdrempelig karakter, gebruik van visuele en andere ondersteuning, kleinedeelnemersgroepen, etc.Alle zorgvoorzieningen zijn het er over eens dat er nog meer aangepaste opleidingen kunnengeorganiseerd worden door de VDAB in samenspraak met een bepaalde voorziening of met een6 partners.vdab.be/cvs/.../Projectfiche%20Tender%20Social%20Profit.doc 36
  37. 37. bepaalde sector. De opleiding polyvalent verzorgende kan als richtinggevend voorbeeld dienen.VDAB dient in deze op te treden als organisator en cursusontwikkelaar. Er wordt ook opaangedrongen de piste van Eerder Verworven Competenties verder uit te bouwen, met specialeaandacht voor kansengroepen. Erkenning van competenties, verworven via een engagement injeugdwerk, door vrijwilligerswerk, door thuiswerken etc., is nog lang geen vanzelfsprekendheid inhet tewerkstellingsbeleid van kansengroepen.Op organisatorisch vlak blijft het aanbieden van vorming voor problemen zorgen. Zelf vormingorganiseren is zeer tijdsintensief. Andere knelpunten zijn de taal, de fysieke afstand, de hogewerkdruk en een te grote heterogeniteit binnen de deelnemersgroep. De zeer snel veranderendemaatschappij maakt dat er hoge eisen gesteld worden aan kansengroepen in de zorgsector. Zo haaltFamiliehulp aan dat de cultuur binnen gezinnen sterk verandert, dat er steeds weer andere en meerverschillende ziektebeelden voorkomen en dat zorgmedewerkers die koken als taak hebbenrekening moeten kunnen houden met diverse diëten.7.1.4 Begeleiding op de werkvloerWat betreft de begeleiding van werknemers op de werkvloer, blijkt uit de interviews datzorginstellingen enerzijds jobcoaching (zie punt 6.1.3) aanbieden en anderzijds zelf en dus internbegeleiding organiseren. Naast deze begeleiding, gericht op het ingroeien in de job, is er ook debredere begeleiding van de doelgroepwerknemer (bijvoorbeeld bij problemen met kinderopvang,huisvestingsproblemen, financiële problemen, etc.). Voor deze begeleidingsvragen doenzorgvoorzieningen een beroep op externe welzijnsorganisaties (bijvoorbeeld het OCMW, een sociaalverhuurkantoor, kinderopvang, etc.). In de mate dat deze begeleidingsvragen tot de opdracht van deorganisatie behoren (bv. kinderopvang aanbieden), worden deze ook intern opgenomen.Bij het aanbieden van interne begeleiding, volgen de meeste zorginstellingen een geijkte procedure,met een eigen fasering en met eigen methodieken.Verschillende medewerkers worden belast met de begeleiding. Ten eerste een afdelingshoofd ofsectorverantwoordelijke; deze beschikken over een A1 diploma en vaak wordt hen gevraagd eenbijkomende opleiding personeelsmanagement te volgen. Ten tweede experimenteren bepaaldezorgvoorzieningen met mentoren op de werkvloer. Deze mentoren zijn geroutineerde werknemersdie het mentorschap op zich willen nemen. Hun constante begeleiding op de werkvloer wordtpositief ervaren. Verder is ook het meter-peterschap in de meeste zorgvoorzieningen ingevoerd.De vorm van de begeleiding ziet er voor alle zorgvoorzieningen gelijklopend uit. Hetbasisbegeleidingstraject of inscholingsprogramma is voor elke doelgroepwerknemer gelijk . Hetbestaat in grote lijnen uit onthaal, het volgen van een passende opleiding, inzicht verwerven in dejob, zelfstandig uitvoeren van deeltaken, verantwoordelijkheid opnemen met als finaliteit hetzelfstandig en onder gezag goed functioneren.Bij bepaalde zorgvoorzieningen is de timing van de verschillende fasen voor elk individu verschillend .Ze kan aangepast worden aan het tempo van de doelgroepwerknemer. Hier wordt aanvullend eenindividuele checklijst gebruikt om bepaalde taken stapsgewijs aan te leren. Bij anderezorgvoorzieningen is deze fasering strikter bepaald. Het staat vast wat na één dag, één week, enz.,moet worden bereikt en na een periode van X maanden moet het traject afgewerkt zijn. Op basisvan evaluatiegesprekken worden deze fasen van het basistraject opgevolgd en bijgestuurd.Cruciaal bij de begeleiding op de werkvloer is de motivatie die uitgaat van de doelgroepwerknemer(voelt hij de tewerkstelling aan als een verplichting, is hij extern en/of intern gemotiveerd voor de 37
  38. 38. job). De begeleiding moet afgestemd worden op de aanwezige motivatie.. Die begeleiding isverschillend van de begeleiding van andere werknemers: er zijn meer contactmomenten en hettraject verloopt flexibeler.Motivatie bij de doelgroepwerknemer is wel degelijk van cruciaal belang voor een duurzametewerkstelling in de zorginstelling, zo blijkt uit de interviews. Alles staat en valt eigenlijk metmotivatie. Verder is ook de bereidheid van het bestaand personeel om een doelgroepwerknemer opte nemen in het team en eventueel het mentorschap of meter-peterschap op te nemen, cruciaal.Ook het vinden van een evenwicht tussen privé en werk is doorslaggevend voor het welslagen van detewerkstelling. Hun kwetsbare privésituatie verhindert doelgroepwerknemers vaak te voldoen aande eisen van regelmaat die nu eenmaal met arbeid in dienstverband gepaard gaan. Overigens is hetvoor zorginstellingen niet altijd even makkelijk om met de beperkte beschikbare middelen voldoendemaatwerk te leveren bij de begeleiding van doelgroepwerknemers.7.1.5 KnelpuntenIn deze paragraaf geven we een aantal knelpunten weer die tijdens de interviews naar vorenkwamen. Eerst en vooral stippen de verantwoordelijken van zorginstellingen aan dat de afstandtussen de sociale economie en het regulier economisch circuit groot is. De zorgvoorzieningen latenopmerken dat 3 deelgroepen ondervertegenwoordigd zijn, namelijk allochtonen, mensen met een(arbeids)handicap en mannen. Het gebrek aan overleg met screeningspartners of toeleiders wordthierbij ook als een tekort ervaren. Verder gelden in de zorgsector diplomavereisten voor bepaaldejobs waardoor de lat hoog ligt en het moeilijk wordt om kansengroepen in deze jobs tewerk testellen. Het hoge werkritme bemoeilijkt de vlotte inschakeling van doelgroepwerknemers in hetregulier economisch circuit en in de zorgsector is dat niet anders. De zorgsector kent een grootpersoneelsverloop en vele interne personeelswissels. Bijvoorbeeld krijgen werknemers metrugklachten de kans om binnen de instelling te veranderen van job. Functies die door interneverschuivingen worden ingenomen, staan dan niet meer open voor doelgroepwerknemers. Allegeïnterviewden drukken hun bezorgdheid uit over de gevolgen van de tewerkstelling vankansengroepen voor het vrijwilligerswerk. Tewerkstelling van kansengroepen wordt niet echt gezienals een verdringing van het vrijwilligerswerk aangezien vrijwilligers niet echt zorgtaken opnemen.Toch is waakzaamheid nodig waar het gaat om andere dan zorgtaken (gezelschap, voedselbedeling,etc.).De financiering van de tewerkstelling van doelgroepwerknemers is niet vanzelfsprekend. Eens desubsidiëring wegvalt, is het moeilijk doelgroepwerknemers in dienst te houden en ze intern te latendoorstromen. Voor de sector kinderopvang voorziet de overheid niet of slechts in eenontoereikende personeelsomkadering voor o.a. een klusjesman of – vrouw, een administratievekracht, een naaister voor herstellingen, en poetsvrouw, een logistieke kracht, etc. Verder wordtopgemerkt dat de loonsubsidiëring onvoldoende is en dat er geen subsidiëring voorzien is voor hetonthaal, de begeleiding en de vorming van kansengroepen. Bijkomend wordt aangestipt dat deloonsubsidiëring enkel vanuit het beleidsdomein tewerkstelling komt maar niet vanuit hetbeleidsdomein welzijn. Wat betreft de tewerkstelling van werknemers van allochtone origine, blijktdat niet zozeer het contact tussen een allochtone medewerker en de gebruikers problemen oplevert,maar het contact tussen allochtone medewerkers en hun autochtone of allochtone collega’s. Het isbelangrijk dat afdelingshoofden leren omgaan met dergelijke conflicten. Verder vormen vooral het 38
  39. 39. niet kennen van de Nederlandse taal en meer specifiek het dialect, en de beperkte mobiliteit vankansengroepen, drempels voor tewerkstelling in de zorgsector.7.1.6 Groeipotentieel voor sociale tewerkstelling in de zorgsectorUit de interviews blijkt dat kansengroepen op vandaag vooral ingeschakeld worden voor hetopnemen van niet-zorgtaken (bv. onderhoud, keuken, groendienst). De kinderopvang vormt daarbijeen uitzondering: kansengroepen worden effectief ingeschakeld in het opvangen en verzorgen vankinderen. Een andere uitzondering is de toeleiding en tewerkstelling, in het kader van het Equal-project ‘United Colours of Nursing’, van allochtonen die een medisch diploma hebben dat nieterkend wordt in Vlaanderen. Alle bevraagde zorgvoorzieningen zien mogelijkheden in detewerkstelling van kansengroepen in zorgtaken. De geïnterviewden willen dat het zorgpersoneel dediversiteit binnen de huidige maatschappij weerspiegelt. Toch blijft men zeer sceptisch over desoorten taken die kansengroepen kunnen opnemen. Op dit moment worden al initiatieven genomenom de inschakeling van kansengroepen te verhogen. Onder andere in de kinderopvang stimuleertmen sterk het volgen van een opleiding. Een andere piste die ook onder andere in de kinderopvangmeer aandacht krijgt, is het erkennen van EVC via het diversiteitsplan. EVC in hogere mate erkennenkan de tewerkstelling van kansengroepen verhogen. Maar ook in de logistieke taken zit er noggroeimarge. Bijvoorbeeld binnen de sector kinderopvang wordt er geen of een ontoereikendepersoneelsomkadering voorzien voor o.a. een klusjesman of –vrouw, een administratieve kracht, eennaaister voor herstellingen, een poetsvrouw, een logistieke kracht, etc. Hiermee is een hiaataangetoond binnen de sector en dat hiaat zou kunnen opgevuld worden via de tewerkstelling vankansengroepen.Om tewerkstelling van kansengroepen (in de zorgsector) te verhogen moeten een aantalvoorwaarden vervuld zijn. Zo is het belangrijk dat kinderopvang op maat van kansengroepenuitgebouwd wordt, zodat ouders uit kansengroepen uit werken kunnen gaan. Om een duidelijk zichtte krijgen op de verschillende taken waarmee kansengroepen belast kunnen worden is eentaakanalyse en/of taaksplitsing een goede oefening. De bevraagde zorgvoorzieningen hebben weinigtot geen ervaring met taaksplitsing. Onder taaksplitsing begrijpen we het afsplitsen van bepaaldetaken van bepaalde jobs om met de afgesplitste taken een nieuwe job te creëren. Wel bestaat degewoonte om een bepaalde job in onderdelen op te splitsen, zodat een nieuwe werknemer dezejob stapsgewijs, onderdeel per onderdeel, kan aanleren. Er worden geen speciale functieprofielenuitgeschreven op maat van een bepaald individu of op maat van kansengroepen in het algemeen.Potentiële werknemers solliciteren voor een bepaalde functie en moeten beantwoorden aan deverwachtingen van de voorziening.In de interviews werden een aantal specifieke domeinen opgesomd met groeipotentieel voortewerkstelling van kansengroepen. Een van deze niches is het uitbouwen van voor- en naschoolseopvang van kinderen in de scholen zelf. Er is ook een groot groeipotentieel binnen de aanvullendethuiszorg. Een andere potentieel tewerkstellingskader van kansengroepen vormt de aanpassingvan woningen om zorgbehoevende personen zo lang mogelijk in de eigen woning te laten verblijven.Een knelpunt vinden we bij de kwalificatie van het personeel in de zorgsector. Indien de werknemersniet over de vereiste/gewenste diploma’s of kwalificaties beschikken, heeft dit een impact op desubsidies die de voorziening ontvangt. Wettelijk is het bovendien vaak onmogelijk om bepaaldetaken uit te voeren als men niet over het juiste diploma beschikt. Het grootste potentieel voor 39
  40. 40. tewerkstelling van kansengroepen valt bij de logistieke taken te situeren, zo menen degeïnterviewden.Om tewerkstelling van kansengroepen mogelijk maken, wordt er vaak voor gepleit minder complexetaken af te splitsen van de functie van beroepskrachten (bijvoorbeeld verpleegkundigen) en deafgesplitste taken samen te voegen tot nieuwe functies voor doelgroepwerknemers.Beroepskrachten zouden op die manier een lichter takenpakket krijgen en zich op hun kerntakenkunnen toespitsen. Diezelfde beroepskrachten vrezen dat, als te veel van hun taken wordenafgesplitst, ze ook minder afwisseling zullen ervaren in de taakuitvoering. Taakafsplitsing zou daneerder de uitholling dan wel een verlichting van de job meebrengen.7.1.7 Algemene opmerkingen i.v.m. tewerkstelling van kansengroepen in de zorgsectorIn deze paragraaf verzamelen we enkele algemene opmerkingen die naar voren werden gebrachttijdens de interviews. Er wordt op gewezen dat de sector kinderopvang zeer versnipperd is (grote,kleine en middelgrote initiatieven). Dit maakt het enerzijds moeilijk voor de ouders, anderzijdsmoeilijk voor de mensen die werk zoeken in deze sector. Verder bemoeilijkt de versnippering van hetaanbod de professionalisering van de kinderopvang. Voor de sector zijn verschillende soortenerkenningen in voege. Deze hebben een slecht personeelsstatuut met elkaar gemeen. Voor dekinderopvang is er wel een wettelijk kader voor de tewerkstelling van kansengroepen. In de meesteandere deelsectoren van de zorg ontbreekt dergelijk kader.De zorgvoorzieningen hebben alle de tewerkstelling van kansengroepen opgenomen in hun missie,niet als een bekommernis in de marge van de eigenlijke doelstellingen, maar als een integraal deelervan. Iedereen kan groeien in zijn job mits voldoende begeleiding en vorming. Voor iedereen is ereen job die bij hem past. Iedereen verdient nieuwe kansen. Deze beleidsvisie wordt in hetdiversiteitsplan geconcretiseerd en geoperationaliseerd. 40
  41. 41. 7.2 Resultaten van de data-analyseNa de weergave van de gegevens uit de interviews met de zorgvoorzieningen in de vorige paragraaf,volgen nu de resultaten van de schriftelijke data-analyse . Eerst gaan we dieper in op de definiëringvan het begrip kansengroepen door de verschillende zorgvoorzieningen. Dan volgen enkele gegevensover het aantal tewerkgestelde medewerkers uit de kansengroepen. Te slotte staan we stil bij defuncties waarin kansengroepen tewerkgesteld (kunnen) worden.De verzamelde gegevens zijn niet altijd optimaal vergelijkbaar wegens een verschillendreferentiejaar.. De bevraagde voorzieningen bezorgden ons cijfers die gebaseerd zijn op hetpersoneelsbestand in 2010, met uitzondering van Familiehulp, dat het personeelsbestand in 2009 alsvertrekpunt nam.7.2.1 Definiëring van kansengroepenDe verantwoordelijken van de zorginstellingen werd gevraagd hoe zij de term ‘kansengroepen’omschrijven en afbakenen. In functie van de subsidiëring rekenen alle bevraagde instellingen de vier door de VDAB naar vorengeschoven prioritaire doelgroepen van het kansenbeleid tot de groepen waarvoor ook zij bijzondereinspanningen willen doen: kortgeschoolden, ouderen, allochtonen en personen met eenarbeidshandicap. Toch hanteren de instellingen in de praktijk een bredere definitie vankansengroepen: iedereen die een extra duwtje in de rug nodig heeft om duurzaam aan de slag tekunnen gaan wordt er toe gerekend. Denk aan niet regulier tewerkgestelde werknemers, langduriguitkeringsgerechtigden, langdurig werklozen, rechthebbenden op een leefloon en OCMW-cliënteel.Opvallend is dat alle organisaties ook de diverse statutaire regelingen gebruiken om dekansengroepen te benoemen (bv. Activa, Sine, art.60§7, WEP+, enz.).7.2.2 Tewerkgestelde kansengroepenIn dit onderdeel schetsen we een beeld van het aandeel van medewerkers die tot dekansengroepen behoren in de totale tewerkstelling binnen de bevraagde zorginstellingen. Het is eenbeperkt beeld, want een scherp zicht op de situatie kunnen niet alle organisaties ons bieden. Watbetreft de personeelsomvang kunnen we de bevraagde instellingen rangschikken van groot naarklein. Familiehulp en AZ Groeninge zijn de grootste organisaties; dan volgen CKO, OCMW Kortrijk enH.Hart.(Let wel, bij dit onderzoek is enkel de afdeling Pamele, tehuis en dagcentrum voor NAH vanH.Hart betrokken.) Voor drie van de vijf bevraagde instellingen konden we het aandeel medewerkersdie tot de kansengroepen behoren in het totale personeelsbestand berekenen, namelijk voor H. Hart(enkel afdeling Pamele), OCMW Kortrijk en CKO. Kansengroepen maken 20.7%, respectievelijk 28.9%en 26,7% uit van het personeelsbestand. In een volgende paragraaf bekijken we in welke jobs dedoelgroepwerknemers worden tewerkgesteld.Voor de vijf bevraagde instellingen geldt dat kansengroepen niet vertegenwoordigd zijn in hetomkaderingspersoneel. 41
  42. 42. 7.2.3 Functies waarin kansengroepen tewerkgesteld zijn/kunnen zijnUit de verzamelde data kunnen wij de beroepsgroepen destilleren die actief zijn binnen deverschillende diensten en daarbij de jobs aangeven waarin op vandaag doelgroepwerknemers zijntewerkgesteld. Deze lijst is gebaseerd op het aangeleverde materiaal vanuit de betrokkenzorgvoorzieningen. Dit sluit niet uit dat in de betrokken of in andere zorgvoorzieningenkansengroepen tewerkgesteld worden in jobs die niet opgenomen zijn in deze lijst.In tabel … geven we in de linkerkolom de verzameling van alle jobs weer, in de rechterkolombenoemen we de jobs waarin op vandaag kansengroepen tewerkgesteld zijn. De beroepsgroependie een verschillende benaming hebben maar wel dezelfde werkinhoud , worden gegroepeerd. Deberoepsgroepen worden in categorieën ondergebracht volgens de rubricering van Beckers en Nijhuis(2005). Deze auteurs onderscheiden vier soorten functies (zie figuur 2)Figuur 2: Functiehuis van Beckers en Nijhuis Management- Expertfuncties functies PATIENT Verpleegkun- Algemene en dige en zorgonder- verzorgende steunende functies functies (Bron: http://www.vvizv.be/Documents/Functiedifferentiatievs30092009.pdf)We onderscheiden dus 4 hoofdgroepen van functies in wat het ‘functiehuis7’ genoemd wordt. Onderhet begrip ‘managementfuncties’ verstaan we de functies die zorgen voor de randvoorwaardenzodat het primair zorgproces en de ondersteunende functies in goede omstandigheden verlopen. Zezijn niet onmiddellijk bij de patiëntenzorg betrokken. Het zijn hiërarchische functies.Tot de groep ‘expertfuncties’ behoren de functies in de directe patiëntenzorg die gericht zijn op hetgeven van advies, op onderzoek, onderwijs of het bieden van een bijzondere expertise opverpleegkundig gebied of een ander aspect van de patiëntenproblematiek.De ‘verpleegkundige en verzorgende functies’ zijn de functies die de directe patiëntenzorg plannen,uitvoeren en evalueren en die dus instaan voor het primair zorgproces.7 http://www.vvizv.be/Documents/Functiedifferentiatievs30092009.pdf 42
  43. 43. De laatste groep zijn de ‘algemene en zorgondersteunende functies’ die verantwoordelijk zijn voor deuitvoering van indirecte patiëntenzorg zowel in de onmiddellijke nabijheid van de patiënt als verderweg van de patiënt. Ze zorgen ervoor dat de secundaire aspecten van het zorgproces wordenuitgevoerd en ondersteunen hierdoor de zorgverleners in het primair proces.Onderstaande de tabel toont de beroepsgroepen waarin kansengroepen op vandaag tewerkgesteldzijn in de bevraagde voorzieningen.Tabel 3: Beroepsgroepen Functies Verschillende beroepsgroepen Beroepsgroepen waarin kansengroepen op vandaag tewerkgesteld zijn Directeur / Adjunct van de directeur / Coördinator /Managementfuncties Teamverantwoordelijke Dienstverantwoordelijken Hoofdverpleegkundigen / Adjunct hoofdverpleegkundigen / Hoofdopvoeder / GroepschefExpertfunctie Wetenschappelijk medewerker / Verpleegkundige (B en C niveau) / Bewegings- en creadeskundige /Verpleegkundige en Zorgkundige Zorgkundigeverzorgende functies Verzorgenden Verzorgenden Professionele oppassers Professionele oppassers Begeleid(st)er Begeleid(st)er Kinderbegeleid(st)er Kinderbegeleid(st) Onthaalouder Onthaalouder Huishoudhulp Huishoudhulp Technieker Technieker Klusjesman of – vrouw Klusjesman of – vrouw Medewerker technische dienst Medewerker technische dienstAlgemene en Hulparbeider Hulparbeiderzorgondersteunende Poetshulp Poetshulpfuncties Schoonmaker/schoonmaakster Schoonmaker/schoonmaakster Onderhoudspersoneel Onderhoudspersoneel Logistiek assistent Logistiek assistent Logistieke ondersteuning Logistieke ondersteuning Keukenmedewerker Medewerker keuken Administratief medewerker / Administratief assistent Administratief assistent Kok Kok 43
  44. 44. Vooral in managementfuncties, verpleegkundige functies en expertfuncties zijn er geenkansengroepen tewerkgesteld . In de verzorgende, algemene en zorgondersteunende functies zijnde kansengroepen sterk vertegenwoordigd. Het is in deze functiegroepen dat er groeipotentieel isvoor de tewerkstelling van kansengroepen in de zorgsector.In een volgende paragraaf geven we per beroepsgroep een functieomschrijving. Daarmee willen weeen aanzet geven tot discussie over een mogelijke afsplitsing van taken die doelgroepwerknemerskunnen worden toebedeeld. 44
  45. 45. 7.2.4 Functieomschrijvingen en diplomaniveau voor beroepsgroepenHieronder geven we de beroepsgroepen weer met het grootste groeipotentieel voor de tewerkstelling van kansengroepen of die mogelijkheden biedenom een taakherschikking door te voeren . We baseren ons hiervoor op de gegevens die we doorgestuurd kregen van de verschillende voorzieningen.De oefening die we hier maken biedt slechts een eerste aanzet tot overleg en discussie. Bij een oefening ten gronde, die een breed gedragen resultaat kanopleveren, moeten alleszins de beroepsfederaties en de sociale partners betrokken worden.We splitsen de taken die bij de verschillende beroepsgroepen horen op in 3 kleuren. De groene taken zijn opdrachten die ons inziens een professioneleopleiding veronderstellen. Daar zijn er bijgevolg weinig tot geen kansen voor tewerkstelling van kansengroepen. De oranje taken zijn de taken waarbinnenwe taakherschikking mogelijk achten. De rode taken zijn opdrachten waarvoor, met het oog op een optimale organisatie van de zorg, ons inziens beterandere medewerkers dan professionals worden ingezet. Bepaalde beroepen omvatten taken die bijna alle geschikt zijn voor de tewerkstelling vankansengroepen. Bij deze beroepsgroepen worden alle taken in de oranje kolom opgenomen.Bij de competenties maken we onder andere gebruik van volgende indeling:A niveau: academisch of hogeschoolniveau met een academisch niveauB niveau: diploma hogescholenonderwijs van één cyclusC niveau: diploma secundair onderwijsD niveau: geen diplomavereisten 45
  46. 46. Verpleegkundige B en C niveau - Interdisciplinair overleg (overleg en advies): bij de dagelijkse overdracht ; in teamvergaderingen; in werkgroepen rond kwaliteitszorg, incontinentiezorg, palliatieve zorg, hef en til. - Klaarzetten en toedienen van medicatie  Overleg en advies worden meer en meer op de voorgrond geplaatst, samen met de coördinerende en organisatorische taken van verpleegkundigen. Naast een aantal specifieke technisch verpleegkundige handelingen (complexe zorg), zullen coördinatie en organisatie in de toekomst een belangrijk deel uitmaken van het takenpakket van de verpleegkundige. - Het uitvoeren van de technisch verpleegkundige prestaties en handelingen die aan verpleegkundigen kunnen worden toevertrouwd. Observeren en rapporteren van de gezondheidstoestand van de bewoners inbegrepen (verpleegkundig) - Uitvoeren van hygiënische zorgen, transferhulp, incontinentiezorg, hulp en toezicht rond voeding, begeleiding van personen met NAH, zorg bij overlijden (verzorgend) - Decubituspreventie, bewaken van overgewicht, comfortabele lig- of zithouding, algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL), passiviteiten dagelijks leven (PDL) (preventie) - Aandacht hebben voor het economisch en verantwoord gebruik van materialen. - Opvolgen en sturen van interventies opdat de bewoner zich goed kan ontplooien in de groep en een optimale relatie kan behouden met de familie en omgeving (psychosociaal) - Bewonersdossier, overdracht van informatie, verschillende formulieren op de gepaste manier gebruiken (administratie)  Hier zien we heel wat mogelijkheden om taken te herschikken en bepaalde opdrachten toe te vertrouwen aan andere beroepsgroepen, zodat de verpleegkundige zich kan concentreren op zijn kerntaken. Bij de technisch verpleegkundige prestaties is taakafspitsing zeer moeilijk omdat de veiligheid van de patiënt ten volle moet gegarandeerd worden. Standaardcontroles zoals het meten van de bloeddruk en de lichaamstemperatuur kunnen eventueel wel worden afgesplitst. - Zorgen voor orde en netheid op de afdeling en aandacht hebben voor de sfeer.  Dit zijn taken waarbij zeker andere beroepsgroepen of kansengroepen kunnen ingeschakeld worden. Het gaat hier over arbeidsintensieve taken waaraan erwegens de werkdrukt thans weinig tijd kan besteed worden. 46
  47. 47. Verzorgende /zorgkundige C niveau (met zevende jaar voor zorgkundige) Bekwaamheidsattest polyvalent verzorgende/zorgkundige- Persoonsverzorging: alle activiteiten van het dagelijks leven (onder andere hygiënische verzorging, toedienen van voeding en vocht, aan-en uitkleden, mobiliseren en positioneren, zorgen voor rust en slaap, oppassen en ondersteuning aanbieden.)- Zorg voor het algemeen functioneren op lichamelijk vlak: ondersteunen van gezondheidsopvoeding en –voorlichting, begeleiden in de dagdagelijkse medicatie-inname, toezien op een (normale) uitscheiding, mondzorg, toepassen EHBO, orale vochtinname observeren, observeren van een blaassonde, observeren en rapporteren, hygiënische verzorging van een geheelde stoma, preventie van decubitus, infecties, … ).- Zorgen voor het algemeen functioneren op sociaal en psychisch vlak: communicatie met de zorgvrager en zijn omgeving, opbouwen van een vertrouwensrelatie, functionele contacten onderhouden, psychosociale begeleiding, ondersteuning van het dagprogramma, observeren en rapporteren.- Functioneren binnen de organisatie van de dienstverlening: interne communicatie, opbouwen van de eigen deskundigheid, administratie en kwaliteitszorg.- Meten van polsslag en lichaamstemperatuur en resultaten doorgeven- Zorgen voor woon- en leefklimaat: creëren van een aangenaam woon- en leefklimaat, aandacht voor orde en netheid, bedden opmaken, afwas doen, opdienen en afruimen, licht poetswerk, boodschappen doen, helpen bij administratie, …- Vervoeren van zorgvragerOver het onderscheid tussen verzorgende en zorgkundige heerst er in het werkveld maar ook op beleidsniveau (Vlaams, federaal, beroepenfederaties …)onduidelijkheid. “Zorgkundige mag niet beschouwd worden als de beschrijving van een nieuw beroep. De zorgkundige is een volwaardig gekwalificeerdeverzorgende die door haar specifieke bijkomende vorming bekwaam is om het beroep van verzorgende uit te oefenen in de zorgsituaties die vallen onder detoepassing van de wetgeving op de gezondheidszorgberoepen zoals beschreven in KB 78” (Zorg voor de zorgende, Zorgnet Vlaanderen). De uitoefening vanalle gezondheidsberoepen is beschermd door het zogenaamde KB 78. Daarin staat vermeld dat verzorgenden een aantal taken uitvoeren die beschermd zijnals ‘verpleegkundige taak’. Om de verzorgenden toe te laten hun job legaal te laten uitoefenen en dus vervolging te vermijden omwille van het onwettiguitvoeren van verpleegkundige taken, is op federaal niveau het KB van de zorgkundige uitgevonden. Dat KB legt een aantal taken vast die zorgkundigenonder verpleegkundig toezicht mogen uitvoeren. Dit KB is te vergelijken met een juridisch veiligheidsvestje, dat zorgkundigen aantrekken bij het uitvoerenvan hun taken. 47
  48. 48. Uit het KB van 12 januari 2006 op de zorgkundige leiden we volgende definitie van ‘zorgkundige’ af. “De persoon die specifiek is opgeleid om deverpleegkundige onder zijn/haar toezicht bij te staan inzake zorgverstrekking, gezondheidsopvoeding en logistiek, in het kader van dedoor de verpleegkundige gecoördineerde activiteiten binnen een gestructureerde equipe” (http://ond.vvkso-ict.com/vvksosites/download/personenzorg/publicatieKBzorgkunde.pdf).De omschrijving van het beroep verzorgende en de taken die opgesomd zijn in het KB 12 januari 2006, komen in grote mate overeen maar toch zijn er nogtal van vraagtekens en onduidelijkheden die tot op vandaag niet opgelost zijn.De volgende personen komen in aanmerking voor erkenning als zorgkundige: - Leerlingen die een getuigschrift van de studie van het tweede jaar van de derde graad van het secundair onderwijs, BSO of TSO, richting “personenzorg”, onderafdeling “hulp aan personen” bezitten, alsook een getuigschrift uitgereikt op het einde van een opleiding zorgkundige. De opleiding tot zorgkundige wordt aangeboden als een zevende jaar in het kader van voltijds onderwijs of op een gelijkwaardig wijze in het onderwijs voor sociale promotie. Op 21 mei 2010 schreef minister Vandeurzen het volgende: “Zorgkundigen die de opleiding hebben gevolgd met een verkort traject voor het getuigschrift sociale promotie kunnen momenteel niet aan de slag in een woon- en zorgcentrum omdat de erkenningscommissie van de Nationale Raad voor Verpleegkunde hun diploma niet erkent. Dit zal verder onderhandeld worden.” - Studenten die een getuigschrift bezitten waaruit blijkt dat de betrokkene is geslaagd: - ofwel voor het eerste jaar van de opleiding bachelor in de verpleegkunde, - ofwel voor het eerste jaar van de opleiding gegradueerd verpleegkundige, - ofwel voor het eerste jaar van de opleiding gebrevetteerd verpleegkundige.Bovendien zijn er heel wat overgangsmaatregelen voor wie nu al werkzaam is in de verzorgingssector. 48
  49. 49. Professionele oppassers D niveau(Oppas voor zorgbehoevende volwassenen)- Toezicht op de thuissituatie- Verwarmen van bereide maaltijden- Helpen bij eten en drinken van de zorgvrager- Helpen in en uit bed gaan van de zorgvrager- Helpen bij verplaatsingen in huis- Aan- en uitkleden- Helpen bij toiletgang- Begeleiden tijdens wandeling- Gezelschap houden 49
  50. 50. Begeleid(st)er C niveau: jeugd- en gehandicaptenzorg- Bijdragen tot de kwaliteit van leven: emotioneel welzijn, inter-persoonlijke relaties, materieel welzijn (gepaste kledij, aankopen verjaardagcadeau, …), persoonlijke ontwikkeling, fysiek welzijn, zelfbepaling, sociale inclusie en rechten.- Opbouwen en onderhouden van een professionele relatie met de persoon met een handicap (acceptatie, wederzijds respect en evenwichtige balans) en zijn omgeving (familie, ouders, voogd, …).- Vertegenwoordiging van de zorgvrager in overleg met collega’s, leidinggevenden, deskundigen en ondersteunende diensten samenwerken.- Bijhouden van het dossier en invullen van de gegevens in de zorgplanning- Aandacht voor de totale leefsituatie van de persoon (verleden, heden en toekomst)- Aandachtig observeren en rapporteren- Kwaliteit van leven bevragen en rapporteren- Begeleiden en evalueren van activiteiten.- Aandacht voor economisch en verantwoord gebruik van materialen.- Zorgen voor een gezellige sfeer- Zorgen voor orde en netheid 50

×