UNIVERSITEIT ANTWERPEN

                Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen

                              John...
Inhoudstafel


Inhoudstafel                                           1
Inleiding                                         ...
Inleiding


John Kenneth Galbraith is een fascinerend economisch denker. Hoewel miljoenen met veel
plezier zijn theorieën ...
Hoofdstuk 1: Leven


Op 15 oktober 1908 werd John Kenneth Galbraith, ‘Ken’ voor zijn vrienden, geboren in Iona
Station, On...
dat de klassieke economische theorieën geen praktisch nut meer hadden. Zo zei hij over het
werk Principles of Economics va...
uiteraard niet om met de verstikkende bureaucratie die er heerste en na een jaar ging hij
opnieuw bij Fortune aan de slag....
post-colonial world’. In 1967 wond hij er nog minder doekjes om door samen met de andere
leden van de ‘Americans for Democ...
dat ze een snel dalend marginaal nut hebben voor de ontvanger. (Beishuizen, 1994, blz. 14,
33-34 ).




                  ...
Hoofdstuk 2: Galbraith’s persoonlijkheid


Galbraith’s maatschappijkritische instelling zal blijken uit de bespreking van ...
Galbraith zette zich in voor de rechten van de vrouw. Hij was een hevig voorstander van
zogenaamde ‘affirmative action’ wa...
wat hij van het artikel vond. Galbraith antwoordde: ‘it was fine, but I didn’t see why they had
to call me arrogant’. Waar...
academische en professionele leven evenals in iemands politieke affiniteiten. Dit biedt
mogelijk een verklaring voor een v...
Hoofdstuk 3: Werk


Dit deel van de paper beoogt een overzicht te geven van de immense diversiteit die aan bod
komt in het...
A Theory of Price Control ( 1952 )
Galbraith toont zich na zijn werk bij het Office of Price Administration een heilig voo...
zichzelf en heel Frankrijk geen verschil kent wordt het correcte resultaat van negentig
seconden gevonden. ( Beishuizen, 1...
A Tenured Professor ( 1990 )
Een leuke roman over een Harvard professor economie die een ‘index van irrationele
voorspelli...
gadgets,…kortom zaken die mensen überhaupt niet nodig hebben. Economen behandelen
deze artificiële vraag echter alsof ze o...
‘technostructuur’. Galbraith verwijt de neo-klassieke theorie al te zeer gefixeerd te zijn op het
winstmotief van de onder...
prestige en macht, de instabiliteit en irrationaliteit van de moderne economie en de
milieuproblematiek aan bod.
( Beishui...
Hoofdstuk 4: Het institutionalisme


Hoewel Galbraith zichzelf nooit in een van zijn werken identificeerde met een bepaald...
Adam Smith, Ricardo, Marx, Keynes, Tinbergen, Hayek en Friedman vaak ‘beschuldigd’ van
storytelling.


7.Het institutional...
Hoofdstuk 5: Het belang van Galbraith heden ten dage

5.1 Galbraith’s recentste werk

In 2004 verschijnt The Economics of ...
( Beishuizen, 1994, blz. 84-85 )


Algemeen kunnen we uit Galbraith’s werk de volgende elementen aanduiden die heden ten
d...
Conclusie


John Kenneth Galbraith schreef voor een breed publiek en met zijn combinatie van heldere
teksten, interessante...
‘In considering economic behaviour, humor is especially important for, needless to say, much
of that behaviour is infinite...
Bibliografie




Backhouse, R.E., 2004, A Suggestion For Clarifying The Study Of Dissent In Economics,
Journal of the Hist...
Rutherford, M., 1981, Veblen on owners, managers, and the control of the industry: a
rejoinder, History of Political Econo...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Universiteit Antwerpen Seminarie Geschiedenis Van Het Economisch Denken Paper Galbraith Ken Lawrence

2,829 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,829
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
4
Actions
Shares
0
Downloads
16
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Universiteit Antwerpen Seminarie Geschiedenis Van Het Economisch Denken Paper Galbraith Ken Lawrence

  1. 1. UNIVERSITEIT ANTWERPEN Faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen John Kenneth Galbraith Ijdel journalist of progressief econoom Seminarie Geschiedenis van het Economisch Denken Lawrence Ken 2e licentie TEW Bedrijfseconomie: Internationale Handels-en Diplomatieke Relaties Academiejaar 2004 – 2005 Leider: Prof.Dr.W.Parys
  2. 2. Inhoudstafel Inhoudstafel 1 Inleiding 2 Hoofdstuk 1: Leven 3 Hoofdstuk 2: Galbraith’s persoonlijkheid 8 Hoofdstuk 3: Werk 12 3.1 Veelzijdig oeuvre 12 3.2 Verzamelwerken 15 3.3 Galbraith’s drie hoofdwerken 15 The Affluent Society 15 The New Industrial State 16 Economics and the Public Purpose 17 3.4 Ontwikkelingseconomie 18 Hoofdstuk 4: Het institutionalisme 19 Hoofdstuk 5: Het belang van Galbraith heden ten dage 21 5.1 Galbraith’s recentste werk 21 5.2 Galbraith’s ideeëngoed 21 Hoofdstuk 6: Conclusie 23 Bibliografie 25 1
  3. 3. Inleiding John Kenneth Galbraith is een fascinerend economisch denker. Hoewel miljoenen met veel plezier zijn theorieën lazen en hij alom geprezen werd omwille van zijn heldere, toegankelijke teksten stuitte hij vaak op een muur van kritiek van zijn vakgenoten. In het kader van dit seminarie ‘Geschiedenis van het Economisch Denken’ worden het leven en het werk van Galbraith uitgebreid belicht. In het eerste hoofdstuk wordt de levensloop geschetst van de inmiddels 96-jarige denker. Galbraith’s uitgesproken persoonlijkheid vormt het onderwerp van het tweede hoofdstuk. Hoofdstuk drie rond het werk van Galbraith behandelt zowel zijn hoofdwerken en verzamelwerken als zijn boeken over ontwikkelingseconomie en de romans die op zijn naam staan. In hoofdstuk vier worden de hoofdkenmerken van de institutionele stroming besproken. Een laatste hoofdstuk gaat na wat de impact is van Galbraith heden ten dage. Ten slotte wordt een algemeen besluit geformuleerd. 2
  4. 4. Hoofdstuk 1: Leven Op 15 oktober 1908 werd John Kenneth Galbraith, ‘Ken’ voor zijn vrienden, geboren in Iona Station, Ontario, Canada. Zijn ouders waren van Schotse afkomst en hadden zich als veeboeren gevestigd in Canada. De basis voor Galbraith’s politieke ideeën die later zijn economisch denken sterk zou beïnvloeden kunnen we in deze periode situeren. Galbraith’s vader was actief in de lokale politiek, streefde naar agrarische hervormingen en was sterk gekant tegen alles wat als conservatief kon bestempeld worden. ( Beishuizen, 1994, blz. 23 ) Galbraith studeerde van 1926 tot 1931 aan het Ontario Agricultural College ( University of Guelph ). Hij bleek geen makkelijk persoon te zijn zoals de anecdote over zijn kotgenoten laat verstaan. De eerste avond van zijn aankomst op de universiteitsresidentie had hij een lang gesprek met zijn kotgenoot over zijn persoonlijke geschiedenis en politieke ideeën. De volgende morgen vroeg zijn kotgenoot een andere kamer aan. Met een droog gevoel voor humor voegt Galbraith er in zijn memoires aan toe: ‘My next roommate lasted until Christmas’. ( Beishuizen, 1994, blz.23; Galbraith, 1981, blz. 21 ) Op het Ontario Agricultural College raakte hij voor het eerst echt geïnteresseerd in economie en dit als gevolg van de Grote Depressie. Zijn aandacht ging van dan af uit naar ‘farm economics’, mede omdat hij ervan overtuigd was dat er veel vraag zou zijn op de arbeidsmarkt naar mensen die een remedie konden vinden voor de vele problemen. Achteraf bekeken heeft hij niet veel aan de lessen gehad, noch aan de professoren economie die naar zijn mening niet in staat waren adequate oplossingen voor te stellen om de crisis te bezweren. Om het in zijn woorden te zeggen: ‘My first doubts about the competence of economists were then formed’. ( Galbraith, 1981, blz.26 ) De volgende halte in zijn academische carrière was de University of California in Berkeley waar hij de doctorstitel behaalde. Vervolgens werd hij tutor en instructor op de Harvard University in Cambridge Massachusetts. Het was in deze functie dat hij kennis maakte met de Kennedy’s. Later zou hij bevriend raken met John F. Kennedy waarvoor hij speeches zou schrijven wanneer Kennedy president was. ( Beishuizen, 1994, blz. 24 ) Een belangrijk jaar voor Galbraith was 1937. Niet alleen trouwde hij, maar hij volgde als postdoctoraal student ook de lessen economie. Hij raakte alsmaar meer overtuigd van het idee 3
  5. 5. dat de klassieke economische theorieën geen praktisch nut meer hadden. Zo zei hij over het werk Principles of Economics van Alfred Marshall: ‘It does not describe the world as it is’. Marshalls theorieën bevatten het klassieke denkkader van de vrije markt. Zo wordt ervan uitgegaan dat er vele concurrerende bedrijven zijn die allen hun winsten willen maximaliseren. Zij komen op de markt de nog talrijkere consumenten tegen die er allen naar streven hun nut te maximaliseren en dit doen terwijl ze hun inkomen rationeel distribueren. De rol van de staat in dit model bestaat erin om te voorzien in publieke goederen. Prijzen bestaan uit de kostprijs plus een minimale winst. Er is geen werkloosheid, geen inflatie en geen depressie. Galbraith zag vooral in de grote bedrijven, de vakbonden en de welvaartsstaat elementen uit de werkelijkheid die niet adequaat werden gereflecteerd in Principles of Economics. Toch beschouwde Galbraith het bestuderen van Marshalls werk niet als tijdverspilling. Volgens hem ‘to know what is right, one must have a firm grasp on what is wrong’. ( Beishuizen, 1994, blz.24; Galbraith, 1981, blz. 39 ) In 1939 verliet hij Cambridge om gedurende korte tijd als assistant professor in de economie verbonden te zijn aan de Princeton University. Het elitaire karakter van de universiteit, gekoppeld aan het snobisme en racisme dat hij daar ervaarde plus zijn intense afkeer voor de gemiddelde Princeton-student stootten hem af. Een jaar later verliet hij Princeton en ging werken voor de overheid. In het kader van de New Deal politiek van president Roosevelt werd Galbraith opgedragen te bestuderen wat het effect was van publieke werken op de economie. ( Beishuizen, 1994, blz.24 ) Tijdens de oorlog was Galbraith eerst directeur van het Office of Price Administration. Zijn taak bestond erin te voorkomen dat de Amerikaanse oorlogseconomie ten onder ging aan inflatie. Het beheer van de prijzen door de progressieve Galbraith werd niet door iedereen gesmaakt en in 1943 werd hij tot aftreden gedwongen. Hij bleef niet op zijn lauweren rusten en werd redacteur bij het zakentijdschrift Fortune. Hoewel hij nooit militaire acties van dichtbij heeft meegemaakt daar hij omwille van zijn lengte ( twee-meter-vier ) geweigerd werd door het leger, vroeg men hem begin 1945 om mee te werken aan het United States Bombing Survey. Doel van het onderzoek was het nagaan van de effectiviteit van de geallieerde bombardementen. De conclusie was ontnuchterend: enkel de bombardementen van juni 1944 hadden de Duitsers daadwerkelijk schade toegebracht. Na de publicatie van het rapport bleef Galbraith nog even meedraaien in en rond het militaire apparaat als directeur van het State Department’s Office of Economic Security Policy. Een man als Galbraith kon 4
  6. 6. uiteraard niet om met de verstikkende bureaucratie die er heerste en na een jaar ging hij opnieuw bij Fortune aan de slag. ( Beishuizen, 1994, blz.25 ) Eind 1948 besloot Galbraith opnieuw naar Harvard te gaan. De gemoederen raakten duchtig verhit toen hij te kennen gaf dat hij zijn positie als lecturer, lesgever, te min vond. Een jaar later werd hij benoemd tot hoogleraar in de agrarische economie. Galbraith gaf toe dat deze positie alsook zijn latere als hoogleraar ‘industrial organization’ hem de kans boden te reizen, te schrijven en zijn politieke werk te verrichten. ( Beishuizen, 1994, blz.25-26 ) Het zal weinigen verbazen dat zijn politieke voorkeur uitging naar de democratische partij. Galbraith stond mee aan de wieg van de ‘Americans for Democratic Action’, een linkse factie binnen de partij. Hij schreef teksten en speeches voor zes presidentskandidaten, maar enkel John F.Kennedy werd nadien verkozen. Het moet voor de progressieve Galbraith onaangenaam geweest zijn om vast te moeten stellen dat het land telkens de Republikeinse kandidaat prefereerde. ( Beishuizen, 1994, blz.26 ) De in 1960 verkozen Kennedy vergat zijn goeie vriend uiteraard niet en bood hem een plaats als ambassadeur in India aan. Galbraith accepteerde het ambassadeurschap. Net als bij het hoogleraarschap aan Harvard verbaasde hij zich erover hoe zo’n hooggewaardeerde plaats zo weinig werk inhield. Schertsend verklaarde hij dat het ‘a spectacular example of (…) disguised unemployment’ was. Toch verhinderde hij als ambassadeur een escalatie van een grensconflict tussen India en China. ( Beishuizen, 1994, blz.27 ) Galbraith stak ook zijn nek uit voor de zwarten in de Amerikaanse samenleving. Hij trok zijn lidmaatschap van de Cosmos Club in Washington – een serviceclub zoals bijvoorbeeld de Rotary – in omdat men geweigerd had een zwarte diplomaat lid te maken. President Kennedy volgde het voorbeeld van zijn vriend. ( Beishuizen, 1994, blz.28 ) Na zijn ambassadeurschap keerde Galbraith terug naar Harvard. Hij onderhield ook goede contacteren met president Johnson. Beiden hielden er vrijwel dezelfde sociaal-economische inzichten op na waardoor Galbraith zijn stempel drukte op de War on Poverty. De Vietnam- oorlog betekende een definitieve breuk tussen beide mannen. Johnson stond volledig achter de troepen en de interventie. Galbraith noemde het ‘a military effort which served no American purpose and (…) wholly misjudged the nature of power and the scope for influence in the 5
  7. 7. post-colonial world’. In 1967 wond hij er nog minder doekjes om door samen met de andere leden van de ‘Americans for Democratic Action’ de Dump-Johnson-beweging op touw te zetten. Galbraith’s politieke impact kwijnde weg na dit soort provocaties aan het establishment. Wie dacht hij daardoor zijn mond hield over bijvoorbeeld Johnson’s opvolger Richard M. Nixon had het bij het verkeerde eind. Diens beleid, houding en opvattingen contrasteerden zo met die van Galbraith dat deze laatste hem ‘a premeditated assault on the public decency and interest committed in broad daylight’ noemde. ( Beishuizen, 1994, blz. 27 en blz.42 ) Schrijven deed hij nog steeds aan een razendsnel tempo. Tussen 1975 en 1992 verschenen van zijn hand maar liefst twaalf boeken en ontelbare artikels in dagbladen en tijdschriften. Zijn regelmatige artikels en interviews voor Playboy Magazine zijn nogmaals een bewijs dat de man allesbehalve een stereotiepe econoom was. Hij slaagde er ook in het grote publiek warm te maken voor de economische wetenschap, getuige het succes van ‘The Age of Uncertainty’. Dit was een 13-delige televisieserie die hij voor de BBC maakte en waarin de geschiedenis van de economie centraal stond. Het maakte Galbraith tot een publieke beroemdheid. ( Blaug, 1998, blz.75; Beishuizen, 1994, blz.27 ) Eind jaren ’80 was hij nog actief begaan met de problematiek van de Koude Oorlog. Begin jaren ’90 waren het de economische aspecten van de internationale veiligheid die zijn interesse wegdroegen. De laatste jaren is het rond de publieke figuur Galbraith stil geworden, hoewel de man niet ophoudt met schrijven. Hij jaagt ook nog voortdurend mensen tegen zich in het harnas. Een artikel in een recente editie van Journal of the History of Economic Thought noemt hem nochtans niet controversieel omdat zijn ideeën door vele vakgenoten gewoon genegeerd werden of afgedaan werden als ‘geschift’. ( Backhouse, R.E., 2004; Beishuizen, 1994, blz. 28 ) De waardering voor zijn werk blijkt uit zijn Medal of Freedom die hij kreeg van president Truman, maar vooral uit zijn benoeming tot voorzitter van de American Economic Association in 1971. Dit gebeurde niet met ieders steun volgens Samuelson en Thurow, beide mede-economen die zeiden dat ‘although anywhere from a third to half of all AEA members are not Galbraith fans, he did ( and does ) have his share of strong backers.’ In 1991 had Galbraith al 45 eredoctoraten op zak, een hoeveelheid waarover hij al in 1961 concludeerde 6
  8. 8. dat ze een snel dalend marginaal nut hebben voor de ontvanger. (Beishuizen, 1994, blz. 14, 33-34 ). 7
  9. 9. Hoofdstuk 2: Galbraith’s persoonlijkheid Galbraith’s maatschappijkritische instelling zal blijken uit de bespreking van enkele van zijn belangrijkste werken in het volgende deel van deze paper. In dit deel komt de fascinerende persoonlijkheid van Galbraith aan bod. Hij is een kleurrijk figuur die waarschijnlijk enkel voor het excentrisme van een econoom als Thorstein Veblen moet onderdoen. Galbraith bespreekt in zijn memoires de impact die een persoon als Veblen op hem uitoefende. Galbraith kon zich vooral vinden in Veblens niet-aflatende kritiek tegen diegene die omwille van rijkdom, beroep of afkomst zich een aura van superioriteit aanmaten. Galbraith was van Schotse afkomst en werd vaak geconfronteerd met dit soort houding van de stedelingen van Ontario die van Engelse afkomst waren. Galbraith loofde Veblen, maar bekritiseerde hem ook. Hij vond de schier antropologische studie en dissectie van de Amerikaanse rijken Veblens sterkste punt. Diens invulling van het begrip ‘conspicuous consumption’ als een sociaal-geïnspireerde vorm van consumptie in een samenleving waar over-consumptie ervaren wordt als een sociale norm kon ook op veel bijval rekenen van Galbraith. Hij bekritiseerde evenwel Veblen’s gebrek aan voorgestelde alternatieven. Veblen was allesbehalve een constructief denker en Galbraith zag het gevaar in van een al te Vebleniaanse denkwijze. Dit zou een soort voortdurend pessimisme zijn, een scepticisme tegenover elke bewering dat een hervorming beterschap zou kunnen brengen. Hiertegen wil Galbraith zich afzetten. Wat hij wel overduidelijk van de man erfde is diens tendens naar subversieve en van de gangbare normen afwijkende meningen. Met zijn droog gevoel voor humor beschrijft Galbraith het plezier van het schoppen tegen de schenen van het establishment: ‘One of my greatest pleasures in writing has come from the thought that perhaps my work might annoy someone of comfortably pretentious position.’ Hij maakt zich echter geen illusies over dit soort mensen. ‘Then comes the saddening realisation that such people rarely read.’ ( Galbraith, 1981, blz.40-41 ) Er werden ook artikels gewijd aan vergelijkingen tussen ideeën van Galbraith en ideeën van Veblen. Zo worden duidelijke parallellen getrokken tussen de ‘New Order’ van Veblen en de ‘New Industrial State’ van Galbraith. Beiden schreven ook uitgebreid over het onderscheid tussen eigenaars en managers. ( Rutherford, M., 1981; Endres, T., 2004 ) 8
  10. 10. Galbraith zette zich in voor de rechten van de vrouw. Hij was een hevig voorstander van zogenaamde ‘affirmative action’ wat we kunnen invullen als een vorm van positieve discriminatie. Ook ten opzichte van de zwarte bevolking in de Amerikaanse samenleving zette Galbraith zich actief in. ( Beishuizen, 1994, blz. 28 ) Door zijn associatie met filmsterren, politici en kunstenaars was Galbraith een beroemdheid die ervoor zorgde dat de economie een glamoureus tintje kreeg. Door alle royalties op zijn publicaties en de succesvolle televisieserie zat Galbraith er financieel warmpjes bij. Zo had hij bijvoorbeeld een appartement in het Zwitserse Gstaad waar hij hield van het skieën en het schrijven. Toch gaf hij royale sommen aan de economische faculteit van Harvard en weigerde einde jaren ’60 loonsverhogingen. Hij had het geld eenvoudigweg niet meer nodig. Omwille van zijn welstellendheid kreeg hij vaak de wind van voren omdat velen vonden dat hij onmogelijk kon weten wat het beste was voor de werkende klasse. Hij was het hier absoluut niet mee eens. Eerst en vooral vond hij dat zijn exacte loon niemand’s zaken waren. Bovendien argumenteerde hij dat zijn financiële onafhankelijkheid hem juist in staat stelde om bepaalde problemen aan te kaarten waar anderen dat niet konden. ( Beishuizen, 1994, blz. 31-32 ) Net als Veblen had Galbraith een afkeer van snobisme dat voortvloeide uit rijkdom. Intellectueel snobisme daarentegen was hem verre van vreemd. Een kort fragment uit zijn memoires waarin hij reflecteert op de verschillende universiteiten waar hij doorheen zijn carrière vertoefde drukt het nog het beste uit: ‘I suffered from a problem in personal relations that I never quite overcame. This was not so much from being more versatile, more diligent or perhaps more able than my colleagues. Such can be tolerated. The damage arose from my fear (…) that my superiority would not be recognized’. ( Galbraith, 1981, blz. 28 ) Ook in zijn memoires komt dit element tweemaal hoogst amusant ter sprake. Een eerste keer in het FBI-rapport dat werd opgesteld alvorens men hem de toestemming gaf om met president Kennedy samen te werken. De feitelijke gegevens waren allen uitermate positief. Zijn collega’s merkten echter ook op dat hij ‘an unduly well-developed view of my own intellectual excellence’ had. Een tweede keer komt zijn intellectueel snobisme naar voor in een profiel dat de New York Times had gemaakt van Galbraith als de nieuwe VS-ambassadeur in India. De krant had zijn professionele kwaliteiten bejubeld, maar hem ook arrogant genoemd. De volgende dag zat Galbraith te ontbijten met Kennedy. Deze laatste vroeg hem 9
  11. 11. wat hij van het artikel vond. Galbraith antwoordde: ‘it was fine, but I didn’t see why they had to call me arrogant’. Waarop de president gevat repliceerde: ‘I don’t see why not. Everybody else does’. ( Galbraith, 1981, blz.68-69 ) Omwille van Galbraith’s progressieve, zelfs subversieve ideeën besloot J.Edgar Hoover de toenmalige directeur van het FBI een grootscheeps onderzoek naar hem te voeren. De conclusie van het rapport loog er niet om: ‘Investigation favourable except conceited, egotistical and snobbish’. ( Beishuizen, 1994, blz. 33 ) Galbraith vindt bovendien van zichzelf dat hij veel beter schrijft dan zijn collega’s en steekt dit niet onder stoelen of banken. Daarenboven beschouwt hij zichzelf als uitermate competent voor de verschillende functies die hij gedurende zijn loopbaan vervult. Hoewel de lezer zijn subtiele sarcastische ondertoon niet uit het oog mag verliezen klinkt het bij Galbraith kort en krachtig: ‘Modesty is a vastly overrated virtue’. ( Beishuizen, 1994, blz. 29 ) Waar hij echter wel bescheiden over doet is zijn wiskundige kennis. Niet alleen heeft hij er geen aanleg voor, iets wat hij nooit onder stoelen of banken steekt, maar doorheen zijn opleiding raakt hij er alsmaar meer van overtuigd dat het nuttiger is te vertrekken van ‘common sense’, de directe observatie van wat voor iedereen overduidelijk zou moeten zijn. Uiteraard leidt dit tot hevige kritiek. De zwakke kwantitatieve onderbouw van zijn economische werken is een van de vaakst gebruikte argumenten door Galbraith’s talrijke tegenstanders. Galbraith verweert zich hiertegen door te stellen dat cijfers in de wetenschap zo vaak worden misbruikt om de eigen theorie te ondersteunen. Hij werd in deze overtuiging gesterkt toen hij ooit op Harvard een heel examen statistiek diende af te leggen dat specifiek handelde over het misbruik van cijfers in de wetenschap. ( Beishuizen, 1994, blz. 51 ) Tijdens dit seminarie zagen we dat een aantal economen uit een landbouwersgezin afstamden. De vraag werd toen gesteld naar de impact die dit kan hebben op de academische carrière van iemand. Galbraith schrijft in zijn memoires wat het volgens hem als gevolg heeft. Volgens hem lijden mensen met een achtergrond als landbouwer aan een minderwaardigheidscomplex. Dit, zegt Galbraith, ‘is compensated for by vigorous assertion of the economic importance of agriculture and the spiritual and moral qualities that accrue from close association with the soil’. Volgens Galbraith zal dit minderwaardigheidscomplex ook zijn neerslag vinden in het 10
  12. 12. academische en professionele leven evenals in iemands politieke affiniteiten. Dit biedt mogelijk een verklaring voor een van de vaakst gehoorde kritieken op Galbraith als persoon, namelijk dat hij zo’n ontzettend omhoog gevallen ijdeltuit kan zijn. Mogelijk wil hij overcompenseren voor zijn landbouwersachtergrond. ( Galbraith, 1981, blz. 13 ) Galbraith is ook gefascineerd door de vergelijking van het prijsverloop van agrarische producten en industrieproducten. Verschillen verklaart hij door erop te wijzen dat de landbouwsector voornamelijk gekenmerkt wordt door perfecte concurrentie. Industrieproducten zijn dan weer het domein van oligopolies en monopolies. ( Beishuizen, 1994, blz. 86 ) Als er een element is waar zowel zijn voorstanders als zijn tegenstanders het over eens zijn dan is het zijn fenomenale schrijverskunst. Hij beschouwde het als zijn taak om boeken over economische onderwerpen te schrijven die eenvoudigweg goed geschreven waren. Hij verbaasde zich telkens weer over het grote aanbod aan weinig toegankelijke en slecht geschreven boeken dat op de markt was. Zijn mede-economen misten volgens hem de timing, het gevoel om te merken of een zin al dan niet geslaagd was. Bovendien werkte hij steeds met een vijftal herzieningen en trachtte hij zijn teksten tot het essentiële te herleiden. Als de bovengenoemde bespiegelingen op het barslechte aanbod aan economische boeken al kwaad bloed zetten bij zijn collega’s dan deed hij er nog een schepje bovenop door te stellen dat ‘there are no propositions in economics that can't be stated in clear, plain language.’ Hiermee geeft hij – meermaals – te kennen dat sommige auteurs door eenvoudige zaken complex voor te stellen zichzelf belangrijker trachten voor te doen dan ze zijn. Galbraith’s tegenstanders hekelen dan weer zijn toegankelijkheid en degraderen hem tot ‘journalist’ wat in de academische wereld als scheldwoord mag aanzien worden. ( Beishuizen, 1994, blz.34, 40-43 ) Om de figuur van Galbraith volledig in te kleuren mogen we zijn fascinatie voor vrouwelijk schoon niet uit de weg gaan. Niet alleen doorspekte hij krantenartikels en boeken met korte fragmenten die deze of gene jongedame bewierookten, tijdens zijn ambassadeurschap in India reisde hij graag rond in het gezelschap van Jacqueline Kennedy of Angie Dickinson. Wanneer een – in zijn woorden ‘sensationally good-looking woman – hem in een interview vroeg hoe het mogelijk was dat Galbraith toch nog steeds getrouwd was antwoordde hij dat een huwelijk enkel stand kan houden ‘if the principals don’t see too much of each other’. ( Beishuizen, 1994, blz.27 en blz. 29 ) 11
  13. 13. Hoofdstuk 3: Werk Dit deel van de paper beoogt een overzicht te geven van de immense diversiteit die aan bod komt in het omvangrijke oeuvre van Galbraith. Zijn belangrijkste werken komen aan bod, evenals een bespreking van het institutionalisme, de stroming waarin Galbraith’s denken het vaakst wordt geplaatst. Dit hoofdstuk bestaat uit drie delen. Eerst wordt een overzicht gegeven van een reeks werken van Galbraith die zijn diversiteit aantonen. Vervolgens wordt zijn beroemde trilogie besproken. Tenslotte wordt even stil gestaan bij de werken omtrent ontwikkelingseconomie, een vakgebied waarin hij een pionier was. 3.1 Veelzijdig oeuvre American Capitalism: The Concept of Countervailing Power ( 1952 ) American Capitalism is Galbraith’s eerste succesrijke boek. Het is een ( te ) optimistisch boek over het succes van de Amerikaanse economie na de Tweede Wereldoorlog. Galbraith toont aan dat deze economie volgens de klassieke theorieën slecht had moeten functioneren omdat de vrije concurrentie doorheen de oorlogsjaren plaats had geruimd voor grote oligopolistische ondernemingen. Toch doet ze het opmerkelijk goed en Galbraith schrijft dit toe aan het concept ‘countervailing power’. Wanneer de ‘onzichtbare hand’ het laat afweten in een economie ziet de overheersende groep – vragers of aanbieders – zich geconfronteerd met een ‘tegenmacht’ die opnieuw voor evenwicht zorgt. Hij geeft als voorbeelden de consumentenbond tegenover de producenten en de vakbeweging tegenover de werkgeversorganisaties. De ‘countervailing power’ ontstaat volgens Galbraith vanzelf waar het nodig is. Een situatie van inflatie acht hij gevaarlijk omdat de werkgevers en werknemers het op een akkoordje zouden kunnen gooien om de hogere loonkosten aan de consument door te rekenen. De ‘tegenmacht’ zou haar werk met andere woorden niet vervullen. Galbraith geeft later toe dat hij te optimistisch was daar sommige groepen in de samenleving te zwak zijn om een afdoende ‘tegenmacht’ te vormen. Het is dan ook de taak van de overheid om hierin een regulerende rol te spelen. Ondanks de aanvankelijk goede ontvangst werd het werk door vele van zijn vakgenoten met de grond gelijkgemaakt. Zij wezen erop dat het ontstaan van een ‘tegenmacht’ eerder uitzonderlijk was. ( Beishuizen, 1994, blz.62-64 ) 12
  14. 14. A Theory of Price Control ( 1952 ) Galbraith toont zich na zijn werk bij het Office of Price Administration een heilig voorstander van het beteugelen van de inflatie via een efficiënte loon-en prijspolitiek. Deze nadruk op het voorkomen van inflatie is opmerkelijk voor een progressieve denker. A Theory of Price Control is vooral belangrijk omdat de lauwe ontvangst Galbraith deed besluiten resoluut een andere koers te volgen in zijn academische carrière. Voortaan zou hij voor een groot publiek schrijven en aldus druk uitoefenen op zijn collega’s die zijn puur academische werk in de vergeethoek dreigden te drukken. ( Beishuizen, 1994, blz. 66 ) The Great Crash, 1929 ( 1954 ) Een gelauwerd werk waarin hij nauwgezet weergeeft hoe de speculatiewoede de aandelenkoersen zo kunstmatig hoog joeg alvorens het noodlot toesloeg. Hij doorspekt het boek met citaten van president Coolidge en een hele batterij aan financiële experts die tot een week voor ‘zwarte donderdag’ volhielden dat er geen vuiltje aan de lucht was. Volgens hem kan de oorzaak gevonden worden in het geschokt vertrouwen van de belegger. Dit soort schokken komt volgens hem steeds voor bij speculatiegolven. ( Beishuizen, 1994, blz. 76-77 ) Het is opmerkelijk dat het boek een New York Times bestseller werd omdat Galbraith wederom heilige huisjes aanviel. Ditmaal hekelde hij de gebrekkige tussenkomt door de Federal Reserve Board. Door leningen toe te staan aan de handelsbanken werd de speculatiewoede aangewakkerd. ( Beishuizen, 1994, blz. 78-79 ) Hoewel het boek op een vrij goede ontvangst kon rekenen zien we dat de vele uitlatingen van Galbraith over zijn collega’s ervoor zorgen dat hij in bijvoorbeeld Reflections on the Great Depression uit 2003 nog niet in een voetnoot is terug te vinden. ( Dimand, R.W., 2004 ) The McLandress Dimension ( 1963 ) Deze satirische roman vertelt het verhaal van de psychometrist McLandress die erin geslaagd is een coëfficiënt te berekenen die weergeeft hoe lang mensen aan iets of iemand anders dan zichzelf kunnen denken. Het biedt Galbraith uitgebreid de mogelijkheid om een aantal ongeliefde personen op de korrel te nemen. Zo zou Richard Nixon slechts drie seconden scoren. De Gaulle blijkt aanvankelijk een monsterscore van zeveneneenhalf uur te halen wat de wetenschapper voor een raadsel stelt. Wanneer hij echter incalculeert dat De Gaulle tussen 13
  15. 15. zichzelf en heel Frankrijk geen verschil kent wordt het correcte resultaat van negentig seconden gevonden. ( Beishuizen, 1994, blz.37 ) The Triumph ( 1968 ) In dit boek hekelt Galbraith de Amerikaanse buitenlandse politiek. ( Beishuizen, 1994 ) Indian Painting ( 1968 ) Een niet-economisch werk dat de veelzijdige interesses van Galbraith aantoont. ( Beishuizen, 1994, blz.36-37 ) The Age of Uncertainty ( 1977 ) Dit werk is de directe neerslag van een succesvolle televisieserie van de BBC. Galbraith behandelt de teloorgang van de monetaire stabiliteit ( de goudstandaard ), de klassenstructuur en het machtssysteem, de depressie, de Vietnam-oorlog en andere gebeurtenissen die volgens hem een beslissende invloed hebben op de heersende tijdsgeest. Ook bespreekt hij de belangrijkste economische denkers en gaat voor het eerst in op het onderwerp van de onderneming en haar immense impact op consument en overheid. ( Beishuizen, 1994, blz. 80 ) The Anatomy of Power ( 1983 ) De meest uitgebreide analyse van de oorsprong, uitoefening en veranderingen van macht volgens Galbraith vinden we in dit werk terug. ( Beishuizen, 1994, blz. 69-70 ) Economics in Perspective: a critical history ( 1987 ) Volgens het gezaghebbende tijdschrift ‘History of Political Economy’ is het uitgangspunt van het werk erg ambitieus, maar vrij onsuccesvol. Galbraith wil aantonen dat economische theorieën afhankelijk zijn van het historische tijdperk waarin ze geformuleerd worden. De loskoppeling tussen economie en de geschiedenis is dus onzinnig. Wat de waarde van het boek is, wordt fel gecontesteerd. Galbraith maakt het zichzelf niet makkelijk door de klassieke economie te beschrijven als ‘a defense for a quiet, noncontroversial life’. Het biedt dus zekerheid en standvastigheid voor de beoefenaar, maar daar houdt het dan ook op.( Brandis, R., 1990 ) 14
  16. 16. A Tenured Professor ( 1990 ) Een leuke roman over een Harvard professor economie die een ‘index van irrationele voorspellingen’ uitvindt die hem in staat stelt de collectieve speculatieve waanzin aan te wenden om schatrijk te worden. Toch is het boek niet enkel bedoeld om de lezer te vermaken. Zo lucht Galbraith onder andere zijn hart over de vrouwenbeweging die in zijn ogen te vriendelijk is geworden. Een van de hoofdpersonen pleit voor een dynamischere houding en een terugkeer naar de tijd waarin beha’s naar de prullenmand werden verwezen. ( Beishuizen, 1994, blz. 37 ) In de jaren ’90 verschijnen nog The Culture of Contentment, A Journey Through Economic Time: A Firsthand View en The Good Society: The Humane Agenda. 3.2 Verzamelwerken Een overzicht van alle verzamelwerken van Galbraith zou ons te ver voeren. Een korte opsomming van een aantal onderwerpen die door de veelschrijver worden behandeld zal volstaan om zijn diverse interesses te belichten. Zo komen onder andere aan bod: de plaats van de kunstenaar in het economisch leven, investeren in de mens, Henry Ford, het kopen van oude boerderijen, verhandelingen over goed schrijven, de sociologie van de economie, de architectuur van openbare gebouwen, de armoede in de Derde Wereld, de Amerikaanse buitenlandse politiek, de noodzaak van een minimuminkomen en het pleiten voor een betere positie voor vrouwen en minderheden. ( Beishuizen, 1994, blz.87-88 en 91 ) 3.3 Galbraith’s drie hoofdwerken Deze drie werken draaien allen rond het thema ‘industrial organisation’. Galbraith omschreef dit als ‘the economics of a society dominated by the big corporations’. Soms verwijst men naar deze trilogie van boeken als het ‘Galbraithian system’. The Affluent Society ( 1958 ) Volgens Blaug ‘it remains to this day the most widely read book by any modern economist’. In dit werk argumenteert Galbraith dat de moderne consument verzadigd is door zijn rijkdom. Reclame oefent een zeer grote invloed uit en creëert een vraag naar snuisterijen, prullaria, 15
  17. 17. gadgets,…kortom zaken die mensen überhaupt niet nodig hebben. Economen behandelen deze artificiële vraag echter alsof ze oorspronkelijk uitging van de consumenten zelf. Volgens Galbraith gaan ze hier voorbij aan het feit dat consumentensoevereiniteit werd vervangen door producentensoevereiniteit. Nefast vindt Galbraith ook de ideeën uit de ‘conventional wisdom’ die volhouden dat alleen de private sector welvaart creëert en dat een progressieve belastingheffing economische initiatieven tegenhoudt. ( Blaug, 1998; Beishuizen, 1994, blz. 104-108; Galbraith, 1985, blz. 6 ) Galbraith argumenteert dat de reclame behoeften creëert die er oorspronkelijk niet waren. Mensen gaan geld lenen om aan deze behoeften te voldoen en de goederen en diensten aan te kopen. Velen werken zich hiervoor in de schulden. Aangezien schuldcreatie voor instabiliteit en onzekerheid zorgt in het economisch leven zou de overheid een stabiliserende rol moeten spelen door meer te laten produceren in het publieke domein. Als voorbeelden geeft Galbraith het onderwijs en de gezondheidszorg. Dit soort productie wordt echter gediscrimineerd door de ‘conventional wisdom’ zoals hierboven aangehaald. De financiering van de publieke sector, met name door het overheidsbudget, staat onder veel striktere controle dan de private sector. Hierdoor wordt te weinig geïnvesteerd in publieke diensten zoals wegen, scholen, musea, politie, … die vitaal zijn voor een samenleving. Er treedt als het ware een discriminatie op ten opzichte van de publieke sector. Mensen accepteren bijvoorbeeld ingenieurs als gewaardeerde medeburgers ook al willen ze hun producten pas nadat de reclame er een behoefte voor heeft gecreëerd. Politici of ambtenaars die pleiten voor een nieuwe publieke dienst worden daarentegen onmiddellijk gebrandmerkt als verkwisters van gemeenschapsgeld. Galbraith lanceert het concept van ‘private affluence and public squalor’ wat duidt op de welvarendheid in de private sector en de armoedige toestand van de publieke sector. Vandaag zou de rampzalige toestand van vele Amerikaanse publieke scholen een mooi voorbeeld van deze theorie kunnen vormen. ( Beishuizen, 1994, blz. 108-110 ) The New Industrial State ( 1967 ) De wijziging van het initiatief in het economisch leven van consument naar producent wordt in dit werk geplaatst binnen het instituut van ‘the modern great corporation’. De kern van dit boek is dat het moderne economische leven wordt gedomineerd door de grote bedrijven. Deze worden zelf niet langer in de hand gehouden door de wensen van de aandeelhouders, maar door een combinatie van management en vooral de professionele staf uit de technische, verkoops- en planningsafdelingen. Deze laatsten groepeert hij onder de noemer 16
  18. 18. ‘technostructuur’. Galbraith verwijt de neo-klassieke theorie al te zeer gefixeerd te zijn op het winstmotief van de onderneming. Winst is daar de vitale kracht die de hele economische machine draaiende houdt. De macht binnen de moderne ondernemingen is echter in handen van de technostructuur. Galbraith wijst erop dat deze management-controle van de onderneming inhoudt dat winst nu wordt nagestreefd en gemaximaliseerd door mensen die de winst niet krijgen. De managers die geen eigenaars zijn van de onderneming werken, plannen, innoveren en investeren om de inkomsten te verhogen van aandeelhouders die ze niet eens kennen. In Galbraith’s memoires lezen we zijn metafoor hiervoor: ‘ (…) a man obsessed by sex who devotes his life to enhancing the sexual opportunities of other people whom he has not met’. ( Galbraith, 1978, blz.63-66; Galbraith, 1981, blz. 537 ) De technostructuur doet ook een ‘nieuwe klasse’ ontstaan, de hogeropgeleiden of in zijn woorden de ‘educational and scientific estate’. Volgens Galbraith heeft het industriële systeem minder behoefte aan de kapitaalverschaffers zoals de bank-en financiële wereld, maar gaat de aandacht voornamelijk uit naar deze ‘nieuwe klasse’ van hogeropgeleiden. Hierdoor komt er een herwaardering van het onderwijssysteem. ( Blaug, 1998; Beishuizen, 1994, blz.122; Galbraith, 1978, blz.292-295 ) Economics and the Public Purpose ( 1973 ) Het laatste boek uit de trilogie van het ‘Galbraithian system’ vertrekt vanuit een ‘two part’ model. Hij maakt een onderscheid tussen enerzijds de grote industriële systemen met hun technostructuur en anderzijds de miljoenen kleinere bedrijven. De neoklassieke theorieën die als fundamenten de perfecte concurrentie hebben, zijn volgens hem enkel van toepassing op de gigantische groep van relatief kleine ondernemingen. Door de theorieën ook toe te passen op de industriegiganten gaat men volgens Galbraith volledig voorbij aan de macht die deze bedrijven hebben. De term ‘oligopolie’ wijst hij van de hand daar ze nog steeds uitgaat van het idee dat de consument zijn preferenties aan de producent duidelijk maakt. Machtige bedrijven gaan deze preferenties echter vorm geven via onder andere reclame en marketing- inspanningen. Een juister uitgangspunt is dus de producentsouvereiniteit. ( Beishuizen, 149, blz.143-150 ) Hoewel het de lezer duidelijk is dat Galbraith voornamelijk voortborduurt op de ideeën uit The Affluent Society en The New Industrial State worden ook andere hete hangijzers door Galbraith aangepakt. Zo komen in het werk ook de positie van de vrouw, de begrippen 17
  19. 19. prestige en macht, de instabiliteit en irrationaliteit van de moderne economie en de milieuproblematiek aan bod. ( Beishuizen, 149, blz.143-150 ) 3.4 Ontwikkelingseconomie Op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking verricht Galraith baanbrekend werk. Reeds in het studiejaar 1949-1950 richt hij er op Harvard een cursus over in. Aanvankelijk wordt het vak door zijn collega’s genegeerd, maar daar komt snel verandering in wanneer in de context van de Koude Oorlog de Verenigde Staten willen vermijden dat de arme landen ten prooi vallen aan het communisme. Galbraith’s eerste boek over de ontwikkelingsproblematiek is het in 1955 verschenen Marketing Efficiency in Puerto Rico. In de jaren ’60, ’70 en ’80 volgen Economic Development, The Nature of Mass Poverty en The Voice of the Poor. ( Beishuizen, 1994, blz.73-74 ) Ook in dit subdomein van de economie houdt Galbraith er andere ideeën op na dan vele van zijn collega’s. Zo ijvert hij ervoor dat de middelen uit hulpprogramma’s rechtstreeks moeten aangewend worden voor onderwijs, kleding, voedsel en medicijnen. Volgens hem dringen de ontwikkelde landen te vaak hun productiestructuren evenals hun consumptiegewoonten op aan de arme landen. ( Beishuizen, 1994, blz.73-74 ) Tijdens zijn ambassadeurschap in India raakte hij overtuigd van de nood aan geboortebeperking. Zoniet wordt de inkomensstijging in het arme land opnieuw teniet gedaan en komt men weer terecht in het ‘equilibrium of poverty’. ( Beishuizen, 1994, blz. 74 ) Rest ons nog te zeggen dat Galbraith ook drie autobiografische werken heeft geschreven: The Scotch ( 1964 ), Ambassador’s Journal ( 1969 ) en A Life In Our Times ( 1981 ) ( Beishuizen, 1994, blz.19 ) 18
  20. 20. Hoofdstuk 4: Het institutionalisme Hoewel Galbraith zichzelf nooit in een van zijn werken identificeerde met een bepaalde stroming of economische school, brachten zowel voor-als tegenstander hem onder bij het institutionalisme. Volgens Beishuizen kan men zeven kenmerken toeschrijven aan het institutionalisme: ( Beishuizen, 1994, blz. 47-49 ) 1.Bij het bestuderen van de economie is het nutteloos enkel te kijken naar nutsmaximaliserend gedrag zonder dit gedrag te plaatsen in de brede sociale en culturele omgeving. De institutionalisten wijzen op het belang van de rechtsorde, normen en waarden evenals organisaties zoals de onderneming, de vakbeweging en de politieke partij. 2.Onveranderende wetmatigheden zijn aan de institutionalisten niet besteed. Vermits samenlevingen voortdurend aan veranderingen onderhevig zijn dienen economische theorieën deze veranderingen te incorporeren. 3.De veranderingen waarover sprake in kenmerk twee zijn voornamelijk een gevolg van wijzigingen in de technologie. 4.Het institutionalisme overschrijdt grenzen met andere sociale wetenschappen. Ook theorieën uit bijvoorbeeld de sociologie, de psychologie en de antropologie zijn nuttig voor de economie. 5.Het institutionalisme vertrekt vanuit feiten en bouwt daarop een redenering. Men werkt met andere woorden volgens de inductieve methode. 6.Het institutionalisme doet vaak aan het zogenaamde storytelling. Dit wordt door Blaug omschreven als ‘the method of what historians call colligation, the binding together of facts, low level generalisations, high level theories, and value judgements in coherent narrative, held together by a glue of an implicit set of beliefs and attitudes that the author shares with his readers.’ Hoewel storytelling kan leiden tot een onwetenschappelijke werkwijze houden vele kenners van de literatuur vol dat het kenmerkend is voor de ‘Grote Denkers’. Zo worden 19
  21. 21. Adam Smith, Ricardo, Marx, Keynes, Tinbergen, Hayek en Friedman vaak ‘beschuldigd’ van storytelling. 7.Het institutionalisme herbergt vele dissidente denkers. Zij zetten zich voornamelijk af tegen de irreële assumpties die zo kenmerkend zijn voor de theorieën van de klassieke economie. 20
  22. 22. Hoofdstuk 5: Het belang van Galbraith heden ten dage 5.1 Galbraith’s recentste werk In 2004 verschijnt The Economics of Fraud: Truth For Our Time van de inmiddels 96-jarige econoom. Galbraith bespreekt een 10-tal gevallen van ‘fraude’ binnen het hedendaagse economische systeem. Hij heeft het onder meer over het gebruik van de term ‘marktsysteem’ dat niet meer is dan een eufemisme voor ‘kapitalisme’ dat een wrange nasmaak heeft. Ook haalt hij elementen uit zijn vorige werken boven en plaats ze in een coherent geheel. Hij hekelt dat de macht in bedrijven verschoven is naar de managers die zelfs hun eigen lonen kunnen vastleggen. Hij wijst op de gevaren van producentensouvereiniteit en de macht die de private sector uitoefent op het publieke domein. Als voorbeelden geeft hij de defensie en verkiezingen. Galbraith hekelt het feit dat bedrijfslieden de overheid beschuldigen van bureaucratie terwijl ze zichzelf wijsmaken dat ze zelf niet in een ver doorgedreven bureaucratie tewerkgesteld zijn. Verder behandelt hij de hypocrisie rondom werk en de fraude van economische voorspellingen. Over dit laatste zegt hij dat diegenen die de toekomstige financiële performantie van een bedrijf of een industrie voorspellen niet meer inzien dat ze zelf ook in het duister tasten. (The Economics of Innocent Fraud: Truth For Our Time: Amazon.com productpagina, 2005 ) 5.2 Galbraith’s ideeëngoed Een van de belangrijkste punten van kritiek op de huidige vorm van globalisering betreft het feit dat de macht van de nationale staten wordt uitgehold. Hierdoor verliezen ze ook hun greep op het economisch leven. Galbraith ziet deze tendens met lede ogen aan. De noodzaak aan een krachtige en actieve overheid loopt dan ook als een rode draad doorheen zijn werk. ( Beishuizen, 1994, blz.17 ) Als anti-militarist werkte Galbraith een aantal politieke pamfletten uit. In het eerste, How to Get Out of Vietnam, waarschuwt hij voor het over één kam scheren van alle Vietnamezen en pleit hij voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen. Het tweede pamflet, How to Control the Military, waarschuwt voor een te nauwe samenwerking tussen de regering en de wapenindustrie. Belangenvermening zou ertoe kunnen leiden dat oorlogen gevoerd worden om louter economische motieven. Het lijkt onnodig de lezer erop te wijzen dat de huidige oorlog in Irak de Amerikaanse wapenindustrie geen windeieren zal hebben gelegd. 21
  23. 23. ( Beishuizen, 1994, blz. 84-85 ) Algemeen kunnen we uit Galbraith’s werk de volgende elementen aanduiden die heden ten dage nog steeds relevant zijn: - De macht van de grote bedrijven - De belangrijke rol die voor de staat is weggelegd en daarmee gepaard gaande een herwaardering van publieke goederen en diensten ( The Affluent Society ) - Het ijveren voor een beter beheer van onze middelen en het in vraag durven stellen van de ongebreidelde groei ( The Affluent Society ) - De aandacht voor corporate governance ( New Industrial State ) - Het belang van de ‘nieuwe klasse’ die doet denken aan de moderne term ‘human capital’ dat we kunnen kaderen in de zogenaamde kenniseconomie ( New Industrial State en Economics and the Public Purpose ) In het kader van de diversiteit van Galbraith’s werk en diens persoonlijke leven is het duidelijk dat hij voortdurend streefde naar het situeren van de economie in de bredere context van het maatschappelijk leven. Ook pleitte hij voor een herziening van de verouderde economische theorieën die zijn inziens niet langer aan de realiteit beantwoordden. 22
  24. 24. Conclusie John Kenneth Galbraith schreef voor een breed publiek en met zijn combinatie van heldere teksten, interessante theorieën en goed gevoel voor humor boekte hij immense successen. De heftige reacties en vernietigende kritiek van mede-economen hebben meerdere oorzaken. Eerst en vooral konden velen zich niet verzoenen met het feit dat Galbraith de gangbare economische overtuigingen en uitgangspunten in vraag stelde. Een tweede factor is zeker en vast de jaloezie die ze voor de veelzijdige schrijver voelden. Galbraith is meer dan een ‘enfant terrible’. Hij ijverde ervoor dat de economie opnieuw geplaatst werd in de bredere context van de samenleving. De sociale wetenschappen, de geschiedenis en vooral de politiek waren factoren die de klassieke economie te vaak als extern of niet-relevant afdeed. Uit de diversiteit van zijn werken en interesses blijkt duidelijk dat hij een hekel had aan vakidioten, een element waarmee hij natuurlijk opnieuw in botsing kwam met de economen pur-sang. We zagen dat zowel voor-als tegenstanders hem bij het institutionalisme plaatsen. Vele elementen van deze stroming vinden we inderdaad terug in het omvangrijke oeuvre van Galbraith. Hij zette zich duidelijk af tegen de heersende opvattingen van de klassieke economische theorie die hij te ver verwijderd vond van de realiteit. Economie werd alsmaar nauwer, gespecialiseerder en wereldvreemder in zijn ogen. Economen zaten in een ivoren toren, werkten theorieën uit op basis van irreële assumpties die ze vervolgens als waarheid verkondigden door ze te ondersteunen met voldoende gezocht cijfermateriaal. Uiteindelijk goten ze het geheel in ontoegankelijke werken die vanwege de mede-economen op veel bijval konden rekenen, maar geen enkele praktische relevantie hadden. Als klap op de vuurpijl werden deze vervolgens aangewend door allerlei specialisten terzake om voorspellingen te doen. Galbraith verzette zich sterk tegen deze in zijn ogen absurde manier van werken: ‘The only function of economic forecasting is to make astrology look respectable’. Doorheen deze paper is gebleken dat Galbraith een man is die van humor houdt. Humor toont volgens hem aan dat men in staat is afstand te nemen van het onderwerp wat van groot wetenschappelijk nut is. Als er één element is dat we van Galbraith niet mogen vergeten dan is het zijn aandringen op het relativeren van de economische wetenschap: 23
  25. 25. ‘In considering economic behaviour, humor is especially important for, needless to say, much of that behaviour is infinitely ridiculous’. 24
  26. 26. Bibliografie Backhouse, R.E., 2004, A Suggestion For Clarifying The Study Of Dissent In Economics, Journal of the History of Economic Thought, Vol.26, n° 2, Juni 2004, blz.261-271 Beishuizen, J., 1994, John Kenneth Galbraith: het economisch denken van een dissident, Vrije Universiteit Amsterdam Blaug, M., 1998, Great Economists since Keynes: an introduction to the lives & works of one hundred modern economists, Elgar Brandis, R., 1990, Economics in perspective: a critical history: Book review, History of Political Economy, Vol.22, n° 1, Spring 1990, blz.177-178 Dimand, R.W., 2004, Randall E. Parker, Reflections on the Great Depression: Book review, Journal of the History of Economic Thought, Vol.26, n°3, September 2004, blz. 420-423 Endres, T., 2004, One Hundred Years from Today: T.B. Veblen. The Theory of Business Enterprise, History of Economics Review, n°40, Summer 2004, blz.152-156 Foto John Kenneth Galbraith, 22 april 2005, On-line beschikbaar op: http://www.availablelightphoto.com/portraits/1981-JohnKennethGalbraith.jpg Galbraith, J.K., 1978, The New Industrial State, Houghton Mifflin Company Boston Galbraith, J.K., 1981, A Life In Our Times, Corgi Books, London, Great Britain Galbraith, J.K., 1985, The Affluent Society, St Edmundsbury Press, Bury St Edmunds, Suffolk John Kenneth Galbraith, Wikipedia: The Free Encyclopedia, 12 april 2005, On-line beschikbaar op: http://en.wikipedia.org/wiki/John_Kenneth_Galbraith 25
  27. 27. Rutherford, M., 1981, Veblen on owners, managers, and the control of the industry: a rejoinder, History of Political Economy, Spring 1981,Vol.13, n°1, blz.156-158 The Economics of Innocent Fraud: Truth For Our Time: Amazon.com productpagina, 12 april 2005, On-line beschikbaar op: http://www.amazon.com/exec/obidos/tg/detail/- /0618013245/qid=1113234188/sr=1-3/ref=sr_1_3/104-0459923-7835911?v=glance&s=books 26

×