Universiteit Antwerpen Ken Lawrence Non Fictie Beeldculturen The Corporation

2,241 views

Published on

Published in: Technology, Travel
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,241
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
26
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Universiteit Antwerpen Ken Lawrence Non Fictie Beeldculturen The Corporation

  1. 1. Universiteit Antwerpen Ken Lawrence Non-fictie beeldculturen Master in de Filmstudies en Beeldcultuur Prof. L. Pauwels
  2. 2. Universiteit Antwerpen Ken Lawrence Non-fictie beeldculturen Master in de Filmstudies en Beeldcultuur Prof. L. Pauwels
  3. 3. Inhoudstafel Inhoudstafel................................................................................................................................ 1 1. Inleiding ................................................................................................................................. 2 2. Indexering van The Corporation............................................................................................ 3 3. Objectiviteitsclaim ................................................................................................................. 3 4. Fysische en nominale representatie ( Carroll )....................................................................... 4 5. De argumentatie ..................................................................................................................... 4 5.1 Opbouw van de argumentatie........................................................................................... 4 5.2 Retorische componenten .................................................................................................. 5 6. Typologieën van documentaire film ...................................................................................... 6 6.1 The Corporation als ‘expository documentary’ ( Nichols )............................................. 6 6.2 The Corporation en de ‘formal voice’ ( Plantinga )......................................................... 7 6.3 Corner’s communicative modes of documentarism......................................................... 8 7. Besluit..................................................................................................................................... 8 Bijlage: Uitgebreide toepassing van Corner’s typologie 1
  4. 4. 1. Inleiding In 2003 stelde Michael Moore alles in het werk om via zijn documentaire Fahrenheit 9/11 een herverkiezing van George W. Bush te voorkomen. Het gigantische commerciële succes van deze film creëerde – tijdelijk – een klimaat waarbinnen andere politiek-geëngageerde documentaires de kans kregen een breed publiek te bereiken. Zo maakte het filmpubliek kennis met The Yes Men, een groep die ernaar ijverde via satirische weg de hypocrisie van de voorstanders van verregaande globalisering aan te kaarten en de bedrijfswereld in haar hemd te zetten. Dat jaar werd ook de academisch meer verantwoorde documentaire The Corporation uitgebracht. De film werd geschreven door Joel Bakan, een Canadese advocaat en schrijver en werd geregisseerd door Jennifer Abbott en Mark Achbar. De documentaire poogt inzicht te geven in het psychologisch profiel van ‘het bedrijf’, een wettelijke constructie die in het Amerikaanse rechtssysteem de status van een persoon geniet. Ondanks de nadruk op de Verenigde Staten herkennen we de problematiek ook in de rest van de wereld. In deze paper wordt The Corporation nauwgezet geanalyseerd op het gebied van een aantal hete hangijzers binnen de theorie rond non-fictie film. Eerst en vooral wordt bekeken hoe The Corporation werd geïndexeerd en wat het gevolg daarvan was met betrekking tot de verwachtingen van de kijker. Vervolgens wordt de objectiviteitsclaim van de film behandeld. Doen de makers daar uitspraken over? Waarop baseren ze hun claim? Zijn er factoren die op het tegendeel wijzen? In het derde deel van de paper wordt kort stilgestaan bij de ‘modes of cinematic representation’ van Carroll. Is er een bepaalde soort representatie die de hoofdmoot uitmaakt in de film? Zo ja, wat is daarvan het gevolg? Het vierde deel van de paper behandelt de argumentatie. Hoe is deze opgebouwd? Hoe komen de verschillende retorische componenten ( selectie, ordening, nadruk, voice ) aan bod? In het laatste deel van de analyse wordt The Corporation gekaderd binnen de besproken typologieën van Nichols, Plantinga en Corner. Rond de theorie van deze laatste wordt een 2
  5. 5. uitgebreide toepassing gemaakt waarbij de eerste scenes van The Corporation minutieus ontleed worden in hun visuele en auditieve component. Deze toepassing staat in bijlage nummer 2. Tenslotte wordt in een algemeen besluit een globale evaluatie gegeven van de documentaire. 2. Indexering van The Corporation De film is duidelijk geïndexeerd als documentaire. Dit gebeurt eerst en vooral extern: in de reclame-campagne, op de officiële website en op de verpakking van de DVD-versie. Er wordt ook verondersteld dat de kijker aanneemt dat het om een documentaire gaat. Dit kan men afleiden uit het begin van The Corporation: een reeks bedrijfslogo’s worden snel achter mekaar getoond en een vrouwelijke voice over vertelt de kijker dat bedrijven over een vrij korte tijdsspanne geëvolueerd zijn tot de dominante instellingen van onze tijd. The Corporation verwijst dus expliciet naar de actuele wereld waarmee de zogenaamde ‘assertive stance’ als vanzelfsprekend wordt aanzien. De index die de film meekreeg creëerde ook deze verwachting. 3. Objectiviteitsclaim De objectiviteitsclaim van The Corporation schuilt hoofdzakelijk in het feit dat verschillende standpunten omtrent de bedrijfswereld in interviews aan bod komen. De filmmakers geven het woord aan schrijvers, economen, bedrijfsleiders, ‘whistle blowers’, een makelaar, en talloze anderen. Daardoor krijgt men een scala aan argumenten te horen gaande van uiterst kritische andersglobalisten tot vurige pleidooien van aanhangers van de vrije markt. De kijker zou vervolgens moeten aannemen dat de film een genuanceerd beeld geeft van de problematiek en dat een specifieke visie van de filmmakers onmogelijk wordt. Het is natuurlijk de vraag in hoeverre deze claim kan volgehouden worden. De promotionele posters voor de film tonen het silhouet van een man met een koffer – naar we mogen aannemen stelt dit symbolisch een zakenman of de zakenwereld voor – met boven zijn hoofd een aureooltje, maar aan zijn achterzijde een staart als die van de duivel. 3
  6. 6. Bij de bespreking van de typologie van Corner zal aandacht besteed worden aan hoe de filmmakers duidelijk hun mening verkondigen in The Corporation, ongeacht de veelheid aan opvattingen en invalshoeken die men aan bod laat komen in de interviews. Ik ben voorstander van het feit dat een documentaire een analyse bevat van een problematiek. Dit impliceert dat documentairemakers selectief te werk moeten gaan om die elementen naar boven te halen die het probleem, de oorzaken en mogelijke oplossingen zo helder mogelijk weergeven. Bovendien kan men naar mijn mening in een non-fictiefilm gebruik maken van filmische technieken ter ondersteuning van een argument. Desalniettemin moet men de objectiviteitsclaim van een documentaire aan kritisch onderzoek onderwerpen. 4. Fysische en nominale representatie ( Carroll ) In The Corporation komen zowel fysische als nominale representatie voor. Bij fysische representatie gaat het om het particuliere fotografische gegeven. In de film krijgen we fysische representatie wanneer bepaalde bedrijfslogo’s getoond worden, wanneer corrupte bedrijfsleiders in handboeien worden weggevoerd, wanneer bepaalde bedrijven verdacht worden betrokken te zijn bij ongure praktijken, ... Het gaat in al deze gevallen specifiek om die bedrijven en die personen. Bij nominale representatie daarentegen worden beelden gebruikt om bepaalde concepten weer te geven; een beeld staat dan eerder voor een breder geheel, een klasse of een begrip. Dit komt in The Corporation veel vaker voor en vormt in mijn ogen een zwak punt van deze documentaire. In een aantal case studies die de persoonlijkheid van ‘het bedrijf’ dienen weer te geven verzuimt men om bedrijven bij naam te noemen. Zo worden bijna alle bedrijven op eenzelfde manier voorgesteld en krijgen we een ongenuanceerd beeld. In de uitgebreide toepassing van Corner komen talrijke voorbeelden van nominale representatie aan bod. 5. De argumentatie 5.1 Opbouw van de argumentatie De argumentatie in The Corporation gebeurt in drie fases. Eerst wordt een historisch overzicht gegeven van ‘het bedrijf’. Daarin komt men te weten hoe en wanneer bedrijven de 4
  7. 7. status van personen kregen in het Amerikaanse recht. In de tweede fase vertrekt men van dit gegeven dat het bedrijf een persoon is. Via ‘case studies’ bespreekt men het karakter van deze persoon. De derde fase bevat de afwikkeling: gegeven dat het bedrijf een persoon is met bepaalde karaktereigenschappen: met wat voor soort persoon hebben we dan te maken? 5.2 Retorische componenten Ongetwijfeld een van de zwakste elementen van The Corporation is de selectie van gegevens; men wil eenvoudigweg té veel zaken bespreken binnen het tijdsbestek van de documentaire. De filmmakers doen wel een goede poging deze gegevens zo ordelijk mogelijk weer te geven. Om het argument omtrent de psychologische staat van het bedrijf te structureren maken ze gebruik van een checklist van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO ). Via een groot mozaïek-scherm worden diverse facetten van het karakter van het bedrijf als persoon belicht. Nadat een bepaald facet aan bod kwam, wordt er een oordeel geveld en vinkt men een bepaalde karaktereigenschap op de checklist aan. In het laatste deel van de documentaire wordt verder gebouwd p het psychologisch profiel van het bedrijf dat men aldus heeft bekomen. Wat de expositie-strategieën in The Corporation betreft kan men vaststellen dat vaak het volgende patroon wordt gehanteerd: eerst laat men een spreker aan bod komen die een bepaalde definitie of mening geeft. Vervolgens wordt ofwel na, ofwel tijdens dit betoog, beeldmateriaal getoond. De complexe relatie tussen het gesproken argument en het gebruikte beeldmateriaal en de gevolgen met betrekking tot de objectiviteitsclaim van de filmmakers komen aan bod bij de bespreking van de typologie van Corner. The Corporation is opgebouwd rond het gegeven dat in het Amerikaanse rechtssysteem een bedrijf als persoon wordt aanzien en wat voor soort persoon het dan wel zou zijn. Omwille van de hoeveelheid aan case studies die het psychologisch profiel van het bedrijf moeten ondersteunen was het voor de makers duidelijk moeilijk om ergens de nadruk op te leggen. Op structureel niveau is de checklist van de WHO een variabele waarop de nadruk wordt gelegd. Stilistisch wordt aanvankelijk weinig nadruk gelegd: alle sprekers komen ongeveer even lang aan bod tijdens de interviews. In het laatste deel van de film is dit anders. Daar wordt alles in het werk gesteld om de nadruk te leggen op het feit dat zelfs het individu een ommekeer kan veroorzaken in de gang van zaken. Men selecteert dan ook enkel sprekers en beelden die dit gegeven dienen te onderstrepen. Het lijkt alsof de makers zélf hebben 5
  8. 8. begrepen dat ze gedurende het voorbije anderhalf uur een extreem gefrustreerd publiek creëerden. Deze frustratie is niet het gevolg van een slechte documentaire, maar van de onmacht om als nietig individu te worden geconfronteerd met de grootschaligheid van de hele problematiek. Bovendien lijken de makers niet goed te weten wat ze willen: in een interview voor Work Magazine geven ze te kennen dat ‘what we really need to be doing is pushing our government to take on these issues.’. Wederom blijkt dat er voor het individu slechts een erg kleine rol kan zijn weggelegd. De voice van de filmmakers waarmee iets wordt gezegd over de actuele wereld is erg subtiel – bijna sluw – aanwezig. Een hedendaags publiek is niet te vinden voor een expliciet sturende voice-over en dat hebben de makers duidelijk begrepen. De vrouwelijke stem wordt nooit benoemd en geeft enkel aanzetten tot het formuleren van een eigen mening. Mijns inziens zijn de makers erin geslaagd hun voice op een andere manier kenbaar te maken: ofwel door het monteren van wat de geïnterviewden zeggen op bepaald beeldmateriaal dat ondersteunt wat ze zeggen, ofwel hun visie ontkracht doordat een contrast wordt gecreëerd of hun mening op een ironische manier onderuit wordt gehaald. The Corporation steunt duidelijk op het concept van de ‘propositional editing’ waarbij de montage in dienst staat van de redenering. 6. Typologieën van documentaire film 6.1 The Corporation als ‘expository documentary’ ( Nichols ) Hoewel Nichols zijn typologie evolutionair opvat met nieuwere vormen die de beperkingen van ouderen overstijgen is The Corporation toch een duidelijk voorbeeld van de ‘expository documentary’, chronologisch de oudste in Nichols’ typologie. Tijdens de bespreking van de ‘expository mode’ zagen we dat documentaires die binnen dit type vallen vaak de vorm aannemen van een essay. The Corporation was oorspronkelijk een boek en dit is duidelijk te merken aan de film. De film lijkt onderverdeeld in een reeks hoofdstukken. Men voelt als kijker ook dat de argumentatie aanvankelijk uitgeschreven was en men voor de film het noodzakelijke ondersteunende materiaal zocht. Centraal in de ‘expository mode’ staat het aanreiken van informatie, het analyseren van gegevens en het suggereren van oplossingen. Globaal genomen is de structuur van de film: 6
  9. 9. informatie over de opkomst van het instituut ‘bedrijf’ en de gelijkstelling met een persoon; analyse van het karakter van deze persoon via case studies; suggestie van acties om de pathologische aard van het bedrijfsleven ongedaan te maken. In The Corporation schuilt zeker en vast ook de zogenaamde pretentie die kenmerkend is voor dit type documentaires: de wereld is kenbaar en de documentaire-maker geeft de beste oplossing. Toch wordt dit pas duidelijk wanneer we de film aandachtig bekijken en nauwgezet analyseren: de filmmakers spreken de kijker niet expliciet aan en zeggen ook niet expliciet wat er moet gebeuren. Men speelt het spel subtieler en laat de geïnterviewden deze gegevens aanreiken om ze vervolgens via de montage en het gekozen beeldmateriaal te onderstrepen. Een van de kenmerken van de ‘expository mode’ is het feit dat de filmmakers niet aarzelen: hun visie is de enige juiste en afwijkende meningen komen niet aan bod. De makers van The Corporation pronken er mee dat je als kijker geen verdict hoeft te vellen en dat via de talrijke interviews uiteenlopende meningen wél aan bod komen. Toch lijkt het me vrij onwaarschijnlijk dit vol te houden: na afloop van de film mag het toch duidelijk zijn wat de visie van de makers is. Je kan er natuurlijk steeds voor opteren niet akkoord te gaan, maar mijns inziens kan je niet volhouden dat je als kijker niet minstens doorhebt waar de makers staan in het debat. Wat betreft de interviews wens ik opnieuw te verwijzen naar mijn toepassing van Corner: daar zal blijken dat niet alle geïnterviewden op even neutrale wijze hun zegje mogen doen. 6.2 The Corporation en de ‘formal voice’ ( Plantinga ) Wanneer we The Corporation thuis willen brengen in de typologie van Plantinga komen we terecht bij de ‘formal voice’. Deze voice loopt ook grotendeels gelijk met de ‘expository mode’ van Nichols. Dit is de meest klassieke voice waarbij een ietwat autoritaire positie wordt ingenomen waarbij toch ook andere standpunten aan bod kunnen komen en die er van uitgaat dat realiteit kan worden begrepen. In het interview met Work Magazine zegt Joel Bakan: ‘I think in knowledge lies power’. The Corporation biedt inderdaad een coherent discours aan dat goed wordt gestructureerd. Een van de punten van kritiek op de formal voice blijkt na een nauwkeurige analyse ook op The Corporation van toepassing: hoewel de film een complexe problematiek op een heldere 7
  10. 10. en genuanceerde manier wil weergeven gaat men al té vlot over tegenstellingen en incoherenties heen. De toepassing van de typologie van Corner gaat hier dieper op in. 6.3 Corner’s communicative modes of documentarism In de erg interessante typologie van Corner worden het visuele en het auditieve van elkaar gescheiden. Bijgevolg krijgen we een reeks ‘visual modes’ en ‘speech modes’. Op het visuele niveau zit The Corporation tussen de ‘Evidential mode 3: illustrative’ en de ‘Associative mode’. Dit mag misschien een rare combinatie lijken, maar doorheen deze toepassing zal duidelijk worden waarom ik de film hier wens te plaatsen. The Corporation valt grotendeels in de ‘Evidential mode 3: illustrative’ omdat beelden veelal confirmeren wat er wordt gezegd: de geïnterviewde Noam Chomsky heeft het bijvoorbeeld over het feit dat bedrijven in eerste instantie wettelijke constructies zijn. Terwijl hij spreekt worden er beelden getoond van boeken over rechtsleer in een bibliotheek. Men zoekt met andere woorden die beelden die passen bij wat er wordt gezegd. Anderzijds vinden we ook talrijke voorbeelden terug van de ‘Associative mode’: beelden krijgen een tweede orde betekenis en geven zelf een nieuwe betekenis aan wat er wordt gezegd. Dit zien we bijvoorbeeld in de manier waarop de filmmakers het interview monteren met Michael Walker van The Fraser Institute, een ‘market solutions’ denktank. Dit komt uitgebreid aan bod in toepassing die te vinden is in bijlage nummer 2. Op het auditieve niveau zit The Corporation hoofdzakelijk in ‘Evidential mode 2: testimony’. Nu en dan wordt ook gebruik gemaakt van de ‘Expositional mode’. Het eerste zien we vooral in de grote hoeveelheid interviews doorheen de film. Het tweede zien we in de manier waarop de vrouwelijke voice over zo nu en dan bepaalde zaken extra belicht of becommentarieert. 7. Besluit In alles is The Corporation een ambitieuze film. Het is een erg lange documentaire waarbij een veelheid aan onderwerpen wordt behandeld. Tientallen bevoorrechte ‘getuigen’ worden aan het woord gelaten over die ‘dominant institution of our time’, het bedrijf. Doorheen een 8
  11. 11. analyse, ondersteund met case studies, komt men tot de conclusie dat indien het bedrijf daadwerkelijk een persoon is zijn karakter overeenkomt met dat van een psychopaat. Inhoudelijk worden er dus geen doekjes om gewonden. Hierdoor ademt het geheel een zeker autoriteit uit, een vanzelfsprekend besluit dat niet in vraag kan worden gesteld. Het enige wat men zich na afloop nog kan afvragen zou zijn: ‘wat kan ik er aan doen?’ Mijns inziens komt er té veel aan bod. Hierdoor kan geen enkel onderdeel echt uitgebreid en naar behoren worden behandeld. De monolitische visie op ‘het bedrijf’ doet hier geen goed aan: er wordt een al te grove borstel gehanteerd waardoor, ondanks de talrijke geïnterviewden, er weinig sprake is van een genuanceerd beeld. De conclusie van The Corporation’s analyse moet dan ook met een korreltje zout worden genomen: niet alle bedrijven gedragen zich als psychopaten. Daarom vond ik de sterkste momenten in de film diegenen waar mensen en bedrijven met de naam werden genoemd. Niet alleen krijgt de kijker te maken met de fysische in plaats van nominale representatie, maar het wordt zo concreet wie nu de ‘booswichten’ zijn en waarom men niet alle zakenmensen over dezelfde kam mag scheren. De sterk retorische opbouw van de film dringt tot diep in de vormgeving door. De uitgebreide analyse via de typologie van Corner toont het met talrijke voorbeelden aan: wie van de geïnterviewden niet akkoord ging met de visie van de makers kon er zeker van zijn dat zijn argument ofwel via beelden, ofwel via de voice over, ofwel via een nieuwe spreker onderuit zou worden gehaald, zonder dat hij de kans kreeg nog in het verweer te gaan. De DVD- uitgave biedt soelaas omdat op een extra bonus-schijfje de interviews zonder onderbreking en in hun geheel werden opgenomen. Door het grote aantal topics dat werd aangesneden kan The Corporation een goede introductie zijn op het domein van concepten als ‘corporate governance’, shareholders ten opzichte van stakeholders, ... voor mensen die nog niet op de hoogte waren van de problematiek of er misschien nog niet bij stil stonden. Door de humoristische elementen is de film behoorlijk toegankelijk en kennis kan een belangrijk wapen zijn in de strijd tegen de negatieve gevolgen verbonden aan een té ver doorgedreven globaliseringsproces. 9
  12. 12. The Corporation kan misschien een ‘wake-up call’ zijn voor wie er heilig van overtuigd is dat globalisering en de vrijemarkteconomie enkel voordelen bieden. Jammer genoeg lijdt de documentaire onder een soort ‘preaching to the converted’ in een ellenlange, onvoldoende genuanceerde kijk op het bedrijfsleven. 10
  13. 13. Bijlage: Uitgebreide toepassing van Corner’s typologie
  14. 14. Bijlage: Uitgebreide toepassing van Corner’s typologie: Ten einde door te dringen tot hoe de filmmakers hun stempel drukten op The Corporation leek het me nuttig de theorieën van Corner toe te passen. Ik heb me hiervoor geconcentreerd op de eerste vijf hoofdstukken die men via het menuscherm kan selecteren. Doel van de toepassing is het nauwgezet beschrijven en analyseren van de visuele en auditieve component en hoe de twee op mekaar inwerken, elkaar aanvullen op mekaar net lijken tegen te spreken. Scène 1: ‘What is a Corporation?’. De film begint met een snelle montage van bedrijfslogo’s, niet nader bepaald archiefmateriaal en een vrouwenstem in de voice over die vertelt waar de documentaire over gaat. Ongeveer 150 jaar geleden was het bedrijf relatief onbelangrijk. Dan evolueerde het stilaan naar de dominante institutie van het moderne leven. Vervolgens bewegen we ons door een bedrijfslocatie die waarschijnlijk speciaal voor de film werd uitgedacht. We gaan naar een ‘meeting room’ waar men op een scherm kijkt naar een interview met Bush die het heeft voor slechts ‘a few bad apples’. Vervolgens krijgen we een niet nader genoemd persoon die het ook heeft over ‘a few bad apples’. Dat wordt dan geïllustreerd met vallende appels. Onmiddellijk krijgen we een tegenargument dat het niet slechts om ‘a few bad apples’ gaat door een snelle montage van archiefmateriaal uit diverse nieuwsbronnen rond de recentste bedrijfsschandalen, gemonteerd op een rocknummer met de tekst ‘some people call me a bad apple’. Tegelijkertijd zien we corrupte bedrijfsleiders in handboeien weggeleid worden wat een ironisch contrast geeft. Dan volgt opnieuw een snelle montage waar duidelijk gelachen wordt met de hele ‘bad apples’ metafoor. Nadien krijgen we het beeld van een mechanische plukmachine in een serre en komt de vrouwelijke voice over ons opnieuw vertellen HOE de film te werk zal gaan: door mensen die op verschillende manieren te maken hebben met het bedrijfsleven aan bod te laten komen wil men het bedrijf voorstellen als een paradox. De intenties van de makers worden dus al duidelijker. Een volstrekt objectieve aanpak zal niet mogen worden verwacht, maar dat zou in feite al duidelijk moeten zijn uit de ondertitel van de film: ‘The Pathological Pursuit of Power and Profit’. Na de voice over krijgen we de titel van de film over het hele scherm. Dan volgen een reeks vrij objectieve manieren om het belang van het hedendaagse bedrijfsleven weer te geven aan de hand van een reeks voice overs van mensen die later benoemd zullen worden tijdens de interviews. Visueel kozen de makers voor archiefmateriaal 1
  15. 15. dat min of meer letterlijk weergeeft wat de stemmen zeggen ( een puzzel, een sportploeg, een familie ). De laatste stem is bijzonder omdat die duidelijk erg pro-business getint is. De spreker maakt een vergelijking met de majestueuze arend en zorgt voor een ophemeling van het bedrijfsleven. Dat is als kijker even schrikken. Dan krijg je de spreker te zien die directeur blijkt te zijn bij een bedrijfsopleiding van de Harvard Universiteit. Hij kijkt nog even naar de camera terwijl hij het laatste van zijn vergelijking met de arend afwerkt. Vervolgens kijkt hij rond – als kijker neem je aan dat hij rondkijkt naar de makers van de documentaire – staat op en terwijl hij opstaat hoor je hem zeggen ‘OK guys, enough bullshit’. Dat ondermijnt natuurlijk volledig wat hij daarvoor zei! Nadien volgen opnieuw een reeks metaforen voor het bedrijf ( een monster, een walvis, het monster van Frankenstein, ... ), steeds letterlijk geïllustreerd met beelden van een Godzilla- achtig monster, een walvis en een fragment uit een Dr. Frankenstein film. De volgende spreker, hoofd van de ‘Canadian Council for International Business’ vertelt waarom hij niet te vinden is voor de term ‘Corporation’. Volgens hem wordt het te vaak pejoratief gebruikt, alsof alle ‘corporations’ uit zijn op de overheersing van de aarde. Eerst zien we de spreker zelf, nadien horen we zijn stem bij beelden van een optocht, een protestmars tegen het bedrijfsleven. Dit is duidelijk een vorm van nominale representatie. Het gaat om het idee van demonstranten, eerder dan om die specifieke optocht. De volgende sequentie toont een archieffilmpje over wat een ‘corporation’ is. Op het vlak van het geluid wordt de soundtrack van het oude filmpje afgewisseld met de definitie die een nieuw geïntroduceerde spreker, een professor zakenethiek, geeft van het begrip. Scène 2: ‘Birth’. Deze scène begint met een spreker die verder in de film een bijzondere rol zal vervullen, Ray Anderson, CEO van een grote tapijtfabriek. Hij geeft zijn ideeën weer over wat er ten grondslag ligt aan het bedrijf, met name de industriële revolutie. Hij gaat terug tot 1712 naar de uitvinding van een machine met stoom waarmee mijnwerkers meer kolen per uur uit de grond konden halen. Vervolgens evolueerden de machines, maar het basisprincipe bleef steeds: meer van product X per ‘man hour’. Zijn betoog wordt geïllustreerd met divers archiefmateriaal, schetsen en foto’s met het Ken Burns effect, scènes uit niet nader genoemde fabrieken, ... 2
  16. 16. De volgende spreker is de bekende Noam Chomsky die uitlegt dat het BELANG van bedrijven pas de laatste 100 jaar zo is toegenomen. Voordien waren het verenigingen van mensen rond een gemeenschappelijk doel, zoals bijvoorbeeld het bouwen van een brug. We zien dan beelden van een brug, maar dit is hoofdzakelijk weer een voorbeeld van nominale representatie. Het doet er niet toe of DIT nu de brug is waar Chomsky het over had. De twee volgende sprekers zijn mensen van de organisatie ‘Law and Democracy’. Zij bespreken de oospronkelijke rol van bedrijven. Het wordt voor de kijker duidelijk dat alles veel meer gereglementeerd was of zoals de tweede spreker het uitdrukt: ‘(… )the corporation was considered a subordinate identity that was a gift from the people in order to serve the public good.’ Nadien krijgen we archiefmateriaal dat verwijst naar de Amerikaanse Burgeroorlog en de expansie van zware industrie, transport, ... De ‘corporate lawyers’ wilden dat bedrijven meer macht kregen. De volgende spreker is de schrijver Howard Zinn. Hij vertelt over het ‘14th Amendment’ ( einde Burgeroorlog ) dat gericht was op de bescherming van ‘life, liberty and property’ van mensen. Dit zou een goeie zaak zijn voor de zwarte Amerikanen, maar de advocaten sprongen hier onmiddellijk op: zij zagen de opportuniteiten in van het bedrijf te laten erkend worden als PERSOON om ook van de rechten van het ‘14th Amendement’ te kunnen genieten! De sprekers van ‘Law and Democracy’ zijn erg kritisch: de wet werd NAUWELIJKS door de zwarten gebruikt, maar vrijwel uitsluitend door bedrijven. Scène 3: ‘A Legal “Person”’. Scène 3 begint met archiefmateriaal, een soort instructiefilmpje waarin kort wordt uitgelegd hoe je een bedrijf opstart en wat het grote voordeel is: beperkte aansprakelijkheid. Vervolgens krijgen we een stukje te zien van een oud promotiefilmpje voor ‘Imperial Steel’. Na een tijd loopt het geluid van dat filmpje door, maar krijgen we beelden via een extreme groothoeklens ( fish eye ) van andere bedrijven (“It’s a part of our daily living” ). De beslissing van het Hogerechtshof om bedrijven als personen te beschouwen wordt vervolgens het uitgangspunt van de makers van de film: als het bedrijf een persoon is, wat voor iemand is het dan? Noam Chomsky komt als eerste aan het woord. Hij wijst er op dat bedrijven wettelijke constructies zijn ( we zien beelden van boeken over recht in een bibliotheek ) die enkel begaan zijn met hun “stockholders” en niet hun “stakeholders” zoals de mensen die voor hen werken of de gemeenschap. 3
  17. 17. De volgende spreker is Robert Monks, Corporate Governance Advisor. Hij zegt dat bedrijven niet zoals andere mensen zijn. Terwijl hij dat laatste uitspreekt zien we de grimassende Ronald McDonald, mascotte voor McDonalds, evenals een aantal andere ‘personificaties’ van bedrijven zoals het Michelin-mannetje. Michael Moore komt dan aan bod. Hij heeft het over het feit dat mensen de neiging hebben om naar bedrijven te kijken alsof het personen zijn zoals zij zelf. Dan krijgen we wat lijkt op een reeks straatinterviews waarin mensen blijkbaar de vraag kregen wat ze als eigenschappen toekennen aan bepaalde bedrijven. Nike is bijvoorbeeld ‘young and energetic’. Hier vind ik toch dat de filmmakers hadden moeten duidelijk maken wat hun vraag aan de mensen was. Je kan zoiets erg makkelijk manipuleren door een bepaalde vraag te stellen, maar het antwoord van de respondenten te laten kaderen in een heel andere vraagcontext. Een klein voorbeeld: tijdens de laatste aflevering van de Eurosong pre-selectie monteerde men bepaalde delen van een interview met iemand van de groep ABBA op vragen die Bart Peters aan zijn gasten stelde. Zo vroeg hij: ‘Do you think it’s a good idea to send Yves Leterme to Eurosong?’ waarna er zogezegd werd overgeschakeld naar de ABBA-zanger die daar dan klaarblijkelijk een antwoord op had. Bij het laatste interview kunnen we wel afleiden dat de aangesproken mensen een aantal bedrijven werd voorgelegd. Michael Moore stelt vervolgens dat deze reflexen foutief zijn: het is bedrijven enkel te doen om de ‘bottom line’, m.a.w. zoveel mogelijk winst te maken. Wat daarop volgt – archiefmateriaal uit wat een soort overheidspropagandafilmpje rond het kapitalistisch systeem moet zijn – toont dat de filmmakers onmogelijk geheel objectief te werk konden of wilden gaan. Ze hadden net zo goed onmiddellijk kunnen overgaan naar de volgende spreker die tracht een genuanceerder beeld te geven van de bedrijfslogica, maar voegen eerst dat stukje archiefmateriaal in. Dat is weliswaar grappig, maar creëert een bepaalde sfeer waarin je daaropvolgende verdedigingen tegen Moore’s stelling OOK als propaganda gaat beschouwen. De volgende spreker heeft de indrukwekkende naam Sir Mark Moody-Stuart en was vroeger hoofd van Royal Dutch Shell. Hij zegt dat geld niet alles is voor ‘the business person’. Hij wijst op het belang van het milieu – misschien niet het beste voorbeeld dat hij had kunnen noemen – en zegt dat bedrijven ernaar streven ‘constructive members of society’ te zijn. Michael Moore komt opnieuw in beeld en hij geeft toe dat sommige bedrijven zaken 4
  18. 18. produceren die waardevol zijn voor de gemeenschap. Voor hem schuilt het probleem in het feit dat ze nooit genoeg winst hebben. We krijgen dan beelden van een machine die geld drukt met eerst het geluid van de machine, nadien de voice over van Sir Mark Moody-Stuart die zegt dat elke organisatie ter wereld zijn economische grondslag niet kan negeren; iedereen is afhankelijk van anderen, zelfs wie onder een ‘banyan tree’ woont. Visueel krijgen we archiefmateriaal te zien van arbeiders die hun loonbriefje in ontvangst nemen, evenals een aantal typische ‘transacties’ zoals het kopen van voedsel of gebruiksvoorwerpen. Dan doet de voice over iets wat nog een aantal keer gebeurt en steeds het argument van de voorstanders van de vrijemarkteconomie onderuit haalt: de voice over levert kritiek op wat er net daarvoor werd gezegd. Het is natuurlijk de vraag of dit af te keuren valt. Volstrekte objectiviteit is onmogelijk en vaak is het noodzakelijk dat ‘flawed arguments’ kritisch worden belicht. Het probleem schuilt hem mijn inziens in het feit dat enkel de voorstanders van de vrije markt bekritiseerd worden door de voice over of door middel van bepaalde beelden na hun betoog, terwijl de argumentatie van een aantal andere sprekers ook best eens nader werd bekeken. Wat de voice over inbrengt tegen de uitspraken van Sir Mark Moody-Stuart is het feit dat, in tegenstelling tot andere organisaties, het bedrijf wettelijk verplicht is zijn bottom line boven alles te zetten, zelfs boven ‘the public good’. Visueel wordt de sequentie verdergezet van het gelddrukproces. Nadien komt Chomsky opnieuw aan het woord. Hij zegt dat het stellen van winst boven alles geen natuurwet is, maar een weloverwogen juridische beslissing die ervoor zorgt dat men enkel oog heeft voor kortetermijnwinst. We krijgen beelden te zien van de New York Stock Exchange. Scène 4: ‘Externalities’. We gaan terug naar Robert Monks die vertelt dat bedrijven in feite enkel verantwoordelijk zijn voor zichzelf en dat ze erin slagen anderen te laten opdraaien voor de kosten van de impact van het bedrijf op de maatschappij. Economen hebben het over ‘externalities’. De volgende spreker is de bekende econoom, voorvechter van de vrijemarkteconomie en Nobelprijswinnaar Milton Friedman die een hele andere definitie geeft van ‘externalities’ dan Robert Monks. Friedman heeft het over de effecten van een transactie op een derde die niets te maken heeft met de originele transactie. Opnieuw kunnen de filmmakers zich niet inhouden. Tijdens de definitie van Friedman krijgen we een clipje te zien uit een komische film waarin met een taart wordt gegooid die iemand raakt die met de ruzie niets te maken had. 5
  19. 19. Nadien komt Ray Anderson opnieuw aan het woord. Voor hem komen ‘externalities’ voort uit de notie ‘let somebody else deal with that’. Robert Monks gaat dan weer uit van de aard van het bedrijf. Net als een haai kan doden om zijn doel te bereiken, kan een bedrijf schade berokkenen aan derden. We krijgen beelden van een haai te zien en een zwemster. Het laatste woord in deze scène is voor Ray Anderson: bedrijven zullen ernaar streven nu resultaten te boeken en sommige zaken eenvoudigweg doorschuiven naar anderen als ‘externalities’. We krijgen kort beelden van voorbijrollende beurscijfers te zien. Scène 5: ‘Case histories’. Nu komen we stilaan bij de kern van de redenering van de filmmakers: een analyse van het bedrijf als persoon aan de hand van een reeks case studies die allen een verschillend facet belichten van het bedrijf. Dit wordt ons verteld door de anonieme vrouwelijke stem. Op visueel niveau krijgen we een grote mozaïek te zien met diverse tekeningen. Deze representeren de verschillende case studies hoewel niet alle vakjes zullen worden behandeld. De eersten zijn: ‘Harm to workers: Layoffs’, ‘Harm to workers: Union busting’, ‘Harm to workers: Factory fires’ en ‘Harm to workers: Sweatshops’. Bij deze laatste maken we kennis met Charles Kernaghan, directeur van de National Labor Committee. Hij leidt de filmmakers binnen in het hoofdkantoor van hun organisatie en toont een aantal objecten die zijn organisatie aankocht. Daarbij maakt hij een vergelijking tussen de verkoopprijs en de lonen die de arbeiders kregen. Hij vertelt het verhaal over een reis van zijn organisatie naar Honduras en de problemen die hij ondervond om te spreken met de arbeiders. Het beeldmateriaal toont ons beelden van arme wijken, vrouwen die naar een fabriek gaan, een man met een walkie-talkie die de camera verbiedt te filmen. Hij kreeg een aantal labels te pakken van de merken waarvoor de arbeiders in erbarmelijke omstandigheden moeten werken. Een label liet een wel erg wrange nasmaak achter, het label van Kathy Lee Gifford waarop stond dat een deel van de opbrengsten naar organisaties voor kinderen ging. De arbeiders in de fabriek in Honduras waren echter kinderen! We krijgen ook beelden te zien van arbeiders, maar hoogstwaarschijnlijk is dit weer een voorbeeld van nominale representatie. Het gaat niet specifiek om die kinderen, maar om de kinderen die gedwongen worden in de sweatshops te werken. Vervolgens zien we dat er gevraagd wordt aan een arbeider hoeveel mensen ze met haar inkomen moet onderhouden en of dat gaat. Ze schudt haar hoofd om te kennen te geven dat 6
  20. 20. het haar niet lukt. De stem van het interview loopt door terwijl we beelden krijgen van enkele spelende kinderen. De volgende spreker hanteert een heel andere kijk op de zaak. Zijn introductie door de filmmakers gaat al onmiddellijk gepaard met een zeker cynisme. Onder zijn naam ( Michael Walker ) staat ‘The Fraser Institute, a “market solutions” think tank’. De haakjes rond market solutions geven het geheel een zekere sarcastische ondertoon zodra je hoort wat de ‘market solutions’ van deze kerel inhouden. Hij geeft een ronduit belachelijk en volledig beschamend beeld van de situatie door te stellen dat mensen in bijvoorbeeld Bangladesh of China zo arm zijn dat ‘the only thing they have to offer to anybody that is worth anything’ ( voor Walker zijn armen dus waardeloos ) hun lage arbeidskost is. Hij zegt dat ze als het ware met een vlag staan te zwaaien zodat multinationals ‘ter hulp snellen’ en hen tewerkstellen aan 10 dollarcent per uur zodat ze ‘niet sterven van de honger’. De multinationals ‘are regarded by everybody in the community as an enormous godsend’. De filmmakers gaan dit idyllische beeld onmiddellijk contrasteren met de rauwe werkelijkheid van Honduras. We zien de vrouwelijke arbeiders droevig kijken. Dan komt er iemand – een soort ploegbaas waarschijnlijk – de camera met zijn hand bedekken en zeggen dat ze er niet mogen zijn. Vervolgens krijgen we een duidelijk voorbeeld van de interactieve vorm van documentaire: de filmmaker – niet de maker van The Corporation, wel de man van het National Labour Committee – gaat in discussie met iemand waarvan we veronderstellen dat hij de eigenaar van de fabriek is over het feit of hij daar al dan niet aanwezig mocht zijn. De volgende scène toont een koe die grasduint in een gigantische afvalberg. De stem is opnieuw die van Charles Kernaghan van het National Labour Committee die vertelt dat zijn organisatie vaak op dit soort afvalbergen rondwandelt om interessante zaken te vinden. Hij toont een aantal papieren waarvan hij zegt dat ze werden gevonden op een afvalberg op de Dominicaanse Republiek. Ze bevatten de werkschema’s van Nike-arbeiders waarbij de handelingen die ze moeten uitvoeren ten einde een Nike product af te werken worden verdeeld in tijdseenheden tot op een tienduizendste van een seconde. Het Taylorisme blijkt dus nog alles behalve afgezworen te zijn door grote organisaties. Nadien wordt verteld wat het loon is dat de arbeiders krijgen voor hun werk. Charles Kernaghan noemt het de ‘science of exploitation’. Op de achtergrond krijgen we tijdens deze sequentie een soort enerverende, repetitieve, machinale ‘muziek’ te horen die erg goed past bij wat wordt verteld over Nike’s productiemethoden. De scène wordt afgesloten met het beeld van een checklist, meerbepaald 7
  21. 21. de ‘Personal Diagnostic Checklist’ uit de ‘Manual of Mental Disorders’ van de Wereld Gezondheidsorganisatie. De lijst is leeg; dan verschijnt de tekst ‘Callous unconcern for the feelings of others’. Het vakje voor deze tekst wordt aangevinkt. Deze checklist vormt de structuur van de film. Via voorbeelden wordt de lijst afgewerkt en zal ze tenslotte worden voorgelegd aan een FBI consultant die aan de hand van de checklist ‘the corporation’ als persoon een bepaald profiel kan geven. Na deze checklist komt opnieuw Michael Walker van The Fraser Institute in beeld. Hij vertelt dat bedrijven na verloop van tijd weggaan uit bepaalde lage-loonlanden omdat de mensen niet meer wanhopig zijn; hun levensstandaard is er zo op vooruit gegaan dat ze het nu goed stellen waardoor de bedrijven op zoek gaan naar een volgende groep ongelukkigen ten einde hen te helpen. Opnieuw gaan de filmmakers duidelijke kritiek uiten op de stellingen van Walker. Wederom gebeurt dit niet op een paternalistische wijze via een belerende voice over, maar via beelden die contrasteren met wat de spreker zegt. Zo krijgen we tijdens Walker’s ‘they’re all plump and healthy and wealty’ speech beelden te zien van magere kinderen en sloppenwijken. Ook de muziek werkt duidelijk de gedachte in de hand dat Walker het niet bij het rechte eind heeft. Vervolgens zien we opnieuw een beeld van de checklist waarbij nu een vinkje wordt gezet naast ‘Incapacity to maintain enduring relationships’. De volgende scène begint met een – aanvankelijk – ongeïdentificeerde stem die meer uitleg geeft over de zogenaamde ‘export-processing zones’ en de theorie dat deze voor een zeker ‘trickle down’-effect zullen zorgen waar de lokale gemeenschappen in die arme landen baat bij hebben. We krijgen te zien dat de spreker de bekende auteur Naomi Klein is van het boek No Logo. Op het niveau van het beeld krijgen we archiefmateriaal te zien van ongeïdentifceerde ‘export-processing zones’. Nadien komen we terug bij de grote mozaïek. De elementen die nu even aangehaald worden zijn: ‘Harm to Human Health: Dangerous Products’, Harm to Human Health: Toxic Waste’, ‘Harm to Human Health: Pollution’ en ‘Harm to Human Health: Synthetic Chemicals’. Op het niveau van het geluid hebben we steeds dezelfde muziek bij deze mozaïek. Het laatste element van de laatste mozaïek wordt het volgende topic. Eerst en vooral krijgen we beelden te zien uit promotiefilmpjes voor Shell en Monsanto. Nadien wordt de volgende spreker geïntroduceerd: Samuel Epstein, Professor Emeritus of Environmental Medicine van 8
  22. 22. de Universiteit van Illinois. Hij heeft het over de mogelijkheid sinds de jaren’40 om nieuwe chemicaliën aan te maken. Zijn verhaal wordt op verschillende momenten onderbroken door een tekenfilmpje over wat de olie-industrie allemaal met petroleum kan doen. Dit dient om het even wat luchtiger te maken. Humor is doorheen The Corporation een erg krachtig middel. Het haalt sommige beweringen onderuit door ze van sarcastisch of ironisch commentaar te voorzien en het tracht de aandacht van de kijker te behouden door hen doorheen de soms complexe onderwerpen even wat rustpauze te gunnen. Epstein gaat verder door de uitvinding van DDT te beschrijven als iets dat heel makkelijk kon aangemaakt worden, zelfs door een apotheker. Nadien volgt een archieffilmpje over hoe de Amerikaanse soldaten na WOII in Japan DDT op mensen spoten, meestal kinderen, om een tyfus-epidemie te voorkomen. Vervolgens zien we een sproeivliegtuig en horen we Epstein die beschrijft hoe men gradueel begon vast te stellen dat de producten die de petrochemie produceerde behoorlijk schadelijk konden zijn. We zien ook een plant die verschrompelt om dit te illustreren. Nadien volgen nog beelden van de aarde en een dissolve naar een zeker organisme onder een microsocoop waarbij Epstein vertelt over de kankerverwekkende aspecten verbonden aan de chemicaliën die zo in overvloed werden gebruikt. Ook heeft hij het over andere genetische afwijkingen die kunnen ontstaan. Daarna krijgen we beelden te zien van dieren die bizarre afwijkingen vertonen. Er wordt nooit aangegeven om welke dieren het gaat of waar ze gevonden werden. Ze dienen ter illustratie van wat Epstein zei. We krijgen ook nog een foto te zien van een jongetje dat zonder ogen werd geboren. Epstein gaat verder met te zeggen dat de meeste industrieën hiervan wisten, maar de risico’s minimaliseerden. Vervolgens krijgen we opnieuw de checklist te zien waar een vinkje wordt gezet naast de tekst ‘Reckless disregard for the safety of others’. Dit is een beetje een zwak punt in de documentaire omdat er hoegenaamd niet wordt stilgestaan bij welke bedrijven deze risico’s minimaliseerden. The Corporation gebruikt in het algemeen een tamelijk grove borstel in het beoordelen van het bedrijfsleven. Na de checklist gaat Epstein nog verder door te zeggen dat hij al beschreven heeft dat de huidge kanker-epidemie grotendeels te wijten is aan de industrie. Wederom wou ik graag weten hoe dit rapport van hem werd ontvangen, wat de reactie was. Nadien komen we opnieuw aan de mozaïek, het structurerende element van de documentaire, en gaan we over naar het volgende onderwerp: ‘Harm to Animals’. 9

×