Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.
Practicum Klinische
Psychodiagnostiek
Casus N.
Frank Bais, Rinske Bakker, Fleur van Deventer en Guusje Havenaar
Casus beschrijving
Testbevindingen
Hypothesebeantwoording en Conclusies
Persoonlijkheidsproblematiek bij Adolescenten
...
Casus N.
Jongeman van 18 jaar
Huidig psychologisch onderzoek over aard, ernst van
huidige problematiek en passend behand...
Casus N. - Geschiedenis
Gescheiden ouders, beide nieuwe (weinig functionele)
relaties, patiënt neemt vaderrol aan, in elk...
Casus N. – Intake: huidige klachten
Patiënt verzorgd, in begin weinig oogcontact, praat veel
en vlot
Voornaamste klacht ...
Casus N. – Hypothesen
 Verhoogd op depressie en angst
 Persoonlijkheidsproblematiek uit vooral cluster B & C
 Verhoogde...
Instrumentarium
 Klachten

CBCL
BSI
WAIS-III

 Persoonlijkheidsstructuur

ATL
MMPI-2

Rorschach
 Levensloop

FAD-N
Life...
Testbevindingen - Klachten
CBCL: Biologische ouders zien bij hem angstigdepressieve, affectieve, somatische klachten en
g...
Testbevindingen - Persoonlijkheid
ATL: Extraversie hoog, behoefte aan disinhibitie, gemiddeld
op impulsiviteit

MMPI-2: ...
Testbevindingen - Levensloop
FAD-N:
Volgens N. ongezond functioneren van het gezin op veel
vlakken / Volgens vader, moede...
H1: Hoge depressie en angst
Bevestigd: Depressieve symptomen en dysthym beeld
Deels ontkracht: Geen hoog (diffuus of spe...
H2: Persoonlijkheidsproblematiek
cluster B en C
Deels bevestigd (cluster B):
- passief-agressieve persoonlijkheidsstoorni...
H3: Hoge impulsiviteit en
afleidbaarheid
 Waarschijnlijk deels bevestigd: Hoge afleidbaarheid
 Deels ontkracht: Gemiddel...
H5: Bovengemiddelde intelligentie
 Ontkracht: Gemiddelde intelligentie
 Geen persoon-omgeving-misfit

H6 en Ad 1: Geen p...
H7 en Ad 2: Moeite met volwassen
worden en vormen identiteit
 Bevestigd
- onveilige hechting, depressie/dysthymie, AD(H)D...
H8: Baat bij directieve, motiverende
gespreksvoering
Op basis van voorgaande aannemelijk:
 Tijdens behandeling zal patië...
Persoonlijkheidsstoornissen
bij adolescenten
(o.a. Handboek persoonlijkheidspathologie, E. H. M. EurelingsBontekoe, R. Ver...
Officiële regels volgens de APA
• Diagnose van persoonlijkheidsstoornissen onder de
achttien is toegestaan.

Klachten ged...
Argumenten tegen
 Gebrekkige stabiliteit van persoonlijkheidspathologie in de
adolescentie
• Persoonlijkheidsfunctioneren...
Argumenten vóór
 Persoonlijkheidsstoornissen komen bij adolescenten even
vaak voor als bij volwassenen (Johnson et al., 2...
Conclusie
Het construct van persoonlijkheidsstoornissen in de
adolescentie is betrouwbaar en valide, maar de actuele
crit...
Verschillen tussen
volwassenen en adolescenten
 Bij adolescenten hangen de kenmerken van een specifieke
persoonlijkheidss...
Persoonlijkheidsstoornissen
toegepast op de casus N.
 Persoonlijkheidsstoornis uit cluster B
aannemelijk door; MMPI-2, Ro...
Persoonlijkheidsstoornissen
toegepast op de casus N.
Combinatie niet vreemd; overlap BPS en PAP (Becker, Grilo,
Edell & M...
Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N.
Een diepgaand patroon van instabiliteit in interpersoonlijke relaties, zelfbe...
Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N.
Biosociaal model BPS (Crowell, Beauchaine & Linehan, 2009)
• Slechte impulsco...
Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N.
• Bij midden of late adolescentie maladaptieve
copingstrategieën.
(N; Tegensl...
Passief-Agressieve
Persoonlijkheidsstoornis casus N.
A Een duurzaam patroon van een negatieve houding en passief verzet te...
Passief-Agressieve
Persoonlijkheidsstoornis casus N.
• Niet veel onderzoek gedaan naar PAP.
• Overeenkomst theorieën (Hopw...
Conclusie
Persoonlijkheidsproblematiek aanwezig
Onderliggende persoonlijkheidsstoornis (cluster B)
mogelijke oorzaak van...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Ppp groep 1 rinske_frank_guusje_fleur

602 views

Published on

Published in: Health & Medicine, Technology
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Ppp groep 1 rinske_frank_guusje_fleur

  1. 1. Practicum Klinische Psychodiagnostiek Casus N. Frank Bais, Rinske Bakker, Fleur van Deventer en Guusje Havenaar
  2. 2. Casus beschrijving Testbevindingen Hypothesebeantwoording en Conclusies Persoonlijkheidsproblematiek bij Adolescenten Persoonlijkheidsproblematiek bij Casus N.
  3. 3. Casus N. Jongeman van 18 jaar Huidig psychologisch onderzoek over aard, ernst van huidige problematiek en passend behandelingsadvies Verwijzer: Autisme spectrumstoornis? Patiënt: Ik ben bang voor de maatschappij. Ik lijk sterk gefixeerd op een vrij leven. Ik ben bang om een baantje te nemen, ik lijk het niet te kunnen doen. Wat is dit?
  4. 4. Casus N. - Geschiedenis Gescheiden ouders, beide nieuwe (weinig functionele) relaties, patiënt neemt vaderrol aan, in elkaar geslagen door kind pleeggezin, woede-uitbarsting vriend moeder Rond 9e tweejarige opname ADHD, hyperactief kind, eenmalige impulsuitbarsting Speciale scholen, internaat, VMBO afgemaakt, op het moment geen opleiding of werk Geen succesvolle behandelgeschiedenis
  5. 5. Casus N. – Intake: huidige klachten Patiënt verzorgd, in begin weinig oogcontact, praat veel en vlot Voornaamste klacht gevoel van leegte sinds 9e, ook emotionele kilte, onrust, somberheid, gebrek aan motivatie, moeheid, faalangst, sociale evaluatie-angst, stemmingswisselingen, eenzaamheid, weinig eetlust, vervreemding, voelt zich onbegrepen, snelle gedachtegang, verliest het overzicht. In sociale relaties afstandelijk en wantrouwig, is bang voor afwijzing, angstig voor nieuwe opleiding of baan
  6. 6. Casus N. – Hypothesen  Verhoogd op depressie en angst  Persoonlijkheidsproblematiek uit vooral cluster B & C  Verhoogde impulsiviteit en afleidbaarheid  Onveilige (angstig-vermijdende) hechting  Boven gemiddelde intelligentie  Geen pervasieve ontwikkelingsstoornis  Moeite met volwassen worden en vormen identiteit  Baat bij directieve, motiverende gespreksvoering
  7. 7. Instrumentarium  Klachten CBCL BSI WAIS-III  Persoonlijkheidsstructuur ATL MMPI-2 Rorschach  Levensloop FAD-N Life Events
  8. 8. Testbevindingen - Klachten CBCL: Biologische ouders zien bij hem angstigdepressieve, affectieve, somatische klachten en gedachteproblemen BSI: Ernstig depressieve klachten, somatische klachten en paranoïde symptomen WAIS-III: Patiënt gemiddelde intelligentie (TIQ=99), begaafd op verwerkingssnelheid, moeite met organiseren en vasthouden informatie
  9. 9. Testbevindingen - Persoonlijkheid ATL: Extraversie hoog, behoefte aan disinhibitie, gemiddeld op impulsiviteit MMPI-2: 34-Profiel met verhoogde 1, 2 en 8 / Passiefagressief profiel / Somatische klachten / Depressieve klachten / Sociale en emotionele vervreemding /Gebrekkige coping Rorschach: Passief-agressieve neigingen / Introversief profiel / ‘Bedekking’ van motieven en persoonlijkheid / Weinig positieve en negatieve emoties / Hoge vijandigheid, lage assertiviteit / Zeer rigide stijl van problemen oplossen / Beperkt beoordelingsvermogen / Fantasiewereld
  10. 10. Testbevindingen - Levensloop FAD-N: Volgens N. ongezond functioneren van het gezin op veel vlakken / Volgens vader, moeder en stiefmoeder is er geen of nauwelijks sprake van ongezond functioneren van het gezin /  Persoonlijkheidsproblematiek? Life Events: Patiënt kon geen enkele plezierige gebeurtenis noemen / Patiënt noemde alleen (erg) onplezierige gebeurtenissen
  11. 11. H1: Hoge depressie en angst Bevestigd: Depressieve symptomen en dysthym beeld Deels ontkracht: Geen hoog (diffuus of specifiek) angstniveau
  12. 12. H2: Persoonlijkheidsproblematiek cluster B en C Deels bevestigd (cluster B): - passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis - borderline persoonlijkheidsstoornis - trekken van narcistische persoonlijkheidsstoornis Deels ontkracht (cluster C): - geen ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
  13. 13. H3: Hoge impulsiviteit en afleidbaarheid  Waarschijnlijk deels bevestigd: Hoge afleidbaarheid  Deels ontkracht: Gemiddelde impulsiviteit   ADD lijkt waarschijnlijker dan ADHD H4: Onveilige (angstig-vermijdende) hechting  Bevestigd: - Twijfels over zelfbeeld - Vermijden van socialiteit en intimiteit
  14. 14. H5: Bovengemiddelde intelligentie  Ontkracht: Gemiddelde intelligentie  Geen persoon-omgeving-misfit H6 en Ad 1: Geen pervasieve ontwikkelingsstoornis  Bevestigd  Geen autisme spectrumstoornis  Lichte trekken van Multiple Complex Developmental Disorder, maar geen aannemelijke diagnose
  15. 15. H7 en Ad 2: Moeite met volwassen worden en vormen identiteit  Bevestigd - onveilige hechting, depressie/dysthymie, AD(H)D en persoonlijkheidsproblematiek  plichtsbesef, verantwoordelijkheidgevoelens en gevoelens van incompetentie door problematiek  angst voor de maatschappij en het leven  lage (behoefte aan) sociabiliteit, lage assertiviteit  passiviteit (met onderliggende agressie door geschiedenis, huidige problematiek en onvermogen tot uiten)
  16. 16. H8: Baat bij directieve, motiverende gespreksvoering Op basis van voorgaande aannemelijk:  Tijdens behandeling zal patiënt moeten worden gestuurd, gemotiveerd en geactiveerd om te kunnen en willen participeren in het leven/de wereld  Bij behandelaar-patiënt-relatie rekening houden met vijandigheid en weerstand tegen autoriteit: groepstherapie
  17. 17. Persoonlijkheidsstoornissen bij adolescenten (o.a. Handboek persoonlijkheidspathologie, E. H. M. EurelingsBontekoe, R. Verheul W. M. Snellen, Hoofdstuk 32, Joost Hutsebaut)
  18. 18. Officiële regels volgens de APA • Diagnose van persoonlijkheidsstoornissen onder de achttien is toegestaan. Klachten gedurende 1 jaar aanwezig.
  19. 19. Argumenten tegen  Gebrekkige stabiliteit van persoonlijkheidspathologie in de adolescentie • Persoonlijkheidsfunctioneren van kinderen en jongeren zou erg wisselend en contextgebonden zijn. • ‘Maladaptieve’ persoonlijkheidstrekken zouden ‘normale’ trekken zijn in de adolescentie. • Te vroeg spreken van een persoonlijkheidsstoornis zou onvoldoende recht doen aan de kansen op spontaan herstel. • Ongepast om jongeren met deze diagnose te ‘stigmatiseren’
  20. 20. Argumenten vóór  Persoonlijkheidsstoornissen komen bij adolescenten even vaak voor als bij volwassenen (Johnson et al., 2000). • De gestoorde persoonlijkheid van adolescenten dezelfde structuur heeft als bij volwassenen (Durrett & Westen, 2005). • Adolescenten met een persoonlijkheidsstoornis vertonen duidelijk ernstigere psychopathologie dan adolescenten met een as-I-stoornis of zonder stoornis. (o.a. Westen e.a., 2003 en Johnson e.a., 2005). • Diagnose van persoonlijkheidsstoornissen in de adolescentie heeft een voorspellende waarde voor het functioneren van deze jongeren als (jong)volwassene (o.a. Johnson e.a., 2005 en Chen e.a., 2006).
  21. 21. Conclusie Het construct van persoonlijkheidsstoornissen in de adolescentie is betrouwbaar en valide, maar de actuele criteria zijn onvoldoende ontwikkelingssensitief geformuleerd en geoperationaliseerd. (Kernberg e.a., 2000) Het is de taak van de diagnosticus om de kenmerkende trekken van de persoonlijkheidsstoornissen te ‘vertalen’ zodat ze van toepassing zijn op adolescenten.
  22. 22. Verschillen tussen volwassenen en adolescenten  Bij adolescenten hangen de kenmerken van een specifieke persoonlijkheidsstoornis minder goed samen (Becker e.a.,1999). • Bij adolescenten is er meer overlap tussen de kenmerken van verschillende persoonlijkheidsstoornissen (Becker e.a., 2000). • Comorbiditeit tussen trekken uit de diverse clusters (A, B en C) van persoonlijkheidsstoornissen is bij jongeren groter dan bij volwassenen (Becker e.a., 2000). • Bij adolescenten gelden andere criteria als inclusie of exclusie. • Jongeren lijken meer lijdensdruk van de persoonlijkheidsstoornis te hebben dan volwassenen (Bradley e.a., 2005).
  23. 23. Persoonlijkheidsstoornissen toegepast op de casus N.  Persoonlijkheidsstoornis uit cluster B aannemelijk door; MMPI-2, Rorschach, ATL en FAD-N.  Borderline Persoonlijkheidsstoornis,  Passief-Agressieve Persoonlijkheidsstoornis en  Narcistische Persoonlijkheidstrekken.
  24. 24. Persoonlijkheidsstoornissen toegepast op de casus N. Combinatie niet vreemd; overlap BPS en PAP (Becker, Grilo, Edell & McGlashan, 2000) Bespreken van BPS en PAP. PAP niet in DSM-IV, alleen in Appendix B. Wel een bruikbaar klinisch construct (Hopwood et al, 2009 en Sprock&Hunsucker, 1998)
  25. 25. Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N. Een diepgaand patroon van instabiliteit in interpersoonlijke relaties, zelfbeeld, affecten en van duidelijke impulsiviteit. Begint in de vroege volwassenheid en manifesteert zich op de volgende manieren: • krampachtige pogingen te voorkomend dat men daadwerkelijk of vermeend in de steek gelaten wordt; • patroon van instabiele en intense interpersoonlijke relaties gekenmerkt door wisselend extreem idealiseren en extreem kleineren;  identiteitsstoornis: een duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel;  impulsiviteit op tenminste twee gebieden die betrokkene kunnen schaden (bijvoorbeeld geld verkwisten, seks, druggebruik, roekeloos autorijden, vreetbuien);  recidiverende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of automutilatie;  affectieve labiliteit ten gevolge van duidelijke gevoeligheid voor stemmingen (bijvoorbeeld periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst die meestal een paar uur duren maar slechts zelden meer dan enkele dagen);  chronische gevoelens van leegte;  inadequate, intense woede of moeite boosheid te beheersen (bijvoorbeeld frequente driftbuien, aanhoudende woede, herhaaldelijk vechtpartijen);  voorbijgaande stress-gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve symptomen. Om de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis te stellen moeten tenminste 5 van deze 9 indicatoren aanwezig zijn. De stoornis mag niet het gevolg zijn van de algemene medische conditie door medicatie of chronisch druggebruik. 
  26. 26. Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N. Biosociaal model BPS (Crowell, Beauchaine & Linehan, 2009) • Slechte impulscontrole; (N; Extraverte persoonlijkheid en ADHD gediagnosticeerd op jonge leeftijd…eventueel al in ontwikkeling? Geschiedenis ouders?) • Extreme emotionele instabiliteit, kan voortkomen uit de opvoedomgeving. (N; Onstabiele thuissituatie) • Biologische kwetsbaarheid en opvoedomgeving →emotionele dysregulatie en extremer gedrag→ negatieve cognitieve en sociale uitkomsten. (N; Problemen bij vervolgopleiding en vinden van een baan, moeite met sociale relaties)
  27. 27. Borderline Persoonlijkheidsstoornis casus N. • Bij midden of late adolescentie maladaptieve copingstrategieën. (N; Tegenslag op één school, nu bang voor zelfde tegenslag bij het zoeken van een andere opleiding of baan) • Deze kenmerken en dit gedrag kunnen het risico voor het ontwikkelen van BPS verergeren.
  28. 28. Passief-Agressieve Persoonlijkheidsstoornis casus N. A Een duurzaam patroon van een negatieve houding en passief verzet tegen eisen van adequate prestaties, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in verschillende situaties zoals blijkt uit ten minste vier van de volgende criteria: • 1 Biedt passief verzet tegen het vervullen van routinematige sociale en beroepstaken. • 2 Klaagt erover niet begrepen en niet gewaardeerd te worden door anderen. • 3 Is koppig en twistziek.  4 Bekritiseert en minacht autoriteiten op onredelijke wijze.  5 Uit afgunst en wrok tegenover hen die ogenschijnlijk gelukkiger zijn.  6 Klaagt overdreven en voortdurend over persoonlijk ongeluk.  7 Wisselt tussen vijandig verzet en berouw. B De passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis treedt niet uitsluitend op tijdens langere depressieve episoden en wordt niet beter verklaard door een dysthyme stoornis.
  29. 29. Passief-Agressieve Persoonlijkheidsstoornis casus N. • Niet veel onderzoek gedaan naar PAP. • Overeenkomst theorieën (Hopwood et al., 2009); - Gebrek aan het leren omgaan met hierarchische relaties tijdens de kindertijd. - Kan leiden tot ineffectieve zelf-assertie (opkomen voor zichzelf) en daarbij negatieve gevoelens en cognities. • N. - Vaderfiguur / vaderrol / moeder meer een vriendin - Niet geleerd om te gaan met hiërarchie binnen relaties - Nu problemen, zoals het dilemma vrije leven / school+baan
  30. 30. Conclusie Persoonlijkheidsproblematiek aanwezig Onderliggende persoonlijkheidsstoornis (cluster B) mogelijke oorzaak van problemen met opleiding/baan/vrije leven Hypothese behandeladvies hierdoor nogmaals bevestigd

×