Kingdom Klooster

759 views

Published on

Published in: Travel, Entertainment & Humor
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
759
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
29
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Kingdom Klooster

  1. 1. Kingdom of Nirvoas
  2. 2. O O O Klooster de Uylenhof Kloosterlingen: Christian Uilenberg, Andreas Daesdonck, Catharina van Sundert, Frederik van Sundert, Cornelis Brands O O De onrust van het leven in Nirvoas lijkt ver weg in klooster de Uylenhof. De vijf kloosterlingen leven in vrede en rust met elkaar, en met God. Maar in die rust gaat deze update verandering komen!
  3. 3. Al weken voelde Cornelis dat er iets ging gebeuren. Wilde God hem iets duidelijk maken? Cornelis wist het niet. Hij bad om kracht en vertrouwen, en las iedere dag uren uit de bijbel. Toen hij op een morgen door de kloostertuin wandelde, gebeurde het. Uit het niets verschenen er gloeiende vlammen in de kersenboom, die achter het klooster stond.
  4. 4. ‘ Halleluja! Loof de Heer, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw!’ riep Cornelis met grote ogen uit. Dit was een wonder. Een wonder van Gods hand! Broeder Christian kwam aan rennen, en was ook getuige van het wonder.
  5. 5. ‘ Loof de Heer, mijn ziel. De Heer wil ik loven, zolang ik leef, mijn God bezingen zolang ik besta. Halleluja!’ riep nu ook Christian uit. Met gebalde vuisten keek hij naar de verwoestende vlammen, die op wonderbaarlijke wijze waren verschenen.
  6. 6. ‘ Here God, wij zijn uw dienaren, onderworpen zijn wij aan uw wil!’ riepen Christian en Cornelis in koor. Ze lieten zich languit op het gras vallen, voor de brandende boom. Ze wisten allebei zeker dat dit een teken van God was. Vol nederigheid verborgen ze hun gezichten onder hun gewaden.
  7. 7. Zo bleven ze liggen, verzonken in aanbidding. Tot het geloei van de vlammen ineens minder werd, en ophield. Verrast openden de monniken hun ogen, en zagen dat er niets meer over was van de brand. Zelfs geen verschroeide takken of rookpluimen. Cornelis en Christian stonden op en keken elkaar aan, zonder iets te zeggen. Dit was een mirakel van Gods hand geweest.
  8. 8. Pater Christian haastte zich naar zijn werkkamer, om deze gebeurtenis uitgebreid te beschrijven in het jaarboek. Later zou hij broeder Frederik vragen om er een afbeelding bij te tekenen, met bladgoud voor de vlammen. Daarna vertelde hij het wonder aan iedereen in het klooster. Deze gebeurtenis leidde ertoe dat de kloosterlingen nóg vromer en geloviger werden. Nu waren ze al helemaal niet meer uit hun bijbels weg te slaan.
  9. 9. Toen Cornelis de zaal binnen kwam, keek iedereen meteen op. Zuster Catharina zuchtte van bewondering. Altijd al had ze de kleine Cornelis bijzonder gevonden. Als een geschenk van God was hij bij hun klooster gekomen, en hij was een groot voorbeeld voor iedereen. Dit wonder benadrukte dat nog eens.
  10. 10. ‘ Moge God u allen zegenen.’ sprak Cornelis en hij glimlachte warm naar de drie mensen aan de tafel. ‘ Dominus vobiscum, et cum spiritu tuo.’ zei hij. ‘De Heer zij met u, en met uw geest.’ ‘ Amen.’ zeiden ze toen allemaal tegelijk. De woorden galmden nog lang door in de zaal.
  11. 11. In gebed verzonken liep Cornelis naar buiten, waar hij Andreas vond. ‘ Zin om een uurtje te vissen?’ vroeg Andreas, en hij gebaarde naar twee hengels, die tegen het muurtje achter hem stonden. ‘ Waarom niet.’ glimlachte Cornelis. De jongens mochten elkaar graag, ze waren al sinds hun peutertijd vrienden.
  12. 12. Andreas had Cornelis altijd als zijn grote voorbeeld gezien. Cornelis was ook de reden geweest dat Andreas in het klooster bleef, toen zijn broer en zus vertrokken. Cornelis kon al gebeden brabbelen toen hij amper 2 jaar was, en als kind hield hij al hele preken en kende hij hele bijbelteksten uit zijn hoofd. Maar boven alles bewonderde Andreas zijn onvoorwaardelijke geloof.
  13. 13. Ineens werd Andreas uit zijn gedachten opgeschrikt door een kreet van Cornelis. Verward keek hij op, en zag hoe zijn vriend de hengel neergooide en weg rende. Toen hij omkeek, schreeuwde Andreas ook. Er stond weer een boom in brand! Zonder enige aanleiding…
  14. 14. ‘ Exaudi nos, Domine, quoniam benigna est misericordia tua, secundum multitudinem miserationum tuarum respice nos, Domine!’ Cornelis begon zwetend Latijnse gebeden te prevelen, zijn ogen stijf dicht geknepen. Andreas keek vol bewondering naar de vlammen, die op zo’n wonderbaarlijke wijze ontstaan waren.
  15. 15. De vlammen loeiden steeds hoger op, tot de boom nog maar nauwelijks zichtbaar was. Het felle licht van het vuur was bijna ondraaglijk, en Andreas hief zijn handen beschermend op. ‘ O God, Here Jezus Christus…’ was het enige wat Andreas uit kon brengen. Hij kende ook hele gebeden en bijbelteksten uit zijn hoofd, maar in dit angstige moment kon hij zich niets herinneren.
  16. 16. En net als bij het eerste wonder, verdwenen de vlammen net zo snel als ze gekomen waren. Trillend op zijn benen stond Andreas naar de boom te staren. Cornelis glimlachte en ondersteunde zijn vriend. ‘ De Here is met ons.’ zei hij.
  17. 17. Even later kwamen ook de andere kloosterlingen de boom bekijken. Er waren geen bewijzen te zien, geen tekens die op een brand konden wijzen. Maar iedereen geloofde de jongens meteen. En iedereen was ervan overtuigd dat Cornelis met dit wonder te maken had: hij was bijzonder, hij was een geschenk van God!
  18. 18. De volgende morgen stond zuster Catharina al heel vroeg op. Stilletjes trok ze haar nonnenkleed aan.
  19. 19. Voor ze haar hoofddoek op deed, bekeek ze zichzelf even in de spiegel. Ja, ze wist het, ijdelheid was een zonde. Maar ze dacht vaak terug aan vroeger, aan de tijd vóór ze in het klooster kwam wonen. Hoe zou haar leven eruit hebben gezien als ze geen non geworden was?
  20. 20. Ze dacht aan haar ouders, de handelaar Joachim van Sundert en de knappe Elisabeth. En ze dacht aan haar oudere broer Adriaan, die zijn vader opgevolgd was en nu een eigen zaak bezat. En ze dacht aan haar halfbroer Frederik, die een bastaardzoon van koning Nicolaas I was, en ook het klooster in was gegaan. Ze dacht terug aan haar kindertijd. Nooit had ze gedroomd van een leven als moeder. En toen ze tiener was, wist ze het zeker: ze wilde non worden!
  21. 21. Catharina deed haar hoofddoek op, en liep naar buiten. Ze klemde haar hand om het houten kruis dat ze om haar nek droeg. In de kapel knielde ze vol eerbied neer, voor het grote beeld van Christus aan het kruis. Ze glimlachte. Ja, dit was waar ze hoorde, hier was ze gelukkig!
  22. 22. Toen de zon op kwam, stopte er een bode te paard met een brief. Verrast nam Catharina de brief aan – er kwam nooit post voor het klooster! Snel las ze het perkamentje door.
  23. 23. Toen haastte ze zich naar pater Christian, om de brief aan hem te laten lezen. Toen hij klaar was, keek ze hem hoopvol aan. ‘ Wat een ramp, hè? Die arme nonnen hebben niets meer, hun hele klooster is afgebrand. Nu vragen ze ons om hulp. Denk je…denk je dat we hun onderdak kunnen bieden? Twee zusters en een klein meisje, daar hebben we toch wel plaats voor?’
  24. 24. ‘ Daar hoef ik geen seconde over na te denken. Natuurlijk helpen we hen. Ik ga meteen een brief terug schrijven, dat ze welkom zijn.’ zei Christian. ‘ Dat is geweldig. Prachtig!’ lachte Catharina.
  25. 25. Genietend van het middagzonnetje zat Catharina in de kloostertuin. Er zou binnenkort veel gaan veranderen in het klooster! Twee nieuwe zusters, en een klein meisje erbij. Catharina glimlachte. Dan zou ze eindelijk niet meer de enige vrouw zijn! Het klooster zou een stuk voller worden, en vast ook gezelliger!
  26. 26. ‘ Catharina,’ klonk de zware stem van Frederik ineens. ‘ Oh!’ giechelde Catharina en ze kwam snel overeind. ‘Ik zat te luieren.’ ‘ Het geeft niet, voor nu.’ zei Frederik. ‘Maar het is wel tijd om aan de slag te gaan, de tuin is flink verwaarloosd.
  27. 27. Samen gingen ze aan de slag, zwijgend. Catharina bleef maar denken aan de nieuwe bewoners. Eindelijk zou ze weer vrouwen om zich heen hebben, waarmee ze kon praten en lachen. En een klein meisje was natuurlijk ook heerlijk, ze hield van kinderen.
  28. 28. Intussen liepen er drie personen over het landweggetje dat naar het klooster leidde. ‘ Is dit dat zondige klooster dat u bedoelde, zuster Clementina?’ vroeg het meisje.
  29. 29. ‘ Zondig?’ herhaalde een jonge zuster, met een grote brandwond op haar gezicht. ‘ Ja, zondig, ja!’ zei de andere vrouw kortaf. ‘En ja, Emilia, dit is het klooster waar we heen gaan. Helaas.’ Het meisje keek van de vrouw naar het klooster en weer terug. ‘ Het ziet er niet zondig uit.’ zei ze. ‘Eigenlijk ziet het er mooi uit!’
  30. 30. ‘ De duivel verstopt zich in mooie dingen, Emilia. Pas op.’ zei de vrouw. ‘ Clementina! Hou toch eens op, je praat veel te slecht over dit klooster!’ riep de jonge zuster uit. ‘ Slecht? Ik heb daar mijn redenen voor, zuster Franciska. Het Kwaad schuilt overal.’
  31. 31. ‘ Jij, als non, zou dat toch moeten weten! Wij leven in de Naam van de Heer, in zijn licht, in zijn goedheid. Maar zal ik je eens wat vertellen over dit klooster?’ Kwaad stapte zuster Clementina dichterbij, en de jonge non deinsde geschrokken achteruit. ‘ Dit klooster is gemengd! Hoor je me, hier leven mannen en vrouwen samen, in een klóóster. Dat kan niet! En dan die ‘wonderen’ die hier gebeurd zijn, werk van de duivel als je het mij vraagt!’
  32. 32. Nog een tijdje ging de vrouw verder met haar tirade, tot de andere vrouw weg liep en ze haar wel moest volgen. ‘ Nou, ik ben benieuwd.’ mompelde Clementina kwaad. Het kleine meisje, Emilia, keek echter vol bewondering om zich heen. Ook de jongere zuster keek blij.
  33. 33. ‘ Daar zullen we het welkomstcomité hebben.’ mompelde zuster Clementina nors. De andere zuster en het meisje waren daarentegen juist blij met de warme ontvangst. ‘ Pax Domini sit semper vobis cum, et cum spiritu tuo!’ zongen de kloosterlingen in koor. ‘De vrede des Here zij altijd met u, en met uw geest!’ Er verscheen een glimlach op het gezicht van de jonge zuster.
  34. 34. ‘ Ik ben zuster Clementina. Ik heb de brief geschreven.’ zei de non kortaf, en duidelijk met tegenzin. ‘ Ah, zuster Clementina. Welkom in ons midden!’ zei Christian met zijn zware, luide stem en hij spreidde hartelijk zijn armen voor een omhelzing. ‘ Eh, ja.’ zei Clementina vol afschuw, en ze stapte achteruit. ‘Dank u.’
  35. 35. ‘ Mag ik u bij deze laten weten dat ons verblijf hier nog niet permanent vaststaat? We hebben dit klooster alleen uit hoge nood gekozen, omdat dit het dichtst bij was.’ zei Clementina en ze fronste haar wenkbrauwen. ‘ En trouwens,’ vervolgde ze. ‘Ik keur het ten zeerste af dat mannen en vrouwen hier samen leven. Als u dat maar weet, pater Christian.’ Ze sprak zijn naam uit alsof het iets heel vies was.
  36. 36. ‘ Ik…dit klooster is…’ stamelde Christian, maar de boze vrouw draaide zich om en liep van hem weg. Toen kwam de andere zuster naar hem toe, die hem vriendelijk toe lachte. ‘ Dank u voor uw gastvrijheid, pater Christian. Dank u, God zegene u.’ zei ze. ‘ Ah, wat fijn. En u bent zeker zuster Franciska? God zegene u ook.’ zei Christian vol warmte. ‘U bent hier van harte welkom!’
  37. 37. ‘ Hallo daar,’ glimlachte Catharina intussen tegen het meisje. ‘Hoe heet jij?’ ‘ Emilia, zuster.’ zei het meisje zacht. Ze was duidelijk verlegen. ‘ Welkom in ons klooster, Emilia. Ik ben zuster Catharina. Je zult het hier vast leuk vinden! Er is een mooie tuin, met bloemen en vlinders. En er is een vijver, waar je in kan vissen!’ Meteen klaarde het gezicht van het meisje op.
  38. 38. Toen stapte Catharina naar zuster Clementina, om zich voor te stellen. Maar dat gesprek verliep een stuk minder leuk. Net als ze bij Christian had gedaan, gedroeg Clementina zich kortaf en uit de hoogte. ‘ Dus u heeft al die jaren als enige vrouw tussen deze mannen gewoond?’ vroeg Clementina, en ze trok haar neus op. Vol afschuw bekeek ze Catharina. ‘ Dit is een fatsoenlijk klooster, zuster Clementina!’ zei Catharina beledigd.
  39. 39. ‘ We mogen dan wel gemengd leven hier, maar we leven samen als vrome christenen!’ Catharina wilde nog meer zeggen, maar de zuster liep weer weg. ‘ Ik ben Franciska.’ klonk het toen. ‘Erg fijn dat we hier mogen wonen.’ ‘ Dat is toch vanzelfsprekend.’ glimlachte Catharina. ‘Het is onze christenplicht om onze naasten te helpen. En zeker na zo’n ramp, als wat jullie is overkomen…’ Haar blik gleed over de brandwond op Franciska’s wang.
  40. 40. Die avond aten ze het eerste maal samen met de nieuwe bewoners. Zuster Franciska werd meteen al goed in de groep opgenomen, ze was een lieve, rustige vrouw. Ook de kleine Emilia paste er goed bij. Met zuster Clementina zat dat anders. ‘ Kom toch aan tafel zitten, er is nog plaats.’ zei pater Christian.
  41. 41. ‘ Ik zit hier anders prima.’ zei Clementina scherp. Ze zat op een stoel aan het schaakbord, met haar bord op schoot. ‘ En dan nog wat. Dit eten is smakeloos.’
  42. 42. Frederik opende kwaad zijn mond om een opmerking terug te maken, maar pater Christian hief gebiedend zijn hand op. Iedereen zweeg meteen. En ze aten verder.
  43. 43. Om de stilte te verbreken, begon Cornelis te vertellen. Dit keer geen bijbelteksten of wijze lessen, maar zijn eigen levensverhaal. Emilia keek hem vol bewondering aan. ‘ En weet je,’ zei Cornelis. ‘Vanavond is mijn verjaardag!’
  44. 44. Die avond groeide Cornelis op tot volwassene. Hij kreeg het officiële bruine monnikskleed, en ook moest hij zijn haar afscheren tot het monnikskapsel. Trots keek hij in de spiegel, en haastte zich toen naar Andreas. ‘ Gegroet, broeder!’ lachte Andreas.
  45. 45. ‘ Gegroet, mijn zoon!’ zei Cornelis. Ze grinnikten allebei. ‘ Het is wel koud hoor, zo’n kale kop!’ zei Cornelis, en toen lachten ze allebei nog harder. ‘ Ik lach nu wel,’ zei Andreas. ‘Maar ik groei morgen ook op!’
  46. 46. De nacht viel over klooster de Uylenhof. Catharina had het gevoel dat ze nauwelijks geslapen had, toen de stem van zuster Clementina door de slaapzaal snerpte: ‘Half vier, ochtendgebed!’ Blijkbaar was ze dat in haar oude klooster zo gewend. Gapend rekte Catharina zich uit. Ja, zij moest ook mee. En zo zaten de vier vrouwen even later in de kapel, verzonken in gebed.
  47. 47. Het was verrekte koud in de kapel, en Catharina kon haar ogen nauwelijks open houden. Het was doodstil in de kapel. ‘ De duivel schuilt overal om ons heen!’ riep zuster Clementina ineens uit. Catharina schrok zich kapot, en keek hijgend naast zich. Zag ze daar nou een traan op Clementina’s wang?
  48. 48. ‘ Wij zijn gestraft voor onze zonden.’ vervolgde Clementina driftig. ‘Maar wij zullen boete doen. Mijn Heer en mijn God, het is mij leed uit den grond van mijn hart, dat ik Uwe goddelijke Majesteit en goedheid vergramd heb; ik verfoei al mijne zonden uit liefde tot U; ik maak een vast voornemen van mijne zonden te biechten en mijn leven te beteren; ik wil liever sterven dan U nog te vergrammen!’ riep ze uit. ‘ Kyrie, eleison, Christe, audi nos, Pater de coelis, Deus!’
  49. 49. Verward door het heftige gebed van zuster Clementina, verliet Catharina de kapel. Slapen lukte haar niet meer. Die dag stortte iedereen zich op de bijbelstudie.
  50. 50. ‘ s Avonds werd Andreas Daesdonck volwassen. Iedereen had zich om hem heen verzameld. Toen hij even later als een echte monnik terug kwam, werd hij van alle kanten bewonderd. ‘ Kijk nu toch eens. Nu zijn we allebei echte broeders!’ lachte Cornelis.
  51. 51. ‘ Gratias agamus Domino Deo nostro.’ zei Andreas. ‘ Laten wij den Heer onze God dank zeggen.’ knikte Cornelis en hij omhelsde zijn vriend.
  52. 52. Klokslag tien uur was het tijd om naar bed te gaan. Op haar controlerondje door het klooster, merkte zuster Catharina dat zuster Clementina verdwenen was. Na een tijdje zoeken vond ze haar in de kapel. ‘ Zuster Clementina, het is tijd om te gaan slapen.’
  53. 53. ‘ Wanneer het licht ten avond raakt, O Schepper aller dingen, waakt en zorgt voor ons, die al den tijd, - wij bidden u – barmhartig zijt!’ prevelde Clementina. ‘ Ga weg.’ zei ze toen hard. ‘ Nee zuster, het is tijd om te gaan slapen. Tien uur. Ik ga de kapel afsluiten.’
  54. 54. Zuster Clementina begon weer Latijnse teksten te prevelen. Catharina keek naar haar gebogen rug, haar hangende schouders, de magere handen die in haar schoot lagen. Toen ging ze naast de vrouw zitten, en bad met haar mee. Na een tijdje keek zuster Clementina op, haar ogen vol tranen. ‘ Ik was hoofdzuster in het klooster van de Heilige Agnes. Ik had twintig nonnen onder mijn hoede.’ zei ze met trillende stem.
  55. 55. ‘ Allemaal had ik ze opgeleid tot vrome, godvrezende nonnen. Als jong meisje waren ze gekomen, ze waren als dochters voor me!’ riep Clementina uit. Ineens stak ze haar wijsvinger in de lucht. ‘Dat klooster was alles voor me, mijn leven. En toen brandde het af. Alleen Franciska, Emilia en ik hebben het overleefd.’ Na die woorden viel ze stil, en ook Catharina wist niets te zeggen. Zelf voelde ze ineens ook tranen achter haar ogen prikken.
  56. 56. ‘ God zegene u.’ fluisterde Catharina hees, en veegde haar tranen weg. Ineens begreep ze het onaardige gedrag van Clementina veel beter. Het verdriet, de angst en de woede over de ramp hadden haar veranderd. En je kon het haar niet kwalijk nemen, het was ook allemaal vreselijk. Zoiets brak je. ‘ God zegene u ook. En dit klooster.’ fluisterde Clementina, en ze meende het.

×