2016ThesisMSWHilverdinknovdef

2,494 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
2,494
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
4
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

2016ThesisMSWHilverdinknovdef

  1. 1. Een casestudie naar de plaats en opdracht van het jongerenwerk Thesis voor het behalen van de graad Master Social Work door Pink Hilverdink, student MSW H o g e s c h o o l v a n A m s t e r d a m , n o v e m b e r 2 0 1 6 We vliegen alle kanten op
  2. 2. We vliegen alle kanten op Een casestudie naar de plaats en opdracht van het jongerenwerk om in te zetten op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar Thesis Voor het behalen van de graad Master Social Work Pink Hilverdink student MSW, 500699337 28 november 2016 Hogeschool van Amsterdam (HvA) Thesisbegeleider; Dr. Judith Metz Lector Jongerenwerk in de Grote Stad, Youth Spot, HvA Tweede beoordelaar: Dr. Leonieke Boendermaker Lector Kwaliteit en Effectiviteit in de Zorg voor Jeugd, HvA
  3. 3. 2 Voorwoord Deze Masterthesis is het slotakkoord van een driejarige reis door de Master Social Work, door een persoonlijke en beroepsmatige ontwikkeling, waarin ik prachtige en minder prachtige momenten heb beleefd. Ik sluit nu de meest intensieve leerervaring af ooit. Het was een mooie, maar ook complexe ontdekkingsreis, waarin ik weer veel van en over mezelf heb geleerd. Een mens is nooit te oud om…. Ik ben de Master gaan doen omdat ik in mijn werk bij het Nederlands Jeugdinstituut steeds minder internationaal actief werd, steeds meer te maken kreeg met het Nederlandse jeugdbeleid en steeds vaker in gesprek ging met professionals die met jeugd en gezin werken. Dat was nieuw voor mij en voelde wat als drijfzand; waar zit ik in hemelsnaam over mee te blaten…. Dat vroeg er om dichter bij de praktijk te komen, om meer van het sociaal domein te snappen en een meer theoretische ondergrond te krijgen. Ik heb me bevoorrecht gevoeld afgelopen jaren en me met veel plezier gelaafd aan de lessen van de lectoren en docenten. Ik heb genoten en geleerd van de discussies met mijn studiegenoten. Hun maatschappelijke bevlogenheid in het werken met vluchtelingen, ouderen, ongeneeslijk zieken, mantelzorgers, kwetsbare jongeren, verstandelijk beperkte mensen, criminelen, wijkbewoners en vrijwilligers, was een doorlopende inspiratiebron voor me en ik kijk daar met veel plezier op terug. Ik mis het nu al – zo’n thesis is een eenzame bezigheid - en ik hoop dat we elkaar niet kwijtraken. Vooral een heel groot dank-je-wel aan alle professionals in Tilburg en Haarlem die dit onderzoek hebben mogelijk gemaakt. Jullie kennis en bevlogenheid in het werk met kwetsbare jongeren in Haarlem en Tilburg heeft mij geïnspireerd en gemotiveerd om dit onderzoek uit te werken en af te ronden. Judith Metz bedankt voor je tomeloze geduld, je enorme wetenschappelijke kennis in relatie tot de professionalisering van het jongerenwerk en je scherpe en kritische blik in de begeleiding in mijn allereerste onderzoekstraject. Je bracht me in het gareel als mijn meanderende geest weer de overhand kreeg. Je hebt me naar de finish gebracht van een proces waarvan ik nooit had verwacht dat ik de eindstreep zou halen. Ook Mike de Kreek, die het zelfs in zijn vakantie nog kon opbrengen om met mij te ‘mindmappen’; dank! Zonder mijn studievrienden Saskia, Mariëlle, Babs, Christine, Stella en Paul als critical friends was deze hele exercitie ondoenlijk. Maar vooral vriendin en oud-collega Tijne ben ik veel dank verschuldigd voor alle tijd en energie die ze bleef hebben om met me te sparren over waarom ik wat, wanneer en hoezo moest doen ☺. Dank ook aan Marja Valkestijn en het NJi voor de tijd en middelen. En natuurlijk dank aan Henk Geelen en Fietje Schelling voor de oriënterende gesprekken. Last but not least; dank aan mijn lieve ouders, die zichzelf bleven wegcijferen, terwijl ze me zo graag wat vaker zien op hun oude dag. Dank aan mijn lieve vrienden en vriendinnen voor hun geduld als ik voor de zoveelste keer ‘nee’ zei tegen leuke dingen. Wat was ik toch weinig sociaal als student sociaal werk. En natuurlijk dank, mijn allerliefste Wisse. Zonder jouw ononderbroken steun, maaltijden, structuur en ritme was het nooit gelukt. Dank dat je me op veel te late avonden weer achter het scherm wegtrok. Dank dat ik tegen je aan kon zaniken en janken; dank dat je mijn lief bent. En nu is het klaar!! Ik ben benieuwd wat de volgende uitdaging wordt. Everything changes all the time and this will always be so.. Veel leesplezier
  4. 4. 3 Abstract Door de veranderingen in de lokale ondersteuning en zorg voor kwetsbare jongeren, is ook de positie en taak van het jongerenwerk in de wijk aan verandering onderhevig. Gemeenten zijn nu verantwoordelijk voor zorg, welzijn, werk en inkomen van kwetsbare jongeren en willen de ondersteuning meer inzetten op eigen regie en participatie in plaats van overnemen van zorg. Professionals van diverse pluimage werken meer integraal in de wijk en het jongerenwerk moet laten zien wat ‘typisch’ jongerenwerk is om goed met andere professionals het werk voor kwetsbare jongeren af te stemmen. Het moet een eigen deskundigheid kunnen afbakenen en dit aantonen met een eigen kennisgebied. Onderzocht wordt of dat kennisgebied de inzet op beschermende factoren is, omdat deze inzet past bij de opdracht richting participatie, emancipatie en persoonlijke groei van kwetsbare jongeren. Door gebruik van een analyse-instrument met dit theoretisch kader draagt het onderzoek bij aan beroeps- en kennisontwikkeling over de plaats en opdracht van het jongerenwerk voor de inzet op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar. Het onderzoek vindt plaats in twee casusgemeenten, waar bevindingen over het beleid in de aanpak van kwetsbare jongeren en de plaats en opdracht van het jongerenwerk worden gekoppeld aan de ervaringen van jongerenwerkers en partners van het jongerenwerk in de uitvoerende praktijk. Gebleken is dat het jongerenwerk breed inzet op beschermende factoren met nadruk op sociale bindingsfactoren. Het jongerenwerk is hierin echter onbewust bekwaam en vakontwikkeling hierop is waardevol, onder meer door ontwikkeling van een gezamenlijke taal. Een passende plaats is in de basis en de sleutel voor goede samenwerking is wederzijds vertrouwen en een transparante identiteit.
  5. 5. 4 Samenvatting Context en urgentie Kwetsbare jongeren1 tussen de 14 en 23 jaar zijn jongeren die door verschillende omstandigheden maatschappelijk uitvallen of dreigen uit te vallen. Het jongerenwerk is in veel steden en buurten actief voor deze jongeren en werkt met hen in de vrije tijd aan het verbeteren van hun kansen en mogelijkheden. Meestal doet het jongerenwerk dit preventief en outreachend als één van de laagdrempelige welzijnsvoorzieningen in de wijk. Dit onderzoek gaat over de positie en taak van het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren. Aanleiding zijn de veranderingen die gaande zijn in de samenwerking en aansturing van de zorg en ondersteuning van kwetsbare jongeren; de transities en transformaties in het jeugd- en sociale stelsel. Die veranderingen hebben gevolgen voor de positie en taak van het jongerenwerk. Gemeenten zijn sinds 2015 financieel en bestuurlijk verantwoordelijk voor de Jeugdwet voor jeugdhulp voor jongeren tot 18 jaar, voor de Wmo voor maatschappelijke ondersteuning van alle bewoners met hulp- en ondersteuningsvragen en voor de Participatiewet voor het regelen van werk en inkomen voor iedereen. Het doel is beter te doen wat nodig is door lokaal aan te sluiten bij wat jongeren tussen de 14 en 23 jaar aan ondersteuning en zorg nodig hebben. De ondersteuning moet ook ‘genormaliseerd’ worden, dat wil zeggen dat het welzijnsbevorderend moet zijn en meer in moet zoomen op wat jongeren willen en kunnen; ondersteunen in plaats van overnemen. Van verzorgen naar participeren is het credo. Doel is jongeren te leren meer eigen regie te pakken in het oplossen van vragen en problemen. Dat is een transformatie- of veranderopdracht van gemeenten en professionals met de nadruk op participatie, preventie en samenwerking tussen professionals in welzijn en zorg, in onderwijs en dus ook in het jongerenwerk. Er ontwikkelt zich nu overal integrale ondersteuning en zorg in de wijk, zoals in wijk- en jeugdteams, waarin professionals van diverse pluimage samenwerken om hulpvragen op te vangen. Ze moeten netwerkend en outreachend de wijk in. In die wijk werkt ook het jongerenwerk preventief en outreachend dichtbij de jongeren. Het jongerenwerk kan daarom een rol van betekenis spelen in de samenwerking met andere professionals, zeker nu blijkt dat de netwerkende opdracht voor de hulpverlenende professionals nog geen gemeengoed is en jongeren in deze levensfase niet goed door de teams worden bereikt. Dan is wel nodig dat deze professionals weten waar ze het jongerenwerk op kunnen aanspreken; dat zij weten wat wel of niet ‘typisch’ jongerenwerk is. Daar ligt een aandachtspunt. Het is lastig voor het jongerenwerk als beroepsgroep om een eigen werkterrein af te bakenen, omdat er nog weinig eigen expliciete kennis is. Het jongerenwerk heeft meerdere gezichten en weinig traditie in het onderbouwen of zichtbaar maken van wat het precies doet. Dat maakt het lastig om als beroepsgroep een eigen identiteit te formuleren op grond van een bijzondere deskundigheid. Daarmee heeft het jongerenwerk een positioneringsprobleem. In de lokale drukte waarin een toenemende aantal hulpvragen om oplossing vragen en waarin gemeenten moeten bezuinigen, loopt het jongerenwerk daarom het risico het onderspit te delven. Doel en vraagstelling van het onderzoek Dat maakt het nodig om kennis te genereren over een eigen kennisdomein waarmee het jongerenwerk de eigen positie en taakstelling kan legitimeren richting de gemeentelijke opdrachtgevers en in de samenwerking met partners in de wijk. Het onderzoeksdoel is dan ook om te ontdekken of dat kennisdomein van het jongerenwerk de inzet op beschermende factoren is, omdat de inzet op deze factoren past in de transformatieopdracht om participatie, emancipatie en persoonlijke groei van kwetsbare jongeren te vergroten. 1 Voor de leesbaarheid wordt ‘kwetsbare jongeren’ gebruikt. Meer correct gaat het om jongeren die zich door persoonlijke, sociale en maatschappelijke problemen in kwetsbare posities bevinden.
  6. 6. 5 Als de ervaringskennis van het jongerenwerk op dat vlak aantoonbaar te maken is, dan is er aanleiding te constateren dat het jongerenwerk de transformatieopgaven ondersteunt met theoretische kennis; met wetenschappelijk bewijs dat de inzet werkt. Dat helpt in de legitimatie van wat het jongerenwerk doet als beroepsgroep, wat weer helpt in de afstemming van taken met andere professionals in de wijk. Vraagstelling van het onderzoek De hoofdvraag is Met welke positie en taakstelling kan het jongerenwerk (blijven) inzetten op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar? Deze vraag wordt beantwoord door een optelsom van de deelvragen die samen tot de casusbeschrijvingen leiden. De deelvragen hebben samen als doel om het huidige beleid voor kwetsbare jongeren in beeld te brengen en dat te koppelen aan de ervaringen van partners in de wijk en van jongerenwerkers over de plaats en opdracht van de uitvoerende jongerenwerkpraktijk wat betreft de inzet op beschermende factoren. Werkwijze van het onderzoek Dat praktijkvraagstuk wordt in twee lokale praktijken onderzocht; in de gemeenten Tilburg en Haarlem. Dat maakt dit onderzoek een casestudie. Door literatuuronderzoek wordt eerst ontdekt wat wetenschappelijk bekend is over beschermende factoren. Dat leidt tot een scorelijst en analyse- instrument voor de empirie. Daarna volgt een documentstudie naar de beleidsagenda’s van deze gemeenten voor de aanpak van kwetsbare jongeren, de lokale infrastructuur voor deze jongeren en de plaats en opdracht van het jongerenwerk. Vervolgens worden semigestructureerde interviews gehouden met een selecte groep partners in de wijk. In Tilburg met vier professionals; collega’s van de jongerenwerkers in de wijk, zoals een schoolmaatschappelijk werker, een wijkregisseur en medewerker van het zorg- en veiligheidshuis en een maatschappelijk werker. Twee van hen zijn lid van het Tilburgse wijkteam. In Haarlem zijn het vijf interviews met een CJG-coach (van het Haarlems jeugdteam), een buurtsportwerker, een straathoekwerker, een wijkagent en een maatschappelijk werker. Deze zijn in twee delen. Ze scoren met een scorelijst de mate van inzet op beschermende factoren door het jongerenwerk in de huidige praktijk op grond van hun ervaring en er is een open gesprek met een focuslijst dat ingaat op hun ervaringen over de samenwerking met het jongerenwerk. Uiteindelijk komt een focusgroep van jongerenwerkers uit Haarlem en Tilburg samen bij elkaar. Zij bespreken hun ervaringen op de inzet van beschermende factoren en de grenzen die zij daarbij tegenkomen. Afsluitend worden de verschillende bevindingen gekoppeld en ontstaan de twee casusbeschrijvingen De ervaringen van de partners in de wijk en de jongerenwerkers zelf worden zo gekoppeld aan de beleidsdoelen in de aanpak voor kwetsbare jongeren in deze gemeenten. Dat biedt de impliciete kennis over de plaats en opdracht van het jongerenwerk in deze gemeenten vanuit een inzet op beschermende factoren. Deze impliciete kennis wordt gekoppeld aan expliciete wetenschappelijke kennis over de theorieën – het begrippenkader – van de beschermende factoren. Dat leidt tot kennis die het positioneringsprobleem een stukje dichter bij een oplossing brengt. Bevindingen Jongerenwerk past in de basis, maar een heldere identiteit en dito boodschap is nodig. Jongerenwerk werkt in de vrije tijd, dichtbij de dagelijkse werkelijkheid van kwetsbare jongeren. Dat is een passende positie en van daaruit kan het samenwerken met de partners in de wijk. De infrastructuren laten grote verschillen zijn, ook in het aanbod van het jongerenwerk. Daar waar een complexe infrastructuur is, geldt een minder transparante positie en dat leidt tot minder duidelijkheid over visie, missie en boodschap van het jongerenwerk.
  7. 7. 6 Zichtbaarheid in de wijk leidt tot waardering, maar afbakening en afstemming is nodig. Zichtbaarheid van het jongerenwerk bepaalt de waardering door partners. Daar waar het zich met een duidelijke boodschap naar buiten profileert, zoals in Tilburg, oogst het hoge waardering van partners in de wijk. De jongerenwerkinfrastructuur is daar overzichtelijk. In Haarlem geldt een meer complexe infrastructuur met diverse aanbieders, waardoor het jongerenwerk meerdere gezichten heeft. Dat gaat gepaard met een minder transparante positie. Er is een positieve veranderbeweging gaande, maar er is meer ontwikkeling nodig om meer erkenning te krijgen door partners in de wijk. Dat treft vooral het buurtpedagogisch jongerenwerk in Schalkwijk en Oost. Daar waar partners het jongerenwerk goed kunnen vinden, ontstaat de situatie dat jongerenwerkers gaten dichten en worden overvraagd, wat leidt tot een te grote rekbaarheid en te weinig eigen grenzen in de taakafbakening. Generiek en sterk in contact met jongeren en de buurt en sterk in groepsdynamiek. De preventieve inzet van het jongerenwerk wordt her- en erkend door partners en jongerenwerkers worden gewaardeerd om holistische kennis van de wijk en de jongeren, hun kennis over groepsdynamica, hun creativiteit en flexibiliteit. Opvallend is dat jongerenwerkers zelf minder vertrouwen hebben in de (jeugd)hulpverleners en andere partners dan omgekeerd. Jongerenwerkers zijn onbewust bekwaam op de inzet op beschermende factoren. Het onderzoek toont aan dat er een brede inzet van het jongerenwerk is op nagenoeg alle genoemde beschermende factoren. Daarmee is de impliciete ervaringskennis expliciet gemaakt. Vooral inzet op factoren als ontwikkeling van vriendschappen, deelname aan buitenschoolse activiteiten en betrokkenheid worden herkend en gewaardeerd. Voor de jongerenwerkers zelf is het echter nog een onbewuste bekwaamheid. . Aanbevelingen De sleutel voor verbetering van samenwerking met partners ligt in wederzijds vertrouwen in elkaars kennen en kunnen en in het komen tot een duidelijk profiel en daarmee herkenbare identiteit van het jongerenwerk. De inzet op beschermende factoren is aangetoond en daar kan vakontwikkeling op plaatsvinden. De aanbevelingen zijn voor managers van de jongerenwerkinstellingen, omdat zij richting gemeentelijk bestuurders en beleidsmakers invloed kunnen uitoefenen over de positie en taak van het jongerenwerk, horizontale samenwerking met partners kunnen stimuleren en de kennis en het vak van de jongerenwerkers kunnen helpen versterken. Wat nodig is: • Behoud het jongerenwerk als laagdrempelige basisvoorziening in de wijk • Behoud of verstevig de buurtpedagogische opdracht van het jongerenwerk • Ga met partners in gesprek over taakverdeling voor jongeren met complexe problemen • Maak de jongerenwerkaccommodaties tot werkplaats van partners in de wijk • Organiseer werk- of discussiebijeenkomsten met en voor partners in de stad of wijk • Ontwikkel een gezamenlijke taal vanuit het perspectief van beschermende factoren. • Maak een leer- en ontwikkelplan voor het vergroten van de inhoudelijke professionaliteit van professionals in het jongerenwerk met beschermende factoren als professioneel handelingskader • Doe evaluatief of impact onderzoek naar onderbouwing van jongerenwerkprogramma’s op basis van beschermende factoren
  8. 8. 7 Inhoudsopgave Voorwoord 2 Abstract 3 Samenvatting 4 1. Inleiding op het praktijkvraagstuk 9 1.1. Waarom dit onderzoek en wat wordt er onderzocht 9 1.2. Van kwetsbaar naar zelfregie en eigen kracht 10 1.3. Leeswijzer 11 2. Op weg naar verandering 12 2.1. Participatie van iedereen is urgent 12 2.2. De gemeentelijke urgentie in de steun voor kwetsbare jongeren 13 2.3. De urgentie voor het jongerenwerk 14 3. Doel en vraagstelling van het onderzoek 17 3.1. Doel van het onderzoek 17 3.2. Hoofd- en deelvragen 18 3.3. Wat zijn beschermende factoren 18 4. Onderzoeksopzet en verloop 22 4.1. De onderzoekscyclus en de besluitvormingsfase 22 4.2. Een samengesteld onderzoeksparadigma 23 4.3. Casestudie als onderzoeksstrategie 23 4.4. Haarlem en Tilburg als onderzoeksgebied 24 4.5. Aanpak en opbouw van het kwalitatief onderzoek 24 4.6. Literatuuronderzoek in fase één 25 4.7. Documentstudie in fase twee 26 4.8. Semigestructureerde interviews in fase drie 27 4.9. Focusgroep in fase vier 29 4.10. Kwalitatieve data analyse en triangulatie in fase vijf 30 4.11. Kwaliteitscriteria 31 4.12. Ethiek 32 4.13. De rol van de onderzoeker 33 5. Positie en taken van het jongerenwerk in Tilburg 34 5.1. Wie zijn de kwetsbare jongeren in Tilburg? 34 5.2. De beleidsagenda’s 34 5.3. De positie en taken van het jongerenwerk in Tilburg 37 5.4. De taakverdeling van het jongerenwerk met partners in de wijk 39 5.5. De ervaringen van partners over het jongerenwerk 41 5.6. De ervaringen van de jongerenwerkers op de inzet op beschermende factoren 44 5.7. Conclusies voor de gemeente Tilburg 45 6. De positie en taak van het jongerenwerk in Haarlem 48 6.1. Wie zijn de kwetsbare jongeren in Haarlem? 48 6.2. De transformatieagenda’s 48 6.3. De plaats en taken van het jongerenwerk in Haarlem 52 6.4. De taakverdeling tussen het jongerenwerk en partners in de wijk 56 6.5. Ervaringen van partners over het jongerenwerk 58 6.6. De ervaringen van de jongerenwerkers uit Haarlem 61 6.7. Conclusies voor Haarlem 62 7. Conclusies, aanbevelingen en vervolg 65 7.1. Een vergelijking tussen Tilburg en Haarlem 65
  9. 9. 8 7.2. Samenvattende conclusies 69 7.3. Aanbevelingen 71 7.4. Reflecties en discussie 72 7.5. Vervolg 72 8. Geciteerde werken 74 Gemeentelijke bronnen 78 Bijlagen 1. Analyse instrument beschermende factoren 80 2. Zoekformulier literatuuronderzoek 81 3. Scorelijst beschermende factoren voor de interviews 83 4. Topiclijst semigestructureerde interviews 84 5. Opzet focusgroep 86 6. Codeboom Analyse interviewdata 88
  10. 10. 9 1 Inleiding op het praktijkvraagstuk In dit hoofdstuk de aanleiding, het probleem en het vraagstuk dat in de praktijk wordt onderzocht. De vraag is welke kennis het jongerenwerk nodig heeft om zich als beroepsgroep te positioneren in een veranderend zorglandschap, waarin diverse partners in de wijk samenwerken voor kwetsbare jongeren. Onderzocht wordt of een inzet op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren het jongerenwerk die kennisbasis biedt. Ook wordt in deze inleiding het begrip ‘kwetsbaar’ geduid en wordt geïntroduceerd hoe dit onderzoek wordt opgezet. De inleiding sluit af met een leeswijzer. 1.1 Waarom dit onderzoek en wat wordt er onderzocht Aanleiding voor dit onderzoek naar de positie en taak van het jongerenwerk, zijn de actuele veranderingen in de ondersteuning en zorg voor kwetsbare jongeren in de wijken; in het jeugd- en sociaal domein. Gemeenten staan sinds 2015 aan het roer in het nieuwe zorglandschap en organiseren nu een omslag in het denken van ‘verzorgen’ naar ‘participeren’ (WRR, 2005). Het doel is dat mensen veel meer leren hun eigen boontjes te doppen en bij elkaar ondersteuning vinden, voordat de professionele wereld aanschuift. Dat is een enorme verschuiving richting het ‘eigen kracht’ denken. Een welzijnsbevorderende preventieve benadering moet nu voorrang krijgen op de heersende Nederlandse zorgbenadering (Miller, 2012). De relaties tussen mensen onderling in de eigen omgeving en tussen professionals en hulpvragers staan meer centraal in deze nieuwe benadering; het is een contextgericht leefwereldperspectief (Boutellier, 2011; Brink, 2013; Tonkens, 2014). Er ontwikkelt zich een nieuwe lokale infrastructuur waarin sociale professionals van verschillende beroepsgroepen onder verantwoordelijkheid van gemeenten leren meer samen te werken voor kwetsbare jongeren, zoals in jeugd- of in wijkteams. Zij hebben de veranderopdracht te ‘ontzorgen’ en te ‘normaliseren’ en te zorgen dat alle jongeren de kans krijgen, net als andere inwoners, om in eigen omgeving sociale verbintenissen aan te gaan en te leren zelf oplossingen te zoeken voor vragen en (kleine) problemen. Professionals hebben de opdracht dit preventief, wijkgericht en integraal - ‘vanuit één gezin/jongere – één plan – één regie’ – te begeleiden. Ze moeten meer ‘netwerkend’ naar buiten treden ( (Berger, van Leeuwen, & Blaauw, 2013). Dat gaat nog niet vanzelf en een urgent probleem daarbij is dat kwetsbare jongeren in de wijken nog moeilijk door deze hulpverlenende professionals worden bereikt (van Arum & Schoorl, 2016). In die context werkt het lokaal jongerenwerk als laagdrempelige welzijnsvoorziening in de wijk. Steeds duidelijker wordt dat taken van de nieuwe partners in de wijk deels overlappen met die van het jongerenwerk, zoals bij de individuele begeleiding van jongeren met problemen of als jongerenwerkers ‘outreachend’ de wijk ingaan. De overlap is een ‘grijs werkgebied’ (de Groot & Hajer, 2014), waarin niet altijd duidelijk is wie wat moet doen. Dubbel werk moet natuurlijk worden voorkomen; daar hebben de jongeren zelf ook last van. Daarbij komt dat gemeenten moeten bezuinigen en kosteneffectieve keuzen moeten maken. Het probleem voor het jongerenwerk is dat het moeilijk een eigen werkterrein kan afbakenen in die veranderende context. Jongerenwerkers hebben veel impliciete ervaringskennis (tacit knowledge), maar kunnen niet altijd goed verwoorden wat ze precies doen en waarom. De identiteit en daarmee de positie en bijzondere deskundigheid van het jongerenwerk als beroepsgroep is niet duidelijk (Kwakman & Schilder, 2005; Berger & Zwikker, 2010). Dat maakt het partners in de wijk, maar ook voor gemeenten lastig om jongerenwerkers als beroepsgroep te erkennen en op eigen kennis te waarderen of aan te spreken. Dat is een probleem in de positionele professionaliteit (Berger & Zwikker, 2010). Paradoxaal is dat het jongerenwerk wordt gekarakteriseerd als beroepsgroep met een kernfunctie in versterken van participatie van kwetsbare jongeren (Metz, 2011). Dat past naadloos in de transformatiedoelen. De
  11. 11. 10 onderbouwing blijft echter achter. Om het hoofd boven water te houden, is het daarom urgent dat het jongerenwerk de onderbouwing vindt in wat het als beroepsgroep bijdraagt aan de transformatiedoelen van de gemeenten en aan de samenwerking met de andere professionals. Voor het vaststellen van een goede positie is een expliciete, overdraagbare kennisbasis nodig - een body of knowledge (de Kreek, Diekmann, & van Vels, 2014). Dat leidt tot de vraag hoe het jongerenwerk beter kan onderbouwen wat ‘typisch’ jongerenwerk is en welke kennis dan nodig is. Het vraagstuk in dit onderzoek is daarom of een inzet op beschermende factoren voor een optimale ontwikkeling van kwetsbare jongeren, het jongerenwerk de kennisbasis biedt om het vakmanschap vanuit een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen en zo onderbouwd bij te kunnen dragen aan de transformatiedoelen. Theorieën over de inzet op beschermende factoren bieden de ‘body of knowledge’ om aan te tonen dat het jongerenwerk een participatieve en emancipatorische functie heeft voor kwetsbare jongeren. Het zijn factoren - of doorlopende beïnvloedingsprocessen (Resnick, 2000), die helpen om jongeren te leren om zelfstandig verantwoorde keuzen te maken, passend bij hun wensen en mogelijkheden. De positief gerichte ‘strength’ benadering is het uitgangspunt. Persoonlijke groei van kwetsbare jongeren wordt verbeterd door kansen op sociale binding, steun van positieve volwassenen in de wijk, een constructieve vrijetijdsbesteding, motivatie om te leren of andere beschermende factoren (Deci & Ryan, 2000; Seligman & Csikszentmihalyi, 2000; Lerner, Almerigi, Theokas, & Lerner, 2005; Ince, Yperen, & Valkestijn, 2013). Er is wetenschappelijk bewijs dat deze inzet een brede en samenhangende invloed heeft op het verhogen van de veerkracht en het welzijn van de jongeren zelf en dat van hun omgeving (Lerner, Almerigi, Theokas, & Lerner, 2005; Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013). Een inzet op beschermende factoren sluit daarom aan op de transformatiedoelen om meer welzijnsbevorderend te werken en jongeren zelf de tools in handen te geven om te leren eigen verantwoordelijkheid te nemen voor hun toekomstperspectief en waarin het jongerenwerk een emancipatorische functie heeft. Inzet op deze factoren biedt ook het antwoord op de risicogestuurde focus die we in de zorg en ondersteuning willen verlaten (Spierings, Tudjman, Meeuwisse, & Onstenk, 2015). Dat helpt het jongerenwerk naar erkend vakmanschap, zodat het zich beter kan positioneren en daardoor beter verwachtingen kan afstemmen in de taakverdeling met partners. Als medewerker transformatie bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), een landelijk kennisinstituut over jeugd- en opvoedingsvraagstukken, ben ik dagelijks betrokken bij transformatievraagstukken. We ondersteunen daarin de gemeentelijk beleidsmedewerkers én de professionals in het jeugd- en sociale domein. Ik heb geen professionele achtergrond als uitvoerend sociaal werker. Wel werk landelijk en internationaal mee aan de ontwikkeling van participatiebeleid voor kwetsbare jongeren. In Europese context staat jongerenwerk hoog op de agenda als instrument voor meer en betere participatie van jongeren. We zijn ook – met het Ministerie van VWS - in staat gebleken om in Europese context ‘positive youth policies’ op de agenda te zetten. Dat lijkt in de Nederlandse transformaties een langere weg. Wat daarbij opvalt is dat ik het ‘positief jeugdbeleid’ (van Oenen & van Westering, 2010) nauwelijks meer hoor. Daarmee werd zes jaar geleden voorgesorteerd op de beoogde transformaties om ook in jeugdbeleid de blik te richten op preventie en welzijn. Was het te vroeg? Nu zie ik dat gemeenten de preventieve aanpak weer op de agenda zetten, maar ook dat kwetsbare jongeren extra aandacht nodig hebben (Kinderombudman, 2015). De inzet van het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren is daarom vertrekpunt van dit onderzoek. Het NJi is geen opdrachtgever van dit onderzoek. 1.2 Van kwetsbaar naar zelfregie en eigen kracht Ongeveer 10% van de jongeren in Nederland zijn kwetsbaar; dat is de doelgroep voor het jongerenwerk. Het zijn jongeren die in hun ‘normale’ omgeving functioneren, maar een achterstand hebben of dreigen in achterstand te komen door persoonlijke, sociale of maatschappelijke invloeden en daardoor het risico lopen om maatschappelijk uit te vallen (NICIS Institute, 2010). Dat kan gaan om kleinere of grotere problemen in emotionele, sociale of verstandelijke ontwikkeling, een complexe
  12. 12. 11 thuissituatie, armoede en schulden, verkeerde vrienden, schooluitval of door te wonen in een achterstandswijk (Bakker, Pannebakker, & Snijders, 1999; NICIS Institute, 2010). Alle sociale professionals die met kwetsbare jongeren werken, hebben nu de opdracht te zorgen dat deze jongeren meer zelfredzaamheid, meer eigen kracht en meer zelfregie ontwikkelen. Jongeren moeten de middelen aangereikt krijgen om te kunnen en te willen participeren in de samenleving. De termen zelfredzaamheid, eigen regie of eigen kracht worden echter nogal eens, zowel in beleid als in uitvoering, door elkaar gebruikt. Terwijl er fundamentele betekenisverschillen zijn, die ook bepalen hoe de ondersteuning ingestoken moet worden (Brink, 2013). Zelfredzaamheid gaat over de vraag of compensatie nodig is om zelfstandig mee te kunnen doen, terwijl een inzet op zelfregie jongeren leert zelf te bepalen wat ze willen. Eigen kracht gaat over het zelf kunnen en daar op ondersteunen (Brink, 2013). Het is daarom de vraag of sprake is van een emancipatorische of participatieve inzet of misschien wel een inzet vanuit een bezuinigingsgrond, aldus Brink van Movisie (2013). De doelstelling van het jongerenwerk is om jongeren te leren vaardigheden op te doen, die ze helpt om meer in staat te zijn zelf oplossingen te vinden voor de risico’s die zij op hun weg naar zelfstandigheid tegenkomen (Valkestijn, Bakker, Hilverdink, & Metz, 2015). Dat is een emancipatorische en participatieve inzet op zelfregie en eigen kracht. Dat is een empowerment benadering, wat in het kort betekent ‘dat de hulpverlener de cliënt helpt om zelf zijn probleembepaling, plan, implementatie en evaluatie te doen.’ (de Vries, 2002, p. 98). De vraag is dan in het jongerenwerk niet of een jongere zelfredzaam is, maar wat een jongerenwerker doet om een kwetsbare jongere te helpen naar eigen kracht en zelfregie. De inzet op beschermende factoren past bij die benadering. Als uit dit onderzoek blijkt dat het jongerenwerk daar inderdaad op inzet, past het als beroepsgroep in de transformatie opgaven van gemeenten en in de samenwerking met andere partners in de wijk. Dat wordt in twee lokale exemplarische praktijken onderzocht; in de gemeenten Tilburg en Haarlem. Dat maakt dit onderzoek een casestudie (de Lange, Schuman, Montesano Montessori, 2011). De ervaringen van de partners in de wijk en de jongerenwerkers zelf worden opgetekend en gekoppeld aan de beleidsdoelen in de aanpak voor kwetsbare jongeren in deze gemeenten. Dat biedt de impliciete begripsvorming (de Kreek, Diekmann, & van Vels, 2014). Deze impliciete kennis wordt gekoppeld aan expliciete wetenschappelijke kennis over de theorieën – het begrippenkader – van de beschermende factoren. Dat leidt tot kennis die het positioneringsprobleem een stukje dichter bij een oplossing kan brengen. 1.3 Leeswijzer Na deze inleiding op praktijkvraagstuk, volgt in hoofdstuk twee een nadere beschouwing over de urgentie van dit vraagstuk vanuit het perspectief van de maatschappelijk-politieke context, van gemeenten en de professionals in de wijk voor kwetsbare jongeren en vanuit het perspectief van het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren. In hoofdstuk drie volgt daaruit de onderzoeksopzet met het doel en de vraagstelling en het theoretisch kader – de beschermende factoren .In hoofdstuk vier de onderzoeksopzet en het verloop met de onderzoeksinterventies en de methodologische verantwoording. In hoofdstuk vijf en zes de bevindingen als casusbeschrijvingen van de gemeenten Tilburg (vijf) en Haarlem (zes) met conclusies per casus. Het zijn de antwoorden op de deelvragen. In hoofdstuk zeven de centrale conclusies, aanbevelingen en vervolgkansen. Het zijn de vergelijkende conclusies uit Tilburg en Haarlem en de centrale conclusies en aanbevelingen in antwoord op de hoofdvraag. Afsluitend volgt de reflectie van de onderzoeker, discussie over inhoud en onderzoeksproces en kansen voor vervolg. Daarna een voetnoten- en bronnenoverzicht, evenals diverse bijlagen voor het krijgen van inzicht in de opzet en werkwijze in het onderzoek.
  13. 13. 12 2 Op weg naar verandering In dit hoofdstuk een nadere beschouwing op de veranderingen in ondersteuning en zorg en de gevolgen daarvan voor de aanpak van kwetsbare jongeren door het jongerenwerk. Eerst een blik op de maatschappelijke en politieke veranderingen in ondersteuning en zorg voor kwetsbare jongeren. Daaruit volgt de gemeentelijke urgentie in de aanpak voor kwetsbare jongeren en de daaruit voortvloeiende nieuwe opdrachten van alle sociale professionals in de wijk. Uiteindelijk geeft dit weer wat de urgentie is voor het jongerenwerk om zich als beroepsgroep steviger te positioneren in het lokaal veranderende speelveld voor kwetsbare jongeren. 2.1 Participatie van iedereen is urgent We zijn op weg naar een andere blik op de ondersteuning en zorg. Van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving (WRR, 2005). Verzorgen – door de overheid of door diensten van de overheid – is niet meer vanzelfsprekend. Uitgangspunt is straks dat iedereen zoveel mogelijk op eigen kracht kan en ook wil (leren) participeren. Als daar extra steun bij nodig is, dan kan dat. Of van eigen informele contacten of van professionals in de buurt. Zelfredzaamheid is het credo. Dat is nodig, want in de huidige ‘fluide’ netwerksamenleving (Bauman, in (Giddens & Sutton, 2013) passen de klassieke verhoudingen tussen overheid en samenleving niet meer. De wereld wordt kleiner, maar ook minder overzichtelijk en onvoorspelbaarder (Giddens & Sutton, 2013) en de mondialisering heeft steeds grotere invloed op onze manier van samen leven. Een nieuwe orde is nodig (Boutellier, 2011). Niet alleen omdat de kosten van de verzorgingsstaat te hoog worden, maar ook omdat de kloof tussen de have’s en have-not’s groter wordt. Armoede stijgt, werkloosheid stijgt, er zijn grote vluchtelingenstromen die de samenleving op de proef stellen, extreemrechtse invloeden groeien en ook de technologische ontwikkelingen maken dat de kennisverschillen tussen jong en oud groter worden. Dat zijn grote risico’s voor nu en de toekomst, want polarisaties kunnen tot ernstige frustraties, intolerantie en geweld leiden. De wereld van de instituties en politieke belangen (Habermas) – de systeemwereld - moet daarom beter gaan aansluiten bij de leefwereld van de mensen (Giddens & Sutton, 2013). De overheid stimuleert nu een transformatie – een verandering in benadering en aanpak van ondersteuning en zorg. De overheid doet een stapje terug en zet in op het verstevigen van de sociale omgeving van mensen, op preventie en op samenwerking tussen professionals. Zij moeten het samen doen en daar de ruimte voor krijgen. Er ontstaan nieuwe integrale ‘1-gezin, 1 plan’ aanpakken in de wijk en de rol van de preventieve voorzieningen in die wijk worden crucialer. Zij staan in direct contact met de mensen die er wonen en kunnen die informele netwerkvorming stimuleren. De overheid wil hiermee bevorderen dat mensen beter vanuit hun eigen kracht leren te participeren en meer hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Dan is er een betere verhouding tussen burgers en overheid en minder ‘consumentisme’ (Boutellier, 2011). Die nieuwe kijk reflecteert de veranderingen in de ondersteuning en zorg van mensen in Nederland. Het New Public Management dat al decennia in zwang is, heeft een marktmechanisme in gang gezet, dat de programma’s in de ondersteuning en zorg doet lijken op producten met outputmechanismen gericht op meetbare resultaten in gezond gedrag (Payne, 2005). Het is de vraag of dat nog werkt in een leefwereldgerichte benadering, maar we moeten het kind ook niet met het badwater weggooien. Het is niet logisch niet gebruik te maken van wat bekend is dat werkt (van Yperen, 2013). Wel moet de relatie en de vertrouwensbasis tussen cliënten en professionals meer op de voorgrond komen. Die lijkt onder te sneeuwen in de discussies over effectiviteit en financiering in de ondersteuning en zorg (de Vries, 2008).
  14. 14. 13 Figuur 1: Transformatiedoelen voor zorg en ondersteuning van – onder meer - kwetsbare jongeren Er moet worden ‘ontzorgd’ en ‘genormaliseerd’ (WRR, 2005; VWS, VenJ, & VNG, 2014). Doel is om minder vanuit de problemen van hulpvragers te denken en te doen en meer vanuit wensen en mogelijkheden en daarbij in te zetten op informele netwerken. Daar duiken termen op als ‘eigen kracht’ en ‘zelfredzaamheid’. De idee is dat mensen voor zorg en ondersteuning zelf meer oplossingsgericht leren denken en daarin eigen verantwoordelijkheid leren te nemen met behulp van eigen – informele – netwerken (Tonkens, 2014). Dat betekent een inzet op een stimulerende sociale omgeving waarin iedereen elkaar beter kan vinden en is het gemakkelijker is om bij elkaar aan te kloppen. Dat werkt ook preventief, het houdt problemen klein, want dan is er informele steun, zijn er gezonde sociale netwerken en preventieve voorzieningen in de wijk. In die omgeving, de ‘pedagogische civil society’ (de Winter, 2012) maakt iedereen zich samen verantwoordelijk voor het opvoeden en opgroeien van kinderen en jongeren. Dan werken vrijwilligers en buurtbewoners informeel samen met de professionals in de school, het jongerenwerk, de kinderopvang, de sportclub, het buurthuis en de wijkagent (de Winter, 2012) om alle kinderen en jongeren veilig aan boord en op de rit te houden. Dat is de stip op de transformatiehorizon; de droom die werkelijkheid moet gaan worden. Maar zover is het nog niet. Een systeem keren gaat niet vanzelf met alle vastgeroeste patronen, eigenwijsheden, blinde vlekken, denkwijzen en markmechanismen die daar deel van zijn. De transformaties vragen veel ‘omdenken’ in een periode van ‘onzeker weten’ (Stam, 2012). Dat betekent dat nieuwe kennis nodig is om aan te tonen dat een dergelijke inzet op sociale binding en gezonde sociale netwerken en een inzet op een positieve leefomgeving ook inderdaad werkzaam is, zodat het jongerenwerk daar zich op kan positioneren. Dan kan het de verbindingen in de wijk gaan leggen en veel meer voorwaardenscheppend aan de slag als schakel tussen de jongeren en andere buurtbewoners en tussen het jongerenwerk en andere informele en formele voorzieningen in de wijk. 2.2 De gemeentelijke urgentie in de steun voor kwetsbare jongeren Gemeenten staan sinds 2015 aan het roer voor alle welzijns-, arbeids- en zorgtaken, maar het is nog zoeken naar de verbindingen en de samenhang; niet alleen in de sturing en inrichting, maar zeker ook in de samenwerking tussen de verschillende professionals. Daarbij is het bieden van continuïteit in de zorg en ondersteuning voor kwetsbare jongeren een urgent vraagstuk. Er blijkt na alle transities – overdracht van bestuurlijke en financiële taken van Rijk en provincie naar gemeenten – nog steeds een knip te zijn in de ondersteuning voor deze groep. De jeugdhulp is tot 18 jaar en de volwassenenzorg en - -ondersteuning sluit niet altijd aan op de vragen en problemen van jongeren tussen de 18 en 23 jaar, die wel meerderjarig, maar nog niet volwassen zijn. Deze jongeren dreigen daardoor tussen wal en schip te vallen (Kinderombudman, 2015; SJT, Samenwerkend Toezicht Jeugd, 2015). Ook urgent is de aandacht voor preventieve ondersteuning en de opbouw van een sociaal sterke wijk, als cement voor sociale Transformatiedoelen (VWS, VenJ, & VNG, 2014): Meer participatie, preventie en samenwerking en minder regels • Meer preventie, meer eigen verantwoordelijkheid, meer benutten van ‘eigen kracht’ en het sociale netwerk van kinderen en hun ouders; • Kinderen en jongeren naar vermogen mee laten doen, laten participeren. Daarom willen we normaliseren, ontzorgen en niet onnodig medicaliseren; • Snellere jeugdhulp op maat, dichtbij huis, om zo het beroep op gespecialiseerde zorg te verminderen; • Betere samenwerking rond gezinnen: 1-gezin,1-plan, 1-regisseur, o.a. door ontschotting van budgetten; • Meer ruimte voor professionals, door de regeldruk serieus terug te dringen
  15. 15. 14 netwerkvorming. Dat lijkt wat onder te sneeuwen met de druk op de individuele zorgvragen die er in gemeenten moeten worden opgepakt (de Waal, 2014; SJT, Samenwerkend Toezicht Jeugd, 2015; van Arum & Schoorl, 2016). De gemeente is nu verantwoordelijk voor de jeugdhulp en gespecialiseerde zorg voor jongeren tot 18 jaar vanuit de Jeugdwet, voor maatschappelijke ondersteuning van jongeren boven de 18 jaar via de Wmo en te zorgen dat jongeren boven de 18 jaar werk en inkomen verkrijgen als onderdeel van de Participatiewet. De Jeugdwet is daarmee voor zorg voor minderjarigen, terwijl de andere wettelijke kaders voor alle volwassenen is, en dus ook voor meerderjarige kwetsbare jongeren in de adolescentenfase. Die nieuwe brede verantwoordelijkheid geeft de gemeente de kans om vanuit één hand de aanpak te stroomlijnen en anders in te kleuren. Ook hier de nadruk op leren samenwerken; binnen gemeentelijke diensten en beleidsdomeinen en tussen gemeenten en aanbieders. Gemeenten geven nu de opdracht aan sociale professionals om beter zichtbaar te zijn op plaatsen waar kinderen, jongeren en gezinnen al komen (Miller, 2012) en multidisciplinair samen te werken. Meer de wijk in - outreachend, netwerkend en verbindend handelen. Niet wachten tot de vraag naar ze toe komt, maar deze ophalen. Een generalistische en preventieve opdracht voor alle professionals in de sociale sector (Scholte, Sprinkhuizen, & Zuithof, 2012). Als integrale werkvorm ontwikkelen zich nu in 87% van alle gemeenten brede sociale wijkteams (van Arum & Schoorl, 2015). Namen, modellen en doelgroepen verschillen. Meestal zijn het 0 – 100 teams voor alle inwoners met eenvoudige tot zeer complexe hulpvragen. In de teams werken onder meer welzijnswerkers, professionals in (jeugd)hulp- en opvoedsteun, (school) maatschappelijk werkers, jeugd-GGZ-professionals, MEE-medewerkers en anderen in maatschappelijke ondersteuning, (jeugd)hulp en basiszorg. Grotere gemeenten hebben vaak ook jeugd- en gezinsteams al dan niet naast de sociale wijkteams (van Arum & Schoorl, 2015). Wat blijkt is dat de wijk- en jeugdteams de kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar moeilijk bereiken en ook minder preventief en outreachend werken dan de bedoeling was. Ze hebben een hoge caseload hebben van inkomende hulpvragen komen nauwelijks toe aan het organiseren van informele netwerken en buurthulp; een manier van werken die ze sowieso nog niet in de vingers hebben (Movisie, 2014; SJT, Samenwerkend Toezicht Jeugd, 2015; van Arum & Schoorl, 2016). Ook de doelen in samenlevingsopbouw zijn teruggeschroefd. Hadden 15% van de wijkteams deze doelstelling in 2014, in 2015 is dat nog 8%. (van Arum & Schoorl, 2016, p. 34). Het minder goed bereiken van kwetsbare jongeren komt omdat de wijkteams zich op multi-probleem huishoudens of gezinnen met jongere kinderen richten en de jeugdteams bovendien vaak jeugdhulp tot 18 jaar bieden (Pels & de Gruijter, 2014; SJT, Samenwerkend Toezicht Jeugd, 2015). Kwetsbaarheid in de levensfase tussen de 14 en 23 jaar vraagt een andere expertise en aanpak dan sec jeugd- of volwassengerichte ondersteuning (Cosner Berzin, 2010). Het is de vraag of deze expertise binnen de teams beschikbaar is. Dat alles betekent een knip in de zorg en ondersteuning voor kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar. Ook kwetsbare jongeren vragen een domeinoverstijgende benadering. Zij hebben immers recht op toegang tot onderwijs, werk, huisvesting, zorg, veiligheid en vrije tijdsbesteding. Een doorgaande inzet op meerdere leefgebieden maakt de ondersteuning effectiever, verhoogt de kwaliteit en verbetert het bereik van de jongeren die de ondersteuning nodig hebben. Ook zij hebben recht op participatie in de wijk, op school en op werk, om veerkracht te ontwikkelen dat hen motiveert om te willen en te kunnen participeren in de samenleving. Dat vraagt dat gemeenten voor jongeren in deze levensfase een doelgerichte aanpak ontwikkelen, waarbinnen ook de preventieve benadering en samenwerking tussen lokale professionals tot uitdrukking komt. 2.3 De urgentie voor het jongerenwerk Het jongerenwerk kan een bijdragen aan de oplossing van de gemeentelijke vraagstukken. Als beroepsgroep in welzijn is het van oudsher actief in de wijk om participatie van kwetsbare jongeren te verbeteren (Metz, 2011), het werkt preventief en ontwikkelingsgericht, kent de jongeren en de wijk, zoekt de jongeren outreachend op en stopt niet als zij 18 jaar worden. De kernfunctie van het
  16. 16. 15 jongerenwerk– al sinds 1995 – is een brug te bouwen tussen de leefwereld van de jongeren en de systeemwereld van de instituties; een wederzijdse participatiefunctie (Metz , 2011). Metz (2011) komt vanuit een historische beschrijving tot de volgende algemene taakopvatting van het jongerenwerk van nu; “Jongerenwerk is een basisvoorziening in de vrije tijd (buiten gezin, school en werk), primair voor jongeren uit de lagere sociaaleconomische klasse en kwetsbare jongeren. Vertrekpunt vormt de leefwereld van jongeren. Inzet van het jongerenwerk is de volwaardige deelname van jongeren aan de samenleving. De precieze inhoud en de doelgroepen van het jongerenwerk bewegen mee met maatschappelijke ontwikkelingen en trends in de behoeften en leefsituaties van jongeren.” (Metz, 2011, p. 97) Jongerenwerkers zijn sociaalpedagogen (Metz, 2011). Ze werken als sociaal werkers met kwetsbare jongeren aan ‘gewenst gedrag’, aan individuele en sociale talentontwikkeling, aan het zelf leren oplossen van hun eigen (kleine) problemen en hun netwerken daarvoor in te schakelen (Metz & Sonneveld, 2013; Sonneveld & Metz, 2015). In het jongerencentrum hebben ze een ‘een plek om te chillen (Sonneveld & Metz, 2015)’. Het jongerenwerk heeft een brede – generieke - functie voor individuele jongeren, voor groepen en voor de buurt (Noorda, 2009; Metz & Sonneveld, 2013; Sonneveld & Metz, 2015). De brede functie krijgt per gemeente een andere ‘kleur’. De kern is dat het jongeren en de buurt met elkaar verbindt door – onder meer - groepsactiviteiten in de buurt of in de jongerencentra. Gemeenten noemen dit samenlevingsopbouw; of bijdragen aan een sterke sociale omgeving in buurten en wijken. Jongerenwerkers doen ook steeds meer individuele begeleiding (IB) van jongeren met specifieke hulpvragen (Bakker, 2011; Metz & Sonneveld, 2013; Valkestijn, Bakker, Hilverdink, & Metz, 2015). Dat is een opdracht vanuit het zorg- of veiligheidskader van gemeenten. Dat maakt dat het jongerenwerk dichter op de jeugdhulp en de maatschappelijke ondersteuning - de jeugd- en wijkteams - zit. Jongerenwerkers werken in een narratieve praktijk (Oostrik, 2010). Ze verstaan het vak van de dialoog, waarin ze als professionals de jongeren overtuigen en motiveren om andere, meer positieve, wegen in te slaan. Jongerenwerkers doen dit multimethodisch en procesgericht en met een eigen mondeling taalgebruik (Oostrik, 2010; Valkestijn, Bakker, Hilverdink, & Metz, 2015). Het is echter lastig vast te stellen hoe het jongerenwerk als beroepsgroep moet worden gepositioneerd. Ze weten meer dan ze hebben opgeschreven, terwijl ze juist nu moeten kunnen laten zien waar het als beroepsgroep op aanspreekbaar is in het ‘grijze werkgebied’, waarin jeugdhulp, (school)maatschappelijk werk en jongerenwerk elkaar tegenkomen in de samenwerking voor kwetsbare jongeren ( Berger & Zwikker, 2010; de Groot & Hajer, 2014). Jongerenwerkers hebben echter weinig traditie in het onderbouwen van het eigen ‘body of knowledge’; een eigen set aan kennis en methoden, waar het jongerenwerk een eigen identiteit aan kan ontlenen (Berger & Zwikker, 2010; de Kreek, Diekmann, & van Vels, 2014). Dat leidt in de opdrachtverlening en in samenwerking tot irreële verwachtingen en lastig afstemmen. Het jongerenwerk ‘vliegt dan alle kanten op’; het mist afbakening van het eigen werkterrein. Dat leidt ook tot een zwakke positie in de onderhandelingen met bezuinigende gemeenten. Het vak drijft op ervaringskennis – tacit knowledge –en dat is een te smal kennisfundament voor het uitproberen van nieuwe werkwijzen. Er is niets om op door te bouwen (Oostrik, 2010), waardoor de kans bestaat dat het als beroepsgroep stil gaat staan (Oostrik, 2010). In Nederland staat professionalisering van het jongerenwerk pas sinds 2000 – 2005 op de agenda ( (van Dam & Zwikker, 2008; Metz, 2012), met de beroepscode als recent baken voor het professioneel handelen (de Groot & Hajer, 2014; Valkestijn, Bakker, Hilverdink, & Metz, 2015). Het is een kleine beroepsgroep en heeft geen eigen opleiding of verplichting tot vakontwikkeling in de beroepspraktijk, zoals jeugdhulpverleners dat wel hebben. Urgentie voor het jongerenwerk is dat het kan aantonen wat het als beroepsgroep te bieden heeft voor kwetsbare jongeren ten opzichte van de andere sociale professionals in de wijk. Dat betekent dat het jongerenwerk de eigen positionele professionaliteit moet kunnen onderbouwen met een herkenbaar
  17. 17. 16 eigen kennisdomein, waar het door anderen op kan worden aangesproken (Berger & Zwikker, 2010). Dat vraagt om kennisontwikkeling. Dan kan het jongerenwerk het eigen unieke karakter als beroepsgroep claimen en zo bepalen waar het thuishoort in de samenwerking (Berger & Zwikker, 2010). Dat leidt tot meer beroepstrots en kansen op beroepsontwikkeling naar een steviger eigen identiteit (Kwakman & Schilder, 2005). Dat legitimeert het bestaansrecht beter; ook door de partners in de wijk. Zij moeten immers met elkaar, in dialoog, het werk voor kwetsbare jongeren doen (Spierts, 2015), waarbij ieder een passende positie heeft.. Waar beperkt internationale wetenschappelijke kennis over is, is de inzet van het jongerenwerk op beschermende factoren (Fouché, Elliot, Mundy-McPherson, Jordan, & Bingham, 2010; Dickson, Vigurs, & Newman, 2013; Dunne, Ulicna, Murphy, & Golubeva, 2014) als binding en positief gedrag, de ontwikkeling van positieve persoonlijke en sociale vaardigheden en talenten (Dickson, Vigurs, & Newman, 2013, p. 24), prosociale contacten met peers en positieve volwassenen in de eigen omgeving (Fouché, Elliot, Mundy-McPherson, Jordan, & Bingham, 2010, pp. 18-20). De internationale metareview van Dickson et. al. (2013) naar de impact van het ‘youth work’, noemt ‘positive youth development’ als benadering “veelbelovend” (Dickson, Vigurs, & Newman, 2013). Ook Lerner en anderen (2005) menen dat youth workers veel aan deze benadering bijdragen, met name in ‘community building’. Daarom wordt in dit onderzoek onderzocht of het jongerenwerk bijzondere deskundigheid heeft op de inzet op beschermende factoren en met welke positie en taakstelling deze inzet het best tot zijn recht komt voor kwetsbare jongeren in de wijk. Daarmee wordt doorgebouwd op de beperkte wetenschappelijke kennis die hierover beschikbaar is in internationale context.
  18. 18. 17 3 Doel en vraagstelling van het onderzoek In dit hoofdstuk het hoofddoel en de subdoelen van het onderzoek en de daaraan verbonden hoofd- en deelvragen. Ook wordt verantwoord waarom de aanbevelingen aan het middenmanagement van jongerenwerkinstellingen wordt gericht. De inzet op beschermende factoren is het theoretisch kader voor het onderzoek. De wetenschappelijke kennis hierover wordt in dit hoofdstuk uiteengezet. 3.1 Doel van het onderzoek Het bredere doel is om de praktijk van het jongerenwerk te ontwikkelen (Swanborn, 2010), opdat het als beroepsgroep de kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar passende ondersteuning vanuit hun leefwereld kan bieden. Door de onderzoeksvragen te beantwoorden en daartoe aanbevelingen te doen, wordt hier een bijdrage aan geleverd. Subdoelen zijn: 1. Advies geven over de manier waarop de positie en taak van het jongerenwerk onderbouwd kan worden in aansluiting op de huidige transformatiedoelen van de gemeenten. 2. Advies geven over de manier waarop de samenwerking met partners in de wijk versterkt of verbeterd kan worden. 3. Advies geven over de manier waarop de inzet van beschermende factoren door het jongerenwerk doorontwikkeld kan worden. De aanbevelingen zijn voor het middenmanagement van welzijnsinstellingen met jongerenwerk in hun portefeuille. Zij hebben innovatiekracht en kunnen het beste kennisontwikkeling stimuleren, omdat zij beleidsdoelen en strategische keuzen in de organisatie met elkaar kunnen verbinden (de Waal, 2014). Zij kunnen besluiten nemen voor een steviger positie van het jongerenwerk door; - ‘opwaarts’ het gemeentelijk beleid te beïnvloeden door het maken van resultaatafspraken - ‘zijwaarts’ samenwerking, zichtbaarheid en draagvlak bij partners in de wijk te realiseren, - ‘neerwaarts’ praktijkontwikkeling van het jongerenwerk te stimuleren. Middenmanagers van de welzijnsinstellingen voor jongerenwerk kunnen als teamleiders op alle borden schaken, de jongerenwerkers motiveren en bijscholen en veranderingen in gang zetten. Dat vraagt een open en lerende houding om van binnenuit, onderop, inductief en samen (Stam, 2012) met partners en gemeente te werken. Om in cocreatie, in lerende netwerken en strategische allianties, samen Dit onderzoek heeft als doel kennis te genereren over de manier waarop het jongerenwerk inzet op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren (14 – 23 jaar), zodat het kan onderbouwen welke positie en taak passend is als professionele bijdrage aan de transformatiedoelen van gemeenten en aan de samenwerking met partners in de wijk.
  19. 19. 18 het werk voor kwetsbare jongeren te ontwikkelen (Miedema & Stam, 2010; Wierdsma & Swieringa, 2011; Stam, 2012; Spierts, 2015). 3.2 Hoofd- en deelvragen Met de vragen wordt onderzocht wat de huidige plaats is van het jongerenwerk in het huidige lokaal transformerende stelsel en of de inzet van het jongerenwerk op beschermende factoren aantoonbaar is, zodat het jongerenwerk zich kan beroepen op een eigen kennisdomein en zo het vak verder kan ontwikkelen. De hoofdvraag Met welke positie en taakstelling kan het jongerenwerk (blijven) inzetten op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar? 3.2.1 Deelvragen 1. Op welke manier besteden de gemeenten vanuit hun transformatieagenda’s beleidsmatig aandacht aan het ondersteunen en begeleiden van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar? 2. Wat is daarin de huidige positie en taak van het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren en hoe verhoudt deze taak zich tot die van andere professionals, die met kwetsbare jongeren werken (de partners in de wijk)? 3. Hoe ervaren de partners in de wijk de taakstelling van het jongerenwerk wat betreft het werken aan de beschermende factoren? 4. Hoe ervaren de jongerenwerkers in de gemeenten de taakstelling in het werken aan beschermende factoren voor de positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar? Antwoorden op de eerste twee deelvragen geven inzicht in de beleidsmatige sturing en prioriteiten en de lokale infrastructuur voor de ondersteuning van kwetsbare jongeren. De plaats en taak van het jongerenwerk staat daarin centraal. Dat maakt duidelijk wat het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren doet in de gemeenten en hoe ze zich tot de partners in de wijk verhoudt. De antwoorden op de laatste twee deelvragen geven inzicht in de ervaringen van de professionals in de praktijk – de partners in de wijk en de jongerenwerkers - over de huidige plaats en taak van het jongerenwerk. Ontdekt wordt of en in welke mate bekend is dat het jongerenwerk inzet op de beschermende factoren. Ook bieden de antwoorden inzicht in de grenzen die partners en jongerenwerkers ervaren in de inzet op deze factoren en in de samenwerking. 3.3 Wat zijn beschermende factoren Beschermende factoren zijn factoren die een positieve ontwikkeling van jeugd bevorderen, aldus Ince, van Yperen en Valkestijn van het Nederlands Jeugdinstituut (2013). Een inzet op beschermende factoren helpt de veerkracht (resilience) van jongeren te vergroten, waardoor hun ontwikkelingspad naar zelfstandigheid soepeler – positiever – kan verlopen (Resnick, 2000; Romano, 2015; Ungar, 2015).
  20. 20. 19 Het zijn persoonlijke, individuele of sociale en maatschappelijke factoren die risico’s kunnen opvangen (Resnick, 2000). Het zijn ‘kind- of jeugd’ factoren (sociale, emotionele, cognitieve en lichamelijke ontwikkeling), gezins- en familiefactoren, factoren in relatie tot positieve vrienden/relaties en factoren die te maken hebben met de invloed van de buurt, de school en de vrije tijdvoorzieningen; ( Bronfenbrenner, 1994; Bakker, Bakker, van Dijke, & Terpstra, 1998; Catalano, Berglund, Ryan, Lonczak, & Hawkins, 2004; Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013). De factoren zijn niet alleen helpend voor kwetsbare jongeren, maar voor alle jongeren. Bij kwetsbare jongeren zijn de risicofactoren echter sterker aanwezig en de problemen worden groter als er onvoldoende beschermende factoren zijn om de risico’s op te vangen opvangen ( Kreuger, 2008; Romano, 2015; Spierings, Tudjman, Meeuwisse, & Onstenk, 2015). Hoe meer invloed ze hebben op een jongere, bijvoorbeeld doordat er verschillende risicofactoren aanwezig zijn, , hoe lastiger het is om voldoende veerkracht te ontwikkelen om daar soepel doorheen te lopen. Dat kan gaan om een laag zelfbeeld, weinig of slechte relaties met anderen of te weinig autonomie (Deci & Ryan). Ook zijn risico’s bijvoorbeeld problemen in een gezin, verslaving of schulden (van de jongere zelf of van gezinsleden), schooluitval, werkloosheid, gebrekkige opleidingsachtergrond of een ‘moeilijke buurt’, de (persoonlijke) geschiedenis, zoals intergenerationele problematiek in gezinnen, en de culturele achtergrond (Bakker, Pannebakker, & Snijders, 1999). Om de belangrijkste beschermende factoren in opvoeden en opgroeien te identificeren, hebben Ince, van Yperen en Valkestijn (2013) diverse beschikbare wetenschappelijke benaderingen naast elkaar gelegd, zoals de theorie van het sociaal ontwikkelingsmodel van Hawkins & Weis (1985; in (Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013), de positive youth development (Catalano, Berglund, Ryan, Lonczak, & Hawkins, 2004; Lerner, Almerigi, Theokas, & Lerner, 2005) en het raamwerk van veertig ontwikkelingseigenschappen (Framework of Developmental Assets) van het Search Institute (1990) (Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013; Benson, Leffert, Scales, & Blyth, 2012). Daar zijn tien factoren voor een positieve ontwikkeling van kinderen en jongeren uitgekomen, zoals sociale binding, kansen op betrokkenheid, prosociale normen, erkenning en waardering van positief gedrag, steun van belangrijke volwassenen in de omgeving, constructieve tijdsbesteding, sociale, emotionele en gedragsmatige competenties, cognitieve vaardigheden, schoolmotivatie en positieve identiteit ( (Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013). Deze factoren zijn geïdentificeerd voor interventies voor het opvoeden en opgroeien van kinderen en jongeren. Dat is een ander doel dan in dit onderzoek. Daarom is voor dit onderzoek wetenschappelijke kennis nodig dat inzicht geeft in de factoren voor kwetsbare adolescenten en over de manier dat het jongerenwerk daar al dan niet expliciet op inzet. Er wordt sinds de zeventiger – tachtiger jaren van de vorige eeuw steeds meer wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de werkzaamheid van beschermende factoren voor kwetsbare adolescenten. De onderzoeken komen vanuit medische, (ontwikkelings-) psychologische, sociologische en criminologische hoek (Lerner, Almerigi, Theokas, & Lerner, 2005; Kreuger, 2008). Daardoor is er steeds meer empirische bewijs dat een preventieve inzet op beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jongeren werkt; het zijn zelfstandige constructen waar op ingezet kan worden (Resnick, 2000; Peck, Roesner, Zarrett, & Eccles, 2008; McIntyre, 2002; Catalano, Berglund, Ryan, Lonczak, & Hawkins, 2004; Benson, Leffert, Scales, & Blyth, 2012). Hieronder enkele van de wetenschappelijke benaderingen in figuur 2. Ze zijn gekozen omdat ze zijn gebaseerd op studies over de positieve invloed van de beschermende factoren op kwetsbare adolescenten. Protective/ risk factoren (Romano, 2015) Ontwikkelings perspectief (Resnick, 2000) Sociaal ontwikkelings Model (Hawkins & Weis, 1985) Developmen tal Assets (Search, 1990) (Benson, 2012) WHO, gezondheids- bevorderings perspectief (McIntyre, 2002)
  21. 21. 20 Biologische factoren, Karakter Individuele processen; Persoonlijke identiteit Individuele karakteris- tieken Positieve identiteit Persoonlijkheids- kenmerken Gezins- processen ouderschap, opvoedings- stijlen Gezonde opvattingen & duidelijke normen Steun van anderen Zorgzame, betekenisvolle relaties Gezins- en familie- verhoudingen Persoonlijk- systemische processen Kansen Motivatie om te leren Kansen voor participatie, deelname Karakter leer- en schoolomgeving Academische en sociale competenties Vaardigheden & erkenning Grenzen en verwachting (rolmodellen) Structuur bieden en grenzen stellen Vriendschappen Sociale binding Engagement Positieve waarden Sociale competenties Contextuele processen Binding Empowerment (krachtige buurt) Omgevings- factoren Betrokkenheid in buitenschoolse activiteiten Constructieve vrije tijds- besteding Culturele expressie Figuur 2: Tabel beschermende factoren voor preventieve inzet op grond van verschillende benaderingen Uit figuur 2 blijkt dat de factoren uit de verschillende wetenschappelijke stromingen in identificatie en duiding vrijwel overeen komen. Wetenschappers erkennen dit ook. Resnick (2000), kinder- en jeugdarts en onderzoeker in de Verenigde Staten, legt de constructen ‘resilience’, protective factors’ en ‘positive youth development’ naast elkaar vanuit ‘wat werkt’ in het bevorderen van gezondheid en welzijn van jongeren. Hij bevestigt daarmee de overlap in factoren vanuit de drie constructen en noemt de factoren die hij formuleert ‘highly congruent with the list of key protective factors identified by resilience researchers’ (2000, p. 160). Schwartz et. al (2007) zien de overlap als elkaar aanvullend. Zij ontwikkelden een model waarin de beschermende factoren, de C’s van bloei en veerkracht uit de ‘positive youth development’ en de eigenschappen uit de ‘developmental assets’ van het Search Institute samen komen (Schwartz, Pantin, Coatsworth, & Szapocznik, 2007, p. 126). Ook Scales (1999, p. 113) – één van de grondleggers van het Framework of Developmental Assets – erkent de overlap en stelt na divers onderzoek dat de taal van de verschillende benaderingen uit dezelfde oorsprong komt van honderden studies over kinder- en adolescentenontwikkeling, preventie, reductie van risico's en veerkracht. De wetenschappelijke basis is dezelfde (Scales, 1999, p. 113) en de - uit empirisch onderzoek ontwikkelde - factoren zijn vaak overlappend (Schwartz, Pantin, Coatsworth, & Szapocznik, 2007, p. 126). Bovendien zijn er overeenkomsten met de factoren die Romano en de WHO hebben geïdentificeerd (McIntyre, 2002; Romano, 2015). In de praktijk levert een tweeledige aanpak volgens de wetenschappers de beste resultaten op (Resnick, 2000 (Romano, 2015). Dat betekent dat het gaat om een balans krijgen tussen risico en bescherming (Kreuger, 2008; Spierings, Tudjman, Meeuwisse, & Onstenk, 2015; Romano, 2015). De problemen die jongeren tegenkomen mogen niet uit het oog worden verloren.
  22. 22. 21 Waar het in dit onderzoek om gaat, is de bijdrage van het jongerenwerk voor kwetsbare jongeren. Het jongerenwerk kiest voor een motiverende benadering en start bij de kansen en mogelijkheden van kwetsbare jongeren. Dat gaat om meer dan alleen risico’s verlagen. Dat gaat om een bijdrage vanuit een inzet op de beschermende factoren door het jongerenwerk. Voldoende aanwezige factoren helpen jongeren vaardigheden te ontwikkelen voor het zelfstandig kiezen van een opleiding of werk, een vriendenkring, voor een gezonde leefstijl en om autoriteit of instanties te leren accepteren. Ook een eigen identiteit ontwikkelen, meer ‘los’ staan van ouders of andere volwassenen hoort daar bij (Resnick, 2000; Lerner et.al., 2005; Kreuger, 2008; Spierings, Tudjman, Meeuwisse, & Onstenk, 2015; Romano, 2015). In de transformatieopgaven gaat het om een integrale aanpak dat start bij de vraag en wensen van jongeren zelf om hen zo te helpen zelf keuzen te leren maken. Dat is een leefwereldperspectief dat past bij de inzet op beschermende factoren, omdat zij positief en motiverend zijn en zowel individueel en persoonlijk, maar ook omgevingscomponenten hebben. Vanuit de wetenschap is echter nog niet ontdekt hoe de verschillende beschermende factoren elkaar beïnvloeden en op elkaar reageren ( Resnick, 2000; Catalano, Berglund, Ryan, Lonczak, & Hawkins, 2004; Benson, Leffert, Scales, & Blyth, 2012). Ze interacteren met elkaar, maar de vraag is hoe ze dat doen. Daar is nog weinig van bekend (Benson, Leffert, Scales, & Blyth, 2012). Het is dus lastig vast te stellen hoe en aan welke knoppen door het jongerenwerk moet worden gedraaid en welke factoren het meest relevant zijn op jeugd-, gezin- of omgevingsniveau. Dat zal per jongere ook anders zijn. Wel wordt uit onderzoek steeds meer bekend dat in de adolescentenfase steun van prosociale peers en van volwassenen, maar ook sociale binding en een positieve omgeving centrale factoren zijn (Bakker, Pannebakker, & Snijders, 1999; Lerner, Almerigi, Theokas, & Lerner, 2005; Resnick, 2000). Er is wederkerige invloed van de jongere met zijn omgeving (Resnick, 2000). Resnick (2000) noemt dit de bufferfactoren. Dat zijn volgens hem centrale factoren voor adolescenten. Jongere kunnen echt (leren) participeren als de omgeving zich daar open voor opstelt. En de omgeving ontwikkelt zich als jongeren daarin willen en kunnen participeren. Dat past de kernfunctie van het jongerenwerk; een functie gericht op wederzijdse participatie (Metz, 2012). Dat betekent dat een bevorderend participatiebeleid én interventies die daarop zijn gericht samen werkzaam zijn, mits dit met onderbouwde kennis wordt toegepast in de praktijk. Dan past het in de transformatieopgave om te investeren in eigen regie van kwetsbare jongeren en te werken aan een positieve invloed van een sterke sociale omgeving (Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013; Spierings, Tudjman, Meeuwisse, & Onstenk, 2015)). Het vraagt een inzet op alle leefdomeinen van de jongeren. Lerner (2005), ontwikkelingspsycholoog en grondlegger van de positive youth development (p. 15) zegt dat wetenschappelijk is bewezen dat deze wederkerigheid werkt. De inzet is dan de ‘match’ te verbeteren tussen wat jongeren willen en kunnen en de positieve krachten in de omgeving. Dan ontstaat de situatie dat “young people may thrive and the civil society may prosper.” (Lerner, 2000, p.15). Omdat nog weinig bekend is over deze inzet door het jongerenwerk, hoopt dit onderzoek bij te dragen aan kennisontwikkeling hierover.
  23. 23. 22 4 Onderzoeksopzet en verloop In dit hoofdstuk een toelichting op het onderzoeksdesign met de toegepaste onderzoeksinterventies. Eerst de onderzoekscyclus en besluitvormingsfase, de onderzoeksbenadering en de onderzoeksstrategie. Daarna de aanpak en opbouw van het onderzoek, het wat, hoe en waarom van de vier onderzoeksinterventies en de data- analyse en triangulatie. Als laatste de kwaliteitscriteria, de ethische gedragsregels en de rol van de onderzoeker. 4.1 De onderzoekscyclus en de besluitvormingsfase In de empirische cyclus (rechterfiguur 3)– een wetenschapsopvatting dat stelt dat wetenschappelijke kennis alleen via deductie verkregen kan worden (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011) - geldt voor dit onderzoek de observatie dat het jongerenwerk een positioneringsprobleem heeft, want er is te weinig onderbouwing voor een eigen positie in het veranderende stelsel. Dat leidt tot de algemene veronderstelling (inductie) dat het jongerenwerk de kans heeft om zich als beroepsgroep in de transformaties sterker te positioneren als het een eigen kennisterrein - een body of knowledge - ontwikkelt. In dit onderzoek betreft dat de inzet op beschermende factoren. Met verschillende onderzoeksinterventies wordt gezocht of het jongerenwerk daar op inzet (deductie). Op grond van wat bekend is over beschermende factoren worden ervaringen in de praktijk getoetst (Swanborn, 2010). Het antwoord is de uitkomst van dit praktijkgericht onderzoek. Figuur 3: Links de Regulatieve cyclus van Strien in relatie tot empirische cyclus van van Doorn – rechts (Swanborn, 2010; de Lange, Schumann & Montesano Montessori, 2014). De regulatieve cyclus is een handelingsgerichte variant van de empirische cyclus. Het helpt te duiden hoe een praktijksituatie wordt ervaren en wat dit betekent voor de praktijkontwikkeling van een beroepsgroep, dienst- of hulpverlening. Het helpt de onderzoeker de juiste besluiten te nemen in het onderzoeksproces. De cyclus verloopt langs vijf fasen (zie linkerfiguur 3), waarbij een volwaardig praktijkgericht onderzoek een enkele fase kan bestrijken, afhankelijk van de fase waarin het vraagstuk zich bevindt. (de Kreek, Diekmann, & van Vels, 2014). In de regulatieve cyclus van dit praktijkgericht onderzoek is die uitkomst een diagnose (B). Er is immers een praktijkprobleem gesignaleerd, namelijk dat het jongerenwerk niet goed kan aantonen wat het eigen kennisdomein is om zich goed te kunnen blijven positioneren in de huidige veranderingen in het lokale stelsel. Omdat de veranderingen recent zijn, is het positioneringsprobleem nog niet lang bekend. Dat vraagt dat het probleem verder wordt verkend en beschreven. Dat kan door diverse invalshoeken in kaart te krijgen op basis van de
  24. 24. 23 praktijkervaringen van professionals en de betekenis die zij hier aan geven, zonder invloeden van buitenaf (de Kreek, Diekmann, & van Vels, 2014). De ervaringen moeten gekoppeld worden aan de beleidsuitgangspunten van de gemeenten, want zij verlenen de opdrachten aan het jongerenwerk en aan de partners in de wijk. Dat vraagt om een kwalitatief onderzoek omdat ervaringen en beelden niet logisch kwantificeerbaar zijn (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). Dan wordt impliciete kennis expliciet gemaakt en kan op basis van de diagnose (B) met plan- en besluitvorming (C) de kennis- en vakontwikkeling voor het jongerenwerk als beroepsgroep verbeterd worden. 4.2 Een samengesteld onderzoeksparadigma Het onderzoeksparadigma of wetenschapsperspectief geeft het onderzoek richting en inhoud. In de wetenschap geldt een positivistisch, interpretatief en kritisch-emancipatorisch perspectief (de Lange, Schuman & Montesano Montessori, 2014). Volgens de Lange e.a. (2014) geldt in praktijkgericht onderzoek vaak een combinatie en dat is ook hier het geval. Dit onderzoek werkt vanuit een interpretatief en kritisch-emancipatorisch perspectief. Bepalend is hoe kennis gegenereerd wordt over de positie en taakstelling van het jongerenwerk. Het positivistisch perspectief valt af, want dit onderzoek is te kleinschalig om er wetmatigheden uit te halen en er worden geen causale verbanden gezocht in dit beschrijvend onderzoek(de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). Het interpretatief paradigma biedt wel richting, omdat de subjectieve ervaringen van de professionals en het handelen centraal staan en het onderzoeksdoel is deze te gaan begrijpen en te interpreteren (Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2014, p. 44). De bril die partners in de wijk en van de jongerenwerkers opzetten, geven een beeld van de huidige stand van de positie en opdracht van het jongerenwerk in het onderzoeksgebied.. Toch is dit niet de startsituatie van dit onderzoek. Die ligt bij de theorie van beschermende factoren en bij de beleidsdoelen in het onderzoeksgebied, omdat dat de positie van het jongerenwerk bepaalt. Vervolgens worden de ervaringen van de professionals onderzocht. Daarmee is dit onderzoek ten dele interpretatief (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 45). Het kritisch-emancipatorisch paradigma is ook relevant. De kennis die uit dit onderzoek voortkomt is een weergave – beschrijving – van de ideeën die uit de beleidsprioriteiten voortvloeien, de belangen die daaronder zitten en de ideeën van de professionals in het veld (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 47). Dat moet in de praktijk tot uiting komen. Als de professionals zich van die percepties bewust zijn, kan er ‘emancipatie’ of verandering op gang komen (Boeije, 2005). Hun meningen zijn van belang en dit onderzoek hoopt een – bescheiden – bijdrage te leveren aan emancipatie van de jongerenwerkers als beroepsgroep. 4.3 Casestudie als onderzoeksstrategie Om de onderzoeksdoelen te bereiken wordt gekozen voor een casestudie als strategie. De stelselveranderingen zijn in alle gemeenten gaande, maar het is niet haalbaar om in alle gemeenten onderzoek te doen. Daarom is gekozen om twee concrete contextuele casussen te beschrijven die exemplarisch kunnen zijn voor het komen tot kennisontwikkeling voor het jongerenwerk. Dat betekent dat dit onderzoek plaatsvindt ‘binnen de grenzen van twee lokale sociale systemen’ (Swanborn, 2010, p. 110). In twee gemeenten – de twee casussen- wordt de positie van het jongerenwerk vanuit verschillende invalshoeken bestudeerd. Per casus wordt het lokaal beleid onderzocht, de meningen van de partners van het jongerenwerk en de jongerenwerkers zelf. Meerdere onderzoeksinterventies onderzoeken hetzelfde ‘verschijnsel’ waardoor goede triangulatie kan worden gedaan (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 129). Uiteindelijk komen alle perspectieven samen in één beschrijving en wordt het beleid met de ervaringen in de praktijk verbonden. Dat geeft diepte, verhoogt de kwaliteit en de reikwijdte van het onderzoek (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). Een valkuil bij de casestudies is het begrenzen van de benodigde kennis per casus (de Lange, Schuman,
  25. 25. 24 & Montesano Montessori, 2011). Dat vraagt een continue reflectieve houding en analytisch vermogen van de onderzoeker in de beantwoording van de deelvragen. 4.4 Haarlem en Tilburg als onderzoeksgebied Dit vraagstuk staat in het teken van de transformaties die in 393 gemeenten gaande zijn. Het is niet haalbaar om deze allemaal te onderzoeken, daarom worden Tilburg en Haarlem gekozen. Door deze twee te beschrijven en naast elkaar te leggen, ontstaat een eerste beeld van de huidige situatie in de jongerenwerkpraktijk. Dat biedt lessen voor praktijkontwikkeling en vervolgonderzoek in andere contexten. Tilburg heeft ruim 210.000 inwoners, waarvan rond de 22% jongeren tussen de 14 en 23 jaar. Haarlem telt 155.000 inwoners, waarvan een kwart jonger dan 24 jaar. Beide gemeenten kennen wijken, waar problemen zijn met veiligheid, op sociaaleconomisch vlak (meerderheid van bewoners met lage SES-status), of waar aandacht nodig is voor leefbaarheid. In Haarlem is dat in Oost en Schalkwijk, in Tilburg is dat een grote wijk in Zuid, een deel in Noord en twee kleine wijken in Oost. Die vergelijkbare schaalgrootte maakt het interessant om verschillen en overeenkomsten te ontdekken. De keuze voor Tilburg is pragmatisch en inhoudelijk. Als NJi-medewerker is er nauw contact met het jongerenwerk en de gemeente in Tilburg. Daardoor is bekend dat het Tilburgs jongerenwerk een sterke positie heeft en innovatief werkt. Er is relevante beleids- en praktijkkennis en dat helpt de dataverzameling. De keuze voor Haarlem heeft meerdere redenen. Allereerst heeft Youth Spot, het lectoraat jongerenwerk van de Hogeschool van Amsterdam, gevraagd naar een Randstedelijke context in dit onderzoek. Ten tweede blijkt na eerste oriëntatie dat het jongerenwerk in een herijkingsfase zit. Dat is een interessant gegeven. 4.5 Aanpak en opbouw van het kwalitatief onderzoek Voor elke onderzoeksvraag wordt een andere onderzoeksinterventie ingezet. De uitkomsten van de interventies samen laat zien of en hoe de inzet van de beschermende factoren in het beleid voor kwetsbare jongeren en in de praktijk van het jongerenwerk wordt onderbouwd. De interventies zijn kwalitatief; 1. literatuuronderzoek naar beschermende factoren en de rol van het jongerenwerk, 2. documentonderzoek naar het beleid en de infrastructuur voor kwetsbare jongeren in Haarlem en Tilburg, met daarbinnen de plaats en opdracht van het jongerenwerk, 3. semigestructureerde interviews met partners in de wijk van het jongerenwerk in beide gemeenten 4. samengestelde focusgroep van jongerenwerkers uit de twee gemeenten. Het theoretisch toetsingskader – een gewogen lijst van beschermende factoren als uitkomst van het literatuuronderzoek – wordt op drie momenten ingezet om het positioneringsvraagstuk dichterbij een oplossing te brengen. 1. als scorelijst van 22 factoren tijdens de semigestructureerde interviews met de partners van het jongerenwerk (fase drie, zie 4.8.). De scorelijst is een eenvoudige checklist om totaalscores te krijgen, zonder dat de antwoorden op de afzonderlijke beschermende factoren met elkaar in verband hoeven te staan (Swanborn, 2010). 2. door in de focusgroep bij jongerenwerkers na te gaan hoe zij hun inzet op de factoren ervaren (fase vier, zie 4.9.). 3. als samengesteld analyse-instrument (in fase vijf, zie 4.10) voor (a) de bevindingen in de twee afzonderlijke casussen en (b) voor de weging van de beantwoording van de hoofdvraag. Een beperkende methodologische factor is dat de oorspronkelijke scorelijst van 22 factoren ( fase drie) na weging niet allemaal van gelijke ordegrootte blijkt en daarom voor de samenstelling van het analyse-instrument voor de bevindingen moet worden ‘gerepareerd’. De literatuurstudie wordt daarom in delen opnieuw gedaan. Daaruit blijkt dat vier eerder opgenomen factoren niet op ‘inzet’, maar op
  26. 26. 25 programma-uitkomsten gericht zijn. Deze vier factoren worden daarom uit de bevindingen gehaald. De overgebleven 18 factoren worden geordend in negen hoofdfactoren voor een herziene weging van de resultaten uit fase drie en voor inzet in de focusgroep in fase vier en als analyse-instrument voor de data-triangulatie in fase vijf. De analyses en conclusies worden eerst per casus opgetekend. Ze ontstaan door methodentriangulatie, door het combineren van de verschillende methoden (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011; Swanborn, 2010). Door de uitkomsten uit Tilburg en Haarlem naast elkaar te zetten en te analyseren ontstaat een ‘overall’ beeld (Swanborn, 2010, p 120) en kan met algemene conclusies en aanbevelingen de hoofdvraag worden beantwoord. Hieronder een schematisch overzicht van de onderzoeksfasen, gekoppeld aan de vragen die beantwoord moeten worden en de interventies die daarvoor nodig zijn. Figuur 4: Onderzoeksfasen en -interventies in relatie tot de hoofd- en deelvragen 4.6 Literatuuronderzoek in fase één Om te weten wat in de wetenschap bekend is over beschermende factoren voor kwetsbare jongeren en de rol van het jongerenwerk daarbij, is literatuuronderzoek gedaan. Dat biedt kennis over die beschermende factoren die volgens de wetenschap helpen om kwetsbare jongeren tot zelfregie en eigen kracht te bewegen en of bekend is of het jongerenwerk daar op inzet. De uitkomst is een gewogen lijst van beschermende factoren, dat wordt ingezet als analyse-instrument (bijlage 1) tijdens verschillende onderzoeksinterventies (zie aanpak bij de verschillende fasen). De uitkomst van het literatuuronderzoek biedt zo de theoretische ondergrond voor het beantwoorden van het vraagstuk. Om systematisch en doelgericht de informatiebronnen te vinden, zijn – met de hoofd- en deelvragen als kader - zoektermen vastgesteld (zie zoekformulier, bijlage 2). Er zijn vijf stappen in de verzameling,
  27. 27. 26 bundeling, selectie, analyse en weging van de opgehaalde kennis. Stap 1, 2 en 3 zijn de verzamelingsstappen, dan volgt stap 4, de selectie en stap 5 de analyse. Het kader wordt beschreven in hoofdstuk 3.3. 1. Oriëntatie. Sneeuwballen uit de bronnenlijst in de NJi-publicatie over protectieve factoren (Ince, van Yperen, & Valkestijn, 2013). Dit heeft geleid tot een eerste bronnenoverzicht en een zoekformulier met inhoudelijke in- en uitsluitingscriteria voor een systematische zoekstrategie in verschillende databanken (zie bijlage 2). Belangrijke constatering is dat een aanvullende zoekstrategie nodig is voor het krijgen van wetenschappelijke kennis over factoren die specifiek relevant zijn voor kwetsbare adolescenten en de rol van het jongerenwerk. Dat leidt tot fase 2. 2. Zoekstrategie. Databanksearch tussen juni en september 2015 met attenderende begrippen ‘protective factors’, ‘positive youth development’ en ‘youth work’, ‘youth-at-risk’ en ‘adolescents’. Youth work’ wordt geoperationaliseerd met ‘out-of-school’ of ‘after school’ programs, ‘youth services’ (vaak jeugdzorg), ‘youth community services’ of ‘non-formal education’. In deze fase ook collegiale consultaties in eigen netwerk van jeugdonderzoekers in Europa en via ResearchGate (zie zoekformulier). Wetenschappelijke metareviews en dito analyses of artikelen zijn kern (zie bijlage zoekformulier). Er vindt een eerste selectie plaats door steeds diepere combinaties van trefwoorden. 3. Ordening. De gevonden literatuur is in Mendeley opgeslagen als overzichts- en ordeningsinstrument. De abstracts zijn gelezen en voor eerste ordening langs de in- en uitsluitingscriteria gelegd. De best scorende titels en abstracts in de combinatie van ‘protective factors’ / ‘positive youth development’ / ‘youth work (of equivalenten) /‘vulnerable youth’ (of equivalenten) worden opgenomen als basisliteratuur. De meest relevante abstracts worden vervolgens gemarkeerd en ‘gelabeld’ in een structuur conform de attenderende begrippen. 4. Selectie. Meest relevante bronnen worden gelezen en citaten of deelteksten worden in een apart werkdocument geplaatst en gerangschikt op de kennis over (1)beschermende factoren voor een (2) positieve ontwikkeling van kwetsbare jongeren en de (3) inzet van het jongerenwerk. De gevonden kennis wordt in detail beschreven en besproken met de thesisbegeleider. 5. Analyse: een weging vindt plaats door alle gevonden theorieën en benaderingen over de beschermende factoren naast elkaar te leggen en te operationaliseren. Daardoor ontstaat een overzicht van beschermende factoren, die op verschillende manieren in de hierna volgende interventies worden ingezet (zie analyse-instrument en scorelijst, bijlage 1 en 3). 4.7 Documentstudie in fase twee In fase twee volgt de documentstudie naar relevant transformatiebeleid en de infrastructuur voor kwetsbare jongeren in Tilburg en Haarlem. De studie wil antwoord krijgen op de eerste twee deelvragen. De bevindingen zijn deel één van de casusbeschrijvingen. De functie van de studie is: - inzicht in de prioriteiten of accenten in het lokaal transformatiebeleid voor kwetsbare jongeren, - inzicht in de lokale infrastructuur; de instellingen – inclusief het jongerenwerk – die (samen)werken voor kwetsbare jongeren in de wijk en hoe de professionals zich tot elkaar verhouden. - Inzicht in de belangrijkste stakeholders als respondent voor de interviews in fase drie. - overzicht over concrete onderwerpen voor de topiclijst voor de interviews in de fase drie (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011, p. 83). De documentstudie kent vijf stappen voor verzameling, bundeling en weging. 1. Oriëntatie. a) contractambtenaren jeugd en onderwijs van beide gemeenten zijn gebeld om te informeren over het onderzoeksplan en te vragen naar de meest relevante informatiebronnen in betreffende gemeenten. Daarna zijn zij schriftelijk verzocht om specifieke beleids- en uitvoeringsdocumenten.
  28. 28. 27 b) directies van jongerenwerk instellingen zijn benaderd om hen te informeren over het onderzoeksvoorstel en te vragen naar inhoudelijke offertes, werkplannen en jaarverslagen.. 2. Zoekstrategie online zoekstrategie in openbare bestuursinformatiesystemen van Tilburg en Haarlem op trefwoorden: ‘jongerenwerk’, ‘WMO’, ‘Jeugdwet’, ‘transformatie’, ‘jeugdhulp’, ‘algemeen AND/OR preventief jeugdbeleid’ ,‘samenlevingsopbouw’, ‘basisvoorzieningen’ als afzonderlijke termen of in combinaties tot verzadiging ontstaat d.w.z. dat er geen nieuw materiaal meer wordt gevonden. De bestuurlijke en inhoudelijke (praktijk) documenten worden breed opgehaald. Kennis over gemeentelijke besluitvormingsprocessen en de staande praktijk ontwikkelt zich namelijk tijdens het onderzoek en maakt geleidelijk duidelijk welke documenten relevant zijn. Criteria zijn: a. Staand beleid, om te ontdekken of de praktijk hier op aansluit. b. Huidige praktijk vanuit het perspectief van het jongerenwerk c. de periode 2013 – 2015 als voorbereiding en start van de transitie en transformaties d. openbaar toegankelijke informatie, om te kunnen verantwoorden waar kennis is gehaald. In Haarlem wordt - na overleg met twee directeuren in het Samenwerkingsverband Jeugd -, een uitstap gemaakt naar 2016, omdat in 2015 het jongerenwerk wordt herijkt met consequenties voor de doel- en taakstelling in 2016. Dat past nog net in de onderzoeksfase 3. Ordening: om overzicht te krijgen over meest relevante documenten in beleid en praktijk en welke nog missen en opgevraagd of gezocht moeten worden. a. per gemeente een online map met een structuur volgens de elementen in deelvragen 1 en 2. b. Daarbinnen chronologische ordening op jaar, type en aard document (beleid, onderzoek, praktijk). c. Witte plekken in documentatie navragen bij gemeente, directie jongerenwerk of online search 4. Selectie. Eerst worden de documenten globaal gescreend op relevantie met de deelvragen als kader; aantekeningen worden in de kantlijn gemaakt of delen worden gemarkeerd. Daarna worden de relevante delen – soms letterlijk geknipt en geplakt - met bronvermelding in een apart werkdocument onder elkaar geplaatst volgens de structuur van de deelvragen. 5. Analyse. Door uit het werkdocument relevante elementen te lichten voor het beantwoorden van deelvraag 1 en 2. De elementen worden systematisch onder elkaar geplaatst conform de structuur in de deelvragen. Daarna wordt de overgebleven informatie in eigen woorden samengevat. Dat is een tekstgeoriënteerde data-analyse vanuit de inhoud (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). De bevindingen zijn het eerste deel van de casusbeschrijvingen. 4.8 Semigestructureerde interviews in fase drie Voor het verzamelen van de ervaringsgegevens worden semigestructureerde interviews gehouden met de partners van het jongerenwerk in de wijk. De interviews geven antwoord op de derde deelvraag. De beelden en ervaringen van partners over het jongerenwerk zijn van belang omdat voor hen duidelijk moet zijn waar het jongerenwerk als samenwerkingspartner op aanspreekbaar is. Doel is te ontdekken of partners ervaren dat het jongerenwerk inzet op beschermende factoren en daarnaast welke ervaringen er zijn in de samenwerking met het jongerenwerk. De bevindingen zijn deel van de beschrijvingen van Tilburg en Haarlem. De interviews zijn semigestructureerd om een gesprekskader te hebben, geen onderwerpen te missen en door te kunnen vragen. De interviews bestaan uit twee delen. 1. invullen en bespreken van de scorelijst van beschermende factoren (bijlage 3). Dat is een praktisch gesprekskader en geeft betekenis aan de factoren. De scorelijst is ontwikkeld door de gevonden theoretische wetenschappelijke stromingen in de literatuur (fase één) te wegen (Boeije, 2005). Dat is een deductieve werkwijze, want er ligt een theoretische grondslag onder de bespreekpunten (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). De scorelijst van 22 factoren wordt gebruikt om de inzet van het jongerenwerk op beschermende factoren te wegen vanuit het perspectief van de
  29. 29. 28 partners in de wijk. Zij scoren op een schaal van ‘niet’ tot ‘heel veel’’. Om sturing te voorkomen staan de factoren ‘at random’ in de lijst. 2. een open gesprek met een topiclijst van gespreksonderwerpen (bijlage 4). Dat is een inductieve werkwijze, omdat een vrij onbevangen gesprek wordt gevoerd, waarbij beleving en waarneming centraal staat (de Lange, Schuman, & Montesano Montessori, 2011). De ervaringen worden zo uitgediept en er wordt doorgevraagd naar grenzen en kansen die partners ervaren in de samenwerking met het jongerenwerk. De respondenten worden gekozen vanuit (1) de documentstudie en (2) door een gesprek met de manager van de jongerenwerkinstelling in Tilburg, de directie van twee van de jongerenwerkaanbieders in Haarlem en de contractambtenaar in Haarlem. De criteria voor werving en deelname zijn: • Ervaren sociale HBO-professionals, die o (ook) werken met kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar o een werkrelatie hebben met de professionals in het jongerenwerk o verspreid zijn over relevante werkvelden of beroepsgroepen waarmee het jongerenwerk samenwerkt, zoals " wijkteamprofessional als exponent van jeugdhulp of basiszorg " Schoolmaatschappelijk werker (al dan niet in het wijkteam) " Veiligheidswerkers (wijkagent, wijkregisseur) " Buurtsportmedewerker of andere werker uit de basisvoorzieningen Er worden vijf professionals uit Haarlem en vier professionals uit Tilburg geïnterviewd. Ieder interview duurt gemiddeld een uur. De aangeschreven respondenten zijn – op één na - bereid mee te doen; een onderwijspartner in Haarlem geeft aan wegens hoge werkdruk geen prioriteit te geven aan dit onderzoek. In Haarlem blijkt halverwege de interviewronde dat alleen Oost-Haarlem in beeld komt. Daarom is er een extra interview met een respondent die in een ander stadsdeel werkt. Dataverzameling en ordening Alle interviews worden met voicerecorder opgenomen en door een bureau getranscribeerd. De respondenten hebben de getranscribeerde data getoetst en gevalideerd. Omdat de interviews in twee delen zijn, heeft ook de verzameling en ordening een meervoudige werkwijze. 1. De ingevulde scorelijsten worden voorzien van datum en handtekening van respondenten en de kwantitatieve schaalgegevens worden verwerkt in Excel spreadsheets. De scores uit de interviews worden dan per factor, per respondent, per gemeente bij elkaar opgeteld en gedeeld door het totaal aantal scores per factor per respondent per gemeente. Dat geeft een gemiddelde per factor. Zo ontstaan de belangrijkste vijf factoren, waarvan respondenten vinden dat het jongerenwerk daar op inzet. De resultaten worden als tabel opgenomen in de gemeentelijke casusbeschrijvingen. 2. De betekenis die respondenten geven aan de rol van het jongerenwerk op de verschillende factoren, komt tot uiting in de gesprekken tijdens het invullen van de scorelijst. De theorie helpt om de verslaglegging te structureren. Om de data te ordenen wordt eerst per gemeente een datamatrix gemaakt met beschermende factoren op de x-as en op de y-as de kernbegrippen voor de duiding van de factoren en de positie en taakstelling van het jongerenwerk, zoals ze in de interviews worden benoemd. Elke respondent krijgt een kleur waardoor zichtbaar blijft wie wat heeft gezegd. Met de ingevulde scorelijst per respondent naast de uitgeschreven interviews, worden de deelteksten uit de interviews in de matrix geplakt. Op basis van deze deductieve ordening wordt de analyse gedaan. Zie 4.10. 3. De open gesprekken met de topiclijst vragen een inductieve werkwijze. Voor een eerste data- ordening wordt per gemeente een datamatrix gemaakt met de onderwerpen uit de topiclijst op de y- as en respondenten op de x-as. Daar worden de antwoorden ingeplakt als eerste beeld over terugkerende begrippen of aspecten waar het minst of het meest informatie over is verzameld. Op basis daarvan wordt een codeboom ontwikkeld voor de data-analyse. Zie 4.10. (bijlage 6).
  30. 30. 29 4.9 Focusgroep in fase vier Om de ervaringen van de jongerenwerkers zelf te krijgen, komt een focusgroep van jongerenwerkers uit Haarlem als Tilburg bij elkaar. Zij spreken anderhalf uur als homogene groep open met elkaar. De onderzoeker start met een kaderpresentatie met onderzoeksdoel, onderzoekstappen en een overzicht van beschermende factoren uit de literatuurstudie. Dit is ook de programmastructuur met de kernvragen (zie bijlage 5). Het gespreksonderwerp betreft hun ervaringen over de inzet op een aantal kernfactoren en de grenzen die zij daar in hun praktijk in tegenkomen. Om het gesprek beheersbaar en gefocust te houden, worden vijf van de negen kernfactoren uit de scorelijst besproken. Het zijn de vijf hoogst scorende factoren van de scorelijst uit de interviews. De focusgroep geeft zo inductief – open en onbevangen – maar ook deductief - op basis van de theorie over beschermende factoren - antwoorden op de vierde deelvraag. Zo wordt gepeild of de perceptie van de jongerenwerkers aansluit bij wat hun partners van ze zien of weten. Voor voldoende representativiteit en beheersbaarheid, geldt dat er minimaal 3 jongerenwerkers en maximaal 5 jongerenwerkers uit iedere gemeente deelnemen. Deelnamecriteria zijn; - HBO-professionals met ruime ervaring in betreffende gemeenten en o werkend voor kwetsbare jongeren tussen de 14 en 23 jaar, o werkrelaties met partners in de wijk vanuit samenlevingsopbouw, zorg, onderwijs of veiligheidsperspectief. Drie jongerenwerkers uit Haarlem en vijf jongerenwerkers uit Tilburg doen mee. Ze zijn via de directies van de jongerenwerk instellingen geworven. De onderzoeker heeft ze schriftelijk uitgenodigd. In Tilburg is de werving gemakkelijk. Er is één jongerenwerkaanbieder en daar zijn goede contacten mee. In Haarlem is dit lastiger door brede spreiding van organisaties en omdat niet met alle organisaties evenveel contact is. Twee jongerenwerkers van één grote welzijnsorganisatie voor wijkgericht jongerenwerk en één van het stedelijk jongerenwerk zijn deelnemer. Ze werken binnen het Samenwerkingsverband. Dat is een beperkende factor. Twee andere organisaties vallen echter op het laatste moment af door tijdsdruk. Helaas blijft ook het wijkgericht jongerenwerk uit Noord en West Haarlem buiten beeld. Eén jongerenwerker moest eerder weg. De Haarlemse data moeten daarom voorzichtig worden gewogen. Dataverzameling en ordening De gesprekken worden opgenomen met voicerecorder. Dat leidt tot een diepgaand verslag. Ook de aantekeningen van de observant – medestudent Master Social Work – zijn daar ingevoegd. Dat verslag wordt – met aanvullingen - gevalideerd door vier van de acht deelnemers. Het verslag wordt in een tabel verwerkt, met ordening van de vijf beschermende factoren en de positie en taken en positie van het jongerenwerk, zoals ze naar voren zijn gekomen in de gesprekken. Dat biedt een eerste beeld van de belangrijkste percepties van de jongerenwerkers. Er zijn een paar belemmerende factoren in de dataverzameling met gevolgen voor de analyse; a. Aanvankelijk is het de idee om ook de jongerenwerkers de scorelijst – als in de interviews – in te laten vullen. Dat is niet gedaan, omdat er tijdens de bijeenkomst geen ruimte is om ze te duiden. Dat geeft teveel aanleiding voor systematische fouten in de data-interpretatie (Swanborn, 2010). b. de onevenwichtige samenstelling van de groep kan leiden tot onevenwichtige resultaten. c. de oorspronkelijk opzet om jongerenwerkers zelf in werkgroepjes de uitkomsten te laten beschrijven, blijkt niet te werken. Er is overgegaan tot een open plenair groepsgesprek. De onderzoeker moet daardoor naast gespreksleiding ook verslaglegging doen. d. scherp scheiden van de bevindingen per gemeente is moeizaam – mede door voorgaande. Er wordt door elkaar gepraat en de Tilburgers zijn in de meerderheid.

×