Bachelorproef Maatschappelijk Werk & Dienstverlening Nathanya Wouden

3,516 views

Published on

Voor u ligt een scriptie dat is opgesteld namens een afstudeeropdracht van de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening aan de Haagse Hogeschool in Den Haag. De focus van deze scriptie ligt bij een groeiende bevolkingsgroep, waarbij mij aan het hart gaat dat hier meer begrip voor komt. Tevens streeft de schrijver naar opheldering over het dagelijks leven van kwetsbare ouderen binnen een culturele gemeenschap. Met dit document wil de schrijver de behoeften van thuiswonende kwetsbare ouderen in kaart brengen en uitzoeken wat hen in het hart ligt om de dag door te komen. De schrijver acht de “social quality of life” bij kwetsbare ouderen in combinatie met de samenwerking voor relevante instanties noodzakelijk. Begrip is daar bij de sleutel tot verbetering als het gaat om de leefwereld van ouderen. Daarbij zal de schrijver zich specifiek richten op een culturele gemeenschap binnen stadsdeel Laak in Den Haag. In samenwerking met Centrum voor Ouderen (CvO) (nu genaamd Wijkzorg Laak) Laak zal dit document beschikken over de benodigde informatie en persoonlijke verhalen van de ouderen zelf.

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
3,516
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
11
Actions
Shares
0
Downloads
5
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Bachelorproef Maatschappelijk Werk & Dienstverlening Nathanya Wouden

  1. 1. Waar komen ouderen hun bed voor uit? Een onderzoek onder de Marokkaanse ouderen gemeenschap in het Haagse stadsdeel Laak Academie voor Sociale Professies Bachelorproef Maatschappelijk Werk & Dienstverlening “Elk volwassen leven wordt bepaald door twee grote liefdesverhalen. ‘Het eerste- dat van onze zoektocht naar lichamelijke liefde - is welbekend en goed gedocumenteerd. Het tweede- het verhaal van onze zoektocht naar liefde van de wereld – is een geheime en beschamender geschiedenis.’ We willen graag geknuffeld worden en gestreeld worden, maar ook gezien en gehoord. Er toe doen, gewaardeerd worden. Iets voorstellen. Dat geldt voor iedereen, ook als je heel oud geworden bent. Professionals in de zorg en hulpverlening kunnen ouderen ondersteunen in hun strategieën om er blijvend toe te doen. In de eerste plaats oog hebben voor het zinverlies dat ouderen in onze samenleven kunnen lijden, het gevoel uitgerangeerd te zijn. En, als dat niet meer lukt, helpen zoeken naar redenen die maken dat zij ondanks alles ’s morgens met plezier uit bed blijven stappen.” (De Botton, 2004) Nathanya Wouden (09061681) Maatschappelijk Werk & Dienstverlening VT jaar 4 Opdrachtgever: Centrum voor Ouderen in Laak Den Haag Scriptiebegeleider HHS: Joost van Vliet Beoordelaar HHS: Radha Chierkoet Den Haag, 7 juni 2013
  2. 2. Nathanya Wouden (09061681) Maatschappelijk Werk & Dienstverlening VT jaar 4 Opdrachtgever: Centrum voor Ouderen in Laak Den Haag Scriptiebegeleider HHS: Joost van Vliet Beoordelaar HHS: Radha Chierkoet 2
  3. 3. Voorwoord Voor u ligt een scriptie dat is opgesteld namens een afstudeeropdracht van de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening aan de Haagse Hogeschool in Den Haag. De focus van deze scriptie ligt bij een groeiende bevolkingsgroep, waarbij mij aan het hart gaat dat hier meer begrip voor komt. Tevens streeft de schrijver naar opheldering over het dagelijks leven van kwetsbare ouderen. Met dit document wil de schrijver de behoeften van thuiswonende kwetsbare ouderen in kaart brengen en uitzoeken wat hen in het hart ligt om de dag door te komen. De schrijver acht de “social quality of life” bij kwetsbare ouderen in combinatie met de samenwerking voor relevante instanties noodzakelijk. Begrip is daar bij de sleutel tot verbetering als het gaat om de leefwereld van ouderen. Daarbij zal de schrijver zich specifiek richten op een culturele gemeenschap binnen stadsdeel Laak in Den Haag. In samenwerking met Centrum voor Ouderen (CvO) Laak zal dit document beschikken over de benodigde informatie en persoonlijke verhalen van de ouderen zelf. Tevens wil ik alle betrokkenen bedanken die mij welwillend hebben bijgestaan in mijn onderzoek. Mijn dank aan alle respondenten en betrokkenen die deel hebben genomen aan de interviews. Ik wil dhr. H. Nijhuis van het CvO in Laak bedankt voor zijn openheid en interesse in het onderwerp en zijn bereidheid mij bij te staan in het onderzoek. Daarnaast wil ik mevr. N. Talhaouy bedankten voor haar inzet als contactpersoon tussen mij, het CvO en de respondenten van de Marokkaanse gemeenschap. Ik wil dhr. B. Sahin bedanken in zijn betrokkenheid in het contact met de mannen van het vadercentrum Adam. Mijn dank aan mijn scriptiebegeleider dhr. J. van Vliet, die mij gedurende mijn onderzoek heeft gestimuleerd in de voortgang van mijn afstudeeropdracht en zijn volle interesse toonde. En mijn dank aan mevr. S. Roosen die tijd besteed heeft in de opzet van mijn onderzoek. 3
  4. 4. Inhoudsopgave Voorwoord .............................................................................................................................................. 3 Inhoudsopgave......................................................................................................................................... 4 Samenvatting ........................................................................................................................................... 9 Inleiding ................................................................................................................................................ 10 1. Het Probleem ..................................................................................................................................... 11 1.2 Aanleiding ................................................................................................................................... 11 1.3 Maatschappelijke factoren ........................................................................................................... 11 1.4 In het kader van Sociologie ......................................................................................................... 11 2. Doel en relevantie van het onderzoek ............................................................................................... 12 2.1 In het kader van maatschappelijk werk ....................................................................................... 12 2.2 Probleemstelling .......................................................................................................................... 12 2.3 Onderzoeksvraag ......................................................................................................................... 13 2.4 Aard van het probleem ................................................................................................................ 13 3. Cijfers en feiten ................................................................................................................................. 15 3.1 Lange en korte termijn problemen in de ouderenzorg ................................................................. 15 3.2 Epidemiologie ............................................................................................................................. 15 3.3 Verpleging en verzorging ............................................................................................................ 16 3.4 Prognose kwetsbare ouderen ....................................................................................................... 16 3.5 Demografische gegevens over allochtone ouderen in Den Haag ................................................ 16 3.6 Cijfers Marokkaanse gemeenschap in Den Haag ........................................................................ 17 3.7 Prognose Marokkaanse (kwetsbare) ouderen in heel Den Haag ................................................. 17 4. Doelgroep analyse ouderen van de Marokkaanse gemeenschap ....................................................... 18 4.1 Begrip allochtoon ........................................................................................................................ 18 4.2 Migratiegeschiedenis ................................................................................................................... 18 4.3 Maatschappelijke positie ............................................................................................................. 19 4.4 Levensbeschouwing .................................................................................................................... 20 4
  5. 5. 4.5 Taal en Cultuur ............................................................................................................................ 20 4.6 Interculturele Communicatie ....................................................................................................... 20 4.7 Hulpmiddelen in de communicatie .............................................................................................. 21 5. Theoretisch kader .............................................................................................................................. 22 5.1 Inleiding....................................................................................................................................... 22 5.2 Onder het mom van zelfredzaamheid .......................................................................................... 22 5.3 Zelfredzaamheid en wonen.......................................................................................................... 22 5.4 kwetsbaarheid .............................................................................................................................. 23 5.5 Frailty .......................................................................................................................................... 23 5.6 Gezondheid.................................................................................................................................. 24 5.7 Multimorbiditeit en beperking ..................................................................................................... 25 5.8 Behoeften..................................................................................................................................... 25 5.9 Motivatie en de behoeftenhiërarchie van Maslow....................................................................... 25 5.10 Soorten behoeften ...................................................................................................................... 26 5.11. Theorie van Pinto ..................................................................................................................... 27 6. Centrum voor Ouderen in Laak ......................................................................................................... 27 6.1 Inleiding....................................................................................................................................... 28 6.2 De organisatie .............................................................................................................................. 28 6.3 Doel van de organisatie ............................................................................................................... 28 6.4 Verwachting van CvO over het onderzoek ................................................................................. 29 6.5 Prioriteiten van het CvO in Laak: ................................................................................................ 29 7. Onderzoeksopzet ............................................................................................................................... 30 7.1 Inleiding....................................................................................................................................... 30 7.2 Onderzoeksmethode .................................................................................................................... 30 7.3 Dataverzameling.......................................................................................................................... 30 7.4 Onderzoeksinstrumenten ............................................................................................................. 31 7.5 Steekproef.................................................................................................................................... 31 5
  6. 6. 7.6 Stappenplan ................................................................................................................................. 32 8. Onderzoekrapportage ........................................................................................................................ 33 8.1 Inleiding....................................................................................................................................... 33 8.2 Terugblik ..................................................................................................................................... 33 8.3 Onderzoeksinstrumenten ............................................................................................................. 34 8.4 Methode en respondenten ............................................................................................................ 34 8.5 Steekproef wijzigingen ................................................................................................................ 35 8.6 Validiteit ...................................................................................................................................... 35 9. Resultaten van de interviews ............................................................................................................. 36 9.1 Inleiding....................................................................................................................................... 36 9.2 Resultaten van de vrouwen uit de Marokkaanse ouderengemeenschap ...................................... 36 9.2.1. Heden....................................................................................................................................... 36 9.2.2 Verleden ................................................................................................................................... 39 9.2.3 Toekomst .................................................................................................................................. 41 9.3 Resultaten van de mannen uit de Marokkaanse ouderen gemeenschap ...................................... 42 9.3.1 Heden ....................................................................................................................................... 42 9.3.2 Verleden ................................................................................................................................... 44 9.3.3 Toekomst .................................................................................................................................. 45 10. Resultaten van de data-analyse ........................................................................................................ 47 10.1 Methode van data-analyse ......................................................................................................... 47 10.2 Uit de data analyse zijn de volgende bruikbare code uitgekomen............................................. 47 11. Conclusie ......................................................................................................................................... 50 11.1 Inleiding..................................................................................................................................... 50 11.2 Herhaling centrale vraagstelling en doelstelling ....................................................................... 50 11.3 Profiel ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap ................................................................... 51 11.4 Hoe kunnen de ouderen van de Marokkaanse gemeenschap benaderd worden? ...................... 51 6
  7. 7. 11.5 Wat is voor Marokkaanse ouderen belangrijk om de dag door te komen? Welke belemmeringen komen zij daarbij tegen? .......................................................................................... 51 11.6 Welke behoeften worden al gerealiseerd? ................................................................................. 54 11.7 Zijn de behoeftes cultureel bepaald? Zo ja, hoe? ...................................................................... 55 11.8 Wat vinden kwetsbare ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap zelf hoe zij de dag doorkomen? ....................................................................................................................................... 56 11.9 Wat kan CvO in Laak betekenen voor de ouderen in de Marokkaanse gemeenschap .............. 56 11.10 Terugkoppeling ....................................................................................................................... 56 12. Discussie.......................................................................................................................................... 58 13. Aanbevelingen ................................................................................................................................. 60 13.1 Inleiding..................................................................................................................................... 60 13.2 Aanbevelingen ........................................................................................................................... 60 13.3 Huisvesting ................................................................................................................................ 61 Bibliografie............................................................................................................................................ 63 Bijlage 1 ................................................................................................................................................ 65 Topiclijst interview met ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap in stadsdeel Laak ................... 65 Bijlage 2 ................................................................................................................................................ 67 1e Interview in stadsdeel Laak ........................................................................................................... 67 1. Heden......................................................................................................................................... 67 2. Verleden .................................................................................................................................... 68 3. Toekomst ................................................................................................................................... 69 Bijlage 3 ................................................................................................................................................ 71 2e Groepsinterview van Marokkaanse ouderen van het vadercentrum Adam in stadsdeel Laak. ..... 71 1. Heden......................................................................................................................................... 71 2. Verleden .................................................................................................................................... 73 3. Toekomst ................................................................................................................................... 74 Bijlage 4 ................................................................................................................................................ 75 3e Interview in stadsdeel Laak ........................................................................................................... 75 7
  8. 8. 1. Heden......................................................................................................................................... 75 2. Verleden .................................................................................................................................... 76 3. Toekomst ................................................................................................................................... 78 Bijlage 5 in stadsdeel Laak .................................................................................................................... 79 4e Interview ....................................................................................................................................... 79 1. Heden......................................................................................................................................... 79 2. Verleden .................................................................................................................................... 80 3. Toekomst ................................................................................................................................... 81 Bijlage 6 ................................................................................................................................................ 83 Gesprek met een vrijwilliger van het vadercentrum Adam in stadsdeel Laak .................................. 83 Achtergrond ................................................................................................................................... 83 Een interessante activiteit .............................................................................................................. 83 Het vadercentrum .......................................................................................................................... 83 De ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap.............................................................................. 83 Bijlage 7 ................................................................................................................................................ 85 Kennismakingsgesprek met een mevrouw uit de Marokkaanse gemeenschap in Laak .................... 85 Bijlage 8 Codering interviews van de mannen en vrouwen .................................................................. 87 8
  9. 9. Samenvatting In opdracht van het CvO in het stadsdeel Laak is onderzoek gedaan naar de ouderen in de Marokkaanse gemeenschap om meer inzicht te krijgen in hun leefwereld, in hun zingeving, in hun dagbesteding en hoe zij er wel of niet in slaagden om zelfredzaam de dag door te komen. De schrijver heeft vervolgens de Marokkaanse gemeenschap gekozen als doelgroep om meer aandacht te schenken aan de leefwereld van deze doelgroep. Daarnaast zag de schrijver dit onderzoek als een uitdaging ter kennismaking van de Marokkaanse ouderengemeenschap en om er achter te komen wat er bij hen speelt. De probleemstelling luidde als volgt: Waar komen kwetsbare ouderen van de Marokkaanse gemeenschap in het Haagse stadsdeel Laak hun bed voor uit? Het onderzoek was een kwalitatief onderzoek. Het theoretisch kader wordt gevormd door de theorieën van A. Maslow en D. Pinto. Het praktijkonderzoek bestond uit vijf interviews die zijn afgenomen door middel van huisbezoeken, bezoeken aan het vadercentrum Adam en met direct betrokkenen. In de interviews en analyse kwam naar voren dat er sprake is van kwetsbaarheid in verschillende vormen. Bij de vrouwen waren er in grote mate op lichamelijk en sociaal terrein kwetsbaarheden, waardoor zij beperkt zijn in het nastreven van hun behoeften. De kwetsbaarheid die in de interviews vooral naar voren kwam was multimorbiditeit. Daarnaast waren er complicaties door analfabetisme in zowel de Arabische als de Nederlandse taal. Bij de mannen was er vooral sprake van sociale en maatschappelijke beperking zoals bv. met de AOW-uitkering, maar minder dan bij de vrouwen door een mindere mate van analfabetisme. De behoeften van de ouderen bleek in de volgende vier uitgangspunten in te delen: emotioneel, sociaalcultureel, maatschappelijk en lichamelijk. Vervolgens bleken er drie hoofdzakelijke beperkingen te zijn die de realisatie van de behoeften en belangen doen belemmeren, nl. lichamelijke, maatschappelijke en sociale beperkingen. Het onderzoek heeft zich vervolgens gericht op seksespecifieke factoren. Daaruit bleek dat de mannen wel een ontmoetingsplek hebben en de vrouwen niet. Een belangrijke conclusie is dat de vrouwen meer last hebben van lichamelijke beperkingen en een groter sociaal isolement. De aanbevelingen die uit dit onderzoek naar voren komen vallen uiteen in twee delen, met als gemeenschappelijke, onderliggende factor dat het vertrouwen moet toenemen tussen de Marokkaanse ouderen en het CvO. De eerste aanbeveling ligt op het gebied van huisvesting, de tweede aanbeveling omvat een aantal die Marokkaanse ouderen kunnen helpen om de dag zelfredzaam door te komen: 1) De goedkoopste oplossing is om de Marokkaanse ouderen d.m.v. toerbuurten bij elkaar thuis te laten komen onder begeleiding van een gids. De scheiding der seksen die onder Marokkaanse ouderen nog gebruikelijk is bemoeilijkt deze oplossing. Dit probleem zou kunnen worden opgelost door 2) het creëren van een roulerende ontmoetingsplek waar zowel mannen als vrouwen uit zowel de Marokkaanse als de nietMarokkaanse gemeenschap een eigen ruimte hebben voor ontmoeting en saamhorigheid. Het is van belang dat deze ruimte zo wordt ingericht dat iedereen zich er thuis kan voelen. 3) Daarnaast is er extra aandacht nodig voor administratieve zaken, zowel op begripsniveau als op taalniveau (analfabetisme). 4) Het vergroten van de saamhorigheid door het organiseren van culturele activiteiten die de sociale cohesie in de wijk doen toenemen, zoals culturele themafeesten en traditionele spelletjes. 5) Uit de analyse blijkt dat de Marokkaanse ouderengemeenschap het beste geholpen zou zijn met een aanspreekpunt in vaste dienst, waardoor er vertrouwen kan groeien tussen de groep en de instelling. Wat betreft huisvesting is het van belang dat er rekening wordt gehouden met het Marokkaanse idee van gastvrijheid. Huisvesting in de vorm van een gemeenschappelijke woongroep sluit goed aan bij het traditionele Marokkaanse dorpsleven. Een vaste, voltijd medewerker heeft dan direct toegang tot de ouderengemeenschap zelf, neemt de communicatie van de groep naar de overheid en vice versa voor zijn/haar rekening en kan daarbij tolken. Op deze manier neemt het vertrouwen toe tussen de ouderen in de Marokkaanse gemeenschap en het CvO. 9
  10. 10. Inleiding In het kader van de toenemende vergrijzing en de bezuiniging van het kabinet in de ouderenzorg, is de noodzaak voor onderzoek naar ouderen toegenomen. De bezuinigingen in de zorg hebben geleid tot kwaliteitsvermindering, zowel in de verpleging als in het leven van de ouderen. De politiek wil de ouderen zo lang mogelijk thuis houden en zo bezuinigen op betaalbare en toegankelijke zorgvoorzieningen. Dit betekent, dat ouderen deels voor hun dagelijkse verzorging alleen komen te staan. De doelgroep ouderen kent veel subgroepen waaronder zelfstandig wonende, kwetsbare ouderen. Er heerst onvrede over de gang van zaken in de zorg en zorginstanties, zoals a) tekort aan aandacht in de sociale omgang van professionals, b) verzakelijking en c) het tekort aan personeel. Centrum voor Ouderen (CvO) in Laak heeft een rapport opgesteld met mogelijke aspecten om de kwaliteit van leven bij kwetsbare ouderen te doen verbeteren en stellen zichzelf tot doel: “Verbetering van de sociale kwaliteit van leven van de ouderen”. Het werkgebied van het CvO is het Haagse stadsdeel Laak, waar de onderzoeksopdracht ten uitvoer gebracht zal worden. CvO is een samenwerkingsverband dat zich inzet voor verbeteringen die bijdragen aan de sociale kwaliteit bij ouderen. Om de kwaliteit van leven in stand te houden en waar nodig te verbeteren, is meer helderheid over de leefsituatie en behoeften van de ouderen zelf nodig. Dit onderzoek brengt de behoeften van thuiswonende Marokkaanse ouderen met betrekking tot zelfredzaamheid in de deelgemeente Laak in kaart. De kwetsbaarheid bij deze ouderen zal tevens een rol spelen in het onderzoek, omdat zelfredzaamheid en kwetsbaarheid elkaar beïnvloeden in de kwaliteit van leven. Dit geldt ook voor de sociale kwaliteit van de ouderen. De belangen en verhalen die ouderen hebben over de behoeften met betrekking tot het in stand houden van hun zelfredzaamheid staan in mijn scriptie centraal. Wat doet het er voor ouderen toe om uit bed te komen? Wat betekent zelfredzaam voor de doelgroep en wat kan Centrum voor Ouderen Laak voor de doelgroep betekenen? De verbinding met verschillende zorginstanties die betrokken zijn in de deelgemeente Laak, is daarbij een belangrijk element voor deze ouderen. Het CvO Laak wil die verbinding aangaan om tot een evenwichtige samenwerking te komen om de sociale kwaliteit te verbeteren. Vanuit CvO is er meer behoefte naar kennis over de leefwereld van ouderen. Met mijn scriptie wordt het verhaal van wat voor ouderen zelf werkelijk belangrijk is gehoord en vastgelegd door middel van persoonlijke verhalen en biografieën. Daarbij is het richten op een specifieke culturele gemeenschap een tweede belangrijke aandachtspunt. In mijn scriptie zal de Marokkaanse gemeenschap in beeld komen. Hoe gaat het er binnen de Marokkaanse gemeenschap aan toe? Komen de behoeften van ouderen daar ook naar voren? En welke factoren zijn er in de Marokkaanse gemeenschap van belang om de dag goed door te komen? 10
  11. 11. 1. Het Probleem 1.2 Aanleiding Het CvO stelt het volgende: “Begrip van de leefwereld van ouderen is alleen te verkrijgen d.m.v. een biografische benadering. Wat zijn hun kernwaarden, waar komen ze vandaan en waar willen ze naartoe? De leefwereld is niet los te zien van het ‘sociale systeem’ dat de motivaties van ouderen grotendeels bepaalt. Ouderen zonder meer aanspreken als individuen, zonder rekening te houden met deze sociale context, geeft geen volledig beeld. Hieruit volgt de vraag wat de beste manier is om inzicht te krijgen in de leefwereld van ouderen. Moet je de ouderen direct aanspreken of kun je beter gesprekken voeren met naasten of met groepen? Belangrijk hierbij is om rekening te houden met de culturele verscheidenheid in Laak.” H. Nijhuis. (2012). De aanleiding om onderzoek te doen naar de behoeften van kwetsbare ouderen in de Marokkaanse gemeenschap is om meer inzicht te krijgen in de leefwereld van de doelgroep. Tevens is het van groot belang dat de culturele aspecten helder in beeld komen. Kwetsbaarheid onder ouderen staat op zich los van culturele diversiteit, maar binnen verschillende gemeenschappen wordt mogelijk op een andere manier omgegaan met het organiseren van steun en zelfredzaamheid. In mijn onderzoek richt ik mij op ouderen van de Marokkaanse gemeenschap. Ik vraag mij daarbij af hoe zij er in slagen om zelfredzaam de dag door te komen. Of slagen zij hier helemaal niet in en wordt er achter al die voordeuren veel geleden? Daarnaast wordt er ook gekeken naar de zingeving van deze ouderen. Waar ouderen hun bed voor uitkomen is een vraag in dit onderzoek om de belangen, zingeving en dagbesteding van de ouderen helder in kaart te brengen. 1.3 Maatschappelijke factoren Maatschappelijk werkers stimuleren niet alleen mensen maar proberen mensen ook te activeren om hun eigen kracht te gebruiken. Kwetsbare ouderen zijn een doelgroep voor Maatschappelijk werk. Zoals bij ieder mens spelen bij ouderen normen en waarden een belangrijke rol. De normen en waarden die de ouderen van de eerste generatie hanteerden zijn met de tijd veranderd. Dat betekent dat de normen en waarden van de ouderen niet altijd samengaan met de normen en waarden van de huidige maatschappij. Het is daarom van belang om een goed beeld te krijgen van de ouderen om hun leefwereld beter te begrijpen. 1.4 In het kader van Sociologie Naast de normen en waarden van ouderen, is het ook van groot belang om er van bewust te zijn hoe de maatschappij tegen ouderen aankijkt. Hiermee bedoel ik, dat er over ouderen een flink aantal negatieve stereotyperingen heersen. Ouderen zouden niet voor zichzelf kunnen zorgen, te oud zijn om te leren, kreupel zijn en vergeetachtig. Bovendien zijn het niet alleen jongeren die dit beeld hebben. Het komt voor dat ouderen zichzelf stigmatiseren (H. Kuipers. 2009). Het is daarom van groot belang, dat kwetsbare ouderen gemotiveerd worden door hen bewust te maken van hun eigen capaciteiten. 11
  12. 12. 2. Doel en relevantie van het onderzoek Naast de toenemende vergrijzing en de bezuinigingen, hebben de ontwikkelingen in de grootstedelijke samenleving risicofactoren zoals sociaal isolement, uitsluiting, vermindering van de sociale cohesie, afhankelijkheid en gebrek aan respect voor ouderen. Deze risicofactoren veroorzaken vervolgens nieuwe problemen zoals de achteruitgang in de gezondheid en gemoedstoestand. Volgens het CvO in Laak speelt verzakelijking van zorginstanties ook een rol. Er wordt meer gericht op productaanbod en minder op de sociale omgang van ouderen. Met dit onderzoek wil ik de ouderen centraal stellen. Ik wil de sociale omgang met hen aangaan om beter inzicht te krijgen over hun leefwereld, behoeften en beleving in hun zelfredzaamheid. Tevens zal dit onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van nieuwe activiteiten die de zelfredzaamheid van ouderen doen toenemen en de kwetsbaarheid doet verminderen. 2.1 In het kader van maatschappelijk werk Maatschappelijke factoren kunnen bepalend zijn voor de zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen zoals achtergrond, gedrag, levenservaringen, gezin- en werkgeschiedenis, historische feiten en biologische en lichamelijke ervaringen. Gezondheid bij kwetsbare ouderen is een groot aandachtspunt omdat dat bepalend is voor hun draagkracht en draaglast. 2.2 Probleemstelling De probleemstelling richt zich op welke factoren er voor ouderen toe doen om de dag door te komen. Wat gaat er in hen om, wat geeft deze ouderen motivatie om de dag door te komen en waar houden zij zich vooral mee bezig? Het is interessant om te weten wat de ouderen nog zelf kunnen en wat hen motiveert om zelf dingen te kunnen doen. Daarnaast zijn er culturele aspecten die verband houden met deze factoren. Er is niet veel bekend over de Marokkaanse ouderengemeenschap, het is daarom belangrijk om dat meer in beeld te krijgen. Volgens het Expertisenetwerk Levensvragen en Ouderen, is zingeving bij het ouder worden een belangrijk thema. Zingeving draagt bij aan het volbrengen van een doel, een reden hebben om iets te doen die voor een individu betekenisvol is. Ouderen hebben een groot deel van hun leven achter de rug. In de jongere jaren zijn zij vaak bezig met het opbouwen van het leven zoals onderwijs, werken, trouwen, het stichten van een gezin, enzovoorts. Toch hoeven deze activiteiten in het leven niet altijd plaats te vinden. De motivatie kan verminderen als deze doelen in het dagelijks leven wegvallen, bijvoorbeeld als de kinderen al groot zijn, een gezin hebben en hun eigen leven leiden. Dat betekent dat er gezocht moet worden naar een ander doel voor zingeving in het leven. Zingeving kan zich uiten op verschillende manieren zoals het bijdragen aan de verzorging van een huisdier, een plezierige hobby die de dagen verdraagzamer maken of het drinken van een kop koffie met de buren. Zingeving is niet alleen iets voor de jonge jaren. Ouderen kunnen op hoge leeftijd ook zingeving hebben en deze nastreven. Het verschilt alleen per individu en sociaal culturele achtergrond hoe zingeving gerealiseerd wordt. 12
  13. 13. Uiteindelijk kom ik uit bij de probleemstelling: Waar komen kwetsbare ouderen van de Marokkaanse gemeenschap in het Haagse stadsdeel Laak hun bed voor uit? 2.3 Onderzoeksvraag De probleemstelling leidt tot onderstaande onderzoeksvraag: Wat zijn de behoeften van kwetsbare ouderen van de Marokkaanse gemeenschap in het Haagse stadsdeel Laak om de dag zelfredzaam door te komen? Wat ouderen zelf willen zal in dit onderzoek op de voorgrond staan. Welke activiteiten zijn voor ouderen interessant om de dag met plezier door te komen? Uit de onderzoeksvraag zijn de volgende deelvragen voortgekomen: 1. Wat is het profiel van de ouderen van de Marokkaanse gemeenschap in de deelgemeente Laak? 2. Hoe kunnen de ouderen van de Marokkaanse gemeenschap benaderd worden? 3. Wat is voor Marokkaanse ouderen belangrijk om de dag door te komen? Welke belemmeringen komen zij daarbij tegen? 4. Welke behoeften worden al gerealiseerd? 5. Zijn de behoeften cultureel bepaald? Zo ja, hoe? 6. Wat vinden kwetsbare ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap zelf hoe zij de dag doorkomen? 7. Wat kan CvO in Laak betekenen voor de ouderen in de Marokkaanse gemeenschap? 2.4 Aard van het probleem Momenteel telt Nederland ongeveer tweeënhalf miljoen personen van 65 jaar en ouder. Dit is een aandeel van ongeveer een zesde. Naar verwachting zal dit aandeel in 2030 toenemen tot een kwart van de bevolking. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) constateerde in 2011 dat er van deze groep naar schatting tussen de 600.000 en 700.000 kwetsbare 65-plussers zijn. Kwetsbaarheid wordt dan breed gedefinieerd: het gaat om fysieke, psychische en sociale kwetsbaarheid. Uit demografische gegevens komt naar voren dat de vergrijzing aan het toenemen is. Het is ook opvallend dat de bezuinigingen de voorzieningen in de zorg en sociale voorzieningen doen verminderen of verdwijnen. Veel nationaal georganiseerde sociale regelingen en voorzieningen zijn en worden overgeheveld naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) die door de gemeenten moet worden uitgevoerd. De gemeenten krijgen daar echter een beperkt budget voor, dus is het aan de gemeenten keuzes te maken hoe deze middelen in te zetten. 13
  14. 14. Bij de Wmo staat zelfredzaamheid centraal. Dat wil zeggen, beperkte beschikbare middelen zouden nadelig kunnen zijn voor kwetsbare ouderen, omdat er juist sterk gestuurd wordt op die zelfredzaamheid. Het beleid is erop gericht om mensen tot meer zelfredzaamheid aan te zetten, om zelf eerst te proberen de problemen op te lossen alvorens men een beroep doet op de professionele hulp- en dienstverlening. Maar hoe pakt dat uit in de praktijk, in het alledaags leven? 14
  15. 15. 3. Cijfers en feiten Niet alle ouderen hebben een even grote zorgvraag. Sinds 2011 wordt de zgn. zorgzwaarte onderverdeeld in 10 zorgzwaartepakketten (ZZP). Van de laagste categorie zorgzwaarte (pakket 3) is per 1 januari 2013 besloten dat verzorgingstehuizen geen nieuwe ouderen meer mogen opnemen. Naar schatting (verwijzing, zie hieronder) gaat het om 50.000 ouderen. Dit heeft te maken met dat de randvoorwaarden die een goed alternatief in huisvesting, geschikte woonomgeving, bereikbaarheid van voldoende zorg- en welzijnsdiensten nog onvoldoende zijn ingevuld. Terwijl op lokaal niveau genoeg mogelijkheden zijn om voor deze categorie met slimme investeringen genoeg zorg te mobiliseren. Zolang deze patstelling blijft bestaan zijn de ouderen met deze zorgzwaarte aangewezen op zelfredzaamheid. Uit het rapport ‘Kosten en baten van extramuralisering’ uit 2004 van de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) werd berekend dat er per persoon bijna €16.000 bespaard kan worden als deze categorie niet in een verzorgingstehuis wordt verzorgd. 3.1 Lange en korte termijn problemen in de ouderenzorg De kosten van de ouderenzorg in 2011 in Nederland zijn 29 miljard euro. De bezuinigingsdoelstelling van ZZP 3 bedraagt 800 miljoen. Volgens het SCP is de Nederlandse overheid is door de bezuinigingsdruk op korte termijn op zoek naar financiële compensatie in de zorgsector. Maar het organiseren van extramurale zorg (categorie 3) neemt langere tijd in beslag dan het invoeren van deze bezuiniging, omdat het mobiliseren van lokale zorgaanbieders en bv. ook het betrekken van woningbouwcorporaties een lang onderhandelingstraject vereist. Ook bij het SCP zijn cijfers bekend die betrekking hebben op kwetsbare ouderen van 65 plus. Volgens het SCP wonen de meeste ouderen, tussen de 500.000 en 600.000, zelfstandig. De rest verblijft in een verzorgingshuis of verpleeghuis. Van de ouderen die zelfstandig wonen is ongeveer een kwart kwetsbaar. In instellingen ligt dit percentage nog veel hoger. In verzorgingshuizen is ongeveer driekwart van de bewoners kwetsbaar en in verpleeghuizen bijna alle bewoners. Het is opvallend dat het bij de zelfstandige kwetsbare ouderen vaak om vrouwen, alleenstaanden en om ouderen uit een lage sociaaleconomische klasse gaat. Zij zijn meestal ouder dan niet kwetsbare ouderen. Wat volgens het SCP doorslaggevend is voor hun kwetsbaarheid, is dat er sprake is van meer lichamelijke aandoeningen (multimorbiditeit) en van ernstige of matige motorische beperking. 3.2 Epidemiologie “Hoe meer beperkingen ouderen hebben, hoe meer ondersteuning zij krijgen” 83% van de kwetsbare ouderen met ernstige fysieke beperkingen en maakt gebruik van Wmo. Bij ouderen met een lichte fysieke beperking is dat 18%. Bij individuele ondersteuning krijgt 38% huishoudelijke hulp. De helft van de kwetsbare ouderen maakt geen gebruik van Wmo maar maakt gebruik van andere hulpbronnen zoals een partner, een mantelverzorger of zij beschikken over een hoger inkomen waarmee zij steun inkopen (SCP kwetsbare ouderen 2011). 15
  16. 16. 3.3 Verpleging en verzorging 415.000 kwetsbare ouderen kregen het afgelopen jaar verpleging en verzorging via de Wmo, of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ABWZ). Van de 415.000 mensen krijgen ongeveer 230.000 mensen zorg van de gemeente. 130.000 ouderen krijgen intramurale zorg. 3.4 Prognose kwetsbare ouderen Volgens het rapport van het SCP (februari 2011) “Kwetsbare ouderen”, zal het aantal kwetsbare ouderen van 65 plus tussen 2010 en 2030 toenemen van circa 700.000 tot 1 miljoen. Uit de demoplusraming was af te leiden dat het aandeel kwetsbare ouderen in deze periode zou dalen van 27% naar 25%. Er zal nu minder snel toename zijn van kwetsbare ouderen dan wat er tot nu toe op grond van demografische projecties werd verwacht (50% in plaats van 60 %). Het toenemende opleidingsniveau van ouderen zou een dempend effect hebben op deze stijging. Volgens de schatting van de publieke opinie, zal het aantal kwetsbare ouderen fors stijgen door de vergrijzing. De demo-plusraming echter zou aantonen dat het naar verwachting anders zal voordoen. Als er volgens het SCP ook gekeken zou worden naar veranderingen in opleidingsniveau, huishoudenvorm en multimorbiditeit en niet alleen naar de demografisch ontwikkelingen, dan zou de demo-plusraming van het aantal kwetsbare ouderen er anders uit zien. Daarnaast is er bij deze raming ook gekeken naar verandering in leeftijd, geslacht en burgerlijke staat. Dat betekent dat er naast demografische ontwikkelingen de tendens over de toename van kwetsbaarheid onder ouderen wordt beïnvloed. Voor meer informatie over de demo-plusraming verwijs ik u naar het rapport van het SCP Kwetsbare ouderen (2011). Niet alleen in de omvang zal de populatie van kwetsbare ouderen de komende decennia toenemen maar ook een verandering in de samenstelling. Het aandeel van kwetsbaren in de leeftijdscategorie van 82 plussers zal ongeveer vanaf 2025 sterker toenemen. Lichamelijke beperking is bij de meeste kwetsbare ouderen aanwezig en deze groep neemt toe in omvang. De grootste toename zou zich voordoen bij de nu nog relatief kleine groep van ouderen met lichte beperkingen. Volgens het SCP rapport Kwetsbare ouderen (2011) zou er ongeveer vanaf 2025 een stijging zijn in het aandeel van kwetsbare 85-plussers. Daarnaast zouden er steeds meer gescheiden ouderen of nooit gehuwde ouderen bijkomen. Echter, zou deze toename volgens het SCP weinig effect hebben op het totaal aantal kwetsbare ouderen. Tevens zouden gescheiden en nooit gehuwde ouderen een kleine groep in de populatie van kwetsbare ouderen vormen die vooral uit verweduwde en gehuwden zou bestaan. 3.5 Demografische gegevens over allochtone ouderen in Den Haag Omdat het van belang is om goed inzicht te hebben in omvang en kenmerken van de groep allochtone ouderen in Den Haag, zag de Gemeentelijke Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn dit als reden om een rapportage op te stellen over de groep allochtone ouderen. De Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn ging na hoeveel allochtone ouderen in Den Haag woonachtig zijn, wat hun demografische kenmerken waren, waar zij wonen, welke trends er te zien zijn in het verleden en in de toekomst en in hoeverre de doelgroep afwijkt in vergelijking met de populatie van allochtone ouderen in de drie andere grote steden. Volgens het SCP (periode 2008-2025) zouden allochtone ouderen in Den Haag gemiddeld jonger zijn dan autochtone ouderen van 55 plus. Van de allochtone ouderen van 55 plus is 53% in de leeftijd van 55-64 jaar en 29% in de leeftijd van 65-74 jaar. Bij autochtone ouderen is deze 42% en 26%. Onder 16
  17. 17. allochtone ouderen is het aantal ouderen van 75 plus 18% kleiner dan onder de autochtone ouderen (33%).Van de groep allochtone met de leeftijd van 75 plus is 14% in de leeftijd van 75-84, 5% in de leeftijd van 85-95 jaar en minder dan 1% is ouder dan 95 jaar. “Iets meer dan de helft (53%) van de Haagse allochtone ouderen in 2008 behoort tot de groep westerse allochtonen. De overige 47% behoort tot de groep niet-westerse allochtonen (SCP 2009 Allochtonen Ouderen in Den Haag)”. 3.6 Cijfers Marokkaanse gemeenschap in Den Haag In het Projectplan van CvO (2012) wordt vermeld dat er relatief weinig ouderen zijn in stadsdeel Laak. Volgens het rapport van de gemeente Den Haag: “Allochtonen ouderen in Den Haag, Enkele demografische kenmerken” (december 2009), zijn er 114,953 mensen ouder dan 55 jaar. In totaal is het aantal ouderen van Marokkaanse afkomst 2.091 mensen, waarvan 1.272 (60,9%) in de leeftijdscategorie van 55-64, 171 (34,3%) in de leeftijdscategorie tussen 65-74 en 100 in de leeftijdscategorie van (4,8%) 75 plussers. Totaal is ongeveer 60% man en 40% vrouw. In Stadsdeel Laak is 9,8% van de ouderen afkomstig uit een etnische minderheid waarvan 5.1% van de ouderen van 55+ van Marokkaanse afkomst. 3.7 Prognose Marokkaanse (kwetsbare) ouderen in heel Den Haag Index groei 2008-2028 Marokko 2008 2015 2020 2025 2008=100 Den Haag 2.222 3.044 3.806 4.789 2.16 Bron: Gemeente Den Haag, Dienst Stedelijke Ontwikkeling 2008 – Den Haag in Cijfers 2008 17
  18. 18. 4. Doelgroep analyse ouderen van de Marokkaanse gemeenschap 4.1 Begrip allochtoon Een allochtoon is volgens het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) wanneer er ten minste één ouder van een persoon in het buitenland is geboren. Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) Den Haag is een allochtoon wanneer hij/ zij zelf in het buitenland geboren is en/of wanneer hij/zij ten minste één van beide ouders heeft die in het buitenland is geboren. Het verschil dat het CBS en GBA hebben in definitie over het woord allochtoon, zorgt er voor dat de cijfers van beide partijen niet volledig vergelijkbaar zijn. Daarnaast maakt het CBS onderscheid tussen westerse en niet-westerse allochtonen. Personen die afkomstig zijn in de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika, landen in Oceanië, Indonesië of Japan zijn westerse allochtonen. Personen afkomstig uit Afrika, Latijns-Amerika, Azië (exclusief Japan) zijn niet-westerse allochtonen. Tevens wordt er binnen het GBA een onderscheid gemaakt tussen allochtonen met een herkomst uit rijke geïndustrialiseerde landen. Deze groep allochtonen zouden geen onderwerp zijn van achterstandsbeleid. De allochtonen die onder geïndustrialiseerde landen vallen zijn Noordwest-Europa, Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, Japan en voormalig Nederlands-Indië. Allochtonen die afkomstig zijn uit de landen zoals Oost-Europa, Zuid-Europa, Azië, Midden- En Zuid-Amerika en Afrika worden gezien als een potentiële doelgroep voor achterstandsbeleid. Ook landen in Oost- en Zuid Europa en voormalige Sovjet-Unie worden door het CBS gezien als westers, terwijl binnen de GBA Zuid-Europa als een aparte categorie “overige” landen wordt gezien en als niet-geïndustrialiseerd wordt beschouwd. 4.2 Migratiegeschiedenis In het rapport van het SCP Den Haag, “Gezondheid en welzijn van allochtone ouderen” (november 2004) wordt de migratiegeschiedenis van de Turkse en Marokkaanse gemeenschap toegelicht. In Nederland was er in de jaren zestig een tekort aan lager geschoold personeel. De vraag naar buitenlandse werknemers was bij bedrijven sterk aanwezig en bedrijven begonnen buitenlandse werknemers afkomstig uit de landen rondom de middellandse zee aan te trekken. Eerst waren dit Italianen en Spanjaarden, later voornamelijk Turken en Marokkanen (Nicolaas et al. 2003). Van de in Nederland wonende ouderen uit de vorige eeuw, waren in de jaren`60 en`70 87% van de Turkse en 95% van de Marokkaanse gemeenschap mannen. Van deze mannen is het merendeel tevens 30 jaar woonachtig in Nederland. Het voornaamste migratiemotief was 83% van de Turkse en 95% van de Marokkaanse mannen was de arbeidsmogelijkheden. De arbeidsmigranten hadden bij aankomst in Nederland het plan om na een aantal jaren arbeid verleend te hebben en geld te hebben gespaard, weer terug te keren naar het land van herkomst. De terugkeer zou beperkt zijn gebleven en werd gevolgd door gezinshereniging en gezinsvorming. De Marokkaanse ouderen in de huidige vergrijzing zijn afkomstig uit de gastarbeidersgeneratie. In de jaren `70 en `80 van de vorige eeuw lag het zwaartepunt van de migratie bij Turkse en Marokkaanse vrouwen. De arbeidsmigranten haalden hun partner naar Nederland. Dat betekent dat de 18
  19. 19. Turkse en Marokkaanse vrouwen korter in Nederland zijn dan hun partner. De meeste Turkse en Marokkaanse vrouwen zouden tussen de 20 en 30 jaar in Nederland wonen. Voor bijna 60% van de Turkse en 80% van de Marokkaanse vrouwen was gezinshereniging met de partner toen het belangrijkste migratiemotief. Volgens het SCP zou bijna een kwart van de Turkse vrouwen naar Nederland zijn gekomen met arbeid als motief. 4.3 Maatschappelijke positie  Etnische minderheden Allochtonen afkomstig uit niet-geïndustrialiseerde landen vormen volgens het SCP soms een specifieke doelgroep binnen het Haagse gemeentelijke beleid. Deze groep zou daarom aangeduid worden met de term “etnische” minderheden. Het zou volgens het SCP gaan om de groep waar de aandacht extra op de vier grootste herkomstgroeperingen wordt gericht namelijk: Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen/Arubanen. Het SCP gebruikt de term allochtoon omdat het ook gebruikt is in de onderzoeksbronnen die zij gebruikt hebben.  Woonsituatie Volgens het Centraal Informatiepunt Ouderen (CIPO) wonen Marokkaanse ouderen gemiddeld vaak in een huishouden met partner met of zonder kinderen. Er zou een toename van alleenstaande oudere vrouwen geconstateerd zijn. Marokkaanse Ouderen zouden weinig gebruik gemaakt hebben van woonzorgprojecten zoals de dagbesteding en activiteiten van zorginstellingen. De meerderheid bij ouderen van de Marokkaanse gemeenschap zou zo veel mogelijk zelfstandig met steun van eigen kinderen en mantelzorg uit eigen kring in Nederland willen wonen. Zij pendelen tevens graag tussen Marokko en Nederland als vakantiebestemming voor een periode van drie maanden per jaar.  Opleiding Los van de taalcursus in de Nederlandse taal of Arabisch in combinatie met Koran-les, heeft ongeveer 80% van de huidige generatie Marokkaanse ouderen geen onderwijs gevolgd.  Arbeid De arbeidsparticipatie is volgens het CIPO laag te noemen. De werkloosheid is hoog, tevens de afhankelijkheid van een uitkering (WW, WWB en WIA). De huishoudelijke taken worden voornamelijk gedaan door de eerste generatie vrouwen.  Gezondheid Marokkaanse ouderen zouden vaker gezondheidsklachten en beperkingen ervaren; dat blijkt uit de gegevens van de gezondheidsmonitor Den Haag (2010). Door hen wordt er steeds meer gebruik gemaakt van de thuiszorg maar zijn (volgens dit rapport) nog onvoldoende op de hoogte van andere ondersteunende welzijnsvoorzieningen. 19
  20. 20. 4.4 Levensbeschouwing Geloof speelt een belangrijke rol bij de eerste generatie. De meeste volgen de leefregels en wetten van de Islam, bidden vijf keer per dag, bezoeken een moskee en nemen deel aan de Ramadan (de maand waarin wordt gevast). In de Islam wordt er geen varkensvlees gegeten omdat het dier beschouwd wordt als een onrein wezen, daarnaast wordt er halal, uitgebloed en ritueel geslacht (dhabiha) vlees gegeten. Geloof en religie beïnvloeden de manier van leven en het welzijnsdenken, zoals bij “het lot” en dat alles aanwezig is voor een reden. Vertrouwen hebben in Allah staat centraal. Sommige ouderen staan open voor alternatieve geneeswijzen zoals een Imam (gebedsgenezer), geestelijke verzorgers en kruidengeneeskunde. 4.5 Taal en Cultuur 85% van de Marokkaanse ouderen zijn oorspronkelijk afkomstig uit het Rifgebied, ook wel de provincies Al-Hocia, Nador, Taza, Tetoua en Tanger. Er wordt in deze provincies Tamazight ofwel, Berbers gesproken en is tevens de moedertaal.15% kom uit andere regio’s van Marokko en spreekt voornamelijk Marokkaans Arabisch. 4.6 Interculturele Communicatie Onderstaand overzicht beschrijft beknopt enkele verschillen in de sociale omgang tussen de Marokkaanse cultuur (hoofdzakelijk van de eerste generatie) en de Westerse cultuur. Vertrouwen: Volgens het CIPO is het van belang om het vertrouwen van de ouderen te winnen om het gesprek goed en ontspannen te laten verlopen. Ouderen zullen meer vertellen als zij open zijn en vertrouwen hebben in de ander. Dat kan door middel van een informeel gesprek. Het gesprek kan bestaan uit alledaagse dingen. Om een ontspannen sfeer te creëren, wordt er wel eens thee of koffie geserveerd. Gastvrijheid is voor Marokkaanse ouderen belangrijk, het is daarom goed om je daarin meegaand op te stellen. De gedachte hierachter is dat ouderen beseffen dat zij er toe doen. Marokkaanse ouderen vertellen graag over hun achtergrond, arbeidsverleden, kinderen, familie etc. Het is daarom raadzaam om vooral vragen te stellen over deze onderwerpen zodat de belangstelling duidelijk naar voren komt. Dit schept tevens een gemeenschappelijke basis om het vertrouwen en de samenwerking op gang te brengen. Schoenen uit doen: In de Marokkaanse cultuur doet men bij binnenkomst zijn schoenen uit. De gedachte daarvan is dat zij volgens de Islam vijf keer per dag een bidden. Het huis moet daarom altijd rein en schoon zijn. Vandaar dat men niet met buitenschoenen door het huis mag lopen. Het geven van een hand: uit religieuze overweging geven sommige mannen of vrouwen geen hand aan een ander geslacht. Dit komt vooral voor bij de orthodoxe moslims. De orthodoxe Islam is vrijwel in de minderheid maar het komt wel voor. Zij staan wel open voor vragen als men meer duidelijkheid wil. Oogcontact: Het komt in de Marokkaanse gemeenschap voor dat men elkaar niet in de ogen kijkt. Dit is een manier in het tonen van respect. In de Nederlandse cultuur is het ontwijken van oogcontact het omgekeerde. In dit geval hoeft men het niet als een belediging te beschouwen hoewel het voor een 20
  21. 21. Nederlander misschien moeilijk is om te accepteren. Het is in de Nederlandse cultuur gebruikelijk om elkaar aan te kijken. Automatisme in het houden van oogcontact kan zich daarom voordoen. Het contact zou volgens het CIPO in het begin veel tijd vergen. Het is daarom van belang dat er extra tijd wordt besteed in het maken van contact en het winnen van vertrouwen. Dit zou later tijdbesparing opleveren. Om in contact te komen met Marokkaanse ouderen, is het raadzaam om de communicatie zo simpel mogelijk te houden. Naast een cultuurkloof is er veelal sprake van een taalbarrière zoals analfabetisme, zowel in het Nederlands als in de eigen taal. Er wordt door de meeste ouderen Tamazight (Berbers) gesproken. Vertaalde informatiefolders zouden vaak niet effectief zijn. Het geven van persoonlijke voorlichting, groepsvoorlichting met behulp van tolken en intermediairs van eigen taal, het toepassen van audiovisuele middelen is meestal veel effectiever dan een folder of een brief. Uiteraard is het van groot belang dat de informatie en voorlichting zoveel mogelijk aansluiting geeft aan de belevingswereld van de doelgroep. 4.7 Hulpmiddelen in de communicatie Eenvoudig Nederlands en non-verbale communicatie gebruiken door middel van korte zinnen, het geven van concrete voorbeelden en illustratie en het tonen van non-verbale belangstelling. Concrete hulpmiddelen gebruiken zoals voorbeelden, pictogrammen, audiovisueel materiaal in de eigen taal. Tolken in de eigen taal (Tamazight of Marokkaans Arabisch). Een tolk kan bestaan uit een familielid of een vrijwilliger. Bij gevoelige onderwerpen is het raadzaam om een professionele tolk in te schakelen. 21
  22. 22. 5. Theoretisch kader 5.1 Inleiding In het theoretisch kader ga ik dieper in op de begrippen die betrekking hebben op mijn onderzoek. De volgende begrippen die toegelicht worden zijn: de definitie van kwetsbaarheid en kwetsbare ouderen, de algemene behoeften in het kader van het humanisme en de beschrijving van soorten behoeften die bij ouderen een belangrijke rol spelen. 5.2 Onder het mom van zelfredzaamheid Jan Derksen beschrijft in het boek “onder het mom van zelfredzaamheid” (Peeters P., C. C. 2012) dat er geen duidelijk omschreven psychologisch concept is van zelfredzaamheid. De betekenis die aan zelfredzaam wordt gegeven is dat je de problemen van alledag zelf zou kunnen oplossen. Je zou onder andere jezelf kunnen voorzien in de individuele basisbehoeften, voor jezelf kunnen zorgen, inkomen en onderdak regelen. Ook wordt er beweerd dat sociale factoren een rol spelen bij zelfredzaamheid, je kunt niet zonder andere mensen. Wanneer mensen lang alleen zijn, kunnen er aantal ziektebeelden opkomen zoals depressie en lichamelijke klachten. Zelfredzaamheid gaat daarom niet alleen over fysieke capaciteiten om bepaalde handelingen te verrichten, maar ook over mentale capaciteiten. In de visie van het Netwerk Ouderenzorg Haaglanden (NOH) wordt zelfredzaamheid beïnvloed door verschillende factoren (psychische factoren en functionele mogelijkheden). Bekende definities van zelfredzaamheid:  Niet afhankelijk zijn van anderen.  Vermogen om een zelfstandig leven te leiden en om de eigen problemen op te lossen.  Vermogen om dagelijks algemene levensverrichtingen zelfstandig te kunnen doen (bijv. wassen, aankleden, koken etc.) 5.3 Zelfredzaamheid en wonen In dit stuk staat beschreven dat de fysieke omgeving belangrijk is voor de gezondheid en het welbevinden. Er zijn bijvoorbeeld veel voorzieningen voor ouderen in woning geplaatst. Het uitgangspunt van woningen is dat ouderen zich veilig kunnen voelen in de verschillende complexen. Hierdoor kunnen ouderen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Volgens het NOH zijn capaciteiten nodig om de ouderen uit te nodigen. Daarnaast moeten de capaciteiten onderhoudbaar zijn en waar mogelijk te vergroten. Tevens stelt vroegtijdig signaleren van kwetsbaarheid de oudere in staat om samen met anderen, eventuele achteruitgang af te remmen of te compenseren. 22
  23. 23. De sociale omgeving speelt een belangrijk rol bij het behouden van de regie door aan te blijven sluiten bij de wensen en de gedachten van de ouderen. Een herkenbare omgeving is belangrijk om zelfredzaamheid te bevorderen. In de visie van het NOH wordt zelfredzaamheid beinvloed door verschillende factoren (psychische factoren en functionele mogelijkheden). 5.4 kwetsbaarheid ‘Sommige ouderen maken zichzelf kwetsbaar door zielig te doen, te klagen of te blijven focussen op dingen die niet goed gaan. Met optimisme en relativeringsvermogen kies je er zelf voor minder kwetsbaar te zijn. Ik heb door bepaalde gebeurtenissen in mijn leven bovendien hardheid gekregen waardoor ik me niet meer kwetsbaar voel.’ Helena le Roy-Dijkhuizen (92 jaar) Uit een stuk van het SCP van 2011 staat beschreven wat kwetsbare ouderen zijn. Uit meerdere stukken van het SCP staat beschreven dat ouderen over zichzelf niet denken in termen van kwetsbaarheid. Er zijn ouderen die medisch gezien kwetsbaar zijn, maar zich niet altijd kwetsbaar voelen. Er kan daarom een verschil zitten in de interpretatie van de arts en de patient. Dit wordt ook wel de disability paradox genoemd (Albrecht en DeVlieger 1999). Conceptuele definitie van kwetsbaarheid: “kwetsbaarheid bij ouderen is een proces van een opeenstapeling van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren die de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten.” 5.5 Frailty Van der Tang ( 2012, De Laakse Lente p. 24): “Zo werd je ouder en leerde om dingen zelf te doen totdat je merkt dat sommige dingen niet meer zo gaan zoals jij dat wilt. Dat zijn momenten dat je roept: “Ik wil het “Zelf doen””. De een krijgt als reactie: “Je weet toch dat je dat niet meer kan”, de ander hoort: “Geef nu maar toe dat je dit niet meer kan want je bent hier te oud voor”. “Zelf doen” .Dan komt die tijd dat je accepteert dat je niet meer alles meer zelf kunt doen. Maar hoe moet je nu verder, tja vragen om hulp, dat heb je niet echt onder de knie want je wilt tenslotte geen belasting zijn voor een ander terwijl je moet beseffen van het feit dat je zelf niet meer kan. Todat de tijd aanbreek dat je eindelijk ondersteuing durft te vragen en dat is voor velen niet gemakkelijk. “ In de eind jaren zeventig was de term frail elderly in de Verenigde Staten geintroduceerd om een specifiek de oudere bevolkingsgroep aan te kunnen duiden. De Federal Council on Aging (FCA) definieerde in 1987 kwetsbare ouderen als ‘personen die meestal, maar niet altijd, een hogere leeftijd hebben dan 75 jaar’. Tevens door de opeenstapeling van diverse voortdurende problemen ondersteuning nodig hebben om het dagelijks leven verdraagzamer te maken (Hogan et al. 2003). Er waren in de jaren tachtig ook andere onderzoekers die de termen ‘kwetsbaarheid’en ‘kwetsbare ouderen’ definieerden. Het aantal publicaties over kwetsbaarheid is sinds 1991 toegenomen (Gobbens et al. 2007). 23
  24. 24. Van der Tang ( 2012, De Laakse Lente p. 25): “Ja, en dan gebeurt het, het tij keert, de maatschappij legt jou ineens op dat je het zelf weer moet gaan doen, tenminste wanneer je het geld niet hebt voor ondersteuning, een dagje uit of voor voozieningen terwijl je over het “niet meer “Zelf doen” syndroom” heen bent.”. De mate van kwetsbaarheid zou een betere voorspeller van ongewenste gebeurtenissen zijn, zoals een opname in het ziekenhuis of verpleeghuis en het vroegtijdig overlijden. (Mitniski et al. 2002; Morley et al. 2002; Schuurmans het al. 2004). Het belang hiervan is om te bepalen hoeveel en welk type zorg of behandeling nodig is om de gezondheidsrisico’s in te schatten en de samenhangende zorgbehoefte. Toch blijft het onduidelijk wat kwetsbaarheid precies inhoudt. Er zou volgens het SCP geen eenduidige definitie van begrip bestaan (Hogan et al. 2003; Markle-Reid en Browne 2003). Daarnaast zullen mensen in het dagelijks leven dat ook op verschillende manieren onder woorden brengen. Van der Tang ( 2012, De Laakse Lente p. 25): “Ik zit met gebalde vuisten naar buiten te kijken en vraag mij af hoeveel mensen er nu binnen zitten zonder voldoende middelen om “Zelf doen” in te kopen. Deze mensen verdwijnen uit het zicht en ik sta op en ga: “zelf iets doen”. 5.6 Gezondheid Volgens het rapport kwetsbare ouderen van het SCP ligt de nadruk op de medische definitie van het begrip kwetsbaarheid. Wat belangrijk is voor ouderen is een belangrijke vraag. Volgens het SCP is er uit reacties van de ouderen gebleken dat zij gezondheid en familie erg belangrijk vinden. Verlies en de angst voor verlies is bij ouderen een belangrijke ervaring in het leven. Deze gebeurtenissen kunnen de kwaliteit van leven flink doen aantasten. Hoe sterk, hangt af van de persoonlijke draagkracht. De definitie van gezondheid volgens de World Health Organization: “Een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn en niet slechts de afwezigheid van ziekte of ander lichamelijke gebreken”. De definitie werd door het World Health Organisator in 1964 gedefinieerd. Gezondheid bestaat uit drie delen, namelijk fysiek, psychisch en maatschappelijk. Daarnaast wordt er tevens onderscheid gemaakt tussen kwantitatief deel en een kwalitatief deel van gezondheid (Ware 1987). In het geval van kwetsbare ouderen is er sprake van het kwalitatieve deel. De gezondheid staat in verbinding met de kwaliteit van leven. De kwaliteit van wonen en de mate van tevredenheid over een baan en de woonomgeving spelen bij gezondheid tevens een belangrijke rol (ibid). Er zijn verschillende factoren die de gezondheid beïnvloeden zoals opleiding, onderdeel zijn van sociale status en betrokkenheid. Deze factoren zouden een aantal positieve effecten hebben op de gezondheid bij ouderen. Sociale relaties hebben tevens invloed op de gezondheid en zouden indirect mensen beschermen tegen ziektes (Cohen et al.2000). De kans op ziekte kan zich vergroten wanneer mensen eenzaamheid ervaren. Er kunnen zich veranderingen voordoen in het immuunsysteem en zenuwstelsels en in hart en vaten (Miller 2011). Wilkinson & Marmot (2003) constateerden tijdens het onderzoek dat sociale isolatie en uitsluiting kunnen leiden tot vroegtijdig overlijden en tot een kleinere kans om een hartaanval te overleven. Daarnaast zou de zorgconsumptie niet alleen gebruikt worden voor zorg omdat er gezondheidsproblemen zijn. Eenzaamheid zou een reden zijn voor zorgconsumptie. Zorgconsumptie heeft een positieve relatie met eenzaamheid (Poiesz & Caris 2010). Sociale contacten kunnen de 24
  25. 25. noodzaak voor zorg verminderen. Uit onderzoek is tevens gebleken dat er een relatie is tussen zorg en sociaal-economische positie. Ouderen met een lagere sociaal-economische positie zouden meer gebruik maken van de zorg (Weyers 2010). 5.7 Multimorbiditeit en beperking Van multimorbiditeit is sprake als er meerdere ziektes of aandoeningen zich bij de persoon voordoen en elkaar beïnvloeden. Multimorbiditeit komt voor bij zowel zelfstandige ouderen als bij ouderen die in een zorginstelling wonen. Multimorbiditeit en lichamelijke beperking zijn bij ouderen van grote invloed als het gaat om de mate van zelfredzaamheid. De gezondheidsraad heeft in twee recente rapporten aandacht gevraagd om het verband tussen multimorbiditeit en langdurige beperkingen bij deze groep aan het licht te brengen (gezondheidsraad 2008, 2009). Kwetsbaarheid, multimorbiditeit en beperkingen zouden in de theorie van elkaar te onderscheiden (Fried 2001; Daniels et al 2008; Gobbens 2010) zijn, maar vertonen in werkelijkheid wel een overlap (Fried 2001; Deeg en Puts 2007). 5.8 Behoeften Het begrip “behoefte” is een breed begrip en verschilt per individu en leefwereld. In de humanistische theorie wordt nadruk gelegd op de betekenis van de behoeften van de mens. Het doel van een betekenis of waarde is dat een persoon zich er toe aangetrokken voelt in zijn acties en ervaringen. Daarnaast is doel van de humanistische theorie om het gedrag te begrijpen die in verband staan met de leefwereld van het individu. 5.9 Motivatie en de behoeftehiërarchie van Maslow Abraham Maslow (1908-1970) beschrijft in zijn theorie van de basisbehoeften van de mens. Volgens Maslow hebben onze behoeften invloed op onze gedragingen. Om een voorbeeld te geven: in het dagelijks leven vormt ons werk een centraal deel van ons leven. Studies hebben uitgewezen dat winnaars van een loterij door blijven werken. De vraag is echter waarom zij niet stoppen met werken als zij toch de loterij gewonnen hebben. Maslow zou zeggen dat wij moeten kijken naar de behoeften van de mens (the persons needs). De meest in het oog springende behoefte om te blijven werken is om geld te verdienen om daar eten, onderdak, kleding en overige benodigdheden om te overleven van te kopen. Tegelijkertijd kan werken naast de behoefte om te overleven, ook andere behoeften vervullen. Mensen betrekken bijvoorbeeld sociale contacten in hun werk en kunnen op die manier ook een positieve invulling geven aan de behoeften. Een loterijwinnaar hoeft niet te blijven werken om geld, maar om sociale relaties in stand te houden. Werk geeft betekenis aan het leven. Een andere behoefte in het werk kan zijn dat men meer zelfvertrouwen wil ontwikkelen en zelfexpressie. Maslow ziet daarom de complexiteit van de motivatie en heeft op basis daarvan de hiërarchie van behoeften ontwikkeld. De hiërarchie is een structuur van verschillende types van behoeften. 25
  26. 26. 5.10 Soorten behoeften Maslow stelt in zijn theorie dat er meer basisbehoeften vervuld moeten worden voordat de hogere behoeften gerealiseerd kunnen worden. Lichamelijke behoefte is de eerste basisbehoefte die de mens heeft om de overige behoeften in de hiërarchie te realiseren. Lichamelijke behoeften hebben te maken met overleven. De behoeften om te overleven zijn voedsel, lucht, slaap etc. De bovenliggende lagen in Maslow’s piramide zullen niet werken als deze behoeften niet zijn vervuld. Pas als deze behoefte vervuld is, zullen andere behoeften ervaren worden. De behoefte aan veiligheid en zekerheid is gerelateerd aan zowel fysieke omstandigheden, zoals vrij zijn van gevaar en aan psychische omstandigheden, zoals stabiliteit en discipline. Behoefte aan liefde en sociale contacten, de behoefte om ergens betrokken bij te zijn en geaccepteerd te worden zijn afhankelijk van lichamelijke zekerheid en nodig voor de behoefte Figuur 1.5 aan erkenning. Behoefte aan waardering en erkenning, het gevoel hebben van zelfrespect en nuttig zijn voor anderen, zijn de hoogste behoeften van de mens. Ook zelfvertrouwen valt binnen deze behoeften. De piramide van Maslow reflecteert de deficiency motieven. De deficiency motieven zijn motieven die motivatie op psychisch gebied bevredigen zoals seks, honger en liefde. Deze motieven drijven het individu om deze behoeften te bevredigen van de afwezige onderliggende vereiste behoeften. Ze zijn gelijk aan de behavioristische noties van de gedreven motivatie en tevens de psychodynamische concepten van de motivatie. Dat wil zeggen, dat gedrag is gedreven door een onderliggend tekort. De deficiency motieven doen zich voor in de eerste vier lagen van de hiërarchie. Deze motieven ontstaan wanneer fysieke en psychologische tekort en worden waargenomen. Deze motieven kunnen er voor zorgen dat de spanning in de tekorten verlicht wordt en deze in evenwicht wordt gebracht. Naast de basisbehoeften zijn er ook metabehoeften. Metabehoeften leggen meer de nadruk op het verlangen om te groeien dan op de onderliggende tekorten. Deze behoefte toont ook wel de expressie van zelfontplooiing. Zelfontplooiing is gebaseerd op het gebruiken van onze capaciteiten in zijn volste vorm en is een expressie van potentiële groei wat een deel is van al het leven. Zelfontplooiing is niet gericht op tekorten en kan daarom nooit volledig vervuld worden. Buiten de overige behoeften, is de expressie van zelfontplooiing een proces en geen doel. Zelfontplooiing toont zijn expressie in de momentopnames van levenservaring door oog in oog te staan met uitdagingen van mogelijkheden en de interacties met de wereld in verschillende aspecten. Volgens Maslow zijn behoeften nodig voor de persoonlijke ontwikkeling omdat bepaalde behoeften invloed hebben op de verschillende aspecten in het leven. De humanistische theorie van Maslow geldt voor elk individu, zo ook voor ouderen. Ieder mens heeft het recht om aan deze basisbehoeften te kunnen voldoen. De basisbehoeften zijn daarom in het kader van kwetsbaarheid en zelfredzaamheid van groot belang om de zingeving in het leven in stand te houden. 26
  27. 27. 5.11. Theorie van Pinto In de theorie van David Pinto wordt er vooral ingegaan op de interculturele communicatie. Daarbij wordt tevens specifiek ingegaan op behoeftes die cultureel bepaald zijn. In tegenstelling met Maslow, die de algemene basisbehoeften van de mens beschrijft, gaat de theorie van Pinto specifiek over de culturele verschillen van het individu. Er bestaat een kans op onbegrip en miscommunicatie wanneer er interactie is tussen mensen met verschillende culturele normen en waarden. Dat komt omdat er geen hoogte is van elkaars cultuur. In de theorie van Pinto wordt gebruikt gemaakt van bepaalde codes, de C-cultuur en F-cultuur. De C staat voor Coarse –mesh (grofmazig) en de F staat voor Fine Mesh (fijnmazig). Beide termen worden gebruikt om de afstand tussen de individuen in de verschillende groepen aan te geven. In een Ccultuur wordt het individu gezien als iemand met een grote persoonlijke vrijheid. Participatie in de maatschappij is dan gebaseerd op persoonlijke beslissingen. In een F- cultuur ziet het individu zichzelf als een lid van een groep. Niet het individu maar de groep waar hij bij hoort vormt de basis van participatie in de maatschappij. Het individu in een groep deelt zijn verantwoordelijkheden met zijn groepsleden. De taken worden wel door het individu uitgevoerd maar hangen af van de regels van de groep. Hoe het individu de regels uitvoert hangt tevens af van zijn mogelijkheden en de groepsnorm. Volgens Pinto speelt in een F-cultuur loyaliteit en aandacht naar de familie een grote rol. Familie komt op de eerste plaats, daarna vrienden en collega’s. Familieleden moeten er voor elkaar zijn, zo ook in financiële situaties. Dit schept meer veiligheid en zekerheid. Het individu uit een F-cultuur kan te allen tijde psychologisch en materieel op ondersteuning van zijn groep rekenen. Het vertrouwen en het gevoel van verantwoordelijkheid naar de familie toe vormt bescherming. In tegenstelling met de F-cultuur, voelt het individu van een C-cultuur zich ongemakkelijk als zij bijvoorbeeld hun baan te danken hebben aan hun familie of nog thuis wonen na hun 20e. In een Fcultuur wordt dit als normaal gezien. In een F-cultuur ben je met een groep, maar tegelijkertijd ben je ook afhankelijk. In een C-cultuur maak je beslissingen individueel, zodat je onafhankelijk bent in het maken van je keuzes. Pinto heeft het in zijn theorie over schaamte en schuld in de F-cultuur. Omdat mensen in een F-cultuur een betrouwbare rol spelen in de groep, kan het gedrag en reputatie per familielid of groepslid consequenties hebben. Wanneer een individu in een familie of groep schande pleegt, kan dat de reputatie van de hele groep schaden. Het kan de sociale positie of huwelijk negatief beïnvloeden. De groep zal vervolgens grote druk uitoefenen op het individu om zich naar behoren te gedragen. Piramide van Pinto F-cultuur In tegenstelling tot de piramide van Maslow, gaat het bij de piramide van Pinto om het behalen van eer in plaats van om zelfontplooiing. De piramide van Maslow in het geheel gaat over de primaire behoeften van de mens, terwijl in de piramide van Pinto de primaire behoefte onderaan staat als een onderdeel van de basis behoeften van de F-cultuur. Figuur 2.5 27
  28. 28. 6. Centrum voor Ouderen in Laak 6.1 Inleiding De opdracht wordt uitgevoerd namens het Centrum voor Ouderen in Laak (CvO). Het CvO is een samenwerkingsverband tussen gemeente en zorg- en welzijnspartijen. Het CvO verzorgt dé centrale toegang in het stadsdeel tot zorg, ondersteuning en welzijn voor 65-plussers, zodat zij snel en effectief geholpen kunnen worden met uiteenlopende hulpvragen en langer op eigen kracht op zichzelf kunnen blijven wonen. CvO streeft naar betere zorg en kwaliteitsverbetering voor (kwetsbare) ouderen in stadsdeel Laak. Onder regie en verantwoordelijkheid van Florence, zal CvO de komende jaren werken aan alle relevante aspecten van het verbeteren van de sociale kwaliteit van het leven van ouderen. 6.2 De organisatie CvO is naar eigen zeggen geen nieuwe institutie, of een centrum, maar een verzameling netwerken waar door de bewoners en betrokken professionals sociale veranderingen, nieuwe werkwijze en benaderingen worden ontwikkeld. Het CvO zoekt antwoorden op de maatschappelijke problematiek die de sociale kwaliteit van het bestaan van ouderen aantast. Het gaat hier voornamelijk over de ontwikkelingen in de grootstedelijke samenleving, over sociaal isolement of uitsluiting, vermindering van de sociale cohesie, afhankelijkheid en gebrek aan respect voor ouderen. Volgens het CvO zou de zorg en dienstverlening door geleidelijke verzakelijking en specialisering te onpersoonlijk, afstandelijk en hopeloos gefragmenteerd zijn geworden. Figuur 3.6 6.3 Doel van de organisatie Doelstelling van het CvO: “Verbetering van de sociale kwaliteit van leven van de ouderen” Het artikel Wetenschappelijk werk in en rondom het CvO Laak (2012) noemt als belangrijk punt van verbetering dat professionals die wel zorgproducten leveren en zoeken, maar nauwelijks meer betrokken zijn bij de alledaagse zaken in het sociale leven. Voor vele culturen in Laak zou dat voor de professionele sociale omgang consequenties met zich mee brengen zoals het schenken van weinig aandacht in de sociale interactie met de doelgroep. Volgens het CvO zou er door het zorgachtige karakter en de verzakelijking, weinig geïnvesteerd worden in de eigen kracht van ouderen en hun sociale omgeving. Het gevolg daarvan kan zijn dat een en ander zal leiden tot vermindering van de sociale kwaliteit van leven van ouderen. Daarbij zou het volgens het CvO ook tot overaanbod, overlap en verkwisting van middelen leiden. 28
  29. 29. 6.4 Verwachting van CvO over het onderzoek De verwachting van het CvO in dit onderzoek is: het verkrijgen van een beter beeld over de leefwereld van (kwetsbare) ouderen van een culturele gemeenschap in stadsdeel Laak als het gaat om zelfredzaam zijn (“Zelf doen”). Tevens wil het CvO in Laak nieuwe activiteiten ontwikkelen om (kwetsbare) ouderen meer te betrekken in de maatschappij. 6.5 Prioriteiten van het CvO in Laak:  “Het bereiken en als nodig is, organiseren of bieden van hulp en steun aan zoveel mogelijk (kwetsbare) ouderen, vooral in de leeftijdsgroep van 75+.”  “Het verbeteren van de zorg en dienstverlening door integrale, op preventie en eigen kracht gerichte arrangementen, nieuwe werkwijzen (integraal teamwork, casemanagement en structuren.”  “Het werken aan het normbesef/kennis in en versterken van de civil society ten behoeven van ouderen: organiseren van draagkracht, steun-structuur, kennis, participatie en zeggenschap voor en door ouderen en hun sociale omgeving.”  “Makkelijke toegang en informatie. Het verbeteren van toegang tot de zorg en dienstverlening door vriendelijke, eenvoudige, heldere organisatie van front- en backoffices, alsook de procedures van intake.”  “Coördinatie en regie. Het realiseren van een werkorganisatie in Laak, die duurzaam de regie kan voeren over zorg en dienstverlening; onderdeel hiervan is opzetten van – ICT ondersteunde – systemen van registratie en analyse voor planning en evaluatie.”  “Sturing en financiering. Het ontwerpen en doen van voorstellen voor een systematiek van financiering/sturing, die de dekkende en integrale benadering en de nieuwe werkwijzen kan bestendigen.” 29
  30. 30. 7. Onderzoeksopzet 7.1 Inleiding Het onderzoek is niet direct gericht op het ontwikkelen van een nieuw product. Dit onderzoek zou wel kunnen leiden tot een vervolgonderzoek om een product te ontwikkelen. Het doel van dit onderzoek is om de behoeften van kwetsbare ouderen in de Marokkaanse gemeenschap in Laak beter in kaart te brengen. Op basis van de uitkomsten kunnen er mogelijkheden aan het licht komen die behulpzaam zijn bij het ontwikkelen van een nieuw product of innovatie. 7.2 Onderzoeksmethode Dit onderzoek is een kwalitatief onderzoek. Kwalitatief onderzoek is niet gebonden aan het verzamelen van cijfermatige data. Ik zal me gedurende dit onderzoek moeten aanpassen aan de omstandigheden. Daarnaast zal de benadering van dit onderzoek open en flexibel zijn. De beleving en betekenisverlening van ouderen staat in dit onderzoek centraal. Kwalitatief onderzoek laat zich niet in cijfers uit drukken. Daarnaast worden er in kwalitatief onderzoek onderzoekseenheden in de omgeving als geheel onderzocht (holisme). In het vooronderzoek staan echter wel cijfers vermeld. De cijfers staan in verbinding met de onderzoeksvraag en waarom het belangrijk is dat er aandacht besteed moet worden aan de kwaliteit van leven bij ouderen. 7.3 Dataverzameling Het onderzoek is niet alleen kwalitatief georiënteerd, maar zal daarnaast ook een exploratieonderzoek zijn. Ik streef ernaar om meer te weten te komen over de kwetsbare ouderen in Marokkaanse gemeenschap in Laak en hun behoeften. Ik wil daarom tijdens dit onderzoek van de doelgroep weten welke ideeën zij hebben om de dag zelfredzaam door te komen en welke behoeften er aanwezig zijn. Bij kwalitatief onderzoek gaat het vaak om de betekenis die mensen in een bepaalde situatie aan gedrag verlenen. In dit geval is een open interview het meest geschikt. Via een open interview krijgt de respondent de vrijheid om punten te benoemen. Ouderen kunnen dan vrijuit spreken over hun ervaringen en ideeën. Bovendien is het geen kwantitatief onderzoek dus enquêtes voeren zou lastig zijn. Dit geldt het zelfde als voor professionals. Ik streef er naar om minimaal zes personen per doelgroep te interviewen zoals zes mannen en zes vrouwen. Er zijn bij het houden van open interviews bepaalde voorwaarden verbonden. Er is voldoende menskracht nodig en respondenten, tijd en geld. Daarnaast is het uitwerken van een interview een groot en tijdrovend karwei. Tijdmanagement is daarom in deze onderzoeksmethode van groot belang. 30
  31. 31. Criteria bij het uitvoeren van een open interview: - het interview kan uitgevoerd worden in een klein groep personen het interview zal gaan over beleving, motieven, ervaringen en betekenisverlening complexe onderwerpen of onderwerpen over taboe kunnen zich tevens voordoen het verzamelen van nieuwe informatie en het afbakenen van begrippen praktische omstandigheden 7.4 Onderzoeksinstrumenten Om te voorkomen dat het interview te breed uitloopt, dient er een instrument gebruikt te worden om niet te ver af te wijken van het onderwerp. Een half gestructureerd interview zoals een topiclijst is een geschikte interviewmethode om met de doelgroep in gesprek te gaan. Een topiclijst geeft de respondent ruimte voor eigen inbreng. Rekening houdend met de culturele achtergrond van de doelgroep is het raadzaam om de sfeer informeel, maar doelgericht, te houden. Bij het opstellen van een topiclijst dient er een duidelijke selectie gemaakt te worden van de onderwerpen. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over de interviewvragen en welke informatie ik wil verzamelen. De topiclijst voor dit onderzoek wordt gebruikt om informatie te verzamelen van verschillende respondenten in de Marokkaanse ouderengemeenschap. De topiclijst heeft tevens als doel om de levensloop van de respondent in kaart te brengen. In opdracht van het CvO in Laak, zijn de onderwerpen verdeeld in de drie tijdsfasen van het heden, verleden en toekomst. Vervolgens zal de informatie over de levensloop zich vormen in een biografie. De vraag is of de interviews individueel of in groepsverband worden uitgevoerd. Omdat er in dit onderzoek sprake is van de ouderenpopulatie, zal het een uitdaging zijn om een aantal groepsinterviews tot stand te brengen. Een groepsinterview brengt de ouderen bij elkaar en wordt er zo een gemeenschappelijk kader gevormd. Behalve dat ik de interviewer ben, kan de doelgroep ook gezamenlijk en met elkaar in gesprek gaan over de topics. Volgens de literatuur hangt de nauwkeurigheid van de uitspraken af van het aantal respondenten N per doelgroep (Verhoeven, 2010). 7.5 Steekproef In dit onderzoek is er sprake van een te onderscheiden populatie, te weten ouderen van de Marokkaanse gemeenschap die woonachtig zijn in het Haagse stadsdeel Laak. Omdat dit onderzoek over een bevolkingsgroep gaat, zal dit onderzoek een selecte steekproef kunnen toepassen. Volgens de literatuur is het doel van een selecte steekproef niet om conclusies te generaliseren naar de populatie, maar om de resultaten binnen een organisatie te gebruiken en om een beeld te krijgen van betekenisgeving aan het begrip zelfredzaamheid (Verhoeven 2010). Mocht er geen data of steekproefkader beschikbaar zijn, dan zal de sneeuwbalmethode gehanteerd worden. Met de sneeuwbalmethode zal er gebruikt gemaakt worden van de netwerken die in de deelgemeente Laak aanwezig zijn. Zoals eerder toegelicht kan het netwerk bestaan uit familie, sleutelfiguren, kenniskringen en samenwerkingspartners van het CvO. De interviews zullen dan niet direct met de doelgroep tot uiting komen, maar met de daar aan gerelateerde netwerken. 31
  32. 32. Door hen te interviewen, kan ik op deze manier via-via aan meer deelnemers komen door aan de respondent te vragen of zij meer belangstellenden kennen voor het onderzoek. Echter hangt deze methode ook af van de eisen die het CvO heeft wat betreft de data. De sneeuwbalmethode wordt ook toegepast in literatuuronderzoek (Verhoeven 2010), door bijvoorbeeld verwijzingen te gebruiken in de literatuurlijst. Ik wil minimaal zes mannen en zes vrouwen interviewen. In totaal zullen dat 12 respondenten zijn. 7.6 Stappenplan Om tot overeenstemming te komen met het CvO, zal er bepaald worden wat het aantal respondenten zal zijn, hoe wij hen op de hoogte gaan houden van het interview en op welke locatie het interview zal plaatsvinden. Voordat de topiclijsten in de praktijk toegepast worden, zal er eerst een proefinterview plaatsvinden. Het kan zijn dat bepaalde topics geen gewenste uitwerking hebben of vreemd overkomen. Het is daarom van belang om daar eerst achter te komen voordat het interview daadwerkelijk zal plaatsvinden. De doelgroep zal telefonisch, schriftelijk via een brief of via sleutelfiguren en via zorg en culturele instellingen worden benaderd. Er is bij de doelgroep mogelijk sprake van een taalbarrière. Als dat het geval is, dan zal er een tolk ingeschakeld worden om de doelgroep te kunnen benaderen. Daarnaast kan alfabetisme ook voorkomen bij de doelgroep. Ik wil de doelgroep daarom via een sleutelfiguur benaderen zodat de afspraken mondeling gemaakt kunnen worden. Ik wil ook in contact zijn met buurtcentra. Ik wil op deze manier contacten leggen met de instellingen voor meer informatie over het tijdstip en plaats waar de ouderen bij elkaar komen. 32
  33. 33. 8. Onderzoekrapportage 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal ik de uitkomsten en resultaten van het onderzoek toelichten. Tevens is er een beschrijving voorgelegd van het verloop van het onderzoek en de onderzoekinstrumenten die gebruikt zijn. Het doel van dit onderzoek was om een beter beeld in kaart te brengen over kwetsbare ouderen in de Marokkaanse gemeenschap. Daarbij werd gekeken naar de betekenis die ouderen hebben over “Zelf doen” en wat hun behoeftes en belangen om de dag zelfredzaam door te komen. Kwetsbaarheid van de ouderen is een onderwerp wat naar voren zal komen maar met het streven om te kijken wat ouderen nog wel zelf kunnen en willen doen. Tevens zijn de resultaten gerelateerd aan de ervaringen en verhalen van de ouderen. De verhalen brengen hun zingeving, cultuur, het “Zelf doen” en hun dagbesteding met elkaar in verband en daarbij de behoeftes en belangen. 8.2 Terugblik Om aan de genodigde data te komen, heb ik veel stappen moeten ondernemen en beslissingen moeten nemen. Ik heb mensen veel horen zeggen dat de ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap moeilijk te bereiken zijn. Toch was dit onderzoek een gelegenheid om de uitdaging aan te gaan en te zien wat er uit zou komen. In samenwerking met het CvO in Laak was de mogelijkheid aanwezig om veel contacten te leggen met mensen uit de Marokkaanse gemeenschap, vooral met de kinderen van de ouderen. Het beek dus helemaal niet zo moeilijk om met de doelgroep in contact te komen. Er was tevens contact met het vadercentrum Adam in Laak van Stichting MOOI om in contact te komen met Marokkaanse mannen van 65 plus. Via de kinderen van de ouderen en het secretariaat van het CvO, was er de mogelijkheid om met de Marokkaanse vrouwen van 65 plus in contact te komen. Bij de vrouwen was het door de beperkte mobiliteit noodzakelijk om huisbezoeken te doen voor het afleggen van interviews. Daarnaast was er contact met mensen die bekend zijn met het dagelijks leven in het stadsdeel. Ik heb bij het vadercentrum met een heer gesproken die daar 12 jaar actief is als vrijwilliger. Hij heeft veel zien gebeuren in de wijk en bij de ouderen in de Marokkaanse gemeenschap. Het was een ongepland en spontaan gesprek. Zijn informatie kan een goede bijdrage leveren aan het onderzoek. Tevens heb ik kennis gemaakt met een ouderenwerker die jarenlang actief is in stadsdeel Laak. Zij kon mij veel vertellen over haar bijdrage aan de oprichting en bestaan van het moedercentrum De Koffiepot. Ook zij heeft veel zien gebeuren bij de vrouwen in de Marokkaanse gemeenschap. Ook dit was een spontaan gesprek die ik met advies van het CvO ben aangegaan. Mijn beslissingen konden niet altijd structureel gepland worden. De dataverzameling liep grotendeels via de sneeuwbalmethode. Het verzamelen van informatie ging spontaan en op onverwachte momenten. De interviews met de doelgroep waren wel deels gestructureerd maar onderweg kwam ik meer interessante mensen in het netwerk tegen. Ondanks dat het onderwerk afgebakend is, kijk ik toch naar mogelijke informatie die nuttige aanvulling kunnen geven op dit onderzoek. Op deze manier kwam ik aan meer informatie. 33
  34. 34. Er waren momenten, dat het onderzoek even stil kwam te liggen. Omdat ik deels afhankelijk ben van mijn netwerk van respondenten, moest ik er zelf achteraan om te vragen wanneer ik met iemand in gesprek kon. Het was van groot belang dat er actief contact bleef met de opdrachtgever en het netwerk. Zaken waar ik tegen aan liep maakte ik bespreekbaar met de opdrachtgever. 8.3 Onderzoeksinstrumenten De instrumenten die ik tot nu toe gebruikt heb zijn de topiclijst en een memorecorder zodat het gesprek kon worden opgenomen. De topiclijst had als doel om de levensloop van de respondent in kaart te brengen. In opdracht van het CvO in laak, zijn de onderwerpen verdeeld in de drie tijdsfasen van het heden, verleden en toekomst zodat het een biografisch verhaal wordt. De vragenlijst in te vinden in bijlage 1. Daarbij is ook gebruik gemaakt van tolken. De tolken waren in dit geval de kinderen van de respondenten. Netwerken was in dit onderzoek onmisbaar. Ik heb gebruik gemaakt van connecties die mij werden geadviseerd zoals kennissen van de respondenten, professionals van het CvO en cultureel werkers en vrijwilligers van Stichting MOOI. Ik heb in het netwerk van het CvO zoveel mogelijk verteld over mijn onderzoek en mijn doelen die ik wil bereiken. Daarnaast was er van mijn onderzoek veel overeenkomsten met de interesses en doelen van het netwerk waar ik contact mee had. Om de privacy van de respondenten te waarborgen is het onderzoek anoniem, niemand zal weten van wie de interviews zijn. 8.4 Methode en respondenten De interviews zijn goed verlopen. Zoals eerder besproken in de doelgroepbeschrijving in paragraaf 4.6, vergt het tijd om in te komen in het gesprek. Bij het Vadercentrum Adam in stadsdeel Laak heb ik twee keer het groepsinterview van een uur afgenomen. Het groepsinterview bestond uit tien mannen. Bij de vrouwen ging ik op huisbezoek binnen stadsdeel Laak. De interviews zijn bij drie vrouwen thuis gehouden. De vrouwen uit de Marokkaanse ouderengemeenschap wonen nog zelfstandig thuis. Bij de huisbezoeken deed ik twee uur over een interview. Ik werd zowel bij het groepsinterview als bij de individuele interviews gastvrij ontvangen. Toch was er bij de vrouwen sprake van angst, vooral als hen werd verteld dat iemand langs zou komen voor een interview. Bij het woord ‘interview’, kwam het beeld van de televisie of het nieuws bij de ouderen naar boven. De ouderen werden van te voren door de sleutelfiguur en de tolk geïnformeerd waar het interview over zou gaan en wat er met het onderzoeksrapport gedaan zou worden. Volgens de sleutelfiguur zijn zij dit niet gewend. Dat geldt ook voor het filmen en het maken van foto´s. Ik heb daarom alleen gebruik gemaakt van een topiclijst en een memorecorder. Als interviewer is het van belang om de vragen uit te diepen. Bij het groepsinterview was het opvallend, dat respondenten hetzelfde antwoord gaven op de vraag. De vragen die gesteld werden waren hetzelfde maar werden anders geformuleerd. Daarbij hadden alle respondenten ruimte om een antwoord te geven. De tolk was de woordvoerder en vatte de antwoorden samen. Om te voorkomen dat het groepsproces niet negatief beïnvloed werd, was het verstandig om niet te vaak in herhaling te vallen. 34
  35. 35. 8.5 Steekproef wijzigingen Tijdens mijn onderzoek ben ik afgeweken van de steekproef. Het kwam niet overeen met de steekproef die staat beschreven in het plan van aanpak. Het streven was om zes mannen en zes vrouwen te interviewen in Stadsdeel Laak. Er zijn uiteindelijk individueel drie vrouwen geïnterviewd en er heeft een groepsinterview van 10 mannen plaatsgevonden. De interviews bij de mannen waren in twee termijnen van een uur afgenomen omdat zij verbonden waren aan een dagprogramma. Het plan was eerst dat er twaalf respondenten geïnterviewd zouden worden. Er zijn uiteindelijk dertien respondenten geïnterviewd. Daarnaast is er contact geweest met mensen uit zijlijn. Het betreft dan niet om de doelgroep van het onderzoek, maar om de mensen die indirect betrokken waren bij de doelgroep. Er is contact geweest met een vrijwilliger van het vadercentrum, de ouderenwerker stadsdeel Laak en een mevrouw uit de Marokkaanse gemeenschap. Er zijn geen professionals geïnterviewd omdat de ouderen in dit onderzoek centraal staan. 8.6 Validiteit De validiteit van dit onderzoek wordt bepaald door de keuze van de vragen en de betrouwbaarheid van de informatie van de respondenten. De vragen zijn goedgekeurd bij de start van dit onderzoek. De antwoorden zijn valide omdat de combinatie van spontaniteit, culturele inbedding en de relaties met de intimi geloofwaardig zijn met betrekking tot de personen. Daarnaast hadden de verhalen inhoudelijk geen tegenspraak. 35
  36. 36. 9. Resultaten van de interviews 9.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de resultaten uit de interviews in kaart gebracht. Er is per topic ingegaan op de antwoorden van de respondenten. De respondenten zijn de ouderen uit de Marokkaanse gemeenschap. Tevens zullen de antwoorden per sekse weergeven worden. De resultaten zullen eerst per topic toegelicht worden, gevolgd door de resultaten uit de analyse. 9.2 Resultaten van de vrouwen uit de Marokkaanse ouderengemeenschap De interviews met de vrouwen zijn afgenomen via huisbezoeken in stadsdeel Laak. De interviews zijn individueel in aanwezigheid van een tolk afgenomen. 9.2.1. Heden Topic: Achtergrond? Alle drie de vrouwen komen uit een klein dorpje. Twee van de vrouwen komt uit Ait Ali en één komt uit Nador. De vrouwen komen allen uit grote gezinnen. Daarbij hebben zij ook een eigen gezin van minimaal vier kinderen tot maximaal acht kinderen. Bij respondent 2 wonen al haar vier kinderen in Nederland. Bij respondent 1 woont één van haar dochters in Duitsland en de rest van haar kinderen waarvan drie zonen en vier dochters in Nederland. Van respondent 3 wonen twee zonen in Nederland en twee zonen en een dochter in België. Respondenten 1 en 3 wonen 35 jaar in Nederland, dat betekent dat zij ongeveer in 1978 naar Nederland zijn gekomen. Respondent 2 is in de jaren 70 naar Nederland gekomen. Geen van de drie respondenten heeft in haar jeugd onderwijs gevolgd. Topic: Behoeftes en belangen Alle respondenten die geïnterviewd zijn benoemen dat zij behoefte hebben aan meer sociale contacten en gezelschap om de dag door te komen. Zij verlangen naar het gezelschap van vroeger toen zij nog in het dorp woonden. Daarnaast willen zij graag dat de kinderen hen vaker komen opzoeken. Wat de respondenten ook herhaaldelijk benoemden is zelfstandigheid, vooral om zelf naar buiten te kunnen gaan. Tevens gaven alle drie de respondenten als antwoord, dat zij graag een ontmoetingsplek willen van hun eigen leeftijdsgenoten en cultuur. De respondenten noemden ook lichaamsbeweging en bezig zijn om niet meer alleen de hele dag binnen te zitten. Eén van de drie respondenten heeft het verlangen om te verhuizen omdat het huis te duur is en omdat het huis niet geschikt is voor haar lichamelijke toestand. Eén van de drie respondenten maakt zich zorgen om haar zoon, het zou niet goed met hem gaan omdat hij geen school heeft afgemaakt. Zij heeft te behoefte om haar zoon bij te kunnen staan. Door haar lichamelijke beperking heeft ze het gevoel dat ze weinig voor hem kan betekenen. Respondent 3 heeft nog een partner die bij haar thuis woont maar het samenzijn vergaat niet meer zoals vroeger. Bij de andere twee respondenten is de partner recent overleden. Hun partner was op dat moment het belangrijkste in hun leven, vooral omdat zij lang bij elkaar waren. Beide respondenten zitten nog in hun rouwperiode. 36
  37. 37. Bij respondent 3 zijn haar kinderen en gezondheid belangrijk in haar leven. Maar gezondheid vindt zij belangrijker omdat haar kinderen maar heel kort op bezoek komen en dan weer weggaan. Bij Respondent 2 is het zorgen voor haar konijnen belangrijk. Respondent 2 heeft tevens behoefte aan zorg van haar eigen cultuur. Haar dochter vindt het belangrijk dat er in de Marokkaanse cultuur voor elkaar gezorgd wordt. Ook vindt zij het belangrijk dat er naast de thuiszorg nog iemand van de familie erbij is om een oogje in het zeil te houden.” Topic: dagbesteding Het is opvallend dat de respondenten niet veel te vertellen hebben over hun dagbesteding. Respondent 1 begint de dag door vroeg op te staan. Ze staat om 6:00 uur op om de zonsopgang te zien. Vervolgens gaat ze ontbijten en ten slotte brengt ze de dag door binnen in haar rolstoel. Ze gaat één keer in de week naar het Moedercentrum De Koffiepot waar ze ook niet meer regelmatig komt omdat ze niet mobiel is. In Marokko komt haar schoonfamilie langs en krijgt ze genoeg hulp. Respondent 2 brengt grotendeels haar dag door met haar konijnen en binnenshuis. Ze komt niet naar buiten. Respondent 3 staan om 9:00 uur op, gaat douchen en zit vervolgens de hele dag binnen op de bank. Ze gaf aan dat ze snel buiten adem is als ze korte afstanden loopt in huis. Uit het interview blijkt dat respondent 1 in Nederland weinig sociale contacten heeft in tegenstelling met Marokko waar haar schoonfamilie langs komt. Respondent 2 heeft haar konijnen voor de afleiding en respondent 3 heeft geen specifieke bezigheid genoemd. Topic: “Zelf doen” “Zelf doen” is wanneer ik zelfstandig naar buiten kan lopen. Wat ik nog zelf kan doen, doe ik nog steeds heel weinig, soms kan ik wel zelf eten maken” Respondent 1 en 2 verstonden onder “Zelf doen”dat je dingen nog zelf kunt zonder belemmeringen. Respondent 3 gaf als antwoord dat ze nog weinig kon. Respondent 1 benoemde haar zelfredzaamheid die ze had voordat ze afhankelijk werd van haar rolstoel. Ze gebruikte eerst een rollator om naar de supermarkt te kunnen voor haar boodschappen. Haar dochter beaamt dat ze haar moeder zoveel mogelijk zelf dingen wilt laten doen zover dat mogelijk is. Ze kan nog wel koken maar heeft daar ondersteuning bij nodig. Omdat de respondent een kunstheup heeft en in een rolstoel zit, kan ze niet meer zelfstandig naar de supermarkt lopen. Ze heeft overigens geen rechter heup waardoor ze niet kan lopen. Respondent 1 heeft te kampen met multimorbiditeit. Ze benoemd dat ze een pacemaker heeft en diabetes. Daarnaast kreeg ze complicaties van haar kunstheup. De respondent benoemde tevens haar afhankelijkheid, vooral toen ze kort in een verpleeghuis verbleef om te revalideren. Daarnaast benoemde ze ook haar afhankelijkheid in het ordenen van de administratie. De administratie wordt bijgehouden door haar schoonzus die tevens haar mantelverzorger is. In het interview werd ook gesproken over analfabetisme. De respondent kan niet lezen of schrijven. Cijfers kan ze ook niet lezen. Ook hier benoemt de respondent dat ze afhankelijk is van haar dochter. Respondent 2 benoemde in het interview wat ze nog wel dingen zelf kon doen. Ze kan met ondersteuning nog zelf douchen en koken. Taken waar ze moet bukken, doet zij niet zelf. Volgens haar dochter durft haar moeder wel om hulp durft te vragen maar dat de taal een belemmering is vanwege de culturele achterstand. Met zware dingen krijgt de respondent wel hulp van haar dochter maar probeert zelf zo veel mogelijk te doen om haar actief te houden. 37

×