Strookmodel Diaselectie module 1

580 views

Published on

Het strookmodel

Published in: Education
0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
580
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
45
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Strookmodel Diaselectie module 1

  1. 1. HetStrook-ModelLionelKole,2013Module 1:De vier basisbewerkingenWorkshop Amsterdam
  2. 2. Inhouden• Inzicht, flexibiliteit, toepassen & voorstellen• Rekenproblemen & rekenvraagstukken• C-R-A & handelingsmodel• Stappenplan probleemoplossen &Drieslagmodel• Deel-geheelmodel & Vergelijkingsmodel• Drie categorieën probleemsituaties• Toepassingen van de vier basisvaardigheden bijenkelvoudige- en samengestelde opgaven
  3. 3. Eén van de hoofddoelstellingen• De leerlingen verwerven inzicht in devier basisbewerkingen.• Kunnen deze basisbewerkingen vlot eninzichtelijk uitvoeren.• Kunnen zich iets voorstellen bij dezebewerkingen en deze efficiënt inzetten inallerlei toepassingssituaties.
  4. 4. Kerndoelen Primair onderwijs
  5. 5. Toepassingsopgaven• Rekenprobleem• Rekenvraagstuk– Enkelvoudige opgaven– Samengestelde opgavenHogere denkvaardighedenLagere denkvaardigheden
  6. 6. Rekenproblemen
  7. 7. Rekenvraagstukken & contexten• Verbaal gepresenteerd probleem, waarinéén of meerdere bewerkingen metgetalsmatige gegevens moet wordenuitgevoerd.• Binnen schoolse context.
  8. 8. Drie representatiestadia• Enactive representation(motorische ervaring + fysieke objecten)• Iconic representation(afbeeldingen, tekeningen en schema’s omkennis voor te stellen)• Symbolic representation(kennis via een formeel symbolensysteem)
  9. 9. • Annemieke heeft 9 knikkers en Daniëlleheeft er 6. Hoeveel knikkers hebben demeisjes in totaal?• Annemieke heeft 3 knikkers meer danDaniëlle. Als Annemieke 9 knikkers heeft,hoeveel knikkers heeft Daniëlle dan?Twee vergelijkbare modellen:
  10. 10. 9 6Deel-geheelmodel
  11. 11. ? 39ADDDAAVergelijkingsmodel
  12. 12. Van doen naar representerennaar symboliseren
  13. 13. Fysieke objecten & visuelemodellen zijn een platform om:• Relaties te beschouwen en begrijpen..• Een koppeling te vinden met eigenintuïtieve ideeën..• Astract te redeneren..
  14. 14. Drie categorieënprobleemsituaties• Combinatiesituaties(afzonderlijke hoeveelheden vormen eengecombineerde hoeveelheid)• Vergelijkingssituaties(afzonderlijke hoeveelheden worden onderlingvergeleken + verschil tussen de hoeveelheden)• Veranderingssituaties(starthoeveelheid, veranderingshoeveelheid ende eindhoeveelheid)
  15. 15. 1) Deel + deel = geheel2) Geheel – deel = deelgeheeldeel deelCategorieën enkelvoudige opgaven
  16. 16. Er namen 124 jongens en 109 meisjes deelaan de nationale zwemdagen. Hoeveelkinderen deden in totaal mee aan dezezwemdagen??124 jongens 109 meisjesType 1
  17. 17. Er namen in totaal 233 kinderen deel aande nationale zwemdagen. Als er 124jongens meededen, hoeveel meisjesdeden mee aan deze zwemdagen?233124 jongens ? meisjesType 2
  18. 18. Voor 2 appels en 1 tros bananenbetaal je € 4,-. Voor 2 appels en 3trossen bananen betaal je € 9.Hoeveel euro ben je kwijt voor 1appel?Samengestelde opgave 1
  19. 19. € 9,-€ 4,-
  20. 20. € 4,-€ 9,-€ 2,50€ 4,-€ ?
  21. 21. Ik denk aan drie verschillendegetallen. Als ik telkens twee getallenbij elkaar optel, zijn de sommenrespectievelijk 49, 57 en 64. Wat zijndeze drie getallen?Samengestelde opgave 2
  22. 22. Onze mentale voorstelling vanhet probleem ontwikkelen…
  23. 23. Systematische probleemaanpak1. Het probleem lezen & begrijpen2. Een plan maken3. Plan uitvoeren/berekenen4. Controle + reflectieCheckAnderPlan?
  24. 24. Het drieslagmodel (ERWD)
  25. 25. Drie getallen…Verschillend qua grootte…
  26. 26. Drie sommen…Verschillend qua grootte…644957
  27. 27. Herschik dedrie sommen…644957
  28. 28. Overeenkomsten verschil…644957
  29. 29. Gelijke eenheden..6449113 - 572 eenheden  561 eenheid 56 ÷ 2= 2849 – 28 = 2164 – 28 = 36
  30. 30. 1) gr. hoeveelheid - kl. hoeveelheid = verschil2) kl. hoeveelheid + verschil = gr. hoeveelheid3) gr. hoeveelheid – verschil = kl. hoeveelheidgrotere hoeveelheidkleinere hoeveelheid verschilCategorieën enkelvoudige opgaven
  31. 31. Bereken het gewicht van A.Samengestelde opgave 2
  32. 32. 1) Aantal delen × een deel = geheel2) Geheel ÷ aantal delen = één deel3) Geheel ÷ één deel = aantal delengeheeldeelCategorieën enkelvoudige opgaven
  33. 33. 5 kinderen besluiten onderling eerlijk dekosten voor een cadeau te delen.Als elk van hen 6 euro moest betalen, hoeduur was het cadeau dan?€ ?€ 6Type 1
  34. 34. 5 kinderen kochten samen een cadeau voor30 euro. Ze besloten onderling eerlijk dekosten te delen. Hoeveel moest elk van henbijdragen?€ 30€ ?Type 2
  35. 35. Een groep kinderen kochten samen eencadeau voor 30 euro. Als een ieder 6 eurobetaalde, uit hoeveel kinderen bestonddeze groep dan?€ 30€ 6Type 3
  36. 36. Bereken het gewicht van A.Samengestelde opgave 1
  37. 37. 1) gr. hoeveelheid ÷ kl. hoeveelheid = veelvoud2) kl. hoeveelheid × veelvoud = gr. hoeveelheid3) gr. hoeveelheid ÷ veelvoud = kl. hoeveelheidgrotere hoeveelheidkleinere hoeveelheidCategorieën enkelvoudige opgaven
  38. 38. Een boer heeft 7 stieren en 35 koeien. Hoeveelkeer zoveel koeien als stieren heeft de boer?35 koeien7 stierenType 1
  39. 39. Een boer heeft 7 stieren. Hij heeft 5 keer zoveelkoeien als stieren. Hoeveel koeien heeft deboer?? koeien7 stieren1 eenheid  75 eenheden  5 × 7Type 2
  40. 40. Een boer heeft 35 koeien. Hij heeft 5 keer zoveelkoeien als stieren. Hoeveel stieren heeft deboer?35 koeien? stieren5 eenheden  351 eenheid  35 5Type 3
  41. 41. Ali scoorde 3 keer zoveel punten alsBas. Bas scoorde 200 punten minderdan Cas en Cas scoorde 50 puntenmeer dan Ali. Bereken de totaalscorevan deze drie jongens.Samengestelde opgave 2
  42. 42. 2 eenheden  200 – 50 = 1504 eenheden  2 × 150 = 300 (Ali & Bas)Aantal punten Cas = 200 + (150 ÷ 2) = 275xAliBasCas200 ?503x + 50 = x + 200
  43. 43. Pakje A is 4 keer zo zwaar als pakjeB. Bereken het gewicht van pakje C.Samengestelde opgave 3
  44. 44. Veranderingsproblemen meteen onbekende starthoeveelheid• Nadat Nora nog 19 punten behaalde bijeen spel, had ze een totaal van 217punten. Hoeveel punten had Nora eerst?x + 19 = 217, dus 217 – 19 = x• Josje had wat knikkers. Nadat zij 13knikkers had verloren aan Anne, had zijnog 5 knikkers over. Hoeveel knikkershad Josje aanvankelijk?x – 13 = 5, dus 5 + 13 = x
  45. 45. Een bloemist had evenveel roderozen als witte rozen. Hij verkocht624 rode rozen, waarna hij precies 4keer zoveel witte als rode rozenoverhield. Hoeveel rozen had hijvoor de verkoop?Veranderingssituatie 1
  46. 46. 3 eenheden  6241 eenheid  624 ÷ 3 = 2088 eenheden  8 × 208rood?624witroodwitVoorNa

×