MET RAAD EN DAADeen onderzoek naar de kwaliteit van de adviezen inzake strafrechtelijke afdoening van              de Raad...
InhoudsopgaveLijst van gebruikte afkortingen                                        4Voorwoord en opdracht                ...
4.5 Knelpunten                                                          71        4.6 Conclusie                           ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Lijst van gebruikte afkortingenBARO:        BasisraadsonderzoekBJJI: ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Voorwoord en opdrachtVoor u ligt de scriptie waarmee ik mijn master N...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -InleidingJeugdcriminaliteit is een groot en ernstig probleem. Het is ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -getoetst. Op basis van de geconstateerde knelpunten die voortkomen ui...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -1. Taken Raad voor de Kinderbescherming1.1 InleidingDe Raad voor de K...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Raad voor de Kinderbescherming locatie ‘s-Hertogenbosch de regio Oost...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -te voldoen’, zo gaat het voorwoord verder, ‘is de Raad voor de Kinder...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -genoemd als grondslag, maar het Wetboek van Strafvordering en Strafre...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -begrippen “voorlichting, advies en selectie”. In de conceptversie van...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -achterliggende problematiek en of hulpverlening noodzakelijk is. Deze...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -hulpverlening.33 Niet alleen ten aanzien van de rapportage basisonder...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -In deze scriptie staat het advies inzake strafrechtelijke afdoening c...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -jeugdige omvat die tijdens het plegen van het strafbaar feit ‘de leef...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -strafadvies wordt verwezen naar hoofdstuk 4.43 Zie voor aanbevelingen...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -nazorg wordt gevolgd en anderzijds beleidsregie, met als doel het bel...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -in afdoening en hulpverlening.52 Uit het Evaluatie Casusoverleg Jeugd...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -uitvoering, waarin de rapportage inclusief het afdoeningsadvies door ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -vallende advies zal in deze scriptie verder niet worden behandeld.61 ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -2. Gronden en grenzen raadstaken2.1 InleidingIn dit hoofdstuk wordt h...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -officier van justitie en de rechter vallen, hebben dientengevolge pri...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -In het tweede lid van artikel 40 IVRK staan de in acht te nemen waarb...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -deze beperking noodzakelijk is op grond van de in lid 2 vermelde geva...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Karaktertrekken nationaal jeugdstrafrechtHet jeugdstrafrecht verschil...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -van de speciale preventie meer voorop dan bij de berechting van meerd...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -belangen van het kind, het gezin en de maatschappij – pedagogisch de ...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -afdoening, of zoals bij de gedragsmaatregel, voor bepaalde voorwaarde...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -werd als volgt uitgewerkt. Na de invoering van de artikelen 488a en 4...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -afgedaan; als ook door het opstellen door een briefrapport, waarin ko...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -reactie dient duidelijk pedagogisch te zijn bij jongere kinderen, dan...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -delinquenten’107 zijn voorbeelden van onderzoeken naar de effectivite...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -3. Raadsrapportage en advies strafrechtelijke afdoening3.1 InleidingI...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -onderzoek van de Raad is het in laatstgenoemde twee gevallen echter n...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -gebaseerd op pedagogische overwegingen, ten behoeve van de beslissing...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Ten slotte wordt hier de eis besproken die stelt dat de Raad een kwal...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -kwaliteitseis H. 2.2 onder d)126 en tot slot de richtlijn die voorsch...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -de raadsonderzoekers lager te maken. Niettemin zullen raadsonderzoeke...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Op deze plaats wordt er aan herinnerd dat de rapportage niet altijd w...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -modaliteiten uit het civiele hulpverleningstraject. Ook de BARO Handl...
- Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -rapportage soms te eenzijdig het standpunt van de jongere naar voren ...
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Scriptie Rvd K 2008 Lev
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Scriptie Rvd K 2008 Lev

1,582 views

Published on

Master Thesis by Leanne Valom LLM, Tilburg University 2008

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,582
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
21
Actions
Shares
0
Downloads
5
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Scriptie Rvd K 2008 Lev

  1. 1. MET RAAD EN DAADeen onderzoek naar de kwaliteit van de adviezen inzake strafrechtelijke afdoening van de Raad voor de Kinderbescherming te ‘s-Hertogenbosch door Leanne Valom (ANR 67.27.03) scriptie in de strafrechtswetenschappen te verdedigen tegenover deExamencommissie van de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Tilburg (mr. V.M. Smits en prof. mr. P. Vlaardingerbroek) op dinsdag 16 december 2008, om 14:00 uur
  2. 2. InhoudsopgaveLijst van gebruikte afkortingen 4Voorwoord en opdracht 5Inleiding 61. Taken Raad voor de Kinderbescherming 8 1.1 Inleiding 8 1.2 Uitvoering wettelijk takenpakket 8 1.3 Algemene taken 9 1.4 Strafrechtelijke taken 10 1.5 Het rapportagetraject 18 1.6 Conclusie 212. Gronden en grenzen Raadstaken 22 2.1 Inleiding 22 2.2 Grenzen 22 2.3 Gronden 25 2.4 Ontwikkelingen rapportage- en adviestaak 29 2.5 Conclusie 333. Raadsrapportage en advies strafrechtelijke afdoening 34 3.1 Inleiding 34 3.2 Raadsrapportage 34 3.3 Advies strafrechtelijke afdoening 40 3.4 Adviezen aan de officier van justitie en de kinderrechter 46 3.5 Kwaliteitseisen 49 3.6 Conclusie 534. Kwaliteit onderzochte adviezen 54 4.1 Inleiding 54 4.2 Opzet rapportageonderzoek 54 4.3 Formulering 55 4.4 Motivering 59
  3. 3. 4.5 Knelpunten 71 4.6 Conclusie 735. Verbeterpunten en suggesties 75 5.1 Inleiding 75 5.2 Richtlijnen Raadsbesluiten 75 5.3 Formulering 84 5.4 Motivering 85 5.5 Conclusie 88Conclusie 90Literatuurlijst 91Geraadpleegde Raadsdocumenten 93Bijlagen 95 Bijlage 1: Rapportageformat basisonderzoek strafzaken Bijlage 2: De geldende kwaliteitseisen ten aanzien van de adviezen inzake strafrechtelijke afdoening Bijlage 3: Voorgestelde kwaliteitseisen ten aanzien van de adviezen inzake strafrechtelijke afdoening
  4. 4. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Lijst van gebruikte afkortingenBARO: BasisraadsonderzoekBJJI: Beginselenwet Justitiële JeugdinrichtingenEVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de MensIVRK: Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het KindJCO: Justitieel CasusoverlegLMT: Landelijk Management TeamNormen-II: Normen 2000, versie 2OvJ: Officier van JustitieOM: Openbaar MinisterieRvdK: Raad voor de KinderbeschermingSv: Wetboek van StrafvorderingSr: Wetboek van Strafrecht 4
  5. 5. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Voorwoord en opdrachtVoor u ligt de scriptie waarmee ik mijn master Nederlands recht, accent strafrechtafsluit. Deze scriptie is voortgevloeid uit een stageperiode bij de Raad voor deKinderbescherming in ’s-Hertogenbosch. Van 26 februari tot en met 26 mei 2008 heb ikdaar de kans gekregen om te onderzoeken wat de rol is van de Raad in jeugdstrafzaken,hoe de strafrechtelijke rapportages worden gemaakt en hoe het advies op basis daarvantot stand komt. Bovendien heeft deze stage-ervaring me laten inzien hoe de ‘regeltjesvan bovenaf’ doorwerken in de praktijk en hoe daarmee wordt omgegaan. Ik ben hetrecht daardoor met andere ogen gaan bekijken. Ik ben door de stage steeds meerovertuigd geraakt van de onmisbare rol die de organisatie speelt in dejeugdhulpverlening in zijn geheel. De Raad is de spin in het web; een duizendpoot.Vanwege de vele taken en functies die de Raad uitvoert, is het niet mogelijk om in eenbetrekkelijk korte periode alle facetten eigen te maken. Wel heb ik zoveel mogelijk inmij opgenomen en heb ik mij tijdens mijn stageperiode gefocust op de rapportages opstrafrechtelijk gebied om de opdracht te vervullen die de Raad bij mij had neergelegd:onderzoek uitvoeren naar de juridische waarde van de raadsadviezen op strafrechtelijkgebied.Er zijn veel mensen die hun medewerking hebben verleend bij de totstandkoming vandeze scriptie. Ik bedank mevrouw V.M. Smits voor het regelen van een stageplek envoor de begeleiding in de beginfase van mijn scriptie. Voorts bedank ik meneer W.Bekker voor de begeleiding op de Raad en voor alle zittingen en trainingen die ik hebmogen bijwonen. Ik wil de raadsonderzoekers bedanken van wie ik enkele rapportagesheb mogen onderzoeken. Tevens wil ik alle overige medewerkers van de Raadbedanken voor hun uitleg en hun tijd. Ik bedank professor mr. P. Vlaardingerbroek voorde begeleiding van mijn scriptie. Door zijn opbouwende kritiek en zijn kijk op hetjeugdstrafrecht en de jeugdhulpverlening heeft hij mij andere inzichten gegeven die ikheb kunnen meenemen in mijn scriptie. Tot slot bedank ik mijn ouders, die mijn scriptiehebben mogelijk gemaakt. Niet alleen financieel gezien, maar ook door hun steun enaandacht.Leanne Valom 5
  6. 6. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -InleidingJeugdcriminaliteit is een groot en ernstig probleem. Het is belangrijk om kinderen die inaanraking komen met het jeugdstrafrecht te beschermen en ze op het rechte pad tehelpen. Dat is de hoofdtaak van de Raad voor de Kinderbescherming: het beschermenvan kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.1Op strafrechtelijk gebied is één van de taken van de Raad het opstellen van rapportagesteneinde de persoonlijke en de levensomstandigheden van het kind te beschrijven.2 Opbasis van deze rapportages geeft de Raad een advies over de wenselijke afdoening. DeRaad adviseert verschillende justitiële instanties, waaronder de officier van justitie en dekinderrechter. Deze verschillende instanties zijn afhankelijk van de rapportages enhechten veel waarde aan het daarop gebaseerde advies. Het is daarom van belang dat deraadsrapportages, met inbegrip van de adviezen, van een zo hoog mogelijke kwaliteitzijn. In deze scriptie ligt de focus op het advies. Om de kwaliteit van het advies tevergroten zijn de volgende aspecten van belang:- Goede adviezen zijn goed gemotiveerd. Uit de motivering van de adviezen dient tevolgen waarom de geadviseerde afdoening in het belang is van het kind en om welkeredenen deze afdoening aan de juridische gronden voldoet. Dergelijke motivering isbelangrijk, omdat de instanties aan wie het advies is gericht op de juiste gronden hetadvies al dan niet kunnen overnemen.- Goede adviezen zijn goed geformuleerd. De formulering van de adviezen dienenduidelijk, eenduidig, concreet, zorgvuldig en juridisch correct te zijn.- Uiteindelijk komt kwalitatief hoogstaande advisering ten goede aan het criterium datop grond van internationaal recht als eerste ter overweging dient te worden genomen:het belang van het kind.3Deze scriptie beschrijft de gang van zaken bij de Raad voor de Kinderbescherming te’s-Hertogenbosch, met name voor wat betreft het advies inzake strafrechtelijkeafdoening. Het brengt de kwaliteitseisen in kaart die gelden ten aanzien van destrafrechtelijke afdoeningsadviezen, waaraan tevens enkele rapportages worden1 Normen 2000 versie 2, voorwoord.2 Artikel 494 Sv ten aanzien van de officier van justitie; artikel 498 Sv ten aanzien van het gerecht.3 Artikel 3 IVRK. 6
  7. 7. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -getoetst. Op basis van de geconstateerde knelpunten die voortkomen uit ditrapportageonderzoek worden er suggesties gedaan om de kwaliteit van de adviezeninzake strafrechtelijke afdoening te vergroten. Deze scriptie heeft tot doel:Na te gaan in hoeverre de adviezen inzake strafrechtelijke afdoening van de Raadvoor de Kinderbescherming te ’s-Hertogenbosch voldoen aan de geldendekwaliteitseisen en na te gaan in hoeverre er verbeteringen zijn aan te brengen in destrafrechtelijke advisering.Ter beantwoording van deze onderzoeksvraag is zowel literatuur- als dossieronderzoekverricht. In hoofdstuk 1 wordt het takenpakket van de Raad voor de Kinderbeschermingbesproken, waarbij de focus ligt op de strafrechtelijke taken. De plaats van derapportage- en adviseringstaak in strafzaken wordt hierdoor in een ruimere contextgeplaatst. In hoofdstuk 2 worden de gronden van de strafrechtelijke rapportagetaakuiteengezet, als ook de grenzen die de Raad voor de Kinderbescherming in acht dient tenemen bij de uitoefening van zijn taken. In hoofdstuk 3 wordt de rapportage en hetadvies inzake strafrechtelijke afdoening belicht. De kwaliteitseisen waaraan deraadsrapportages dienen te voldoen en het daaruit voortvloeiende afdoeningsadvies,zullen in dit hoofdstuk worden beschreven. In hoofdstuk 4 worden de uitkomstenbeschreven op basis van het onderzoek van dertig rapportages op de geldendekwaliteitseisen, als ook de daaruit volgende knelpunten. In hoofdstuk 5 worden ervoorstellen gedaan om het kwaliteitsniveau van de adviezen te verhogen. Deze scriptiewordt afgesloten met een conclusie, waarin de belangrijkste uitkomsten uit deze scriptiebetreffende de strafrechtelijke advisering worden besproken. 7
  8. 8. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -1. Taken Raad voor de Kinderbescherming1.1 InleidingDe Raad voor de Kinderbescherming heeft een divers takenpakket, zo is in de inleidingreeds aangekondigd. Om inzicht te krijgen in de plaats die de strafrechtelijke adviestaakinneemt, worden in dit hoofdstuk de hoofdlijnen van het takenpakket van de Raadgeschetst. De taken van de Raad komen globaal aan bod. De strafrechtelijke taken zijnverder uitgediept. Tot slot wordt het rapportagetraject beschreven om meer inzicht tegeven in de strafrechtelijke deeltaken voorlichting, advies en selectie. Deze deeltakenstaan immers centraal in deze scriptie.1.2 Uitvoering wettelijk takenpakketAlvorens het takenpakket van de Raad voor de Kinderbescherming uiteen te zetten, ishet nuttig om in deze paragraaf enkele opmerkingen gemaakt over deorganisatiestructuur van de Raad, alsmede de beleidsdocumenten waarmee wordtgewerkt. Enkele algemene opmerkingen omtrent de organisatie zijn noodzakelijk omeen goed beeld te krijgen van de Raad en zijn taken.Sinds 1996 is er één Raad voor de Kinderbescherming.4 Voor die tijd was deorganisatiestructuur anders en waren er voogdijraden en raden voor dekinderbescherming.5 De raadstaken zijn overgenomen door één uitvoeringsorganisatiedie verantwoordelijk is voor de uitvoering van het beleid. Artikel 1 van hetOrganisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming bepaalt dat de Raad voor deKinderbescherming is gevestigd te Utrecht, waar tevens de landelijke directie isgezeteld.6 De Raad heeft een landelijk bureau en is werkzaam in dertien regio’swaarbinnen een of meer locaties de wettelijke taken en bevoegdheden van de Raaduitoefenen.7 Het landelijk bureau heeft tot taak de landelijke directie en de regio’s teondersteunen in de uitvoering van hun werkzaamheden. Om een beeld te geven waar hetdossieronderzoek is verricht, wordt op deze plaats volstaan met de opmerking dat de4 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 751.5 Zie 2.4.6 Artikel 1 lid 1 en lid 2 Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming 2006.7 Artikel 2 lid 1 Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming 2006. 8
  9. 9. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Raad voor de Kinderbescherming locatie ‘s-Hertogenbosch de regio Oost-Brabantbetreft.8De wijze waarop het uitvoerend werk van de Raad geschiedt, is vastgelegd in de‘Beleidsregels betreffende de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming’,oftewel Normen 2000, versie 2. Dit is een algemene aanwijzing van de minister vanJustitie als bedoeld in artikel 3 van het Organisatiebesluit Raad voor deKinderbescherming.9 Deze beleidsaanwijzingen zijn bindend en worden in deze scriptieveelvuldig aangehaald.10Normen 2000-II zal worden herzien. Het Normen-rapport dateert uit april 2003 en isinmiddels op sommige onderdelen niet meer actueel. Bovendien is er reden totherziening, omdat Normen 2000-II binnen de Raad te algemeen werd bevonden vooreen algemene aanwijzing.11 Normen 2000-II bestaat uit één document. De herzieningzal bestaan uit een kwaliteitskader12 en aanhangende protocollen. Deze protocollen gaanop een meer gedetailleerd niveau in op specifieke categorieën.13 Een voorbeeld hiervanis het protocol Strafzaken. In dit onderzoek wordt regelmatig een uitstapje gemaakt naarhet Kwaliteitskader en het aanhangende Strafprotocol, om na te gaan of de hernieuwdedocumenten een gerezen probleem ondervangen.1.3 Algemene taken‘De overheid heeft de verplichting om kinderen te beschermen die ernstig in hunontwikkeling worden bedreigd’, zo begint het voorwoord van Normen 2000-II.14 Teneinde deze verplichting te voldoen, heeft de overheid de Raad voor deKinderbescherming ingesteld. De bevoegdheid tot ingrijpen in het leven van familie enkind wordt gelegitimeerd door de noodzaak op te komen voor de kinderen van wie hetrecht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheidernstig worden bedreigd, de zogenaamde waarborgfunctie.15 ‘Om aan deze verplichting8 De tekst betreffende de organisatiestructuur van de Raad voor de Kinderbescherming is mede opgesteldop grond van Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 752.9 Artikel 3 Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming 2006.10 Normen 2000 versie 2, voorwoord.11 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 2.12 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 4.13 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 2.14 Normen 2000 versie 2, voorwoord.15 Normen 2000 versie 2, H 2. 9
  10. 10. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -te voldoen’, zo gaat het voorwoord verder, ‘is de Raad voor de Kinderbescherming alsoverheidsorganisatie met een aantal wettelijke taken belast die erop gericht zijn debelangen van minderjarigen te beschermen. De Raad kan deze taken en bevoegdhedenter bescherming van de rechten en belangen van het kind, onder meer door het doen vanonderzoek, ook ongevraagd uitoefenen. De Raad dient de taken op zorgvuldige,deskundige en kenbare wijze uit te voeren.’16 In het voorwoord van Normen 2000-IIworden vervolgens de taken van de Raad voor de Kinderbescherming vermeld. Dit zijnbeschermingstaken (onderzoek, rekwestreren, adviseren en toetsing); civieleadviestaken (onderzoek en advisering), inclusief scheidings- en omgangszaken(onderzoek, inclusief bemiddeling en advisering) en tot slot de in deze scriptie centraalstaande straftaken (onderzoek, voorlichting, coördinatie taakstraffen en casusregie).1.4 Strafrechtelijke takenHoewel de Raad voor de Kinderbescherming het meest ervaren is met en een langeregeschiedenis kent op civiel gebied,17 is de Raad op strafrechtelijk gebied een steedsbelangrijkere rol gaan innemen. Dit is een ontwikkeling die past binnen de ideeën vande Commissie Van Montfrans, een in 1993 ingestelde commissie om dejeugdcriminaliteit aan te pakken:18 ‘De commissie pleit ervoor de strafrechtelijke takenvan de Raad voor de Kinderbescherming te intensiveren. Dit geldt niet alleen voor designalerings- en voorlichtingstaak in geval van proces-verbaal wegens een strafbaar feit,maar tevens ten aanzien van de coördinatie van taakstraffen en de regiefunctie bijjeugdreclassering. Deze regiefunctie betreft zowel de individuele casus, als ook hetoverleg en de afstemming met onder andere politie, rechterlijke macht, gezinsvoogdij-instellingen, reclassering en (jeugd)hulpverlening.’19De Raad speelt op civielrechtelijk gebied van oudsher een grote rol. Ten opzichte vande civielrechtelijke taken, schenkt Normen 2000-II relatief weinig aandacht aan destrafrechtelijke taken. Bij de grondslag en legitimatie als ook bij de kwaliteitseisen,worden de strafrechtelijke taken niet expliciet genoemd. Het Burgerlijk Wetboek wordt16 Normen 2000 versie 2, voorwoord.17 Zie voor meer informatie over dit onderwerp: H. Hermans, De Raad voor de Kinderbescherming,Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1984.18 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie Van Montfrans), p. 3. Zie 2.4.19 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie Van Montfrans), p. 38; WODC-rapport 2001,p. 62. 10
  11. 11. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -genoemd als grondslag, maar het Wetboek van Strafvordering en Strafrecht niet.20 Datde Raad meer aandacht geeft aan civielrechtelijke taken schemert ook nu nog door in deformulering zoals gebruikt in het Kwaliteitskader, namelijk dat er op strafrechtelijkgebied ‘eveneens een taak ligt’.21De Raad treedt op bij minderjarigen, in beginsel jeugdigen tussen twaalf en achttienjaar,22 die verdacht worden van het plegen van een misdrijf. In het geval vanovertredingen, waaronder relatief lichte delicten worden geschaard, wordt de Raaddoorgaans niet ingeschakeld, met uitzondering van schoolverzuim. De Raad probeert tevoorkomen dat de jeugdige in herhaling valt en neemt de pedagogische invalshoek alsuitgangspunt. Dit betekent enerzijds dat de Raad aandacht besteedt aan de achtergronden de ontwikkeling van de jeugdige en anderzijds dat de Raad advies geeft over eenstraf die gericht is op het verbeteren van het gedrag van de jeugdige. Het belang van hetkind staat hierbij voorop. De Raad gaat er van uit dat jeugdigen nog mogelijkhedenhebben op te veranderen.23 Deze beginselen zijn terug te vinden in artikel 40 IVRK.24De Raad voor de Kinderbescherming heeft op het terrein van jeugdstrafzaken driehoofdtaken.25 De eerste hoofdtaak omvat voorlichting, advies en selectie.26 Van dezedrie deeltaken staat de adviesfunctie in deze scriptie centraal. Als tweede hoofdtaakvoert de Raad de coördinatie uit van taakstraffen en regelt de tenuitvoerlegging daarvan.De derde hoofdtaak bestaat uit de uitvoering van regie, zowel in individuele zaken als inalgemene beleidsmatige zaken. Dit valt onder de noemer “casusregie”.27 De tweede ende derde hoofdtaak worden verder in dit hoofdstuk toegelicht. Nu eerst volgt eenverdere uitwerking van de eerst genoemde hoofdtaak.Voorlichting, advies en selectieDe eerste taak op strafrechtelijk gebied is die van onderzoek en advisering over deafhandeling van strafzaken tegen minderjarigen en kan worden samengevat met de drie20 Normen 2000 versie 2, H. 2.1 en 2.2.21 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 5.22 Artt. 77a, 77b en 77c Sr. De wet kent uitzonderingen op de leeftijdsgrens van achttien jaar.23 Landelijk Bureau RvdK, Wat doet de Raad voor de Kinderbescherming bij jeugdstrafzaken?.24 Zie 2.225 De indeling in drie straftaken is conform het Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 5; Normen2000 versie 2, H. 10; Protocol Strafzaken bij het Kwaliteitskader, p. 2.26 Normen 2000 versie 2, H 10.27 Normen 2000 versie 2, H 10.1; Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 1. 11
  12. 12. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -begrippen “voorlichting, advies en selectie”. In de conceptversie van het ProtocolStrafzaken bij het Kwaliteitskader staat dat de Raad in jeugdstrafzaken een wettelijkevoorlichtings- en adviestaak ten behoeve van de officier van justitie, de rechter-commissaris en de rechtbank heeft.28 In het Kwaliteitskader wordt een algemene grondgenoemd van de voorlichtings- en adviestaak, afgeleid van de internationaleverplichting minderjarigen te beschermen: ‘Aangezien bij het plegen van delicten doorde minderjarigen een evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid vaneen minderjarige onder druk kan komen te staan, ligt hier eveneens een taak voor deRaad voor de Kinderbescherming middels het adviseren [cursief van mij] vangerechtelijke autoriteiten.’29 Daaruit volgt dat de geadviseerdeafdoeningsmogelijkheden door de Raad moeten leiden tot een evenwichtigeontwikkeling van de jeugdige en uiteindelijk tot een zelfstandig persoon.De vraag kan worden opgeworpen of de wettelijke en exclusieve rapportage- enadviestaak ten aanzien van de officier van justitie en de rechter aan de Raad voor deKinderbescherming zou moeten zijn toebedeeld. Wortmann is van mening dat de Raadzijn unieke en wettelijke positie van voorlichter en adviseur van de rechter zou moetenbewaken en bewaren. Hij zegt tevens dat de Raad de meerwaarde van zijn positie alswettelijk adviseur moet waarmaken, omdat deze taak anders zou kunnen overgaan naareen andere instantie. Voor de strafrechtelijke advisering noemt hij dejeugdreclassering.30Naar mijn mening hoort de rapportage- en adviestaak bij de Raad thuis. De Raad is deschakel tussen hulpverlening en justitie en heeft overzicht over de gehele jeugdketen.De oriëntatie van de Raad op de justitiële instanties en de kennis over zowel justitiëleafdoening en hulpverlening maken dat de overname van deze taken door dejeugdreclassering een verslechtering zal inhouden. De jeugdreclassering heeft mijnsinziens te weinig overzicht en te weinig juridische kennis om de wettelijke adviestaakop zich te nemen.Naast de voorlichtings- en adviesfunctie heeft de Raad een selectiefunctie, waarbijbezien wordt of het criminele gedrag van de minderjarige een signaal is van28 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 2.29 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 4. Zie 2.3 voor de nationale wettelijke gronden.30 Wortmann 2006, p. 214. 12
  13. 13. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -achterliggende problematiek en of hulpverlening noodzakelijk is. Deze functie is ergbelangrijk, omdat de Raad deze kennis kan omzetten in daden, zodat de jeugdige weerop het rechte pad geraakt. Er zijn immers meer middelen om te reageren op het gedragvan een delinquente jeugdige dan die het jeugdstrafrecht aanreikt. In het civiele kaderkan ook hulp worden verleend. Met doorkruising van de civiele hulpverlening moet bijhet adviseren rekening worden gehouden. 31Ter uitvoering van de drie genoemde deeltaken voorlichting, advies en selectie, verrichtde Raad basisonderzoek en uitgebreid onderzoek. Het uitgangspunt is om eenbasisonderzoek uit te voeren. Ten eerste wordt het basisonderzoek in beginsel ingesteldin geval van een melding proces-verbaal door zowel politie als leerplichtambtenaar,waarbij een landelijk overdrachtsformulier, kortweg LOF, wordt opgemaakt. Tentweede wordt er een basisonderzoek verricht bij een melding inverzekeringstellingconform artikel 57 Sv.Er zijn uitzonderingen op het uitgangspunt in alle gevallen een basisonderzoek in testellen. Indien binnen zes maanden ten tijde voor de melding een basisonderzoek isingesteld, wordt er geen basisonderzoek uitgevoerd. Voorts wordt er geenbasisonderzoek gedaan indien de Raad binnen voornoemd termijn reeds eenverdergaande bemoeienis heeft (gehad), al dan niet via een strafzaak.32Uit het basisonderzoek volgt in beginsel een rapportage basisonderzoek strafzaken,welke een uitgebreide beschrijving bevat van de persoonlijkheid en delevensomstandigheden van de jeugdige. Niet in alle gevallen volgt een zeer uitgebreiderapportage. In sommige gevallen adviseert de Raad zelfs mondeling. In het geval vanrelatief lichte en eenvoudige zaken wordt er een briefrapport opgesteld. Indien er reedseen actuele basisrapportage beschikbaar is, wordt er doorgaans een verkorte rapportageopgemaakt. In de conceptversie van het Protocol Strafzaken is, in tegenstelling totNormen 2000-II, dit zogeheten briefrapport opgenomen. In het Protocol staat dat er eenbriefrapport wordt afgesloten indien er op grond van het basisonderzoek, zowel met alszonder toepassing van de BARO, geen reden is tot zorg of tot verwijzing naar de31 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1; Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 2.32 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1; Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 3. 13
  14. 14. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -hulpverlening.33 Niet alleen ten aanzien van de rapportage basisonderzoek strafzakengeldt dat de rapportage gebaseerd dient te zijn op pedagogische overwegingen enafgesloten moet worden met een afdoeningsadvies. Ook het briefrapport dient dezeaspecten te behandelen.34 Deze verkorte afdoeningsvormen zijn toe te juichen, omdatniet elke zaak even gecompliceerd is en evenveel onderzoek behoeft. Verkorteafdoeningen en summiere onderzoeken zijn dan ook efficiënte middelen om dewerkdruk te verlagen en tijd te maken voor de jeugdigen die het meeste aandachtbehoeven.In het laatstgenoemde geval naar aanleiding waarvan een basisonderzoek kan wordenuitgevoerd, kortweg de melding inverzekeringstelling, verleent de Raad de zogenaamdevroeghulp. Een raadsonderzoeker neemt in dat geval een BARO af bij de jeugdige. Ditis een vragenlijst die tweeënveertig pagina’s telt en wordt gebruikt om een volledigbeeld te krijgen van de jeugdige en het delict. Zowel alle factoren die van belang zijnvoor de voorlichting aan de officier van justitie dan wel rechter, als ook de signaleringvan achterliggende problematiek, worden in beeld gebracht aan de hand van de BARO.De raadsonderzoeker geeft op basis van deze BARO-rapportage een advies aan derechter-commissaris om het kind al dan niet in bewaring te nemen of adviseert onderwelke voorwaarden het kind naar huis kan worden gestuurd.Bovenstaande kan de illusie wekken dat de raadsonderzoeker slechts een enquêteur isdie een vragenlijst afneemt. Echter, tijdens mijn stage heb ik ervaren dat deraadsonderzoeker veel meer is dan dat. De raadsonderzoeker houdt een pedagogischgesprek met het kind waarin hij het kind onbevooroordeelde, doch kritische vragen stelten zich niet laat afwimpelen door smoesjes. De raadsonderzoeker geeft het kind de kanszijn verhaal te doen. De jeugdige kan tevens vertellen wat zijn visie is en wat voor strafhij gerechtvaardigd vindt. De raadsonderzoeker kan op basis van deze informatiebeslissen wat hij kan doen voor de jeugdige. Daarbij heeft de raadsonderzoeker tevensoog voor praktische zaken en helpt de jeugdige zo goed mogelijk binnen de bestaandemogelijkheden.33 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 4.34 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 5. 14
  15. 15. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -In deze scriptie staat het advies inzake strafrechtelijke afdoening centraal. De adviseringaan de rechter-commissaris komt in deze scriptie dan ook niet uitgebreid aan bod, omdateen zaak in de meeste gevallen niet wordt afgedaan door de rechter-commissaris, maardoor de officier van de justitie of de rechter. Dit laatste geldt overigens indien dejeugdige bij de Raad aangemeld is, omdat de zaak immers al eerder afgedaan kanworden door middel van een politiesepot, beter bekend als de Halt-afdoening.35Uit Normen 2000-II volgen twee doelen van het basisonderzoek. Het eerste doel is hetgeven van voorlichting aan de officier van justitie, als ook aan de kinderrechter enrechter-commissaris, ‘al dan niet voorzien van een strafadvies’. Het tweede doel is hetselecteren van zaken die dat vergen,36 waarin de selectiefunctie te herkennen is. Ditlaatste houdt in dat op grond van het basisonderzoek wordt onderzocht of en in hoeverrehet delictgedrag van de jeugdige een signaal is van achterliggende problematiek en ofen in hoeverre hiervoor hulp noodzakelijk is.37 Het is dus niet louter de taak van deRaad om te rapporteren, maar tevens te adviseren over de sancties en de hulpverlening.Normen 2000-II noemt de voorlichting en selectie als doelen. Naar mijn mening zijndeze aspecten echter middelen om het werkelijke doel te realiseren, namelijk de garantievan het recht op een adequate ontwikkeling van de jeugdige en uitgroei naarzelfstandigheid. De Raad zou de doelen van het basisonderzoek ruimer moetenformuleren.Als uitgangspunt hanteert de Raad dat er een basisrapportage wordt opgesteld indien deverdachte twaalf jaar of ouders is tot een leeftijd van achttien jaar. Bij twaalfminnersgelden andere regels. Sinds de herziening van 1965 geldt immers dat een jeugdigepersoon niet strafrechtelijk kan worden veroordeeld voor een delict welke is gepleegdten tijde voor zijn twaalfde levensjaar. Personen jonger dan twaalf jaar worden geacht inde strafrechtelijke zin niet toerekeningsvatbaar te zijn.38 Het jeugdstrafrecht, meer in hetbijzonder het jeugdsanctierecht, is van toepassing op jeugdigen met een leeftijd zoals isgeregeld in artikel 77a t/m 77c Sr. Hieruit volgt dat het jeugdstrafrecht in beginsel de35 Artikel 77e Sr.36 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1.37 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 5.38 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 497. 15
  16. 16. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -jeugdige omvat die tijdens het plegen van het strafbaar feit ‘de leeftijd van twaalf jarendoch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt’.39De opgestelde rapportage dient ter informatie voor de rechter-commissaris in het gevaldat het kind in bewaring is gesteld c.q. in voorlopige hechtenis is genomen; voor deofficier van justitie om tot een transactie of tot dagvaarding te besluiten; en tot slot voorde rechter in voorgeleidingszaken. In de rapportage dient een advies te worden gegevenwelke vooral is gebaseerd op pedagogische overwegingen. Het strafadvies ten behoevevan de officier van justitie en de rechter staat in deze scriptie centraal, of meeromvattend: het advies inzake strafrechtelijke afdoening.Indien het basisonderzoek niet afdoende is, kan er nader onderzoek worden gedaan.Normen 2000-II hanteert hiervoor de term vervolgonderzoek ,40 waar in het ProtocolStrafzaken wordt gesproken van het uitgebreid strafonderzoek. Zoals uit de eerste termvolgt, is dit onderzoek een aanvulling op het basisonderzoek. Een dergelijk onderzoekkan zowel ambtshalve worden ingesteld, als ook op verzoek van een van de justitiëleautoriteiten. Het Protocol Strafzaken is uitgebreider met betrekking tot dit aanvullendeonderzoek dan Normen 2000-II. Daarom wordt op deze plaats voor het doel van hetuitgebreid strafonderzoek naar het Protocol Strafzaken gekeken, welke inhoudt: ‘hetgeven van (meer uitgebreide) voorlichting aan de justitiële autoriteiten over de persoonvan de jeugdige en diens omstandigheden naar aanleiding van een door de jeugdigegepleegd delict, alsmede het uitbrengen van een strafadvies [cursief van mij]’.41Het valt op dat in de Normen 2000-II de strafrechtelijke adviestaak niet in alle gevallenduidelijk wordt onderscheiden. De strafrechtelijke adviestaak wordt niet expliciet in hetvoorwoord van Normen 2000-II bij de taken vermeld. Er staat dat het basisonderzoekvoorlichting ten doel heeft, ‘al dan niet voorzien van strafadvies’.42 Hieruit lijkt voort tevloeien dat het geven van een advies optioneel is. Naar mijn mening moet hetuitgangspunt het geven van advies zijn, tenzij dit niet gewenst is. Voor voorbeelden vanrapportages waarbij de raadsonderzoeker zich onthouden heeft van het geven van39 Artikel 77a Sr. Zie ook 2.3.40 Normen 2000 versie 2, H 10.2.2.41 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 6.42 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1 16
  17. 17. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -strafadvies wordt verwezen naar hoofdstuk 4.43 Zie voor aanbevelingen hieromtrenthoofdstuk 5.44Het Protocol Strafzaken lijkt meer waarde te hechten aan het advies inzakestrafrechtelijke afdoening en stelt het geven van een strafadvies gericht opgedragsverandering als doel.45 In de hernieuwde documenten lijkt over het algemeenbewust meer aandacht te worden besteed aan het advies ten einde een zaakstrafrechtelijke af te doen. Dit bevordert de duidelijkheid en geeft de adviestaak naarmijn mening zijn welverdiende aandacht. Immers, de Raad heeft het beste inzicht in delevensomstandigheden en de persoonlijkheid van het kind en het advies van de Raad isdan ook zeer waardevol.Coördinatie taakstraffenDe tweede hoofdtaak van de Raad is het coördineren van taakstraffen. Dit houdt in datde coördinator strafzaken is belast met de voorbereiding, ondersteuning en afrondingvan de tenuitvoerlegging van de taakstraffen voor jeugdigen. De Raad zorgt voor hetaanbod aan projectplaatsen. Hieronder vallen werkprojectplaatsen voor jongeren die eenwerkstraf moeten uitvoeren, alsmede leerprojecten voor jongeren die een leerstrafmoeten uitvoeren.46CasusregieDe derde hoofdtaak is die van de casusregie. Het doel van de casusregie is debevordering van de samenhang in de jeugdstrafrechtsketen en heeft zicht op deverschillende schakels van de jeugdzorgketen. Dit om te komen tot een snelle,vroegtijdige en consequente reactie op het gedrag van de jeugdige.47 Deze doelen, die inzowel Normen 2000-II als ook in het Protocol Strafzaken staan, zijn rechtstreeksovergenomen van de Commissie Van Montfrans.48 In Normen 2000-II wordt explicietonderscheid gemaakt tussen enerzijds individuele casusregie, inhoudende dat dejeugdige vanaf het moment van melding door de politie bij de Raad tot en met de43 Zie 4.3.44 Zie 5.2.45 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 2.46 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 7.47 Normen 2000 versie 2, H 10.4 en Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 9.48 Zie 2.4. 17
  18. 18. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -nazorg wordt gevolgd en anderzijds beleidsregie, met als doel het beleid vanverschillende ketenpartners op elkaar af te stemmen.49De taak van casusregie is in de loop der jaren steeds belangrijker geworden en steedsverder uitgebreid. Sinds april 2007 is de casusregie echter niet slechts een taak meer,maar een volledige functie. Eerder was de raadsonderzoeker zelf verantwoordelijk voorde casusregie. Op de Raad voor de Kinderbescherming locatie ’s-Hertogenbosch zijndrie casusregisseurs aangesteld.50 De casusregie is op het gebied van advisering steedsbelangrijker geworden. Onder 1.5 zal duidelijk worden dat de casusregisseurs ook eenadviestaak hebben.1.5 Het rapportagetrajectTen einde een beter inzicht te krijgen in de strafrechtelijke taken rapporteren enadviseren, wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan het rapportagetraject. De Raadkent vele taken en deelprocessen, waardoor het met het oog op de helderheid van belangis op dit punt stil te staan bij het rapportagetraject in strafzaken. Aan de hand van detwee wegen waarop zaken binnenkomen bij de Raad wordt het rapportageprojectbeschreven. Zoals in de vorige paragraaf reeds is beschreven, kunnen zaken enerzijdsbinnenkomen via het opmaken van een landelijk overdrachtsformulier, kortweg hetLOF, en anderzijds via vroeghulp bij inverzekeringstelling.Melding proces-verbaalDe politie maakt bij zwaardere delicten, bij recidive of wanneer er sprake is van zorgeen LOF op. Tevens meldt de politie de jeugdige bij het OM en de Raad en zet dejeugdige op de agenda voor bespreking in het justitieel casusoverleg, afgekort hetJCO.51 De landelijke invoering van dit casusoverleg was een van de thema’s in hetActieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003-2006, Jeugd terecht. Dientengevolgeis op 1 maart 2003 in alle arrondissementen dit casusoverleg ingevoerd met als doelende afstemming van activiteiten van ketenpartners die het strafrechtelijk procesvormgeven, de filtering van zaken met het oog op verkorting van de wachttijden, alsook de afstemming van de aanpak van de jeugdige met het oog op kwaliteitsverbetering49 Normen 2000 versie 2, H 10.4.50 Uitleg casusregie op de RvdK ’s-Hertogenbosch (28-04-2008).51 Landelijk Bureau RvdK, Het straftraject van een jeugdige. 18
  19. 19. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -in afdoening en hulpverlening.52 Uit het Evaluatie Casusoverleg Jeugd uit november2005 blijkt dat “een grote meerderheid” die meedeed aan onderzoek, van mening wasdat de doelen door het JCO werden gerealiseerd.53 Dit overleg wordt in beginselgehouden met een minimale frequentie van één keer per twee weken.54 De Bosschecasusregie heeft aangegeven dat er twee keer per week een JCO plaatsvindt. 55 Het OM(veelal de parketsecretaris van het openbaar ministerie en in sommige gevallen deofficier van justitie), de Raad (vertegenwoordigd door de casusregisseur) en de politiezijn in dit overleg aanwezig. Vaak is de jeugdreclassering ook vertegenwoordigd, omdatde informatie van de jeugdreclassering veelal waardevol is bij de beslissing betreffendede wenselijkheid om een zaak al dan niet direct af te doen. Het direct afdoen van zakengebeurt in praktijk, indien de jeugdige bijvoorbeeld net achttien jaar is geworden, terwijlhij wel op zeventienjarige leeftijd het delict heeft gepleegd; of indien het een relatiefeenvoudig delict betreft, zo volgt uit een interview met de casusregie locatie ’s-Hertogenbosch.56 In dergelijke gevallen wordt vaak een transactievoorstel aangebodenwaarmee de zaak snel kan worden afgedaan. In die gevallen zal er geen basisonderzoekstrafzaken worden gedaan. Ook deze wijze van ‘selectieve afdoening’ is, integenstelling tot Normen 2000-II terug te vinden in de conceptversie van het ProtocolStrafzaken. In dit protocol zijn criteria opgesomd in welke gevallen er geenbasisonderzoek hoeft te worden ingesteld, waarbij het advies louter een geldboete of eenwerkstraf kan omvatten. Er kan in dergelijke gevallen worden volstaan met een kortonderzoek indien dit nodig wordt geacht en een mondeling of schriftelijk strafadviesgericht tot de officier van justitie.57Indien de zaak niet direct wordt afgedaan, wordt de zaak vijfendertig dagen daarnanogmaals op het JCO besproken. Dit geldt niet in het geval van een uitgebreidonderzoek, waar de doorlooptijd drie maanden is. De totale doorlooptijd bij eenbasisonderzoek is veertig dagen.58 Hiervan zijn vijf dagen ingedeeld voor de invoeringdoor de administratie, vijf dagen voor op de wachtlijst, vijfentwintig dagen voor plan en52 Aanpak Jeugdcriminaliteit 2003-2006, ‘Jeugd Terecht’, p. 13-14; Landelijk Bureau RvdK, Hetstraftraject van een jeugdige.53 Rapport WODC, Iva Beleidsonderzoek en Advies, BBSO 2005, p. 8.54 Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen (2005A005).55 Uitleg casusregie op de RvdK ’s-Hertogenbosch (28-04-2008).56 Uitleg casusregie op de RvdK ’s-Hertogenbosch (28-04-2008).57 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 3.58 Normen 2000 versie 2, H 3.1. 19
  20. 20. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -uitvoering, waarin de rapportage inclusief het afdoeningsadvies door eenraadsonderzoeker wordt gemaakt, en ten slotte vijf dagen voor administratieveafwerking. Hierna komt de zaak weer op het JCO en wordt voor de tweede keerbesproken. De officier van justitie neemt dan een besluit.In de praktijk worden voornoemde doorlooptijden vaak overschreden. Het komt insommige van deze gevallen zelfs voor dat de officier van justitie de zaak zonderrapportage afdoet. De officier heeft op dat moment informatie omtrent depersoonlijkheid en levensomstandigheden van de jeugdige, maar een dergelijke praktijkis wel degelijk verwerpelijk in het licht van artikel 494 Sv, waarin de officier wordtverplicht informatie in te winnen van de Raad. Bovendien wordt een uitgebreiderapportage opgesteld indien de zaak dat vergt en moet er dus speciale aandacht naaruitgaan. Het in acht nemen van de doorlooptijden door de Raad is hieruit volgende deste belangrijker.Melding inverzekeringstellingDe andere weg waarop een zaak bij de Raad komt, is die van de inverzekeringstelling.In dit geval maakt de politie een proces-verbaal op en wordt de jeugdige bij het OM ende Raad gemeld en wordt deze jeugdige in beginsel niet in het JCO besproken.59 Doorde Raad wordt er vervolgens vroeghulp verleend, waarbij de raadsonderzoeker deBARO afneemt bij de inverzekeringgestelde jeugdige. Hierna kunnen drie routesworden bewandeld. Ten eerste kan de zaak worden geseponeerd. De jeugdige wordtnaar huis gestuurd zonder enige verdere vervolging. Ten tweede kan het kind wordenheengezonden. Er wordt in dat geval een LOF opgemaakt en de zaak wordt alsnog inhet JCO besproken. Ten derde kan het kind worden voorgeleid aan de rechter-commissaris, die over de schorsing van de voorlopige hechtenis oordeelt. Deraadsonderzoeker heeft ter voorgeleiding aan de raadkamer een rapportage opgesteldinclusief een advies. De Raad zorgt dat de officier van justitie en de rechter-commissarisover de rapportage beschikken voordat de jeugdige wordt voorgeleid.60 Het daaronder59 Landelijk Bureau RvdK, Het straftraject van een jeugdige.60 Landelijk Bureau RvdK, Het straftraject van een jeugdige. 20
  21. 21. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -vallende advies zal in deze scriptie verder niet worden behandeld.61 Volledigheidshalveis het hier vermeld.1.6 ConclusieDe Raad voor de Kinderbescherming voert zowel op civielrechtelijk als opstrafrechtelijk gebied verschillende taken uit. Het doel daarbij is om het recht opevenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid van kinderen te garanderen.De Raad kent een wettelijke rapportage- en adviesplicht ten aanzien van de officier vanjustitie en de rechter en is daarom erg belangrijk bij de afdoening van strafzaken. Dezetaak hoort bij de Raad thuis, omdat hij zicht heeft op vele verschillende processen enzowel kennis heeft op juridisch als ook op pedagogisch gebied. De groeiende aandachtin de herziene beleidsdocumenten voor wat betreft de strafrechtelijke taken en deadviestaak is een goede ontwikkeling, omdat een meer volledige beschrijving inbeleidsdocumenten een duidelijke en een zorgvuldige procesvoering ten gevolge heeft.Dit kan resulteren in betere onderzoeksrapportages en adviezen of andereafdoeningswijzes en zal uiteindelijk ten goede komen aan het kind.61 Uitleg casusregie op de RvdK ’s-Hertogenbosch (28-04-2008). 21
  22. 22. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -2. Gronden en grenzen raadstaken2.1 InleidingIn dit hoofdstuk wordt het kader geschetst waarbinnen de Raad voor deKinderbescherming zich dient te bewegen bij de uitoefening van zijn taken. Dezeuiteenzetting begint algemeen met enkele hoofdpijlers van het jeugdstrafrecht en spitstzich daarna steeds meer toe op de taken met betrekking tot het geven van advies. Erwordt aandacht besteed aan het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind,het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering en ten slotte aan enkele recenteontwikkelingen. Op deze manier worden de gronden en grenzen blootgelegd betreffendede strafrechtelijke adviestaak.2.2 GrenzenDe Raad voor de Kinderbescherming heeft te maken met enkele grenzen bij deuitoefening van zijn taken. Zowel in het internationaal recht als in het nationaal rechtzijn enkele waarborgen neergelegd die de Raad in acht dient te nemen.Waarborgen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het KindHet kind geniet grote bescherming op grond van het Internationaal Verdrag inzake deRechten van het Kind, afgekort als het IVRK. Het verdrag is gebaseerd op deUniversele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke beginselen terug zijn te zienin de preambule. Het IVRK op 20 november 1989 in New York aangenomen door deAlgemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het verdrag is 2 september 1990gesloten, maar pas op 8 maart 1995 in Nederland in werking getreden.62Artikel 3 IVRK is belangrijk voor de jeugdhulpverlening in het geheel. Dit artikelvermeldt gronden en uitgangspunten die relevant zijn voor de Raad. In lid 1 staat dat bijalle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen dooropenbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijkeinstanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, het belang van het kind deeerste overweging vormt. Of zoals het in het Engels wordt verwoord: ‘the best interestof the child”. Deze instanties waaronder tevens de Raad voor de Kinderbescherming, de62 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 433; aanhef en preambule IVRK: New York, 20 november 1989. 22
  23. 23. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -officier van justitie en de rechter vallen, hebben dientengevolge primair de taak debelangen van het kind te behartigen.Voorts staat in het tweede lid van artikel 3 IVRK dat de overheid de verplichting heeftom kinderen, die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, te beschermen. Deoverheid is verplicht hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen tetreffen en rekening te houden met onder meer de rechten van de ouders van het kind. Indit artikel is de grondslag van de waarborgfunctie van de Raad voor deKinderbescherming te vinden, welke inhoudt dat de Raad daadwerkelijk dient op tekomen voor kinderen van wie het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkelingen uitgroei naar zelfstandigheid ernstig worden bedreigd.63Artikel 3 lid 3 IVRK verplicht de overheid instellingen, diensten en voorzieningen dieverantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen te waarborgendie voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten gestelde normen. Dit houdt voor deRaad voor de Kinderbescherming hoofdzakelijk de naleving van Normen 2000-II in.De Raad voor de Kinderbescherming baseert zich bij de uitoefening van zijnstrafrechtelijke kerntaak op artikel 40 IVRK. Dit artikel kent rechtstreekse werking en isom deze reden zeer belangrijk in de Nederlandse rechtspraktijk.64 Op grond van artikel40 lid 1 IVRK erkent de overheid ten aanzien van ieder kind dat wordt verdacht van,vervolgd wegens of veroordeeld ter zake van het begaan van een strafbaar feit, het rechtop een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid eneigenwaarde van het kind en tevens de eerbied van het kind voor de rechten van demens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot. Daarbij moet rekeningworden gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid om deherintegratie van het kind te bevorderen. Bovendien moet rekening worden gehoudenmet de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving. In hetProtocol Strafzaken zijn deze punten opgenomen.65 Het is goed dat artikel 40 lid 1IVRK is beschreven in het Protocol, zodat dicht bij de grondslag wordt gebleven bij deuitoefening van de strafrechtelijke taken door de Raad, waardoor voornoemde puntenniet uit het oog worden verloren.63 Normen 2000 versie 2, H 2.1.64 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 433-434.65 Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p.1. 23
  24. 24. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -In het tweede lid van artikel 40 IVRK staan de in acht te nemen waarborgen opgesomdin het geval een kind in aanraking komt met het strafrecht. Deze waarborgen hebbenveelal betrekking op het strafproces en sommen garanties op die bekend zijn uit hetstrafprocesrecht voor meerderjarigen. Hieronder vallen onder meer het presumptioinnocentia-beginsel, welke het vermoeden inhoudt onschuldig te zijn, totdat de schuldvolgens de wet is bewezen; het nemo cogitur-beginsel, inhoudende dat niemand magworden gedwongen (tegen zichzelf) bewijs te leveren; en tot slot het recht op privacy.66Op grond van artikel 40 lid 3 IVRK dient de overheid de totstandkoming van wetten,procedures, autoriteiten en instellingen voor kinderen die in aanraking komen met hetstrafrecht te bevorderen die in het bijzonder zijn bedoeld voor kinderen. De Raad voorde Kinderbescherming valt onder een hier bedoelde instelling. Uit artikel 40 lid 3 sub bIVRK vloeit voort dat het toevlucht nemen tot ‘gerechtelijke stappen’ gezien moetworden als ultimum remedium, oftewel als laatste redmiddel. Dit volgt uit determinologie ‘without resorting to judicial procedures’, zodat veelal moet wordengeprobeerd, mits wenselijk en passend, de zaak niet-rechterlijk af te doen.67Ten slotte wordt in het vierde lid en tevens laatste lid van artikel 40 IVRK eenverscheidenheid aan regelingen geëist. Onder dergelijke regelingen kunnen deraadsadviezen worden geschaard. Het doel is de verzekering van de handelswijze dathet welzijn van kinderen niet schaadt en dat de handelswijze in de juiste verhoudingstaat tot hun omstandigheden als tot het strafbaar feit. Uit dit laatste volgt dat degeadviseerde afdoeningen proportioneel moeten zijn aan het gepleegde delict.Overige waarborgenNiet alleen in het IVRK kunnen rechten voor het kind worden gevonden, ook inbijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kortweg het EVRM,staan rechten die voor kinderen gelden. Hieronder worden drie rechten besproken die inhet bijzonder in acht moeten worden genomen bij de raadsrapportages in het geheel.Het eerste recht dat in acht moet worden genomen, is het recht op privacy. Dit recht isneergelegd in artikel 16 jo. 40 lid 2 sub b (viii) IVRK, als ook in artikel 8 EVRM. Hetrecht op “family life” mag niet worden beperkt, zo staat in artikel 8 EVRM lid 1, tenzij66 Respectievelijk artikel 40 lid 2 sub b (i), (iv) en (vii) IVRK.67 NJCM-Bulletin, jrg. 30 (2005), nr. 6, p. 720. Zie ook Bartels 2007, p. 7. 24
  25. 25. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -deze beperking noodzakelijk is op grond van de in lid 2 vermelde gevallen. Opnationaal niveau kan ditzelfde recht worden gevonden in de Wet BeschermingPersoonsgegevens en is uitgewerkt in hoofdstuk 5 van Normen 2000-II. Het verwerkenvan persoonlijke gegevens door de Raad kan immers een onaanvaardbare inbreuk op depersoonlijke levenssfeer van betrokkenen met zich meebrengen, als hiermee nietzorgvuldig wordt omgesprongen.68Naast het recht op privacy, wordt in hoofdstuk 5 van Normen 2000-II het inzagerecht enhet correctierecht verwoord. Betrokkenen hebben op grond van artikel 35 WetBescherming Persoonsgegevens het recht de Raad te vragen of, en zo ja, welkepersoonsgegevens de Raad ten aanzien van hem verwerkt. Op grond van artikel 36 WetBescherming Persoonsgegevens kunnen betrokkenen verzoeken hun gegevens tecontroleren. Belanghebbenden hebben het recht om het dossier in te zien en indiennodig te doen verbeteren in het geval dat zij het niet eens zijn met de inhoud.Als het kind het niet eens is, dan wel de ouders of belanghebbenden het niet eens zijnmet de gang van zaken, kunnen zij zich beroepen op hun klachtrecht. Hoofdstuk 7 vanNormen 2000-II en de daaraan toegevoegde bijlage 1 gaan over dit recht. Deklachtenprocedure van de Raad is opgenomen in het Besluit klachtbehandeling Raadvoor de Kinderbescherming.69 Ook kan er een klacht worden ingediend bij de NationaleOmbudsman, mits in beginsel de klacht eerder is ingediend bij de Raad.70Alsbestuursorgaan dient de Raad zich te houden aan de Algemene Wet Bestuursrecht en deklachtenregeling en de bezwaar- en beroepsprocedure uit deze wet is dientengevolgevan toepassing. Tot slot wordt op deze plaats gewezen op de in acht te nemen algemenebeginselen van behoorlijk bestuur.2.3 GrondenHet jeugdstrafrecht is uitgewerkt op nationaal niveau. Er zullen hier enkele beginselenworden besproken om inzicht te geven in het karakter van het jeugdstrafrecht. Summierworden enkele karaktertrekken belicht, die later van belang zullen blijken bij deraadsrapportages en de adviezen.68 Normen 2000 versie 2, H 5.69 Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 1996 (Stb. 1996, 330).70 Artikel 9:20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht. 25
  26. 26. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Karaktertrekken nationaal jeugdstrafrechtHet jeugdstrafrecht verschilt van het meerderjarigenstrafrecht. Ten eerste zijn er metname verschillen ten aanzien van de sancties. Het jeugdsanctierecht behelst anderesancties dan het meerderjarigenstrafrecht en bestaat uit het speciaal voor jongeren in hetleven geroepen sanctiearsenaal. Een tweede grote verschil ligt op het gebied van hetprocesrecht. De processuele regels bewerkstelligen een aanpak waarbij meer aandachtkan worden besteed aan de persoon van de jongere.71Het jeugdstrafrecht geldt in grote lijnen voor kinderen van twaalf tot achttien jaar.72Vanaf een zekere rijpheid kan immers van verantwoordelijkheid in juridische,normatieve zin worden gesproken, zoals De Hullu verwoordt.73 Twaalfminners genietenstrafrechtelijke immuniteit. Bij jeugdigen vanaf twaalf jaar kan zowel strafrechtelijk alscivielrechtelijk gereageerd worden op strafbaar gedrag. Vanaf het achttiende jaar kan erenkel nog een strafrechtelijke reactie volgen. De wettelijke keuzemogelijkheid tussenzowel een strafrechtelijke als een civielrechtelijke reactie is een van de hoofdkenmerkenvan jeugdstrafrecht.74 Vanaf het twaalfde levensjaar bestaat er een individueleverantwoordelijkheid en is het kind dus verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag.Tevens wordt er een situationele verantwoordelijkheid aangenomen, die afneemtnaarmate de jeugdige ouder is. Jeugdigen onder de zestien jaar worden als gevolghiervan vaker civielrechtelijk en jeugdigen van zestien jaar en ouder vakerstrafrechtelijk vervolgd.75 Met dit onderscheid tussen civielrechtelijke en strafrechtelijkeafdoening moet worden rekening gehouden bij het rapporteren en het adviseren van eenafdoening door de Raad. Tevens verdient het de aanbeveling de geadviseerde keuze inhet licht van de leeftijd van de jeugdige te motiveren. In dit opzicht is het belangrijk terealiseren dat een civielrechtelijke reactie op een delict beter kan aansluiten op hetbelang van het kind en dat er bij strafrechtelijke zaken niet louter aan strafrechtelijkeafdoeningen moet worden gedacht.Naast voornoemd aspect van juridische verantwoordelijkheid zijn er nog meer accentendie het jeugdstrafrecht kenmerken. Bij de berechting van jeugdigen staat het strafdoel71 Van der Linden e.a. 2005, p. 122.72 Artikel 77a, 77b, 77c Sr.73 De Hullu 2003, p. 113.74 Bartels 2007, p. 2.75 Bartels 2007, p. 2. 26
  27. 27. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -van de speciale preventie meer voorop dan bij de berechting van meerderjarigen.76Prioriteit is het voorkomen van recidive om te voorkomen dat de jeugdige delinquentnog een keer de fout in gaat.77 De overheid heeft bij gelegenheid van de wetswijzigingin 1995 herhaald dat het opleggen, het uitvoeren en het uitvoeren van sancties in hetjeugdstrafrecht, sterk pedagogisch georiënteerd moet zijn. De doelen van vergelding,generale en speciale preventie mogen nooit zo ver worden doorgevoerd dat de jeugdigein zijn ontwikkeling wordt geschaad. De strafrechtelijke reactie moet het doel hebbeneen positieve gedragsverandering voor de toekomst te verwezenlijken.78Een ander aspect van het jeugdstrafrecht ligt in, zoals dat in Van der Linden e.a. wordtverwoord, de diversie-filosofie. Diversie gaat criminele besmetting tegen en zorgtervoor dat de jeugdige delinquent minder snel een etiket krijgt opgeplakt. De Halt-afdoening is een voorbeeld van de diversie-aanpak.79 Deze voortijdige afdoening ligtgeheel in lijn met internationaal recht. Artikel 40 lid 3 sub b IVRK stelt immers dat deoverheid, in de daar bepaalde gevallen, moet streven naar de invoering van maatregelenzonder toevlucht te nemen tot gerechtelijke stappen. Deze diversie-filosofie moet echterniet zover worden doorgevoerd dat het doel uit het oog wordt verloren. Het kan immerswel degelijk in het belang van het kind zijn om een zaak niet buitengerechtelijk af tedoen.Een andere karaktertrek van het jeugdstrafrecht is de beschermingsgedachte. Hetkenmerkende van deze gedachte is dat iemand anders dan de jeugdige zelf zich eenoordeel vormt over wat in het belang van de minderjarige is.80 De Raad voor deKinderbescherming dient dientengevolge in zijn rapportages een onafhankelijk enonpartijdig beeld te schetsen van het kind. Op basis hiervan, dient een advies te wordengegeven inzake de strafrechtelijke afdoening teneinde het kind weer op de rails tekrijgen.Ook de schuldvraag ligt anders in het jeugdstrafrecht. Bartels verwijst naar Delfos enDoek welke laatste stellen dat ‘de kernvraag is wat in de gegeven situatie – gelet op de76 Corstens 2002, 771.77 Bartels 2007, p. 3.78 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 429.79 Van der Linden e.a. 2005, p. 123.80 Bartels 2007, p. 5. 27
  28. 28. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -belangen van het kind, het gezin en de maatschappij – pedagogisch de beste aanpakis.’81 De rechter heeft dan ook een grote vrijheid bij het opleggen van sancties en is deste meer afhankelijk van de informatie die over de jeugdige wordt aangedragen.Gronden nationaal rechtZowel in het Wetboek van Strafrecht als in het Wetboek van Strafvordering staan degronden van de taken van de Raad voor de Kinderbescherming vermeld. De wet geeftechter geen uitgebreid handvat voor de taken van de Raad voor de Kinderbescherming.Dit geldt tevens ten aanzien van de adviezen in strafzaken aan verschillendeautoriteiten.Artikel 494 Sv verplicht de officier van justitie, met uitzondering van de in lid 1 onder aen b bedoelde gevallen, inlichtingen in te winnen omtrent de persoonlijkheid en delevensomstandigheden van de verdachte bij de Raad voor de Kinderbescherming. In lid4 staat dat de rechter-commissaris inlichtingen kan inwinnen omtrent de persoonlijkheiden de levensomstandigheden van de verdachte.Uit artikel 494 Sv kan een verplichting voor de Raad worden afgeleid om rapportagesop te stellen omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachtevoor de officier van justitie en de rechter-commissaris. Eenzelfde verplichting kanworden afgeleid uit artikel 498 Sv, waarin staat dat indien het gerecht alsnog onderzoekvan de verdachte wil, het nadere inlichtingen bij de Raad kan inwinnen.De adviestaak wordt in bovenstaande artikelen niet letterlijk vermeld. Op deze plaats isde vermelding interessant dat in de nieuwe wetgeving betreffende degedragsbeïnvloedende maatregel het advies van de Raad een meer prominente plaatsheeft gekregen.82 In artikel 77w (nieuw) Sr staat dat de rechter de gedragsmaatregel pasmag opleggen indien hij een gemotiveerd advies van de Raad heeft overlegd gekregen.Mijns inziens duidt dit op een toenemende aandacht voor de adviestaak van de Raad inzijn geheel, als ook van adequate motivering. Niet alleen de adviestaak is erg belangrijk,zoals ik in hoofdstuk 1 reeds heb betoogd,83 de redenen van de keuze voor een bepaalde81 Bartels 2007, p. 6; De Bie e.a. 1977, p. 173.82 Gedragsbeïnvloeding jeugdigen, Kamerstukken II 2005/06, 30 332, nr. 5.83 Zie 1.4. 28
  29. 29. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -afdoening, of zoals bij de gedragsmaatregel, voor bepaalde voorwaarden, is tevens zeervan belang. Dit zal uitgebreid aan bod komen in de volgende hoofdstukken.Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de wettelijketaakomschrijving van de voorlichting ruim te noemen is. Hoe dient de Raad voor deKinderbescherming inlichtingen te geven omtrent de persoonlijkheid enlevensomstandigheden van de verdachte? In hoofdstuk 3 zullen de documenten en derapportagemodellen worden besproken die worden gebruikt om aan deze wettelijkeverplichting te voldoen.2.4 Ontwikkelingen rapportage- en adviestaakIn de loop van de tijd is het takenpakket van de Raad steeds verder uitgebreid. Opstrafrechtelijk gebied zijn de taken verzwaard door de voorlichting in dekinderstrafzaken aan de raden voor de kinderbescherming84 op te dragen.GeschiedenisSinds het begin van de twintigste eeuw bestonden er de zogenaamde voogdijraden. In1956 traden er wetswijzigingen in werking waardoor de taken van de voogdijradenwerden uitgebreid met onder meer het doen van onderzoek en het geven van advies aande rechter in strafzaken. Hiermee werd beoogd de voogdijraden een centrale plaatsbinnen de justitiële hulpverlening te geven. De naam voogdijraad werd in dienst van ditdoel veranderd in de raden voor de kinderbescherming. In 1996 zijn deze radenomgevormd tot één landelijke Raad voor de Kinderbescherming met lokalevestigingen.85Op 1 juli 1965 trad de Wet herziening kinderstrafrecht en kinderstrafprocesrecht inwerking. 86 De basis voor deze wetten werd gelegd door de Commissie Overwater.87Een van de belangrijke wijzigingen in het jeugdstrafrecht was dat de Raad een duidelijkadviserende en toezichthoudende taak kreeg.88 De voorlichtende en adviserende taak84 Sinds 1996 is er één Raad voor de Kinderbescherming. Zie 1.2.85 Van der Linden e.a. 2005, p. 10.86 Wet tot herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht van 9 november 1961, Stb.402, in werking getreden op 1 juli 1965.87 Deze commissie was in 1948 ingesteld met als doel advies uit te brengen in welke richting hetrijkstucht- en opvoedingswezen, en in verband daarmee het kinderstrafrecht, zich zouden moetenontwikkelen. Van der Linden e.a. 2005, p. 10.88 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 419. 29
  30. 30. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -werd als volgt uitgewerkt. Na de invoering van de artikelen 488a en 488b Sv (oud) in1956, werd er tijdens de herziening artikel 495 Sv toegevoegd. De Raad kreeg daarmeede bevoegdheid om advies uit te brengen over de wenselijkheid van vervolging. Uitartikel 488a (oud) Sv vloeit de verplichting voor de officier van justitie voort, ominlichtingen bij de Raad voor de Kinderbescherming in te winnen omtrent depersoonlijkheid en levensomstandigheden van de minderjarige, behoudens tweeuitzonderingen die tegenwoordig ook nog in de wet zijn terug te zien in artikel 494 lid 1Sv. Naar huidige wetgeving heeft de Raad overigens niet meer de bevoegdheid teadviseren over het vervolgingsbeleid. Dit is het exclusieve terrein van het OM, zo staatduidelijk in de Richtlijnen Raadsbesluiten, welk document voorschrijft hoe de adviezendienen te worden geformuleerd.89 Volgens de memorie van toelichting van hetwetsontwerp herziening kinderstraf(proces)recht hoefde de Raad zich niet te beperkentot het verstrekken van de gevraagde inlichtingen.90 Hierbij wordt ruimte gelaten voorandere inlichtingen dan de gevraagde en het geven van advies.Bij de behandeling van het wetsontwerp herziening kinderstraf(proces)recht is bepaalddat de Raad voor de Kinderbescherming het exclusieve terrein op het gebied vanvoorlichting bezat.91 Tijdens deze behandeling werd de vrees voor overbelasting van deRaad uitgesproken. De woorden ‘de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van’uit het artikel 495 (oud) Sv zouden het voor de Raad niet mogelijk maken om metsummiere inlichtingen te volstaan.92 Tegenwoordig staan in de wet deze woorden nogsteeds opgenomen en worden de onderzoekstermijnen door de Raad overschreden. Viahet interne project ‘Anders werken’ wordt vanaf 2009 daadwerkelijk gepoogd deonderzoeksduur naar beneden te schroeven tot maximaal 42 dagen en de wachtlijsten totnihil bij te stellen. Dit is een onderdeel van het Meerjarenprogramma (2008-2011).93Het verstrekken van summiere inlichtingen is echter wel mogelijk gemaakt door niet inalle gevallen een basisonderzoek in te stellen, waardoor de zaak selectief kan worden89 Richtlijnen Raadsbesluiten, versie 2.0, p. 22.90 MvT wetsontwerp 1955/56, 4141 nr. 3; Hermans 1984, p. 190.91 Hermans 1984, p. 190.92 Hermans 1984, p. 191.93 Landelijk Bureau RvdK 2008, Meerjarenprogramma van de Raad. 30
  31. 31. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -afgedaan; als ook door het opstellen door een briefrapport, waarin kort een advies wordtgegeven en wordt toegelicht. In paragraaf 1.5 werd hier reeds op gewezen.94Na de Commissie Overwater zijn er nog meer commissies aangewezen, waarvan derecentste hier worden besproken, omdat deze commissies nog steeds grote invloedhebben op het huidige jeugdstrafrecht.Commissies en recente ontwikkelingenIn 1979 werd de Commissie Anneveldt opgericht ten einde het jeugdstrafrecht teherzien. Kort gezegd waren de opgedragen taken het nagaan of herziening geboden was,of het sanctiepakket voldeed en of een afzonderlijk strafrecht voor adolescentengewenst was.95 Op 1 september 1995 trad de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van hetWetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verbandmet de herziening van het strafrecht voor jeugdigen.96In 1994 verscheen het rapport ‘Met de neus op de feiten’ van de Commissie VanMontfrans.97 Deze commissie kreeg als missie mee het aandragen van oplossingen terdaling van de jeugdcriminaliteit. De sleutelwoorden daarbij waren: vroegtijdig, snel enconsequent.98 De commissie achtte dit de drie essentiële voorwaarden voor eeneffectieve reactie op strafbaar gedrag. ‘Vroegtijdig’ heeft betrekking op een lik-op-stukbeleid, waarbij reeds bij het eerst bekende feit een duidelijk signaal wordt gegeven.‘Snel’ houdt in de verkorting van de doorlooptijden van de justitiële reactie.‘Consequent’ betekent een doortastende begeleiding die de jeugdige niet de ruimte geeftom zich aan het plan van aanpak te onttrekken.99Naast deze drie criteria, wordt door commissie tevens het belang onderstreept van eennormbevestigende werking van de reactie. Daaronder werd verstaan dat het duidelijkdient te zijn welke algemeen geldende norm is overschreden, wat hiervan de gevolgenzijn voor het slachtoffer en/of de maatschappij en dat daartegen wordt opgetreden. De94 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1; Protocol Strafzaken, versie 10/03/08, p. 3 en 5.95 Doek & Vlaardingerbroek 2006, p. 420.96 Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering enandere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 1994, 528); Doek &Vlaardingerbroek 2006, p. 421.97 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie van Montfrans).98 Bartels hanteert ‘effectief’ waar de Commissie Van Montfrans ‘consequent’ gebruikt, Bartels 2007 p.18-19.99 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie Van Montfrans), p. 13. 31
  32. 32. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -reactie dient duidelijk pedagogisch te zijn bij jongere kinderen, dan wel(re)socialiserend voor oudere kinderen, recidivereducerend effect als gevolg hebbend.Van belang is dat de reactie als straf wordt ervaren.100 Ten slotte wordt een uitgangspuntgenoemd dat geen enkele jeugdige wordt afgeschreven.101 Geen kind mag als verlorenworden beschouwd.Staatssecretaris Kalsbeek introduceerde de “kalsbeeknorm”. Deze norm schrijft voor datde periode vanaf het eerste verhoor van de verdachte door de politie tot aan heteindvonnis van de rechter niet langer dan zes maanden mag duren.102 Om versnelling teverkrijgen van de ene naar de andere jeugdstrafzaak die van het ene naar het anderearrondissement moeten worden overgedragen, is het LOF ingevoerd.103 De ideeën vande Commissie Van Montfrans zijn in de nota ‘Vasthoudend en effectief’ uitgewerkt.104De thema’s die in deze nota Kalsbeek naar voren komen, zijn de verkorting vandoorlooptijden van het jeugdstrafrecht, de invoering van een casusoverleg, het verplichtstellen van nazorg na jeugddetentie en de PIJ-maatregel (‘jeugd-tbs’), uitbreiding van devormen individuele trajectbegeleiding in het kader van de maatregel hulp en steun doorde jeugdreclassering, namelijk ITB-Harde Kern en ITB-Criem, en het optimaliseren vande gronden van de voorlopige hechtenis, ook wel het schorsingsmodel.In december 2002 is de nota ‘Jeugd Terecht’105 uitgegeven als voortvloeisel van hetactieprogramma Aanpak Jeugdcriminaliteit. Dit actieprogramma, dat is opgestart opverzoek van minister Donner, betreft een uitwerking van voorstellen uit de nota‘Vasthouden en effectief’. Het actieprogramma is in februari 2007 afgesloten doorminister Hirsch Ballin.Verschillende rapporten zijn verschenen als gevolg van de Aanpak Jeugdcriminaliteit.Het rapport ‘Jong en veelbelovend’,106 uitgegeven door de Raad voor deKinderbescherming en het rapport ‘Afstemming van gedragsinterventies voor jeugdige100 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie Van Montfrans), p. 12.101 Commissie Aanpak Jeugdcriminaliteit 1994 (Commissie Van Montfrans), p. 13.102 Kalsbeek 2002.103 Zie 1.5.104 Kalsbeek 2002.105 Aanpak Jeugdcriminaliteit 2003-2006, ‘Jeugd Terecht’, 2002.106 Landelijke Bureau RvdK 2007, ‘Jong en veelbelovend, ontwikkeling van erkende gedragsinterventiesjeugdige delinquenten door de Raad voor de Kinderbescherming’. 32
  33. 33. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -delinquenten’107 zijn voorbeelden van onderzoeken naar de effectiviteit van leerstraffen.Op effectiviteit lijkt op de huidige afdoeningspraktijk de nadruk te liggen. DeAanwijzing Effectieve Afdoening Strafzaken Jeugdigen stelt dat voor effectieveafdoening van strafzaken tegen minderjarigen enerzijds van belang is dat iemand na éénstrafbaar feit niet recidiveert en anderzijds de mate waarin de jeugdige kan wordenbeïnvloed en ontvankelijk is voor verbetering en heropvoeding.108 Ook uit hetMeerjarenprogramma van de Raad (2008-2011) valt voorts op te maken dat er meeraandacht wordt besteed aan effectiviteit.109 Het past bij de doelstellingen de rapportagesbondiger en summierder op te stellen, zodat jeugdigen zo snel mogelijk kunnen wordengeholpen en dat er professioneler wordt gewerkt.2.5 ConclusieBij het rapporteren en het adviseren, moet er door de Raad voor de Kinderbeschermingenkele grenzen in acht worden genomen en verplichtingen worden uitgevoerd. Degronden waaraan de Raad zijn legitimatie ontleent zijn artikel 3 jo. 40 IVRK opinternationaal niveau, en artikel 494 jo. 498 Sv op nationaal niveau.Als grenzen zijn genoemd het recht op privacy, het inzagerecht, het verbeterrecht en hetklachtrecht. Voorts dient het karakter van het jeugdstrafrecht te worden gewaarborgd.Uit het IVRK volgt dat de leeftijd van het kind, het belang van het kind, hetpedagogische karakter, de opleggingsvrijheid voor de rechter, reïntegratie, diversie ende aanvaarding van een opbouwende rol van het kind voor de samenleving, punten zijndie volledige aandacht verdienen bij de uitvoering van de taken van de Raad.Ten slotte kunnen er enkele indicaties worden gedestilleerd uit Commissieplannen.Ingevolge de Commissie Van Montfrans en latere commissies dienen rapportagesvroegtijdig, snel, consequent, effectief, normbevestigend en pedagogisch te zijn, waarbijgeen enkele jeugdige mag worden beschouwd als afgeschreven. Al deze speerpuntenzijn van belang bij de advisering door de Raad. Niet alleen bij de keuze voor het advies,maar ook wat betreft de motivering, waarbij deze punten in het betoog dienen te wordenopgenomen.107 Ministerie van Justitie 2008, ‘Afstemming van gedragsinterventies voor jeugdige delinquenten’.108 Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen (2005A005).109 Landelijk Bureau RvdK, Meerjarenprogramma van de Raad. 33
  34. 34. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -3. Raadsrapportage en advies strafrechtelijke afdoening3.1 InleidingIn deze scriptie staat het advies inzake strafrechtelijke afdoening centraal. De vereistendie hieraan worden gesteld en de gang van zaken hieromtrent zijn verder uitgewerkt ineen veelheid aan documenten binnen de Raad. In dit hoofdstuk wordt het advies inzakestrafrechtelijke afdoening geschetst in het grotere plaatje van de raadsrapportage. Dekwaliteitseisen die aan de raadsrapportages en de adviezen zijn gesteld, wordenonderzocht en uiteengezet. In het onderzoek worden de raadsrapportages inclusief deadviezen aan deze kwaliteitseisen getoetst.3.2 RaadsrapportageHet product dat de Raad aflevert is de raadsrapportage. Onder rapportage wordt inNormen 2000-II verstaan: ‘de systematische weergave van het onderzoek van de Raadin een bepaalde zaak’.110 Het Kwaliteitskader benoemt daarbij als doel het beschrijven,verklaren, inzichtelijk maken van de aangetroffen problematiek op grond waarvanbesluitvorming kan plaatsvinden.111 Dit doel staat niet letterlijk in het Normen-rapport,maar kan tevens worden geacht ten grondslag te liggen aan de rapportages volgensNormen 2000-II. Deze definitie en doelstelling geldt ten aanzien van zowel rapportagesbetreffende civiele zaken als strafzaken.Zoals reeds in hoofdstuk 2 aan bod kwam, is de grond bij strafzaken voor dezerapportage te vinden in artikel 494 jo. 498 Sv, waarin staat dat de Raad inlichtingenverstrekt omtrent ‘de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte’.De Raad gebruikt verschillende modellen om deze rapportage vorm te geven. Inbeginsel wordt gebruik gemaakt van het model rapportage basisonderzoek strafzaken.Er kan echter ook worden volstaan met een briefrapport, dat slechts een korteuiteenzetting bevat of een verkorte rapportage in het geval dat er bijvoorbeeld eenrecent basisonderzoek beschikbaar is. Alle voornoemde rapportages moeten in de regelzijn voorzien van een advies betreffende de (strafrechtelijke) afdoening, al staat dat nietals zodanig in Normen 2000-II verplicht gesteld.112 Een systematische weergave van het110 Normen 2000 versie 2 H 3.2.111 Kwaliteitskader RvdK 2008, versie 010308, p. 6.112 Zie 1.4. 34
  35. 35. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -onderzoek van de Raad is het in laatstgenoemde twee gevallen echter niet meer,waardoor de definitie van de raadsrapportage mijns inziens moet worden aangepast.Verkorte rapportages zijn mogelijk, omdat deze de aangetroffen problematiek zichtbaarkunnen maken op grond waarvan besluitvorming kan plaatsvinden.113 Bovendien is H.3.2 van Normen-II niet van toepassing op de rapportages basisonderzoeken, zoals hiernaaan bod komt. Deze regeling is in overeenstemming met het Wetboek vanStrafvordering, omdat de verkorte rapportages afdoende zijn om de officier van justitieinformatie te geven betreffende de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van dejeugdige.114 Naar mijn mening kunnen bondigere rapportages worden toegejuicht,omdat er sneller kan worden opgetreden en het de wachtstapels van de Raad zalreduceren. De aard van de zaak en de persoon van het kind dienen zich hier echter niettegen te verzetten.Enkele algemene kwaliteitseisen uit het Normen-rapportRaadsrapportages basisonderzoeken strafzaken dienen te worden opgesteld conformNormen 2000-II. Het Normen-rapport noemt algemene kwaliteitseisen waaraan deuitoefening van alle taken van de Raad dienen te voldoen en bevat tevens een hoofdstukover strafzaken.115 Daarnaast staan er in Normen 2000-II eveneens richtlijnen tenbehoeve van rapportages in zijn algemeenheid. 116Ten eerste dienen de rapportages basisonderzoek strafzaken te voldoen aan het zojuistbedoelde Normen 2000-II hoofdstuk 10, wat toepasselijk is op strafzaken. Uit dithoofdstuk kunnen slechts inhoudelijke eisen worden gedestilleerd ten aanzien van deafsluiting van het onderzoek. Naar aanleiding hiervan kan worden vermeld dat indienhet een minderjarige van twaalf jaar of ouder betreft, op grond van de verzameldeinformatie een rapportage wordt opgesteld, ten behoeve van de eventuele voorgeleidingdan wel verdere afdoening van de strafzaak, met advies aan de officier van justitie ofrechter(-commissaris). In de rapportage dient advies te worden gegeven, vooral113 Normen 2000 versie 2, H 2.2.114 Artikel 493 jo. 498 Sv.115 Normen 2000 versie 2, H 10.116 Normen 2000 versie 2, H 3.2. 35
  36. 36. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -gebaseerd op pedagogische overwegingen, ten behoeve van de beslissing van de officiervan justitie en de rechter.117De rapportages basisonderzoek strafzaken dienen naast de eisen die zijn opgesteld opbasis van de informatie betreffende strafzaken in Normen 2000-II, tevens te voldoen aande algemene kwaliteitseisen betreffende het algehele takenpakket. Hieronder wordenachtereenvolgens enkele kwaliteitseisen besproken welke worden gesteld aan dealgemene uitvoering van de raadstaken en aan het rapporteren en het adviseren. Tot slotwordt de ontwikkeling en onderhouding van een zogenoemd “kwaliteitssysteem”besproken.In het algemeen dient de Raad voor de Kinderbescherming zorg te dragen voor eenverantwoorde uitvoering van zijn wettelijk omschreven taken,118 en dientengevolgeverantwoord te rapporteren en te adviseren. De taken dienen voorts doeltreffend,doelmatig, controleerbaar en cliëntgericht te worden uitgevoerd.119De kwaliteitseis onder c. behandelt meer specifiek het rapporteren en het adviseren.120Deze eis stelt onder meer dat de uitvoering van de taken van de Raad gericht moet zijnop het verklaren en het inzichtelijk maken van de aangetroffen problematiek op grondwaarvan besluitvorming, waaronder mede de advisering wordt verstaan, kanplaatsvinden. Deze eis geldt ‘voor de uitvoering van taken’, waaruit volgt dat deze eisten aanzien van alle taken geldt. Dit uitgangspunt is echter niet op alle taken van deRaad van toepassing, zoals bijvoorbeeld de coördinatie van taakstraffen. Mijns inziensis het doel van de uitvoering van de taken van de Raad het opkomen voor het belangvan het kind. Als legitimatie van de taakuitoefening van de Raad wordt dewaarborgfunctie genoemd,121 maar bij de kwaliteitseisen komt het pedagogischekarakter en de bescherming van het kind niet naar voren. Op dit punt kunnen dekwaliteitseisen dus worden verbeterd. Uit dezelfde kwaliteitseis onder c. volgt voortsdat de Raad interpretatie enerzijds en meningen en feiten anderzijds, duidelijkgescheiden dient te houden.117 Normen 2000 versie 2, H 10.2.1.118 Normen 2000 versie 2, H 3.2, kwaliteitseis onder a.119 Normen 2000 versie 2, H 3.2, kwaliteitseis onder b.120 Normen 2000 versie 2, H 3.2, kwaliteitseis onder c.121 Normen 2000 versie 2, H 2.1. 36
  37. 37. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Ten slotte wordt hier de eis besproken die stelt dat de Raad een kwaliteitssysteem dientte ontwikkelen en onderhouden, ten behoeve van een verantwoorde uitoefening van zijntaken. Onder een kwaliteitsysteem wordt een stelsel verstaan van vastgestelde eisen,regels en procedures ten einde te verzekeren dat de uitvoering van de wettelijkomschreven taken aan de gestelde eisen voldoet en blijft voldoen. Er wordt tevens geëistdat het kwaliteitssysteem toegankelijk, aanvaardbaar en hanteerbaar moet zijn, zowelten aanzien van de medewerkers als ook de cliënten. De Raad dient een systematischebewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit te garanderen.122 Deze scriptiehaakt daarbij aan door na te gaan hoe de kwaliteit van de strafrechtelijkeafdoeningsadviezen kan worden verbeterd.Naast de kwaliteitseisen, die gelden voor de uitvoering van de taken van de Raad, zijner tevens rapportagerichtlijnen waaraan de Raad dient te voldoen.123 Ze stellen ondermeer minimumeisen aan de inhoud van rapportages. Deze richtlijnen, die Normen 2000-II aan de raadsrapportages stelt, gelden echter niet voor de rapportage naar aanleidingvan basisonderzoeken in strafzaken. Dit is terug te vinden onder de uiteenzetting van derichtlijnen.124 In Normen 2000-II staat de reden van deze uitsluiting niet toegelicht. Uithet Kwaliteitskader volgt echter dat hiervoor is gekozen om zo de mogelijkheid te latenvan deze richtlijnen af te wijken vanwege het spoedeisend karakter.125Het is naar mijn mening niet noodzakelijk te stellen dat de rapportages basisonderzoekstrafzaken in zijn geheel niet hoeven te voldoen aan de richtlijnen. Enkele richtlijnenzijn tevens relevant voor de rapportages basisonderzoek strafzaken, als ook voor deverkorte versies ervan. Voorbeelden hiervan zijn de richtlijn die de vermeldingvoorschrijven van de gegevens en de interpretatie van deze gegevens die leiden tot deconclusie, dan wel het op grond van deze conclusie geformuleerde raadsadvies, derichtlijn die stelt dat wettelijke gronden in acht moeten worden genomen (idem122 Normen 2000 versie 2, H 3.2, kwaliteitseis onder d, e en f.123 Normen 2000 versie 2, H 3.2: ‘de rapporten van de Raad dienen aan de volgende richtlijnen tevoldoen’. Er kan dus beter worden gesproken over kwaliteitseisen, omdat het niet enkel handvattenbetreft, maar gevolgtrekkend uit de terminologie vereisten waaraan de rapportages moeten voldoen. In hetKwaliteitskader is deze visie terug te vinden, waar de rapportages moeten voldoen aan ’minimaal devolgende criteria’, Kwaliteitskader, versie 010308, p. 10.124 Normen 2000 versie 2, H 3.2, onderaan.125 Kwaliteitskader, versie 010308, p. 10, noot 1. 37
  38. 38. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -kwaliteitseis H. 2.2 onder d)126 en tot slot de richtlijn die voorschrijft dat de rapportagein correct en begrijpelijk Nederlands is opgesteld.127 Het spoedeisend karakter mag geenexcuus zijn om voorbij te gaan aan bepaalde minimumeisen. Het is overigensopmerkelijk dat deze rapportagerichtlijnen ofwel vanzelfsprekend lijken, ofwelvoortvloeien uit beleidsdocumenten betreffende strafrechtelijke rapportages. Deuitsluitingsclausule vind ik dan ook niet begrijpelijk. Ook specifiek ten aanzien van derapportages basisonderzoeken moeten er minimale eisen in het Normen-rapport wordenopgenomen.Het verschil tussen de kwaliteitseisen en de rapportagerichtlijnen is bovendienverwarrend. De rapportagerichtlijnen hebben mijns inziens niet zo zeer het karakter vanrichtlijnen, maar van eisen. Dit kan worden geconcludeerd op grond van de formuleringdat ‘de rapporten van de Raad dienen aan de volgende richtlijnen te voldoen’ en volgtvoorts uit het feit dat enkele categorieën zijn uitgesloten. Niet alleen Normen 2000-IIzijn op dit punt niet overzichtelijk, ook het Kwaliteitskader is op dit punt niet duidelijken onderscheid zelfs een derde groep eisen.128 Tot slot is het opmerkelijk dat zowel dekwaliteitseisen als de richtlijnen geen aandacht schenken aan het belang van het kind enhet pedagogische karakter. Dit zijn echter kernpunten en mogen dus niet ontbreken in dekwaliteitseisen en de rapportagerichtlijnen.Overige documentenDe kwaliteitseisen en richtlijnen zijn duidelijk te herkennen in de documenten die deraadsonderzoekers gebruiken bij het opstellen van raadsrapportages. Deraadsonderzoekers, die de raadsrapportages verzorgen, lezen het Normen-rapportzelden. Een van de juristen werkzaam bij het landelijk bureau van de Raad benadruktechter in een telefonisch interview dat de raadsonderzoekers geacht worden Normen2000-II te lezen. De juridische afdeling is niet blij met de gedachte dat het Normen-rapport impopulair is.129 Om de raadsonderzoekers aan te moedigen het herzienebeleidsdocument te laten lezen, lijkt het Kwaliteitskader 2008 toegankelijker eneenvoudiger opgesteld te zijn. De wijziging kan zijn doorgevoerd om de drempel voor126 Normen 2000 versie 2, H 3.2.127 Normen 2000 versie 2, H 3.2.128 Kwaliteitskader, versie 010308, p. 6 (H 2.2: Uitgangspunten bij de uitvoering; H 3.1: Kwaliteitseisen)en p. 3-5 (H 3.3: Het raadsrapport).129 Telefonisch interview jurist van het landelijk bureau RvdK te Utrecht (12-09-2008). 38
  39. 39. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -de raadsonderzoekers lager te maken. Niettemin zullen raadsonderzoekers zelden dezedocumenten inzien ter opstelling van hun raadsrapportages. Zij gebruiken modellen enhandleidingen uit hun opleiding of documenten die ze in de loop der tijd hebbenaangereikt gekregen en downloaden rapportageformats van de computer. Hier wordenachtereenvolgens het model, de syllabus ‘Een Raadsrapport schrijven’ en de BAROhandleiding rapportageformat behandeld.De gegevens voortkomende uit de BARO, de vragenlijst die de raadsonderzoeker bijvroeghulp afneemt,130 worden geordend in een model om de rapportage basisonderzoekin strafzaken op te stellen. Dit model is een standaard format dat de raadsonderzoekerkan downloaden. Het model en de raadsrapportage, bestaan uit vier onderdelen.131Onderdeel A beschrijft het onderzoeksproces en bevat alle relevante informatie over hetBARO-onderzoeksproces. Onderdeel B brengt de persoonlijkheid van het kind en delevensomstandigheden in kaart. Hierin wordt onder meer vermeld of het kind al eerderin aanraking is geweest met justitie of jeugdzorg, welk delict het kind heeft gepleegd enhoe het is gepleegd en het geeft voorts informatie over benaderde informanten en overde ouders en hun verwachtingen. Onderdeel C beantwoordt de onderzoeksvragen,waarbij tevens een interpretatie wordt gegeven. De raadsonderzoeker voert eenprobleemanalyse uit aan de hand van het aantekeningsformulier en het BARO-wegingsformulier. Het aantekeningsformulier is een hulpformulier voor deraadsonderzoeker dat dient om het wegingsformulier op basis van de BARO-gegevensadequaat in te vullen. Een van de onderzoeksvragen bij onderdeel C is vraag 3b en steltde vraag wat vanuit pedagogisch “opzicht” voor de jeugdige de meest wenselijke(strafrechtelijke) reactie is.132 Onderdeel D formuleert bondig het advies inzakestrafrechtelijke afdoening. Onderdeel C onderzoeksvraag 3b en onderdeel D wordenmet name bekeken, omdat deze het advies inzake de strafrechtelijke afdoening betreffenen de motivering daarvan.130 Zie 1.4.131 Zie bijlage 1 voor het rapportageformat basisonderzoek strafzaken; BARO Handleidingrapportageformat, februari 2003, p. 4.132 Mijns inziens moet dit zijn: ‘vanuit pedagogisch oogpunt’. 39
  40. 40. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -Op deze plaats wordt er aan herinnerd dat de rapportage niet altijd wordt opgesteldconform bovenbedoeld model. Reeds genoemd zijn de verkorte rapportages en debriefrapportages.De syllabus ‘Een Raadsrapport schrijven’ komt aan bod in de interne opleiding van deRaad voor Kinderbescherming die elke raadsonderzoeker dient te doorlopen.133 Hetbeschrijft hoe raadsrapportages moeten worden opgesteld en aan welke eisen er dient teworden voldaan. Hieruit volgt dat onnodige (juridische en andere) vaktermen inrapportages moeten worden vermeden134 en dat de raadsrapportages alle betrokkenenmoeten kunnen informeren en voor hen tevens volledig en toegankelijk dienen te zijn.135Uit de BARO Handleiding rapportageformat volgt dat de rapportage geen letterlijkeweergave hoeft te zijn van het BARO-gesprek, zodat er kort en bondig kan wordengeformuleerd.136 Deze eisen kunnen worden gezien als uitwerkingen van dekwaliteitseisen uit Normen 2000-II, waarin gesteld wordt dat de taken cliëntgericht encontroleerbaar dienen te worden uitgevoerd.137Kortom, naast de punten die de kwaliteitseisen en de richtlijnen reeds vermeldenbetreffende de rapportage als geheel, eist de syllabus dat de rapportages volledig,toegankelijk en leesbaar, zonder onnodig gebruik van jargon, moeten zijn voor allebetrokkenen. De BARO Handleiding eist korte en bondige beschrijvingen.3.3 Advies strafrechtelijke afdoeningEen van de hoofdkenmerken van het jeugdstrafrecht is de wettelijke keuzemogelijkheidtussen zowel een strafrechtelijke als een civielrechtelijke reactie.138 Het advies inzakestrafrechtelijke afdoening wordt in deze scriptie dan ook opgevat als advies van de Raadvoor de Kinderbescherming dat gericht is aan de officier van justitie of de rechter teneinde een strafzaak af te doen, met inbegrip van de motivering van het advies. Ditomvat dus niet louter het advies tot strafrechtelijke sancties zoals die staan in hetWetboek van Strafrecht, maar ook andere mogelijkheden van afdoen als bijvoorbeeld133 RIO, wat staat voor Raadsonderzoeker In Opleiding.134 Landelijk Bureau RvdK 2001, Checklist bij Syllabus ‘Een Raadsrapport schrijven’, punt 3.4.135 Landelijke Bureau RvdK 2001, Syllabus ‘Een Raadsrapport schrijven’, p. 3.136 Landelijk Bureau RvdK 2003, ‘BARO Handleiding rapportageformat’, p. 9.137 Normen 2000 versie 2, H 2.2 (kwaliteitseis onder b).138 Bartels 2007, p. 2. Zie 2.3 van deze scriptie. 40
  41. 41. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -modaliteiten uit het civiele hulpverleningstraject. Ook de BARO HandleidingRapportageformat onderscheidt het advies inzake strafrechtelijke afdoening in tweeonderdelen. Kortweg staat bij de uitleg van gedeelte D van het rapportageformat dat deRaad enerzijds een ‘strafadvies’ kan geven en anderzijds kan verwijzen naar eeninstelling voor jeugdhulpverlening of over te gaan tot nader onderzoek.139Richtlijnen RaadsbesluitenDe Richtlijnen Raadsbesluiten, als ondertitel dragend ‘richtlijnen juridische formuleringbesluiten in raadsrapportage’, zijn een product van de afdeling juridische zaken van hetlandelijk bureau van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht. De Richtlijnengeven aan op welke wijze juridische adviezen in een raadsrapportage dienen te wordengeformuleerd en zijn op 1 januari 2004 in werking getreden. De formuleringskadersdienen verplicht te worden gebruikt in de raadsrapportages, conform het LMT-besluitvan 18 november 2003.140Recentelijk is een nieuwe versie van de Richtlijnen Raadsbesluiten verschenen,namelijk versie 3.0. Met nieuwe wetgeving als de Wet OM-Afdoening en deGedragsbeïnvloedende Maatregel is in de Richtlijnen Raadsbesluiten (versie 2.0), welkevoor het laatst is aangepast in 2006, immers nog geen rekening gehouden.141 Bovendienzijn er in de praktijk onjuistheden gevonden, waardoor de Richtlijnen Raadsbesluiten almet al aan vervanging toe zijn. In deze scriptie is van versie 2.0 uitgegaan, omdat deonderzochte rapportages onder deze versie vallen. Wel worden de RichtlijnenRaadbesluiten versie 3.0 aangehaald voor zover relevant.De Richtlijnen Raadsbesluiten zijn opgesteld, omdat er onder meer klachten waren vanrechters betreffende de juridische incorrectheid van de adviezen.142 Uit het WODC-onderzoek uit 2001 volgt dat de jeugdofficieren niet altijd te spreken waren over dekwaliteit van de rapportages.143 Ze gaven aan dat het advies van de Raad veelduidelijker en scherper geformuleerd zou moeten worden en ook juridisch zou moetenkloppen. Een kinderrechter uit hetzelfde arrondissement voegde daaraan toe dat de139 Landelijk Bureau RvdK 2003, ‘BARO Handleiding rapportageformat’, p. 17.140 Landelijk Bureau RvdK 2006, Richtlijnen Raadsbesluiten versie 2.0, p. 2.141 LOJUZA 13 maart 2008, Landelijk Overleg Juridische Zaken, waarbij alle raadsregio’s landelijk viaeen of meerdere juridisch deskundigen (raadsjuristen) bijeenkomen.142 Telefonisch interview jurist van het landelijk bureau RvdK te Utrecht (12-09-2008).143 WODC-rapport 2001, p. 64. 41
  42. 42. - Strafrechtelijke advisering RvdK ‘s-Hertogenbosch -rapportage soms te eenzijdig het standpunt van de jongere naar voren brengt. Bovendienis de verslaglegging soms gedateerd en het strafadvies ‘vaak veel te soft’. In hetonderzoeksgedeelte zal worden uitgezocht in hoeverre het juridisch gehalte, als ook degehele adviezen inzake strafrechtelijke afdoening, zijn verbeterd.Uit de inleiding van de Richtlijnen Raadsbesluiten volgt meer informatie over de doelenen aan welke eisen er moet worden voldaan bij raadsrapportages. De RichtlijnenRaadsbesluiten zijn opgesteld om tot een zoveel mogelijk eenduidige wijze vanadviseren te komen. De transformatie tot één Raad voor de Kinderbescherming vergdedit. ‘De Richtlijnen Raadsbesluiten zijn verplicht voorgeschreven om te komen tot eenheldere, zorgvuldige, eenduidige en juridisch correcte wijze [cursief van mij] vanopstellen van adviezen na onderzoek door de Raad; het beperkt zich tot het formulerenvan raadsbesluiten en geeft daarbij summier de juridische kaders aan waarbinnen hetbesluit wordt genomen.’144 Met raadsadviezen wordt hier overigens hetzelfde bedoeldals raadsbesluiten. Deze zin kan verwarrend overkomen, omdat aan de ene kant immershet proces wordt benadrukt (de wijze van opstellen van adviezen) en aan de andere kantde beperking tot de formulering en het summier geven van de juridische kaders wordtuitgedrukt. Wellicht is het correcter te zeggen dat de Richtlijnen Raadsbesluiten hetopstellen van heldere, zorgvuldige, eenduidige en juridisch correcte adviezen tot doelheeft, als ook een heldere, zorgvuldige, eenduidige en juridisch correcte formulering.De Richtlijnen behandelen immers niet alleen de formulering, maar bevatten ooksummier juridische kaders en andere aandachtspunten. Op deze wijze zal het wordengeïnterpreteerd in het onderzoek.Niet alleen het doel moet worden aangepast, in de inleiding van de RichtlijnenRaadsbesluiten staat tevens dat ‘de Raad […] bij het advies inzake strafrechtelijkeafdoening [kan] worden gezien als deskundige wiens advies de rechter al dan niet kanovernemen.’ Er wordt onterecht slechts gesproken over de rechter, omdat de Raad nietalleen de rechter adviseert, maar ook de officier van justitie.145 Ook de officier vanjustitie moet dus worden opgenomen.144 Landelijk Bureau RvdK 2006, Richtlijnen Raadsbesluiten versie 2.0, p. 3.145 Landelijk Bureau RvdK 2008, Richtlijnen Raadsbesluiten, versie 3.0, p. 7. 42

×