Lees het artikel: Kanttekeningen bij de basisvereisten crisismanagement (vanaf pagina 17)

524 views

Published on

Ira Helsloot en Bart Boon hebben zo hun vraagtekens bij de Basisvereisten crisismanagement. Ik reageer hierop in het volgende nummer van het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
524
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Lees het artikel: Kanttekeningen bij de basisvereisten crisismanagement (vanaf pagina 17)

  1. 1. jaargang 1nummer 2februari 2008(Nieuwe) schaarstes ennationale veiligheidVoorbereidingen komendejaarwisseling begonnenKanttekeningen basisvereistendecentrale crisisbeheersingGebouwd erfgoed civieleverdediging in kaart
  2. 2. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 20082InhoudThema: (Nieuwe) schaarstes en nationale veiligheidColumn Rob de Wijk: Machtsdenken en energiepolitiek raken verweven 3Schaarste in overvloed (Rapport Iris, researchbureau Rabobank en Robeco) 4Minsters Verhagen (BZ) en Van der Hoeven (EZ): Energie en het buitenlands beleid 8Toenemende spanning op de oliemarkt: crisisvoorraden geen oplossing! 12Vier vragen aan George Möller, topman vermogensbeheerder Robeco 40De voorbereiding op de komende jaarwisseling is al weer begonnen 14Enkele kanttekeningen bij de basisvereisten decentrale crisisbeheersing 17Terrorismewetenschappers en de toekomst (oratie prof. Bob de Graaff) 20Impressie Congres oefening Voyager: de leerervaringen gepresenteerd 22Crisisbeheersing door bestuur en justitie: incidentbestrijding bijzondere inrichtingen 24Adviesraad Gevaarlijke Stoffen: Ontplofbare stoffen kunnen nog beter in het gareel 26Gebouwd erfgoed civiele verdediging in kaart gebracht 30Geneeskundige hulpverlening: oranje of groen? 33Conferentie Grenzeloze GHOR 34Bescherming vitale infrastructuur: publiekprivate verbinding 36En verder in dit nummer:Samen op de bres – voorbereiding op overstromingen 19Tweede Kamer en wet veiligheidsregio’s 19Samen leiding geven aan nationale veiligheid 28Ondersteuning burgemeesters in tijden van crises 29Online schaderegistratie na rampen 38Nieuw lid Onderzoeksraad voor Veiligheid 38Symposium oefenen opvang slachtoffers: zin of onzin? 39Het Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing is een maandelijkse uitgave van de directieCrisisbeheersing van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en verschijntelf maal per jaar. Het blad informeert, signaleert en biedt een platform aan bestuurders en professionalsover beleidsontwikkeling, innovatie, uitvoering en evaluatie ten aanzien van nationale veiligheid encrisisbeheersing. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de artikelen berust bij de auteurs.
  3. 3. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 20083Tijdens de Koude Oorlog bestond het fenomeen vande Kremlin watcher. Dat waren deskundigen die uit dewijze waarop de top van de toenmalige Sovjetunieparades op het Rode Plein afnam kon opmaken wiede toekomstige leider zou worden en wie uiteindelijkin een werkkamp van Siberië zou eindigen.Tegenwoordig is het vak van Kremlin watcher aanherwaardering toe. Want Rusland is door presidentPoetin weer op de politieke kaart gezet. Is het toevaldat de Dmitri Medvedev, de huidige voorzitter van deraad van toezicht van Gazprom, beoogd presidentvan Rusland is?De nieuwe generatie Kremlin watchers ziet de benoemingvan Medvedev als zet van Poetin om via een vertrouwelingde touwtjes toch in handen te kunnen houden. Maar er ismeer aan de hand. Want de Russen zijn tot de ontdekkinggekomen dat gas een machtspolitiek instrument bij uitstekis. Met Medvedev krijgt Rusland dus een president dieweet hoe dat machtsinstrument moet worden gehanteerd.Wie de geschiedenis van het ontstaan van het huidigeRusland kent, verbaast zich niet over deze ontwikkeling.Historisch gezien is Rusland een imperiale mogendheid;een rijk dat zijn macht in andere landen wil vergrotendoor gebied te veroveren of te controleren. Het rijk vanKiev ontwikkelde zich zo tot de latere Sovjetunie. Ook hethuidige Rusland tracht een buffer van bevriende staten inhet zuiden te creëren en verzet zich hevig tegen deuitbreiding van de NAVO naar het oosten en tracht eenpolitiek te voeren die de Europese Unie kan verzwakken.Voor dat laatste biedt een politiek van bilaterale gasdealseen uitgelezen mogendheid. Het ontbreken van eengasmarkt brengt bijzondere afhankelijkheden met zichmee. Tweederde van de Russische gasexport gaat naar deEuropese Unie, die daarmee 30 procent van zijn totalebehoefte aan gas uit Rusland importeert. In werkelijkheidis de Russische vinger in de gaspap nog groter. Negentigprocent van de Europese invoer komt uit Rusland, Algerijeen Noorwegen. In 2006 tekende Gazprom een intentie-verklaring voor samenwerking met Algerije. En eind vorigjaar werd het plan gelanceerd om Nigeria te assisterenmet de productie van LNG die vooral voor de Europesemarkt bestemd is.Direct en indirect wordtGazprom de dominantespeler op de Europesegasmarkt. Dat maaktEuropa afhankelijk enkwetsbaar. Temeer omdathet Internationale EnergieAgentschap voorspelde datde Europese Unie rond2020 een gastekort van30 procent heeft.Toegegeven, Rusland sluitwederkerigheid niet uit.Gazprom betrok het Noorse StatoilHydro en het FranseTotal reeds bij de ontginning van het RussischeShtokmanveld. Ook met premier Balkenende sprak Poetinover de inschakeling van Nederlandse bedrijven bij deexploitatie van Russische gasvelden.De crux zit echter in de bilaterale gasdeals waarmee hetKremlin een politiek van verdeel en heers in Europa kanvoeren. Dit dwingt tot nadenken over een EuropeseEnergiepolitiek, gebaseerd op de premisse dat gasdealsniet louter handelspolitieke successen voor Europese landenzijn, maar ook machtspolitieke successen voor het Kremlin.Interessant is dat de Strategie Nationale Veiligheid die hetKabinet vorig jaar aanvaardde aanknopingspunten biedtvoor deze invalshoek. De nationale veiligheid is volgens destrategie in het geding als de vitale belangen vanNederland worden aangetast. De economische veiligheidis zo’n vitaal belang. Het is niet moeilijk een scenario tebedenken waarbij ten tijde van oplopende spanningenmet de gaskraan wordt gemanipuleerd. Geen wonder datin november 2006 de Amerikaanse senator Richard Lugarvoorstelde om Artikel 5 van het NAVO verdrag (een aanvaltegen één, is een aanval tegen allen) van toepassing teverklaren als een land de dupe wordt van het stoppen vande energietoevoer. Aanleiding was dat Rusland degaskraan begin 2006 dichtdraaide toen Oekraïne eenbetalingsachterstand bleek te hebben. De effecten vandeze actie waren ook in Europa merkbaar. De EuropeseCommissie vroeg Gazprom de verzekering dat een nieuwegasruzie die begin februari leek uit te breken, geengevolgen voor de leveranties aan Europa mag hebben. Diekreeg de Commissie, maar dat laat onverlet dat de Russenvorig jaar tevens verhuld dreigden met sancties als Polenen Tsjechië over zouden gaan tot plaatsing van onderdelenvan een Amerikaans rakettenschild. En daarmee lijken detijden van de Koude Oorlog soms te herleven, metGazprom als het nieuwe Rode Leger.pprrooff.. ddrr.. RRoobb ddee WWiijjkk,,directeur The Hague Centre for Strategic StudiesMachtsdenken enenergiepolitiekraken verweven
  4. 4. 4 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008(Nieuwe) vormen van schaarsteDe combinatie van een aanhoudende bevolkingsgroei en een stijgend welvaartsniveau zorgt voor een scherpetoename van de mondiale consumptie. Met (nieuwe) vormen van schaarste tot gevolg. De vraag naar grond-stoffen neemt explosief toe en het toekomstige energieverbruik is simpelweg niet met behulp van traditionelebronnen in te vullen. Ook wordt het lastiger om de wereldpopulatie van voldoende voedsel en schoon water tevoorzien. Dit effect wordt versterkt door klimaatverandering die de hoeveelheid beschikbare landbouwgrondonder druk zet en leidt tot toenemende waterschaarste. Aldus het rapport Schaarste in overvloed van IRIS, hetgezamenlijk researchbureau van de Rabobank en vermogensbeheerder Robeco.Het eind 2007 verschenen rapport brengt de oorzakenen gevolgen van de schaarste aan grondstoffen, energie,voedsel, water, lucht en zorg & gezondheid in kaart enidentificeert beleggingsmogelijkheden die met deoplossingen voor deze nieuwe vormen van schaarstegepaard gaan. Hieronder een overzicht van lange termijntrends en de komende schaarstes die ook relevant zijn inhet kader van de Strategie Nationale Veiligheid.Lange termijn trendsGroei wereldbevolkingMomenteel telt de wereld ruim 6.6 miljard inwoners.In de komende decennia is er een gestage toename.Volgens de laatste projecties van de Verenigde Naties zalde wereldpopulatie in 2050 met 40% zijn toegenomen totmeer dan 9 miljard mensen. Deze groei loopt parallel meteen groeiend aandeel van de zgn. opkomende landen(in Afrika, Azië (exclusief Japan), Latijns-Amerika enOost-Europa) in de totale wereldpopulatie. In 2050 zalnaar schatting ruim 86% van de wereldbevolking, oftewel7,8 miljard mensen in opkomende landen wonen.Toename welvaart & consumptieDeze bevolkingstoename gaat gepaard met een historischgezien hoge economische groei. De sterke economischeontwikkeling hangt samen met de trend dat de toenamevan de wereldbevolking zich concentreert in opkomendelanden met een stijgende beroepsbevolking en een hogeproductiviteitsgroei. Deze landen profiteren bovendienmeer dan gemiddeld van de voortgaande integratie vande wereldeconomie en een afname van internationalehandelsbarrières. Ook plukken opkomende landen devruchten van succesvolle bewezen technologieën die relatiefgoedkoop en eenvoudig kunnen worden gekopieerd.De relatief sterke economische groei in opkomendelanden vertaalt zich naar een hoger welvaartsniveau.Door de groeiende bevolking en een hoger welvaartsniveauneemt niet alleen de vraag naar metalen, maar ook dienaar energie toe. De energievraag is sinds 2000 jaarlijksmet 2.6% toegenomen, twee keer zoveel als in de twintigjaar daarvoor. Vooral in opkomende landen, die nu al 50%van de energie wereldwijd consumeren, stijgt de vraag snel.Dit is een gevolg van het verwarmen van gebouwen, desterke toename van het vrachtverkeer en vliegverkeer eneen groeiend aantal auto’s. De vraag naar voedsel zal dekomende jaren sterk stijgen. Een groeiende wereldbevolkingen verandering in het eetpatroon als gevolg van de toe-nemende welvaart, stuwt de behoefte aan voedsel omhoog.KlimaatveranderingDoor de trends van stijgende welvaart en bevolkingsgroeistijgen de consumptie en de vraag naar producten vanenergie tot water en van voedsel tot grondstoffen.Hierdoor slaat het normale gebruik van natuurlijkehulpbronnen vaak om in overexploitatie van deze bronnen.Dit heeft, naast schaarste aan producten, grote directegevolgen voor de kwaliteit van land, lucht en water. Er issteeds meer wetenschappelijk bewijs dat het menselijkehandelen ook invloed heeft op het klimaat – de gemiddeldetoestand van het weer over een langere periode – en desnelheid waarmee het verandert. Gezien de samenhangtussen het klimaat en water, lucht en land zorgt de mensindirect via klimaatverandering dat de druk op dezemiddelen nog verder toeneemt.Klimaatverandering heeft ook gevolgen voor de voedsel-productie. Droogte, vooral in delen van Afrika, kanmiljoenen mensen de mogelijkheid om voldoende voedselte produceren, ontnemen. Hoewel in gebieden die verdervan de evenaar afliggen de vruchtbaarheid van het land zaltoenemen, verwacht het IPCC (Intergovernmental Panelon Climate Change) dat bij een gemiddelde temperatuur-stijging op aarde van meer dan twee graden de totalevoedselproductie afneemtVergrijzingDe wereldbevolking neemt sterk toe, maar in deontwikkelde wereld en sommige opkomende markten
  5. 5. 5 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008(bijv. China en Rusland) is ook een andere demografischeontwikkeling met grote maatschappelijke gevolgen gaande:vergrijzing. Als gevolg van een dalend aantal kinderen pervrouw en de toename van de gemiddelde levensverwachtingneemt het aandeel ouderen in de bevolking toe. In snel-vergrijzende gebieden moet een krimpende beroeps-bevolking (Japan sinds 1999, Europa vanaf 2010) steedsmeer ouderen onderhouden. Door de toename (zowelabsoluut als relatief) van het aantal ouderen nemen dezorgkosten in vergrijzende landen sterk toe. Bij onveranderdbeleid is dit zelfs voor rijke landen nauwelijks op te brengen.GrondstoffenSterke toename vraagOpkomende landen zijn de drijvende kracht achter desterke stijging van de vraag naar grondstoffen die dekomende decennia plaatsvindt. De snelle toename van debevolking in deze gebieden zorgt samen met de stijgende,maar nog altijd relatief lage, inkomens voor een langdurigeperiode van sterke consumptiegroei van grondstoffen.Opkomende markten zijn nu al goed voor meer dan dehelft van de totale vraag naar grondstoffen, terwijl ze slechtseen vijfde van de wereldeconomie vertegenwoordigen. Hetmeest toonaangevende voorbeeld is China dat, als gevolgvan de industriële hausse, alleen al goed is voor grofwegeen kwart van de vraag naar industriële metalen. In detoekomst zullen opkomende landen nog een veel groterdeel van de totale vraag naar grondstoffen voor hunrekening nemen als gevolg van de relatief hoge economischegroei en de daarmee gepaard gaande stijgende grond-stoffenintensiteit.Aanbod blijft achterDe komende jaren (minimaal tot en met 2010) zal hetaanbod van grondstoffen de vraag niet kunnen bijhouden.Dat heeft vooral te maken met de beperkte omvang van deinvesteringen in exploratie in de voorbije jaren. Ook in dejaren ná 2010 is het hoogst onzeker of het aanbod de explo-sieve vraag kan volgen. Een aantal factoren speelt hierbijeen rol. Voor de meeste grondstoffen geldt dat al jarenlanggeen grote nieuwe reserves zijn ontdekt, laat staan datgrootschalige nieuwe mijnbouwprojecten zijn opgestart.Zo is de laatst geopende loodmijn van importantie, deCannington mijn in Australië, al weer dik tien jaar oud.Een tweede factor is dat de kwaliteit van de erts van demeeste grondstoffen door de tijd afneemt. Dat betekentdat met dezelfde inspanning en gemaakte kosten eensteeds kleinere hoeveelheid grondstoffen wordt gewonnen.Daarnaast liggen veel nieuwe mijnbouwprojecten opafgelegen locaties waardoor het behalen van schaal-voordelen niet of nauwelijks mogelijk is en er flink moetworden geïnvesteerd in de benodigde infrastructuur. Hetis bovendien vaak moeilijk om voldoende gekwalificeerdpersoneel op deze locaties te krijgen.Bovengenoemde factoren doen vermoeden dat de groei inhet aanbod van grondstoffen, en met name van industriëlemetalen, over een langere periode de stijgende vraag nietzal kunnen volgen. Dat betekent dat de vraagaanbod-verhouding voor veel grondstoffen structureel verschuift.Het aantal jaren productie die de mondiale reservesvertegenwoordigen, loopt daardoor terug. Ook de boven-grondse voorraden, die in de afgelopen jaren al forsomlaag zijn gegaan, tot in sommige gevallen zelfs extreemlage niveaus van enkele dagen consumptie, blijven onderdruk staan waardoor de toenemende schaarste aangrondstoffen verder wordt blootgelegd. De kans op scherpeprijsstijgingen neemt hierdoor fors toe.EnergieEen stijgende wereldbevolking, die steeds meer te bestedenheeft, en eindige olievoorraden leiden tot een hoge >>>
  6. 6. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008olieprijs. Deze prijs wordt bepaald door de stijgende vraagnaar energie vanuit vooral de opkomende economieënzoals China en India. Het Internationaal EnergieAgentschap geeft in haar World Energy Outlook 2007 aandat als de vraag naar energie zich volgens het huidigepatroon voortzet, deze 50% hoger zal liggen in 2030 dan nu.45% van deze groei komt door vraag vanuit China en India.Hoewel het huidige aanbod van fossiele brandstoffen nietvoldoende zal zijn om aan de toekomstige vraag naarenergie te voldoen, is het aanbod van alternatieve energienog steeds laag. De ontwikkeling naar een schonere,minder olieafhankelijke maatschappij is een geleidelijkproces. Het schoner maken van bijvoorbeeld de huidigefossiele brandstoffen en het gebruik van aardgas zijn eenkortetermijnoplossing die wel zorgt voor een schonerenergieaanbod, maar nog geen alternatief biedt voorfossiele brandstoffen. De aantrekkelijkheid van alternatieveenergiebronnen hangt sterk samen met de stand van detechnologie, die voor een belangrijke mate de kostprijsbepaalt van de energie die uit de energiebron wordtgewonnen. Veelgenoemde bronnen zijn wind en zonne-energie, geothermische energie, golf- en getijdenenergieen waterkracht. De schattingen over wanneer deverschillende alternatieven op grote schaal toegepast zullenworden en wanneer en bij welke prijs per kWh en olieprijsdeze kostenconcurrerend zullen zijn, lopen uiteen.VoedselDoor de stijgende bevolkingsgroei en een verandering inhet eetpatroon in opkomende landen als gevolg van detoenemende welvaart, zal de vraag naar voedsel de komendejaren bovengemiddeld stijgen. Ook de stijgende vraagnaar biobrandstoffen, mede gestimuleerd door de klimaat-verandering, heeft de afgelopen jaren voor extra vraag naaragrarische grondstoffen zoals maïs en suiker geleid.Tegelijkertijd komt het aanbod van voedsel steeds meeronder druk te staan omdat beschikbare landbouwgrondschaars is en klimaatverandering er in toenemende matevoor zorgt dat de voedseloogsten in veel delen van dewereld onzeker worden.De versnelling in de vraag naar voedsel kan niet alleenworden opgevangen door een hogere opbrengst per hectarelandbouwgrond. Om toch aan de vraag te kunnen voldoen,zou de oppervlakte beschikbare landbouwgrond significantmoeten toenemen. Maar de ruimte hiervoor is beperkt.Het gevolg van de beperkte mogelijkheden om het aanbodte vergroten is dat de globale voedselvoorraden zijngedaald. Zo gaat het US Department of Agriculture ervanuit dat de wereldwijde graanvoorraden in 2008 zullenafnemen tot het laagste niveau sinds 1976.Klimaatverandering is ook direct van invloed op de voedsel-productie. Oogsten, vooral in gebieden die sterk afhankelijkzijn van regenval, zullen meer fluctueren, wat het aanbodvan voedsel onzekerder maakt. Hoewel de vruchtbaarheidvan landbouwgrond in sommige gebieden stijgt, verwachthet IPCC dat bij een gemiddelde temperatuurstijging opaarde van meer dan een paar graden de totale voedsel-productie afneemt.WaterOngeveer 75 % van het aardoppervlak bestaat uit water.Daarvan is 97.5 % zout en ongeveer 2.5 % zoet. Ongeveer1 % van alle watervoorraden op aarde is direct geschikt voorconsumptie. De hoeveelheid zoet water op aarde is dusbeperkt. Door de mondiale bevolkingsgroei en sterkeeconomische ontwikkeling doen bovendien steeds meermensen een beroep op zoetwaterbronnen, terwijl in veelgebieden de kwaliteit van het water verslechtert doormilieuvervuiling of de hoeveelheid water sterk afneemtdoor klimaatverandering. Ook wordt er vaak niet efficiëntmet het beschikbare water omgesprongen. Het gevolg istoenemende schaarste.Geschat wordt dat de vraag naar zoet water in de komende30 jaar zal verdrievoudigen. Niet alleen zijn er steeds meermensen die water nodig hebben, mensen gebruikengemiddeld ook steeds meer water. Volgens de VN heeftongeveer 20% van de wereldbevolking momenteelonvoldoende of geen schoon drinkwater beschikbaar.De Wereldgezondheidsorganisatie schat dat tegen 2025,35% van de wereldbevolking leeft in gebieden waar zoetwater schaars is.De landbouwsector is met ongeveer 70% de grootstegebruiker van zoet water, gevolgd door de industrie (enenergie) met 22%. Huishoudens nemen maar 8% voorhun rekening. Als gevolg van de stijgende behoefte aanvoedsel zal het gebruik van water in de landbouw in dekomende 25 jaar met 15-20% stijgen.De beschikbare waterbronnen worden vrijwel overal opaarde bedreigd door vervuiling, verspilling en klimaat-verandering. Vervuilende stoffen zijn de bijproducten vanindustriële processen, van kunstmest en pesticiden die inde landbouw worden gebruikt, en van de menselijkeuitscheidingen van medicijnen. Als gevolg van deze6
  7. 7. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 20087chemische stoffen, die water vervuilen en onbruikbaarmaken, zijn steeds vaker regels nodig om de waterkwaliteitte garanderen. Verspilling via waterleidingen ismedeverantwoordelijk voor de toenemende waterschaarste.Het meeste water wordt verspild bij transport via water-leidingen. Omdat de levensduur van leidingen 50 tot 100jaar is, moet jaarlijks 1-2% daarvan vervangen worden.Vooralsnog gebeurt dit niet of niet op tijd waardoor hetverlies aan water stijgt.Water is ook een strategisch goed geworden. Het gebrekaan water veroorzaakt conflicten tussen landen die water-bronnen met elkaar delen, tussen dorpen en mijnen entussen landelijke en stedelijke gebieden binnen lands-grenzen. Mensen migreren massaal uit de droge, water-schaarse gebieden naar de waterrijke stedelijke gebieden.Als gevolg daarvan wordt de waterinfrastructuur in degrote steden overdadig gebruikt. Omdat er steeds meermensen in stedelijke gebieden (gaan) wonen, is deuitdaging om water en sanitaire voorzieningen vooriedereen toegankelijk te maken, navenant.De hogere temperaturen, die vanwege klimaatveranderingvoor de toekomst voorspeld worden, zullen ook de vraagnaar water en het aanbod daarvan beïnvloeden. Omdat ermeer sneeuw en ijs gaan smelten, zal het aanbod vanwater in sommige gebieden tijdelijk stijgen. Door langerewarme periodes wordt de vraag naar water hoger en kande kwaliteit van water verslechteren. Steeds grotere gebiedenkrijgen last van droogte en waterstress. Tegelijkertijd wonensteeds meer mensen als gevolg van zwaardere stortbuienin gebieden die kwetsbaar voor overstromingen zijn.LuchtBevolkingsgroei, welvaartsgroei en de mondiale handels-liberalisering stimuleren de vraag naar energie en naartransport. Als gevolg daarvan worden wereldwijd steedsgrotere hoeveelheden vervuilende stoffen in de atmosfeeruitgestoten. Veel van de luchtvervuiling is lokaal vankarakter, maar er is een aantal verontreinigende stoffenmet negatieve effecten voor de mondiale atmosfeer enleefomgeving. De prijs van luchtvervuiling is hoog:jaarlijks sterven meer dan twee miljoen mensen als gevolgvan ziektes die aan vervuilde lucht te wijten zijn.Elektriciteitsopwekking, consumptie van energie (vooralfossiele brandstoffen), industriële processen, vuil-verbrandingapparaten, huishoudens en verkeer blijven debelangrijkste bronnen van luchtvervuiling. De stijgendevraag naar energie en de groeiende transportsector leggenvooral in opkomende landen zoals China extra druk op deluchtkwaliteit en de gezondheid van mensen.Schone lucht is dus schaars. Beter management van deluchtkwaliteit op lokaal niveau en wet- en regelgeving opregionaal (=landelijk) en mondiaal niveau zijn belangrijkvoor de verbetering van de kwaliteit van de atmosfeerwereldwijd.Zorg en gezondheidDe ontwikkelde wereld vergrijst en dit geldt ook voorbelangrijke opkomende markten als China en Rusland.De stijgende levensverwachting en een dalend aantalkinderen per vrouw leidt tot een steeds groter deel ouderenin de bevolking. In snelvergrijzende gebieden neemt dedruk op de gezondheidszorg, pensioenen en overheids-financiën toe. Het besef dat steeds hogere gezondheids-kosten door een krimpende beroepsbevolking moet wordenopgevangen, noopt tot ingrijpen. Door verbeteringen in degezondheidszorg in de afgelopen jaren zijn veel terminaleaandoeningen veranderd in chronische ziektes. Dit vergrootde vraag naar lange termijn behandelingen.Daarom is een paradigmashift in de medische sectornoodzakelijk: door vroegtijdige diagnose thuis of in hetziekenhuis van gezondheidsproblemen in plaats vanbehandeling kan de druk op het zorgstelsel afnemen.IIrriiss RReesseeaarrcchhRatio tussen jaarlijksewateronttrekkingen enbeschikbare water(boven 0.4 is ernstigewaterstress).Mondiale waterstress
  8. 8. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 20088Energie en het buitenlands beleidIn het tijdsbestek van één generatie is onze energiebehoeftedramatisch gestegen. In de afgelopen vijftig jaarverdubbelde de energieconsumptie al en de verwachting isdat de vraag naar energie in 2030 nog eens 50% hoger zalliggen dan nu het geval is.Deze stijging is voor een groot deel toe te schrijven aande opkomst van economieën als China en India, die eenhalve eeuw geleden nog maar een minimaal aandeelhadden in de mondiale vraag naar energie. China en Indiazijn samen verantwoordelijk voor 45% van de stijgendevraag naar energie, terwijl in de OESO-landen de vraagzo’n 20% toeneemt. Overigens souperen de OESO-landennog steeds ruim de helft van alle energiebronnen op.Olie en gas zijn inzet van een groot geopolitiek spel.De spelers, producenten en consumenten van energie,spelen dat spel echter ieder volgens hun eigen regels.De scramble for resources mag misschien het welbegrepeneigenbelang van naties op korte termijn dienen, vanuitinternationaal oogpunt is het een onwenselijke ontwikkelingdie het fundament van de wereldeconomie, de vrije markt,aantast. Voor regeringen die de mensenrechten op groteschaal schenden, is het aantrekkelijk om in zee te gaanmet partners die geen lastige politieke vragen stellen enhet minder nauw nemen met een duurzaam investerings-klimaat. Landen als Soedan en Birma krijgen zo demogelijkheid de internationale gemeenschap te verdelen.De Europese Unie moet een stevig beleid voeren, zowelintern als extern, om de doelstellingen van haar energie-beleid. Het gaat daarbij om een sterke concurrentiepositievan het bedrijfsleven, duurzaamheid en energievoor-zieningszekerheid. Ook voor Nederland is het buitenlandsbeleid instrumenteel bij het uitvoeren van het energiebeleid,dat zich eveneens richt op markt, milieu en zekerheid.Omgekeerd kan het energiebeleid, door middel van hetbevorderen van marktwerking, rechtsbescherming en dediversificatie van bronnen, bijdragen aan het in standhouden van een onafhankelijk buitenlands beleid.De politisering van energieOver energie spreken we niet langer uitsluitend ineconomische termen. (Geo-) politieke ontwikkelingenhebben het strategisch belang van energie vergroot. Doorde bevolkingsgroei en de opkomst van snel groeiendeeconomieën is de energieconsumptie explosief gestegen,en het einde is nog niet in zicht. Omdat er vooralsnoggeen snel inzetbaar alternatief voorhanden is, moetenfossiele brandstoffen – olie, gas en kolen – grotendeels indeze toegenomen vraag voorzien. De groep aanbiederswordt geleidelijk echter steeds kleiner. Olie en gas zullende komende decennia in toenemende mate afkomstig zijnuit het Midden-Oosten, Rusland, de Kaspische regio, enNoord- en West-Afrika. In de jaren negentig is te weiniggeïnvesteerd in vervanging en uitbreiding van productie-capaciteit. Doordat de productie is achtergebleven bij desterk toegenomen vraag is een krapte ontstaan in deenergiemarkt. In veel landen staan de olie- en gas-leveranciers onder directe controle van de staat, waarmeeenergie een zaak van overheden is geworden. Zo draaideRusland in de winter van 2006 de gaskraan dicht na eenprijsconflict met Oekraïne. Dit voorval heeft diepe indrukgemaakt: opeens werd voor velen de kwetsbaarheid van deenergietoevoer duidelijk.Energie is dus politiek. Naast de betrokkenheid vanenergieministers is ook de betrokkenheid van ministersvan Buitenlandse Zaken, en de rol van het buitenlandsbeleid in het algemeen, evident. Ga maar na: tenzij eenland zelfvoorzienend is, hangt de energievoorziening vaneen land altijd af van andere landen – dit alleen al verbindthet energiebeleid met het buitenlands beleid. Omdatenergie nu eenmaal essentieel is voor economische groeien welvaart is het een belangrijke taak van de overheid omeen onafgebroken levering van energie te waarborgen, insamenwerking met het bedrijfsleven.Energievoorzieningszekerheid en energieveiligheidstaan daarom hoog genoteerd op de buitenlandspolitiekeagenda.Zekerheid van de energievoorziening moet een strategisch doel worden van het gemeenschappelijkbuitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Aldus de ministers Verhagen van Buitenlandse ZakenVerhagen en Van der Hoeven van Economische Zaken in onderstaand essay, eerder gepubliceerd in hetFinancieel Dagblad van 5 januari 2008.
  9. 9. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 20089Hoe dragen we zorg voor een effectief energiebeleid,zonder daarbij de onafhankelijkheid van ons buitenlandsbeleid in de waagschaal te stellen? We moeten dat op tweeniveaus doen: Europees én nationaal. Op Europees niveaukunnen zaken worden geregeld die goed zijn voor allelidstaten, terwijl op nationaal niveau zaken tot standkunnen komen die goed zijn voor de energievoorzieningvan Nederland én van Europa.Europees energiebeleidAlleen in Europees verband kunnen wij op voet van gelijk-waardigheid spreken en onderhandelen met grote spelersop de energiemarkt. Zevenentwintig landen kunnen veeleffectiever een vuist maken dan lidstaten afzonderlijk,en tegelijkertijd voorkomen dat ze tegen elkaar wordenuitgespeeld. Ook voor Nederland geldt dat de EuropeseUnie het meest natuurlijke verlengstuk is van deNederlandse belangen. Wij zijn dan ook voorstander vaneen krachtig Europees energiebeleid. Ook zou energie-voorzieningszekerheid als een strategisch doel van hetgemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vande EU moeten worden aangemerkt. Weliswaar is de Unieop het gebied van energie een vragende partij, maar opandere vlakken heeft zij andere landen juist veel te bieden.De EU zou “energie” dan ook beter moeten verankeren inhaar discussies en contacten met andere landen. Ookenergieveiligheid, allereerst de bescherming van transport-routes en kritische infrastructuur, verdient meer aandacht,overigens ook binnen de NAVO.Tijdens de Voorjaarstop van 2007 zijn de EU-regerings-leiders een “Energiebeleid voor Europa” overeengekomen,met drie hoofddoelstellingen, die onderling samenhangen:een sterke concurrentiepositie (marktwerking),duurzaamheid en energievoorzieningszekerheid.MarktwerkingMarktwerking en vrije handel vormen de beste garantieop een gelijk speelveld. De EU probeert die principes ookbuiten de Unie tot gemeengoed te maken, zoals bijvoorbeeldin de WTO en door middel van het Energiehandvest. Datis niet vanzelfsprekend: een aantal spelers buiten de EUzou het liefst de toeleveringsketen zoveel mogelijk willenmonopoliseren. Waar het principe van marktwerkingwordt nageleefd, kunnen Europese bedrijven op meergelijke voet concurreren met bedrijven uit derde landen.Ook binnen de eigen grenzen streeft Europa naar meermarktwerking. Een beter functionerende interne >>>
  10. 10. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200810markt leidt tot lagere prijzen en meer keuzevrijheid voor deconsument. Ook de voorzieningszekerheid wordt versterktdoor meer handel binnen de Unie. Geïmporteerde energiewordt dan immers toegankelijk voor alle lidstaten.DuurzaamheidDuurzaamheid van onze energievoorziening is eentweede belangrijke doelstelling. De gevolgen van klimaat-verandering manifesteren zich overal ter wereld. Omklimaatverandering het hoofd te bieden, zullen we drastischmoeten ingrijpen in ons patroon van energieconsumptie:we moeten minder en anders energie gaan gebruiken. Zohebben we afgesproken dat het Europese energieverbruikin 2020 20% efficiënter zal moeten zijn en dat in datzelfdejaar 20% van deze consumptie uit hernieuwbare energiezal moeten bestaan. Europa heeft daarmee visie enleiderschap getoond en duidelijke keuzes gemaakt.De overgang naar een meer duurzame energiehuishoudingis niet alleen een antwoord op de groeiende klimaat-problemen, maar zorgt ook voor een vergroting van onzeenergievoorzieningszekerheid.EnergievoorzieningszekerheidDie voorzieningszekerheid is nog een grote uitdaging voorde Unie. De EU wordt immers steeds afhankelijker van deinvoer van olie en gas. Voor olie groeit de importafhanke-lijkheid van 76% in 2002 naar 94% in 2030. Voor gasgaat het om een toename van 49% in 2002 naar 81% in2030. Om deze uitdaging het hoofd te bieden zal de EUvisie, leiderschap en onderlinge solidariteit moeten tonen.We zoeken naar praktische oplossingen, waarbij samen-werking en diversificatie sleutelbegrippen zijn.Samenwerking is een essentieel instrument, en ookvanzelfsprekend. De wederkerigheid in de relatie tussenenergieproducenten en energieconsumenten is nu eenmaaleen gegeven: producerende landen hebben behoefte aaneen afzetmarkt, en consumerende landen zijn voor hunaanvoer aangewezen op de productie van buiten het eigengrondgebied. Neem de relatie met Rusland. Europa betrekteen kwart van zijn olie, en meer dan een kwart van zijngas uit Rusland. Tweederde van Gazprom’s winst in 2006was afkomstig uit de EU. Kortom: Rusland en Europahebben elkaar nodig als het om energie gaat.Diversificatie is een tweede belangrijk instrument. De EUstreeft naar een verbreding van de keuzemogelijkhedenwaar het de aanvoer van energie betreft. Nu komt de over-grote meerderheid van het geïmporteerde gas uit Rusland,Noorwegen en Algerije. Daar zouden we een significantetoevoer vanuit Centraal-Azië en de Golfregio aan toemoeten voegen. Met name Nabucco heeft de potentie tweevliegen in één klap te slaan: deze pijpleiding kan zorgdragen voor extra aanvoer van gas dat ter beschikkingkomt van bedrijven en gezinnen in Europa, en tegelijkertijdwordt er een directe verbinding gemaakt met de Centraal-Aziatische regio.Belangrijkste olietransportroutes Bron: Hofstra University, in: Energieraad en AIV, Energiek buitenlands beleid (2006).
  11. 11. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200811Nederlands energiebeleid en buitenlands beleidDe doelstellingen van het Europees energiebeleid geldennatuurlijk ook voor Nederland: ook wij willen eenduurzame energiehuishouding die minder afhankelijk isvan olie en gas, die ons energievoorzieningszekerheidbiedt en die uitgaat van een goed functionerende markt.Nederland onderscheidt zich van de andere EU-lidstatendoordat ons land nog eigen gasvoorraden heeft. Onze“importafhankelijkheid” bedraagt dan ook slechts 30%ten opzichte van het EU-gemiddelde van 50%. Nederlandheeft zich bovendien ten doel gesteld de gasrotonde voorNoordwest-Europa te worden. Dat betekent dat wij intoenemende mate gas zullen gaan importeren voordistributie binnen de Noordwest-Europese markt,bijvoorbeeld naar het Verenigd Koninkrijk, dat zelfnagenoeg geen gas meer heeft.Om ons profiel als energieknooppunt te versterken, bedrijftNederland op verschillende manieren energiepolitiek, inaanvulling op het Europese beleid. Zo gaan we het gesprekaan met olie- en gasproducerende landen, óók over goedbestuur, transparantie en non-discriminatie van bedrijven,om zo een gunstiger investeringsklimaat te bewerkstelligen.We proberen structurele relaties tot stand te brengen omtot samenwerking te komen tussen olie- en gasmaat-schappijen uit Nederland en (staats)bedrijven uitproducerende landen. Het uiteindelijke doel is hetvergroten van de toegang tot exploitatiemogelijkheden,het mogelijk maken van investeringen en de uitgifte vanconcessies. De recente overeenkomst tussen Gazprom ende Gasunie over de NordStream pijpleiding is hiervan eensuccesvol voorbeeld.Eén manier om te grote afhankelijkheid te voorkomen ismeer eigen productie van kernenergie. De regering heeftafgesproken dat er in deze kabinetsperiode geen nieuwekerncentrales zullen worden gebouwd, in tegenstelling totkolencentrales. Dat laat onverlet dat er wel een discussiegevoerd kan worden over kernenergie, zowel uit oogpuntvan energievoorzieningszekerheid en omdat kernenergieeen broeikasgassenarme energiebron is, in tegenstellingtot kolen. De discussie over kernenergie wordt ook inter-nationaal gevoerd. Onder Europese vlag vond in Bratislavain november 2007 de eerste bijeenkomst plaats van hetEuropean Nuclear Energy Forum, bedoeld als een breeddiscussieplatform voor de uitwisseling van informatieover de voor- en nadelen van kernenergie. Wij vinden datwe de optie van kernenergie niet in de la moeten latenliggen, en in ieder geval het gesprek hierover moetenaangaan. Trouwens, ook nu al wordt een belangrijk deelvan onze geïmporteerde elektriciteit (ongeveer 16% vande totale vraag naar elektriciteit) opgewekt uit kernenergie.Waarom zou de optie om onze eigen productiecapaciteituit te breiden dan onbespreekbaar zijn? Het is hypocrietom je aan de ene kant uit te spreken tegen kernenergie,maar tegelijkertijd wel kernenergie te importeren.SlotEnergiebeleid is niet alleen nodig om de economiedraaiend te houden. Ook om een onafhankelijkbuitenlands beleid te kunnen blijven voeren, zijn een vrijeen transparante energiemarkt en een gediversifieerdeenergiemix van belang: hoe meer we te kiezen hebbenuit verschillende bronnen van verschillende leveranciers,hoe vrijer we ons kunnen blijven opstellen in het inter-nationale verkeer. Hetzelfde geldt overigens voor de EU.Ook de Unie moet niet toestaan dat haar afhankelijkheidvan een of meerdere leveranciers haar beleidskeuzesbeperkt.MMaaxxiimmee VVeerrhhaaggeenn,, minister van Buitenlandse Zaken,MMaarriiaa vvaann ddeerr HHooeevveenn,, minister van Economische Zaken© Financieel DagbladIn december 2005 adviseerden de Energieraad en deAdviesraad Internationale Vraagstukken om debevordering van energievoorzieningszekerheid tot eenaparte, nieuwe hoofddoelstelling van buitenlands beleidte maken en primair in te zetten op een extern(gemeenschappelijk) Europees energiebeleid. Een andereaanbeveling was dat Nederland “zo nodig bereid moetzijn een bijdrage te leveren aan de militaire beschermingvan internationale transportroutes”, gelegitimeerd dooreen internationaal mandaat.
  12. 12. World Energy Outlook 2007De WEO2007 staat in het teken van de opkomendeeconomieën van China en India. De stijgende vraag naarenergie in deze landen baart het IEA grote zorgen. In dediverse observaties die het IEA doet vallen in het bijzondertwee zaken op. Allereerst laat de WEO2007 zich lezen alsbrandbrief die met name de gevolgen van het groeiendeenergieverbruik in China en India voor het klimaat centraalstelt. Het wereld energieverbruik zal tot 2030 met 55%stijgen, 90% van dit verbruik zal uit fossiele brandstoffenblijven komen (bij onveranderd internationaal beleid).China zal door dit toenemende energieverbruik dekomende 25 jaar net zoveel CO2 uitstoten als de EuropeseUnie in de afgelopen 105 jaar!De in het verleden vaak zo optimistische IEA laat hier voorhet eerst een nadrukkelijk signaal horen dat het simpelwegniet zo verder kan. Een tweede noviteit in de WEO2007 isde ongewoon pessimistische toon ten aanzien van het olieaanbod in de wereld. De WEO2007 spreekt voor het eerstover een “aanbodkrapte” die niet kan worden uitgesloten.Deze krapte in de oliemarkt zou mogelijk plaats vindentussen 2010-2015 met als gevolg “abrupte escalatie van deolieprijzen”. Als verklaring voor het ontstaan hiervan wordtgewezen op drie samenhangende oorzaken: geopolitiek,geologie en het investeringsklimaat.GeopolitiekDe landen met grote olie reserves nemen via hun NationalOil Companies (NOC’s) in toenemende mate het heft ineigen hand waar het de snelheid van het ontwikkelen vanreserves betreft. Het tempo waarin landen hun energie-reserves willen ontwikkelen, heeft minder met het snelgoedmaken van investeringen voor de aandeelhouder temaken (zoals bij Westerse International Oil Companies(IOC’s)), maar meer met de gewenste lange termijnontwikkeling van de nationale economie. De politiekeprioriteit van het bewaren van nationale reserves voortoekomstige generaties is vaak van groter belang voorNOC’s dan het voorzien van voldoende olie aan een dorstigewereldeconomie. Daarnaast zijn er olieproducerendelanden (in het bijzonder Iran) die door internationalesancties voorlopig als “off-limits” voor IOC’s beschouwdmogen worden2. De Westerse IOC’s worden door hetgebrek aan politieke toegang tot makkelijke reservesgedwongen zich te focussen op projecten waar hunMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200812Toenemende spanning op de oliemarkt:crisisvoorraden geen oplossing!Een stabiele toevoer van olie naar de Westerse economieën wordt beschouwd als een voorwaarde vooreconomische groei in de toekomst. Een toenemende vraag uit de ontwikkelende economieën en eenafnemend aanbod vanuit een eveneens afnemend aantal olieproducerende landen zorgt voor krapte op deinternationale oliemarkt. In deze turbulente tijden lanceerde de energiewaakhond van de Westerse wereld:het Internationaal Energie Agentschap (IEA) op 7 november jongstleden de World Energy Outlook 2007(WEO2007)1.1International Energy Agency (IEA), World Energy Outlook 2007, OECD/IEA: Paris, 2007.2zie ook mijn: ‘Olie-afhankelijkheid van het Midden-Oosten: een sluipende crisis?’, in: Nieuwsbrief Crisisbeheersing, november2007, 22-25.
  13. 13. technische en management expertise zich te gelde kunnenmaken. Hierbij kan men denken aan exploratie en productiein diep water, rond de poolcirkel, of aan moeilijke, zwareolie en teerzanden. Per saldo resulteert het geopolitiekklimaat in een steeds kleinere stroom steeds duurdere oliedie door Westerse IOC’s zo snel mogelijk op de marktmoet worden gebracht om investeringen goed te maken.GeologieNaast geopolitieke barrières voor Westerse IOC’s omtoegang te krijgen tot reserves speelt het debat rond deeindigheid van koolwaterstoffen. Voor hoe lang is er nogolie en wanneer begint de onvermijdelijke daling van dewereld olieproductie? De zogenoemde “Peak Oil”beweging, beweert dat dit moment al is geweest of heeldichtbij is, terwijl de olie-industrie vaak een optimistischerblik op de toekomst van de olieproductie hanteert. Hoewelhet bepalen van de termijn waarop de olieproductie geo-logisch beperkt wordt in belangrijke mate wordt beïnvloeddoor economische en technische ontwikkelingen, wordthet debat tussen deze twee visies verder gecompliceerddoor de beperkte gegevens die beschikbaar zijn over de staatwaarin olievelden verkeren. Belangrijke olieproducerendelanden schermen op grond van nationale belangen hunvoorraad en productie gegevens af, waardoor het debatover de geologische fundamenten van de olieproductievaak koffiedik kijken is.InvesteringsklimaatEen derde factor die bij kan dragen aan een verwachteoliekrapte in 2010-2015, is het gebrek aan investeringendat in het verleden heeft plaatsgevonden. Gedurende dejaren negentig daalde de olieprijs gestaag tot het dieptepuntvan ongeveer 10 USD per vat. Onder deze omstandighedenwas het voor IOC’s, maar ook voor NOC’s weinig lucratiefom investeringen te doen in het ontwikkelen van nieuweproductiecapaciteit. Als gevolg van het gebrek aaninvesteringen in de jaren negentig is er op dit momentweinig extra capaciteit beschikbaar om de krapte in demarkt te verminderden. Het ontwikkelen van olievelden,in het bijzonder de grote kapitaalintensieve projecten vanIOC’s, kan tientallen jaren duren. Zodoende moet vroegbegonnen worden met investeren om langere termijnproductie te kunnen verhogen. Nu de olieprijs gestegenis en het weer lucratief is voor oliebedrijven (IOC’s enNOC’s) om te investeren, levert dit een gigantische vraagnaar kennis en grondstoffen op wat niet bevorderlijk isvoor het in productie brengen van nieuwe velden.Zodoende hebben grote olieprojecten op dit moment lastvan kostenoverschrijdingen en -vertragingen, iets wat hetvoorkomen van aanbodkrapte op de oliemarkt in 2015 nietmakkelijk maakt.CrisisvoorradenBovenstaande factoren kunnen allen bijdragen tot eenkrapte, met als gevolg een snel stijgende olieprijs. Eenabrupte escalatie van de olieprijs zal de publieke focus inde consumerende landen op de beschikbare crisismechanismen brengen. Het mechanisme dat is ontwikkelddoor het IEA is nadrukkelijk bedoeld om korte termijnaanvoeronderbrekingen op te vangen. De IEA lidstatenzijn verplicht tenminste 90 dagen olie-import in reservete houden. In het recent verschenen IEA rapport OilSupply Security 20073worden deze voorraden onder deloep genomen. In het rapport wordt geconcludeerd datde voorraden in de IEA lidstaten stijgende zijn en dat hetcrisissysteem goed functioneert. Dit bleek tijdens de laatstegrote toevoeronderbreking toen naar aanleiding van deOrkanen Katrina en Rita in 2005 een groot deel van deolie productie in de Golf van Mexico werd stilgelegd.Pleidooien om een beroep te doen op het IEA de crisis-voorraden vrij te geven, lijken dan ook niet verstandig,daar zij de economische gevolgen van een krapte in deoliemarkt voor slechts zeer korte termijn kunnencompenseren. Structurele maatregelen zijn dan ooksteeds meer geboden en volgens de WEO2007 intoenemende mate af te hangen van inspanningen omonze energieconsumptie te blijven beperken en duurzamebronnen steeds meer toe te passen.LLuucciiaa vvaann GGeeuunnss eenn WWaarrnneerr tteenn KKaattee,,Clingendael International Energy ProgrammeMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008133International Energy Agency (IEA), Oil Supply Security – Emergency response of IEA countries 2007, Paris 2007.
  14. 14. 14 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008De Politieacademie deed samen met het COT Instituutvoor Veiligheids- en Crisismanagement onderzoek naar dejaarwisseling 2006/7 en schreef het rapport Hoezo rustig?!Mede naar aanleiding van de resultaten van het onderzoekzijn voorafgaand aan de afgelopen jaarwisseling een aantalinitiatieven genomen. De minister van BinnenlandseZaken heeft in een brief aan de Vereniging van NederlandseGemeenten, alle korpschefs en de procureurs-generaalgevraagd extra aandacht te besteden aan het voorkomen,beperken en afhandelen van agressie tegen werknemers meteen publieke taak tijdens de jaarwisseling. Het christelijkePlatform Waarden en Normen heeft jongeren uit degereformeerde gezindte vóór de jaarwisseling een digitaleoudejaarskaart gestuurd om een discussie op gang tebrengen over het gedrag van jongeren (en hun opvoeders)in de gezindte. De Stichting Meld Misdaad Anoniem(Meldpunt M.) heeft rond de jaarwisseling campagnegevoerd om mensen te stimuleren te bellen als ze daderskennen van agressie tegen hulpdiensten. In de politieregioZuid-Holland Zuid is de folder Doe ff normaal uitgedeeldom ervoor te zorgen dat jongeren zich een beetje gedragentijdens de jaarwisseling. Vele gemeenten zijn gesprekkenmet bewoners aangegaan om herhaling van gebeurtenissenbij de jaarwisseling 2006/2007 tegen te gaan waarbijbrandweermannen en politieagenten belaagd werden,brandweerslangen werden doorgesneden, hulpverlenersde flessen om de oren vlogen en voertuigen beschadigdraakten.Hoe ongewenst dergelijke uitwassen ook mogen zijn, zewortelen in een traditie met inherent een aantal onveiligeaspecten waarbij de jaarwisseling gepaard gaat met vuur,lawaai en gebruik van alcohol. Het massale karakter biedteen gelegenheidsstructuur bij uitstek voor het beslechtenvan oude vetes tussen burgers onderling of van burgers inde richting van het gezag en voor doelgerichte overlast-gevende of criminele activiteiten. In sommige wijken enin sommige dorpen is sprake van een doorgeschotentraditie waarbij “alles moet kunnen”. Overheidsingrijpenwordt als niet legitiem ervaren en leidt tot gewelddadigereacties. In sommige gevallen is het zoeken vanconfrontaties met de politie doel op zich geworden enDe voorbereiding op de komendejaarwisseling is alweer begonnenDe afgelopen jaarwisseling was in vele opzichten vergelijkbaar meteerdere jaarwisselingen. Het enige verschil is dat hij dit jaar nietbestempeld is als "rustig, met enkele incidenten”. Er is ieder jaarrond de jaarwisseling weer sprake van structureel incidentalisme: eenopeenstapeling van zich herhalende incidenten die alles bij elkaarde openbare orde en rechtsorde zwaar belasten. Niet alleen dejaarwisseling zelf maar ook de periode die eraan voorafgaat, wordtgekenmerkt door een sterke toename van vernieling, overlast,brandstichting en openlijke geweldpleging (waaronder geweldtegen hulpverleningsdiensten). De grootste problemen doen zichvooral voor in bepaalde volkswijken in stedelijke gebieden en ophet platteland in sommige dorpen die horen bij de zogenoemde“bible belt”. De daders zijn vooral autochtone Nederlanders,jonge mannen, die in groepsverband optreden. Ze worden in veelgevallen actief of passief gesteund door hun ouders of de gemeenschap waar ze deelvan uitmaken. De sociale cohesie in deze gemeenschappen draagt bij aan het negatieve verloop van incidenten.Zelfs mensen uit deze gemeenschappen die de gang van zaken afkeuren, durven vaak geen melding te makenvan incidenten of daders die ze kennen aan te geven, uit angst voor repercussies.
  15. 15. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200815spelen jongeren een kat-en-muisspel met de politie. Het isniet gemakkelijk om een einde te maken aan deze uitwassen,gezien de traditie waarin ze wortelen en het feit dat erverspreid door het hele land zo veel gebeurt. Het blijktonmogelijk om bij jaarwisselingen van overheidswegenormen van bovenaf op te leggen, zonder overleg metburgers.De aanpak: grote diversiteit en een zoektocht naar de juistemaatregelenEr bestaat een grote variatie aan maatregelen om een veiligen ordelijk verloop van de jaarwisseling te bevorderen.Deze variatie is een weerspiegeling van de dynamiek vanhet fenomeen die van plaats tot plaats sterk verschilt.Op veel plaatsen lijkt sprake te zijn van een zoektocht naarde juiste aanpak. Bepaalde keuzes zijn steeds weer aan deorde:• wordt gekozen voor een zero-tolerance aanpak of eenaanpak waar het accent ligt op faciliteren en reguleren(via het maken van afspraken of het stellen vanvoorwaarden)?• worden beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzengeformuleerd op regionaal niveau of is er sprake vanmaatwerk op lokaal niveau?• ligt het accent meer op reactieve (noodhulp) of oppreventieve dan wel proactieve maatregelen?• worden burgers actief betrokken bij de voorbereidingen,en zo ja, in alle fasen van de aanpak of niet?• in welke mate wordt vertrouwd op vormen vanzelfcontrole onder burgers?• worden de voorwaarden en tolerantie grenzen actief“gecommuniceerd” richting burgers of niet?• voor welke wijze van bejegening wordt gekozen?Er is iedere jaarwisseling sprake van een aanzienlijkepolitie-inzet, waarbij er van regio tot regio grote verschillenbestaan, gerelateerd aan het soort problematiek. De kwaliteitvan de voorbereiding is wisselend in de zin dat vaak geeneenduidige structuur gehanteerd wordt in draaiboeken,een goede risicoanalyse vaak ontbreekt en slechts in eenbeperkt aantal gevallen keuzes gemaakt worden op basisvan cijfermatige analyses. Er is ook sprake van een grotevariatie in het moment waarop met de eerste voor-bereidingen begonnen wordt en in hoeverre daarbijpublieke en private partners betrokken worden. Contactenen afspraken met buurtbewoners spelen op diverse plaatsenook een belangrijke rol.Tijdens de jaarwisseling is er vrijwel altijd een belangrijkerol voor gebiedsgebonden functionarissen en noodhulp-eenheden weggelegd. Ondersteuning vindt vaak plaatsdoor hondengeleiders en ME (al dan niet in de vorm vanflying squads) en andere eenheden of functionarissen(variërend van jeugdagenten tot verkenners enrechercheurs). Leiding aan de politie-inzet wordt meestalgegeven op team of districtsniveau, minder vaak speelteen staf grootschalig en bijzonder optreden een rol.Na afloop van de jaarwisseling zijn er ook grote verschillenmet betrekking tot de wijze waarop invulling gegevenwordt aan debriefing en evaluatie. In een beperkt aantalgevallen is er sprake van een duidelijk continue leerproces,waarbij het moment van evaluatie feitelijk ook het momentis waarop de voorbereiding voor de volgende jaarwisselingstart. Voor zover er sprake is van een zoektocht naar dejuiste aanpak, is die zoektocht niet systematisch en vindter zowel binnen als tussen regio’s weinig uitwisseling vanervaringen plaats.Goede ervaringen, maar zonder garantie voor het verloopDe opgedane ervaringen zijn ook al wisselend: goed, slechten van alles daar tussenin. Het is belangrijk om tebenadrukken dat de goede ervaringen nog bepaald geengemeengoed zijn en evenmin een garantie voor een goedverloop. Sterker, een bepaalde maatregel kan in de enelokale context goed werken, maar in een andere omgevingonmogelijk of onverstandig zijn. Het is dan ook goed omte bedenken dat op basis van het onderzoek nog nietgesproken kan worden van gevalideerde goede werkwijzen.De beste ervaringen zijn opgedaan met beleid dat lokaaldoor de jaren consequent en begrijpelijk is: slechteervaringen zijn opgedaan met onverwachte koers-wijzigingen. Op basis van de opgedane goede en slechteervaringen hebben we een aantal aanbevelingengeformuleerd. Daarbij is het goed te bedenken dat hetonderzoek zich vooral heeft gericht op de politie en hetbestuur. De aanbevelingen richten zich dan ook primair opdeze partijen. Dat neemt niet weg dat de openbare ordeproblematiek rondom de jaarwisseling om multidisciplinaireof integrale oplossingen vraagt. Daar staat vervolgens weltegenover dat bestuur en politie daarbij een centrale rolzullen vervullen.Voor de doorgeschoten tradities is het belangrijk te beseffendat de ordeproblematiek bij de jaarwisseling een sterklokaal karakter heeft en maatwerk vergt. Niet alleenpolitie, brandweer en gemeente, maar ook Justitie, GGD,jeugdwerkers, horeca en organisatoren van feesten, >>>De beste ervaringen zijn opgedaan metbeleid dat lokaal door de jaren consequenten begrijpelijk is: slechte ervaringen zijnopgedaan met onverwachte koerswijzigingen.
  16. 16. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200816particuliere beveiliging, woningbouwverenigingen enreinigingsdiensten dienen te worden betrokken bijmaatregelen op basis van gedeelde doelen. Burgers moetendaarbij ook een volwaardige partij zijn: niet alleen deburgers waarmee de overheid op goede voet staat, maarook potentiële ordeverstoorders. De beste resultaten zijnbereikt bij gemeenten waar de burgemeester zichaanspreekbaar opstelde, grenzen trok, maar realistischbleef. De zogeheten nuloptie (geen enkel vreugdevuurtolereren of niets tolereren op de openbare weg) bleek invrijwel alle gevallen tot moeilijkheden te leiden, zeker alsdeze niet geleidelijk werd ingevoerd en gepaard ging meteen slechte communicatie. De overheid moet soms jaren-lang volharden in haar aanpak om uiteindelijk, stukje bijbeetje, vooruitgang te boeken en grip te krijgen op desituatie. Daarvoor is het ook nodig om de handhaving inwijken of gemeenten met problemen het hele jaar door opeen hoger peil te brengen.Om het aantal incidenten rond toekomstige jaarwisselingente verminderen is het noodzakelijk dergelijke lessen tebenutten. De belangrijkste les is wel dat de noodzakelijkemaatregelen al ver voor de jaarwisseling in gang gezetmoeten worden. Daders vervolgen, schade herstellen enzo mogelijk verhalen, evalueren, partners mobiliseren,bijeenkomsten met bewoners beleggen, stoom afblazen,conflicten bijleggen, afspraken maken, grenzen stellen,plannen maken. De Politieacademie en het COT hebbenook rond de afgelopen jaarwisseling weer gegevensverzameld om meer zicht te krijgen op goede werkwijzen.In april zal de rapportage daarover uitgebracht worden.Inmiddels is, anders dan in voorgaande jaren, eenvoorbereiding op landelijk niveau op de volgende jaar-wisseling gestart: de minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties heeft besloten een taskforce in terichten met als doel om voor eind 2008 op basis van eeninventarisatie en analyse van de bestaande en/ofgeëvalueerde praktijkvoorbeelden binnen gemeentenen/of regionale politiekorpsen, te komen met aanbevelingenvoor een adequate aanpak van de jaarwisseling.ddrr.. OOttttoo AAddaanngg,,lector openbare orde en gevaarbeheersing aan dePolitieacademieddrr.. EEddwwaarrdd vvaann ddeerr TToorrrree,,managing senior bij het COT Instituut voor Veiligheids- enCrisismanagement
  17. 17. 17 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008De basisvereisten crisismanagement zijn door hetLandelijk Beraad Crisisbeheersing gedefinieerd als een setkwantitatieve en kwalitatieve normen voor de voorwaarden-scheppende processen binnen de rampenbestrijding/crisis-beheersing waaraan iedere veiligheidsregio onder operationeleomstandigheden moet kunnen voldoen1. De minister vanBZK wil graag dergelijke normen gebruiken om in eenalgemene maatregel van bestuur kwaliteitseisen te stellenaan de regionale rampenbestrijdingsorganisaties.Vooruitlopend op de totstandkoming van zo’n AMvB heeftde minister op 6 november 2007 een concept model-convenant aan de besturen van de veiligheidsregio’s (i.o.)gezonden waarin (als bijlage 1) de basisvereisten crisis-management van het LBCB alvast zijn opgenomen.De “voorwaardenscheppende processen” bestaan uit hetinmiddels bekende rijtje:• melding en alarmering;• op- en afschaling;• leiding en coördinatie;• informatiemanagement.Zoals uit veel evaluaties blijkt, vormen deze processen debottleneck voor het optreden van de hulpverleningsdiensten.Het is daarom een voor de handliggende gedachte dezeprocessen centraal te stellen bij de (voorbereiding op de)crisisbeheersing. In het verlengde daarvan is de roep omeen toetsingskader dan ook niet meer dan logisch. En danliefst een kader met duidelijke, bij voorkeur meetbarenormen: binnen X minuten zijn alle telefoontjes naar demeldkamer verwerkt, is opgeschaald naar GRIP 3 en heeftiedere functionaris de beschikking over de relevanteinformatie.Het benoemen van toetsingscriteria – die bij voorkeurook nog in Haagse regelgeving moeten kunnen wordenopgenomen – is echter minder eenvoudig dan op heteerste gezicht lijkt. Een belangrijke reden hiervoor is desemantische verwarring die aan het ontstaan is over hetbegrip crisis. Eigenlijk wordt het begrip crisis toch meestalgebruikt als een geïnflatueerde versie van de aloude“ramp”. In dit artikel willen we ook eens andere crises dieniet meteen klassieke rampen zijn, tegen het toetsings-kader aanhouden.We nemen een aantal verzonnen, maar realistischescenario’s bij de kop.1 Een flitsramp: in een kunstmestfabriek breekt omonbekende redenen brand uit. Nog voordat debrandweer ter plaatse is, vindt een enorme explosieplaats. Er zijn mogelijk doden en gewonden op hetfabrieksterrein en er is schade in een nabijgelegenwoonwijk.2 Een flitscrisis: na een groot sportevenement trekt eenstoet dronken supporters naar de binnenstad en richtdaar een ravage aan. Het geheel is live te volgen op detelevisie.3 Een gezondheidscrisis: in een academisch ziekenhuisoverlijden opeens 8 patiënten. De directie stelt eenonderzoek in en het wordt duidelijk dat een bacterie deoorzaak is van het overlijden van de veelal hoogbejaardepatiënten. >>>Enkele kanttekeningen bij de basisvereistendecentrale crisisbeheersingHet Landelijk Beraad Crisisbeheersing (LBCB) heeft een set basisvereistenvoor decentraal crisismanagement gedefinieerd. Het ministerie van BZKheeft vervolgens aan twee onderzoeksbureaus de opdracht gegeven om tetoetsen of de basisvereisten inderdaad zinvol zijn en of veiligheidsregio’skunnen voldoen aan de geformuleerde basisvereisten. Een mogelijkepositieve uitkomst kan dan betekenen dat de basisvereisten in regelgevingverankerd worden. Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek eenpaar kanttekeningen bij het “maakbare crisismanagement”.1Landelijk Beraad Crisisbeheersing, Basisvereisten Crisismanagement, De decentrale normen benoemd, Den Haag, november 2006.
  18. 18. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200818Drie uiteenlopende voorbeelden van crises. Alle drie meteen zodanige impact dat tenminste zekerheidshalve totGRIP 3 zal worden opgeschaald. Wat zou de beheersing vandeze crises vergen van de hiervoor genoemde voorwaarden-scheppende processen? We bekijken dit per incident.Melding en alarmeringBij een klassieke flitsramp worden in de regel demeldkamers van de hulpverleningsdiensten overspoelddoor telefoontjes van melders. Bij een groep hooliganslijkt het waarschijnlijk dat de meldkamer van politie doorverontruste burgers en middenstanders wordt gealarmeerd.In beide gevallen waarschijnlijk veel meer dan de 100meldingen per uur die het toetsingskader voorstelt omvast te kunnen leggen in GMS. Bij een incident in eenziekenhuis is het onwaarschijnlijk dat de meldkamers vande hulpdiensten extra meldingen te verwerken krijgen.Kortom het toetsingskader lijkt concreet maar past zomaarniet op drie voor de hand liggende scenario’s; het is teweinig voor de flitsramp en de flitscrisis en van geenbetekenis voor de ziekenhuiscrisis. De vraag kan overigensgesteld worden wat precies de waarde van het vastleggenin GMS is voor de beheersing van de acute crisis.OpschalingDe opschaling kent bij de explosie in de fabriek hetgebruikelijke patroon: er wordt in één keer grootopgeschaald en zo snel mogelijk zullen COPI, OT en BTactief worden. In de chaos die de eerste twee levens-reddende uren kenmerkt weten we echter dat hetfunctioneren van OT en BT niet van belang is voor hetaantal slachtoffers dat gered kan worden. Bij een grootrisicovol evenement zullen de autoriteiten en de hulp-diensten al op voorhand zijn opgeschaald. De wijze waaropen de vorm waarin zijn situatieafhankelijk. En hoe verlooptde opschaling bij het ziekenhuis incident? Gelet op de teverwachten media-aandacht besluit de burgemeester totopschaling naar GRIP 3. Omdat een COPI geentoegevoegde waarde heeft wordt besloten alleen een OT eneen BT in te stellen. Ook bij de opschaling kunnen we dusconcluderen dat de “one size fits all” formule niet volstaat.Wél stellen we vast dát er moet worden opgeschaald, maarde manier waarop verschilt: van onderop of van bovenaf.Een belangrijker vraag die hier gesteld moet worden isechter; waarom kijken de basisvereisten alleen naaropschaling van de stafsecties en leidinggevende functiona-rissen? Het antwoord is natuurlijk dat, in de terminologievan de lector crisisbeheersing Scholtens, de klassiekeBeethovenfout wordt gemaakt om te denken dat proces-eisen gesteld aan leidinggeven op afstand werkelijkbetekenis hebben voor de output op het rampterrein.2De militaire doctrine uit de jaren tachtig die hieraan tengrondslag ligt is door de militairen terecht al weer verlaten,maar leeft binnen het rampenbestrijdingbeleid nog steeds.Leiding en CoördinatieDe basisvereisten voor leiding & coördinatie zijn in dekern dezelfde eisen als die aan besluitvorming binnen eenbeleidsproces worden gesteld: goed overdacht en onder-bouwd, voorzien van alternatieven en de uitvoering wordtgemonitord, geëvalueerd en bijgesteld. Deze eisenmiskennen volledig de realiteit van crisisbeheersing.Een crisis wordt immers gekenmerkt door onzekerheid,dreiging en urgentie. De werkelijkheid van dagelijksebeleidsprocessen heeft hier niets mee van doen. Leiding &coördinatie vragen dan ook om de moed om indien nodigop basis van onvoldoende informatie acuut te beslissen inde wetenschap dat er geen mogelijkheid is tot tijdigemonitoring laat staan bijstelling. Belangrijk is daarbij degave om zo weinig mogelijk te beslissen en vertrouwen tehebben in de hulpverleners ter plaatse. De twee flits-casussen laten dat bij uitstek zien. In de casus van degezondheidscrisis zal besloten moeten worden langvoordat de precieze aard en het gevaar van de betrokkenbacterie duidelijk zal kunnen zijn.InformatiemanagementCentraal staat in de basisvereisten de opdracht om “allerelevante informatie beschikbaar te verkrijgen én dezeinformatie actief beschikbaar te stellen”. Dit uitgangspuntkan als zodanig natuurlijk niet ter discussie staan. Deuitwerking, die neerkomt op het verzamelen van alleinformatie in een centraal punt – waar deze informatiegevalideerd, geanalyseerd, beoordeeld en in een totaal-overzicht verwerkt wordt – miskent wederom de essentievan crisisbesluitvorming. Als dit allemaal zou kunnen iser geen sprake van een crisis. De wetenschappelijketheorieën rondom “distributed decision making” geven aandat informatie inderdaad zo snel mogelijk, maar decentraalbeschikbaar moet worden gesteld zodat de decentralefrontlijnbeslissers er meteen mee aan de slag kunnen.In de beschreven casussen is het moeilijk een goed onder-scheid te maken in de mate en/of urgentie van informatie-behoefte. Wél bestaat er een groot verschil in de wijzewaarop de informatie wordt verzameld en door wie. Bij hetziekenhuisincident bijvoorbeeld zullen politie en brandweereen beperkte rol hebben als informatieleverancier.Het geheel overziendUit het bovenstaande blijkt dat de wijze waarop de viervoorwaardenscheppende processen worden ingevuld, percrisis kunnen en zullen verschillen. Dit maakt directduidelijk waarom het moeilijk is om hiervoor – zonder te2Het werkproces van de ‘zwerver’ Beethoven in zijn rommelhok was niet certificeerbaar, zijn muziek echter onnavolgbaar. Zie:A. Scholtens, Samenwerking in crisisbeheersing: overschat en onderschat, NIFV en Politieacademie, 2007.
  19. 19. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 2008193Zie bijvoorbeeld I. Helsloot, De symboliek voorbij; over de noodzaak van een rationeel perspectief op crisisbeheersing, BoomJuridische uitgevers, 2007.De Taskforce Management Overstromingen (TMO)besprak dinsdag 12 februari de tweede halfjaarrapportagevan de taskforce met minister Guusje ter Horst (BZK) enstaatssecretaris Tineke Huizinga (V&W). Bij die gelegenheidbood TMO-voorzitter Jan Franssen de bewindslieden ookhet boekje Samen op de bres aan. In de tweede halfjaar-rapportage maakt de TMO duidelijk, dat er nog veel tedoen is om Nederland bestuurlijk en operationeel goedvoor te bereiden op overstromingen. Effectief samenwerken,prioriteiten stellen, verantwoordelijkheid nemen enpraktische plannen staan daarbij centraal. Kabinet,provincies en veiligheidsregio’s werken aan de voorbereidingvan de landelijke oefening Waterproef. Bij die oefening, inde tweede week van november, zullen bestuurders enhulpdiensten moeten laten zien dat zij beter voorbereidzijn op overstromingen dan tot vorig jaar het geval was.Samen op de bres – voorbereiding op overstromingenvervallen in algemeenheden – kwantificeerbare normen tebenoemen. Dit geldt des te meer nu de focus steeds meerverschuift van concrete klassieke flitsrampen die de basislijken voor de huidige basisvereisten naar vaak veel diffuserecrises waarvan er hier twee voorbeelden gegeven zijn.De huidige basisvereisten lijken vooral te passen bij desymboliek van de alwetende-generaal-met-zijn-rampen-bestrijdingsleger: op basis van een totaal onmiddellijkoverzicht stuurt deze generaal zijn pionnen direct aan.Een beeld dat zowel niet past bij de werkelijkheid vancrisisbeheersing als bij de huidige militaire inzichten.3Dit artikel is derhalve zeer kritisch over de praktijkwaardevan de huidige basisvereisten voor decentraal crisis-management. Heeft het dan zin om überhaupt energiete steken in het opstellen van criteria? Het antwoord isonzes inziens ondubbelzinnig “ja”, want inderdaad is hettijd om de output van de rampenbestrijdingsorganisatie ineen wettelijke eis neer te leggen. Het sleutelbegrip is daarbij“de output”, dat wil zeggen dat niet de Beethovenfoutmoet worden gemaakt om te denken dat proceseisenvolstaan of zelfs per se noodzakelijk zijn. Voor wie gelooftin de professionaliteit van de hulpverleners op de werkvloeris die output dan relatief eenvoudig te kwantificeren intermen van gekwalificeerde menskracht op de verschillendelocaties waar de professionals moeten werken.BBaarrtt BBoooonn,, senior adviseur bij het Kenniscentrum Risico- enCrisisbeheersing van de brandweer Amsterdam-AmstellandIIrraa HHeellsslloooott,, hoogleraar Crisisbeheersing en Fysieke Veiligheidaan de Vrije UniversiteitTweede Kamer en WetVeiligheidsregiosDe vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties heeft een voorbereidend onderzoekuitgevoerd naar de Wet veiligheidsregios. Op 16 januariis het verslag van de commissie vastgesteld tervoorbereiding van de openbare beraadslaging over ditwetsvoorstel.Aandachtspunten in het zeer uitvoerige verslag(TK 2007-2008, 31 117, nr. 5) zijn:• van drie naar één wet, de regioindeling;• inrichting en taken van het bestuur;• planvorming en advisering;• organisatie brandweer, GHOR, multidisciplinairetaken en meldkamer;• sturing door de rijksoverheid;• samenwerking met crisispartners en internationalesamenwerking;• optreden in de responsfase;• coördinatie informatievoorziening rampenbestrijding;• financiële bepalingen;• toezicht;• administratieve lasten;• invoering en overgangsrecht.
  20. 20. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200820TISSUE is niet geschikt om tijd, plaats en omvang vanvoorgenomen aanslagen te voorspellen en helpt ook nietbij een risicoanalyse van potentiële doelen van terroristen.Wel kan het model de onzekerheid over terrorisme helpenreduceren doordat het inzicht geeft in de risicos vanbepaalde ontwikkelingen en handelingen.Veel is echter nog onzeker of niet helder en daaromdroeg de rede van De Graaff een programmatisch karakter.Zo wees hij erop dat dwarsverbanden moeten wordengelegd tussen de diverse disciplinaire benaderingen metbetrekking tot terrorisme. Te veel werken wetenschappersmet verschillende achtergronden namelijk langs elkaarheen. Het TISSUE-model moet daarom disciplineneutraalzijn. Ten aanzien van cruciale begrippen bestaat bovendienonduidelijkheid. Zo verschillen de meningen of terrorismezelf het probleem is of slechts een symptoom of een tactiek.En of terrorisme louter wordt veroorzaakt door zogehetenroot causes of dat het voor sommigen ook een vorm vanzelfexpressie is, samenhangend met een wens het onvoor-spelbare teweeg te brengen. Veelal is evenmin helder waarals contraterroristisch bestempelde maatregelen zichtegen richten. Zijn zij onderdeel van een strijd tegen eenmethode, tegen een ideologie, tegen een (groep van)land(en) of tegen een groep individuen en zo ja, welke?Omdat terrorisme, ondanks de vele aandacht ervoor, eenrelatief weinig voorkomend verschijnsel is, voldoen bij deopheldering ervan verklaringen gebaseerd op gemiddeldenen normaalpatronen niet. Ook statistisch gezien isterrorisme namelijk een extreem fenomeen. Toenemendediversificatie van levensvormen en een stijgende interactietussen delen van de wereld als gevolg van de globaliseringvergroten de problematiek nog. Identiteit is een kernwoordgeworden en het aantal zogeheten imagined communitiesneemt onvoorstelbare proporties aan. Leefpatronen,identiteiten, uiteenlopende normen- en waardenpatronen,waaronder verschillen in risicoculturen, schuiven enschuren langs elkaar met verschillende snelheden. Dezegelijktijdigheid van het ongelijktijdige, zoals de filosoofErnst Bloch het noemde, eist zijn tol in de vorm van voort-durende irritaties, die tot radicalisering en, in het uiterstegeval, terrorisme kunnen leiden. Tegelijk omvat cultureleglobalisering ook een verspreiding van individualistischeTerrorismewetenschappers en de toekomstOp 22 januari hield Bob de Graaff, Nederlands eerste hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan deUniversiteit Leiden zijn oratie. Hij bepleitte daarin dat wetenschappers overheden helpen bij hun pogingen detoekomst op de terroristen te herwinnen. Hij maakte melding van een model, TISSUE genaamd, waarin devariabelen voor terrorisme en contraterrorisme zijn opgenomen. TISSUE staat voor Terrorist Indicator Scan forSocieties with Uncertain Environments. Het is een voorlopig model dat door onderzoek, gebruik in het onderwijsen samenspraak met andere betrokkenen verder ontwikkeld moet worden. In een volgende fase zullen decausale relaties tussen de onderscheiden variabelen worden aangelegd. Uiteindelijk is TISSUE bedoeld alshulpmiddel bij het denken over mogelijke toekomstscenarios waarmee kan worden vastgesteld welkebeleidsinstrumenten onder welke (toekomstige) omstandigheden het beste werken.Acht elementen maken deel uit van TISSUE:1 Mondiale drijvende krachten, dat wil zeggen crucialetrends als belangrijke geopolitieke ontwikkelingen,demografische veranderingen of verschuivingen ineconomische machtsverhoudingen;2 Mondiale wildcards, dat wil zeggen vrijwelonverwachte gebeurtenissen die een ingrijpendeverandering teweegbrengen, zoals de aanslagenvan 11 september 2001 en precipitating of triggerevents, bijvoorbeeld belediging van iemandsreligieuze opvattingen, zoals het geval was met deDeense cartoons;3 Relevante nationale ontwikkelingen zoals deinstroom van grote groepen immigranten ofprocessen van in- en uitsluiting;4 Intra- en inter-groepsprocessen onder radicaliserendedelen van een bevolking;5 Individuele processen van radicalisering enderadicalisering;6 Bedoelde en onbedoelde effecten van overheids- enjustitieel beleid, inclusief de steeds belangrijker roldie internationale organisaties spelen bij detotstandkoming van beleid inzake contra-radicalisering en contraterrorisme;7 Het discours over radicalisering en terrorisme,zoals dat met name blijkt uit de media;8 De rol die nieuwe techniek speelt, zowel aan dekant van terroristen als aan de kant van de overheid.
  21. 21. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200821waarden, die kunnen bijdragen aan een terrorisme datgebaseerd is op persoonlijke knip-en-plak-overtuigingen,zodat er dus weinig voorspellende waarde uitgaat van deaangehangen ideologie of religie.Diversificatie doet zich ook voor bij de overheid, in hetbijzonder doordat delen van de geweldsuitoefening zowelbinnen- als buitenlands worden uitbesteed. Overhedenworden intussen geconfronteerd met allerlei groeperingen,die soms extreem geweld bedrijven en als een soortgewelddadige non-gouvernementele organisaties optreden.Veel van die organisaties zijn onafhankelijk van enigestaatssteun en daardoor minder gemakkelijk te beïnvloedendan sommige eerdere vormen van terrorisme. Alleen al inIrak worden de Amerikaanse autoriteiten momenteelgeconfronteerd met 75 tot honderd verschillende groepenopstandelingen van uiteenlopende binnen- en buitenlandsepluimage. Een centraal commando ontbreekt en, andersdan soms wordt gedacht, maakt al-Qa’ida naar schattingslechts vijf procent van deze groepen uit. Zulk soortzogeheten superempowered groepen van terroristen ofguerrilla’s zien we ook elders in de wereld opererenvolgens een systeem waarbij ieder zijn bijdrage levert, ookal zijn belangen en motieven soms geheel verschillend.Deze dark mobs kunnen op enig moment, zelfs zonderdaarover formele afspraken te maken, toewerken naar eenbepaald doel, bijvoorbeeld verstoring van de olie- of definanciële markt. De snelheid waarmee dat gebeurt maakthet voor overheden moeilijk op concrete gevallen teanticiperen en de synchroniciteit waarmee het geschiedtmaakt zulke processen moeilijk beheersbaar, zeker vooroverheden die niet kunnen ontschotten en de flexibiliteitmissen van deze dark mobs.Daar komt nog bij dat de technologische ontwikkeling dezegroepen meer in de kaart lijkt te spelen dan overheden. Devoortschrijdende verbreiding van technologie reduceertnamelijk steeds verder het aantal mensen dat nodig is omeen bedreiging te vormen voor een staat of de wereld.Daarom wees De Graaff erop dat reeds in het verledenvaak individuen geheel of ten dele bepalend zijn geweestvoor op zijn minst de intensiteit van bepaalde vormen vanterrorisme, zoal niet daarvoor geheel verklarend zijn. Dieuitzonderlijke rol van het individu is een extra belemmeringbij een verkenning van de toekomst van het terrorisme.Over de vraag waarom mensen handelen, wat hun prikkelstot handelen zijn, in hoeverre menselijke impulsengeneraliseerbaar zijn weten we nog relatief weinig, steldehij, als het gaat om terrorisme. In veel literatuur overterrorisme wordt een min of meer rechtstreeks verbandgelegd tussen bijvoorbeeld armoede en vernederingenerzijds en terrorisme anderzijds, maar als die recht-streekse verbanden zouden bestaan zou er veel meerterrorisme zijn geweest. De verhouding tussen genetischmateriaal, context, persoonlijke ontwikkeling, emoties engedragingen staat dan ook nog geenszins vast.In het bijzonder stond De Graaff stil bij de problematiekvan de causaliteit. Die is om te beginnen al moeilijk vastte stellen bij actuele vormen van terrorisme omdat zowelterroristen als hun bestrijders geheimhouding betrachten.Een valkuil noemde De Graaff het dat wetenschappers,die nu eenmaal intellectuelen zijn, gemakkelijk geneigdzijn gedragingen van mensen vooral te willen verklarenvanuit rationele handelingen en overwegingen en te veelgewicht toekennen aan motiveringen door betrokkenenzelf. Actie, aldus De Graaff, gaat evenwel vaak vóór deideologie uit en veel gedragingen komen onbewust of opemotionele gronden tot stand. Veel terroristen zijnutopisten, vergelijkbaar met Middeleeuwse millennaristen,die haast hebben om hun droom te verwezenlijken endaardoor extreem moeilijk voorspelbaar zijn in hunconcrete gedragingen. Indicatief voor een te sterke nadrukop rationaliteit bij westerse wetenschappers noemde DeGraaff dan ook het feit dat velen van hen de terugkeer vanreligie als belangrijke factor in zowel de internationale alsde nationale arena volstrekt niet hebben voorzien.De Publieke Veiligheid Award is inmiddels een begrip inde sector openbare orde en veiligheid. De prijs is eenpodium voor kansrijke, daadkrachtige en vernieuwendemultidisciplinaire projecten. De strijd om de award staatopen voor elke organisatie (publiek en privaat) die actiefbezig is in de veiligheidsketen. Doordat er zoveelverschillende partijen kunnen meedingen, leren zij ookweer van elkaar waardoor de gehele sector OOV kanverbeteren en meer samenwerken.Op 12 juni zullen drie genomineerden zich presenterenop de derde jaarconferentie Innovatie in Veiligheid. Deuiteindelijke winnaar wordt bekend gemaakt tijdens hetlustrum van de Nationale Debatcyclus Rampenbestrijdingen Crisisbeheersing op 13 november. De jury staat onderleiding van hoogleraar Veiligheid en RampenbestrijdingBen Ale van de TU Delft.Inschrijven voor de Publieke Veiligheid Award kan tot15 april op de website www.veiligheidaward.nl.Publieke Veiligheid Award 2008
  22. 22. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200822Een deel van de aanwezigen had een actieve rol in deoefening. Gevraagd naar de ervaringen door dagvoorzitterGijs Wanders noemden ze Voyager enerverend, zeerhectisch en vrijwel echt. “Na drie minuten was het voormij echt en was ik vergeten dat het een oefening was”,aldus een van de aanwezigen.Complexe oefeningHet scenario kende drie hoofdverhaallijnen: een aanvaringtussen een containerschip met een chemische en besmette-lijke lading en een passagiersschip met vijfhonderdopvarenden in de Rotterdamse haven, een overtocht vanmogelijke terroristen van Engeland naar Vlissingen eneen huiszoeking in Utrecht Overvecht en ten slotte eendreiging van een terroristische aanslag bij een petro-chemisch bedrijf in het Botlekgebied.Centraal in de oefening stond de crisisbesluitvorming eninteractie in de totale bestuurskolom van lokaal naarnationaal en de functionele ketens, met name rampen-bestrijding en terrorismebestrijding. Op basis vanobservaties heeft een prestatiegerichte systeembeoordelingplaatsgevonden van drie kritische processen:Informatiemanagement, besluitvorming en sturing encommunicatie met media en publiek. De evaluatie isuitgevoerd door een samenwerkingsverband vanCapgemini, TNO en Berenschot.EvaluatieLaurens van der Sluys Veer, projectleider van het consortium,presenteerde de resultaten van de evaluatie: wat ging ergoed en wat kan beter. De besluitvorming tijdens deoefening is ten dele positief is verlopen. Zo werden erduidelijke prioriteiten gesteld en wist men over hetalgemeen welk effect een besluit zou hebben. Maarbesluiten werden niet altijd duidelijk geformuleerd enwaren daardoor voor meerdere uitleg vatbaar. Debelangrijkste leerervaringen en aanbevelingen op een rij.• Het ontbrak vaak aan een eenduidig informatiebeeldvan de verschillende incidentsituaties en een eenduidigperpectief van de verschillende dreigingen. Eenduidigeinformatie-uitwisseling moet worden verbeterd.• Er moet meer vooruit gedacht en afgestemd wordenin éénduidige lange termijn scenario’s en beoogdeoperationele effecten tussen de relevante organisatiesen ketens.• Het afstemmen van besluiten tussen relevanteorganisaties en ketens behoeft verbetering. Genomenbesluiten moeten actief en tijdig met alle betrokkenpartijen worden gedeeld.• Media-analyses dienen te worden meegenomen in debesluitvorming en in de voorbereiding op pers-conferenties.• Informatie voor de media moet sneller worden“Niemand heeft zijn eigen crisis”Impressie Congres oefening Voyager: de leerervaringengepresenteerdOp 3 oktober 2007 vond op verschillende locaties in Nederland, waaronder Den Haag en Rotterdam, degrootschalige en multidisciplinaire crisisbesluitvormingsoefening Voyager plaats. Meer dan 2000 deelnemersvan ruim 50 verschillende organisaties speelden hun rol binnen de crisisbeheersing en/of rampenbestrijding.Op 24 januari werden de leerervaringen van de oefening gepresenteerd aan zo’n driehonderd aanwezigen inhet Rotterdamse World Trade Center.
  23. 23. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200823verwerkt en vervolgens correct worden verstrekt aan deburgers. Inspanning is noodzakelijk om te borgen datde bevolking de juiste voorlichting krijgt.• De persboodschappen op de diverse bestuurlijkeniveaus dienen beter gesynchroniseerd te worden.• Ten slotte dient de private sector meer bij de media-voorlichting te worden betrokken.Henk Geveke, directeur Crisisbeheersing én speler in deoefening benadrukte tijdens het congres het belang vangrootschalige oefeningen als Voyager. Het is zeker geendemonstratie, er wordt reëel geoefend. Een grote oefeninglevert een realistisch beeld op van de interactie in het helesysteem, alle lagen van de gehele keten. De meerwaardezit in kleine leermomenten. Bovendien namen er aanVoyager eveneens private partijen deel hetgeen een schataan wederzijdse leerervaringen heeft opgeleverd.Gijs Wanders wisselde van gedachten met SG Jan-WillemHoltslag en burgemeester Ivo Opstelten. Volgens Holtslagmaken de “first responders” het verschil. Incidentenworden in eerste instantie op lokaal niveau bestreden.Niemand heeft echter zijn eigen crisis, er is ook nooitsprake van een “Haagse crisis”. Ieder heeft zijn eigenverantwoordelijkheden en die moeten gerespecteerd enbenut worden. Holtslag gaf aan dat er op nationaal niveaueen sterke verbetering is aan te brengen bij het ERC en hetNCC ook om de minister nog beter te kunnen bedienen.Opstelten sprak zijn waardering uit voor het verloop vande oefening in Rotterdam. Hij gaf wel aan dat er verbeteringmogelijk is in de communicatie met media en publiek.Er is geen persanalyse benut waardoor onhelder bleef inwelke context de besluitvorming plaats vond. Concreetging het over informatie over slachtoffers en informatieover stoffen en effecten. Opstelten is van mening dat jedilemma’s moet delen met de bevolking. Bovendienhadden private partijen meer bij de crisisbeheersing moetenworden betrokken. Het is lastig om in een crisis waar dedruk maximaal is de rustmomenten in te bouwen en totde kern te komen.WorkshopsDe workshops gaven de mogelijkheid tot verdieping eninteractie. Er werd ingegaan op een aantal speciale thema’suit de oefening zoals slachtofferopvang, het Beleids-ondersteunend Team milieu-incidenten (BOT-mi) en hoetijdens crises om te gaan met minder of niet-zelfredzamen.Er was een workshop over de ervaring met de netcentrischewerkwijze tijdens Voyager, gebaseerd op een rapport vanTNO. Binnen de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond ismen al langer bezig deze werkwijze toe te passen en deoefening was een mooie praktijktest. Dat was aanleidingvoor een levendige discussie over de kansen en bedreigingenvan de netcentrische werkwijze. Uit deze discussie bleek dater aan de NEC-toepassing veel meer vast zit dan alleen hetaan elkaar geschakeld hebben van verschillende systemen.Ook werd er een voorproefje gepresenteerd van de inter-actieve dvd van de oefening Voyager. Deze dvd is bedoeldom andere partijen in Nederland de mogelijkheid tebieden te leren van Voyager.In de workshop “Na de ramp” werd aandacht besteed aande nafase van een ramp. De verantwoordelijkheden enrollen van de gemeente, provincies en het Rijk kwamenaan de orde maar ook de communicatie richting media enpubliek in de nafase.Tot slot gaf Paul Haenen bij monde van alter ego MargreetDolman nog een aanbeveling naar aanleiding van deoefening Voyager. “We moeten zin hebben in samenwerken en als we geen zin hebben dan moeten we maarzin maken”.AAnnnniiee ddee VVeeeerr,,projectleider oefening VoyagerCCaarroolliieenn GGrraassddiijjkk,,projectmedewerker oefening Voyager
  24. 24. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200824In het kader van crisisbeheersing zijn dit bijzondereinrichtingen, omdat bij een incident in of om het complexje heel snel te maken krijgt met “tegen elkaar schurende”verantwoordelijkheden van gezagdragers: de burgemeester,de officier van justitie of zelfs de minister. En binnen dieconstellatie mogen de directeuren van de inrichtingenhun werk doen.Er zijn heel wat scenario’s denkbaar van incidenten, waarbijhet optreden van hulpverleningsdiensten noodzakelijk is,maar de uiteindelijke verantwoordelijkheden niet helderop het netvlies staan. Om een denkrichting te geven: eenongeval in de PI in combinatie met een gijzeling, een flinkebrand in de PI, een demonstratie buiten met een effect opbinnen, een rookwolk met giftige stoffen komt op hetcomplex af. Ambtelijke en bestuurlijke verantwoordelijk-heden te over, maar wie gaat waar over?Rampbestrijdingsplan?Voldoende aanleiding om in een workshop met allebelanghebbenden (burgemeester, officier van justitie,directeuren detentiecentrum en P.I., brandweer-commandant, politiechef, regionaal geneeskundigfunctionaris, communicatieadviseur van gemeente enJustitie), de zaken helder op een rij te zetten. Aanvankelijkwas de opzet om, mede op basis hiervan, een gemeentelijkcalamiteitenbestrijdingsplan (rampbestrijdingsplan) teontwerpen voor beide inrichtingen waarin voornoemdeproblematiek aan de orde kon komen.Het detentiecentrum en de PI hadden reeds eencalamiteitenplan opgesteld. Daarbij kwamen we tot eenverrassende conclusie. In de plannen van DJI staat dat opallerlei onderdelen afspraken moeten worden gemaaktmet externe partners. Behalve de operationele dienstenDe gemeente Alphen aan den Rijn heeft sinds oktober 2007 het grootste detentiecentrum van Nederlandbinnen haar grenzen. Met maximale capaciteitsbenutting kan dit centrum 1.300 gedetineerden huisvesten.Tegen dit centrum aangrenzend bevindt zich tevens een penitentiaire inrichting (goed voor bijna 300 klanten).Crisisbeheersing door bestuur en justitieIncidentbestrijding bijzondere inrichtingen
  25. 25. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200825worden ook Openbaar Ministerie (OM), gemeente enburgemeester genoemd.Als je een vergelijking maakt met plannen bij grote(chemische) bedrijven, dan zie je dat het bedrijf (beter: deinrichting in termen van milieurecht) een intern planmoet hebben en dat gemeenten voor de zwaarste categorieinrichtingen rampbestrijdingsplannen moeten hebben.Daarmee is een verdeling gemaakt tussen bedrijfsleven enoverheid: elk zijn eigen verantwoordelijkheid en eigenplan. De vraag is of dit ook nodig is voor een detentie-centrum/PI.De plannen van DJI geven aan dat moet worden beschrevenwat de relatie is met in het bijzonder de burgemeester enmet de operationele diensten. Wat dat laatste betreft, het isvoor politie, brandweer en GHOR eenvoudiger om uit tegaan van één basisdocument, aangevuld met eigenoperationele plannen. Dus, zeker nu het gaat om tweeoverheden, kunnen gemeente en detentiecentrum/PIsamenwerken aan dat ene basisplan.Conclusie was dus dat een rampbestrijdingsplan van degemeente naast het calamiteitenplan van de inrichtingen(inclusief een deel over externe partners) geen meerwaardeheeft. Beter ware het om samen met de inrichtingen hetdeel over externe partners te schrijven, in het bijzonderhet deel over de rol van de burgemeester.Dat kan kort zijn, maar wel strak: wat is des burgemeestersen wat des justitie.Bestuurlijke paragraaf in calamiteitenplanDit heeft geleid tot een bestuurlijke paragraaf die metinstemming van alle partijen is vastgesteld en thansonderdeel uitmaakt van het calamiteitenplan van hetdetentiecentrum en de PI. In deze paragraaf is eenoperationeel en bestuurlijk item opgenomen: het gaat nietover de werkwijze binnen het werkterrein van Justitie,maar over de relatie met het openbaar bestuur, de burge-meester en de veiligheidsregio. De algemene en specifiekebevoegdheden en het optreden van de burgemeesterkomen vervolgens aan de orde. Verder wordt gesprokenover de reikwijdte van het gezag van de burgemeester.De paragraaf wordt afgesloten met een aantal afsprakenwelke hieronder integraal beschreven staan:De directeur van de inrichting en de burgemeesterinformeren elkaar (via de reguliere kanalen) over gevoeligezaken – ook los van openbare orde en veiligheid – zoalsgijzelingen of ontsnappingspogingen en over feiten diehet functioneren van de inrichting raken zoals eenbesmetting van drinkwater of andere vergelijkbareproblemen.De burgemeester zal maatregelen die gevolgen hebbenvoor de inrichting niet treffen dan nadat hij hieroveroverleg heeft gevoerd met de directeur van de inrichting,tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.De directeur van de inrichting zal feiten en (voorgenomen)maatregelen met (mogelijke) gevolgen voor de openbareorde en openbare veiligheid – voor zover deze uit oogpuntvan het treffen van maatregelen en/of media-aandachtbetrokkenheid van de burgemeester vereisen – terstondmelden aan de burgemeester (via de reguliere kanalen).Wat betreft voorlichting, deze volgt de gezagsstructuur:situatie 1crisis van strafrechtelijke aard: voorlichting ligt bij hetparket Den Haag (afstemming met DJI), het parketinformeert waar nodig voorlichting gemeente;situatie 2verstoring openbare orde (per definitie buiten de inrichting):voorlichting ligt bij gemeente, informeert voorlichtingparket Den Haag en voorlichting DJI;situatie 3verstoring openbare veiligheid binnen de inrichting:voorlichting over de bestrijding van een brand, ramp/zwaar ongeval ligt bij de gemeente, voorlichting over degevolgen voor de bedrijfsvoering binnen de inrichting ligtbij DJI; beide stemmen onderling af.SlotsomMet het opstellen van een bestuurlijke paragraaf alsonderdeel van een calamiteitenplan van een inrichting isgekozen voor een hele praktische oplossing die bij allepartijen in goede aarde viel. Geen ingewikkeld plan datnaast het eigen calamiteitenplan gebruikt moet worden,maar in een kort bestek duidelijkheid en helderheid voorhet eigen operationele optreden.DDiicckk RRooooddeennbbuurrgg,,beleidsadviseur OOV gemeente Alphen aan den RijnEErrnnsstt BBrraaiinniicchh vvoonn BBrraaiinniicchh FFeelltthh,,adviseur en onderzoeker
  26. 26. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing februari 200826De Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) was gevraagd teadviseren over een richtlijn voor de opslag van kleinehoeveelheden springstof. In de oriëntatiefase stuitte devoor die taak opgerichte commissie Ontplofbare Stoffenen Artikelen op de al door de commissie Oosting voorvuurwerk gesignaleerde enorme verbrokkeling van wet- enregelgeving die de toegankelijkheid en duidelijkheidhindert en de sector isoleert.Deze tekortkomingen bestaan ook voor andere categorieënontplofbare stoffen en artikelen. Besloten werd daaromhet gebied integraal te beschouwen. In de historischgegroeide wet- en regelgeving voor ontplofbare stoffen enartikelen is onvoldoende rekening gehouden met alleonderdelen van de keten en de samenhang daartussen.Daardoor is er zeker voor nieuwkomers in het veldonvoldoende zicht op technische en organisatorischemaatregelen die risico’s kunnen beteugelen. Ook zijn detaken en verantwoordelijkheden in de keten niet goedafgestemd. Gestart is met een inventarisatie van de ketenen de samenhang daarbinnen, waarbij drie groepenontplofbare stoffen en artikelen kunnen worden onder-scheiden:• vuurwerk;• ontplofbare stoffen voor civiel gebruik;• ontplofbare stoffen en munitie van Defensie.De Adviesraad heeft tevens de hedendaagse wet- en regel-geving, nationale en internationale richtlijnen en normenvoor de keten van ontplofbare stoffen en artikelen in kaartgebracht en de rol hiervan onderzocht. De Adviesraadconcludeert dat in de complexe – en vaak moeilijktoegankelijke – regelgeving weliswaar één en andergeregeld is, maar ook dat er knelpunten en witte vlekkenbestaan. Hieronder zijn de belangrijkste aanbevelingenkort samengevat weergegeven.Ketenstudie verrichtenOp basis van de eerste inventarisatie door de Adviesraadvan de keten van ontplofbare stoffen en artikelen wordtgeadviseerd een integrale ketenstudie uit te voeren, waarbijniet alleen opslagsituaties maar ook de transport-bewegingen met name die over de weg, spoor en binnen-wateren inzichtelijk worden gemaakt. Vanwege hetontbreken van gegevens is dat nu niet mogelijk. Met eendergelijke studie kunnen thans nog niet bekende, potentiëlerisico’s naar de omgeving worden geïdentificeerd. Op basisvan de eigen verkennende studie concludeert de AGS datdeze risico’s niet zozeer vanwege de hoge kans op eenongeval, maar wel vanwege de mogelijke gevolgen, die –zeker op bepaalde plaatsen en transportroutes – significantzijn. Zo signaleert de Adviesraad nu reeds dat er vanwegehet ontbreken van (tijdelijke) opslagplaatsen ongewenstesituaties ontstaan door bijvoorbeeld ontplofbare stoffen enartikelen over onnodig grote afstand te verplaatsen oftijdelijk op te slaan in een vervoermiddel. Een dergelijkrisico wordt vanwege het transiënte karakter mindergevoeld, maar nuchtere cijfers zullen anders uitwijzen.Behoefte aan kaderwet, overzichtsdocument en aanvullingDe Adviesraad beveelt aan een koepelregelgeving metwettelijke grondslag (kaderwet) voor ontplofbare stoffenen artikelen op te stellen, waarin de algemene grondslagen,verantwoordelijkheden en procedures worden vastgelegd.Vooruitlopend daarop kan aan de hand van het advies eenoverzichtsdocument worden opgesteld, om de nietaansluitende, weinig overzichtelijke en lastig toegankelijkeregelgeving voor de praktijk hanteerbaarder te maken ende ketenveiligheid beter te borgen. In het overzichts-document dienen voor de hele keten de relevante wet- enregelgeving, normen, standaarden en praktijkrichtlijnen teworden opgenomen, bijvoorbeeld als onderdeel van dePublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Een aantal “wittevlekken” in de regelgeving dient te worden ingevuld. Zowordt in het advies aandacht gevraagd voor een duidelijkerregeling van onder andere overslagsituaties, tijdelijkeopslag en nederlegging. De Adviesraad beveelt aan – inlijn met eerdere adviezen over de Publicatiereeks – waarmogelijk nieuwe wet- en regelgeving te richten op doel-stellingen en kaders ten einde vanuit de praktijk effectieveen efficiënte oplossingen te kunnen verkrijgen.Ontplofbare stoffen kunnennog beter in het gareelAdviesraad Gevaarlijke Stoffenbeveelt aan:

×