Deelanalyse

3,435 views

Published on

0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
3,435
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
6
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Deelanalyse

  1. 1. “Bouwstenen voor het jongerenbeleid” 2008-2011 Gemeente Gennep 1
  2. 2. Inhoud 1 Raadsprogramma 2006 – 2010 1.1. aandacht voor de jeugd 1.2. Missie endoelen 2 Huidig aanbod 2.1 Voorschoolse periode 2.2 Basisonderwijs 2.3 Voortgezet onderwijs 2.4 Zorgstructuren, hulpverlening en coördinatie van zorg 2.5 Welzijn en vrije tijd 2.6 Openbare orde en veiligheid 2.7 Jongerenparticipatie 2.8 Arbeidstoeleiding 3. Landelijke, provinciale en regionale beleidskaders 3.1 Wettelijke kaders 3.2 Provinciale beleidsvisie 3.3 Regionale beleidsvisie 4. Nieuwe ontwikkelingen 4.1 Centra voor Jeugd en Gezin 4.2 Regionalisering van de leerplicht 4.3 Brede scholen en dagarrangementen 5. Conclusies en beleidsaanbevelingen 5.1 Pragmatisch omgaan met verschillende bestuurslagen 5.2 Het Centrum Jeugd en Gezin in Gennep 5.3 Visie en ambitie m.b.t. brede schoolontwikkeling 5.4 Integraal jongerenwerk Bijlagen - Lokaal Educatieve Agenda - Niveaus van zorg - Lijst van geïnterviewden Jeugdbeleid Gennep - Overzicht gebruikte beleidsdocumenten - Overige bronnen - Lijst afkortingen - Resultaten jongerenpeiling 2008 2
  3. 3. 1 Raadsprogramma 2006 - 2010 In het Raadsprogramma 2006-2010 zijn drie programma’s tot stand gekomen, waaraan de komende jaren gewerkt zal worden. Deze programma’s zijn als volgt; Samen leven en zorgen, Werken en recreëren en Bouwen en wonen. Naast de drie programma’s zijn er ook een drietal overkoepelende thema’s vastgesteld, die van belang zijn voor alle programma’s en overall visie vragen. De thema’s zijn samenwerking, middelen en communicatie. Op basis van het raadsprogramma is een programmaplan Samen leven en zorgen opgesteld. In het programmaplan Samen leven en zorgen zijn een aantal speerpunten met betrekking tot de jeugdgeformuleerd. Ten eerste het geven van specifieke aandacht aan opleiding en werk, wat zich uit in de ontwikkeling van een ‘brede school’. Ten tweede het stroomlijnen en intensiveren van de samenwerking tussen basisonderwijs en aanverwante diensten/voorzieningen voor kinderen en ten slotte het geven van specifieke aandacht aan jongeren. In het raadsprogramma en het programmaplan Samen leven en zorgen komen aandachtspunten naar voren die ook in de Wmo-beleidsnota worden genoemd. In 2007 legde de gemeente Gennep haar Wmo-ambities vast in de Wmo-beleidsnota Gennep 2008-2011. Gennep heeft de Wmo aangegrepen om haar sociaal maatschappelijk beleid voor de komende jaren richting te geven. In genoemde notitie wordt gesteld, dat de sociale cohesie en zelfredzaamheid in Gennep sterk te noemen is. Mede hierdoor wordt een laag beroep gedaan op professionele ondersteuning. Bovendien is een sterke zorginfrastructuur in Gennep aanwezig. Er is een goede voedingsbodem waarop de doelstellingen van de Wmo met name met betrekking tot sociale samenhang, leefbaarheid en zelfredzaamheid verder ontwikkeld kunnen worden. Tegelijkertijd is er echter ook sprake van sterke vergrijzing en ontgroening. Hierdoor en door de maatschappelijke trends als individualisering, grotere mobiliteit en hogere arbeidsparticipatie komen de traditionele sociale structuren, vrijwilligerskaders en mantelzorg onder druk te staan. De lange termijnvisie van de gemeente Gennep is een evenwicht na te streven in de aandacht voor sociale samenhang en een sterke sociale structuur enerzijds en specifieke ondersteuning voor mensen met beperkingen anderzijds. Vooral extra investeren in behoud en versterking van de sociale structuren is hierbij van belang. Een substantiële ondersteuning aan drie actoren, te weten maatschappelijke organisaties, vrijwilligers en mantelzorgers, die essentieel zijn om de sociale samenhang tot een blijvend succes te maken is belangrijk. Daarnaast wordt er ook een budget gegarandeerd voor het vangnet van individuele voorzieningen voor de kwetsbare groepen. Een van de 5 thema’s, waarop de gemeente in het kader van de Wmo komende jaren wil inzetten, is de doelgroep jeugd. 1.1. Aandacht voor de jeugd Gebaseerd op de Sociale Atlas Wmo Gennep kan het volgende over de gemeente Gennep gesteld worden: de gemeente Gennep bestaat uit 16.890 inwoners (8635 mannen en 8255 vrouwen), waarvan relatief veel jongeren in de leeftijd van 15 tot 25 jaar. Onderstaande tabel geeft de leeftijdsverdeling van 0 tot en met 24 jaar weer. Tabel 1. Verdeling per leeftijdscategorie 3
  4. 4. Leeftijdscategorie Totaal aantal Mannen Vrouwen 0 tot 10 jaar 1943 1007 936 10 tot 20 jaar 1932 1025 907 20 tot 24 jaar 630 351 279 Totaal 4505 2383 2122 De gemeente Gennep is verdeeld in vijf dorpskernen, namelijk Gennep, Ottersum, Ven-Zelderheide, Milsbeek en Heijen. In de dorpskern Ven-Zelderheide wonen beduidend minder jongeren dan in de overige dorpskernen en in de dorpskern Gennep wonen beduidend de meeste jongeren. Tabel 2. Leeftijdsverdeling per dorpskern Gennep Ottersum Ven- Milsbeek Heijen Zelderheide 0 tot 10 jaar 981 344 93 284 241 10 tot 20 jaar 1023 274 92 295 248 20 tot 24 jaar 370 94 24 68 74 In Gennep zijn 1707 jongeren lid van een sportvereniging en er is onderzocht dat in totaal 84% van de jongeren sport. Hoeveel jongeren er bij een welzijns- of cultuurorganisatie lid zijn, is onbekend. In vergelijking met 458 andere gemeenten in Nederland staat Gennep in 2005 op plaats 225 (458 is de best scorende gemeente), wat betekent dat Gennep gemiddeld scoort. Ten aanzien van de doelgroep jeugd leeft het gevoel, dat er wel het een en ander gebeurt, maar dat het ontbreekt aan een rode draad. Deze beleidsnotitie is daarom een logisch vervolg op de Wmo- notitie. Hierin werd geconstateerd, dat de jeugdvoorzieningen in Gennep op dit moment een sterke versnippering kent tussen aanbieders, beleidssectoren en schaalniveaus. Hierdoor is het aanbod niet altijd op elkaar afgestemd en niet goed toegankelijk voor de doelgroep. Ook het preventieve jeugdwerk is onderontwikkeld. Het doel van de nota integraal jeugdbeleid is om samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen aan te brengen. Hierbij wordt gekeken naar gezin, school, omgeving en vrije tijd. Uiteindelijk wordt er geprobeerd een afstemming en samenwerking te bereiken tussen verschillende instanties die met kinderen en jongeren te maken hebben. Bovendien heeft de notitie de functie om gezamenlijke visie en ambities neer te zetten voor de komende jaren, waar het gaat om het tot stand brengen van de gewenste doorgaande (ontwikkelings-)lijnen. De gemeente heeft hierin een belangrijke regierol, in de vorm van aansturing op de samenwerking. Verder is de gemeente, als uitvloeisel van de Wet op de Jeugdzorg, ook verantwoordelijk voor de volgende taken: 1. Informatie verschaffen aan ouders, kinderen en jongeren over opvoeden en opgroeien; 2. Signalering van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs; 3. Toegang tot het (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordeling en toeleiding o.a. door de beschikbaarheid van een sociale kaart voor ouders, kinderen, jongeren en verwijzers; 4. Pedagogische hulp (advisering en lichte hulpverlening), zoals (school)maatschappelijk werk; 5. Coördinatie van zorg op lokaal niveau. 4
  5. 5. 1.2. Missie en doelen Zoals al eerder genoemd valt de doelgroep jeugd binnen programma 1: Samen Leven en Zorgen van het Raadsprogramma van de gemeenteraad van Gennep 2006-2010. Hierin werden op hoofdlijnen enkele richtinggevende uitspraken gedaan. De brede school gedachte werd hierin genoemd als model, waarbinnen kinderen zich spelenderwijs ontwikkelen van voorschoolse educatie tot en met beroep. Binnen het programmaplan 2008 “Weloverwogen de toekomst in” wordt vanuit de filosofie van de Wmo aangegeven, dat Gennep het toekomstige Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) een brede functie wil geven voor álle jeugdigen en hun ouders. Ook wordt hier gesproken van een impuls aan het preventief jeugdwerk. De beleidsdoelstelling van de gemeente Gennep ten aanzien van jeugd is te komen tot een integrale aanpak op het gebied van voorschoolse educatie, scholing, onderwijs, jeugdzorg, jeugdbeleid en arbeidsparticipatie. De beoogde doelen hierbij zijn; • Terugdringen van het aantal achterstandkinderen. • Voorkomen van voortijdig schoolverlaten. • Het verbeteren van de startcondities van kinderen van 0-4 jaar. • Het verbeteren van de startcondities van leerlingen bij binnenkomst basisschool. • Het verbeteren van de leerprestaties in met name taal in het basis- en speciaal en voortgezet onderwijs. • Het verbeteren van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de doelgroepleerlingen op school door versterking van de zorgstructuren. • Het realiseren van een sluitend aanbod van (zorg)voorzieningen zodat kinderen en jongeren • onder goede condities kunnen opgroeien naar volwassenheid en zelfstandigheid. • Alle jeugd heeft een plek in de Gennepse gemeenschap door participatie en beschikbare sociaal culturele voorzieningen. 5
  6. 6. 2. Huidig aanbod 2.1. Voorschoolse periode Groene Kruis Jeugdgezondheidszorg (JGZ) Groene Kruis Jeugdgezondheidszorg maakt onderdeel uit van de Zorggroep Noord Limburg en biedt preventieve gezondheidszorg aan kinderen van nul tot vier jaar en hun ouders. Deze zorg wordt uitgevoerd door gespecialiseerde verpleegkundigen JGZ, consultatiebureau-artsen, consultatiebureauassistentes en pedagogisch medewerkers. JGZ werkt vanuit de gedachte dat opvoedingsondersteuning op zo klein mogelijke schaal gerealiseerd moet worden en zo laagdrempelig mogelijk. Een voorbeeld is dat JGZ samenwerkt met kinderdagverblijven en speelzalen, door voorlichtingsavonden te organiseren. Zo is in 2007 in samenwerking met Gilde Opleidingen een cursus voor allochtone ouders georganiseerd. Maar uit ervaring blijkt dat ouders liever concrete hulp willen. Hiervoor is één keer in de twee weken een pedagogisch spreekuur georganiseerd voor ouders van kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Ouders moeten hiervoor een afspraak maken en er worden maximaal drie gesprekken gevoerd. De hulp kan bestaan uit praktische adviezen, ondersteuning en/of doorverwijzing. In 2007 hebben 18 gezinnen gebruik gemaakt van het pedagogisch spreekuur (in 2006: 28). Vaak betrof het problematiek voor meerdere kinderen in een gezin. Vanuit de JGZ wordt er deelgenomen aan het kernteam van Integrale Vroeghulp. In dit team worden kinderen besproken met complexe problematiek, samenhangend met een (mogelijke) ontwikkelingsachterstand. Er zijn in 2007 in Noord-Limburg in totaal 56 aanmeldingen voor het kernteam binnengekomen. Vanuit Gennep is er in 2007 één kind aangemeld. Door JGZ worden gevraagd en soms ook ongevraagd preventieve huisbezoeken bijgebracht bij ouders van kinderen van wie wordt ingeschat dat ze verhoogd risico lopen. In Gennep zijn 110 preventieve huisbezoeken verricht bij 37 gezinnen. Te denken valt hierbij aan verhuiskinderen met risico’s, psychiatrische problematiek bij moeders, huisbezoeken in verband met niet verschenen op het consultatiebureau en drugsgebruik van ouders, opvoedings- en slaapproblematiek en problemen door echtscheiding, waarbij kleine kinderen betrokken zijn. Dit komt veel voor in de gemeente Gennep. Naast genoemde activiteiten heeft de JGZ regelmatig afstemmingsoverleg met peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, bijvoorbeeld over de topleiding naar voorschoolse voorzieningen. Het blijkt in Gennep, dat vooral de Marokkaanse kinderen geen peuterspeelzaal blijken te bezoeken. Het opkomstpercentage voor zuigelingen ligt in Gennep op 92% en voor peuters op 86%. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan het vereiste landelijk gemiddelde. JGZ geeft aan met de gemeente weinig contact te hebben. Ze vinden het moeilijk om de juiste personen te bereiken. Dit geeft het gevoel dat er nauwelijks sprake is van een samenwerking. Er wordt aangegeven dat men wel weet wat er van ze verwacht wordt, maar dat ieder op zichzelf werkt. JGZ zou graag willen aansluiten bij de brede school en ziet zichzelf als kernpartner in het te vormen Centrum voor Jeugd en Gezin. Men is erg te spreken over de wijze waarop dit Centrum in de buurgemeente Bergen tot stand is gekomen. Als logische locatie voor het CJG noemt de JGZ de nieuwbouwlocatie Op de Logte. Kinderopvang In Gennep draagt de regionale organisatie ‘Samen Sterk in Kinderopvang’ (SSK) zorg voor de opvang van kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar in kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang op twee locaties (kern van Gennep en Ottersum). Op de bso in Gennep komen de meeste kinderen van de volgende scholen: De Heggerank (Heijen), De Ratel, De Piramide, Elckerlyc, Maria Goretti en De drie vijvers (Milsbeek). Op de bso in Ottersum komt het meerendeel van de kinderen uit Ottersum en daarnaast een aantal uit `t Ven en uit Milsbeek. Beide locaties zijn bezig met een alternatieve locatie, omdat er veel kinderen op de wachtlijst staan. 6
  7. 7. De buitenschoolse opvang uit de kern van Gennep gaat daarom in juni een BSO openen in basisschool Maria Goretti. Hier zullen m.n de kinderen van Maria Goretti, Pyramide en Elckerlyc naar toe gaan. Voor de bso uit Ottersum geldt dat de scholen in Ottersum en ook in Milsbeek geen ruimte hebben. Er wordt daarom nog steeds gezocht naar een alternatieve locatie. Ook voor de dagopvang zijn er momenteel wachtlijsten. Er zijn plannen om op de locatie van Gennep een derde groep openen in het project Op De Logte. In dit project wordt een multifunctioneel centrum gerealiseerd. In dit gebouw wordt naar waarschijnlijk ook een nieuw consultatiebureau gevestigd en een praktijk voor fysiotherapie. Het kinderdagverblijf van Ottersum kampt naast het ruimtegebrek, ook met het probleem dat zij in de omgeving weinig activiteiten voor de kinderen kunnen aanbieden. Beide locaties zouden graag samen met scholen en andere partners komen tot de ontwikkeling van dagarrangementen. Een ander onderdeel van SSK is het gastouderbureau Ouders voor Ouders. Deze organisatie bemiddelt tussen ouders die opvang zoeken voor hun kind(eren) en gastouders, die de kinderen opvangen in hun eigen huis of in het huis van een andere ouder. Daarnaast kent Gennep nog twee particuliere kinderdagverblijven, namelijk Madelief en De Bonte Koe. Madelief biedt opvang en zorg voor kinderen in de leeftijd van 0 tot 13 jaar en De Bonte Koe biedt opvang en zorg voor kinderen in de leeftijd van 8 weken tot 4 jaar. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal kindplaatsen per kinderdagverblijf. Tabel 3. Aantal kindplaatsen per kinderdagverblijf De bonte koe SSK; het SSK; de kleine Madelief Totaal kleine station paddestoel (Ottersum) (Gennep) Dagopvang 24 36 24 68 152 Buitenschoolse - 40 20 16 76 opvang Peuterspeelzaalwerk De gemeente Gennep heeft op dit moment zes peuterspeelzalen, namelijk ’t Hummelhonk, Nijntje, De Ottertjes, Pippeloentje,’t Venneke en de Zonnepitjes. Ze zijn allen bedoeld als ontwikkelingsgerichte, preventieve basisvoorzieningen voor kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar. Het peuterspeelzaalwerk wordt vanaf 2005 verzorgd door stichting Kinderopvang Nijmegen (KION). KION heeft destijds zeven peuterspeelzalen overgenomen. In juli 2007 is er één afgevallen. Uit het jaarverslag van 2006 blijkt dat er toen geen wachtlijsten waren. De groepsgrootte van een speelzaal bedroeg maximaal 18 kinderen per groep. In 2006 was er een bezetting van 280 kindplaatsen. In het kader van de uitvoering van het GOA 2002-2006 vindt in de gemeente Gennep vanaf 2002 een fasegewijze professionalisering plaats. In 2004 heeft de raad van de gemeente Gennep het college opdracht gegeven om, samen met direct en indirect betrokkenen, de (verdere) professionalisering van het peuterspeelzaalwerk vorm te geven. De opdracht hierbij is het vastleggen van kaders, uitgangspunten en randvoorwaarden die een (verdere) professionalisering mogelijk maken. De essentie van de opdracht is het waarborgen van een functioneel, haalbaar en betaalbaar niveau van voorzieningen voor peuterspeelzaalwerk, naar aard, omvang en spreiding; nu en in de toekomst. Daarnaast heeft zij de zorg voor kwetsbare groepen met name daar waar het gaat om het waarborgen van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van deze voorzieningen en het treffen van extra maatregelen. En ten slotte stimuleert zij als ‘hoeder van het algemeen belang’ een doeltreffend en doelmatig beheer en gebruik van de voorzieningen. Het realiseren van schaalvergroting en professioneel management zijn daarbij van belang zodat de peuterspeelzalen zich sterk kunnen maken voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit (Uit: Samen sterk in 7
  8. 8. peuterspeelzaalwerk). Toen KION in 2005 het peuterspeelzaal werk had overgenomen, is zij begonnen met de professionalisering. Dit betekende dat er twee professionele krachten op iedere groep kwamen te staan. Met het VVE programma Startblokken is toentertijd op 5 peuterspeelzalen gestart. Nu in 2008 wordt het accent, naast scholing, onderhoud en coachen in het programma Startblokken, vooral gelegd op het intensiveren van oudercontacten en zorggesprekken. Om dit te bekostigen wordt een beroep gedaan op VVE-middelen. KION geeft echter aan dat het moeilijk is om ouders te motiveren voor voorlichtingen e.d. Daarnaast is het onduidelijk of ouders überhaupt wel behoefte hebben aan opvoedingsondersteuning. Door KION zijn verder overdrachtsformulieren opgesteld voor kinderen die naar de basisschool gaan. Dit wordt door eigen middelen van KION bekostigd. KION geeft aan dat de samenwerking met de basisscholen nog beter kan. Ze zien graag dat het contact geïntensiveerd wordt en dat de zorgleerlingen meer met elkaar besproken worden. Nu gebeurt dit alleen op papier. Verder zijn zij actief met observatie en verslaglegging kinddossier, het voorbereiden van vve op de speelzaal en het onderhouden van contacten met het consultatiebureau t.b.v. een vroegtijdige signalering bij kinderen. KION gebruikt zelf voor het structureel signaleren van problemen bij kinderen de werkwijze ‘Alert op ontwikkeling’. KION geeft echter aan dat hier meer aandacht aan moet worden besteed op peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en het consultatiebureau en dat de signalering versterkt moet worden. Daarnaast geeft KION aan dat zij structurele deskundigheidsbevordering voor de leidsters nodig acht. Extra dagdeel voor doelgroepkinderen Door de rijksoverheid is vastgesteld dat doelgroepkinderen minimaal gedurende één jaar de peuterspeelzalen drie dagdelen bezoeken. Doelgroepkinderen zijn kinderen die voldoen aan de vastgestelde criteria door de gemeente Gennep. Deze criteria zijn vastgesteld door de GOA stuurgroep. De kosten komen ten laste van het VVE budget. Door gebruik te maken van de aanwezige planningsruimte in de peuterspeelzalen zijn deze kosten laag gehouden. Dit betekent dat uitvoering hiervan mogelijk is binnen het huidige aanbod van dagdelen op de peuterspeelzalen bij een niet volle bezetting. Het gaat hierbij maximaal om een 5 -10 peuters op jaarbasis. Bereik kinderen Op het consultatiebureau worden ouders geattendeerd op de mogelijkheden van opvang, zoals peuterspeelzalen, maar ook kinderdagverblijven of gastouderopvang. Uit registratie blijkt dat de meeste kinderen uit Gennep gebruik maken van één van bovengenoemde. Er is echter ook een groep kinderen die hier geen gebruik van maakt (7% van de drie-jarigen in Gennep maakt geen gebruik van een van bovengenoemde voorzieningen. Districtaal is dit 3%.). Dit zijn met name kinderen met ouders van Marokkaanse afkomst (op 31-12-2007 waren er 3 Marokkaanse kinderen die geen speelzaal bezoeken vanaf het tweede jaar). Bij navraag blijkt dat vooral de ouderbijdrage een drempel is om gebruik te maken van deze mogelijkheden. In overleg met een aantal bijbehorende instanties en de gemeente moet gekeken worden naar de mogelijkheden om deze kinderen een vorm van opvang te kunnen bieden. Er wordt echter aangegeven dat de gemeente geen doelgroepenbeleid voert, wat betekent dat er geen geld beschikbaar is voor dit doel. Mogelijke gevolgen zijn taal-en spraakproblemen bij de kinderen. Afstemming en overleg Het peuterspeelzaalwerk is een belangrijke partner in diverse overlegstructuren. Dit doet echter een zwaar beroep op de managers. Bovendien is de manager niet altijd de aangewezen persoon wanneer het om het bespreken van casuïstiek gaat. Een idee is om een zorgcoördinator aan te stellen, die namens de peuteropvang deelneemt aan de verschillende zorg- en afstemmingsoverleggen. De zorgcoördinator staat tussen de leidsters en de managers van alle locaties in en kan op deze manier informatie op alle fronten verzamelen en overdragen aan andere instanties. Ook kan de zorgcoördinator de samenwerking tussen de partners stimuleren en bewaken. 8
  9. 9. Voor en vroegschoolse educatie In de periode 2002-2006 heeft de gemeente Gennep een start gemaakt met de invoering van de voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Er is gekozen voor het programma Startblokken. Dit programma is gebaseerd op de basisontwikkeling van het (jonge) kind. Zowel de peuterspeelzalen als de basisscholen zouden gebruik gaan maken van het programma Startblokken. Ter voorbereiding zijn de leidsters van de peuterspeelzalen en de leerkrachten van het primaire onderwijs bij elkaar gebracht en geschoold in de methodiek en werkwijze van het programma. Hierbij kwamen onder andere de overdracht van peuterspeelzaal naar basisschool, oudergesprekken, observatie en verslaglegging en contact en overleg met derden aan de orde. Tijdens het werken met Startblokken is er door de peuterspeelzalen en basisscholen een overdrachtsformulier voor peuters die naar de basisschool gaan ingevoerd. Hierdoor is de informatie tussen peuterspeelzaal en basisschool geconcretiseerd. Daarnaast is de samenwerking tussen peuterspeelzaal en consultatiebureau door toeleidingsactiviteiten en de uitvoering van Boekenpret 0 tot 2 jaar, tegenwoordig 2 tot 6 jaar, geoptimaliseerd. Door Boekenpret en het project Rode Draad is ook de samenwerking tussen consultatiebureau, peuterspeelzalen, scholen en Biblioplus tot stand gekomen. Bij de invoering van de VVE zijn de kinderdagverblijven echter niet betrokken. Zij geven aan zelf creatief met de VVE aan het werk te zijn gegaan, omdat zij merken dat hier wel degelijk een rol in te kunnen spelen. SSK geeft bijvoorbeeld aan ook graag overdrachtsformulieren naar de basisscholen in te voeren. Daarnaast geven zij aan nauwer te willen samenwerken met basisscholen en peuterspeelzalen. Vooral de locatie in de kern van Gennep heeft weinig contact met scholen. De locatie in Ottersum is gestart met een samenwerking met KION en basisscholen. Doel is om de pedagogisch-didactische aanpak meer op elkaar af te stemmen en te komen tot samenwerking op inhoud in de brede-schoolgedachte. Taalbeleid voorschoolse periode en basisschool In samenwerking met scholen en andere relevante instellingen is er een beleid ontwikkeld om de taalachterstanden bij autochtone en allochtone jongeren te bestrijden en hiermee de taalontwikkeling te stimuleren. Het lokale beleid is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal en op het wegnemen van belemmeringen daarbij. Er wordt gebruikt gemaakt van het VVE programma Startblokken en de projecten Boekenpret en Rode draad. Boekenpret is opgestart vanuit het consultatiebureau voor de leeftijdsgroep 0 tot 2 jaar. Dit had echter weinig resultaat, waarna er besloten is de doelgroep te veranderen naar kinderen van 2 tot 6 jaar. Het project de Rode Draad wordt op school uitgevoerd, onder leerlingen tot en met groep 8 van het basisonderwijs.In de gesprekken wordt echter een aantal knelpunten te benoemd, waardoor niet alle kinderen bereikt worden of baat hebben bij de projecten. Ten eerste vindt de taalachterstand bij autochtone leerlingen met name in de midden- en bovenbouw van de basisscholen plaats. De programma’s richten zich doorgaans op de onderbouw en niet meer op deze oudere groep leerlingen. Ten tweede is de ouderparticipatie bij Boekenpret projecten beperkt, waardoor de transfer naar de thuissituatie en dus ook de toegang tot het kind bemoeilijkt worden. Ten derde is de doorgaande lijn in taalaanpak van peuterspeelzaal naar basisschool nog onduidelijk uitgewerkt Ten vierde is het aantal kinderen dat specifieke intensieve taalondersteuning nodig heeft, verspreid over diverse scholen in de kern van Gennep en in de omliggende dorpen. Het is moeilijk om deze specifieke groep te bereiken en extra ondersteuning te geven (GOA Gennep 2006 – 2010). Ten slotte worden de kinderdagverblijven niet betrokken bij de programma’s. Hierdoor wordt een grote groep kinderen in de leeftijd van 0 – 4 jaar gemist, terwijl zij er veel baat bij kunnen hebben (Beleidskader gemeentelijke onderwijsachterstanden 2006-2010). 9
  10. 10. 2.2. Basisonderwijs Inleiding De gemeente Gennep heeft een groot aantal onderwijsvoorzieningen. De kernen Heijen, Ottersum, Milsbeek en Ven-Zelderheide beschikken elk over een goed geoutilleerde basisschool. De kern Gennep telt vier basisscholen. In totaal gaat het om zeven basisscholen, namelijk Maria Goretti, Elckerlyc, De Ratel, De Heggerank, De Vonder, De Brink en De Drie Vijvers. Daarnaast heeft Gennep een school voor voortgezet onderwijs, het Elzendaal College. Ook het speciaal onderwijs is vertegenwoordigd: een basisschool voor speciaal onderwijs, De Piramide, en een school voor speciaal voortgezet onderwijs, Mikado. Verder zijn er diverse voorzieningen voor voor- en naschoolse opvang en voert de gemeente een actief beleid op het gebied van onderwijsachterstanden. De scholen in Gennep worden ook bezocht door leerlingen uit Duitsland. In 2006 gingen er vanuit Duitsland negen leerlingen naar het Elzendaalcollege te Gennep, twee naar de Piramide, negen naar Elckerlyc, twee naar De Brink, 22 naar De Vonder. Gemeentelijk Onderwijs Achterstanden beleid In Gennep ligt in de periode 2006-2010 de nadruk van het Gemeentelijk Onderwijsachterstanden beleid op de VVE, taalbeleid, sociaal emotionele ontwikkeling en bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. De concrete doelen die hieruit voortvloeien zijn als volgt: • Het verbeteren van de startcondities van kinderen van 0-4 jaar. • Het verbeteren van de startcondities van leerlingen bij binnenkomst in de basisschool. • Het verbeteren van de (taal) leerprestaties, in basis, speciaal en voortgezet onderwijs. • Het verbeteren van de sociaal emotionele ontwikkeling van de doelgroepleerlingen op school door • Het versterken van zorgstructuren rondom doelgroepleerlingen. • Het monitoren van resultaten van beleid. Met het oog op de VVE wordt van basisscholen verwacht dat zij, door middel van het leerlingvolgsysteem, de voortgang in vorderingen van hun leerlingen in beeld brengen. Aan de hand van het leerlingvolgsysteem kunnen achterstandsleerlingen bepaald worden en kan er een individuele aanpak worden opgesteld. Rapportage over de resultaten die met de bestrijding van onderwijsachterstanden bereikt worden, maakt de effectiviteit overzichtelijk. Dit wordt vervolgens door de inspectie bekeken en vergeleken met soortgelijke scholen. Een ander doel van de GOA voor basisscholen uit Gennep is dat zij op een betrokken manier werken aan de sociale competentie van de leerlingen en aan het hanteren van conflicten op een constructieve, geweldloze manier. Naast het werken aan kennis en vaardigheden over deze onderwerpen, wordt er ook gewerkt aan attituden, normen en waarden. Positieve bekrachtiging heeft hierin een centrale rol. Scholen worden in het vormgeven en invoeren van een planmatige aanpak ondersteund door een externe begeleider van een begeleidingsdienst. Het taakgebied sociaal emotionele ontwikkeling sluit aan bij het creëren van een veilig schoolklimaat, een opdracht die vooral bij de scholen zelf ligt. Vermeld kan worden dat vanuit de vorige GOA periode stevig is geïnvesteerd in sociale weerbaarheidtrainingen van de GGZ (projecten zoals Marietje Kessels en Rots en Water). In het laatste GOA schooljaar 2005-2006 is het accent verlegd naar training van eigen leerkrachten binnen de basisscholen van de gemeente Gennep. De scholen juichen deze aanpak toe. 10
  11. 11. Voor-, tussen- en naschoolse opvang Per 1 januari 2007 hebben scholen een inspanningsverplichting om voor-, tussen- en naschoolse opvang aan te bieden. Niet op alle scholen is echter behoefte aan voorschoolse opvang. Wanneer ouders hier wel gebruik van willen maken, wordt dit bij de scholen van SKOMEN momenteel geregeld door dezelfde aanbieder, die op de betreffende school de naschoolse opvang verzorgt. De tussentijdse opvang wordt door de scholen uitbesteed aan KION/NOKKI1 of SSK en vindt nu op alle reguliere basisscholen plaats in lokalen en aula’s. Het is echter moeilijk om voor dit soort opvang goed personeel te vinden, aangezien de tussentijdse opvang niet onder de Wet Kinderopvang valt. Grootse knelpunt zit hem echter in de naschoolse opvang. Aangezien steeds meer kinderen hiervan gebruik maken, dienen de huidige locaties uit te breiden. Het vinden van geschikte ruimte en goed opgeleide krachten is niet altijd makkelijk. Speciaal onderwijs De Piramide is een school voor speciaal basisonderwijs (SBO) en valt onder het bestuur van de Stichting Katholiek Onderwijs Maas en Niers te Gennep. In het samenwerkingsverband Bergen, Gennep, Mook werken 17 basisscholen en één school voor speciaal basisonderwijs aan de doelstelling om zo veel mogelijk leerlingen binnen de eigen school op te vangen en te begeleiden. De Piramide wordt bezocht door ongeveer 120 leerlingen. Voor het merendeel komen deze kinderen uit Bergen, Gennep en Mook. Vanuit Gennep zijn dit 66 leerlingen. Subsidie zwemonderwijs De gemeente Gennep subsidieert momenteel het schoolzwemmen. Dit heeft een groot effect, omdat ongeveer 40% van de schoolkinderen bij aanvang van de schoolzwemles geen zwemdiploma heeft. (onderzoek 2005). Het gaat om totaal ca. 350-380 kinderen die schoolzwemmen (jaren 2005-2006). Na afloop heeft 99% een zwemdiploma A. 2.3. Voortgezet onderwijs Inleiding De gemeente Gennep heeft één school voor voortgezet onderwijs, namelijk het Elzendaal college. Dit is een school voor vmbo, havo en vwo. Momenteel gaan 335 leerlingen naar het Elzendaal college, locatie Gennep (in totaal 610 leerlingen). Daarnaast gaan 275 leerlingen naar de andere locatie (Boxmeer) van het Elzendaal college (1406 leerlingen in totaal). De overige leerlingen bezoeken scholen buiten Gennep. Zo gaan 139 leerlingen naar Scholengemeenschap Stevensbeek, locatie Boxmeer (Jenaplanschool), 110 leerlingen naar het Merletcollege te Cuijk en 112 leerlingen gaan in Nijmegen naar een school voor voortgezet onderwijs (hiervan gaan er 11 naar Praktijkonderwijs). Het Elzendaal college (voorheen het Hezeland) houdt zich actief bezig met actiepunten beschreven in het GOA. Zo heeft zij de afgelopen jaren (2002 – 2006) een aantal activiteiten uitgevoerd om het voortijdig schoolverlaten te verminderen, de doorstroom van allochtone leerlingen naar havo en vwo te verhogen en een taalbeleid uit te voeren voor doelgroep leerlingen. De activiteiten betreffen: • het inrichten van kernteams binnen het vmbo • het inrichten en uitvoeren van leerwerktrajecten • het integreren van het Nederlands in alle schoolvakken( taalgerichte vakonderwijs) • preventieve aanpak in samenwerking met de GGZ, t.b.v. het voorkomen van voortijdig schooluitval middels SOVA trainingen en het project Rots en Water (weerbaarheidstrainingen) 11
  12. 12. • het toepassen van een integraal taalbeleid, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de combinatie van het onderwijs in het vak Nederlands en het gebruik en aandacht voor de Nederlandse taal in de overige vakken. Sinds 1 januari 2007 is de Cumi-vo regeling vervallen en daarvoor in de plaats is de Regeling Leerplusarrangement VO en Nieuwkomers VO gekomen. De invoering van de regeling heeft gevolgen voor de verdeling van het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid en daarmee voor de toekenning en hoogte van extra middelen voor scholen die hiervoor in aanmerking komen. Hierdoor kan het voortgezet onderwijs in de gemeente Gennep haar doelstellingen met betrekking tot onderwijsachterstanden heel beperkt realiseren. Genoemde regeling zorgt er namelijk voor dat de middelen voornamelijk naar scholen gaan waar de problemen cumuleren. Dat heeft tot gevolg gehad dat het merendeel van de middelen naar de grote steden gaan. Het voortgezet onderwijs in Gennep is daardoor meer afhankelijk geworden van faciliteiten die door de gemeente worden aangeboden (Beleidskader gemeentelijke onderwijsachterstanden 2006-2010). Schoolverzuim Wanneer een leerling zonder toestemming en zonder goede reden wegblijft van school worden er maatregelen genomen. De ouders/verzorgers zijn in principe verantwoordelijk voor het verzuim van hun kind. Een leerling is echter vanaf zijn twaalfde jaar mede verantwoordelijk voor geregeld schoolbezoek. In sommige gevallen kan ook deze leerling aansprakelijk worden gesteld voor zijn verzuim. Als een kind vaak spijbelt, wordt de leerplichtambtenaar van de gemeente ingelicht. De taak van de leerplichtambtenaar is op een preventieve en curatieve manier het schoolverzuim te verminderen. In de gemeente Gennep neemt de leerplichtambtenaar, in geval van ernstig verzuim, contact op met school en ouders. Eventueel kan de leerplichtambtenaar besluiten om de politie in te schakelen. Daarnaast houdt de leerplichtambtenaar zich bezig met preventieve activiteiten als voorlichting aan scholen geven over hoe zij moeten handelen bij veelvoorkomend schoolverzuim en wat voor mogelijkheden zij hierin hebben. Ook neemt de leerplichtambtenaar deel aan het Zorg Adviesteam (ZAT) en neemt zij deel aan preventieve gesprekken. Verder heeft zij zich geïntroduceerd in het overleg van SKOMEN en de bestuursraad van het voortgezet onderwijs. De leerplichtambtenaar zou echter nog meer aandacht aan preventie willen besteden. Om hierin meer te kunnen betekenen, wordt er samen gewerkt met de leerplichtambtenaren van Bergen en Mook. Zo verdelen zij de taken om zo tot betere resultaten te komen. De leerplichtambtenaar geeft aan dat de regionale setting waarbij veel verschillende locaties in beeld gehouden moeten worden maakt dat de aandacht op veel plaatsen tegelijk moet zijn. In dit licht bezien staat men in Gennep positief tegenover regionalisering van de leerplicht. Dit gebeurt in het Land van Cuijk waar een regionaal leerplichtbureau georganiseerd wordt. In de regio Noordelijk Noord Limburg (OOGO-jeugd) is men een onderzoek aan het doen waarbij de inzet is om meer samen te werken in het cluster Maasduinen. In het schooljaar 2006-2007 waren er 2639 leerplichtigen. Gedurende dit schooljaar heeft de leerplichtambtenaar zich bezig gehouden met 49 casussen. Hieronder waren 17 lichte gevallen, 14 middelzwaar en 18 zware gevallen. De gegevens hiervan zijn naar het Cfi verstuurd. Hierbij zijn 30 leerlingen genoteerd. De andere casussen pasten niet binnen de verplichte meldingen. Voortijdig schoolverlaten De gemeente speelt ook een belangrijke rol in de vermindering van het aantal jongeren die voortijdig van school afgaan. Jaarlijks probeert zij hier in samenwerking met lokale partners wat tegen te doen. Bij de uitwerking hiervan wordt aan de volgende aspecten aandacht besteed: • stroomlijning van de aansluiting tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs; • informatie-uitwisseling over leerlingen; • uitlijning van activiteiten met die in het kader van de regionale meld- en 12
  13. 13. coördinatiefunctie; • samenhang met regionale ontwikkelingen in het kader van vernieuwd vo beleid; • in het kader van preventieve aanpak van vroegtijdig schoolverlaten is het “netwerk Jeugd” gerealiseerd. Speciaal onderwijs SO-VSO Mikado is een school voor Speciaal Onderwijs en Voortgezet Speciaal Onderwijs voor zeer moeilijk lerenden en leerlingen met een meervoudige handicap in de leeftijd van 4 tot en met 20 jaar. SO-VSO Mikado is een streekschool. De doelgroep bestaat onder meer uit het thuiswonende kind vanuit de regio. De meeste kinderen komen uit Boxmeer, Gennep en Cuijk. Daarnaast komen er nog een aantal kinderen uit Bergen, Grave, Groesbeek, Mook en Middelaar, Sint Anthonis en Nijmegen. Ook laat de school kinderen en jong volwassenen toe vanuit Dichterbij, respectievelijk De Trimaran/Kleur. In oktober 2000 is een nieuw gebouw betrokken. Op dit moment telt de school ongeveer 150 leerlingen, verdeeld over 15 lesgroepen: 7 groepen SO, 6 groepen VSO en twee groepen waarin meervoudig complex gehandicapte kinderen zijn geplaatst. Daarnaast kent de school een ondersteuningsgroepje, bedoeld voor individuele begeleiding van leerlingen met specifieke hulpvragen.De school geeft aan dat, sinds de normalisatie-trend, de vrijetijdsvoorzieningen voor de kinderen zijn komen te vervallen. Voor de kinderen is geen alternatief gekomen, wat een groot probleem is geworden voor de kinderen en de ouders. Momenteel is er een nieuw project in ontwikkeling ‘Special heroes’, waarin doelgroepleerlingen gedurende een bepaalde periode aan allerlei sporten, bij bestaande vereniging, kunnen proeven. Mikado zal waarschijnlijk aan dit project deelnemen. Mikado is bezig met het realiseren van een nieuw gebouw. De voorbereidingen zijn nog in volle gang, waarbij Mikado nauw samenwerkt met de gemeente. De directeur geeft aan dat de klaslokalen in het nieuwe gebouw wellicht iets zou kunnen betekenen voor jeugdzorg, naschoolse opvang o.i.d. Een andere mogelijkheid is twee lokalen in het nieuwe gebouw te laten verhuren aan het orthopedagogisch dagcentrum uit Oeffelt. Voor de kinderen kan hierdoor de overstap van het kinderdagverblijf naar school wat gemakkelijker worden gemaakt. Dit kan ook in het kader van de ‘brede school gedachte worden gezien. Op dit moment is Mikado hier nog niet mee bezig. Mikado geeft aan meer aansluiting te willen hebben bij het regulier onderwijs. Probleem is echter dat het reguliere onderwijs hier nog niet aan toe is. Dit zal in 2011 wel van de grond moeten zijn gekomen, in het kader van het passend onderwijs. Uitgangspunt van het passend onderwijs is namelijk om alle leerlingen, hetzij met extra ondersteuning, in het reguliere onderwijs te laten blijven. Voor leerlingen waarvoor dit niet geschikt is, is er het (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen kunnen in de toekomst bijvoorbeeld ook tijdelijk speciaal onderwijs volgen en daarna terugkeren naar het reguliere onderwijs. 2.4. Zorgstructuren, hulpverlening en coördinatie van zorg Preventieaanbod onderwijs Op de basisscholen en op het voortgezet onderwijs worden er verschillende preventieve activiteiten georganiseerd, waarin de GGZ een grote rol speelt. Zo worden er voorlichtingslessen gegeven en om de politie en het jongerenwerk preventief over de vloer. Ook worden er projecten uitgevoerd, zoals het project ‘Criminaliteit’, worden er protocollen opgesteld, zoals een genotmiddelenprotocol en een internetprotocol en worden er themabijeenkomsten georganiseerd. Dit wordt uitgevoerd door CHECK Preventie Op Maat. CHECK is een initiatief van GGD – Noord en Midden Limburg, GGZ-groep afdeling preventie, Synthese, Bureau HALT, Politie Limburg Noord en de gemeenten Bergen, Venray, Horst aan de Maas, Gennep, Meerlo-Wanssum en Sevenum. Samen hebben zij als doel om met de nieuwe 13
  14. 14. samenwerkingsmethode ‘Schoolslagwerkwijze’ tot een structurele aanpak te komen om op het gebied van primaire preventie te streven naar afstemming en coördinatie van (bestaand) aanbod en verbetering van effectiviteit en efficiëntie in preventieaanbod. Een nieuwe ontwikkeling is de regionale aanpak van alcoholgebruik onder jongeren opgezet door het OOGO. Het project heeft aandacht voor preventie en repressie van alcoholgebruik, waarbij verschillende partijen betrokken zijn (professionele organisaties, commerciële organisaties, verenigingen, scholen, ouders). Elke partij is vanuit zijn eigen functie of professie verantwoordelijk voor participatie in het project. De planning is om in november 2008 de regionale actieplannen in bestuurlijk OOGO en Driehoek vast te stellen. Bovendien kan het van belang zijn een schoolmaatschappelijk werker aan te stellen (via Synthese) voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Problemen van leerlingen op school hangen namelijk vaak samen met de thuissituatie en de leefomgeving van de leerlingen. De leerkracht is vaak niet geschoold om de leerling hiermee te helpen. Het schoolmaatschappelijk werk kan hierin uitkomst bieden. Een schoolmaatschappelijk werker probeert problemen van leerlingen vroegtijdig te onderkennen en deze binnen de schoolsituatie op te lossen. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, zal hij/zij gericht verwijzen. Leerlingenvervoer In de gemeente Gennep is het leerlingenvervoer bepaald via een aparte verordening. Vooral de kinderen die in de zorginstelling Dichterbij verblijven en elders naar school gaan en de kinderen die naar het SO-VSO Mikado en SO De Piramide gaan, maken hier gebruik van. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering en de kosten van het leerlingenvervoer. Bureau Jeugdzorg De gemeente Gennep valt onder Bureau Jeugdzorg (BJZ) Limburg. BJZ Limburg heeft negen vestigingen, het Centraal Bureau bevindt zich in Roermond en Gennep behoort tot de vestiging in Venray. Medewerkers van BJZ gaan in Gennep op huisbezoek en werken ook op locatie, wanneer de situatie dat mogelijk maakt. Dan wordt er bijvoorbeeld op school een afspraak gemaakt. Het doel van Bureau Jeugdzorg is indicaties te stellen voor bepaalde hulpvragers en hen vervolgens door te verwijzen. Bij de vorming van een Centrum voor Jeugd en Gezin functioneert BJZ als backoffice. In de frontoffice zien zij eerder partijen als het consultatiebureau, de GGD en Synthese. Wel kan BJZ een consultatie- en/of casemanagementfunctie vervullen richting het CJG. Medewerkers van BJZ geven aan lichte pedagogische vraagstukken soms ook zelf op te lossen, in plaats van de mensen door te verwijzen. In Gennep ziet men vooral de volgende risicofactoren: gescheiden ouders, verwaarlozing, drugsproblematiek en schoolverzuim. Ook het ontbreken van grenzen en structuur in sommige gezinnen kan tot problemen leiden. 14
  15. 15. Uit het jaarverslag van 2007 komen de volgende gegevens. Tussen haakjes staan de gegevens van 2006. Gemeente Aantal Aanmeldingen Aanmeldin Terug- Ambulante OTS Indicaties ndicaties jeugdigen gen verwijzingen hulp door per1000 <20 jaar per 1000 Voorliggend veld BJZ jeugdigen jeugdigen Gennep 3870 55 14,2 0 20 (36,4%) 9 33 8,5 (3866) (34) (8,8) (33) (8,5) Om zicht te krijgen op de armoedeproblematiek in de gemeente zijn de volgende gegevens opgevraagd: Het aantal gezinnen (gehuwden, al dan niet met kinderen) die een uitkering van de gemeente ontvangen bedraagt 55 gezinnen. Daarnaast zijn er nog 36 personen die een uitkering ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder (1 volwassene + een of meerdere kinderen). Dichterbij Dichterbij is een organisatie in het stroomgebied van de Maas, dat hulp- en dienstverlening biedt aanmensen met een verstandelijke beperking en hun directe omgeving. Dichterbij heeft zich ook in Gennep gevestigd. Vanuit het instellingsverleden in Gennep en Ottersum, zijn er in de loop der jaren relatief veel mensen met een verstandelijke beperking uitgestroomd naar een woning in Gennep of één van de kerkdorpen Heijen, Ottersum en Milsbeek. Door deze historie wonen, werken en leven er in de gemeente Gennep t.o.v. het landelijke gemiddelde ongeveer 10 keer meer mensen met een verstandelijke beperking. In de regio Gennep e.o. wordt er voor deze groep mensen veel ondersteuning op de gebieden van wonen, vrije tijd, (begeleid) werken en dagbesteding geboden. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed voor de ontmoetingen tussen mensen met en zonder beperking. Zo is er samen met de gemeente Gennep een project ‘Gewoon Samen’ opgestart om er voor te zorgen dat mensen met en zonder beperking in Gennep op een natuurlijke wijze met en naast elkaar kunnen leven. Ook zijn er projecten, zoals het ‘Horizonproject’, waarbij scholieren van het Elzendaalcollege, de Mikadoschool en cliënten van Dichterbij elkaar ontmoeten en samen diverse activiteiten uitvoeren. Op het gebied van vrije tijd heeft Dichterbij, samen met Biblioplus, MEE Noord en Midden Limburg en Synthese, initiatief genomen in het oprichten van een Vrijetijdssteunpunt. Het Vrijetijdssteunpunt werkt nu in opdracht van de gemeente en krijgt subsidie vanuit de provincie Limburg. Het steunpunt is bedoeld voor alle inwoners van Gennep en werkt vanuit de gedachte dat ieder persoon uniek is en ieder persoon met een andere gedachte zijn vrije tijd wil invullen. Voor de inwoners met een verstandelijke beperking wordt geprobeerd in de bestaande reguliere voorzieningen een nieuw aanbod te creëren. Bijvoorbeeld in de bestaande judoclub een nieuwe groep op te starten, of mensen met een verstandelijke beperking in een bestaande groep te mengen. Dit brengt echter de nodige knelpunten teweeg, aangezien veel mensen bang zijn dat er veel van hun gevraagd wordt wanneer mensen met een verstandelijke beperking in de vereniging geïntegreerd worden. Dichterbij is er echter juist om de nodige ondersteuning te bieden, zodat er aan beide kanten succes wordt geboekt. De doelgroep jeugd is onder het Vrijetijdssteunpunt nog geen aandachtspunt. Het Steunpunt richt zich op alle inwoners van Gennep. 15
  16. 16. KLEUR kinder en jeugdzorg KLEUR is onderdeel van Dichterbij (Voorheen Trimaran) . Kleur Kinder- en Jeugdzorg ondersteunt kinderen en jeugdigen met een ontwikkelingsbeperking, hun ouders en anderen die nauw bij het kind zijn betrokken. In haar dienstverlening en ondersteuning richt Kleur zich onder meer op: • Jonge kinderen met een vermoeden van een ontwikkelingsachterstand. • Kinderen met een lichte verstandelijke beperking tot ernstig meervoudige beperking. • Kinderen met naast hun verstandelijke beperking ook een psychiatrische stoornis. • Kinderen en jeugdigen met alleen een lichamelijke beperking of een vorm van autisme. • Maatschappelijke organisaties die behoefte hebben aan onze ondersteuning en expertise. Hierbij valt te denken aan kinderopvanginstellingen, peuterspeelzalen, (sport)verenigingen en onderwijsinstellingen. Kleur is opgesplitst in vier regio's. In iedere regio bieden ze alle mogelijke vormen van dienstverlening aan: • Onderzoek en behandeling, zoals bijvoorbeeld fysio- en ergotherapie en logopedie. • Ondersteuning bij de dagelijkse zorg en opvoeding in de thuissituatie en in de sociale omgeving, zoals het kinderdagverblijf, de peuterspeelzaal en de school. • Specialistische ontwikkelingsstimulering en dagbesteding in onze orthopedagogische • kinderdienstencentra en brede scholen. • Dagopvang en logeermogelijkheden zoals: • naschoolse opvang; • logeren en dagopvang in weekenden, op doordeweekse dagen en in vakantieperiodes. • Wonen in een huis met andere kinderen en jongeren of wonen in een pleeggezin. • Deskundigheidsbevordering en services. Overleg tussen samenwerkingspartners Zorgoverleg 0-4 jaar Voor de leeftijdscategorie 0-4 jaar is er een zorgoverleg, waaraan deelnemen: de kinderopvang, peuterspeelzalen, maatschappelijk werk en het consultatiebureau. Het overleg is op eigen initiatief van deze organisaties opgestart en wordt ook bekostigd uit eigen middelen. Het consultatiebureau heeft in dit overleg de voorzittersrol. In het overleg wordt met name ingegaan op casuïstiek, die door het consultatiebureau wordt aangeleverd. De zorgkinderen worden besproken en de aanpak wordt op elkaar afgestemd. Het zorgoverleg in Gennep loopt al enige jaren en functioneert naar tevredenheid. JGZ geeft aan, dat het het beste werkt wanneer zij zelf de casussen inbrengt. Wanneer andere instanties dat doen, zijn zij namelijk vaak niet goed op de hoogte van de ontwikkelingen of gezinssituatie. Stuurgroep Gemeentelijk onderwijsachterstanden (GOA) Aan dit overleg nemen deel de peuterspeelzalen, consultatiebureau, Voortgezet onderwijs, scholen primair onderwijs, onderwijsbegeleidingsdienst, gemeente en de bibliotheek. De onderwijsbegeleidingsdienst (BCO) zit deze stuurgroep voor en maakt samen met de gemeente de agenda voor de vergaderingen op. Voor 2006 kwamen in dit overleg allerlei onderwerpen aan bod. Het was een centraal overleg waarin alles wat betreft kinderen en jeugdigen besproken kon worden. Na 2006 is het accent van dit overleg echter verlegd (en versmald) naar VVE. 16
  17. 17. Zorg Advies Teams Een zorgadviesteam (ZAT) is een periodiek, multidisciplinair afstemmingsoverleg voor leerlingenzorg. Naast vertegenwoordigers van school nemen hieraan ook medewerkers van externe voorzieningen deel (zoals GGD, schoolmaatschappelijk werk, GGZ, Bureau Jeugdzorg, politie, leerplichtambtenaar).Functies van een zorgadviesteam zijn preventie, consultatie, doorverwijzing, interventie-insamenwerking, en evaluatie en nazorg. Het uiteindelijke doel van een zorgadviesteam is te zorgen voor een vangnet om problemen bij leerlingen tijdig te signaleren en passende hulp te bieden. Voor de jongeren vanaf 12 jaar bestaat in Gennep reeds een zorgadviesteam (ZAT 12+), namelijk op het Elzendaal College. In dit ZAT worden gemiddeld 25 leerlingen besproken. Zij zijn gesignaleerd door gedragsproblemen die zij op school vertoonden. Regelmatig gaat het om ernstige problemen, zoals seksueel misbruik, huiselijk geweld, echtscheiding, of GGZ-problematiek. Ook contacten met reclassering komen voor. In het ZAT heeft de school de regie. De school is erg content met het functioneren van het ZAT, omdat het de lijnen verkort en de werkwijze voor alle betrokkenen transparant maakt. Voor de kinderen van 4 tot en met 12 jaar is een planvorming gestart en is een ZAT 12- in voorbereiding. De onderwijsbegeleidingsdienst BCO begeleidt dit traject. SKOMEN heeft een voorkeur uitgesproken om het ZAT vorm te geven op het niveau van het samenwerkingsverband WSNS. Aanvankelijk was dit veel smaller ingestoken. ZAT 12- zou volgens SKOMEN moeten functioneren als een coördinerend orgaan, dat korte lijnen tussen school en externe partners in de regio (Bergen, Gennepen Mook&Middelaar) bevordert. De bedoeling is om deze overlegvorm op termijn uit te breiden voor de kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. Het zorgoverleg 0-4 jaar zou hiermee komen te vervallen. Er wordt daarmee gestreefd naar een integrale zorgstructuur voor de 0-12 jarigen als basis voor een ononderbroken ketenbenadering en doorgaande zorglijnen. Daarbij is het ook van belang dat de doorlopende zorglijn van het ZAT 12- naar het ZAT 12+ goed opgezet wordt, waarin de coördinatoren een belangrijke rol kunnen spelen. BCO onderwijsadvies geeft verder aan dat het belangrijk is om niet alle kinderen in het ZAT te bespreken. Wanneer een instelling een kind niet met de reguliere zorg kan behandelen, dan pas is het van belang dat andere instellingen zich hierover buigen. Hierbij wordt verwezen naar het model van de 5 niveaus van zorg (zie bijlage). Daarnaast wordt aangedragen dat deelname van bepaalde organisaties aan het ZAT onder druk komt te staan. Er wordt aangegeven dat de gemeente rekening moet houden met het feit dat de organisaties al in meerdere overlegvormen aanwezig moeten zijn en daarnaast ook hun ‘gewone’ werk moeten doen. De gemeente zal er dus voor moeten zorgen dat deze overlegvorm gefaciliteerd wordt. Diverse betrokkenen spreken hun vragen en/of zorgen uit over de wijze waarop de ZAT”s straks een plek krijgen in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Netwerkoverleg Jeugd In het kader van het huidige jeugdbeleid is het “Netwerkoverleg Jeugd” gerealiseerd. Aan dit netwerk nemen deel: politie, maatschappelijk werk, jeugd- jongerenwerk, basisscholen, Voortgezet onderwijs, Bureau Jeugdzorg, Halt, peuterspeelzalen, kinderopvang en leerplicht. Voorzitter is de beleidsambtenaar Jeugd van de gemeente. In dit overleg worden zowel casussen besproken als beleidsmatige thema’s, zoals de realisatie van de jongerenaccommodatie, jongerenparticipatie en de dorpontwikkelings-plannen. De functie van het netwerk wordt door betrokkenen vooral ervaren in de korte lijnen tussen contactpersonen van verschillende organisaties, het kanaliseren van onmacht, het vroegtijdig signaleren van problemen. Men ervaart de sfeer als open en betrokken. Wel is het belangrijk ieders belang voorogen te houden. 17
  18. 18. Samen starten In Midden-Limburg is de JGZ 0-19 eind 2007 gestart met het programma ‘Samen starten’. Met een verdere uitrol naar de JGZ 0-4 en 4-19 in Noord-Limburg wordt bereikt dat het programma ‘Samen starten’ in de hele JGZ Noord- en Midden-Limburg is ingevoerd. Het programma is een vroegsignaleringsinstrument waarmee bedreigende factoren in de brede opvoedingswerkelijkheid van gezinnen systematisch gevolgd kunnen worden. Het doel is dan ook het voorkómen van psychische problemen, antisociaal gedrag en criminaliteit bij kinderen, ook op de puberleeftijd. Het programma bestaat uit twee trajecten, de eerste richt zich op de voegsignalering en de tweede op de ketensamenwerking. OOGO jeugd regio Noordelijk Noord Limburg De provincie heeft met de gemeenten in verschillende OOGO's jeugd een dekkend netwerk georganiseerd. Gennep maakt deel uit van het OOGO Noordelijk Noord-Limburg met Venray als centrumgemeente.. Het OOGO Noordelijk Noord Limburg heeft een regionaal beleidsplan 2008-2012 opgesteld, waarin de samenwerkende gemeenten (Bergen, Gennep, Venray, Horst aan de Maas, Meerlo- Wanssum enSevenum) in samenwerking met de Povincie Limburg hun prioriteiten en speerpunten hebben vastgelegd. Doel is het vormgeven van een integraal versterkt jeugd(zorg)beleid. De basis van het OOGO is de Wet op de Jeugdzorg. Er is tweemaal per jaar een bestuurlijk OOGO-jeugd overleg. Ambtelijk wordt circa zes maal per jaar overleg gevoerd. Eenmaal per jaar is er overleg tussen het bestuurlijk OOGO, de burgemeesters en diverse betrokken ambtenaren inzake afstemming tussen de domeinen Veiligheid en Jeugd. OOGO – Onderwijs Conform de Wet op de onderwijsachterstanden zijn gemeenten en onderwijs verplicht over bepaalde thema's gezamenlijk overleg te voeren. Het overleg is er op gericht om afspraken te maken over het bevorderen van integratie en voorkomen van segregratie, waarbij ook inschrijvings- en toelatingsprocedures van achterstandsleerlingen worden besproken. Daarnaast worden in het overleg afspraken gemaakt over het bestrijden van onderwijsachterstanden, waaronder de doorlopende leerlijn van de voorschoolse educatie naar de vroegschoolse educatie. Het overleg heeft betrekking op zowel het primair als voortgezet onderwijs en is gericht op het maken van afspraken over deze onderwerpen. Dossiervorming en coördinatie van de zorg Elektronisch Kinddossier Vanaf 1 januari 2009 krijgt ieder kind dat in Nederland wordt geboren een elektronisch kinddossier jeugdgezondheidszorg (EKD JGZ). Dit dossier bevat informatie over het kind, de gezinssituatie en de omgeving volgens het motto: geen kind buiten beeld. Consultatiebureau-artsen en verpleegkundigen van de jeugdgezondheidszorg houden het EKD JGZ bij. Zij gebruiken het EKD JGZ bij elk contactmoment voor registratie en informatie. Verschillende instanties voegen signalen aan het dossier toe zonder dat ze het kunnen inzien. Op die manier is de privacy van het kind geborgd en kan de jeugdgezondheidszorg zonodig snel hulpverlening inzetten. Het EKD vervangt op geleidelijke basis de papieren dossiers en de bestaande lokale EKD-systemen. Vanaf 1 januari 2009 krijgen alle kinderen van 0 tot 19 jaar een EKD op het moment dat zij in contact komen met de jeugdgezondheidszorg. Een ander doel van het EKD is het inzicht geven in de gezondheidssituatie en de gezondheidsrisico's van groepen kinderen. De individuele kinddossiers leveren samen een schat aan informatie over de normaalwaarden van gezonde kinderen. Zo ontstaat een meer accuraat beeld van wat wel en wat niet gezond is. Deze kennis draagt bij aan een kwalitatief betere jeugdgezondheidszorg. De GGD Noord- en Midden Limburg hebben reeds voorbereidingen 18
  19. 19. getroffen voor het Elektronisch Kinddossier (EKD). De bedoeling is om van alle zuigelingen en een groot deel van de peuters een EKD aan te leggen. Binnen het EKD dienen de registratie van risicofactoren en zorg een integraal onderdeel te vormen. Landelijke Verwijsindex Naast het EKD wordt landelijk toegewerkt naar een Verwijsindex risicojongeren. Informatie uitwisseling in de jeugdketen vormt een probleem. Organisaties werken soms langs elkaar heen en delen informatie over jongeren onvoldoende. Soms omdat de organisaties uit verschillende disciplines komen, soms omdat jongeren naar een andere gemeente verhuizen. De Verwijsindex Risicojongeren brengt risicomeldingen van hulpverleners, zowel binnen gemeenten als over gemeentegrenzen heen, bij elkaar en informeert hulpverleners onderling over hun betrokkenheid bij jongeren. De landelijke verwijsindex gebruikt zo weinig mogelijk persoonsgegevens. Een melding bevat geen inhoudelijke gegevens. De jongere en/of zijn ouders krijgen te horen dat er een melding in de verwijsindex is. Een aantal maatregelen garandeert een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. Regionale Verwijsindex Gemeenten hebben de taak om afspraken te maken over wie in hun gemeente meedoen aan de verwijsindex. Het is de bedoeling dat instanties in de domeinen: onderwijs; zorg- (school)maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg; werk en inkomen; politie en justitie er aan meedoen. Aansluitend aan de Landelijke Verwijsindex zal in 2009 een regionaal systeem geïmplementeerd worden via het OOGO-jeugd. Dit systeem zal feitelijk gebruikt worden en een automatische link hebben met het nationale systeem. Privacy In het kader van deze ontwikkelingen is in de diverse gesprekken gevraagd naar de wijze waarop wordt omgesprongen met registratie, dossiervorming en privacy, daar waar casussen worden besproken. Niet elke deelnemer aan het netwerkoverleg is hier tevreden over. De één springt voorzichtiger om met privacygevoelige informatie dan de ander. Formeel is hierover niets vastgelegd. Wellicht zal dit knelpunt verholpen worden met de komst van de verwijsindex. In de toekomst zal de landelijke Helpdesk Privacy Jeugd en Gezin geraadpleegd worden. Zij geeft advies en informatie over privacy en gegevensuitwisseling aan instanties en (beroeps)krachten die actief zijn op het terrein van jeugd in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar. Coördinatie van zorg Ook de coördinatie van de zorg is niet voor iedereen in Gennep duidelijk. Coördinatie van zorg gaat uit van afstemming en samenwerking tussen instellingen: een open houding ten opzichte van elkaar, gericht op de vraag van de cliënt, afspraken nakomen. Maar ook samenwerken op signaleren, toeleiden, registratie en verwijzing. Vanuit de Wet op de Jeugdzorg is de wettelijke verantwoordelijkheid voor deze coördinatie van de zorg neergelegd bij gemeenten. De gemeente is verantwoordelijk voor de regie en afstemming. Met andere partners moet afgesproken worden welke verantwoordelijkheid en rol genomen wordt in de diverse overlegstructuren. De afstemming tussen diverse organisaties kan niet via een statisch afsprakenkader gerealiseerd worden. Afstemming in samenhang vraagt om een dynamische overlegstructuur waarbij de gemeente op hoofdlijnen kaders kan geven, maar alle partners in onderling overleg nadere afspraken moeten maken met elkaar. 19
  20. 20. 2.5. Welzijn en vrije tijd Sport en bewegen Sport en bewegen wordt in Gennep ingezet om de sociale cohesie te versterken. Het bevordert namelijk de onderlinge samenhang binnen de gemeenschap en het voorkomt sociaal isolement. De gemeente geeft aan vooral aan jeugdige sporters een hoge prioriteit te geven, om zo een basis te vormen voor een gezonde en sportieve samenleving. Dit resulteert zich dan ook in het feit dat 84% van de jongeren in Gennep lid is van een sportvereniging. De jongeren geven echter zelf aan dat het gemis aan informatie meespeelt bij het niet (vaker) sporten. De gemeente is samen met onderwijs en de sportaanbieders wel actief voor een groot aanbod van sport. Het onderwijs kan namelijk een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het sport- en beweegbeleid, onder andere door zelf een goede kwaliteit van bewegingsonderwijs aan te bieden. Stichting Kunstcentrum De Meander De Meander is de regionale organisatie voor kunst- en cultuureducatie en amateurkunst in het Land van Cuijk en de kop van Noord Limburg. De Meander is gevestigd in Pica Mare, het multifunctionele centrum in Gennep. De Meander verzorgt lessen in muziek, dans, theater/musical en beeldende kunst voor kinderen, jongeren en volwassenen. Onderstaande tabel geeft het aantal verwachte deelnemers in 2007-2008 weer. Tabel 4. Aantal deelnemers cursussen muziek, dans, theater, beeldend Aantal deelnemers 0 – 12 jarigen 1836 12 – 18 jarigen 722 Totaal 2558 De Meander werkt ook samen met het primaire onderwijs en incidenteel met het voortgezet onderwijs. Samen met de scholen zorgt Meander ervoor dat circa 13000 leerlingen van basisscholen in de regio een cultureel jaarprogramma krijgen. Toch is het steeds moeilijker om voor nieuwe instroom van jongeren te zorgen. Dit komt onder andere door meer concurrentie met andere vormen van cultuur en vrijetijdsbestedingen (sport) en door de vergrijzing van de bevolking. De Meander heeft hiervoor nieuwe speerpunten ontwikkeld. Zo zal zij een structurele levering van cultuureducatie aan het basisonderwijs, inclusief activiteiten naschools in de Brede School aan gaan bieden en zal zij zorgdragen voor samenhang tussen binnenschoolse (basisonderwijs) en buitenschoolse (vrije tijd) educatie. In de praktijk is deze ambitie nog onvoldoende van de grond gekomen. Biblioplus In oktober 2004 is de Stichting Biblioplus ontstaan uit een fusie tussen verschillende bibliotheekstichtingen. Allen hadden zij lange tijd bibliotheekdiensten uitgevoerd in opdracht van de betreffende gemeenten. Biblioplus is nu als zelfstandig werkgever in staat om, in overleg met de gemeenten als belangrijkste subsidiegever, een eigen koers te bepalen. Naast de bibliotheekvestigingen en servicepunten biedt Biblioplus ook leesbevordering-projecten (VVE) en informatieve en literaire lezingen aan. Voor jongeren in de leeftijd 0 tot 18 jaar biedt Biblioplus een gratis lidmaatschap aan. In 2009 zal Biblioplus een project starten dat speciaal gericht is op jeugdigen binnen de gemeente. 20
  21. 21. Speelruimte In de beleidsnota ‘Speelruimte Gennep 1999-2009, ten dele gebaseerd op een inventariserend onderzoek, geven jongeren als favoriete bezigheden aan; voetballen, skaten, hangen, uitgaan, computeren en mountainbiken. Ze missen echter een goed aanbod om deze activiteiten uit te kunnen voeren. Met name missen zij een skate-voorziening, verharde sportveldjes, ontmoetingsplekken (activiteitenruimte of (cultureel) jongerencentrum) en uitgaansmogelijkheden. Door verveling gaan jongeren rondhangen en ‘keten’, wat als gevolg sociale onveiligheid en intolerantie van bewoners heeft. Uiteindelijk komen uit de beleidsnota ‘Speelruimte Gennep 1999-2009’ de volgende knelpunten wat betreft ‘buiten spelen’ naar voren: • De veiligheid van speelterreinen • De financiële middelen voor het beheer die onvoldoende zijn afgestemd op het aantal speelvoorzieningen en speeltoestellen • Verdeling van voorzieningen verschillende leeftijdsgroepen (m.n. tieners en jongeren) • Kwaliteit van de speelterreinen • De beperkte bespeelbaarheid van de hele woonomgeving De afgelopen jaren heeft de gemeente Gennep een skatevoorziening en een jongerenaccommodatie gerealiseerd. Voor de kleinere kinderen wordt in Ottersum een voorstel uitgewerkt voor een sport- en speelstraat. De jongerenaccommodatie In 2007 is een jongerencentrum geopend. In de aanloop naar de realisatie hiervan was er een beoogde gebruikersgroep in beeld. Echter, toen de accommodatie gereed was, hadden deze jongeren inmiddels minder behoefte aan een eigen plek en wilden zij zich ook niet meer inzetten om activiteiten te organiseren. Dit leidde ertoe, dat het centrum weer werd gesloten, omdat er te weinig jongeren op af kwamen. Veel geïnterviewden geven aan dit een gemiste kans te vinden. Uit recente berichten blijkt, dat jongeren nog steeds behoefte hebben aan plekken. Maar het uitgangspunt van zelfbeheer door jongeren is te hoog gegrepen. Professionele begeleiding en beheer door bijvoorbeeld Synthese lijkt een belangrijke voorwaarde om de accommodatie tot zijn recht te laten komen. Hangjongeren In de gemeente Gennep zijn verschillende groepen hangjongeren te vinden. Deze jongeren zijn tussen de 12 en 19 jaar. Voorbeelden van plaatsen waar zij ‘hangen’ zijn de Zwaluwstraat in Gennep, het viaduct bij de Niers in Gennep, bij het nieuwe jongerencentrum in Gennep, het Norbertusplein in Gennep, de skatebaan bij de Lok, de Brink in Ottersum, bij Picardie in Gennep en de JOP in Heijen. De groepen hangjongeren worden volgens de jongerenwerker van Synthese steeds groter, want jongeren uit andere kernen voegen zich hieraan toe. Jongeren vragen dikwijls om een overdekte hangplek, maar in de praktijk zien gemeente dikwijls hetzelfde mechanisme als bij de jongerenaccommodatie. Tegen de tijd dat de JOP is gerealiseerd, hebben de jongeren al weer andere behoeften op een andere plek. Daarbij is het inzetten van een jongerenwerker en de politie die alert moet blijven rondom deze plek erg kostbaar. De gemeente oriënteert zich momenteel op andere oplossingen. Wellicht kan het geld voor te realiseren hangplekken beter geïnvesteerd worden in een upgrading van het jongerenwerk. Naast uitbreiding zou het jongerenwerk meer integraal moeten opereren, in plaats van volgens het onderscheid tussen ambulant en accommodatiegebonden jongerenwerk. Ook is het een mogelijkheid om per kern een overdekte ontmoetingsplek te realiseren (denk 21
  22. 22. bijvoorbeeld aan een overdekte picknicktafel), die voor meerdere doelgroepen gebruikt kan worden. Zo kunnen er overdag moeders met kinderen er gebruik van maken en ’s avonds de jongeren. Tenslotte is het idee geopperd om een klein budget te reserveren om pragmatisch op actualiteiten in te spelen. 2.6. Openbare orde en veiligheid In 2006 is er in de regio Limburg Noord een criminaliteitsbeeldanalyse gehouden onder de jeugdigen in Gennep. Hieruit blijkt dat de jeugd in de leeftijd van 0 t/m 17 jarigen een relatief groot deel van het totaal aantal incidenten plegen in de gemeente Gennep (2336 incidenten). Ze plegen hierbij het vaakst vermogensdelicten, gevolgd door openbare orde incidenten en geweldsincidenten. De top 5 incidenten van 0 t/m 17 jarigen zijn als volgt: 1. Diefstal van brom-, snor- fietsen 2. Overlast 3. Vernieling cq. Zaakbeschadiging 4. Winkeldiefstal 5. Mishandeling Uit onderstaande tabel blijkt dat ten opzichte van 2005 op alle typen incidenten een daling is waar te nemen. Incidenten 0 t/m 17 jarigen Jongens Meisjes Absoluut Relatief Absoluut Relatief Absoluut Relatief Vermogen 789 22 % 609 77 % 205 26 % Openbare orde 637 31 % 587 92 % 76 12 % Geweld 458 16 % 382 83 % 82 18 % Zeden 25 11 % 24 96 % 1 4% Verkeer 50 2 % 46 92 % 5 10 % Overig 377 9 % 331 88 % 52 14 % Totaal 2.979 15 % 2.336 15 % 643 18 % Van de jeugd is 8% slachtoffer. In 2006 komt dit neer op 92 slachtoffer, in 2005 waren dit er 103 en in2004 92. Jeugdigen worden het meeste slachtoffer van vermogensincidenten – welke ze ook het meest zelf plegen - en geweldsincidenten. Ze worden het minste slachtoffer van openbare orde incidenten. De top 5 slachtofferschap van 0 t/m 17 jarigen is als volgt: 1. Zedenmisdrijf 2. Diefstal van brom-, snor- fietsen 3. Mishandeling 4. Bedreiging 5. Verkeersongevallen Hoewel er veel aandacht wordt besteed aan het terugdringen van overlastsituaties en criminaliteit, zijnde aantallen in Gennep allerminst zorgwekkend. In 2006 zijn er 32 jongeren uit Gennep naar bureau-HALT doorgestuurd. In de regio Limburg Noord, waarin 22 gemeenten zijn opgenomen, ligt het gemiddelde op 35 jongeren per gemeente. Op regionaal gebied is per 1 januari 2007 het Veiligheidshuis opgestart, met als doel criminaliteit en 22
  23. 23. overlast te verminderen of te voorkomen. Het huis is gevestigd in Noord-Limburg en heeft als werkgebied de districten Venlo en Venray. Dit zijn de gemeenten Venlo, Helden, Kessel, Maasbree, Arcen en Velden, Meijel, Beesel, Venray, Bergen, Horst aan de Maas, Sevenum, Mook en Middelaar, Gennep en Meerlo-Wanssum. In het huis werken de ketenpartners nauw met elkaar samenwerken, wat als meerwaarde heeft dat de lijnen tussen de organisaties kort zijn, er snel tot actie kan worden overgegaan en dat er een koppeling is van de justitiële casusoverleggen aan de zorgoverleggen. De doelgroepen van het Veiligheidshuis zijn als volgt: • Jongeren en in het bijzonder minderjarige veel- en meerplegers • Veel- en meerplegers meerderjarig • Ex- gedetineerden • Huiselijk geweld; slachtoffers, daders en eventuele kinderen • Slachtoffers Eind 2008 zullen de effecten van de aanpak in het Veiligheidshuis worden onderzocht en inzichtelijk gemaakt zijn. 2.7. Jongerenparticipatie De gemeente Gennep houdt zich druk bezig met de participatie van de jeugd bij het vaststellen van gemeentelijk beleid, wat als speerpunt is opgenomen in het raadsprogramma. Het doel hierbij is de jeugd en jongeren door actief burgerschap te betrekken bij de gemeenschap. Naast de bestaande projecten is Bureau Move Me door de gemeente gevraagd bij te dragen aan het opzetten van jongerenparticipatie. Een bijeenkomst in het jongerencentrum in april 2008 was hiervan een resultaat. Tijdens een bijeenkomst is de jongeren gevraagd naar wat zij graag willen in Gennep. Genoemd zijn o.a.: een jongerensite, een eigen plek in de jongerenaccommodatie uitgerust met een pooltafel, p.c. Met internet, scherm voor films en spellen, banken, workshops en de mogelijkheid om een eigen activiteit organiseren. Ook moeten er buiten activiteiten zijn zoals voetbal en basketball. Een aantal jongerenwilde banken bij de Nier met een prullenbak. Tevens is er tijdens de bijeenkomst een korte enquête uitgezet onder de jongeren die aanwezig waren. Hieruit bleek dat de jongeren via een jongerensite van de gemeente Gennep in contact willen blijven met de gemeente. Ook de jongerenwerker kan hierin volgens de jongeren een grote rol spelen. Een voorbeeld van een bestaand project is het project voor jongeren over een politiek discussiepunt, welke in samenwerking met het voortgezet onderwijs elk jaar wordt opgezet. De jongeren verdiepen zich in het onderwerp, met hulp van leraren, internet, politici, bibliotheek e.d. De leerlingen worden verdeeld in een groep voorstanders, een groep tegenstanders en een groep neutralen. Vervolgens zitten zij de vergadering over het onderwerp bij. 2.8. Arbeidstoeleiding In de gemeente Gennep bevinden zich ongeveer 750 personen met een Wajong- uitkering. Dit is naar verhouding redelijk veel, hetgeen waarschijnlijk samenhangt met de aanwezigheid van een organisatie als Dichterbij. Onder deze groep kan een onderscheid worden gemaakt in personen die echt niet kunnen werken en personen die met de juiste ondersteuning wel kunnen werken. De gemeente heeft op dit gebied te maken met het Cwi en het Uwv, welke op dit moment nog los van elkaar werken, maar in 2009 samengaan. Er zijn geen exacte gegevens bekend om hoeveel jongeren het gaat. De uitkeringsgerechtigden worden momenteel ondergebracht bij de Uwv. Deze instantie verstrekt echter alleen een uitkering en er is geen sprake van investering Naast de Wajongers is er ook een groep voortijdig schoolverlaters. Alle gemeenten in Nederland moeten voortijdig schoolverlaters tot 23 jaar registreren en ervoor zorgen dat zij via een passend traject (onderwijs, baan of combinatie) alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. 23
  24. 24. De voortijdig schoolverlaters worden door de gemeente overgebracht naar het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC). Gemeenten participeren in één van de 39 RMC regio's. Per regio coördineert één contactgemeente de melding en registratie van voortijdig schoolverlaters door scholen. Deze contactgemeente is de coördinator in een regionaal samenwerkingsverband van overheid, onderwijs, jeugdzorg, justitie en arbeid. In het RMC wordt een leer-werktraject opgestart, waarmee per individu wordt bekeken wat het nodig heeft en waar naar toe gewerkt kan worden. In 2007 is er een convenant opgesteld tussen het CWI, Gilde Opleidingen en RMC regio Venray, waarin afspraken zijn gemaakt over een efficiënte aanpak van jeugdwerkloosheid en voortijdig schoolverlaten. De samenwerking is gericht op de begeleiding van jongeren, behorend tot de doelgroep, in het behalen van tenminste een startkwalificatie en op een plek op de arbeidsmarkt. Ook op het Elzendaal College is men bezig geweest met leer-werktrajecten. Voor de sectoren Zorg en welzijn, Transport en Logistiek, Bouw breed en Meta-electro is er de mogelijkheid om leerlingen in dittraject onderwijs aan te bieden. De contacten met het bedrijfsleven zijn hiervoor gelegd. De gemeente geeft aan dat er wordt gewerkt aan verbetering van een sluitende aanpak tussen het voortgezet onderwijs, het RMC en de gemeente. Dit wordt opgepakt in regionaal verband. Momenteel wordt gedacht aan een clustering in de regio vanuit de lokale kwaliteiten. In ons geval wordt gedacht aan een clustering tussen Mook en Middelaar, Bergen en Gennep. Om het schoolverzuim (wat vaak een voorloper van schooluitval is) beter in beeld te brengen, werken het ministerie van OCW en de IB-groep aan een digitaal loket: scholen zullen hun verzuimgegevens gaan melden bij één digitaal loket, dat vervolgens de juiste gemeente (RMC en Leerplicht) op de hoogte stelt. Dat scheelt scholen veel werk en levert betrouwbare gegevens op. Een aantal gemeenten en scholen testen het loket nu uit; bij positief resultaat gaat het digitaal loket vanaf schooljaar 2008/2009landelijk van start. 24
  25. 25. 3. Landelijke, provinciale en regionale beleidkaders Een beleidsnota Integraal jeugdbeleid raakt aan vele wettelijke kaders en beleidsterreinen. In dit hoofdstuk volgt in vogelvlucht een overzicht van de belangrijkste. 3.1. Wettelijke kaders Wet op de Jeugdzorg (01/01/05) De Wet op de Jeugdzorg, die wordt gefinancierd en geregisseerd vanuit de Provincie, is een belangrijke stap om de jeugdketen beter te laten functioneren. Deze wet stelt namelijk de hulpvrager centraal, biedt één toegang tot de jeugdzorg via het bureau jeugdzorg en waarborgt aanspraak op zorg na indicatiestelling. De taken van de opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning in het gemeentelijk domein zijn de volgende: • Informatie geven aan ouders, kinderen en jeugdigen over opvoeden en opgroeien; • Signaleren van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs; • Toegang tot (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordelen en toeleiden naar voorzieningen aan de hand van de ‘sociale kaart’ voor ouders, kinderen, jeugdigen en verwijzers; • Licht pedagogische hulp (advisering en lichte hulpverlening), zoals maatschappelijk werk en coachen van jongeren; • Coördineren van zorg in het gezin op lokaal niveau. Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo, 01/01/07) Op 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in werking getreden. Financiering van deWmo loopt via direct beschikbare budgetten en budgetten die op termijn beschikbaar komen, al dan nietvia derden. De direct beschikbare budgetten bestaan uit de middelen die de gemeente al inzette voor hetwelzijnsaanbod, de WVG en de OGGZ. Daarnaast is bij invoering van de Wmo budget toegevoegd aan het gemeentefonds. Het doel van de Wmo is dat iedereen, ongeacht zijn of haar beperking of handicap, kan meedoen aan de samenleving. Uitgangspunt van de wet is, dat burgers zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en welzijn en dat zij zoveel mogelijk voor elkaar zorgen. Dit kan bijvoorbeeld met vrijwilligerswerk en mantelzorg, maar ook met goede informatie en advies, opvoedingsondersteuning en huishoudelijke hulp. De gemeente heeft veel ruimte om zelf invulling aan deze wet te geven. Het prestatieveld 'op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden' heeft betrekking op de in een gemeente wonende jeugdigen – en in voorkomende gevallen hun ouders – bij wie sprake is van een verhoogd risico als het gaat omontwikkelingsachterstand of uitval zoals schooluitval of criminaliteit, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. Dit beleidsterrein geldt als aanvulling op in andere wetgeving, zoals de WCPV en de Leerplichtwet, vastgelegde taken. Wet op de kinderopvang (01/01/05) De Wet kinderopvang gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders, overheid en werkgevers. Op 1 januari 2005 is de nieuwe Wet Kinderopvang van kracht geworden. Met de wet verandert onder andere de manier waarop de kinderopvang betaald wordt: ouders, werkgevers en overheid moeten sámen de kosten voor de opvang opbrengen. Wie geen werkgever heeft, kan in bepaalde gevallen een beroep doen op de Gemeente voor een subsidie bijdrage. Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor het kinderopvangbeleid. De overheid regelt sinds 2007 de werkgeversbijdrage voor kinderopvang via de belastingaangifte. Ouders kunnen een kinderopvangtoeslag ontvangen. Het gaat om werkende ouders en ouders die een studie of traject 25
  26. 26. volgen om aan het werk te gaan en die gebruik maken van formele kinderopvang. Diverse ministeries spelen een rol in het kinderopvangbeleid. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is gesprekspartner voor de rijksoverheid bij alle vraagstukken die op gemeentelijk terrein worden uitgevoerd: • de kinderopvang voor specifieke doelgroepen • het toezicht door de GGD • het lokale jeugdbeleid, onderwijsachterstandsbeleid Beleidskader Gemeentelijke Onderwijsachterstanden (GOA) 2006-2010 Het onderwijsachterstandenbeleid heeft tot doel om achterstanden te voorkomen en terug te dringen, zodat de kansen, leerprestaties en schoolloopbanen van deze kinderen en jongeren verbeteren. Om een effectieve aanpak van onderwijsachterstanden te realiseren is het noodzakelijk dat gemeenten,scholen, instellingen en ouders goed met elkaar samenwerken en dat daarbij duidelijk is onderscheiden wie waarvoor verantwoordelijk is. Voor het achterstandenbeleid is landelijk jaarlijks een bedrag van ongeveer 487 miljoen euro beschikbaar. Voor scholen is de toekenning van het geld geregeld in de gewichtenregeling (basisonderwijs) en de Regeling Leerplusarrangement VO en Nieuwkomers VO (voortgezet onderwijs). Het grootste deel gaat rechtstreeks naar de scholen, een kleiner deel (ongeveer 175 miljoen euro) gaat naar de gemeenten voor de voorschoolse educatie en schakelklassen. Binnen het onderwijsachterstandenbeleid zijn gemeenten verantwoordelijk voor de voorschoolse educatie en schakelklassen. Scholen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie. Het is belangrijk dat basisscholen, gemeenten en andere instellingen op lokaal niveau samen werken aan het vroegtijdig signaleren en aanpakken van onderwijsachterstanden. Zij moeten daarover dus afspraken maken. Zij doen dat via het verplichte overleg dat de gemeente, schoolbesturen en de kinderopvang voeren. Na de basisschool komen leerlingen terecht in het voortgezet onderwijs in een schoolsoort die aansluit op hun niveau: praktijkonderwijs, vmbo, havo of vwo. Op deze wijze doorloopt iedere leerling de schoolloopbaan die het beste bij hem of haar past, zonodig aangevuld met leerwegondersteunend onderwijs. VO-scholen die daarnaast te maken hebben met ‘probleemcumulatie’, ontvangen extra geld in het kader van het leerplusarrangement VO. Sinds 1 augustus 2006 is de nieuwe gewichtenregeling basisonderwijs van kracht. Het criterium om een basisschool voor een leerling al dan niet extra middelen toe te wijzen is het opleidingsniveau van de ouder(s). Het criterium etniciteit is komen te vervallen. Voor kinderen met ouders met een lage of zeer lage opleiding, wordt aan scholen een extra gewicht gegeven van 0,3 of 1,2. De nieuwe regeling wordtin vier jaar ingevoerd. Bij de leerling-tellingen op 1 oktober 2006 zijn bij de 4- en 5- jarigen de criteria van de nieuwe gewichtenregeling toegepast. In het schooljaar 2010-2011 is de nieuwe regeling geheel ingevoerd. Convenant VVE Op 19 maart 2008 is het convenant VVE ondertekend. Dit houdt in dat gemeenten een regierol krijgen over de inhoud en aansturing van voor- en vroegschoolse educatie. Het convenant tussen OCW en VNG is een nadere invulling van het Bestuursakkoord op het gebied van VVE. De VNG neemt hiermee de verantwoordelijkheid om zich in te spannen dat gemeenten zich aan deze bestuurlijke afspraken committeren. De bestuurlijke afspraken uit het convenant gaan verder dan de wettelijke kaders stellen: in 2011 hebben gemeenten voldoende VVE-aanbod voor alle doelgroepkinderen en voldoet VVE aan de benodigde kwaliteitseisen. Onderwijswetgeving Gemeenten hebben op onderwijsgebied de wettelijke verantwoordelijkheden op het gebied van openbaar onderwijs, het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten en verzuim 26
  27. 27. (Leerplichten RMC), veiligheid, onderwijshuisvesting, eerste opvang van nieuwkomers en leerlingenvervoer. Leerplicht en kwalificatieplicht Wanneer een kind de leeftijd van vier jaar heeft bereikt, mag het naar school. Vanaf het vijfde jaar is het vervolgens verplicht tot het volgen van volledig dagonderwijs. Sinds augustus 2007 is naast de leerplicht ook een kwalificatieplicht ingevoerd. De situatie vóór 1 augustus 2007 In de oude situatie waren de leerlingen volledig leerplichtig tot het einde van het schooljaar waarin zezestien jaar werden. Daarna waren ze partieel leerplichtig tot het einde van het schooljaar waarin ze zeventien jaar werden. Deze partiële leerplicht bleek in de praktijk moeilijk te handhaven, met als gevolg dat veel zestien- en zeventienjarigen het onderwijs voortijdig verlieten. Vanaf 1 augustus 2007: de kwalificatieplicht Alle leerlingen blijven volledig leerplichtig tot het einde van het schooljaar waarin ze zestien jaar worden. De kwalificatieplicht geldt voor jongeren die: a. nog geen achttien jaar zijn b. nog geen startkwalificatie hebben behaald en c. de volledige leerplicht achter de rug hebben. Zij zijn tot hun achttiende verjaardag (of het moment dat zij een mbo2-, havo- of vwo-diploma hebben behaald) kwalificatieplichtig. Dit betekent concreet dat deze jongeren een volledig onderwijsprogramma moeten volgen dat is gericht op het behalen van een startkwalificatie. Hieronder vallen de vmbo-, havoen vwo-opleidingen in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (BOL) en de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) in het middelbaar beroepsonderwijs. Programma jeugd en gezin 2007 - 2011: Alle kansen voor alle kinderen Het kabinet heeft in 2007 gekozen voor een nieuwe aanpak, die regie, samenwerking en het overstijgen van deelbelangen in het belang van de jeugd en hun gezinnen mogelijk maakt. Een aanpak die het gezin in positie brengt, inzet op preventie door eerder de problemen op te sporen en aan te pakken en de vrijblijvendheid voorbij is. De ambitie van het kabinet is om alle kinderen alle kansen te laten krijgen. Het programma wordt via drie lijnen uitgezet; ten eerste wordt het gezin opnieuw gezien als de belangrijke positie in de opvoeding. Ten tweede wordt er preventief gewerkt; er wordt een omslag gemaakt naar het eerder opsporen en beter aanpakken. En ten derde is de vrijblijvendheid voorbij: ongewenste situaties laten we niet voortduren; de doorbraak moet worden gerealiseerd. Dit geldt zowel voor zowel ouders als professionals en overheden. 3.2. Provinciale beleidsvisie Naast de landelijke wet- en regelgeving heeft de gemeente ook te maken met de provinciale beleidsvisie. De ambities voor de provinciale beleidsvisie voor Jeugdzorg Limburg in de periode 2005 – 2008 waren: • Vroegtijdig ondersteunen en signaleren. • Een persoonlijk aanbod voor kinderen en jongeren zonder wachttijden. • Tevreden kinderen, jongeren (en hun ouders) en hulpverleners. • Afspreken, presteren en afrekenen. • (Keten)kwaliteit met zichtbare effecten. Het uitvoeringsprogramma Jeugdzorg Limburg 2008 is het laatste van het Beleidskader Jeugdzorg Limburg 2005-2008. Veel van de in het Beleidskader Jeugdzorg Limburg 2005-2008 geformuleerde ambities – in de uitvoeringsprogramma’s in concrete doelen omgezet – zijn gerealiseerd. Voor de periode na 2008 moet het Beleidskader Jeugdzorg Limburg 2009-2012 tot stand komen. 27
  28. 28. De doelstellingen voor 2008 zijn als volgt geformuleerd: • De gemeenten geven uitvoering aan de vijf jeugdfuncties uit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dat gebeurt minimaal op het niveau van 2007. • Wij ondersteunen de gemeenten bij het maken van technische en inhoudelijke keuze bij de implementatie van de Verwijsindex risicojeugd. • Met gemeenten starten wij een pilot waarin drie (mogelijk vier) plattelandsgemeenten experimenteren met de totstandkoming van Centra voor Jeugd en Gezin. Met de ervaringen • willen bij een ‘uitrol’ realiseren naar vijftien andere gemeenten. • Samen met de gemeenten realiseren wij zorgteams bij de voorschoolse voorzieningen. De autonome provinciale middelen van 750.000 euro die hiervoor beschikbaar zijn, zetten wij nog in 2007 in. Implementatie vindt in alle regio’s per 1 januari 2008 plaats. • Samen met gemeenten dragen wij blijvend zorg voor vrijwel dekkende zorgteams in het primaire en voortgezet onderwijs in onze provincie. • In een aantal regio’s sluiten wij bestuursconvenanten jeugd 2008-2011. • Samen met de gemeenten bevorderen wij dat in onze provincie volgens de ‘Raak-methode’ aan preventie van kindermishandeling wordt gewerkt. Dit is een meerjarig traject. • Wij geven uitvoering aan de Wet op de jeugdzorg die bepaalt dat wij randvoorwaarden scheppen voor de uitvoering van de functies ‘consultatie’ en ‘deskundigheidsbevordering’ door Bureau Jeugdzorg. Wij stellen de omvang van deze functies vast op minimaal 10% van het toegangsbudget van Bureau Jeugdzorg. De inzet wordt op voorstel van de gemeenten vooral in het onderwijs gerealiseerd. Met drie gemeenten (Bergen, Helden en Gulpen-Wittem) is inmiddels het initiatief genomen een voortrekkersrol te vervullen bij de totstandkoming van Centra voor Jeugd en Gezin in plattelandsgemeenten met veel (kleine) kernen. Bij gelegenheid van de vaststelling van de gewijzigde Programmabegroting 2008 is hiervoor 300.000 euro aan autonome financiële middelen beschikbaar gesteld. 3.3 Regionale beleidsvisie Op regionaal niveau is er reeds een beleidsplan voor de jeugd opgesteld, namelijk door het OOGO Noordelijk Noord-Limburg. In dit beleidsplan staan, naast het voortzetten van de bestaande praktijk, drie thema’s centraal om het jeugd(zorg)beleid in de komende jaren verder te brengen: 1. Thema ‘Jeugd en gezin’ 2. Thema ‘Jeugd en Veiligheid’ 3. Thema ‘Jeugd en Onderwijs & Arbeidsmarkt’ De drie genoemde thema’s zullen ten eerste gericht zijn op het voorkomen van een opvoedingsvacuüm en het tegengaan van enige vorm van tweedeling in de maatschappij en ten tweede op het versterken van de sociale cohesie, verbetering van de jeugdparticipatie met het accent op preventie en het realiseren van een sluitende aanpak. Jeugd en gezin Het doel is om te beschikken over voldoende mogelijkheden om alle ouders, kinderen en jongeren kwalitatief goede opvoedingsondersteuning aan te bieden, wat resulteert in een beperkte vraag naar geïndiceerde jeugdzorg en een verkorte behandelduur van geïndiceerde jeugdzorg. De gemeente wil dit aan de hand van 6 aandachtspunten bereiken; 1. Gemeenten geven uitvoering aan de vijf functies van preventief jeugdbeleid uit de Wmo:informatie & advies, signalering, toeleiding naar hulp, licht pedagogische hulp en coördinatie van zorg. 28
  29. 29. 2. Structurele inbedding van de dekkende signaleringsstructuur. 3. Bureau Jeugdzorg Venray zet minimaal 10% van het budget hulpverlening in voor de uitvoering van de functies consultatie en deskundigheidsbevordering bij de voorliggende voorzieningen in de regio Noordelijk Noord-Limburg. 4. In de regio Noordelijk Noord-Limburg is uiterlijk in 2011 een dekkend netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin dat minimaal bestaat uit de vijf functies van het preventief jeugdbeleid en het basistakenpakket van de jeugdgezondheidszorg. 5. Met ingang van 1 januari 2009 wordt in de regio Noordelijk Noord-Limburg gewerkt met de landelijke Verwijsindex. 6. Kinderen en jongeren die in een achterstandspositie verkeren worden in staat gesteld zich te ontplooien door deel te nemen aan het lokale verenigingsleven (sport, muziek, etc.). Jeugd en veiligheid Het doel is binnen de eigen gemeente een klimaat te schappen waarin jeugdigen veilig(er) en gezond(er) kunnen wonen, werken, leren en recreëren. Dit kan worden bereikt door meer samenhang te brengen tussen de verschillende initiatieven. Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat zowel de feitelijke onveilige situaties worden aangepakt, maar ook de gevoelens van onveiligheid. Jeugd en onderwijs & arbeidsmarkt Het doel is dat kinderen en jongeren ononderbroken de schoolloopbaan doorlopen en het onderwijs gediplomeerd en met een start- of arbeidskwalificatie verlaten en direct kunnen doorstromen op de arbeidsmarkt. De gemeente zal activiteiten en initiatieven ondersteunen en begeleiden welke gericht zijn op het leveren van een bijdrage aan het onderwijs, de ontwikkeling van de leerlingen en de versterking van de samenhang/samenwerking op lokaal en regionaal niveau binnen onderwijs en tussen onderwijs en andere beleidsterreinen. 29
  30. 30. 4. Nieuwe ontwikkelingen Naast genoemde beleidskaders en wet-& regelgeving spelen momenteel een aantal actuele ontwikkelingen, die van belang zijn bij de ontwikkeling van een integraal jeugdbeleid. In sommige gevallen worden deze ontwikkelingen vanuit de Rijksoverheid opgelegd, in andere gevallen betreft het lokale of regionale ontwikkelingen. 4.1. Centrum voor Jeugd en Gezin Het huidige kabinet zet fors in op de ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin. In 2011 is er in elke gemeente minimaal één Centrum voor Jeugd en Gezin. Ouders, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals kunnen bij de centra terecht met allerlei vragen over opvoeden en opgroeien. De centra bieden advies en hulp op maat. De Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) zijn straks een herkenbaar inlooppunt in de buurt. Ze houden zich bezig met preventie, signaleren, advies geven en het bieden van ondersteuning en lichte hulp. Bij zwaardere problemen of een meer ingewikkelde hulpvraag coördineren de centra: ze nemen contact op met de gemeentelijke jeugdgezondheidszorg en de provinciale jeugdzorg. In 2008 komen de eerste centra tot stand; vanaf 2012 bestaat er een landelijk dekkend netwerk van CJG's. De regie op de Centra voor Jeugd en Gezin komt te liggen bij de gemeenten. De gemeenten krijgen grote vrijheid in het realiseren van de centra. Ze doen dit op basis van de eigen mogelijkheden en wensen. De centra hebben dezelfde basistaken, maar zijn onderling verschillend. In de gemeente Gennep wil men toewerken naar een meer samenhangend geheel van voorzieningen voor de jeugd. Met behulp van een Centrum voor Jeugd en Gezin kunnen deze voorzieningen gekoppeld worden, wat een positief effect zal hebben op de gehele hulpverlening. De beroepskrachten uit het werkveld benadrukken het preventieve karakter, dat het centrum zal moeten hebben. Men vraagt vooral aandacht voor het bereik en de toegankelijkheid van het centrum. Ouders moeten niet het idee hebben, dat het centrum bedoeld is voor ouders met problemen. Inmiddels is er landelijk een basismodel CJG ontwikkeld, waarin wordt uitgegaan van het volgende profiel. Een CJG: • bundelt lokale functies en taken op gezondheid, opgroeien en opvoeden • is een fysiek en laagdrempelig inlooppunt • is in elke gemeente/wijk te vinden onder dezelfde naam • heeft een positieve uitstraling gericht op preventie en signalering • biedt echt advies en lichte hulp • coördineert/schakelt met alle mogelijke voorzieningen op jeugdbeleid, gezondheidszorg en jeugdzorg • zou mogelijkerwijs, indien nodig, bemoeizorg kunnen arrangeren • is van en voor een doelgroep van kinderen en jongeren van -9 maanden tot 23 jaar en hun ouders • is voor alle culturen even laagdrempelig • is tevens vraagbaak voor professionals • streeft naar uniforme signalering • maakt gebruik van verwijsindex en Elektronisch Kinddossier. Om de naam CJG te mogen gebruiken moet ten minste het volgende worden gebundeld: A. Jeugdgezondheidszorg Consultatiebureaus en GGD B. 5 WMO-functies 30

×