2013 deel8-rotterdam-handelen

177 views

Published on

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

2013 deel8-rotterdam-handelen

  1. 1. Chris Noordam 2013 www.workforfun.nu Rotterdammers ontwikkelen zich Onderdeel Handelen
  2. 2. Rotterdammers ontwikkelen zich zodat ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen. Ze werken aan samenhangende kennis, vaardigheden, houding, deskundigheid en geschiktheid. Betreft: handelen
  3. 3. Dit zijn de onderwerpen  Besluitvaardigheid  Durf   Klantgerichtheid  Netwerken  Ondernemen    Planmatig werken    Resultaatgerichtheid   Voortgang bewaken
  4. 4. Besluitvaardigheid De mate waarin de persoon tijdig én na overweging en overleg beslissingen neemt door het ondernemen van acties of uitspreken van standpunten. Niveau 1 Neemt tijdig een standpunt in of spreekt een oordeel uit. Is duidelijk over wat hij beslist. Handelt indien nodig zonder overleg en koppelt terug. Niveau 2 Durft ook onder tijdsdruk te beslissen. Beslist of neemt een standpunt in zodra de belangrijkste informatie voorhanden is. Neemt ook beslissingen bij tegenstrijdige belangen. Niveau 3 Durft ook controversiële beslissingen te nemen of uitspraken te doen. Zet tijdig besluitvormingsprocessen uit binnen de organisatie. Weet te geven en te nemen om besluiten gerealiseerd te krijgen. Niveau 4 Neemt afgewogen besluiten ook als deze risico’s voor de organisatie inhouden en zoekt daarbij naar win-win situaties. Neemt complexe beslissingen en betrekt hierbij snel de juiste informatie en betrokkenen.
  5. 5. Durf De mate waarin de persoon risico’s onderkent en aangaat met als doel om een vooraf bepaald voordeel te behalen. Niveau 1 Durft indien dit nodig is risico’s te nemen op basis van onvolledige informatie. Niveau 2 Durft indien dit nodig is beredeneerde risico’s te nemen op basis van onvolledige informatie. Niveau 3 Durft indien dit nodig is beredeneerde risico’s te nemen ook als er sprake kan zijn van weerstand tegen het besluit. Niveau 4 Neemt indien dit nodig is impopulaire maatregelen en/of weloverdachte risico’s uit organisatiebelang.
  6. 6. Klantgerichtheid De mate waarin de persoon luistert en waar mogelijk tegemoet komt aan de (on-) uitgesproken wensen van de klant/gebruiker, hiernaar handelt en daarbij prioriteit geeft aan servicebereidheid en klanttevredenheid. Niveau 1 Is goed bereikbaar voor de klant. Staat open voor vragen, luistert goed en reageert snel. Behandelt klachten op de juiste wijze. Niveau 2 Is proactief en verdiept zich in de situatie of vraag van de klant. Biedt ongevraagd service en extra ondersteuning. Zoekt actief naar oplossingen voor klachten of problemen. Niveau 3 Leeft zich in de problematiek van de klant in en analyseert deze. Komt ongevraagd met voorstellen die inspelen op de behoefte/belangen van de klant. Is gericht op langetermijn-relatie en evalueert de kwaliteit van de dienstverlening of geleverde producten. Stimuleert anderen tot klantgerichtheid. Niveau 4 Onderzoekt langetermijn-ontwikkelingen van klantenwensen. Bouwt strategische duurzame relaties op met klanten. Weet de interne organisatie af te stemmen op de klant/gebruiker.
  7. 7. Netwerken De mate waarin de persoon relaties en/of samenwerkingsverbanden binnen en buiten de eigen organisatie ontwikkelt en onderhoudt, om deze te benutten voor de organisatie. Niveau 1 Onderhoudt contacten binnen de organisatie die ook in de toekomst belangrijk kunnen zijn voor het werk. Wint vertrouwen, waardering en medewerking van collega’s. Niveau 2 Onderhoudt en vernieuwt contacten binnen en buiten de organisatie die ook in de toekomst belangrijk kunnen zijn voor het werk. Is alert op ontwikkelingen binnen en buiten de organisatie en neemt hierop actie. Wint vertrouwen, waardering en medewerking van in- en externe partijen. Niveau 3 Bouwt een netwerk op binnen en buiten de eigen organisatie om te anticiperen op nieuwe kansen en mogelijkheden. Heeft goede persoonlijke verstandhoudingen met interne en externe partijen. Niveau 4 Bouwt, onderhoudt en gebruikt netwerken om hoog in de organisatie informatie te verkrijgen en invloed uit te oefenen. Gaat gewetensvol om met in- en externe belangen en kan dit verwoorden. Heeft goede persoonlijke verstandhoudingen hoog in de politiek/bestuurlijke omgeving.
  8. 8. Ondernemen De mate waarin de persoon in staat is kansen voor nieuwe producten of diensten te signaleren en vervolgens actie onderneemt om op die kansen in te spelen. Niveau 1 Signaleert kansen met betrekking tot het eigen werkveld en kan deze vertalen naar bestaande verbeteroplossingen. Niveau 2 Speelt actief in op kansen in de markt met betrekking tot het eigen werkveld en weet deze kansen te vertalen naar nieuwe aanpakken of verbeteroplossingen. Niveau 3 Ontwikkelt nieuwe producten of diensten voor een organisatieonderdeel op basis van inzicht in de omgeving. Stimuleert anderen tot ondernemerschap. Niveau 4 Creëert een organisatiecultuur waarin ondernemerschap wordt gestimuleerd. Versterkt de positie van de organisatie door ingrijpende nieuwe toepassingen en ontwikkelingen in te brengen.
  9. 9. Planmatig werken De mate waarin de persoon zorgt voor een gestructureerde aanpak van het werk, op effectieve wijze doelen en prioriteiten bepaalt en benodigde acties, tijd en middelen aangeeft om de bepaalde doelen te kunnen bereiken. Niveau 1 Structureert het eigen, relatief eenvoudige, werk(proces). Stelt voor het eigen werk prioriteiten en plant zijn werk in tijd en hoeveelheid. Niveau 2 Structureert het eigen werk(proces). Maakt voor zichzelf een planning met realistische doelen, meet tussentijds en behoudt het overzicht. Niveau 3 Stelt een realistische planning op en structureert werk(processen) van anderen. Past plannen aan gewijzigde inzichten en omstandigheden aan en houdt daarbij de oorspronkelijke doelen voor ogen. Niveau 4 Schept organisatorische randvoorwaarden om werkprocessen planmatig te laten verlopen. Structureert werk(processen) met een complexe samenhang en een lange doorlooptijd. Treft organisatorische maatregelen of voert veranderingen door op basis van veranderende situaties.
  10. 10. Resultaatgerichtheid De mate waarin de persoon actief gericht is op het behalen van resultaten en doelen en bereid is zijn handelen aan te passen bij te verwachten afwijkende resultaten. Niveau 1 Is in eenvoudige werksituaties in staat een doel te stellen en deze onder begeleiding en aansturing te realiseren. Voelt zich betrokken bij het werk. Maakt zaken af en komt afspraken na. Niveau 2 Is in staat zijn eigen werkzaamheden te benoemen in concrete doelen en weet deze zodanig in te richten en uit te voeren zodat het doel bereikt wordt. Gaat door tot het afgesproken resultaat is bereikt. Handelt op eigen initiatief binnen het vastgestelde kader van de opdracht. Niveau 3 Is in staat eigen en andermans werkzaamheden te benoemen in concrete doelen, stelt meetpunten en mijlpalen en concretiseert werkprocessen. Signaleert en anticipeert tijdig op verstoringen. Spreekt teams en individuen aan op afspraken en resultaten. Niveau 4 Stelt meetbare strategische doelen, geeft grote lijnen aan en monitort invulling door anderen. Bespreekt en analyseert teamprestaties aan de hand van langetermijn-doelstellingen.
  11. 11. Voortgang bewaken De mate waarin de persoon in staat is de voortgang van eigen taken of activiteiten en/of die van anderen te bewaken en zeker te stellen. Niveau 1 Checkt afspraken op het overeengekomen moment. Houdt de voortgang in het eigen werk bij. Stelt voortgangsrapportages of actielijsten op. Niveau 2 Bewaakt de voortgang van activiteiten of eenvoudige projecten. Stemt de voortgang van activiteiten regelmatig met anderen af. Plant meetmomenten, signaleert snel afwijkingen en komt met voorstellen om bij te sturen. Niveau 3 Bewaakt de planning en voortgang van complexe projecten of activiteiten met een kritische doorlooptijd. Herkent de kritische momenten in de uitvoering, grijpt in waar nodig is en stelt procedures op om de voortgang te bewaken. Niveau 4 Stelt planning op van complexe projecten met een hoog afbreukrisico. Anticipeert tijdig op mogelijke belemmeringen, betrekt de omgevingsfactoren daarbij en neemt daarop adequaat maatregelen of stelt planningen bij.

×