Successfully reported this slideshow.
We use your LinkedIn profile and activity data to personalize ads and to show you more relevant ads. You can change your ad preferences anytime.

Wim Keizer - Twintig jaar bibliotheekvernieuwing

80 views

Published on

In Twintig jaar bibliotheekvernieuwing beschrijft Wim Keizer het proces van vernieuwing van de Nederlandse bibliotheeksector vanaf de jaren tachtig. Door Keizer ook wel omschreven als een 'halfslachtige poging tot focus, tempo en regie'.

Published in: Education
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

Wim Keizer - Twintig jaar bibliotheekvernieuwing

  1. 1. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING
  2. 2. m mil
  3. 3. 2017 N.E. Brand, Huizen Wim Keizer TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING halfslachtige poging tot focus, tempo en regie 1995 2015
  4. 4. Eerste druk april 2017 Tweede druk augustus 2017 Copyright © Wim Keizer ISBN: 978 94 6202 173 0 NUR: 600 Omslagillustratie: Wytse Noordhof
  5. 5. Oneindig veel problemen Men zou het woord probleem moeten vermijden om twee simpele redenen:   er zijn oneindig veel voorbeelden van problemen die er niet zijn - ik kom hier op terug   er zijn even oneindig veel voorbeelden van problemen die er wel zijn, maar niet zo worden genoemd - ook hierop kom ik terug.   Alle gebeurtenissen bijvoorbeeld, ja alle, om ons heen en in ons, ze zijn gebeurd en men vraagt waarom.   Vergeef mij mijn enige antwoord: waarom niet?   Want alle gebeurtenissen zijn uitzonderingen op al die regels volgens welke ze niet gebeuren.   Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken want de problemen die er zijn en er niet zijn zijn dezelfde.   Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.   Daar is veel voor te zeggen, niets daarna. Uit: Rutger Kopland, Tot het ons loslaat. Amsterdam, Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1997.
  6. 6. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 7 Proloog Hoofdstuk 1 Introductie: het gecompliceerde speelveld Hoofdstuk 2 Bibliotheekvernieuwing in hoofdlijnen • Voorspel, 1995-2001 • Koepelconvenant, 2001-2004 • Aanvulling Koepelconvenant, 2004-2007 • Overgangsjaren, 2008-2009 • Bibliotheekcharter, 2010-2012, met SIOB en BNL • Bestuurlijke afspraken VNG, IPO en OCW, 2013-2014; wetgeving • Wet stelsel openbare bibliotheek- voorzieningen, 2015; e-books Hoofdstuk 3 Enkele thema’s nader besproken Hoofdstuk 4 Terugblik met… Jan Ewout van der Putten Wim Kamerman Ap de Vries Marjan Hammersma en Aad van Tongeren Hoofdstuk 5 Slotbeschouwing: wat is er struc- tureel en inhoudelijk bereikt? Hoofdstuk 6 Van Aanvulling tot en met Wet • Aanvulling op het Koepelconvenant (juli 2004 t/m 2007) • Advies Raad voor Cultuur, november 1998 • Advies Stuurgroep herstructurering openbaar bibliotheekwerk, april 2000 • Adviesaanvraag OCW aan Raad voor Cultuur, 7 april 2008 • Advies Raad voor Cultuur, 19 mei 2008 • Agenda voor de toekomst (De strategie van de Vereniging van Openbare Bibliotheken voor de jaren 2009-2012) • Basisbibliotheekvorming • Beleidsbrieven • Besteltaken • Bestuurlijke afspraken VNG, IPO, OCW over het openbare bibliotheekwerk 2013-2014 • De bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk • De Bibliotheek levert waarde (VOB-strategie 2012-2016) • De Bibliotheek Nederland (DBN) • Bibliotheekcharter 2010-2012 • De Bibliotheekformule • Bibliotheek.nl en Stichting Bibliotheek.nl (2010 t/m 2014) • Bredebieb-beweging • Collectie en Franchise • Commissie-Calff • Commissie-Cohen • Contextualisering van content • Digitale bibliotheek • Digital only • Donut • E-bookpluspakket • Erwtensoep • Formulebureau • Gebruikers • Goudklompjes • Handreikingen VNG • HEC-rapporten 2010 en 2013 10 14 22 22 23 24 26 29 38 42 46 52 52 62 70 78 86 100 100 105 105 105 108 110 111 114 117 117 118 121 122 122 125 126 129 130 132 133 133 134 135 136 136 137 138 138 139 140 143 Inhoudsopgave
  7. 7. 8 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING
  8. 8. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 9 • Idioot idee • Innovatie met effect • Innovatieraad • Instapniveau • Karmac Bibliotheek Services • Koepelconvenant herstructurering openbaar bibliotheekwerk (december 2001 t/m juli 2004) • Kritische vrienden • Laurens • Laurenzo • Markt van bibliotheekvernieuwing • Ondersteuningsregeling basisbibliotheken • Onttrekking • Ontvlechting • Op weg naar 2005 • Open poort tot kennis • Open poort tot kennis; de kosten • Paars doosje • Procesbureau bibliotheek- vernieuwing (2002 t/m 2007) • Projectgroep en Regiegroep Bibliotheekinnovatie (2009) • Provinciale Bibliotheekcentrale (PBC) • Provinciale netwerken • Provinciale Ondersteuningsinstelling (POI) • Provinciale Serviceorganisatie (PSO) • Questum • Raad voor Cultuur • Retailbureau • Richtlijn voor basisbibliotheken • Samenwerkende PSO’s Nederland (SPN) • Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) (2010 t/m 2014) • Stelseltaken • Stuurgroep Bibliotheken • Subsidieregeling bibliotheekinnovatie • Substitutie • Uitname • Verder! (3 april 2008) • Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) • De vrijblijvendheid voorbij • Wet op het specifiek cultuurbeleid (1993 t/m 2014) • Wet stelsel openbare bibliotheekvoor- zieningen (Wsob, in werking getreden 1 januari 2015) Verantwoording Bewindslieden bibliotheekvernieuwing, 1995-2015 Personenregister Afkortingen Literatuurlijst Colofon 201 202 204 205 205 207 222 223 224 238 241 242 246 250 258 146 147 150 151 152 155 158 166 167 167 168 169 171 172 175 178 179 181 181 182 182 184 192 192 193 194 194 194 195 199 Inhoudsopgave
  9. 9. 10 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Zo’n twintig jaar geleden begon er een officieel, door het ministerie van OCW* gestimuleerd proces van vernieuwing van de openbare bibliotheken, ook wel bibliotheekherstructurering of bibliotheekinnovatie genoemd. Uiteindelijk is dit proces uitgemond in een nieuwe wet, de Wet stelsel openbare bibliotheek- voorzieningen (Wsob)**, die op 1 januari 2015 van kracht werd. De afgelopen jaren is mij al verscheidene malen gebleken dat veel mensen, ook direct-betrokkenen, niet meer precies weten hoe en in welke stadia de officiële bibliotheekvernieuwing verlopen is. Vandaar het idee er een boek over te schrijven. Eén van de meelezers bij de tekst van dit boek, Lydia de Jong, van 2011 tot 2016 werkzaam geweest in de openbare bibliotheekbranche, verklaarde: “Heel boeiend en interessant om zo beknopt inzicht in de historie te krijgen.” Ik hoop dat ook andere lezers die in openbaar bibliotheekwerk geïnte- resseerd zijn dit zo kunnen ervaren. NIEUWSBRIEVEN Sinds 2001 beschrijf en analyseer ik in een maandelijkse nieuwsbrief*** de ontwikkelingen. Een groot deel van dit boek is gebaseerd op de inhoud van deze nieuwsbrieven, die op hun beurt gebaseerd waren op de oorspronkelijke bronnen. Dit boek begint in 1995 en is dus geen boek over de geschiedenis van het openbare bibliotheekwerk. Het begin van die geschiedenis kan gesi- tueerd worden eind negentiende eeuw, toen de eerste “openbare leeszalen” werden opgericht. In zijn boek Lezen voor iedereen (Den Haag, 1990) behan- delt bibliotheekhistoricus Paul Schneiders de in 1990 ongeveer honderdjarige geschiedenis van het openbare bibliotheekwerk. Proloog * Het openbare bibliotheekwerk viel tot 1982 onder het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM), van 1982 tot 1994 onder Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) en vanaf 1994 onder Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW), later Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) genoemd. Een lijst van afkortingen staat achterin dit boek. ** Voor meer informatie over deze wet en andere vet gemarkeerde woorden of begrippen: zie hoofdstuk 6, Van Aanvulling tot en met Wet. *** Deze nieuwsbrief begon als Nieuwsbrief Vereniging PBC’s en werd in april 2003 omgedoopt tot Nieuwsbrief Nieuw Bibliotheekwerk. Ingaand 2011 is de opzet veranderd in een attenderingsbulletin met de naam WWW (van “Wat Wim Weet”), omdat Bibliotheekblad het nieuws dagelijks ging bijhouden op een website. Alle Nieuwsbrieven en WWW’s zijn te vinden op www.bibliotheekblad.nl onder Nieuws (hier op clicken, vervolgens op Nieuwsbrief en dan op WWW). Een groot deel staat ook op de site van ProBiblio, www.probiblio.nl, onder Actueel/WWW.
  10. 10. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 11 WET OP HET OPENBARE BIBLIOTHEEKWERK Een hoogtepunt in die geschiedenis was de totstandkoming van de Wet op het openbare bibliotheekwerk in 1975 tijdens het kabinet-Den Uyl (verantwoor- delijk bewindspersoon was staatssecretaris Wim Meijer van CRM). Voordien was het openbare bibliotheekwerk sinds 1921 geregeld door middel van Rijkssubsidievoorwaarden (de RSV-1921). Openbare leeszalen en bibliotheken ontvingen subsidie van het rijk op voorwaarde dat ook de betrokken gemeen- te subsidieerde en er bovendien contributies voor uitleningen werden gehe- ven. Ook moesten bibliotheken lid zijn van de in 1908 opgerichte Centrale Vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken (CV), de voorloper van de in 1972 ontstane Vereniging Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum (NBLC) die in 2003 in de publiciteit haar naam veranderde in Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB). Deze nieuwe naam werd in 2006 ook statu- tair vastgelegd. De bibliotheekwet bepaalde dat het rijk de kosten betaalde van de door de minister van CRM goedgekeurde personeelsformatie en 15% van de “overige kosten” (voornamelijk collecties en gebouwen). Plannen om door middel van “Algemene maatregelen van bestuur” normen vast te leggen voor zaken als omvang personeelsbestand, omvang collectie en spreiding kwamen niet van de grond. Wel kwamen er “Richtlijnen voor de normering van het openbare bibliotheekwerk” van het NBLC (het z.g. “paarse boekje”). Hoewel het openbare bibliotheekwerk met deze wet niet helemaal centraal geregeld werd, was er met de bibliotheekwet wel de meest centralistische situatie ontstaan die er ooit geweest is. Het openbare bibliotheekwerk wordt al langer bekostigd door de drie overheidslagen gemeenten, provincies en rijk, maar in de loop der geschiedenis zijn qua financiering en rollen de onderlin- ge verhoudingen aan verandering onderhevig geweest. Ook gebruikers van bibliotheken leverden en leveren een financiële bijdrage (o.a. contributies en boetegelden), maar die was en is bescheiden ten opzichte van de overheids- subsidies. DECENTRALISATIE RIJKSTAKEN Al snel na 1975 vond een meerderheid van de politieke partijen het wenselijk rijkstaken op het gebied van welzijn en cultuur te decentraliseren naar de ge- meenten. Dit werd bereikt door middel van wetgeving. De Wet op het open- bare bibliotheekwerk werd ingetrokken. Wat er nog aan rijksbemoeienis met openbaar bibliotheekwerk overbleef, werd geregeld in de Welzijnswet (1987) Proloog
  11. 11. 12 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING en vervolgens in de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc, 1993). De bepalingen over bibliotheekwerk in de Welzijnswet en de Wsc waren in feite slechts enkele uit de Wet op het openbare bibliotheekwerk overgenomen arti- kelen. Het rijk liet het openbare bibliotheekwerk grotendeels aan de gemeen- ten en de bibliotheekorganisaties over. De gemeenten bekostigden de lokale bibliotheken en daarmee het leeuwendeel van de activiteiten. Door middel van een artikel (11b) over netwerken was in de Wet op het specifiek cultuur- beleid nog wel vastgelegd dat er een zekere samenhang moet zijn tussen de lokale, provinciale en landelijke instellingen op bibliotheekgebied. Grote lijn was dat de provincies de rond 1950 ontstane provinciale bibliotheekcentrales (PBC’s) voor ondersteunende diensten financierden en het rijk de landelijke vereniging van openbare bibliotheken (het NBLC) voor een aantal zogenaam- de “stelseltaken”, later ook wel “besteltaken” genoemd. Die taken hielden in: bevordering van doelmatigheid, samenhang, kwaliteit en pluriformiteit van het bibliotheekwerk. Later kwam er de instandhouding van een voorziening voor leesgehandicapten bij.* NIEUWE UITDAGINGEN In de jaren negentig kwam zowel bij het NBLC als het ministerie van OCW in toenemende mate het besef op dat de gedecentraliseerde openbare bi- bliotheken qua inhoud en structuur niet meer voldoende aansloten op de ge- volgen van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, zoals nieuwe vrijetijdsbestedingen (“ontlezing”) en toenemende digitalisering (“informatie- en communicatietechnologie”, ICT). Deze nieuwe uitdagingen gaven de impuls voor de in 2001 begonnen officiële herstructurering van het openbare biblio- theekwerk. Na de herstructurering werd meer de nadruk gelegd op inhoude- lijke vernieuwing of innovatie. Vervolgens was ook herziening van de wetgeving een aandachtspunt. Dit boek beschrijft de hoofdlijnen van het proces van bibliotheekvernieuwing, voorafgegaan door een schets van het gecompliceerde speelveld, en gaat ook in op belangrijke documenten in dit proces. Het eindigt met een slotbeschou- wing, waarin de bereikte resultaten besproken worden. * Ad van der Waals heeft een aantal boeken geschreven over de voorzieningen voor leesgehandicapten, waaronder Gewoon anders lezen in de openbare bibliotheek. Proloog
  12. 12. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 13 Proloog
  13. 13. 14 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Sinds 1 januari 2015 geldt er een Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzie- ningen (Wsob). De wet is de uitkomst van een officieel proces van bibliotheek- vernieuwing dat zo’n twintig jaar geleden begon. De meeste gebruikers van openbare bibliotheken zullen, als ze al iets over de Wsob gehoord of gelezen hebben, denken dat het dan wel goed zit met de openbare bibliotheken. Dat is echter niet zonder meer het geval, want wie mocht denken dat deze wet regelt dat alle Nederlandse gemeenten kunnen beschikken over goed functionerende openbare bibliotheken komt bedrogen uit. De wet regelt, zoals de naam “stelsel” aanduidt, dat er een zekere sa- menhang moet zijn tussen openbare bibliotheken. Maar openbare bibliotheken worden bekostigd door gemeenten en de wet regelt niet dat elke gemeente verplicht is een openbare bibliotheek te subsidiëren. Ook kent de wet geen sancties: wie zich er niet aan houdt, krijgt geen boete. Gemeenten hebben dus een grote vrijheid zelf te bepalen hoe het openbare bibliotheekwerk er in hun lokale samenleving uitziet. Dat was al het geval toen de officiële bibliotheekver- nieuwing begon. Dit betekent dat er ook allerlei lokale vernieuwingen zijn ge- ïnitieerd die min of meer los staan van het officiële, door OCW gestimuleerde proces. Ook betekent het dat bibliotheken met hun gemeente(n) keuzes heb- ben kunnen maken die niet spoorden met de officiële bibliotheekvernieuwing. DRIE OVERHEIDSLAGEN Sprekend over samenhang binnen een stelsel, ook wel “netwerk” genoemd, is van belang zich te realiseren dat het niet alleen gaat om openbare biblio- theken, maar ook om een zeer groot aantal instellingen en organisaties rond- om openbare bibliotheken. Om die reden wordt het Nederlandse openbare Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  14. 14. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 15 bibliotheekwerk als “een gecompliceerd speelveld” ervaren. Bij het openbare bibliotheekwerk zijn drie bekostigende overheidslagen betrokken: de gemeen- ten, de provincies en het rijk (ministerie van OCW). Gemeenten subsidiëren openbare bibliotheken, provincies Provinciale Ondersteuningsinstellingen (POI’en) en het rijk de Koninklijke Bibliotheek (KB, met als één van haar zoge- heten “stelseltaken” een “landelijke digitale bibliotheek” in stand te houden). SUBSIDIES EN VERSCHILLEN Van het totaal aan subsidies van de drie overheidslagen voor het reguliere openbare bibliotheekwerk (ongeveer een bedrag van 489 miljoen euro) komt 84,7% van de gemeenten, 9,3% van de provincies en 6% van het Rijk.* Het leeuwendeel van de bekostiging van “het stelsel van openbare bibliotheekvoor- zieningen” komt dus van de gemeenten. Of een gemeente over een goed functionerende bibliotheek beschikt, wordt bepaald door het gemeentelijke beleid. En aangezien opvattingen over wat “goed” is per gemeente verschillen, bestaan er in Nederland net zo veel verschillen in de aard van de dienstverle- ning en het niveau van bekostiging als er gemeenten zijn (393 in 2015). Wat burgers in een gemeente aan bibliotheekwerk aantreffen is de uitkomst van een proces waarvan het centrum en het startpunt vaak het overleg tussen de biblio- theekdirecteur, de ambtenaar belast met bibliotheekwerk en de wethouder is. KERNEN BIBLIOTHEEKWERK De kern van het openbare bibliotheekwerk is dus de lokale openbare biblio- theek (als gebouw, maar ook als organisatie die meerdere vestigingen in meer- dere gemeenten kan omvatten). Door de digitalisering van informatie en het overheidsbeleid om op die ontwikkeling in te spelen is met steun van OCW een “landelijke digitale bibliotheek“ (www.bibliotheek.nl) gemaakt, met een e-bookplatform. Deze bibliotheek is nog in opbouw en zou, met name door burgers die alleen daar gebruik van willen maken, als een (nieuwe) kern kunnen worden beschouwd. GROEPEN SPELERS Als eerste groep van spelers in het stelsel hebben we de lokale bibliotheken, de POI’en en de KB, met drie bijbehorende overheidslagen. Maar met deze zes zijn we er nog niet. Bij overheidslagen horen altijd (voorbereidende) amb- tenaren en (besluitvormende) besturen. Er is dus ambtelijk overleg en bestuur- lijk overleg. Als de minister of staatssecretaris van OCW wil overleggen met gemeenten en provincies, gebeurt dat doorgaans niet rechtstreeks in grote zalen, maar met organen die geacht worden de gemeenten en de provincies te vertegenwoordigen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en * Bronnen: Subsidie gemeenten: CBS- cijfers 2015: €414,6 miljoen; Subsidie provincies: €45,5 miljoen (opgave POI’en van hun provinciale subsidies in 2015: €35,5 miljoen + CBS- cijfers provinciale subsidies aan bibliotheken 2015: €10 miljoen; het CBS telt subsidies van provincies aan POI’en niet mee; de samenstelling van de €10 miljoen provinciale subsidies aan bibliotheken is niet duidelijk); Subsidie rijk: KB-beleidsplan 2015-2018: in 2015 €29,4 miljoen (€21,4 miljoen stelseltaken digitale infrastructuur + €8 miljoen inkoop e-content digitale bibliotheek. De subsidie voor leesgehandicapten van €11,27 miljoen is niet meegeteld. Tel ik de leesgehandicapten wel mee, dan is de verhouding: rijk 8,1%, provincies 9,1% en gemeenten 82,8%). Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  15. 15. 16 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING het Interprovinciaal Overleg (IPO), uiteraard ook weer te scheiden in ambtelijk en bestuurlijk. Ook aan de kant van de bibliotheekvoorzieningen zijn er meer spelers dan de bibliotheekorganisaties. In de meeste provincies komen de directeuren van bibliotheken regelmatig bijeen in het Provinciale Directieoverleg (PDO). Verder zijn de bibliotheken en de POI’en lid van de landelijke Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB). De VOB overlegt veel met de KB, maar ook met OCW. Ook KB en OCW voeren overleg. Daarnaast komt overleg OCW/ VOB/KB voor, soms meteen uitgebreid met VNG en IPO. De POI’en, vroeger Provinciale Bibliotheekcentrales (PBC’s) geheten en van 2004 tot 2015 Provinciale Serviceorganisaties (PSO’s), hebben zich verenigd in de Stichting Samenwerkende POI’s Nederland (SPN), die was voorafgegaan door de Vereniging PBC’s. Op landelijk niveau bestaat ook een samenwerkingsverband van zogeheten Plusbibliotheken, dat is voortgekomen uit de samenwerking van bibliotheken met een wetenschappelijke steunfunctie (WSF), vroeger RSF (regionale steun- functie) genaamd. Deze functie was bedoeld om op collectiegebied een hiaat te vullen tussen het niveau van gewone openbare bibliotheken en dat van de universiteitsbibliotheken (UB’en). De meeste Plusbibliotheken zijn openbare bibliotheken in grotere steden. Andere spelers aan de overheidskant zijn de Raad voor Cultuur (waaraan OCW inzake onder andere bibliotheekbeleid als onderdeel van cultuurbe- leid regelmatig advies vraagt) en aan de bibliothekenkant NBD Biblion BV, de organisatie die voor de openbare bibliotheken centraal boeken inkoopt en uitleenklaar maakt. Een volgende schil wordt gevormd door een aantal or- ganisatieadviesbureaus, vaak met inzet van mensen die zelf in een openbare bibliotheekorganisatie hebben gewerkt of soms zelfs al enkele malen geswitcht zijn van bureau naar bibliotheekorganisatie en omgekeerd. Veel van die bu- reaus adviseren zowel overheden als bibliotheken. DE DIGITALE BIBLIOTHEEK Tegen de achtergrond van dit gecompliceerde speelveld, in een politiek en maatschappelijk klimaat dat meer is gaan hechten aan marktgerichtheid en on- dernemerschap, waarin ook publieke voorzieningen als bibliotheken zich qua taalgebruik en gedrag gingen manifesteren als “bedrijven” met “klanten”, heeft het ministerie van OCW de afgelopen twintig jaar geprobeerd bibliotheek- vernieuwing tot stand te brengen. Directe aanleidingen daarvoor waren de in de jaren negentig gesignaleerde veranderingen in het vrijetijdsgedrag (“ont- lezing”) en de toenemende digitalisering van informatie. Deze veranderingen Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  16. 16. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 17 hadden en hebben niet alleen gevolgen voor uitgeverijen en boekhandels maar ook voor bibliotheken. Als voornaamste aspect van de bibliotheekvernieuwing heeft OCW, na een periode van herstructurering (vorming van “basisbiblio- theken”), in toenemende mate het ontwikkelen van een “digitale bibliotheek” beschouwd. UITGEVERIJEN EN BOEKHANDELS Eerder nog dan de bibliotheken kregen ook verwante sectoren als uitgeverijen en boekhandels te maken met de gevolgen van “ontlezing” en digitalisering. Net als de bibliotheken zijn ook deze sectoren op zoek naar antwoorden. De openbare bibliotheekwereld heeft veel raakvlakken met beide werelden. In het bestuur van NBD Biblion zijn de uitgevers vertegenwoordigd op voordracht van het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) en de boekhandelaren op voor- dracht van de Koninklijke Boekverkopersbond (KBb). Voor met name kleine uitgeverijen is NBD Biblion een belangrijke afnemer. Ook levert NBD Biblion bijdragen aan de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB). Er is niet alleen sprake van samenwerking, maar ook van spanningen. Sommige boekhandelaren vonden in het verleden dat elk door een bibliotheek uitge- leend boek voor een boekhandel een niet-verkocht boek is. Na veel lobby- werk kwam 25 jaar geleden de Stichting Leenrecht tot stand. Deze stichting int op basis van het aantal uitleningen leenrechtbijdragen van de bibliotheken, die op dezelfde basis verdeeld worden over auteurs, illustratoren en uitgevers. Bibliotheken zijn volgens de Auteurswet vrij in het uitlenen van boeken, mits zij leenrecht betalen. Deze uitzondering in de Auteurswet geldt niet voor e-books. De komst van de digitale bibliotheek, sinds 1 januari 2015 ondergebracht bij de KB, en de groei in uitleningen van e-books, hoewel bescheiden, leverde nieuwe spanningen op. E-books vallen niet onder het leenrecht. Dit betekent dat de KB met elke uitgever afzonderlijk afspraken moet maken over de voorwaarden waaronder e-books kunnen worden ingekocht en uitgeleend. De VOB beijvert zich voor het onderbrengen van e-books bij het leenrecht, maar het NUV is daartegen omdat het concurrentie vreest voor de verkoop van e-books.* Probleem hier- bij is ook het illegaal downloaden en verspreiden van e-books. In 2005 kwam de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een rapport Focus op functies, waarin bepleit werd in brede zin na te gaan welke informatiefuncties, of ze nu worden uitgeoefend door commerciële or- ganisaties zoals boeken- en krantenuitgevers, boekhandelaren en commerciële omroepen of door gesubsidieerde instellingen als openbare bibliotheken en Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD * Een uitspraak van het Europese Hof (november 2016) kan hier verandering in aanbrengen. Het Hof meent dat e-books qua leenrecht gelijkgesteld kunnen worden aan fysieke boeken, echter alleen bij een model van one copy one user. De landelijke digitale bibliotheek hanteert het model one copy multiple users. De KB kondigde aan de gevolgen met alle betrokken partijen te gaan bespreken.
  17. 17. 18 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING publieke omroepen, overheidssteun zouden moeten krijgen. Het pleidooi was niet te kijken naar instellingen, maar naar functies. Een dergelijke zienswijze komt van tijd tot tijd terug in discussies, maar heeft nog niet geleid tot wezenlij- ke veranderingen in het overheidsbeleid. EXTRA GELDEN De bibliotheekvernieuwing ging gepaard met extra OCW-gelden, oplopend van circa €6 miljoen per jaar tot zo’n €30 miljoen per jaar, maar altijd nog een schijntje vergeleken met wat gemeenten betalen (in 2015 volgens het CBS ca. €414,6 miljoen). De bibliotheekvernieuwing werd in de jaren 1995-2001 voorbereid door mid- del van een aantal adviesrapporten. Daarna creëerde OCW vanaf 2001 een bestuurlijk kader in de vorm van afspraken met VNG en IPO. In de periode 2001-2004 gold er een door deze drie partijen ondertekend Koepelconvenant herstructurering openbaar bibliotheekwerk, dat in de jaren 2004-2007 werd verlengd door middel van een Aanvulling op het Koepelconvenant. In 2008 en 2009 (overgangsjaren) kwam er een grote beleidswending, door- dat OCW zijn subsidiegelden aan de VOB (bedoeld voor de stelseltaken) in- trok en deze ging beleggen bij een nieuw opgericht Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) met daarnaast een door OCW gesubsidieerde stichting Bibliotheek.nl (BNL) voor de ontwikkeling van “de digitale bibliotheek” (tot dan toe een initiatief van de VOB). SIOB en BNL werden als nieuwe spelers op het toch al complexe veld ge- definieerd in een volgende overeenkomst tussen OCW, VNG en IPO: het Bibliotheekcharter voor de periode 2010-2012. In 2011 kwam OCW met een tweede grote ingreep door in overleg met de VNG te besluiten na afloop van het Bibliotheekcharter geld aan het gemeentefonds te gaan onttrekken om daarmee centraal e-content (o.a. e-books) te kunnen laten aanschaffen (zie hoofdstuk 6, Onttrekking). In de loop van deze jaren kwam OCW ook met het idee de bestaande, zwakke wetgeving op bibliotheekgebied in de vorm van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc) te vervangen door een nieu- we wet, de al genoemde Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob). Tevens werd besloten de taken van het SIOB en BNL tegelijk met het ingaan van de nieuwe wet onder te brengen bij de Koninklijke Bibliotheek (KB). Het maken van het wetsontwerp en de behandeling duurden langer dan tijdens het Bibliotheekcharter werd voorzien, waardoor de drie overheidspartijen nog Bestuurlijke afspraken VNG, IPO, OCW over het openbare bibliotheekwerk 2013-2014 overeenkwamen. Op 1 januari 2015 trad de Wsob in werking. Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  18. 18. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 19 ONTEVREDENHEID De periode van twintig jaar bibliotheekvernieuwing ging gepaard met een on- overzienbare hoeveelheid toekomstvisies, monitorstukken, processtukken, eindrapportages en andere papieren, die samen de weerspiegeling vormen van een aanpak die nooit af zal zijn en nooit iedereen tevreden zal stellen, namelijk een halfslachtige poging om met relatief weinig centrale wettelijke en financiële middelen “regie” te willen claimen voor een gedecentraliseerde werksoort. De Nederlandse politiek koos ten aanzien van openbaar biblio- theekwerk niet voor volledige decentralisatie (waarbij alles aan de gemeenten en de lokale bibliotheken zou zijn overgelaten), maar ook niet voor centralisatie (waarbij er een stevige wet zou zijn en volledige bekostiging door het rijk). Het gevolg is een tientallen jaren lang doorzeuren van ontevredenheid, met twee uitersten. Aan de ene kant zich autonoom wanende bibliotheekbedrijven die klagen over rijksbemoeienis en “geen last willen hebben” van de KB of van “de landelijke digitale bibliotheek” en aan de andere kant centrale instituties die lokale bibliotheken versnipperd en kortzichtig vinden en die lokale bibliotheken verwijten niet het belang van “eenheid” te willen inzien. Daartussenin zit dan een pragmatische groep van bibliotheken die probeerde en probeert het beste van beide werelden te verenigen, wat maar in beperkte mate kan lukken. PERIODEN BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Iets uitgebreider dan hierboven al gedaan is, kan de twintigjarige periode van bibliotheekvernieuwing (ook wel bibliotheekherstructurering of bibliotheekin- novatie genoemd) worden ingedeeld in de volgende perioden, opgehangen aan nota’s en bestuurlijke overeenkomsten: 1995-2001 Een soort voorspel, met als belangrijke stukken de in 1995 verschenen strategienota van het Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum (NBLC; voorganger van VOB), Op weg naar 2005, het in 1998 uitgekomen advies van de Raad voor Cultuur De bestuurlijke organisatie van het openbare bibliotheekwerk en het in 2000 verschenen rapport van een door OCW ingestelde Stuurgroep-Meijer Open poort tot kennis, dat in juli 2001 nog werd aangevuld met Open poort tot kennis; de kosten, van het bureau IOO BV. 2001-2004 Het Koepelconvenant van OCW, VNG en IPO, met de nadruk op de vorming van basisbibliotheken (streven naar fusies van openbare bibliotheekorganisaties, met een bedrag van €5,5 mil- joen aan OCW-gelden, dat door indexering jaarlijks iets opliep). Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  19. 19. 20 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING 2004-2007 Aanvulling op het Koepelconvenant, waarbij OCW behalve gelden voor basisbibliotheekvorming ook vernieuwingsgelden beschikbaar stelde (van €2 miljoen in 2004, via €5 miljoen in 2005 en €8 miljoen in 2006 oplopend tot €20 miljoen in 2007, naast de ca. €5,5 miljoen voor basisbibliotheekvorming). Het meeste geld werd aangewend via de provincies, die mars- routeplannen moesten ontwikkelen. De Aanvulling formuleerde als belangrijk onderdeel van de inhoudelijke vernieuwing: “Het vormgeven van de landelijk georganiseerde dienstverlening (de landelijke portal ‘bibliotheek.nl’) en de afstemming met digitale diensten op lokaal en regionaal niveau.” 2008-2009 Een cruciale tussenperiode zonder formele afspraken tussen OCW, VNG en IPO, maar wel voorbereidingen op een nieu- we situatie. In 2008 besloot Ronald Plasterk, minister van OCW, de stelseltaken (en -gelden) weg te halen bij de VOB en een Sectorinstituut in het leven te roepen. In november 2008 bracht een door de minister ingestelde “programma- commissie bibliotheekvernieuwing” (naar haar voorzitter de Commissie-Calff genoemd) het rapport Innovatie met effect uit. In de loop van 2009 ging een door OCW in het leven geroepen Projectgroep Bibliotheekinnovatie aan de slag op basis van het door OCW, IPO en VNG in december 2008 gemodificeerde rapport-Calff. In november 2009 werden de Stichtingen Sectorinstituut Openbare Bibliotheken en Bibliotheek.nl opgericht. In decem- ber 2009 tekenden OCW, IPO en VNG het Bibliotheekcharter 2010-2012, met als voornaamste aandachtspunt “de digitale bibliotheek”. 2010-2012 Bibliotheekcharter, waarin o.a. stond dat OCW een wijziging van de bestaande Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc) voorbereidt. Eind 2011 kondigde staatssecretaris Halbe Zijlstra in plaats van de bibliotheekbepalingen in de Wsc een nieuwe wet aan en de komst van een landelijke digitale bibliotheek. Eind 2012 maakte OCW bekend het SIOB en BNL op te heffen en hun taken ingaand 1 januari 2015 onder te brengen bij de KB. 2013-2014 Bestuurlijke afspraken VNG, IPO en OCW 2013-2014. Voorbereidingen Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  20. 20. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 21 door minister Jet Bussemaker in 2013 en behandeling in Tweede en Eerste Kamer in 2014. De Eerste Kamer aanvaardde het wetsvoorstel in november 2014. 2015 Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen per 1 janu- ari ingegaan. SIOB- en BNL-taken ondergebracht bij de KB. Centrale rol voor KB t.a.v. “de landelijke digitale bibliotheek”. Discussies over de verhouding van deze landelijke digitale biblio- theek tot de lokale bibliotheken. Hoofdstuk 2, “Bibliotheekvernieuwing in hoofdlijnen”, behandelt deze perio- den wat uitvoeriger, maar nog steeds beknopt vergeleken met de gigantische berg aan stukken waaruit geput kon worden. In hoofdstuk 3 worden enkele thema’s die bij de bibliotheekvernieuwing voort- durend een rol speelden nader besproken. In hoofdstuk 4 komen enkele hoofdrolspelers aan het woord. Hoofdstuk 5 bevat een slotbeschouwing: wat heeft twintig jaar bibliotheekver- nieuwing met OCW-bemoeienis nu eigenlijk wel en niet concreet opgeleverd? Zoals uit dit hoofdstuk 1, “Introductie”, al blijkt heeft de bibliotheekvernieu- wing tot heden niet geleid tot grote tevredenheid bij alle betrokken partijen. Hoofdstuk 5 gaat daar verder op in. Hoofdstuk 6, “Van Aanvulling tot en met Wet”, gaat dieper in op adviezen, bestuurlijke overeenkomsten, wetten en andere zaken die een belangrijke rol speelden in de bibliotheekvernieuwing. Dit hoofdstuk is niet bedoeld om achter elkaar te lezen, maar om de in de eerste vijf hoofdstukken genoemde begrippen nader toegelicht te krijgen. Hoofdstuk 1 INTRODUCTIE: HET GECOMPLICEERDE SPEELVELD
  21. 21. 22 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Introductie-hoofdstuk 1 eindigde met een schematisch overzicht van de peri- oden van bibliotheekvernieuwing. Deze perioden worden hieronder wat uit- voeriger behandeld, maar nog steeds beknopt vergeleken met de gigantische berg aan brieven, nota’s, adviezen, overeenkomsten en monitorrapportages waaruit geput kon worden. De gehanteerde periode-indeling is dezelfde als in hoofdstuk 1. De nadruk ligt in hoofdstuk 2 op de bestuurlijke en procesmatige kant van de bibliotheekver- nieuwing. Inhoudelijke ontwikkelingen, visies op de rol van openbare biblio- theken in de samenleving en discussies daarover komen uitvoerig aan bod in verschillende onderdelen van hoofdstuk 6. Dit hoofdstuk 6 is overigens niet be- doeld om achter elkaar te lezen, maar meer als een soort naslagwerk voor wie verdieping wil van teksten, gebeurtenissen of zaken die hieronder genoemd worden. Als de tekst digitaal zou zijn geweest, zouden de vetgedrukte termen “links” zijn geweest. VOORSPEL, 1995-2001 OP WEG NAAR 2005 Het NBLC stelde in 1995 een door een commissie Strategieontwikkeling voorbereide strategienota Op weg naar 2005 vast. De nadruk lag op de eerste fase, 1995-1998. Aan de hand van een SWOT-analyse waren er drie strategi- sche hoofddoelstellingen vastgesteld: 1. Het versterken van de brancheorganisatie, oftewel de gezamenlijkheid van het bibliotheekwerk. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  22. 22. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 23 2. De verbetering van de aansluiting op de marktontwikkelingen. 3. Het versterken van de innovatie- en ontwikkelingscapaciteit van de branche. Flankerend personeels- en organisatiebeleid werd een belangrijk instrument gevonden om deze doelstellingen te bereiken. In 1998 schreef Hans Veen, toen directeur van Bibliotheek Leiden, in de Informatie Professional een evaluatie van de nota waaruit bleek dat er van de NBLC-strategie nog weinig terechtgekomen was. De primair door gemeenten gefinancierde bibliotheken waren vooral met de eigen lokale omgeving bezig. ADVIEZEN IN 1998 EN 2000 Maar ook OCW ging zich, ondanks de decentralisatie, weer meer met biblio- theekwerk bezighouden. In hetzelfde jaar, 1998, verscheen er een advies van de Raad voor Cultuur met de titel De bestuurlijke organisatie van het open- bare bibliotheekwerk (12 november 1998), naar aanleiding van een adviesaan- vraag d.d. 23 maart 1998 van staatssecretaris Aad Nuis (D66, kabinet-Kok I) van OCW. Dit advies werd breed verworpen, omdat het opriep tot door gemeenten en provincies gezamenlijk gefinancierde bibliotheekorganisaties met werkgebie- den van 400.000 tot 500.000 inwoners. Daar waren bestuurlijk Nederland en ook de bibliotheekbranche niet aan toe. OCW besloot vervolgens een nieuw advies te vragen aan een commissie onder voorzitterschap van Wim Meijer met de naam “Stuurgroep herstructurering openbaar bibliotheekwerk”. Het advies verscheen op 4 april 2000 onder de titel Open poort tot kennis. KOEPELCONVENANT, 2001-2004 De drie overheidslagen (gemeenten, provincies en rijk) vertegenwoordigd door VNG, IPO en OCW besloten op basis van Open poort tot kennis in december 2001 een convenant af te sluiten: het Koepelconvenant herstruc- turering openbaar bibliotheekwerk. Daarmee was het startsein gegeven voor een officieel proces van “bibliotheekherstructurering”, ook wel “bibliotheek- vernieuwing” of “bibliotheekinnovatie” genoemd. In het Koepelconvenant ver- bonden de drie partijen zich om in een periode van vier jaar het openbare bibliotheekwerk te herstructureren. Voor “de onderlinge afstemming van het beleid, de vergroting van de samenhang en de vermindering van de vrijblij- vendheid” werd een Stuurgroep Bibliotheken ingesteld. Voor de uitvoering kwam er een Procesbureau bibliotheekvernieuwing, met als procesmanager oud-OCW-ambtenaar Wim Kamerman. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  23. 23. 24 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING In een beleidsbrief Bibliotheken in beweging d.d. 3 april 2002 aan de Tweede Kamer gaf staatssecretaris Rick van der Ploeg (PvdA, kabinet-Kok II) toelichting op Open poort tot kennis en het Koepelconvenant. Staatssecretaris Cees van Leeuwen (LPF, kabinet-Balkenende I) vulde deze brief op 6 mei 2003 aan met een beleidsbrief Bibliotheken in beweging, deel II. De eerste jaren van de bibliotheekvernieuwing lag de nadruk sterk op het vor- men van zogenaamde “basisbibliotheken” (basisbibliotheekvorming) met een minimum-werkgebied van 30.000 inwoners, maar liefst groter. Voordien had vrijwel elke gemeente in Nederland een bibliotheek (als organisatie). De vor- ming van basisbibliotheken beoogde tot grotere organisatorische eenheden te komen die meerdere gemeenten konden omvatten. OCW stelde er 11 mil- joen gulden (4,99 miljoen euro) voor beschikbaar, bestemd voor bibliotheken in gemeenten met minder dan 30.000 inwoners. Het bedrag was bedoeld voor “de personele kosten die gemoeid zijn met het vormgeven van het op- drachtgeverschap van gemeenten daar waar het gaat om directievoering en financiële administratie van de basisbibliotheek.” Tot dan toe was de in de jaren tachtig bij de decentralisatie gemaakte afspraak dat de PBC’s directievoering en financiële administratie “om niet” aanbieden aan bibliotheken in gemeenten met minder dan 30.000 inwoners (de “30-min-gemeenten”). Zolang de basisbibliotheken er nog niet daadwerkelijk waren, werd het OCW- geld via de provincies ingezet om de vorming van basisbibliotheken inhoudelijk en organisatorisch te stimuleren. VNG, IPO en OCW namen de inspannings- verplichting op zich om gedurende de uitvoeringsperiode de budgetten (peil- datum 1 januari 2000) tenminste op gelijk niveau te houden. Hoewel er ook gemeentelijke herindelingen (fusies) waren en zijn, bleven deze achter bij de fusies van bibliotheken. AANVULLING KOEPELCONVENANT, 2004-2007 Injuli2004kwamenOCW,IPOenVNGeenAanvullingophetKoepelconvenant overeen en stelde OCW naast de OCW-gelden voor de basisbibliotheekvor- ming ook innovatiegelden (zogenaamde “enveloppegelden”) voor inhoudelijke vernieuwing beschikbaar. Ook deze gelden werden grotendeels aangewend via de provincies, die zogeheten “marsrouteplannen” voor inhoudelijke ver- nieuwing gingen maken. Het ging om €2 miljoen in 2004, oplopend naar €20 miljoen in 2007. De OCW-gelden voor de basisbibliotheekvorming hadden de benaming “5,5-miljoen-regeling” (het bedrag was inmiddels door inflatiecorrectie wat Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  24. 24. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 25 opgelopen) gekregen. Deze werd snel nadat de Aanvulling tot stand kwam Ondersteuningsregeling basisbibliotheken genoemd. De regeling zou lopen tot 2008. De ermee gemoeide gelden werden in de periode 2008 t/m 2012 nog als “integratie-uitkering” (geoormerkt geld) via het gemeentefonds uitgekeerd aan gemeenten met minder dan 30.000 inwoners. De nieuwe, aanvullende regeling heette “vernieuwingsimpuls” (met vernieu- wingsgelden, innovatiegelden, intensiveringsmiddelen of enveloppegelden). De Aanvulling formuleerde als belangrijk onderdeel van de inhoudelijke ver- nieuwing: “het vormgeven van de landelijk georganiseerde dienstverlening (de landelijke portal “bibliotheek.nl”) en de afstemming met digitale diensten op lokaal en regionaal niveau.” De Aanvulling introduceerde onder andere het begrip “instapniveau”, dat nog jarenlang gebruikt zou worden, totdat de VNG in 2011 meldde zich niet meer aan dat instapniveau gebonden te achten vanwege de noodzaak voor gemeen- ten te bezuinigen. Er werden in 2004 voor het instapniveau drie clusters van omvang werkgebied onderscheiden: • tot 30.000 inwoners: €11 per inwoner; • 30.000 - 90.000 inwoners: €12 per inwoner; • 90.000 of meer inwoners: €15 per inwoner. Behalen of minimaal handhaven van dat instapniveau was een voorwaarde om voor OCW-vernieuwingsgelden in aanmerking te komen. Op 31 december 2007 eindigde het Koepelconvenant (inclusief Aanvulling) en werd het Procesbureau opgeheven. Het voornaamste resultaat van het Koepelconvenant en de Aanvulling was dat er minder, maar grotere bibliotheekorganisaties zijn gekomen. Volgens de CBS- statistiekcijfers waren er in 2001, bij het tekenen van het Koepelconvenant, 508 openbare bibliotheken (als organisatie, dus niet als vestiging), ongeveer net zo veel als er gemeenten waren. In 2008, na afloop van het Koepelconvenant (inclusief Aanvulling), waren het er 194. In 2006 kwam er een systeem van certificering. De VOB en de VNG richtten toen de Stichting Certificering Openbare Bibliotheken (SCOB, www.certificeringob.nl) op om de gewenste certificering onafhankelijk te kun- nen uitvoeren. De SCOB wordt sinds 1 januari 2015 gesubsidieerd door de KB. Het bestuur bestaat uit vijf personen. Twee leden worden aangewezen door de VNG, twee leden door de VOB en een lid wordt aangewezen door de KB. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  25. 25. 26 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Ook na 2008 vonden er nog fusies plaats, in 2015 waren er volgens het CBS 156 openbare bibliotheken en 393 gemeenten (in 2016: 390 gemeenten). Bij deze cijfers moet wel bedacht worden dat het aantal werkgevers geste- gen is, in plaats van gedaald. Tot 2001 besteedden vrijwel alle bibliotheken in gemeenten met minder dan 30.000 inwoners hun directievoering en werk- geversfunctie uit aan een PBC. In 2008 was dat alleen nog in overwegende mate het geval in de provincies Groningen, Drenthe en Overijssel, omdat daar gekozen werd voor het “netwerkmodel” in plaats van het “grote basisbibliothe- kenmodel”. Zie ook: Basisbibliotheekvorming. OVERGANGSJAREN, 2008-2009 In april 2008 was er een slotmanifestatie, onder de naam Verder!. Er lagen toen 499 pagina’s aan teksten over de toekomst van het openbare bibliotheek- werk, waaronder het Eindrapport van de Stuurgroep Bibliotheken 2002-2007. Daarin werd onder andere bepleit een onafhankelijk landelijk regieorgaan, een Platform voor bibliotheekvernieuwing, in het leven te roepen. De OCW- vernieuwingsgelden (inmiddels €20 miljoen) zouden aan dat Platform moeten worden toegekend. Verder lagen er onder andere een SCP-rapport met de titel De openbare bibliotheek 10 jaar van nu met een aantal handreikingen en een concept-Agenda voor de toekomst 2009-2012 van de VOB (voorbereid door een commissie onder voorzitterschap van Frans Meijer, oud-directeur Bibliotheek Rotterdam, 1995-2004). Uit een adviesaanvraag van minister Ronald Plasterk van OCW (PvdA, kabi- net-Balkenende IV) aan de Raad voor Cultuur, ook in april 2008, bleek dat hij al van plan was de OCW-gelden centraal in te zetten (“meer centrale regie”). De adviesaanvraag was verpakt in een aantal stellingen waar hij bevestiging voor vroeg. De Raad voor Cultuur ging daarin mee en adviseerde het OCW- vernieuwingsgeld in te zetten op een innovatieplatform en verder een organi- satorische splitsing aan te brengen tussen bestel- en branchetaken, door naast de branchevereniging (de VOB) een onafhankelijk sectorinstituut voor de be- steltaken in het leven te roepen. Op termijn zou daar ook het vernieuwingsgeld naar toe moeten (Advies Raad voor Cultuur, 19 mei 2008). In juli 2008 kwam de minister, na bestuurlijk overleg met VNG en IPO, met het plan een “programmacommissie bibliotheekvernieuwing”, later “Adviescommissie Bibliotheekinnovatie” genoemd, in te stellen die een inno- vatieplan 2009-2012 (met activiteitenprogramma) moest opstellen. Prioriteit Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  26. 26. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 27 zouden moeten hebben digitalisering, collectiebeleid, marketing en HRM. De Commissie-Calff, genoemd naar haar voorzitter, Josje Calff, adjunct-di- recteur Universiteitsbibliotheek Leiden, bracht in november 2008 het rapport Innovatie met effect uit. AANKONDIGING SECTORINSTITUUT Plasterk besloot in overleg met VNG en IPO, na het advies van de Raad voor Cultuur, voor de besteltaken een Sectorinstituut in het leven te roepen en de VOB te beschouwen als zuivere branchevereniging, bekostigd door de biblio- theken. Dit betekende: geen bekostiging van besteltaken meer door OCW aan de VOB en ontvlechting van de VOB (uit elkaar halen bestel- en branche- taken). In juli 2008 publiceerde de VOB haar definitieve Agenda voor de toekomst 2009-2012. Het VOB-bestuur verzette zich aanvankelijk tegen ontvlechting, maar in au- gustus verscheen er een communiqué waarin het bestuur zich erbij neerlegde. Omdat de leden verdeeld waren over de zin van de ontvlechting kwamen er tumultueuze ledenvergaderingen, waarin gepoogd werd zo veel mogelijk grip te houden op de officiële bibliotheekvernieuwing van OCW. Ook moest de VOB zich gaan bezighouden met de gevolgen van de ontvlech- ting. Tijdens ledenvergaderingen in 2009 werd verschillende malen gespro- ken over takenlijstjes voor de nieuwe VOB en het nieuwe Sectorinstituut. De kwartiermaker voor de nieuwe brancheorganisatie, Frans Meijer (al betrokken bij de Agenda voor de toekomst) en de kwartiermaker voor het Sectorinstituut, Bart Drenth (bureau Berenschot en tevens programmamana- ger Bibliotheekinnovatie) hadden regelmatig overleg en begonnen te praten over “een collectieve agenda”, maar wel met eigen rollen voor de beide or- ganisaties, die zich in de tweede helft van 2009 begonnen uit te kristalliseren. Besloten werd ook dat de “nieuwe VOB” (d.w.z. een VOB met alleen bran- chetaken) zou fuseren met de Werkgeversvereniging Openbare Bibliotheken (WOB). Het WOB-bestuur benoemde Hans van Velzen, directeur van de OBA, als kwartiermaker voor deze fusie (“invlechting” WOB in VOB; de WOB fuseerde in de loop van 2010 met de VOB-zonder-stelseltaken). Toen in 2009 besloten werd ook een aparte, zij het tijdelijke, Stichting Bibliotheek.nl (BNL) op te richten, moest ook gekeken worden naar de taken van deze stichting en de verhouding met de VOB. De VOB-leden vonden dat de VOB de zeggenschap moest houden over “de digitale bibliotheek”, maar Bart Drenth meende dat wie betaalt (en dat was OCW) bepaalt. Eind 2009 besloot de VOB-directeur, Jan Ewout van der Putten, te vertrekken bij de VOB. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  27. 27. 28 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING OCW, VNG en IPO spraken in 2009 af te gaan werken aan een Bibliotheekcharter met een bestuurlijk en een inhoudelijk deel. De OCW- vernieuwingsgelden (zo’n €20 miljoen) bleven gehandhaafd, voor een centrale inzet. De eerste maanden van 2009 werkte de VOB nog, met een inmiddels inge- huurde deskundige op het terrein van digitalisering, Peter van Eijk, aan de eigen Agenda voor de toekomst. PROJECTGROEP BIBLIOTHEEKINNOVATIE In juli 2009 ging er onder leiding van de al genoemde Bart Drenth een door OCW in het leven geroepen Projectgroep Bibliotheekinnovatie aan de slag op basis van het door OCW, IPO en VNG in december 2008 lichtelijk gemodificeerde rapport-Calff. De Projectgroep werd aangestuurd door een Regiegroep. Peter van Eijk werd in de Projectgroep programmacoördinator digitale bibliotheek. De Projectgroep zei dat het geen democratisch proces zou worden, maar belegde wel bijeenkomsten met kritische vrienden. De Projectgroep noemde het belangrijkste doel van de bibliotheekvernieuwing het creëren van een “Funda voor de bibliotheken”: het hele fysieke en digitale aan- bod van alle openbare bibliotheken, universiteitsbibliotheken (UB’en) en KB, in één zoekgang toegankelijk maken. Later werd dit de Nationale Bibliotheek Catalogus (NBC) genoemd, als belangrijkste element van een te creëren lan- delijke digitale infrastructuur. SUBSIDIEREGELING BIBLIOTHEEKINNOVATIE Niet alle vernieuwingsgelden (in 2009 €19 miljoen, want er was inmid- dels wat geld afgesplitst voor een programma Kunst van Lezen) gingen naar de Projectgroep, in september 2009 kwam er een Subsidieregeling bibliotheekinnovatie waar OCW €7,5 miljoen voor beschikbaar stelde. De aanvragen moesten passen in de gewenste ontwikkeling van “de digitale bibliotheek”. “COLLECTIE EN FRANCHISE” EN RETAIL In november 2009 publiceerde OCW een lijst van 17 projectaanvragen die voor subsidie in aanmerking waren gekomen. Het meeste geld ging naar een project Collectie en Franchise van tien bibliotheken (bijna €2 miljoen) en Boek1boek van Bibliotheek Heerlen (€1 miljoen). De projecten moesten, op advies van de Projectgroep, herhaalbaar, opschaalbaar en betaalbaar zijn. Het eerste project, dat de tien initiatiefnemers ook wel De Bibliotheek Nederland (DBN) noemden, had niet veel te maken met de digitale bibliotheek, maar ging veel meer over inhoud en presentatie van fysieke Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  28. 28. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 29 bibliotheken. Het project leidde tot plannen voor een Formulebureau, later omgevormd tot Retailbureau, na 2014 de Bibliotheekformule geheten. Het tweede project, Boek1boek, gaf een impuls aan wat later het project “de Bibliotheek op school” werd. BIBLIOTHEEKCHARTER, 2010-2012, MET SIOB EN BNL In november 2009 richtte de Projectgroep op verzoek van OCW de Stichtingen Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) en Bibliotheek.nl op om haar werk voort te zetten. Ze werden beide genoemd in de bestuurlijke afspraken voor de periode 2010-2012, het Bibliotheekcharter 2010-2012. In december 2009 tekenden OCW, IPO en VNG dat Charter. Het Bibliotheekcharter signaleerde dat er naast de fysieke openbare bibliothe- ken een “digitale openbare bibliotheek” ontstaat en dat de “bibliotheek van de toekomst” uit twee pijlers bestaat: de fysieke en de digitale bibliotheek. Het Charter noemde de ontwikkeling van de digitale bibliotheek het belangrijkste terrein van innovatie in 2010-2012. Het Charter bevestigde de ontvlechting van de VOB in een branchevereniging (gedragen en bekostigd door de leden) en een sectorinstituut (bekostigd door het rijk). Vastgelegd werd dat het beheer en de exploitatie van de “landelijke di- gitale bibliotheek” zal worden uitgevoerd door de stichting Bibliotheek.nl, later in de wandeling BNL genoemd. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  29. 29. 30 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Uitgangspunt was ook de collecties van de Nederlandse openbare bibliotheken en PSO’s te beschouwen als één “collectie Nederland”, op termijn uit te brei- den met de collecties van de universiteitsbibliotheken en de KB. Het Charter bevestigde dat het inzake bibliotheekwerk gaat om een “decentraal bestel” met verantwoordelijkheden voor de drie overheidslagen: gemeenten voor uitvoerend werk van de fysieke bibliotheek en voor lokale netwerken, provincies voor ondersteuning van uitvoerend werk en voor provinciale net- werken en het rijk voor de bestelverantwoordelijkheid en daaruit voortvloeien- de bestel- en opdrachttaken, waaronder de digitale bibliotheek. In het Charter stond verder dat er in de looptijd ervan een aanpassing van de Wet op het specifiek cultuurbeleid wordt voorbereid, waarin de functies van het bibliotheeknetwerk en het leenverkeer opnieuw worden gedefinieerd. 2010: “COLLECTIEVE AGENDA” In januari 2010 gingen het SIOB (eerst met Bart Drenth als interim-directeur en ingaand 1 juni met Leo Voogt als directeur), de Stichting BNL (met Peter van Eijk als bouwheer en directeur) en de nieuwe brancheorganisatie onder de oude naam VOB (sinds april 2010 met Ap de Vries als directeur) van start. Voogt was voordien directeur van Museum Meermanno en De Vries directeur van Kunstconnectie. Er was sprake van een “collectieve agenda”, maar in de praktijk bleek dat er, ze- ker in het begin, voortdurend posities bepaald moesten worden. Ook toonde de Raad voor Cultuur zich in de loop der jaren steeds kritischer over het SIOB en BNL. Het SIOB zou meer regie moeten krijgen, ook over BNL, zo meende de Raad voor Cultuur. Het SIOB kreeg als doel de stelseltaken, tot 2010 belegd bij de VOB, uit te voeren: 1. afstemming en coördinatie, 2. educatie, informatie en reflectie, 3. instandhouding voorziening leesgehandicapten en 4. vertegenwoordiging en promotie. In het eerste beleidsplan, 2010-2012, gaf het SIOB aan dat de digitalisering noodzaakt tot een andere aanpak, met veel meer samenwerking tussen open- bare en wetenschappelijke bibliotheken en tussen bibliotheken en maatschap- pelijke partners, met name scholen. Aan dat laatste heeft het SIOB een impuls gegeven door, samen met de Stichting Lezen in het kader van het OCW- programma “Kunst van Lezen”, waar OCW onder andere een deel van de Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  30. 30. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 31 €20 miljoen vernieuwingsgeld aan ging besteden, het concept “de Bibliotheek op school” (dBos) flink te stimuleren. Dat betekende voor de openbare biblio- theken een verschuiving naar de educatieve functie. Als doelstelling publiceerde BNL op haar website: “BNL bouwt de landelijke digitale bibliotheek. BNL is geen marktpartij met een winstoogmerk, maar een stichting van en voor de openbare bibliotheken. BNL verleent drie typen dien- sten aan bibliotheken: infrastructuurdiensten, content-diensten en marketing- diensten. Dat moet ertoe leiden dat alle Nederlandse openbare bibliotheken straks beschikken over een state-of-the-art website en apps in één herkenba- re huisstijl. Dankzij de gezamenlijke infrastructuur wordt de Bibliotheek beter vindbaar op het internet. Ze kan klantgerichter gaan werken door het ontwik- kelde CRM-systeem. Op grond van de managementinformatie uit het nieuwe Datawarehouse kan zij betere beslissingen nemen. Kort samengevat: door de gezamenlijke landelijke ontwikkeling van de infra- structuur en contentdiensten krijgen de bibliotheken verhoudingsgewijs meer kwaliteit tegen minder kosten. Daar profiteren vervolgens hun leden weer van.” De belangrijkste inhoudelijke zaken waar BNL zich mee bezig hield waren de Nationale Bibliotheek Catalogus (waar de Projectgroep Bibliotheekinnovatie in 2009 aan begonnen was: “het Funda van de bibliotheken”), het maken van een e-bookplatform (als voorloper van een landelijke digitale bibliotheek), een Datawarehouse (een centrale plek voor gegevens) en de Website as a Service (WaaS, een standaard-website voor bibliotheken). SUBSIDIEREGELINGEN AANSLUITING DIGITALE BIBLIOTHEEK Niet alleen in 2009 kwam er een OCW-subsidieregeling voor bibliotheken, maar ook in 2010 en 2011. In een “Subsidieregeling aansluiting digitale biblio- theek” werd in 2010 €3,5 miljoen uitgetrokken voor aansluiting van basisbi- bliotheken, WSF-bibliotheken en PSO’s op de landelijke digitale bibliotheek. Voor basisbibliotheken was €1.554.000 beschikbaar, voor WSF-bibliotheken €1.050.000 en voor PSO’s €900.000. Dat kwam neer op €75.000 voor elke WSF-bibliotheek en PSO en €37.000 per basisbibliotheek (maximaal 42 in het land, of hooguit 4 per provincie). Hiermee werd invulling gegeven aan een onderdeel van het Bibliotheekcharter, waarin stond dat er voor lokale en provinciale implementatie €3,5 miljoen beschikbaar is (€1,5 miljoen uit 2009 en €2 miljoen uit 2010). De regeling meldde dat niet alle bibliotheken al in 2010 konden meedoen. Om die reden kregen circa 60 bibliotheken (alle 14 WSF- en zo’n 42 basisbibliotheken), alsmede de 11 PSO’s gelegenheid gebruik te maken van de regeling. Het begrip “aansluiting” hield in: bereidheid tot deelname aan de informatie-in- Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  31. 31. 32 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING frastructuur van de landelijke digitale bibliotheek, die in elk geval bestaat uit het gebruik van de volgende componenten: a. de technische en organisatorische aansluiting op de gemeenschappelijke website-infrastructuur; b. de aansluiting op de Nationale Bibliotheek Catalogus; c. de aansluiting op het gemeenschappelijke datawarehouse. Omdat er niet genoeg geld beschikbaar was, kwam er een loting. Bij de ver- deling werd ten hoogste aan vier basisbibliotheken per provincie subsidie ver- leend. Er was gekozen voor loting, omdat er voor de aansluiting geen kwali- tatieve criteria waren en er op basis daarvan geen onderscheid gemaakt kon worden tussen bibliotheken. In 2011 kwam er een vervolg. Dat jaar was er €4,9 miljoen voor beschikbaar en konden ook de bibliotheken die in 2010 uit de boot waren gevallen subsidie aanvragen. Op één na (De Bieb voor de Zaanstreek) hebben alle bibliotheken dat gedaan. LASTIGE OMSTANDIGHEDEN Gedurende haar bestaan liet BNL regelmatig blijken te moeten opereren in lastige omstandigheden (tussen gedecentraliseerde bibliotheken en een door OCW betaalde centrale aanpak van “een digitale bibliotheek”). Ook speelde een rol dat NBD Biblion, die voor de openbare bibliotheken centraal boeken inkoopt, een rol op het gebied van e-books logisch achtte. Nieuwe ontwikke- lingen konden volgens de NBD alleen goed tot uitvoering worden gebracht als ze ook exploitabel zouden zijn, conform de werkwijze van NBD Biblion op het gebied van fysieke boeken. De positie van BNL als door OCW gesubsidieerde instelling voldeed daar niet aan. VERTREK VOOGT SIOB-directeur Leo Voogt kondigde in september 2010 aan al per 1 december bij het SIOB te zullen vertrekken. De reden was dat hij ruimere bevoegdheden wenste om de door OCW verlangde regierol waar te kunnen maken. Staatssecretaris Halbe Zijlstra van OCW (VVD, kabinet-Rutte I) schreef op 6 december 2010 in een brief aan het SIOB dat voor hem het SIOB bij uitstek het instrument is om invulling en uitvoering te geven aan zijn generieke ver- antwoordelijkheid voor het bibliotheekstelsel. “Wil het Sectorinstituut hierin succesvol zijn, dan zal het gezagvol, overtuigend en inspirerend dienen op te treden. Het komt er daarom nu op aan in de uitwerking van het beleidsplan uw instituut zo te positioneren, dat het SIOB het vernieuwingsproces van de sector optimaal kan ondersteunen, stimuleren en mede vormgeven,” schreef Zijlstra Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  32. 32. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 33 De staatssecretaris wilde ook onderzoeken hoe de juridische positie van het SIOB in het kader van de voorgenomen herziening van de bibliotheekwetge- ving wettelijk kan worden verankerd. GEEN NIEUWE VISIE NODIG Ook op 6 december 2010 schreef Zijlstra een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer. Daarin zei hij een eerder uitgebracht advies van de Raad voor Cultuur niet te delen dat er al weer een nieuwe visie en integrale heroverwegingen no- dig zouden zijn. Hij vond dat het SIOB wel de kwaliteit van het bibliotheekstel- sel als geheel kan bewaken, maar niet die van individuele bibliotheken. “Binnen de decentrale structuur van het stelsel ligt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het individuele bibliotheekaanbod op lokaal niveau. In de praktijk krijgt dat vorm via certificering.” De Kamer had gevraagd om bevordering van de digitale bibliotheek in relatie tot het bestaande Consortium Gemeenschappelijke Informatie Infrastructuur (GII) van KB en UB’en. Zijlstra zei dat OCW aan subsidieverlening aan BNL de voorwaarde verbindt dat cruciale onderdelen van de digitale infrastructuur in samenspraak met de KB worden ontwikkeld. Ook schreef hij dat hij zich in 2011, in overleg met SIOB, IPO en VNG, zal inzetten voor de verduurzaming van BNL. 2011: AANKONDIGING WETGEVING EN ONTTREKKING GELDEN UIT GEMEENTEFONDS Op 1 augustus 2011 trad Maria Heijne, afkomstig van de UB TU Delft, aan als opvolgster van Leo Voogt. Zij hield het iets langer vol dan Voogt en vertrok per 1 oktober 2013, toen duidelijk was geworden dat OCW het SIOB wilde opheffen en zijn taken ingaand 1 januari 2015 wilde onderbrengen bij de KB. Peter van Eijk vertrok per 1 mei 2011 bij BNL. Zijn opvolger werd per 1 april 2011 Diederik van Leeuwen. Van Leeuwen bleef directeur tot de opheffing van BNL per 1 januari 2015, toen ook de BNL-taken werden ondergebracht bij de KB. HALVERING SIOB-BUDGET Op 10 juni 2011 liet Zijlstra de Kamer weten de subsidie voor het SIOB voor de reguliere besteltaken (ca. €6 miljoen) ingaand 2013 met 50% te vermin- deren en daarmee een advies van de Raad voor Cultuur te volgen. Hij schreef: “Om overlap in de taken tussen branche en SIOB te voorkomen en omdat ik een compacte ondersteuning in de cultuur wenselijk en noodzakelijk vind, kort Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  33. 33. 34 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING ik het budget van het SIOB met 50%. Het SIOB zal zijn ambitieniveau moe- ten aanpassen. Het resterende budget biedt voldoende perspectief voor een adequate invulling van de regietaken die bijdragen aan het versterken van de samenhang en de kwaliteit van het decentrale stelsel.” Hij zei ook: “Eind 2010 heeft het kabinet besloten de positie van het SIOB te versterken door middel van een opdrachttaak op het gebied van digitale innovatie. Het SIOB zal deze taak vanaf 2012 uitvoeren; deze uitvoering biedt voldoende mogelijkheden voor positieversterking. Ik ben van plan deze taak ook in de periode 2013- 2016 door het SIOB te laten uitvoeren.” Dit betekende dat het SIOB de OCW-subsidie voor de werkzaamheden van BNL ontving en BNL haar subsidieaanvragen moest indienen bij het SIOB. Hierdoor ontstonden spanningen tussen het SIOB (verantwoordelijk voor “het wat”) en BNL (verantwoordelijk voor “het hoe”). Verder kondigde Zijlstra aan dat de Kamer nog voor het zomerreces een brief over de bibliotheekwetge- ving kon verwachten. In september 2011 werd bekend dat Zijlstra bestuurlijk overleg met VNG en IPO voerde over zijn aangekondigde brief aan de Kamer. In een conceptbrief stond dat hij van plan was geld aan het gemeentefonds te onttrekken om daar- mee landelijk e-content te kunnen laten inkopen (zie Onttrekking). De VNG stemde er mee in. Dit was in strijd met het nog lopende Bibliotheekcharter, want dat bepaalde: “De rijksoverheid draagt de verantwoordelijkheid voor de landelijke technische infrastructuur en verstrekt voor dit doel subsidie aan de stichting Bibliotheek.nl. De bibliotheekbranche draagt verantwoordelijkheid voor de content.” CENTRALE AANKOOP E-CONTENT De definitieve versie van de brief aan de Kamer verscheen op 7 december 2011. Daarin stond dat er eind 2012 één landelijke digitale bibliotheek moet zijn, voor de realisering waarvan de bibliotheekwetgeving aangepast dient te worden. Ook werd hierin uitgelegd waarom het goed is digitale content cen- traal in te kopen (efficiency-overwegingen en meer koopkracht realiseren). De brief meldde dat één landelijke digitale bibliotheek efficiënter en goedkoper zal zijn dan wanneer elke bibliotheek zijn eigen digitale collectie moet opzetten en beheren, en bovendien de bibliotheken een betere positie geeft bij de aankoop van licenties voor e-books bij uitgevers. Voor individuele bibliotheken, vooral in kleinere gemeenten, is het moeilijk om die ontwikkeling bij te benen. Door de krachten te bundelen bereiden ze zich voor op de toekomst, zo schreef de staatssecretaris. Aangekondigd werd dat via een groeipad een bedrag uit het gemeentefonds zal worden genomen dat op centraal niveau aan de biblio- theekbranche ter beschikking wordt gesteld. “De bibliotheeksector kan met dit Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  34. 34. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 35 budget in collectief verband ten gunste van alle bibliotheken content inkopen. De openbare bibliotheeksector en de KB werken daarbij samen,” schreef de staatssecretaris. In de brief stond dat ook de KB en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) meedoen in de krachtenbundeling. “Hierdoor kan Iedereen die lid is van de plaatselijke bibliotheek al eind volgend jaar vanachter zijn computer e-books lenen uit de digitale collecties van vrijwel alle bibliotheken in het land,” zo stelde Zijlstra. In persberichten werd gerept over €15 miljoen voor e-content. Na nader onderzoek werd in mei 2014 bekendgemaakt dat OCW, VNG en VOB over- eenstemming hadden bereikt over een groeiscenario: in 2015 beginnen met €8 miljoen en dit in 2018 laten oplopen naar €12,2 miljoen, met als tussen- stappen: 2016 €9,2 miljoen en 2017 €10,6 miljoen. DECENTRAAL De brief van december 2011 kondigde aan dat het bibliotheekwerk decentraal zou blijven: “De kern van het bibliotheekstelsel ligt op decentraal niveau bij de gemeenten en de lokale basisbibliotheken. Er is geen aanleiding daar veran- dering in aan te brengen,” vond de staatssecretaris. Hij beschreef hoofdlijnen van aanpassing bibliotheekwetgeving (openbare bibliotheek als publieke taak, maatschappelijke functie, garanderen dat met publieke middelen tot stand ge- komen innovaties in het publieke domein blijven en “de digitale bibliotheek” als belangrijkste innovatie). TUMULT BIJ DE VOB-LEDEN De brief en met name het feit dat het VOB-bestuur tegen veel minder harde voorwaarden dan het aanvankelijk formuleerde had ingestemd met de uitna- me leidde op 9 december 2011 tot een opgewonden ledenvergadering van de VOB. Na het weghalen van de stelseltaken in 2008 (en daarmee zijn subsidie aan de VOB) was dit de tweede grote ingreep van OCW ten aanzien van de bi- bliotheekbranche. Het VOB-bestuur moest de leden toezeggen geen uitspra- ken naar derden meer te doen over zaken die grote financiële consequenties hebben zonder eerst de leden te raadplegen. Het was de laatste vergadering van VOB-voorzitter Erik Jurgens (die per 1 janu- ari 2004 was aangetreden). Hij werd opgevolgd door Kars Veling. IDIOOT IDEE In februari 2012 interviewde Bibliotheekblad Erik Jurgens over zijn achtjarige pe- riode als voorzitter. Hij wilde nog wel één keer kwijt waarom hij tegen OCW- minister Ronald Plasterk had gezegd de ontvlechting een idioot idee te hebben gevonden: “Je koopt er niks mee, het gaat miljoenen kosten, er ontstaan drie Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  35. 35. 36 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING besturen en vervolgens moet je het daarna allemaal weer coördineren. Ik heb met zoveel woorden aan hem gevraagd: ‘Hebt u te klagen over de wijze waar- op de VOB haar stelseltaken vervult?’ De bewindsman keek zijn ambtenaar aan en vroeg: ‘Hebben wij daar klachten over?’ ’Nee,’ liet de ambtenaar weten, ‘geen klachten.’ ‘Waarom doen wij dit dan?’, vroeg ik mij hardop af.” VNG AKKOORD De VNG liet de Kamer in december 2011 weten zich te kunnen vinden in “de heldere taakverdeling” die Zijlstra aankondigde. De VNG bevestigde ook dat het bij de Aanvulling op het Koepelconvenant overeengekomen instapniveau - minimumsubsidiebedragen gerelateerd aan drie inwonerscategorieën - geba- seerd was op “het klassieke bibliotheekconcept” en dat dit spoedig achterhaald zal zijn door de nieuwe diversiteit aan invullingen die voor de fysieke biblio- theek aan het ontstaan is. De VOB bracht in januari als aandachtspunten naar de Kamer de borging van de fysieke bibliotheek (met minimumfinanciering door gemeenten) en een aantal voorwaarden met betrekking tot de onttrekking van gelden uit het gemeentefonds. 2012: AANKONDIGING ONDERBRENGEN SIOB- EN BNL-TAKEN IN KB In de loop van 2012 stelden Kamerleden al vragen over de brief van Zijlstra die later ook terug zouden komen bij de behandeling van het in 2013 onder verantwoordelijkheid van zijn opvolgster, minister Jet Bussemaker (PvdA, kabi- net-Rutte II), verschenen wetsvoorstel. In de loop van 2012 meldde Zijlstra de datum 1 januari 2013 voor aangepaste bibliotheekwetgeving (genoemd in de brief van december 2011) niet meer haalbaar te achten, maar te mikken op 1 januari 2014. ZORGEN OVER SUBSTITUTIEBELEID De VOB maakte zich zorgen over een door de VNG gepubliceerde handrei- king (zie ook Handreikingen VNG), waarin de VNG schreef een “substitutie- beleid” voor te staan: “Als de bibliotheek een grote papieren collectie blijft aan- houden, zullen dubbele kosten worden gemaakt. Het geheel vervangen van de papieren collectie door een digitaal aanbod is niet realistisch; wel kan het ge- bruik van het papieren boek zoveel als mogelijk worden teruggedrongen door substitutie,” zei de handreiking. Boeken werden vergeleken met treinkaartjes of belastingformulieren: “Vergelijkbare operaties zijn bijvoorbeeld de introductie van pinautomaten en internetbankieren; de OV-chipkaart; de digitale aangifte Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  36. 36. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 37 van belastingen op basis van DigiD. Kenmerkend voor deze operaties is dat de klant actief door middel van positieve en negatieve prikkels en de beperking van keuzemogelijkheden min of meer wordt geleid naar het gebruik van de digitale dienst. In dergelijke operaties blijft de fysieke dienst op de korte termijn bestaan, maar wordt in de loop der tijd minder belangrijk om tot slot vervangen te worden door de digitale dienst.” De VOB vond dat mensen zelf moeten kunnen kiezen tussen fysieke materia- len en digitale content. SIOB TER DISCUSSIE De Raad voor Cultuur meende naar aanleiding van de subsidieaanvraag van het SIOB voor 2013 dat dit instituut gebrek aan regie, visie en focus had en beter maar geen OCW-subsidie meer kon ontvangen. Daar was Zijlstra het niet mee eens en hij gaf het SIOB de kans een nieuwe subsidieaanvraag te doen. In die nieuwe aanvraag, voorzien van een meerjarenplan 2013-2016, waren sleutelbegrippen “de geïntegreerde bibliotheek” en “contextualisering van content”. In een uitgelekte Contourennotitie Digitale Bibliotheek kwam het SIOB met het idee geld te onttrekken aan het provinciefonds om daarmee landelijk het “contextualiseren van content” vorm te kunnen (laten) geven. In een nieuw advies bij de subsidieaanvraag 2013 vond de Raad voor Cultuur dat het SIOB nog één jaar subsidie zou moeten krijgen op voorwaarde dat er een nieuw plan zou worden ingediend waarin staat hoe het SIOB een veelheid aan genoemde ambities wil waarmaken. In oktober maakte OCW bekend dat het SIOB voor de jaren 2013-2014 een aangepast plan moet indienen en dat de subsidieverlening over 2015 en 2016 zal afhangen van de aangekondigde bibliotheekwetgeving die naar verwachting 1 januari 2015 zou kunnen ingaan. SIOB EN BNL WEG, TAKEN NAAR KB De voortdurende kritiek van de Raad voor Cultuur op het SIOB had uiteinde- lijk effect. Aanzwellende geruchten over het laten opgaan van de SIOB-taken in de KB mondden in december 2012 uit in het bericht van OCW, KB en SIOB dat KB en SIOB per 1 januari 2015 worden gebundeld tot één organisa- tie en dat ook de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) en (onderdelen van) BNL naar de KB zullen gaan. Het SIOB kwam nog met een Activiteitenplan 2013-2014. Bij de VOB-leden leefde angst voor een tweedeling tussen een “landelijke di- gitale bibliotheek” en lokale fysieke bibliotheken, maar volgens OCW moesten de twee typen elkaar gaan versterken. Een argument om de KB een belangrijke rol te geven in het openbare bibliotheekwerk was de te verwachten “syner- gie”: de KB heeft mooie collecties, ook erfgoed, maar relatief weinig gebrui- Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  37. 37. 38 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING kers. Het openbare bibliotheekwerk heeft veel gebruikers, maar die kennen de mooie KB-collecties niet. Samen zouden ze elkaar kunnen versterken. De KB heeft dit ook meegenomen in de benaming en inhoud van haar beleidsplan 2015-2018, De kracht van het netwerk. BESTUURLIJKE AFSPRAKEN VNG, IPO EN OCW, 2013-2014; WETGEVING De in de brief van 7 december 2011 van staatssecretaris Zijlstra genoemde datum 1 januari 2013 (aansluitend op het Bibliotheekcharter) voor een nieuwe wet was niet haalbaar gebleken. Om die reden kwamen er nog Bestuurlijke afspraken VNG, IPO, OCW over het openbare bibliotheekwerk 2013- 2014 die al vooruitliepen op de inhoud van de Stelselwet. 2013: VOORSTEL WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN EN REACTIES In april 2013 verscheen het door OCW gemaakte voorstel Wet stel- sel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) op de overheidswebsite Internetconsultatie. Iedere belangstellende kon een maand lang reageren. Twee belangrijke kritiekpunten uit “het bibliotheekveld” op het wetsontwerp waren dat de wet gemeenten niet verplicht een openbare bibliotheek in stand te houden en dat de wet geen sancties kent. Het voorstel bevatte wel netwerk- bepalingen, maar bepaalde niet hoe klein of groot de mazen van het door de wet voorgestane netwerk konden worden. Het voorstel ging er vanuit dat de lokale bibliotheken de verantwoordelijkheid van de gemeenten zouden blijven. De nadruk lag sterk op “de landelijke digitale bibliotheek”, die naast de stelsel- taken die het SIOB had, bij de KB werd ondergebracht. Het wetsvoorstel regelde dat leden van lokale bibliotheken en van de KB te- vens lid kunnen worden van de landelijke digitale bibliotheek. Maar schiep ook de mogelijkheid dat mensen die dat willen rechtstreeks lid van die digitale bi- bliotheek kunnen worden. Later is dit digital only genoemd. VREES ONGEWENSTE VERSCHRALING De Raad voor Cultuur wees in juni 2013 op het gevaar dat gemeenten de vrij- heid hebben om zelf te beslissen of zij bibliotheekvoorzieningen in stand willen houden. “Het is niet ondenkbaar dat gemeenten hun openbare bibliotheek- voorzieningen verder zullen afbouwen, met het argument dat de landelijke Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  38. 38. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 39 digitale bibliotheekvoorziening de burger reeds afdoende bedient. Wanneer dat het geval is, leidt de wet tot een ongewenste verschraling van het lokale aanbod,” zo vond de Raad, die er wel aan toevoegde zich te realiseren dat op dit terrein aan de gemeenten geen (dwingende) verantwoordelijkheden of ta- ken kunnen worden opgelegd, zonder dat de rijksoverheid hiervoor financiële middelen ter beschikking stelt. De leden van de VOB benadrukten in juni 2013 nog eens dat in de wet zou moeten staan dat elke gemeente verplicht is een openbare bibliotheek in stand te houden. De ministerraad stemde in september 2013 in met het wetsvoorstel, waarna het naar de Raad van State (RvS) ging. 2014: BEHANDELING EN AANVAARDING STELSELWET In januari 2014 bood minister Jet Bussemaker het wetsontwerp met enkele ten opzichte van de internetversie gewijzigde artikelen aan de Tweede Kamer aan, met het advies van de RvS en haar opmerkingen daarover (”nader rapport”) De Raad vond dat het ontwerp aan overregulering lijdt, wat er toe kan leiden dat gemeenten, die niet verplicht zijn een bibliotheek te onderhouden, eerder geneigd zijn de bibliotheek niet te laten meedraaien in het stelsel. Ook stelde de RvS de vraag of het wel wenselijk is dat mensen rechtstreeks lid kunnen worden van de digitale bibliotheek, daar het gevaar is dat het aantal leden van de fysieke bibliotheken kan dalen ten gunste van het aantal leden van de digitale bibliotheek. Maar de minister vond dat mensen die alleen digitale informatie willen raadplegen bij een verplicht gecombineerd lidmaatschap gedwongen worden te betalen voor een aanbod waarvan zij geen gebruik maken. Het wetsvoorstel wilde mensen de mogelijkheid geven zelf te kiezen. In de memorie van toelichting legde zij ook uit om welke reden de wet geen sancties kent: “Het wetsvoorstel beoogt meer richting en samenhang te be- werkstelligen in de context van een decentraal stelsel. Dat is vormgegeven via een beschrijving van de functies van een openbare bibliotheek en van de onderwerpen die bibliotheken in gezamenlijkheid moeten uitvoeren. Verwacht wordt dat partijen elkaar er op aanspreken, als daarvan wordt afgeweken. Wettelijk toezicht en wettelijke sancties passen niet bij het karakter van onder- havig wetsvoorstel.” SP EN VVD MEEST PRINCIPIEEL De Tweede Kamer behandelde het wetsvoorstel in mei en juni 2014. De meest principiële discussies deden zich voor tussen de Kamerleden Jasper van Dijk Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  39. 39. 40 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING van de SP en Arno Rutte van de VVD. Van Dijk bepleitte wettelijk te regelen dat er minimaal één bibliotheekvestiging per gemeente is (“om verdere kaal- slag te voorkomen”). De meerderheid volgde hem niet. En Rutte wilde juist minder in de wet (geen vijf maar drie functies: alleen “lezen, leren en infor- meren” en geen “cultuur en ontmoeting”). Maar ook zijn voorstel kreeg geen meerderheid. Het terugbrengen van het aantal functies kwam terug in het enige amendement dat de VVD (samen met het CDA) indiende, de rest (nog vijftien andere amendementen) noemde Rutte “een kerstboom aan amendementen”. De minister vond het wettelijk verplichten van gemeenten om een openbare bibliotheek in stand te houden aantasting van de lokale democratie. Zij had er vertrouwen in dat het binnen de netwerkbepalingen niet zo’n vaart zal lo- pen met de door SP geconstateerde “kaalslag”. Daarbij wees zij op de bepa- ling dat een gemeente die een bibliotheek wil sluiten moet overleggen met buurgemeenten en afspraken moet maken over de toegankelijkheid van een bibliotheekvoorziening voor de burgers van de desbetreffende gemeente(n). Zij wees er ook op dat deze wetsbepaling een verbetering is, daar er in de bestaande Wsc niets over wordt geregeld. Ook wees zij op de financiën: een zorgplicht heeft financiële gevolgen waar binnen de OCW- of rijksbegroting geen ruimte voor is. De Eerste Kamer nam het voorstel aan op 18 november 2014. Daarmee kreeg de KB een centrale rol voor de aloude bestel- of stelseltaken en de landelijke digitale bibliotheek. Per 1 januari 2015 ging het personeel van het SIOB en BNL dat een vaste aanstelling had over naar de KB. VOB-STRATEGIE, RAPPORT-COHEN EN BREDEBIEB In de jaren 2013 en 2014 waren er ook inhoudelijke en organisatorische ont- wikkelingen die los stonden van de wetgeving. De VOB stelde als opvolger van de Agenda voor de toekomst 2009-2012 een nieuwe strategienota voor de periode 2012-2016 vast: De Bibliotheek levert waarde. Drie sleutelpro- jecten daarin zijn de Nationale Bibliotheek Catalogus, geïnitieerd door BNL en af te ronden door de KB, een Nationale Bibliotheekpas en, in het kader van ondernemende bibliotheken, een B-reader (een speciale e-reader voor bibliotheekleden). In januari 2014 verscheen een op verzoek van het SIOB gemaakt rapport van een commissie, naar haar voorzitter Job Cohen de Commissie-Cohen ge- Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  40. 40. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 41 noemd. Dit rapport zag vele kansen voor fysieke bibliotheken en de digitale bibliotheek en constateerde dat er niet één visie op of één waarheid voor de openbare bibliotheek bestaat. Een nog door het SIOB ingestelde Innovatieraad (nu vallend onder de KB) hanteert het rapport-Cohen als uitgangspunt om innovatie te bevorderen. Mede onder invloed van een Bredebieb-beweging benadrukken veel biblio- theken hun belangrijke rol in het “sociale domein”, met name na de drie grote decentralisaties in de zorg- en welzijnssector (jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen). Bibliotheken vinden zich de aangewe- zen organisaties voor (het organiseren van) bestrijding van laaggeletterdheid en het vergroten van mediawijsheid. COMMERCIËLE BEDRIJVEN De door de economische crisis ingegeven noodzaak van gemeenten om op onder andere openbare bibliotheken te bezuinigen gaf ruimte aan commercië- le bedrijven, zoals Karmac Bibliotheek Services en Questum, om in te spelen op de behoefte van gemeenten aan vereenvoudigd, goedkoper bibliotheek- werk. Nadat enkele gemeenten of bibliotheken al met Karmac in zee waren gegaan voor een bibliobusvoorziening kwamen er in 2013 ook enkele vaste Karmac-vestigingen (vier kernen in gemeente Waterland en de kern Lienden in gemeente Buren). Questum bracht wel offertes uit, maar slaagde er tot 2016 nog niet in echte gemeentelijke opdrachten binnen te halen. Wel kwamen er enkele adviesopdrachten. BEZUINIGINGEN Hoewel in de hele periode van bibliotheekvernieuwing geklaagd is over bezui- nigingen, blijkt uit de CBS-statistiekcijfers dat de totale gemeentelijke subsidies in de periode 1999-2010 stegen van €295 miljoen tot €457,8 miljoen, wat niet wegneemt dat er naast gemeenten die hun subsidie verhoogd hadden ook ge- meenten waren die hadden bezuinigd. Dit bleek in de periode 2001-2007 uit de in opdracht van het Procesbureau gemaakte monitors. Pas na 2010 zette de ge- middelde daling in als gevolg van de economische crisis van 2008 (2011 €456,8 miljoen, 2012 €452,1 miljoen, 2013 €438,4 miljoen, 2014 €420,9 miljoen en 2015 €414,6 miljoen, dus €43,2 miljoen minder dan in 2010, ruim 9%). Wat het personeelsbestand betreft bereikte het aantal personeelsleden en ar- beidsjaren pieken in 2007 en 2008. In 2007 waren er 9080 personeelsleden met 5220 arbeidsjaren, in 2008 9110 personeelsleden met 5210 arbeidsjaren. In 2009 kwam het aantal arbeidsjaren Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  41. 41. 42 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING (met 9060 personeelsleden) nog weer op 5220, maar daarna zette de daling in. In 2013 was het gezakt tot 6695 personeelsleden en 4003 arbeidsjaren, ofwel in zes jaar tijds een daling met 26,5% in personeelsleden en in vier jaar tijds 23,3% in arbeidsjaren. In 2014 waren er 6841 personeelsleden; dat is een stijging met 146 ten op- zichte van 2013. In arbeidsjaren uitgedrukt ging het in 2014 om 4073 arbeidsja- ren. Dus een stijging met 70 arbeidsjaren ten opzichte van 2013. In 2015 daalde het aantal personeelsleden weer (van 6841 naar 6813), maar steeg het aantal arbeidsjaren van 4073 naar 4143 (weer 70 erbij). Hiermee lijkt de daling in het personeelsbestand, die zich in de periode 2008 tot en met 2013 heeft voorgedaan in 2014 en 2015 te zijn gestopt. WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN, 2015; E-BOOKS Begin 2015 maakte de VNG voor gemeenten een handreiking over de Stelselwet, waarin onder andere stond dat mensen die dat wensen recht- streeks kunnen inloggen bij de door de KB in stand gehouden “landelijke digitale bibliotheek”, zonder lid te hoeven zijn van een fysieke bibliotheek. Bij de voorbereidingen van de wet was gebleken dat het, ook in verband met Europese regelgeving, voor bibliotheken niet mogelijk zou worden e-books tegen dezelfde condities uit te lenen als papieren boeken (leenrechtregeling). BNL moest (namens de bibliotheken) met elke uitgever afzonderlijk onder- handelen. Dat geldt nu ook voor de KB. De VOB-leden gingen in juni 2013 akkoord met een zogeheten e-bookpluspakket waar met uitgevers over ge- sproken was. Dit hield in dat leden van een fysieke bibliotheek die dat wensen voor €20 per jaar 18 keer per jaar een e-book mogen lenen uit de categorie jonger dan drie jaar (de zogenaamde “shoulder”). Dat bedrag zou bovenop het abonnementsgeld voor de uitleenfunctie van fysieke materialen komen. Het e-bookpluspakket is echter niet in werking getreden, de via het in januari 2014 gelanceerde e-bookplatform aangeboden e-books waren voor biblio- theekleden gratis te lenen. In de Stelselwet is bepaald dat de KB voor alleen toegang tot de “landelijke digitale bibliotheek” een tarief kan vaststellen. In no- vember 2015 werd het, met instemming van minister Bussemaker, voor 2016 vastgesteld op €42 per jaar voor zogenaamde “digital-only-leden” (mensen die alleen maar e-content willen lenen van de landelijke digitale bibliotheek). Een en ander was afhankelijk van eisen die rechthebbenden stellen aan hun toestemming tot het uitlenen van e-books. Zij kunnen als eis stellen dat de Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  42. 42. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 43 KB een of meer tarieven vraagt. Het bedrag van 42 euro wordt voor 2017 en 2018 gehandhaafd, maar geldt dan ook als minimumtarief voor een lokaal bibliotheeklidmaatschap dat tevens recht geeft op e-books lenen van de digitale bibliotheek (combinatie fysiek-digitaal). SPANNINGEN “DIGITAL-ONLY” In 2015 ontstonden spanningen tussen VOB-leden, KB en OCW, daar een groot aantal VOB-leden het niet eens was met de al bij de toelichting op de Stelselwet genoemde mogelijkheid “digital-only-leden” desgewenst via hun DigiD-code rechtstreeks te laten inloggen op “de landelijke digitale bibliotheek”. Zij wilden het lidmaatschap van “de landelijke digitale biblio- theek” uitsluitend laten verlopen via de lokale bibliotheek. De lokale bi- bliotheek zou “klanteigenaar” moeten zijn. Maar uit de Kamerbehandeling van de Stelselwet (onder andere uit toelichtingen, verslagen en verworpen moties) was al gebleken dat de Kamer geen verplichte koppeling van digitaal aan fysiek lidmaatschap wenste. Twee “verkenners”, Ton Brandenbarg en Job Cohen, kwamen als oplossing voor het probleem met het idee een consortium van KB en VOB te vormen voor gezamenlijke klantbenadering van KB en bibliotheken. Maar daarmee was de al in 2009 gevoerde discus- sie over de vraag wie “eigenaar” van de digitale bibliotheek en de “klanten” van de digitale bibliotheek moet zijn nog niet ten einde. In augustus 2016 kondigde het VOB-bestuur aan te willen inzetten op “reparatie van een weeffout” in de Wsob. Volgens de VOB bevat de Wsob “een kunstmatige scheiding tussen digitaal en fysiek lidmaatschap”. Hoewel het er wel eens op leek dat bibliotheken in 2015 en 2016 alleen met zichzelf en met de typen lidmaatschap bezig waren, gingen zij wel degelijk ook in toenemende mate aandacht besteden aan nieuwe maat- schappelijke problemen, zoals vluchtelingen en de kansen die de drie grote decentralisaties in het “sociale domein” bij gemeenten boden. Daarbij ging het vooral om preventiebeleid: voorkomen en bestrijden van laaggeletterd- heid (in het kader van de aloude taken leesbevordering en onderwijson- dersteuning) en het versterken van digitale vaardigheden (mediawijsheid). Maar ook bestrijding van eenzaamheid (ontmoetingsfunctie) werd gezien als een taak voor bibliotheken. In feite kwam dit neer op het benadrukken van bibliotheektaken op het gebied van welzijn in plaats van (alleen maar) cultuur. Bij dit alles moet wel bedacht worden dat er verschillen zijn tussen de beelden die financiers en gebruikers van een bibliotheek hebben, de beelden die de bibliotheek zelf graag ziet en uitdraagt (het imago) en de werkelijke inzet van financiële en personele middelen. Het mooiste zou Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  43. 43. 44 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING het zijn als deze drie zo veel mogelijk samenvallen, maar het blijkt lastig te zijn de verdeling door bibliotheken van de gemeentelijke subsidiegelden over de vijf officiële wettelijke functies goed in kaart te krijgen. Dit komt ook door het feit dat de functies niet scherp omschreven zijn en elkaar ten dele overlappen. En het spreekt vanzelf in een decentrale situatie: de inzet van de middelen zal per gemeente blijven verschillen, afhankelijk van de prioriteiten die men daar stelt. Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  44. 44. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 45 Hoofdstuk 2 BIBLIOTHEEKVERNIEUWING IN HOOFDLIJNEN
  45. 45. 46 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING Tijdens de hele periode van bibliotheekvernieuwing zijn er enkele met elkaar samenhangende thema’s geweest die in de discussies een rol speelden en ook nu nog spelen. Het gaat dan om de tegenstellingen “stad en platteland”, “centraal of decentraal”, “ondernemingen of overheidsvoorzieningen” en “structuur en inhoud”. STAD EN PLATTELAND Voor een goed begrip van officiële teksten is het van belang te beseffen dat er in het openbare bibliotheekwerk jarenlang een tegenstelling heeft bestaan tussen stad en platteland. Volgens de Wet op het openbare bibliotheekwerk waren bibliotheken in gemeenten met minder dan 30.000 inwoners (de zoge- naamde “30-min-bibliotheken”) verplicht zich aan te sluiten bij een Provinciale Bibliotheekcentrale (PBC). Dit betekende dat het desbetreffende personeel in dienst was bij de PBC en de PBC dus als werkgever functioneerde van zowel personeel in de betrokken bibliotheken als in de centrales. Overigens waren er uitzonderingen: 30-min-bibliotheken die dat, meestal met instemming van hun gemeente, wensten konden ontheffing krijgen van de verplichting tot aan- sluiting bij een PBC. Na het verdwijnen van de bibliotheekwet werd de verplichting tot aanslui- ting opgeheven, maar bleef de feitelijke situatie grotendeels bestaan totdat de komst van “basisbibliotheken” in de periode 2001-2007 er in veel provincies (niet alle!) een einde aan maakte. Met name een aantal grotere stadsbibliotheken was de rol van de PBC’s een doorn in het oog. Zij zagen het bibliotheekwerk liever georganiseerd Hoofdstuk 3 ENKELE THEMA’S NADER BESPROKEN
  46. 46. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 47 rondom “centrumbibliotheken”. De bibliotheken met een zogenaamde Wetenschappelijke Steunfunctie (WSF) - eerder “Regionale Steunfunctie (RSF)” geheten - droegen het centrumbibliotheekmodel met enthousiasme uit. Maar PBC’s zagen meer heil in het Engelse model van de county library: alle biblio- theken in gemeenten tot 100.000 inwoners zijn verplicht aangesloten bij een county library. Die situatie hadden zij graag ook in Nederland gezien. De tegenstellingen hadden ook grote invloed op het functioneren van de Vereniging NBLC. Daarvan waren bibliotheken en PBC’s lid. In stempunten gemeten hadden de bibliotheken met meer dan 30.000 inwoners en de PBC’s plus hun aangesloten bibliotheken ongeveer evenveel punten. De directeuren van de bibliotheken hadden twee organisaties voor belangen- behartiging en professionalisering (onder andere door middel van studiereizen): het Landelijke Directieoverleg (LDO20+) voor directeuren van bibliotheken met een werkgebied van 20.000 tot 50.000 inwoners en het Directieoverleg Stedelijke Bibliotheken (DOS50+) voor directeuren van bibliotheken met meer dan 50.000 inwoners werkgebied. De directeuren van de PBC’s waren verenigd in de Vereniging PBC’s (voorafgegaan door een Werkgroep PBC’s). In NBLC-vergaderingen voerden regelmatig leden namens de drie clubs het woord. Met name het adviesrapport van de Raad voor Cultuur uit 1998 draagt de sporen van deze tegenstelling. Een fervent aanhanger van het centrumbiblio- theekmodel was Piet Schoots, directeur van de Bibliotheek Rotterdam (van 1974 tot 1995). Hij was lid van de commissie Bibliotheken van de Raad voor Cultuur die in 1998 het advies uitbracht het bibliotheekwerk op twee niveaus te beleggen: de regio (400.000 tot 500.000 inwoners) en het rijk. Wat toen ook speelde was de komst van stadsprovincies, als eerste rond Rotterdam, maar mogelijk ook rond Amsterdam en Den Haag. De Bibliotheek Rotterdam had zich er onder leiding van Schoots op voorbereid een PBC voor de stadspro- vincie Rotterdam te vormen. In reactie op die toen realistisch lijkende komst van drie grote stadsprovincies besloten de PBC’s van Noord- en Zuid-Holland, met instemming van beide provincies, in 1994 hun krachten te bundelen en in 1996 te fuseren tot ProBiblio. In een interview in Bibliotheek Samenleving van maart 1995 zei Schoots: “Zo is er altijd concurrentie geweest in dat opzicht tussen PBC’s en grote-stadsbi- bliotheken. Nu gaat deze bibliotheek de regionale bibliotheek worden en ook de bibliotheek die het ondersteunende werk gaat leveren. Iedereen weet dat we daar nog niet uit zijn met de PBC [Zuid-Holland - wk], want de PBC ziet het anders. Maar ik denk dat de PBC het fout ziet en dat het bibliotheekwerk geregeld wordt met de wet en met de centen. Zo is het altijd geweest: het Hoofdstuk 3 ENKELE THEMA’S NADER BESPROKEN
  47. 47. 48 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING bibliotheekwerk schaart zich onder het bestuur dat verantwoordelijk is voor het bibliotheekwerk, in dit geval de regio.” Ook de RABIN (Raad van Advies voor Bibliotheekwezen en Informatieverzorging), die werd opgevolgd door de commissie Bibliotheken in de Raad voor Cultuur, liet Schoots aan het woord in de afscheidsbundel RABIN UitGELUID (1993), onder de kop “Regiovorming en verschuivingen in het openbare bibliotheeksysteem”. En de opening van het maartnummer 1995 van het blad Open (voorganger Informatie Professional) luidde: “Van gemeentebibliotheek tot regionale bibliotheek; een Rotterdams model ontstaat”. Auteur Piet Schoots. Hij schreef onder andere: “Waarom zou een regiobibliotheek níet, minder goed of minder goedkoop in staat zijn voor kleinere omliggende bibliotheken te gaan doen wat de PBC nu doet. Zij biedt zelf méér is onze stellige overtuiging.” Maar met het afschieten van de Stadsprovincie Rotterdam door de bevolking in een referendum bleef ook de regionale bibliotheek Rotterdam een papieren tijger, hoewel de stadsbibliotheken van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag qua werkgebied natuurlijk vergelijkbaar zijn met PBC’s in qua inwonertallen kleinere provincies als Drenthe of Groningen (met ongeveer die 400.000 tot 500.000 inwoners van de Raad voor Cultuur). CENTRAAL OF DECENTRAAL Het NBLC (sinds 2003 VOB) ontving tot 2010 OCW-gelden voor de zoge- naamde stelseltaken (of besteltaken): bevordering van doelmatigheid, samen- hang, kwaliteit en pluriformiteit. In beleidsnota’s van het NBLC, zoals Op weg naar 2005 uit 1995, kwamen die begrippen terug. Ook waren er projecten als “Stelsel en geleding” en “Kwaliteit en samenhang”. Maar wat het NBLC al parten speelde was dat het bibliotheekwerk sinds eind jaren tachtig officieel gedecentraliseerd was en zowel bibliotheekdirecteuren als gemeenten hecht- (t)en aan hun autonomie. Gedurende de hele periode na de decentralisatie tot de dag van vandaag heeft er spanning bestaan tussen decentraal en centraal en bij het motto: “decentraal waar het kan, centraal waar het moet”. De vraag was natuurlijk van wie dat laat- ste dan wel moest en met welke redenen. Hierin speelden in de jaren negentig ook spanningen tussen het PBC-model en het centrumbibliotheekmodel mee (zie hiervoor). Er waren en zijn grote verschillen bij het begrip “lokaal” (of de- centraal): de echt grote lokale stadsbibliotheken in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hebben meer inwoners in hun werkgebied dan de PBC’s/PSO’s/ POI’en in een aantal kleinere provincies. ONDERNEMINGEN OF OVERHEIDSVOORZIENINGEN Tijdens de VOB-ledenvergadering van december 2004, toen het ging om wel Hoofdstuk 3 ENKELE THEMA’S NADER BESPROKEN
  48. 48. TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING | 49 of niet mede-ondertekenen van de Aanvulling op het Koepelconvenant, kwam al de principiële vraag aan de orde of openbare bibliotheken zelfstandige organisaties zijn die een eigen koers varen (“cultureel ondernemerschap”), ook al hebben zij voor een (groot) deel van hun taken overheidssubsidies nodig, of willoze verlengstukken van de overheden. En in het verlengde daarvan de vraag of de VOB nog wel een stevige eigen positie kan innemen. Was zij met haar door OCW betaalde stelseltaken niet een soort “OCW-agency” (“pro- jectbureau”) geworden? Leden drongen aan op een meer offensieve houding van de VOB. Maar ook was er een pleidooi voor wetgeving. VOB-directeur Jan Ewout van der Putten verklaarde in de ledenvergadering: “We zeggen altijd wel dat we onderdeel van het publieke bestel zijn. Maar er is ook een streven minder afhankelijk van de overheden te zijn, ik weet het. We moeten het er over hebben wat cultureel ondernemerschap is en wat er in een wet moet staan. Gaat het om details of om beginselen? Bij een wet hoeven we niet meteen te denken aan de oude Bibliotheekwet. Het is noodzakelijk ons hiermee bezig te houden. Maar als we nu zeggen: we zijn onafhankelijke ondernemers, houden we weinig geld over.” Vanuit de vergaderzaal werd door Chris Wiersma (toen PBC Utrecht) opge- merkt: “Iedereen is bezig met bezuinigingen en met basisbibliotheekvorming, maar daar staat bijna niets over in de stukken van vandaag. Dat bevestigt mijn beeld dat u een projectbureau van de overheid bent en zich los zingt van de werkelijkheid. Er is behoefte aan visie en aan strategische impulsen. U moet minder projectbureau worden en meer grote lijnen uitzetten. U moet men- sen uitnodigen daar aan mee te doen.” Voorzitter Erik Jurgens constateerde hier niet zomaar mee verder te kunnen. De afspraak werd gemaakt er later op terug te komen. Maar, zoals beschreven, was het na 2009 afgelopen met een VOB als “OCW-agency”, daar de OCW-gelden elders werden belegd (bij SIOB en BNL en na 2014 KB). Het begrip “ondernemerschap”, gekoppeld aan “cultureel” en later “maatschappelijk” werd populairder, ook in de bran- che van openbare bibliotheken. In de VOB-strategienota voor 2012-2016, De Bibliotheek levert waarde, was ondernemerschap één van de speerpunten. Het was echter bij het vele gebruik van het begrip “ondernemerschap”, waar een positieve lading aan gehecht werd, niet meer duidelijk of het platweg ging om verwerven van meer eigen inkomsten om bezuinigingen op te kunnen vangen of om een actieve houding in algemene zin. STRUCTUUR EN INHOUD In veel officiële teksten gaat het om zowel de inhoud als de structuur van het openbare bibliotheekwerk. Vastgesteld moet wel worden, zoals ook blijkt uit titels van officiële stukken met het woord “herstructurering” erin, dat gepoogd Hoofdstuk 3 ENKELE THEMA’S NADER BESPROKEN
  49. 49. 50 | TWINTIG JAAR BIBLIOTHEEKVERNIEUWING is door middel van structuurveranderingen tot vernieuwing of verbetering van de inhoud te komen. Een door de jaren heen vaak geuite klacht is dat het, ook al door de grote rol die ambtenaren gespeeld hebben, altijd weer meer over de structuur is gegaan dan over de inhoud, maar dat eigenlijk de inhoud voorop had moeten staan. Maar probleem daarbij was en is dat die inhoud sterk wordt bepaald op gemeentelijk niveau, daar het leeuwendeel van de subsidies in het openbare bi- bliotheekwerk van gemeenten komt en bestemd is voor de basisbibliotheken. Weliswaar zijn er sinds het formuleren van de Richtlijn voor basisbibliotheken in 2005 vijf functies benoemd (overgenomen in de Wsob), maar de prioriteiten en dus de mate van inspanningen voor elk van de vijf functies worden gemeen- telijk bepaald. De vernieuwing van het openbare bibliotheekwerk, terecht ook wel “herstruc- turering” genoemd, is weliswaar gepaard gegaan met heel veel discussies over inhoudelijke onderwerpen, maar heeft wat de OCW-inspanningen betreft in de praktijk toch vooral gestalte gekregen door structuurveranderingen en an- dere inzet van geldstromen, met enkele cruciale OCW-ingrepen: • Het besluit in 2008 om de stelsel- en vernieuwingsgelden weg te halen bij de VOB en ingaand 2010 te beleggen bij het SIOB respectievelijk de Stichting BNL. • Het besluit in 2011 om ingaand 2015 gelden aan het gemeentefonds te onttrekken om te gebruiken voor centrale aankoop van e-books en andere e-content door de KB ten behoeve van de “landelijke digitale bibliotheek” (€8 miljoen in 2015, €9,2 miljoen in 2016, €10,6 miljoen in 2017 en €12,2 miljoen in 2018 en later). • Het besluit om de SIOB- en BNL-taken ingaand 2015 bij de KB onder te brengen en het SIOB en BNL op te heffen. De KB stuurt volgens de Wsob (artikel 9) het netwerk van openbare biblio- theekvoorzieningen aan, maar hoe dit in de praktijk met relatief weinig subsi- diegeld en geen wettelijke machtsmiddelen vorm krijgt, zal nog moeten blijken. In een versie van de Wsob voor de internetconsultatie was nog sprake van “het ondersteunen van het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen”. Een klein, subtiel verschil, maar mijns inziens een realistischer taakstelling (met dienstbare attitude) dan “aansturen” (met regisserende attitude). Ook is de KB volgens artikel 9 verantwoordelijk voor het in stand houden van de “landelijke digitale bibliotheek”. In 2009, toen OCW besloot een aparte Stichting BNL op te richten, hadden de VOB-leden al uitgesproken dat de branche “eigenaar” van de landelijke digitale bibliotheek moet zijn, ondanks Hoofdstuk 3 ENKELE THEMA’S NADER BESPROKEN

×