Eocoach_thesis

1,326 views

Published on

  • Be the first to comment

Eocoach_thesis

  1. 1. NEDERLANDS ABSTRACT Trefwoorden: Ecologie, coachingsprogramma, jongvolwassenen, voedingsgewoontes Abstract: In dit onderzoek wordt onderzocht hoe we jongvolwassen met een digitaal coachingspro- gramma kunnen stimuleren om bewust ecologische voedingsgewoontes aan te nemen. Mensen maken vaak hun keuzes onbewust en veelal vanuit een te abstracte relatie met voedsel. De Westerse voedselcultuur heeft een grote impact op het klimaat en de wereld. Gemaakte voedselkeuzes beïnvloeden het marktaanbod, wat op zich een direct gevolg heeft op het klimaat. Dit programma reikt uit naar jongeren die graag een verandering in hun voedselkeuzes willen teweegbrengen. Het doel is om deze jongvolwassenen het maken van bewuste keuzes aan te leren, met als gevolg minder impact op het milieu. Via deskresearch, creatieve voedseldagboeken, enquêtes en interviews zijn verschillende meningen en visies over voedselkeuzes in kaart gebracht. Vanuit deze inzichten is een papier prototype ontwor- pen, gecombineerd met aspecten van cultural probes om verder te ontwikkelen naar een uiteindelijk prototype. Het finale prototype is een gepersonaliseerde, digitale en mediale coach die deels geïnspireerd is op de methodes die een diëtiste aanreikt in combinatie met algemene bevindingen van de noden en eisen van de levensstijl van jongvolwassenen. Dit alles resulteert in een coachingsprogramma dat helpt om verandering te initiëren.
  2. 2. ENGLISH ABSTRACTKeywords:Ecology, coaching program, young adults, eating habitsAbstract:This research investigates how we can stimulate young adults with a digital coaching pro-gram to adopt environmental conscious eating habits. People often make their choices un-consciously and from an abstract relationship with food. The Western food culture has a ma-jor impact on the climate and the world. Made food choices affect the market supply, whichin itself has a direct effect on climate. This program reaches out to young adults who wantto bring about a change in their food choices. The goal is to learn to these young adults con-scious choices, resulting in less impact on the environment. Through desk research, creativefood diaries, surveys and interviews, different opinions and visions about food choices weremapped. From these insights, a paper prototype was created, combined with aspects of cul-tural probes to continue to develop a final prototype. The final prototype is a personalized,digital and media coach who is loosely inspired by a dietician methods in combination withgeneral findings of the needs and demands of the lifestyle of young adults. This all concludesin a coaching program that helps to initiate change.
  3. 3. VOORWOORD Deze thesis behandelt het helpen bij een voedingspatroonverandering naar een meer ecolo- gisch bewuste levensstijl. Zelf heb ik mij de afgelopen jaren doorheen allerlei informatie gewerkt om tot een meer eco- logisch voedingspatroon te komen. Zo kwam ik tot de vaststelling dat dit proces geen gemak- kelijk proces is en groeide het idee om een andere eetgewoonte te stimuleren via een multi- mediale aanpak. Deze uitdaging was zowel op technisch vlak als qua onderzoek geen gemakkelijke opdracht. Het was moeilijk om de problematiek neutraal te beschrijven en bovendien heb ik zelf ook niet alle inzichten van hoe een jongvolwassene zijn voedselkeuzes maakt. Technisch waren er grote problemen die overbrugd werden, aangezien ik een andere achtergrond heb dan de meeste van mijn klasgenoten. Hierdoor heb ik veel moeten bijleren. Ik wens Kris Cardinaels te bedanken om mij op pad te zetten, maar een speciale dank gaat uit naar mijn technische hulp van buitenaf: Nico Mommaerts. Hij stond altijd klaar om mijn vragen te beantwoorden en mij wegwijs te maken in de grote wondere wereld bij het bouwen van apps. Verder bedank ik ook mijn promotoren: R. Van Klaveren en L. Huybrechts voor hun inzichten, nieuwe gedachten, kritiek en feedback die mij steeds voorthielpen om alles eens te bekijken vanuit een ander perspectief. Ook gaat er speciale dank uit naar mijn familie en vrienden om mijn thesis ettelijke keren na te kijken, en meer bepaald naar Hilde Engels, die bereid was om met een frisse kijk mijn thesis door te nemen. Uiteindelijk wil ik ook mijn ouders bedanken die mij steunden doorheen deze twee jaar en om mijn dagelijks traject Leuven-Genk te sponsoren.
  4. 4. KORTE INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ..........................................................................................................................................................1 DEEL 1 DESKRESEARCH ..............................................................................................................................................11 2. ALGEMEEN KADER ............................................................................................................................................ 12 3. THEORETISCH KADER........................................................................................................................................18 4. STATE OF THE ART ........................................................................................................................................25 SAMENVATTING DEEL 1 .........................................................................................................................................34 DEEL 2 REALISATIE .................................................................................................................................................37 5. CONCEPTUALISERING ....................................................................................................................................38 6. CONCRETISERING ............................................................................................................................................51 SAMENVATTING DEEL 2 ........................................................................................................................................71 7. BESLUIT ............................................................................................................................................................72
  5. 5. INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................................1 1.1 Vertrekpunt ....................................................................................................................................1 1.2 Probleemstelling ........................................................................................................................1 1.3 Doelgroep ....................................................................................................................................... 2 1.4 Onderzoeksvraag .....................................................................................................................3 1.4.1 Doelstelling ......................................................................................................................3 1.4.2 Subvragen .........................................................................................................................3 1.5 Onderzoeksdomein ................................................................................................................4 1.6 Onderzoeksmethoden ......................................................................................................... 4 1.6.1 Literatuurstudie ............................................................................................................4 1.6.2 Experimenteel onderzoek ....................................................................................5 1.6.3 Voedseldagboek ...........................................................................................................5 1.6.4 Enquêtes ............................................................................................................................5 1.6.5 Interviews ..........................................................................................................................6 1.6.6 Paper Prototyping + Cultural probes ..........................................................6 1.6.7 Bruikbaarheidstesting...............................................................................................7 1.7 Overzicht thesis .........................................................................................................................8 DEEL 1 DESKRESEARCH .............................................................................................................................................11 2.ALGEMEEN KADER ............................................................................................................................................................12 2.1 Kort overzicht van voedselevolutie .......................................................................12 2.2 Gevolgen voor mens en milieu ..................................................................................13 2.3. Ecologische visie ......................................................................................................................14 2.3.1 Visie van het onderzoek .......................................................................................15 2.4. Ecologische bewust eten ................................................................................................... 16 2.4.1 Vertaald naar het onderzoek ..............................................................................17 3. THEORETISCH KADER ....................................................................................................................................................18 3.1 Duurzame verandering .....................................................................................................18 3.2 Ludiek aspect .............................................................................................................................20 3.3. Aanleren van informatie ..................................................................................................21
  6. 6. 4. STATE OF THE ART .......................................................................................................................................................25 4.1 Mediaal coachingsprogramma ................................................................................. 25 4.2 Analyse bestaande voedingscoaches ................................................................... 26 4.3 Bestaande organisaties ....................................................................................................30 4.4 Wereld groener maken .....................................................................................................32SAMENVATTING DEEL 1 ........................................................................................................................................34DEEL 2 REALISATIE ................................................................................................................................................375. CONCEPTUALISERING ................................................................................................................................................... 38 5.1 Experimenteel onderzoek ..............................................................................................38 5.2 Voedseldagboek.......................................................................................................................39 5.3 Enquêtes voedingsafwegingen bij jongvolwassenen ...........................41 5.4 Enquêtes voedingspatroon ............................................................................................ 42 5.5 Interviews aanpak diëtiste ............................................................................................. 44 5.5.1 Analyse ...............................................................................................................................45 5.6. Paper prototyping + cultural probes .................................................................... 47 5.6.1 Bevindingen ..................................................................................................................... 496. CONCRETISERING ..........................................................................................................................................................51 6.1 Concept .............................................................................................................................................51 6.1.1 Opbouw .............................................................................................................................. 53 6.1.2 Werking .............................................................................................................................. 54 6.1.3 Ludiek Aspect ................................................................................................................. 60 6.2 Uitwerking ....................................................................................................................................62 6.2.1 Inhoud .................................................................................................................................62 6.2.2 Database ...........................................................................................................................63 6.2.3 Technisch aspect ........................................................................................................64 6.3. Bruikbaarheidstesting .......................................................................................................65 6.3.1 Opzet ...................................................................................................................................65 6.3.2 Bevindingen ..................................................................................................................... 66SAMENVATTING DEEL 2 ....................................................................................................................................71
  7. 7. 7. BESLUIT ...........................................................................................................................................................................72 7.1 Aanbevelingen .........................................................................................................................74 7.2 Algemene conclusie ............................................................................................................75 BIBLIOGRAFIE ...................................................................................................................................................................77BIJLAGEN ..............................................................................................................................................................................81
  8. 8. 1. INLEIDING Onze huidige voedselcultuur in de Westerse wereld is gekenmerkt door grote aanwezigheden van allerlei voedselsoorten van over de hele wereld. Men loopt een winkel binnen en koopt wat men wil, wanneer men wil, zonder stil te staan bij de gevolgen, aangezien deze niet meteen zichtbaar zijn. Onze voedingskeuzes en band met voedsel zijn abstract geworden omdat de Westerse cultuur ver af staat van voedselcreatieproces. De gevolgen van deze abstracte relatie heeft een grote impact op het milieu. Het gehele voedselproces is goed voor 1/3de (White, 2010) van de opwarming van de aarde. Deze opwarming van de aarde maakt het daarbij moeilijker om voedsel te kweken (Parrya et al., 2004). In combinatie met een steeds groeiende bevolking en uitputbare grondstoffen verhoogt dit de kans op een catastrofe (McGourty, 2009).1.1 VERTREKPUNT Voorgaand genoemde maatschappelijke evolutie op het vlak van voedselconsumptie is te wijten aan technische ontwikkelingen over de jaren heen. Door steeds performantere technische middelen hoeft slechts een klein percentage van de bevolking het voedsel te creëren voor de hele bevolkings- groep. Een beperkt deel van de Westerse bevolking is dus nog zelfvoorzienend: er wordt op anderen gerekend om hun voedsel te creëren. Hierdoor doorbreekt het huidige voedselsysteem de band die mensen vroeger hadden met voedsel. Ook waren mensen vroeger meer bewust wat en wanneer ze konden consumeren. Toen waren keuzes beperkter en dus at men mee met de seizoenen. Nu eten we wat we willen, wanneer we het willen, als we het kunnen betalen natuurlijk (Beardsworth et al., 1997). Het huidige voedselsysteem heeft nog verdere problemen voor diegenen die erop leven. Het loopt namelijk op olie: in bijna elke stap van kweken, kassen, koeling, bemesten, distributie, verkopen, ... zit olie in verwerkt (Somers, 2011). Bovendien wordt er verwacht dat de wereldbevolking zal toenemen (“World population wil increase by 2,5 billion by 2050”, 2007). De combinatie van deze uitputbare bron en toename van de bevolking, zou in de toekomst kunnen zorgen voor een waar probleem. Olie zorgt ook voor catastrofale problemen voor het milieu. Doordat olie in elke stap zit, ontstaat er grote uitstoot van CO2. Bovendien heeft het consumeren van dieren en dierlijke producten een negatieve invloed op het milieu. Een groot deel van de problemen ligt natuurlijk bij de speculanten, producenten, distributeurs, fabrieken enz. Zij zijn diegenen die ons het eten aanbieden. Maar een deel van het probleem ligt ook bij de consument.1.2 PROBLEEMSTELLING Met behulp van voorgaande informatie is het duidelijk dat er een verandering moet doorgevoerd worden in de voedingsgewoontes van de Westerse bevolking. Dit is echter niet makkelijk. Voedings- 1/81
  9. 9. gewoontes worden vroeg gevormd in het leven, vaak zijn ze blijvend en vrij moeilijk te veranderen (Fieldhouse, 1995). Ze kunnen wel beïnvloed worden doorheen de tijd. De doelgroep van dit onder- zoek, de jongvolwassenen, heeft absoluut niet de gewoonte om bezig te zijn met duurzaamheid van voedsel (Tacken, et al., 2010), aangezien er vaak belangrijkere thema’s zijn die dichter bij hun leven staan. Ze zijn vaak vooral bezig met prijs, gezondheid en tijd, zo blijkt uit zelf uitgevoerd onderzoek naar het voedingskeuzeproces van jongvolwassenen. Voedingsgewoontes veranderen is een moeilijk proces waar vele mensen mee worstelen (Van- deneede, 2012). Zelfs voor mensen die naar diëtisten stappen, waar professionele hulp aanwezig is, is het veranderingsproces moeizaam. Bij het aanleren en veranderen van bestaande voedings- gewoontes naar nieuwe varianten moeten vele stappen en drempels overkomen worden. Mensen die graag hun voedingsgewoontes willen veranderen moeten een proces doorgaan, waarbij zij zelf verschillende fases doorlopen. Het gaat hier dan vooral om informatie zoeken en nieuwe ideeën uittesten. Wie zijn voedingspatroon wil veranderen naar een meer ecologische variant moet dit proces ook doorlopen. Voor wie graag zijn voedingspatroon wil veranderen naar een gezondere variant zijn er veel mogelijkheden: diëtisten, Weight Watchers, dieetboeken, coachingprogramma’s, applicaties, ... Maar wie zijn voedingpatroon wil veranderen naar een meer ecologische variant is op zichzelf aangewezen om informatie te vergaren. Vaak is informatie verspreid en is ze niet eenduidig. Met dit onderzoek beoog ik een hulpmiddel te ontwikkelen om jongvolwassenen te helpen bij de implementatie van een ecologische voedingsverandering door middel van een mediale invalshoek.1.3 DOELGROEP Aangezien voedsel iets abstract geworden is, is onze maatschappij scheefgetrokken. Oudere gene- raties weten vaak nog waar voedsel vandaan komt, in tegenstelling tot de jongere generaties. Hier- door beseffen de jongeren niet meer wat de impact is van het voedsel op het milieu. Deel van de abstracte relatie met voedsel is gecreërd doordat de consument niet meteen ziet wat de gevolgen zijn van minder ecologische keuzes. Het is nochtans belangrijk dat jongvolwassenen weer dichter bij het voedselsysteem komen te staan, want zij zijn de generatie die morgen voor de wereld zorg moeten dragen. De huidige generatie heeft een totale vrijheid verkregen in verband met voedsel. Zij kunnen alles verkrijgen, wanneer ze willen, in welke hoeveelheid dan ook, zonder dat hierbij stil wordt gestaan over de gevolgen. Daarom heb ik gekozen om te werken rond Vlaamse jongvolwassenen. Vele jongvolwassenen gaan apart wonen, op kot of met hun vriend(in). Dan komt het moment dat ze zelf keuzes moeten maken qua voeding. Dit moment bepaalt vaak de verdere loop van voedselkeuzes. Het onderzoek beoogt om op dat moment te helpen zodat jongvolwassenen meer ecologisch en duurzame voedselkeuzes maken. Door middel van een experiment achterhaalde ik dat niet alle jongvolwassenen even veel interesse tonen voor deze problematiek. Er zijn echter wel jongvolwassenen die interesse tonen en hun voe- dingsgewoontes willen veranderen. Daarom ligt de focus van deze masterproef op jongvolwassenen die interesse hebben in de problematiek en openstaan voor voedingsverandering. 2/81
  10. 10. 1.4 ONDERZOEKSVRAAG Verandering is dus nodig. Dit zowel voor de hele industrie, alsook voor een gedragsverandering in de houding van de consument. Het is niet genoeg om de industrie te veranderen, want als de con- sument zich niet aanpast, heeft het geen nut. Daarom wordt in mijn onderzoek gezocht naar een manier om ecologisch bewuste voedingsveranderingen op een duurzame manier te implementeren. Daarom luidt de onderzoeksvraag dan ook: “Hoe kunnen we jongvolwassenen met een digitaal coachingsprogramma stimuleren om bewustere ecologische voedingsgewoontes aan te leren?”1.4.1 DOELSTELLING Ik beoog een coachingsprogramma te creëren dat jongvolwassenen helpt, bewust maakt en stimu- leert op een niet te strenge manier om hun voedingspatroon duurzamer te maken. Via dit onder- zoek wordt er gezocht naar een manier om jongvolwassenen, die graag een verandering in hun voe- dingskeuzes willen teweegbrengen, te helpen in een proces waarbij ze duurzame voedingskeuzes aangeleerd krijgen in combinatie met bewustmaking. Het coachingsprogramma beoogt een handvat te zijn voor zij die willen veranderen. Het is de bedoeling dat de gebruiker op eigen tempo vooruit- gang kan maken, aangezien een methode die met te vinger wijst al snel te controllerend overkomt en dus demotiverend werkt.1.4.2 SUBVRAGEN • Hoe werkt motivatie naar een duurzame verandering toe? • Hoe kunnen we hierbij een ludiek aspect betrekken? • Hoe kan informatie aangeleerd worden via media? • Welke manieren zijn geschikt om een voedingspatroonverandering door te voeren? • Welke elementen beïnvloeden jongvolwassenen in hun keuzeproces van voeding? • Welke vorm van coaching van voeding kunnen we aanreiken? Deze subvragen peilen naar verschillende aspect, aangezien er bij dit onderwerp verschillende ele- menten meegespeeld hebben. Op deze manier neem ik zo veel mogelijk beïnvloedende elementen in het onderzoek op. Veel van deze vragen worden reeds beantwoord in de deskresearch, maar ook in zelf uitgevoerd onderzoek. 3/81
  11. 11. 1.5 ONDERZOEKSDOMEIN Het domein van dit onderzoek situeert zich in verschillende domeinen. Het algemene domein kan omschreven worden als het domein van veranderingen, meer bepaald een voedingspatroonveran- dering. Daarom werd er gekeken naar Persuasieve Design. Dit is het motiveren en helpen bij ver- andering. Hiermee ging ik na welke manieren er zijn om mensen er toe aan te zetten om bepaalde acties te laten ondernemen. Hiervoor wordt verwezen naar de theorie van het Fogg Behavioural model, kortweg FBM (Fogg, 2009). Dit model handelt rond hoe men mensen overtuigt en actie laat ondernemen door design. In dit model definieert Fogg drie factoren voor computertechnologie die gedrag kunnen wijzigen. Deze theorie sluit mooi aan bij de onderzoeksvraag en subvragen in ver- band met het invoeren van een verandering in combinatie met motivatie. Anderzijds wil ik via dit onderzoek ook mensen iets aanleren. Meer specifiek gaat het hier rond het aanleren via media. Daarom is het tweede domein van het onderzoek het domein van multimedia learning (Mayer et al., 2000). R. Mayer heeft “Multimedia Learning” (Mayer et al., 2000) geschreven, waarin principes uitglegd staan om media te gebruiken in het leerproces op school. Deze theorie wordt in dit onderzoek vertaald naar mijn prototype, aangezien er enkele elementen aangeleerd worden zodat er gedragsverandering kan plaatsvinden. R. Mayer geeft zeer nuttige principes die vertaald werden naar het prototype. Meer bepaald handelt het zich hier om het aanleren van infor- matie, wat zeker wil bereikt worden met het prototype. Bepaalde elementen werden opgenomen in het uiteindelijke prototype.1.6 ONDERZOEKSMETHODEN Om dit onderzoek uit te voeren, maakte ik gebruik van verschillende methodes. Hieronder een over- zicht.1.6.1 LITERATUURSTUDIE Omdat het onderzoek over een korte tijdsperiode liep, was het nuttig om gebruik te maken van een zeer uitgebreide literatuurstudie aangezien hier veel nuttige conclusies kunnen uit getrokken wor- den. Om een deel van de subvragen te beantwoorden heb ik teksten en cases over gelijkaardige en bijkomstige thema’s bestudeerd. In eerste instantie heb ik een algemene deskresearch gedaan om het kader rond voedsel en ecologie te schetsen. Verder werd er onderzoek gedaan naar motivatie, duurzame verandering aanreiken en het aanleren van informatie via media. Dit wordt tenslotte aan- gevuld met cases rond deze thema’s. Dit deel kan teruggevonden worden in “Deel 1 Deskresearch”. 4/81
  12. 12. 1.6.2 EXPERIMENTEEL ONDERZOEK Als vooronderzoek om de visie te verbreden rond wat ecologisch eten precies betekent in de volks- mond, heb ik een experimenteel onderzoek uitgevoerd. Ik maakte een soort klapbord met twee zijdes aan. Op de ene zijde stond een wereld met de vraag: “Wat betekent ecologisch bewust eten volgens jou?” Hiermee beoogde ik te weten te komen wat ecologisch bewust eten betekent volgens jongvolwassenen. Aan de andere zijde van het bord stond een groot getekend bord met voedsel op. Hier stond de volgende vraag bij: “Zou je dit zelf doen? Waarom (niet)? Dit is de vertaalslag naar henzelf. Dit bord heb ik voorgelegd aan jongvolwassene vrienden, familie en kennissen van mij. Het was de bedoeling om enerzijds ideeën op te doen over ecologisch eten, de visie van mensen te ver- krijgen en anderzijds ook redenen te bestuderen die voor weerstand kunnen zorgen. Aangezien dit deel terugslaat op het concept kan dit onderdeel in “Deel 2 Realisatie: 5. Conceptualisering” terug- gevonden worden.1.6.3 VOEDSELDAGBOEK Een manier om inspiratie op te doen rond wat ecologisch eten inhoudt en hoe mensen hiermee omgaan was het bijhouden van voedseldagboeken. Enerzijds hield dit zelfonderzoek in, door zelf een eetdagboek bij te houden, en anderzijds werd hetzelfde ook aan een kotstudentente gevraagd. Het zelfonderzoek heeft als nut in te zien hoe iemand die met ecologie bezig is, zijn voedingskeuzes maakt. Gedurende enkele weken werden voedseldagboeken bijgehouden om te zien hoe het voe- dingspatroon zich evolueert door middel van bewustmaking van ecologie van voedsel. Door nog een andere persoon te betrekken, kreeg ik een zicht op hoe een ander persoon zijn afwegingen maakt in zijn voedingspatroon. Het nut van deze onderzoeksmethode was om bij te leren over afwegingen en inzicht te vergaren in het voedingspatroon van jongvolwassenen. Deze stap van het onderzoek had vooral een inspirerende functie. Ook dit deel kan teruggevonden worden in “Deel 2 Realisatie: 5. Conceptualisering.”1.6.4 ENQUÊTES Bij de voorgaande onderzoeksmethode genaamd “voedseldagboek” viel mij het afwegingsmecha- nisme op. Daarom besloot ik na te gaan of dit afwegingsmechanisme ook bestond bij andere jong- volwassenen door een extra bevraging via korte online enquêtes. Deze enquêtes bevroegen naar welk afwegingsmechanisme jongvolwassenen vertonen. De doelstelling was om inzichten te ver- werven en inspiratie op te doen over welke afwegingen ze maken, hoe ze deze maken en waarom. In een tweede fase heb ik een meer diepgaande enquête afgenomen bij kotstudenten en jongvol- wassenen die alleen wonen, om zo te zien hoe zij hun voedingspatroon vormgeven: wat zorgt voor moeilijkheden, wat helpt, ijkpunten, motiverende en demotiverende factoren en hulpmiddelen. Het nut hiervan was om erachter te komen hoe jongeren hun voedingspatroon opbouwen en hoe ze keuzes maken, om deze dan op te nemen in het coachingsprogramma. Net als het voorgaande deel kunnen deze beide enquêtes teruggevonden worden onder “5. Conceptualisering”. 5/81
  13. 13. 1.6.5 INTERVIEWS Om na te gaan hoe in klassieke scenario’s een voedingspatroonverandering wordt aangereikt, wer- den er interviews gehouden met een diëtiste en twee diëtistpatiënten om na te gaan hoe dit alle- maal wordt uitgevoerd. Hiermee wilde ik nagaan welke methodes en technieken diëtisten hiervoor gebruiken, in de hoop deze te kunnen vertalen naar het onderzoek. Deze methode is losjes geba- seerd op transferscenario’s, maar aangezien deze twee praktijken te dicht bij elkaar liggen, spreken we hier uiteindelijk toch niet van een transferscenario. In eerste instantie heb ik interviews uitgevoerd die ik dan geanalyseerd heb op motivatie, technie- ken, methodes en hulpmiddelen. Dit heb ik dan vervolgens vertaald naar de situatie van de Eco- Coach. De interviews worden gebruikt om de cultural probes en het uiteindelijke prototype vorm te geven en zijn daarom terug te vinden onder “5. Conceptualisering”.1.6.6 PAPER PROTOTYPING + CULTURAL PROBES Zoals aangehaald hierboven gebruikte ik als verdere onderzoeksmethode cultural probes gecombi- neerd met paper prototyping. Cultural probes, ook wel dagboek studies genoemd (Gaffney, 2006), zijn kleine pakketjes met cre- atieve opdrachten in. In de pakketjes zitten allerlei materiaal zoals fototoestel, kaartjes, dagboek, voicerecorder, post-it’s, pennen, ... De precieze verdeling hangt natuurlijk af van welke informatie men wilt verkrijgen. Verder wordt er verwacht dat de testpersonen zelf rapporteren in plaats van dat de onderzoeker direct observeert. Deze methode is vooral nuttig bij het design proces, aangezien ze veel inspiratie oplevert door visies van mensen te verkrijgen. Aangezien ik in deze fase meer speci- fieke informatie wou inwinnen over een voedselverandering die uitgevoerd werd door mijn pakketje handelt het zich niet in strikte vorm om een cultural probe. Aangezien ik beoogde om met mijn pakketje te testen hoe mensen reageren op opdrachten in ver- band met veranderingen in hun voedingspatroon - zoals werd beoogd in het uiteindelijk prototype - kunnen we hier ook spreken van een “paper prototype”. Met een “paper prototype” (Snyder, 2003), een soort van tussenprototype, test men de bruikbaarheid van het prototype uit door gebruikers realistische taken te laten uitvoeren. In essentie was mijn pakketje, de “Ecobox” gedoopt, een combinatie van vragenlijsten, opdrachten en een testing van mijn eerste prototype op lange termijn. Meer specifiek werden er door middel van de doos enkele methodes uitgetest zoals een voedseldagboek, recepten en kleine werkstappen. Deze werden gecombineerd met vragenlijsten om gerichte informatie te weten te komen over visies en gedachten van de testpersonen en de reacties op een voedingsveranderingsproces. Het handelt zich hier dus om een vorm van paper prototype gecombineerd met een losse benaming van cultural probes. Deze onderzoeksmethode gaf vorm aan het het uiteindelijke prototype en is daarom terug te vinden onder “Deel 2 Realisatie: 5. Conceptualisering”. 6/81
  14. 14. 1.6.7 BRUIKBAARHEIDSTESTING In de laatste fase van het onderzoek, heb ik het prototype getest op bruikbaarheid. Dit is een nut- tige manier van onderzoek, aangezien het aantoont hoe het concept werkt in het “echt”, benut door echte gebruikers. (Nielsen, 1994) Er werd eveneens nagegaan welke problemen er waren, welke veranderingen er mogelijk zijn, wat beter kon, wat reeds goed was, ... Bruikbaarheid wordt doorgaans getest door observatie. Daarom observeerde ik hoe testpersonen omgingen met mijn prototype. Er waren enkele domeinen waar ik op getest heb (“End Goals of Usability Testing”, 2009). • Efficiëntie : hoe snel, hoeveel stappen, ... heeft de testpersoon nodig voor er een stap wordt uitgevoerd? • Preciesheid: worden er veel fouten gemaakt? • Intuïtie: hoe makkelijk loopt alles? • Emotioneel gevoel: hoe voelt de persoon zich na het gebruik? Usability testing kan het best worden gemeten door opdrachten op te stellen die dan uitgevoerd worden door de testpersonen. In mijn testfase werd er daarom gekozen om enkele opdrachten uit te laten voeren om daarna naar de mening van de testpersonen te peilen. Volgens Jakob Nielsen (Sauro, 2012) is een groep van ongeveer vijf testpersonen genoeg om conclu- sies uit te trekken. Vanaf deze hoeveelheid testpersonen is er een patroon te herkennen. Ik voerde mijn testing uit op zes testpersonen verspreid over de tijd, om zo tot steeds betere bevindingen te komen. Verder zijn er nog specifieke elementen die getest werden bij mijn coachingsprogramma. Hoewel het coachingsprogramma geen game is, was het interessant om elementen te gebruiken van bruik- baarheidstesting van games. Afbeelding 1: Game elementen bij bruikbaarheidstesting (Malliet, 2011-2012) 7/81
  15. 15. Aan de hand van dit schema, nam ik enkele elementen mee om te testen. Ik heb bevraagd hoe het gebruik van het prototype verliep, of het logisch en natuurlijk opgebouwd was. Ook heb ik gepeild naar het design, de interactie en de vloeiing van de app. Als laatste heb ik gepolst naar de aangeleer- de vaardigheden. Deze onderzoeksmethode is terug te vinden in een verder deel van het onderzoek genaamd “Deel 2 Realisatie: 6. Concretisering”.1.7 OVERZICHT THESIS “Deel 1: Deskresearch”: Dit deel bestaat uit verschillende delen zoals een algemeen kader rond voe- ding, theoretisch kader en state of the art. • Kader: Hier wordt verder uitleg gegeven over het voedselsysteem, wat ecologisch eten in- houdt en de visie van het onderzoek. • Theoretisch Kader en State of the Art: De bedoeling is om te weten te komen wat reeds is uitgevoerd in dit domein van onderzoek. Ik focusde me hier op duurzaamheid via design en voedingsveranderingen. “Deel 2: Realisatie”: Dit deel draait rond de conceptualisering en concretisering van het prototype. • Conceptualisering: Hierbij wordt het gedane onderzoek vermeld naar jongvolwassenen en voedingspatronen, interviews en andere. • Concretisering: In dit onderdeel wordt mijn concept EcoCoach uitgelegd met de technische uitwerking. Als laatste komt de gebruikstesting hier ook aan bod. “Besluit”: Hier maak ik aanbevelingen en wijs ik op tekortkomingen om te komen tot een algemeen besluit. 8/81
  16. 16. Everyone thinks of changing the world, but no one thinks of changing himself. Leo Tolstoy
  17. 17. DEEL 1: DESKRESEARCH Het eerste deel van mijn onderzoek werd gebaseerd op deskresearch. Via deze deskresearch onderzocht ik drie grote domeinen, die ik beschrijf in de onderstaande onderdelen. In het eerste onderdeel ga ik dieper in op het algemene kader van het onderzoek. Aangezien ik een onderzoek doe rond voedsel en ecologie, is het van belang om een stevige basis te hebben naar achtergrondinformatie. Enerzijds ga ik verder in op de voedselcultuur en de problematiek, anderzijds ga ik dieper in op ecologische visies en vertaal ik dit naar een start- punt omtrent ecologische voeding. Zo wordt er een mooi kader geschetst dat als startpunt dient voor de rest van de thesis. Het tweede onderdeel is het theoretische kader. In dit deel zoek ik naar antwoorden op de subvragen in verband met het aanleren van media, duurzame veranderingen, het ludieke aspect en motivatie. Het derde onderdeel van het deskresearch behandelt de “state of the art”. Doordat ik nut- tige cases analyseer kan ik hier belangrijke elementen uit concluderen. Ook analyseer ik voorbeelden van coachingsprogramma’s en voorbeelden van ecologische instanties om zo tot een stevige basis te komen om het coachingsprogramma op te inspireren. Dit gehele eerste deel schetst een duidelijk kader waarin het onderzoek zich bevindt en in welke richting het onderzoek evolueert.
  18. 18. 2. ALGEMEEN KADER Zoals aangehaald in de inleiding is voedsel vandaag de dag vanzelfsprekend. We kopen het in de winkel, maken het al dan niet klaar en consumeren het. Al te vaak staan we er niet bij stil welke im- pact het voedsel heeft op de wereld rondom ons. Nochtans is het belangrijk om stil te staan bij deze impact dat voedsel heeft op onze wereld en dan vooral op het milieu. Verder is het ook belangrijk stil te staan bij de gedachtengang van de moderne Westerse maatschappij rond voedsel. Als we denken aan eten, denken we vaak niet verder dan aan wat er op ons bord ligt. Onze huidige voedselcultuur zorgt ervoor dat er een afstand is tussen de consument en het product. “Waar komt het vandaan?” “Welke impact heeft het?” “Wie werkt er aan mee?” “Welke afstand heeft het afgelegd?” Deze vra- gen spelen vaak geen rol in de gedachten van de consument. Toch zit er achter elk stuk voeding een verhaal. Daarom is het belangrijk om het verhaal rond voedsel en consumptie vanuit verschillende standpunten te bekijken om het te begrijpen.2.1 KORT OVERZICHT VAN VOEDSELEVOLUTIE Onze band met voedsel heeft een lange weg afgelegd. In de oertijd hadden we er een zeer nauwe band mee. De mens was een jager en verzamelaar. Onze lichamen waren hiervoor gebouwd, men kreeg de voedselstoffen binnen die men nodig had. Toch ontstond er een verandering naar agricul- tuur. De reden hiervoor was dat mensen zich konden settelen op één plaats, in plaats van rond te trekken. Hierdoor groeide de bevolking aan en kon een andere verdeling van activiteiten plaatsvin- den, aangezien er minder individuen nodig waren voor de voedselvoorziening. (Beardsworth et al., 1997). Eind 19de eeuw veranderde de band met voedsel nog verder. We evolueerden naar een voedselcon- sumptie-maatschappij, onder invloed van “The Great Transformation” (Corrigan, 1997). Dit is het proces waarbij veranderingen ontstonden op economisch, politiek en sociaal vlak. De maatschappij industrialiseerde en mensen trokken naar de stad om zich bezig te houden met andere activiteiten in plaats van zelfvoorzienend te zijn. Het echte startschot van de consumptiemaatschappij in de Westerse wereld werd gegeven in de jaren ‘50 (Corrigan, 1997). Onder invloed van technologische en sociale verandering door de industriële revolutie veranderde de band met voedsel. Volgens Stephan Mennel (Corrigan, 1997) kon door de industriële revolutie de samenleving evolueren van een agriculturele samenleving naar een industriële samenleving. Zoals aangehaald in de inleiding ontstond het nieuwe voedselsysteem door deze industrialisatie. Ik ga hier kort dieper op in. Men bouwde machines die het makkelijker maakten om voedsel sneller en beter te kweken en oogsten, waardoor er minder mensen nodig waren bij dit proces. Hierdoor verdween de band voor het grootste deel van de samenleving met voedsel. 12/81
  19. 19. Verder, door een steeds groeiende bevolking, groeide de vraag naar voedsel. Deze kon ingevuld worden door technische veranderingen die de hoeveelheid voedsel die geproduceerd werd ver- hoogden. Door het gebruik van chemische bemesters in plaats van natuurlijke, versnelde het proces enorm. Tezelfdertijd werden er ook nieuwe manieren van transport uitgevonden, waardoor men het geproduceerde eten ook sneller tot bij de consumenten kon brengen (Beardsworth et al., 1997). Ook worden er enorme hoeveelheden voedsel geïmporteerd vanuit andere landen, wat grote ge- volgen heeft voor deze landen en het milieu. Voedsel dat in Westerse landen wordt geconsumeerd, komt maar al te vaak van niet lokale plaatsen en leggen een lange weg af tot op het bord. Dit proces noemt delokalisatie en zorgt enerzijds voor meer variëteit in voedselaanbod en anderzijds voor een aanwezigheid van alle soorten voedsel het hele jaar lang. In niet-Westerse landen zorgt het daar- entegen voor het tegenovergestelde: door de productie van commercieel voedsel voor verkoop, hebben ze minder diversiteit en voedsel (Beardsworth et al., 1997). Het huidige voedselsysteem kan door 5 elementen worden gekenmerkt: (Beardsworth et al., 1997) 1) Hoog gespecialiseerd, industrieel voedselsysteem: grote omzet met relatief weinig mensen die betrokken zijn bij het productieproces; 2) distributie gaat via de supermarkt en zolang we geld hebben, is alles beschikbaar voor ons; 3) veel keuze en variëteit; 4) door globaal voedsel, is er bijna nooit een tekort; 5) constante discussies over de houdbaarheid van het systeem en de toekomst.2.2 GEVOLGEN VOOR MENS EN MILIEU Aangezien het voedselsysteem zo ver afstaat van de bevolking zijn er problemen voor de mens en het milieu. Deze zijn reeds aangehaald in de inleiding en zijn niet enkel de fout van de consument, maar is er wel een deel aan toe te wijzen. Hierboven vermeld heeft het moderne voedselsysteem als eigenschap dat er constante discussie is over de houdbaarheid van het systeem en de toekomst. Het voedselsysteem dat gehanteerd wordt put de aarde uit, zorgt voor opwarming van de aarde en is niet houdbaar op lange termijn. Het voedselsysteem dat vandaag bestaat is niet houdbaar om de planeet te voeden en deze te onderhouden Ik wil daarom via mijn onderzoek mensen bewust maken van wat de invloed is van deze handelingen die zij nemen in verband met voedsel, zodat zij hun kunnen wapenen en duurzamere keuzes maken. Als zij dit inzien en voor alternatieven kiezen door veranderingen in hun eigen gedrag, is er al een positieve verbetering. 13/81
  20. 20. 2.3 ECOLOGISCHE VISIE Het is niet enkel belangrijk om enerzijds te bekijken welke evoluties voedsel en voedselsystemen hebben doorgemaakt. Het is anderzijds ook interessant en belangrijk om over een ecologisch stand- punt na te denken. Daarom schets ik een ecologisch kader om het onderzoek in te plaatsen. In dit onderdeel ga ik dieper in op de groene stromingen die er bestaan. Er zijn enorm veel methodes van ecologie, daarom is het belangrijk om er één uit te kiezen als stevige basis voor het hele onderzoek. Er bestaan verschillende stromingen van ecologie. Zo bestaat er Eco Socialisme, Eco Anarchisme, Eco Feminisme, Eco Ludisme enzovoort (Ife et al.,2011). Bij deze voorgaande is er vaak een focus op het sociale aspect. De visie die ik hanteer in dit onderzoek is die van anti-groei. Deze visie gaat er van uit dat groei het algemene probleem is van de ecologische crisis. In het huidige systeem wordt verwacht dat er altijd groei is (Dhont, 2010): groei van de economie, populatie, organisaties, ... “Groter is beter” volgens dit systeem. De visie is dat als er groei is, we een rijk, goed leven hebben en kunnen onderhouden. Het huidige systeem wordt ook wel bruine economie genoemd. Een eco- nomie kan groeien door middel van drie factoren. Ten eerste is er de groei van populatie, aangezien meer mensen meer consumptie betekent en dus is het de productie die de economie aanzwengelt. Ten tweede is er innovatie die ervoor zorgt dat er meer gemaakt kan worden met dezelfde input. Ten derde is er het “nemen van anderen”: om de Westerse economie te laten groeien wordt enorm veel geïmporteerd via handel (Feinman, 2005). Al dit is niet haalbaar in een wereld met beperkte grondstoffen (Chun, 2011), er moet bewust goed mee omgesprongen worden. Groei kan niet voor eeuwig en altijd bestaan. De visie van anti-groei is een visie waarbij de mensen geen groei in de hand moet werken, en enkel grondstoffen mogen gebruiken die ze aan hetzelfde tempo aanplanten en vervangen. Er zou een maatschappij moeten ontstaan waar groei niet het doel is (Ife et al.,2011), een economie die niet meer groeit, maar stabiel blijft op een punt waar de groei maximaal is. De theorie achter deze visie is dat een economie volgens klassieke economen vanzelf terecht zou komen in een stationaire staat, waarbij lonen hoog genoeg zijn om mensen perfect te onderhouden zonder dat er geld zou gaan naar kapitalistische instanties, wat zorgt voor groei. Hoewel vele klassieke economen hier schrik voor hebben, ziet de econoom Mill dit als een positieve zaak. Hij ziet dit als een manier voor duur- zame groei, waarbij er meer groei is op het sociale, menselijke en intermenselijke vlak (Daly H., 1996). In dit systeem wil men eerder werken aan het geluk van mensen in plaats van aan groei van rijkdom en geld. Natuurlijk kan dit met een korrel zout genomen worden en wordt het beeld van Mill wel heel idealistisch voorgesteld. De kenmerken van een anti-groei economie zijn dat ze zich veel minder focust op het aspect van werk, waardoor er meer tijd is voor menselijk contact, natuurlijke wereld verkennen, kunst en we- tenschap verkennen,... Het gevolg is dat er veel minder moet geconsumeerd worden. Het zou dus eerder een model zijn van de jaren ‘60 van lokaal denken en uitvoeren. Er zou verder ook meer ge- lijkheid ontstaan tussen verschillende landen. Westerse landen zouden krimpen in hun consumptie en arme landen zoals India en China zouden kunnen groeien. Natuurlijk is hier ook een stabilisatie van de populatie voor nodig (Daly H. E., 1997). Ik kan mij algemeen zelf de vraag stellen of dit natuur- 14/81
  21. 21. lijk haalbaar is, de wereld vandaag is niet meer die van in de jaren ‘60. Enerzijds zijn we met een veel grotere populatie en anderzijds hebben we ook andere technologieën bijgeleerd die we niet kunnen verliezen door terug te keren naar tijden van 1960. Daarom kan er best een weg ingedraaid worden die meer duurzaam is voor de planeet de dag van vandaag. In conclusie stel ik dat een anti-groei economie een economie is waar er wordt gekeken naar duur- zame producten, die geen impact hebben op de wereld en met dezelfde snelheid in grondstoffen kunnen vervangen worden.2.3.1 VISIE VAN HET ONDERZOEK Doorheen de jaren zijn onze voedselafdruk en voetafdruk enorm gegroeid ten gevolge van econo- mische groei. Onze huidige voedselafdruk in de Westerse, ontwikkelde wereld is overgroot: we zijn veel te ver gegaan dan rechtvaardig en juist is voor deze planeet (Meadows et al., 2004). Hoewel velen denken dat het onbelangrijk is om actie te ondernemen, aangezien ze maar klein zijn en geen echte invloed kunnen uitoefenen, is dit fout (Hogg, 2010). Vele kleine beetjes maken één grote, dus als vele mensen kleine handelingen uitvoeren, heeft dit zeker een effect zodat de balans van de aarde kan verschuiven naar een meer positieve kant (Suzuki et al., 2007). In dit onderzoek vertrek ik vanuit de anti-groei theorie. Hoewel deze theorie vooral gehanteerd wordt op het vlak van economie, belastingen enzovoort, is er ook een passende visie die gelinkt kan worden aan het voedselaspect. Door economische groei kunnen West-Europeanen voedsel vanuit de hele wereld verkrijgen en kiezen wat ze willen in de winkel zonder de gevolgen ervan te zien. Met andere woorden de balans in de Westerse wereld is ver zoek. In dit onderzoek wil ik graag weer terug naar een evenwicht tussen voedsel en de band die er bestaat. Door mensen te begeleiden via het coachingsprogramma wil ik weer een beter evenwicht bereiken tussen ecologie en gemaakte keuzes. Nu is er weinig evenwicht te vinden in de voedselkeuzes van de doorsnee Belg. Velen kiezen zonder bewust na te denken wat de gevolgen zijn en wat de bewustere keuze zou zijn. Toch besef ik dat het nooit mogelijk is om in de huidige maatschappij perfect ecologisch te eten, aangezien men dan niets zou kunnen aankopen. Het is dus zeker geen alles of niets situatie. Er wordt via dit onderzoek gezocht naar een evenwicht tussen milieu en eigen keuzes. De situatie die ik beoog in dit onderzoek is dus een meer duurzame situatie waar we minder impact hebben op het milieu en waarbij de grondstoffen en vervuiling met dezelfde impact vervangen kunnen worden. Vertaald naar de anti-groei visie betekent dit dat de Westerse mens zijn verbruik moet verminderen naar een meer normale situatie, die geen enorme impact heeft op het aspect van energie. Zoals vermeld in het deel rond groene economie is het onmogelijk om terug te keren naar een jaren ‘60 model, maar bepaalde elementen uit deze tijd kunnen terug overgenomen worden. Zo zou men de vleesconsumptie en zuivelconsumptie serieus kunnen bijdraaien, voedsel lokaler kopen en zelf groenten kweken. Deze worden verder gestaafd in deel “2.4 Ecologisch bewust eten”. 15/81
  22. 22. 2.4 ECOLOGISCH BEWUST ETEN Met alle voorgaande informatie kunnen we ons afvragen wat het precies inhoudt om ecologisch bewuster te eten. Aangezien dit is wat ik wil aanleren via het coachingsprogramma, is het belangrijk dat dit duidelijk gedefinieerd wordt om hiermee verder aan de slag te kunnen. Ecologisch bewust eten is het aanpassen van huidige voedingsgewoontes naar voedingsgewoontes die aangepast zijn aan het seizoen, land en die het milieu zo min mogelijk schade toebrengen, een systeem dat de aarde niet uitput met andere woorden. Deze acties zijn een manier om de balans weer in ons voedingspatroon te brengen. 1. Minder vlees eten en 2. Minder dierlijke producten eten Vlees en dierlijke producten (zuivel, ei, ...) hebben de grootste impact op het milieu. Niet Iedereen hoeft vegetariër te worden. Hoewel dit een zeer positief ecologische keuze zou zijn, zijn er ander- zijds al kleine stappen die iedereen kan nemen: (Suzuki et al., 2008), • Minder grote hoeveelheden vlees en zuivel consumeren • Minder vaak vlees en zuivel consumeren • Meer voor plantaardige alternatieven kiezen Wie zou overstappen naar een grotendeels plantengebaseerde dieet kan zijn ecologische voedselaf- druk verkleinen met 90%. Vlees en dierlijke producten hebben een grote uitstoot aangezien ze graan en water nodig hebben. Met het graan dat gevoederd wordt aan dieren, zou men veel meer mensen in hun voedselbehoefte kunnen voorzien.. Uit onderzoek blijkt dat er in 2030 niet genoeg graan zou zijn om de dieren te kunnen voederen om vlees te kweken volgens de vraag die er dan zal zijn (“De volgende Grote Depressie? In 2030...” , 2012). Daarom is het belangrijk om nu vleesconsumptie serieus te minderen. 3. Lokaal/seizoenaal eten Het huidige voedselsysteem zorgt ervoor dat voedsel over de hele wereld vervoerd wordt voor het in de supermarkt terecht komt (Suzuki et al., 2008). Met de grondstoffen die op geraken is het dui- delijk dat het niet juist is dat er aan voedsel zoveel olie wordt verkwist, als het ook simpeler kan. Lokaal voedsel consumeren is een onovertroffen manier om enerzijds voedselkilometers drastisch te verminderen en anderzijds weer in contact te komen met de natuur, aangezien men meer ge- neigd is voedsel uit het seizoen te eten. Lokaal voedsel heeft als voordeel dat het minder verpakt moet worden, verser is (en dus meer vitamines bevat) en minder kilometers heeft afgelegd. (Suzuki et al., 2008). 16/81
  23. 23. Enkele tips zijn: • Naar lokale boerenmarkten gaan • Kiezen voor voedsel te kopen via een community 4. Biologische/organische alternatieven kiezen Het verbouwen van organische en biologische groenten en fruit heeft een positieve impact op mi- lieu en mens. Men krijgt minder pesticiden binnen en ook de planeet wordt gespaard: • De productie kost minder energie • Lagere uitstoot • Gezondere grond die vruchtbaarder is • Minder schadelijke stoffen in de lucht en grond • Minder schadelijke stoffen om zelf op te nemen Er is nochtans een klein probleem met biologisch gekweekt voedsel, naast de prijs. Vaak komt het voedsel van verder en zo krijgt men weer te maken met hoge voedselkilometer. (Suzuki et al., 2008) Daarom is het best om te kiezen voor lokaal voedsel en dan pas voor biologisch/organisch.2.4.1 VERTAALD NAAR HET ONDERZOEK Al deze stappen hebben een directe invloed op de precieze benaming en dus werking van mijn coachingsprogramma genaamd EcoCoach. Het is belangrijk om precies te weten waar ik naartoe wil met mijn prototype. Het is vrij duidelijk uit voorgaande teksten dat ik kies voor een situatie waarbij geprobeerd wordt om onze consumptie te normaliseren. Daarom heb ik besloten om mij op drie grote thema’s te richten: 1. vleesconsumptie verminderen 2. zuivelconsumptie verminderen 3. lokaal en seizoensgebonden consumeren van fruit en groenten Deze drie elementen hebben de duidelijkste gevolgen op het milieu en zijn niet omstreden zoals bijvoorbeeld biologisch eten. 17/81
  24. 24. 3. THEORETISCH KADER In dit tweede deel van de deskresearch worden enkele theorieën aangehaald omtrent subvragen rond het doorvoeren van een duurzame verandering en motivatie, het ludieke aspect en het aanle- ren van informatie via media.3.1 DUURZAME VERANDERING Eén van mijn subvragen handelt rond hoe ik een duurzame verandering kan doorvoeren. Deze sub- vraag is gelinkt aan motivatie. Via het coachingsprogramma wou ik graag duurzaam gedrag aanmoe- digen bij jongvolwassenen door hun voedingspatroon te veranderen naar een meer ecologische variant. Daarom bestudeerde ik enkele onderzoeksteksten en linkte ik deze aan EcoCoach. In dit deel ga ik dieper in hoe een duurzame verandering kan ingevoerd worden. Meer bepaald haal ik hier drie theorieën aan. Als eerste kijk ik naar persuasief design, aangezien dit aansluit bij het veranderen/ sturen van gedrag. Voor persuasief design verwijs ik naar het “Fogg Behaviour Model” (Fogg, 2009), kortweg FBM. Dit model behandelt hoe men mensen overtuigt en actie laat ondernemen door middel van design. Het gaat hier dus over computersystemen die gemaakt zijn om gedrag te beïnvloeden en te veranderen. Dit sluit perfect aan bij mijn project EcoCoach, aangezien dit een computersysteem is dat mensen helpt bij gedragsverandering. In dit model definieert Fogg drie factoren voor computertechnologie die gedrag kunnen wijzigen. Elke factor heeft ook nog enkele technieken om gedrag te wijzigen. Hieronder een overzicht: Motivatie: hoe graag men een actie wil ondernemen. Technieken om dit te verhogen zijn er die inspelen op het verhogen van plezier, hoop, of sociale aanvaarding. Mogelijkheid (ability): of men deze kan uitvoeren. Men kan dit verhogen door middel van een ele- ment dat actie ondernemen makkelijker maakt. Meer bepaald handelt het hier rond tijd- en geldbe- sparing of een actie die niet te veel moeite of denkvermogen vereist. Uitlokkende factoren (triggers): elementen die er voor zorgen of actie wordt ondernomen. Voor- beelden hier zijn: aandachtstrekkers, vergemakkelijkers en signalen. Deze theorie biedt enkele elementen aan die zeer nuttig zijn. Toch valt het op dat deze techniek re- delijk verouderd was. Fogg heeft daarom een update geschreven met hedendaagse technieken met als voorbeeld de mobiele telefoon. Volgens hem kan deze een zeer grote uitlokkende factor zijn om acties te ondernemen in het echte leven. Uitlokkende factoren zouden dan vooral elementen zijn die het gemakkelijker maken om actie te ondernemen in het echte leven. Bij EcoCoach spreek ik van een situatie waar er reeds een redelijk hoge motivatie aanwezig is, aangezien de doelgroep net die jongvolwassenen zijn die verandering willen implementeren. Echter is de “mogelijkheid” vrij laag bij EcoCoach, aangezien de jongvolwassenen niet weten hoe ze actie moeten ondernemen. Hier speel ik dus op in door middel van het duidelijk te maken hoe makkelijk het is om hun voedingspatroon te veranderen. 18/81
  25. 25. Afbeelding 2: FBM model (Fogg, 2009)Ten tweede verwijs ik naar de tekst “Using persuasive technology to encourage sustainable beha-vior” (Midden et al., 2007). In essentie is het doel van EcoCoach het aanmoedigen van duurzaam ge-drag. Voorgaand benoemde tekst behandelt dit thema. Hoewel technologie als een controversiëlemanier kan gepercipieerd worden, aangezien het ervoor heeft gezorgd dat ons voedselsysteem zichheeft kunnen evolueren naar een meer abstracte vorm, kan het ook helpen bij een gedragsverande-ring naar duurzaam gedrag. De tekst behandelt twee visies om gedrag te veranderen:• De eerste visie handelt rond een puur technologische visie om gedrag te veranderen. Hierbij wordt enkel technologie gebruikt en geen andere middelen tot gedragsverandering. Het nadeel hiervan is dat technologie vaak teleurstellende resultaten teweegbrengt. Dit komt doordat de programma’s vaak niet gebruiksvriendelijk zijn.• De tweede visie situeert zich aan de andere kant waarbij verandering enkel wordt bereikt door een focus op gedrag en niet op de context waarin het gedrag zich situeert. Ook deze kant heeft een eerder teleurstellend karakter, doordat het zich vooral richt op de voornemens van de gebruiker en niet op de echte actie.De beste methode tot gedragsverandering volgens “Using persuasive technology to encourage sus-tainable behavior” (Midden et al., 2007) is dus een middenweg. Gedrag en technologie moetengebruikt worden om tot een gedragverandering te komen. Het is dus niet voldoende om een enkeltechnisch programma te maken of puur iets dat op gedrag inspeelt. Het is belangrijk dat gedrags-verandering aangereikt wordt door technologie. Er bestaan hier verschillende aanpakken voor. Debest toepasbare methode voor EcoCoach is de methode waarbij technologie de “promotor” is om 19/81
  26. 26. een gedragsverandering door te voeren. Bij de “promotor” - methode is de technologie gemaakt om gedragskeuzes te beïnvloeden. Dit is wat ik wil bereiken met EcoCoach. Daarom wordt er gepro- beerd met het programma niet enkel in te spelen op de intenties, maar wordt er ook echt gecoacht en hulp gegeven, zoals de naam aangeeft. Toch is dit niet genoeg. Technologie is ook nodig om gedragsverandering bij te staan. Technologie kan zorgen voor een efficiëntere feedback. Het probleem met de meeste campagnes is dat er maar op één manier kan gecommuniceerd worden, met andere woorden éénrichtingscommunicatie. Met de huidige technologie kan er in twee richtingen gecommuniceerd worden. Zo kunnen intelligente technologieën leren van de gebruiker en op een persoonlijke manier communiceren. EcoCoach wil niet enkel een programma zijn waarbij er maar langs één richting gecommuniceerd wordt, daarom maakt het programma gebruik van een “persoonlijke” aanpak en is er plaats voor vragen. Een interessant voorbeeld in “Using persuasive technology to encourage sustainable behavior” (Midden et al., 2007) is dat technologie kan helpen een boodschap beter over te brengen. Vaak worden bewustmakingscampagnes snel vergeten, omdat ze geen impact hebben. Volgens de tekst is het nuttig gevolgen te tonen door middel van actie-reactie, bijvoorbeeld hoe de aarde er zou uitzien na de gevolgen van klimaatsverandering. In EcoCoach wordt ook deze theorie aangehaald door middel van een “wereldbolmeter”, een meter die aangeeft hoe ecologisch zijn gedrag is. Deze meter is ook geïnspireerd door de tekst “Making the user more efficient: Design for sustainable behaviour” (Lockton et al., 2008), de derde theorie die ik aanhaal. In deze tekst wordt een manier vermeld van gedragsverandering, die kan gebeuren door beïnvloeding onder leiding van feedback. Meer specifiek gaat het hier rond het meedelen van hoe efficiënt en ecologisch het gedrag is van de testpersoon via bv een meter, een licht, een waarschuwing, ... Zo kunnen de gebruikers beseffen dat ze iets niet juist doen en hun gedrag aanpassen. Voorgaande tekst behandelt nog andere manieren in design om gedrag om te vormen naar duur- zaam gedrag. Ik ga beknopt dieper in op de manier van “begeleiden”. Het “begeleiden” schakelt terug naar de FBM en persuasive design. Volgens Lockton (2008) zijn manieren om gedrag te ver- anderen: vereenvoudiging, gidsen door een proces, individuele aanpassingen, suggesties op het juiste moment, zelfcontrole door hun eigen gedrag te bekijken, controle door andere en versterking door te conditioneren. De terugkoppeling naar EcoCoach hierbij is de zelfcontrole, door achteraf de gebruiker zijn eigen gedrag te laten evalueren. Verder is de manier van gidsen ook een toepasbaar thema. EcoCoach gidst mensen door een proces door informatie aan te geven en hen te helpen bij een gedragsverandering.3.2 LUDIEK ASPECT Aangezien er niet enkel werd gezocht naar een manier om een duurzame voedingsverandering door te voeren, maar ook naar het aspect hoe iets aan te leren op een ludieke manier, bekijk ik enkele aspecten van ludiek design. Volgens Gaver (2007) gedragen mensen zich in een niet werkomgeving als Homo Ludens, speelse scheppingen, die graag spelenderwijze ontdekken. Een spel is dus niet enkel een manier van enter- tainment en tijdverdrijf, maar een manier om nieuwe dingen te ontwikkelen, nieuwe perspectieven 20/81
  27. 27. te verkrijgen. Daarom is het belangrijk om technologieën te ontwikkelen die inspelen op het ludieke aspect. Er is een vraag naar objecten die nieuwsgierigheid, ontdekking en reflectie ondersteunen. Ludiek design is dus design dat op een leuke manier interactie stimuleert of representeert. Coachingsprogramma’s en diëtistes zijn zeer informatief, misschien zelfs te informatief. Vele mensen haken af omdat er niets ludiek aan is verbonden. Het ludieke zou ervoor moeten zorgen dat er bui- ten het puur informatieve aspect ook iets leuks tussen zit, zodat men volhoudt en voortdoet. Uit persoonlijk zelfonderzoek merkte ik op dat applicaties als coachingsprogramma’s vaak puur in- formatief zijn en daarom niet lang boeien. Daarom was het van groot belang om iets speels te ver- binden aan het coachingsprogramma. Daarom werd er aan EcoCoach, zoals reeds bij “3.2 Duurzame verandering” aangehaald, een wereldbolmeter toegevoegd. Deze helpt het geheel enerzijds motive- rend te maken door een duidelijke maatstaf aan te geven, maar anderzijds voegt het ook door een ludiek element toe. Deze bol is geïnspireerd op voorbeelden waarbij de wereld groener wordt. Deze kunnen gevonden worden onder het hoofdstuk “4. State of the art”.3.3 AANLEREN VAN INFORMATIE Het derde deel van het theoretisch kader handelt rond het aanleren van informatie en dan meer bepaald via media. Ook hier bestudeer ik enkele aanleunende theorieën. De eerste theorie die ik bekijk is de theorie van R. Mayer. Hij schreef “Multimedia Learning” (Mayer et al., 2000), wat aan- sluit bij de subvraag hoe iets kan aangeleerd worden door middel van multimedia. Zijn theorie spe- cificeerde zich vooral op de manier hoe media gebruikt kan worden in een schoolse omgeving om iets aan te leren. Deze theorie werd vertaald naar mijn prototype, aangezien er hier enkele elemen- ten aangeleerd worden, zodat er gedragsverandering kan plaatsvinden. Volgens hem verloopt een normaal leerproces volgens twee systemen om informatie op te nemen: verbaal informatieproces (tekst) en visueel informatieproces (beeld). Maar bij leren via multimedia komen er drie cognitieve processen aan bod: selecteren, organiseren en integreren. Het selecteren van informatie gebeurt zowel op basis van inkomende visuele informatie als op basis van inkomende verbale informatie. Via organiseren worden afbeeldingen gebruikt om te integreren in een visueel gebaseerd model en woorden in een verbaal gebaseerd model. In de laatste fase worden bruggen gelegd tussen de infor- matie die nu verkregen is met eerder verkregen informatie. In een model ziet dit er zo uit: Afbeelding 3: Leermodel(Mayer et al., 2002) 21/81
  28. 28. Verder zijn er nog 5 principes (Mayer et al., 2000) die helpen bij multimediaal leren:• Principe van meerdere voorstellingen: het is beter om informatie weer te geven in woorden en beelden, in plaats van enkel woorden.• Contiguiteïtsprincipe: wanneer men uitleg geeft via multimedia, is het belangrijk dat beelden tegelijkertijd worden gegeven als tekst, in plaats van na elkaar.• Gespleten-aandachtsprincipe: wanneer men uitleg geeft via multimedia, kan men beter woorden laten horen in plaats van visuele tekst.• Principe van individuele verschillen: de voorgaande principes gelden vooral voor mensen met lage kennis over wat er aangeleerd wordt.• Samenhangprincipe: studenten leren beter van een uitleg met weinig woorden en beelden, dus compacte informatie.Enkele van deze principes werden vertaald naar het uiteindelijke prototype. Zo werd er gekozen ommet beelden en filmpjes te werken die iets aanleren aan de hand van de principes van R. Mayer.De tweede theorie die aangehaald wordt, is die van mLearning. Aangezien er gekozen wordt omEcoCoach te maken voor een mobiel platform is het interessant om hiernaar te kijken. De “m” inmLearning staat voor mobile en verwijst dus naar tablets, smartphones en PDA’s (Mellow, 2005).In essentie vertoont het leren via mobiele technologieën enkele eigenschappen. Een applicatie dievia mobiele media iets aanleert heeft volgende eigenschappen (“7 things you should know aboutmLearning”, 2010):• Korte interactie van 5 minuten of minder• Simpele navigatie en graphics die op elk scherm toepasbaar zijn• Snel informatie verkrijgen, in plaats van diep en lang nadenkenMaar mLearning heeft het grote voordeel dat het vaak verder gaat dan voorgaande eigenschappen.Via mLearning kunnen er complexe opdrachten uitgevoerd worden, waarbij er op verschillende ele-menten moet gezocht worden, net wat ik wil bereiken met EcoCoach. Het gaat hier vaak over com-plexe opdrachten die niet snel uitgevoerd kunnen worden. De theorie van mLearning haalt ook aandat applicaties vaak vervallen in het geven van informatie over elementen in de buurt en gebruikersdie in de buurt zijn. Hoewel er enerzijds ook via EcoCoach informatie wordt gegeven over instantiesin de omgeving, gaat het programma dieper in dan korte informatie geven. Hoewel het gebruik kortkan zijn per keer, de elementen simpel zijn en de informatie snel kan verkregen worden, moet menook op verschillende plaatsen kijken en blijven zoeken tot gepaste informatie wordt aangegeven. 22/81
  29. 29. Een laatste theorie die bekeken wordt is die van Serious games. Het coachingsprogramma heeft alsnut een beleving te geven waarvan de jongvolwassenen iets van zouden leren. Daarom kijk ik naardeze theorie. Hoewel er geen game wordt gecreëerd, handelt het hier over het aanleren en aanrei-ken van informatie op een ludieke manier.Serious games verschillen (Hirumi et al., 2010) in één opzicht erg van gewone spellen: serious gamesgaan niet enkel louter om het amusement. Er is een ander doel: communiceren, werven, onderwij-zen of inzicht geven. Serious games kunnen op verschillende manieren uitgevoerd worden: bord-spel, kaartspel, computergame, ... Serious slaat vaak op een terugkoppeling naar serieuzere domei-nen als leger, onderwijs, wetenschap, gezondheid, politiek, geloof, stadsplanning en bouwkunde.Serious games mogen een amusementsfactor hebben, maar dit is niet het voornaamste doel, dat ishet oplossen van een probleem. Dit past dus perfect bij het beoogde ludieke aspect. Één van de doe-len van mijn coachingsprogramma was een beleving meegeven waarvan mensen iets leren, maarmet een amusementsfactor, iets ludiek.Gagné (Hirumi et al., 2010) heeft 9 gebeurtenissen geschreven die er moeten zijn om een spel zo teontwerpen dat er geleerd wordt:1. Aandacht krijgen :Aandacht trekken kan op verschillende manieren; geluid, muziek, gesprek, humor, contradicties, ...In mijn prototype gebeurt dit door filmpjes die informeren en leuke animaties.2. Informeren van het doel :De achterkant van de speldoos, documentatie, introductie filmpje, gesprek, ... Dit gebeurt door hetfilmpje bij het opstarten van het programma.3. Vroegere kennis oproepen :Dit kan door een voorbereiding te laten uitvoeren, die de gebruiker al laat bijleren om deze dan laterte hergebruiken. Bij EcoCoach worden er eerst enkele voorbereidende vragen gesteld, deze gevenmeteen duidelijk de toon aan van het programma.4. Instructies geven :Zonder aan te geven wat er moet gebeuren, kan er niet veel actie ondernomen worden. Ook inEcoCoach wordt enerzijds al in het filmpje aangegeven wat het doel is, maar via de knoppen in hetprogramma is het duidelijk welke acties er ondernomen moeten worden door middel van de werk-punten.5. Begeleiding geven :Een opdracht geven gaat niet zomaar, er moet begeleiding zijn. Bij mijn prototype zijn dit tips entricks, recepten, plaatsen voor hulp, ....6. Oefening geven :Om iets goed te kunnen, moet de gebruiker het meerdere keren proberen. Mocht een opdrachtfalen bij EcoCoac, dan is dit niet dramatisch. Er kan verschillende keren geprobeerd worden om dezeopnieuw uit te voeren. 23/81
  30. 30. 7. Feedback geven :Enerzijds houdt dit in dat elke actie een effect heeft, maar anderzijds gebeurt dit ook via de “we-reldbolmeter.8. Uivoering beoordelen :Om verder te geraken, moet het spel aangeven hoe je het doet. Dit gebeurt ook via de “wereldbol-meter”, maar ook doordat het goed uitvoeren van een opdracht zorgt voor nieuwe opdrachten.9. Behoud en overdraging verbeteren :Dingen combineren die men in het spel al geleerd heeft. De werkstappen bouwen daarom ook opelkaar. 24/81
  31. 31. 4. STATE OF THE ART Naast het bestuderen naar theorieën, analyseerde ik ook wat al reeds uitgevoerd is in dit domein en hoe dit kan helpen om mijn onderzoek bij te staan. In eerste instantie bestudeerde ik een bij het thema passend mediale coachingsprogramma om hier conclusies uit te trekken rond welke elementen werken qua voedingsverandering. Ook bekeek ik bestaande applicaties van voedingscoachingsprogramma en hun werking. Dit deed ik om na te gaan hoe ik coaching op het vlak van voeding kan aanreiken. Verder werd er onderzocht welke bestaande instanties van ecologie en voedsel er bestaan, om een link te leggen naar het prototype. Als laatste element van de “state of the art” werd er inspiratie opgedaan via voorbeelden waar “een wereld groener wordt”, een inspiratiebron voor mijn eigen wereldbolmeter.4.1 MEDIAAL COACHINGSPROGRAMMA Het belangrijkste voorbeeld voor mij is een case genaamd: “The effectiveness of an interactive multi- media program to influence eating habits”( Irvine et al., 2004). Deze is een zeer interessante case op het vlak van voeding, hulp en coaching. Dit was een project van het Oregon center voor toegepaste wetenschap. Deze onderzoeksgroep creëerde een interactief multimedia programma om deelne- mers aan te moedingen minder vet en meer groenten en fruit te eten. Het programma was speciaal aangepast voor elke deelnemer aan de hand van geslacht, interesses, leeftijd en ras. Het programma bestond uit verschillende hulpmiddelen en niveaus die door middel van media zoals filmpjes, pre- sentaties en getuigenissen motiveerden. Ook waren er genoeg elementen om te helpen bij de over- schakeling. De uitkomst van het programma was ronduit positief. De testpersonen hadden nadat het programma was afgelopen nog steeds uiterst gezonde voedselpatronen (Irvine et al., 2004). De werking van dit programma was relatief uitgebreid. Het gehele programma was aangepast aan de persoonlijkheid en huidige voedingspatroon van de testpersonen. Er werd ook geprobeerd zo veel mogelijk gebruik te maken van multimedia elementen zoals filmpjes, presentaties, getuigenissen,... om testpersonen te motiveren. Onderdelen van het hoofdmenu waren: eetstrategieën, recepten, barrières tot gezond eten, voedingspatroon beoordeling, informatiecentrum en snelle tips. Het be- langrijkste waren de eetstrategieën, waarbij testpersonen hun eetproblemen konden proberen aan te passen door aangepaste informatie die hierop inspeelde. Controle werkte via een “self fulfilling promise”, waarbij de gebruiker een belofte maakte aan zichzelf en het programma. 25/81
  32. 32. Afbeelding 4 Schema van programma (Irvine et al., 2004) Deze case scoort hoog op het vlak van coaching hulp en biedt een handvat voor mijn coachingspro- gramma. Qua bewustmaking is deze case eerder beperkt, mede doordat het een eerder oud pro- gramma is. De case was een zeer waardevol uitgangspunt voor EcoCoach, enerzijds voor de opbouw en anderzijds voor de inhoud. Enkele waardevolle elementen zijn de “persoonlijke” communicatie, eetstrategieën, controle en multimediale elementen. Deze elementen heb ik opgenomen in mijn prototype.4.2 ANALYSE BESTAANDE VOEDINGSCOACHES Aangezien EcoCoach een applicatie voor een smartphone is, vond ik het van belang te bestuderen welke voorbeelden van coachingsprogramma’s rond voedsel bestaan. Dit deed ik aangezien het van belang is wat makkelijk werkt, welke technieken er worden gebruikt en wat beter kan. Het nut hier- van is om een vertaalslag te maken naar EcoCoach. My Diet Coach De meeste coachingsprogramma’s focussen op gezonde voeding en diëten, zo ook “My Diet Coach” (“My Diet Coach - Weight Loss”, z.d.). Bij het opstarten zag ik enkele opties om tussen te kiezen: My diet reminder’s, my perseverance tips, my diet assistance,... Het was redelijk moeilijk om uit te kiezen, want intuïtief wist ik niet goed welke als startpunt dient. Uit gemak koos ik daarom “My diet reminder’s”. Hierop geklikt kwam een scherm met uitleg over de werking van de reminders. Hierna kon ik enkele reminders bekijken en er maximum twee kiezen. Deze moest ik dan instellen met een 26/81
  33. 33. persoonlijke boodschap. Ik kreeg dan ook de keuze om een datum in te stellen wanneer het zou af-gaan. Dit heeft als bedoeling mensen terug te herinneren aan hun beloftes die ze gemaakt hebben.Dit werd overgenomen naar EcoCoach, waarbij er ook gebruik gemaakt wordt van een zelfbelofteen een datum tegen wanneer deze behaald moeten worden. Ik vond dat deze manier van controlemooi paste bij het vooropgestelde doel. Deze manier van controle wijst niet met de vinger en isdaarom niet te dwingend en te controlerend. Deze methode kwam reeds aan bod in “The effective-ness of an interactive multimedia program to influence eating habits”( Irvine et al., 2004) en haal ikverder in mijn thesis aan als de “self fulfilling promise”.Ten tweede klikte ik op “My perseverance and tips”. Dit draait rond de moeilijkheden bij een veran-dering. Hier worden dan kleine en korte tips gegeven om om te gaan met deze verandering. De tipszijn nuttig en toepasbaar. Er wordt hier gelukkig gebruik gemaakt van enkele toffe afbeeldingen, omde tips sterker te maken. Ook dit wordt deels overgenomen bij EcoCoach omdat daarbij korte tipsgebruikt worden met toffe afbeeldingen erbij.Er zijn verder nog enkele hulpmiddelen bij deze app: een timer, een motiverende foto en een herin-nering aan het doel. De timer moet je instellen als je zin hebt in zoet en dan moet je hier 15m aanweerstaan om aan te tonen dat je wilskracht hebt. De foto dient als motivatie op moeilijk momentenen het doel is om jezelf te motiveren via herinnering.De app heeft zo zijn sterktes en zwaktes. Het is zeer mooi gemaakt en heeft veel tips en tools. An-derzijds heeft het enorm veel keuzes en wordt het moeilijk om intuïtief keuzes te maken. Ook is hetprogramma niet heel persoonlijk aangepast. Afbeelding 5: My Diet Coach (“My Diet Coach - Weight Loss”, z.d.) 27/81
  34. 34. My Diet Assistant De tweede app die ik bestudeerde was “My Diet Assistant”. Ook hier kwam ik uit op een pagina met meerdere keuzes. Er werd wel aangeraden om meteen te kiezen voor een dieetplan (“Diet Assistant Pro-Weight Loss”, z.d.). Hierop geklikt kon ik kiezen tussen een heel deel verschillende soorten dië- ten met elk een doel. Een dieet is voor zeven dagen en ik kon door de zeven dagen scrollen. Hier viel op dat dit mij niet echt aanspreekt, aangezien het heel droge tekst op een vlakke achtergrond is. Als ik koos om het dieet uit te voeren, kreeg ik een startdatum. Van daaruit zijn er dan zeven dagen om het dieet te volgen. Als ik door de andere keuzes scrolde, kon ik persoonlijke info ingeven. Dit had geen invloed op het verdere verloop van voedselplannen, maar wel op grafieken die je kon laten maken. Persoonlijk vond ik dit programma niet optimaal, het is niet echt persoonlijk aangepast en vrij alge- meen. Verder zijn de graphics heel basic. Afbeelding 6: My Diet Assistant (“Diet Assistant Pro-Weight Loss”, z.d.)My Diet DiaryDeze applicatie werkt anders dan de voorgaande. Hier geef je persoonlijke informatie in zoals ge-slacht, gewicht, leeftijd, grootte, streefgewicht ... Deze informatie wordt later gebruikt om persoon-lijke informatie weer te geven in verband met de evolutie van het gewicht (“My Diet Diary CalorieCounter”, z.d.).Nadat al dit was ingesteld, kwam ik op een homescreen terecht, waar ik moest ingeven wat ik gege-ten had. Dit wordt aangetoond via een meter waar ik op kan vinden hoeveel calorieën ik al gegetenheb en hoeveel ik er nog mag eten. Buiten het invoeren van voedsel en de meter heeft het pro-gramma niet heel veel functionaliteiten. Wel oogt het programma mooi en stimuleert dit om verderte doen. 28/81
  35. 35. Afbeelding 7: My Diet Diary (“My Diet Diary Calorie Counter”, z.d.)Vertaald naar EcoCoachVoorgaande coachingsprogramma’s hebben enkele elementen die nuttig zijn om te vertalen naarEcoCoach. Elementen die in mijn prototype hergebruikt werden:• Zelfbelofte op een datum in combinatie met een reminder.• Intuïtieve werking door middel van duidelijke benamingen en uitleg.• Het programma “persoonlijker” maken door middel van een vragenlijst, aangezien gerichte informatie meer nut heeft voor de gebruiker.• Mooie graphics, hoewel dit subjectief is, is het belangrijk dat het programma speels en leuk oogt aangezien dit het ludieke aspect verhoogt.De bevindingen die gevonden werden in deze coachingsprogramma’s zijn ook reeds aangehaald inde voorgaande case van “The effectiveness of an interactive multimedia program to influence eatinghabits”(Irvine et al., 2004). 29/81
  36. 36. 4.3 BESTAANDE ORGANISATIES Een belangrijk aspect van mijn onderzoek was het schetsen van reeds bestaande projecten in Vlaan- deren rond ecologie en voedsel. Ik bekeek deze projecten aan de hand van wat ze bieden qua hulp en hoe interactief of mediaal ze zijn. Ik analyseerde enkele instanties, aangezien ze deels opgeno- men werden in mijn prototype, zodat de gebruiker een breed aspect van verschillende informatie kan verkrijgen. Velt Velt (http://www.velt.be/) staat voor vereniging voor ecolo- gisch leven en tuinieren. Hoewel Velt een internetsite heeft, scoort hij niet heel hoog op mediaal vlak. Velt biedt op de site heel veel informatie aan over workshops en cursussen die dan offline te beleven zijn. Velt biedt vooral cursussen aan over tui- nieren, maar evengoed over ecologische voeding. Ook biedt Velt een interactieve kaart aan waar je een Velt gemeenschap in jouw gemeente kan vinden. Veel praktische hulp om zelf aan Afbeelding 8: Logo Velt ("Ecolo- de slag te gaan zonder hulp van Velt wordt er niet aangebo- gisch Leven en Tuinieren", 2008). den (“Ecologisch Leven en Tuinieren”, 2008). Ik koos ervoor om Velt op te nemen in mijn prototype, aangezien hun thematiek mooi aansluit bij het aspect van lokaal en seizoensgebonden groenten consumeren. Meer specifiek nam ik hun workshops en seizoenskalender mee naar EcoCoach. EVA EVA (http://www.vegetarisme.be) is een gemeenschap voor mensen die een vegetarische levensstijl hebben of willen aan- leren. EVA wil zoveel mogelijk mensen overtuigen om meer ve- getarisch te gaan leven. De site van EVA is heel informatief: veel recepten, info over gezondheid en milieu, magazines en vele andere. Hierdoor scoren ze hoog op het informatieve aspect. Verder biedt EVA ook workshops en kooklessen aan. Als laat- Afbeelding 9: Logo EVA (Baeyens, ste heeft EVA een forum waardoor het ook redelijk interactief 2011) is. Leden kunnen hier informatie uitwisselen over hoe en wat (Baeyens, 2011). Ook EVA werd opgenomen in mijn prototype, aangezien ze een pionier zijn op het vlak van vegetarische en veganistische voeding, wat aansluit bij het element vlees en zuivel verminderen. Ik nam hun recepten, workshops en tips mee. 30/81
  37. 37. Dagen zonder vlees Dagen zonder vlees is een welgekend initiatief van Alexia Ley- sen om tijdens de vasten dagen met zoveel mogelijk mensen zo min mogelijk vlees te eten. Het project scoort hoog op het vlak van hulp en interactiviteit. Er wordt heel goed uitgelegd hoe en wat en ook vele tips gegeven. Ook zijn er 40 vegetarische recepten, één voor elke dag van de vasten. Het interactieve is mooi, aangezien je aanduidt welke dagen je vleesvrij hebt gegeten. Per dag dat dit zo is wordt je voedselafdruk kleinerAfbeelding 10: mainpage DZV (Leysen, 2012). Deze site werkt samen met EVA en vandaar dat(Leysen, 2012) ik geen extra informatie hiervan heb gebruikt. Voedselteams Een Voedselteam (http://Voedselteams.be) is een groep van mensen uit een zelfde buurt die gezamenlijk verse groenten, fruit, vlees, brood, zuivel, Wereldwinkelproducten … aankopen bij producenten uit de streek. Bij Voedselteams sluit je je aanAfbeelding 11: Voedselteams bij een depot waar je lokale en seizoensgebonden groentenlogo (“Voedselteams”, 2012) kan verkrijgen en afhalen. De bedoeling is de lokale econo- mie te steunen. De site biedt wel informatie, maar buiten het aansluiten bij Voedselteams, kan je weinig echte tips rond het thema vinden. Op de site kan je makkelijk een depot in je buurt zoeken. Dit maakt het een beetje interactief (“Voedselteams”, 2012). Voedselteams nam ik op in het prototype aangezien deze instantie mooi aansluit bij het lokaal consumeren. 31/81
  38. 38. 4.4 WERELD GROENER MAKEN Een element waarmee gespeeld wordt in het coachingsprogramma is “de wereld groener maken”. Uit onderzoek van de tekst “Making the user more efficient: Design for sustainable behaviour” (Lock- ton et al., 2008), bleek dat het nuttig is om feedback te geven bij ondernomen acties. Hieruit vloeide het idee van de “wereldbolmeter” uit. In combinatie met onderstaande cases werd dit een wereld- bol die groener wordt of bruiner als vorm van feedback. Virtual polar bear is een project van de universiteit van Cardon Mellon waarbij er duurzame reacties werden gemeten onder in- vloed van de impact van een virtueel huisdier. Hierbij waren er twee groepen, eentje met een virtuele ijsbeer en eentje zonder. De groepen moesten een vragenlijst invullen over hun gedrag. Bij de groep met de virtuele ijsbeer, zagen ze bij onduurzaam ge- drag het ijs wegsmelten waar de ijsbeer opzat. Bij duurzaam ge- drag ontstond er meer ijs. Hoewel het interactief vrij sumier was, had het interessante conclusies: zij met de ijsbeer hadden betere handelingen qua duurzaamheid. Toch scoort dit project niet hoog op hulp, maar hoog op motivatie (Dillahunt et al., 2007). Ook hier valt het op dat een soort van virtuele maatstaf een interessante manier is om mensen te motiveren hun gedrag te veranderen. Afbeelding 12: Virtual Polar Bear (Dillahunt et al., 2007) Pikmin is een spel voor de Gamecube uit 2001, dat ondertussen opnieuw is gemaakt voor de Wii. Het spel gaat rond een kapitein die gestrand is op een planeet en 30 dagen de tijd heeft om zijn schip terug op te bouwen (“Pikmin”, 2009). Hij krijgt hier hulp van de Pikmin mannetjes. Dit zijn een soort van plantjes die verschillen van kleur en blad op hun hoofd. Dit toont aan hoe ver ze gevorderd zijn. Hoewel deze mannetjes niets aangeven hoe “groen” ze bezig zijn, is deze vorm van evolutie wel een mooie inspiratiebron: het geleidelijk aan veranderen van een element naarmate er vordering gebeurt. Afbeelding 13: Evolutie Pikmin (“Pikmin”, 2009) 32/81
  39. 39. Enkele jaren geleden maakte Thomas Thai, student CMD aan de Khlim een project rond energiebe-sparing bij jonge kinderen. Door middel van onderzoek naar bewustmaking, motivatie en gedrags-verandering kwam hij tot “Terragotchi” (Thai, 2010). Dit is een app voor op de smartphone of laptopdie een combinatie is van een duurzaamheidscoach en een virtueel huisdier dat inspeelt om duur-zaam gedrag aan te moedigen via emoties, intrinsieke motivatie en sociale interactie. Afbeelding 14: Evolutie Terragotchi (Thai, 2010)De applicatie bestond uit een soort klein diertje dat kon groeien in een mooie boom of sterven. Erwaren verschillende mogelijkheden qua ontwikkeling en gebeurtenissen die dit konden beïnvloe-den. De beïnvloeding was het energieverbruik, als er te veel energieverbruik was, kon de Terragotchisterven door te veel verontreiniging in de lucht. Anderzijds was er ook ongedierte, die willekeurigkwamen opdagen. Deze kans is natuurlijk groter als er meer verontreiniging is in de lucht. 33/81
  40. 40. SAMENVATTING DEEL 1 Op basis van dit eerste deel van mijn onderzoek, namelijk de deskresearch, heb ik reeds heel wat kunnen concluderen. Ik heb nu enerzijds een beter zicht op de huidige voedselindustrie, wat er mis mee is en welke veranderingen er doorvoerbaar zijn om mensen te kunnen laten spreken van ecologisch bewuste voedselkeuzes. Het gaat hier dan vooral over minder vlees , minder dierlijke producten en lokaal en seizoenaal consumeren. Ik kan daarom stellen dat er een duidelijke richting is gegeven aan het onderzoek, namelijk een richting waarbij het dui- delijk is dat de huidige groei moet ingeperkt worden en waarbij er meer naar een houdbare, duurzame situatie gezocht moet worden. Verder zijn er zeer interessante bevindingen omtrent het stimuleren van een duurzame ver- andering. Volgens het FBM is de situatie van een ecologische voedingscoach er een die in- speelt op jongvolwassenen die gemotiveerd zijn om hun voedingsgewoontes te veranderen naar ecologische keuzes, een situatie waarbij er wel motivatie is, maar weinig vermogen en kennis hoe deze te veranderen. Daarom kijk ik in volgende delen wat het vermogen en de kennis kan verhogen door middel van onderzoek naar voedingskeuzes bij jongvolwassenen. Maar volgens Fogg zelf kan het vermogen en de kennis verhoogd worden door “vergemak- kelijkers”. Gelinkt aan de teksten betreffend duurzame verandering komt dit neer op een combinatie van technologie en gedragsverandering, aangezien dit de langste verandering in de hand werkt. Met andere woorden, werd er gekozen voor een manier van promotor, waarbij er tweerichtingscommunicatie is. Verder is het ook belangrijk te stellen dat ik ge- kozen heb voor een manier die direct impact toont bij de ondernomen acties en waar men zelfcontrole gebruikt als controle. De impact van de verandering wordt best snel getoond door middel van feedback. Tweewegscommunicatie is dus belangrijk. Het ludieke aspect in samenhang met deze voorgaand genoemde meter die feedback genereert, resulteert in een “wereldbolmeter”. Deze is geïnspireerd door cases die de wereld groener maken. Ook heb ik heel wat conclusies kunnen trekken op vlak van het aanleren van informatie via media. De techniek van Mayer (2000) gaf mij een nuttig handvat om mee verder te werken zodat de filmpjes leerzaam zijn. Om deze reden werden de filmpjes in mijn prototype ver- taald naar zijn theorieën. Verder heb ik onderzoek gedaan naar bestaande coachingsprogramma’s. Hieruit bleek dat er een goede structuur moet bestaan, die de mensen vanzelf leidt naar de goede weg. Per- soonlijke aanpak werd daarom ook belangrijk bevonden, aangezien gerichte informatie meer nut heeft. Ook tekeningen werden gebruikt, om het geheel leuk te maken Als laatste stel ik vast dat er reeds heel wat ecologische instanties bestaan, maar niet in combinatie met een coachingsprogramma. Daarom heb ik in EcoCoach bestaande instanties opgenomen. Enkele zeer nuttige organisaties zijn Velt, EVA en Voedselteams.
  41. 41. You must be the change you wish to see in the world. Mahatma Gandhi

×