Your SlideShare is downloading. ×
Nesciolezing_apr2011
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×

Saving this for later?

Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime - even offline.

Text the download link to your phone

Standard text messaging rates apply

Nesciolezing_apr2011

489
views

Published on

Published in: Travel, Business

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
489
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
1
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. 1Nescio-lezingKortenhoef, 10 april 2011Dames en heren, goede morgen en een hartelijk welkomHet is een mooie zondagmorgen. Ik voel mij dan ook zeer vereerd dat u opdeze ochtend hier gekomen bent om natuurlijk naar de muziek, maartussendoor ook naar mij te luisteren, en even afstand te nemen van dedagelijkse beslommeringen. De één gaat wandelen of hardlopen in de natuur,de ander verdiept zich in de schriftuur, zoals dat altijd was op zondag. Evenweg uit de hectiek van alledag, even rust en iets anders. Verwondering, hetthema van de Nesciolezingen, is ook een geestestoestand waarbij weachterover zitten en de werkelijkheid van enige afstand bezien enoverdenken.Die verwondering is vanochtend gericht op de economie, hetfunctioneren van ons economisch systeem, dat veel van ons leven, onsdagelijkse handel en wandel omvat – volgens velen ons bijna helemaal in degreep heeft gekregen. De Vereniging van de Vrije Universiteit, bij monde vanVUconnected, voelde dat blijkbaar ook zo, en willen graag aandacht voor hetfeit dat er toch meer is dan economie en geld alleen. We kunnen toch nietalles wat van waarde is in geld uitdrukken? Men voelt zich blijkbaarongemakkelijk bij de toenemende vereconomisering van onze maatschappijen ons dagelijks leven. Geld zou ons te veel overheersen.Daarover wilde ik het vanochtend met u hebben: over waarden, over prijzen,over geld, waarom de ene nuttige zaak wel een prijs in geld heeft en deandere niet, hoe we dat allemaal meten, bijvoorbeeld in het NationaalInkomen, hoe verheugd men is als dat inkomen groeit, vooral de regering, enten slotte, hoe prijzen, hoe geld ons gedrag en onze keuzes beïnvloedt. Ikhoop u daarover toch enige verwondering te laten beleven.
  • 2. 2Veel mensen hebben het gevoel dat ons economisch systeem bepaalde zaken,goederen of diensten niet op de juiste waarde schat, niet de goede prijs geven.En dat de economische wetenschap dat ook nog ondersteunt en weet terechtvaardigen. Economen krijgen vaak de schuld. Gekscherend wordt er welvan economen gezegd dat ze van alles de prijs kennen, maar van niets dewaarde. Economen krijgen van nog veel meer de schuld, zoals dat ze dehebzucht van de mens aanwakkeren, maar het zal u waarschijnlijk nietverbazen dat ik mij daar niet zo gemakkelijk bij voel en het daar niet meeeens ben. Net zomin als men een medicus kan verwijten dat een mens ziekwordt, kan men een econoom verwijten dat een mens uit is op materieelvoordeel, soms bij het oneerlijke of onhebbelijke af. Beide wetenschappersproberen het functioneren van het systeem, het lichaam of de economie, tebegrijpen, adviezen te geven om het beter te laten functioneren, en als hettoch misgaat, het te genezen met medische ingrepen of ingrepen, meestaldoor de overheid, in het economische systeem.Het zijn ook juist de economen die al heel lang nadenken over waarde enprijs. David Ricardo, een klassiek econoom en één van de grondleggers vande economische wetenschap kwam er in zijn standaardwerk van 1817 niethelemaal uit. Hij bedacht toen maar twee waardebegrippen, de zogenaamdegebruikswaarde en de ruilwaarde, en formuleerde de waardeparadox. Hoekan het toch, zo verwonderde hij zich, en ik citeer hem wat vrij, dat er zakenzijn die de hoogste waarde hebben in het gebruik, heel vaak weinig of geenruilwaarde hebben – dus geen prijs- en, daar tegenover, zaken zijn die dehoogste ruilwaarde hebben, maar weinig of geen waarde in het gebruikhebben, dus nauwelijks nuttig zijn. Water en lucht zijn onwaarschijnlijknuttig, ze zijn onmisbaar voor het leven op aarde, en toch, onder gewoneomstandigheden, kan je ze nergens voor ruilen. Goud daarentegen, volgensRicardo van weinig nut vergeleken met water en lucht, kan je ruilen voor eengrote hoeveelheid andere goederen.Aan het eind van de 19de eeuw kreeg de huidige economische wetenschapvorm met de komst van de zogenaamde neo-klassieke economie. De neo-
  • 3. 3klassieke economen losten deze waardeparadox eenvoudig op door te kijkennaar het evenwicht van vraag en aanbod. Een goed kan nog zo nuttig zijn,maar als het overvloedig beschikbaar is en niemand ervoor hoeft te betalen,krijgt het toch geen prijs. En een product kan nog zo “nutteloos”zijn, maar alser veel mensen bereid zijn daarvoor te betalen omdat ze er plezier aanbeleven, dan krijgt het toch een prijs. Die eerste categorie goederen dieovervloedig aanwezig zijn, noemen we ook wel vrije goederen. Ze zijn vanniemand. En die tweede categorie goederen verschaffen de mensen die zekopen, enigerlei vorm van nut.Dus dat een goed nuttig is, is geen voldoende voorwaarde om een prijs tekrijgen. Mensen moeten ook nog bereid zijn ervoor te betalen. Als mensendat willen, wegen ze af waaraan ze hun geld willen besteden, of aan het één,of aan het ander. Want niemand in deze wereld heeft voldoende geld om alleste kunnen kopen. Als men de afweging moet maken … noemen economeneen product schaars. Schaars wil niet zeggen zeldzaam, maar dat je keuzesmoet maken: waar besteed ik mijn geld aan, waar besteed ik mijn tijd aan.Dit economische gezichtspunt gaat helemaal van de mens uit. Het is, zoalsdat heet antropocentrisch. Mensen moeten het willen. Dat is heel iets andersdan de zogenaamde intrinsieke waarde. De waarde die een goed kan hebbenuit zichzelf of om zichzelf. Dan hebben we het over grote zaken als dewaarde van het leven, de heelheid van de schepping, de schoonheid van denatuur, het beoefenen van kunst en waarden die in wetten zijn vastgelegd.Dat zijn toch geen zaken die je in geld uit kan drukken. Dat dacht u, wanteconomen hebben daar toch iets op gevonden. Daar kom ik zo op terug.We komen steeds dichter bij het antwoord op de vraag wanneer iets vanwaarde een prijs krijgt, maar er moet nog aan één voorwaarde wordenvoldaan, eigenlijk een dubbele voorwaarde: het hele prijsvormingsprocesmoet wel over de markt lopen en het moet duidelijk zijn wie de eigenaar vanhet goed of de dienst is. Dan weet iedereen waar het aan toe is en is de prijsbekend. Goederen en diensten krijgen een prijs als ze schaars zijn en er eenmarkt voor is.
  • 4. 4U heeft nu net, heel in het kort, een eerste college micro-economie gehad.Het is van belang nu even vast te houden dat de wijze waarop economen ietsvan waarde in een prijs vertalen nogal antropocentrisch is, vanuit de mensgeredeneerd, sommigen zeggen egocentrisch, en dat die prijs niets hoeft tezeggen over de intrinsieke waarde van iets, noch dat die prijs kan dienen alsmoreel baken of richtinggevend principe voor ons handelen en gedrag. Deeconomische prijs, de marktprijs is dus een heel beperkt begrip.Voor economen is een prijs eigenlijk alleen iets dat de productie en deconsumptie van goederen en diensten op een handige, economen zeggen danop een efficiënte, manier regelt en organiseert. In de ideale wereld van deeconoom geeft een prijs het juiste signaal aan producenten en consumenten.En het is de vraag of in de werkelijke wereld dat een goed signaal is. Ookdaar kom ik nog op terug.Dus we hebben huizenprijzen, we kennen een prijs voor gevulde koeken,voor verschillende soorten fietsen, we hebben maar één olieprijs – de helesupermarkt ligt vol met producten die een prijs hebben. Maar ook cocaïne enXTC-pillen hebben een prijs, zelfs voor transplantatie bedoelde organen,zoals nieren, worden internationaal verhandeld en krijgen een prijs.Een prijs in de economie is dus niet alleen een zeer beperkt begrip, maar ooknog amoreel. Geld stinkt niet. De overheid, als hoeder van algemene waardenen het maatschappelijk belang, verbiedt dan ook de handel in sommigeproducten en diensten – of legt de handel aan banden – zodat ze geenofficiële marktprijs kunnen krijgen. De volksgezondheid, het tegen jezelfbeschermen in geval van verdovende middelen, of de integriteit van hetlichaam, acht de overheid van grotere waarde dan een efficiënte prijsvormingop een markt.Over dat maatschappelijk belang of die morele waarden wordt door deverschillende overheden soms anders gedacht. Zo is in Nederland het gevenvan bloed een daad van medemenselijkheid – altruïsme, want je krijgt er nietsvoor – hooguit een kopje koffie. In Amerika, en vele andere landen, krijg je
  • 5. 5daarvoor betaald per bloedgift. Arme mensen moeten weerhouden wordenniet te vaak bloed af te staan. De overheid verbiedt dus soms prijsvorming uitmorele motieven, in dit geval dat de waarde van medemenselijkheid in eenprijs wordt omgezet.Soms hoeft de overheid er niet aan te pas te komen om handel enprijsvorming te verbieden, maar voelen mensen het zelf aan dat het niet kan.Denk aan de huiselijke sfeer, familie, vriendschap, burenhulp,verenigingsleven en vrijwilligerswerk. Iedereen zal het toch een beetje raarvinden als er in een gezin na afloop van de avondmaaltijd door degene diegekookt heeft, een rekening wordt gepresenteerd. Of wat dacht u van liefde,echte liefde, als daarvoor betaald gaat worden, is het geen echte liefde meer.Voor vrijwilligerswerk geldt hetzelfde. Dat zijn allemaal waarden, veelal debelangrijkste waarden in ons leven, die hun waarde gaan verliezen als ze ineen prijs worden uitgedrukt, terwijl er wel degelijk schaarse tijd en middelenvoor opgeofferd worden. Maar er is geen officiele markt voor, door deoverheid verboden of omdat we zelf vinden dat het niet kan.Ik heb u net verteld dat een prijs, marktprijs, een beperkt begrip is, amoreelen vooral bedoeld voor een handige organisatie van het economisch leven.Daar is onze hele markteconomie op gebaseerd. In dat licht hoeven dezogenaamde vrije goederen, die nuttig zijn, maar zo overvloedig aanwezig,geen prijs te krijgen. Er is genoeg voor iedereen. Daar is in de loop der jarenveel verandering in gekomen. Steeds meer vrije goederen worden met eenprijs het economische systeem in getrokken. Veel ontwikkelingen envoorbeelden liggen op het gebied van milieu en natuur.Laten we weer water nemen, waarvan Ricardo twee eeuwen geleden nog zeidat het een hoge gebruikswaarde heeft, maar geen ruilwaarde. Het was toenovervloedig aanwezig, oppervlakte water, grondwater, en er zwom zalm in deRijn. Maar dat was in de tijd van Ricardo. Inmiddels is schoon water door demilieuvervuiling een economisch goed geworden, dat aan alle kantengereguleerd is. Een schaars goed, waarvoor we moeten betalen:waterschapslasten, zuiveringsheffing en per kubieke meter verbruik. Volgens
  • 6. 6velen is die prijs nog veel te laag, want we verspillen veel schoon drinkwater.Over de hele wereld zal zoet water steeds schaarser worden, met name omdater steeds meer water gebruikt wordt in de landbouwsector. Het zal niet langmeer duren of we krijgen een systeem, een door de overheid gecreëerdemarkt, voor waterrechten. In sommige delen van de wereld is dat er al,bijvoorbeeld voor de landbouwsector in Californië.Hetzelfde verhaal geldt voor schone lucht. Voor de industriële revolutie waser overal schone lucht, al was er in de tijd van Ricardo al smog in Londendoor de verbranding van kolen. Nu is bijna overal ter wereld de luchtvervuild: locale luchtverontreiniging door autoverkeer en het verstoken vanfossiele brandstoffen, met ernstige gezondheidseffecten. Die fossielebrandstoffen zijn ook de belangrijkste bron van het broeikasgas CO2(kooldioxide), dat op 10 km hoogte een deken rond de aarde legt en voorverandering van het klimaat zorgt. Luchtvervuiling is op allerlei manierenaan banden gelegd, met bijvoorbeeld de katalysator voor de auto enemissienormen voor de industrie. Dat kost geld, en daarmee krijgt schonelucht indirect een prijs. Ook op een andere manier is van schone lucht eeneconomisch goed gemaakt. In de EU functioneert al een aantal jaren eensysteem van verhandelbare emissierechten voor CO2. Grote industriëlebedrijven, ook onze electriciteitsmaatschappijen, moeten op een veiling eenemissierecht kopen voor elke ton CO2 die ze uitstoten bij het verbranden vankolen of gas. Ze kopen dus luchtvervuilingsrechten: een ton CO2 kost nuongeveer Euro 15. Met een dergelijk systeem wordt de totale emissie vanCO2 aan banden gelegd, want er is maar een bepaalde hoeveelheidemissierechten beschikbaar; er is een emissieplafond.Het wonderlijke is nu dat zowel schoon water als schone lucht geen vrijegoederen meer zijn, maar schaars zijn geworden, en een prijs hebbengekregen. Bij water betaal je voor het schooonmaken/zuiveren, het gebruiken straks misschien voor schoonwaterrechten. Bij lucht wordt er via hetsysteem van verhandelbare emissierechten voor het recht betaald om een
  • 7. 7bepaalde hoeveelheid te mogen vervuilen, een vervuilingsrecht. In beidegevallen is er een markt ontstaan met een prijs voor water en lucht.Als we straks toch gaan rekeningrijden, en dat gaat echt op de een of anderemanier gebeuren, dan betaalt u voor het gebruik van de weg, die nu nog vrijen gratis toegankelijk is. En zo zijn er nog talloze voorbeelden te noemen,met name op het gebied van milieu en natuur, die er allemaal op neer komendat nuttige, maar vrije goederen, door toenemende schaarste in heteconomisch systeem worden opgenomen. De vereconomisering van milieu ennatuur.Worden we hier nu allemaal beter van – levert het ons meer welvaart op. Datligt er maar aan hoe we het meten en ook dat is een hele wonderlijke zaak.Economen hebben het graag over welvaart: dat is alle nuttigheid die weervaren met de consumptie van schaarse goederen en diensten bij elkaaropgeteld. Het gaat dan om nuttige zaken waarvoor we direct betalen, als eenhuis, een gevulde koek of een fiets, maar ook gezondheidszorg, waar weindirect voor betalen, veiligheid en rechtszekerheid, waarvoor we via debelasting betalen, maar ook rust en natuurschoon. Die laatste categorie zakennoemen we ook wel collectieve goederen, eigenlijk waarden, die niet over demarkt kunnen lopen en waar de overheid voor moet zorgen, maar waarvan wegezien hebben dat ze steeds meer in het domein van de markt getrokkenworden. Welvaart bestaat dus uit materiële en niet-materiële zaken.Welvaart meten we vaak af aan het BBP en dat is niet toevallig gelijk aan onsNationaal Inkomen. Dat is dus slechts een deel van onze welvaart, namelijkalles wat in een prijs is uitgedrukt of waarvoor door de overheid wordtbetaald. Ons BBP/Nationaal Inkomen is de optelsom van alle lonen, winsten,huren en rentes die we in een jaar verdienen. Dat is dus in prijzen, in gelduitgedrukt en betreft alleen het materiële deel van de welvaart. Datimmateriële deel van de welvaart meten we niet. De groei en soms daling vandat materiële deel wordt nauwkeurig gevolgd. Van maand op maand, vankwartaal op kwartaal, en van jaar op jaar. Groei het BBP, dan zouden wewelvarender worden, daalt het BBP, zoals in 2009, dan worden we armer.
  • 8. 8Dat is echter nog maar zeer de vraag. Het enige dat je kan zeggen is dat bijgroei van het BBP er meer economische activiteit is, meer werkgelegenheiden dat de Minister van Financiën meer belastinginkomsten binnen krijgt - ener waarschijnlijk minder bezuinigd hoeft te worden. We worden met z’n allenmisschien rijker, maar worden we ook welvarender?Alles wat we nu betalen voor schoon water en schone lucht, kregen wevroeger gratis, zat niet in het BBP. Toen we lucht en water gingen vervuilen,zou je kunnen zeggen, werden we minder welvarend – immers eerst gratisschoon water en schone lucht, en toen vervuild water en lucht - in de jaren’50 en ’60 gingen de kikkers dood in de sloot en stootte elke auto eenstinkende blauwe walm uit. We trokken die milieuschade toen niet van hetBBP af. Toen we het water en de lucht schoon gingen maken en ervoorgingen betalen, werden die schoonmaakkosten en prijzen bij het BBPopgeteld. Het BBP stijgt dan, terwijl er niets anders gebeurd is dan de oude,schone situatie herstellen.Een ander voorbeeld. Eerst woonde u in een rustige wijk. Rust, stilte is eengroot goed, en gratis, en belangrijk voor de gezondheid. Dan wordt erongelukkigerwijs een snelweg langs uw rustige woonwijk aangelegd enernstig verkeerslawaai verstoort uw rust. Na een aantal locale acties, wordt ereen geluidscherm aangelegd om wat van die rust terug te krijgen. De kostenvan de aanleg en het onderhoud van dat geluidscherm komen via lonen enwinsten in het BBP en dat stijgt – we hebben economische groei. We wordenzogenaamd welvarender, maar eigenlijk krijgen we maar een deel van deoude veel meer welvarende situatie terug.Hetzelfde geldt voor onze natuur. Er wordt tegenwoordig heel wat tijd engeld gestoken om de natuur en biodiversiteit in Nederland een beetje op peilte houden. Dat verhoogt het BBP, leidt tot economische groei, maar er issteeds minder natuur, minder natuurschoon en minder rust.
  • 9. 9Nog één voorbeeld uit de huiselijke sfeer, een bekend en klassiek voorbeeldvan de vertekenende werkelijkheid van het BBP als indicator van onzewelvaart.Een rijke heer heeft een dienstbode in dienst en hij betaalt die dienstbodenatuurlijk een loon. In de loop der jaren, het voelt dan allemaal zo vertrouwdaan, worden ze verliefd en besluiten ze te trouwen. De heer stopt dannatuurlijk zijn loonbetaling, het BBP daalt dan, maar ze zijn samen welgelukkiger.Wat we in al deze voorbeelden zien, is dat er waarden en vrije goederen, dieeerst geen prijs hadden, door de toenemende economische ontwikkeling enschaarste, nu wel een prijs krijgen, en verschuiven van het niet-materiële deelvan onze welvaart naar het materiële, in prijzen uitgedrukte deel van onzewelvaart.Deze verschuiving is de al genoemde vereconomisering van onzemaatschappij, een verschuiving die ons ogenschijnlijk welvarender, rijkermaakt, maar in het gunstigste geval er niets verandert, doch meestal zijn weslechter af. Deze ontwikkeling zie ik als een onvermijdelijke, in veel gevallenzelfs als een noodzakelijke ontwikkeling, maar ik vind het wel jammer. Hetvoelt toch alsof we iets kwijtraken – bepaalde waarden? - er iets verlorengaat. Het voelt toch anders aan om nu tegen betaling een natuurgebied tebezoeken dat voorheen vrij toegankelijk was.Deze vereconomisering doet zich op vele terreinen van ons maatschappelijkleven voor – ook in de beleidsvoorbereiding bij de verschillende overheden:de politiek in Den Haag, de provincies, waterschappen, gemeentes, en op hetniveau van de Europese Unie, in Brussel. Het is heel verstandig wanneer depolitiek in Den Haag een groot infrastructureel project overweegt – eennieuwe weg, een tunnel, maar ook de aanleg van een natuurgebied, ofwanneer men in Brussel normen wil vastleggen voor de luchtkwaliteit, datmen dan eerst de kosten en de baten eens op een rijtje wil zetten, net als eenondernemer doet bij een belangrijke investeringsbeslissing. Een overheid
  • 10. 10moet die kosten en baten dan wel ruimer nemen dan een ondernemer doet, enalle maatschappelijke effecten in de beschouwing betrekken. Dus ook degevolgen voor de collectieve goederen waar de overheid verantwoordelijkvoor is – dat heeft meestal betrekking op de effecten van een groot project opde volksgezondheid, op het milieu, de natuur en het landschap. Daar hoefteen ondernemer niet direct rekening mee te houden. Dat noemen we eenmaatschappelijke kosten-baten analyse. In een MKBA moeten alle kosten enbaten het liefst in geld uitgedrukt worden, want dan pas kan je alles op éénnoemer brengen en alles optellen en aftrekken en dan weet je aan het eind ofer een voordelig saldo overblijft, en een project of een norm voorluchtkwaliteit wel of niet de moeite waard is. Dus dan moeten de effecten opde gezondheid, milieu, natuur en het landschap – waarden die geen marktprijshebben – toch op één of andere manier in geld worden uitgedrukt.Milieueconomen kunnen dat, zij het met enige moeite. Het is dus waar, zoalsik aan het begin zei, dat economen van alles de prijs kennen. In zo’n MKBA – er komen er steeds meer en ze zijn soms wettelijk verplicht– krijgen de natuur, ecosysyemen met al het leven dat daarin is enlandschappelijke waarden een prijs. Milieueconomen proberen opverschillende manieren te achterhalen wat mensen bereid zijn te betalen voorhet behoud of herstel van een landschap, of een natuurgebied, en zelfs eenbedreigde diersoort. Men schat dan niet alleen een denkbeeldige marktprijsvoor het geval men direct zou profiteren van een natuurgebied door het tebezoeken, of voor natuureducatie, of te genieten van een landschap. Menprobeert ook nog andere waarden te schatten indien men er niet direct vanprofiteert: de zogenaamde niet-gebruikswaarden. Zo’n waarde is bijvoorbeeldde bestaanswaarde. Veel mensen doneren via het Wereld Natuurfonds voorbijvoorbeeld de bescherming van de Indiase tijger, ook al heeft men echt nietde bedoeling naar India af te reizen en daar in het wild de Indiase tijger tespotten. Mensen hebben dus iets over voor het louter laten bestaan van natuuren een bedreigde diersoort, vanuit het morele besef dat het onze plicht is deons gegeven schepping intact te laten. En dat we die schepping door moetengeven aan volgende generatie. De waarde die men daar aan toekent, en
  • 11. 11waarvoor men bereid is te betalen, noemen we de verervingswaarde. Er zijnveel mensen die hun kinderen en kleinkinderen ook willen laten genieten vanons typische Hollandse weidelandschap met z’n sloten en vaarten, waar je ’swinters zo heerlijk kan schaatsen, ook al binden ze zelfs de schaatsen nietmeer onder. Een laatste niet-gebruikswaarde is de optiewaarde. Ook al maakje nu geen gebruik van de natuur en de biodiversiteit, je weet maar nooit waarhet nog goed voor is. Misschien kunnen we wel nieuwe medicijnenontdekken in het tropisch regenwoud, of een nieuwe shampoo, of een heerlijkgeurende en verfrissende badolie.Het is goed nog eens in herinnering te roepen dat ook die niet-gebruikswaarden worden geprijsd vanuit een antropcentrisch perspectief, dusvanuit de mens zelf, wat hij bereid is daarvoor te betalen.De natuur en biodiversiteit een prijs geven is misschien nog daar aan toe, alondervindt dat wel veel weerstand, juist door dat antropocentrischeperspectief. Maar milieueconomen gaan nog een stap verder. Degezondheidseffecten van bijvoorbeeld luchtverontreiniging door een nieuwinfrastructureel project krijgen ook een prijs. We noemen dat officieel: deprijs verbonden aan de statische kans op voortijdig overlijden. Dus de waardevan het leven krijgt een prijs. We zeggen dat eufemistisch altijd maar in hetEngels: the value of life. De EU heeft die prijs voor het gebruik in die MKBAvastgsgesteld – want er is veel wetenschappelijk geruzie over – op Euro 2,5miljoen voor inwoners van de EU.Nee, zegt een milieueconoom als hij hierop wordt aangesproken: wij prijzenniet de intrinsieke waarde van het leven – daar weten wij niets van, wij zijngeen dominees, wij zijn geen moraalfilosofen (al was de eerste econoomAdam Smith dat wel) – wij geven een maatschappelijke prijs aan destatistische kans op voortijdig overlijden. Dat is toch wel iets waar veelmensen zich over verwonderen, zelf aan storen. Als die vereconomisering zodoorgaat, is het straks inderdaad alleen nog de zon die voor niets opgaat.
  • 12. 12Ter afsluiting wilde ik nog een enkele opmerking maken over hoe wij metprijzen en geld omgaan. Je zou mogen verwachten dat ons geldsysteem,waarbij alles in prijzen, lonen, huren en rentes is uitgedrukt, een enormhulpmiddel is om rationele beslissingen te nemen. Om je geld goed tebesteden. We hebben toch allemaal leren rekenen. We kunnen alles goed metelkaar vergelijken en op één noemer brengen, afwegingen maken, rekeninghouden met de factor tijd – dus dat je rente moet betalen als je geld leent enrente krijgt (minder natuulijk) als je geld op de spaarbank zet en dat de eurodoor inflatie over een jaar minder waard is dan vandaag. Economen zijn ooklang van die veronderstelling uitgegaan. Nou, ik kan u wel zeggen, het wordtsteeds duidelijker dat dat helemaal niet het geval is. Wij maken er vaak eenpotje van. Ik zal twee verschijnselen noemen.Ten eerste lijden we aan geldillusie. We houden in ons denken heel sterk vastaan de nominale waarde van het geld, dus de waarde die op het bankbiljetstaat. Terwijl je eigenlijk moet denken in termen van de koopkracht van hethet. Geld is een rekeneenheid. Geld op zich is tegenwoordig niks meer waard.We hebben alleen met elkaar afgesproken, en daar hebben we vertrouwen in,dat we iets voor dat geld kunnen kopen. Maar wat we ervoor kunnen kopen isvolgend jaar minder dan vandaag. Dat geldt voor uw pensioen ook. Menhoudt in de huidige onderhandelingen over een nieuw pensioenstelselhardnekkig vast aan de nominale waarde van het pensioen. Het ergste watmen vreest, is afstempelen – dus het verlagen van de nominalepensioenuitkering. Maar wat u straks voor die nominale waarde kan kopen,daar gaat het eigenlijk om. Het gaat om de reële waarde.Eenzelfde verschijnsel zie je op de huizenmarkt. De huizenmarkt zit op slot.Verkopers zijn onvoldoende bereid te zakken onder de nominale prijs die zedestijds betaald hebben voor het huis, plus de verbouwingskosten, terwijl zemoeten kijken naar wat ze met die lagere opbrengt nu kunnen realiseren.Bijvoorbeeld door een ander huis te kopen dat ook in waarde gedaald is, ofdoor het te beleggen of te investeren.
  • 13. 13Het is niet helemaal hetzelfde als geldillusie, maar in z’n algemeenheidhebben mensen er enorme moeite mee een verlies te nemen. Men vindt eenfinancieel verlies erger dan de mogelijkheid een winst te realiseren. Daaromwordt er ook zo veel geadverteerd met beleggingsproducten waarbij denominale inleg gegarandeerd is. Deze zogenaamde verliesaversie wordt zowel een duur grapje.Van geldillusie was ook duidelijk sprake toen we bijna 10 jaar geledenovergingen van de gulden op de euro. De lonen werden nominaal gehalveerd,men voelde zich bestolen, want het gevoelen bestond dat de prijzen hetzelfdebleven. Dat was natuurlijk niet waar (afgezien van de kop koffie en het pilsjein de horeca), de inflatie bleef laag, en het CBS kon meten wat het wilde,maar dat gevoel is maar langzaam weggesleten.Ten tweede gaan we ook raar met de prijzen zelf om. Prijzen geven soms eenheel merkwaardig signaal af, en consumenten reageren niet logisch.Marketingdeskundigen maken daar gebruik, of zo u wilt, misbruik van.Hoe vaak bezwijkt men niet voor aanbiedingen, die bij nader inzien helemaalniet zo goedkoop zijn, en die men eigenlijk ook helemaal niet nodig heeft. Desuggestie dat men een voordeeltje scoort, leidt al tot een ondoordachteaankoop.Eigenlijk werken we in ons hoofd met meerdere geldpotjes, en het is net alsofdie geldpotjes geen verbinding met elkaar hebben – wat natuurlijk nietrationeel is. Zo kunnen we neuzelen om een bonusaanbieding, daar extramoeite voor doen of zelf de avondmaaltijd voor wijzigen om van dieaanbieding te kunnen profiteren, terwijl dan achteraf blijkt, als we dekassabon bestuderen, dat we 30 cent hebben bespaard – maar bespaard opwat, ja ... op dat product dat we eigenlijk niet wilde kopen, en vergeleken metwat.Uit die andere geldpot in ons hoofd doen we grote aankopen, waar we niet opeen 100 euro meer of minder letten. We gaan daar zelfs een lening voor aan.Of laten ons foppen, zoals nu bij die autoreclames, waarbij de andere helft
  • 14. 14van de aankoopprijs pas over twee jaar betaald hoeft te worden, zonder rente,zeggen ze er dan bij. Gelukkig heeft de overheid ervoor gezorgd dat dit soortmisleiding gevolgd moet worden door de mededeling: let op, geld lenen kostgeld. De overheid neemt ons tegen ons irrationele gedrag in bescherming.Zoals het bekende Engelse spreekwoord luidt: we zijn vaak penny wise, andpound foulish.Er zijn nog talloze voorbeelden te noemen waarbij prijzen, aanbiedingen enwinstverdriedubbelaars ons op hol doen slaan. Maar het zit diep, het gaatsoms buiten ons bewuste denkproces om. Zo is uit experimenteel onderzoekgebleken dat de werking van twee indentieke medicijnen, dus met dezelfdeactieve ingrediënten, verandert als de prijzen verschillen. Dus het medicijnmet de hoge prijs blijkt beter te werken dan het lager geprijsde medicijn. Zodiep zit de opvatting in onze hersenen dat als iets duur is, het ook beter moetzijn. Dus zelfs het placebo-effect is gevoelig voor prijzen.Ik kom tot een afronding. Het zal u hopelijk duidelijk geworden zijn dat erinderdaad meer is dan geld alleen en dat er waarden zijn die niet te koop zijn,ook al kosten ze tijd en moeite. Door de toenemende economischeontwikkeling worden wel steeds meer van die waarden, vooral de voorheenvrije goederen, geleverd door het milieu en de natuur, in ons economischsysteem getrokken en krijgen een prijs. Door die vereconomisering wordenwe nog niet welvarender. Ons Nationaal Inkomen stijgt wel, maar er gaat ookiets verloren. En tot slot heb ik proberen aan te geven dat we soms wel heelraar met prijzen en geld omgaan.Genoeg, denk ik, om u over dit hele proces te verwonderen, en dat allesuitgelegd door een econoom die niet alleen van prijzen, maar ook vanwaarden weet.Harmen Verbruggen
  • 15. 15
  • 16. 16