Your SlideShare is downloading. ×
Msk vgt 06
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×

Introducing the official SlideShare app

Stunning, full-screen experience for iPhone and Android

Text the download link to your phone

Standard text messaging rates apply

Msk vgt 06

3,007
views

Published on


0 Comments
2 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total Views
3,007
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
23
Comments
0
Likes
2
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. MSK VGT 06/11/2009
  • 2. Bij jicht is de kalkhoudendheid van het peri-articulaire bot normaal.
  • 3. Jicht
    • Kenmerken
        • Normale botdensiteit
        • Kraakbeen meestal intact
        • Scherpbegrensde erosies, intra- of para-articulair
        • Overhangende rand van para-articulaire erosie (pathognomonisch)
        • Tophi: weke delen zwelling, evt met amorfe calcificaties
        • Localisatie: 1 e MTP, DIP en PIP, patella
    • RA: initieel peri-articulaire ontkalking
  • 4.  
  • 5. Bij jicht is de kalkhoudendheid van het peri-articulaire bot normaal. Juist
  • 6. Avasculaire necrose van de heupkop ten gevolge van een botinfarct is na enkele weken tot maanden zichtbaar op de röntgenfoto. Het eerste radiologische teken is lucentie van het bot ter plaatse.
  • 7. AVN
    • Oorzaken
        • Meestal idiopatisch; trauma (heup), steroidgebruik, alcoholisme, sikkelcelanemie, infectie, radiatie
    • X-ray
        • Na weken/maanden: sclerose, meestal in het centrum van de heupkop
        • Later:
          • Klassieke lineaire subchondrale fractuur (crescent sign) 
          • Progressieve subchondrale fragmentatie, afplatting vd kop 
          • Secundaire osteoarthritis
  • 8.  
  • 9.  
  • 10. MRI
        • Eerste teken: diffuus beenmerg oedeem
        • Later:
  • 11. Avasculaire necrose van de heupkop ten gevolge van een botinfarct is na enkele weken tot maanden zichtbaar op de röntgenfoto. Het eerste radiologische teken is lucentie van het bot ter plaatse. Onjuist
  • 12. Perthes is bilateraal in ongeveer 10% van de patiënten.
  • 13. Legg-Calvé-Perthes disease (coxa magna)
    • AVN van de pediatrische heup
    • Presentatie
        • 4-8 jaar, jongens > meisjes
        • 10% bilateraal (dd: Meyerse dysplasie)
        • Slechte uitkomst bij oudere leeftijd en grotere betrokkenheid vd kop
  • 14. X-bekken/heup
    • Early signs
        • asymmetrical femoral epiphyseal size (smaller on affected side)
        • apparent increased density of the femoral head epiphysis
        • widening of the medial joint space
        • blurring of the physeal plate (stage 1)
        • radiolucency of the proximal metaphysis
    • Eventually
        • the femoral head begins to fragment ( stage 2 )
        • with subchondral lucency ( crescent sign )
        • redistribution of weight-bearing stresses leading to thickening of some trabeculae which become more prominent.
    • The typical findings of advanced burnt out ( stage 4 ) Perthes
        • femoral head deformity with widening and flattening
        • proximal femoral neck deformity
  • 15.  
  • 16.  
  • 17. Perthes is bilateraal in ongeveer 10% van de patiënten. Juist
  • 18. De corpora libera bij synoviale chrondromatose zijn vrijwel altijd radiopaque.
  • 19. Synoviale chondromatosis
    • Presentatie: 30-50 jaar, man > vrouw
    • Vorming van multipele kleine ronde kraakbenige noduli in een gewricht
    • Noduli van gelijke grootte en variabele ossificatie/mineralisatie (1 mm – 2 cm)
    • Meestal mono-articulair
        • Knie, heup, elleboog, schouder
    • Secundair arthrose
  • 20.  
  • 21. De corpora libera bij synoviale chrondromatose zijn vrijwel altijd radiopaque. Onjuist
  • 22. “ Looser’s zones” zijn pseudofracturen bij osteomalacie.
  • 23. Osteomalacie
    • Osteomalacie
        • Gegeneraliseerde demineralisatie
        • Disproportioneel verlies van gemineraliseerde matrix vergeleken met osteoide matrix (itt hyperparathyreoidie)
    • X-ray
        • Lucent, coarsened, smudge bot
        • Looser’s zones = pseudofracturen: lineaire foci van minder gemineraliseerd osteoid op gewichtdragende plaatsen.
          • Lineaire lucenties haaks op de cortex met incomplete penetratie van de botbreedte
          • Vaak bilateraal en symmetrisch.
  • 24. Rachitis
    • Osteomalacie van het immature skelet
        • Verminderde mineralisatie van metabool actieve plaatsen; maw de metafysen.
    • X-ray
        • Diffuse demineralisatie
        • Coarsened trabeculae
        • Wijde epifysairschijven
        • Metafysaire irregulariteit, flaring
        • Bowing
        • Bilaterale costochondrale vergroting
  • 25. Looser’s zone Rachitis
  • 26. “ Looser’s zones” zijn pseudofracturen bij osteomalacie. Juist
  • 27. De vorm van matrixverkalkingen van bottumoren is specifiek per tumortype. Bij chondroïde tumoren spreekt men van “rings and arcs”-verkalkingen.
  • 28.
    • Conventional intramedullary chondrosarcoma of the humerus in a 21-year-old man with shoulder pain. (a) Anteroposterior shoulder radiograph shows a proximal humeral mixed lytic and sclerotic lesion with expansile remodeling. The sclerotic component represents typical chondroid ring-and-arc calcification (white arrows). Lytic focus seen inferolaterally (black arrow) demonstrates deep endosteal scalloping typical of chondrosarcoma.
  • 29. De vorm van matrixverkalkingen van bottumoren is specifiek per tumortype. Bij chondroïde tumoren spreekt men van “rings and arcs”-verkalkingen. Juist
  • 30. De meeste osteosarcomen gaan uit van de metafyse.
  • 31. Osteosarcomen
    • Presentatie
        • 10-25 jaar
        • 90% metafysair (diafysair)
        • 75% betrokkenheid epifysairschijf
        • Distale femur, proximale tibia, proximale humerus, iliumvleugel
        • Verschillende histologische types
        • 1-10% skiplesions
  • 32. Differentiatie op X
    • Osteosarcoom
      • Beeld afhankelijk van histologisch type
        • Van dens (blastisch) tot bijna compleet lytisch
        • Trabeculaire and corticale botdestructie
        • Perisoteaal nieuw bot ( Codman’s triangles )
        • Typische locatie en metafysair
        • Osteoid matrix in de weke delen massa
    • Ewing sarcoom
        • Diafysair
        • Geen botformatie in weke delen massa naast bot
  • 33. De meeste osteosarcomen gaan uit van de metafyse. Juist
  • 34. Kenmerkend voor het syndroom van Maffucci is de aanwezigheid van multipele exostosen.
  • 35. Multipele enchondromatosis
    • Ollier’s disease
    • Enchondromen in de meta- en diafyses van multipele botten
        • Ectopische kraakbeenresten van de epifysairschijf
    • Niet hereditair of familiair
    • Unilateraal
    • Typische enchondromen en groteske versies in de phalangen
    • Maligne transformatie 10-25%
    • Maffucci’s syndroom
    • Multipele enchondromatosis
    • Weke delen en viscerale hemangiomen (phlebolieten)
    • Hoger maligne potentie dan Ollier
  • 36.  
  • 37. Exostosis
    • Meest voorkomende benigne tumor (3%)
    • Laterale botgroei va de metafyse door ectopisch epifysairschijfkraakbeen
        • Normale voortzetting vd botopbouw in de exostose
        • Soms kraakbenige cap
    • Voorkeurslocalisatie
        • Knie
        • 95% in de extremiteiten
        • Meestal solitair
  • 38.  
  • 39. Kenmerkend voor het syndroom van Maffucci is de aanwezigheid van multipele exostosen. Onjuist
  • 40. De voorkeurslokalisatie van sarcoïdose in het skelet zijn de phalangen.
  • 41. Sarcoidose
    • 10% ossale afwijkingen
        • Lace-like lytische laesies in de middelste en distale phalangen (punch-out)
        • Gegeneraliseerde osteopenie
        • Sclerose van de tufts
        • Granulomateuze arthritis
    • Musculaire sarcoidose
        • Niet zeldzaam
        • Gegeneraliseerde myositis
        • MRI: discrete enhancing nodules met laag signaal gespiculeerde centrale regio
  • 42. De voorkeurslokalisatie van sarcoïdose in het skelet zijn de phalangen. Juist
  • 43. Het “magic angle effect” is een artefact op de MR. Resultante is een laag signaal.
  • 44. Magic angle effect
    • Bright spots through an increased T2 time on short echo time (TE) images, for e.g. collagen fibers of tendons and ligaments, which are oriented at the magic angle of approximately 54.7° to the magnetic field .
  • 45. Het “magic angle effect” is een artefact op de MR. Resultante is een laag signaal. Onjuist
  • 46. Bij een patiënt met een fractuur ziet u op een röntgenfoto na 1 week demineralisatie rondom de fractuurlijn. Dit is een normale bevinding.
  • 47. Fractuurheling
    • Initieel: locale demineralisatie
    • 10-3 wkn: callusvorming
    • 7-13 wkn: verdwijning callus + remodelling
    • > 3 mnd: remodelling
  • 48. Bij een patiënt met een fractuur ziet u op een röntgenfoto na 1 week demineralisatie rondom de fractuurlijn. Dit is een normale bevinding. Juist
  • 49. Myositis ossificans is een potentiële complicatie van trauma en bestaat uit granulatieweefsel, dat in verschillende stadia verkalkt . Deze verkalkingen bevinden zich bij voorkeur in de periferie van de laesie.
  • 50. Myositis ossificans/Heterotope ossificatie
    • Posttraumatisch; mn stomp trauma
    • Stadia
        • Week 1-2: weke delen massa
        • Week 3-4: amorfe densiteit in de massa en periosteale reactie van onderliggend bot (dd: osteosarcoom)
        • Week 6-8: maturatie van het amorfe osteoid in compact bot perifeer
        • Later: centrifugale maturatie, reductie vd omvang en migratie richting het periost van naastgelegen bot
  • 51.  
  • 52. Myositis ossificans is een potentiële complicatie van trauma en bestaat uit granulatieweefsel, dat in verschillende stadia verkalkt . Deze verkalkingen bevinden zich bij voorkeur in de periferie van de laesie. Juist
  • 53. De voorkeurslokalisatie van osteochondritis dissecans is het tibiaplateau.
  • 54. Osteochondritis dissecans
    • Voorkeurslocalisatie
        • Laterale zijde vd mediale femurcondyl
        • (Patella)
        • Distale capitellum
        • Humeruskop
        • Talus, meestal mediaal
  • 55.  
  • 56. De voorkeurslokalisatie van osteochondritis dissecans is het tibiaplateau. Onjuist
  • 57. Bij een patiënt met osteochondritis dissecans ziet u een dunne band met hoog signaal op de T2-opnamen tussen het botfragment en het omgevende bot. Dit duidt op instabiliteit van dit fragment.
  • 58. Osteochondritis dissecans
    • Subchondrale trabeculaire stress reactie 
    • Subchondrale trabeculaire lineaire fractuurlijn parallel aan cortex 
    • MRI
    • Subchondraal beenmergoedeem
  • 59. Bij een patiënt met osteochondritis dissecans ziet u een dunne band met hoog signaal op de T2-opnamen tussen het botfragment en het omgevende bot. Dit duidt op instabiliteit van dit fragment. Juist
  • 60. In geval van een complete scheur van de supraspinatuspees is het voor de clinicus relevant te weten of de musculus supraspinatus atrofisch is.
  • 61. Supraspinatuspeesruptuur
    • Meest voorkomende rotator cuff ruptuur
    • Critical zone
        • 1 cm proximaal van de distale insertie in het waterscheidingsgebied tussen de humerale en musculaire vascularisatie
        • Ruptuur dus meestal bij de anterieure insertie thv het tuberculum major
    • Informatie voor klinicus
        • Partial of full-thickness tear
        • Retractie, atrofie
  • 62. In geval van een complete scheur van de supraspinatuspees is het voor de clinicus relevant te weten of de musculus supraspinatus atrofisch is. Juist
  • 63. Bicepspees luxatie is geassocieerd met een ruptuur van de subscapularispees.
  • 64. Bicepspeesluxatie
    • Dislocatie uit de intertuberculaire groeve door disruptie van het ligamentum transversum
    • Ligamentum transversum vezels van:
      • Musculus subscapularis
      • Coracohumeraal ligament
  • 65. Bicepspees luxatie is geassocieerd met een ruptuur van de subscapularispees. Juist
  • 66. Op een PA-opname van de pols is een afstand tussen het os scaphoïdeum en os lunatum van 5 mm normaal.
  • 67. Op een PA-opname van de pols is een afstand tussen het os scaphoïdeum en os lunatum van 5 mm normaal. Normaal < 2 mm Pathognomonisch > 4 mm Onjuist
  • 68. Een limbus vertebrae is een fractuur van het anterieure wervelcorpus.
  • 69. Limbus vertebrae
    • oblique radiolucente cleft aan de anterieure zijde van het wervelcorpus
      • Bijna altijd craniale zijde
        • Ongefuseerde apofyse
        • St na een anterieure discus herniatie
  • 70. Een limbus vertebrae is een fractuur van het anterieure wervelcorpus. Onjuist
  • 71. Bij de ziekte van Osgood-Schlatter is er sprake van fragmentatie van de onderpool van de patella.
  • 72. Osgood-Schlatter
    • Tractieletsel van het anterieure tibia tuberculum door de patellapees
        • Adolescenten
        • Overuse/snelle groei
        • Complicatie (zeer zelden): premature sluiting van de epifysairschijf vh tuberculum  genu recurvatum
    • Andere niet-zeldzame avulsies rond de knie
        • Eminentia tibiae  voorste kruisband
        • Laterale tibiarand  laterale kapsel (Segondfractuur)
        • Onderpool van de patella = Sinding-Larsen-Johansson
  • 73. Bij de ziekte van Osgood-Schlatter is er sprake van fragmentatie van de onderpool van de patella. Onjuist
  • 74. Een discoïde meniscus is een klinisch belangrijke congenitale variant, waarbij de meniscus meer schijfvormig is dan semicirculair. Dit komt vooral aan de mediale zijde voor.
  • 75. Discoide meniscus
    • Meestal de laterale meniscus
    • Klinisch significant
        • Kan slotklachten geven
        • Ruptureert eerder dan normale meniscus
    • MRI
        • Coronaal: meer dan 1,4 cm in de breedte
        • Sagittaal: niet op meer dan 2/3 coupes zichtbaar (bij 3/4 mm SD en 1 mm interslice sections)
  • 76. Watanabe-classification: Complete (B) and incomplete (A) discoid menisci vary in their degree of tibial plateau coverage. The Wrisberg ligament type (C) is fairly normal in shape, but there is no posterior coronary ligament attachment. Instead, the lateral meniscus attaches to the meniscofemoral ligament of Wrisberg
  • 77. Een discoïde meniscus is een klinisch belangrijke congenitale variant, waarbij de meniscus meer schijfvormig is dan semicirculair. Dit komt vooral aan de mediale zijde voor. Onjuist
  • 78. Indien ten gevolge van een patella luxatie een retinaculum scheurt, betreft dit meestal het mediale retinaculum.
  • 79. Patella luxatie
    • Vrijwel altijd laterale luxatie
    •  mediale retinaculum
  • 80. Indien ten gevolge van een patella luxatie een retinaculum scheurt, betreft dit meestal het mediale retinaculum. Juist
  • 81. Vocht rondom de pees van de flexor hallucis longus is per definitie pathologisch.
  • 82. Vocht rondom de pees van de flexor hallucis longus is per definitie pathologisch. Onjuist
  • 83. Reumatoïde arthritis van de hand is vooral zichtbaar ter plaatse van de DIP-gewrichten.
  • 84. RA
    • Hand/pols
      • Vroege erosies
        • Distaal radioulnair
        • Pisotriquetraal
        • Processus styloideus ulnae en radii
        • Scaphoid
      • DIP-gewrichten worden initieel gespaard
  • 85. Reumatoïde arthritis van de hand is vooral zichtbaar ter plaatse van de DIP-gewrichten. Onjuist
  • 86. Diffuse idiopathische skelet hyperostose (DISH) veroorzaakt een dense verkalking van het anterieure longitudinale ligament . Kenmerkend voor DISH is, dat de hoogte van de disci hierbij relatief normaal is.
  • 87. DISH
    • Dense ossificatie van het anterieure longitudinale ligament
        • Mm’s dik (itt fijne calcificatie van Bechterew)
        • Relatief behoud van de discushoogte
        • Calcificatie van het sacro-iliacale ligament (overbrugging bovenste 1/3 vh gewricht)
        • Enthesofyt formatie
          • Bekken
          • Calcaneus
          • Anterieure zijde van de patella
  • 88. DISH Bechterew
  • 89. Diffuse idiopathische skelet hyperostose (DISH) veroorzaakt een dense verkalking van het anterieure longitudinale ligament . Kenmerkend voor DISH is, dat de hoogte van de disci hierbij relatief normaal is. Juist
  • 90. De AP en laterale foto van de onderarm/pols van een 10-jarige na val bij gymnastiek . Er is een fractuur van zowel de ulna als de radius.
  • 91.  
  • 92. De AP en laterale foto van de onderarm/pols van een 10-jarige na val bij gymnastiek . Er is een fractuur van zowel de ulna als de radius. Juist
  • 93.
    • Detail van een opname van de linkervoorvoet van een 55-jarige man met een arthritis . De meest waarschijnlijke diagnose is rheumatoïde arthritis.
  • 94. Pencil-in-cup
    • Arthritis psoriatica (mutilans patroon)
    • Key concepts arthritis psoriatica
      • Oligoarthritis: Sausage digit
      • Polyarthritis
        • DIP > PIP/MCP
        • Symmetrisch
        • Normale botdensiteit
        • Ivory phalanx (tuft resorptie en sclerose)
  • 95.
    • Detail van een opname van de linkervoorvoet van een 55-jarige man met een arthritis . De meest waarschijnlijke diagnose is rheumatoïde arthritis.
    • Onjuist
  • 96. MRI van de enkel; axiale T2-vetsuppressie opname. De pijl wijst naar de pees van de musculus flexor digitorum longus.
  • 97. Mediale zijde enkel
    • Tom, Dick AN Harry
        • Tibialis posterior
        • Flexor digitorum longus
        • A. tibialis post
        • N. tibialis post
        • Flexor hallucis longus
  • 98.
    • Transverse fat-suppressed intermediate-weighted (repetition time msec/echo time msec, 3000/30) fast spin-echo MR image of right ankle shows four-tendon sign.
    • The two most anteromedial tendinous structures (arrowheads) represent longitudinal splitting and separation of original posterior tibial tendon (PTT).  pathologic.
    • The other two tendons of medial ankle are flexor digitorum longus (short arrow) and flexor hallucis longus (long arrow).
  • 99. MRI van de enkel; axiale T2-vetsuppressie opname. De pijl wijst naar de pees van de musculus flexor digitorum longus. Onjuist
  • 100. MRI van de knie; sagittale PD-(proton density) opname. De pijl wijst naar het ligamentum transversum.
  • 101. Meniscus ligamenten
    • Ligamenten
    • Meniscofemoraal
      • Wrisberg (posterieur)
      • Humphrey (anterieur)
    • Oblique intermeniscaal
    •  Voorhoorn naar andere achterhoorn
    • Transverse
    •  voorhoorn naar
    • voorhoorn
    • NB: allen vaak verward met meniscusscheur op MRI
    •  Posterieure menicushoorn naar mediale femurcondyl (vergeleken met PCL)
  • 102. MRI van de knie; sagittale PD-(proton density) opname. De pijl wijst naar het ligamentum transversum. Onjuist
  • 103. MRI van de rechter heup; coronale T2-opname. Het beeld past bij synoviale osteochondromatose.
  • 104. Synoviale osteochondromatose
    • MRI
        • Multipele ronde intermediaire-tot-laag signaal corpora (altijd gelijk aan het kraakbeen)
        • Effusie met een gedistendeerd gewrichtskapsel
  • 105. MRI van de rechter heup; coronale T2-opname. Het beeld past bij synoviale osteochondromatose. Juist