Studiedag Gevelbekleding Syllabus

  • 2,357 views
Uploaded on

syllabus van de studiedag "omgaan met 20e eeuwse architectuur: gevelbekleding" Brussel, 17 nov 2010

syllabus van de studiedag "omgaan met 20e eeuwse architectuur: gevelbekleding" Brussel, 17 nov 2010

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
2,357
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2

Actions

Shares
Downloads
23
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Omgaan met 20e eeuwse architectuur: gevelbekleding Brussel, 17 november 2010 Editors:Hilde De Clercq, Nathalie Vernimme en Yves Vanhellemont
  • 2. Omgaan met 20e eeuwse architectuur: gevelbekledingVoorwoordDe industriële revolutie aan het eind van de 19e eeuw betekende een ommekeer intechnologische en wetenschappelijke ontwikkeling binnen de bouwsector. De optimalisatievan de productie van zowel nieuwe als reeds gekende gevelbekledingsmaterialen(keramische tegels, natuursteenplaten, …), gecombineerd met nieuwe inzichten in dearchitectuur, zorgden voor een omwenteling in de bouwtradities in de 20e eeuw. De rijkdomaan bouwmaterialen en –technieken en de grote vrijheid in vormgeving, veroorzaakten eenspectaculaire opmars van nieuwe bouwtypologieën. De klassieke massiefbouw, die debouwwereld gedurende eeuwen had beheerst, ruimde stilaan plaats voor eleganteskeletbouw en lichte bouwconstructies met dunne buitenbekledingen. Het experiment washierbij nooit veraf.Maar bij een experimentele aanpak wordt leergeld betaald: vaak bezorgen de destijdstoegepaste methodes problemen bij de restauratie van dit 20e eeuwse architecturale erfgoed,en dit niet alleen voor wat betreft de beschikbaarheid van vervangmaterialen maar eveneensmet betrekking tot de bouwfysische en ecologische integratie van gevelbekleding conform dehuidige eisen in de bouwsector.Hilde De Clercq, Nathalie Vernimme en Yves Vanhellemont
  • 3. Omgaan met 20e eeuwse architectuur: gevelbekledingProgrammaVoorzitter: Nathalie Vernimme (VIOE)9.00 uur Ontvangst en koffie9.30 uur Verwelkoming - Els Hofkens (VIOE)9.40 uur Omgaan met 20e eeuwse gevelbekleding: materialen en tektoniek in Belgische cases – Ann Verdonck (VUB)10.20 uur Wetenschappelijke expertise als aanzet tot verantwoorde keuze van muurbetegeling – Gebouw COOVI Anderlecht - Yves Vanhellemont (WTCB)10.50 uur Koffiepauze11.10 uur Restauratieconcept gevelbekleding van het Brussels Stocletpaleis - Hilde De Clercq (KIK) en Yves Vanhellemont (WTCB)12.00 uur Keramische gevelbekledingen uit de 19e en 20e eeuw: historische en technologische evolutie en de problemen bij restauratie - Mario Baeck12.40 uur Discussieronde13.00 uur Gezamenlijke lunch14.00 uur Gevel- en terrasbekleding – Woning Renaat Braem te Deurne - Willem Hulstaert (VIOE)14.40 uur Renovatie van sociale hoogbouwwijken - Ludo Bekker (a33)15.20 uur Koffiepauze15.40 uur Geïntegreerde aanpak van gevelbekleding van 20e eeuwse architectuur - Robin Engels (Origin)16.20 uur Discussieronde17.00 uur Einde van de studiedag
  • 4. InhoudsopgaveAnn Verdonck Omgaan met 20e eeuwse gevelbekleding: materialen 5 en tektoniek in Belgische casesYves Vanhellemont Wetenschappelijke expertise als aanzet tot 13 verantwoorde keuze van muurbetegeling – Gebouw COOVI AnderlechtHilde De Clercq Restauratieconcept gevelbekleding van het Brussels 23 StocletpaleisMario Baeck Keramische gevelbekledingen uit de 19e en 20e eeuw: 37 historische en technologische evolutie en de problemen bij restauratieWillem Hulstaert Gevel- en terrasbekleding – Woning Renaat Braem te 52 DeurneLudo Bekker Renovatie van sociale hoogbouwwijken 60Robin Engels Geïntegreerde aanpak van gevelbekleding van 20e 68 eeuwse architectuur Sprekerslijst 81 Colofon 82
  • 5. Omgaan met 20e eeuwse gevelbekleding: materialen entektoniek in Belgische casesAnn Verdonck, Prof. Arch. VUB1. InleidingDeze paper focust op de diversiteit aan bouwmaterialen die in de loop van de 20e eeuwtoegepast zijn als gevelbekleding. Tijdens de eerste helft van de 20e eeuw worden talvan nieuwe, empirische afwerkingsmaterialen ontwikkeld die beeldbepalend zijn voorde modernistische architectuur. Deze tendens zet zich in stijgende lijn verder na deTweede Wereldoorlog en tijdens de laatste helft van de 20e eeuw is de drang naarinnovatie grensverleggend. De diverse aard en tektoniek van de gevelbekledinggenereren specifieke schadebeelden die vragen om aangepaste restauratie-strategieën. Dit diverse materiaalgebruik wordt geïllustreerd aan de hand van enkelemarkante Belgische praktijkvoorbeelden.2. Steenachtige materialen 2.1 Keramiek als gevelbekledingDe vernieuwende visie op hygiëne na de Eerste Wereldoorlog ligt mee aan de basisvoor de keuze van nieuwe materialen als gevelbekleding. Zo is geglazuurdbouwkeramiek een hygiënisch en makkelijk te onderhouden materiaal dat doorarchitecten tijdens het modernisme graag wordt toegepast in de zorgarchitectuur zoalshospitalen, sanatoria, scholen etc. De crèmekleurige geglazuurde keramischegeveltegels van het Lemaire sanatorium te Tombeek, naar ontwerp van Fernand(1886-1972) en Maxime (1909-2003) Brunfaut uit 1937, vormen een typische realisatievan dit principe. De geschiedenis van deze beeldbepalende dalles en gres émailléCerabel [1] (figuur 1) in het sanatorium illustreert dat deze ‘symbolen van hygiëne enduurzaamheid’ echter veel problemen veroorzaken die zowel de toenmaligeontwerpers als de huidige restauratiearchitecten heel wat kopzorgen baren. Hetsanatorium is opgetrokken uit een betonskelet met invulmetselwerk waardoor eengemengde ondergrond als tegeldrager fungeert. De gevelbekleding enapplicatiemethode zijn gedetailleerd beschreven in het architectenbestek [2]. In eenaanhechtingscement, rechtstreeks aangebracht op de beton- ofmetselwerkoppervlakken, wordt een gegalvaniseerd draadnet bevestigd enopgehangen aan ankers in de constructie. Vervolgens wordt op de netten een tweedelaag cementmortel met een hoog gehalte aan grof zand aangestreken waarop detegels in de nog vochtige mortel worden geplaatst. Na droging wordt het geheelgevoegd met een cementmortel met hoog zandgehalte en een vochtwerend product[3]. De bestekomschrijving past avant la lettre de voorschriften van het WTCB toe dieer komen in 1962 naar aanleiding van de vele problemen met loskomende tegels bijkeramische gevelbekledingen [4]. Ondanks de instructies van het lastenboek en dedetailtekeningen loopt het slechts een tiental jaar na de oplevering mis. De firmaBorremans en de Wilde die de tegels plaatst in 1937 heeft de mortelsamenstelling vanhet bestek niet gevolgd en een te cementrijke mortel gebruikt. Uit briefwisseling blijktdat de mortel bovendien niet uniform aangestreken is op de tegels [5]. Maar ook detegels zelf schijnen niet homogeen te zijn van samenstelling. Na afloop van eenrechtszaak in 1952 wordt een groot aantal van de tegels vervangen door tegels van defirma Helman Ceramic (figuren 2 en 3) met diepe groeven op de tegelrug om hetcontactoppervlak te vergroten maar jammer genoeg met een storende kleurafwijking 5
  • 6. tegenover de originele tegels. De laatste decennia is het complex ten prooi gevallenaan leegstand en verwaarlozing, zelfs de bescherming in 1993 kon hieraan nietonmiddellijk een eind maken. Een cumulatie van factoren waarbij de vochtinfiltratie éénvan de substantiële schadeoorzaken is, heeft een zwaar verstoord totaalbeeld van hetmonument teweeg gebracht. Vandaag is de schade dan ook aanzienlijk: veel tegelszijn losgekomen van de gevel, de nog vastgehechte tegels vertonen ernstige barstenen craquelures of afsplijting van het glazuuroppervlak, ze zijn vervuild ofgecontamineerd door graffiti en de voegen zijn bemost en plaatselijk aangetast doorvegetatie. De manier waarop dient te worden omgegaan met deze zwaar aangetastegevelafwerking is dus absoluut geen evidentie en zal van de restauratiearchitect eenevenwichtsoefening vergen tussen authenticiteit en duurzaamheid.Figuur 1 (links): reclame voor Cerabel met het sanatorium als referentieproject (bron:“Société Belge de Céramique CERABEL”, 1938, in: Clarté, n° 11e année, juni 1938, pp.17-19) 6,Figuur 2 (midden): de tegelscherf (tegels 2e generatie) komt los en de groeven blijvenachter in de mortel (bron: L. Dekeyser)Figuur 3 (rechts): verschil in kleur, dikte en contactvlak tussen de originele tegels en detegels van een tweede generatie uit 1952 (bron: L. Dekeyser) 2.2 Natuursteen als gevelbekledingOm het gebruik van natuursteenpanelen als gevelbekleding te illustreren (figuur 4)wordt het voormalig postgebouw te Oostende naar ontwerp van Gaston Eysselinck(1907-1953) belicht. Eysselinck, een baanbrekende Vlaamse modernist van de tweedegeneratie bouwt na de Tweede Wereldoorlog het R.T.T/P.T.T gebouw, dat volgensAlbert Bontridder ‘gegroeid is uit de anti-esthetiek van de functionele en zakelijkebouwkunst, een reeds laattijdige maar machtige bouwkunst’ [6]. Voor het postgebouwontwikkelt Eysselinck een duurzame gevelbekleding in graniet en blauwe hardsteengecombineerd met bronzen raam- en deurkozijnen. ‘Eysselink heeft met zijnpostgebouw als het ware willen bewijzen, en daarin is het een ultiemegeloofsuitdrukking, dat het bouwen met ‘klassieke materialen’ te verzoenen is met eenmodern, functioneel gebouw en dat een architect tevens verplicht is rekening tehouden met de levensduur van zijn schepping, zeker als het gaat om een openbaargebouw’ [7]. Deze zogenaamde klassieke materialen worden op een meesterlijke wijzebehandeld en gecombineerd tot expressieve gevelvlakken waarbij Eysselinck speeltmet de steentextuur en de uitpandigheid van de vlakken (figuur 5). Gepolijst graniet enblauwe hardsteen oppervlakken bewerkt met frijnslag onder verschillende hoeken,geschuurd of gebruikt als ruwe platen met een natuurlijk breukvlak, vormen eenopmerkelijke dynamische compositie. In het voormalig postgebouw herkennen we tweesoorten van deze ruwe platen: met een korst (gevels oudste fase) of bruut (gevels 2defase). Een zwarte korst of bousin is karakteristiek voor natuurlijke breukvlakken inblauwe hardsteen en ligt horizontaal tussen twee groevelegers. Hoewel hetafschilferen van deze korst-oppervlakken stagneert als de losse kleiachtige substantiesverdwenen zijn, heeft dit in het verleden aanleiding gegeven tot het plaatsen van 6
  • 7. netten. In de gevels van de tweede bouwfase zijn de ruwe platen bruut, namelijk metbreukvlakken dwars op het groeveleger [8].De subtiele details en complexe steensneden getuigen van vernuft maar zijn uiterstarbeidsintensief. De onderzoeken ter voorbereiding van de geplande restauratie enrevitalisatie van het beschermde gebouw tot cultuur – en kunstencentrum, uitgevoerddoor architect Guido Stegen, geven een idee van dit ingenieuze meccanosysteem. Degevelbekleding in graniet is geconstrueerd op een traditionele wijze door plaatsing metlegmortel tussen de voegen terwijl de gevelelementen in blauwe steen (ca. 8cm dikte)droog gemonteerd zijn: ‘De voegen zijn geprofileerd, zodat ze het water afvoeren naarbuiten. De oriëntatie van de tand-en groefverbinding (links of rechts) hangt af van destand van de dominante windrichting ten opzichte van de betrokken gevel (figuur 6).De gevelelementen steunen af op mekaar en om de spanningen te spreiden is tussende geprofileerde voegen bladlood gelegd. Meestal steunt de gevelbekleding op elkeverdieping, ter hoogte van de bovenkant van de ramen, af op de betonnen rand diedeel uitmaakt van de betonbalken. Halverwege de verdiepingshoogte, steunen deplaten die zich tussen de naastmekaarliggende vensters bevinden af op gevelbandendie enkele cm in het achterliggende metselwerk steken. Voorts vormen devensterbanken aan de buitenzijde één massief geheel met de vensterbanken aan debinnenzijde. In dit meest voorkomende geval is zowel de horizontale als de verticalestabiliteit verzekerd door afsteuning steen/steen, de beste en meest duurzameoplossing. (...) Echter, er komen ook vlakke gevelplaten voor in meerdere bovenmekaar liggende lagen, zonder tussen voeging van gevelbanden of betonnensteunranden. Bij de proefdemontage (vooronderzoeken) is gebleken dat platte koperenklangen werden gebruikt om de elementen (al dan niet voorlopig; dat is onduidelijk) terhoogte van niet gesteunde voegen met de ruwbouw te verbinden. Deze klangenbleken bros geworden te zijn en meestal afgebroken.’ [9]Het constructieprincipe, met bijzondere aandacht voor de oriëntatie van de tand-engroefverbinding, heeft in het agressieve zeeklimaat relatief goed stand gehouden.Tijdens de restauratie zal dan ook het principe gehanteerd worden van maximaalbehoud van de historische materialen en het bijzondere constructieprincipe. Debeschermingsnetten en de losse steenfragmenten op de ruwe platen met korst wordenverwijderd.Figuur 4 (links): voormalig postgebouw (bron: A. Verdonck).Figuur 5 (midden): uitpandige ruwe platen met korst in blauwe steen op eenhorizontale band in gefrijnde blauwe steen (bron: A. Verdonck).Figuur 6 (rechts): zicht op de profielen van de platen tijdens demontage (bron: G. Stegen) 2.3 Beton als gevelbekleding [10]Willy Van Der Meeren (1923-2002) kennen we als een vindingrijk en non-conformistisch ontwerper die er prat op gaat dat voor om het even welk materiaal eenbouwtoepassing bestaat. Of het nu gaat om meubels, tenten, kleine woningen ofgroepswoningbouw, hij tracht architectuur te reduceren tot de essentie en op de meestlogische, economische en innovatieve wijze te benaderen:“Ik geef toe dat het moeilijkwerken was met mij. Er ging geen dag voorbij zonder dat de uitvoerders voor een 7
  • 8. probleem kwamen te staan, omdat er niets conventioneels aan mijn ontwerpen was.Wie denkt er nu aan om 4 meter te overspannen met latjes van 1,5 x 5 cm? Of om eenspant te maken met hout van appelsienkisten -dat ik dan zelf nog heb mogentimmeren. [...] De oplossing is onconventioneel, maar tegelijkertijd is ze te eenvoudig,te elementair voor de complexiteit, de routine waaraan uitvoerders gewend zijn.” [11]Deze ontwerpstrategie vinden we terug in de hoogbouw voor de socialebouwmaatschappij Ieder Zijn Huis in Evere (1952-1961) (figuur 7). In de hoogbouw(figuren 8 en 9) zijn de vloerwelfsels en quasi de volledige gevel geprefabriceerd. Ditprefab-principe stelt Van Der Meeren in staat om goedkoper te bouwen. De 292betonnen gevelpanelen bestaan uit zes types met dezelfde afmetingen enbevestigingswijze, allen gefabriceerd vanuit één mal [12]. Van de zes types zijn er 2symmetrisch waardoor we uiteindelijk 5 verschillende gevelpanelen krijgen (figuur 9)met integratie van meerdere technieken. De gevelpanelen zijn in de gevel ‘geklikt’ ineen kader dat gevormd wordt door het skelet van het gebouw. De exacteplaatsingsmethode is niet gedocumenteerd. Volgens Van Der Meeren is de plaatsingvan de panelen “dusdanig dat ze fungeren zoals dakpannen en, alleen al door hunaansluiting onderaan op lijsten en kolommen, voor een waterdicht gebouw zorgen. Hetopvoegen is slechts nodig om infiltratie bij grote windstoten te voorkomen. Alleaanslagen zijn aan de buitenzijde voorzien, alle voegen zijn plastisch. Gevolg: hoemeer wind, hoe meer de voegen worden samengedrukt. Onder- en bovenaan hebbenze een conisch verloop en weerstaan ze, zowel in- als uitwendig, aan zuig- endrukkrachten.” [13] Maar is een dergelijk systeem ook echt waterdicht en duurzaam?Op de doorsneden is duidelijk zichtbaar dat de kolommen naar boven toe verjongen.De breedte van de kolommen op de vier onderste woonverdiepingen zijn ca. 12 cmbreder dan deze van de bovenste acht verdiepingen. Hoogstwaarschijnlijk is met dezeverjonging geen rekening gehouden bij het ontwerp van de gevelpanelen want bij demontage blijkt de ruimte tussen 2 kolommen op de onderste verdiepingen nietvoldoende om de gevelpanelen te kunnen plaatsen. Om dit probleem op te lossen zijnde hoeken van deze kolommen afgeschuind wat ook betekent dat de betondekking opde wapening verkleint of zelfs volledig verdwijnt.Het schadebeeld na ca. 50 jaar manifesteert zich door gebrek aan isolerende kwaliteitvan de gevelpanelen die, ondanks hun isolatie en dubbele beglazing, ruimontoereikend is. Voornamelijk de wapeningsstaven genereren koudebruggen metduidelijke sporen van vochtneerslag tot gevolg. Ook door vochtneerslag nacondensatie ontstaat er in de winter een ijslaag onderaan in de goot van hetraamprofiel. Een ander schadebeeld en waarschijnlijk als gevolg van het eerste, is hetafbreken van delen van het beton langs de raamstijlen waardoor de wapening blootkomt te liggen. Tot slot ontstaan er barsten bij quasi elk gevelpaneel in de zones waarhet paneel verbonden is met de draagbalk en de kolommen.Hoe gaan we nu om met deze gevelpanelen tijdens de renovatie van dit merkwaardig,niet beschermd erfgoed? Koen Verwijver die dit gebouw als onderwerp koos voor zijnMeesterproef Ingenieur Architectuur schreef hierover het volgende: “Ik pleit ervoor omde intenties en de visie op sociale woningbouw van Willy Van Der Meeren te vertalennaar een ontwerp anno 2007 en op die manier de monumentwaarde van het gebouwte benadrukken zonder dat dit leidt tot achteloos kopiëren. Zo kan men ook aanmonumentenzorg doen door bijvoorbeeld het materiaalgebruik van een architect teherhalen zonder daarom de exacte toestand van een oorspronkelijke gevelopbouw teherhalen.”[14] 8
  • 9. Figuur 7 (links): hoogbouw voor Ieder zijn Huis te Evere (bron: K. Verswijver)Figuur 8 (midden): gevelpanelen tijdens de bouw (bron: archief WVDM, UGent)Figuur 9 (rechts): tekening van de vijf verschillende gevelpanelen (bron: K. Verswijver)3. Lichte materialenHouten en metalen gevelbekleding worden voornamelijk op het einde van de 20e eeuwaantrekkelijk bij architecten. Gevels met cederbetimmering, houten panelen ofbeplating in cortenstaal etc. worden volop geïntroduceerd in het straatbeeld.In de eerste helft van de 20e eeuw is houten gevelbekleding vooral in trek bij tijdelijkeconstructies zoals toegepast tijdens de Eerste Wereldoorlog in het kader van deoorlogsmachine [15]. Een foto uit 1915 van barakken te Fortem schetst een beeld vande bouwplaats (figuur 10). De geschaafde planken, prefab panelen en paletten liggenklaar voor montage. Deze barakken met zadeldaken voorzien van lichtstraten, ramenin elke travee en poorten in de kopse gevels zijn opgebouwd uit een houten skelet,betimmerd met plaatmateriaal. De houten vloer is losgekoppeld van het maaiveld. HetBelgisch Leger heeft vele varianten gemaakt op het thema van de houten barak maarde Royal Engineers leveren pionierswerk op vlak van onderzoek en experimenten naarde meest uiteenlopende constructies die tijdens de Eerste Wereldoorlog wordeningezet door het Engelse leger [16]. Typeplannen van barakken, keten enwerkplaatsen worden nauwgezet tot in het kleinste detail beschreven engedocumenteerd. De bouwpakketten van de tijdelijke infrastructuur, de zogenaamde‘hut’, worden verpakt in kratten naar het Front getransporteerd. Van de houten prefabkits zijn zelfs didactische tools gemaakt om in te zetten als instructiemateriaal te velde[17]. Het ‘portable hut’-type, houten barakken gebruikt voor de huisvesting van detroepen, is hiervan een uitstekend voorbeeld (figuur 11). Ze worden in Engelandgeprefabriceerd om in situ vlug en vlot te assembleren. Deze barakken bestaan uitmodules of traveeën van 10 ft. (3,048 m) in functie van het transport en de montage insitu. De wanden zijn betimmerd met waterwerende platen, voorzien van eenoliecoating en het dakbeschot is beschermd met bitumenkarton. In 1916 worden deFranse firma’s Tarrant en Somerville aangesproken om samen met het Engelse legerte zoeken naar efficiënte bouwsystemen. Zo komt de Tarrant light portable sleeping hutin productie met verbeterde wandbetimmeringen bestaande uit een dubbel beschot omde energieprestatie te verbeteren [18]. De Nissen Bow hut, een ontwerp van RoyalEngineer Captain O. C. Nissen, wordt omschreven als het meest populaire type datdoor het Engelse leger in Frankrijk is ingezet. Het is een barak met een skeletstructuurin hout en staal in een boogvorm, bedekt met metaalplaten.Na de oorlog is deze knowhow toegepast in de vele houten noodwoningen die door deregering gebouwd zijn om de grote woningnood op te vangen bij de terugkeer van debevolking naar hun verwoeste dorpen. De aanpak van deze fragiele oorlogsrelictenkomt in een recente publicatie van het VIOE ‘Omgaan met Oorlogserfgoed’ uitgebreidaan bod [19]. 9
  • 10. Figuur 10 (links): “pavillon en voie d’achèvement”, Forthem 1915 (bron: Koninklijk Museumvan het Leger en de Krijgsgeschiedenis Brussel, Fotocollectie)Figuur 11 (rechts): tekening portable hut (bron: Work of Royal Engineers in the European War1914-1919, plate XLIX)Naast de inventiviteit die ontstaat bij noodscenario’s zoals oorlogen, is detechnologische evolutie ook inherent verbonden met wereldtentoonstellingen. Groteoverspanningen, experimentele materialen en sculpturale constructies zijn er scheringen inslag.Zo wordt op de Expo 58 het paviljoen van Marie Thumas aangewezen als voorlopervan de lichtgewichtconstructies en textielmembranen [20]. De drienokkige tent wordtgestabiliseerd door vier V-vormige stalen vakwerkmasten. Tussen de spankabels zijnmetalen liggers bevestigd die het zeildoek dragen. Deze liggertjes dragen het zeildoekvan de tent dat bestaat uit films van Texaglas, een zeer soepel plastic, opaak oftranslucide [21]. Vanaf de jaren tachtig kennen de textielmembranen veel succes envandaag worden volledige gevels bekleed met translucide en transparante textiel.Onderzoek en ervaring hebben ondertussen bewezen dat deze textielmembranendoorgaans slechts 10 tot 15 jaar stand houden. Voor permanente constructies betekentdit radicale vervanging, en bijgevolg verlies van historisch materiaal aangezienrestauratie (nog) geen optie is.Ook de transparante glasgevels doen het goed in de 20e eeuw. Waar voor de TweedeWereldoorlog licht en lucht geïntroduceerd worden via grote glaspuien worden naar heteind van de 20e eeuw steeds grotere glasvlakken geproduceerd om metspiderklemmen of andere gesofistikeerde constructiemethodes te worden opgehangenof ingeklemd aan de beton- of staalskeletten. Naast de koudebruggen worden westeeds meer geplaagd door de warmtebruggen die een oververhitting veroorzaken indeze glaspaleizen. Hoewel glas veel langer stand houdt dan textiel is de vervaldatumniet onbeperkt en zal de toekomstige restauratiearchitect ook hier weer op eeninventieve manier moeten mee omgaan.4. BesluitDeze beperkte selectie van 20e eeuwse Belgische cases toont reeds een scala vanschadepatronen die eigen zijn aan de specifieke materialen en hun empirischeapplicaties. Maar hoe gaan we nu in de 21e eeuw om met deze beeldbepalendegevelbekledingen? In hoeverre nemen we in geval van restauratie de hedendaagsebouwfysische en ecologische normen in beschouwing? Wat is het evenwicht tussenauthenticiteit en duurzaamheid en hoe zit het met de beschikbaarheid van hethistorisch materiaal of van vervangmaterialen? Adolf Loos geeft er in ‘Das Prinzip derBekleidung’ alvast volgende beschouwing over: ‘Ein jedes Material hat seine eigeneFormensprache, und kein Material kann die Formen eines anderen Materials für sich inAnspruch nehmen. Denn die Formen heben sich aus der Verwendbarkeit und 10
  • 11. Herstellungsweiße eines jeden Material geworden. Kein Material gestattet einenEingriff in seinen Formenkreis. Wes es dennoch wagt, de brandmarkt die Welt alsfälscher. Die Kunst hat aber mit der Fälschung, mit der Lüge nichts zu tun.’[22]Referenties[1] Baeck M., Verbrugge B., De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels, 1880-1940, M&L cahier 3, Brussel 1996.[2] Archief M. Brunfaut, sanatorium Tombeek, AAM Brussel, Cahier des charges,carrelages, p. 6. Het bestek aanwezig in de archieven van AAM Brussel beslaat zo’n25 dozen in totaal.[3] Dekeyser L., Het Lemaire sanatorium (1937) te Tombeek: het gebruik vankeramische tegels als gevelbekleding tijdens het modernisme, onuitgegevenmeesterproef Architectonische Ingenieurwetenschappen, VUB 2009, p. 85-87.[4] Bekleding van gevels met geglazuurd verglaasd gres, Technische voorlichting 33,reeks 082/2, Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf 1962.[5] Brief van advocaat Henry Botson aan de directeur van de Prévoyance sociale d.d.28.04.1952.[6] Bontridder A., Hedendaagse Bouwkunst in België, Dialoog tussen licht en stilte,Antwerpen 1963, s.p. onderschrift bij een foto van Het Postkantoor te Oostende-1946.[7] Dubois M., Architect Gaston Eysselinck, zijn werk te Oostende 1945/1953, De fataleontgoocheling, Gent 1994, p. 66.[8] B-Architecten, PTT Oostende, reconversie van het voormalig postgebouw totcultuur- en kunstencentrum, Technisch lastenboek nr. A4-300, Brussel 27 januari2010, art. 02.10, arduin, p 39[9] B-Architecten, PTT Oostende, reconversie van het voormalig postgebouw totcultuur- en kunstencentrum, Technisch lastenboek nr. A4-300, Brussel 27 januari2010, art. 02.10, arduin.[10] A. Verdonck, K. Verswijver, R. Demeyer, Constructief vernuft en socialefijnzinnigheid in een kleurrijk ontwerp. De hoogbouw van Willy Van Der Meeren voorIeder Zijn Huis in Evere (1952-1961), Architectuur sinds de tweede Wereldoorlog,Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussel 2008.[11] De Kooning M., Willy Van Der Meeren, Laat-XXe-eeuws Genootschap, Gent,1993, p. 23: gesprek tussen Willy Van Der Meeren en Mil De Kooning in augustus1992[12] Cfr. supra, p. 17.[13] Cfr. supra, p. 84.[14] Verswijver K, De Hoogbouw van Willy Van Der Meeren voor Ieder Zijn Huis inEvere (1952-1961). Historisch, kleur- en materiaaltechnisch onderzoek en voorstel totrenovatie, onuitgegeven meesterproef Architectonische Ingenieurwetenschappen, VUB2007, p. 126. 11
  • 12. [15] Verdonck A., Vermeiren E., Troubleyn R., Legerbarakken Jabbeke,archiefonderzoek en handleiding omgaan met barakken, onuitgegeven onderzoekdecember 2008.[16] Addison G. H., Work of Royal Engineers in the European War 1914-1919,Chatham 1927.[17] S.n., Work of Royal Engineers in the European War 1914-1919, 171-174,Chatham 1924.[18] Cfr. supra, plate XLVII Tarrant hut, s.p.[19] Vernimme N. et. al, Omgaan met Oorlogserfgoed, VIOE-Handleidingen 02,Brussel 2010.[20] Espion B. et. al, Lichtgewichten, structuurinnovaties op expo 58, Modernearchitectuur op Expo 58, Brugge 2006, p. 102-127.[21] Cfr. supra, p. 115.[22] Loos A., ‘Das Prinzip der Bekleidung’ 4 september 1898; ‘Ins Leere gesprochen’,Brenner Verlag, Innsbuck 1931, p. 140. 12
  • 13. Wetenschappelijke expertise als aanzet totverantwoorde keuze van muurbetegeling –Gebouw COOVI AnderlechtYves Vanhellemont, Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf(WTCB)SamenvattingHet COOVI/CERIA complex in Anderlecht is een modernistisch ensemble, gecreëerddoor architect Antoine Courtens tussen 1950 en 1954. Sinds relatief lange tijd is erschade aan de muurbetegeling van de gebouwen veroorzaakt door waterinfiltratie.Allerhande architecturale details zoals de afwezigheid van beschermingen,uitzettingsvoegen, enz. ... en de gebruikte materialen (ondermeer die van de mortels)gaven aanleiding tot deze degradatie.In functie van de restauratie werd een studie uitgevoerd van de gevels, aangevuld meteen analyse van de mortels (plaatsings- en voegmortels). Deze studie mondde uit ineen restauratieadvies. We willen hier verduidelijken dat een duurzame interventie nietenkel gebaseerd kan worden op materiaalonderzoek, maar dat een architecturaleanalyse van even groot belang is, en dat beide aspecten samen aan bod moetenkomen in een vooronderzoek en advies voor een onderhoudsplan.Het project toont dat een wetenschappelijke benadering kan leiden tot een ‘ideale’oplossing voor de restauratieproblematiek, maar dat de randvoorwaarden in de praktijkwel aanleiding kunnen geven tot een minder ideale, pragmatische oplossing, diedesalniettemin de beste is in de gegeven omstandigheden.1 InleidingHet gebouwencomplex waarvan sprake is een ontwerp van de Belgische architectAntoine Courtens (1899-1969). Hij was student van ondermeer Victor Horta, en vanaf1926 als ontwerper van een aantal belangrijke art-decogebouwen in België. Zijn stijlevolueerde naar een modernisme, waarvan het studie-opject in dit artikel eenbelangrijk voorbeeld is.De afkorting COOVI slaat op de naam “Centrum voor Onderwijs en Onderzoek voor deVoedingsindustrie”. Het complex bestaat uit meerdere gebouwen verspreid over eenuitgestrekt terrein en deels ingeplant in een groene zone. De gebouwen zijn doorgaansgekarakteriseerd door een strakke horizontale architectuur (figuur 1) die benadruktwordt door de raampartijen (veelal in het vlak van de gevels), de zware horizontaleonderbouw in natuursteen, en de muurbetegeling met langwerpige tegels, met bredelintvoegen en smalle stootvoegen. Enkel de toren vormt een belangrijke vertikaledoorbreking van dit stramien. 13
  • 14. Figuur 1: zicht op een aantal gebouwen van het COOVI-complexIn 2004 werd het complex in twee gesplitst, waarbij elk deel in het bezit kwam vanofwel de Franstalige Gemeenschap, ofwel de Vlaamse Gemeenschap.Het deel behorende tot de Franstalige gemeenschap heeft sindsdien een grondigerenovatiebeurt gekregen die sterk gecontesteerd is. De renovatie bestond deels uit hetconstrueren van nieuwe voorzetgevels, met thermische isolatie tussen de oude en denieuwe geveldelen. Helaas is de architectuur daardoor sterk gewijzigd. Grosso modolijken de gevels nog wel op de oude gezien het nieuwe metselwerk bestaat uitgeëmailleerde baksteen met dezelfde afmetingen als deze van de oudemuurbetegeling. Maar hoekdetails (ondermeer de aansluiting van de tegels van tweegevels) zien er nu wel compleet anders uit, evenals de ramen die nu dieper in hetgevelvlak zitten, etc. Ook de aansluiting van de gebouwen behorende tot de beidegemeenschappen is, op z’n zachtst gezegd, nogal vreemd: sommigen raken effectiefaan elkaar.Door de Vlaamse Gemeenschap werd besloten om een renovatie uit te voeren, waarbijde realisatie van een nieuwbouw werd gecombineerd met een strikt restauratievebenadering van de bestaande gebouwen, dit omwille van de hoge intrinsieke waardevan de architectuur.2 Technische aspecten van het gebouw 2.1 ConstructieHet complex is opgetrokken uit gewapend beton met invuldelen inbaksteenmetselwerk. Noch de betonnen structuur, noch het baksteenmetselwerk zijnzichtbaar. Op grondniveau werd een natuursteen parement aangebracht waarvan deconserveringstoestand doorgaans goed is. Dit is waarschijnlijk omdat het gebouw eenbrede kroonlijst heeft. Hogere geveldelen zijn bekleed met rechthoekige verglaasdekeramische tegels met afmetingen gelijkaardig aan bakstenen waardoorbaksteenmetselwerk wordt geïmiteerd. Bovenaan de gevels zijn dektegels ingeprefabriceerd gewapend beton op het metselwerk aangebracht. Het dak en deaflopen zijn lager gelegen dan de tophoogte van de gevels waardoor vanopgrondniveau geen dak zichtbaar is.Ondanks dat de gevels tientallen meters lang zijn, werden, volgens de beschikbaregegevens, geen uitzettingsvoegen aangebracht.Raamomlijstingen en raam- en deurafzaten zijn vervaardigd in geprefabriceerdekeramische elementen onderling gescheiden door voegen. Voor zover gekend werdonder de raamafzaten geen bescherming tegen waterinfiltratie voorzien. 14
  • 15. 2.2 Visueel onderzoek van de gevelsSinds de beëindiging van de constructie werden nauwelijks werken uitgevoerd aan degevels. Als gevolg hiervan zijn over vrij grote oppervlakken de tegels verdwenen (figuur2, onderaan links). Hierbij werden tegels aangrenzend aan afgevallen tegels eveneensverwijderd. Om veiligheidsredenen zijn veel gevels voorzien van een groen gekleurdnet waardoor het geheel een groen uitzicht heeft.Microscheuren tussen voeg en tegels komen vrij algemeen voor hetgeen op zichlogisch is: deze lange vlakken vertonen hoge thermische uitzettingen waardoortrekspanningen worden opgebouwd. Door het ontbreken van uitzettingsvoegen worden“spontaan” scheuren gevormd en dit veelal op de zwakste zones zijnde het grensvlaktussen voeg en tegel. Een ander algemeen schadebeeld is ontbrekend voegwerktussen de tegels aan de raamafzaten (figuur 2, rechts bovenaan) en de betonnendekstenen bovenaan de gevels (figuur 2, links bovenaan) waardoor hogehoeveelheden water in de gevels infiltreren.Figuur 2: ontbrekend voegwerk tussen dekstenen bovenaan de gevels (links) entussen keramische tegels van raamafzaten (midden) naast afstoten van keramischetegels op gevelvlakken (rechts). 2.3 MonsternamesOp geselecteerde zones werden boorkernen gelicht (figuur 3) om de algemeneopbouw van de gevels te evalueren en de opbouw van samenstellendebouwmaterialen te analyseren. Uit dit onderzoek kon het volgende worden afgeleid:- De keramische tegels werden in een legmortel op het bakstenen metselwerkgeplaatst. De mortel is een mengsel van cement en vette kalk. Deze traditionele engoed verwerkbare mortel is vrij duurzaam in normale blootstellingsomstandigheden endroogt traag. Een dergelijke mortelmaterie is relatief flexibel hetgeen een belangrijkvoordeel is voor grote gevelvlakken onderhevig aan thermische bewegingen [1].- De voegen tussen de tegels zijn uitgevoerd met een mortel waarvan het bindmiddelhoofdzakelijk bestaat uit cement.- Behalve micro-scheuren tussen voeg en tegel, vertoont de voegmortel doorgaansweinig (vorst)schade. Petrografisch onderzoek heeft uitgewezen dat de legmortelgebruikt voor het plaatsen van de tegels daarentegen vorstgevoelige kenmerkenvertoont.- Twee type tegels werden gebruikt. Een eerste type dat in de massa beige gekleurd is(figuur 3, links; kleur in de massa is dezelfde als de oppervlaktekleur) voorzien van een‘haak’ op de tegelrug om het contactoppervlak met de legmortel te vergroten. Tijdenslatere bouwfasen werd gebruik gemaakt van rood getinte tegels met een dunneverglaasde oppervlaktelaag (figuur 3, rechts). De tegels op zich vertonen een goedeweerstand tegen verwering. 15
  • 16. Figuur 3: boorkernen genomen uit betegelde gevelvlakken. De linker boorkern omvatvan rechts naar links de oppervlaktelaag van het baksteenmetselwerk, de legmortel ende in de massa getinte tegel. Op te merken vallen de ‘haken’ op de tegelrug die hetcontactoppervlak met de legmortel vergroten en de hechting optimaliseren. De rechterboorkern omvat de legmortel en verglaasde tegels met voegmaterie tussenin.De visuele inspectie heeft uitgewezen dat water infiltratie, via diverse hierbovenvermelde scheuren en openingen, gecombineerd met vries-dooi cycli, aan de basisliggen van het huidige schadefenomeen. Opgenomen vocht kan nauwelijks verdampenvia de verglaasde tegels en de dichte cementvoegmortel. In winterperiodes geeft ditdan ook aanleiding tot vorstschade.De restauratie van de gevels beoogt bijgevolg een maximale reductie vanwaterinfiltratie en –accumulatie.3 Aanbevelingen voor de restauratie 3.1 Op constructieniveauOp het niveau van de constructie konden volgende aanbevelingen wordengeformuleerd, waarbij de wens tot maximaal behoud van het oorspronkelijke aspectwerd gerespecteerd:- ter voorkoming van vochtindringing aan de bovenzijde van de gevels dient principieelhet voegwerk tussen de dekstenen nauwgezet onderhouden te worden. De ervaringleert echter dat de realisatie van een dergelijk curatief onderhoud niet steeds evendisciplinair wordt nageleefd. Dientengevolge werd geopteerd voor het plaatsen van eencontinu waterdicht (metalen of ander) membraan onder de deksteenlaag aan beidezijden voorzien van een kraal (‘druipneus’). Aldus zal, zelfs met een openstaande voeg,nog steeds geen vocht kunnen binnendringen in het metselwerk.- Plaatsen van een membraan boven de raamomlijsting ter voorkoming vanvochtinfiltratie. Eveneens is het aangeraden om een membraan onder devensterbanken te installeren (infiltratie doorheen het voegwerk tussen de tegels van devensterdorpels).Beide duurzame ingrepen zullen het toekomstig onderhoud en schade sterk beperken. 3.2 Op het niveau van de gevelmaterialenDe gevels moeten gerestaureerd worden, en de vraag rijst of hierbij dezelfdematerialen gebruikt dienen te worden. Dit lijkt niet de beste optie. 16
  • 17. Het eerste probleem kadert in authenticiteit: exact dezelfde muurtegels zijn niet meervoorhanden. Er zijn wel tegels met hetzelfde uitzicht, maar in de massa, en vooral aande rugzijde, verschillen deze tegels toch wel heel sterk van de oorspronkelijke (waar ertrouwens ook al enige diversiteit aanwezig was). Aangezien authenticiteit op het vlakvan de tegels een probleem begint te vormen, werd er ook besloten op het vlak van demortels geen al té rigoureuze houding aan te nemen: het gebruik van mortels was dusgeen absolute vereiste. Dat zou, vanuit technisch oogpunt ook niet bepaald verstandigzijn.Ten tweede bleek het, vanuit een technisch standpunt, zelfs noodzakelijk om tochaanpassingen uit te voeren aan de mortelsamenstellingen. Om te beginnen hebben denieuwe tegels geen ‘haak’ of ‘anker’ meer aan de rugzijde. De hechting van de tegelsaan de plaatsingsmortel zou daardoor misschien niet onmiddellijk problematisch zijn(hoewel dat niet is nagegaan), maar ze zou in elk geval wel een stuk lager uitvallen. Isdat dan een risico dat genomen kan worden? Het is immers zo dat de waterinfiltratie inhet achterliggende metselwerk aanzienlijk verminderd doch niet helemaal vermedenkan worden. Door de afwezigheid van dilatatievoegen zullen er wel steeds scheurtjesin de gevels blijven. Een goede mortelkeuze kan deze eventueel wel reduceren, maarer kan geen garantie worden gegeven dat ze achterwege zullen blijven.Tevens weten we dat de aanwezigheid van de cementgebonden voegmortel eenoorzaak was van vochtaccumulatie in de achterliggende mortel, met alle gevolgen vandien. Daarom werd besloten om ook de samenstelling van de voegmortel te wijzigen.Uiteindelijk werd volgende oplossing voorgesteld:- Enkel de beschadigde tegels worden vervangen. Alle intacte tegels blijven gewoon terplaatse. Dit gaat samen met hun mogelijkerwijs problematische leg- en voegmortel:indien deze intact zijn blijven ze ter plaatse. Het verwijderen en vernieuwen van allevoegen is op zich niet aanvaardbaar gezien de schade die hierdoor veroorzaakt wordtaan de tegels. Dit geld in het bijzonder voor de stootvoegen die hoogstens enkelemillimeters breed zijn [2,3].- In de beschadigde zones wordt de plaatsingsmortel volledig verwijderd.- Op dit metselwerk wordt een polymeergemodificeerde cementering aangebrachtteneinde een betere vervormbaarheid en hechting van de laag te verkrijgen [4]. Dezelaag dient om een vlakke ondergrond te verkrijgen, waarop de tegels gelijmd worden.- Na uitharding worden de nieuwe tegels (met enkel een geribbelde rug) op decementlaag gelijmd met een mortellijm voor buitengebruik. Deze mortellijm zou geenvocht mogen opnemen na uitharding, en dient zodoende vorstbestendig te zijn.Gebruik van een mortellijm wordt geprefereerd om een betere hechting aan decementering te verkrijgen. Bovendien zorgen de ‘elastische’ eigenschappen van dezelijm voor een betere weerstand tegen de onvermijdelijke thermische dilatatie [1].- De voegen tussen de tegels dienen te worden hersteld met een voegmortel diewaterdampdoorlatend is. Eveneens moet deze een stuk minder ‘star’ of ‘broos’ zijn dande oorspronkelijke cementmortel. Daardoor viel de keuze op een mortel met luchtkalkals bindmiddel (gebluste kalk, kalkhydraat), met een kleine toevoeging van cement. Dekans dat er daardoor microscheuren ontstaan tussen tegels en voegwerk wordthierdoor gereduceerd. In zones met de oorspronkelijke legmortel bewerkstelligt denieuwe voegmortel een sneller vochttransport [5].Deze oplossing werd niet zonder slag of stoot aanvaard. Er waren een aantaldiscussiepunten.Het eerste discussiepunt betrof de al dan niet noodzakelijkheid tot het aanbrengen vaneen waterdampdoorlatende egaliseerlaag. Er werd gevreesd dat de cementering die nu 17
  • 18. werd voorgesteld bepaalde vochtproblemen in het gebouw zou accentueren ofveroorzaken. Dit is even wel niet aan de orde gezien de oorspronkelijke afwerkingzijnde de tegels en de cementgebonden voegmortel niet, of toch nauwelijks,waterdampdoorlatend is. Een toename van de vochtproblematiek in het gebouw isbijgevolg uitgesloten. Overigens is het ook zo dat de tegellijm nauwelijkswaterdampdoorlatend is. En het gebruik van een waterdampdoorlatende egaliseerlaag,waarvan de werking dan wordt tenietgedaan door de waterdampondoorlatendetegellijm, is ook niet zinvol.Een tweede discussiepunt betrof de noodzaak tot het aanwenden van eenwaterdampdoorlatende mortel als voegmortel in de gerestaureerde geveldelen (duswaar zowel de oorspronkelijke legmortel, tegels en voegmortel verwijderd werden). Ditis een terecht punt van kritiek. Immers, wat is het voordeel van een dampdoorlatendevoegmortel, indien de aansluitende materialen (de lijmmortel, de cementering, detegels) zelf ondoorlatend zijn voor waterdamp? De keuze voor een voegmortel op basisvan kalkhydraat werd verantwoord door volgende overwegingen:- Ten eerste was er de vraag om de oplossing voor voegmortels zo eenvoudig mogelijkte houden. Bovendien is het beter om ook het onderhoudshandboek (metaanbevelingen voor mortelsamenstellingen!) zo eenvoudig mogelijk te houden. Daaromwerd geopteerd om het mortelrecept voor het herstellen van voegwerk ook te hanterenvoor complete herstellingen (waar het voegwerk, tegels en legmortel allemaalvervangen dienden te worden). Daarom werd dus uiteindelijk de mortel op basis vankalkhydraat weerhouden als ‘standaardrecept’.- Een tweede reden voor het gebruik van kalkhydraat in de volledig nieuwe geveldelenis wat complexer: op de compleet herstelde geveldelen zijn de plaatsingsmortel en demortellijm, evenals de tegels, weinig capillair. Veronderstel nu dat er terug een dichtecementgebonden mortel als voegmortel wordt gebruikt. Hoogstwaarschijnlijk zullen erdan ook opnieuw scheurtjes tussen tegel en voegmortel ontstaan. Door de afwezigheidvan capillaire materialen in de omgeving, kan er een vochtopstapeling ontstaan tussenvoegmortel en tegel. Bij vorst zal dit vocht expanderen, en door de druk de mortel ende tegel mogelijkerwijs beschadigen. In het verleden gebeurde dit niet, door deaanwezigheid van de capillaire bastaardmortel achter de voegmortel. Dit is eenfenomeen dat wel vaker voorkomt bij aansluiting tussen weinig capillaire materialen(bijvoorbeeld tussen blauwstenen consoles en natuurstenen lijsten, tussen tweestukken blauwe steen die verbonden zijn met een cementvoeg en die onder drukstaan, zoals geïllustreerd in figuur 4) 18
  • 19. Figuur 4 : illustratie van een extreme vorm van schade aan blauwe hardsteen,tengevolge van vocht dat in scheurtjes tussen weinig capillaire materialen wordtgevangen, en aanleiding geeft tot macroscopische schade bij vorst 3.3 Aanpassingen tijdens de uitvoeringEen restauratie-advies, gebaseerd op een onderzoek, is één ding. De realiteit is eenandere zaak. ‘Gedwongen’ door de omstandigheden dient soms een mooi afgerondadvies aangepast te worden.De meest ingrijpende verandering die in het restauratieplan opgenomen diende teworden, werd ingegeven door de werfplanning. Het opvoegen van de gevels diende tegebeuren in de late herfst, de winter en het vroege voorjaar. Met dus een reëel risicoop vorstschade. We weten ondertussen dat de winter van 2009-2010 zeer streng isgeweest en dat kans op vorstschade bijzonder groot zou zijn geweest.Het risico op vorstschade bij mortels gebaseerd op kalkhydraat is nog een stuk groterdan bij andere mortels. Vooral de lange uithardingstijd zit daar voor iets tussen [6].Het compromis in deze omstandigheden was het gebruik van een mortel op basis vanhydraulische kalk. Met andere woorden: we boeten wat in op de ‘flexibiliteit’, op de‘self-healing’ en eveneens op de waterdampdoorlaatbaarheid van de mortel. Aan deandere kant winnen we wel op sterkte, en vooral de weerstand tegen winterseomstandigheden (vooral van belang in de uithardingsperiode). De flexibiliteit enwaterdampdoorlaatbaarheid zal nog steeds beter zijn dan die van eencementgebonden mortel.Het vooruitzicht van een toch iets of wat minder flexibele mortel deed de vreesopflakkeren dat er dan toch nog waterinfiltraties in de gevel konden voorkomen.Daarom werd er voorgesteld het risico te beperken door het gebruik van eenwaterwerende oppervlaktebehandeling. Dit bleek geen goed idee:- Technisch gezien biedt een waterwerende behandeling hier niet veel zekerheid. Hetzou immers de bedoeling zijn om infiltratie via scheurtjes tegen te gaan. Maar dat is neteen toepassingsgebied waar waterwerende behandelingen niet efficient zijn [7,8]. Enhet wordt nog erger: een waterwerende behandeling reduceert immers steeds de 19
  • 20. droogsnelheid van een materiaal (zonder de waterdampdoorlaatbaarheid te wijzigen).Ze zou dus een voordelige eigenschap van een dampdoorlatende mortel voor eenstukje teniet doen. En dit kan niet de bedoeling zijn.- Het is trouwens praktisch ondoenbaar om een waterwerende behandeling aan tebrengen op de mortels, en niet op de tegels. En dit is trouwens wel noodzakelijk gezienhet product niet door de tegels zou opgenomen worden en derhalve vlekken naast eenglansverandering zou veroorzaken. Men zou idealiter het product met behulp van eenpenseel enkel op het voegwerk dienen aan te brengen wat op zich zeerarbeidsintensief is. 3.4 Andere consequenties van de mortelkeuzeVanzelfsprekend zal het nieuwe tegelwerk, in het bijzonder de nieuwe voegmortel, zichanders gedragen dan het originele. Dat is ook de bedoeling, anders zou een gewijzigdmortelrecept niet bepaald zinvol zijn.In die context werd trouwens gesuggereerd dat het goed zou zijn om een meting vande waterabsorptie van de oude en de nieuwe mortel uit te voeren, en deze tevergelijken. Dat is niet gedaan omwille van de volgende redenen:- De waterabsorptie zal effectief ook anders zijn. Dat weten we quasi zeker.- Het in situ meten van de waterabsorptie (of waterabsorptie onder lage druk metbehulp van een Karsten pijp) is niet zo evident gezien de beperkte breedte van devoegen, in het bijzonder de lintvoegen. Het plaatsen van een Karstenpijp op een voeg,en daarmee een stukje tegel, is geen optie. De kans op de aanwezigheid van eenmicroscheur op de meetzone is immers dermate groot dat het resultaat vervalst zouzijn. De ervaring heeft uitgewezen dat een Karstenmeting op een dunne voeg heelverschillende resultaten kan geven van deze uitgevoerd op één enkel materiaal.De vraag moet ook gesteld worden in hoeverre de capillaire absorptie van hetvoegmateriaal dient gekend te zijn. Het is immers vooral van belang dat de gevel dichtis, met andere woorden gekenmerkt door zo weinig mogelijk scheuren tussen voeg entegels. Dat zijn belangrijke openingen waarlangs vocht binnendringt.Ook het feit dat een meer ‘open’ mortel het uitdrogen van het mortelbed onder detegels zal bevorderen, spreekt in het voordeel van de kalkmortel.Elke keuze voor de ene of de andere mortel zal altijd zijn voor- en nadelen hebben.Daarom dienen een as-built attest en een onderhoudsdraaiboek opgemaakt te worden.Een regelmatige inspectie van de gevel, en het uitvoeren van de nodige herstellingenzijn essentiële voorwaarden om een gevel in goede staat te houden. Dit advies ismeegegeven aan de restauratie-architect en aan de eigenaar van het gebouw.4 BesluitDe behoefte aan geschikte, compatibele mortels is er niet enkel bij historisch (lees:oud) erfgoed. Het is evengoed van toepassing op recentere gebouwen. Recentererfgoed wordt vaak gekenmerkt door het experiment, het overboord gooien van oudebouwtradities, en vraagt daarom vaak specifieke oplossingen, op maat van hetgebouw.In de discussie over welke mortel te gebruiken zijn er steevast twee dominantestromingen: gaan we terug naar de initiële toestand (en gebruiken we dus een copie 20
  • 21. van de historische mortel en bouwwijze), of formuleren we een mortelrecept enherstelwijze die schade (of minstens het risico hierop) reduceert?Vaak wordt met het concept van authenticiteit geschermd, maar dat is vaak een illusieindien men een restauratie uitvoert: het nieuwe materiaal is eenvoudigweg niet meerhet oude materiaal, zelfs indien het type materiaal hetzelfde is.Aangezien restauratiewerken deels een kost vertegenwoordigen die opgehoest moetenworden door de maatschappij, en gezien het feit dat oude oplossingen niet steeds debeste zijn (misschien wel in de toenmalige omstandigheden) zijn we van mening dat dekeuze voor compatibele herstelsystemen in plaats van de oorspronkelijke materialenen technieken, vaak een betere restauratieoptie is. Op voorwaarde dat er eenmaximale duurzaamheid kan worden bekomen voor het gebouw in zijn geheel.In het geval van COOVI zitten we met de situatie dat we noodgedwongen na derestauratie een gevel hebben die technisch nogal wat afwijkt van de originele situatie.Een belangrijke getuige hiervan is het ‘anker’ op de rug van de tegels, die niet meeraanwezig is in de vervangmaterialen. Daarom werd overgegaan tot een andereplaatsingsmethode voor de tegels, en moest ook het recept van de voegmortelgewijzigd worden. In dit geval komen we tot het enigszins bevreemdende resultaat dateen modern voegsysteem wordt vervangen door een (op het eerste zicht) oudsysteem. Technisch gezien is het evenwel een betere oplossing.In de studie hebben we willen tonen dat het materiaalaspect nooit los mag wordengezien van de architectuur en de structuur van een gebouw. Zelfs de allerbestematerialen zullen op termijn slecht presteren als ze worden gebruikt in een slechtontworpen (vanuit het technische standpunt) of slecht onderhouden gebouw. Deslechte reputatie van kalkmortels is hieraan deels te wijten (aanwezigheid in oude,slecht onderhouden gebouwen). Omgekeerd is het ook zo dat ‘inferieure’ materialensteeds een plaats kunnen hebben in een gebouw, mits er rekening wordt gehoudenmet hun plaats en functie in het gebouw. Restauratieproblemen dienen steeds in huncontext beschouwd te worden, en materiaalonderzoek en –advies dient niet apartgezien te worden van de architectuur en de blootstelling van gebouwen.Een laatste opmerking is toch wel dat het instandhouden van een gebouw niet gedaanis als de steigers voor de restauratie worden weggehaald, en als de facturen zijnbetaald. In dit specifieke geval zal de restauratie blijven voortduren. En dat iseenvoudigweg omdat enkel de visueel beschadigde geveldelen hersteld zijn. Maarwellicht zal er in de nabije toekomst nog schade optreden. Niet door de nieuweherstellingen, maar wel door restvocht dat nog in het mortelbed aanwezig is, door lichtaangetaste plaatsingsmortel die evenwel nog niet genoeg is verzwakt om al tebezwijken, ...De optie om de ganse tegelbekleding te verwijderen en te vervangen zou eenmogelijke, doch dure en tijdrovende, oplossing zijn. Deze optie wijkt weliswaar sterk afvan het concept ‘restauratie’ en impliceert een verlies aan informatie die in het gebouwvervat zit. Het doel van deze restauratie is om het gebouw zoveel mogelijk te‘verbeteren’ en intacte delen maximaal te behouden.Het verhaal omtrent onderhoud geeft aan dat het de plicht is van de eigenaar om degevels regelmatig te controleren, en ze, indien nodig, te herstellen volgens devastgelegde technieken. Door de verminderde waterinfiltraties zal vochtschade in detoekomst aanzienlijk afnemen, of geheel uitblijven en dit ondanks het feit dat derestauratie ons inziens niet helemaal in ideale omstandigheden is uitgevoerd gezien derandvoorwaarden en planning van de werken. 21
  • 22. 5 DankwoordDeze studie, en haar resultaten, komen voort uit een samenwerking tussen deverschillende actoren in dit project. Het WTCB fungeerde als onderzoeksinstituut, hettestprogramma en de adviezen zijn het product van de samenwerking tussen dealgemene architect, Xaveer De Geyter, de architect verantwoordelijk voor derestauratieve aspecten, Barbara Van Der Wee, de algemene aannemer, StrabagBelgië, en verschillende productleveranciers, Cantillana, Seiffert en Arte Constructo.6 Referenties[1] Vandooren O, Technische voorlichting 227: muurbetegeling, 2003, WTCB[2] Vakkennis Voegen, 2002, Bouwradius Uitgeverij, Zoetermeer (NL)[3] Van Laecke W, Technische Voorlichting 208: opvoegen van metselwerk, 1998,WTCB[4] Van Laecke W, Technische Voorlichting 209: buitenbepleisteringen, 1998, WTCB[5] Van Balen K, Van Bommel B, Van Hees R, Van Hunen J, Van Rijn J, Van RoodenM, 2003, Kalkboek: het gebruik van kalk als bindmiddel voor voegmortels in verledenen heden, Rijksdienst voor Monumentenzorg, Nederland[6] Pien A, De Bruyn R, Vanhellemont Y, Gids voor de restauratie van metselwerk, deel4: gevelrestauratie, 2006, WTCB[7] Pien A, De Bruyn R, Technische Voorlichting 224: waterwerendeoppervlaktebehandeling , 2002, WTCB[8] Pien A, De Bruyn R, Vanhellemont Y, Gids voor de restauratie van metselwerk, deel5: gevelafwerking en gevelbescherming, 2008, WTCB 22
  • 23. Restauratieconcept gevelbekleding van het BrusselsStocletpaleisHilde De Clercq (1), André Pien (2), Yves Vanhellemont (2)1 Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK)2 Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB)1. IntroductieHet Stocletpaleis, recentelijk door de UNESCO uitgeroepen tot werelderfgoed, werdaan het begin van de 20e eeuw gebouwd naar het ontwerp van de Oostenrijksejugendstil-architect Joseph Hoffmann (1870-1956). Deze residentie, op maat gemaaktvan kunstliefhebber Adolphe Stoclet, vormt een exemplarisch Gesamtkunstwerk meteen hoogkwalitatieve architecturale afwerking. Zo werden de buitenmuren integraalbekleed met gepolijste witmarmeren panelen (figuur 1). Het marmer zelf is dolomitischvan aard en afkomstig uit een groeve van Noorwegen die momenteel niet meer actiefis.Figuur 1: Stocletpaleis (copyright KIK-IRPA)2. Structurele aspecten van de gevels van het Stocletpaleis 2.1 Dragende structuur met gevelbekleding in marmeren panelenDe opbouw van de buitengevels van het Stocletpaleis is een tussenvorm van tweeconstructietypes, meer bepaald enerzijds een spouwconstructie, en anderzijds eenmuur met gevelbekleding.Technisch gesproken bestaan de gevels uit een dragende structuur (doorgaansbaksteen metselwerk), waarop marmeren gevelpanelen van een 3 à 4 cm dik zijnaangebracht, met behulp van metalen ankers die bevestigd zijn aan de boven- enonderkanten van elk marmeren paneel, en die aan de andere kant vastzitten in het 23
  • 24. metselwerk. Waar het tegenwoordig de bouwgewoonte is om de gevelbekleding aan tebrengen nadat de dragende structuur is voltooid, is die bouwwijze aanzienlijkverschillend bij het Stocletpaleis. Voor zover kon worden vastgesteld is degevelbekleding samen met het opgaande metselwerk opgetrokken. Dit wil zeggen datde ankers van de marmeren gevelpanelen in de natte mortel werden ingebracht, dat(waarschijnlijk) de panelen werden ondersteund totdat de mortel uitgehard was, en danvervolgens de ondersteuning werd weggenomen. Vervolgens bouwde men op dezemanier verder op de reeds bestaande constructie. De volgende rij marmeren panelenwerd daarbij direct geplaatst op de onderliggende rij, hierbij uiteraard telkens verankerdin het metselwerk.Bij een inspectie van de gevels viel het op dat er tussen de panelen her en der dunnelaagjes gips (Ca2SO4.2H2O) aanwezig was. Vermoed wordt dat, aangezien het toch omvrij grote marmeren panelen gaat die kleine afwijkingen op afmetingen kunnenvertonen, men getracht heeft de fijne spleetjes tussen de panelen te verbergen door dezijranden van de panelen met natte gipspleister in te smeren alvorens de volgendelaag marmerpanelen te plaatsen. Hierdoor vertoonde de gevel een homogeen wituiterlijk zoals weergegeven in figuur 1. Gips is echter (licht) oplosbaar in water,waardoor de fijne ‘gipsvoegjes’ deels opgelost zijn in regenwater en doorgaans enkeldieper in de spleten tussen de panelen detecteerbaar. 2.2 SpouwconstructieAangezien de gevelbekleding een bijna continue afdichting vormt voor de eigenlijkedragende structuur, moet het gebouw ook benaderd worden als een spouwconstructie,in de hedendaagse betekenis van het woord: een constructie met twee spouwbladen.Meest problematische in deze spouw is de vochthuishouding. Bij een spouwconstructieis het nodig dat er een spuwdrainering is. Dit wil zeggen dat vocht, dat in de spouwterechtkomt, weer geëvacueerd kan worden. Tegenwoordig wordt dit opgelost door,tijdens de constructie, een membraan aan de muurvoet te voorzien, die het water in despouw opvangt, en open stootvoegen in het buitenspouwblad, vlak boven ditmembraan, waardoor het spouwwater naar buiten kan.3. Conserveringstoestand marmeren panelen – uitzettingskenmerken vanmarmerDe marmeren panelen vertonen diverse degradatiefenomenen zoals: - verlies aan glans ten gevolge van blootstelling aan zure regen; - biologische contaminatie; - vorming van gipskorsten; - anisotrope uitzetting van de samenstellende mineralen waardoor de panelen vervormen (figuur 2); en, - afzetting van corrosieproducten van bronzen beelden en decoratieve elementen rijkelijk aanwezig in de gehele structuur (figuur 3). 24
  • 25. Figuur 2 : vervorming marmeren panelen ten gevolge van de anisotrope uitzetting vande samenstellende mineralen.Figuur 3: afzetting van koper corrosieproducten van bronzen decoratieve elementen.De zogenaamde intergranulaire desintegratie van marmer is een welgekend fenomeen[1]. De meeste mineralen vertonen een uitzetting die verschillend is voor deverschillende richtingen. Ten gevolge van blootstelling aan cycli van opwarming enafkoeling, treden irreversibele vervormingen op die op zich gestimuleerd worden inaanwezigheid van vocht. Door opwarming ontstaan poriën en microscheuren tussen desamenstellende korrels. De microscheuren sluiten tijdens afkoeling, doch niet volledig:een marmeren paneel keert niet terug tot zijn oorspronkelijke dimensies. Er wordt eenaccumulerende porositeit gecreëerd waarlangs vocht en vervuilende bestanddelennaast corrosieproducten van bronzen elementen kunnen binnendringen. De karteringvan de samenstellende elementen met behulp van rasterelectronenmicroscopie (SEM-EDX) van de oppervlaktelaag van een matig verweerd paneel van het Brussels Paleisis voorgesteld in figuur 4 en illustreert de intergranulaire desintegratie die op zich aande basis ligt van de afzetting van kopercorrosie producten, waaronder CuCl2, in deontstane microscheuren. 25
  • 26. Figuur 4: kartering van calcium (Ca), magnesium (Mg) en koper (Cu) van eenoppervlaktelaag van een matig aangetast marmeren paneel.(lengte afbeelding: 0,8 mm).Terwijl het merendeel van de panelen eerder matig verweerd is, zijn een aantalpanelen die een open buitenterras afsluiten op dergelijke wijze verweerd dat op z’nminst de buitenste cm nagenoeg geen samenhang vertoont (figuur 5).Figuur 5: sterk beschadigd paneel van een buitenterras. 26
  • 27. 4. Experimenteel gedeelteHet onderzoeksproject omvat het proefondervindelijk vastleggen van aangewezenreinigingsprocedures alsook de evaluatie van het effect van een verstevigendebehandeling met producten op basis van ethylsilicaat en dit op matig aangetastealsook sterk beschadigde marmeren panelen. Daarnaast wordt een onderzoekuitgevoerd naar de conserveringstoestand en de conserverende behandeling van debronzen beelden en decoratieve elementen die in deze bijdrage niet wordenuiteengezet.Voor de chemische reiniging van marmeren panelen waarop koper corrosieproductenzijn afgezet werden twee pasta’s getest op basis van ammonium chloride en een 16 %oplossing van ammoniak waaraan hetzij krijt, hetzij kaolin (4 delen tegenover 1 deelammonium chloride) is toegevoegd. Door de te lage viscositeit kon de pasta met krijtniet worden gebruikt voor verticale vlakken waardoor deze uit het onderzoeks-programma werd geschrapt. De pasta met kaolin werd met een metaalvrije spatel opeen verticaal vlak aangebracht gevolgd door droging (4 tot 5 dagen). De gedroogdepasta werd met behulp van een spatel vervolgens verwijderd en het vlak gereinigd metgedemineraliseerd water.Het effect van de reiniging werd geëvalueerd aan de hand van een visuele inspectievan het oppervlak en van een dwarsdoorsnede van een gereinigd marmeren staal.Betreffende de in situ mechanische reiniging van matig verweerde panelen die zwartekorsten vertonen werden volgende technieken getest: - Projectie van waterdamp (150° 3 bar) C, - Projectie van warm water onder druk (80° 80 bar) C,Het effect van de reiniging werd beoordeeld aan de hand van een visuele inspectie vanhet gereinigd vlak.Daarnaast werden diverse reinigingspasta’s uitgetest alsook mechanisch polijstenwaarvan de evaluatie geen onderwerp is van de huidige bijdrage.Voor de verstevigende behandeling van matig en sterk verweerde marmeren panelenwerden stalen van 18x12 cm twee of drie maal behandeld met een product op basisvan ethylsilicaat. De geteste verstevigende producten zijn een klassiek product opbasis van ethylsilicaat (tetraethoxyorthosilicaat, TEOS, percentage droge stof: 51%) enéén waaraan elastomere fragmenten zijn toegevoegd (TEOS-E, percentage droge stof:33%). Elke type test werd in tweevoud uitgevoerd.Het percentage droge stof wordt bepaald door conditionering van 0,5 g product in eenaluminium schaaltje bij 20° en 55% relatieve vocht igheid (RV) tot constant gewicht. CElke meting werd in drievoud uitgevoerd waarna de gemiddelde waarde wordtberekend.De verstevigende behandeling werd uitgevoerd nat-in-nat door lagedruk bevloeiing vaneen verticaal vlak. De tijd tussen opeenvolgende behandelingen bedroeg één dag.Geconsolideerde stalen werden geconditioneerd bij 20° C/55 % RV gedurende éénmaand.Verbruiken aan verstevigend middel werden berekend aan de hand van hetgewichtsverschil voor en na de behandeling.Het verstevigend effect werd beoordeeld aan de hand van hardheidsprofielen bekomenmet het DRMS-systeem (Drilling Resistance Measurement System, SINT TechnologyDRMS Cordless 2006) alsook kleurmetingen. Minstens drie DRMS-metingen werden 27
  • 28. uitgevoerd per staal waaruit een gemiddeld hardheidsprofiel werd berekend. Voor elketype behandeling werd voorts een gemiddelde curve berekend op basis van degemiddelde curven per staal. Kleurmetingen werden uitgevoerd met een BYK Gardnercolour-guide 45/0 colorimeter. Kleurverschillen van een vlak (behandeld minonbehandeld vlak) worden uitgedrukt als ∆E*=[(∆L*)2+(∆a*)2+(∆b*)2]0.5, waarbij L*, a*,and b* de kleurparameters zijn conform aan CIE lab [2]. Op elk vlak werden 10kleurmetingen uitgevoerd waaruit een gemiddelde L*, a*, and b* werd berekend. Voorelk type behandeling werd een gemiddeld kleurverschil berekend op basis van de ∆E*-waarden per staal.De impregnatiediepte van de behandeling werd bepaald door het aanbrengen vanwaterdruppels op een dwarsdoorsnede gevolgd door het visueel beoordelen van hetparelend effect.Voorts werd een slijpplaatje vervaardigd van de behandelde marmeren stalen dat werdonderzocht met optische microscopie (ZEISS AXIOPLAN).5. Resultaten en bespreking 5.1. Chemische reiniging van marmeren vlakken waarop groene koper corrosieproducten zijn afgezetFiguur 6 illustreert het oppervlak van een staal van een marmeren paneel waaropgroene koper corrosieproducten zijn afgezet voor en na de chemische reiniging met depasta op basis van ammonium chloride en kaolin waaruit de efficiëntie van de reinigingkan worden afgeleid. Eenzelfde vaststelling volgde uit de visuele beoordeling van eendwarsdoorsnede van een gereinigd vlak.Figuur 6: staal van een marmeren paneel waarop koper corrosieproducten zijn afgezetvoor (links) en na (rechts) chemische reiniging met een pasta op basis van kaolin enammonium chloride. 5.2 Mechanische reiniging van matig verweerde marmeren panelen die zwarte korstvorming vertonenDe mechanische reiniging op basis van waterdamp (150 ° geprojecteerd bij een druk C)van 3 bar is eerder een trage procedure waarbij zo goed als enkel oppervlakkig stofwordt verwijderd doch niet de zwarte korst. Het paneel is nauwelijks beschadigd na dereiniging zelfs op zones die een lage cohesie vertonen (Figuur 7, boven midden deelvan het paneel). Eenzelfde reinigend effect werd vastgesteld indien een tensio-actievestof werd gevoegd aan het water waaruit waterdamp wordt geproduceerd. 28
  • 29. Zwarte korsten konden op een snellere wijze gedeeltelijk worden verwijderd door warmwater (80° te projecteren bij hoge druk (80 bar). Materiaalverlies aan verweerde C)zones van het marmeren paneel kon, ten gevolge van de mechanische impact vanwater bij een dergelijke hoge druk, echter niet worden vermeden (Figuur 8, bovenmidden deel van het paneel).Figuur 7: marmeren paneel na reiniging Figuur 8: marmeren paneel na reinigingmet waterdamp (150° 3 bar). De pijl door warm water onder druk (80° 80 C, C,duidt een verweerde zone aan. bar). De pijl duidt materiaalverlies op een verweerde zone aan.5.3 Consolidatie van verweerde marmeren panelen 5.3.1 Consolidatie van sterk verweerde marmeren panelen.Het effect van verstevigende middelen kan doorgaans beoordeeld worden aan de handvan testen uitgevoerd op poeders van een bepaalde korrelgrootte als simulatie van eenverregaand gedegradeerd materiaal. Uit de literatuur blijkt dat de maximaleoverbruggende capaciteit van een product op basis van ethylsilicaat 50 µm bedraagt[3,4]. Bij een ideale bolstapeling ontstaat een dergelijke opening in geval van rondekorrels met een afmeting van 325 µm. De samenstellende mineralen van marmer zijnechter niet rond en vertonen zelden een uniforme korrelgrootte maar eerder eenkorrelgrootteverdeling. Figuur 9 illustreert de korrelgrootte-verdeling van desamenstellende mineralen van het paneel voorgesteld in figuur 5. 29
  • 30. 45 40 35 30 25 w% 20 15 10 5 0 425-600 425-355 355-250 250-180 180-125 125-90 90-0 size (µm)Figuur 9: korrelgrootteverdeling van de samenstellende mineralen van de getestemarmer.Naast mineralen met een kleine diameter, bevat dit marmer een vrij belangrijke fractiemet afmetingen groter dan 325 µm hetgeen voor ronde korrels hoger is dan delimietwaarde voor een efficiënte consolidatie met producten op basis van ethylsilicaat.Aan de hand van een korrelgrootteverdeling kan echter het effect van eenverstevigende behandeling niet worden voorspeld.Figuur 10 illustreert de hardheidsprofielen van het paneel voorgesteld in figuur 5 vooren na tot drie verstevigende behandelingen. Het onbehandeld paneel vertoont een lagesamenhang in het bijzonder de buitenste 14 mm. Het verstevigend effect van twee endrie behandelingen, waarvan het verbruik respectievelijk 1300 en 2200 g.m-2 bedraagt,is onvoldoende gezien de mechanische sterkte nauwelijks toeneemt. Eenzelfdebesluitvorming volgde voor het product op basis van ethylsilicaat waaraan elastomerefragmenten werden gevoegd. Van elk behandeld staal konden korrels wordenverwijderd door middel van wrijving met de hand. Aangenomen wordt dat de afmetingvan de samenstellende korrels, eventueel de korrelvorm, aan de basis ligt voor ditonvoldoend verstevigend effect. Dientengevolge werd aanbevolen de sterk verweerdepanelen te vervangen door een marmer die gelijkaardige kenmerken vertoont als dezeNoorse marmersoort. 30
  • 31. Force (N) 25 20 15 10 5 0 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Depth (mm) onbeh. beh. 2x TEOS beh. 3x TEOSFiguur 10: hardheidsprofiel van stalen afkomstig van het paneel voorgesteld in figuur 5voor (onbeh., rood) en na 2 (blauw) en 3 (groen) verstevigende behandelingen met eenklassiek product op basis van ethylsilicaat (TEOS). 5.3.2 Consolidatie van matig verweerde panelen.Het gemiddelde verbruik en impregnatiediepte van verstevigend middel enkleurverschil, E*, na consolidatie van matig verweerde marmeren panelen zijnweergegeven in tabel 1.Tabel 1: gemiddelde verbruik en impregnatiediepte van verstevigend middel enkleurverschil ( E*) na consolidatie van matig verweerde marmeren panelen. Product Aantal Verbruik Impregnatie E* (a) behandelingen (g.m-2) diepte (mm) TEOS 2 1320 5-6 4,2 3 1810 5-6 1,8 TEOS-E 2 1480 5-6 2,6 3 1710 5-6 2,7 1/(a): E* = ( L*² + a*² + b*²) ² L* = L*na consolidatie-L*onbehandeld; a* = a*na consolidatie-a*onbehandeld; b* = b*na consolidatie-b*onbehandeldZowel het verbruik als de impregnatiediepte zijn voor de beide geteste productengelijkaardig. De impact van de behandeling op de kleur is doorgaans laag ( E*-waarden tussen 1,8 and 4,2).Figuren 11 tot 13 illustreren de gemiddelde hardheidsprofielen van de stalen van matigverweerde panelen. Onbehandeld vertoont het marmer een verweerde oppervlaktelaagtot 5 à 6 mm diepte wat overeenkomt met de impregnatiediepte van de verstevigendemiddelen (tabel 1). Vergeleken met de sterk verweerde panelen, zoals voorgesteld infiguur 5, vertonen de matig verweerde een duidelijk hogere hardheid en dus 31
  • 32. samenhang (figuur 10). Twee behandelingen met TEOS resulteren in een verhogingvan de hardheid van de oppervlaktelaag op zo’n wijze dat waarden worden verkregendie deze van de achterliggende gezonde materie benaderen (figuur 11). Een derdebehandeling resulteert nauwelijks in een verbetering van het verstevigend effect.Vergelijkbare resultaten werden genoteerd voor het product op basis van ethylsilicaatwaaraan elastomere fragmenten zijn gevoegd (figuur 12). Figuur 13 vergelijkt dehardheidsprofielen van de marmeren stalen na twee steenverstevigendebehandelingen met de beide geteste producten waaruit in lichte mate een beter effectmet het product TEOS-E kan worden afgeleid. 40 35 30 25 Force (N) 20 15 10 5 0 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Depth (mm) 2xTEOS 3xTEOS onbehFiguur 11 : gemiddeld hardheidsprofiel van matig verweerde marmer voor (onbeh,rood) en na twee (groen) en drie (blauw) behandelingen met TEOS. 40 35 30 25 Force (N) 20 15 10 5 0 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Depth (mm) 2xTEOS-E 3xTEOS-E onbehFiguur 12 : gemiddeld hardheidsprofiel van matig verweerde marmer voor (onbeh,rood) en na twee (groen) en drie (blauw) behandelingen met TEOS-E. 32
  • 33. 40 35 30 25 Force (N) 20 15 10 5 0 0 1 2 3 4 5 6 7 8 Depth (mm) 2xTEOS 2xTEOS-E onbehFiguur 13 : gemiddeld hardheidsprofiel van matig verweerde marmer voor (rood,onbeh) en na twee verstevigende behandelingen met TEOS (groen) en TEOS-E(blauw).Microscopisch onderzoek van het slijpplaatje van het staal tweemaal behandeld metTEOS-E heeft uitgewezen dat de intergranulaire ruimtes tussen de mineralen nietintegraal gevuld zijn met verstevigend middel (figuur 14). Absorptie van vocht envervuilende bestanddelen naast corrosieproducten van bronzen elementen kanbijgevolg niet worden gestopt.Figuur 14: optisch microscopisch beeld van het slijpplaatje van staal tweemaalbehandeld met TEOS-E (UV belichting). 33
  • 34. 6. Restauratieconcept gevelbekledingEen onderzoek werd uitgevoerd naar de marmeren gevelbekleding van het BrusselseStocletpaleis daterende van begin 20e eeuw. Corrosie van bronzen beelden endecoratieve elementen, die rijkelijk aanwezig zijn in dit architecturaal“Gesamtkunstwerk”, veroorzaakt afzetting van koper corrosie producten op naburigemarmeren panelen. Voorts veroorzaakt de anisotrope uitzetting van de samenstellendeelementen, naast vervorming van de panelen, het creëren van poriën en scheurenwaarlangs vocht en vervuilende bestanddelen uit de atmosfeer alsook kopercorrosieproducten kunnen migreren.Marmeren panelen waarop koper corrosieproducten zijn afgezet kunnen op eenefficiënte wijze gereinigd worden met behulp van een pasta op basis van ammoniumchloride en kaolin. Zwarte korsten gevormd door de inwerking van zure regen kunnenniet integraal worden verwijderd zonder belangrijk materiaalverlies van verweerdezones. Momenteel worden diverse reinigingspasta’s alsook diverse typespolijsttechnieken ter plaatse uitgetest en beoordeeld waarbij de verschillendeevaluatiecriteria onderling afgewogen worden (gevoeligheid voor verdere verwering,esthetisch aspect en materiaalverlies). Hun evaluatie maakt geen deel uit van dezeuiteenzetting.Het merendeel van de marmeren panelen is matig verweerd tot een diepte van 5 à 6mm. Twee behandelingen met de beide geteste producten op basis van ethylsilicaatresulteren in een verhoging van de oppervlaktehardheid op zo’n wijze dathardheidswaarden worden gemeten die gelijkaardig zijn met deze van hetachterliggend gezond gedeelte. Een bijkomende behandeling resulteert nauwelijks ineen verbetering van het verstevigend effect. Er wordt in lichte mate een efficiënterverstevigend effect gemeten met het product waaraan elastomere bestanddelen zijngevoegd. Microscopisch onderzoek heeft voorts uitgewezen dat de intergranulaireruimtes tussen de mineralen niet volledig gevuld zijn met verstevigend middel.Algemeen dient, parallel aan de restauratie van de marmeren panelen, het belangvermeld van het vermijden van infiltraties van vocht, meer bepaald regenwaterinfiltratievia de marmeren gevelbekleding, en infiltratie via de gevelbekroningen.Voor een reductie van regenwaterinfiltratie wordt er vaak teruggegrepen naar eenwaterwerende oppervlaktebehandeling. Dergelijke behandeling is algemeenaangeraden om absorptie van vocht en vervuilende bestanddelen naastcorrosieproducten van bronzen elementen te reduceren en bijgevolg demarmerpanelen op een duurzame wijze te conserveren. In hoeverre een waterwerendebehandeling de vochtbelasting van de spouw ten goede komt blijft onzeker. Dealhoewel nauwe spleten tussen de panelen zijn doorgaans te groot om na eenwaterwerende behandeling alsnog het regenwater tegen te houden (de minimalescheurbreedte vanaf wanneer na hydrofobering alsnog water penetreert bedraagt 0,3mm). Op technisch gebied lijkt het ons aangewezen een voorzorgsbenadering tevolgen ervan uitgaande dat de spouw in de toekomst belast zal worden metregenwater. En dan zou er minstens een spouwdrainering met open stootvoegenonderaan de gevels voorzien moeten worden.Een tweede vochtbelasting is deze afkomstig van de gevelbekroningen. Destijds waser nauwelijks mogelijkheid tot toepassing van soepele voegen tussen de metalensierlijsten rondom (en ook bovenaan) de gevels. Toen werd dit opgelost door hetverbergen van een klein regengootje binnenin die sierlijsten: regenwater werd zogeëvacueerd via dat gootje, en kwam dan in een (eveneens verborgen) regenpijpterecht. Gezien hun beperkte afmetingen zijn deze gootjes, wellicht door ontoereikendonderhoud, verstopt geraakt en heeft men op een bepaald moment besloten om ze te 34
  • 35. verwijderen. Sindsdien werd vochtbelasting van bovenuit verhinderd door hetaanbrengen van een soepele voeg tussen de gevel en de metalen sierlijsten. Helaashebben dergelijke voegen een beperkte duurzaamheid: gemiddeld 15 jaar afhankelijkvan de omstandigheden en het type voeg. Hoe dan ook, momenteel zijn deze oudesoepele voegen totaal functieloos geworden. Water afkomstig van daken of terrassenkomt daardoor op de gevels terecht, waardoor deze veel zwaarder belast worden. Eenherstelling van deze voegen (of een betere oplossing, bijvoorbeeld de plaatsing vaneen zwelband tussen de sierlijsten en de gevelpanelen) is aangewezen. Uiteraardblijven dit oplossingen die onderhoudsbehoeftig zijn...Sommige marmeren panelen die een buitenterras afsluiten zijn sterk verweerd envertonen integraal een zeer lage samenhang in het bijzonder de buitenste 14 mm. Hetverstevigend effect van drie behandelingen met twee types producten op basis vanethylsilicaat werd als onvoldoende beoordeeld. Er wordt vermoed dat de afmeting vande samenstellende korrels, eventueel de korrelvorm, aan de basis ligt voor ditonvoldoend verstevigend effect. Producten op basis van ethylsilicaat zijn dan ook nietin staat de ruimte tussen de korrels te dichten. Vervanging is hier bijgevolg de enigeduurzame methode.Vervanging als duurzame optie geldt eveneens voor een aantal gevelpanelen die sterkgebarsten zijn door thermische anisotrope uitzetting, alhoewel technisch nieteenvoudig. Demontage van een individueel paneel dat zich bevindt tussen aanpalendepanelen die moeten blijven zitten, is enkel mogelijk indien het paneel wordt vernietigden dit doordat de verankeringen onbereikbaar zijn. Bij het verwijderen van een paneelmoet het bovenliggende paneel wel gestut worden.Vervolgens dient men een nieuw paneel in te brengen in het ontstane gat van hetverwijderde paneel, hetgeen een moeilijke doch niet onmogelijke opgave inhoudt metsterke vereisten in precisie voor de afmetingen van het nieuwe paneel. Bovendiendient men er rekening mee te houden dat het op te vullen gat wellicht niet meer perfectrechthoekig is.De plaatsing van de panelen in het gat is een problematische opgave. Een optie zouzijn om het nieuwe paneel niet te verankeren op het achterliggende metselwerk, maarom het met mortel aan het metselwerk te bevestigen. Dat zou dan geen klassiekemortel mogen zijn (die zijn niet in staat om een dergelijk groot gewicht te dragen), maareen polymeergemodificeerd systeem. Met dit draagsysteem, dat afwijkt van hetoorspronkelijk concept, bestaat de kans dat deze mortel een vochtbrug vormt tussende buitenomgeving (de panelen) en de binnenomgeving. Gezien de waarde van debinnenafwerking is dit een onverantwoord risico. Vermeldenswaard is dat dergelijkeplaatsing van de panelen, in een mortelbad, wél is gebruikt ter hoogte van het terraswaar het minder risico inhoudt gezien het enkel om kolommen gaat (figuur 5).Als alternatief kan geopteerd worden voor het ‘guillotine’-systeem om een nieuwpaneel te bevestigen aan een oorspronkelijk. Hierbij wordt in het onderliggende enbovenliggende (oorspronkelijke) paneel aan de zijkanten een reeks gaten geboord. Indeze gaten wordt een ‘guillotine’-anker aangebracht, zijnde een anker dat wordtvastgehouden door een dun stukje metaal en dus tijdelijk niet uit het paneel steekt. Opde overeenkomstige plaatsen van het nieuwe paneel worden er eveneens gatengeboord. Het nieuwe paneel wordt vervolgens op zijn plaats gebracht, waarna dedunne plaatjes metaal (die de guillotine-ankers moeten tegenhouden) wordenweggenomen. De ankers schieten op hun plaats, en het nieuwe paneel wordtvastgehouden. Het nadeel van dit systeem is dat het nieuwe paneel niet vast hangtaan het dragend achterliggend metselwerk maar aan de buurpanelen die hierdoorsterker belast zijn. Problematisch wordt het indien in de toekomst zo’n paneelvervangen moet worden.Er zal bijgevolg tevens een verankering in het achterliggende metselwerk voorzienmoeten worden waarbij ankers verlijmd worden aan of in de rugzijde van het nieuwe 35
  • 36. paneel en met mortel of epoxy bevestigd in voorgeboorde gaten van het achterliggendmetselwerk. Opnieuw vereist dit een grote precisie.DankwoordDit onderzoek werd uitgevoerd met de financiële steun van het Ministerie van hetBrussels Hoofdstedelijk Gewest. Een speciale dank gaat naar Stéphane Duquesne,verantwoordelijk voor dit project.Referenties1. Bouineau A., Perrier R., 1995, La décohésion granulaire, maladie des revêtementsde façades en marbre, Mines et Carrières, vol. 77, août-sept. 1995, 69-75.2. Chrisment, De la couleur à la colorimétrie in Couleur & Temps: la couleur enconservation et restauration, SFIIC, Paris (2006), 22-273. Wheeler G., Alkoxysilanes and the Consolidation of Stone, The Getty ConservationInstitute, ISBN-10:0-89236-815-2 (2005)4. Wheeler G., Alkoxysilanes and the consolidation of stone: Where are we now ?Proceedings of the International Symposium on Stone Consolidation in CulturalHeritage, research and practice, edited by JD Rodrigues and JM Mimoso, Lisbon, 6-7May 2008, 41-52 36
  • 37. Keramische gevelbekledingen uit de 19e en 20e eeuw:historische en technologische evolutie en deproblemen bij restauratie1Mario Baeck, onderzoeker historisch bouwaardewerk en betegelingen1. Historische en technologische evolutieVanaf het midden van de 19e eeuw won de keramische industrie in het toen jongeBelgië sterk aan belang, zowel economisch als artistiek. Naar het voorbeeld vanEngeland, en net als in Duitsland en Frankrijk, ontstond naast de traditioneleambachtelijke fabricatiewijze een meer industrieel georiënteerde baksteen- enkeramische vloer- en wandtegelproductie. Moderne machines en technieken beperktendaarbij geleidelijk aan zo veel mogelijk het manuele werk. Men gebruikte beterekleisoorten en -mengsels om de kwaliteit van de bouwmaterialen te verhogen. Daarbijmaakte de proefondervindelijke kennis plaats voor een sterk doorgedreven technisch-wetenschappelijke benadering. Dit alles leidde tot specialisatie en schaalvergroting.De introductie van vele nieuwe productie- en decoratieprocedés - voor een belangrijkdeel overgenomen vanuit Engeland - als het vormen door middel van strengpersen ofdroogpersen en drukdecortechnieken als transferprinting via kopergravures oflithografische procedés, maar ook block printing en tube lining of drogelijndecoratie,leidden daarbij tot een ware transformatie van de keramische industrie en een beterinspelen op nieuwe behoeften van de markt2.Nieuwe en meestal openbaar toegankelijke gebouwentypes - zoals spoorwegstations,hotels, stadhuizen, gerechtsgebouwen, bibliotheken, postkantoren, bankgebouwen,musea en theaters, openbare baden en toiletten, ziekenhuizen, sanatoria, scholen enpensionaten - vereisten immers niet alleen visueel aantrekkelijke maar vooral ookbetaalbare, gestandaardiseerde, duurzame en gemakkelijk te onderhoudenbouwmaterialen. Eisen waarop de keramische nijverheid, dank zij steeds verderontwikkelde productiemethoden en de diversificatie van het aanbod, perfect inspeelde.Zo werd door de toepassing van de vanuit Engeland ingevoerde droogperstechniek(figuren 1 en 2) zowel een grote maatvastheid als slijtvastheid en vlakheid van detegels bereikt, wat de plaatsing van de materialen aanzienlijk vergemakkelijkte en deduurzaamheid en onderhoudstechnische en hygiënische kwaliteiten ervan aanzienlijkverhoogde. 37
  • 38. Figuren 1 en 2: Het productieatelier voor ingelegde vloertegels bij Gilliot Hemiksem(links) en een door hen gebruikte Boulton tegelpers voor de productie vangresvloertegels in de droogperstechniek (rechts).De ontwikkeling in de jaren 1840-1880 van weersbestendige keramiek in gres ofsteengoed en van de bijpassende glazuren maakte dan weer het gebruik van(on)geglazuurd bouwaardewerk voor buitengebruik in gevels mogelijk. Gekoppeld aanhet gebruik van metaal - en later beton - voor de opbouw van constructies werden alsnel heel wat vernieuwende toepassingen voor bouwaardewerk alsbekledingsmateriaal ontwikkeld.In de Angelsaksische wereld leidde dit vanaf de jaren 1880 tot een ware terracottarevival. Frankrijk en Duitsland, maar ook België volgden al snel. Diversespraakmakende realisaties op de wereldtentoonstellingen van 1867, 1878 en 1889 teParijs hadden daarbij een enorme impact op architecten en - vooral ook - op het grotepubliek.Op de wereldtentoonstelling van 1900 te Parijs, was de polychrome architecturalekeramiek definitief doorgebroken. Deze evolutie werd mede gestuurd door deheropleving van de bouwsector vanaf 1896, na het beëindigen van een langere periodevan economische crisis, en door de doorbraak van de art nouveau.Deze ontwikkelingen bepaalden mee het groeiende succes van diverse anderematerialen - zoals marmer-, glas- en keramische mozaïeken, sgraffiti, églomisé- ofachterglasschilderingen en gegraveerde glasplaten - die eveneens bijdroegen tot depolychromie van exterieurs van gebouwen. Dit valt moeiteloos af te lezen uit deevolutie van de toepassing van de onderscheiden materialen in België tot 1914.Bij detailonderzoek in de bekende Cogels-Osywijk in Antwerpen Zurenborg3 hebbenwe kunnen vaststellen dat bij de panden of aaneensluitende huizengroepen waarinpolychrome versieringen in keramiek, mozaïek of sgraffito zijn aangebracht het bijnagenoeg de helft daarvan gaat om versieringen in keramiek terwijl iets meer dan eenderde van het bestand van mozaïeken is voorzien. Een zeer kleine minderheid isvandaag nog opgesmukt met sgraffiti, al is duidelijk dat het er oorspronkelijk meerwaren aangezien diverse panden hun versiering zichtbaar verloren. Eerder verrassendwas ook het feit dat enkele keren gekozen werd voor combinaties van versiering metkeramiek en mozaïek. Ook versieringen in églomisé komen hier beperkt voor, telkensin combinatie met keramiek of mozaïek. 38
  • 39. Daarbij stelden we vast dat keramiektegels als gevelversiering hier al vanaf 1884voorkomen. Het zijn aanvankelijk steevast standaard vloertegels met ingelegdemotieven in ongeglazuurd gres (figuur 3) die vanaf 1860 door een groot aantalBelgische producenten massaal op de markt werden gebracht. Deze opvallendevoorkeur voor grestegels is niet verwonderlijk aangezien dit materiaal bekend stond alsduurzaam, kleurecht en vooral weerbestendig, zeker ten opzichte van faiencetegels.Figuur 3: toepassing van ongeglazuurde Figuur 4: toepassingen van geglazuurdegrestegels. faience- of grestegels.(Cogels-Osywijk Antwerpen-Berchem). (Cogels-Osywijk Antwerpen-Berchem).Toepassingen in geglazuurd gres of faience komen in de Cogels-Osywijk (figuur 4) danook pas vanaf de jaren 1895 geregeld voor. Deze gres- en faiencetoepassingen komenhoofdzakelijk uit het standaardaanbod van grote Belgische wandtegelproducenten alsBoch Frères La Louvière, de Manufacture de Céramiques Décoratives in Hasselt enGilliot in Hemiksem. Mozaïeken komen pas voor vanaf 1894. Dat is dus zowat 10 jaarnadat de eerste tegeldecoraties werden aangebracht. En het eerste te dateren sgraffitoin de wijk stamt uit 1898. De kleuren zijn ondertussen vervaagd en een deel van hetmateriaal is ook weggevallen.Een categorie apart in deze wijk wordt tenslotte gevormd door de enkele decoratieswaarvoor de églomisétechniek is gebruikt. Deze techniek is hier vandaag enkel terug tevinden in ontwerpen van Jos Bascourt uit 1897-98 en 1899.Een min of meer analoge evolutie is ook in vele andere steden terug te vinden en wordtbijvoorbeeld bevestigd door een veel breder opgezette analyse van de nog resterendebelle epoquearchitectuur in de badstad Blankenberge4. Hierbij vinden we ingelegdemotieftegels in ongeglazuurd gres eveneens als oudste versieringen in gevels terug, zijhet pas vanaf 1893. Ze zijn doorgaans geplaatst als kleinere panelen en friezen om hetbaksteenparement te verlevendigen. Pas vanaf ca. 1904 treffen we hier meergrootschalige keramische gevelbekledingen in geëmailleerd gres of faience in artnouveaustijl aan maar dan wel ook tot ver in de jaren 1920. Gevelmozaïeken ensgraffiti zijn nauwelijks aan te wijzen. De bijzondere weersomstandigheden aan de kust- vaak felle winden met zand en zout zeewater - hebben de opdrachtgevers enadviserende architecten duidelijk weerhouden om deze beide laatste materialen, die inde toenmalige vakpers door critici als vrij kwetsbaar werden omschreven, op grotereschaal toe te passen.De eerste wereldoorlog was overal in het land een periode van stilstand. Pas na dewapenstilstand kwam de productie van bouwmaterialen ten gevolge van de enormewederopbouwactiviteiten in de verwoeste delen van België opnieuw op gang.Aanvankelijk werd de productie naar de vooroorlogse smaak voortgezet. 39
  • 40. De nieuwe stijlopvattingen van de jaren 1920 en 1930 - met name de art deco, hetmodernisme, de nieuwe zakelijkheid e.d. -, gekoppeld aan externe factoren alsstijgende arbeidslonen en de financiële crisis in de jaren 1930, brachten uiteindelijkverandering.Vanaf circa 1925 werd enerzijds het aanbod aan moderne decors aanzienlijk vergroot,terwijl anderzijds steeds minder bewerkelijke, gedecoreerde vloer- en wandtegels enbouwornamenten werden toegepast en dit zowel in openbaar toegankelijke gebouwenals in privéwoningen. De nieuwe vormentaal - zeker die van het modernisme - leendezich immers minder gemakkelijk voor het gebruik van losse ornamenttegels en deontwerpers werden genoodzaakt het beoogde artistieke effect op een veel grotereschaal - en met name in de opbouw en de veelkleurigheid van de tegelensembles ofhet bouwaardewerk - te zoeken.Figuren 5 en 6: betegelde tentoonstellingspaviljoenen van Sphinx Maastricht op deWereldtentoonstelling Antwerpen 1930 (links) en van Gilliot Hemiksem in Brussel 1935(rechts).Zeker in de jaren 1930 ging men er dan ook meer en meer toe over om eengevelbekleding uit te voeren in de vorm van een mozaïek of grotere vlakken inwisselende kleuren van effen tegels (figuren 5 en 6), meestal in het formaat 10 x 10 of13 x 13 cm en vaak in heldere primaire kleuren of juist in donkere tinten. Ook gebruiktemen zeer frequent tegels en tegelstrips voorzien van zogenaamde kunstglazuren,glazuren waarbij door middel van een speciale chemische samenstelling fraaie effectenwerden gecreëerd, zoals loopglazuren, gekristalliseerde glazuren of glazuren met eenmetaalglans (figuren 7 ,8 en 9).Figuren 7, 8 en 9: enkele metaalglans- en kunstglazuurtegeltoepassingen in Antwerpen 40
  • 41. Naarmate de economische crisis sterker werd en de concurrentie groeide, pasten deBelgische bouwkeramiekproducenten noodgedwongen hun commerciële strategieënaan. Men zocht intensief naar manieren om goedkoper te produceren. Naastbelangrijke investeringen in nieuwe tunnelovens - die de kost voor het bakken van detegels naar beneden haalden - werd ook druk gebruik gemaakt van strengpersen diede productie van grotere formaten toelieten. De drooggeperste tegel bleef daarbijweliswaar op de markt maar de zogenaamde ‘getrokken’ tegel of tegelstrip kwam -indiverse formaten- meer en meer op de voorgrond, zeker bij meer grootschaligemodernistische bouwwerken.Tijdens de tweede wereldoorlog viel de productie van de meestebouwmateriaalfabrieken opnieuw sterk terug. Daarna volgde, net als in 1919, eenperiode van opbloei aangestuurd door de grote bouwactiviteit onmiddellijk na 1945.Naast meer traditioneel gerichte architectuur brak hierbij geleidelijk aan dezogenaamde internationale stijl door, die vanuit de Verenigde Staten zijn populariteitkreeg. In de jaren 1950 en 1960 werd de architectuur speelser en vrolijker in dekleurkeuze van materialen. Fel oranje, naast helgroen en geel waren hierbij nietongewoon. Diverse nieuwe bekledingsmaterialen werden geïntroduceerd en dekeramieknijverheid probeerde hierbij stand te houden.Aanvankelijk werd de stijl van de late jaren 1930 voortgezet. Eenkleurige tegels entegels met kunstglazuren werden in de jaren 1950-1960 nog zeer geregeld ingeometrische patronen geplaatst. Al snel echter verkleinde de maatvoering van detegels tot kleine mozaïekelementen die in vernieuwende betegelingsschema’s en in‘moderne’ kleuren voor binnen- en buitentoepassingen in de fabriek werdenvoorgemonteerd. We vinden ze vooral terug in gevels van handelszaken maar ook indie van woningen en appartementsgebouwen. Ook de getrokken tegels en -stripskenden een grote verspreiding.Op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, die door zowat 80 % van alle Belgenwerd bezocht, werd de bezoeker op grote schaal geconfronteerd met de modernearchitectuurvormen. Een deel van het publiek raakte daarbij enthousiast voor deornamentiek van de Expo- of Atoomstijl, die door de gevestigde critici minderwaardigwerd geacht. Men leerde er ook moderne materialen en toepassingen kennen. Zo wasde buitengevel van het paviljoen van de Glas- Keramiek en Kleinijverheid naar ontwerpvan het architectenbureau Vincent Cols en Jules De Roeck voorzien van eenopvallende, abstract-decoratieve tegelwand van Gilliot Hemiksem (figuur 10). Hettoonde aan dat er nieuwe wegen open lagen voor monumentale keramischegevelrealisaties (figuur 11).Figuur 10: abstract-decoratieve tegelwand van Figuur 11: typisch paneel in 50’s-Gilliot Hemiksem op de Expo 1958. of expostijl van Gilliot n.o.v. Ignace Verwilghen in Hasselt 41
  • 42. De Belgische tegelindustrie kon echter in de steeds grootschaliger wordendeeconomische ruimte moeilijk concurreren. Vanaf de jaren 1950 volgde een periode vanfusies, overnames en bedrijfssluitingen. De massale invoer van veel goedkopere tegelsuit onder meer Italië was hier in belangrijke mate verantwoordelijk voor.Op artistiek vlak verschoof het vervaardigen van grootschalige decoratieve keramischepanelen voor architecturale toepassing dan ook meer en meer van een industriëleproductie naar een ambachtelijke creatie voor specifieke opdrachten, ook bij deontwerpateliers van de grote tegelproducenten. De individuele kunstenaars namenvervolgens de opdrachten van de teloorgaande industriële producenten geleidelijkvolledig over.Het wegvallen van een eigen krachtige fijnkeramische industrie gespecialiseerd inbouwaardewerk leidde tot een globale verzwakking van de aandacht voor dit specifiekemateriaal, met zware gevolgen voor de conservering van heel wat waardevollerealisaties. Veel werd zonder nadenken gemoderniseerd en verdween. Deels omdat denodige kennis voor restauratie en productie van noodzakelijk vervangmateriaal in eigenland nog nauwelijks voorhanden was. Dat is ondertussen niet meer helemaal het geval.De nodige expertise wordt de laatste jaren opnieuw geleidelijk aan opgebouwd doorenkele individuen en in enkele opleidingsinstellingen, en dit gestimuleerd door eengroeiende belangstelling voor dit specifieke erfgoed, zowel bij de diverseerfgoedoverheden en -diensten als bij architecten en opdrachtgevers.2. Problemen van beschikbaarheid, (her)productie en plaatsing bij restauratieVanaf het moment dat geglazuurde tegels op grote schaal in het exterieur vangebouwen werden toegepast, dat wil zeggen vanaf het eind van de 19e eeuw, is in devakliteratuur heel wat aandacht besteed aan de kwetsbaarheid van dit product. In depraktijk betekende dit dat de verwerking van tegels, met name in een buitengevel,doorgaans zorgvuldig geschiedde.Toch dringt restauratie van historische keramische gevelbekledingen zich zeergeregeld op, niet alleen door functieveranderingen of herbestemmingen, maar vaakook als een gevolg van achterstallig onderhoud en mechanische schade, of gewoon bijschade veroorzaakt door slechte plaatsingstechnieken of productiefouten in hetmateriaal5.Figuur 12: vorstschade door gebrekkige Figuur 13: schade door verkeerdeafwatering. materiaalkeuze. 42
  • 43. Zeker bij omvangrijke schade (figuren 12 en 13), al dan niet in samenhang metconstructieve gebreken, scheuren of verzakkingen, dienen de diverse mogelijkhedenrond behoud of vervanging zorgvuldig tegen elkaar afgewogen te worden. Daarom iseen gedegen voorafgaande detailstudie van de problematiek ondersteund doormateriaaltechnisch onderzoek onontbeerlijk om zowel de technische als de financiëlehaalbaarheid van diverse oplossingsscenario’s te toetsen aan de realiteit van de markt.De modernisering van zowat alle productieprocessen in de keramiekindustrie, samenmet grondige wijzigingen in de maatvoering, maken immers dat moderne keramischestandaardmaterialen zeer zelden voor het herstel of restauratie van historischwaardevolle gevelbekledingen in aanmerking komen. Historisch bouwaardewerk werd -ook al ging het om seriematige fabrieksproductie - namelijk grotendeels handmatigvervaardigd. De gebruikte machines - zoals de strengpersen en droogpersen - of dekeramiekovens gestookt op hout, kolen of gas zijn door de evolutie in de sectorbovendien meestal niet meer voorhanden, wat de vervaardiging van passende replica’sniet eenvoudig maakt. Voor de meeste projecten bestaat er dan ook geen‘gemakkelijke’ oplossing.Het vraagt veel tijd om de steeds wisselende kleisamenstellingen en glazuurformulesdoor experimenteren zo goed mogelijk te benaderen. De noodzakelijke expertise enhandvaardigheid voor de technisch zeer uiteenlopende keramiektoepassingen zitvandaag ook nog eens sterk internationaal verspreid en zijn in eigen land nauwelijksbeschikbaar.Veel is echter nog steeds mogelijk op dit vlak, maar wordt onmogelijk omdat er in deprijsoffertes onrealistisch lage bedragen zijn ingeschreven - want gebaseerd op decourante marktprijzen van de in de handel beschikbare materialen en niet op die vanmaatwerk - én omdat er in de werfplanning steevast te weinig voorbereidingstijd voorwerd uitgetrokken. Het vinden van gepast vervangmateriaal in het bestaanderecuperatiecircuit van handelaren gespecialiseerd in oude en historischebouwmaterialen vraagt immers heel wat zoekwerk en voor de vervaardiging van goedpassende replica’s moet rekening worden gehouden met soms een relatief langevoorbereiding- en levertijd (en dus ook niet onaanzienlijke ontwikkelingskosten).Een goede aanpak van de restauratie op dit gebied moet dus noodzakelijkerwijzestarten met een tijdige voorbereiding, best voorafgaand aan de uitschrijving van deconcrete bestekken en offertes. 2.1 Essentieel vooronderzoekEen goede probleemstudie met materiaaltechnisch onderzoek bevat minimaal: eenevaluatie van de kunsthistorische en architecturale waarde; een detailinventarisatie vande staat van het materiaal in situ met het oog op maximaal behoud van zo veelmogelijk oorspronkelijk materiaal; de resultaten van een onderzoek naar aanvullendoorspronkelijk materiaal of goed passende replica’s; een oplijsting van de mogelijkeherstelscenario’s al dan niet ondersteund door het demonteren en plaatsen van eenproefstuk en tenslotte het uitschrijven van een gedetailleerd stappenplan van aanpak6.Het rapport bevat uiteraard ook de nodige tekeningen en fotodocumentatie en eenrealistische kostenraming voor elk van de mogelijke herstelscenario’s. Pas dan kaneen verantwoorde keuze gemaakt worden.De kosten voor dergelijke vooronderzoeken kunnen, in een beperkt aantal gevallen, totbeperking van de noodzakelijke uitgaven leiden. Bij beschermde monumenten kan hetnoodzakelijke vooronderzoek eventueel mee betoelaagd worden. 43
  • 44. 2.2 Reiniging van gevels met keramische bekledingenElke vorm van reiniging - of het nu gaat om natte, droge of chemische reiniging - houdtrisicos in, zeker indien de werkzaamheden niet worden uitgevoerd door zeer ervarenwerknemers, aan een laag tempo en met een constante controle van de voortgang.Daarom is een zeer voorzichtige benadering van elke opdracht aangewezen, metvoorafgaand het noodzakelijke testen van producten en toepassingen op een beperkteen weinig zichtbare oppervlakte om de beste methode te achterhalen.Bij vervuiling van met keramisch materiaal beklede gevelparementen is reiniging metaangepaste steamcleaners of stoomreinigingsapparatuur volgens de huidige stand vanonderzoek het meest aangewezen om oppervlaktevuil te verwijderen (figuur 14).Het bij voorkeur gedemineraliseerd water wordt hierbij in de machine verwarmd totstoom. Vervolgens spuit men met de ontstane stoom onder een regelbare druk devervuiling weg. Alvorens dit toestel te gebruiken moet men - net als bij de anderereinigingsacties - eerst nagaan of de tegels geen loshangende, of zeer poreuze glazuurbevatten en of de voegen nog goed hechten, anders kunnen deze door de druk ookweggespoten worden. Wanneer dit zo is, doet men er goed aan de loshangende deleneerst te consolideren alvorens de reiniging te starten op een zacht geregeldestoomdruk. Het gebruik van deze techniek geeft uitstekende resultaten voor mat ofglanzend geëmailleerd materiaal en blijkt ook effectief voor ongeglazuurd steengoed.Het gebruik van gedemineraliseerd water is zeker aan te raden voor het eventueelnaspoelen van de gereinigde zones, dit om het risico op ophoping van zouten na dereiniging in het voegwerk, het achterliggende metselwerk, de hechtmortels of het vaakporeuze bouwaardewerklichaam tegen te gaan.Hoge druk reiniging is af te raden - zeker bij materiaal met haarscheuren - omdat dit totmateriaalverlies kan leiden mede door het optreden van mechanische en thermischeschokken, zeker in koude periodes of bij sterk opgewarmde stenen in de zomer.Bovendien wordt daarbij haast steevast ook het voegwerk aangetast.Zandstralen is totaal uit den boze omdat dit de bakhuid van het materiaalonherstelbaar beschadigt en het proces van nieuwe vervuiling versneld laat optreden(figuur 15).Figuur 14: ge-stoom-reinigde buiten- Figuur 15: door zandstralen beschadigdelambrisering. bakhuidOok bij diverse vormen van droog mechanisch reinigen van tegels, zowel voorgeglazuurd als ongeglazuurd materiaal is de kans zeer reëel dat de glazuren of deongeglazuurde huid aanzienlijke en soms onherstelbare schade oplopen. 44
  • 45. De nodige voorzichtigheid dient tenslotte eveneens in acht genomen worden bij dediverse vormen van scheikundige reiniging. Agressieve reinigingsmiddelen zoals zurenen basen moeten worden vermeden.Enkele auteurs zien wel mogelijkheden in het gebruik van oplossingen in water vanspiritus en aceton al dan niet met toevoeging van ammoniak. Het gebruik van bepaaldedetergenten daarentegen lijkt het minste risico in te houden. Vooral komplexon-pastasen het gebruik van non-iogene zepen verdienen de voorkeur. Een simpele reinigingvan bijvoorbeeld een hooggeplaatst tegelpaneel in een gevel, met gewoon water eneen zachte zeep kan vaak wonderen verrichten.Bij ernstigere verontreinigingen, bijvoorbeeld met olieachtige substanties, kunnenmiddelen als trichloorethyleen, trichloorethaan, aceton, xylol, enz. toegepast worden.De beste methode is langdurig poetsen met een in deze middelen gedrenktpoetskatoen, wattenbol, enz. Verontreinigingen door micro-organismes kunnen wordenbestreden met chloorverbindingen. Verontreinigingen door ijzerverbindingen,zogenaamde roestvlekken, kunnen worden verwijderd door plaatselijk een redoxreactiete laten plaatsvinden door het gebruik van een zure reiniger of een in de handelverkrijgbaar roestverwijderingsproduct.Indien de werken tijdens een zeer warme zomerdag zouden worden uitgevoerd, dientde aannemer zeker rekening te houden met het risico op thermische schokken die bijkeramisch materiaal steeds optreden wanneer het plots onderhevig wordt gemaakt aansterke temperatuurschommelingen. Het loskomen of stukspringen van een aantaltegels kan hiervan het gevolg zijn.Aandacht is ook nodig voor het afdekken van het kwetsbaar bouwaardewerk tijdensandere uit te voeren werkzaamheden zoals het reinigen van blauwe hardsteen. 2.3 Enkele vuistregels en aandachtspunten bij restauratie7Bij restauratie van historische gevelbekledingen geldt zoals elders: wat nietnoodzakelijkerwijs vervangen hoeft te worden, blijft best behouden. Dit impliceert dat,nadat zeer zorgvuldig is bekeken of een ingreep werkelijk nodig is, enkel die delenworden verwijderd die werkelijk onherstelbaar zijn of onvoldoendeduurzaamheidgarantie op langere termijn bieden. Figuren 16 en 17 illustreren eenvoorbeeld van een complexe restauratie opdracht.Elke geslaagde restauratie moet er naar streven om in het oog springende gevelveldenna de restauratie-ingrepen als onaangetast te doen overkomen.Replica’s en gerestaureerde gevelelementen dienen daarom bij voorkeur te wordengeconcentreerd in gevelvelden die minder in het zicht liggen. Omdat zelfs zeer goedereplica’s afwijken van het oorspronkelijke materiaal dat door de tijd een specifiek patinameekreeg, dient het inpassen ervan ook doordacht te gebeuren.Het best passende vervangmateriaal kan dan ook soms veel eenvoudiger elders in/aanhet gebouw gevonden worden, bijvoorbeeld in delen van het gebouw die omwille vaneen functiewijziging (voor bijkomende toegangen e.d.) aangepast moeten worden.Kleinere schade wordt zo mogelijk best plaatselijk hersteld, bijvoorbeeld door gebruikte maken van kunstharsen als epoxy. Er zijn inmiddels goede ervaringen met de keuzevan geschikte kunstharsen die met name een temperatuur- en verouderingsgedragvertonen dat goed overeenstemt met dat van de omringende keramische tegels. Het isbovendien een relatief goedkoop alternatief. Toch verdient voor de vervanging vangrotere beschadigingen het gebruik van keramische replica’s - na de optie van hetvervangen van verloren of totaal beschadigd materiaal door gerecupereerd authentiek 45
  • 46. materiaal - restauratie-ethisch veruit de voorkeur op de invulling met kunstharsen vangrote lacunes en integraal weggevallen onderdelen.Bij de verwijdering van onherstelbaar of gebrekkig materiaal dient soms nog perfectbruikbaar materiaal mee worden weggenomen. In die gevallen moet het materiaal dooreen ter zake kundig bedrijf volledig schadevrij worden uitgenomen, zodat zoveelmogelijk oorspronkelijk materiaal behouden en hergebruikt kan worden.De ervaring leert daarbij dat het gewone hak- en breekwerk doorgaans leidt tot deonnodige vernieling van nog intact keramisch bekledingsmateriaal, met name als dekeramische scherf zachter is dan die van de zetmortel, zoals dat bij cementmortels diemeestal voor buitentoepassingen werden en worden gebruikt het geval is.Figuren 16 en 17: een complexe restauratieopdracht (Gent) die vraagt om controle vande hechting, globale reiniging, invullen kleinere lacunes, verwijderen ongelukkigeinvullingen en invullen grotere lacunes met passende keramische replica’s.Schadevrij demonteren met het oog op herplaatsen na schoonmaken is dan ook eenproces dat best dient uitgevoerd met diamantzaag- en freesgereedschap dat speciaalvoor dit doel is geconstrueerd of aangepast. De zaagmethode zelf bestaat uit hetdoorzagen van de zetspecie achter de tegels. Daarbij wordt in horizontale of verticalerijen gezaagd. De bediening en de sturing van de machines gebeurt manueel en vraagtzowel ervaring, geduld als gevoel. De samenstelling van de zetmortel, het formaat vande tegels en de bereikbaarheid van de betegeling, bepalen in de praktijk hetzaagtempo. Het maken van ingangen voor de diamantzaagmachines vraagt veel tijd eneen gedegen voorbereiding. Om ongewenst afvallen van tegels te voorkomen, wordthet tegelvlak vooraf ook zowel verticaal als horizontaal afgeplakt.Nadat de specie tussen tegel en muur is doorgezaagd, kunnen de tegels door deontstane vrije ruimte, naar achteren worden geklapt zodat afsplintering op detegelranden vermeden wordt.Na het verwijderen van de tegels in situ, volgt het schoonzagen van de verwijderdetegels in de werkplaats. Schoonzagen impliceert het verwijderen van restanten 46
  • 47. zetspecie en voegspecie. De mate van schoonzagen wordt door de herbestemmingvan tegels of bouwkeramiek bepaald. Bij het herplaatsen van tegels is het niet altijdnoodzakelijk om alle resterende zetmortel te verwijderen. Figuren 18 t.e.m. 23illustreren enkele stappen bij het schadevrij uitzagen van tegels.De hierboven beschreven methode is inmiddels in vele situaties toegepast, en heeftervoor gezorgd dat vele waardevolle betegelingen behouden bleven.Figuren 18-23: enkele stappen bij het ‘schadevrij uitzagen’ van betegelingen inBlankenberge: afplakken tegelpaneel (links boven)- inslijpen voegen (midden boven) -losslijpen tegelpaneel vanuit vrijgemaakte ingang (rechts boven)- naar achterlosdrukken tegels (links onder) - vrijmaken van de individuele tegels (midden onder)-schoongemaakte paneel (rechts onder).Bij het (her)plaatsen van betegelingen vraagt de samenstelling van zowel de mortel alsde voegmortel bijzondere aandacht. Men kiest bij het herplaatsen best voor mortels envoegmortels die wat type, breedte, kleur, eigenschappen en flexibiliteit betreft zo gelijkmogelijk is aan de bestaande mortels. Hiermee worden spanningen tussen oude ennieuwe materialen zo veel mogelijk beperkt. 2.4 Geglazuurde bakstenen, tegelstrips en eenkleurige standaardtegels8Bij de duidelijke heropleving van het gebruik van zichtbare baksteen in de burgerlijkearchitectuur in België vanaf ca. 1870, werd onder invloed van Duitse voorbeelden in 47
  • 48. plaats van de klassieke bezande en manueel vervaardigde baksteen ook geregeldgladde machinesteen gebruikt. Aanvankelijk kende vooral de witte of roomkleurigeblindeersteen uit Silezië heel wat succes. Omdat dit product bij aanwezigheid vanhaarscheuren snel vuil werd, ging men op zoek naar meer duurzame alternatieven. Dievond men in de geglazuurde of geëmailleerde baksteen. Dat is baksteen waarvan dezichtkanten voorzien zijn van een laagje glazuur (een menging van kaolien, veldspaatof kwarts en enkele andere stoffen) dat in de oven tot een glasachtige bedekking smelt.De geëmailleerde baksteen behoorde zowel tot de importproducten als tot de eigenBelgische productie. Meestal werd slechts één zijde geglazuurd maar voorhoektoepassingen bestond een variant met twee geglazuurde zijden en voor specialetoepassingen ook wel eens met drie zijden. Men gebruikte zeer uiteenlopendekleisoorten en diverse glazuursamenstellingen. Onder meer door toevoeging vanuiteenlopende metaaloxiden kon ook een veelheid aan kleuren worden gerealiseerd.Men bood in de praktijk dan ook diverse kleuren en formaten aan: wit, crème, geel,rood, bruin, groen, blauw, zwart, en dit zowel mat als glanzend (figuur 24). De rodevariante was het duurst. De matte uitvoering het goedkoopst.Naast de parementen van al dan niet geglazuurde baksteen werden de bakstenenparementen ook geregeld bekleed met keramische gevelstrips of met gewonestandaardtegels, beide al dan niet geglazuurd.Keramische gevelstrips zijn doorgaans langwerpig en smal van formaat, waardoor zezich van de standaardtegel onderscheiden. Omdat ze bovendien zeer vaak met eenbrede voeg aangebracht werden, lijkt het alsof de gevel in (on)geglazuurde baksteen,al dan niet van een speciaal formaat, is gemetseld (figuur 25). Enkel op de hoeken vanlosstaande gebouwen of aan de vensters is het onderscheid goed te zien.Omdat dergelijke gevelstrips net als de sterk verwante standaardtegels soms met eenzeer dunne voeg of zelfs voegloos geplaatst werden, worden ze in de vakliteratuurdoorgaans ook niet onderscheiden van de echte tegel die in min of meer vaste matenen vormen op de markt werd gebracht.Tegelstrips uitgevoerd in faience zijn omwille van hun poreusheid altijd geglazuurd(figuur 26). De drooggeperste of getrokken dubbelhard gebakken grestegelstripsdaarentegen hebben een veel hardere en niet-poreuze scherf en zijn daarom meestalongeglazuurd gebleven. Dergelijke gevel-, tegel- of steenstrips werden vanaf de jaren1930 ook meer en meer gebruikt als bekleding van betonskeletgebouwen. Daarbij werdvaak een belangrijke bijdrage geleverd aan de moderne vormgeving.Een bijzonder type standaardtegel is de bloktegel (figuur 27) - ook wel biseautétegel offacettegel geheten, een tegel met afgeschuinde randen. Omdat deze in vrijwel alleParijse metrostations werd toegepast is dit type ook als metrotegel bekend.Figuur 24 (links): ongeglazuurde en geglazuurde baksteenFiguur 25 (tweede van links): rode getrokken ongeglazuurde ‘baksteen’-tegelstripsFiguur 26 (tweede van rechts): geglazuurde tegelstripsFiguur 27 (rechts): geglazuurde tegelbekleding met standaard metrotegels 48
  • 49. Voor restauratie van dergelijke parementen is het vinden van authentiekvervangmateriaal in de recuperatiehandel zo goed als onmogelijk door de enormeverscheidenheid in formaten, vormen en kleur(tint)en. Gelukkig is er de laatste jareninternationaal voldoende ervaring opgebouwd om uitstekend passende replica totstand te brengen. Gezien de ontwikkelingskosten - zoals die voor de aanmaak van eenjuiste strengpersmond of (droog)persmal, of voor het op punt stellen van het meestpassende glazuur - dient evenwel steeds rekening gehouden te worden met eenaanzienlijk prijsverschil ten opzichte van courant beschikbaar materiaal. 2.5 Ongeglazuurde motieftegels in gres als gevelornamentBeschadigde of uitgevallen figuratieve gresvloertegels uit de periode 1860-1930 die ingevels werden aangebracht zijn enkel op een economische haalbare wijze tevervangen door passende motieftegels uit de recuperatiehandel. De aanmaak vangoede replica in hetzelfde materiaal is voor kleine aantallen immers financieel totaalonhaalbaar. En het gebruik van de veel goedkoper te vervaardigen cementtegels alsreplica, een alternatief dat voor interieurbetegelingen wel eens toegepast wordt, komthierbij immers niet in aanmerking omwille van de ongeschiktheid van cementtegelsvoor buitentoepassingen.Daarbij zijn sommige motieven die een lange productietijd kenden uiteraardgemakkelijker terug te vinden dan motieven die slechts enkele jaren in dehandelscatalogi aangeboden werden. Maar ook bij populaire motieven is het nietsteeds eenvoudig de exacte tinten en maatvoering terug te vinden aangezien detoenmalige productiewijze leidde tot heel wat variatie in kleur en maat. Bovendienhebben de te vervangen tegels meestal door verwering een moeilijk te imiteren patinagekregen. 2.6 Geglazuurde motieftegels in steengoed of faience als gevelornamentReconstructie van tegelfriezen, boogvelden en dergelijke meer in replica kan vandaagdoorgaans gerealiseerd worden in de oorspronkelijk toegepaste technieken, waaronderde handmatige of geperste tubelinetechnieken, de drogelijntechniek, detransferprinttechniek e.a. Voor de glazuurafwerking kan de afwerking van deoorspronkelijke tegels, afgedekt met een transparant loodglazuur, vrij goed benaderdworden, zodat een natuurgetrouwe kopie van de oorspronkelijke betegeling of vanonderdelen ervan kunnen aangemaakt worden (figuren 28 en 29).Figuren 28 en 29: invullen van weggevallen tegels door passende replica (Brussel) 49
  • 50. Ook hier zijn de ontwikkelingskosten voor ponsieven, transfers of mallen en glazurendoorgaans niet gering. Er moet namelijk geregeld rekening worden gehouden -bijvoorbeeld bij de aanmaak van hoogreliëftegels - met de karakteristieke krimp vankeramische objecten.Haarscheurtjes of craquelures in het glazuur, die vrijwel altijd ontstaan, hoeven niet tebetekenen dat het glazuur aan het losraken is. Zware en sterk vervuilde haarscheurendoen echter wel, zij het vaak in bescheiden mate, afbreuk aan de esthetische kwaliteitvan een tegelpaneel. Bij in siturealisaties kan hieraan nauwelijks verholpen worden.Dat is wel mogelijk bij uitgenomen elementen. Vervuilde tegels kan men immers in eenoven bij lage temperatuur schoonbranden. De oven wordt daarbij verwarmd tot 200 à300 ° waardoor het vuil in de haarscheurtjes verbr andt. De kost van en de risico’s bij Caf- of uitname zijn evenwel doorgaans veel te groot om voor een dergelijkherstelscenario te opteren.Eindnoten1. Deze bijdrage is een synthese van eerder gepubliceerd eigen onderzoek zowel ophet gebied van de historische en technologische ontwikkeling, als op het gebied vanrestauratieaspecten (zie bibliografie) aangevuld met de ervaringen vanuit debegeleiding van diverse concrete restauratiedossiers (voor meer informatie:mario.baeck@telenet.be).2. Voor de belangrijkste technische begrippen in verband met bouwaardewerk entegels zie de ‘Verklarende woordenlijst’ in Mario Baeck en Bart Verbrugge, DeBelgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940, Brussel, Ministerie van deVlaamse Gemeenschap Afdeling Monumenten en Landschappen, 1996, p. 211-219waar de lemmata zijn opgenomen met hun eventuele equivalenten in het Frans, Engelsen Duits. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van de internationale technische literatuuren van standaardwerken als Nicole Blondel, Céramique. Vocabulaire technique, Paris,Monum, Editions du patrimoine, 2001 (Principes d’analyse scientifique 8)vereenvoudigd.3. Zie voor meer details: Mario Baeck, Schoonheid uit klei en cement. Vloer enwandtegels in de provincie Antwerpen, Antwerpen, Openbaar KunstbezitVlaanderen/Dienst Erfgoed provinciebestuur Antwerpen, 2008, (Erfgoedgids 7), p. 83-87.4. Zie voor meer details: Mario Baeck en Pol Vanneste, ‘Het gebruik van polychromebouwkeramiek in de kuststad Blankenberge 1980-1925’ in: M&L. Monumenten &Landschappen, jg. 23 (2004) nr. 5 september-oktober, p. 25-63.5. Zie voor meer details het hoofdstuk ‘Verval, onderhoud en restauratie van vloer- enwandtegels’ in: Mario Baeck en Bart Verbrugge, De Belgische Art Nouveau en ArtDeco wandtegels 1880-1940, Brussel, Ministerie van de Vlaamse GemeenschapAfdeling Monumenten en Landschappen, 1996, p. 105-113.6. Zie: Henk Nijenhuis, Keramische vloertegels uit de twintigste eeuw, Amersfoort,RACM (Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten), BrochureTechniek 49/2008, raadpleegbaar op:http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_49.pdf. 50
  • 51. 7. Zie eveneens de in noot 5 vermelde brochure en de vakliteratuur in de beknoptebibliografie.8. Zie voor dit onderdeel onder andere: -, Industries Céramiques, (MonographiesIndustrielles groupe IV), Brussel, 1907; J.A. Van der Kloes, Onze Bouwmaterialen II:Kunststeen, S.l., ca. 1910/2; L. Lefevre, Architectural Pottery, London, 1900 (1steuitgave in het Frans) en A.W. Weissman, De gebakken steen, Amsterdam, 1905.Beknopte bibliografieArchitectural Ceramics, Their History, Manufacture and Conservation. A JointSymposium of English Heritage and the United Kingdom Institute for Conservation, 22– 25 September 1994, London, James & James, 1996.Baeck, Mario en Bart Verbrugge, De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels1880-1940, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Monumentenen Landschappen, 1996.Baeck Mario, De industriële tegel in België in: Mario Baeck, Ulrich Hamburg, JohanKamermans e.a., Industrial Tiles. Industrielle Fliesen. Industriële Tegels. CarreauxIndustriels 1840-1940, Boizenburg, Hasselt, Otterlo, 2004, p. 65-92 (ook in Engelse,Franse en Duitse versie).Baeck Mario en Pol Vanneste, ‘Het gebruik van polychrome bouwkeramiek in dekuststad Blankenberge 1980-1925’ in: M&L. Monumenten & Landschappen, jg. 23(2004) nr. 5 september-oktober, p. 25-63.Baeck Mario, ‘‘De schoonheid van het materiaal’: Belgische vloer- en wandtegels in hetInterbelluminterieur in: Gentse bijdragen tot de interieurgeschiedenis, Vol. 35 (2006),Leuven, Peeters, p. 127-158.Bandini, Giovanna, ‘La conservation et la restauration des azulejos’ in: Azulejos. LesMétamorphoses de lazur. Las Metamorfosis del azul, Paris, Ars Latina, 1994, p. 342-358.Durbin Lesley, Architectural Tiles. Conservation and Restoration. From the MedievalPeriod to the Twentieth Century, Amsterdam, Elsevier Butterworth-Heinemann,(Butterworth-Heinemann Series in Conservation and Museology), 2005.Pröpster Hans, Schadensanalysen bei Fliesen- und Plattenbelagen. SchadensbildSchadensursachen Sanierung, Köln, Verlagsgesellschaft Rudolf Müller, 1978. 51
  • 52. Gevel- en terrasbekleding –Woning Renaat Braem te DeurneWillem Hulstaert, Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE)Het kan vreemd lijken op deze studiedag over gevelbekleding plots een lezing te horen dieniet enkel over gevelbekleding maar ook over terrasbekleding handelt. Een terras kunnenwe echter, met enige verbeelding, beschouwen als een horizontale gevel, waar ookdezelfde problematiek van hechting en waterinfiltratie voorkomt als bij een verticale gevel.In die optiek vallen de problemen en oplossingen toegepast voor de restauratie van hetdakterras en de terrasgevels van de Woning Renaat Braem te Deurne binnen de opzetvan deze studiedag.1. Voorgeschiedenis.De (eigen) woning van Renaat Braem, ontworpen in 1955 en gebouwd in 1957, werd in1995 als eerst naoorlogse en bijgevolg jongste monument in Vlaanderen wettelijkbeschermd. Intussen had Braem te kennen gegeven dat hij overwoog zijn woning teschenken aan de Vlaamse Gemeenschap. Toen hij in 1997 om gezondheidsredenen zijnintrek moest nemen in een verzorgingstehuis, kwam de woning leeg te staan, zondertoezicht of onderhoud. Daardoor ging de algemene bouwfysische toestand er stelselmatigop achteruit. Begin 1999 had een verstopte afvoer een acuut lek veroorzaakt in hetdakterras van de woonkamer, met aanzienlijke schade aan het interieur tot gevolg. Omverdere aftakeling te voorkomen werd overeengekomen de testamentaire beschikking omte zetten in een ‘schenking onder levenden’. Met deze schenking, bekrachtigd op 29 april1999, droeg Renaat Braem niet alleen zijn woning met de volledige inboedel, maar ookzijn architecturale en artistieke nalatenschap over aan de Vlaamse Gemeenschap, omdeze “als één geheel voor te behouden aan de architectuur in Vlaanderen”. De VlaamseGemeenschap aanvaardde deze schenking van een gebouw met een culturelebestemming, wegens het exemplarisch karakter van het oeuvre van de architect. DeAfdeling Monumenten en Landschappen, aan wie de schenking werd toevertrouwd, werktevervolgens een project uit voor de herbestemming tot huismuseum en liet onmiddellijk denodige instandhoudingwerken uitvoeren. Na een grondige voorstudie ging de restauratievan start in januari 2001; de werken werden voltooid in december 2002.Over de figuur van Renaat Braem, zijn leefomgeving, de ontstaansgeschiedenis van zijnwoning, het bouwhistorisch onderzoek, de restauratie en herinrichting van het interieur ende bestemming tot huismuseum verwijs ik naar het M&L-nummer 21/6 van november-december 2002. Op de website van het VIOE vindt u alle informatie betreffende de woning(http://braem.onroerenderfgoed.be).Bovendien publiceerde het Vlaamse Instituut voor het Onroerend Erfgoed op 30september 2010, naar aanleiding van de honderdste verjaardag van zijn geboorte, eenuitgebreide monografie en oeuvrecatalogus over Renaat Braem.2. ProblematiekToen wij de woning voor de eerste keer betraden, werden wij geconfronteerd met diversevormen van aantasting door vocht. Lekkende daken, loskomende gevelbekleding(baksteenstrips), hout- en betonrot, zwamaantasting om er maar enkele te noemen. Indeze bijdrage wordt dieper ingegaan op de afwerking van de terrasdaken en –gevels,omdat deze een ontwerpmatig geheel vormen (figuur 1). 52
  • 53. Figuur 1: ontwerp woning Renaat BraemHet dakterras op de tweede verdieping is een verlenging van de binnenruimte van dewoning, en wordt omringd door een stalen raamwerk dat het totale bouwvolume virtueelvervolledigt. Afgeschermd met zeilen kon het dienst doen als solarium (figuren 2 en 3). Dedaktuin, die volgens de oorspronkelijke plannen zowat de volledige oppervlakte moestinnemen, werd tijdens de bouw van de woning tot 1/3 gereduceerd (gesitueerd tussen deslaapkamer en de omgekeerde betonbalk). Een vage foto uit de begintijd suggereert eenvolledige begroeiing, vermoedelijk een combinatie van gras en diverse wilde bloemen dievan natuurtochten werden meegebracht. In 1969 werd het tuintje echter wegens ernstigelekkage verwijderd, en vervangen door een compositie van Eternit-bloembakken vandiverse hoogte. Rond het slaapkamerraam bracht Renaat Braem een gevelbekleding vankeien aan (figuur 4), met een abstracte mengeling van diverse aan de natuur ontleendemotieven.Figuur 2: terras op de 2e verdieping als Figuur 3: terras op de 2e verdiepingverlenging van de binnenruimte van dewoning.Figuur 4: keienmotief als gevel-bekleding rond slaapkamerraam. 53
  • 54. Aan de badkamer- en overloopgevel werd een vlakke cementering aangebracht wat devochthuishouding in de spouwmuur niet ten goede kwam wegens gereduceerd ademendvermogen.De terrasbedekking wordt beschreven als zijnde van het “Solar-type” (figuur 5). Ditgebrevetteerde systeem van de Belgische firma Noesen was gekenmerkt door eenwaterdichtingslaag (gewapende bitumenrok) die doorliep van onder de dekstenen tot aanhet binnenspouwblad. Daarop werden cementtegels van 50/50 geplaatst, gescheiden dooreen uitzettingsvoeg. De kimaansluiting aan de (eventueel ook te bezetten) muren werdafgerond aangecementeerd. Regenwaterafvoeren werden eveneens ingecementeerd.Gezien de terrasafwerking de dakhelling volgt, kon de kimafwerking niet wordengeprefabriceerd. Het Solar-systeem werd door Le Corbusier in 1926 toegepast in dewoning Guiette te Antwerpen. Aangezien Braem stage heeft gelopen bij Le Corbusier,moet hij vertrouwd geweest zijn met dit systeem. Ook de woning Guiette had metvochtproblemen te kampen, getuige de vele brieven van Guiette over lekken aan hetdakterras. De dakbedekking werd er volledig vervangen in de restauratie door GeorgesBaines in 1987, beschreven in het M&L nummer 6/6 van datzelfde jaar.Voor de opmaak van het restauratiedossier van de Woning Braem beschikten we overtamelijk gedetailleerde uitvoeringsplannen. Op basis daarvan, en in combinatie met debevindingen van onze opmetingen, werden de restauratieplannen opgemaakt.Het platte dak was opgebouwd uit een gewapende betonplaat, hellingsbeton en eenbitumineuze dakbedekking. De gevels worden bekroond door een lijst uit sierbeton, dierust op wat achteraf een betonbalk i.p.v. metselwerk bleek te zijn. Het parement boven deblokramen bestond uit geprefabriceerde panelen met baksteenstrips (getuige daarvan decementering aan de achterzijde) en steunde volgens de plannen op een betonsokkel.De zwaar aangetaste blokramen werden aan de bovenzijde enkel beschermd door eenloodslabbe. Dat dit ontoereikend was, bewijzen latere bijvoegsels, zoals het aanbrengenvan aluminiumprofielen of zelfs stukken kunststof golfplaat. Het plafond in de badkamervertoonde vochtschade; boven de pleisterlaag was een houtwolcementlaag zichtbaar,gebruikt als verloren bekisting zoals in het plafond van de eetkamer.Of en hoe de panelen waren bevestigd aan de achterliggende betonbalk is niet duidelijk(de afbraak gebeurde tussen 2 werfbezoeken in en werd niet gedocumenteerd). Gezien dedakbedekking onder de kroonlijst door over het binnenspouwblad doorliep, is hetwaarschijnlijk dat de panelen steunden op het raamkader (figuur 6). Figuur 5: schema Figuur 6: panelen Figuur 7: omge- terrasbedekking. steunen op raam- keerde betonbalk kader. afgedekt met een loden slabbe. 54
  • 55. De Solar bekleding op het terras vertoonde barsten. Een gedeelte van de omgekeerdebetonbalk was afgedekt met een loden slabbe (figuur 7). Het regenwaterafvoersysteemvan het voormalige daktuingedeelte liep dwars doorheen de balk en dus ook door dedichtinglaag, wat aanleiding kon en zou geven tot de nodige problemen. Een klokputje aande voet van de terrasdeur (richting overloop) voerde het water af naar de centraleleidingenkoker. Ter hoogte van de ingewerkte loden buis was de granito vloer op deoverloop gebarsten. Uit de vochtschade op het plafond van onder gelegen eetkamer kondan ook een ernstig lek worden afgeleid. De bepleistering boven het stereomeubel in dezitkamer was voor een deel afgevallen, er stond water in de plafondarmaturen, en de muurtussen de eetkamer en de keuken was over een breedte van 2 m vochtig. Er is trouwenseen interessante anekdote verbonden aan deze muur. Hij was bekleed met jutebehang enwit geschilderd. In de archieven van Braem was daar echter geen spoor van te vinden. Deerfgoedconsulent wou dat deze afwerking behouden bleef, maar toen bij demontage vande keukenkasten de tussenmuur aangetast bleek door huiszwam, zat er niets anders opdan de volledige muur te ontdoen van alle afwerkinglagen, teneinde de gepastebehandeling te kunnen toepassen. Na verwijdering van het behang bleek dat de muur ooitlicht blauw was geschilderd. Toen in het archief tenslotte ontwerptekeningen opdoken diedeze kleurstelling bevestigden, werd duidelijk dat het aanbrengen van het jutebehangmogelijk te maken had met het verbergen van vochtvlekken.Het parement aan de kolom op de zuidwesthoek (figuur 8) (onder het terras) was netonder de deksteen gebarsten. De gevelbekleding bestond er uit baksteenstrips vanmaximum 4 cm breed die rechtstreeks tegen het beton waren bevestigd. Dit gaf aanleidingtot vorstschade met barsten van de strips tot gevolg. Bij de demontage zou de gansekolombekleding trouwens loskomen, waardoor de aantasting van het beton zichtbaarwerd. De parementstrips boven de ramen van de eetkamer waren gelijkaardig geplaatst,wat in een grote koudebrug resulteerde.Figuur 8: gebarsten parement aan de kolom op de zuid-westhoek.3. Restauratie 3.1 Dak-gevelOp de aanwezige bitumineuze dakbedekking werd extra isolatie voorzien en hierop kwameen nieuwe rubberen dakdichting. De oorspronkelijke bedekking, volgens het bestekbestaande uit 3 lagen asfaltvilt met 10 cm overslag, 3 lagen asfaltmastiek en 3 cm grint,alles op onderlaag van papier, was reeds vernieuwd, waarbij de bovenzijde van dekroonlijst was bekleed met roofing en afgewerkt met een aluminium profiel. Besloten werdde sierbetonnen kroonlijst niet te demonteren om beschadiging te voorkomen, en hetrandprofiel te vervangen door een zinken kraal. 55
  • 56. Het parement met versmalde bakstenen boven de ramen zou steunen op een L-profiel, tebevestigen aan de betonnen randbalk. Achter het parement was een vochtisolatievoorzien. Om het raam te beschermen zou, in plaats van de oorspronkelijke loodslabbe,een zinken kraal worden aangebracht op de dakrand. Tijdens de uitvoering werd hetoorspronkelijk concept behouden om het uitzicht van de ramen maximaal te respecteren.De meeste blokramen van het gebouw werden vervangen wegens totaal rot. Devoornaamste redenen van verval waren de positie (gelijk met het gevelvlak), de oriëntatie(west en zuid) en de gevelopbouw (parement tegen lateien gekleefd met koudebrug eninfiltratie tot gevolg). Daarbij werden het materiaal (Oregon-hout) en de omschrevenprofilering gehandhaafd; de oorspronkelijke koperen tochtstrip werd vervangen door eeningefreesd kunststof tochtprofiel.Nog voor de definitieve oplevering echter was er opnieuw waterinfiltratie in de badkamer.Bij nazicht bleek dat de nieuwe rubberen dakdichting op sommige plaatsen scheurenvertoonde. Bovendien waren de isolatieplaten op sommige plaatsen vernageld; dezebevestigingspunten kwamen los en beschadigden de folie.Het ganse dak werd vernieuwd, en de zinken kralen werden vervangen door eenaluminium profiel wegens onvoldoende dekkend. Ondanks deze ingreep bleef hetvochtprobleem bestaan.Er werd daarom een deel van het parement gedemonteerd. Zo werd vastgesteld dat de inhet restauratiebestek voorziene vochtisolatie boven de ramen ontbrak. Dit euvel werdhersteld op kosten van de aannemer. Terzelfdertijd werden de loden slabben boven deramen vervangen door zinken kralen, aangezien de ramen en het onderliggendmetselwerk erg te lijden hadden van het aflopend regenwater (figuur 9). Daarom werd ookaan de onderzijde van de ramen een kraal aangebracht.Figuur 9: ramen werden boven- enonderaan voorzien van kralen. 3.2 TerrasHet vervangen van de Solar-bekleding was een hele uitdaging. Niet alleen diende eenwaterdichte kuip bekomen te worden, het behoud van het oorspronkelijke uitzicht waseven belangrijk.Bij de demontage werd vastgesteld dat de dikte van de cementtegels 3 cm bedroeg, terplaatse aangebracht in vlakken van 1 op 1 meter met tussenin een bitumenstrip van 2 mm.Deze vlakken werden door een schijnvoeg nog eens in vier gedeeld, waardoor het uitzichtvan tegels 50/50 werd verkregen. Dit was een afwijking op het Solar-afwerkingssystem. Uitde bestekken van Braem bleek dat er 3 lagen ‘asfaltpapier’ waren gebruikt van in totaal 1cm dik (figuur 10). Dit vormde de zwakke schakel in het systeem : gezien deze ingeslotenzijn tussen het afschotbeton en de tegels ontstaan na veroudering lekken, die moeilijk opte sporen zijn wegens het monolithische karakter van de terrasopbouw. Van hetterrasgedeelte dat was ontworpen als daktuin, waren oorspronkelijk enkel de opstanden 56
  • 57. uitgevoerd en lagen er geen tegels. Daardoor gingen de wortels van de begroeiing tussende dakhuid en de cementering in die mate woekeren, dat ze via de elektriciteitsbuizenuiteindelijk tot in de eetkamer reikten… Achteraf werd de tuin verwijderd en een nieuwecementering op de bodem aangebracht.Bij de afbraak van de dakbedekking werd het hellingsbeton vervangen door een isolerendhellingsbeton. Daarmee kon de isolatiewaarde van het dak worden verhoogd.Terzelfdertijd werden de elektriciteitsbuizen boven op de betonplaat vervangen. Dedakbedekking is uit EPDM, opgekraagd aan de muren en komende tot onder dedekstenen. Aan de muurbasis wordt de dakhuid afgedekt door loden slabben.De bedoeling was dus om het Solar-systeem opnieuw toe te passen. De samenstellingvan de mortel was gekend, namelijk 3 delen zuiver rijnzand 0/3 tegen1 deel cement P500(nu CEM I 52.5).Figuur 10: gebruik van asfaltpapierzoals vermeld in de bestekken vanRenaat Braem.Het Solar-systeem is vandaag niet meer in productie. Voor de afwerking naar bestaandmodel waren er dus 2 opties.De eerste was om alle tegels en opstanden te prefabriceren. Voor de tegels was dat geenprobleem, maar wel voor de opstanden, die de dakhelling volgden en dus allemaalverschillend waren. Door de tegels horizontaal op dragers te plaatsen, kon dit probleemworden omzeild, maar dan zou het uitzicht van het oorspronkelijke ontwerp (het kuipeffect)worden gewijzigd. Bovendien kwamen we in de problemen met de hoogtepeilen : deomgekeerde betonbalk zou nagenoeg verdwijnen. In de praktijk zou dit neerkomen op deproductie van 10 verschillende elementen met in totaal 176 stuks.De tweede en weerhouden optie bestond eruit enkel de tegels te prefabriceren. Om dedichtinglaag te beschermen en tevens de afvoer van doorgesijpeld water te verzekerenwerden drainageplaten voor horizontale toepassing aangewend (figuur 11). Op de noppenis een permeabel vlies aangebracht, waarop kan worden gecementeerd. Degeprefabriceerde tegels 50/50 van 4 cm dikte, gewapend met een inox gaas, werden losop de platen gelegd, met ertussen rubber strips (figuur 12). Aan de kim, dus zowel aan demuren als aan de dekstenen, werden de opstanden ter plaatste gevormd, zodat eenvloeiende aansluiting werd bekomen. Hier werden, in het verlengde van de tegelvoegen,schijnvoegen voorzien (figuur 13).De problematische doorgang voor de dakafvoer werd gesupprimeerd. Aangezien degranito overloop toch diende opengebroken voor het vervangen van de loden afvoerbuis,werd besloten elk terrasgedeelte te voorzien van een afloop, en de koppeling ervan onderde vloer te maken. Daarvoor werden ultra platte klokputjes met zijdelingse afloopaangewend, met een in de hoogte verstelbare trechter.De beide terrasdelen waren voorzien van een spuwer. Deze werden opnieuw aangebrachtom overstroming te vermijden in het geval van een verstopt afvoerputje. 57
  • 58. Dankzij deze opbouw zijn dakhuid en terrasbekleding gescheiden door de drainagemat,waardoor uitzettingsscheuren tot een minimum worden beperkt. Gezien de EPDM-folie uitéén stuk is vervaardigd, is de kans op lekkage bij een goede uitvoering vrijwel nihil.Figuur 11: drainageplaten Figuur 12: geprefabriceerde Figuur 13: opstanden aan devoor horizontale toepas- tegels, gewapend met een kim-schijnvoegen.singen. inox gaas, werden los op de platen gelegd, met ertussen rubber strips. 3.3 GevelsRest nog de afwerking van de gevel onder de dekstenen van het terras op de tweedeverdieping.De toestand van de hoekkolom na demontage van de panelen van de parementbekledingwas eerder zorgwekkend te noemen (figuur 14). De aantasting had verschillendeoorzaken. Eerst en vooral is er de detaillering van de constructie zelf, waarbij de L-vormiguitgezaagde strips rechtstreeks tegen het beton zijn gemetst. Bovendien bleek de dekkingvan de beugels en zelfs de staven op sommige plaatsen onbestaande, waardoor deze naverloop van tijd wegroestten en het parement naar buiten drukten (figuur 15).Na het betonherstel werd, wegens gebrek aan een alternatief, dezelfde detailleringaangehouden.Hetzelfde probleem gold voor het parement met baksteenstrips boven de ramen (figuur16).De gevels werden wel na volledig herstel behandeld met een hydrofobeermiddel, wat dekans op waterinfiltratie moet verminderen.Figuur 14: detail hoekkolom. Figuur 15: hoek- Figuur 16: schema kolom, verroesting opbouw parement boven staven. ramen. 58
  • 59. 4. BesluitDe opbouw van terrasbekleding en gevelbekleding hebben als belangrijkgemeenschappelijk probleem de waterdichtheid van het geheel.In het geval van een terrasdak is waterdichting essentieel. Aandachtspunten hierbij zijnaansluiting met opgaande muren en dakranden om een kuipeffect te bekomen,bescherming van de folie tegen doorponsen van de bovenliggende bekleding uit tegels ofdergelijke.Evacuatie van regenwater via klokputjes impliceert doorboring van de dakhuid. Dezeaansluitingen dienen dan ook met de nodige zorg uitgevoerd te worden.Zoals hier is aangetoond kon met enige creativiteit en vakmanschap een constructiefverantwoord alternatief voor de oorspronkelijke terrasbekleding worden voorgesteld,waarin het oorspronkelijke uitzicht gehandhaafd bleef.In de case van de Woning Renaat Braem is ook duidelijk het probleem van koudebruggenbij modernistische constructies gebleken. Het is duidelijk dat de betonskeletconstructiezodanig is ontworpen dat de koudebruggen ter plaatse van de gevelbekleding(baksteenstrips) niet te vermijden zijn. Dit blijft het zwakke punt van deze toch welmerkwaardige woning. 59
  • 60. Renovatie van sociale hoogbouwwijkenLudo Bekker, ir.-architect – stedenbouwkundige, a33 bv-cvba1. AchtergrondvisieIn geval van gevelrenovatie wordt er meestal in de commentaren achteraf alleen overhet uitzicht gesproken: is het mooi, of lijkt het nog wel voldoende op het oorspronkelijkgebouw, is het oorspronkelijk concept geen geweld aangedaan, of moest er eerdernaar een radicaal nieuwe vormgeving gezocht worden.Steeds gaat het over beeldconcept, zelden over constructieve logica, budget ofbouwfysische prestaties.Hoe gefascineerd we ook zijn door wat we zien, de verantwoordelijkheid waar we alsarchitect mee geconfronteerd zijn gaat veel verder dan het beeld achteraf. Hetbouwproject is de vertaling van het concept, van de oplossing, die gelijktijdig aanzoveel mogelijk doelstellingen beantwoordt.Een gebouw moet in de eerste plaats dienend zijn voor de functie waarvoor hetgemaakt is. In dit geval, scheppen van woonruimte en comfort, ook voor de mensenmet een beperkt inkomen. Zeker in hoogbouw, waar men niet over een individuelebuitenruimte kan beschikken en waar men in hoge concentratie samenwoont, is debehoefte aan woonruimte en comfort groot. Comfort betekent ook gezonde lucht, warmin de winter, koel in de zomer, geluidsdicht op de rand van de snelweg, akoestischeprivacy tussen de appartementen enzovoort. Hier kunnen we geen compromissentoestaan.Een gebouw moet technisch in orde zijn, stabiel, waterdicht, sterk en goed teonderhouden. Technische installaties moeten functioneren zoals van hen verwachtwordt. Het vereist een voortdurende inzet en samenwerking van de architecten, deingenieurs, de aannemers en de arbeiders om deze doelstelling te verwezenlijken.Kleine fouten kunnen grote gevolgen hebben en leiden tot grote ontevredenheid bijbewoners en beheerders. Voortdurende zorg en waakzaamheid zijn nodig.Bouwen kost geld, zeer veel geld. Een goed financieel beheer is vooral ook een socialedoelstelling, niet meer uitgeven dan nodig is en zorgen dat elke euro goed besteed isen een reële meerwaarde geeft voor de bewoners. Een dergelijk bouwproject maggeen financieel avontuur zijn.Een gebouw staat niet alleen, maar speelt een rol in de stedenbouwkundige context.Het gaat om het globale beeld van de stedelijke omgeving, om het stedelijkfunctioneren, het scheppen van ruimtes waar het aangenaam verblijven is, waar jegemakkelijk geraakt, te voet, met de fiets, met openbaar vervoer, met de auto, metherkenningspunten, zodat je je weg kan vinden, met groene ruimtes die voor zuurstofen ontspanning zorgen, met winkels, scholen en voorzieningen die je nodig hebt.Het project moet het harmonisch samenleven van mensen in al hun diversiteit mogelijkmaken. Een belangrijke sociale doelstelling. Psychologisch onderzoek heeftuitgewezen dat mensen zich pas sociaal gedragen, als hun individuele basisbehoefteningelost zijn en daar hoort woonruimte en privacy bij.Mensen moeten zich hun wijk ook kunnen toe-eigenen, er fier op zijn, er eigenwaardeuithalen. De renovatie moet daarom ook een positief imago uitstralen, fris, blij entoekomstgericht.Van belang is ook de veiligheid, sociale veiligheid, sociale controle die moetvoorkomen dat dingen gebeuren die het leven belasten, zoals vandalisme, vervuiling,agressie.Het gaat ook om bouwkundige veiligheid, zoals bijv. niet uit de ramen kunnen vallen ofspringen in wanhoop en om brandveiligheid, die hier een belangrijk aandeel in hetproject had, zodat het gebouw nu aan de nieuwste normen voldoet. 60
  • 61. Een bouwproject moet zuinig omspringen met onze natuurlijke rijkdommen, dieschaars zijn. Het materiaal moet gezond, sterk zijn en mag het milieu niet belasten,tijdens productie, bouw of afbraak achteraf. Het energieverbruik moet tot een minimumbeperkt worden.Bij een renovatieproject moeten we ten slotte de vraag stellen naar het behoud van hetbouwkundig en cultuurhistorisch patrimonium. De keuze tot behoud is bij minderhoogstaande projecten in de eerste plaats een pragmatische en budgettaire keuze. Bijmonumenten van het modernisme staat het behoud meestal niet ter discussie, maarstelt zich de vraag in hoeverre het oorspronkelijk beeld en materiaal heilig is.Critici focussen zich vaak op één aspect, vaak het uitzicht van de gevel, architectendragen echter de verantwoordelijkheid voor het geheel. Architecten moeten eenafweging maken tussen de verschillende concepten en kiezen voor het concept datzoveel mogelijk doelstellingen realiseert. Dat is geen compromis, het is een uiterstevorm van optimalisatie.2. Koning Albert gebouw Kessel-LoHet Koning Albert complex (figuur 1) werd gebouwd in 1960 naar een ontwerp vanLeon Stijnen. Het omvat duplex appartementen, op verstevigde stelten (genaamdpilotis) geïnspireerd op de Unité d Habitation van Le Corbusier. Het geheel biedt eenhoge woonvoldoening omwille van het uitzicht, de rust, de gezonde sfeer, het redelijkcomfort en de goede akoestiek.Figuur 1: Koning Albert complex te Kessel-Lo.Het complex omvat een betonconstructie met houten ramen. De zuid en westgeoriënteerde ramen werden in 1980 vervangen door PVC ramen en de pilotis werddichtgebouwd met garageboxen. Ondanks deze ingreep verhoogde de regendoorslagen blies de wind via de ramen de appartementen binnen. Deze ramen zijn moeilijkonderhoudbaar, ook langs binnen omwille van hun dubbele hoogte, waarvan debovenste rij zelfs met een normale ladder onbereikbaar is.De betonnen structuur bleek zwaar aangetast en onvoldoende goed geprofileerd omwaterdichtheid te garanderen. Door onder meer diverse koudebruggen waren deappartementen in de zomer heet en in de winter koud.De appartementen moesten bewoond blijven tijdens de renovatie uitgevoerd in 1993.De doelstellingen van de renovatie waren veelzijdig: 61
  • 62. - respect voor architectuur van Stijnen- opteren voor gevelsysteem dat absolute regendichtheid garandeert: doorbuiging van1/500 bij winddruk van 1000 Pa- verzorgde aansluiting op de ruwbouw qua waterdichtheid- koudebruggen uitsluiten door toepassing van buitenisolatie- verhogen van de isolatiewaarde- zonnetoetreding met minstens de helft verminderen- aanbrengen van een stevig hang- en sluitwerk, bereikbare ventilatieroosters (invoerensysteem C)- zonwerende beglazing die neutraal is van kleur en minimaal verduistert- vernieuwing technische installaties- budget-, onderhouds- en milieuvriendelijk en duurzaamDe realisatie wordt gekenmerkt door een behoud van ritme en verhouding van degevels. Voor de lange gevels is geopteerd voor gordijngevels in thermisch onderbrokenaluminium. De borstwering van het dak werd geïntegreerd in de gordijngevel omwillevan het uitzicht, het behoud van het concept en de thermische snede. De beton-structuur werd vervangen door sandwichpanelen met betonkleur wat een verlies aanreliëf met zich meebracht. De ramen, voorzien van gewoon dubbel glas (U=1,3) envoorzien van thermisch onderbroken staal en aluminium, werden lager ingeplant zodatdeze beter bereikbaar zijn in functie van onderhoud. De balkons aan de noord- enoostzijde werden omgebouwd tot veranda’s. De kopgevels zijn voorzien van eenbuitenisolatie met minerale pleister.3. Sint Maartensdal LeuvenSint Maartensdal (figuur 2) is opgetrokken tussen 1957 en 1967 volgens het conceptvan Renaat Braem en omvat 3 torens (hoogbouw) en 3 langsblokken (middenhoog-bouw), goed voor samen een 700-tal appartementen. Het geheel geniet een hogewoonvoldoening omwille van het uitzicht, de rust, de gezonde sfeer, het goed comforten de goede akoestiek maar vormt op zich een vreemd element in het stedelijklandschap qua schaal en kleur.Figuur 2: St-Maartensdal te Leuven 62
  • 63. Diverse problemen werden vastgesteld die aan de basis lagen van de noodzaak totrenovatie:- de brandveiligheid: onvoldoende vluchtwegen, brandoverslag via gevels- lekkage tussen houten ramen en betonstructuur, onvoldoende wind- enwaterdichtheid van de houten ramen- oververhitting in de zomer- regelmatige C2-behandeling van de ramen en onderhoud van siliconenvoegenzorgde voor een hoge onderhoudslast- zware aantasting beton: 15% hersteld 10 jaar voordien en al opnieuw 10% aangetast,afstoten van de baksteenplaketten- puivulling in asbestcement erg verweerd- koudebruggenDe doelstellingen van de renovatie waren:- een maximaal respect voor de architectuur van Braem- een kleurstelling die zich beter integreert in het stedelijk landschap- het benaderen van de materialiteit van de baksteenplaketten- het opteren voor een gevelsysteem dat absolute regendichtheid garandeert en eenverzorgde aansluiting op de ruwbouw qua waterdichtheid- koudebruggen uitsluiten en toekomstige betonrot voorkomen door toepassing vanbuitenisolatie en bekleding met gevelpanelen- verhogen van de isolatiewaarde- de zonnetoetreding met minstens de helft verminderen- aanbrengen van een stevig hang- en sluitwerk- invoeren van een ventilatiesysteem D- zonwerende beglazing die neutraal is van kleur en minimaal verduistert- budget-, onderhouds- en milieuvriendelijk en duurzaamDe uiteindelijke renovatie, gerealiseerd tussen 1998 en 2002, wordt gekenmerkt door:- een parafrasering van de architectuurtaal van Braem naar een hedendaagsetechnologie en materiaalgebruik- de gevels bevatten verticale beglaasde stroken in thermisch onderbroken aluminium.Het ritme en de verhouding van gordijngevels worden behouden, maar metvermindering van het aantal profielen om budgettaire redenen- er worden nieuwe accenten met geëmailleerd glas toegevoegd om uitdrukking tegeven aan nieuwe interne functies en om het beeld te verlevendigen- de betonstructuur werd hersteld en geïsoleerd en aan de buitenzijde bekleed metkeramische panelen, die door hun profilering en textuur het oorspronkelijke beeld vande baksteenplaketten het best benaderen. De kleur werd gewijzigd van geel naarlichtoranje om de gebouwen beter te integreren in het stedelijk panorama (opgaan inhet geheel van pannendaken en grote baksteenvolumes)- het beeld van de horizontale ribben per verdiepingsvloer werd behouden doortussenvoeging van een aluminium profiel, dat bovendien het probleem van demodulering kon oplossen.4. Silvertop AntwerpenHet Antwerpse Silvertop (1970-1975) (figuur 3) is een ontwerp van Jules De Roover enomvat 3 torens (hoogbouw) met 608 appartementen. De betonconstructie bestaat uitprefab gevelelementen waar de betonnen draagstructuur aan de binnenzijde tegengestort is. Er zijn houten ramen met aluminium buitenbekleding. 63
  • 64. Figuur 3: Silvertop te AntwerpenHet complex kent een lage woonvoldoening omwille van zijn stedenbouwkundigisolement, het gebrek aan voorzieningen en aan sociale veiligheid, de aanwezigheidvan zwerfvuil, verkeerslawaai en vandalisme. Daarnaast werden diverse problemenvastgesteld:- te kleine appartementen (gemiddeld 20% kleiner dan minimumnorm) waardoormoeilijk verhuurbaar,- 90 appartementen werden ongezond verklaard,- aanwezigheid van lekken tussen de ramen en de betonstructuur naast eenonvoldoende wind- en waterdichtheid van de ramen,- koudebruggen,- aantasting beton.De doelstellingen van de renovatie waren:- realiseren van hedendaagse kwalitatieve woningen die voor de volgende 50 jaar aande woonbehoeften voldoen- stedenbouwkundige integratie van de wijk door de toegang te richten op de tramhalteaan de Kolonel Silvertopstraat en een goede doorgang voor voetgangers en fietserstussen de tramhalte en de Tentoonstellingswijk- inbrengen van sociale voorzieningen op niveau van de wijk: winkels, socialetewerkstelling, kantoren, medische praktijk, dienstencentrum, ontmoetingsruimte, e.a.- zorgen voor een hoogwaardige kwalitatieve inrichting van het openbaar domein, metaandacht voor sociale veiligheid en controleerbaarheid en met meer gebruiksfunctiesop het gelijkvloers zodat er meer beweging is in en rond de gebouwen- vergroten van de appartementen tot 90% van de maximale oppervlaktenorm (dustoename per type met ca 30% of een vermindering van het aantal appartementen met80 eenheden)- verbeteren van de toegangen, de verticale circulatie (nieuwe grote liften) en gezelligmaken van de gemeenschappelijke delen- behouden van de daglichttoetreding in de centrale gangen- het evenaren van de architecturale kwaliteit van hoogbouwprojecten in de omgevingdie algemene waardering genieten: de Braemblokken op het Kiel, de torens vanSmolderen in het Kielpark, de torens van Stijnen (AXA en Plaza Hotel) aan de Singel,die allen een meer vriendelijke sfeer uitstralen: fris, hoopvol, stijlvol, meertoekomstgericht- benadrukken van de verticaliteit en bekomen van een minder chaotisch beeld 64
  • 65. - inbrengen van kleur voor de identificatie en herkenbaarheid van elke toren- buitengevelisolatie tot k 38 voor het ganse gebouw- wind- en luchtdicht aansluiting van de ramen, die traditioneel achter de gevelbeplatingzijn geplaatst- akoestische isolatie van de gevel en van de appartementen onderling (in situ getest)- ventilatie systeem D met warmterecuperatie- centrale stookplaats met WKK en GCVDe renovatie werd gerealiseerd tussen 2004 en 2008 en kenmerkt volgende ingrepen:- toepassing van etercolor gebroken wit om het aspect van witte kalkzandsteen tebenaderen in de omringende schijven- toepassen van quartszink voor alle terug- en uitspringende gevelpartijen omschaduwwerking en verticaliteit te versterken (elk gebouw zijn 3 gejuxtaposeerdetorens)- verminderen reliëf in gevels in etercolor om vervuiling te verminderen- onderstructuur in hout omdat bij plaatmateriaal op aluminiumstructuur een verschil inveroudering optreedt door een verschil in statische elektriciteit tussen en op deprofielen- beglazing traphallen en technische ruimten op het dak in driedubbelwandig engekleurd polycarbonaat ter realisatie van de signaalfunctie.- gelijkvloerse sokkel in keramische tegeltjes, met terug- en uitspringende volumes(vinnen) voor de nieuwe, toegevoegde functies- interne herverkaveling van het gebouw, met inbrengen van nieuwe lichtschachten,hergebruik van de te kleine schachten als bijkomende kokers voor ventilatie enontroking, voor de realisatie van sassen naar de vluchttrappen en tellerlokalen- aanleg van een toegangsplein met winkels en kantoren aan de tramhalte alsook vaneen voetgangersroute dwars doorheen de torens in de zones met het minstewindbelasting en van een rondgaand fietspad aan de ring5. Modelwijk LakenDe Modelwijk te Laken (figuur 4) werd gebouwd tussen 1958 en 1975 naar het ontwerpvan Renaat Braem e.a.. Het geheel omvat een modernistische parkwijk van 17 ha met1027 sociale appartementen. Het centraal deel van de wijk bevat 3 hoge torens aaneen centraal plein, een lang blok (300 m) en 3 lagere perifere torens, ontworpen doorBraem en gerealiseerd tussen 1958 en 1967, met hoge architecturale en bouwkundigekwaliteit. Het perifeer deel met 4 blokken van 8 bouwlagen werd ontworpen doorgroupe Structures en gerealiseerd tussen 1970 en 1975 en is van minderebouwkundige en architecturale kwaliteit.De wijk is niet goed geïntegreerd in het omringende stadsweefsel, terwijl dit van eenrecentere datum is en het karakter van de Modelwijk negeert. Daardoor zijn voor-achterkant conflicten ontstaan en schaalbreuken.Deze wijk met patrimoniumwaarde is voor 100% bewoond. Renovatie impliceert danook een herhuisvestingsprobleem, waardoor de realisatie in kleine fasen dient gepland.Na 50 jaar bewoning wordt slijtage vastgesteld en zijn heel wat onderdelen aanvernieuwing toe: liften, gevelisolatie, schrijnwerk en technische installaties. Daarnaastzijn de appartementen van de perifere blokken te klein volgens de huidige normen. Dehouten ramen hebben enkel glas. 65
  • 66. Figuur 4: Modelwijk te LakenDe doelstellingen van de renovatie zijn:- behouden van het patrimonium van Renaat Braem met respect voor materiaal- endetailleringskarakteristieken- realiseren van hedendaagse kwalitatieve woningen die voor de volgende 50 jaar aande woonbehoeften voldoen- stedenbouwkundige integratie van de wijk door toevoeging van nieuwe bouwvolumes- inbrengen van sociale voorzieningen op niveau van de wijk: winkels, socialetewerkstelling, kantoren, medische praktijk, dienstencentrum, ontmoetingsruimte, e.a.en het zorgen voor een hoogwaardige kwalitatieve inrichting van het openbaar domein,met aandacht voor sociale veiligheid en controleerbaarheid en met meet activiteit ophet maaiveld- vergroten van de appartementen tot 90% van de maximale oppervlaktenorm- verbeteren van de toegangen, de verticale circulatie (nieuwe grote liften) en gezelligmaken van de gemeenschappelijke delen- een nieuwe homogene architectuur voor de perifere blokken die verschilt van, maarrefereert naar de architectuur van Braem- behoud van het orthogonaal karakter dat kenmerkend is voor het stedenbouwkundigeen architecturale basisconcept van de wijk- behouden van het parkkarakter en de transparantie van de wijk- aanbrengen van een buitengevelisolatie tot k 38 voor het geheel- wind- en luchtdicht aansluiting van de ramen, die traditioneel achter de gevelbeplatingzijn geplaatst- voorzien van een akoestische isolatie van de gevel en van de appartementenonderling- installeren van ventilatie systeem C- toegangsroutes in de windluwe zones houdenDe renovatie van de perifere blokken alsook de nieuwe uitbreidingen zijn gestart in2008 terwijl deze van het centraal deel momenteel nog in studie zijn en gefaseerdworden uitgevoerd tot 2020. De realisatie bevat volgende kenmerken:Voor het Braem – ensemble:- het behoud van de grondplannen in de torens- de verbetering van de woningplattegronden in het lange blok waardoor 28 entiteitenverloren gaan 66
  • 67. - een betere relatie van het lange blok met het maaiveld: bijkomende toegangen om desociale controle te verbeteren- het behoud van de gordijngevel met verbeterde beglazing en sandwichpanelen ofvervanging van de gordijngevel met behoud van het extern uitzicht- betonherstelling van de pilotis en de sokkel met behoud van textuur en kleur- bekleding van de kopgevels met panelen die qua kleur refereren naar het origineel(vezelcement, composiet, vezelbeton, ...)En voor de perifere blokken:- verlenging van de onelegante volumes en toevoeging van lagere dwarsvolumes ombeter aan te sluiten bij de actuele stedenbouwkundige context, om de open ruimtebeter te definiëren en te controleren en om het verlies aan appartementen tecompenseren- grotere transparantie van het gelijkvloers met doorgangssassen en toegangen aanbeide zijden om achterkant-zones te voorkomen- toevoeging gemeenschapsruimte en sociaal restaurant- ruime inkomhallen en rolstoeltoegankelijk maken van de liften- traditioneel gevelconcept met massieve buitenwanden- voorhangende glasgevel met gebruik van ontkleurde (om groene schijn tevoorkomen) witte geëmailleerde beglazing- accent op verticale ribben door toevoeging van glazen vin- ramen voor metselwerk gehangen dmv stalen kaders en epdm dichting om wind- enwaterdichtheid te garanderen. Pleisterwerk afgekit op ramen voor luchtdichtheid.- isolatie van de gevels. 67
  • 68. Geïntegreerde aanpak van gevelbekleding van 20eeeuwse architectuurRobin Engels, ir. architect, Origin Architecture & Engineering1. InleidingMeer en meer maken 20e eeuwse gebouwen (Figuur 1) deel uit van wat wijaanvaarden en beleven als emblematische gebouwen te behouden als erfgoed omwillevan één of meerdere waarden of kwaliteiten.Tot voor kort was er vanuit monumentenzorg nochtans weinig aandacht voor hetbehoud van recente architectuur, ten onrechte, want deze gebouwen blijken soms ergfragiel te zijn.Een evaluatie van de kwaliteiten van recente - in het bijzonder na-oorlogse 20e eeuwse- architectuur op architecturaal, stedenbouwkundig, historisch, kunsthistorisch enmaatschappelijk vlak wordt door de architectuurtheoretische en architectuurhistorischewetenschap al wel toegepast. De erfgoedbenadering volgt hierbij slechts traag.De huidige groeiende aandacht voor en het groeiend belang van 20e eeuwsegebouwen in de monumentenzorg heeft veel te maken met een betere kennis van dearchitectuur door de architectuurhistorische wetenschap, gevoed door eengeoptimaliseerde informatie- en archiveringsstructuur. Moderne of 20e eeuwsegebouwen hebben bovendien een rechtstreekse invloed op hoe wij vandaag metarchitectuur omgaan. Wij beschikken immers over gelijkaardige bouwmethoden,stedenbouwkundige condities, soms dezelfde vormentaal en vaak hetzelfdeprogramma of schaal. Het belang van de recente bouwgeschiedenis voor dehedendaagse architectuurtheorie of het hedendaagse bouwen geeft deze architectuurhaar specifieke betekenis.Het besef van de broosheid van dit erfgoed groeide na een eerste golf vanrenovatieprojecten, die het gevolg waren van de korte houdbaarheid van de 20eeeuwse monofunctionele en constructief innovatieve gebouwen. Deze eersterenovatieprojecten waren vaak gekenmerkt door ontoereikende resultaten met eenverlies aan architecturale kwaliteit en historisch of theoretisch referentiekader totgevolg.Figuur 1: illustratie van een brede waaier aan 20e eeuwse gebouwen 2. Context van de probleemstellingGebouwen van het modernisme en later vertonen enkele relevante verschillen met detoenmalige traditionele architectuur. Die verschillen hebben een weerslag op derestauratiefilosofie. 68
  • 69. Er is vanaf het modernisme een duidelijke wijziging in het constructieve concept tenopzichte van het traditionele bouwen. Materialen en bouwmethoden ondergaan eenrevolutie bij de start van de 20e eeuw dankzij sterke technologische ontwikkelingen.Het economisch klimaat en de enorme bouwvraag na de beide wereldoorlogen leidentot een sterke standardisatie van het ontwerp en een industrialisatie van hetbouwproces.Dit proces gaat gepaard met een sterk geloof in de nieuwe technologieën –culminerend in 1958 en getemperd in 1973 – bij ontwerpers en bouwheren. Debouwwereld durfde en experimenteerde. Enige terughoudendheid waarvan wevandaag weten dat ze gepast zou geweest zijn, bestond niet. In dit revolutionair klimaatzagen ontwerpers zich gesteund vanuit de industrie en omgekeerd. Bouwen was geenzaak meer van via een iteratief ‘trial and error’ proces tot de best mogelijke en dusduurzame oplossing komen, maar een versneld industrieel proces met absolutemogelijkheden.Het patrimonium uit deze periode is dan ook niet meer traditioneel massief van aardmaar veeleer opgebouwd uit een drager en een bekleding. Tegen een skelet metconstructieve betekenis komt een lichte gevel met enkel een klimaatkerende somsslechts een esthetische betekenis. Naast de functiescheiding op programmatorischniveau, kenmerkend voor de modernistische stedenbouw, worden ook desamenstellende gebouwelementen monofunctioneel omwille van een beterebeheersbaarheid en reproduceerbaarheid.Het innovatief karakter van de materialen en bouwprocedures en de ongebreideldheidwaarmee ze werden toegepast enerzijds en de monofunctionaliteit van het ruimtelijkconcept anderzijds leidden tot een dubbel gebrek aan duurzaamheid van dezeconstructies. Anders dan bij traditionele monumenten, die ettelijke functies hebbengekend of ondergaan doorheen de geschiedenis, is de architectuur sinds demodernistische revolutie monofunctioneel opgetrokken vanuit een visie vandoorgedreven functiescheiding. Herbestemming is hierdoor niet evident, zelfsproblematisch. Anders dan bij traditionele gebouwen, was ook het lange termijn gedragvan de materialen en bouwmethoden niet gekend. Een gedreven toekomstgeloofweerhield ontwerpers en bouwers ervan stil te staan bij een mogelijke nefaste invloedvan bepaalde fysico-chemische omstandigheden op het bouwfysisch gedrag vangekozen materialen.De snel op elkaar volgende technologische vernieuwingen gaven tevens aanleiding totontwikkelingen in architectuurtaal zelfs binnen generaties ontwerpers. Ontwerpers alsHorta en Van de Velde bouwden in steen, staal en beton volgens een op zichevoluerende stijl. Al deze tendensen binnen de architectuurgeschiedenis en hun meestrepresentatieve realisaties zijn of worden van belang. Dit belang wordt bepaald door dearchitectuurhistorische en -theoretische wetenschap. Ook hier stuiten we op eenlaatste belangrijk verschil: de evaluatie van de erfgoedwaarde van recente architectuurkent een vertraagd proces en evolueert niet op een synchrone wijze met dearchitectuurhistorische wetenschap. Dat is ook logisch aangezien de korte historiek ende moeizame receptie van modernistische architectuur in conventionelearchitectuurmiddens.De gebouwen die we erkennen als 20e eeuws erfgoed vertonen tevens een bijzonderverschil met het hedendaagse bouwen, een karakteristiek die grotendeels aan de basisligt van hun kwaliteit. Bouwen was toen een daad van maatschappelijk belang metstedelijke, monumentale en sociale dimensies, kaderend in het vooruitgangsdenken.Het bouwen geschiedde in een ander waarderingskader dan we vandaag kennen, ineen politiek ambitieus klimaat van samenlevingsopbouw en met een hang naar eenidentiteit ondersteunende monumentaliteit. In tegenstelling tot vandaag was er geennormeringskader dat, in de context van een geprivatiseerde bouwmarkt, probeert 69
  • 70. minimale prestaties op te leggen. Men stond dan ook weinig stil bij aspecten zoalsduurzaamheid van materialen of constructiewijzen. Ecologie was geen kwestie vanenergieprestaties maar werd bedreven op de schaal van de ruimtelijke ordening en destedenbouw.3. ProbleemstellingVandaag wordt onze denkwijze dan weer gekenmerkt door een gebrek aan benaderingvanuit ruimtelijke ordening en stedenbouw. We hebben voldoende kennis ontwikkeldover het fysisch en chemisch gedrag van bouwmaterialen en erkennen de impact vanverschillende klimaatomstandigheden. Bij het ontwerp en de materiaalkeuze hebbenwe aandacht voor het onderhoud en het lange termijn gedrag van materialen enbouwwijze. Het bestaande normeringskader zorgt ervoor dat elk gebouw apart opgebied van rationeel energiegebruik goed presteert, veilig gebruikt kan worden entoegankelijk is voor iedereen.Niet beschermde 20e eeuwse gebouwen worden vandaag geëvalueerd binnen eenveranderd waarderingskader, dat niet van toepassing was bij hun ontstaan. Bij hettoepassen van dit waarderingskader is de architectuurhistorische kwaliteit van geen tel.Vaak is de lage technische of economische haalbaarheid van renovatie of adaptatievan deze gebouwen de reden om over te gaan tot sloop, waardoorarchitectuurhistorische waarden volledig verdwijnen. Het is dan ook onontbeerlijk ombij elke evaluatie of interventie de architectuurhistorische waarde van een gebouw juistin te schatten. Omwille van de monofunctionaliteit van 20e eeuwse gebouwen isherbestemming nog kritischer dan bij klassieke monumenten en omwille van hetevoluerende normeringskader moet bij iedere herbestemming en daaruit volgenderenovatie geëvalueerd worden of die normen van toepassing (mogen) zijn en op eenrealistische manier kunnen worden geïntegreerd.Naast het evolutief waarderingskader en normeringskader kunnen we echter niet omde soms belabberde technische staat van de bouwmaterialen van sommige 20eeeuwse architectuur heen. De duurzaamheid van de toenmalige materialen enconstructiesystemen laat duidelijk te wensen over: betonrot, metaalcorrosie naastalgemene veroudering van materialen. De symptomen zijn gekend. De slechte staatnoodzaakt vaak tot een vervanging van materialen conform het normeringskaderopgesteld voor nieuwbouw of te vernieuwen bouwelementen. Dit kader is evenwel nietaltijd toepasbaar op bestaande gebouwen met architectuurhistorische, esthetische ofandere kwaliteiten en zeker niet op monumenten.Het materiaal-technisch verval wordt echter te vaak als argument gebruikt om deinitiële kwaliteiten van het gebouw in vraag te stellen. Een actualizering bij restauratieis hier dan ook aan de orde. Wij moeten er ons wel van bewust zijn dat eenwaarderingskader, zoals we dit kennen voor klassieke monumenten, voor recentearchitectuur nog niet bestaat. Als architect kunnen we een technische oplossingbedenken voor de problematiek van duurzaamheid. Hoe dit dient gerealiseerd teworden zonder in te grijpen in de architectuurgeschiedenis blijft een probleem.4. Visie en aanpakEr is een restauratieaanpak voor unieke traditioneel gebouwde constructiesvoorhanden terwijl de zogenaamd gestandardiseerd samengestelde gebouwen uit de20e eeuw een niet gestandardiseerde aanpak van renovatie vragen die gebaseerd isop een grondige kennis en een correcte waardenevaluatie van het gebouw. 70
  • 71. Wensen met betrekking tot comfort, ecologie, duurzaamheid en rationeelenergiegebruik bij het bouwen en gebruiken van gebouwen zijn vandaag uiteraardrelevant en dienen geïntegreerd in een restauratie- en renovatieconcept. Hethergebruik en de herbestemming van gebouwen wordt terecht begrepen als eenvoortdurende erkenning van het monument. Alhoewel vaak vergeten, hebben vragenrond gebruiksveiligheid, akoestisch comfort en algemene toegankelijkheid vangebouwen eveneens hun waarde en impact.Het gaat niet zomaar op om zich te verschuilen achter de beschermde status van eengebouw en blind te zijn voor realistische gebruiksvragen. Omgekeerd mogen ook dekernkwaliteiten van het gebouw niet worden geofferd om aan normen en eisen tevoldoen.Het is daarom onontbeerlijk vooreerst op basis van vooronderzoeken dearchitectuurhistorische kwaliteit te definiëren, en alle mogelijke technische oplossingente toetsen aan deze kwaliteit. Hoe meer de oplossing inwerkt op de kernkwaliteit vanhet gebouw, hoe meer ze in vraag dient gesteld. We moeten ervoor zorgen dat dearchitectuurhistorische kwaliteit van een gebouw in de toekomst nog geïnterpreteerden geëvalueerd kan worden en dat onze restauratie en renovatie ingrepen dearchitectuurhistorische betekenis ervan niet verdringen, laat staan verwijderen.20e eeuwse gebouwen zijn in die context problematisch omdat ze enerzijds esthetischerg fragiel zijn en anderzijds nog niet algemeen beleefd worden als erfgoed. Meer dantraditionele architectuur verliezen ze belangrijke kwaliteiten op architectuurhistorischgebied door relatief beperkte en soms zelfs rationele ingrepen. Aanpassingen enwijzigingen in de context van vernieuwing raken al snel aan de kernkwaliteiten van hetgebouw. Dit wordt geïllustreerd in de figuren 2 en 3. De architecturale articulatie issterk aangetast door de ingrepen die gebeurd zijn vanuit normatieve of economischeoverwegingen.Figuur 2: Toren Kruiskenslei te Boom, ontwerp van Renaat Braem opgetrokken tussen 1957 en1979, voor (links) en na (rechts) renovatie. 71
  • 72. Figuur 3: Kruiskenslei te Boom, blokken fase 3 opgetrokken tussen 1968 en 1975, voor (links)en na (rechts) renovatie.De uiteindelijke uitdaging voor een ontwerper van de restauratie en renovatie van 20eeeuwse waardevolle gebouwen ligt niet zozeer in de grondige kennis van detechnische mogelijkheden om te voldoen aan de nieuwe gebruikseisen binnen een zogering mogelijk interventiekader (esthetiek, budget, ...) maar in de juiste inschatting vande kwaliteiten van het gebouw. De gebruikswensen mogen hierbij niet ontkend worden,even min als de erfgoedwaarden of de gebouwkwaliteiten. Nogmaals contradictorischvraagt het behoud van het gebouw een maximum aan creatieve inbreng om tebeantwoorden aan de technische randvoorwaarden.De traditionele restauratieopvatting waarbij een bestaand gebouw als een kunstobjectwordt geretoucheerd en een oorspronkelijk beeld wordt hersteld gaat vaak niet op bij20e eeuwse architectuur. Een dergelijke opvatting biedt geen oplossing voorproblematieken met betrekking tot het gebruik, de bestemming, duurzaamheid, comforten rationeel energiegebruik, op zich vertaald in technische en bouwfysischekarakteristieken zoals thermische isolatie, luchtdichtheid en hygrothermisch gedrag vande buitenenveloppe. De restauratieontwerper moet veeleer op zoek naar dekernkwaliteiten van het gebouw omdat hij tot grootschaliger interventies gedwongen is.De restauratie zal noodgedwongen ingrijpender zijn omwille van de beperkteduurzaamheid van de constructies in kwestie, mits het veilig stellen van de toekomstigearchitectuurhistorische waarde. De vervanging van materialen en constructies metbehoud van het oorspronkelijk concept van de ontwerper en het beeld dat hij beoogdeis daarin een optie, niet in het minst omwille van de reproduceerbaarheid van de toenreeds gestandardiseerde gevelmaterialen.Is de selectieve vervanging van een gebouw of zijn gevel een optie? Dit betekent voorde aanpak van 20e eeuwse gevelconcepten een lichte verschuiving van de West-Europese restauratietraditie in de richting van de Oosterse monumentenzorg waar demateriële evidentie van geen tel is en het concept primeert. Het Charter van Venetië,geschreven in 1964, zal misschien niet meer van toepassing zijn op gebouwen van1964... een aanzet tot een ruimer debat? 72
  • 73. 5. Praktijkstudies ter illustratie van de aanpak 5.1 Cité ModerneContext:Modernistische woonwijk van architect Victor Bourgois uit 1925 in St-Agatha Berchem(figuur 4), Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in beheer van een socialewoningbouwmaatschappij.Renovatie van het centraal gebouw op het Samenwerkersplein met vier appartementenen twee handelszaken. Beschermd monument en dus uitzondering op de wetgevingrond energieprestatie.Bestaande toestand:Witgeschilderd pleisterwerk (15 mm) op dragende muur van betonnen metselblokken(26 mm), enkele beglazing in houten ramen. Grote beschadigingen door de porositeitvan de toegepaste materialen, condensatie en regendoorslag.Vraagstelling:Restauratie van het monument en bewoonbaar houden van de appartementen doorverbeteren van het thermisch comfort en van de luchtdichtheid in combinatie metventilatie van de wooneenheden.Figuur 4: Centraal gebouw van Cité Moderne (Sint-Agatha Berchem), foto van 1926 (links) (CitéModerne, Bâtiment Place des Coopérateurs. Extrait de ‘Horta and after, 25 Masters of Moderne Architecture in Belgium,DAU, Ghent University, 2002) en van de bestaande situatie (rechts).Waardenevaluatie en probleemstelling:De architect baseerde zich voor het ontwerp van de gevels van het kubistisch volumesamen met de geveluitsnijdingen (ramen, deuren) op het proportiesysteem van LeCorbusier dat ingang vond bij de modernisten. Het is dus niet aanvaardbaar om deproporties van de gevel en de plaats of afmetingen van de muuropeningen te wijzigen.Het toepassen van een buitenisolatie tegen het geveloppervlak met een dikte van 8 cmof meer en een gevelpleister zou de afmetingen van het volume vooral in horizontalerichting wijzigen, en verder ook de ramen verkleinen. Het uitkappen van de dagkantenvan de ramen zou tevens het vervangen van de volledige latei tot gevolg hebben. Vandeze ingrijpende oplossing werd dus afgezien.Het toepassen van een isolatie aan de binnenzijde van het gebouw was eveneens nietopportuun omwille van het verlies aan binnenruimte, het blootstellen van de poreuzeen vorstgevoelige betonsteen aan het buitenklimaat en de moeilijke uitvoerbaarheidvan een continu dampscherm.Voorgestelde oplossing: 73
  • 74. De oplossing die zal toegepast worden is het verwijderen van de oorspronkelijkecementering in een bastaardmortel van de gevels en het aanbrengen op de draagmuurvan een nieuwe buitengevelbepleistering in een isolerende pleister van 30mm dikte. 5.2 Albert- en Leopoldtoren (figuur 5)Context:Twee symmetrische woontorens op het De MeeûsSquare in de Europese wijk inBrussel ontworpen door Jean Jules Eggericx en Raphaël Verwilghen, vernieuwers vande stedenbouw en het stedelijk wonen in de eerste helft van de 20e eeuw. DeLeopoldtoren is gebouwd in 1936-1937 en de Alberttoren in 1939-1940. De gevelswerden beschermd als monument in 1996.Bestaande toestand:Betonskeletbouw met kolommen in het interieur en vloerplaten in uitkraging waaropinvulmetselwerk is aangebracht. Buitenbekleding in geprefabriceerde panelen inarchitectonisch beton met buitenaspect van witte kwartskorrels in witroze mortelmassa.De teruggetrokken geveldelen zijn op het buitenspouwblad bepleisterd met identiekemortelsamenstelling.Figuur 5: Alberttoren (links) en de Leopoldtoren (rechts). (Foto : Stadsarchief Brussel)Probleemstelling:Bij de renovatie van de Alberttoren tot kantoren dient de thermische performantie vande buitengevel verbeterd te worden. Dit kan uiteraard niet aan de buitenzijde omwillevan de bescherming van de gevel en omwille van de grote expressiviteit van dekordons en de gevelpanelen in beton. Er diende dus een isolatie voorgesteld te wordendie kon worden toegepast aan de binnenzijde van het gebouw. Voornamelijk omwillevan de moeilijke uitvoerbaarheid (veel reliëf) van een traditioneel isolatiesysteem metdampscherm aan de binnenzijde werd voorgesteld om te isoleren met 60 mm mineraleisolatieplaten, volgekleefd op het binnenoppervlak van de gevel.De oorspronkelijke ramen in staalprofiel, nochtans voorzien op het plaatsen van dubbelglas, werden vervangen door een thermisch onderbroken aluminiumprofiel. 74
  • 75. De gevel zelf in architectonisch beton werd gereinigd met een zogenaamde ‘shampoo’:eerst brengt men een zure pasta aan op basis van ammoniumfluoride die het vuilchemisch losweekt en bindt aan de pastamassa. De pasta heeft geen actieve werkingop de kwartscomponenten van de gevel, terwijl met de kalk van de mortel hetonoplosbaar zout calciumfluoride gevormd wordt dat het oppervlaktemateriaalcompacter maakt. Na de inwerkingsperiode wordt de pasta met vuil verwijderd dooreen waterstraal onder relatief hoge druk (80 à 120 bar) zonder abrasief te zijn. Delacunes werden gerestaureerd door een mengsel van op kleur gebrachte cementmortelwaarin achteraf witte kwartskorrels werden gedrukt.Metingen met de Karsten pijp na reiniging wezen uit dat er een waterabsorptie was van0.30 ml na 5 min. Daarom werd een waterwerende behandeling aangeraden om hetgereinigd effect te verlengen. De opdrachtgever zag echter omwille van budgetaireredenen af van deze behandeling. 5.3 Hoogbouw Ieder zijn Huis (figuur 6)Context:Het complex Ieder zijn Huis te Evere omvat 104 sociale appartementen in een 9mbrede hoogbouwschijf van het type gaanderij (om de drie verdiepingen eengang/galerij). Deze hoogbouw werd door architect Willy Van der Meeren ontworpentussen 1952 en 1956 en gerealiseerd tussen 1958 en 1961. Figuur 7 illustreert hetaanbrengen van een betonnen gevelpaneel aan het complex tijdens de bouwfase. Hetcomplex is niet beschermd maar wordt door Docomomo aangewezen als icoon van na-oorlogse architectuurgeschiedenis omwille van de doorgedreven rationalisatie:modulatie, standaardisatie en industrialisatie.Bestaande toestand:Skeletstructuur van ter plaatse gegoten betonnen portieken dwars op het gebouw;vloeren in holle welfsels op de portieken en geprefabriceerde gevelpanelen in beton dierechtstreeks op de portieken zijn bevestigd.Figuur 6: complex Ieder zijn Huis, EvereProbleemstelling:De beperkte duurzaamheid en zeer beperkte performantie op gebied van thermischeen akoestische isolatie, te wijten aan het toenmalige innovatieve karakter van deconstructie en de bouwelementen. Het gebouw voldoet momenteel geheel niet aan degeldende normen voor brandveiligheid en kan dus als dusdanig niet meer wordenbewoond. De technische installaties werden niet geactualiseerd sinds de oplevering.Voorgestelde oplossing: 75
  • 76. Ook hier worden ingrepen voorgesteld om het comfort te verbeteren, de normen tebenaderen met als basisvoorwaarde het behoud van de architecturale kwaliteiten vanhet gebouw (modulatie, standaardisatie en industrialisatie in concept, zichtbeton,galerijappartementen met losse trapkokers (baksteen) ..).Figuur 7: complex Ieder zijn Huis te Evere tijdens de opbouw(foto Archief Willy Van der Meeren, UGent)Doel van de renovatie is de architecturale lezing en het sprekend karakter van degevels te behouden. De bestaande gevelpanelen worden vervangen door nieuwegeprefabriceerde geïsoleerde gevelpanelen opgehangen aan een nieuwe balk tussende portieken. De nieuwe gevel zal ongeveer 20 cm meer naar buiten liggen.De zichtbare structuur van vertikale en horizontale elementen wordt eveneensgeïsoleerd. De nieuwe balk in het buitengevelvlak herneemt de profilering van hetoorspronkelijk kordon waardoor in de nieuwe situatie voldoende brandoverslaglengtewordt verkregen. De kolommen worden bekleed met een zichtbetonplaat in het nieuwegevelvlak van dezelfde breedte en het isolatiepakket wordt afgeschuind om - optischalvast - de kolombreedte aan te houden.De stalen ramen worden vervangen door aluminium ramen. Van der Meeren voorzageen grid van vierkante ramen als uitsparingen in de prefabwand. Hij schrapte ramenwaar er een wand nodig was in het interieur van de appartementen. Dit principe wordtaangehouden om de brandoverslag tussen twee appartementen tegen te gaan. Denieuwe ramen in aluminium met ventilatiestrook – noodzakelijk in sociale woningen -worden licht verdoken uitgevoerd in de gevelpanelen zodat aan de gevelzijde hetglasoppervlak identiek blijft. De keuze voor aluminium is ingegeven door deduurzaamheid en de onderhoudsvriendelijkheid van dit materiaal. 5.4 Atomium (figuur 8)Context:Het Brusselse Atomium is door André Waterkeyn ontworpen als icoongebouw, een‘tijdelijk’ (voorzien voor 6 maanden) spektakelstuk van de Wereldtentoonstelling van1958 in Brussel, waarmee ons land wou duiden dat de Belgische Industrie hetatoomtijdperk was binnengetreden. Ook vandaag nog is het Atomium hetsymboolgebouw voor het geloof in de toekomst, de wetenschap, de techniek en demoderne wereld. Het behoud van dit (beschermde) pronkstuk is evident, de wijzewaarop echter niet. 76
  • 77. Bestaande toestand:102 m hoge stalen constructie, bekleed met gekromde platen in aluminium (dikte 1,2mm) (figuur 9). Elke bol heeft een diameter van 18 m en 3000 m²binnenvloeroppervlakte. Drie bollen zijn niet toegankelijk omdat er stijve verbindingentussen de verschillende structurele elementen werden aangebracht. De huid werd opvele plaatsen doorboord voor patrijspoortjes en lampjes.Probleemstelling:Hoewel ontworpen als tijdelijk paviljoen was de stabiliteit van de draagconstructie goeden trad slechts hier en daar corrosie op. Deze corrosie was voornamelijk te wijten aancondensvocht dat van de aluminium bekledingspanelen liep op het niet corrosiewerendbehandeld staal van de vloerplaten naast de vochtige blootstellingsomstandighedenvan het staal aan de buitenzijde zoals dat van de buitentrappen.Het tijdelijke karakter was vooral merkbaar in de bekleding: de beperkte dikte van hetaluminium dat op verschillende plaatsen gescheurd, gedeukt en doorboord is. Devoegen tussen de panelen onderling zijn in PVC uitgevoerd, deze tussen de aluminiumpanelen en de plexiglazen ramen alsook de aansluiting tussen de bollen en de buizenin rubber dat op diverse plaatsen verhard en gescheurd is.Bovenal was de oorspronkelijke glans van de panelen verdwenen wat een verliesbetekende van de aantrekkingskracht van deze Brusselse trots.Figuur 8: deel van het Brusselse Atomium in 1958 (links, Dandoy en Sado) en in 2007(rechts, Pauwels) 77
  • 78. Figuur 9: detail van het Brusselse AtomiumVoorgestelde oplossing:Nieuwe bekleding in sandwichpanelen met 1,2 mm inoxplaat aan de buitenzijde, eenisolatie van 10 cm stijve rotswolplaat en een gegalvaniseerde staalplaat aan debinnenzijde van 1 mm dikte. Deze nieuwe huid is vijf maal zwaarder dan deoorspronkelijke huid maar door de oorspronkelijke overdimensionering was dit geenprobleem. De extra dikte die in dit geval kritisch was, werd opgenomen in de nieuweuitzettingscompensatoren. Inox als buitenschil heeft voornamelijk het voordeel van deduurzaamheid (niet corroderend en onderhoudsvriendelijkheid) terwijl de glansaangebracht door electrochemisch polijsten in lichte mate matter is dan deoorspronkelijke aluminiumglans.Negen concentrische cirkels verdelen de bollen in grote boldriehoeken. Elkeboldriehoek werd in atelier geprefabriceerd. Het nieuwe aluminium kader van een groteboldriehoek is volgens de oorspronkelijke tekening verdeeld in 15 kleine boldriehoeken.Dit zijn de sandwichpanelen. De voegen tussen de panelen werden omwille van dedilatatienorm vergroot van 4 mm naar 20 mm en uitgevoerd met siliconen. Hetaluminium kader dat zich aan de binnenzijde van deze voegen bevindt fungeert alsintern afwateringssysteem zodat het insijpelend water afgevoerd wordt indien debuitenvoeg in siliconen het zou begeven. De ramen zijn eveneens in aluminium metdubbel gekromde dubbele beglazing. Led verlichting met dezelfde mogelijkheden alsde oorspronkelijke verlichting werd in de huid geintegreerd op de cirkels van hetboloppervlak waardoor de baan van een electron op de huid kan wordengesymboliseerd. Figuur 10 illustreert het Atomunium tijdens en na de renovatie. 78
  • 79. Figuur 10: detail Atomium tijdens (links) en na (rechts) de renovatie 5.5 Cité Galaxie (figuur 11)Context:Cité Galaxie gelegen in de Andromedalaan te St Lambrechts Woluwe dateert van 1970en is het jongste gebouw dat in deze paper wordt besproken. Het betreft een socialewoonwijk ontworpen door architect Georges Pepermans in brutalistische stijl: zichtbaarbeton, cementblokken, gearticuleerde buitentrappen, relatief veel geveloppervlakte.Het geheel omvat 628 appartementen verspreid over 21 verschillende gebouwen.Cité Galaxie is niet beschermd doch architectuurhistorisch wel degelijk waardevol,zeker het uitwendige aspect, de gevelmaterialen, ...Bestaande toestand:Draagstructuur in beton loopt rechtstreeks van binnen naar buiten, ontdubbeldeinvulwanden in cementblokken van 34 cm breedte, platte daken met 4 cm isolatie,enkele beglazing in brede hardhouten profielen.Figuur 11: Cité GalaxieProbleemstelling: 79
  • 80. Het gewapend beton is in slechte staat door de gevorderde carbonatatie. Voor dezesociale woningbouw was thermische isolatie en ventilatie van de gebouwschil gewenst.Figuur 12: details van Cité GalaxieVoorgestelde oplossing:Er werd aan de opdrachtgever, een sociale woningbouwmaatschappij, voorgesteld omvoor de renovatie geen stedenbouwkundige aanvraag in te dienen. Het gevolg vandeze werkwijze is dat aan de buitenzijde van de gebouwen (figuur 12) geen wijzigingenkunnen aangebracht worden en dus de architectuurhistorische waarde van hetcomplex is gevrijwaard.De ingrepen die voorgesteld worden zijn: - Behoud van bestaande muurconstructie opgebouwd uit 20 cm betonblokken aan de buitenzijde, 4 cm luchtspouw, 10 cm lichte betonblokken aan de binnenzijde afgewerkt met 1 cm pleisterwerk. - Isolatie van de plattedaken met 17 cm stijve rotswolplaat - Behoud van de bestaande houten raamkaders - Plaatsen van dubbele beglazing - Koudebrug isolatie aan de binnenzijde dmv vol gekleefd geëxtrudeerd polystyreen van 20 mm, afgewerkt met gipskartonplaat6. BesluitVaak zal het noodzakelijk zijn bij de restauratie en renovatie van 20e eeuws erfgoedhet gebouw op te tillen naar een hedendaags gebouw in zijn bouwtechnische offunctionele evidentie. De prestaties van de buitenschil en het comfortabel hergebruikvragen dit.De waarde van de materiële evidentie die bij de klassieke monumentenzorg zobepalend is, zal in geval van 20e eeuws ergoed dienen geherinterpreteerd te worden.Hiervoor is de definiëring van de kernkwaliteit van een gebouw van bijzonder belang.De onvermijdelijke aanpassing van – voornamelijk maar niet enkel - materialen van degevelbekleding, moet rekening houden met deze kernkwaliteiten of passen in hetoorspronkelijke concept. Deze reflex vraagt echter de erkenning van de historische,culturele en soms symbolische betekenis van het concept van een gebouw, eerder dande waarde begrepen in zijn stenen. 80
  • 81. SprekerslijstBaeck Mario Molenstraat 42c Tel: 015 75 73 29 2861 O.-L.-V.-Waver mario.baeck@telenet.beBekker Ludo A33 Tel: 016 74 50 63 Fonteinstraat 1a - bus2 Fax: 016 29 98 00 3000 Leuven bekker.l@a33.beDe Clercq Hilde KIK Tel: 02 739 68 41 Jubelpark 1 Fax: 02 732 01 05 1000 Brussel Hilde.declercq@kikirpa.beEngels Robin ORIGIN Tel: 02 776 82 00 Kartuizerstraat 17 Fax: 02 776 82 09 1000 Brussel robin.engels@origin.euHulstaert Willem VIOE Tel: 02 553 18 66 Koning Albert-II-Laan 19 Fax: 02 553 16 55 1210 Brussel willem.hulstaert@rwo.vlaanderen.beVanhellemont Yves WTCB Tel: 02 502 66 11 Avenue Pierre Holoffe 21 Fax: 02 502 81 80 1342 Limelette yves.vanhellemont@bbri.beVerdonck Ann VUB Tel: 02 6292840 Faculteit Fax: 02 6292841 Ingenieurwetenschappen Ann.Verdonck@vub.ac.be Vakgroep Architectuur Pleinlaan 2 1050 Brussel 81
  • 82. ColofonConcept en eindredactieKIK-VIOE-WTCBNiets uit deze opgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt zondervoorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.De auteurs dragen zorg dat hun bijdrage geen inbreuk op auteursrechten inhoudt. 82