College3 - Familiegeschiedenis

  • 193 views
Uploaded on

Minor Creatief Schrijven HvA, 2012

Minor Creatief Schrijven HvA, 2012

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
193
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
0
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. College 3: Schrijven
    • 9 februari 2012
    Datum
  • 2. Non-fictie als kort verhaal
    • Veel overeenkomsten als het gaat om: personages, structuur, spanning, plot, scènes, perspectief, stijl en dosering van informatie
    • In een kort verhaal schrijf je low budget:
      • weinig personages,
      • weinig tijdswisselingen,
      • summiere voorgeschiedenis,
      • wel scènes, maar niet te veel
  • 3. Je bent observator, chroniqueur
    • Je doet een poging de chaos te ordenen
    • Je maakt iets duidelijk over de tragiek van het leven
    • Of over de broosheid of vermeende zinloosheid van het menselijk bestaan
    • Of over de goedheid/slechtheid van mensen
    • Je stelt een dilemma en de lezer vraagt zich af: zou ik het ook zo hebben gedaan?
  • 4. Waar gaat je verhaal over?
    • Aanleiding gevonden in thema’s als generatie- of relatieconflict, migratie, cultuurverschillen, de Tweede Wereldoorlog
    • Verhalen brengen vaak universele, klassieke thema’s met zich mee:
      • angst, eenzaamheid, onbeantwoorde of onmogelijke liefde, onbegrip, ijdelheid, egoïsme, macht, het menselijk tekort, zinloosheid van het bestaan
    • Thema’s fungeren als kapstok voor de emoties van je hoofdpersoon en evt. bijpersonages
  • 5. Geen spannend verhaal zonder ‘conflict’
    • Kan ook innerlijk conflict zijn, hevige twijfel, dreiging, ziekte, verlies lijden, verraad
    • Een moment van ‘het licht zien’ of van ‘nu of nooit’, moed vatten, conclusie trekken
    • Kort verhaal: personage op een kritiek moment in zijn leven
    • Weinig tijd: laat lezer niet te lang in het ongewisse!
  • 6. Essentie van een goed verhaal:
    • Een conflict tussen het doel van je HP en de belemmering om dat te bereiken
    • Een crisis of een confrontatie
    • Verandering van de begin- naar de eindtoestand
    • Oftewel: Iemand wil iets. Dat lukt niet. En dan gebeurt er iets anders. (uit: Nicolette Mizee: Schrijfles)
  • 7. Je ‘personage’ staat centraal
    • Fungeert als identificatiepunt: uit zijn/haar doen en laten, karakter, levenshouding enz. volgt het verhaal
    • Verwikkelingen worden levendig, geloofwaardig als je personage ervoor verantwoordelijk is
    • Kortom: je HP streeft iets na, koestert een droom, is een vrek, een goeierd, is bang, voelt zich miskend en daarom doet hij zo
    • Kort verhaal: personages niet te ‘plat’, ook niet te diepgaand - anders geen ruimte voor verwikkelingen
  • 8. Je personage tot leven wekken
    • Selecteer je informatie zorgvuldig: alleen dat wat bijdraagt aan de beeldvorming
      • Zet hem/haar neer door dialoog of monoloog,
      • door omschrijving
      • handeling, scène, gebeurtenis
      • door reacties van anderen
      • voorgeschiedenis
  • 9. Structuur
    • De manier waarop het verhaal in elkaar zit
    • Als structuur niet deugt, raakt lezer de weg kwijt
    • Ordening = nadenken over Wat je Waar, Wanneer en Hoe ‘weggeeft’
    • Biedt lezer houvast, maar hoeft ook weer niet zo al te opzichtig
    • Een schema kan helpen
  • 10. Wat bepaalt de structuur?
    • Scènes: denk aan film, toneel. Verteller zit er als het ware zelf in; bevat dialoog, monoloog.
    • Verhalende of narratieve gedeeltes: ‘verteller voor gesloten doek’, licht publiek in over wat er op het toneel gebeurt.
    • Structuur geeft lezer beeld van tijdsverloop: vertragen, versnellen (‘indikken’), stukken overslaan
    • Markeringen in de tekst: witregels, nieuw hoofdstuk
  • 11. Is er in non-fictie wel een plot?
    • Plot vertelt in grote lijnen hoe de relaties tussen de personages zich ontwikkelen; of tot welk (veranderd) inzicht het hoofdpersonage komt; of hoe een probleem wordt opgelost
    • Menselijke drijfveren (‘What makes Sammy run?’) maken de verwikkelingen pas echt spannend, ze betrekken de lezer bij het verhaal
    • Familieverhaal kan best plotloos zijn: portret, sfeerbeschrijving enz. kan ook vermaken, ontroeren, of schok van herkenning opleveren
  • 12. Zoveel verhalen, zoveel plots?
    • ‘Er zijn twee soorten plots’: goed einde - slecht einde
    • ‘Nee, drie plots’: kind wordt volwassen, mens ziet dood onder ogen, vreemdeling komt naar de stad
    • Plot gebaseerd op structuur: ‘Het gaat eerst goed, dan slechter, dan goed.’ Of: ‘Het gaat eerst redelijk, dan beter, dan slaat noodlot toe’
    • Andere mogelijkheid ‘thema’ of ‘patroon’ als plot: queeste, avontuur, redding, ontsnapping, rivaliteit, verboden liefde, ontsporing enz.
  • 13. Hou het eenvoudig
    • In kort verhaal geen ruimte voor ingewikkelde plot
    • Bedenk het van tevoren of ga in elk geval ergens van uit
    • Als de plot niet helder krijgt, ga dan uit van de setting of een personage
    • Plot wordt pas interessant als je hoofdpersoon dat is
    • Zorg ervoor dat je personages herkenbaar zijn in het doel dat ze nastreven (drijfveren!)
  • 14. Spanning
    • Spanning = de aandacht van de lezer weten te behouden
      • 1. lezer moet zich bij verhaal betrokken voelen: leeft mee en herkent emoties van personages (identificatie)
      • 2. spanning in de verwikkeling: lezer voelt bijv. angst, hoop, of nieuwsgierigheid (= drijfveer om verder te lezen)
      • wissel spanning en ontspanning af (anders wordt zelfs spanning saai)
      • En verder: geef niet alles in een keer weg, vooruitwijzen, flashbacks
  • 15. Opdracht
    • Schrijf een scène uit waarin je personage optreedt. Doe dat tot in detail
    • Zie voor je hoe hij (zij) eruit ziet, zich kleedt, praat, ruikt. Hoe beweegt hij zich? Wat voor (vreemde) gewoontes houdt hij erop na?
    • Stel je een ontmoeting voor, stel vragen, provoceer, zoek ruzie, verklaar je personage de liefde
    • en kijk hoe hij (zij) reageert, van zich af slaat, in elkaar krimpt, in snikken/schaterlachen uitbarst