De economie in Nederland                 Deel 2 van 2 : Hoofdstuk 5 t/m 7                      Ook verkrijgbaar : Deel 1 :...
InhoudsopgaveHoofdstuk 5       De overheid en het kapitalisme      pag. 3Hoofdstuk 6       Kapitaal en arbeid             ...
Hoofdstuk 5             De overheid en het kapitalisme5.1 Theorie en praktijk van het liberalismeVanaf de negentiende eeuw...
Keynes is het niet eens met het principe van de sluitende begroting. Het doel (= economieherstellen) heiligt de middelen (...
Belastingdruk: de opbrengt van de belastingen als percentage van het BBP).De aardgasopbrengsten vallen onder de niet-belas...
1990: fusieverordening: dit betekent dat voor grote internationale fusies de toestemming vande EU nodig is.Nederlandse wet...
5.5 De overheid als producentCollectieve goederen: middelen die niet per individu leverbaar zijn, maar bedoeld als belangv...
Hoofdstuk 6             Kapitaal en arbeid6.1 De Nederlandse arbeidsverhoudingen(6.1.1) Vanaf 1860 organiseerden arbeiders...
(6.2.3) 1970: Wet op loonvorming: cao’s hoefden niet langer goedgekeurd te worden.Decentralisatie vond plaats, maar deze b...
Verschillende instanties zijn belast met de uitvoering van de sociale zekerheid.Zie hfst 6; blz 178; Figuur 6.4 Uitvoering...
Hoofdstuk 7             Werk en inkomen7.1 Werkgelegenheid en werkloosheid(7.1.1) Arbeidsaanbod: aantal mensen dat wil en ...
Andere verschillen: (1) arbeidsvoorwaarden zijn in de ene sector beter dan in de andere;flexibele arbeid levert vaak zwakk...
7.4 Inkomensverdeling(7.4.1) Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire, secundaire en tertiaireinkomensverdeling.(7.4.2...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Deeconomieinnldruk7 buunk 2_15646

688 views
639 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
688
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
26
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Deeconomieinnldruk7 buunk 2_15646

  1. 1. De economie in Nederland Deel 2 van 2 : Hoofdstuk 5 t/m 7 Ook verkrijgbaar : Deel 1 : Hoofdstuk 1 tot en met 4Bronvermelding:Titel: De economie in Nederland: Theorie en werkelijkheidZevende drukAuteur: Hans BuunkUitgever: Wolters-Noordhoff bv Groningen/HoutenISBN: 9789001181031Aantal pagina’s boek : 241Aantal hoofdstukken boek : 7De inhoud van dit uittreksel is met de grootste zorg samengesteld. Incidentele onjuistheden kunnen niettemin voorkomen. Jedient niet aan te nemen dat de informatie die Students Only B.V. biedt foutloos is, hoewel Students Only B.V. dat welnastreeft. Dit uittreksel is voor persoonlijk gebruik en is bedoeld als wegwijzer bij het originele boek. Wij raden altijd aanhet bijbehorende studieboek erbij te kopen en dit uittreksel als naslagwerk erbij te houden. In dit uittreksel worden diverseverwijzingen gemaakt naar het studieboek op basis waarvan dit uittreksel is gemaakt.Dit uittreksel is een uitgave van Students Only B.V. Copyright © 2008 StudentsOnly B.V. Alle rechten voorbehouden.De uitgever van het studieboek is op generlei wijze betrokken bij het vervaardigen van dit uittreksel. Voor vragenkan je je wenden per email aan info@studentsonly.nl.
  2. 2. InhoudsopgaveHoofdstuk 5 De overheid en het kapitalisme pag. 3Hoofdstuk 6 Kapitaal en arbeid pag. 8Hoofdstuk 7 Werk en inkomen pag. 11www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 2Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  3. 3. Hoofdstuk 5 De overheid en het kapitalisme5.1 Theorie en praktijk van het liberalismeVanaf de negentiende eeuw tot aan WOII was het liberalisme de meest invloedrijke ideologie.(5.1.1) Volgens Adam Smith kent de overheid drie taken:1. zorg van defensie;2. handhaving recht en met name bescherming van privé-goederen;3. voorwaarden scheppen voor economie (aanleg infrastructuur etc).In alle andere opzichten moest de overheid zeer terughoudend te werk gaan bij de bemoeienismet de samenleving en met de economie. Dit wordt ook wel bedoeld met de termNachtwakersstaat.(5.1.2) Door het ontstaan van een arbeidersklasse en de sociale kwestie die hieruitvoortkwam, is in Nederland nooit echt sprake geweest van een Nachtwakersstaat. Wel nam deoverheid maatregelen om vrijheid van economie te bevorderen (afschaffing van de gilden enprijsvaststellingen), en nam de overheid verantwoordelijkheid in het scheppen vanvoorwaarden voor industrialisatie. Vanaf 1870 worden steeds meer maatregelen genomen omde sociale kwestie op te lossen: hiermee ontstond een eerste aanzet tot het creëren van eenverzorgingsstaat.(5.1.3) De crisis van de jaren dertig, als gevolg van de grote beurskrach in 1929, zorgdeopnieuw voor een herdefinitie van de rol van de overheid bij economische kwesties. Deoverheid koos toen voor een duidelijk liberale koers.Van 1870 tot 1940 was de invloed van zogenaamde neoklassieke groot. Hun ideeën hieldenonder meer in dat economische crises vanzelf door de markt worden opgelost. Wet van Say:ieder aanbod zal zelf zijn vraag creëren. Bij deze wet wordt uitgegaan van het principe dat hethele Nationaal Inkomen wordt gebruikt voor bestedingen. Omvang van besparingen is gelijkaan de omvang van de investeringen. Daarom dient de rol van de overheid, ook in tijden vanlaagconjunctuur, beperkt te zijn.In het Nederlandse economische beleid in die tijd zien we dat terug in het principe van desluitende begroting: de overheid mocht geen geld lenen, maar moest steeds een positief saldohebben. Tijdens een crisis moest er ook door de overheid vooral bezuinigd worden. Eensluitende begroting bleek in de praktijk echter nauwelijks haalbaar.Daarnaast kwam men ook terug van totale vrijheid in de economie door de maatregel van deordening in te voeren: hiermee bemoeide de overheid zich met de verhoudingen/relatiestussen bedrijven.Ondanks een liberaal beleid voelde de Nederlandse overheid zich dus meer en meergedwongen in te grijpen in de economie.(5.1.4) Na WOII werden de opvattingen van de econoom Keynes belangrijk voor het beleid.De theorie van Keynes houdt het volgende in.Effectieve vraag: dit is de totale omvang van de bestedingen. Tijdens een economische crisiser te weinig effectieve vraag, oftewel: mensen doen te weinig bestedingen. Hierdoor zal ookde productie afnemen. Dit leidt weer tot werkloosheid en nog meer bestedingen. De economiekomt in een neerwaartse spiraal terecht die alleen door ingrijpen van buitenaf kan wordenhersteld. De overheid moet overgang tot verhoging van de effectieve vraag. Twee soortenmaatregelen kunnen worden genomen: (1) vergroten van staatsuitgaven (uitvoering vanopenbare werken); (2) stimulatie van particuliere uitgaven, bijvoorbeeld door verlaging vanbelastingen.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 3Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  4. 4. Keynes is het niet eens met het principe van de sluitende begroting. Het doel (= economieherstellen) heiligt de middelen (overheidstekorten).De theorie van Keynes heeft veel invloed gehad op de ideeënontwikkeling binnen politiekepartijen, in Nederland vooral binnen de PvdA. Binnen christelijke partijen kreeg hetsubsidiariteitsbeginsel steeds meer invloed: taken en bevoegdheden moeten duidelijkgescheiden blijven; wat door lagere instanties of organen kan worden gedaan, moet eenhogere instantie of orgaan niet op zich nemen. Er is een gedeelde verantwoordelijkheid,hierbinnen kent iedereen zijn eigen taken en bevoegdheden. Dit zien we ook terug in hetprincipe dat door het CDA wordt aangehangen, namelijk: de soevereiniteit in eigen kring.De overheid moet zo min mogelijk ingrijpen in verantwoordelijkheden die liggen bij demensen zelf.5.2 Begroting en begrotingspolitiek(5.2.1) Sinds de jaren zestig zijn de collectieve uitgaven erg gestegen. Een hoogtepunt werdbereikt in 1983.Zie hfst 5; blz 126; Figuur 5.1 Collectieve uitgaven, 1977-2007, in procenten van het BBP;MEV 2007.Door de enorme stijging van de overheidsuitgaven als gevolg van de verzorgingsstaat kwamdeze steeds meer onder druk te staan. Een reeks bezuinigingen (kabinetten Lubbers) volgde.(5.2.2) Inkomsten overheid komen uit belastingen, direct en indirect.Directe belastingen: rechtstreekse belasting zoals loon- en inkomstenbelasting.Indirecte belastingen: deze zijn verwerkt in de prijzen van bepaalde producten zoals sigarettenen drank.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 4Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  5. 5. Belastingdruk: de opbrengt van de belastingen als percentage van het BBP).De aardgasopbrengsten vallen onder de niet-belastingmiddelen.Overheidsuitgaven kunnen worden opgedeeld in overheidsbestedingen enoverdrachtsuitgaven.Overheidsbestedingen: investeringen en overheidsconsumptie.Overdrachtsuitgaven: subsidies en uitgaven aan sociale zekerheid.Door stijging van de overdrachtsuitgaven in de tweede helft van 20e eeuw namen de totaleoverheidsuitgaven enorm toe. Dit kan leiden tot een begrotingstekort: er is dan een negatiefsaldo op het begrotingssaldo van de overheid.Financieringssaldo: het saldo van de Rijksbegroting min de aflossingen van de nationaleschuld.(5.2.3) In het financiële beleid van de overheid na WOII speelde de theorie van Keynes eenrol. Het financiële beleid dient volgens hem gericht te zijn op het bestedingsevenwicht. Bijeen slechte economie dient sprake te zijn van het opvoeren van overheidsbestedingen om deeconomie een impuls te geven. Er wordt dan een expansief beleid gevoerd. Bijhoogconjunctuur dient de overheid de bestedingen juist te matigen, omdat de economie‘oververhit’ raakt: de productie kan de vraag niet meer voldoende beantwoorden. De overheidmoet dan een restrictief budgetbeleid voeren. Tijdens laagconjunctuur stijgen deoverheidsbestedingen echter deels vanzelf omdat dan de uitkeringen aan werklozen zullentoenemen. Dit noemen we automatische stabilisatoren. In de Keynesiaanse politiek issprake van een kringloop.Zie hfst 5; blz 130; Figuur 5.3 Uitgebreid kringloopschema; H. BuunkDe ideeën van Keynes richten zich op de economie als geheel = macro-economischepolitiek.(5.2.4) Tijdens een langdurige recessie in de jaren zeventig stegen de collectieve lasten (datwil zeggen: belastingen, sociale premies) zodanig dat het nadelig werd voor de economie: dearbeidskosten waren erg toegenomen. Dit leidde tot nog meer werkloosheid en een slechtondernemersklimaat. Het terugdringen van de collectieve lasten werd een prioriteit. Ook hetfinancieringstekort van de staat baarde zorgen. Tijdens de kabinetten van Van Agt enLubbers in de jaren zeventig en tachtig werd aan beide zaken gewerkt.Door het kabinet Kok werd gewerkt met het reële uitgavenkader (ook: Zalmnorm): destijging van collectieve uitgaven op een bepaald beleidsterrein was aan een maximumverbonden en moest door hetzelfde beleidsterrein worden gecompenseerd met bezuinigingen.De Zalmnorm kan gezien worden als een trendmatig begrotingsbeleid.5.3 StructuurbeleidEconomische structuur: omvang en kwaliteit van de productiefactoren zoals arbeid enkapitaal. In structuurbeleid richt men zich dus op deze factoren.(5.3.1) Het beleid op gebied van industrie en technologie heeft zich na 1950 in drie fasenontwikkeld.- 1945-1960: industrialisatie en groei: beleid gericht op macroniveau om industrie testimuleren.- jaren zestig/zeventig: herstructurering: het beleid richtte zich meer op meso- en microniveau.- na de jaren zeventig: innovatie.(5.3.2) Mededingingsbeleid: overheidsbeleid dat zich bezighoudt met concurrentiewerkingop de markt. Dit beleid wordt zowel op nationaal als op internationaal (EU) vormgegeven.Verbodswetgeving: misbruik van macht en speciale mededingingsregelingen zijn bij wetdoor de EU verboden.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 5Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  6. 6. 1990: fusieverordening: dit betekent dat voor grote internationale fusies de toestemming vande EU nodig is.Nederlandse wetgeving is gericht tegen kartelvorming en misbruik van machtsposities.Uitvoerend orgaan voor de uitwerking van deze wetgeving is de NMa (NederlandseMededingingsautoriteit).Kartelvorming wordt wel toegestaan bij zeer kleine ondernemingen (bagatellen).Daarnaast houdt de NMa zich bezig met concentratietoezicht: fusies, overnames en jointventure worden in de gaten gehouden.(5.3.3) De overheid heeft zich sinds de jaren tachtig op veel gebieden teruggetrokken, maarniet op het gebied van milieumaatregelen; deze zijn juist toegenomen en toezicht hierop isuitgebreid.Milieuproblematiek heeft te maken met de externe effecten van de productieprocessen. Dieeffecten worden doorgaans niet doorgevoerd in de prijzen. De overheid kan dit wel bereikendoor speciale milieuheffingen op te leggen. De overheid kan de effecten op het milieubeïnvloeden via 1. regulering, 2. strafmaatregelen en boetes oplegging bij overtreders, 3. heffingen en subsidies (=marktconforme instrumenten).Combinatie van regulering en het doorvoeren van heffingen zien we terug in regulerendeheffingen. Hiermee wordt niet bereikt dat er geld binnenkomt; de overheid probeert er hetgedrag van de consument mee te beïnvloeden. Een voorbeeld hiervan is de regulerendeenergiebelasting uit 1996. Het beoogde doel hierbij was mensen bewuster met energie te latenomgaan.5.4 Aanbodeconomen en nieuwsklassiekenDe invloed van de Keynesiaanse politiek is vanaf de jaren tachtig afgenomen. Daarvoor in deplaats kwamen economen die de werking van de markt voorop stelden. Binnen deeconomische wetenschap bestaan verschillende stromingen. De belangrijkste zijn: deaanbodeconomen en de nieuwsklassieken.(5.4.1) aanbodeconomen winnen vanaf midden jaren zeventig aan invloed in de VS. Volgensdeze economen is door Keynes te veel aandacht uitgegaan naar de vraagkant van deeconomie. Er zijn problemen aan de aanbodzijde van economie gekomen doordat overhedenzich steeds meer zijn gaan bemoeien met de economie.Laffer-curve: hoge belastingtarieven zorgen in eerste instantie voor inkomsten bij deoverheid, maar door de negatieve effecten van de belastingdruk op de economie zal dit laterjuist omslaan in een tekort. Belastingverlaging is dan het enige juiste antwoord.Zie hfst 5; blz 142; Figuur 5.5 De Laffer-curve; H. BuunkDe wig (‘wedge’): de kloof tussen loonkosten en het nettoloon wordt te groot door een tehoge belastingdruk. Dit leidt tot werkloosheid. De overheidsuitgaven moeten volgens deaanbodeconomen zodanig worden teruggedraaid dat er een forse verlaging kan plaatsvindenvan de belastingen.Middelen ter verbetering van de economie zijn: deregulering, privatisering, lastenverlichting.(5.4.2) Nieuwsklassieken baseren zich op de rationele verwachtingen: aan de hand van devele beschikbare informatie over de stand van de economie ontwikkelingen mensen op basisvan hun verstand verwachtingen van de economie. De Keynesiaanse politiek gaat uit vannaïviteit bij mensen en bij bedrijven. Doordat mensen steeds beter begrijpen hoe de economiewerkt, zal er een andere manier gezocht moeten worden om de economie te beïnvloeden.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 6Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  7. 7. 5.5 De overheid als producentCollectieve goederen: middelen die niet per individu leverbaar zijn, maar bedoeld als belangvoor het collectief (voorbeeld: rechtspraak). Individuele goederen: deze goederen zijn welindividueel leverbaar.Quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening die wordt uitgevoerd/verzorgd door deoverheid; de diensten uit deze sector worden gefinancierd door de collectieve uitgaven. Desector levert zowel collectieve als individuele goederen. Binnen de sector zijn veelparticuliere instellingen te vinden die subsidie krijgen van de overheid.(5.5.2) Een voorbeeld is de zorgsector. Binnen deze sector heeft de overheid, door middel vaneen nieuw zorgstelsel, geprobeerd meer verantwoordelijkheid bij de burger te leggen endaarnaast een grotere marktwerking te stimuleren.Zie hfst 5; blz 148; Figuur 5.6 Financiering van de Zorgverzekering; H. Buunk(5.5.3) Overheidsbedrijven hebben meestal een monopoliepositie op de markt. Hierdoor houdtde staat veel controle over die markt. Meer en meer worden overheidsbedrijvengeprivatiseerd. Verzelfstandiging van bedrijven valt hier volgens de Nederlandse overheidook onder.Begrippenlijst Hoofdstuk 5, zie blz. 154 en 155.Begrippen die in de lijst zijn opgenomen: collectieve uitgaven, structuurbeleid, quartairesector, overheidsbestedingen, overdrachtsuitgaven, overbesteding, onderbesteding, multiplier,macro-, micro- en mesoniveau, collectieve lastendruk, collectieve en individuele goederen,financieringssaldo, EMU-saldo, bestedingsevenwicht, restrictief/expansief budgettair beleid,belastingdruk, indirecte belasting, directe belasting.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 7Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  8. 8. Hoofdstuk 6 Kapitaal en arbeid6.1 De Nederlandse arbeidsverhoudingen(6.1.1) Vanaf 1860 organiseerden arbeiders zich in landelijke vakbonden. Binnen desocialistische vakbonden vond al snel een richtingenstrijd plaats tussen anarcho-syndicalisten,voorstanders van de ‘moderne’ vakbeweging, en confessionelen. De verhoudingen tussen dearbeiders en werkgevers waren in eerste instantie slecht: om elke verbetering moest gestredenworden. Vanaf de jaren twintig in de twintigste eeuw worden de relaties beter en wordencollectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) in overleg met elkaar afgesloten. De overheidstimuleerde het overleg tussen vakbonden en werkgeversbonden.(6.1.2) De periode 1940-1960 wordt gekenmerkt door het harmoniemodel: kapitaal(werkgevers) en arbeid (werknemers) werken nauw samen om te werken aan een gezamenlijkbelang, namelijk de wederopbouw van Nederland na WOII.Voor een goede samenwerking werden nieuwe organisaties opgericht zoals de Stichting vande Arbeid en de SER (de Sociaaleconomische Raad). Voorts wordt in deze tijd de Wet op deOndernemingsraden ingevoerd. Binnen ondernemingsraden werkten werknemers met dewerkgevers samen om het ondernemingsbelang zo goed mogelijk te dienen.(6.1.3) De periode 1965-nu staat in het kader van het coalitiemodel. Minder dan in hetharmoniemodel zijn werkgevers en werknemers het met elkaar eens. Er doen zich meerconflicten op, en samenwerking is meestal maar tijdelijk. De ondernemingsraden hebbenvolgens de nieuwe wet (OR) een meer dualistisch karakter.Zie hfst 6; blz 162; Bevoegdheden ondernemingsraad; wet OR.(6.1.4) Zowel werknemers als werkgevers verenigen zich in belangenorganisaties: vakbondenen werkgeversorganisaties.Zie hfst 6; blz 163; Figuur 6.1 Centrale werkgevers- en werknemersorganisaties; H. BuunkHet aantal mensen dat lid is van een vakbeweging is de laatste jaren sterk afgenomen.6.2 Arbeidsvoorwaardenonderhandelingen en loonpolitiek(6.2.1) Collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s): afspraken die worden gemaakt tussenvakbonden en werkgeversorganisaties binnen een bepaalde beroepssector. Bepalingen uitcao’s die algemeen bindend zijn, gelden dan voor alle bedrijven en instellingen binnen diebedrijfstak.Twee wetten van na WOII hebben grote invloed gehad: 1. Wet op minimumloon en minimumvakantiebijslag. 2. Wet op gelijke behandeling.(6.2.2) 1945-1963: geleide loonpolitiek. De overheid bemoeide zich met de hoogte van delonen. Deze bleven bewust laag om arbeidskosten te beperken en zo de concurrentiepositievan Nederland te versterken in verband met de wederopbouw. Lonen stegen alleen als deprijzen stegen.1963-1970: overgangsfase in het loslaten van de geleide loonpolitiek: vormen vanloonbeheersing werden nog gebruikt. Na 1970 kwam er een vrije loonpolitiek.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 8Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  9. 9. (6.2.3) 1970: Wet op loonvorming: cao’s hoefden niet langer goedgekeurd te worden.Decentralisatie vond plaats, maar deze bleef om twee redenen beperkt: 1. werkgevers en werknemers wilden op centraal niveau toch afspraken blijven maken: centraal akkoord. 2. de overheid greep ook na 1970 nog regelmatig in als de lonen teveel stegen. Vooral in het kader van inflatiebestrijding werd dit gedaan.(6.2.4) Ter bestrijding van werkloosheid gingen de vakbewegingen na 1975 zich sterkinzetten voor arbeidsduurverkorting. Werkgelegenheid kon daarmee worden verspreid. HetAkkoord van Wassenaar (1982) was hierin een mijlpaal. Arbeidsduurverkorting werd vanafjaren negentig minder belangrijk, omdat er juist een tekort aan personeel kwam.Ondermijnend voor het streven naar arbeidsduurverkorting was ook de flexibilisering vanarbeid: een strategie die veel werkgevers volgde.6.3 Loonstijging en loonkostenStijging van lonen kan op twee manieren: via een incidentele loonstijging en stijging vancontractlonen. Contractlonen liggen meestal vast in de cao’s. Contractlonen stijgen meestalbij algemene prijsstijgingen: prijscompensatie.Koopkracht komt naar voren in het nominaal beschikbare inkomen: dit is de stijging van hetbruto-inkomen met daarvan afgehaald de stijging in sociale lasten en belastingen. Daarnaastmoet de inflatie (of prijsstijgingen) verwerkt worden in het inkomen om te weten in hoeverrede koopkracht daalt of stijgt. Dit wordt het reëel beschikbare inkomen genoemd.(6.3.2) Hoge lonen leidt tot hogere productiekosten. Volgens de neoklassieke zal dituiteindelijk leiden tot een grotere werkloosheid. Het Centraal Planbureau gebruikt hetJaargangenmodel om productiekosten af te zetten tegen de werkgelegenheid.Zie hfst 6; blz 172; Getallenvoorbeeld jaargangenmodel; H. BuunkDit model werk gebruikt om bezuinigingen en loonmatiging te rechtvaardigen.Een toename van arbeidsproductiviteit kan loonstijgingen en de daaruit voortkomende extrakosten opvangen. Loonkosten per eenheid van een product (de productiekosten) blijvendan gelijk. Loonruimte = vermeerdering arbeidsproductiviteit vermeerderd met prijsstijging.Looneisen worden bepaald aan de hand van de loonruimte.Zie hfst 6; blz 174; Figuur 6.3 Loonkosten per eenheid product 1970-2007; MEV 20076.4 Sociale zekerheid: het stelsel(6.4.1) 1901: eerste sociale wetgeving in de vorm van een Ongevallenwet.Tot aan WOII: Invaliditeitswet, Ziektewet, Kinderbijslagwet Loontrekkende.De wetten waren alleen bedoeld voor mensen in loondienst: werknemersverzekeringen.Na WOII werd de sociale wetgeving een recht voor alle inwoners in Nederland:volksverzekeringen.(6.4.2) Verzekeringsbeginsel: in verband met bepaalde risico’s betaalt iedereen premies. Nogaltijd bestaan er werknemersverzekeringen, die uitgaan van het equivalentiebeginsel (=evenredigheid tussen betaalde premie en hoogte van de uitkering). De volksverzekeringengaan uit van het solidariteitsbeginsel (= hoogte van de uitkering staat los van het verdiendeloon).Zie hfst 6; blz 176; Overzicht sociale verzekeringen; H. Buunkwww.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 9Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  10. 10. Verschillende instanties zijn belast met de uitvoering van de sociale zekerheid.Zie hfst 6; blz 178; Figuur 6.4 Uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen; H. BuunkNeocorporatisme: uitvoering van de sociale zekerheid is grotendeels deverantwoordelijkheid van het georganiseerde bedrijfsleven.Andere uitkeringsregelingen die niet passen binnen het stelsel van sociale verzekeringen:Aparte regelingen voor ambtenaren, pensioenverzekeringen, sociale voorzieningen.Zie hfst 6; blz 180; Overzicht sociale voorzieningen; H. Buunk(6.4.3) Wet Koppeling met Afwijkingsmogelijkheid (WKA) 1992: koppeling tussen dehoogte van de uitkeringen en de lonen. De koppeling hangt samen met het aanpassen van hetminimumloon.Zie hfst 6; blz 181; Figuur 6.5 Koppeling lonen met sociale uitkeringen volgens WetKoppeling met Afwijkingsmogelijkheid; J. BuunkOp twee soorten wijzen kan de hoogte van de uitkeringen omhoog gaan: 1. hoogte uitkering wordt gekoppeld aan hoogte brutominimumloon; 2. hoogte netto uitkering wordt gekoppeld aan nettominimumloon (=’netto- netto’koppeling).Of de koppeling daadwerkelijkheid wordt uitgevoerd, hangt af van de I/A ratio: het verschiltussen het aantal werkenden en het aantal niet-werkenden.(6.4.4) Sociale premiedruk: de bijdragen die werknemers leveren aan de kosten van desociale zekerheid liggen in Nederland relatief hoog. Deze is – door de bezuinigingen – welweer gedaald.6.5 Sociale zekerheid: trends(6.5.1) Eerste trend = bezuiniging. De manieren waarop bezuinigd kan worden op socialezekerheid zijn tweeërlei: (1) volumebeleid en (2) het prijsbeleid. Het eerste is gericht op hetaantal mensen dat afhankelijk is van de sociale zekerheid, de tweede op de hoogte van deuitkeringen.Jaren negentig: nadruk op volumebeleid. Voorbeeld: Wet Terugdringing Beroep opArbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA).(6.5.2) Tweede trend = streven naar gelijke behandeling van mannen en vrouwen.(6.5.3) Derde en vierde trend: privatisering en marktwerking.Privatisering kan op twee manieren: afstoten en uitbesteden.Voorbeelden van gevolgen marktwerking: premiedifferentiatie en invoeren eigen risico.Begrippenlijst Hoofdstuk 6, zie blz. 190 en 191.Begrippen die in de lijst zijn opgenomen: werknemersverzekeringen, sociale voorzieningen,volumebeleid, volksverzekeringen, sociale verzekeringen, prijsbeleid en –compensatie,sociale premiedruk, loonruimte, loonkosten per eenheid product, beschikbaar looninkomen,koopkracht, kapitaaldekkingsstelsel, contractloonstijging.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 10Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  11. 11. Hoofdstuk 7 Werk en inkomen7.1 Werkgelegenheid en werkloosheid(7.1.1) Arbeidsaanbod: aantal mensen dat wil en kan werken. Dit wordt ook wel bedoeld metde term beroepsbevolking (= iedereen in leeftijdscategorie 15-64 jaar). Verschil tussenwerkzame beroepsbevolking (zij die daadwerkelijk werk hebben) en werklozeberoepsbevolking (zij die geen werk hebben).Het relatieve aandeel van de beroepsbevolking dat werkzaam is wordt aangeduid met departicipatiegraad (ook wel: deelnemingspercentage).(7.1.2) Zie hfst 7; blz 195; Figuur 7.1 Participatiegraad, 1970-2007; MEV 2007In primaire sector bleef de groei van werkgelegenheid achter. De tertiaire en quartaire sector(dienstverlening) zijn juist sterk gegroeid.(7.1.3) Wanneer er een te groot aanbod aan arbeid is in relatie tot de vraag is er sprake vanwerkloosheid. Bij een overspannen/krappe arbeidsmarkt overtreft de vraag juist het aanbod.Verschillende vormen van werkloosheid: - Geregistreerde tegenover verborgen werkloosheid (geregistreerd = ingeschreven bij CWI); - Conjuncturele (=tijdelijke) tegenover structurele (niet-tijdelijke) werkloosheid. - Wrijvings- en seizoenwerkloosheid (voor een beperkte tijd sluiten vraag en aanbod niet voldoende op elkaar aan).(7.1.4) Acceleratiebeginsel: voor bedrijven die extra bestedingen doen, is het van belang datde arbeidproductiviteit toeneemt om de kosten op te vangen. Wanneer deze niet toeneemt,worden alleen vervangingsinvesteringen gedaan. Wanneer een bedrijf wel winst maakt, zal erook gedaan worden aan uitbreidingsinvesteringen. Bruto-investeringen: vervangings- enuitbreidingsinvesteringen samen.Zie hfst 7; blz 199 en 200; Getallenvoorbeeld accelerator; H. Buunk(7.1.5) Werkloosheid vanaf jaren zeventig werd steeds meer van structurele aard. Oorzaken:(1) door overcapaciteit in bepaalde sectoren wordt er minder geïnvesteerd; (2) na eeninnovatieve periode (zoals vlak na WOII) treedt onvermijdelijk een stagnatie enteruggangperiode aan (= innovatietheorie).7.2 Conjunctuur: internationaal en nationaal(7.2.1) Internationale conjunctuur kent vier conjunctuurgolven na WOII.Zie hfst 7; blz 203; Figuur 7.3 Productie in een aantal landen 1972-2007; MEV (diverse jaren)Recessies kennen drie verklaringen: (1) ineenstorting internationale geldsysteem; (2)verschuivingen in internationale arbeidsdeling; (3) olieprijsverhogingen.(7.2.2) Nederlandse conjunctuur volgt de trends in de internationale conjunctuur. In jarenzeventig/tachtig bleef Nederland achter. Verklaringen: (1) in Nederland trad al snel de-industrialisatie in door verkeerde specialismen; (2) té hoge collectieve uitgaven; (3) na dejaren zestig een zeer snelle loonkostenstijging.7.3 Ongelijkheid op de arbeidsmarkt(7.3.1) Verschillen in arbeidskansen: (1) lage participatiegraad bij vrouwen en allochtonen;(2) hoogopgeleiden hebben betere kansen dan laagopgeleiden.Zie hfst 7; blz 208; Figuur 7.5 Arbeidsparticipatie en werkloosheid naar etnische achtergrond2005; CBSwww.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 11Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  12. 12. Andere verschillen: (1) arbeidsvoorwaarden zijn in de ene sector beter dan in de andere;flexibele arbeid levert vaak zwakke arbeidsvoorwaarden op; (2) beloningsverschillen (tussenmannen en vrouwen en autochtonen en allochtonen). Indirecte beloningsverschillen:vrouwen werken vaker beneden hun niveau waardoor ze minder goed betaald worden dan intheorie mogelijk zou zijn.(7.3.2) Verschillen in niveau zijn vanaf de jaren zestig groter geworden op de arbeidsmarkt.Het algemene opleidingsniveau is gestegen. Dit leidt tot overscholing: werknemers werkensteeds vaker onder het niveau van hun opleiding. Mensen met een lagere opleiding wordendan uit hun functies verdrongen door mensen met een hogere (voor de functie: té hoge)opleiding.Theorie van de dubbele arbeidsmarkt: arbeidsmarkt bestaat uit een primair en eensecundair gedeelte. In de primaire sector vallen de goedbetaalde, stabiele banen. Desecundaire sector bestaat uit slecht betaalde, flexibele banen met zwakke arbeidsvoorwaarden.Tussen de beide sectoren bestaat een grote kloof: mensen die vooral banen hebben in desecundaire sector krijgen moeilijk een baan in de primaire sector. Vrouwen en minderhedenzijn oververtegenwoordigd in de secundaire sector.(7.3.3) Probleem: veel werkloosheid onder laaggeschoolden. Dit zou kunnen wordenopgelost door verlaging van het minimumloon. Toch is het effect daarvan klein: in de politiekis weinig steun voor dit idee. Andere oplossing kan zijn: verschil tussen netto-uitkering en hetnettominimumloon groter maken. Het is nu voor een aantal mensen financieel aantrekkelijkerop een uitkering te ontvangen dan om te werken. Het netto-inkomen neemt nauwelijks toewanneer een baan op minimumniveau wordt geaccepteerd. Dit heet de armoedeval.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 12Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk
  13. 13. 7.4 Inkomensverdeling(7.4.1) Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire, secundaire en tertiaireinkomensverdeling.(7.4.2) Primaire inkomensverdeling: inkomens die in het productieproces tot stand komen (debruto inkomens). Andere benaming: kapitaalinkomens. De verdeling van deze inkomens iszeer ongelijk.(7.4.3) Secundaire inkomensverdeling: inkomens die voortkomen uit het overdragen vaninkomen (de netto inkomens). Tot 1980 was er sprake van nivellering. Daarna volgdedenivellering. Dit heeft te maken met het loslaten van de koppeling tussen de hoogte vanminimumuitkeringen en het netto loon.(7.4.4) Tertiaire inkomensverdeling: inkomens waarin gebruik van overheidsdiensten inmeegenomen. De winst die door mensen wordt gemaakt door gebruik te maken van dienstenvan de overheid is ongelijk verdeeld.Begrippenlijst Hoofdstuk 7, zie blz. 226 en 227.Begrippen die in de lijst zijn opgenomen: Wrijvingswerkloosheid, structurele enconjuncturele werkloosheid, progressief/proportioneel/degressief tarief, seizoenwerkloosheid,segmentering, participatiegraad, inkomensverdeling, inkomen, bruto-investeringen,beroepsbevolking, arbeidsaanbod, accelerator.www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! 13Bron : De economie in Nederland – Hans Buunk

×