Uitleg onderwerp _on_

1,264 views

Published on

Het onderwerp

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,264
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
144
Actions
Shares
0
Downloads
6
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Uitleg onderwerp _on_

  1. 1. Uitleg onderwerp (on) Je vindt het onderwerp door de zin in een ander getal (enkelvoud/meervoud) te zetten. Het woord dat dan verandert, is het onderwerp.
  2. 2. voorbeelden <ul><li>Hij heeft haar toen zien lopen. </li></ul>Hij is het on, want dat moet veranderen. Hij wilde niet, dat zij hem zou zien. wilden zouden hebben Hij is het on in de eerste zin. zij is het on in de tweede zin, ook al lijkt het niet te veranderen!
  3. 3. Al na een kwartier had zij het eerste hoofdstuk helemaal gelezen. uitleg antwoord on = zij
  4. 4. Al na een kwartier had zij het eerste hoofdstuk helemaal gelezen. hadden zij is het on, want dat moet veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  5. 5. Staat in een vragende zin de persoonsvorm altijd vooraan? uitleg antwoord on = de persoonsvorm
  6. 6. Staat in een vragende zin de persoonsvorm altijd vooraan? de persoonsvorm is het on, want dat moet veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  7. 7. Doe die deur eens even achter je dicht! uitleg antwoord on = (jij)
  8. 8. Doe die deur eens even achter je dicht! (jij) is het on, want dat moet veranderen, als je de zin in een ander getal zet. Lastig, want dit is een gebiedende wijs, en daarin ontbreekt het on. Je moet dan eerst even het onderwerp jij toevoegen.
  9. 9. Had jij dit antwoord van haar verwacht? uitleg antwoord on = jij
  10. 10. Had jij dit antwoord van haar verwacht? jij is het on, want dat moet veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  11. 11. Daar wordt op de deur geklopt! uitleg antwoord on ontbreekt!
  12. 12. Daar wordt op de deur geklopt! Er is geen on, want er verandert niets, als je de zin in een ander getal zet.
  13. 13. Hadden ze me dat maar iets eerder verteld! uitleg antwoord on = ze
  14. 14. Hadden ze me dat maar iets eerder verteld! ze is het on, want dat moet veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  15. 15. Als je het mij vraagt, bedoelen ze precies hetzelfde. uitleg antwoord on = je en ze
  16. 16. Als je het mij vraagt, bedoelen ze precies hetzelfde. je en ze zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  17. 17. Toen ze die boom hadden omgezaagd, zagen ze pas, dat er een schat onder lag. uitleg antwoord on = ze, ze en een schat
  18. 18. Toen ze die boom hadden omgezaagd, zagen ze pas, dat er een schat onder lag. ze, ze en een schat zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  19. 19. Het is gemeen, als je zonder bewijs zegt, dat zij het heeft gedaan. uitleg antwoord on = het, je en zij
  20. 20. Het is gemeen, als je zonder bewijs zegt, dat zij het heeft gedaan. het, je en zijn zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  21. 21. In de vakantie zie je vaak, dat mensen naar het buitenland gaan, omdat het weer daar warmer is. uitleg antwoord on = je, mensen en het weer
  22. 22. In de vakantie zie je vaak, dat mensen naar het buitenland gaan, omdat het weer daar warmer is. je, mensen en het weer zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  23. 23. Zij blijven de hele vakantie in Nederland, omdat volgens het KNMI het hier ook warm wordt. uitleg antwoord on = zij en het
  24. 24. Zij blijven de hele vakantie in Nederland, omdat volgens het KNMI het hier ook warm wordt. zij en het zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  25. 25. Als je daar je rijbewijs wilt verliezen, hoef je alleen maar dronken achter het stuur te gaan zitten. uitleg antwoord on = je en je
  26. 26. Als je daar je rijbewijs wilt verliezen, hoef je alleen maar dronken achter het stuur te gaan zitten. je en je zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  27. 27. Er wordt blindelings van uitgegaan, dat het waar is, wat ze daarover verteld hebben. uitleg antwoord on = -, het en ze
  28. 28. Er wordt blindelings van uitgegaan, dat het waar is, wat ze daarover verteld hebben. het en ze zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet. In de eerste zin verandert niets, en daarin staat dus geen on.
  29. 29. Wie dat heeft gezegd, is niet bekend, maar je kunt het wel raden. uitleg antwoord on = wie, zin 1 en je
  30. 30. Wie dat heeft gezegd, is niet bekend, maar je kunt het wel raden. wie en je zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet. De eerste zin kun je vervangen door dat , en dat moet veranderen ( die dingen zijn niet bekend ), dus zin 1 is het on van zin 2.
  31. 31. Wie je vertrouwt, vertel je het, maar dat lijkt me logisch. uitleg antwoord on = je, zin 1 en dat
  32. 32. Wie je vertrouwt, vertel je het, maar dat lijkt me logisch. je, je en dat zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  33. 33. Wil je het meisje van wie je dit hebt gehoord, mijn hartelijke groeten doen? uitleg antwoord on = je en je
  34. 34. Wil je het meisje van wie je dit hebt gehoord, mijn hartelijke groeten doen? je en je zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  35. 35. Ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen. uitleg antwoord on = ik, ik en ik
  36. 36. Ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen. ik, ik en ik zijn de on, want die moeten veranderen, als je de zin in een ander getal zet.
  37. 37. einde

×