Uploaded on

 

More in: Education
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
54
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2

Actions

Shares
Downloads
8
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Welkom in de veertiende les!
  • 2. Wie is de oudste persoon in jouw familie? Welk boek lees je het liefst? Wie vind jij de beste zanger(es) ter wereld? Welke taal vind jij het mooist? Waar ging je verste reis heen? Discussie
  • 3. Vraagjes 1. Hoe zegt Jennifer dat ze zich zorgen maakt over Bert? 2. Wat is het Nederlandse woord voor iets zeggen wat niet waar is? 3. Hoe reageert Brian als Jennifer zegt dat ze Bert moet helpen? 4. Hoe verbetert Jennifer haar eigen woorden in de tekst? 5. Hoe zegt Brian dat dit probleem de fout van Jennifer is?
  • 4. Comparatief GEBRUIK 1. Bert is groter dan Brian. Bert is groter dan hij. Bert is even groot als Brian. Bert is even groot als hij. Bert ziet Els liever dan Alison. Bert ziet Els liever dan haar. Bert vindt Els even lief als Alison. Bert vindt Els even lief als haar. 2. Peter is niet even sterk als Brian. Peter is niet even sterk als hij. Peter is niet zo sterk als Brian. Peter is niet zo sterk als hij. Els vindt Brian niet even lief als Bert. Els vindt Brian niet even lief als hem. Els vindt Bert niet zo knap als Paolo. Els vindt Bert niet zo knap als hem.
  • 5. ADJECTIEF SUPERLATIEF moeilijk het moeilijkst dik het dikst wijs het wijst pessimistisch het meest pessimistisch VORM Superlatief = - het + adjectief + -st - het + meest + adjectief op -isch ADJECTIEF SUPERLATIEF goed het best dikwijls het vaakst graag het liefst veel het meest weinig het minst Superlatief = speciale vorm Superlatief
  • 6. GEBRUIK 1. De nachten duren het langst. Zo gaat de dag het snelst voorbij. superlatief zonder substantief Bert is het ongelukkigst. 2. 21 december is de kortste dag. Hij heeft de minste fouten gemaakt. superlatief met substantief De winter is het natste seizoen. Zij heeft het meeste geld van ons allemaal. 3. Bert zit op de voorste rij. Els staat op de achterste rij. superlatief van preposities Het boek ligt op het bovenste rek. De stofzuiger staat op het onderste rek. Superlatief
  • 7. Oplossing 1. Dat is de man die mij heeft ontslagen. 2. Dat is de dikste, de domste en de arrogantste directeur die ik ooit heb ontmoet. 3. Dat is een man die niet van mensen maar van cijfers houdt. 4. Het resultaat dat hij heeft getoond, klopt niet. 5. Jij moet werk zoeken in een bedrijf dat niet zo groot is. 6. Jij moet werken voor een baas die van zijn werknemers houdt.
  • 8. HOOFDZIN BIJZIN Subject Verbum Rest Link Subject Rest Verbum Dit is de man die zij graag ziet. Dit is de vrouw die jou zoekt Dit is het huis dat hij niet koopt. Dit is een kind dat klein is. OPGELET! 1. de-woorden en meervoud  die het-woorden  dat 2. Structuur van de bijzin! Relatief pronomen
  • 9. Vraagjes 1. Waarom willen Paolo en Bert een dag vakantie nemen? 2. Waarom wil Peter uitgaan? 3. Waar wil Els naartoe?Waarom?
  • 10. Els en Peter gaan naar een restaurant om eens lekker te eten. Paolo wil een dag vakantie om helemaal te genezen. Bert wil in bed blijven om uit te rusten. We nemen een pauze om even goed na te denken. OPGELET! 1. om (+ extra informatie) + te + infinitief 2. scheidbare werkwoorden in twee delen! Een doel uitdrukken
  • 11. Hebben jullie veel dorst? Schol!