Drieëntwintigste les
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Like this? Share it with your network

Share
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
59
On Slideshare
52
From Embeds
7
Number of Embeds
1

Actions

Shares
Downloads
3
Comments
0
Likes
0

Embeds 7

https://cygnus.cc.kuleuven.be 7

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Welkom in de drieëntwintigste les!
  • 2. Studeerde je als kind regelmatig? Verveelde je je soms in de vakantie? At je vroeger alles wat je ouders klaarmaakten? Was je vaak alleen thuis? En wat deed je toen in de schoolvakanties? Discussie
  • 3. Sommige boeken kan ik in de bibliotheek vinden. Andere moet ik kopen. Enkele studenten hebben de les niet begrepen. Enkelen hebben de les niet begrepen. Hij heeft honderden boeken. Hij heeft weinig vrienden. De weinige vrienden die hij heeft, ziet hij niet zo vaak. OPGELET! 1. zelfstandig onbepaald telwoord + -en bij een persoon 2. honderden, duizenden, miljoenen  altijd + -en 3. veel, weinig + onbepaald substantief vele, weinige + bepaald substantief Onbepaalde telwoorden
  • 4. Hij zit een boek te lezen. Zij loopt de hele dag te zingen. Dit formulier hoef je niet in te vullen. Bert heeft Jennifer niet gevraagd naar Leuven te komen. Hij lijkt niet gemakkelijk over zijn gevoelens te praten. Bert heeft besloten in de winkel van Elly te gaan werken.OPGELET! 1. zitten, liggen, staan, hangen, lopen 2. hoeven 3. denken, vragen, zeggen, lijken, schijnen, beslissen, besluiten, beginnen, proberen, beloven, vergeten Werkwoorden + te + infintief
  • 5. Je kunt morgen niet naar de les komen. Hij zal volgend jaar niet meer in België wonen. Ga je dat allemaal alleen doen? Ik hoor hem op zijn gitaar spelen. De moeder voelt de baby in haar buik bewegen. Ik zie de trein het station binnenrijden. OPGELET! 1. kunnen, willen, mogen, moeten, zullen 2. gaan, komen, blijven, laten 3. zien, horen, voelen Werkwoorden + infintief
  • 6. Jennifer komt naar België om Bert te helpen. Ik werk hard om een verre reis te kunnen maken. Het is niet gemakkelijk (om) een goede moeder te zijn. Hij is veel te zacht om te vechten. Bert is oud genoeg om zijn eigen leven te organiseren. OPGELET! 1. om te kan een doel uitdrukken 2. na een adjectief volgt vaak om te  om zal vaak wegvallen  om blijft bij te + adjectief of adjectief + genoeg Om te + infintief
  • 7. Studeer goed! In de laatste les beantwoorden we jullie vragen!