• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Waakzaam tussen wijk en wereld
 

Waakzaam tussen wijk en wereld

on

  • 412 views

Nationaal Intelligence Model (NIM) sturen op en met informatie (2008)

Nationaal Intelligence Model (NIM) sturen op en met informatie (2008)

Statistics

Views

Total Views
412
Views on SlideShare
401
Embed Views
11

Actions

Likes
0
Downloads
2
Comments
0

1 Embed 11

http://socialmediadna.nl 11

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Waakzaam tussen wijk en wereld Waakzaam tussen wijk en wereld Document Transcript

    • Waakzaam tussen wijk en wereld Nationaal Intelligence Model Sturen op en met informatie Strategische beleidsgroep intelligence
    • Op 12 december 2012 werken alle politiekorpsen informatiegestuurd. videoapparatuur die voortdurend is verbonden met meldkamer en informatieknooppunt. Er is landelijke sturing door afspraken over de aard, kwaliteit en tijdigheid van veiligheidsproducten. Op alle niveaus zijn er stuurploegen die sturen op basis van real time veiligheidsbeelden. De stuurploegen krijgen hun informatie van de informatieknooppunten. De medewerkers van de informatieknooppunten verzamelen, verwerken, analyseren en verstrekken stelselmatig informatie. Informatie over locaties, delicten en daders. En informatie over knooppunten van goederen-, mensen-, geld- en informatiestromen. Door de dreigingskaarten verdwijnt de algemene surveillance. Blauw is op de plek waar de (verwachte) dreiging het grootst is of waar vanuit handhavingoogpunt politietoezicht gewenst is. Op de rustige plekken is de wijkagent met de ogen en de oren open nog steeds zichtbaar aanwezig: niet voor de opvolging maar om de kennis van de samenleving actief levend te houden. De uitvoering van het rechercheproces is op een hoger niveau gebracht. De analyseomgeving is ingrijpend veranderd. En de rol van de analist ook. Rechercheurs en analisten beschikken op alle niveaus over gevalideerde instrumenten om informatie te analyseren: statistische technieken en geografische en dader- profiling maar ook forensic intelligence vormen standaards. Met kennis van zaken gebruiken rechercheurs instrumenten om scenario’s te genereren en tegenspraak te organiseren. De analist is een volwaardige partner op sturingsniveau. Medewerkers van informatieknooppunten zijn vakvolwassen. De vragen die zij uitzetten zijn niet alleen s.m.a.r.t. maar ook toegesneden op de rol van de collega. Alle collega’s hebben hun eigen informatieprofiel: Zij zien wat ze nodig hebben: niet minder, niet meer. De wijkagent krijgt de operationele informatie over zijn werk, de districtschef zijn tactische sturingsinformatie en de korpschef haar strategische informatie Tot slot is er boven het nationale niveau het internationale niveau. Europese handhaving en opsporing is de normaalste zaak van de wereld. Nationale dreigingsbeelden zijn gecombineerd tot een Europees dreigingsbeeld. En het Europese informatieknooppunt overkoepelt de nationale informatieknooppunten. De Europese Raad van Hoofdcommissarissen vormt de stuurploeg voor de European Information Hub. Innovatieve ICT stelt de stuurploegen in staat verbanden te leggen en informatie in de context te interpreteren. Deze gevalideerde informatie wordt gepresenteerd op kaarten waarin informatie van politie, overheid en open bronnen samenkomt. De lokale, regionale en landelijke veiligheidskaart zijn geheel ingeburgerde begrippen. Elke eenheid begint met een korte briefing. Deze start met een overzicht van de hotspots en hotshots. Daarna worden de opdrachten van de dag uitgezet. Eenmaal op pad worden alle eenheden voorzien van de voor de opdracht benodigde informatie. Op het moment dat een eenheid het gebied inrijdt verschijnt alle informatie over dat gebied. Wanneer zij belast is met de controle van verkeersknooppunten dan is deze informatie bijvoorbeeld afkomstig uit de CatchKen. Wanneer ze belast is met observatie dan verschijnt op kaart niet alleen de vermoedelijke vastgestelde plaats van het subject, maar ook de posities van contacten, favoriete kroegen en parkeerplekken. Gedetailleerde kaarten van panden en straten zijn on-line beschikbaar. Elke eenheid beschikt over de benodigde informatie. Need to share is onderdeel van de cultuur geworden. Wanneer een eenheid een kenteken van een auto controleert dan is meteen bekend welke teams ook op de bestuurder werken. De eenheid krijgt niet alleen informatie. Ook geeft zij voortdurend informatie terug. Informatie uit directe waarneming en over verdachte omstandigheden wordt actief gedeeld. Dit is mondelinge en beeldinformatie omdat alle voertuigen beschikken over fotoen II
    • Inleiding Noodzaak De Nederlandse Politie is in ontwikkeling.1 Vooral de ontwikkelingen op het gebied van informatie hebben de afgelopen jaren niet stil gestaan. De introductie van informatiegestuurde politie, de vele producten van Abrio, en zeker ook externe druk op de politie hebben daaraan bijgedragen. Internationale dreigingen doen een steeds groter beroep op onze intelligence. Beschikt de overheid wel over de informatie om de burger afdoende te beschermen? Beschikken we over een samenhangend stelsel zonder schotten dat het mogelijk maakt om informatie te ontsluiten? Wordt informatie snel en goed genoeg uitgewisseld tussen overheidsdiensten? Kunnen we op basis van informatie, proactief beslissen over de inzet van politie? Hoe ontwikkelen wij ons in beter adviseren en signaleren? Politie Nederland heeft op dit moment geen eenduidig antwoord op al deze, en tal van andere, met recht gestelde vragen. De genoemde ontwikkelingen zijn nog niet in een samenhangend model bij elkaar gebracht. De noodzaak hiervoor komt wel naar voren uit het onlangs verschenen rapport van de Inspectie openbare orde en veiligheid: Ondanks de vorderingen die gemaakt worden, moeten knopen worden doorgehakt om te komen tot één nationale visie op de informatiehuishouding.2 Dat doen we in het Nationale intelligence model. Dit maakt de taken en verantwoordelijkheden op lokaal, regionaal en nationaal niveau helder. Er ontstaat een samenhangende informatiehuishouding waarbij standaards ontstaan voor informatie-uitwisseling en voor het informatievak. Hiermee ontstaat doorzettingskracht binnen de Nederlandse Politie. Het bevoegde gezag krijgt beter inzicht, kan zijn gezagsmatige positie beter waarmaken en helder sturen. Baten van het nationale intelligence model Ons takenpakket is ruim. Capaciteit is een schaars goed. Een samenhangende informatiehuishouding, gecombineerd met doorzettingskracht leidt er toe dat we binnen de kaders van het bevoegde gezag beter in staat zijn om beslissingen te nemen over de inzet van capaciteit. Deze strategische, tactische en operationele beslissingen zijn waar mogelijk proactief in plaats van reactief. De beslissingen zijn dan ook gebaseerd op geanalyseerde, gewogen informatie. Het nationale intelligence model geeft sturing aan het verzamelen en verwerken van deze informatie. Het geeft een beschrijving van de informatieproducten die we gebruiken om mee te beslissen. En het geeft aan wie, welke producten vervaardigt. Dit leidt er toe dat er geen dingen meer dubbel worden gedaan. Plek Politie in Ontwikkeling schetst een aantal punten op de horizon.3 Eén van deze punten is dat de Nederlandse politie informatiegestuurd werkt. Naast Politie in Ontwikkeling is er Wenkend Perspectief.4 Wenkend Perspectief beschrijft de ICT-ondersteuning van de totstandkoming van informatieproducten. De plek van het nationale intelligence model is tussen Politie in Ontwikkeling en Wenkend Perspectief. Het geeft de informatievertaling van Politie in Ontwikkeling. Wat volgt Het nationale intelligence model geeft aan op welke wijze we de politie gaan sturen met informatie. Het belangrijkste aspect van het model is daarmee het sturingsaspect. Voor de bespreking van het model gaan we eerst in op een aantal uitgangspunten en definities. Na de bespreking van het model 1 2 3 4 Politie in ontwikkeling: Visie op de politiefunctie (2005). Projectgroep Visies op de politiefunctie Raad van Hoofdcommissarissen. NPI: Den Haag. Landelijke coördinatie en uitwisseling van politie-informatie. Ontwikkelingen sinds rapportage 2004 (2006). Inspectie openbare orde en veiligheid. Den Haag Politie in ontwikkeling: Visie op de politiefunctie. NPI: Den Haag. Wenkend perspectief: Strategische visie op politieel informatiemanagement & technologie 2006 – 2010 (2006). Projectgroep Visies op de politiefunctie Raad van Hoofdcommissarissen. Politie Nederland: Driebergen. 3
    • komen de voorwaarden voor de introductie van het model aan de orde. De implementatieplannen voor het model worden afzonderlijk beschreven. Samenvoeging van bestaande Het nationale intelligence model is een ordening van grotendeels bestaande politiestructuren, processen en -producten. Als we ons committeren aan het model dan committeren we ons ook aan de bouwstenen. We geven dan ook concernbreed uitvoering aan wat al is geformuleerd, of deels nog geformuleerd zal worden in: • Politie in ontwikkeling • De normaalste zaak van de wereld: Visie op internationalisering van de Nederlandse Politie • Wenkend perspectief • Informatie – meer – waard – t/e. Rapportage verzamelen en verwerken veiligheidsinformatie • Intelligence agenda • RBP 2006 • Landelijke autorisatiemodel • Afspraken over landelijke informatiecoördinatie • Landelijke formats voor analyses 4
    • Uitgangspunten Drie niveaus van wijk naar wereld Het nationale intelligence model is in essentie het tactisch sturen van de politie met en op informatie. De politie kent drie sturingsniveaus. Niveau 1 begint in de wijk. Niveau 3 eindigt in de wereld. Zoals het werken in de wijk nu vanzelfsprekend is, zo zal ook onze internationale rol de normaalste zaak van de wereld worden: 5,6 Niveau 1: Lokale criminaliteit en ordeverstoring op wijk-, dan wel districtsniveau Niveau 2: Criminaliteit of verstoring van de orde over de grenzen van het district heen, waarbij soms de inzet van bijzondere teams of eenheden nodig is Niveau 3: Zware georganiseerde criminaliteit of openbare ordeproblematiek op nationaal en internationaal niveau waarbij de inzet van speciale diensten of eenheden nodig is Op alle sturingsniveau kan in beginsel strategisch, tactisch en operationeel gestuurd worden. De definities zijn: Strategisch: Beslissingen over de beleidsvorming. Tactisch: Beslissingen over capaciteit en de aanpak. Operationeel: Beslissingen over de daadwerkelijke uitvoering. In het dagelijkse taalgebruik binnen de politie worden deze definities niet altijd even strikt gehanteerd. Een onderzoeksleider spreekt bijvoorbeeld niet zelden over de onderzoeksstrategie. In het nationale intelligence model hanteren we bovenstaande definities. Wettelijke kaders Inzet van politie vindt plaats onder gezag van de driehoek. De rolverdeling tussen Openbaar Bestuur, Openbaar Ministerie en politie, blijft zoals deze wettelijk is vastgelegd. Het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie (zie hieronder) vindt plaats binnen de bestaande wettelijke kaders. Stuurploegen Het nationale intelligence model is de basis voor het tactisch sturen van de politie met informatie. Stuurploegen vervullen hierin een kernrol. Stuurploegen zijn een drie-eenheid die bestaat uit, vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, van het Openbaar Bestuur en politie. De stuurploegen stellen prioriteiten in de aanpak en inzet van de politie. Stuurploegen functioneren onder het gezag van de driehoek. Weegploegen bereiden zaken voor de stuurploegen voor. Dus: - Driehoeken werken op strategisch niveau, - Stuurploegen werken op tactisch niveau - Weegploegen werken op tactisch (tactiek van zaken) en operationeel niveau. Het betreft hier een grove indeling. In een driehoek zal immers ook gesproken worden over de operationele aanpak van een evenement. Als vastgesteld wordt dat stuurploegen primair op tactisch niveau sturen, betekent dit dat naast de capaciteit gestuurd wordt op de wijze van aanpak. Gaan we handhaven, opsporen, preventie inzetten? Beslissingen over bijvoorbeeld een infiltratietraject binnen een onderzoek zijn, en blijven, de exclusieve verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en komen niet aan de orde in de stuurploeg maar in de weegploeg. Inrichting stuurploegen De wijze van inrichting van stuurploegen kan per regio verschillen. Zo kan besloten worden dat de driehoek tevens de rol van stuurploeg vervult en daarmee zowel strategisch als tactisch stuurt. 5 6 Korps landelijke politiediensten: Dienst internationale politiesamenwerking (2007). De normaalste zaak van de wereld: Visie op internationalisering van de Nederlandse Politie. Guidance on the National Intelligence Model (2005). National Centre on Policing Excellence. Bedford, UK. 5
    • Essentieel is dat gestuurd wordt óp en mét informatie door het Openbaar Ministerie, bestuur en politie. De stuurploeg bepaalt immers de intelligence agenda en stuurt daarmee het knooppunt aan. Landelijk uitvoerende politiediensten De politie kent een aantal landelijk uitvoerende politiediensten. Dit zijn diensten die zich bijvoorbeeld bezighouden met toezicht en opsporing op het spoor, de weg of het water. Maar ook diensten als de Nationale Recherche, specialistische interventie en operationele coördinatie die op andere wijze toegevoegde waarde leveren binnen specifieke domeinen of met bijzondere expertise. Deze landelijke diensten hebben stuurploegen die integraal beslissen over de inzet van mensen en middelen en aanpak door deze diensten. Afhankelijk van de opdracht van de landelijke dienst is de stuurploeg gekoppeld aan niveau een, twee of drie binnen het Nationale inteligence model, echter dit vraagt binnen de uitgangspunten van het model hier en daar wel enige maatwerk. Dit laatste geldt overigens ook voor de her en der aan regiokorpsen verbonden eenheden die landelijke politiediensten uitvoeren. Uitgangspunt is dat elk van deze diensten een eigen informatieknooppunt heeft. Dit informatieknooppunt zal het niveau van een regionaal informatieknooppunt niveau niet overstijgen: het Nationale intelligence model kent immers slechts één nationaal informatieknooppunt voor nationale en internationale informatie-uitwisseling. Intelligence Voor het nationale intelligence model gebruikende we de volgende definitie: Intelligence is geanalyseerde informatie op grond waarvan beslissingen over de uitvoering van de politietaak worden genomen Dit is niet de definitie die alle andere overbodig maakt. 7 Het is een pragmatische werkdefinitie. Een werkdefinitie omdat het mogelijk is om met ervaringen in de praktijk de definitie in een volgende versie van het nationale intelligence model aan te passen. Pragmatisch omdat de definitie: 1. Grotendeels aansluit bij de door Abrio geformuleerde definitie8 2. Aansluit bij het referentiemodel bedrijfsprocessen politie (RBP 2006). Dit bestaat uit de hoofdprocessen Besturen, Voorbereiden, Uitvoeren, Verbeteren en Ondersteunen. Intelligence is de verbindende stap tussen de processen voorbereiden en uitvoeren. Het proces verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie beschrijft hoe dit in zijn werk gaat.9 En het beschrijft wat het resultaat is: Veiligheidsproducten. En met deze veiligheidsproducten worden beslissingen genomen over de uitvoering van de politietaak. 7 8 9 Een in 2007 ontsloten notitie van de CIA draagt de veelzeggende titel: “Wanted: a definition of intelligence: understanding our craft”. Deze definitie sluit goeddeels aan op de door Abrio gehanteerde: “door gebruikmaking van gegevens en informatie (intern en extern) zicht krijgen op problemen en bedreigingen waardoor heldere (operationele) keuzes gemaakt kunnen worden, zodat mensen en middelen effectief en efficiënt ingezet kunnen worden om een maximaal resultaat te bereiken.” (Op naar een intelligence organisatie, versie 1.2. Programmabureau Abrio, oktober 2003.) Informatie – meer – waard – t/e. Rapportage verzamelen en verwerken veiligheidsinformatie (2006). Programmabureau Abrio, productgroep informatieproces. 6
    • Het nationale intelligence model Inrichting Het nationale intelligence model is het samenhangende stelsel van informatieknooppunten, stuurploegen en uitvoerende eenheden, functionerend binnen de kaders van het bevoegd gezag. Zie figuur 1. Sturing op veiligheidsinformatie: Informatieknooppunten Het informatiehuis bestaat uit: - Districtsinformatieknooppunten (DIK) die opereren op niveau 110 - Regionale informatieknooppunten (RIK) die opereren op niveau 2 - Een nationaal informatieknooppunt (NIK) dat opereert op niveau 3 Via de lijnen tussen de informatieknooppunten vindt sturing op uitvoering van de intelligence agenda en informatiecoördinatie plaats. Dit is de verticale lijn uit figuur 1. De informatieknooppunten zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming van veiligheidsproducten en werken met gestandaardiseerde producten en processen. Hiervoor hebben zij dan ook bevoegdheden. Als het de verantwoordelijkheid van een regionaal informatieknooppunt is om een regionale criminaliteitsbeeldanalyse te maken, dan heeft het ook de bevoegdheid om een inwinplan te maken op basis waarvan anderen verplicht zijn informatie te leveren. Op landelijk niveau geldt dit bijvoorbeeld voor het nationale dreigingsbeeld en voor de tactische monitor. Figuur 1: Nationaal intelligence model, tactisch sturen Sturen Handhaven Opsporen Opsporen Handhaven Opsporen RDB (NDB-bouwsteen) CBA+ & voorstellen Afloop- & eindberichten Overzicht plankzaken Handhaven Opsporen Opsporen NDB & int.agenda CBA+ & voorstellen Tactische monitor Afloop- & eindberichten DDB (RDB-bouwsteen) onderzoeksvoorstellen Afloop- & eindberichten veiligheidsinformatie Nationaal Nationaal Stuurploeg Producten Noodhulp Regionaal Regionaal Landelijke stuurploeg DIK Uitvoeren Noodhulp Lokaal Lokaal Lokale stuurploeg Regionale stuurploeg Voorbereiden veiligheidsinformatie RIK Stuurploeg 10 NIK Stuurploeg Niet alle korpsen kennen het district. Essentieel hier is dat we op drie niveaus sturen en dat informatieknooppunten worden georganiseerd tot in de haarvaten van de politie 7
    • Langs de NIK-RIK-DIK-lijn lopen vanuit de bevoegde autoriteit de gerichte informatievragen en de opdrachten die om inzet van de politie vragen. Deze lijn dient daarmee alle inzet van de politie. Niet alleen de informatiecoördinatie bij bijzondere incidenten. Dit lukt alleen maar bij doorzettingsmacht ontleend aan een besluit namens de Raad van Hoofdcommissarissen (binnen de kaders van het bevoegd gezag). De raad stuurt dan ook het NIK. Beslissen over de prioritering in de inzet van de politie: Stuurploegen De stuurploeg bestaat uit politie, vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en van het Openbaar Bestuur. Deze integrale samenstelling is nodig omdat stuurploegen in beginsel alle politieprocessen aansturen, te weten: Toezicht & Handhaving, Opsporing, Noodhulp en Intake & Service. Daarnaast is door deze samenstelling de stuurploeg in staat om voor de maatschappelijke problemen die het hoofd moeten worden geboden het strafrechtelijk en bestuurlijk instrumentarium complementair in te zetten. De taak van de stuurploeg is: integraal beslissen over de prioritering in de inzet van de politie. Beslissingen neemt de stuurploeg met gestandaardiseerde en stapelbare veiligheidsproducten die worden gegenereerd door de informatieknooppunten. De sturing van het informatieproces én het tactische vervolg is daarmee in handen van de stuurploeg. Er is geen tactische informatieknooppunt. eenheid zonder stuurploeg. Er is geen stuurploeg zonder Bij deze rolverdeling blijven de gezagsrollen zoals ze zijn. Inzet van politie vindt plaats onder gezag van de driehoek. In onderstaande tabel staat de samenstelling van de stuurploeg op de drie niveaus Omdat het gaat om beslissingen over de inzet van de politie, is de politiechef voorzitter van de stuurploeg. Tevens brengt hij deskundigheid op het gebied van het politievak in. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie brengt deskundigheid in over de vervolging en beslist mee vanuit de eigenstandige bevoegdheden. De vertegenwoordiger van het Openbaar bestuur levert actief bestuurlijke deskundigheid en pakt de zaken op die bestuurlijke inzet vergen. Deze vertegenwoordiger zorgt ook voor afstemming met collega-bestuurders. Ook lid van de stuurploeg is de informatiecoördinator die zorgt dat tijdig de juiste veiligheidsproducten beschikbaar zijn. Tabel 1: Samenstelling stuurploegen Lid Politiechef Vertegenwoordiger Openbaar Ministerie Vertegenwoordiger Openbaar Bestuur Informatiecoördinator Niveau 1 Districts, -divisiechef, lokale leiding Gebiedsofficier (Vertegenwoordigend) burgemeester Lokaal of districts informatiecoördinator Niveau 2 Korpsleiding Parketleiding Korpsbeheerder of Vertegenwoordigend burgemeester Regionaal informatiecoördinator Niveau 3 Vertegenwoordiger Raad hoofdcommissarissen Vertegenwoordiger college van PG Vertegenwoordiger korpsbeheerdersberaad Nationaal informatiecoördinator Er is ‘verticale’ sturing op de voorbereiding door het NIK, de RIK-en en DIK-en. Er is ‘horizontale’ sturing op de uitvoering door stuurploegen van de politieprocessen. Er vindt geen diagonale sturing plaats De stuurploegen zijn probleemgericht. Dit neemt echter niet weg dat zaken soms het onderwerp van gesprek zijn: de keuze om bepaalde problemen aan te pakken leidt soms onvermijdelijk tot zaken. De stuurploeg prioriteert. De daadwerkelijke voorbereiding en uitwerking van zaken is in handen van weegploegen. De weegploegen werken op zaaksniveau. Voor de opsporing zal een weegploeg bestaan uit politie en het Openbaar Ministerie. Voor bijvoorbeeld evenementen bestaat de weegploeg uit bureau CCB, een evenementverantwoordelijke uit het geografische team, het bestuur en politie. 8
    • Besluitvorming Besluitvorming vindt éénmaal op één niveau plaats. Besluitvorming binnen een DIK wordt niet overgedaan door een RIK. Het hogere besluitvormingsniveau kan wel invloed hebben op het lagere niveau. Voor de sturing op het informatieproces geldt hetzelfde. De nationale sturing met het nationale dreigingsbeeld en de intelligence agenda op het informatieproces en op de bovenregionale voorzieningen geschiedt door de landelijke stuurploeg en heeft invloed op de kaders waarbinnen regionale stuurploegen sturen. Domein Elke stuurploeg, elk informatieknooppunt heeft een nadrukkelijk afgebakend domein. Op dit domein wordt gestuurd met vastgestelde veiligheidsproducten. Het nationale informatieknooppunt heeft als geografisch domein de regio-overschrijdende problemen. De regionale informatieknooppunten hebben als geografisch domein de districtsoverschrijdende problemen. Het DIK doet de lokale problemen. Op het gebied van criminaliteitsbestrijding heeft de DIK van een divisie georganiseerde criminaliteit als functioneel domein de regionaal georganiseerde criminaliteit. Er vallen geen zaken tussen de wal en het schip. De landelijke stuurploeg stelt op basis van het Nationaal dreigingsbeeld de Intelligence agenda vast. Het nationale informatieknooppunt stelt op basis hiervan informatiestrategieën en inwinplannen op. Deze worden verplicht uitgevoerd door alle korpsen. In ieder korps kan dit leiden tot regionale inwinplannen van de RIK. De DIK-en zijn dan weer verplicht dit uit te voeren. De landelijke stuurploeg stuurt de bovenregionale rechercheteams aan. Dit gebeurt met de veiligheidsinformatie die beschikbaar is bij het nationale informatieknooppunt. Het nationale informatieknooppunt gaat daarmee voortdurend monitoren op bovenregionale problematiek én signaleert actief wat er aan de hand is. Dit gebeurt op de thema’s uit de intelligence agenda die door het bevoegde gezag zijn vastgesteld. Domeinafbakening: Niet iedere rechercheur gaat na een woninginbraak uitzoeken of deze inbraak deel uitmaakt van een regionale of landelijke serie. Hij mag verwachten dat zijn regionale informatieknooppunt het regionale patroon herkent en meldt. Hij mag er op vertrouwen dat het nationale informatieknooppunt dit nationaal en internationaal doet. Sturingsproducten Concernbrede sturing is in de kern eenvoudig. Het gezag geeft opdracht aan de landelijke stuurploeg voor het Nationaal dreigingsbeeld.11, 12 De landelijke stuurploeg geeft deze opdracht aan het nationale informatieknooppunt. Het nationale dreigingsbeeld wordt voor een deel gemaakt op basis van de regionale dreigingsbeelden. Deze regionale dreigingsbeelden ontstaan op grond van landelijke formats. Het gezag stelt (via de landelijke stuurploeg) het nationale dreigingsbeeld vast. De landelijke stuurploeg stelt op basis hiervan de landelijke intelligence agenda vast.13 Dit, gecombineerd met regionale prioriteiten leidt weer tot het maken van regionaal verdiepende analyses. Op nationaal niveau verschijnt elk jaar een update op de speerpunten van het nationale dreigingsbeeld.14 Naast klassieke thema’s als drugs en milieu gaan de analyses ook over de stromen in het kader van de nodale oriëntatie: goederen; geld, informatie en mensen. Het nationale informatieknooppunt zet 11 12 13 14 Naast het NDB is er OCTA (organized crime threat assessment). Beide producten worden gemaakt op basis van dezelfde gegevens. Het voornaamste verschil is de verschijningscyclus. Functioneel beschouwen we in het nationaal intelligence model NDB en OCTA als gelijkwaardig: sturingsproducten op landelijk niveau. De opdracht komt nu nog van het college van procureurs generaal. Voor de aanpak en visie op de intelligence agenda wordt verwezen naar de nota ‘Aanpassing en uitwerking visie en uitvoering Intelligence agenda’ van de Strategische Beleidsgroep Intelligence (2006). De zogenaamde CBA-plus. 9
    • hiervoor de informatiestrategieën en inwinplannen uit bij de regionale informatieknooppunten en bij de externe partners. Kwaliteitseisen voor analyses en de in te winnen informatie zijn vastgelegd in het landelijke informatieprotocol. Dreigingsbeelden, analyses en updates zullen op alle niveaus leiden tot het besluit tot het al dan niet aanpakken van dreigingen. Dit leidt tot de formulering van pre-weegdocumenten, onderzoeksvoorstellen en onderzoeken, of tot het uitbrengen van bestuurlijke rapportages. Terrorismebestrijding 15 De rol van de overheid bij terrorismebestrijding is evident. De politie speelt hierin een belangrijke rol. Intelligence is de levensader van terrorismebestrijding. Strategisch uitgangspunt is dat er geen schotten zijn tussen de verschillende informatiedomeinen. Om terrorisme effectief te voorkomen of bestrijden moet de overheid ‘dwars door alle bakken heen kunnen kijken’. Wettelijk is de AIVD de enige geautoriseerde instantie om over alle informatie te beschikken. In de lijn van haar wettelijke verplichting heeft de politie als strategisch uitgangspunt dat zij ter bestrijding van terrorisme alle informatie ter beschikking stelt aan de AIVD. Nu staat er nog teveel een schot tussen de zogenaamde blauwe en groene informatiestromen.16 Daarmee wordt vastgesteld dat in het belang van de nationale veiligheid de AIVD op landelijk niveau de taak heeft tot het doen van analyses en het herkennen van dreigingen. Op regionaal niveau bedient zij zich hierbij van de RID. Hiervoor moeten er duidelijke afspraken komen over het gebruik van de informatie. De regiokorpsen hebben immers een verantwoordelijkheid over de door hun ingewonnen informatie. Vervolgens is het de vraag hoe we met de verschillende informatiestromen sturen op de inzet van de politie. We stappen af van de benaming regionale CT-infobox. Het roept te veel een associatie op met de landelijke box, waarin vrijelijk informatie over subjecten wordt uitgewisseld. De WIV sluit dit uit. De RID dient op regionaal niveau een actieve rol te vervullen bij het vervaardigen van analyses op basis van alle informatie, groen en blauw. De AIVD dient hiertoe aan de RID de relevante informatie voor dat gebied te verstrekken. De RID maakt twee analyses: Eén met geheime groene informatie en één zonder. De eerste wordt besproken met de artikel 60-functionarissen (de korpschef en eventuele andere aangewezen functionarissen). De tweede komt aan de orde in regulier regionaal overleg tussen bijvoorbeeld het regionaal informatieknooppunt, de RID en de vreemdelingendienst. Vanuit beide sporen vinden vervolgacties plaats. Als het om AIVD-informatie gaat, dan gebeurt dit alleen op basis van een ambtsbericht. Alle groene informatie wordt uitgewisseld in de AIVD-RID-lijn. De blauwe informatie, inclusief de blauwe informatie van de RID, gaat in de NIK-RIK-lijn. Op deze manier is goed invulling te geven aan de politietaak bij terrorismebestrijding en radicalisering. Zeker gezien het feit dat hierdoor ook de openbareorde-informatie gebruikt wordt. De enige, niet altijd onbelangrijke, beperking is dat deze invulling binnen het groene informatie spoor niet op subjectniveau kan. Daarnaast heeft de RID een verantwoordelijkheid in het voorkomen dat acties van politie en AIVD elkaar doorkruisen. Hierboven staan structuur en uitgangspunten. Deze zijn belangrijk. Belangrijker echter is de cultuur van samenwerking. De politie zal samenwerking actief zoeken, actief schotten verwijderen, actief uitwisselen vanuit een basis van vertrouwen. Achteraf gepraat? Mocht er een grote aanslag komen, dan kan het de overheid, verweten worden dit niet te hebben geweten. De politie wil echter niet het verwijt krijgen dat dit te wijten is aan het niet delen van de eigen informatie, het bouwen van schotten. Dat is niet om ons nu al in te dekken. Goede samenwerking, met respect voor elkaars taak kan ondanks weerbarstige wetgeving wel degelijk leiden tot uitstekende resultaten ter voorkoming van terrorisme. 15 16 Er is discussie geweest over de vraag of terrorismebestrijding wel met zoveel woorden in het model moet worden opgenomen. Terrorismebestrijding raakt op veel vlakken aan (de grenzen van) informatievergaring, het delen van informatie en beslissingen over de inzet van de politie. Hierom hebben we ervoor gekozen om juist op dit gebied extra verduidelijking te zoeken. Blauw is politie-informatie. Groen informatie is informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. 10
    • Voorwaarden bij uitvoering Inleiding Het nationale intelligence model schetst een gewenste situatie. Deze situatie is nog lang niet bereikt. Er komt een afzonderlijk implementatieplan dat beschrijft hoe de gewenste situatie te bereiken. Dit implementatieplan zal in nauw overleg met het Openbaar Ministerie worden vastgesteld. In de rest van dit hoofdstuk staan de voorwaarden waaraan we moeten voldoen als we het nationale intelligence model goed willen invoeren.17 Voorwaarden voor uitvoering Eigenaar van informatie De discussie over het eigenaarschap van informatie is voorbij. De Nederlandse Politie is eigenaar van politie-informatie. Verder zijn er alleen informatiegebruikers. ICT en Intelligence ICT schept mogelijkheden maar is niet richtinggevend bij het vormgeven van de informatiehuishouding. BlueView is technisch gezien beschikbaar voor iedere diender. Dit betekent nog niet dat iedereen toegang moet hebben. Dit bijvoorbeeld omdat het gezien vanuit de inrichting van de informatiehuishouding of sturing onwenselijk is. Intelligence en ICT gaan samen op maar de inhoud is leidend. Delen van informatie Onontbeerlijk voor informatiegestuurde politie is het delen van informatie. Veel te vaak en veel te veel, op te veel plekken in het werkproces draait het nog om de wil tot delen, in plaats van de plicht tot delen. Leiderschap is onontbeerlijk om dit gedrag te veranderen. Moeten delen en moeten weten Elke politiemedewerker heeft voor de uitoefening van zijn taak een informatiebehoefte. Als deze behoefte niet wordt vervuld, dan kan hij zijn functie niet naar behoren vervullen. Om op basis van veiligheidsproducten te kunnen beslissen, moet informatie gedeeld worden. Echter, het vervullen van sommige taken vereist dat informatie beperkt wordt gedeeld. Leven en welzijn van mensen hangen af van de wijze waarop we onze informatie beveiligen. De verplichting tot delen vereist dan ook de invoering van een stelsel van aanpak van informatiebeveiliging. Bronnen De beschikbaarheid van politie-informatie kan niet langer gekenmerkt worden door versnippering, wisselende regimes, autorisatiemodellen en baasjes die bepalen wie toegang hebben, en wie niet. Dit vraagt om landelijke, door de Raad van Hoofdcommissarissen vastgestelde autorisatiemodellen en om leiderschap in de uitvoering. Met verschillende partners spreken we af hoe hun informatie door de politie gebruikt wordt. Het nationale informatieknooppunt stelt exclusief de informatieprotocollen op met landelijke partners als de rijksdienst voor het wegverkeer, de banken, de bijzondere opsporingsdiensten en de Koninklijke Marechaussee. Op regionaal niveau maakt het regionaal informatieknooppunt afspraken met de regionale partners binnen de landelijk gestelde kaders. 17 Deze voorwaarden zijn deels ontleend aan de Guidance on the National Intelligence Model (2005). National Centre on Policing Excellence. Bedford, UK. 11
    • Kennis Informatiegestuurde politie kan niet zonder kennis: kennis van de wet, kennis van de politie, kennis van werkprocessen en bovenal kennis van de samenleving. Voor een deel gaat het hier om kennis die iedereen die werkt bij de politie moet hebben, of snel moet kunnen vinden. Voor een deel gaat het om specialistische kennis die snel voorhanden moet zijn. Om dit te bereiken moeten we het opdoen en ontsluiten van kennis als competentie benoemen in alle functies en vertalen naar het politieonderwijs op alle niveaus. Ook dienen we kennismanagement nu echt serieus ter hand nemen. Als de politie onvoldoende kennis heeft van samenleving en criminaliteit, zal zij nooit effectief genoeg zijn. Op dit moment is de politie niet effectief genoeg. If you cannot write the handbook of crime, you’re not in business Onderwijs en verbeterprocessen De laatste jaren is werk gemaakt van het op hoger plan brengen van opsporing en analyse. Hetzelfde zal moeten gaan gebeuren voor het sturen op en met informatie. De politieacademie zal hier haar rol in moeten pakken door in opleiding, evaluatie en kennismanagement aan te sluiten bij het nationale intelligence model. Mensen Het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie, het maken van informatieproducten, het inrichten van stuurploegen vraagt om vakbekwame mensen. Slimme, innovatieve ICT-oplossingen kunnen ons werk zeker verlichten: snel zoeken door grote hoeveelheden gegevens en het uitvoeren van klussen met een hoog repetitief karakter. Uiteindelijk echter blijft het omgaan met informatie mensenwerk: vakwerk. Dit vakwerk vraagt van onze mensen niet alleen vakkennis maar ook vakkundig gedrag en vakkundige gedrevenheid. Wat het vak inhoud is expliciet vastgesteld, de regels van het spel zijn bij iedereen bekend. Het gaat om simpele do’s en dont’s. Om er een paar te noemen: ‘Geen derdeverstrekking van informatie zonder toestemming’, ‘aan iedere informatieverstrekking gaat een expliciete toetsing en keuze vooraf’, ‘bronvermelding waar mogelijk, bronafscherming waar nodig’, ‘informatieverstrekking is altijd vastgelegd’. De do’s en dont’s zullen landelijk vastgesteld worden als gedragsregel voor de Nederlandse politie. 12
    • Slot Het nationale intelligence model gaat voor een groot deel over sturing: sturing op veiligheidsinformatie en op uitvoering. Daarmee is het niet meer, en ook niet minder dan een samenhangend stelsel van onderlinge afspraken. Het invoeren van deze afspraken en ons er vervolgens aan houden, gaat het een en ander van ons vergen. We moeten leren dat de vrijblijvendheid voorbij is: Afspraak is afspraak. Ons houden aan afspraken vraagt in de eerste plaats om leiderschap. In de tweede plaats vergt het van ons een verandering in houding. Iedereen is meespeler in een groter netwerk van stromen en knooppunten. De wijkagent is onderdeel van een ploeg, de ploeg van een district, een district van een regio, een regio van de Nederlandse politie en de Nederlandse politie van de internationale politiegemeenschap. Dit is deels een breuk met een traditie van afgesloten werelden, van gescheiden informatiesilo’s, niet alleen binnen de politie maar ook tussen de politie en relevante derden. Om deze verandering in houding te bereiken is niet alleen vertrouwen en wederkerigheid belangrijk, maar ook dienstbaarheid: hoe kan ik jou beter in staat stellen om je werk te doen? Deze dienstbaarheidgedachte wordt in opleidingen, (de)briefings, dagelijks leidinggeven en uitvoeren van politietaken in- en doorgevoerd. Dit is geen sinecure en heeft tijd nodig maar is absoluut noodzakelijk. Hoe verder? Op de voorgaande pagina’s is het nationale intelligence model geschetst. Nu moet het nog worden geïmplementeerd. De implementatie zal geschieden in een landelijk programma intelligence. Hiervoor verschijnt een afzonderlijk programmaplan. Dit programmaplan bevat in ieder geval de werkvorm de sturing financiering en planning. In het plan ligt zware nadruk op eenduidigheid en stapelbaarheid van veiligheidsproducten. Het justitiële deel wordt samen met het Openbaar Ministerie uitgevoerd. Verder gaat het programmaplan over de punten waarop het huidige model nog gaat worden aangescherpt. Dit zijn onder andere: - inhoudelijke verdieping over specifieke verantwoordelijkheden van bestuur en Openbaar Ministerie, vooral op nationaal niveau - het regelmatig tot stand laten komen van vervolgversies op het model. 13
    • Totstandkoming Opdrachtgevers voor het nationale intelligence model zijn de opvolgende portefeuillehouders intelligence in de Raad van Hoofd commissarissen: C. J. Heijsman, P .J. Aalbersberg. Opdrachtnemer voor het nationale intelligence model is de voorzitter van de strategische beleidsgroep intelligence (SBGI): W. J. A. Paulissen. De begeleiding in de SBGI was in handen van: W. J. A. Paulissen, J. H. ter Mors, R. de Boer, E. Lassche. Aan de externe consultatie werkten mee: A. B. Hoogenboom (Nijenrode), C. Fijnaut (Universiteit van Tilburg), H. Hillenaar (Openbaar Ministerie), A. A. M. Horrevorts (NCTb), W. M. van Gemert (BZK), J. A. Spaan (VTSPN), leden van het Platform Landelijke Informatiecoördinatie, A. L. Driessen (Klpd), leden van de strategische beleidsgroep terrorisme. Ondersteuning vanuit de VTSPN was in handen van: F. Guiking. De auteur is: L. T. ten Brink (Klpd). Versiebeheer: De huidige versie van het nationale intelligence model is 1.0 Versie 1.0 werd ter besluitvorming voorgelegd aan de Board Opsporing Versie 1.0 wordt ter besluitvorming voorgelegd aan de Raad van Hoofdcommissarissen Voorafgaand aan versie 1.0 zijn er binnen de SBGI verschillende conceptversies besproken. Deze versies en hun nummering zijn vervallen. 14