Sociale media in de opsporing Een verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van het betrekken van burgers bij de opsporing via sociale media in het korps Gelderland-Zuid

  • 2,157 views
Uploaded on

 

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
2,157
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1

Actions

Shares
Downloads
10
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Sociale media in de opsporing Een verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van het betrekken van burgers bij de opsporing via sociale media in het korps Gelderland-Zuid + ? Nick van den Bogaard Recherchekundige in opleiding korps Gelderland-Zuid nicky.van.den.bogaard@webmail.politieacademie.nl nicky.van.den.bogaard@gelderland-zuid.politie.nl
  • 2. Sociale media in de opsporing
  • 3. Sociale media in de opsporing Samenvatting Indien aan de Nederlander wordt gevraagd naar bereidheid om een bijdrage te leveren aan de bestrijding van criminaliteit dan blijkt hier een groot draagvlak voor te bestaan. Binnen de Nederlandse politiekorpsen worden dan ook tal van (digitale) initiatieven ontwikkeld om burgers te betrekken bij de opsporing. SMS-Alert en Burgernet zijn hier bekende voorbeelden van. Een bekend probleem is echter dat de deelname onder burgers van 35 jaar en jonger achter blijft bij de deelname van hun oudere medeburgers. Onderzoek in Midden- en West-Brabant heeft bijvoorbeeld aangetoond dat van alle deelnemers aan SMS-Alert in deze regio slechts 7,1% jonger dan 26 jaar is. Dit kan deels te maken hebben met het soort middel dat ingezet wordt. Sociale media, zoals Twitter, Hyves en YouTube zijn virtuele ontmoetingsplekken van de jongere burger en lijken dus voor de opsporing geschikte middelen om met hen in contact te treden. In Nederlandse politieregio’s wordt al op diverse wijzen gebruik gemaakt van sociale media om burgers te betrekken bij de opsporing. In deze studie wordt een inventarisatie gemaakt van populaire sociale media en het gebruik hiervan door de Nederlandse politiekorpsen, teneinde te komen tot mogelijk nieuwe toepassingen voor het korps Gelderland-Zuid. De geformuleerde probleemstelling luidt dan ook: “Op welke wijze wordt in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruik gemaakt van sociale media en welke andere mogelijke sociale media zijn hiervoor in Nederland beschikbaar die in te zetten zijn in het korps Gelderland- Zuid?” De volgende drie onderzoeksvragen worden behandeld om tot een beantwoording van de probleemstelling te komen: 1. Welke sociale media zijn bekend? 2. Welke sociale media worden in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt? 3. Op welke wijze worden deze sociale media in opsporingsonderzoeken gebruikt? Door het uitvoeren van een literatuuronderzoek, het doorzoeken van de intranetten van de korpsen en het afnemen van interviews worden deze drie onderzoeksvragen beantwoord. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat een eenduidige definitie van sociale media ontbreekt. Uit de verschillende definities komen wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken naar voren. Volgens Van Berlo (2008) zijn dit; open, sociaal en gebruiker centraal. Sociale media kunnen op drie manieren bijdragen aan het betrekken van de burger bij overheidstaken; crowdsourcing, the wisdom of crowds en cocreatie. Binnen het onderzoeksveld is ook geen duidelijke overeenstemming in de wijze van categoriseren van sociale media. Hierdoor is gezocht naar een voor dit onderzoek bruikbare indeling. Dit heeft geleid tot een indeling in technische en sociale middelen. De technische middelen zijn de meer fundamentele, gedeeltelijk zichtbare ICT tools die het mogelijk maken (faciliteren) om aan sociale behoeften te voldoen. De sociale middelen zijn vaak zichtbare platforms waarop interactie en het delen van diverse soorten content plaatsvindt. Het woord ‘middel’ is gekozen, omdat sociale media in het kader van dit onderzoek ingezet worden als middel om een (opsporings)doel te kunnen bereiken. De bekeken technische middelen zijn de RSS feed, widget, API en social bookmarking. De bekeken sociale middelen zijn Twitter, wiki, blog, beeld/geluid delen en sociale netwerken. Deze middelen zijn geselecteerd op basis van populariteit en vertegenwoordigen slechts een deel van alle sociale media. De uit de eerste onderzoeksvraag voortgekomen sociale media worden per maart 2010, op de wiki en social bookmarking na, op verschillende wijze, ingezet binnen de opsporing door Nederlandse korpsen. Om de derde onderzoeksvraag te beantwoorden is de inzet van Twitter in Brabant Zuid-Oost, YouTube (beeld/geluid delen) in Hollands-Midden en politieonderzoeken.nl (beeld/geluid delen) in Utrecht nader bekeken. Twitter wordt in Brabant Zuid-Oost gebruikt als extra kanaal voor pers- en opsporingsberichtgeving, zowel op regionaal- als op wijkniveau. Via de RSS feed is dit een nagenoeg geautomatiseerd proces. Voor de gevallen waarin vlak na een gepleegd delict een SMS-Alert wordt ingezet, wordt door de afdeling communicatie ook handmatig een Tweet-Alert verzonden. Deze Tweet-Alert heeft vooral door de optie van retweeten een vergroting van het te
  • 4. Sociale media in de opsporing bereiken publiek ten gevolge. In Hollands-Midden wordt YouTube gebruikt als kanaal om jongeren te bereiken. De afdeling communicatie maakt hiervoor in eigen beheer opsporingsfilmpjes. Hierbij is de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving leidend. Wat in Hollands-Midden opvalt, is de toepassing van een marketingcommunicatiestrategie per opsporingsonderzoek. Tot slot is gekeken naar de geplande wijze van inzet van de website politieonderzoeken.nl in Utrecht binnen een lopend TGO-onderzoek. De wijze van verondersteld gebruik van deze website, sluit goed aan bij de drie basiskenmerken van sociale media. Indien de interactie gewaarborgd kan worden, zal dit een sociaal middel worden waarmee cocreatie tot stand kan komen. Het mee laten denken door de burger kan als middel tegen tunnelvisie dienen en kan tevens nieuwe hypothesen en scenario’s opleveren. Ook kan de website voor crowdsourcing ingezet worden om specialistische vragen bij de burger weg te zetten. In hoofdstuk zes van dit paper wordt aan de hand van samenvattende conclusies bovenstaande samenvatting meer uitgebreid weergegeven. Uiteindelijk leiden deze samenvattende conclusies tot drie clusters van aanbevelingen aan het korps Gelderland-Zuid en één aanbeveling aan de Nederlandse politie. Het eerste cluster heeft betrekking op het toevoegen van sociale media aan de reeds bestaande communicatiekanalen. Binnen het tweede cluster zijn aanbevelingen terug te vinden op welke wijze sociale media in een doelgroepgerichte, multimediale strategie ingezet kunnen worden. Het derde cluster bevat enkele aanbevelingen gericht op het optimaliseren van de interne randvoorwaarden voor het kunnen toepassen van sociale media. De aanbeveling aan de Nederlandse politie betreft het opzetten van een centraal regiepunt voor de inzet van sociale media.
  • 5. Sociale media in de opsporing Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding p. 1 1.1 Aanleiding p. 1 1.2 Doelstelling p. 2 1.3 Probleemstelling p. 2 1.4 Onderzoeksvragen p. 2 1.5 Afbakening p. 3 1.6 Definiëring van begrippen p. 3 1.7 Leeswijzer p. 4 Hoofdstuk 2. Methodologische verantwoording p. 5 2.1 Methoden van onderzoek p. 5 2.2 Beperkingen p. 6 Hoofdstuk 3. Resultaten onderzoeksvraag 1: Welke sociale media zijn bekend p. 7 3.1 Algemene kenmerken sociale media p. 7 3.2 Categorisatie sociale media p. 8 3.3 Technische middelen p. 8 3.4 Sociale middelen p.10 3.5 Discussie p.12 Hoofdstuk 4. Resultaten onderzoeksvraag 2: Sociale media in Nederlandse opsporing p.14 4.1 Technische middelen p.14 4.2 Sociale middelen p.15 4.3 Discussie p.18 Hoofdstuk 5. Resultaten onderzoeksvraag 3: Drie middelen nader bekeken p.21 5.1 Twitter in Brabant Zuid-Oost p.21 5.2 YouTube in Hollands-Midden p.22 5.3 Politieonderzoeken.nl in Utrecht p.24 5.4 Discussie p.25 Hoofdstuk 6. Samenvattende conclusies en aanbevelingen p.28 6.1 Samenvattende conclusies p.28 6.2 Aanbevelingen p.31 Literatuur p.33 Bijlagen p.35
  • 6. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het huidige veiligheidsbeleid van BZK en dat van het Ministerie van Justitie is niet alleen gericht op het terugdringen van feitelijke criminaliteit, maar ook op het terugdringen van gevoelens van onveiligheid onder de burger (Oppelaar & Wittebrood, 2006). Bruinsma en Bernasco toonden in 2005 aan dat burgers die meer actief betrokken zijn bij criminaliteitsbestrijding een groter subjectief veiligheidsgevoel ervaren. Van der Vijver toonde in 1993 al aan dat wanneer mensen meer grip hebben op hun veiligheid, hun veiligheidsgevoel sterk toeneemt. Indien aan de Nederlander wordt gevraagd naar bereidheid om een bijdrage te leveren aan de bestrijding van criminaliteit dan blijkt hier draagvlak voor te bestaan. Uit een representatieve steekproef uitgevoerd door onderzoeksbureau Trendbox, bleek dat 87% van de Nederlanders vindt dat burgers een plicht hebben bij de aanpak van overlast en crimineel gedrag. Interessant is dat slechts 13% van de Nederlanders vindt dat de overheid hiertoe de burger voldoende mogelijkheden biedt (www.trendbox.nl). In mei 2009 startte een politieonderzoek naar aanleiding van een reeks autobranden in het korps Gelderland-Zuid. Het onderzoeksteam had al snel een groep Nederlands-Marokkaanse jongeren op het oog. Doordat de jongeren erg voorzichtig waren, was het voor het team lastig om hen te observeren, of informatie via het afluisteren van telefoons te verkrijgen. Uit de internettap kwam naar voren dat de jongeren veel tijd doorbrachten op MSN, Hyves en YouTube. Omdat bewakingsbeelden van één van de branden voorhanden waren, werd door het onderzoeksteam het idee geopperd om deze beelden op YouTube te zetten. De hoop was dat dit enerzijds zou leiden tot tips van burgers en anderzijds tot het verkrijgen van ‘ruis op de lijnen’1 . Na overleg met de afdeling communicatie bleek het niet mogelijk om gebruik te maken van YouTube. Dit omdat geen overeenkomst met YouTube was gesloten. Volgens de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (College van procureurs-generaal, 2009) kan opsporingsberichtgeving pas plaatsvinden als een overeenkomst is gesloten tussen de betreffende mediapartner en de Staat der Nederlanden. Met de ‘nodale oriëntatie’ introduceerde de Raad van Hoofdcommissarissen (2005) een strategie om te reageren op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen binnen de criminaliteit. Het idee hierachter is dat de politie meer controle op deze nieuwe vormen van criminaliteit kan uitoefenen door gezamenlijk met andere actoren te investeren in en aanwezig te zijn op knooppunten (nodes) van virtuele stromen informatie en fysieke stromen van mensen, goederen en geld (Bekkers, van Sluis & Siep, 2006). Eén van de mogelijkheden die binnen deze nodale oriëntatie valt, is het benutten van de interactieve mogelijkheden die informatie- en communicatie-technologie (ICT) de politie biedt. Indien het doel is om met ICT burgers meer te betrekken bij het verbeteren van publieke dienstverlening, wordt ook wel gesproken over eParticipatie (burgerlink.nl). In diverse korpsen, waaronder Gelderland- Zuid, wordt SMS-Alert gebruikt om burgers via de telefoon bij de opsporing te betrekken. Echter, volgens Otten (persoonlijke communicatie, 5 februari 2010) heeft onderzoek in Midden- en West- Brabant aangetoond dat van alle deelnemers aan SMS-Alert in deze regio slechts 7,1% jonger dan 26 jaar is. Om deze burgers te bereiken, zouden andere middelen ingezet moeten worden. Het internet lijkt hier meer geschikt voor. Het huidige internet wordt door sommigen ook wel het ‘sociale web’, ‘sociale media’, of ‘web 2.0’ genoemd (Frissen et al., 2008). Sociaal, omdat op steeds meer manieren, meer mensen met elkaar in contact kunnen treden via het internet. Web 2.0 is dus niet de tweede versie van het world wide web, maar verwijst naar een tweede generatie van toepassingen van internet waarin samenwerking tussen gebruikers en het delen van informatie door gebruikers centraal staan (Frissen et al., 2008). In dit onderzoek wordt de meest gangbare term ‘sociale media’ gebruikt 1 Met ‘ruis op de lijnen’ wordt bedoeld dat verdachten, of personen rondom verdachten, met elkaar gaan communiceren over misdrijven die worden onderzocht in het opsporingsonderzoek. Deze communicatie moet dan plaatsvinden via communicatiemiddelen die door het onderzoeksteam afgeluisterd worden, veelal de telefoon of het internet. 1
  • 7. Sociale media in de opsporing om deze toepassingen te duiden. Door de opkomst van sociale media ontstaan nieuwe interactievormen tussen burgers onderling en tussen burgers en de politie. Diverse onderzoeken (o.a. www.ruigrok.nl) tonen aan dat de burger beneden de 35 jaar relatief het meest gebruik maakt van sociale media. Deze groep brengt de meeste tijd door op online netwerken, zoals Hyves en Facebook en is actiever met het plaatsen van ‘user generated content’2 op sites zoals Marktplaats en Wikipedia. In Nederlandse politieregio’s wordt naast het inzetten van SMS-Alert al op diverse wijzen gebruik gemaakt van sociale media om burgers te betrekken bij de opsporing. In het korps Gelderland-Zuid lijkt dit tot dusverre niet het geval. 1.2 Doelstelling In het korps Gelderland-Zuid is burgerparticipatie een punt van aandacht. In het huidige visiedocument 2007-2010 ‘Veiligheid voorop in Gelderland-Zuid’ (Regionaal College, 2006) wordt als één van de zes kernthema’s ‘actieve wederkerigheid’3 genoemd. Op het gebied van de opsporing heeft de regio zich ten doel gesteld burgers meer actief te betrekken bij de opsporing door middel van het communiceren van opsporingsinformatie, zoals foto- of videomateriaal van gepleegde feiten en geografische informatie. Het inzetten van SMS-Alert in het korps is een zichtbare invulling van dit voornemen, maar lijkt onvoldoende om de burger beneden de 30 jaar te bereiken. Sociale media bieden hier mogelijkheden voor. De doelstelling van dit onderzoek is tot een overzicht te komen van de beschikbare soorten sociale media en welke hiervan op welke wijze in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt worden, teneinde te komen tot mogelijk nieuwe toepassingen van eParticipatie voor het korps Gelderland-Zuid. Met het gaan inzetten van sociale media kunnen mogelijk (meer) burgers gerichter bereikt worden dan nu het geval is, waardoor de kans groter wordt dat bij de burger aanwezige opsporingsinformatie ook bij de opsporing terecht komt. Bovendien zou dit onderzoek kunnen leiden tot nieuwe manieren voor een onderzoeksteam om ‘ruis op de lijnen’ te kunnen krijgen. Naast deze praktische bijdrage aan de opsporing in het korps Gelderland-Zuid, heeft dit onderzoek ook indirecte bijdragen tot gevolg. Het afnemen van onveiligheidsgevoelens onder de burger, het bijdragen aan een moderner imago, het toenemen van betrokkenheid bij de opsporing en een toename in tevredenheid over de opsporing zijn hier voorbeelden van. 1.3 Probleemstelling Op grond van de doelstelling en het voornemen van het korps Gelderland-Zuid om meer burgers actief te betrekken bij de opsporing, kan onderstaande probleemstelling worden geformuleerd: Op welke wijze wordt in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruik gemaakt van sociale media en welke andere mogelijke sociale media zijn hiervoor in Nederland beschikbaar die in te zetten zijn in het korps Gelderland-Zuid? 1.4 Onderzoeksvragen De onderzoeksvragen die samen een antwoord moeten geven op de probleemstelling zijn: 1. Welke sociale media zijn bekend? 2. Welke sociale media worden in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt? 3. Op welke wijze worden deze sociale media in opsporingsonderzoeken gebruikt? 2 ‘User generated content’ duidt op alle manieren waarop internetgebruikers media met elkaar delen, zonder dat hier ook maar één professional bij betrokken is. 3 De termen actieve wederkerigheid en burgerparticipatie zijn nauw met elkaar verbonden. Actieve wederkerigheid wordt in dit onderzoek gezien als een wens, een voorwaarde van de burger om aan burgerparticipatie (projecten) deel te nemen. Burgerparticipatie is een algemene term voor activiteiten die de overheid onderneemt om de burgers te betreken bij haar activiteiten. 2
  • 8. Sociale media in de opsporing Toelichting onderzoeksvragen Ad 1. De beantwoording van de eerste onderzoeksvraag zal leiden tot een inventarisatie van het gebruik van sociale media door Nederlandse overheden. Ad 2. De tweede onderzoeksvraag zal leiden tot een inventarisatie van sociale media die in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt worden. Ad 3. Onderzoeksvraag drie zal inzichtelijk maken in welke situatie, voor welke misdrijven, op welke manier, en voor welk(e) doel(en) de verschillende sociale media in opsporingsonderzoeken in korpsen buiten Gelderland-Zuid gebruikt worden. Tevens zal deze onderzoeksvraag inzichtelijk maken welke burger er mee bereikt wordt en op welke manier de verkregen informatie wordt verwerkt. 1.5 Afbakening In dit onderzoek wordt voor de onderzoeksvragen twee en drie alleen gekeken naar toepassingen van sociale media die door de Nederlandse politie geïnitieerd zijn en mogelijk in te zetten zijn voor de opsporing in het korps Gelderland-Zuid. Door burgers geïnitieerde sociale media die in Nederlandse opsporingsonderzoeken kunnen worden gebruikt, worden niet bekeken. De opsporing in politieregio Gelderland-Zuid vindt plaats in de rechercheafdelingen van de districten Stad Nijmegen, Tweestromenland en De Waarden. Daarnaast heeft het korps binnen de Divisie Centrale Operationele Zaken een aantal specialistische diensten ondergebracht die districtoverschrijdend zijn en het rechercheproces ondersteunen. Voorbeelden van deze diensten zijn de technische, regionale, financiële en digitale recherche. In dit onderzoek zal naar alle overige 24 politieregio’s gekeken worden, behalve het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD)4 . In dit onderzoek wordt de bijstand aan de opsporing door burgers, opgenomen in het Wetboek van Strafvordering (WvSv) buiten beschouwing gelaten. Dit betreft dan de bijstand genoemd in bijzondere opsporingsmethoden (o.a. de artikelen 126v-z en 126zt-zu WvSv) en overeenkomsten die gesloten worden met bijzondere getuigen (afgeschermde, bedreigde, en anonieme). Dit raakt het vlak van burgeropsporing; het door burgers verrichten van opsporingshandelingen die als de politie ze zou ondernemen, als toepassing van een opsporingsbevoegdheid zou doen gelden (Brinkhoff, 2008). Tot slot worden in dit onderzoek de mogelijkheden die sociale media te bieden hebben voor internetsurveillance, of internetrechercheren door rechercheurs niet onderzocht. Bij deze vormen heeft de burger namelijk geen actieve rol en fungeert het internet niet als opsporingscommunicatiemiddel. 1.6 Definiëring van begrippen Enkele begrippen die gebruikt worden in dit onderzoek worden hieronder nader uitgelegd. De definiëring van deze begrippen leidt tot een verdere afbakening van de probleemstelling. *Op welke wijze: Met ‘op welke wijze’ wordt bedoeld in welke situatie, voor welk misdrijf, op welke manier en voor welk doel de vorm ingezet wordt, evenals de manier waarop de verkregen informatie wordt verwerkt en welke burger er mee bereikt wordt. *Sociale media: Een tweede generatie van toepassingen van internet waarin samenwerking tussen gebruikers en het delen van informatie door gebruikers centraal staan (Frissen et al., 2008). *Opsporingsonderzoeken: Onderzoeken in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen (art. 132a WvSv). In het kader van dit onderzoek wordt onder ‘strafbare feiten’ alleen misdrijven zoals beschreven in Boek II van het Wetboek van Strafrecht begrepen. 4 Gezien het verschil in de aard van opsporingsonderzoeken tussen het KLPD en de overige korpsen, wordt niet naar het gebruik van sociale media door het KLPD gekeken. 3
  • 9. Sociale media in de opsporing *Het korps Gelderland-Zuid: De politieregio Gelderland-Zuid. 1.7 Leeswijzer In dit hoofdstuk zijn de aanleiding, de probleemstelling met de bijbehorende onderzoeksvragen en de afbakening beschreven en zijn de belangrijkste begrippen uit de probleemstelling en de onderzoeksvragen gedefinieerd. In hoofdstuk twee worden de gehanteerde methoden van onderzoek beschreven en wordt ingegaan op de beperkingen van dit onderzoek. De resultaten van de drie onderzoeksvragen zullen achtereenvolgens in hoofdstuk drie, vier en vijf gerapporteerd worden. Deze hoofdstukken worden telkens afgesloten met een discussie over de bevonden resultaten. Uiteindelijk zal dit leiden tot conclusies en praktische aanbevelingen voor de opsporing in hoofdstuk zes. 4
  • 10. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 2. Methodologische verantwoording In dit hoofdstuk worden de gehanteerde methoden van onderzoek beschreven en wordt ingegaan op de beperkingen van dit onderzoek. 2.1 Methoden van onderzoek De onderzoeksvragen benoemd in paragraaf 1.4 kunnen aan de hand van diverse onderzoeksmethoden beantwoord worden. Hieronder worden eerst de onderzoeksmethoden beschreven en de beperkingen die hieraan verbonden zijn. Vervolgens zal per onderzoeksvraag invulling gegeven worden aan de onderzoeksmethoden. Daar waar mogelijk worden meerdere onderzoeksmethoden per onderzoeksvraag toegepast, om op deze manier een meer betrouwbaar resultaat te verkrijgen. Semigestructureerd interview Veel informatie die nodig is voor dit onderzoek kan gehaald worden bij een beperkt aantal sleutelfiguren dat binnen Nederlandse korpsen buiten het korps Gelderland-Zuid werkzaam is. Met een directe, persoonlijke benadering wordt de kans groter dat er door hen de benodigde informatie wordt verstrekt. Het interview verdient dus de voorkeur boven een afstandelijk vorm, zoals een survey- onderzoek. Een voordeel van semigestructureerd interviewen boven ongestructureerd interviewen, is het minder afhankelijk zijn van toeval en het meer nauwkeurig zijn. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid opengelaten om nieuwe inzichten en verrassende antwoorden te krijgen door het interview niet volledig gestructureerd af te nemen (Baarda & De Goede, 2001). De semigestructureerde interviews zullen per respondent apart opgesteld worden en afhankelijk van de omstandigheden (reistijd, werkdruk) mondeling of schriftelijk afgenomen worden. De invulling van de interviews is deels afhankelijk van de mate waarin de onderhavige onderzoeksvraag reeds beantwoord is via overige verkregen informatie. In bijlage IV is een voorbeeld van een interview te vinden. Een beperking van het mondelinge interview is de grotere kans op sociaal wenselijke antwoorden dan bij een schriftelijk interview (Baarda & De Goede, 2001). Hiermee zal rekening worden gehouden door zoveel mogelijk om aanvullende, ondersteunende informatie te vragen. Mogelijk informatieverlies door de mondelinge overdracht wordt ondervangen door het gebruik maken van een memorecorder. Literatuuronderzoek Als aanvulling op de verkregen onderzoeksresultaten uit de interviews, wordt ook literatuur geraadpleegd. Vanwege de actualiteit van het onderzoeksonderwerp zal alleen literatuur bestudeerd worden vanaf 1 januari 2008. Omdat de Nederlandse (overheids)situatie bekeken wordt, zal ook zoveel mogelijk naar literatuur gezocht worden die de Nederlandse situatie beschrijft. Er wordt gezocht naar boeken en literatuur over het gebruik van sociale media in het algemeen en het gebruik hiervan binnen de overheid. Indien de tijdsplanning het toelaat wordt ook door de geïnterviewde respondenten aanbevolen literatuur meegenomen. De startpunten voor het zoeken naar literatuur zijn de mediatheek van de Politieacademie, de Interregionale Bibliotheek van de korpsen Gelderland-Zuid en Gelderland- Midden, het internet en de intranetten van de Nederlandse korpsen. Onderzoeksvraag 1 De eerste onderzoeksvraag wordt beantwoord door een semigestructureerd interview te houden met mw. dr. ir. Idenburg, dhr. M. Hekster en mw. drs. M. Slot. Mw. Idenburg is projectcoördinator van het in 2009 gestarte project ‘Vertrouwen in de burger’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Dit project gaat in op de mogelijkheden die sociale media bieden voor het betrekken van burgers bij beleid. Dhr. Hekster is projectleider bij het Interregionaal Bureau Digitale Expertise, gevestigd in Nijmegen. Mw. Slot is werkzaam bij TNO in Delft en doet daar onder begeleiding van prof. dr. Frissen promotieonderzoek naar de veranderende gebruikersrollen in het online domein. Dhr. Hekster en mw. Slot hebben vanuit hun functies zicht op nieuwe digitale ontwikkelingen die mogelijk 5
  • 11. Sociale media in de opsporing interessant zijn voor eParticipatie. Tevens zal voor deze onderzoeksvraag literatuur worden bestudeerd. De belangrijkste artikelen die hiervoor gebruikt gaan worden zijn het artikel van Frissen et al. (2008) en de boeken van Van Berlo (2008;2009), Shirky (2008) en Tapscott & Williams (2008). Onderzoeksvraag 2 De tweede onderzoeksvraag wordt beantwoord door middel van het bekijken van de intranetten van de overige Nederlandse korpsen. Er zal gezocht worden op de zoektermen: ‘sociale media’, ‘web 2.0’, ‘2.0’, ‘internet’, ‘burgerparticipatie’, ‘eParticipatie’, ‘burger’, ‘Hyves’, Twitter’, ‘YouTube’ en ‘opsporingsberichtgeving’. Ter aanvulling en controle zullen de websites www.politie.nl en www.politie20.nl bekeken worden. Op laatstgenoemde website worden korpsen verzocht om hun web 2.0 ontwikkelingen op deze site te plaatsen. De volledigheid en betrouwbaarheid van de site is afhankelijk van de bereidheid tot medewerking van de diverse korpsen. Deze onderzoeksmethoden samen zullen een betrouwbaar beeld opleveren van het gebruik van sociale media in de Nederlandse korpsen. Onderzoeksvraag 3 Voor deze onderzoeksvraag worden drie verschillende sociale media in drie verschillende korpsen geselecteerd. Door het afnemen van semigestructureerde interviews met sleutelfiguren van deze vormen zal een beeld worden verkregen op welke wijze de sociale media gebruikt worden. Door het selecteren van drie toepassingen wordt verwacht dat er een redelijk beeld wordt verkregen van overeenkomsten en verschillen in de wijze waarop deze toepassingen gebruikt worden. Tevens is deze afbakening noodzakelijk om binnen de gestelde termijn van dit onderzoek te blijven. De korpsen die geselecteerd worden zullen twee korpsen zijn die qua personele omvang en begroting vergelijkbaar zijn met Gelderland-Zuid en één groter korps. Door het kijken naar vergelijkbare korpsen wordt rekening gehouden met de haalbaarheid van een mogelijk over te nemen toepassing. Door te kijken naar een groot korps worden mogelijk ideeën opgedaan die interessant zijn, maar enige aanpassing nodig hebben om implementeerbaar te maken in een klein korps als Gelderland-Zuid. 2.2 Beperkingen Naast de in de vorige paragraaf genoemde beperkingen in dit onderzoek zijn de volgende beperkingen ook van belang. 1.Doordat het onderzoek een relatief korte tijdsperiode omvat (i.c. de studiebelasting), is het niet mogelijk om uitputtend onderzoek te doen. Met het inzetten van meerdere onderzoeksmethoden wordt geprobeerd om toch een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de materie. 2. Doordat een groot deel van het onderzoek door middel van interviews wordt gedaan, zullen de resultaten afhankelijk zijn van de bereidheid en mogelijkheid tot medewerking van de beoogde respondenten. Dit kan een beperking zijn voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. Er zal zoveel mogelijk gezocht worden naar alternatieve respondenten of aanvullende literatuur, indien beoogde respondenten niet mee willen of kunnen werken. 3. Het gebruik van sociale media is een actueel onderwerp. De kans is groot dat op het moment van beëindigen van het onderzoek de resultaten niet meer actueel zijn. Enerzijds kan dit zich uiten door de ontwikkelingen van nieuwe sociale media, anderzijds kan dit betekenen dat binnen korpsen meer sociale media omarmd zijn dan ten tijde van de inventarisatie. 6
  • 12. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 3. Resultaten onderzoeksvraag 1: Welke sociale media zijn bekend In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de vraag welke sociale media bekend zijn binnen de Nederlandse overheid. Om deze vraag te beantwoorden zullen eerst de belangrijkste kenmerken van sociale media beschreven worden. Vervolgens zal vanuit een gekozen manier van categoriseren een beschrijving gegeven worden van een aantal veel voorkomende sociale media. 3.1 Algemene kenmerken sociale media In de inleiding is een beknopte definitie van sociale media gegeven. Een meer uitgebreide definitie wordt gegeven door Frissen (2008). Volgens haar is sociale media te duiden als: 1. Het ontstaan van platforms op internet waar gebruikers zich kunnen organiseren, samenwerken, vriendschappen onderhouden, delen, ruilen, handelen en/of creëren, die, 2. open toegankelijk zijn en decentraal georganiseerd, 3. waardoor een actieve inbreng van gebruikers mogelijk is 4. en waar alles wat op die platforms gebeurt maximaal geëxploiteerd wordt. Volgens Van Berlo (2008) zijn de drie belangrijkste kenmerken die in deze definitie besloten zitten: open, sociaal en de gebruiker centraal. De door TNO ontworpen eParticipatie Monitor is ook voornamelijk op deze kenmerken gebaseerd5 . De monitor heeft in 2009 geleid tot de selectie van vijftien eParticipatie initiatieven vanuit de overheid en vijftien vanuit de maatschappij. ‘De Amstel Verandert’ is uiteindelijk de winnaar geworden in de categorie overheid. Eén van de belangrijkste sterke punten van dit project was de combinatie van zowel virtuele (website) als fysieke bijeenkomsten. In de categorie maatschappij heeft het initiatief ‘Verbeter de Buurt’ de eParticipatie Award 2009 ontvangen. Dit project heeft aangetoond dat mensen graag meedenken over hun buurt. Het gebruiken van sociale media biedt dus kansen voor de overheid. Volgens Idenburg (persoonlijke communicatie, 19 februari 2010) kunnen sociale media op drie verschillende manieren ingezet worden om de burger mee te laten denken met de overheid: 1. Crowdsourcing. Leg als overheid een probleem of een vraag voor aan een grotere groep mensen. Op deze manier wordt de kans vergroot dat iemand in de groep een idee of oplossing heeft. Dit lijkt op een (online) buurtonderzoek. Crowdsourcing is echter meer. Met crowdsourcing kan een beroep worden gedaan op specifieke kennis aanwezig bij een beperkt aantal burgers. Doordat het internet een enorme reikwijdte heeft, kunnen ook de niches van de samenleving bereikt worden. Onderzoeksvragen die om gespecialiseerde kennis vragen, kunnen via internet onder de aandacht van specifieke groepen burgers gebracht worden. 2. The Wisdom of crowds. In sommige omstandigheden kan de gemiddelde mening van een groep het best de richting aangeven. Wisdom of crowds lijkt binnen opsporingsonderzoeken een geschikt middel om tunnelvisie en groupthink tegen te gaan. Groupthink is het verschijnsel dat teamleden de neiging hebben consensus te willen bereiken door conflictmijdende oplossingen en meningen aan te dragen. De kans op groupthink wordt volgens Surowiecki (2004) kleiner als meer personen meedenken met verschillende educatieve en beroepsmatige achtergronden. 3. Cocreatie. Letterlijk betekent dit gezamenlijk iets creëren. De reacties blijven voor iedereen zichtbaar, iedereen kan op elkaars reacties reageren en op deze manier kunnen burgers elkaars inzichten versterken. Een bekend voorbeeld is Wikipedia, maar dit kan ook met online mindmaps. Cocreatie kan in opsporingsonderzoeken bijvoorbeeld ingezet worden door het online plaatsen van de casus en burgers vragen om mee te denken wat er gebeurd zou kunnen zijn. Burgers gaan dan als het ware vanzelf in hypothesen en scenario’s denken. Het grootste voordeel hiervan is het vergroten van de potentie aan creativiteit binnen een onderzoek. 5 Deze monitor is een analysetool om op een gestructureerde manier karakteristieken (variabelen) van eParticipatie initiatieven in kaart te brengen, waardoor deze initiatieven ook onderling vergeleken kunnen worden. 7
  • 13. Sociale media in de opsporing 3.2 Categorisatie sociale media Nu de algemene kenmerken van sociale media zijn beschreven, is de volgende stap om tot een overzicht van sociale media te komen. Het aantal toepassingen is echter te groot om op te sommen. Daarom is het handig om de toepassingen te categoriseren. In de literatuur zijn hier verschillende manieren voor te vinden. Slot en Frissen (2007) kwamen op basis van een indeling in gebruikersrollen tot de volgende vijf rolcategorieën: consumeren, creëren, delen, faciliteren, communiceren. Iedere rolcategorie wordt vervolgens door Slot en Frissen verder ingedeeld in subrollen (zie tabel 1)6 . Tabel 1: Rolclassificatie sociale media-gebruikers Rolcategorie Subrollen Consumeren Lezen, kijken, luisteren, downloaden, kopen, spelen (games), zoeken Creëren Verpersoonlijken, content produceren, bijdragen Delen Publiceren, uploaden, zenden naar groep Faciliteren Taggen, aanbevelen, filteren, inschrijven (RSS), kanaal verstrekken Communiceren Boodschap sturen, commentaar geven, beoordelen, chatten Bron: Slot en Frissen (2007). De indeling van Slot en Frissen sluit moeilijk aan bij de voorgestelde methodiek van onderzoeksvraag twee. Een indeling die beter aansluit is de indeling van Stocker, Dösinger, Saed en Wagner (2007). Zij kwamen vanuit een bedrijfsoogpunt beredeneerd tot een indeling in sociale, technische en bedrijfsaspecten. Het sociale aspect geeft hierbij aan dat sociale media een uiting zijn van de behoefte van mensen tot sociale interactie met gelijkgezinden die op het internet nu eenmaal makkelijker te vinden zijn dan in het echte leven. Dit sociale contact heeft het karakter van een conversatie. De inhoud van dit gesprek kan vele vormen aannemen: woorden, beeld, tekst, muziek en voorkeuren kunnen met elkaar uitgewisseld worden. Met andere woorden: er wordt content gedeeld. Het technische aspect duidt op het ontstaan van gemakkelijk te gebruiken tools waardoor aan deze sociale behoeften tegemoet gekomen kan worden. Het bedrijfsaspect tot slot duidt op de nieuwe mogelijkheden voor bedrijven om op een meer efficiënte en meer effectieve manier bedrijfsdoelen te behalen. Dit bedrijfsaspect vertegenwoordigt de vraag wat het doel van de inzet van de toepassing is. Dit aspect geeft aan dat de andere twee categorieën als een middel gezien kunnen worden om een doel te behalen. De diverse doelen van de inzet van sociale media in opsporingsonderzoeken komen in onderzoeksvraag drie aan de orde. Voor een indeling in middelen kan dit aspect weggelaten worden. Om het doel-middel aspect te verduidelijken en tevens om aan te sluiten bij Stocker et al. (2007) wordt in dit onderzoek gekozen voor een categorisering in technische- en sociale middelen. 3.3 Technische middelen In deze paragraaf worden vier veel voorkomende technische middelen nader toegelicht. Bij ieder middel wordt tevens een voorbeeld gegeven van een toepassing hiervan door een overheidsinstantie buiten de opsporing. De werkelijke hoeveelheid technische middelen is veel groter, maar wordt wegens de beperkte studiebelasting niet beschreven. 1. RSS feed RSS (Really Simple Syndication) is een vereenvoudigde weergave van online inhoud. Met RSS wordt het mogelijk gemaakt dat informatie van een website naar de gebruiker toekomt, in plaats van dat de gebruiker zelf naar die website moet gaan. Met behulp van RSS wordt het belangrijkste deel van de inhoud van een site in een ‘feed’ opgeslagen. De meeste sites geven de berichtkoppen en een korte inhoud weer in deze feed, vaak gecombineerd met een link naar het volledige artikel op de originele site. Met een ‘feedreader’ is het mogelijk om op verschillende feeds tegelijk geabonneerd te zijn. Zo 6 In dit onderzoek zal gamen, één van de subrollen, niet behandeld worden. Ten tijde van het schrijven van dit onderzoek is volgens dhr. Hekster door korps Noord- en Oost-Gelderland een subsidieaanvraag bij het Programma Aanpak Cybercrime gedaan voor het onderzoeken van de mogelijkheden van het betrekken van (jongere) burgers bij de opsporing via een online game (persoonlijke communicatie, 19 maart 2010). 8
  • 14. Sociale media in de opsporing word je op de hoogte gehouden van nieuwe inhoud op je favoriete sites of blogs. Websites die RSS feeds aanbieden zijn te herkennen aan het logo zoals afgebeeld in figuur 1. Veel overheidsinstanties hebben een RSS feed op hun website ingebouwd. De provincie Noord-Brabant biedt bijvoorbeeld op haar website de mogelijkheid om per onderwerp te abonneren. Zo kan de gebruiker kiezen om op de hoogte gehouden te worden over nieuwsberichten over jeugd, of over de provinciale agenda. Figuur 1: Het logo van een RSS feed 2. Widget Een widget is een verplaatsbaar stukje website dat op een andere website geplaatst kan worden. Widgets hebben een eigen, onafhankelijke functie op de website. Voorbeelden zijn een evenementenagenda of een klok. De Nederlandse Spoorwegen bieden bijvoorbeeld de online reisplanner als widget aan op hun website. Amber Alert, het landelijke waarschuwingssysteem bij urgente kindervermissingen en –ontvoeringen, biedt op haar website (www.amberalertnederland.nl) diverse widgets aan. Zo kan een screensaver gedownload worden voor op je computer. Deze screensaver wordt actueel bijgehouden met foto’s van vermiste kinderen. Ook worden pop-ups aangeboden die je op je eigen website (ook op intranetten) kunt installeren. Op www.overheidswidgets.nl is het mogelijk om als overheidsorganisatie zelf widgets te maken en kennis hierover met elkaar te delen. 3. API Een API (Application Programming Interface) is een technisch middel waarmee computerprogramma’s met elkaar kunnen communiceren. Hierdoor kan gegevensuitwisseling over het internet plaatsvinden. Door het beschikbaar stellen van een API kunnen anderen gebruik maken van de toepassingen die de API te bieden heeft. De Google Maps API is één van de meest bekende. Google Maps is een service van Google die geografische informatie kan combineren met zelf ingebrachte informatie. De gemeente Nijmegen gebruikt de Google Maps API om de verschillende aanvragen van bouwvergunningen binnen de gemeente weer te geven. Een API wordt vaak geïntegreerd in een zogenaamd mashup. Een mashup is een verzameling van informatie, afkomstig van verschillende al bestaande bronnen zoals websites, blogs en documenten. De gebruiker van de mashup koppelt de informatie uit de bronnen tot één overzicht. Het is daarbij mogelijk een selectie toe te passen, waardoor alleen bepaalde items in het uiteindelijke resultaat (de mashup) verschijnen. Het is op deze wijze mogelijk via een mashup informatie van verschillende bronnen in één overzicht weer te geven op een website. Mashups worden vaak gebruikt om verschillende RSS feeds, API’s en widgets te koppelen. 4. Social bookmarking Social bookmarking maakt het mogelijk om je eigen favorieten op een online site te zetten en te delen met anderen. Aan de favoriete sites kunnen tags en notities worden toegevoegd. Sites zoals YouTube en Hyves bieden dit expliciet aan. Door gebruikmaking van tags zijn later clusters van favorieten over hetzelfde onderwerp gemakkelijk terug te vinden. Tagging is ergens een label op plakken, waardoor trefwoorden ontstaan. Als meerdere mensen trefwoorden kunnen toekennen aan een object en deze trefwoorden bovendien onderling ook zichtbaar zijn, dan wordt dit social tagging genoemd. Door tags visueel te maken in een ‘tagcloud’ is het mogelijk om in een oogopslag te zien welke onderwerpen populair zijn. Tags kunnen in de vorm van een hashtag ook gebruikt worden bij het versturen van een tweet (twitterbericht). Een hashtag wordt weergegeven door het teken # en werkt dan als een label die je aan je tweet kunt hangen om aan te geven dat het over een bepaald onderwerp gaat. 3.4 Sociale middelen 9
  • 15. Sociale media in de opsporing In deze paragraaf worden een aantal veelvoorkomende sociale middelen nader toegelicht. Bij ieder middel wordt tevens een voorbeeld gegeven van een dergelijke toepassing door een overheidsinstantie buiten de opsporing. Deze voorbeelden zijn deels voortgekomen uit de afgenomen interviews. Er bestaan verschillende manieren om tekst te delen met elkaar. In deze paragraaf worden achtereenvolgens de blog, de wiki en Twitter (microblog) besproken7 . 1. Blog Een blog, een verkorting van de term weblog, is een verslag of beschrijving van iets wat je bezig houdt en wilt delen met anderen, die daar vervolgens op kunnen reageren (Van Berlo, 2009). Feitelijk is een blog dus een digitale column, waarbij reacties voor iedereen zichtbaar zijn. Op blogger.com kan een blog aangemaakt worden. De berichten op een blog (blog posts) worden meestal op datum gesorteerd. Blog posts kunnen eenvoudig naar andere blogs doorverwijzen. Op die manier wordt er een netwerk of een community gecreëerd rond specifieke onderwerpen. Sinds de introductie van bloggen wordt nieuwswaarde niet alleen bepaald door journalisten, maar door het aantal personen dat een nieuwsbericht op een blog leest. Hoe meer personen het bericht lezen, des te groter de nieuwswaarde van het bericht. De blogosphere (alle verbonden blog-netwerken bij elkaar) is op deze manier een uiting van the wisdom of the crowds (Viaene et al., 2009). Maar een blog kan ook als doel hebben om tot nieuwe ideeën en oplossingen voor specifieke onderwerpen te komen. Indien dit het doel is dan is de blog een middel om tot cocreatie te komen. Een voorbeeld hiervan is de blog van de populaire krant NRC Next. Op deze blog (nextlab) wordt burgers gevraagd om oplossingen aan te dragen voor maatschappelijke knelpunten. De mogelijkheid dat een ingezonden reactie geplaatst wordt dient als een beloning. Enkele voorbeelden van populaire Nederlandse blogs zijn geenstijl.nl, flabber.nl en frankwatching.com. In Groot-Brittannië is in 2008 de weblog www.lordsoftheblog.net gestart. Op dit weblog schrijven ambtenaren van de House of Lords (de Eerste Kamer van Groot- Brittannië) regelmatig een post over voor hen belangrijke zaken. Het doel van dit blog is het aangaan van de dialoog met de burger om hiermee een verhoging van kennis over en het stimuleren van betrokkenheid met de House of Lords te creëren. 2. Wiki Een wiki is een ander voorbeeld van een online platform waar mensen tekstueel kunnen samenwerken om tot een collectief resultaat te komen. Het grote verschil met een blog is dat bij een wiki gebruikers elkaars ingebrachte informatie kunnen aanpassen. De lezer wordt op deze manier dus tegelijkertijd schrijver (Shirky, 2008). Het inbrengen en aanpassen van informatie rondom een thema gaat verder totdat er een soort van consensus ontstaat. Op deze manier kan van alle expertise, kennis en creativiteit die aanwezig is op de wereld gebruik worden gemaakt. Alle wijzigingen worden opgeslagen en kunnen dus altijd achteraf bekeken worden. De gemeente Smallingerland heeft de wiki op een innovatieve manier toegepast. Op de website www.wijbouweneenwijk.nl wordt iedereen uitgenodigd om mee te denken over het ontwerp van een nieuwe woonwijk. Alle facetten binnen de nieuwe woonwijk liggen open voor creatieve inbreng. Op deze manier hoopt de gemeente te komen tot een vernieuwend stedenbouwkundig ontwerp en tot meer betrokkenheid van de inwoners. Een andere interessante toepassing van een wiki is Intellipedia (Ala-Mutka et al., 2009). Dit is een in 2006 opgezette wiki door de Central Intelligence Agency (CIA). Alhoewel Intellipedia alleen toegankelijk is voor medewerkers van inlichtingen- en opsporingsdiensten, is deze wiki een actuele interne bron van informatie geworden voor de gebruikers en realiseert deze wiki door cocreatie een effectieve manier van werken. 3. Twitter 7 In dit onderzoek wordt geen onderscheid gemaakt tussen een blog en een forum. Het belangrijkste verschil is dat, in tegenstelling tot het forum, het onderwerp in een blog door de schrijver bepaald wordt (Tapscott & Williams, 2008). 10
  • 16. Sociale media in de opsporing Tenslotte is Twitter een andere manier om tekst te delen met elkaar. Twitter is een dienst waarmee je berichten van maximaal 140 tekens (20 minder dan bij een SMS-bericht) naar anderen kunt sturen. Met een tweet laat je aan anderen zien wat je aan het doen bent. Op www.twitter.com kun je jezelf aanmelden. Vervolgens kies je mensen uit die je wilt volgen. De tweets die door deze mensen verstuurd worden, krijg je als volger (follower) op je Twitter-acount op je computer te zien. Indien je mobiel internet hebt, kun je tweets ook op je telefoon ontvangen en versturen. Twitter heeft Google Maps ingebouwd, waardoor het mogelijk is om te bekijken vanaf welke locatie een tweet werd gepost. Twitter wordt al door veel overheidsinstanties voor meerdere doeleinden gebruikt. Onderzoek naar de demografische kenmerken van Twitteraars toont aan dat de gemiddelde Twitteraar jonger wordt. ComScore constateerde in september 2008 dat Twitter het meest populair was in de leeftijdscategorie 25-34 jaar. In september 2009 bleek dat het aantal jongeren op Twitter in hoog tempo aan het toenemen is. Dat gold vooral voor de leeftijdsgroepen 12-17 en 18-24. De gemiddelde leeftijd van Twitteraars blijft liggen op 31 jaar. 4. Beeld en geluid delen Er bestaan diverse platforms voor het delen van beelden en muziek. Op Flickr en Picasa kunnen online foto’s met elkaar gedeeld worden. Op YouTube en Vimeo is het mogelijk om een eigen digitaal filmpje rechtstreeks op het internet te plaatsen. Ook opgenomen audio kan gedeeld worden. Indien aan de beschikbaar gestelde audio tevens een RSS feed is gekoppeld, wordt ook wel gesproken over podcasting. Wordt aan beschikbaar gestelde video een RSS feed gekoppeld dan heet dit vodcasting. Op moderne mobiele telefoons is het mogelijk om digitale audio- en videobestanden te downloaden. Een voorbeeld van een (particuliere) website waarop foto’s online gedeeld kunnen worden is www.mybikelane.com. Op deze website kunnen fietsers zelf gemaakt foto’s van op fietspaden geparkeerde voertuigen uploaden en voorzien van relevante informatie zoals tijdstip en locatie. Vervolgens komt deze informatie bij betrokken overheidsinstanties terecht. In België is dit initiatief overgenomen en omgevormd tot www.foutparkeerders.be. Uit een recente enquête van Top-X8 (15 februari 2010) komt naar voren dat maar liefst 96,4% van de Nederlandse jongeren het vaakst filmpjes bekijkt via YouTube. Dumpert is met 18,6% de site die na YouTube het vaakst bezocht wordt om filmpjes te bekijken. Van de jongeren die het vaakst naar YouTube kijken voor filmpjes geeft 48,1% aan dit dagelijks te doen. Jongens (60%) kijken vaker dagelijks filmpjes op YouTube dan meisjes (40%). Ditzelfde percentageverschil geldt voor de leeftijdscategorieën van 12 tot 17 (60%) en van 18 tot 24 jaar (40%). Hoewel de meeste jongeren nog via de laptop of computer kijken, doet 25% dit al regelmatig via hun mobiele telefoon. Door de verwachte toename van het aantal jongeren met een Smartphone zal dit percentage waarschijnlijk toe gaan nemen. Het genre dat het meest bekeken wordt door jongeren is muziekclips (67,2%). De categorie nieuwsfragmenten, waar opsporing onder zou vallen, wordt door 7,1% van de jongeren bij de drie meest bekeken genres genoemd. Van de jongeren die op school zitten kan 80% YouTube op school bekijken. 5. Sociale netwerken Sociale netwerken zoals Hyves, Buurtlink en Facebook en de meest jonge telg in deze familie Google Buzz, hebben een nieuwe manier gecreëerd om online te communiceren en informatie te delen. Sociale netwerksites geven de mogelijkheid om een profiel aan te maken. Dit profiel bestaat meestal uit een naam, een eigen profielfoto en andere persoonlijke informatie. Dit profiel kan gekoppeld worden aan andere profielen: je vrienden. Bij de meeste sociale netwerksites moeten beide gebruikers bevestigen dat ze hun profielen aan elkaar willen linken. Op deze manier ontstaan groepen ‘vrienden’. Het gemiddelde aantal vrienden ligt onder de zestig, terwijl de mediaan (meest voorkomende aantal 8 Top-X is het onderzoekspanel van het tv-programma EénVandaag bestaande uit jongeren van 12 tot 24 jaar. Twee keer per maand wordt onder het onderzoekspanel een enquête afgenomen over een maatschappelijk relevant onderwerp. Navraag bij Top-X heeft duidelijk gemaakt dat de resultaten niet representatief zijn voor Marokkaanse jongeren, omdat deze groep ondervertegenwoordigd is in het panel. 11
  • 17. Sociale media in de opsporing vrienden in een groep) vijf is (Shirky, 2008). Bij de meeste sites zijn er ook privacy instellingen waarmee je kunt controleren wie wat van je profiel te zien krijgt. Aangezien de nadruk op communicatie ligt, bieden sociale netwerksites meerdere manieren aan waarop je in contact kan blijven met je vrienden. Dit kan door berichtjes uit te wisselen in de stijl van e-mail, maar ook door bijvoorbeeld groepen te creëren die interesses delen, video’s te uploaden, of door middel van forumdiscussies. Veel content sharing sites bieden ook een beperkte vorm van sociaal netwerking aan. Een nieuwe trend hier is de integratie van sociale netwerken met mobiele telefonie. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van het aantal unieke gebruikers van de vier meest populaire sociale netwerken in Nederland van de afgelopen drie jaar volgens comScore9 . Tabel 2: De vier meest populaire sociale netwerken in Nederland (2008-2010) Dec 2008 Juli 2009 Jan 2010 Groei (2009-2010) % totaal NL (2010) Unieke bezoekers (x1000) 11812 12007 12653 -0.56% 100% Hyves 5783 7110 7572 6.50% 59,84% Facebook 794 1892 3302 74,52% 26,10% Partyflock 682 1168 1075 -7,96% 8,50% Myspace 605 830 704 -15,18% 5,56% Bron: comScore.com Sociale netwerken zijn vooral onder jongeren populair en zijn dus voor de opsporing een interessant middel om jongeren te bereiken. Een enquête van Top-X (10 februari 2009) bevestigd dit beeld. Hyves was volgens deze enquête de meest populaire sociale netwerksite onder jongeren. Maar liefst 47,2% van de jongeren is lid van Hyves. Met 10,5% en 8,9% worden respectievelijk Windows Live space en Facebook vervolgens het meest gebruikt door jongeren. Opvallend is dat slechts 2,2% lid is van Twitter. Van de jongeren die lid zijn van Hyves geeft 49,7% aan één of meerdere keren per dag te Hyven. 3.5 Discussie Bij het tot stand komen van dit overzicht is duidelijk geworden dat er weinig wetenschappelijke literatuur voorhanden is. Sociale media zijn nog een relatief nieuw fenomeen, wat als gevolg heeft dat het onderzoek hieromtrent nog in een verkennende fase zit. Op verschillende websites worden daarom overheidsinstanties uitgenodigd om te experimenteren met sociale media en de resultaten bekend te maken. Van Berlo (2009) helpt overheidsinstanties hierbij door ze tien adviezen te geven om succesvol op internet te kunnen participeren: 1. Breng in beeld waar gesprekken op internet plaatsvinden. 2. Wees aanwezig op drukke plekken. 3. Vertrouw je medewerkers. 4. Begeleid je medewerkers online. 5. Zorg voor goede voorzieningen. 6. Investeer in bestaande of creëer online platformen. 7. Ben proactief in het tackelen van negatieve online meningsvorming (webcare). 8. Stel vragen en initieer gesprekken. 9. Wees menselijk. 10. Analyseer online data. Ook is gebleken dat er zeer veel sociale media bestaan en dat het gebruiken hiervan een hot item is binnen de Nederlandse overheid. Voornamelijk op lokaal gebied ontstaan los van elkaar veel 9 Het bedrijf comScore is wereldwijd marktleider op het gebied van het meetbaar maken van de digitale wereld. Op de website van comScore is het mogelijk om cijfers te achterhalen van het aantal unieke bezoekers van sociale netwerken. Uit deze cijfers zijn geen leeftijden af te leiden. 12
  • 18. Sociale media in de opsporing eParticipatie initiatieven. Tot nu toe ontbreekt gestandaardiseerd onderzoek naar de opbrengsten van dergelijke initiatieven. Er blijkt geen duidelijke formule te bestaan wanneer welke middelen ingezet worden. De keuze voor een middel, of een mix van middelen, is afhankelijk van het probleem/de vraag waar de overheid tegenaan loopt en het doel dat men wil bereiken. Ben je op zoek naar de mening van je doelgroep, dan kan bijvoorbeeld in een blog een poll opgenomen worden. Op deze wijze wordt gebruik gemaakt van “wisdom of crowds”. Ben je op zoek naar nieuwe ideeën, dan kan via een wiki of een blog de burger aangezet worden tot cocreatie. Al deze mogelijkheden kunnen ook intern toegepast worden, zonder de burger te betrekken. Hierbij geldt altijd: hoe groter het aantal gebruikers van een wiki is, des te groter het zelfcorrigerend vermogen en des te betrouwbaarder de content (Shirky, 2008). Vaak is het handiger om naar het publiek toe te gaan, dan om het publiek naar je toe te trekken. Zoek als overheid dus de virtuele ontmoetingsplekken van je doelgroep op. Dit sluit aan bij de eerste twee adviezen van Van Berlo (2009) en bij de nodale oriëntatie binnen de politie. Een recent voorbeeld hiervan is de Politieacademie die sinds maart 2010 sociale media inzet voor het werven van nieuw personeel. Naast YouTube en Hyves wordt ook geprobeerd Nederlands-Marokkaanse jongeren te bereiken via de community Marokko.nl. Een andere populaire website onder deze jongeren is Maghreb.nl10 . Uit de enquête van Top-X bleek dat Hyves en YouTube de plekken zijn waar jongeren te vinden zijn. Facebook lijkt echter in Nederland ook steeds populairder te worden. Ook in de Verenigde Staten (VS) is Facebook steeds populairder aan het worden. Bijna vier op de vijf internetgebruikers bezocht in 2009 op een maandelijkse basis een sociale netwerksite. Twitter werd in dit onderzoek ook onder een sociaal netwerk geplaatst. Facebook en Twitter waren samen de belangrijkste veroorzakers van de stijging in het gebruik van sociale netwerken in de VS in 2009. De early-adapters van Twitter in de VS waren voornamelijk boven de 30 jaar. Sinds 2009 lijkt Twitter in de VS ook populair te worden onder jongeren van 12 tot 24 jaar. De VS zijn een goede voorspeller van ontwikkelingen op de Nederlandse markt. Misschien een nog wel belangrijkere conclusie die comScore trekt, is de stijgende populariteit in het gebruik van smartphones en 3G-telefoons. Beide telefoons hebben een internetverbinding en vaak een ingebouwde GPS-ontvanger. Met een 3G-telefoon is het daarbij ook mogelijk om elkaar als beller te zien. In 2009 steeg in de VS het gebruik van de smartphone van 11 tot 17 procent van alle mobiele telefoon bezitters en het gebruik van de 3G-telefoon van 32 tot 43 procent. Tot slot is de wijze van gebruik van sociale media mede bepalend voor de mate van succes van de toepassing van sociale media. Hoe meer aan de drie kenmerken (open, sociaal en gebruiker centraal) tegemoet gekomen wordt, des te groter de kans op succes. Hierbij geldt bovendien dat de (virtuele) ‘online’ aanwezigheid van de overheid versterkt wordt door (fysieke) ‘offline’ aanwezigheid. Als bijvoorbeeld de blog van een korpschef alleen de mogelijkheid biedt om via e-mail te reageren, dan heeft dit een negatief effect op de mogelijkheden tot interactie en de mate van openheid. Indien een burger toch reageert en hier vervolgens geen antwoord op krijgt, dan wordt niet voldaan aan actieve wederkerigheid. Het effect van een blog zal bovendien versterkt worden als de korpschef ook fysiek in contact treedt met zijn doelgroep. De keerzijde van de medaille is dat met een toename in aandacht een afweging gemaakt dient te worden tussen breedte en diepte (Shirky, 2008). Reageer je op iedereen een beetje, of reageer je op een enkeling uitgebreid? Op deze manier kan een succesvolle toepassing gebukt gaan onder haar eigen succes. 10 Uit interview met adviseur digitale media korps Hollands-Midden (persoonlijke communicatie, 8 maart 2010). 13
  • 19. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 4. Resultaten onderzoeksvraag 2: Sociale media in Nederlandse opsporing In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op onderzoeksvraag twee; welke sociale media worden in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt? Bij ieder besproken middel worden voorbeelden gegeven van het gebruik ervan binnen opsporingsonderzoeken in de Nederlandse korpsen. Indien van toepassing wordt dit vergeleken met het gebruik ervan in Gelderland-Zuid. In bijlage I is een compleet overzicht te vinden van de ontwikkelingen op het gebied van sociale media binnen de 25 Nederlandse korpsen (minus KLPD). In bijlage II worden de in dit onderzoek gebruikte afkortingen van de Nederlandse korpsen weergegeven. 4.1 Technische middelen 1. RSS feed Op de intranetten van de korpsen was niet te achterhalen of de korpsen gebruik maken van RSS feeds. Daarom is ervoor gekozen om de website politie.nl te bekijken. Op deze site is een overzicht te vinden van de korpsen die RSS feeds aanbieden. Volgens dit overzicht stellen alle korpsen behalve Flevoland, Rotterdam-Rijnmond, Gelderland-Midden en Limburg-Zuid één of meerdere RSS feeds beschikbaar. Het bekijken van de politie.nl pagina’s van deze vier korpsen wijst echter uit dat alle vier de korpsen wel gebruik maken van RSS feeds. Tussen alle korpsen is er verschil waar te nemen in het aantal aangeboden feeds en het doel daarvan. Zo biedt het korps Amsterdam-Amstelland drie feeds aan. Eén feed voor alle nieuwsberichten en twee voor de website depolitiezoekt.nl. Met de eerste feed op depolitiezoekt.nl wordt je als gebruiker voorzien van alle berichten, van alle deelnemende regio’s die op depolitiezoekt.nl geplaatst worden. Met de tweede feed krijg je alleen de berichten over gezochte veroordeelden van alle deelnemende regio’s. Het korps Brabant Zuid-Oost biedt RSS feeds voor alle persberichten en persberichten op wijkniveau aan. Haaglanden maakt een onderscheid in RSS feeds voor nieuws-, pers- en opsporingsberichten. Gelderland-Zuid heeft een nieuwsberichten feed en een opsporingsberichten feed. Het lijkt erop dat niet optimaal gebruik wordt gemaakt van de opsporingsberichten feed in Gelderland-Zuid. Op moment van bekijken op 8 maart 2010 dateert het meest recente opsporingsbericht van donderdag 21 januari 2010 (politie zoekt getuigen scooterongeval). 2. Widget Op de website www.eco.netvibes.com is een overzicht te vinden van alle widgets op internet (meer dan 188.000). Je kunt op deze website een selectie maken op land en categorie widget. Het bekijken van de 148 widgets in de categorie “nieuws” in Nederland wijst uit dat alleen de korpsen Brabant Zuid- Oost en Amsterdam-Amstelland widgets aanbieden voor hun pers- en opsporingsberichten. Brabant Zuid-Oost biedt dit ook op wijkniveau aan. Ter indicatie, de meest geïnstalleerde widget is de widget voor pers- en opsporingsberichten van het korps Brabant Zuid-Oost. Deze widget wordt sinds 5 juli 2009 aangeboden en is sindsdien 135 keer geïnstalleerd. Brabant Zuid-Oost is ook het enige korps dat een eigen netvibes pagina heeft waar widgets, RSS feeds en API’s door bezoekers vandaan gehaald kunnen worden. 3. API Zoal in paragraaf 3.3 beschreven is de Google Maps API één van de meest bekende API’s. De korpsen Brabant Zuid-Oost, Haaglanden en Utrecht maken gebruik van deze API. Brabant Zuid-Oost gebruikt deze API om de locaties van overvallen (Crimemaps) en om actuele verkeerscontroles binnen de regio in beeld te brengen. Hier is feitelijk sprake van een mashup, aangezien een API gecombineerd wordt met gegevens van een andere bron. De overvallen worden wegens privacyoverwegingen op straatniveau weergegeven. Aan de locatie wordt tevens een beschrijving van de overval en een getuigenoproep gekoppeld (zie figuur 2). De burger wordt verzocht om met tips naar het algemene politienummer (0900-8844) te bellen, of naar Meld Misdaad Anoniem (0800-7000). 14
  • 20. Sociale media in de opsporing Figuur 2: Crimemaps: Toepassing van de Google Maps API in korps Brabant Zuid-Oost Tevens zijn links geplaatst naar de website en de Twitter-site van de wijk waar de overval heeft plaatsgevonden. In Haaglanden wordt de Google Maps API op de website www.onzewijkveilig.nu gebruikt voor het aangeven van locaties van diefstallen, berovingen, mishandelingen, bedreigingen en vernielingen gepleegd in de wijken Wassenaar en Loosduinen. Ook hier worden de locaties op straatniveau weergegeven en worden getuigenoproepen bij de delicten geplaatst. Burgers kunnen hun tips doorbellen, of mailen naar de politie. Het korps Utrecht heeft sinds juni 2009 op de website www.stopdecriminaliteit.nl een Google Maps overzichtskaart geplaatst van gepleegde woninginbraken in de stad Utrecht. De woninginbraken worden in negen verschillende modus operandi weergegeven. Opgeloste woninginbraken worden niet getoond. Getuigen kunnen (anoniem) reageren via telefoon en mail. Op de website worden drie verschillende RSS feeds aangeboden. 4. Social bookmarking In de inventarisatie van de korpsen zijn geen toepassingen van social bookmarking in de opsporing naar voren gekomen. Tagging wordt wel gebruikt in de vorm van hashtags bij het versturen van tweets. Zo wordt in het korps Groningen op het geopende Twitter-account voor de branden in Veendam ‘#Veendam’ gebruikt. Hierdoor is alles wat mensen zeggen over het onderwerp ‘Veendam’ op Twitter in één overzicht te zien. 4.2 Sociale middelen 1. Blog Binnen een aantal korpsen wordt de blog gebruikt (zie bijlage I). De meeste hiervan hebben geen betrekking op de opsporing. De blog wordt vooral ingezet om ervaringen en meningen van wijkagenten en leidinggevenden binnen de handhaving weer te geven. Binnen sommige korpsen wordt de blog alleen op intranet geplaatst, andere korpsen kiezen ervoor om het blog op internet te plaatsen. In Brabant Zuid-Oost schrijft de politiechef van Eindhoven wekelijks een blogpost op politieeindhoven.blogspot.com. Burgers kunnen op deze blogposts reageren. Op deze blog zijn ook de laatste opsporingtweets geplaatst en de widget van Crimemaps. In Gelderland-Zuid heeft de korpschef een blog op intranet. Medewerkers kunnen reageren op deze blog. Op het internet (politie.nl) is een column van studenten van Gelderland-Zuid te vinden. Hierop kan niet gereageerd worden. De enige toepassing van een blog die in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruikt wordt, is de website www.politieonderzoeken.nl. Op deze site worden tot nu toe voornamelijk vastgelopen onderzoeken naar ernstige delicten (cold cases) geplaatst. De onderzoeken worden zo volledig mogelijk op internet gezet en burgers wordt gevraagd over specifieke vragen na te denken. Ingezonden reacties worden eerst door het onderzoeksteam bekeken en worden vervolgens geplaatst. 15
  • 21. Sociale media in de opsporing 2. Wiki De inventarisatie heeft geen toepassing van een wiki binnen Nederlandse opsporingsonderzoeken aan het licht gebracht. 3. Twitter Tabel 3 geeft een overzicht van de Nederlandse korpsen die op dit moment gebruik maken van Twitter. Per maart 2010 zijn dit er twaalf. Enkele korpsen zijn voorbereidingen aan het treffen (o.a. Gelderland-Midden). Tabel 3: Gebruik van Twitter in Nederlandse korpsen per maart 2010 Korps www.twitter.com/ Wijze van gebruik Tweets Volgers AA /depolitiezoekt Opsporingsberichten depolitiezoekt.nl 58 581 BZO /politiebzo (regio) + 21 gemeenteaccounts /politiebzozoekt Pers- en opsporingsberichten Alleen opsporingsberichten *Tweet- en Video-Alert 2611 50-1468 293 677 (regio) 72-693 135 BN /politiebn Pers- en opsporingsberichten 91 841 FR /dadergezocht Opsporingsberichten *TweetPhoto 203 557 GR /politie_grn/persvoorlichter /fred_wilbrink (o.a.) /brandenveendam Pers- en opsporingsberichten via persvoorlichter. Drie buurtagenten, jeugdagent, drie wijkchefs, plaatsvervangend korpschef. Berichtgeving over branden in Veendam. *Burgers verzocht optie DM te gebruiken. 237 117-246 7 313 100-200 450 HM /politieHM Pers- en opsporingsberichten Twitterende wijkagenten, teamchef *Aankond. controles 1178 99-175 725 51-295 HL /politieHL Pers- en opsporingsberichten 167 269 LN /politieln Pers- en opsporingsberichten *twitterende rechercheurs in overvallenteam 96 476 MWB /politiemwb pers- en opsporingsberichten (per district op aparte website) 1090 539 NOG /politieGldNO + 19 wijken pers- en opsporingsberichten 2369 47-470 150 27-192 RR /politierr + 2 districten Pers- en opsporingsberichten 270 83/52 756 105/64 UT /politieutrecht Pers- en opsporingsberichten *Nieuwsbericht van de dag /aankon. controles 169 876 Opmerking: De Twitter-accounts in deze tabel zijn op verschillende dagen in maart 2010 geraadpleegd. De drie korpsen waar naast regionale berichtgeving ook wijkgebonden berichtgeving plaatsvindt, zijn per korps echter op dezelfde dag geraadpleegd. Het bekijken van de Twitter-accounts van de twaalf reeds twitterende korpsen wijst uit dat er op verschillende manieren gebruik wordt gemaakt van Twitter. Alle twaalf korpsen, met uitzondering van Amsterdam-Amstelland, Friesland en Groningen, hebben een regionaal Twitter-account waarop politieberichten in de meeste gevallen via RSS feed op het Twitter-account komen. Hiermee is het Twitter-account dus feitelijk niet meer dan een extra kanaal om pers- en opsporingsberichten te verspreiden. Van deze negen korpsen heeft Utrecht met 876 de meeste en Noord- en Oost- 16
  • 22. Sociale media in de opsporing Gelderland met 150 de minste volgers. Doordat er verschillen zijn in de datum van het openen van de Twitter-accounts zegt het aantal volgers niets over de populariteit van het Twitter-account. De eerste tweets van Utrecht dateren namelijk van mei 2009. De eerste tweets van Noord- en Oost-Gelderland dateren van oktober 2009. Het aantal verzonden tweets zegt niet veel over het aantal volgers. Het lijkt juist van belang om niet te veel tweets te versturen. Een teveel aan tweets kan zorgen voor ongeïnteresseerdheid bij volgers. In Noord- en Oost-Gelderland zijn bijvoorbeeld 2369 tweets verstuurd, in Utrecht slechts 169. Utrecht stuurt in de tweets ook een nieuwsbericht van de dag mee. In drie korpsen is een apart Twitter-account geopend voor opsporingsberichtgeving: Amsterdam, Brabant Zuid-Oost en Friesland. In Groningen en Hollands-Midden hebben enkele wijkagenten en leidinggevenden een eigen Twitter-account. Andere korpsen, waaronder Utrecht en Noord- en Oost- Gelderland, zijn voorbereidingen aan het treffen voor het laten Twitteren van wijkagenten. Alleen Brabant Zuid-Oost, Rotterdam-Rijnmond en Noord- en Oost-Gelderland hebben naast accounts voor de regio, ook aparte accounts voor de wijken. Opvallend hierbij is dat de grootse wijken van twee van deze drie korpsen meer volgers hebben dan de regionale accounts. Dit lijkt erop te wijzen dat wijkgebonden berichtgeving een meerwaarde kan hebben. Binnen de twaalf twitterende korpsen wordt op verschillende manieren gebruik gemaakt van de functionaliteiten van Twitter. In Friesland worden bijvoorbeeld foto’s met de tweets meegestuurd via de functionaliteit TweetPhoto. In Brabant Zuid-Oost wordt met iedere SMS-Alert handmatig een Tweet-Alert rondgestuurd. Aan deze Tweet-Alert wordt tevens het verzoek gedaan om de boodschap te retweeten (doorsturen). Ook worden in Brabant Zuid- Oost zogenaamde Video-Alerts gestuurd. Dit is een tweet met daarin een link naar een specifieke passage van een op televisie uitgezonden opsporingsbericht. In Groningen worden Twittervolgers verzocht om te reageren via de optie Direct Message. Een Direct Message is een bericht dat alleen te lezen is door degene aan wie het bericht is verstuurd, de politie in dit geval. Voorwaarde voor het kunnen sturen van een Direct Message is dat beide partijen hebben aangegeven elkaar te volgen. In Limburg-Noord tenslotte, zijn rechercheurs actief op Twitter binnen een overvallen onderzoek. De inzet van Twitter heeft volgens Van Ginderen van de afdeling communicatie van dit korps tot nu toe geleid tot de oplossing van een overval en een woninginbraak (persoonlijke communicatie, 25 maart 2010). 4. Beeld en geluid delen Binnen de Nederlandse korpsen wordt op verschillende manieren gebruik gemaakt van het inzetten van beeldmateriaal in de opsporing. De meest gebruikte wijze is het door de politie publiceren van beeldmateriaal op politie.nl of op een regionale opsporingssite. De inventarisatie heeft zes regionale websites opgeleverd waarop beeldmateriaal binnen opsporingsonderzoeken beschikbaar wordt gesteld. In tabel 4 worden de belangrijkste aspecten van deze zes websites weergegeven. De kolom “beheer” toont welk korps beheerder is van de website. In de kolom “korpsen” is te zien welke korpsen (beeldmateriaal van) hun onderzoeken op deze website plaatsen. In de kolom “misdrijven” is te zien welke misdrijven op de website geplaatst worden. In de kolom “beeldmateriaal” wordt aangegeven wat voor een soort beeldmateriaal geplaatst wordt (foto’s, dynamische/statische bewakingsbeelden). In de laatste kolom wordt aangegeven of de website de mogelijkheid biedt om zelf beeldmateriaal te uploaden. De website pit.tv van Limburg-Zuid is op dit moment de enige website waar burgers hun beeldmateriaal via computer en telefoon kunnen uploaden. Pit.tv, depolitiezoekt.nl en politieonderzoeken.nl zijn de enige websites waarop filmpjes afgespeeld worden. Vaak zijn dit beelden van bewakingscamera’s. Op pit.tv is ook geluid bij deze films te horen en zijn ook door de politie gemaakte filmpjes te bekijken. In totaal zijn er 14 korpsen die naast hun politie.nl mogelijkheid, ook op één van de zeven websites beelden plaatsen. Het korps Gelderland-Zuid is hierbij niet vertegenwoordigd. Gelderland-Zuid plaatst alleen beelden op politie.nl. Dit heeft als nadeel dat de beelden statisch zijn. De Aanwijzing Opsporingsberichtgeving stelt de juridische kaders voor het publiceren en verwijderen van beeld- en geluidsmateriaal. In bijlage III zijn de belangrijkste criteria en richtlijnen van deze aanwijzing samengevat. 17
  • 23. Sociale media in de opsporing Tabel 4: Regionale opsporingswebsites Website (www.:) Beheer Korpsen Misdrijven Beeldmateriaal Uploaden depolitiezoekt.nl AA AA GV RR KL HM LN straatroof levensdelict overvallen veroordeelden Foto’s verdachte/veroordeelde Dynamische bewakingsbeelden Nee politieonderzoeken.nl UT IJL UT HL NOG Kapitale delicten Foto’s verdachte/slachtoffer voorwerpen plattegrond Dynamische bewakingsbeelden Nee dadergezocht.nl FR FR GR DR Alle misdrijven Statische bewakingsbeelden Foto’s voorwerpen Nee pit.tv LZ LZ Alle misdrijven Foto’s en dynamische bewakingsbeelden Ja stopdecriminaliteit.nl UT UT inbraken Foto’s Nee politie-rijnmond.nl RR RR Coldcases: moord/doodslag verkrachting Foto’s slachtoffer (3D-reconstructie) Foto’s locatie Nee Soms wordt voor incidenten tijdelijk een nieuwe website geopend waarop burgers zelfgemaakt beeldmateriaal kunnen uploaden. Dit was bijvoorbeeld het geval tijdens de strandrellen in Hoek van Holland in augustus 2009. De korpsen Gelderland-Zuid en Haaglanden hebben voor het uploaden van beeldmateriaal van incidenten tijdens de jaarwisseling 2009-2010 de website overlastmelden.nl geopend. In Amsterdam is hiervoor gebruik gemaakt van een website van de KLPD. Tien korpsen plaatsen beeldmateriaal op YouTube. De korpsen die op dit moment een eigen YouTube kanaal hebben zijn: de drie Brabantse korpsen via het regionale tv-programma Bureau Brabant, Drenthe, Friesland, Groningen, Haaglanden, Hollands-Midden, Noord- en Oost-Gelderland en Utrecht. Zoals eerder beschreven sturen sommige korpsen in hun tweets en RSS feeds rechtstreeks, of via een doorverwijzende link, beeld- en fotomateriaal mee. 5. Sociale netwerken De inventarisatie toont aan dat weinig korpsen gebruik maken van het in contact treden met de burger via sociale netwerken. Facebook, het snelst groeiende sociale netwerk, wordt op dit moment niet gebruikt binnen de Nederlandse opsporing. Vier korpsen hebben een profiel op Hyves. Dit zijn Gelderland-Midden (gelderland-midden.hyves.nl), Limburg-Noord (politie-lbn.hyves.nl), Noord-en Oost-Gelderland (nogpol.hyves.nl) en IJsselland (politie-zwolle.hyves.nl). Opvallend is dat dit allemaal korpsen in het Zuidoosten van het land betreft. Hyves is in deze korpsen een aantal keren in opsporingsonderzoeken ingezet. In IJsselland stonden beelden van bewakingscamera’s van twee overvallen op 21 maart 2010 op het Hyves-account. Vorig jaar heeft de politie IJsselland zelfs advertentieruimte gekocht op Hyves waarin aandacht werd gevraagd voor de uitzending van Opsporing Verzocht. In Limburg-Noord is sinds februari 2010 een Hyves-account geopend. Op dit account zijn YouTube films van Opsporing Verzocht geplaatst en zijn diverse opsporingsberichten te vinden. Onlangs hebben drie rechercheurs gedurende een uitzending van Opsporing Verzocht live getwittert en een blog op Hyves bijgehouden. 4.3 Discussie Dit onderzoek heeft niet de pretentie om een uitputtende inventarisatie te maken van de reeds toegepaste sociale media om burgers te betrekken bij de opsporing. Alleen een aantal veel voorkomende toepassingen is bekeken. De enige API die bekeken is, is bijvoorbeeld de Google Maps API. Interessante constatering is dat deze populaire API slechts in drie Nederlandse korpsen wordt gebruikt. Volgens dhr. Bodrij, programmamanager burgerparticipatie van het korps Haaglanden, heeft de website onzewijkveilig.nu tot op heden weinig opgeleverd voor de opsporing (persoonlijke communicatie, 22 maart 2010). Ook de website stopdecriminaliteit.nl van het korps Utrecht heeft 18
  • 24. Sociale media in de opsporing volgens projectleider Brugge (persoonlijke communicatie, 23 maart 2010) slechts enkele tips binnen onderzoeken opgeleverd. Deze tips hebben niet geleid tot de oplossing van de betreffende woninginbraken. De vraag kan gesteld worden of de startkosten11 , subsidies van respectievelijk 500.000 en 30.000 euro van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in dit geval tegen de baten opwegen. Deze tegenvallende resultaten steken vreemd af bij de bevindingen van Scholte (2008). Na een media-inventarisatie van twee jaar concludeerde hij dat vooral concrete inbraken en vernielingen burgers lijken te mobiliseren (p.229). Wellicht is de meerwaarde van deze websites niet zo zeer in de opsporing gelegen, maar meer in de preventieve kant en in het opbouwen van een vertrouwensband met de burger. Dit blijkt ook uit het feit dat geen opsporingsdoelen, maar wel communicatieve doelen zijn gekoppeld aan de website in Utrecht12 . Het gebruik van de Google Maps Api in het korps Brabant Zuid-Oost is heel wat goedkoper. Het voordeel van deze toepassing is bovendien dat deze als widget aangeboden wordt op een netvibes-pagina. Het beschikbaar stellen van verplaatsbare widgets kan ervoor zorgen dat de boodschap op meerdere plekken op het internet verschijnt, bijvoorbeeld op profielen op sociale netwerken. De inventarisatie heeft geen toepassing van een wiki binnen opsporingsonderzoeken aan het licht gebracht. Het lijkt erop dat wiki’s binnen een organisatie van grotere waarde kunnen zijn dan buiten een organisatie. De wiki van de CIA, Intellipedia, is hier een goed voorbeeld van. Een interne wiki kan bijvoorbeeld gebruikt worden als mindmap tool, kan aanwezige kennis bij het personeel naar boven halen en bundelen en kan een tool bieden om groepen mensen op afstand met elkaar te laten samenwerken (Tapscott & Williams, 2008). Een wiki zou binnen een opsporingsteam gebruikt kunnen worden, maar kan ook toegankelijk gemaakt worden voor politiemedewerkers buiten het opsporingsteam, maar binnen de politieorganisatie. Het Internet Recherche Netwerk (IRN) heeft een ingebouwde wiki en kan hiervoor gebruikt worden. Het IRN is een beveiligd intern politienetwerk waarop onder andere internetsurveillance kan plaatsvinden. Gelderland-Zuid is hierop aangesloten en volgens De Beijer13 zijn er plannen om dit netwerk landelijk te implementeren (persoonlijke communicatie, 13 april 2010). Het open stellen voor collega’s buiten een onderzoeksteam vergroot de gezamenlijke intelligentie, maar verhoogt tegelijkertijd ook het afbreukrisico van het onderzoek. Het onderzoeken van de afwegingen die hiermee gepaard gaan, valt buiten de scope van dit onderzoek. Binnen het lectoraat Intelligence van de Politieacademie zullen de mogelijke manieren waarop wiki’s en andere virtuele communities bijdragen aan de kracht van samenwerken onderzocht worden (Den Hengst-Bruggeling, 2010). In de opsporing wordt ook weinig tot geen gebruik gemaakt van een blog. Alleen op politieonderzoeken.nl kunnen burgers op vragen reageren en worden hun reacties geplaatst. Hiermee fungeert dit als een soort van blog, hoewel het hier geen meningen of ervaringen van een persoon betreft, maar voorgelegde problemen vanuit een onderzoeksteam. Een blog kan echter op meer manieren van nut zijn voor de opsporing. Een bloggende wijkagent en/of politiechef kan bijvoorbeeld aandacht vragen voor de opsporing. In de blog van een wijkagent in Noord- en Oost-Gelderland gebeurt dit bijvoorbeeld. Op deze blog wordt wijkbewoners gevraagd om tips over recent gepleegde auto-inbraken. Een andere mogelijkheid is het plaatsen van opsporingsberichten en links naar en widgets voor de opsporing. In Brabant Zuid-Oost gebeurt dit al. Nog weinig korpsen delen hun profiel op een sociale netwerksite. Alleen Hyves wordt door vier korpsen hiervoor gebruikt. Gezien de stijgende populariteit van Facebook is het ook het overwegen 11 Het up-to-date houden van de websites kost in beide regio’s weinig geld/tijd. De informatiestroom van aangifte tot plaatsing op de websites zijn bijna volledig geautomatiseerd. 12 De gekozen communicatieve doelstelling van Utrecht (‘binnen een jaar is de website door 8000 huishoudens in stad Utrecht bekeken’) is ruimschoots gehaald. Na zes maanden hadden al 60.000 huishoudens de website bezocht. De resultaten van de pilot in Haaglanden worden eind 2010 verwacht. 13 De Beijer is medewerker van het Interregionale Bureau Digitale Expertise in Nijmegen. 19
  • 25. Sociale media in de opsporing waard om hier een profiel aan te maken. Doordat korpsen niet bijhouden via welk kanaal burgers met tips zijn bereikt, is het lastig om uitspraken te doen wat het gebruik van een sociale netwerksite de opsporing oplevert. Wel kan gesteld worden dat in ieder geval meer mensen bereikt zullen worden. Enkele aangetroffen toepassingen binnen de korpsen zijn niet ondergebracht in de toegepaste indeling in technische en sociale middelen. Deze toepassingen zijn te vinden in de kolom ‘overig’ in bijlage I. De digitale nieuwsbrief, SMS- en Mail-Alert en Burgernet zijn in deze kolom het meest terug te vinden. In Midden- en West-Brabant wordt de mailalert op wijkniveau als aanvulling op het fysieke buurtonderzoek verzonden: voorlopig alleen nog in de gemeente Breda en alleen voor woninginbraken, overvallen en straatroven. In Amsterdam-Amstelland (acht wijken) en Groningen wordt een digitale nieuwsbrief aangeboden met de optie tot aanmelden voor Mail-Alert. In totaal wordt in dertien korpsen een digitale nieuwsbrief verzonden. Waar met SMS-Alert de burger ingeschakeld wordt voor zojuist gepleegde delicten, kan met de nieuwsbrief de hulp van de burger gevraagd worden voor lopende opsporingsonderzoeken. De verkregen gegevens van de deelnemende burgers aan projecten zoals SMS-Alert en een digitale nieuwsbrief dienen met enige voorzichtigheid behandeld te worden. De abonneegegevens van de deelnemende burgers zijn politiegegevens: persoonsgegevens die in het kader van de uitoefening van de politietaak zijn verkregen (art. 1 Wet politiegegevens (Wpg)). Deze gegevens dienen volgens art. 15 lid 1 Wpg verplicht ter beschikking te worden gesteld indien door personen binnen de organisatie, ten behoeve van de uitvoering van hun taak, hierom gevraagd wordt. Het is niet ondenkbaar dat deze politiegegevens informatie bevatten die binnen een opsporingsonderzoek van pas kunnen komen. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid en proportionaliteit, is het verstandig om als korps afspraken te maken hoe hiermee om te gaan. Volgens Warner de Boer, privacyfunctionaris van het korps Gelderland-Zuid, kan de korpsbeheerder als verantwoordelijke hiervoor kaders opstellen. Hij kan bijvoorbeeld bepalen dat de gegevens naast het oorspronkelijke doel, ook gebruikt mogen worden voor verwerking in het kader van opsporingsonderzoeken (artt. 9 en 10 Wpg), maar niet voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak (art. 8 Wpg). Indien een burger zich meldt als nieuwe abonnee dan zou in het vervolg aangegeven kunnen worden dat zijn gegevens worden geregistreerd onder de Wet politiegegevens en dat deze kunnen worden gebruikt voor opsporingsdoeleinden. Dit kan een negatieve invloed hebben op de bereidheid onder burgers om mee te werken. De inventarisatie laat zien dat de inzet van sociale media gebruikt kan worden voor (oneway) opsporingsberichtgeving of als (twoway) –communicatiemiddel. De kennis en kunde lijken hiervan vooral te liggen bij de afdelingen communicatie. De vraag is of de gemiddelde rechercheur zich voldoende bewust is van de mogelijkheden die sociale media bieden voor de opsporing. In het korps Utrecht is uit onderzoek (Hensen, 2009) gebleken dat rechercheurs op de afdeling Zware Criminaliteit van mening zijn dat in hun onderzoeken te weinig gebruik wordt gemaakt van internet. Onbekendheid met de mogelijkheden die het internet de opsporing kan bieden en de hieraan gekoppelde procedures bleek hiervoor een belangrijke oorzaak. Onder deze rechercheurs is de wens geuit om hier in geschoold te worden. De korpsen Utrecht en Brabant Zuid-Oost zijn op dit moment dan ook bezig met het ontwikkelen van een cursus 23-opsporingsdingen. De cursus zal in de zomer van 2010 gebruiksklaar zijn. De cursus is een afgeleide van de cursus 23-politiedingen voor de handhaving en kan grotendeels zelfstandig gevolgd worden. 20
  • 26. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 5. Resultaten onderzoeksvraag 3: Drie middelen nader bekeken In dit hoofdstuk worden drie toepassingen van sociale media die uit onderzoeksvraag twee zijn voortgekomen nader bekeken. In de betreffende korpsen zijn semigestructureerde interviews afgenomen met medewerkers van de afdelingen Communicatie en is aanvullende documentatie bestudeerd. In Brabant Zuid-Oost is Jan Leenen geïnterviewd, in Hollands-Midden Renate den Elzen en in Utrecht Natalie Hensen. 5.1 Twitter in Brabant Zuid-Oost In welke situaties wordt Twitter in opsporingsonderzoeken ingezet? Twitter wordt in het kader van de opsporing in Brabant Zuid-Oost sinds begin 2009 voornamelijk ingezet als extra communicatiemiddel voor opsporingsberichtgeving. Op dit moment zijn in dit korps twee mogelijkheden van Twitter van meerwaarde voor de opsporing: de Tweet-Alert en de Video-Alert. De Tweet-Alert is een handmatig geschreven tweet door de afdeling communicatie. De tweet wordt tegelijkertijd verzonden met een SMS-Alert. Hiermee ligt de meerwaarde van de Tweet-Alert voor de opsporing vooral in het creëren van extra ogen en oren. De Video-Alert is een tweet met daarin een link naar een specifieke passage van een op televisie uitgezonden opsporingsbericht (zie figuur 3). Dit kan Opsporing Verzocht of Bureau Brabant, het regionale Brabantse Opsporingsprogramma zijn. Figuur 3: Voorbeeld van een verzonden Video-Alert in Brabant Zuid-Oost Indien er geen beelden zijn dan wordt in de tweet een link meegestuurd naar het opsporingsbericht op politie.nl. Ook kan de tweet als attendering op een nog uit te zenden bericht dienen. De Video-Alert vervult hiermee dus dezelfde functie als een item op Opsporing Verzocht: het vragen om tips en het oproepen van getuigen. Voor welke misdrijven kan Twitter ingezet worden? De Tweet-Alert kan in Brabant Zuid-Oost ingezet worden in alle waarin ook een SMS-Alert verstuurd kan worden. Ter indicatie: in het korps Gelderland-Zuid betreft dit inbraken, zedendelicten, overvallen en babbeltrucs die vallen binnen artikel 67 WvSv én waarbij sprake is van een heterdaadsituatie met specifieke daderinformatie waarbij het vermoeden bestaat dat de dader mogelijk nog in de omgeving aanwezig is en de politie dus ook aan het zoeken is. Indien er geen heterdaadsituatie is, maar bij dezelfde misdrijven vermoeden is van seriematigheid, dan kan SMS-Alert/Tweet-Alert ook ingezet worden om te waarschuwen voor een Modus Operandus, of gebruikt worden voor een getuigenoproep. Hierbij moet altijd rekening gehouden worden met de richtlijnen van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Ook voor vermissingen kan Twitter ingezet worden. Op welke manier wordt Twitter ingezet? De afdeling communicatie is verantwoordelijk voor het versturen van de (gratis) tweets. In Brabant Zuid-Oost is de regio op politie.nl ingedeeld in wijken. Op iedere wijkpagina komen alleen de voor die wijk geldende pers- en opsporingsberichten. Via de RSS feed komen deze berichten ook automatisch terecht op de voor iedere wijk gecreëerde Twitter-accounts. Alle opsporingsberichten komen bovendien op het hiervoor geopende /politiebzozoekt Twitter-account. De Tweet-Alerts en Video- Alerts worden via de computer handmatig door de persvoorlichters doorgestuurd naar de wijksite waar het misdrijf zich heeft afgespeeld. De volger wordt, net zoals bij een SMS-Alert, verzocht om met tips naar 0900-8844 of Meld Misdaad Anoniem (0800-7000) te bellen. De optie om via een tweet te reageren is uitgeschakeld. Dit is besloten, omdat volgens de webadviseur van Brabant Zuid-Oost niet waargemaakt kan worden dat op iedere tweet gereageerd wordt: wederkerigheid is dus niet aan de 21 RT @politiehelmond: VIDEO-ALERT! Help mee om deze laffe berovers achter de tralies te krijgen http://tinyurl.com/lafheid PLEASE RT
  • 27. Sociale media in de opsporing orde. Bij de verzonden Alerts zit standaard het verzoek om het bericht te retweeten (Please RT, zie figuur 3). Dat betekent dat het verzoek wordt gedaan aan de volgers van het betreffende Twitter- account om de tweet door te sturen naar hun volgers. De volgers van de volgers kunnen het dan ook weer doorsturen naar hun volgers etc. Zo kan in een zeer korte tijd een grote groep mensen bereikt worden. Zo is bij een vermissing van een meisje rond de vijf jaar in een korte tijd de Tweet-Alert bij meer dan 10.000 twitterende mensen terecht gekomen. Voor welk doel wordt Twitter ingezet? Zoals aangegeven wordt Twitter in Brabant Zuid-Oost ingezet als extra communicatiekanaal. Voor de opsporing betreft dit opsporingsberichtgeving. Het doel hiervan is de hulp van het publiek inroepen om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen (College van PG’s, 2009). Twitter wordt in Brabant Zuid-Oost ook ingezet voor webcare. Webcare is het nagaan van communicatie op internet waarin (in dit geval) de politie Brabant Zuid-Oost genoemd wordt. Via de applicatie Twitterfall kan realtime gemonitord worden wat op internet gezegd wordt. Soms wordt gesproken over criminaliteit. Een voorbeeld hiervan is “We gaan dadelijk naar de Amsterdam-Arena, sneeuwballen gooien naar de politie”. Op welke wijze wordt de verkregen informatie verwerkt? De afdeling communicatie is verantwoordelijk voor het in stand houden van de Twitter-accounts. Sinds de komst van Twitter en de bijbehorende web 2.0 communicatiemiddelen is de tijd binnen de afdeling communicatie anders verdeeld. Er wordt meer aandacht geschonken aan de externe communicatie en minder aan de interne communicatie. Door Brabant Zuid-Oost wordt niet bijgehouden via welk communicatiemiddel een informatiedragende burger is bereikt. Daardoor is ook niet te achterhalen wat Twitter tot nu toe heeft opgeleverd. Doordat de optie om direct op een tweet te reageren is uitgeschakeld, worden burgers gedwongen om hun informatie via de telefoon of via een formulier op de website te melden. Uiteindelijk komt deze informatie dan via het servicecentrum bij het opsporingsteam terecht. Welke burgers worden met Twitter bereikt? Naast de burgers die zich hebben aangemeld als volger van de Twitter-accounts, is door de mogelijkheid van het retweeten de groep te bereiken Twitteraars enorm groot. Veel van de primaire volgers betreffen journalisten en collega’s. Uit de theorie 5.2 YouTube in Hollands-Midden In welke situaties wordt YouTube in opsporingsonderzoeken ingezet? Het korps Hollands-Midden heeft een duidelijke doelgroepenbenadering in haar opsporingsberichtgeving. Per onderzoek wordt door de onderzoekscoördinator en het Bureau Communicatie de wijze van opsporingsberichtgeving bepaald. De volgende onderdelen worden vastgelegd: 1. De informatie die gemeld kan worden en gehaald dient te worden. 2. De momenten van inzetten van de opsporingsberichtgeving. 3. De te bereiken doelgroep met de grootste kans op informatie. 4. De in te zetten middelenmix om de doelgroep te bereiken YouTube wordt hierbij vaak als één van de middelen ingezet om jongeren te bereiken. Echter, alleen als de kans groot genoeg is dat zich getuigen onder YouTubers bevinden en de zaak groot genoeg is voor landelijke YouTube aandacht. De politieproducer is verantwoordelijk voor het wegen van de zwaarte van de zaak. Hiervoor is de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving leidend. Indien het een onderzoek betreft in de omgeving van Alpen aan den Rijn wordt hiervoor ook vaak de jongerenwebsite www.alphen.nu als middel gebruikt. 22
  • 28. Sociale media in de opsporing Voor welke misdrijven kan YouTube ingezet worden? Alle misdrijven waarvan beeldmateriaal is of waarvan een reconstructie gemaakt kan worden die vallen binnen de richtlijnen van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Op welke manier wordt YouTube ingezet? De politie Hollands-Midden maakt sinds begin 2008 in eigen beheer filmpjes met gegevens en videobeelden. Hollands-Midden is zelf verantwoordelijk voor de productie, verspreiding en het verwijderen van de opsporingsfilmpjes. Daarom is volgens de adviseur nieuwe media ook geen overeenkomst noodzakelijk tussen Hollands-Midden en YouTube (persoonlijke communicatie, 12 april 2010). De filmpjes dienen wel op een duidelijke wijze als ‘opsporingsberichtgeving’ weggezet te worden. Bovendien zal de hoofdofficier van justitie per filmpje zijn toestemming moeten geven, nadat de zaaksofficier, na overleg met de persofficier, een voorstel bij hem heeft gedaan. De filmpjes worden op het YouTube kanaal geplaatst onder de titel ‘Gesnapt!’ en voldoen aan een standaard format met een vast intro en afsluiting. Het intro en de afsluiting zijn door een mediabedrijf gemaakt. De videobeelden bestaan uit camerabeelden van het incident. Indien deze ontbreken wordt een reconstructie gemaakt. Onder de camerabeelden is voor jongeren aansprekende muziek gezet. De vragen van het onderzoeksteam lopen in beeld mee. Burgers kunnen op de YouTube pagina een reactie achterlaten, kunnen eigen beeldmateriaal uploaden op de website of kunnen bellen. De ervaring in Hollands-Midden is dat de filmpjes vooral niet te lang mogen duren. Uitzendingen van Opsporing Verzocht of het regionale opsporingsprogramma Team worden niet één op één op het YouTube kanaal geplaatst. De jongeren doelgroep kan zich volgens Bureau Communicatie niet vinden in deze uitzendingen, bedoeld voor een oudere doelgroep. Het plaatsen van een opsporingsfilmpje op YouTube is altijd onderdeel van een marketingcommunicatiestrategie en wordt dan ook gezien als een campagne. Burgers zullen via andere kanalen gewezen moeten worden op de aanwezigheid van een nieuw filmpje. Mogelijkheden hiervoor zijn het versturen van persberichten naar traditionele en internetgerelateerde media. Gemiddeld besteedt het Bureau Communicatie één uur per week aan het YouTube kanaal. De opstartfase van een nieuwe campagne (filmpje) is de meest tijdsintensieve periode. De voornaamste bezigheden zijn het nalezen en reageren op reacties, het uploaden van nieuwe filmpjes, het plaatsen van teksten bij filmpjes en het toevoegen van tags (trefwoorden waardoor de filmpjes te vinden zijn). Voor welk doel wordt YouTube ingezet? Het YouTube kanaal wordt in Hollands-Midden voor vijf doeleinden gebruikt, waarvan twee relevant zijn voor de opsporing14 . Deze twee worden nader toegelicht. Opsporingsberichtgeving. Het aanbieden van opsporingsfilmpjes heeft als doel om bij te dragen aan het oplossen van misdrijven. Hollands-Midden heeft bij aanvang van het kanaal zichzelf ten doel gesteld dat drie van elke tien misdrijven waarvan een opsporingsfilm op het YouTube kanaal wordt geplaatst, opgelost worden. Tot nu toe is deze doelstelling niet gehaald, omdat niet aan het aantal van tien filmpjes is gekomen. Volgens een medewerker van Bureau Communicatie had het plaatsen van het eerste filmpje wel meteen succes (persoonlijke communicatie, 5 april 2010). Binnen twee weken werd een overvaller gepakt die gezocht werd voor een overval op een tankstation in Leiden. Uploaden beeldmateriaal. Via het Youtube kanaal kan iedereen films, opgenomen met digitale camera of telefoon, uploaden als bewijsmateriaal/melding/ter ondersteuning van een aangifte. Op welke wijze wordt de verkregen informatie verwerkt? Het Bureau Communicatie geeft op alle gestelde vragen antwoord. Kwetsende of beledigende reacties worden verwijderd. Zo’n gebruiker wordt geblokkeerd en krijgt hier bericht van. 14 De overige drie doeleinden van het gebruik van YouTube zijn publieksvoorlichting, opiniëring en werving van sollicitanten. 23
  • 29. Sociale media in de opsporing Voor de opsporing interessante reacties worden gestuurd naar de coördinator van het onderzoek. Personen die beeldmateriaal uploaden krijgen altijd reactie, via e-mail of in persoon. Ook deze afhandeling wordt geborgd in de opsporingsprocessen. Indien een zaak is opgelost, wordt dit op het YouTube kanaal onder de aandacht gebracht. Welke burgers worden met YouTube bereikt? Het Bureau Communicatie heeft geen zicht op persoonlijke gegevens van de gebruikers van het YouTube kanaal. Tot nu toe is het kanaal 290.000 keer bezocht en is 234.000 keer een filmpje bekeken. Aan de reacties van de gebruikers te zien, lijken veel hiervan afkomstig van jongeren. 5.3 Politieonderzoeken.nl in Utrecht In welke situaties wordt politieonderzoeken.nl ingezet? Tot op heden wordt de website gebruikt als platform voor het onder de aandacht van het publiek brengen van voornamelijk cold cases die zich ervoor leenden om burgers mee te laten denken met onbeantwoorde onderzoeksvragen. De burgers kan op deze manier gevraagd worden om mee te denken over bijvoorbeeld het motief en het moordwapen. Een probleem hierbij is dat er vaak weinig ontwikkelingen binnen deze onderzoeken zijn waardoor de burger moeilijk betrokken gehouden kan worden bij het onderzoek. Daarom worden door het korps Utrecht op dit moment voorbereidingen getroffen om een actueel TGO te gaan plaatsen op de website. De volgende vragen zullen beantwoord worden vanuit de mogelijkheid om burgers mee te laten denken met een lopend TGO- onderzoek. Voor welke misdrijven kan politieonderzoeken.nl ingezet worden? Voor alle TGO-waardige delicten, zoals omschreven in het Raamwerk Team Grootschalige Opsporing (OM, Politie & NFI, 2006). Dit zijn kapitale misdrijven, zoals een (mogelijk) opzettelijk levensdelict, zeer ernstig zedendelict, brandstichting met ernstige gevolgen, gijzeling, ontvoering en andere misdrijven tegen de lichamelijke integriteit waarop een strafbedreiging van twaalf jaar gevangenisstraf of meer staat, waarbij geen ondubbelzinnig daderschap kan worden vastgesteld. Hierbij moet tevens sprake zijn van een (te verwachten) grote maatschappelijke impact. Tevens moet de zaak zich inhoudelijk lenen voor plaatsing op internet. Op welke manier wordt politieonderzoeken.nl ingezet? Vanaf het moment dat wordt geconstateerd dat een kapitaal delict is gepleegd, wordt een bepaalde procesroute bewandeld om tot het besluit te komen om een TGO in te stellen. Op het moment dat de startpresentatie van de zaak plaatsvindt, dienen de teamleider, zaaksofficier en woordvoerder te bepalen of het TGO geschikt is voor plaatsing op politieonderzoeken.nl. Ieder korps kan geschikte zaken in overleg met het hostingbedrijf Avant Garde Media plaatsen. In eerste instantie kan publieksvriendelijk gemaakte informatie uit het persbericht geplaatst worden op de website. Een recherchekundige zal dit samen met de teamleider, woordvoerder en zaaksofficier bepalen. Naarmate meer informatie kan worden vrijgegeven zal de informatie op de website uitgebreid worden. Aan de website zal een Twitter-account gekoppeld worden als verspreidingskanaal. Ook kan aan de hand van Google Maps en/of een panoramische 3D scan geschikte informatie van de plaats delict weergegeven worden. Vaste onderdelen zoals de getuigenoproep en het buurt- en passantenonderzoek kunnen op de website geplaatst worden. Hieraan kan een digitaal tipformulier gekoppeld worden en de mogelijkheid gecreëerd worden om beeldmateriaal te uploaden. De website kan actueel gehouden worden door middel van nieuwsberichten over de voortgang van de zaak, het weergeven van de reacties, aankondigingen van overig gebruik van media (zoals flyeracties en tv-/radio-uitzendingen) en het ontkrachten van verkeerde beeldvorming. Ook kan de website gebruikt worden voor het creëren van ruis op de lijnen en om knelpunten binnen het onderzoek aan het publiek voor te leggen. Daarnaast kunnen informatievragen gesteld worden waarin om specifieke wetenschap gevraagd 24
  • 30. Sociale media in de opsporing wordt. Tenslotte kan door het hostingbedrijf inzicht gegeven worden in de vijftig IP-nummers van waaruit de website het meest is bezocht (zie ook bijlage III). Voor welk doel wordt politieonderzoeken.nl ingezet? De in de vorige vraag weergegeven mogelijkheden hebben ieder voor zich een eigen doel voor ogen. In de meeste gevallen is het doel het betrekken van het publiek bij de activiteiten van het onderzoeksteam om nieuwe informatie en/of zoekrichtingen te verkrijgen. Zoals aangegeven kan de website ook als tactisch middel ingezet worden om onrust te veroorzaken of om daders te lokken naar de website. Op de website zelf staat dat het doel van de website is: “De burgers op interactieve wijze betrekken bij het oplossen van ernstige misdrijven. De politie zet een zaak zo volledig mogelijk op deze site en schakelt hiermee het publiek in om samen met het rechercheteam tot nieuwe aanknopingspunten te komen”. Op welke wijze wordt de verkregen informatie verwerkt? Een recherchekundige zal de schakel zijn om de verkregen informatie bij de teamleiding in te brengen. De recherchekundige zal hierbij gesteund worden door een denktank bestaande uit de woordvoerder, een adviseur nieuwe media en een aantal recherchekundige collega’s. Vervolgens zal de informatie eerst op betrouwbaarheid gecontroleerd moeten worden om vervolgstappen te kunnen ondernemen. Binnen het korps Utrecht wordt het aantal formatie-uren hiervoor geschat op 0.3 fte per week voor de recherchekundige en anderhalf uur per week voor de leden van de denktank. Welke burgers worden met politieonderzoeken.nl bereikt? In 2009 is de website tijdelijk in beheer geweest van het KLPD. Het aantal unieke bezoekers was toen in bijna vier maanden tijd (1 juli – 23 oktober 2009) ruim 13.000. Dit komt neer op 765 bezoekers per week (ruim 100 per dag). Ondanks de beperkte nieuwswaarde van cold cases is dit toch nog een groot aantal. Welk type burger de website bekijkt en eventueel reageert is niet te herleiden middels de ingezonden reacties. 5.4 Discussie Het nader bekijken van de drie toepassingen is tevens een extra controle geweest op de volledigheid van de resultaten van onderzoeksvraag twee. Uit de interviews met de drie sleutelfiguren bleek dat de inventarisatie van deze korpsen compleet was15 . De voorgestelde zoektermen waren niet allemaal even bruikbaar. De zoektermen ‘internet’,‘burger’ en ‘2.0’ leverden in de meeste gevallen te veel hits op. In het korps Midden- en West-Brabant bijvoorbeeld leverden de zoektermen respectievelijk 268, 300 en 299 hits op. Wegens de beperkte tijd is ervoor gekozen om in dit soort gevallen alleen de eerste 40 hits te bekijken. Indien deze hits niets opleverden, zijn de andere hits niet meer bekeken. Het gebruik van Twitter in Brabant Zuid-Oost beperkt zich op dit moment tot zakelijke, geautomatiseerde opsporingsberichtgeving op wijkniveau. Alleen de Tweet-Alerts worden handmatig verstuurd door medewerkers van de afdeling communicatie. De meerwaarde van het gebruik van Twitter lijkt te liggen in de extra burgers die bereikt kunnen worden. Het aantal volgers van de accounts is hiervan slechts een indicatie. Het aantal volgers is namelijk niet gelijk aan het aantal mensen dat de Tweet daadwerkelijk leest. In tegenstelling tot bij een SMS, is het voor Twitter namelijk nodig dat je op je computer of op mobiele telefoon ingelogd bent in het programma. Bovendien blijkt uit cijfers van onderzoeksbureau Nielsen dat 60% van de gebruikers op Twitter een maand na inschrijving de dienst alweer verlaat. De potentie van een groter bereik is vooral gelegen in het verzoeken om een retweet. Zarella (2009) beargumenteerde dat de waarde van een retweet ligt in het feit dat hierdoor meerdere netwerken aangeboord kunnen worden. Hierdoor kan de tweet zich als een 15 Dit geldt niet voor de korpsen Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond, omdat deze intranetten niet te bekijken zijn buiten het korps. 25
  • 31. Sociale media in de opsporing olievlek over diverse netwerken verspreiden. Vooral tweets voorzien van een url (verwijzing naar een internetpagina) maken volgens Zarella een grote kans om doorgestuurd te worden. Een kwantitatieve studie (Kwak, Lee, Park & Moon, 2010) toont aan dat de gemiddelde retweet uiteindelijk zo’n 1000 volgers bereikt, ongeacht het primaire aantal volgers. De bijdrage aan de opsporing door het gebruik van Twitter is in Brabant Zuid-Oost niet onderzocht. Een mogelijkheid om deze bijdrage vast te stellen is het opzetten van een pilotonderzoek op wijkniveau in het korps Gelderland-Zuid. In andere regio’s wordt Twitter ook ingezet als kanaal voor het overbrengen van persoonlijke boodschappen. Hierin schuilt ook de kracht van Twitter; de boodschap wordt pas echt interessant wanneer de ontvanger betrokken is bij de zender (Shirky, 2008). Daarbij doen sociaal ingebedde boodschappen het beter, dan verhalen bestemd voor een algemeen publiek. De twitterende wijkagent is hier het meest voorkomende voorbeeld van. Een wijkagent kan vanuit zijn fijnmazige informatiepositie van meerwaarde zijn voor de opsporing. De wijkagent kan via Twitter bijvoorbeeld (na overleg) een getuigenoproep plaatsen of informatie over misdrijven communiceren. Groningen, Gelderland-Midden en Rotterdam-Rijnmond hebben een Twitter-handleiding opgesteld met gedragsregels en te realiseren doelen omtrent het persoonlijk twitteren. De tweede toepassing die nader bekeken is, is het gebruik van YouTube in het korps Hollands- Midden. YouTube wordt voor de opsporing ingezet als extra kanaal om jongeren te bereiken. Dit is gezien de populariteit onder Nederlandse jongeren ook het meest geschikte platform om beeld en geluid te delen. Net zoals bij het gebruik van Twitter in het korps Brabant Zuid-Oost, ligt hierbij de verantwoordelijkheid en de uitvoering bij de afdeling communicatie. In beide korpsen zie je dat de afdeling communicatie zich bewust is van de voordelen van het aansluiten bij de leefwereld van de burger. In Brabant Zuid-Oost doordat de opsporingsberichtgeving op wijkniveau wordt aangeboden, in Hollands-Midden doordat gezocht wordt naar een mix van middelen die aansluit bij de te bereiken doelgroep. Hollands-Midden heeft voor de beschikbare middelen ook inzetstrategieën bepaald. Het actueel houden en regelmatig nieuwe content aanbieden maakt een YouTube account interessant en vergroot de kans dat bezoekers en leden ook actief zijn op dit account. Eén van de belangrijkste leermomenten tot nu toe in Hollands-Midden is het belang van het monitoren van de reacties op de filmpjes die geplaatst zijn. Met deze feedback kan ervoor gezorgd worden dat in het vervolg filmpjes beter aansluiten bij de doelgroep. Hiervoor hoeft geen interactie met de doelgroep aangegaan te worden, goed luisteren volstaat. Tenslotte is als derde toepassing de mogelijkheden van het plaatsen van een actueel TGO op politieonderzoeken.nl bekeken. Indien de plannen voor doorontwikkeling van deze website worden gerealiseerd, wordt politieonderzoeken.nl een meer open, sociaal platform, waarin de gebruiker meer centraal komt te staan: de drie centrale kenmerken van sociale media. Gebruikers zullen op dit platform via diverse sociale media tot interactie kunnen komen. Hensen (2009) heeft in haar onderzoek de kennis en mening van rechercheurs van de afdeling Zware Criminaliteit van het korps Utrecht over de website politieonderzoeken.nl in kaart gebracht. Uit dit onderzoek kwamen naast diverse mogelijkheden en belemmeringen16 , ook drie randvoorwaarden naar voren om op effectieve wijze om te kunnen gaan met internet als opsporings- en communicatiemiddel: basiskennis, techniek en borging. Allereerst hebben rechercheurs basiskennis nodig over het huidige internet en meer inzicht in hoe zij deze kennis in hun werk kunnen toepassen. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die sociale media te bieden hebben, zal ten tweede de ICT-infrastructuur op de werkplek hiervoor een betere ondersteuning dienen te bieden. Meer computers waarmee (anoniem) 16 Mogelijkheden: Andere inzichten, nieuwe scenario’s, in te zetten als tactisch middel, burgers betrekken bij onderzoek, met burgers communiceren, informatie over bezoekers zelf, cold cases oplossen, opsporen personen, groot bereik, mobiliseren hele gebieden, kan ook voor minder ingrijpende delicten, hoe sneller naar buiten met een zaak, hoe groter de kans dat het informatie oplevert, buurtonderzoek via internet. Belemmeringen: Vanaf pc op werk weinig sites te benaderen, onbekendheid met mogelijkheden internet, zaak kan stuk lopen, valse/ongestuurde/onware informatie, privacywetgeving, je kunt nooit alles delen, veel werk, vergt veel capaciteit, moet zorgvuldig, niet kunnen waarmaken van opvolging , OM is voorzichtig/kritisch, geen criteria voor wanneer site wordt ingezet. 26
  • 32. Sociale media in de opsporing van het internet gebruik kan worden gemaakt, kan hiertoe een eerste aanzet zijn. Ten derde zal het gebruik van internet en sociale media als middel in het opsporingsproces geborgd dienen te worden. Volgens Hensen zowel als opsporingsmiddel, als ook als opsporingscommunicatiemiddel. Dat laatste sluit namelijk aan bij de essentie van sociale media in de opsporing: burgers laten meekijken en -denken met rechercheonderzoek. Met het borgen van internet als middel in het opsporingsproces, zal volgens Hensen tevens de door de Utrechtse rechercheurs genoemde belemmering ‘tijd en capaciteit’ grotendeels weggehaald worden. Mede naar aanleiding van het onderzoek van Hensen heeft het management van de Divisie Recherche voor 2010/2011 ambitieuze doelen gesteld op het gebied van internetkennis, -houding en –gedrag van de medewerkers. Ondanks een borging in het opsporingsproces, zal het actief beheren van een zaak op politieonderzoeken.nl veel tijd kosten. Vooral in de hectische fase, wanneer het TGO aandacht in de massamedia krijgt, zullen veel reacties van burgers binnen gaan komen. Het plaatsen van het onderzoek naar de moord op Sjaak Gerwig op politieonderzoeken.nl heeft dit aangetoond (Bekkers & Meijer, 2010). Deze reacties zullen allemaal eerst bekeken moeten gaan worden op de mogelijkheid tot plaatsing en op sommige zal in het kader van actieve wederkerigheid gereageerd moeten worden. Bekkers & Meijer (2010) stellen voor om een procesmanager aan te stellen die het proces van cocreatie in goede banen moet leiden. Deze procesmanager zal ervoor moeten zorgen dat: 1. Burgers actief betrokken raken en blijven bij het onderzoek. 2. Het proces wordt bewaakt. 3. De juridische en tactische grenzen worden bewaakt. 4. Resultaten worden geboekt. Op dit moment is de Landelijke Stuurgroep Internet bezig met het realiseren van een landelijke internetstrategie. Deze wordt in het najaar van 2010 verwacht. Hopelijk zal in deze strategie ook aandacht besteed worden aan een vernieuwing van het landelijke politie.nl, zodat deze vanuit de blik van het betrekken van de burger bij de opsporing een meer optimaal platform wordt. Politie.nl is op dit moment een zendergerichte website. De politie als zender bepaalt wat er op deze website komt te staan. Bij websites die gebruik maken van sociale media verandert deze relatie. Wat op de website staat, wordt veelal bepaald door de ontvanger/gebruiker. Hierdoor vervaagt het verschil tussen zender en ontvanger, ontstaat er interactie en wordt de relatie tussen hen gelijkwaardiger. Als overheidsorganisatie zul je hierdoor meer aansluiting vinden bij de burger, waardoor de kans toeneemt dat de burger met je mee gaat denken en werken. Dit biedt niet alleen kansen voor de opsporing, maar voor de politie als geheel. Indien men de kansen die sociale media te bieden hebben optimaal wil benutten, zal de politie de controle moeten durven loslaten. Het zal niet meer alleen moeten vragen, maar ook moeten gaan geven. Dit alles binnen de juridische- en onderzoekskaders. De politie zal meer informatie met de burger moeten gaan delen. Dit kan leiden tot een versterking van haar eigen informatiepositie en kan een positief effect hebben op het repressieve imago van de politie. 27
  • 33. Sociale media in de opsporing Hoofdstuk 6. Samenvattende conclusies en aanbevelingen In dit laatste hoofdstuk worden de belangrijkste bevindingen van het onderzoek samengevat en worden aanbevelingen gedaan voor de opsporingspraktijk in het korps Gelderland-Zuid. 6.1 Samenvattende conclusies Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat het onderzoek naar sociale media in het algemeen nog in een verkennende fase zit. Het exploratieve karakter van dit onderzoek sluit daarbij aan. Sociale media kunnen op drie manieren bijdragen aan het betrekken van de burger bij overheidstaken: crowdsourcing, the wisdom of crowds en cocreatie. Een eenduidige definitie van sociale media ontbreekt, maar uit de verschillende definities komen wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken naar voren. Volgens Van Berlo (2008) zijn dit: open, sociaal en gebruiker centraal. Het succes van het inzetten van sociale media wordt grotendeels bepaald door de mate waarin aan deze drie kenmerken wordt voldaan. Er zijn ontelbare sociale media en dagelijks komen er nog meer bij. Binnen het onderzoeksveld is geen duidelijke overeenstemming in de wijze van categoriseren van sociale media. Daarom is gezocht naar een voor dit onderzoek bruikbare indeling. Dit heeft geleid tot een indeling in technische en sociale middelen, analoog aan de indeling van Stocker et al. (2007). Deze middelen zijn nauw met elkaar verbonden en kunnen gezien worden als een glijdende schaal, waarbij aan de linkerkant het meest technische middel staat en aan de rechterkant het meest sociale middel. De technische middelen zijn de meer fundamentele, gedeeltelijk zichtbare ICT tools die het mogelijk maken (faciliteren) om aan sociale behoeften te voldoen. De sociale middelen zijn vaak zichtbare platforms waarop interactie en het delen van diverse soorten content plaatsvindt. Het woord ‘middel’ is gekozen, omdat sociale media in het kader van dit onderzoek ingezet worden als middel om een (opsporings)doel te bereiken. De onderzochte technische middelen zijn de RSS feed, widget, API en social bookmarking. De onderzochte sociale middelen zijn Twitter, wiki, blog, beeld/geluid delen en sociale netwerken. Deze middelen zijn geselecteerd op basis van populariteit en vertegenwoordigen slechts een deel van alle sociale media. Vervolgens is gekeken naar toepassingen van deze gekozen technische en sociale middelen door Nederlandse overheden. Daaruit blijkt dat binnen de overheden volop gebruik wordt gemaakt van deze sociale media. Veel overheidsinstanties bieden een RSS feed op hun website aan, waarmee het nieuws naar de burger toekomt in plaats van dat de burger zelf het nieuws moet zoeken. Het creëren van widgets vergroot de kans dat anderen jouw boodschap verspreiden over het internet. Binnen het Amber Alert systeem wordt hiervan gebruik gemaakt. Een API faciliteert de mogelijkheid voor anderen om op een nieuwe manier gebruik te maken van de toepassingen die de API biedt. De Google Maps API wordt veel gebruikt. Hiermee kan zelfingebrachte informatie gecombineerd worden met geografische informatie van de API. Social bookmarking is het laatst bekeken technische middel. Hiermee kunnen gebruikers favoriete sites online met elkaar delen. Het zogenaamde ‘social tagging’ is hieraan nauw verbonden. Hiermee worden geen websites, maar onderwerpen gelabeld. Gebruikers kunnen labels op trefwoorden plakken, waardoor makkelijk te zien is welke trefwoorden populair zijn. De eerste drie bekeken sociale middelen maken het mogelijk om tekst te delen: de blog, de wiki en Twitter. Een blog is in feite een digitale column en kan dienen als instrument om kennis te verhogen en betrokkenheid te creëren onder burgers. Een wiki is online software die het mogelijk maakt om gezamenlijk aan een tekst te werken. Niet alleen burgers kunnen op deze manier tot cocreatie aangezet worden, maar ook intern kan een wiki van waarde zijn. Intellipedia van de CIA is hier een voorbeeld van. In Nederland zou hiervoor het Internet Recherche Netwerk gebruikt kunnen worden. Twitter is een communicatiedienst waarmee je anderen kunt laten zien wat je aan het doen bent. Twitter lijkt aan populariteit te winnen onder jongeren van 12 tot 24 jaar. Van de platforms waarop beeld en geluid gedeeld kunnen worden blijkt YouTube het meest populair onder Nederlandse jongeren van 14 tot 24 jaar. De Belgische website foutparkeerders.be is een voorbeeld van hoe burgers online foto’s kunnen delen en hiermee kunnen bijdragen aan een meer veilige maatschappij. 28
  • 34. Sociale media in de opsporing Sociale netwerken zijn vooral onder jongeren van 12 tot 24 jaar populair. Hyves blijft in Nederland de grootste, maar Facebook wordt steeds populairder. Nederlands-Marokkaanse jongeren zijn ook te vinden op Marokko.nl en Margrebh.nl. De uit de eerste onderzoeksvraag voortgekomen sociale media worden per maart 2010, op de wiki en social bookmarking na, allemaal ingezet binnen de opsporing door de Nederlandse korpsen. Een aantal toepassingen konden niet onder gebracht worden in de indeling van technische- en sociale middelen. Hiervan kan een digitale nieuwsbrief (14 korpsen) met een hieraan gekoppelde Mail-Alert een mogelijke interessante aanvulling zijn op het huidige instrumentarium van opsporingsberichtgeving in Gelderland-Zuid. Enkele korpsen die in het gebruik van sociale media voorop lopen zijn Brabant Zuid-Oost, Hollands-Midden, Utrecht, Groningen en Haaglanden. Binnen de meeste van deze korpsen zijn ook adviseurs digitale/nieuwe media aangesteld. De RSS feed wordt door alle korpsen in het kader van opsporingsberichtgeving aangeboden. Tussen de korpsen zijn verschillen in het aantal RSS feeds en het doel waarvoor de feed aangeboden wordt. Alleen Amsterdam-Amstelland en Brabant Zuid-Oost bieden hun pers- en opsporingsberichtgeving ook als widget aan. Brabant Zuid-Oost heeft een eigen netvibes pagina waarop RSS feeds, widgets en API’s te vinden zijn. De Google Maps API wordt in drie korpsen gebruikt om de burger in te schakelen bij het oplossen van voornamelijk veelvoorkomende- en middencriminaliteit. De toepassingen van deze API hebben in Haaglanden en Utrecht tot nu toe weinig opgeleverd voor de opsporing. In Utrecht wordt de toepassing op dit moment doorontwikkeld. De enige gevonden toepassing van een blog binnen de opsporing is op de website politieonderzoeken.nl. Per maart 2010 zijn twaalf korpsen actief op Twitter. Twitter wordt op twee manieren ingezet: als extra communicatiekanaal voor pers- en opsporingsberichtgeving en als persoonlijke berichtgeving door met name de wijkagent. Het korps Groningen heeft richtlijnen opgesteld voor het gebruik van Twitter als persoonlijke berichtgeving. De inzet van Twitter heeft al geleid tot diverse successen binnen opsporingsonderzoeken. Uit de inventarisatie zijn zes regionale websites voortgekomen waarop beeldmateriaal binnen opsporingsonderzoeken beschikbaar wordt gesteld. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de landelijke site politie.nl onvoldoende mogelijkheden hiertoe biedt. Op de regionale websites kunnen zowel onbekende als bekende verdachten en ontvluchte veroordeelden en niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden onder wisselende voorwaarden onder de aandacht van de burger gebracht worden. Veertien korpsen maken gebruik van één van deze zes websites. Tien korpsen plaatsen beeldmateriaal op een eigen YouTube kanaal, soms gekoppeld aan een regionaal tv- opsporingsprogramma. Tenslotte maakt de inventarisatie duidelijk dat slechts vier korpsen gebruik maken van het in contact treden met de burger via sociale netwerken. In alle gevallen betreft dit Hyves. Om de derde onderzoeksvraag te beantwoorden is de inzet van Twitter in Brabant Zuid-Oost, YouTube in Hollands-Midden en politieonderzoeken.nl in Utrecht nader bekeken. Twitter wordt in Brabant Zuid-Oost gebruikt als extra kanaal voor pers- en opsporingsberichtgeving. Via de RSS feed is dit een nagenoeg geautomatiseerd proces. Speciaal voor opsporingsberichten is het Twitter-account ‘politiebzozoekt’ geopend. Voor de gevallen waarin vlak na een gepleegd delict een SMS-Alert wordt ingezet, wordt door de afdeling communicatie ook handmatig een Tweet-Alert verzonden. Deze Tweet-Alert heeft vooral door de optie van retweeten een vergroting van het te bereiken publiek ten gevolge. Onder de naam van Video-Alert wordt Twitter ook gebruikt om burgers te attenderen op geplaatste filmpjes op internet, of op een tv-uitzending. Het korps is van plan om te starten met de twitterende wijkagent. Wat vooral opvalt in dit korps is de wijkgerichte communicatie. Iedere wijk heeft een rechtstreeks te benaderen website, waarop via RSS feeds alleen voor die wijk 29
  • 35. Sociale media in de opsporing relevante berichten terechtkomen. Dit sluit aan bij Shirky (2008); sociaal ingebedde boodschappen zetten eerder aan tot het gewenste gedrag (participatie) dan boodschappen bestemd voor een algemeen publiek. Door wijkgericht te communiceren wordt de informatie voor burgers relevanter en zullen ze eerder geneigd zijn om mee te gaan denken met de opsporing. De winnaar van de eParticipatie Award 2009 ‘Verbeter mijn buurt’ is hier een goed voorbeeld van. Ook het gegeven dat het Twitter-account van de politie Apeldoorn meer volgers heeft dan het Twitter-account van het korps Noord- en Oost-Gelderland is hier een uiting van. In Hollands-Midden wordt YouTube gebruikt als kanaal om jongeren te bereiken. Hiervoor hoeft geen overeenkomst afgesloten te worden, omdat de productie en verspreiding van filmpjes in eigen beheer plaatsvindt. Belangrijke voorwaarden om een YouTube kanaal succesvol te laten zijn, is het regelmatig plaatsen van nieuwe content. Hierbij is het van belang om de reacties op deze content te monitoren, zodat de content eventueel aangepast kan worden. Wat in Hollands-Midden opvalt is de doordachte marketingcommunicatiestrategie. Bij geschikte opsporingsonderzoeken wordt in overleg met de afdeling communicatie een mix aan middelen ingezet, afgestemd op de te bereiken doelgroep. Bij de plaatsing van een nieuw YouTube filmpje wordt door de inzet van andere media kanalen geprobeerd om de doelgroep naar de YouTube pagina toe te trekken. Bij voorkeur gebeurt dit door berichtgeving te plaatsen op de (virtuele) ontmoetingsplekken van de te bereiken doelgroep. Het korps Utrecht is van plan om de website politieonderzoeken.nl binnenkort in te zetten binnen een lopend TGO-onderzoek. Een recherchekundige zal vanaf de start van het TGO als procesmanager op gaan treden en verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van de website. Samen met een ‘social media denktank’ en de Vaste Kern Leidinggevenden wordt bepaald welke informatie op de site geplaatst kan worden. Hierbij zal uiteraard stil gestaan worden bij juridische beperkingen (Aanwijzing Opsporingsberichtgeving en Wet politiegegevens) en tactische beperkingen. De wijze van verondersteld gebruik van deze website, sluit goed aan bij de drie basiskenmerken van sociale media. Indien de interactie gewaarborgd kan worden, zal dit een sociaal middel worden waarmee cocreatie tot stand kan komen. Het mee laten denken door de burger kan als middel tegen tunnelvisie dienen en kan tevens nieuwe hypothesen en scenario’s opleveren. Ook kan de website voor crowdsourcing ingezet worden om specialistische vragen bij de burger weg te zetten. De website staat open voor deelname van andere korpsen. Onderzoek in Utrecht (Hensen, 2009) wijst uit dat voor een goed laten functioneren van deze website binnen de organisatie aan drie voorwaarden voldaan zal moeten worden: rechercheurs zullen de benodigde sociale media kennis en –vaardigheden moeten hebben, de ICT omgeving dient hierop ingesteld te worden en het gebruik van internet en sociale media zal zowel als opsporingsmiddel en als opsporingscommunicatiemiddel in het opsporingsproces geborgd moeten worden. De probleemstelling van dit onderzoek luidde: Op welke wijze wordt in Nederlandse opsporingsonderzoeken gebruik gemaakt van web 2.0 toepassingen en welke andere mogelijke toepassingen zijn hiervoor in Nederland beschikbaar die in te zetten zijn in Gelderland-Zuid? Met de resultaten, de daaropvolgende discussies en de hierboven getrokken samenvattende conclusies, wordt de probleemstelling als beantwoord beschouwd. Hierna volgen enkele praktische aanbevelingen voor de opsporingspraktijk in het korps Gelderland-Zuid. 30
  • 36. Sociale media in de opsporing 6.2 Aanbevelingen In afwachting van de landelijke internetstrategie, kan het korps Gelderland-Zuid alvast de volgende acties overwegen: • Voeg sociale media toe aan de reeds in gebruik zijnde communicatiekanalen. 1. Plaats opsporingsberichtgeving op bestaande kanalen van overige korpsen. -Via depolitiezoekt.nl kan aan beeldmateriaal van straatroven, overvallen, levensdelicten en identiteitsgegevens, signalementen en foto’s van (ontvluchte en niet-gedetineerde onherroepelijk) veroordeelden een extra podium geboden worden. De Aanwijzing Opsporingsberichtgeving geeft hiervoor het juridisch kader. -Politieonderzoeken.nl kan gebruikt worden voor het plaatsen van een lopend TGO-onderzoek. Dit kan leiden tot nieuwe hypothesen en scenario’s en kan de kans op tunnelvisie verkleinen. Bovendien kunnen hierdoor specifieke groepen (niet-)Nederlandse burgers bereikt worden die met traditionele media anders mogelijk niet bereikt zouden zijn. Wacht hiervoor eerst de resultaten af van het eerst geplaatste lopende TGO-onderzoek door het korps Utrecht en zoek daarna contact met dit korps. 2. Open een Twitter opsporingsaccount. Verstuur naast de SMS-Alert een Tweet-Alert met een ‘Please Retweet’ verzoek om een groter bereik te realiseren. Zoek hiervoor toenadering met het korps Brabant Zuid-Oost om ervaringen uit te wisselen en tips te krijgen. 3. Start een pilot met één of twee twitterende wijkagenten. Volg hierbij bestaande gebruikershandleidingen, stel doelen en evalueer de pilot. Zoek hiervoor toenadering met het korps Groningen dat hier al ervaring mee heeft. 4. Open een eigen YouTube kanaal. Met een YouTube kanaal kan een jonge doelgroep bereikt worden. Stel doelen en evalueer. Zoek hiervoor eventueel toenadering met het korps Hollands- Midden. Om dit account interessant te houden, is een actief beheer belangrijk. Reacties van bezoekers zullen gemonitord moeten worden en indien nodig zal op geplaatste reacties van bezoekers gereageerd dienen te worden. Indien dit niet gewaarborgd kan worden, kan samenwerking gezocht worden met de overige Gelderse korpsen. Dit kan onder leiding van de aan te stellen interregionale politieproducer plaatsvinden. • Werk een doelgroepgerichte, multimediale strategie uit voor regionale opsporingsberichtgeving en opsporingscommunicatie met daarin aandacht voor de inzet van sociale media. 1. Breng hiervoor in kaart wat de virtuele ontmoetingsplekken zijn van relevante doelgroepen. 2. Creëer randvoorwaarden waardoor burgers eerder geneigd zullen zijn om mee te denken met de opsporing. Hiertoe kunnen de beschikbare kanalen voor opsporingsberichtgeving zoveel mogelijk wijk- en doelgroepgericht ingezet worden. Creëer hiervoor widgets om te zorgen dat je boodschap op meerdere plekken op het internet verschijnt, richt de RSS feeds op wijkniveau in en zorg voor eenvoudig te bereiken internetpagina’s op wijkniveau. Neem de toepassing van de Google Maps Api voor overvallen in Brabant Zuid-Oost over. Zorg dat je via deze kanalen niet alleen informatie vraagt, maar ook geeft. Bijvoorbeeld aankondigingen van verkeerscontroles en informatie binnen opsporingsonderzoeken. Zoek hiervoor toenadering met het korps Brabant Zuid-Oost voor het uitwerken van een wijkgerichte opsporingsberichtgeving en met het korps Hollands-Midden voor het uitwerken van een doelgroepgerichte, multimediale strategie. • Optimaliseer randvoorwaarden binnen het korps voor het toepassen van sociale media. 1. Zorg ervoor dat de kennis over en vaardigheden met sociale media onder rechercheurs uitgebreid wordt. De cursus 23-opsporingsdingen van de korpsen Utrecht en Brabant Zuid-Oost biedt hier mogelijkheden toe. 2. Zorg ervoor dat de ICT-infrastructuur op de werkplek hiertoe voldoende ondersteuning biedt. Mogelijkheden hiertoe zijn stand-alone computers en het gebruik maken van een wiki binnen een 31
  • 37. Sociale media in de opsporing opsporingsonderzoek. Voor de laatste biedt het Internet Recherche Netwerk mogelijkheden. Bij de uitwerking hiervan kan het Interregionaal Bureau Digitale Expertise betrokken worden. 3. Zorg samen met het OM ervoor dat de inzet van sociale media geborgd wordt in het opsporingsproces. Maak afspraken met elkaar over de wijze waarop en onder welke voorwaarden sociale media ingezet kunnen worden. Bonus De laatste aanbeveling is niet specifiek gericht op het korps Gelderland-Zuid, maar op politie Nederland. Geadviseerd wordt om ervoor te zorgen dat de ontwikkelingen op het gebied van sociale media centraal gemonitord worden. Hierdoor kan de mogelijke bruikbaarheid en meerwaarde van sociale media voor de politie voor alle hoofdprocessen overzichtelijk gemaakt worden en hoeft niet telkens het wiel opnieuw uitgevonden te worden. Hiermee wordt voorkomen dat de huidige situatie van gedifferentieerde toepassing van sociale media tussen korpsen in stand blijft en krijgt de Nederlandse politie naar buiten toe één gezicht. Zoals eerder aangegeven lijkt het implementeren van sociale media nu afhankelijk van een paar enthousiastelingen in specifieke korpsen. Mogelijk kan het op 1 januari 2010 opgerichte Centrum Versterking Opsporing (CVO) hierin, althans voor de opsporing, van betekenis zijn. In de Het CVO heeft als doel het ondersteunen van korpsen in het realiseren van ontwikkelingen en verbeteringen in de opsporing waarbij samenwerking tussen de korpsen voorop staat (www.pkb.politieacademie.politie.nl). Uiteindelijk zullen de inspanningen van het CVO moeten leiden tot meer transparantie en professionaliteit en een cultuur waarin tunnelvisie wordt vermeden. Een professioneel gebruik van sociale media kan hier zeker aan bijdragen. 32
  • 38. Sociale media in de opsporing Literatuur Ala-Mutka, K. Broster, D., Cachia, R., Centeno, C., Feijóo, C., Haché, A. et al. (2009). The impact of Sociale Computing on the EU information Society and Economy. Sevilla: JRC European Commission. Baarda, D.B., & De Goede, M.P.M. (2001). Basisboek methoden en technieken. Handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese. Bekkers, V. & Meijer, A. (2010). Cocreatie in de publieke sector. Een verkennend onderzoek naar nieuwe, digitale verbindingen tussen overheid en burger. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Bekkers, V., Van Sluis, A. & Siep, P. (2006). De nodale oriëntatie van de Nederlandse politie: over criminaliteitsbestrijding in de netwerksamenleving. Bouwstenen voor een beleidstheorie. Center for Public Innovation. Rotterdam: Erasmus Universiteit. Berghuis, A.C., Malsch, M., Moerings, L.M., Niemeijer, E., Poot, C.J., Schuilenburg, M. et al. (2009). Justitiële verkenningen. Nodal governance en veiligheidszorg. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Boutellier, H. & Van Steden, R. (2008). Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Brinkhoff, S. (2008). Burgeropsporing. Uitgave naar aanleiding van het OM Congres 2008. Den Haag: 2D3D. Bruinsma, G.J.N., Bernasco, W. (2005). De stad en Sociale veiligheid. Den Haag: kenniscentrum Grote Steden. College van procureurs-generaal (2009). Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2009A004). Staatscourant 2009, 51. De Wit, E. (2006). Burgernet: een trendsetter? Over burgers en responsibilisering. Rotterdam: Erasmus Universiteit. Den Hengst-Bruggeling, M. (2010). Informatierijk en toch kennisarm? Lectorale rede Intelligence. Apeldoorn: Politieacademie. Dienst Nationale Recherche (2010). Internet en ICT in politie-onderzoeken en strafzaken. Syllabus KLPD. Frissen, V., Van Staden, M., Huijboom, N., Kotterink, B., Huveneers, S., Kuipers, M. et al. (2008). Naar een ‘User Generated State’? De impact van nieuwe media voor overheid en openbaar bestuur. Delft: TNO. Hensen, N. (2009). Rechercheurs en internet: een (on)mogelijke combinatie?! Eindpaper Masterclass strategisch communicatiemanagement NCOI. Kwak, H., Lee, C., Park, H. & Moon, S. (2010). What is Twitter, a Social Network or a News Media? International World Wide Web Conference, 26-30 april 2010, Raleigh, North Carolina, USA. Opgehaald van: http://an.kaist.ac.kr/~haewoon/papers/2010-www-twitter.pdf. Openbaar Ministerie, Politie & Nederlands Forensisch Instituut (2006). Uitwerking van de maatregelen uit het rapport "versterking opsporing en vervolging". Apeldoorn: Mediatheek Politieacademie. Oppelaar, J. & Wittebrood, K. (2006). Angstige burgers? De determinanten van gevoelens van onveiligheid onderzocht. Den Haag: Sociaal en Cultureel planbureau. Projectgroep Visie op de politiefunctie, Raad van Hoofdcommissarissen (2005). Politie in ontwikkeling: visie op de politiefunctie. Den Haag: Nederlands Politie Instituut. Regionaal College Gelderland-Zuid (2006). Veiligheid voorop in Gelderland-Zuid. Visiedocument 2007-2010. Nijmegen. Scholte, R.D. (2008). Burgerparticipatie in veiligheidsprojecten. In: H. Boutellier & R. van Steden (red.), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving (pp. 223-241). Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Shirky, C. (2008). Iedereen. Hoe digitale netwerken onze contacten, samenwerking en organisaties veranderen. Amsterdam: Business Contact. 33
  • 39. Sociale media in de opsporing Slot, M. and Frissen, V.A.J. (2007). Users in the 'golden' age of the information society'. Observatorio Journal, 3, 201-224. Stocker, A., Dösinger, G., Us Saed, A. & Wagner, C. (2007). The Three Pillars of Corporate Web 2.0. A Model for Definition. Proceedings of I-Media, 85-92. Surowiecki, J. (2004). The wisdom of crowds. New York: Random House. Tapscott, D. & Williams, A.D. (2008). Wikinomics. Hoe samenwerking door iedereen met iedereen alles verandert. Amsterdam: Business Contact. Tonkens, E. & Hurenkamp, M. (2008). Wat vinden burgers zelf van burgerschap? Burgers aan het woord over binding, loyaliteit en sociale cohesie. Den Haag: Nicis Institute. Van Berlo, D. (2008). Ambtenaar 2.0. Nieuwe ideeën en praktische tips om te werken in overheid 2.0. Den Haag: Media Groep. Van Berlo, D. (2009). Ambtenaar 2.0 bèta. Actiepunten om te werken aan een overheid 2.0. Den Haag: Media Groep. Van der Vijver, C.D. (1993). De burger en de zin van het strafrecht. Lelystad: Koninklijke Vermande. Viaene, S., De Hertogh, S. & De Looze, L. (2009): Het gebruik van web 2.0 ter ondersteuning van open innovatie en collectieve creativiteit. Gent: Flanders D.C. Zarella, D. (2009). The science of Retweets. Opgehaald van: http://www.danzarella.com. Geraadpleegde websites: www.franksmilda.nl www.amtenaar20.nl www.politie20.nl www.frankwatching.nl www.politie.nl http://blog.nielsen.com/nielsenwire/nielsen-news/sociale-networking-new-global-footprint http://pkb.politieacademie.politie.nl Geraadpleegde personen: Jan Hoencamp; projectleider SMS-Alert korps Gelderland-Zuid. Wim van Amerongen; plaatsvervangend korpschef Gelderland-Zuid. Peggy van Boldrik; voormalig beleidsmedewerker kwaliteit en innovatie opsporing Gelderland-Zuid. Ben van Ingen-Schenau; communicatiemedewerker korps Gelderland-Zuid. Merel Coopmans; communicatiemedewerker korps Gelderland-Zuid. Annemarth Idenburg; onderzoeker WRR. Peter de Beier; medewerker Interregionaal Bureau Digitale Expertise. Martijn Hekster; medewerker Interregionaal Bureau Digitale Expertise. Sandra Wiarda; persofficier arrondissement Arnhem. Jan Otten; projectleider Mail-Alert korps Midden- en West Brabant. Mijke Slot; onderzoeker TNO Delft. Marjo van Ginderen; medewerker afdeling communicatie korps Limburg-Noord. Johan Bodrij; programmamanager burgerparticipatie korps Haaglanden. Martje van Brugge; projectleider stopdecriminaliteit.nl korps Utrecht. Renate den Elzen; adviseur nieuwe media korps Hollands-Midden. Natalie Hensen; adviseur digitale media korps Utrecht. Jan Leenen; communicatiemedewerker korps Brabant Zuid-Oost. Rodney Haan; medewerker Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Jankees van Baardewijk; oprichter Burgernet. 34
  • 40. Sociale media in de opsporing Bijlage I: Overzicht toepassingen sociale media per korps Op de nu volgende pagina’s is een overzicht te vinden van het gebruik van sociale media in alle Nederlandse korpsen met uitzondering van het KLPD. Bij content delen zijn de politie.nl pagina’s van de korpsen niet meegenomen. De mogelijkheden hiervoor zijn voor ieder korps namelijk hetzelfde. Het overzicht is gemaakt op 10 maart 2010. Sociale middelen Korps Technische middelen Tekst Beeld/geluid Sociale netwerken Overig AA RSS, Widget nieuwsberichten Twitter, Uploaden depolitiezoekt.nl Digitale nieuwsbrief per wijk, incl. Mail-Alert BZO RSS, API Google Maps, widget nieuwsberichten, netvibes Twitter, blog YouTube Cursus 23 opsporingsdingen SMS-Alert BN RSS Twitter, YouTube Samentegeninbrekers.nl SMS-Alert DR RSS YouTube dadergezocht.nl Digitale nieuwsbrief FL RSS Campagne heterdaadkracht SMS-Alert FR RSS Twitter YouTube dadergezocht.nl Tags op posters, Burgernet GM RSS Hyves Burgernet Digitale nieuwsbrief GZ RSS Blog Uploaden SMS-Alert Column student GV RSS depolitiezoekt.nl SMS-Alert GR RSS Twitter, blog YouTube dadergezocht.nl Digitale nieuwsbrief, incl. Mail-Alert HL RSS, API Google Maps Twitter, Uploaden YouTube politieonderzoeken.nl SMS-Alert, Burgernet Digitale nieuwsbrief GOBI Realtime Intelligence HM RSS Twitter YouTube depolitiezoekt.nl Digitale nieuwsbrief Burgernet isditvanjou.nl IJL RSS politieonderzoeken.nl Hyves Digitale nieuwsbrief KL RSS depolitiezoekt.nl LN RSS Twitter, blog depolitiezoekt.nl Hyves Politiejunioren op chat waakvoorinbraak.nl SMS-Alert LZ RSS Uploaden, Pit.tv SMS-Alert, boeitmedat.nl MWB RSS Twitter YouTube Mail-Alert per wijk NOG RSS Twitter, blog YouTube politieonderzoeken.nl Hyves SMS-Alert NHN RSS Digitale nieuwsbrief RR RSS Twitter, Blog depolitiezoekt.nl politie-rijnmond.nl SMS-Alert mijnbuurtpreventie.nl, Incl. digitale nieuwsbrief TW RSS Digitale nieuwsbrief UT RSS, API Google Maps Twitter, blog YouTube politieonderzoeken.nl stopdecriminaliteit.nl Cursus 23 opsporingsdingen, stopoverlast.nl, Burgernet, Digitale nieuwsbrief (Amersfoort- Noord) ZW RSS SMS-Alert, digitale nieuwsbrief ZL RSS Digitale nieuwsbrief ZHZ RSS Digitale nieuwsbrief, mobiele brigade Bijlage II: Afkortingen Nederlandse politiekorpsen Korps Afkorting 35
  • 41. Sociale media in de opsporing Amsterdam-Amstelland AA Brabant Zuid-Oost BZO Brabant-Noord BN Drenthe DR Flevoland FL Fryslân FR Gelderland-Midden GM Gelderland-Zuid GZ Gooi en Vechtstreek GV Groningen GR Haaglanden HL Hollands Midden HM IJsselland IJL Kennemerland KL Limburg-Noord LN Limburg-Zuid LZ Midden en West Brabant MWB Noord- en Oost-Gelderland NOG Noord-Holland Noord NHN Rotterdam-Rijnmond RR Twente TW Utrecht UT Zaanstreek-Waterland ZW Zeeland ZL Zuid-Holland-Zuid ZHZ 36
  • 42. Sociale media in de opsporing Bijlage III: Juridisch kader opsporingscommunicatie en -berichtgeving Bij het toepassen van sociale media bij opsporingscommunicatie en -berichtgeving moeten de wettelijke kaders in acht worden genomen. Deze worden hoofdzakelijk gevormd door de Wet politiegegevens en de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (College van procureurs-generaal, 2009). Hieronder worden de belangrijkste aspecten uit de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving weergegeven en wordt kort ingegaan op de mogelijkheid om IP-adressen van bezoekers van YouTube pagina’s te gebruiken in een onderzoek. Volgens de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving is opsporingsberichtgeving voor misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 WvSv) toegestaan, indien er sprake is van een onbekende verdachte. Het OM is verantwoordelijk voor de plaatsing en inhoud van het opsporingsbericht. De hoofdofficier van justitie dient toestemming te geven nadat de zaaksofficier, na overleg met de persofficier, een voorstel bij hem heeft gedaan. Hierbij zal telkens een afweging gemaakt worden tussen de handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Ook gelden de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Indien de rechter tot oordeel komt dat het OM niet aan deze eisen is tegemoetgekomen, kan art. 359a WvSv (vormverzuimen) toegepast worden. Het internet wordt in dit kader als een relatief zwaar middel gezien, omdat dit middel een groot bereik heeft en eenmaal geplaatste berichtgeving niet makkelijk verwijderd kan worden. Is de aanhouding dringend gewenst, dan kan ook voor bekende verdachten van ernstige misdrijven waarop acht jaar of meer gevangenisstraf staat en voor ontvluchte veroordeelden tot opsporingsberichtgeving overgegaan worden. Hiervoor dient echter wel aan een viertal criteria voldaan te worden: 1. Er moet toestemming verleend zijn door de voorzitter van het College van PG’s (via de voorzitter van het Landelijk Opsporings Overleg). 2. Er moet sprake zijn van ernstige bezwaren tegen de bekende verdachte. 3. Er is een reële kans op recidive. 4. Andere opsporingsmiddelen bieden onvoldoende uitzicht op aanhouding op korte termijn. Tenslotte maakt de aanwijzing ook opsporingsberichtgeving mogelijk van van niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden die aangehouden dienen te worden ter uitvoering van de strafoplegging. Hierbij mogen identiteitsgegevens, signalement en foto’s getoond worden indien aan dezelfde criteria wordt voldaan als bij ontvluchte veroordeelden. Alleen hoeven in deze categorie (uiteraard) geen ernstige bezwaren tegen de veroordeelde te bestaan. Volgens de aanwijzing behoort interregionale samenwerking bij regionale opsporingsberichtgeving tot de mogelijkheden (p.11). De vraag kan gesteld worden of ook de uiteindelijke daders (vastgesteld na berechting) naar de beelden op een internetplatform gekeken hebben. Dit is aannemelijk, omdat zij op deze manier inzicht kunnen krijgen in het onderzoek naar het gepleegde strafbare feit. Dit zou aan de hand van de IP- adressen vastgesteld kunnen worden. Juridisch is dit mogelijk. Een IP-adres is een politiegegeven. Het doel van het gebruiken van bijvoorbeeld een YouTube pagina is namelijk het verkrijgen van extra ogen en oren ten behoeve van de politietaak opsporing (art. 1 Wpg). De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is als politietaak verankerd in art. 2 Politiewet. De verwerking van de IP-adressen valt onder art. 9 Wpg en de hieraan verbonden voorwaarden zullen dus gevolgd dienen te worden. De gebruikersgegevens die aan dit IP-adres gekoppeld zijn, kunnen door de opsporingsambtenaar gevorderd worden via een 126na WvSv. In combinatie met datum en tijdstip van internetgebruik, kan de aanbieder van de communicatiedienst achterhalen welke gebruiker zich met het betreffende IP- adres heeft ingelogd. Indien blijkt dat de dader inderdaad de YouTube pagina heeft bezocht, dan zou dit in vervolgonderzoeken een mogelijk nieuwe zoekrichting kunnen worden indien het onderzoek vast dreigt te lopen. Het op voorhand afbakenen van een potentieel aan verdachten via deze methode is niet aan te raden, omdat de kans groot is dat hiermee de verdachte uitgesloten wordt. Ook kan de aangetoonde interesse in de website van een aangehouden verdachte als confrontatie meegenomen worden in het verhoor. 37
  • 43. Sociale media in de opsporing Bijlage IV: Voorbeeld uitgewerkt interview bij onderzoeksvraag 3 (Respondent: adviseur nieuwe media Hollands-Midden) Algemeen: 1. Hoe maakt Hollands-Midden gebruik van sociale media in de opsporing? We maken gebruik van de middelen die er zijn, dus ook sociale media. Het belangrijkste is dat we de juiste doelgroep bereiken. De doelgroep waaronder bijvoorbeeld getuigen kunnen zijn van een misdrijf. Als dit bijvoorbeeld jongeren zijn, dan proberen we hen via hun communicatiemiddelen te bereiken, denk dan bijvoorbeeld aan Youtube of Hyves. 2. Welke toepassingen hebben een bijdrage geleverd aan opsporingsonderzoeken? Het is moeilijk om precies aan te kunnen geven wanneer het geleid heeft tot een oplossing of een bijdrage heeft geleverd. Behalve in het geval van het eerste opsporingsfilmpje dat we op Youtube hebben gezet. Dit filmpje heeft naar de dader geleid. De opsporingsbeelden waren al te zien geweest op Opsporing Verzocht en in Team West (lokaal opsporingsprogramma). Deze uitzendingen hadden geen tips opgeleverd. Via Youtube kwamen er binnen twee weken vier tips binnen, allen tipten dezelfde dader. De dader is toen opgepakt en veroordeeld. Wij zijn zelf toen nog naar de rechtzaak geweest, omdat we benieuwd waren hoe de advocaat het ‘Youtube verhaal’ zou gebruiken. Maar de rechter schoof het argument zo van tafel en de dader werd gestraft voor de overval die hij gepleegd had. 3. Heeft Hollands-Midden een communicatieplan waar sociale media in onder gebracht zijn? Omdat wij doelgroepgericht denken en niet zozeer in middelen is er niet een apart plan gericht op sociale media. We hebben ons communicatiebeleid en een opsporingsvisie waarin rekening wordt gehouden met nieuwe media en daarnaast schrijven we op ieder middel dat we inzetten een aparte inzetstrategie. 4. Welke in jullie korps niet gebruikte sociale media zouden volgens jou een bijdrage kunnen leveren aan de opsporing? Moeilijk te zeggen. Want als we het nog niet gebruiken, dan kan het zijn dat we er nog te weinig van weten of dat we nog niet de behoefte hebben gehad om die doelgroep te bereiken. Ik denk dan ook meer aan sites zoal Marokko.nl of Margrebh.nl die we nog niet gebruikt hebben, maar wel goede mogelijkheden zijn. Ook zou chatten kunnen helpen, dat hebben we ook nog niet gedaan. Politieonderzoeken.nl is ook nog een wens om in te gaan zetten. YouTube: 1. Wanneer is met het initiatief gestart? Zie meegestuurd document ‘inzetstrategie YouTube’. 2. Wat is er voor nodig om met youtube aan de slag te gaan? a. Wie zijn beslissingsbevoegden binnen het korps? Zie meegestuurd document ‘inzetstrategie YouTube’. b. Is er een plan van aanpak geweest? Ja, zie plan. Voor de duidelijkheid. We zijn begonnen met vier doelstellingen: werving, opinie, preventie en imago. Half jaar laten hebben we opsporing ingezet. Dit was een pilot (direct antwoord volgende vraag). Dit filmpje had direct succes en daarna zijn we het vaker in gaan zetten. c. Is er een pilot geweest? Zie vorig antwoord. d. Is er een behoeftenonderzoek uitgevoerd voordat het initiatief van start ging? Nee, we willen het proefsgewijs ondervinden. Inmiddels zijn we overtuigd van de behoefte om filmpjes te laten zien. Of er behoefte is aan YouTube dat is een tweede, een ander videowebsite zou ook kunnen. Op dit moment is YouTube het grootste videokanaal, maar dat kan in de toekomst veranderen en dan moeten we kijken of we daarop aan willen haken. 38
  • 44. Sociale media in de opsporing e. Welke materialen zijn er nodig om aan de slag te kunnen gaan? Zie meegestuurd document ‘inzetstrategie YouTube’. f. Hoeveel tijd en geld kost het opstarten en in stand houden van YouTube? Ligt aan je doelstellingen en je middelen. Wij besteden gemiddeld een uur per week aan het Youtube kanaal. Dit betekent: reacties nalezen/ moderaten, nieuwe filmpjes plaatsen, up-to- date houden, etc. Op het moment dat we een campagne hebben en we gaan zelf een film maken/ laten een film maken dan is er natuurlijk al snel meer tijd of geld mee bemoeid. Handig: Youtube op zich is gratis. 3. Wat is er voor de opsporing concreet uit YouTube voortgekomen? Dader aangehouden. Zichtbaar maken dat je (rechercheurs) achter de schermen hard werkt, een zaak serieus neemt. In combinatie met andere middelen versterkt het de opsporingsberichtgeving en strategie. 4. Zijn er juridische beperkingen met betrekking tot het gebruik van YouTube? Zeker. Daarom is er nauw contact met het LSO waarin ook het OM een belangrijke stem heeft. Eigenlijk is alles beschreven in de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. 5. Voor welke misdrijven kan YouTube gebruikt worden? Onze politieproducer is hier helemaal van op de hoogte. Hij heeft ook het contact met het LSO. Het staat ook in de aanwijzing genoemd, volgens mij gaat om delicten waar 4 jaar of meer op staat, maar dat zou je even moeten navragen. Wij maken als afdeling Communicatie dan ook niet de beslissing. 6. Hoeveel unieke bezoekers heeft YouTube Hollands-Midden? Geeft ‘Youtube Insight’ geen inzicht in. De filmpjes op ons kanaal zijn ongeveer 240.000 keer bekeken. 7. Op welke wijze worden bezoekers gestimuleerd om mee te werken/denken met de opsporing? Door te verwijzen naar een film op Youtube (of andere communicatie) in allerlei andere communicatiemiddelen. Politieonderzoeken.nl staat wat betreft deze vraag nog steeds op ons lijstje en we willen dit jaar ook een zaak gaan brengen. 8. Hoe vaak wordt het initiatief van nieuwe informatie voorzien? Wekelijks. Maar niet alleen gebaseerd op opsporingsinformatie. 9. Welk soort informatie kan geplaatst worden door de organisatie en door gebruikers? Bezoekers kunnen reacties plaatsen en filmpjes uploaden. Wij kunnen filmpjes uploaden, teksten bij filmpjes zetten, tags toevoegen (trefwoorden waardoor filmpjes te vinden zijn), reacties monitoren, etc. 10. Wordt er door Hollands-Midden gereageerd op de input van gebruikers? Indien er een vraag gesteld wordt dan geven we antwoord. Overigens niet op retorische vragen. Ook halen we sommige reacties weg als ze niet door de beugel kunnen. Dan blokkeren we bijvoorbeeld deze gebruiker en sturen we hem/haar ook een reactie dan we dit gedaan hebben en met welke reden. Dit gebeurt niet altijd. Maar als enigszins zin heeft wel. 11. Op welke manier wordt de verkregen informatie verwerkt? Reacties die interessant zijn worden verstuurd naar degene waarover het gaat/ of die een zaak behandeld. 12. Wat zijn de belangrijkste lessen tot nu toe? Monitor reacties regelmatig. Hou de reactie mogelijkheid wel open, het geeft naast vervelende reacties ook goede inzichten. Zo weten we bijvoorbeeld op basis van de reacties op het eerste opsporingsfilmpje dat de intro te lang was. Kijkers ervaarden het als ‘commercie’. Op basis van deze reacties hebben we de intro flink ingekort. 39