Your SlideShare is downloading. ×
  • Like
Doelen en juridisch kader van opsporingsberichtgeving
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×

Now you can save presentations on your phone or tablet

Available for both IPhone and Android

Text the download link to your phone

Standard text messaging rates apply

Doelen en juridisch kader van opsporingsberichtgeving

  • 351 views
Published

Auteur: Ernst Pols

Auteur: Ernst Pols

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
351
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1

Actions

Shares
Downloads
7
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Doelen, toekomst en juridisch kader van opsporingsberichtgeving 1. Inleiding Het gebruik van opsporingsberichtgeving als tactisch opsporingsmiddel is vanzelfsprekend geen nieuw fenomeen. Wel is het inroepen van de hulp van het publiek door opsporingsdiensten en het openbaar ministerie in de afgelopen jaren in een stevige stroomversnelling geraakt. Naar mijn overtuiging is daarvoor een aantal oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats is er, vooral door de komst van het Internet, sprake geweest van een enorme toename van het aantal voor verspreiding van opsporingsberichten bruikbare kanalen. Kanalen bovendien, die het niet alleen mogelijk maken om een groot arsenaal aan burgerspeurders te activeren en bij een opsporingsonderzoek te betrekken, maar die bovendien de mogelijkheid bieden om dit heel gericht en daarmee niet alleen effectief maar ook proportioneel te doen. Daarnaast is er, met name door de enorme toename van camera’s in de publieke en semipublieke ruimte en camera’s in beheer bij particulieren, steeds meer beeldmateriaal voorhanden dat zich leent voor verwerking in opsporingsberichtgeving. Het gaat daarbij bovendien vaak om beeldmateriaal waarop een gepleegd strafbaar feit dat onderwerp van onderzoek is, van begin tot eind is vastgelegd. Het is dan ook begrijpelijk dat juist in deze gevallen vanuit het publiek, de media en het openbaar bestuur snel de roep klinkt tot publicatie van dergelijk materiaal. Zeker als de met het onderzoek belaste instanties niet snel genoeg in staat zijn om een op de camerabeelden vastgelegde pleger van een strafbaar feit te identificeren en aan te houden. Diverse recente voorbeelden laten overigens zien dat het begrip “snel” in deze context doorgaans een korter tijdsinterval beslaat naarmate de schok die een gepleegd strafbaar feit in de rechtsorde teweeg brengt groter is. Nauw hiermee samen hangt het in toenemende mate vanuit de samenleving klinkende appèl op opsporingsdiensten en het openbaar ministerie om zich transparant te tonen bij de uitvoering van het werk waarvoor veel mensen belangstelling hebben en waaraan –gelukkig- ook veel mensen een bijdrage willen leveren. 1
  • 2. Het, zeker in geruchtmakende opsporingsonderzoeken, tè terughoudend zijn bij het informeren van het publiek en het betrekken van particulieren bij het onderzoek (bijvoorbeeld door het al in een vroeg stadium verspreiden van opsporingsberichtgeving), leidt vandaag de dag snel tot wantrouwen jegens de opsporing en een negatieve beeldvorming in de media. En er is nog iets anders aan de hand. De opkomst van het internet en nieuwe media heeft de strafvorderlijke overheid krachtige instrumenten in handen gegeven om grote groepen mensen te mobiliseren als verlengstuk van de opsporing, maar diezelfde middelen staan ook journalisten en andere particulieren ten dienste bij het zelfstandig doen van onderzoek naar een strafbaar feit. Bedacht moet worden dat de belangen van speurende particulieren en opsporingsdiensten grotendeels parallel lopen en bestaan uit het ophelderen van strafbare feiten en berechting van de daarvoor verantwoordelijken. Ik reken het dan ook, al was het maar uit welbegrepen eigenbelang, tot de verantwoordelijkheid van de strafvorderlijke overheid om te streven naar een bundeling van krachten van speurders en particulieren en die particuliere speurkracht aan zich te binden. Een actief en tijdig communicatiebeleid in een opsporingsonderzoek, waarvan de verspreiding van opsporingsberichtgeving (naast goede persvoorlichting en informatievoorziening aan slachtoffers en direct betrokkenen) een hoeksteen vormt, kan een belangrijke bijdrage leveren aan publiek vertrouwen in het opsporingswerk en de bundeling van krachten van professionele speurders en particulieren. Dit geldt niet alleen wanneer in een opsporingsonderzoek (al dan niet door bijdragen van particulieren) goede resultaten worden behaald, maar juist ook in gevallen waarin het in een opsporingsonderzoek niet snel tot een oplossing komt. Het is dan ook om deze reden dat “opsporingscommunicatie”, oftewel de benadering van communicatie als integraal onderdeel van een opsporingsonderzoek bij steeds meer opsporingsdiensten en het openbaar ministerie zijn intree doet. Neem burgers serieus: laat zien wat je doet, leg uit wat je doet en waarom je het doet (of juist niet doet) en maak dankbaar gebruik van het particuliere potentieel aan opsporingscapaciteit. Daarbij is –hoewel de opsporingspraktijk hier soms nog wat aan moet wennen- evident dat de kost steeds voor de baat zal moeten uitgaan. Wie niks geeft krijgt ook niks terug. 2
  • 3. Ik realiseer me overigens terdege dat dit makkelijker gezegd dan gedaan is in een metier waarin een zekere mate van geslotenheid toch vaak onvermijdelijk is. Het gaat echter om het uitgangspunt, dat zo mooi tot uitdrukking wordt gebracht in het motto: Openheid waar het kan, geslotenheid waar het moet. Een uitgangspunt dat er in veel gevallen voor kan zorgen dat aan alle in het geding zijnde belangen recht wordt gedaan. Bij dit alles zouden we bijna het oorspronkelijke doel van de verspreiding van opsporingsberichtgeving uit het oog verliezen: het inroepen van de hulp van het publiek als een welkome aanvulling op de immer schaarse opsporingscapaciteit, nu de bijstand door burgers aan de opsporing niet zelden intensief en kostbaar rechercheonderzoek kan bespoedigen. 2. Opsporingsberichtgeving 2015, trends en ontwikkelingen Opsporingsberichtgeving als onderdeel van het totale communicatiebeleid rond opsporingsonderzoeken heeft, zoals gezegd, in de afgelopen jaren een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Een ontwikkeling die bovendien nog lang niet ten einde is, omdat de factoren die hierbij een rol hebben gespeeld steeds nadrukkelijker een stempel op het ontwikkelingsproces drukken. Elke stap terug zal dan ook onvermijdelijk het mechanisme activeren waarbij vertrouwen in de opsporing afkalft en tegelijkertijd zelfstandig particulier onderzoek toeneemt. De trend naar meer openheid en samenwerking tussen de opsporing en particulieren is een feit en zal naar mijn overtuiging al in de zeer nabije toekomst tot nauwe vormen van samenwerking leiden. De eerste voorzichtige verkenningen daartoe krijgen op dit moment al gestalte. Ik kom daarop terug, maar laten we eerst een blik werpen op enkele andere in het oog springende ontwikkelingen voor de nabije toekomst. Centralisatie Als we kijken naar de manier waarop het gebruik van opsporingsberichtgeving zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld, dan valt op dat die ontwikkeling vooral bottom-up heeft plaatsgevonden. Veel creatieve en vernieuwende vormen van opsporingsberichtgeving werden in de diverse politieregio’s in samenwerking met de lokale OM parketten ontwikkeld. 3
  • 4. Het ontwikkelen van het instrument opsporingsberichtgeving volgens de methode “laat duizend bloemen bloeien” heeft veel waardevolle initiatieven opgeleverd die snel navolging kregen of die het verdienen om die alsnog te krijgen. Tegelijkertijd heeft deze ontwikkeling gezorgd voor een zodanige versnippering van het aantal kanalen waarlangs opsporingsberichtgeving wordt verspreid, dat het voor betrokken burgers steeds moeilijker wordt om de weg te vinden naar berichten over opsporingsonderzoeken waarvoor zij belangstelling hebben en waaraan zij mogelijk een bijdrage kunnen leveren. Die versnippering brengt het niet te onderschatten gevaar met zich mee dat burgers de aandacht voor een onderzoek verliezen, waardoor het onderzoekende rechercheteam mogelijk voor het onderzoek waardevolle informatie misloopt. Een van de uitdagingen waar de opsporing de komende jaren dan ook voor staat is het reduceren en centraliseren van de platforms waarop burgers terecht kunnen voor het raadplegen van informatie over opsporingsonderzoeken. De komst van de nationale politie zal aan deze noodzakelijke ontwikkeling een belangrijke bijdrage kunnen en moeten leveren, bijvoorbeeld door de ontwikkeling en inzet van een sterk merk als www.politie.nl. Bij het aangaan van deze uitdaging moet er tegelijkertijd echter wel nadrukkelijk voor worden gewaakt dat door de in te zetten centraliseringstendens de ontwikkeling van nieuwe initiatieven op het lokale niveau niet in de kiem wordt gesmoord. In het verlengde van deze uitdaging voor de nieuwe politieorganisatie en het openbaar ministerie ligt het in goede banen leiden van de snel toenemende stroom van beelden afkomstig van zowel publieke als private toezichtscamera’s en het almaar groeiende aantal smartphones. Anders gezegd, hoe gaan we er voor zorgen dat zoveel mogelijk beelden die een bijdrage aan de opsporing kunnen leveren voor particulieren toegankelijk worden gemaakt op een zodanige wijze dat die het spoor niet volkomen bijster raken en hun aandacht op andere zaken gaan richten? De vraag is actueler dan we ons misschien op dit moment realiseren, omdat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voornemens lijkt om begin 2013 een wetsvoorstel naar de tweede kamer te sturen dat het particulieren, onder voorwaarden en onder het toeziend oog van de opsporing, toestaat om beelden van een strafbaar feit waarvan zij slachtoffer zijn geworden te publiceren. 4
  • 5. Een andere, steeds meer zichtbare ontwikkeling die door de komst van de nationale politie een duw in de goede richting zou moeten krijgen is de binnen de opsporing en het OM levende wens om meer opsporingsberichtgeving in eigen beheer en via eigen kanalen te verspreiden. Hoewel voor het in eigen beheer uitbrengen van opsporingsberichtgeving, bijvoorbeeld via het internet, sociale media of wellicht in de toekomst een eigen digitaal televisiekanaal, vanzelfsprekend organisatorische en financiële hordes zullen moeten worden genomen, zijn de voordelen evident. Zo maakt het in eigen beheer uitbrengen van opsporingsberichtgeving het mogelijk om veel gerichter bepaalde doelgroepen te benaderen. Zo’n gerichte benadering is niet alleen vanuit een oogpunt van effectiviteit, maar ook vanuit het beginsel van proportionaliteit wenselijk. Daarnaast is een betere timing en afstemming op andere vormen van communicatie mogelijk en vermindert de nu nog grote afhankelijkheid van mediapartners, die veelal het laatste woord hebben over het al dan niet verspreiden van een opsporingsbericht en het moment waarop dat zal gebeuren. Dit laatste betekent wat mij betreft overigens absoluut niet dat de samenwerking tussen de opsporing, het openbaar ministerie en mediapartners een aflopende zaak is. Later vanmiddag zal ongetwijfeld duidelijk worden dat de samenwerking tussen de opsporing en mediapartners bij het verspreiden van opsporingsberichtgeving vaak tot mooie successen leidt, terwijl de opsporing van het bereik van mediapartners zoals bijvoorbeeld Opsporing Verzocht of Hart van Nederland voorlopig alleen maar kan dromen. Waar het echter om gaat is dat het verspreiden van opsporingsberichtgeving in eigen beheer het arsenaal verspreidingsmogelijkheden vergroot, waardoor een steeds effectievere combinatie van middelen voor het bereiken van de gewenste doelgroep kan worden samengesteld. Ook in zaken waarvoor mediapartners niet meteen warm lopen maar de direct betrokkenen, in het bijzonder slachtoffers, natuurlijk wel. Bij deze schets van de ideale wereld gebiedt de eerlijkheid uiteraard wel om op te merken dat de voor het verzorgen van opsporingsberichtgeving beschikbare politie- en justitiecapaciteit maar één keer kan worden besteed, zodat elk initiatief binnen de opsporing om opsporingsberichtgeving in eigen beheer te verspreiden, onvermijdelijk ten koste zal gaan van de samenwerking met mediapartners. De kosten en baten van eigen initiatief zullen binnen de nieuwe politieorganisatie, in samenspraak met het OM, dan ook goed tegen elkaar moeten worden afgewogen. 5
  • 6. Opsporingsberichtgeving 2015: the need for speed Een andere ontwikkeling die al een aantal jaren geleden is ingezet, is de sterk toegenomen en nog steeds toenemende snelheid waarmee informatie zijn weg vindt in de samenleving en de invloed die burgers door het gebruik van sociale media op deze ontwikkeling uitoefenen. De mogelijkheden die burgers en media vandaag de dag ter beschikking staan voor het verzamelen en razendsnel verspreiden van informatie heeft tot gevolg dat opsporingsinformatie in steeds minder gevallen het exclusieve bezit van opsporingsinstanties en het openbaar ministerie is. Het krampachtig geheim proberen te houden van informatie die in de samenleving al breed beschikbaar is, leidt tot onbegrip, verlies van vertrouwen in de opsporing en vraagt onder omstandigheden dan ook om snellere publicatie van opsporingsberichtgeving. Daarmee wordt tegelijkertijd het spanningsveld voelbaar tussen de belangen van de samenleving, het opsporingsbelang en het belang van individuen van wie de privacy door publicatie in het geding is. Dat de gevoelige afweging van deze belangen, die door de media en burgers kritisch wordt gevolgd, in de toekomst steeds sneller en vaker zal moeten worden gemaakt, maakt ook de noodzaak van een professionele organisatie van de inzet van opsporingsberichtgeving bij opsporingsinstanties en het openbaar ministerie zichtbaar. Opsporingsberichtgeving is niet langer “een klusje voor erbij”. Dat de opsporing zich vaker en sneller zal moeten bedienen van het middel opsporingsberichtgeving wordt vanzelfsprekend niet alleen ingegeven door de noodzaak om het tempo van berichtgeving in de samenleving bij te benen om zo niet aan geloofwaardigheid in de boeten. De mogelijkheden om snel te communiceren staan de opsporing ook ten dienste, bijvoorbeeld om de hulp van burgers in te roepen kort nadat een strafbaar feit is gepleegd. Een goed voorbeeld daarvan is de Rotterdamse pilot @politie24. Binnen dit project wordt, als een overval, een straatroof of een woninginbraak heeft plaatsgevonden, vanuit de meldkamer zo snel mogelijk een twitterbericht uitgezonden waarin burgers worden opgeroepen naar verdachten die aan een opgegeven signalement voldoen uit te kijken. 6
  • 7. Maar ook bij deze manier van werken, die ongetwijfeld op andere plaatsen in het land pendanten heeft of zal krijgen, doemt een spanningsveld op. In dit geval tussen de noodzakelijke snelheid van handelen om optimaal te kunnen profiteren van de hulp van burgers en de rol van het OM als eindverantwoordelijke voor de weging van het opsporingsbelang en de belangen van verdachten en de bij de opsporing ingeschakelde burgers. In het eerder dit jaar door het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving uitgebrachte “Richtsnoer opsporingsberichtgeving en nieuwe media” zijn de in het geding zijnde belangen op een rij gezet en worden handreikingen gedaan op welke manier aan die belangen recht kan worden gedaan in gevallen waarin een opsporingsbericht wordt verspreid kort nadat een strafbaar feit is gepleegd. Co creatie De ontwikkelingen op het gebied van opsporingsberichtgeving in de afgelopen jaren overziend, is het mijn observatie dat burgers en opsporing meer en meer aan elkaar gewend en tegelijkertijd aan elkaar gewaagd raken. Die gewenning en de toenemende betrokkenheid op elkaar lijken zo zoetjesaan de weg te hebben geplaveid voor een nauwere samenwerking die in de opsporing wel wordt aangeduid met het begrip “co creatie”. Hoewel dat begrip vermoedelijk een nauwere samenwerking tussen burgers en de opsporing suggereert dan waar de komende jaren sprake van zal zijn, is wel duidelijk dat de weg naar daadwerkelijk samen gaan werken in opsporingsonderzoeken inmiddels is ingeslagen. Te denken valt aan het Groningse onderzoek “Zuiderdiep” en de vorm van samenwerking tussen opsporing en burgers die op dit moment door het Centrum Versterking Opsporing gestalte krijgt onder de werknaam TGO.nl. Een opmaat naar dit project werd onlangs al in Rotterdam gelanceerd met de website www.helpmonikavinden.nl. Hoewel dit initiatief in de samenleving goed werd ontvangen, kwamen ook de eerste kritische reacties uit wetenschappelijke hoek waarbij politie en OM onder meer het harde verwijt werd gemaakt dat zij een serieus vak laten verworden tot een gezelschapsspel. Hoewel die kritiek op onderdelen begrijpelijk is, kan echter ook de wetenschap niet heen om, wat ik maar zal noemen het toenemende democratiseringsproces in de opsporing. 7
  • 8. Dat tij is niet meer te keren zodat ik vandaag, in dit huis van de wetenschap meteen maar van de gelegenheid gebruik maak om wetenschappers uit te nodigen met ons mee te denken over de vraag op welke wijze de samenwerking tussen burgers en de opsporing op een verantwoorde wijze verder gestalte kan krijgen. Anders gezegd, laten we de opsporing niet tot een gezelschapsspel maken, maar gezamenlijk als gezelschap van professionals de toekomst vorm geven. 3. Juridisch kader van opsporingsberichtgeving: noodzaak van een “Wet opsporingsberichtgeving? Een blik in het recente verleden leert dat de ontwikkelingen op het gebied van opsporingsberichtgeving en ook de toename van laat ik zeggen in het oog springende vormen daarvan, zoals bijvoorbeeld digitale schermen in het publieke domein, inmiddels op de warme aandacht van advocaten kunnen rekenen. Zo is de afgelopen tijd door diverse raadslieden bepleit dat het gebruik van opsporingsberichtgeving als opsporingsmiddel geen of onvoldoende basis zou hebben in het Wetboek van strafvordering. Zeker in gevallen waarin beelden van verdachten openbaar worden gemaakt zou daardoor sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de getoonde personen. Zo’n inbreuk zou alleen toelaatbaar zijn als daarvoor een solide wettelijke basis bestaat, die voldoet aan de eisen die artikel 8 van het Europees verdrag daaraan stelt. Laat ik dit standpunt eens onder de loep nemen. De huidige basis voor de inzet van opsporingsberichtgeving als opsporingsmiddel wordt gevormd door de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Kort gezegd geeft deze aanwijzing de kaders waarbinnen onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie opsporingsberichtgeving kan worden verspreid. Daarnaast beschrijft de aanwijzing de gevallen waarin en de doelen waarmee opsporingsberichtgeving kan worden ingezet. Uitgangspunt bij de totstandkoming van de aanwijzing is geweest dat de algemene en taakstellende artikelen 2 van de Politiewet en 148 van het Wetboek van Strafvordering de inzet van opsporingsbericht kunnen dragen, omdat opsporingsberichtgeving geen, of slechts een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een aan het publiek getoonde verdachte zou maken. 8
  • 9. Bij de beantwoording van de vraag of opsporingsberichtgeving een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een daarin afgebeelde verdachte ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de door zowel het Europese Hof als de Hoge Raad gehanteerde leer van de “reasonable expectation of privacy”. In deze leer is de mate waarin aanspraak kan worden gemaakt op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer sterk afhankelijk van de redelijke verwachting die iemand in bepaalde omstandigheden mag hebben. Vertaald naar ons thema van vandaag is dan de vraag of iemand die in de openbare ruimte en onder het oog van camera’s een strafbaar feit pleegt wel een te respecteren recht op privacy toekomt en, als die vraag al bevestigend moet worden beantwoord, of dit dan een meer dan geringe inbreuk op die privacy oplevert? Ik zou menen van niet en dit is, op een andersluidende opvatting van een Rotterdamse politierechter na, ook al een aantal jaren de lijn in de jurisprudentie. De Aanwijzing opsporingsberichtgeving, die in 2013 wordt herzien, is daarnaast gepubliceerd recht in de zin van de Wet RO waarop niet alleen door verdachten een beroep kan worden gedaan, maar waaraan ook, zo blijkt uit een recent arrest van het Arnhemse hof, daadwerkelijk door de strafrechter wordt getoetst. Vanuit een juridische optiek is er wat mij betreft dan ook geen noodzaak voor de totstandkoming van zoiets als een “Wet opsporingsberichtgeving”. Dit alles neemt echter niet weg dat de perceptie in de samenleving van opsporingsberichtgeving als opsporingsmiddel of de wijze waarop dit middel door het openbaar ministerie wordt ingezet ook een reden zou kunnen zijn om tot een expliciete wettelijke basis te komen. Een dergelijke wet kan echter slechts de uitkomst zijn van een politiek debat waarin ik vanzelfsprekend niet kan en wil treden. Mocht het echter ooit zover komen dan vind ik het wel van belang dat zo’n juridisch kader niet aan innovatie in de weg staat en de mogelijkheden om opsporingsberichtgeving, kort nadat een strafbaar feit is gepleegd, gewaarborgd zijn. 9
  • 10. 4. Tot besluit Dames en heren, de wereld van de opsporingsberichtgeving is volop in beweging en het beloven spannende tijden te worden waarin het gebruik van nieuwe methodieken vol in het spotlicht zal staan en onderwerp van maatschappelijk debat zal zijn. Bij de inzet van nieuwe vormen van opsporingsberichtgeving zullen rechtmatigheid en proportionaliteit om begrijpelijke redenen voer voor discussie zijn, maar wat vooral opvalt aan het debat dat al achter ons ligt, is dat een belangrijk toetsingscriterium, namelijk dat van de doelmatigheid, soms wat onderbelicht dreigt te blijven. Wat mij betreft ten onrechte. Want zelfs als we met elkaar tot de slotsom zouden komen dat het gebruik van opsporingsberichtgeving als opsporingsmiddel geen expliciete wettelijke basis behoeft, brengt een redelijke toepassing van het middel wat mij betreft nog wel met zich mee dat die toepassing niet kan plaatsvinden onder het motto “baat het niet, dan schaadt het niet”. Daarvoor wegen de in het geding zijnde belangen dan toch weer te zwaar. Bovendien gaat het niet aan om schaarse opsporingscapaciteit in te zetten op basis van common sense gedachten over de werkzaamheid van een opsporingsmiddel. Dat een nieuwe vorm van opsporingsberichtgeving enige tijd moet worden gegund alvorens de effectiviteit kan worden beoordeeld is eveneens evident, maar de vraag of een bepaalde vorm van opsporingsberichtgeving effectief is, moet na verloop van enige tijd wel deugdelijk worden vastgesteld. Het is dan ook prijzenswaardig dat de wetenschap de eerste schreden op het pad van de opsporingsberichtgeving heeft gezet en de werkzaamheid van de eerste bestanddelen daarvan heeft onderzocht. Dit initiatief verdient een vervolg waarover wij wat mij betreft snel met elkaar in gesprek moeten. 10