Cocreatie 2.0 en virtueel buurtonderzoek

1,148 views
1,107 views

Published on

1 Comment
3 Likes
Statistics
Notes
No Downloads
Views
Total views
1,148
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
73
Actions
Shares
0
Downloads
7
Comments
1
Likes
3
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Cocreatie 2.0 en virtueel buurtonderzoek

  1. 1. Co-creatie 2.0 Strategische kansen voor de innovatieve politiepraktijk Drs. Ellis Jeurissen en Drs. Richard Vriesde
  2. 2. 2 Co-creatie 2.0 Colofon Afstudeerscriptie Strategische Leidinggevende Leergang 8. Tekst: Drs. Ellis Jeurissen en Drs. Richard Vriesde Ontwerp: 20-02 Vormgevers, Eindhoven Begeleider: Prof. dr. V.J.J.M. Bekkers Politieacademie, Warnsveld (oktober 2012)
  3. 3. Voorwoord Moed is de rode draad in onze thesis. Niet alleen de moed die nodig is voor het strategisch leiderschap van de politieorganisatie om te accepteren dat met de komst van de netwerksamenleving alles anders is geworden en strategische interventies nodig zijn. Maar ook de moed die nodig is om de samenwerking met burgers in deze nieuwe wereld te omarmen en vanuit gelijkwaardigheid vorm te geven. Dat betekent dat de burger meebeslist, meedenkt en co-creëert vanuit verschillende (tijdelijke) netwerken en rollen, face-to-face en steeds vaker virtueel middels sociale media. Wij moesten zelf ook de nodige moed verzamelen om vanuit de theorie co-creatie en sociale media bij de kop te pakken en te vertalen naar een zinvolle betekenis voor de politiepraktijk. Wij weten inmiddels wat het betekent om vanuit theoretische inzichten te schrijven over een betrekkelijk nieuw onderwerp waar nog niet zoveel praktijkonderzoek naar gedaan is. Hoe je jezelf moet blijven uitdagen om dat voor elkaar te krijgen. Je moet kritiek van je scriptiebegeleider omarmen. Jezelf openstellen voor de mening van anderen. Je eigen visies durven loslaten voordat je ze weer verstevigd met de theoretische inzichten die je hebt opgedaan. Het schrijven van deze scriptie, eigenlijk onze hele studieperiode, is één groot co-creatieproces geweest. Wij zien deze eindversie van onze scriptie als een tussenstap in een continu proces van co-creatie. Wij nodigen iedere lezer uit de inhoud van deze scriptie te verrijken, te verbeteren, aan te vullen en onze conclusies en aanbevelingen te delen. Wij zien deze scriptie niet als ons eigendom. We stellen onze scriptie dan ook graag voor iedereen toegankelijk op www.criminaliteitswijzer.nl/wiki/index.php. Wij danken onze korpschefs Simone Steendijk en Henk van Essen voor deze geboden ontwikkelkans en onze collega’s voor hun steun en begrip. Victor Bekkers danken wij voor zijn begeleiding en de manier waarop hij ons van het voetstuk haalde als wij weer trots een hoofdstuk inleverden, maar ons er ook weer op wist te krijgen. Thuis, met onze gezinnen, hebben we vaak te weinig aan co-creatie gedaan. Zeker de laatste maanden waren pittig. Wij danken onze partners en kinderen voor hun geduld met ons! Tot slot dragen wij deze scriptie op aan de burgers die deel hebben genomen aan onze focusgroep sessies: Marie-José Swart, Anne Wolters, Coby Span, Hans Horsten, Ton van Eijk, Martien Aarts en Rob Bongenaar. Zij staan symbool voor wat co-creatie in wezen is: samen werken aan een betere samenleving op basis van wederzijds vertrouwen en gelijkwaardigheid. Ellis Jeurissen Richard Vriesde Politie Brabant Zuid-Oost Politie Haaglanden Voorwoord 3
  4. 4. 4 Co-creatie 2.0
  5. 5. Inhoudsopgave Samenvatting 9 1 Inleiding 17 1.1 Aanleiding 18 1.2 Probleemstelling 20 1.2.1 Doelstelling 20 1.2.2 Centrale onderzoeksvraag 20 1.2.3 Deelvragen 20 1.3 Maatschappelijke en theoretische relevantie 22 1.4 Aard van het onderzoek en theoretische positionering 23 1.5 Onderzoeksopzet 24 2 Buurtonderzoek 1.0 25 2.1 Inleiding 27 2.2 Omvang en ontwikkeling woninginbraken 27 2.2.1 Mogelijke verklaring dalende trend 28 2.3 Aanpak woninginbraken 30 2.3.1 Dader factoren 31 2.3.2 Situationele gerelateerde factoren en slachtoffervatbaarheid 32 2.3.3 Kenmerken aanpak woninginbraken 32 2.4 De functie van het buurtonderzoek 35 2.4.1 De traditionele aanpak 35 2.4.2 Uitvoering van het buurtonderzoek 36 2.5 Effectiviteit van het buurtonderzoek bij woninginbraken 37 2.5.1 Factoren voor een effectieve aanpak van buurtonderzoek 38 2.6 Conclusies 41 3 Co-creatie en sociale media 43 3.1 Inleiding 45 3.2 Wat is co-creatie? 45 3.3 Motieven van co-creatie 46 3.4 Co-creatie als een vorm van innovatie 47 3.4.1 Factoren van (sociale) innovatie 49 3.5 Co-creatie als een vorm van coproductie 52 3.5.1 Kenmerken van coproductie 52 3.5.2 Factoren van coproductie 53 3.6 Co-creatie als een vorm van interactieve beleidsvoering 56 3.6.1 Motieven voor interactieve beleidsvoering 57 3.6.2 Factoren van interactieve beleidsvoering 58 3.7 Sociale media 61 3.7.1 Inleiding 61 3.7.2 Wat verstaan we onder sociale media? 62 Inhoudsopgave 5
  6. 6. 3.7.3 Verschillende vormen van sociale media 62 3.7.4 Categorisering van sociale media 65 3.7.5 Factoren van sociale media 68 3.8 Leiderschap 72 3.8.1 Kenmerken van leiderschap 72 3.8.2 Strategisch politieleiderschap 72 3.8.3 Co-creatie en leiderschap 73 3.9 Conclusies 74 4 Co-creatie binnen de politie 77 4.1 Inleiding 79 4.2 Praktijkvoorbeelden 80 4.2.1 Informeren 80 4.2.2 Raadplegen 82 4.2.3 Adviseren 83 4.2.4 Co-produceren 84 4.2.5 (Mee)beslissen 87 4.3 Kansen voor de politie 88 4.3.1 Crowdsourcing 89 4.3.2 Strategisch belang sociale media 90 4.3.3 Inzetbaarheid sociale media 91 4.4 Factoren sociale media 91 4.5 Leerervaringen 94 4.6 Conclusies 94 5 Theoretisch kader en onderzoeksstrategie 97 5.1 Inleiding 99 5.2 Theoretisch kader 99 5.2.1 Inleiding 99 5.2.2 Theoretisch kader stapsgewijs 100 5.2.3 Onderzoeksmodel 104 5.3 Onderzoeksstrategie 105 5.3.1 Inleiding 105 5.3.2 Aard van het onderzoek 105 5.3.3 Methode van onderzoek 108 5.3.4 Technieken van onderzoek 110 5.3.5 Betrouwbaarheid en geldigheid 112 5.4 Werkwijze 114 5.5 Conclusie 115 6 Onderzoek 117 6.1 Inleiding 119 6.2 Interviews interne en externe stakeholders 120 6.2.1. Inleiding 120 6.2.2 Bewustzijn 120 6 Co-creatie 2.0
  7. 7. 6.2.3 Vermogen 124 6.2.4 Proces 127 6.2.5 Moed 132 6.3 Deelconclusie interviews 135 6.4 Focusgroepen 138 6.4.1 Inleiding 138 6.4.2 Opzet focusgroepen 140 6.5 Focusgroepsessie I 141 6.5.1 Workshop 1 141 6.5.2 Workshop 2a 142 6.5.3 Workshop 2b 143 6.6 Focusgroepsessie II 144 6.6.1 Inleiding 144 6.6.2 Workshop 3 147 6.6.3 Analyse Workshop 3a 148 6.6.4 Analyse Workshop 3b 150 6.6.5 Workshop 4 153 6.7 Deelconclusie Focusgroepsessies 157 6.8 Algehele conclusie empirisch onderzoek 158 7 Conclusies en aanbevelingen 163 7.1 Inleiding 165 7.2 Beantwoording deelvragen 165 7.2.1 Deelvraag 1 165 7.2.2 Deelvraag 2 167 7.2.3 Deelvraag 3 168 7.2.4 Deelvraag 4 171 7.2.5 Deelvraag 5 172 7.2.6 Deelvraag 6 175 7.2.7 Deelvraag 7 177 7.3 Beantwoording centrale vraag 178 7.4 Aanbevelingen 180 7.5 Reflectie op het onderzoek 182 Bijlagen 185 Literatuurlijst 203 Voetnoten 210 Inhoudsopgave 7
  8. 8. 8 Co-creatie 2.0
  9. 9. Samenvatting Een meerderheid van de burgers ziet het opsporen van strafbare feiten als belangrijkste politietaak en is volgens het Centraal Planbureau (2004) niet tevreden met de resultaten die worden geboekt. Kijken we naar het aantal woninginbraken, dan is deze ontevredenheid te begrijpen. Het aantal geregistreerde woninginbraken steeg in 2010 met 10 procent, terwijl de geregistreerde criminaliteit totaal in 2010 met vijf procent gedaald is ten opzichte van 2009. De pakkans na een woninginbraak is met 7 procent betrekkelijk klein. Het is van essentieel belang dit aan te pakken. Een effectieve opsporing raakt namelijk de legitimiteit van de politie en daarmee de rechtsstaat. De geregistreerde criminaliteit is voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie van burgers en veel minder op opsporingsactiviteiten van de politie zelf. Zo blijkt uit onderzoek dat het op heterdaad aanhouden van verdachten in 70 tot 80% van de gevallen gebeurt na een melding van burgers. Minister Opstelten wil komende jaren een verhoging van de pakkans met 25 procent realiseren door onder andere de heterdaadkracht te bevorderen. Woninginbraken vallen onder de categorie High Impact Crime aangezien de weerslag die het heeft op slachtoffers groot is. Het terugdringen van woninginbraken en de stijging van het oplossingspercentage is een van de landelijke prioriteiten van de Nationale Politie. De Raad van Korpschefs heeft co-creatie met burgers als hefboom voor verandering aangemerkt en ziet in de (informatie)technologie mogelijkheden om de opsporingsketen effectiever te maken en de burger als opsporingsambtenaar te betrekken bij de opsporing. Deze thesis onderzoekt de mogelijkheid om de rol van de burger te vergroten bij de aanpak van woninginbraken door een betere en effectievere benutting van het buurtonderzoek dat van oudsher wordt ingezet als middel bij de opsporing van woninginbrekers. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de resultaten van de traditionele aanpak van buurtonderzoek en naar de hedendaagse toepassingen op het gebied van co-creatie 2.0. In deze thesis onderzoeken wij aan de hand van Bason’s Ecosysteem model welke condities mogelijkerwijs van invloed zijn op de inzet van sociale media in de co-creatie met burgers ter ondersteuning van de opsporing van woninginbraken, waarbij aandacht wordt gevraagd voor innovatie van het buurtonderzoek als opsporingsinstrument. Vanuit deze doelstelling komen wij tot de volgende onderzoeksvraag: Wat is de strategische betekenis van co-creatie 2.0 voor de opsporing van woninginbraken, in het bijzonder voor de rol van het buurtonderzoek, en wat vraagt dit van strategisch politieleiderschap? Door de (informatie)technologie zijn mensen tegenwoordig vrijwel altijd en overal hyper connected via allerlei vormen van sociale media, waardoor de kennis en ervaring van mensen veel gemakkelijker kan worden gedeeld, waardoor nieuwe kennis ontstaat. Voor de politie biedt dit kansen om de opsporing te professionaliseren en burgers slimmer te betrekken bij die opsporing. Binnen de Nederlandse politiekorpsen is een aantal initiatieven ontwikkeld. SMS-Alert en Burgernet zijn hier bekende voorbeelden van, evenals een internet game voor het oplossen van cold cases en het Twitter account @depolitiezoekt. Op het snijvlak van de kansrijke toepassing van sociale media, onze professionele irritatie over de daling van het oplossingspercentage bij woninginbraken en de strategische notie van de burger als opsporingsambtenaar is de passie voor dit onderzoek ontstaan. Samenvatting 9
  10. 10. Door het toenemende gebruik van sociale media zorgen openheid en het niet-hiërarchische en decentrale karakter van online participatie voor een ongekende emancipatie van burgers. Deze genetwerkte horizontale samenleving staat nu haaks op de verticaal en hiërarchisch georganiseerde politie organisatie. Dat maakt de aansluiting tussen burgers en de politie moeilijker en vraagt om een andere rol en positie van dienders en leidinggevenden. Er zijn strategische interventies nodig om die aansluiting te blijven vinden en te verstevigen. Om die reden wordt onderzocht in hoeverre strategisch politieleiderschap een rol dient te vervullen in het creëren van deze aansluiting. Een herontwerp van het buurtonderzoek, op grond van co-creatie 2.0, is een fundamentele breuk met het verleden en dat betekent een veranderingsproces dat eisen stelt aan de wijze waarop dit veranderingsproces plaatsvindt. Bovendien zoekt deze vorm van buurtonderzoek nadrukkelijk de dialoog met burgers via multi- channeling en dat heeft gevolgen voor een andere positionering van de politie. Dit is een strategisch vraagstuk. Het traditionele individuele leiderschapsmodel wordt vervangen door leiderschap als een collectief proces door mensen gezamenlijk, via co-creatie, over de grenzen van afzonderlijke organisaties en landen heen. Door in te zoomen op het instrument buurtonderzoek willen we onderzoeken hoe we co-creatie en sociale media kunnen verbinden en hoe dit bijdraagt aan de totstandkoming van een herontwerp van het buurtonderzoek, waarbij de burger coproducent is. Dit onderzoek is beschrijvend en verklarend van aard, omdat het conditionele aspecten beschrijft en onderzoekt. Daarnaast is het een ex ante evaluatie, waarbij we meer inzicht willen verkrijgen over de condities waaronder een herontwerp van het traditionele buurtonderzoek kan plaatsvinden. Wij hebben daarbij gebruik gemaakt van een mix van onderzoeksmethoden. In dit onderzoek wordt naast een literatuuronderzoek, een casestudy en het houden van interviews voor het empirisch gedeelte tevens gebruik gemaakt van focusgroepen als kwalitatieve onderzoeksmethode met een participatief karakter. Dit is feitelijk een interview met meerdere respondenten tegelijkertijd. Er zijn een groot aantal interviews gehouden binnen Politie Haaglanden met interne en externe stakeholders op tactisch, strategisch en operationeel niveau met expertise op het gebied van handhaving, opsporing, communicatie en intelligence. Daarnaast werden er interviews gehouden met slachtoffers van woninginbraken in het stedelijk gebied van Zoetermeer en focusgroepsessies gehouden met burgers uit Asten binnen Politie Brabant-Zuid-Oost. De focusgroepen zijn samengesteld uit tactisch en strategisch leidinggevenden van de politie, street-level cops, burgers, slachtoffers en experts op het gebied van co-creatie en sociale media. De keuze van respondenten is gebaseerd op aanwijzingen verkregen vanuit landelijke en regionale contactnetwerken waaronder stakeholders van politie Brabant-Zuid-Oost, politie Haaglanden, Gemeente Den Haag, Gemeente Zoetermeer, Gemeente Asten, Politieacademie, TU Delft en TNO. De theoretische relevantie van dit onderzoek is gelegen in een nadere verkenning van de theoretische achtergronden die achter het begrip co-creatie en sociale media schuilgaan. Co-creatie lijkt vooral een populair wetenschappelijk begrip, waarbij het de vraag is hoe zich dit verhoudt tot andere populair- wetenschappelijke begrippen zoals sociale innovatie en sociale netwerken om de kloof tussen de burger en overheid te dichten. Door meer theoretische achtergrondkennis te vergaren over co-creatie en dit begrip nader uit te diepen in haar betekenis, wordt getracht een scherper beeld te construeren hoe de politie hier met de inzet van sociale media invulling aan kan geven en wat daarvan de toegevoegde waarde is. Door de theoretische inzichten vervolgens te toetsen aan empirisch verzamelde kennis over co-creatie en de toepassing van co-creatie binnen de politiepraktijk, ontstaan naar verwachting nieuwe kennisinzichten die een mogelijke bijdrage kunnen leveren aan verdere theorieontwikkeling en implementatievraagstukken. 10 Co-creatie 2.0
  11. 11. Samenvatting 11 Co-creatie betekent letterlijk ‘samen creëren’, maar dat is als definitie van het begrip ontoereikend. Co- creatie refereert in haar meest basale vorm aan het creëren van iets door meer dan één persoon. Von Hippel (1988), Prahalad en Ramaswamy (2004) beargumenteren dat waarde in de commerciële sector, in toenemende mate wordt ‘gecocreëerd’ door bedrijven en consumenten samen. Bekende voorbeelden, naast Wikipedia, zijn Linux en Lego Factory. ‘Open innovatie’ is een term die later ontstond en die sterk met co-creatie verbonden is; een term die het openstaan voor de externe invloeden en de creatieve kansen van transparantie benadrukt (Chesbrough 2003). In de studie van Bekkers & Meijer (2010) over co-creatie in de publieke sector laten de onderzoekers doorklinken dat het mooie aan de term co-creatie is dat de overheid niet langer centraal staat. Bij participatie ‘mogen’ burgers meedoen, bij co- creatie is er juist sprake van gelijkwaardigheid en laten burgers de overheid meedoen. Wanneer we het concept co-creatie naar de publieke sector vertalen, dan zijn het niet de commerciële producten die in wisselwerking tussen bedrijven en consumenten tot stand komen. Bij co-creatie in de publieke sector gaat het om de inbreng van belanghebbende partijen in agendering, ontwikkeling en uitvoering van overheidsbeleid waarbij getracht wordt zoveel mogelijk in te spelen op de behoeften, wensen en vragen van burgers, bedrijven of maatschappelijke organisaties (Bovaird 2007; Alford 2009; Bekkers & Meijer 2010). Vergroten van de legitimiteit van beleid Bekkers en Meijer (2011) stellen dat co-creatie ertoe kan bijdragen dat de overheid responsiever wordt en zich dus meer bewust is van de wensen en voorkeuren die binnen de samenleving leven ten aanzien van bepaalde vraagstukken en ontwikkelingen. Een grotere responsiviteit voor wat er in de samenleving speelt, zou de gepercipieerde kloof tussen burgers enerzijds en politici en de overheid anderzijds kunnen verkleinen (Koppenjan & Klijn 2004:366). De legitimiteit van de overheid heeft daarnaast ook baat bij een versterking van het draagvlak voor het beleid dat ze ontwikkelt, uitvoert en handhaaft (Bekkers & Meijer 2010:24). Het gebruik van web 2.0, of te wel sociale media ter ondersteuning van co-creatie, kan de legitimiteit op verschillende manieren versterken. Om innovatie in de publieke sector te leiden, betoogt Bason (Bason 2010:22), zijn er vier samenhangende en elkaar versterkende dimensies te onderscheiden. De combinatie van die dimensies is noodzakelijk voor een geïntegreerde aanpak van de implementatie van innovatie in de publieke sector. Deze vier dimensies zijn Moed, Bewustzijn, Vermogen en Co-creatie als proces, met elk hun belemmerende en bevorderende factoren. Als voornaamste kritische factor voor (sociale) innovatie noemen we dan ook: Wisselwerking Moed, Bewustzijn, Vermogen en Co-creatie als proces Net als in een natuurlijk ecosysteem, zijn de vier dimensies van dit innovatie ecosysteem onderling van elkaar afhankelijk en kan de ene dimensie niet tot wasdom komen zonder de andere (Bason 2010:23). Het Innovatie Ecosysteem biedt een geïntegreerde manier van kijken naar de innovatie inspanningen binnen de publieke sector, en omvat de meest belangrijke afhankelijkheidsrelaties die een innovatieklimaat kan belemmeren of bevorderen. Essentieel in een ecosysteem is, dat onderdelen van dat ecosysteem op elkaar worden afgestemd maar ook afgestemd worden op de omgeving. De factor wederzijdse afhankelijkheid creëert de noodzaak tot praktische samenwerking. Daarnaast is het van belang dat partijen streven naar een gemeenschappelijke beeldvorming, wat niet impliceert dat betrokken partijen het op alle fronten met elkaar eens moeten zijn. Het streven naar een open klimaat is een belangrijke factor om de wederzijdse afhankelijkheden tussen partijen te zien en te onderkennen.
  12. 12. Het innovatie ecosysteem van de publieke sector (Bason) Systematisch zijn 37 factoren vanuit de literatuur in beeld gebracht die van invloed kunnen zijn op de condities die gesteld dienen te worden om middels co-creatie met behulp van sociale media te komen tot een herontwerp van het buurtonderzoek (2.0). De relevante factoren zijn aan de hand van de zeven onderzoeksvelden innovatie, coproductie, interactieve beleidsvoering, sociale media, buurtonderzoek, leiderschap en praktijkvoorbeelden vanuit de politiesfeer geïnventariseerd. Vanuit deze inventarisatie zijn vervolgens per onderzoeksveld de afzonderlijke factoren geclusterd naar de vier dimensies Moed, Bewustzijn, Vermogen en Proces van Bason’s Ecosysteem model. De dynamiek die ontstaat door de wisselwerking tussen deze vier dimensies (die tegelijkertijd geactiveerd zullen moeten worden om veerkracht te vergroten) is van belang, omdat een veerkrachtige politieorganisatie in staat is verandering aan te kunnen en tegelijkertijd in staat is resultaten te behalen op alle vier de dimensies. Sociale media Binnen ons onderzoeksveld hebben wij kunnen constateren dat er geen duidelijke overeenstemming is in de wijze van categoriseren van sociale media. De bekeken sociale middelen zijn Twitter, Wiki, Twitter, YouTube, Hyves, Facebook, webblogs en sociale netwerken. De technische middelen zijn onder meer RSS feed, widget, API en social bookmarking. Deze middelen worden vrij veel gebruikt en vertegenwoordigen slechts een deel van alle sociale media. De toegevoegde waarde van sociale media is op voorhand niet altijd even duidelijk. Ook wordt aan de sociale media soms teveel invloed toegedicht. De effecten van sociale media zijn slecht meetbaar. Aan de hand van de TNO eParticipatieladder hebben wij praktijkvoorbeelden geclassificeerd van een lage tot een zeer hoge participatiegraad, als het gaat om co-creatie met burgers. Gaat het om de participatiegraad dan gaat het in de lichtste vorm om burgers te informeren en in de hoogste graad om burgers mee te laten beslissen. Het belang van sociale media voor de Nationale Politie is te verbinden aan haar strategische visie en missie. De nodale oriëntatie strategie sluit goed aan bij de gebiedsgebonden aanpak en onderkent de burger als een belangrijke partner voor de politie. In december 2010 verscheen de nieuwe strategie-aanpak criminaliteit. Om de criminaliteit aan te pakken wordt vanuit de co-creatie gedachte een drietal rollen toegeschreven aan burgers. De benoemde rollen zijn de baas in eigen wijk (aanpak veelvoorkomende criminaliteit VVC); de 12 Co-creatie 2.0 moed vermogen bewustzijn co-creatie leiderschap wie? besef wat? proces hoe? structuur waar?
  13. 13. burger als rechercheur (aanpak high impact crime) en de burger als moreel ondernemer (aanpak ondermijning). De huidige mogelijkheden van sociale media, zoals Twitter, You Tube en Facebook kunnen, zoals praktijkvoorbeelden ons aantonen, ingezet worden binnen alle drie niveaus van criminaliteit. Dat biedt mogelijkheden om burgers vanuit de drie verschillende rollen hier middels co-creatie meer bij te betrekken. Het geheel overziend, lijken de nadelen verbonden aan sociale media beperkt en de toegevoegde waarde groot. Daarbij is een van de meest belangrijkste factoren het terugkoppelen van informatie aan de burger om de betrokkenheid en het veiligheidsgevoel te verhogen. Dit zal tevens de kans vergroten dat burgers de volgende keer ook weer bereid zijn om zich in te spannen. Sociale cohesie en probleemwijken Uit een casestudy die we hebben onderzocht bij Politie Haaglanden in het verzorgingsgebied Zoetermeer is gebleken dat het toepassen van co-creatie en sociale media in een probleemwijk gecompliceerder ligt. Voor het ontwerpen van een buurtonderzoek 2.0 middels co-creatie en sociale media in een probleemwijk, waarin de sociale cohesie laag is, is het zaak om eerst de samenwerking tussen burger en politie te bevorderen met het winnen van vertrouwen. Uit de analyse blijkt dat respondenten zich herkennen in het beeld dat de lokale bevolking in een buurt eerst bereid moeten zijn alert en oplettend te willen zijn door goed met elkaar in verbinding te staan. Daarvoor is het essentieel dat er terugkoppeling plaatsvindt via korte lijnen naar de politie. Voor het vertrouwen tussen burgers en politie kan dit unaniem volgens alle respondenten niet zonder face-to-face contact. Sociale media kan drempelverlagend werken, maar voor echt contact en verbinding met de lokale buurt en omgeving in het bijzonder binnen een probleemwijk is fysiek contact tussen politie en burgers een belangrijke kritieke factor. Sociale cohesie is om die reden als 38e factor toegevoegd. Van buurtonderzoek 1.0 naar 2.0 Uit ons onderzoek blijkt dat buurtonderzoek 1.0 over het algemeen niet veel opsporingsinformatie oplevert en de effectiviteit van een buurtonderzoek in de huidige vorm binnen de politiepraktijk niet zo groot is. De effectiviteit van een buurtonderzoek kan naar verwachting aanzienlijk worden vergroot om middels co-creatie en social media breder buurtonderzoek te doen waarbij ook buurtvrijwilligers of een interventieteam worden betrokken. Hun zichtbare aanwezigheid in de wijk en contacten met burgers zijn een factor van belang in het vergroten van de kans op het verkrijgen van relevante informatie. Uit ons onderzoek is voorts gebleken dat van een buurtonderzoek een belangrijke preventieve werking kan uitgaan. Door het contact dat wordt gemaakt tussen burger en politie ontstaat er een dialoog waarbij meer zaken aandacht krijgen dan louter het misdrijf bij de buren. In de interactie tussen de politie met de burger ontstaat er kennelijk een grotere mate van bewustwording. Dit kan leiden tot een verhoogde waakzaamheid en alertheid bij buurtbewoners. Hierdoor kan de bereidheid om verdachte omstandigheden aan de politie te melden als motiverende factor toenemen. Dit heeft onszelf de prangende vraag doen stellen, of je de doelstelling van het buurtonderzoek (namelijk bewijsvergaring) niet om zou moeten draaien, waarbij de primaire focus komt te liggen op preventie met secundair een bijvangst als het gaat om opsporingsindicaties. Uit ons onderzoek is tevens naar voren gekomen dat de aansturing van het informatie- en opsporingsproces vanuit politieleiderschap als factor belangrijke aandacht verdient in relatie tot de effectiviteit van een buurtonderzoek. Sociale strategie en leiderschap Niet iedere burger is een participerende burger en niet iedereen is even thuis in de technologische mogelijkheden van sociale media. De digitale kloof en de manier waarop deze overbrugd kan worden is een Samenvatting 13
  14. 14. van de belangrijke factoren. Er dient bij voorkeur een evenwichtige mediamix opgesteld te worden, die uit zowel online als offline participatiemogelijkheden bestaat. Het uitwerken, onderhouden en verzekeren van een duidelijke ‘multi-channel aanpak’ is belangrijk. Naast de vaardigheden van gebruik en de mate waarin de burger open staat voor technologische toepassingen en sociale media omarmt is het adaptievermogen van belang. Een succesvolle toepassing van co-creatie 2.0 vraagt boven alles om regie op het proces. Om het proces in goede banen te leiden wordt vaak gebruik gemaakt van een moderator. De moderator moet worden beschouwd als een ‘procesmanager’ die het proces van co-creatie 2.0 in goede banen moet leiden. Dit vraagt om een managementstrategie die zich daarop toespitst. Co-creatie 2.0 managen als een proces van institutionele innovatie is daarmee een belangrijke factor. Een van de meest cruciale succesfactoren is dan ook de mate waarin de organisatie die co-creatie 2.0 wenst in te zetten een strategisch plan van aanpak heeft, ook wel sociale strategie genoemd. Op basis van de onderzoeksresultaten is een belangrijke conditie dat de rol van buurtonderzoek in de aanpak van woninginbraken door middel van co-creatie met behulp van sociale media wordt vormgegeven in een open klimaat. Een algemene sfeer van openheid (vertrouwen en betrokkenheid) waarin contact en informatie-uitwisseling tussen, politie, partners en andere belanghebbenden min of meer gewoon is. Een open relatie met de omgeving is van cruciaal belang om het ecosysteem in balans te houden. De genetwerkte horizontale samenleving staat haaks op de verticaal en hiërarchisch georganiseerde politieorganisatie. Een succesvolle toepassing van co-creatie 2.0 heeft gevolgen voor de vraag of (en in welke mate) er strategische interventies nodig zijn op het gebied van leiderschap. Co-creatie stelt bijzondere eisen aan leiderschap en met name aan politieleiderschap, want co-creatie kent een horizontale logica, doordat burgers veel meer bij besluitvorming worden betrokken en zo op een meer gelijkwaardiger hoogte komen te staan met de politieorganisatie. Leiderschap echter, heeft een veel meer verticale logica, die kan botsen met de aspecten van interactieve beleidsvorming. Als leiders gewend zijn om in traditionele, voorspelbare situaties te werken, bestaat de kans dat zij moeite krijgen met het werken in een meer dynamische omgeving. Daar zijn andere vaardigheden voor nodig. Maar tegelijkertijd blijven ook de ‘oude’ vaardigheden belangrijk, zoals technische en procedurele kennis. Waar doorslaggevend leiderschap zich meer richt op het behalen van resultaat, probeert faciliterend leiderschap zich meer op consensus met de omgeving te richten. Faciliterend leiderschap vereist meer subtiliteit gecombineerd met contextgevoeligheid, relativeringsvermogen en overwicht De plaats van de strategische politieleiders is veranderd door de opkomst van burgerparticipatie. Zij krijgen te maken met zowel de eisen van doorslaggevend leiderschap (het snel maken van duidelijke beslissingen) en de eisen van faciliterend leiderschap (het bereiken van consensus en het betrekken van de omgeving). Wij concluderen dat bij co-creatie politie en burgers gezamenlijk werken aan een oplossing die voor beide partijen waarde creëert. Hierachter zit de idee dat de burger de veiligheid krijgt die hij verdient en waaraan hij zelf meewerkt. Wat dit van het strategisch politieleiderschap vraagt is Moed. Kernwoorden daarbij zijn: durf, lef, visie, snel kunnen schakelen, hitteschild en faciliterend leiderschap. Essentieel is het besef dat nodig is om te onderkennen dat strategische leiders zelf ook onderdeel uitmaken van het proces en daarmee een kritische factor zijn voor het welslagen van initiatieven op gebied van co-creatie en sociale media. De mate waarin het dynamische karakter van co-creatie onderkend wordt en de wijze waarop strategisch besluiten worden genomen over de inrichting van de organisatie die daarvoor nodig is kan van 14 Co-creatie 2.0
  15. 15. doorslaggevende betekenis zijn. Het is belangrijk is om de vier elementen van Bason’s Ecosysteem model op elkaar af te stemmen. De wisselwerking tussen Moed, Bewustzijn, Vermogen en Co-creatie als proces is uit het empirisch gedeelte van ons onderzoek als een van de belangrijke kritieke factoren voor het strategisch leiderschap gebleken. Met het oog op de komst van de Nationale Politie doen wij 8 aanbevelingen: Aanbeveling 1 Operationaliseer op alle niveaus de competentie “omgevingsbewustzijn” en faciliteer gericht de ontwikkeling van deze competentie. Alle medewerkers vormen immers de interface met de buitenwereld. Aanbeveling 2 Formuleer een strategisch alliantieplan met uitganspunten en criteria voor het aangaan van externe samenwerkingsverbanden. Investeer vervolgens in het opbouwen van persoonlijke relaties op strategisch alliantie niveau. Aanbeveling 3 Faciliteer in een uitmuntende ICT-infrastructuur, die open systeem samenwerking bevordert waar mogelijk. Hierdoor ontstaat er sneller toegang tot het internet en de sociale media. Hiermee wordt ook een open leerklimaat bevorderd. Aanbeveling 4 Verken de mogelijkheden van co-creatie middels sociale media (co-creatie 2.0) verder en creëer een kennisplatform met burgers, experts, politieleidinggevenden en street level cops. Aanbeveling 5 Stimuleer proeftuinen om dit proces van co-creatie verder te verkennen, door de implementatie van de pilot buurtonderzoek 2.0 in drie wijken bij drie verschillende korpsen te gaan ontwikkelen. Aanbeveling 6 Stimuleer de doorontwikkeling van buurtonderzoek 2.0 middels co-creatie via sociale media en maak gebruik van de wisdom of crowds. Maak aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek een business case voor een herontwerp van buurtonderzoek 2.0 en schrijf als Nationale Politie een battle uit voor the crowd. Aanbeveling 7 Ontwikkel een sociale innovatie visie en strategie gericht op dynamisch managen, flexibel organiseren, slimmer werken en talentontplooiing, gericht op interne en externe samenwerking met behoud van verscheidenheid van opvattingen, visies en waarden. Aanbeveling 8 Stimuleer in leiderschapsprogramma’s de balans tussen doorslaggevend en faciliterend leiderschap op alle drie de managementlagen, maar met name op operationeel en tactisch niveau. De medewerker van de toekomst heeft geen leider nodig die hem direct aanstuurt, maar eerder een zichtbare leider die weet wanneer hij onzichtbaar moet of kan zijn. We sluiten met deze scriptie niets af. Co-creatie 2.0, buurtonderzoek 2.0, de burger als opsporings- ambtenaar, de horizontalisering van de maatschappij... Het zijn allemaal eigentijdse thema’s die mede de toekomst van de Nationale Politie gaan bepalen. Onze passie voor de onbegrensde mogelijkheden van co- creatie 2.0 eindigt nu niet, maar begint pas! Samenvatting 15
  16. 16. 16 Co-creatie 2.0
  17. 17. Inleiding
  18. 18. 18 Co-creatie 2.0
  19. 19. 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Een meerderheid van de burgers ziet het opsporen van strafbare feiten als belangrijkste politietaak en zijn volgens het Centraal Planbureau (2004) niet tevreden met de resultaten die worden geboekt. Kijken we naar het aantal woninginbraken, dan is deze ontevredenheid te begrijpen. Het aantal geregistreerde woninginbraken steeg in 2010 met tien procent, terwijl de geregistreerde criminaliteit totaal in 2010 met vijf procent gedaald is ten opzichte van 2009. De pakkans na een woninginbraak is met zeven procent betrekkelijk klein. Het is van essentieel belang dit aan te pakken. Een effectieve opsporing raakt namelijk de legitimiteit van de politie en daarmee de rechtsstaat. De geregistreerde criminaliteit is voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie van burgers en veel minder op opsporingsactiviteiten van de politie zelf. Zo blijkt uit onderzoek dat het op heterdaad aanhouden van verdachten in 70 tot 80% van de gevallen gebeurt na een melding van burgers. Minister Opstelten is voornemens om tijdens zijn bewindsperiode een verhoging van de pakkans met 25 procent te realiseren door onder andere de heterdaadkracht te bevorderen. De Raad van Korpschefs heeft al eerder de co-creatie met burgers als hefboom voor verandering aangemerkt en ziet in de (informatie)technologie mogelijkheden om de opsporingsketen effectiever te maken en de burger als opsporingsambtenaar te betrekken bij de opsporing. Door de (informatie)technologie zijn mensen tegenwoordig vrijwel altijd en overal hyper connected via allerlei vormen van sociale media, waardoor de kennis en ervaring van mensen veel gemakkelijker kan worden gedeeld, waardoor nieuwe kennis ontstaat. Voor de politie biedt dit kansen om de opsporing te professionaliseren en burgers slimmer te betrekken bij die opsporing. Binnen de Nederlandse politiekorpsen is een aantal initiatieven ontwikkeld. SMS-Alert en Burgernet zijn hier bekende voorbeelden van, evenals een internet game voor het oplossen van cold cases en het Twitter account @depolitiezoekt. Deze thesis onderzoekt de mogelijkheid om de rol van de burger te vergroten bij de aanpak van woninginbraken door een betere en effectievere benutting van het buurtonderzoek dat van oudsher wordt ingezet als middel bij de opsporing van woninginbrekers. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de resultaten van de traditionele aanpak van buurtonderzoek en naar de hedendaagse toepassingen op het gebied van co-creatie 2.0. Onderzocht wordt of -en op welke manier- dit kan leiden tot een gevalideerd re-design van het buurtonderzoek, dat we gemakshalve buurtonderzoek 2.0 noemen. Het concept van co-creatie werd al in 2000 geïntroduceerd door Prahalad en Ramaswamy. Het is van oorsprong een samenwerkingsvorm waarin het genereren en realiseren van wederzijdse toegevoegde waarde tussen organisaties en haar klanten plaatsvindt door het delen van kennis en ervaring die beter aansluiten op de behoefte van de betrokken belanghebbende partijen. Inmiddels wordt co-creatie ook toegepast in de beleidsontwikkeling door de overheid voor de ontwikkeling van nieuwe diensten of beleidsinstrumenten. De opkomst van sociale media op het internet heeft gezorgd voor een grote toename van co-creatie, vanwege de tijd-en plaatsonafhankelijkheid. Ook maakt het internet voor groeperingen mogelijk om zich sneller en eenvoudiger te verenigen in zogenaamde communities. Co-creatie betreft in de 1 Inleiding 19
  20. 20. context van deze thesis het interactief via het web ontwikkelen van een nieuw opsporingsinstrument, namelijk een herontwerp van het traditionele buurtonderzoek. Op het snijvlak van de kansrijke toepassing van sociale media, onze professionele irritatie over de daling van het oplossingspercentage bij woninginbraken en de strategische notie van de burger als opsporings- ambtenaar is de passie voor dit onderzoek ontstaan. 1.2 Probleemstelling 1.2.1 Doelstelling In deze thesis willen we onderzoeken welke condities mogelijkerwijs van invloed zijn op de inzet van sociale media in de co-creatie met burgers ter ondersteuning van de opsporing van woninginbraken, waarbij vooral aandacht wordt gevraagd voor de rol van het buurtonderzoek als opsporingsinstrument. Wanneer er in deze thesis gesproken wordt over middels sociale media, dan wordt dit gemakshalve aangeduid als co-creatie 2.0. Door het toenemende gebruik van sociale media zorgen openheid en het niet-hiërarchische en decentrale karakter van online participatie voor een ongekende emancipatie van burgers. Deze genetwerkte horizontale samenleving staat nu haaks op de verticaal en hiërarchisch georganiseerde politie organisatie. Dat maakt de aansluiting tussen burgers en de politie moeilijker en vraagt om een andere rol en positie van dienders en leidinggevenden. Er zijn strategische interventies nodig om die aansluiting te blijven vinden en te verstevigen. Om die reden wordt onderzocht in hoeverre strategisch politieleiderschap een rol dient te vervullen in het creëren van deze aansluiting. Dit onderzoek is beschrijvend en verklarend van aard, omdat het conditionele aspecten beschrijft en onderzoekt. Daarnaast is het een ex ante evaluatie, waarbij we meer inzicht willen verkrijgen in de condities waaronder een mogelijk herontwerp van het traditionele buurtonderzoek kan plaatsvinden. 1.2.2 Centrale onderzoeksvraag Vanuit deze inleiding en doelstelling komen wij tot de volgende onderzoeksvraag: Wat is de strategische betekenis van co-creatie 2.0 voor de opsporing van woninginbraken, in het bijzonder voor de rol van het buurtonderzoek, en wat vraagt dit van strategisch politieleiderschap? 1.2.3. Deelvragen Om tot een gefaseerde beantwoording van de onderzoeksvraag te komen, is er een aantal deelvragen geformuleerd. 1. Welke factoren zijn van invloed op de effectiviteit van de aanpak van buurtonderzoek bij de opsporing van woninginbraken? Buurtonderzoek is in alle korpsen een standaard onderdeel van de aanpak bij woninginbraken. Onderzocht wordt wat er in protocollering is vastgelegd en welke processtappen er door de diender op straat genomen moeten worden. Indien mogelijk wordt aangetoond wat het effect van het huidige buurtonderzoek is op onder andere het oplossingspercentage en wat mogelijke kritische succes- en faalfactoren zijn. 20 Co-creatie 2.0
  21. 21. 2. Wat is co-creatie en welke rol spelen sociale media daarbij? Het concept van co-creatie werd al in 2000 geïntroduceerd door Prahalad en Ramaswamy. Het is van oorsprong een samenwerkingsvorm waarin het genereren en realiseren van wederzijdse toegevoegde waarde tussen organisaties en haar klanten plaats vindt door het delen van kennis en ervaring die beter aansluiten op de behoefte van de betrokken belanghebbende partijen. Inmiddels wordt co-creatie ook toegepast in de beleidsontwikkeling door de overheid voor de ontwikkeling van nieuwe diensten of beleidsinstrumenten. De opkomst van sociale media op het internet heeft gezorgd voor een grote toename van co-creatie, vanwege de tijd-en plaatsonafhankelijkheid. Ook maakt het internet het voor groeperingen mogelijk om zich sneller en eenvoudiger te verenigen in zogenaamde communities. Co-creatie betreft in de context van deze thesis het interactief via het web ontwikkelen van een nieuw opsporingsinstrument, namelijk een herontwerp van het traditionele buurtonderzoek. Om hier aanbevelingen voor te kunnen doen is de volgende vraag relevant: 3. Welke factoren zijn van invloed op de succesvolle toepassing van co-creatie 2.0? Als co-creatie 2.0 mogelijk de bouwsteen is voor het herontwerp van een effectiever buurtonderzoek, dan is het van belang een inschatting te kunnen maken wat de factoren zijn bij de inzet ervan. Co-creatie stelt eisen aan een organisatie, eisen die vaak niet passen bij de traditionele, hiërarchische politiecultuur en zeker niet bij de strafrechtelijke kant van het politiewerk. Is co-creatie, waarbij de regie en beslissingsbevoegdheid worden gedeeld en soms uit handen worden gegeven, een optie voor de politie als het gaat om opsporing van daders? Om antwoord te kunnen geven op deze vraag, is de volgende deelvraag van belang: 4. Welke vormen van co-creatie 2.0 vinden nu plaats binnen de politie en wat zijn relevante factoren? Co-creatie 2.0 kent vele verschijningsvormen en doelen. Ook de mate van participatie verschilt en is afhankelijk van de toepassing en het beoogde resultaat. Omdat er in deze thesis specifiek gekeken wordt naar vormen van co-creatie op het gebied van opsporing belichten we een aantal co-creatie initiatieven in de korpsen en wordt bekeken welke ervaringen hier zijn opgedaan. 5. Onder welke -theoretisch te verwachten- condities kan de rol van buurtonderzoek in de aanpak van woninginbraken worden vormgegeven door middel van co-creatie 2.0? Op basis van de verkregen theoretische inzichten wordt een onderzoeksmodel gepresenteerd dat de samenhang tussen de verschillende theoretische deelvragen in beeld brengt. Dit model maakt duidelijk wat de theoretisch te verwachten condities zijn waaronder een op co-creatie gebaseerd herontwerp van buurtonderzoek kans van slagen heeft. Aan de hand van dit theoretisch kader zal de onderzoeksstrategie worden bepaald, om te kunnen bepalen in hoeverre die theoretische verwachtingen in de praktijk ook als zodanig worden herkend. 1 Inleiding 21
  22. 22. 6. In hoeverre zijn de factoren die eerder zijn onderscheiden feitelijk aanwezig in de praktijk op grond waarvan een mogelijk herontwerp van buurtonderzoek kan plaatsvinden? De vorige deelvraag had vooral betrekking op het in kaart brengen van de condities waarvan we verwachten dat deze belangrijk zijn voor een herontwerp van het buurtonderzoek, waarbij co-creatie met burgers door middel van sociale media een belangrijk rol speelt. Bovenstaande deelvraag heeft vooral betrekking op de empirische toetsing van die condities. Daarnaast wordt verondersteld dat de noodzakelijke condities dermate ingrijpen in de organisatie, dat deze van invloed zijn op leiderschap. Dat leidt tot de laatste deelvraag: 7. Welke eisen stelt een vernieuwde aanpak van buurtonderzoek aan strategisch politieleiderschap? Het vertalen van strategische noties naar operationele uitvoerbaarheid en haalbaarheid, met meer effect in de samenleving vraagt om een andere kijk op het politiewerk. De inzet van co-creatie 2.0, leidt ook tot een andere kijk op leiderschap. Een herontwerp van het buurtonderzoek, op grond van co-creatie 2.0 is een fundamentele breuk met het verleden en dat betekent een veranderingsproces dat eisen stelt aan de wijze waarop dit veranderingsproces plaatsvindt. Bovendien zoekt deze vorm van buurtonderzoek nadrukkelijk de dialoog met burgers via multi-channeling en dat heeft ook gevolgen voor een andere positionering van de politie en dat is een strategisch vraagstuk. Het traditionele individuele leiderschapsmodel wordt vervangen door leiderschap als een collectief proces door mensen gezamenlijk, via co-creatie, over de grenzen van afzonderlijke organisaties en landen heen. Zonder een al te grondige literatuuronderzoek (het onderwerp is een thesis op zich waard) gaan we nader in op de consequenties van dit collectieve proces voor strategisch politieleiderschap. 1.3 Maatschappelijke en theoretische relevantie Woninginbraken vallen onder de categorie High Impact Crime, want de weerslag die het heeft op slachtoffers is groot. Het terugdringen van woninginbraken en de stijging van het oplossingspercentage is een van de landelijke prioriteiten van de Nationale Politie. Uit een nog vertrouwelijk rapport van het Korps Landelijke Politiediensten blijkt dat de directe schade door inbraken ruim 193 miljoen euro bedraagt op jaarbasis. Het fenomeen woninginbraken is een belangrijk landelijk politiethema geworden en staat hoog op de politieke agenda. Door breed te kijken wat er maatschappelijk gezien aan gedaan kan worden om woninginbraken terug te dringen en de pakkans van daders te vergroten is de focus in deze thesis gericht op het doorbreken van de traditionele manier van denken door de inzet van co-creatie en sociale media. De opkomst van co-creatie 2.0 heeft voor een toename van co-creatie projecten gezorgd. We kennen al verschillende initiatieven binnen de politie organisatie op het gebied van sociale media, maar co-creatie staat nog in de kinderschoenen. Het gebruik van co-creatie 2.0 is nog onvoldoende onderzocht evenals de mogelijke toepassing en effecten daarvan op de opsporing. Door in te zoomen op het instrument buurtonderzoek willen we onderzoeken hoe we co-creatie en sociale media kunnen verbinden en hoe dit bijdraagt aan de totstandkoming van een herontwerp van het buurtonderzoek, waarbij de burger coproducent is. De theoretische relevantie is gelegen in een nadere verkenning van de theoretische achtergronden die achter het begrip co-creatie en sociale media schuilgaan. Co-creatie lijkt vooral een populair wetenschappelijk 22 Co-creatie 2.0
  23. 23. begrip, waarbij het de vraag is hoe zich dit verhoudt tot andere populair-wetenschappelijke begrippen zoals sociale innovatie en sociale netwerken om de kloof tussen de burger en overheid te dichten. Door meer theoretische achtergrondkennis te vergaren over co-creatie en dit begrip nader uit te diepen in haar betekenis, wordt getracht een scherper beeld te construeren hoe de politie hier met de inzet van sociale media invulling aan kan geven en wat daarvan de toegevoegde waarde is. Door de theoretische inzichten vervolgens te toetsen aan empirisch verzamelde kennis over co-creatie en de toepassing van co-creatie binnen de politiepraktijk, ontstaan naar verwachting nieuwe kennisinzichten die een mogelijke bijdrage kunnen leveren aan verdere theorieontwikkeling en implementatievraagstukken. 1.4 Aard van het onderzoek en theoretische positionering Deze thesis is een ex ante evaluatie. Ex ante onderzoek heeft tot doel de mogelijke consequenties van een ontwerp (planvorming en vormgeving) op voorhand kritisch te bediscussiëren en te evalueren. In een ex ante evaluatie is er naast aandacht voor de verwachte effecten, ook veel aandacht voor onverwachte en onvoorziene effecten. Dit ex ante onderzoek is gebaseerd op een benadering die sterke verwantschap heeft met vierde generatie evaluatieonderzoek, zoals onder meer beschreven door Guba & Lincoln (1989) en Abma (1996). Kenmerkend voor vierde generatie onderzoek is, dat partijen proberen - door middel van dialoog- een gemeenschappelijk beeld te krijgen over nut en noodzaak van bepaalde maatregelen. Het kan ook zijn dat partijen de gevonden condities waaronder een mogelijke aanpak succesvol zou kunnen zijn, vooraf evalueren. Het is een interactief proces van oordeelsvorming tussen groepen wiens wensen, voorkeuren en belangen worden geraakt door de evaluatie. Dit proces kan uitmonden in consensus, maar is ook geslaagd wanneer het persoonlijk inzicht en wederzijds begrip zijn toegenomen. Het vierde-generatie- evaluatie onderzoek kent daarmee een sociaal-constructivistische grondslag. In het sociaal-constructivistische perspectief is beleid de uitkomst van een proces, dat al redenerend door de betrokken actoren wordt gevormd. Zij creëren als het ware ieder hun eigen werkelijkheid. In het sociaal- constructivisme wordt gekeken hoe de betrokken actoren omgaan met meervoudige en divergerende betekenisconstructies, èn of en hoe deze verschillende betekenisgevingen elkaar al dan niet beïnvloeden. Factoren vanuit het sociaal-constructivistisch perspectief voor geslaagd beleid zijn onder andere dat beleidsprocessen worden gedragen door actoren en organisaties met uiteenlopende visies/perspectieven op de beleidsdoelen en op de gewenste organisatie van beleid. 1.5 Onderzoeksopzet Na deze inleiding worden de deelvragen opeenvolgend uitgewerkt. Om te kunnen bepalen welke factoren van belang zijn bij een herontwerp van buurtonderzoek door middel van co-creatie -waarbij sociale media worden ingezet- is het belangrijk om te verkennen welke inzichten al vergaard zijn. De beantwoording van de deelvraag over de effectiviteit van de aanpak van het buurtonderzoek krijgt gestalte door de nadere bestudering van wetenschappelijke inzichten en de protocollering van het buurtonderzoek. Vervolgens worden de theoretische inzichten op grond van literatuuronderzoek beschreven met betrekking tot de factoren die van invloed zijn op een implementatie van co-creatie 2.0. Daarna worden experimenten op dit gebied die al plaatsvinden binnen de politie organisatie nader beschouwd. Vervolgens wordt er een theoretisch kader gepresenteerd dat getoetst wordt in de stad Zoetermeer en het korps Haaglanden. Daarna 1 Inleiding 23
  24. 24. worden er op grond van de analyse aanbevelingen gedaan en condities geduid voor een succesvol buurtonderzoek 2.0. Daarbij wordt ook gekeken naar de rol van politieleiderschap om die aanbevelingen en condities goed te laten landen. Illustratie 1: Onderzoeksopzet Ten behoeve van een systematische opbouw en inventarisatie en een eenduidig overzicht van relevante factoren worden deze per hoofdstuk genummerd van tot .1 37 24 Co-creatie 2.0 Hoofdstuk 2 Buurtonderzoek 1.0 Hoofdstuk 1 Inleiding Probleemstelling Hoofdstuk 7 Conclusies en aanbevelingen Hoofdstuk 5 Onderzoeksmodel & Theoretisch kader Hoofdstuk 6 Onderzoek Hoofdstuk 3 Co-creatie en Social Media Hoofdstuk 4 Co-creatie binnen de politie
  25. 25. Buurtonderzoek 1.0
  26. 26. 26 Co-creatie 2.0
  27. 27. 2 Buurtonderzoek 1.0 2.1 Inleiding Het aantal woninginbraken1 is stijgende. Dat is een zorgwekkende ontwikkeling, omdat de impact van een woninginbraak op slachtoffers groot is. Het raakt de fysieke en persoonlijke levenssfeer van mensen en kan het subjectieve gevoel van veiligheid ernstig aantasten. Het feit dat iemand in hun huis is geweest, aan hun spullen heeft gezeten en hun eigendommen heeft gestolen, maakt mensen boos en verdrietig. Zij voelen zich opeens onveilig in hun eigen woning. De grote impact van het delict in combinatie met de hoge aantallen, maakt een probleemgerichte aanpak noodzakelijk om zo de stijging om te buigen in een daling. Om antwoord te kunnen geven op onze centrale onderzoeksvraag is het van belang om eerst te analyseren hoe de traditionele manier van werken (1.0) bij de aanpak van woninginbraken middels buurtonderzoek eruit ziet en wat de effectiviteit daarvan is. In dit tweede hoofdstuk staat om die reden de eerste deelvraag uit onze probleemstelling centraal; Deelvraag 1: Welke factoren zijn van invloed op de effectiviteit van de aanpak van buurtonderzoek bij de opsporing van woninginbraken? Om tot een antwoord op deze deelvraag te komen worden de navolgende vier stappen gezet. In de eerste stap wordt aan de hand van wetenschappelijke literatuur en bronnen beschreven hoe het fenomeen woninginbraken er vandaag de dag uitziet en welke trends we daarin kunnen ontdekken met betrekking tot omvang en ontwikkeling. Daarbij wordt vooral gekeken naar karakteristieken van daders, slachtoffers en situationele factoren. In de tweede stap wordt gekeken naar de aanpak van woninginbraken in het algemeen en de relevante kenmerken. In de derde stap wordt beschreven wat de rol is van buurtonderzoek bij woninginbraak, hoe dit wordt uitgevoerd, welke eventuele soorten kunnen worden onderscheiden en welke kenmerkende factoren van belang zijn. In de vierde en laatste stap wordt ingezoomd op de factoren die van belang zijn en die de effectiviteit van de aanpak van buurtonderzoek bij woninginbraak bepalen, aan de hand van evaluatieonderzoek binnen de dagelijkse politiepraktijk. Vervolgens worden aan de hand van de verkregen inzichten aan het slot van dit hoofdstuk enkele conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.. 2.2 Omvang en ontwikkeling woninginbraken Om een beeld te geven van het fenomeen woninginbraken en de omvang en ontwikkeling daarvan wordt gebruik gemaakt van de wetenschappelijke onderzoeksgegevens van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (de Waard 2011), gebaseerd op twee bronnen. De eerste is het aantal door de politie geregistreerde woninginbraken. De andere bron is de zogenaamde slachtofferenquête. Hier wordt door geïnterviewden aangegeven of en hoe vaak men in het afgelopen jaar slachtoffer is geworden van woninginbraken. Wanneer gekeken wordt naar het totaal aantal geregistreerde woninginbraken vanaf 1980 dan blijkt het volgende (zie grafiek 1). Vanaf 1980 is er gedurende de periode tot 1995 sprake van een sterke stijging van het aantal woninginbraken. De piek ligt in het jaar 1994 met bijna 124.000 woninginbraken. Ten opzichte van 1980 met 53.000 woninginbraken is er in dat jaar sprake van een stijging van meer dan 230%. 2 Buurtonderzoek 1.0 27
  28. 28. 28 Co-creatie 2.0 Vervolgens is er sinds 1995 sprake is van een alsmaar dalende trend. Ten opzichte van 1994 is er in 2009 sprake van een forse daling met 41%. In de jaren 2008 en 2009 is er echter wel sprake van lichte stijging ten opzichte van 2007. Het niveau in 2009 ligt echter onder dat van 1982. De dalende trend bij woninginbraken is ook internationaal waarneembaar (Tavares & Thomas 2010;58). Zo is het aantal woninginbraken in het Verenigd Koninkrijk met meer dan 55% gedaald in 2008 ten opzichte van 1995. In Duitsland is in deze periode sprake van een daling met 49%, in Frankrijk met 30% en in Italië met 28%. Ook gegevens uit de slachtofferenquête tonen een zelfde soort ontwikkeling aan (zie grafiek 1). Volgens deze gegevens blijkt dat slachtofferschap van woninginbraken sinds 1995 fors afneemt. Uit de beschikbare literatuur is een groot aantal mogelijke verklaringen voor de daling te destilleren. Het empirische bewijs is tot nu toe echter mager te noemen. Onlangs hebben Vollaard, Brakel en Versteegh (2009) een trendanalyse gemaakt naar woninginbraken over de periode 1980 - 2008 en die laat het volgende beeld zien. Grafiek 1: Woninginbraken 1980-2009 Grafiek 2: Woninginbraken per 100 particuliere huishoudens, 1980 - 2009 Bron: Ministerie van Justitie (2011) analyse gegevens CBS (2010), WODC (2011) en IVM (2010) Uit deze analyse blijkt dat sinds 1980 de gelegenheid om in te breken bijzonder sterk is toegenomen. Zo is het aantal particuliere huishouden in de periode 1980 - 2009 met ruim 2.3 miljoen toegenomen (van 5 miljoen naar 7,3 miljoen). Rekening houdend met deze groei, dan ziet de daling van het aantal woninginbraken er nog opvallender uit. Wanneer het piekjaar 1994 vergeleken wordt met 2009, dan is er sprake van een daling met 47% gerelateerd aan het aantal particuliere huishoudens (zie grafiek 2). Een belangrijke vraag is wat de mogelijke verklaringen zijn voor de hier boven beschreven daling. 2.2.1 Mogelijke verklaringen dalende trend Waarom is het niveau van woninginbraken gedaald? Het antwoord op deze vraag bestaat uit een combinatie van vele factoren. De wetenschappelijke verklaringen die door Jaap de Waard (2011) in zijn onderzoek gebruikt worden om de groei te verklaren kunnen ook gebruikt worden om de daling te verklaren. Een aantal van die factoren heeft rechtstreeks te maken met de aanpak vanuit de politiepraktijk. Zoals meer geavanceerde toepassingen van criminaliteitsanalyse en een gerichte selectieve daderaanpak. Denk hierbij aan de minderjarige doorstromers, veelplegersaanpak en persoonsgerichte aanpak. Daarnaast zijn ook maatschappelijke factoren van belang zoals verzadiging van de consumptiemarkt voor luxe goederen
  29. 29. (aftopping van de helingmarkt) en steeds goedkopere luxe consumptiegoederen (het Mediamarkteffect) waardoor de afzet op de (amateuristische) helingmarkt is ingestort (Wellsmith & Burrell 2005). Kijken we naar specifieke dadergroepen dan zien we in de literatuur (Bennett & Durie 1999) verwijzingen naar een verschuiving in (drug)verslaving, wat een verschuiving naar andere delicten betekent. Harddruggebruik vergroot namelijk de drang naar het verkrijgen van cash geld, dus berovingen van personen wat een afname van woninginbraken tot gevolg heeft. Bovendien is er landelijk gezien een belangrijke afname van het aantal heroïne- en cocaïneverslaafden en dat betekent een afname vanuit deze dadergroepen. Studies naar de ontwikkeling van het aantal heroïneverslaafden laten zien dat deze groep al lange tijd weinig jonge instroom kent. Het is een losersdrug geworden, met weinig aantrekkingskracht op jongeren (Van Laar et al, 2007:78). Kritische vraag is waar de afname van het aantal heroïne- en cocaïneverslaafden toe geleid heeft en welke veranderingen wij kunnen constateren op het gebied van de veiligheidszorg. In de politiestudie ‘The Best of Three Worlds’ (Versteegh, van der Plas, Nieuwstraten, 2010; 161-181) wordt vastgesteld dat vanaf de jaren zeventig zich over de hele wereld verschillende innovaties op het gebied van veiligheidszorg hebben ontrold. In de periode dat in Nederland onder het adagium ‘Kennen en gekend worden’ de rapportage ‘politie in verandering’ (1974) verscheen, is in de Angelsaksische landen ‘Community Policing’ (COP) geïntroduceerd. Een goede relatie met de burger wordt in veel landen beschouwd als de allerbelangrijkste succesfactor van effectieve veiligheidszorg. In de jaren negentig is in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk Intelligence Led Policing ingevoerd met haar nadruk op adequate veiligheids- informatie en veiligheidsanalyses. Daarbij speelt ook de aanspreekbaarheid van de politie op haar acties ofwel ‘accountability’ een rol (Walker, S. 2007). Accountability impliceert zowel wat de politie doet, als hoe zij presteert. Bij de Nationale Politie zijn in de afgelopen jaren meer intelligente sturingscomponenten op basis van prestatie-indicatoren toegevoegd aan het vernieuwingsreportoire. Zo is door meer informatie- gestuurd te werken de aandacht voor woninginbraken verbeterd en meer gefocust op de ‘nieuwe’ veelpleger. Deze is vaker dan voorheen niet verslaafd aan harddrugs, is jonger dan voorheen en is ook vaak van allochtone (met name van Marokkaanse of Poolse) afkomst (Versteegh et al. 2010;175 en van Mantgem 2010). Daarbij heeft de ‘nieuwe’ veelpleger vaak minder antecedenten dan de traditionele heroïneverslaafde ‘draaideurcrimineel’. In een werkdefinitie van deze politiestudie wordt de ‘nieuwe’ veelpleger gekarakteriseerd als een relatief jonge crimineel die zich niet vanwege zijn verslavingsproblematiek, maar vanwege andere motieven zoals geldelijk gewin, prestige, kick etcetera meestal in wisselend groepsverband systematisch schuldig maakt aan (middelzware) vormen van criminaliteit. De gerichte aandacht vanuit de politie voor deze nieuwe doelgroep heeft ertoe bijdragen dat de pakkans is vergroot, waar bovendien een preventieve werking vanuit gaat in het tegengaan van misdrijven. Deze aanpak verklaart mede een verdere daling van het aantal woninginbraken. Daarnaast valt een daling te verklaren door de effecten van de criminaliteitspreventieve aanpak die langzamerhand doorwerken, waarbij de reikwijdte van maatregelen toeneemt, zoals het Bouwbesluit en Keurmerk Veilig Wonen (Vollaard, Brakel & Versteegh 2009). Bovendien neemt door de toegenomen samenwerking van overheid en bedrijfsleven en de uitvoering van een aantal gerichte programma’s op gebied van preventie en repressie de effectiviteit van de aanpak van woninginbraken toe. Ook is er een toename van de preventiebereidheid en het preventiebewustzijn van burgers als slachtoffer. Hierdoor wordt de effectiviteit van preventieve maatregelen vergroot. Kijken we naar hoe slachtoffers omgaan met preventie, dan zien we op basis van slachtofferenquêtegegevens (Huys 2010; 64-68), dat de Nederlandse bevolking sinds 1993 steeds meer bewust is van het risico op slachtofferschap van woninginbraken. Dat heeft zich vertaald in een toegenomen preventiebereidheid zoals uit grafiek 3 blijkt. 2 Buurtonderzoek 1.0 29
  30. 30. Grafiek 3: Trends in preventiebereidheid onder de Nederlandse bevolking, 1993- 2009 Bron: Ministerie van Justitie (2011) analyse preventiegegevens Nu er enig inzicht is verkregen in de factoren die een dalende trend van woninginbraken kunnen verklaren wordt er nader ingegaan op een aantal factoren, die van invloed zijn op een effectieve aanpak van woninginbraken. 2.3 Aanpak woninginbraken Ondanks een forse daling sinds 1995 van het totaal geregistreerde niveau van woninginbraken met ruim 41% is het oplossingspercentage van woninginbraken niet spectaculair gestegen. In 2005 was er een oplossingspercentage van 12%. In 2010 en afgelopen jaar is dit rond de 7% blijven schommelen (Min. Veiligheid en Justitie, SBO/DGRR; 2011). Om de operationele slagkracht te vergroten is het bij de vorming van de Nationale Politie belangrijk aandacht te besteden aan woninginbraken. Het significant vergroten van het oplossingspercentage zegt namelijk iets over de kwaliteit van het politiewerk in relatie tot het handelend en presterend vermogen. De landelijke doelstelling van de Minister die op het gebied van de verdachtenratio bij woninginbraken (High Impact Crime) is vastgesteld, bedraagt 25%. Dit wordt een nieuwe doelstelling om de pakkans van daders te vergroten in verhouding tot het aantal inbraken dat plaatsvindt. Juist bij het delict woninginbraken is niet alleen de materiële, maar ook de immateriële schade groot, namelijk het persoonlijk leed en de emotionele gevoelens van pijn, verdriet en onveiligheid. Om die reden is het noodzakelijk om de preventie en opsporing van woninginbraken blijvend hoge prioriteit te geven. Om goed inzicht te kunnen hebben in welke factoren van invloed zijn op een effectieve aanpak om het oplossingspercentage te vergroten, worden hieronder een aantal daarvan onder de loep genomen. Op basis van een indeling naar dader, situatie en slachtoffer, kunnen de navolgende onderzoekbevindingen met betrekking tot het oplossingspercentage bij woninginbraken worden vermeld (Cromwell et al. 1991). 30 Co-creatie 2.0 !!!!!!!!!!!!!!!!
  31. 31. 2.3.1 Dader factoren Over het algemeen genomen schat de dader de pakkans en daarmee de strafkans zeer laag in. Dadergroepen laten zich grosso modo in twee groepen indelen: gelegenheid inbrekers en chronische inbrekers. De kans gestraft te worden speelt in de overwegingen van de inbreker nauwelijks een rol. Een afschrikwekkende werking gaat hier dus niet echt vanuit. Daar staat tegenover dat -als de pakkans toeneemt door de intensiteit van een buurtonderzoek- dit een positief effect heeft. Hierdoor kan een eventueel verschuivings- of verplaatsingseffect optreden. Omdat de inbreker weet dat de politie actief is, kan dit het gedrag van de inbreker beïnvloeden door een ander gebied op te zoeken. Een andere factor die van belang is, is hoe een inbreker ooit begonnen is. De inbraakcarrière start vaak al op zeer jeugdige leeftijd. Volgens onderzoek begint de helft van de inbrekers vóór het 14e levensjaar (Dinitz & Huff, 1988; Vaughn, et al, 2008; Plicht 2010). De meeste daders zijn opportunistische inbrekers die vooral profiteren van de gelegenheid tot het succesvol en eenvoudig plegen van het delict. Kenmerkend is een gebrek aan planning, weinig expertise en een niet calculerende, impulsieve aanpak (Rehm & Servay 1989; Schwaner, 2000; Schneider 2005). Er wordt vaak met andere inbrekers gewerkt (Hochstetler, 2001). In tegenstelling tot wat veelal wordt aangenomen, bestaat er een aanzienlijke groep actieve inbrekers die nog nooit voor het delict inbraak zijn gearresteerd. Volgens Amerikaans onderzoek (Wright, et al. 1991) plegen deze nooit gepakte inbrekers bijna twee maal zo veel delicten als de inbrekers die wel ooit gearresteerd zijn. Dit betekent dat een inbreker die nog nooit gepakt is, zich kennelijk ongeremd voelt en met een hogere frequentie door blijft gaan tot deze wellicht tegen de lamp loopt. In het onderzoek van Bernasco (2008) wordt geconcludeerd dat ook de omgeving waar een inbreker vroeger woonde van belang is. Kooistra (2009) stelt daar een scherpere conclusie tegenover en zegt dat daders eerder doelwitten kiezen in de huidige of voormalige omgeving, dan in gebieden waar ze nooit geleefd hebben. Als het gaat om daderfactoren zijn er mede op basis van het onderzoek door Oude Alink (2010) naar woninginbraak en daderkenmerken een aantal te noemen: • Leeftijd • Nationaliteit • Geslacht • Pakkans • Ervaring • Gelegenheid • Bekendheid omgeving • Afstand tot pleegplaats Opvallende resultaten uit laatstgenoemd onderzoek zijn de bevindingen over het inbreken in een voormalig of huidig woonadres. Nederlandse bekende verdachten reisden gemiddeld verder tot hun doelwit dan de bekende verdachten met een niet-Nederlandse nationaliteit. De woonomgeving van de inbreker, de mentale kaart, zal bij bekende verdachten een rol spelen bij het kiezen van pleeglocaties. De wijze waarop en de sterkte van deze invloed is uit de geraadpleegde literatuur moeilijk te omschrijven. Wel is hieruit naar voren gekomen dat naar daderschap bezien gelegenheidsinbrekers in de meerderheid zijn. Naar daden bezien blijken de chronische inbrekers verantwoordelijk te zijn voor een aanzienlijk deel van het totaal. Zo blijkt uit onderzoek dat 10% van de gepakte daders verantwoordelijk is voor bijna 60% van het totaal aantal woninginbraken (Dinitz & Huff, 1988). Chronische inbrekers hebben een ‘voorspelbaar’ keuzepatroon bij de selectie van woningen (Nee & Meenaghan 2006). Bovendien worden veel inbraken gepleegd in de nabijheid van huisadres van de inbreker, vaak binnen een straal van 800 meter (Bernasco 2010; Townsley & Sidebottom 2010). Naast dadergerichte zijn er ook situationele factoren die van invloed zijn op de vatbaarheid van woninginbraken. 2 Buurtonderzoek 1.0 31
  32. 32. 2.3.2 Situationele gerelateerde factoren en slachtoffervatbaarheid Vaak is de woning buitengewoon eenvoudig binnen te dringen. In een aanzienlijk aantal gevallen geschiedt dit in niet afgesloten panden. Woonblokken, waar bij uitstek vaak wordt ingebroken, worden gekenmerkt door een hoge woondichtheid, de aanwezigheid van cafés en bars, een- en tweepersoonshuishoudens, leegstand en de nabijheid van andere inbraakgevoelige panden. Naast deze situationele factoren spelen ook slachtoffer gerelateerde factoren een rol. De afwezigheid van de bewoner is de belangrijkste factor voor slachtoffervatbaarheid (Bennett, 1995; Bennett & Durie 1999; Tseloni, et al, 2004). Na een eerste geslaagde inbraak is er een verhoogde kans op herhaald slachtofferschap, vooral in het eerste half jaar na de inbraak. Volgens onderzoek (Chenery, Holt & Pease, 1997; Robinson 1998; Morgan 2002; Weisel et al. 2002; Bowers & Johnson, 2005; Short et al. 2009) is de kans op hernieuwd slachtofferschap meer dan vier maal zo hoog als de kans op het eerste slachtofferschap. Nieuwkomers in een wijk lopen daarnaast een sterk verhoogde kans op slachtofferschap. Dit geldt vooral voor jonge, zelfstandig wonende nieuwkomers en studenten die veel uithuizig zijn. Bovendien zijn slachtoffer en dader vaak bekenden van elkaar (Catalano, 2010). Bewoners die geen relaties onderhouden met buren en bewoners in de directe omgeving lopen tevens een verhoogde kans op inbraak (Ekblom 1996; Anderson et al. 1995). Uit deze grote variëteit van factoren blijkt al dat het belangrijk voor het verkrijgen van een behoorlijk inzicht in de situatie en de selectie van effectieve maatregelen is, om te weten hoe de kans op een woninginbraak kan worden verkleind en tegelijkertijd de pakkans van daders kan worden vergroot. Daarbij is het van belang goed inzicht te hebben op de lokale situatie, want die kan sterk verschillen. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een inbraak ten gevolge van een hoge concentratie van bij elkaar wonende, alleenstaande, werkende jongeren die nauwelijks preventieve maatregelen hebben getroffen en waarbij de daders gelegenheids- inbrekers zijn die tot de nabije kring van bekenden horen. De vraag hierbij is, in hoeverre een burger als potentieel slachtoffer zich voldoende bewust is van zijn of haar woon- en leefomgeving om de juiste preventieve maatregelen te kunnen nemen. 2.3.3 Kenmerken aanpak woninginbraken De (preventieve) aanpak van woninginbraken staat sinds begin jaren ‘80 van de vorige eeuw volop in de belangstelling binnen de Nationale Politie. Dit is niet verwonderlijk. Juist bij dit delict blijkt dat niet alleen de materiële schade voor het slachtoffer groot is, maar ook de immateriële. Zo blijkt uit gegevens van het Centrum Criminaliteitspreventie en Veiligheid dat 19% van de slachtoffers geestelijke of emotionele schade heeft ondervonden na een woninginbraak (Lamet & Wittebrood 2009). Om die reden wordt door de politie steeds meer aandacht geschonken aan de gevoelsbeleving van slachtoffers bij de aanpak van woninginbraken. De serieuze aandacht voor de rol van het slachtoffer bij het opnemen van aangiften en het doen van buurtonderzoek is een wezenlijke. Het beginpunt van de politie is meestal een melding van het publiek via de meldkamer (112) van een geconstateerde woninginbraak. De manier waarop de politie op dergelijke meldingen reageert en activiteiten onderneemt is bepalend voor hoe ze in contact komt met slachtoffers en wat ze direct te weten komt over de zaak. Door de incidentgerichte benadering en opvolging kan worden afgeleid dat de politie en daarmee ook de recherche, in hoge mate een reactieve organisatie is. Binnen de politie wordt met het oog op evaluatie in de praktijk het nodige interne onderzoek gedaan naar bepaalde opsporingsmethoden & technieken, maar ontbreekt het aan een systematisch wetenschappelijk empirisch onderzoek als het gaat om woninginbraken en buurtonderzoek. Het literaire werk 32 Co-creatie 2.0
  33. 33. ‘Rechercheportret’, over dilemma’s in de opsporing van De Poot et al (2004; 138) ontrafelt de manier waarop de recherche de informatie waarmee zij in zaken wordt geconfronteerd zodanig probeert te combineren dat de dader gevonden kan worden. Dit boek is gebaseerd op intensief onderzoek bij zes verschillende politieregio’s. Ondanks dat een systematische wetenschappelijke basis ontbreekt, vormt deze studie samen met interne politie evaluaties het onderzoekskader. Vanuit dit kader wordt gekeken naar de beoordeling van een zaak als het gaat om de ernst en de traditionele aanpak van woninginbraken. Daarmee kennen de uitkomsten weliswaar een beperkte wetenschappelijke waarde, maar zijn de gevonden indicaties wel betekenisvol voor de beroepspraktijk. Ernst van de zaak Afhankelijk van de ernst van een woninginbraakzaak wordt er wel of niet verdere opvolging gegeven na een melding om nader forensisch sporenonderzoek of buurtonderzoek te doen (De Poot et al, 2004:36). Bij pogingen tot inbraak is het in de praktijk vaak lastig om op grond van het verhaal van een slachtoffer of getuige te bepalen of er daadwerkelijk sprake is geweest van een misdrijf. Bij dit soort zaken is de probleemsituatie vaak niet ernstig genoeg in verhouding tot de investering die moet worden gedaan om de zaak eenduidig te kunnen interpreteren of op te lossen. Meestal worden deze zaken slechts geregistreerd. Daarmee houden de concrete acties op. Als echter na verloop van tijd blijkt dat de gebeurtenis niet op zichzelf stond, bijvoorbeeld omdat er meer soortgelijke pogingen of geslaagde woninginbraken met een zelfde modus operandi worden gepleegd en de dader dus vermoedelijk meerdere slachtoffers maakt, kan alsnog gerichte actie worden ondernomen waarbij alle informatie uit de verschillende zaken worden gebruikt. Overigens zijn in de praktijk de criteria aan de hand waarvan woninginbraakzaken moeten worden beoordeeld, niet altijd helder en ontbreekt er landelijk een eenduidig kader·. Woninginbrakenteams Bij veel korpsen kan er aanleiding zijn indien er sprake is van een lange reeks van woninginbraken in bepaalde hotspot wijken om probleemgericht te werk te gaan (De Poot et al, 2004). Dit kan zich in veel gevallen vertalen naar woninginbrakenteams die door veel korpsen zijn opgericht. Voorheen werd relatief weinig capaciteit besteed aan het oplossen van woninginbraken. Door de toegenomen politiek-bestuurlijke aandacht en prestatiedruk op dit onderwerp wordt door veel korpsen extra inspanning geleverd bij het oplossen van woninginbraken. Door een informatiegestuurde aanpak wordt er vanuit het informatieproces binnen de politie strakker gestuurd op woninginbraken. Door systematisch verschillende incidenten met elkaar in verband te brengen, kan men gemakkelijker tot oplossingen komen. Dit levert belangrijke input voor woninginbraken- teams. Daarnaast wordt door woninginbrakenteams zowel kwalitatief als kwantitatief extra inspanning geleverd door de politie bij het doen van buurtonderzoek. Aanpak jeugdgroepen In een aantal korpsen, zoals Haaglanden is de opsporing van daders (een aanpak gericht op hot groups en hot shots) vaak een bovenlokale aangelegenheid die de lokale aanpak van de woninginbraken op een hot spot moet versterken. Het zijn vooral de zogenaamde hot groups die zorgen voor relatief veel criminaliteit en overlast (Versteegh, DSP groep; van Dijk, van den Handel, 2011:183). Voor wat betreft de deelname aan groepscriminaliteit geldt een algemene criminologische wetmatigheid: hoe jonger de verdachte des te groter de kans dat delicten samen met anderen worden gepleegd. Op basis van politiegegevens en onderzoek vanuit de politiepraktijk wordt het aandeel van de jeugdcriminaliteit, waarbij sprake is van meer dan één dader geschat op zo’n 40% tot zelfs ruim 90% (Hakkert et al. 1998, Weerman 2001 en Junger- Tas et al. 2008). Door in te zetten op de aanpak van leden van een criminele jeugdgroep in Schilderswijk- 2 Buurtonderzoek 1.0 33
  34. 34. West (Delftselaan) is recentelijk in Haaglanden het aantal woninginbraken in die wijk met ruim 40% verminderd in 2011 ten opzichte van 2010 (Versteegh 2011). Hoewel dit soort cijfers zoals eerder opgemerkt geen wetenschappelijke empirische basis kennen, blijkt er in de praktijk verwijzend naar deze politiegegevens aantoonbaar effect merkbaar. Om de slagkracht van de politie te vergroten bij de aanpak van jeugdgroepen wordt er steeds meer tussen verschillende disciplines samengewerkt. Zo gaan opsporing en handhaving steeds meer hand in hand bij de aanpak van daders en dadergroepen die lokaal verantwoordelijk worden gehouden voor woninginbraken in hun eigen buurt. In een groepsgericht en zogenaamd ‘interventieteam’ werken recherche, wijkagenten en surveillanten zeer nauw samen met elkaar. De groepsaanpak richt zich dan op de gehele groep jongeren. Dat is effectiever dan een aanpak die alleen gericht is op de kernleden of harde kern. Terwijl de harde kern wordt afgestraft, worden de meelopers in de richting van school, werk en zinvolle vrije tijdsbesteding geduwd (Schaafsma 2010). Buurtinterventieteams Om de alertheid van burgers te verhogen en de pakkans van daders te vergroten bij de bestrijding van woninginbraken zijn in veel korpsen initiatieven genomen om te komen tot buurtinterventieteams. Om de leefbaarheid en veiligheid te vergroten en de onrust van bewoners weg te nemen in buurten waar veel wordt ingebroken, kan een buurtinterventieteam uitkomst bieden (De Jong & De Swart, 2005). Hierbij verenigen buurtbewoners, gemeente en politie zich in een gestructureerde samenwerking (netwerk) waarbinnen uitwisseling van informatie plaatsvindt. De bewoners zijn alert binnen hun (woon)omgeving. Signaleren zij verdachte personen of ongewenste situaties dan maken zij hiervan melding bij de plaatselijke politie. Deze onderzoekt de zaak en laat de aangesloten buurtbewoners weten wat het resultaat van het onderzoek is geweest. Zowel positief als negatief. In steeds meer gevallen wordt hiervoor door de politie gebruik gemaakt van internet mogelijkheden, zoals Burgernet en mobiele communicatietechnologie, zoals SMS-alert. Als er in de buurt is ingebroken of er is een verdachte situatie dan ontvangen Burgernetdeelnemers een ingesproken bericht op hun telefoon of een tekstbericht per sms met het verzoek uit te kijken naar een duidelijk omschreven persoon of voertuig. De actie dient ter ondersteuning van de noodhulp en loopt parallel met een reguliere noodhulpactiviteit. Ook maken verscheidene korpsen gebruik van Mail-alert (Opsporing belicht, 2011:347) een vorm van direct mailing om burgers per e-mail bij opsporingsonderzoeken te betrekken. Het doel is om informatie te krijgen wat van belang kan zijn in een specifiek opsporingsonderzoek. De praktijk wijst namelijk uit dat mensen hun mail niet altijd direct (kunnen) lezen en de reactietijd dus vaak langer is dan bij een sms. Daarom wordt mail-alert vaak gebruikt als aanvulling op het fysieke buurtonderzoek, met als voordeel dat men niet hoeft te wachten totdat de burger thuis is. In woonwijken, buurten of gemeenten waar een buurtinterventieteam wordt opgestart groeit de solidariteit en het saamhorigheids- gevoel waardoor de sociale cohesie wordt versterkt. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de rol van het buurtonderzoek en de aanpak daarbij als het gaat om de communicatie en het in verbinding staan met burgers. 34 Co-creatie 2.0
  35. 35. 2.4 De functie van het buurtonderzoek Het doen van buurtonderzoek is een vast onderdeel van het proces ‘diefstal uit woning’ (Mulders & Hoogland 2010). De idee daarachter is tweeledig. Op de eerste plaats hoopt de politie van buren opsporingsindicaties en/of andere informatie te verkrijgen die kan helpen om het delict op te lossen. Het doel is dan verhoging van het oplossingspercentage. Op de tweede plaats gaat het om het alert maken en waarschuwen van naburige bewoners. Criminaliteitsanalyses hebben aangetoond dat een woning waar eerder een inbraak (of poging daartoe) heeft plaatsgevonden, maar ook woningen in de buurt een verhoogd risico lopen op een volgende inbraak. Dit wordt aangeduid met termen en begrippen als ‘herhaald slachtofferschap’ en ‘besmettelijkheid van woninginbraken’ (Kleemans 2001, Lopez 2007, Peeters et al. 2011). Door buurtbewoners te informeren, alert te maken en preventietips te geven, wordt beoogd een deel van deze vervolgdelicten te voorkomen. Doelen zijn dan preventie en vergroting van de heterdaadkracht. 2.4.1 De traditionele aanpak Zoals in het boek ‘Rechercheportret’, over dilemma’s in de opsporing door van De Poot et al (2004: 138) wordt beschreven, wordt bij (ernstige) misdrijven doorgaans een buurtonderzoek verricht rond de plaats van het delict. Traditioneel gezien worden bij misdrijven die in of bij woningen zijn gepleegd - en dat zijn de meeste - de bewoners van omliggende straten bezocht met de vraag of ze wat gezien hebben. Dat is in de eerste plaats van belang om te achterhalen of er mogelijk getuigen zijn: van het misdrijf, van verdachte personen, auto’s of andere verdachte situaties. Daarnaast is het buurtonderzoek zinvol om zich al vrij snel een beeld te kunnen vormen van het slachtoffer. Dat is vooral nodig als het slachtoffer niet meer leeft of als het slachtoffer niet in staat is een verklaring af te leggen. Passantenonderzoek In ‘Rechercheportret’ (de Poot et al. 2004:138 ev) wordt een passantenonderzoek beschreven als een bijzondere vorm van buurtonderzoek. Dit bestaat eruit dat men op een voor het onderzoek relevante plek voorbijgangers ondervraagt of hen iets bijzonders is opgevallen op het vermoedelijke tijdstip van het misdrijf. Een dergelijk passanten onderzoek wordt meestal gedaan op datzelfde tijdstip een dag of een week later. Op die manier probeert de recherche getuigen te vinden die bijvoorbeeld op weg naar hun werk gewoonlijk langs die plek komen. Of een passantenonderzoek al dan niet uitgevoerd wordt, is afhankelijk van de wijze en de omvang waarmee een buurtonderzoek wordt uitgevoerd. Het proces van een buurt- en passanten onderzoek geeft in grote lijnen de stappen aan die moeten worden gezet bij het voorbereiden, uitvoeren en afronden daarvan en ziet er als volgt uit: 2 Buurtonderzoek 1.0 35
  36. 36. Fase Stappen Voorbereiding Beantwoorden 5 kernvragen: - Is er voldoende startinfo? - Wat is de personele inzet? - Waar wordt het buurt/passantenonderzoek gehouden? - Wanneer wordt het buurt/passantenonderzoek gehouden? - Wat is de materiële inzet? Maken werkplan uitvoering Maken werkplan afronding Maken draaiboek (bij grootschalig buurt/passantenonderzoek) Houden briefing (bij grootschalig buurt/passantenonderzoek) Uitvoering • Conform het werkplan uitvoering • Bij onvoorziene situaties: - Evalueren gegevens - Werkplan bijstellen - Vervolgen conform bijgesteld werkplan Afronding Conform het werkplan afronding Bij onvoorziene situaties: - Evalueren gegevens - Werkplan bijstellen - Vervolgen conform bijgesteld werkplan Tabel 1: Procesbeschrijving buurt- en passantenonderzoek Bron: Politieacademie (2011) 2.4.2 Uitvoering van het buurtonderzoek Een buurtonderzoek heeft meestal slechts zin als dat tijdig en grondig gebeurt. In een buurtonderzoek is de recherche echter op zoek naar het soort informatie dat getuigen snel vergeten, zoals een vreemde auto die ten tijde van het misdrijf in de straat stond of een buurtbewoner die van zijn routine afweek (Wolters, 2002). Dus, hoe eerder getuigen in de buurt ondervraagd worden, hoe beter het is. Dat heeft nog een ander voordeel: hoe eerder de recherche met behulp van die getuigen een - grove - reconstructie kan maken van wat zich heeft afgespeeld, hoe eerder het onderzoek zich kan richten op de - voor dat moment - meest belangrijke zoeklijnen (Rechercheportret; opsporingsmethoden, h2). Het tijdstip van de inbraak is bepalend voor het tijdstip van uitvoeren van het buurtonderzoek. Het buurtonderzoek vindt bij voorkeur meteen - bij het opnemen van de aangifte - plaats door de eenheid ter plaatse. Wanneer dit niet mogelijk is - door onvoldoende capaciteit of onwenselijk tijdstip - vindt overdracht plaats. Het buurtonderzoek gebeurt dan de volgende dag door de surveillancedienst op het exacte tijdstip van de woninginbraken of tussen 17.00 en 21.00 uur om de meeste trefkans te hebben. Tactische aansturing Als de tactische aansturing door leidinggevenden of operationele coördinatie door medewerkers van de recherche van een buurtonderzoek tekort schiet, kan niet alleen belangrijke informatie gemist worden, maar kan het buurtonderzoek ook misinformatie opleveren, dat soms voor veel extra onnodig werk zorgt (Tankeren & Prins 2011; politie Haaglanden) Het buurtonderzoek moet eveneens zorgvuldig gedaan worden, omdat op voorhand in veel gevallen niet duidelijk is welke informatie van belang zal blijken in het verdere onderzoek. Het buurtonderzoek levert niet vaak direct concrete aanwijzingen over daders en het gepleegde misdrijf op. 36 Co-creatie 2.0
  37. 37. De nuttige getuigen verklaren bijvoorbeeld over personen of auto’s die zij zagen. Dit kan mogelijk pas veel later waardevol blijken te zijn. Om die reden wordt bij een buurtonderzoek geen fijne zeef gehanteerd bij het schiften van de informatie die wel of niet belangrijk lijkt, maar wordt juist zoveel mogelijk genoteerd. De grondigheid waarmee het buurtonderzoek wordt verricht, verschilt van onderzoek tot onderzoek. Soms krijgt het maar weinig aandacht. Een rechercheur kan zich al tevreden stellen als een persoon in een woning gehoord is. Andere huisgenoten dienen dan zelf de politie te bellen als zij ook nog wat willen verklaren. Indien mensen niet thuis zijn, wordt een woning al snel overgeslagen; slechts bij uitzondering gaat men nog een keer langs of pakt men de telefoon. Als het onderzoek vordert en zich op andere onderwerpen richt, dreigt vaak het gevaar dat het buurtonderzoek wat in het slop raakt. Adressen waar de politie geen gehoor krijgt, komen dan vaak helemaal niet meer aan bod. Uit informatie verkregen via een praktijkcasus (De Poot et al 2004;138ev) werd volgens de analist zo’n 30% van de buurtgenoten niet gehoord. Dat werd bevestigd door de mutaties in het journaal: in dat onderzoek waren er weinig processen-verbaal van het buurtonderzoek, maar wel veel korte mutaties met teksten als ‘die en die gehoord, niet ter zake doende’. Waan van de dag De hectiek van het dagelijkse politiewerk dragen ertoe bij dat grondigheid het nog wel eens dreigt af te leggen tegen tijdigheid. Uit diverse intern georiënteerde onderzoeken in de politiepraktijk (Tankeren & Prins 2011; De Poot et al 2004;145ev; Versteegh, P. et al. 2010) is gebleken dat het doen van buurtonderzoek kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen kent. Zo zijn in kwalitatieve zin verantwoordelijkheden en werkwijzen bij een buurtonderzoek in veel gevallen niet vastgelegd. Mede daardoor vindt er onvoldoende sturing plaats en is er sprake van diversiteit in de uitvoering. In kwantitatieve zin kan een uitgebreid buurtonderzoek enorm veel werk opleveren. Door de ‘waan van de dag’ zijn capaciteits-problemen vaak reden om buurtonderzoeken niet of beperkt uit te voeren. Daarnaast bestaat er bij collega’s ontevredenheid over de ZIP-map2 vanwege onjuiste, overbodige en ontbrekende formulieren. Dit samen vormt aanleiding om de huidige aanpak van het buurtonderzoek kritisch onder de loep te nemen in relatie tot de effectiviteit daarvan. Wij doen dat aan de hand van praktijkcasussen. 2.5 Effectiviteit buurtonderzoek bij woninginbraken In deze paragraaf wordt ingegaan op de effectiviteit van buurtonderzoek bij woninginbraken. Om deze vraag te beantwoorden maken we zoveel mogelijk gebruik van resultaten uit evaluatieonderzoek. Er is tijdens dit onderzoek niet gebleken dat er een systematisch beleidsevaluatieonderzoek naar de aanpak van woninginbraken bestaat. Wel staat vanuit de landelijke programmasturing door de Raad van Korpschefs op dit onderwerp de evaluatie van pilotonderzoeken in de belangstelling. Om die reden hebben wij ons voornamelijk gericht op uitkomsten van een evaluatieonderzoek in Leidschendam-Voorburg (Tankeren & Prins 2011) en praktijkervaringen in de korpsen Haaglanden en Brabant Zuid-Oost. Op basis van de praktijkervaring in deze twee verschillende en ver van elkaar afgelegen verzorgingsgebieden (stedelijk vs. landelijk gebied), constateren wij dat de uitvoering van een buurtonderzoek als het gaat om het verkrijgen van relevante opsporingsinformatie, beperkte waarde heeft. Terwijl dit een van de belangrijkste hoofddoelstellingen van het hedendaagse buurtonderzoek is. In veel meer gevallen zijn er in de praktijk van een buurtonderzoek getuigenverklaringen over personen die helemaal niets opleveren. In die zin heeft het buurtonderzoek aldus een zeer beperkte waarde. Gelet op de inspanning in mens en middelen die daar vaak tegenover moet worden gesteld voor uitvoering, is dit niet effectief te noemen. Gelet op de 2 Buurtonderzoek 1.0 37
  38. 38. eensluidende aard van deze bevindingen in beide korpsen, gaan wij er vanuit dat dit ook geldt voor de andere regiokorpsen. Ondanks dat het buurtonderzoek in de praktijk objectief gezien ten aanzien van opsporingsindicaties niet veel oplevert vinden veel politiemensen dat het buurtonderzoek wel belangrijk is. Los van het verkrijgen van opsporingsindicaties wordt daarbij veelal verwezen naar het feit dat burgers niet snel uit zichzelf iets melden en de politie vaak informatie moet halen. Daarnaast laat de politie met een buurtonderzoek ook zien dat zij een woninginbraak serieus neemt. De preventieve kant van een buurtonderzoek of de stelling dat de burger ook moet meehelpen, blijft bij politiemensen zo blijkt in de praktijk vaak onbelicht. 2.5.1 Factoren voor een effectieve aanpak van buurtonderzoek Om tot een effectieve aanpak van woninginbraken te komen, dient allereerst gekeken te worden naar factoren die bepalend zijn voor een effectieve aanpak van een buurtonderzoek. Beiden zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden, waarbij een effectieve aanpak van woninginbraken sterk afhankelijk is van wat een buurtonderzoek oplevert. Het slachtoffer en buren Het slachtoffer en buren vormen een eerste aangrijpingspunt voor gerichte inspanningen om middels buurtonderzoek woninginbraken terug te dringen. Een belangrijke nevendoelstelling van een buurtonderzoek is aangever en buren bewustmaken van de verhoogde kans op volgende woninginbraken in de buurt (besmettingsgevaar en herhaald slachtofferschap). Door hen te bevragen en alert te maken om de waakzaamheid in de buurt te vergroten middels buurtonderzoek kan het herhaald slachtofferschap worden voorkomen, mits het bereik groot genoeg is in de buurt en dit niet beperkt blijft tot naaste buren. Indien bekend is wanneer in een bepaalde tijdspanne en waar binnen een geografisch gebied ergens verhoogd risico bestaat voor een woninginbraak, kan de politie daar, onmiddellijk nadat een inbraak bekend is geworden, op drie manieren op inspelen (Peeters, Elffers et al. 2011). Dat uit zich in waarschuwen op de volgende wijze: Waarschuwen • Waarschuwen van de bevolking door huis aan huis bezoek of flyeren met waarschuwing: ‘u loopt een verhoogd risico, let goed op’, eventueel gecombineerd met preventieadviezen ‘sluit ramen en deuren’ • Beroep op de waakzaamheid van de bevolking (‘als u iets verdachts ziet, bel ons meteen op nummer...)’ • Verhoogde politiesurveillance in het betreffende gebied (hotspot-policing) Wanneer men de bevolking wil inlichten over verhoogd risico (1) en preventietips (2) wil geven, kan volgens de onderzoekers Peeters et al. dit goed gecombineerd worden met buurtonderzoek. In combinatie met verhoogde politiesurveillance (3) kan het effect van een buurtonderzoek worden versterkt. Buurtvrijwilligers of buurtinterventieteam Wil besmetting worden tegengegaan, dan kan de effectiviteit naar de inzichten van Peeters et al. (2011) en Van Dijk et al. (2011), worden vergroot om breder buurtonderzoek te doen. Door onder meer veel meer te flyeren dan alleen de paar woningen die nu bezocht worden in het kader van buurtonderzoek. Gezien de beperkte capaciteit is het in de praktijk vaak ondoenlijk voor de surveillance of voor de wijkagent om een heel woonblok of een hele flat te flyeren. In sommige gevallen wordt de oplossing gezocht bij de inzet van buurtvrijwilligers of een buurtinterventieteam. Hun zichtbare aanwezigheid in de wijk en contacten met 1 2 3 38 Co-creatie 2.0
  39. 39. burgers vergroten het verkrijgen van informatie en de waakzaamheid, waardoor de effectiviteit van een buurtonderzoek wordt vergroot. Aansturing (leiderschap) Een ander aangrijpingspunt vormen afspraken over de wijze van uitvoeren van een buurtonderzoek. De doelgerichtheid van een buurtonderzoek ontbreekt vaak in de operationele politiepraktijk (doelstelling, tijdstip, door wie, waar, wel/geen herbezoek). Ook over de mankracht die nodig is om een buurtonderzoek in zijn volle omvang goed te kunnen doen, zijn vaak geen harde afspraken gemaakt. Door het ontbreken van afspraken en gebrek aan motivatie wordt er niet of nauwelijks gestuurd op het doen van buurtonderzoek waardoor de uitkomsten vaak onvoldoende of zeer beperkt van waarde zijn (Tankeren & Prins 2010). Ook worden wijkagenten in veel gevallen te weinig in het proces betrokken, ondanks de wetenschap dat deze een grote bron van informatie kunnen zijn. De mate waarin vooraf afspraken zijn gemaakt door leidinggevenden over de doelstelling en wijze van uitvoeren van een buurtonderzoek is een kritische factor voor de effectiviteit daarvan als het gaat om de uitkomsten. De doelgerichtheid dient zowel betrekking te hebben op het verkrijgen van opsporingsindicaties als preventie. Informatieverwerking Een andere kritische factor betreft de informatieverwerking bij een buurtonderzoek (Mulder & Hoogland 2010). Na afloop van een buurtonderzoek is de registratie van meldingen en de uitkomst van eventuele herbezoeken in de politie informatiesystemen essentieel voor de effectiviteit daarvan. Informatie uit de aangifte die nuttig is bij buurtonderzoek wordt regelmatig slecht overgedragen (vluchtroute, signalement daders, tijdstip inbraak, zijde binnenkomst, enzovoort). Daarnaast wordt informatie van en voortkomend uit het buurtonderzoek vaak niet goed verwerkt en gedeeld. Vanuit de infodesk worden resultaten van buurtonderzoek weinig teruggekoppeld, wat afbreuk doet aan het inzien van het nut van buurtonderzoek. De mate waarin informatie wordt gedeeld door de verschillende disciplines (noodhulp, handhaving, opsporing, wijkzorg, informatie) is van invloed op de effectiviteit van een buurtonderzoek. Wil er sprake kunnen zijn van een succesvolle opsporing of het tegengaan van woningbraken is een gedetailleerde en zorgvuldige snelle digitale informatie-uitwisseling tussen alle belanghebbenden actoren essentieel. De infodesk vervult daarin een cruciale rol. Positionering wijkagent De mate waarin wijkagenten in een buurtonderzoek of het proces daaromheen worden betrokken is eveneens als kritische factor bepalend voor de effectiviteit van een buurtonderzoek (Tankeren & Prins 2010). Dit, vanwege hun vele contacten met burgers en informatiepositie in de wijk. De relevante informatie die wijkagenten hebben en verkrijgen naar aanleiding van een buurtonderzoek dient op een adequate wijze in het informatieproces te worden verwerkt om tot de gewenste effectiviteit te komen. Opsporingsindicaties De mate waarin naar aanleiding van buurtonderzoek opsporingsindicaties kunnen worden verkregen is als kritische factor essentieel (Poot, Bokhorst et al. 2004). In de praktijk blijkt veelal dat buurtonderzoeken en de herbezoeken van de wijkagent niet snel informatie opleveren die aanknopingspunten bieden voor de opsporing. De opsporingsindicaties zijn vaak te beperkt. Bovendien is in de politiepraktijk vaak onbekend of achteraf, nadat een buurtonderzoek heeft plaatsgevonden, als gevolg van flyers en de bezoeken meldingen met opsporingsindicatie zijn binnengekomen. Dit wordt namelijk in heel veel gevallen niet geregistreerd. Naast het feit dat veel mensen niet thuis zijn tijdens een buurtonderzoek is een veel gehoorde verklaring dat 4 5 6 7 2 Buurtonderzoek 1.0 39
  40. 40. burgers gewoonweg geen informatie hebben en er gebrek is aan voldoende sociale controle in hun buurt. Het wel of niet kunnen verkrijgen van opsporingsindicaties is daarmee een belangrijke kritische factor. Neveneffecten Een kritische factor voor de effectiviteit van een buurtonderzoek is ook de mate waarin er neveneffecten kunnen optreden. Een negatief effect kan zijn dat een buurtonderzoek het onveiligheidsgevoel kan versterken. Buurtbewoners worden immers geconfronteerd met een misdrijf in hun eigen omgeving. Een positief effect kan zijn dat een buurtonderzoek het vertrouwen in de politie versterkt (politieacademie; 2012). Buurtbewoners merken immers dat de politie woninginbraken aanpakt. Deze mogelijke effecten van buurtonderzoek kunnen van invloed zijn op de mate waarin de burger informatie geeft over de zaak waarnaar het buurtonderzoek wordt ingesteld of totaal andere zaken waarop het buurtonderzoek zich niet direct richt. Om die reden zijn er ook andere factoren te benoemen, die mede bepalend zijn voor de effectief van een buurtonderzoek. In een praktijkonderzoek hebben Mulder & Hoogland (2010), stilgestaan bij het nut van een buurtonderzoek als het gaat om het opleveren van informatie over andere zaken die niet eerder bij de politie bekend waren. Het feit dat geheel andere misdrijven kunnen worden opgelost door opsporings- informatie die tijdens een buurtonderzoek ongevraagd wordt aangedragen door burgers is van meerwaarde voor de effectiviteit. Daarnaast kan ook het imago van de politie erdoor versterkt worden. Preventie Naast factoren die de effectiviteit van een buurtonderzoek rechtstreeks beïnvloeden, kan ook gekeken worden naar factoren die indirect van invloed zijn. Een kritische factor die indirect kan bijdragen aan een effectieve aanpak van woninginbraken middels een buurtonderzoek is gelegen in preventieve maatregelen (Peeters, Elffers et al. 2011). Door de buurt middels buurtonderzoek alerter en bewuster te maken van de kans op slachtofferschap, kan het nemen van preventieve maatregelen worden gestimuleerd. Buren kunnen hierdoor aangemoedigd worden meer preventieve maatregelen te nemen en alerter te worden wat de kans om slachtoffer te worden van woninginbraak verkleind. Omdat het verkrijgen van opsporingsindicatie voorop staat, worden veelal enkel buren die zicht hebben op de woning van het slachtoffer benaderd. De reikwijdte van een buurtonderzoek beperkt zich vaak tot enkele huizen direct gelegen rond een plaats delict waar een woninginbraak heeft plaatsgevonden. Het traditionele buurtonderzoek kent daardoor een beperkte effectiviteit als het gaat om de reikwijdte van de gehele buurt waar wordt ingebroken. Preventieve maatregelen komen bij een buurtonderzoek aldus maar beperkt aan bod. Uit wetenschappelijke literatuur (Peeters et al. 2011; Van Dijk et al. 2011) zijn maatregelen af te leiden die effectief kunnen bijdragen aan de terugdringing van woninginbraken door situationele preventie. Bij situationele preventie gaat men ervan uit dat misdrijven - zoals woninginbraak - zich voordoen wanneer de volgende elementen samenkomen: (a) een gemotiveerde dader, (b) een geschikt doel en (c) een gebrek aan controle of preventie. Situationele preventie op hot spots waar veel wordt ingebroken, zoals wordt aanbevolen in de literatuur wordt doorgaans niet meegenomen in de opzet van een buurtonderzoek. Hier liggen de nodige kansen om de effectiviteit van een buurtonderzoek te vergroten. De effectiviteit van een buurtonderzoek kan ook worden vergroot door slim te opereren en beter aan te sluiten bij wat in de literatuur (Kop, van der Wal, Snel 2011; 346-349) bekend is over veelbelovende nieuwe, snelle communicatie methoden, zoals Twitter, SMS alert en Burgernet. 8 9 40 Co-creatie 2.0
  41. 41. 2.6 Conclusies In dit hoofdstuk stond de vraag centraal; ‘Welke factoren zijn van invloed op de effectiviteit van de aanpak van buurtonderzoek bij de opsporing van woninginbraken?’ Uit de analyse van relevante literatuur en andere schriftelijke bronnen blijkt dat buurtonderzoeken over het algemeen niet veel opsporingsinformatie opleveren. In veel meer gevallen zijn er in de praktijk van een buurtonderzoek getuigenverklaringen over personen die helemaal niets opleveren. Desondanks is het doen van buurtonderzoek wel belangrijk. Dit komt omdat burgers niet snel uit zichzelf iets melden en de politie daardoor genoodzaakt is informatie te halen. Daarnaast verschilt de grondigheid waarmee het buurt- onderzoek wordt gedaan van onderzoek tot onderzoek. Het geheel overziend kan geconcludeerd worden dat de effectiviteit van een buurtonderzoek in de huidige vorm binnen de politiepraktijk niet zo groot is. Om die reden is het interessant om te kijken of er nieuwe vormen van buurtonderzoek mogelijk zijn, waarbij burgers intensiever participeren en er ook gebruik wordt gemaakt van nieuwe media. De mogelijkheden die vormen van co-creatie bevorderen en nieuwe media kunnen bieden wordt in het volgende hoofdstuk verkend. 2 Buurtonderzoek 1.0 41
  42. 42. 42 Co-creatie 2.0
  43. 43. Co-creatie en sociale media
  44. 44. 44 Co-creatie 2.0

×