0
MET BIJDRAGEN VAN
PARTICIPATIE
ALS
PANACEE
Prof.dr.HansBoutellier
BURGEROPSPORING
INDE
DRAMADEMOCRATIE
Prof.mr.YboBuruma
B...
DE BURGER ALS OPSPOORDER
DE BURGER ALS OPSPOORDER
PARTICIPATIE ALS PANACEE
Prof. dr. Hans Boutellier
BURGEROPSPORING IN DE
DRAMADEMOCRATIE
Prof. mr...
5
AANLEIDING
Deze uitgave is gepubliceerd naar aanleiding van het ‘OM Congres’,
dat op 21 november 2008 plaatsvond in het ...
7PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
PARTICIPATIE ALS PANACEE
Naar een nieuwe relatie tussen rechtspraak ...
8 9PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
Een partijpolitiek systeem veronderstelt bijvoorbeeld dat burgers ...
10 11PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
waarin invloedrijke criminologen als Bianchi en Hulsman pleiten ...
12 13PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
manieren betrokken bij het beleid of in de uitvoering (zie Terps...
14 15PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
controle (bijvoorbeeld buurtvaders) en conflictbemiddeling (zoals...
16 17PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
met dit uitgangspunt verdiep ik me meer specifiek in de relatie t...
18 19PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
het handig laveren tussen deze twee vereisten van strafrechtelij...
20 21PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
burgers en OM-vertegenwoordigers. Er bleek eigenlijk geen reëel
...
22 23PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
is opgenomen in het bedrijfskundige register van sturing, planni...
24 25PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
rechtsgevoel is waarschijnlijk altijd al gespannen geweest. Kenm...
26 27PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
1 Het OM organiseert in grote gemeentes en in combinaties
van kl...
28 29PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
LITERATUUR
Boutellier, H. (1993). Solidariteit en Slachtoffersch...
30 31PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
Groenhuijsen, M.S. (2007), II Het D-woord, een reactie op Brouwe...
32 33PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier
Stokkom, B. van (2008). Bange burgers, doortastende dienstverlen...
35BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
BURGEROPSPORING IN DE
DRAMADEMOCRATIE
Prof. mr. Ybo Buruma1...
36 37BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
is worden ontmoedigd? Mijn stelling is dat dit de verkee...
38 39BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
visie. Camera’s in winkels en banken leveren beelden die...
40 41BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
Veiligheid in de dramademocratie
De algemenere gevoelens...
42 43BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
democratie schuilt er een zekere rechtvaardiging in derg...
44 45BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
Maandag 22 september TF1, prime time: L’Affaire Bruay-en...
46 47BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
reguliere opsporing in de weg lopen en bijdragen aan een...
48 49BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
onrechtmatigheden is inmiddels een zekere jurisprudentie...
50 51BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
volgens het Hof niet nodig om de door hem beweerde misst...
52 53BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
vervolging van grove inbreuken op de privacy door de bur...
54 55BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma
gebruiken. Maar ten aanzien van het aanvaarden van hulp ...
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Burgeropsporing OM congres 2008
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Burgeropsporing OM congres 2008

385

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
385
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Transcript of "Burgeropsporing OM congres 2008"

  1. 1. MET BIJDRAGEN VAN PARTICIPATIE ALS PANACEE Prof.dr.HansBoutellier BURGEROPSPORING INDE DRAMADEMOCRATIE Prof.mr.YboBuruma BURGEROPSPORING Mr.SvenBrinkhoff DEBETROKKEN BURGER Mr.HarmBrouwer OM CONGRES 2008 De burger als opspoorder OMCONGRES2008-DEBURGERALSOPSPOORDER
  2. 2. DE BURGER ALS OPSPOORDER
  3. 3. DE BURGER ALS OPSPOORDER PARTICIPATIE ALS PANACEE Prof. dr. Hans Boutellier BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE Prof. mr. Ybo Buruma BURGEROPSPORING Mr. Sven Brinkhoff DE BETROKKEN BURGER Mr. Harm Brouwer Uitgave naar aanleiding van het OM Congres 2008
  4. 4. 5 AANLEIDING Deze uitgave is gepubliceerd naar aanleiding van het ‘OM Congres’, dat op 21 november 2008 plaatsvond in het OMniversum te Den Haag. Dit was het eerste jaarlijkse congres dat het OM organiseerde waarbij deskundigen op het gebied van recht, criminaliteit,opsporing, vervolging, wetenschap en de media een podium kregen hun inzichten te presenteren. Centraal thema in 2008 was ‘De rol van de burger met betrekking tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten’. Onderdeel van dit congres was de bespreking van twee essays. Prof. mr. Ybo Buruma ging in zijn essay nader in op de consequenties van burgerparticipatie bij de opsporing. Prof. dr. Hans Boutellier besprak het spanningsveld tussen burgerraadpleging en burgerbetrokkenheid. Voorzitter van het College van procureurs-generaal mr. Harm Brouwer gaf zijn reactie op beide essays. De twee essays, aangevuld met een juridische inventarisatie over burgeropsporing door mr. Sven Brinkhoff, en de speech van Harm Brouwer, vindt u terug in deze uitgave. 4 HET CONGRES De betrokkenheid van burgers bij de strafrechtelijke rechtshand- having is de laatste jaren onmiskenbaar toegenomen. Voorbeelden zijn SMS-alert, Meld Misdaad Anoniem, of het zelf traceren van op het Internet aangeboden gestolen waar. De burgerbetrokkenheid houdt echter niet op bij de verdenkings- fase. Bekend zijn de initiatieven in de strafzaken ‘Lucia de B.’ en ‘Ernst Louwes’ om de onherroepelijke veroordelingen herzien te krijgen. De dynamiek in die gevallen doet vermoeden dat het hier eerder om voorlopers van een trend gaat dan om eenmalige uitzonderingen. Een bijzonder aspect daarbij is de rol van de journalistiek die soms meelift op de burgerparticipatie door anderen en soms het initiatief neemt. Burgerparticipatie wordt door het OM en de politie in beginsel als positief fenomeen gezien, zo blijkt uit verschillende initiatieven waarbij actief de medewerking van burger wordt gezocht, zoals het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’, Burgernet of www.politieonderzoeken.nl. Er zijn echter varianten denkbaar waarbij burgerparticipatie onbehoorlijk, onrechtmatig of zelfs strafbaar is. Nu te voorzien is dat burgerparticpatie en -opsporing de komende jaren nog verder toenemen in verscheidenheid en intensiteit, dient het OM een eigen standpunt te bepalen, met name met betrekking tot burgeropsporing, omdat daarbij de integriteit van de strafrechtspleging in het geding kan komen. Het congres in 2008 heeft hiertoe de eerste aanzet gegeven.
  5. 5. 7PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier PARTICIPATIE ALS PANACEE Naar een nieuwe relatie tussen rechtspraak en rechtsgevoel Prof. dr. Hans Boutellier 1 De burger staat in het brandpunt van de belangstelling. Hij wordt op veel verschillende wijzen aangesproken, maar hij moet in ieder geval actief zijn. ‘Actief burgerschap’ is in de mode. De burger is niet langer onderdaan (zoals in de jaren vijftig) of individu (zoals in het ik- tijdperk van jaren zeventig) of consument (zoals in de jaren negentig). Nee, de ideale burger participeert en is bij voorkeur zelfredzaam. Dit enthousiaste spreken over de rol van burgers is in feite op te vatten als een commentaar. De samenleving, althans de politiek, heeft twee klachten over burgers. Zij vindt ze zowel te mondig als te passief. Men heeft genoeg van de luie consument die door de verzorgingsstaat is gecreëerd. Weg met de calculerende homo economicus, die zich ook nog eens door niemand wat in de weg laat leggen (zie bijvoorbeeld Van der Lans, 2005). De burger is lui2 en heeft een kort lontje – zo luidt de populaire (politieke) diagnose. En het moet gezegd: de burger is de overheid ook vaak tot last. Niet alleen medeburgers maar ook overheids- functionarissen hebben het soms zwaar te verduren. Het gezag van de politie heeft bijvoorbeeld ernstig geleden onder de brutaliteit van de burger, dat wil zeggen, sommige burgers. De actieve burger verschijnt in het huidige politieke discours dus als commentaar én als oplossing. Hij is zowel bedreiger als reddende engel van de sociale orde. ‘Samen leven, samen werken’ luidt het vermanende motto van het huidige kabinet. 1 De auteur is algemeen directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar Veiligheid & burgerschap aan de Faculteit Sociale Wetenschappen van de VU te Amsterdam. 2 De uitspraak van Lubbers in 1990 dat Nederland ‘ziek is’ kunnen we beschouwen als het politieke keerpunt in de waardering van de burger.
  6. 6. 8 9PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier Een partijpolitiek systeem veronderstelt bijvoorbeeld dat burgers zich informeren en bereid zijn af en toe te gaan stemmen. Daarenboven vraagt het een zekere participatiegraad en de bereidheid van enkelen om als representant van het volk op te treden. En boven alles moet de massa van de burgers zich willen laten representeren.4 Het hoeft weinig betoog dat het politieke systeem het op dit punt moeilijk heeft. De opkomst bij de verkiezingen neemt af, evenals het lidmaat- schap van politieke partijen. De aanhang van traditionele, ideologisch geïnspireerde partijen krimpt. De politiek zoekt de burger, hetgeen in ieder geval aansluit bij haar rol in een democratische samenleving. Maar ook voor andere instituties lijkt sprake te zijn van ‘de kloof’. Het vanzelfsprekende vertrouwen van burgers in de politie, de rechtspraak, het onderwijs, de gezondheidszorg is tanende – niet dramatisch, maar toch ook niet onproblematisch. Burgers en instituties lijken wat van elkaar te zijn vervreemd.5 Burgers zijn veeleisend en professionals vaak onzeker (zie bijvoorbeeld Tonkens, 2008). Het lijkt erop alsof de verhouding tussen functionaris of professional en de burger enigszins ‘onbemiddeld’ is geraakt. Dat wil zeggen: het ontbreekt aan een vanzelf- sprekend gedeeld referentiekader: een coherent geheel van werkwijzen, opvattingen en gedragsvormen waarover niet gepraat hoeft te worden omdat het nagenoeg onbetwist is. Ter adstructie van deze stelling wil ik een onderscheid maken tussen twee vormen van burgerschap.6 Het ‘staatsburgerschap’ regelt de wettelijke rechten en plichten van burgers. Het ‘civiele burgerschap’ 4 In de woorden van Van Gunsteren: burgerschap is meer dan een status – zij veronderstelt autonomie en beoordelingsvermogen (autonomy and judgement), zodanig dat de burger in staat is tot ‘both ruling and being ruled’ (1988, p. 732). 5 Fortuyn sprak van een ‘verweesde samenleving’. 6 Het idee van staatsburgerschap komt eigenlijk pas op in de negentiende eeuw wannneer de natiestaten tot ontwikkeling komen. In de 17e en 18e eeuw was volgens Dekker en De Hart (2005) sprake van een cultureel statuut: burgerschap hing bijvoorbeeld samen In deze bijdrage zal ik ingaan op de verhouding tussen overheid en burger in het veiligheidsbeleid en rond de (straf)rechtspraak. Want ook in de rechtspraak wordt met een schuin oog naar de burger gekeken, zowel door het openbaar ministerie als door de Raad voor de rechtspraak (zie Agenda van de Rechtspraak 2008-2011). De positie van burger in het strafrecht verschilt echter fundamenteel van die op andere beleidsterreinen. Het strafrecht opereert in het kader van het geweldsmonopolie van de staat. Het dient zich op twee manieren te verhouden tot het rechtsgevoel van de burger: ter bescherming tegen de staat en tegen medeburgers.3 Zowel de bejegening van concrete justitiabelen als de responsiviteit ten opzichte van ‘de’ burger is in het geding. Maar binnen welke context komt het idee van de participerende burger eigenlijk op? Burger gezocht… Het is in vele toonaarden bezongen: er is sprake van een kloof tussen overheidsinstituties en burgers. Toch is deze kloof niet zo eenvoudig te duiden. Zij houdt immers verband met abstracte zaken als individualisering, globalisering en technologisering, maar evengoed met de commercialisering van de media, de ontwikkeling van de welvaart en de veranderde samenstelling van de bevolking. Ga er maar aan staan, de kloof is multicausaal gevormd. Het is om die reden verstandig ‘de kloof’ te benaderen vanuit een wat preciezer gezichtspunt. Het tweeledige karakter van de burger als probleem en oplossing verwijst naar de vraag in hoeverre hedendaagse burgers en overheidsinstanties (nog) bij elkaar passen. 3 Mij is opgevallen dat studenten tegenwoordig het begrip rechtsbescherming opvatten als bescherming door het recht tegen andere burgers; het gaat van oudsher echter om bescherming van burgers door het recht tegen de staat.
  7. 7. 10 11PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier waarin invloedrijke criminologen als Bianchi en Hulsman pleiten voor de afschaffing van het strafrecht. Deze blije criminologie van de jaren zeventig wordt echter gelogenstraft. De criminaliteit neemt toe, evenals de variatie van delicten. De ontzuiling laat de instituties achter in een enigszins verlaten moreel landschap. Waar ze eerder lagen ingebed in een solide structuur, daar zijn ze nu op zichzelf aangewezen om hun normatieve functie vorm te geven. Het civiele burgerschap wordt als het ware vrijgegeven. Zonder vanzelfsprekende normatieve kaders weet de burger niet waar hij aan toe is (en gaat hij geregeld over de schreef), wordt de professional onzeker over zijn status en ontbeert de overheid een legitieme maatschappelijke opdracht. ‘De kloof’ verwijst dus niet zozeer naar afstand tussen overheid en burgers, maar naar een gebrek aan een gemeenschappelijk verhaal waarin bestuurders en bestuurden elkaar kunnen vinden. Daarmee ontstaat een situatie waarin men wanhopig op zoek gaat naar de burger – burger gezocht, goedschiks dan wel kwaadschiks. Er bestaat behoefte aan gemeenschappelijke referenties, en men hoopt deze te vinden in het aanspreken van burgers op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar hier is niet alleen sprake van een overheidsbehoefte. …en soms gevonden Naarmate politieke representatie steeds moeilijker is te realiseren, ontstaat ook van onderop de behoefte aan directe invloed. Fung & Wright (2001) spreken in dat verband van ‘empowered deliberative democracy’, een onderhandelingsdemocratie die een aantal kenmerken heeft. Het gaat om specifieke problemen, die met een praktische oriëntatie van onderop worden aangepakt. Daarbij onderhouden burgers ook formele relaties met professionals en gezagsdragers. Eventueel kunnen er nieuwe instituties uit ontstaan. Een Nederlands voorbeeld hiervan lijkt mij de zogenoemde buurt- bemiddeling: vrijwillige conflictbeslechting in woonbuurten. Het gaat om een nieuwe organisatie, ontstaan uit initiatief van onderop, die zorgt voor de toeleiding, naleving en onderbouwing ervan.7 Civiel burgerschap is de gezindheid om zich passief te voegen naar of actief bij te dragen aan de sociale ordening van de samenleving.8 In perioden van maatschappelijke rust gaat de vorming van dit civiele burgerschap zo ongeveer vanzelf. Dat is na de Tweede Wereldoorlog lange tijd het geval geweest. Ondanks de tegenstellingen tussen de zuilen kon de overheid het civiele burgerschap met een gerust hart overlaten aan de disciplinerende werken van dominees, pastoors en politieke voorlieden. Maar in de loop van de jaren zestig en zeventig wordt deze civiele ordening onderuit gehaald. Met de ontzuiling ontstaat een geheel andere context voor burgerschap. Er ontwikkelt zich een staat die zijn ‘zuilen’ zelf moet gaan vormgeven. Hij kan niet meer leunen op de vanzelfsprekende pijlers van weleer. Hoewel veel van de instituties in naam dezelfde blijven, verandert hun ideologische inbedding drama- tisch. Zij komen min of meer los te staan van de andere instituties binnen de zuil. De coherentie van waarden, normen, regels en instituties raakt ernstig verstoord. Zelfontplooiing van het individu wordt als het hoogste goed ervaren en de verzuilde coherentie wordt als verstikkend ervaren. De staat stuurt in de jaren zeventig vooral langs de lijnen van welvaart, welzijn en emancipatie. Hoewel ook hierin een moreel oordeel schuilgaat, waakt de staat voor een rol van zedenmeester. Men gaat er eigenlijk vanuit dat zelf- ontplooiing als vanzelf tot ‘het goede leven’ zal leiden. Het zijn de jaren met lidmaatschap van gilden en deelname aan burgerwachten. Deze ‘civiele’ betekenis bleef nog lang doorklinken in burgerschapsdeugden, die later als ‘burgerlijk’ op de hak werden genomen. 7 Marshall benadrukt in 1963 als een van de eersten het communitaire aspect: ‘based on loyalty to a civilisation which is a common possession’ (geciteerd in Stewart, 1995, p. 68). 8 Hoewel civiel burgerschap een pleonasme lijkt, acht ik de connotatie van civiel met civilisatie zinvol. Civiel burgerschap is daarom te verkiezen boven het momenteel veel gebruikte democratisch burgerschap (zie Stewart, 1995, en in Nederland De Winter, 2005).
  8. 8. 12 13PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier manieren betrokken bij het beleid of in de uitvoering (zie Terpstra & Kouwenhoven, 2004; Terpstra, 2008; Scholte, 2008; Van Caem, 2008). Daarbij gaat het allang niet meer alleen om het aanbrengen van hang- en sluitwerk aan de eigen woning. Deze activering van burgers in de veiligheid is onmiskenbaar gaande, maar tegelijk niet geheel onpro- blematisch (zie bij voorbeeld Van Stokkom, 2008). De burger heeft een prominente rol, maar het is niet altijd even duidelijk in welk toneelstuk. Burgers in veiligheid… Op zichzelf leent het veiligheidsprobleem zich buitengewoon goed voor burgerparticipatie. Dat komt door de ervaren urgentie (bijvoor- beeld overlast van jongeren), maar ook door het gemeenschappelijke referentiekader. De norm wordt over het algemeen gedeeld en het doel is helder. Waar in de hedendaagse samenleving ieder voor zich uitmaakt wat ‘het goede leven’ is, zoekt men de consensus in datgene wat men afwijst. Daarin wordt gemeenschappelijkheid gevonden. Dit geldt bij uitstek voor criminaliteit en onveiligheid. In het slachtoffer daarvan herkennen we een ondergrens van de bevrijde samenleving. Het slacht- offer is als het ware de zaakwaarnemer van de hedendaagse sociale orde (zie Boutellier, 1993).10 Deze ‘victimalisering’ van de moraal verklaart de opkomst van het slachtoffer in het strafrecht sinds de jaren zeventig of de stille marsen naar aanleiding van gevallen van zinloos geweld (Boutellier, 2000). En het leidt tot de gedachte van potentieel slachtofferschap; iedereen kan immers slachtoffer worden, en dat moet koste wat het kost worden voorkomen. Vandaar de aandacht voor het werk van politie en justitie en de roep om flink op te treden. De burger eist een consequente harde hand (zie De Vries en Van der Vijver, 2002) en neemt soms zelf initiatief. Veiligheid wordt zelfs het troetelkind van de politiek, het vaandel van 10 Dit is het onderwerp van mijn proefschrift, dat onlangs opnieuw is uitgegeven door Amsterdam University Press, in de reeks Academic Archives (2008). relaties onderhoudt met gemeente en politie en praktische oplossingen biedt (Fiers & Jansen, 2004). Tonkens e.a. (2006) hebben meer van dit soort initiatieven onderzocht, die los van overheid en professionals van de grond komen. De aanleiding is meestal een acuut probleem. Het succes is vaak afhankelijk van de mate van contact, zowel onderling als naar buiten toe. Zij onderscheiden vier categorieën: lichte initiatieven met weinig interne en externe contacten, netwerkende initiatieven (weinig onderling contact en veel extern contact), coöperatieve initiatieven (veel intern maar weinig extern contact) en federatieve initiatieven met veel contacten (Tonkens e.a. 2006). De ontwikkeling van succesvolle initia- tieven gaat vaak van licht naar federatief. Maar dan verwacht men ook daadwerkelijk serieus genomen te worden en als gesprekspartner van de overheid te worden erkend. De auteurs wijzen er overigens op dat er nauwelijks sprake is van ‘verbinding’ tussen bevolkingsgroepen, tenzij dit expliciet de doel- stelling is. Actieve burgers zijn overwegend blank, hoog opgeleid en ouder vanwege vereiste competenties. Lager opgeleiden zijn wel belangstellend, maar hebben volgens de auteurs vaak gebrek aan zelfvertrouwen (Tonkens e.a., 2006, p. 59). Burgers worden met andere woorden niet alleen gezocht, ze bieden zich ook aan – zij het op selectieve wijze.9 Op deze wijze ontwikkelt zich ‘een markt voor burger- schap’. Overheidsinstanties gaan druk op zoek naar burgers teneinde hun legitimiteit te versterken of te herformuleren. En soms worden zij gevonden, omdat sommige burgers ook zelf actief willen bijdragen aan het functioneren van de samenleving. De tweeledige benadering van de burger – als probleem en als oplossing – zien we ook op het terrein van veiligheid. De burger als probleem is verdachte, veiligheidsconsument of gezagsonder mijnende ‘hufter’. Maar hij wordt – als oplossing – ook op diverse 9 Hierop wordt ook gewezen door Van Stokkom, 2008.
  9. 9. 14 15PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier controle (bijvoorbeeld buurtvaders) en conflictbemiddeling (zoals het eerder genoemde buurtbemiddeling). Verdergaande vormen zijn beleidsvorming13 en beleidsadvisering (die verschillende vormen aan kan nemen). Ten slotte komt het voor dat bewoners veiligheid in eigen beheer organiseren. In winkelcentra is dat al gebruikelijk, maar er zijn ook bewonersinitiatieven in bijvoorbeeld Bilthoven en Wassenaar (Scholte 2008) of verdergaand: ‘gated communities’.14 ‘Met name concrete inbraken en vernielingen lijken burgers te mobiliseren’, zo constateert Scholte op basis van zijn onderzoek (2008, p. 229). Met Terpstra en Kouwenhoven (2004) constateert hij wel een gebrekkige representativiteit – een probleem dat we eerder zagen bij Tonkens e.a. (2006). Toch wijst hij ook op initiatieven voor de minder gerepresenteerde groepen (jongerenprojecten en initia- tieven van allochtonen). De ‘burger in veiligheid’ doet dus dienst in vele gedaanten – van verlengde arm tot adviseur – waarbij we de voorlopige conclusie trekken dat hier twee tendensen samenkomen: ‘voor de (politie)kar spannen’ en ‘het heft in eigen handen nemen’. Tussen verantwoordelijk maken (‘responsibilisering’: Garland, 1996) en verantwoordelijkheid nemen (deliberative responsability’: Fung & Wright, 2004) kan natuurlijk een behoorlijke spanning bestaan: burgers kunnen zich opgezadeld voelen met een ongevraagde verantwoordelijkheid, en burgers kunnen ook doorschieten bij eigen 11 Hij bouwt voort op indelingen van Terpstra en Kouwenhoven (2004) en Van den Brink (2006). 12 Bijvoorbeeld het project Burgernet dat bewoners alarmeert bij zoekacties of het vergelijkbare Sms-Alert. 13 Bijvoorbeeld het project Buurt Veilig in Deventer, waar burgers meebeslissen over de inzet van de politie; in Amsterdam loopt thans een vergelijkbaar programma Mijn buurt beter; de uitgangspunten zijn ontleend aan het Britse Reassurance Policing, waarbij burgers systematisch wordt gevraagd naar zogenoemde ‘signal crimes’ die dan met voorrang worden aangepakt (zie bijvoorbeeld Ponsaers e.a., 2007). 14 In Nederland vooralsnog beperkt tot initiatieven als ‘seniorenstad’. een beweging op zoek naar sociale orde. En daarbij vindt zij een groot deel van de bevolking aan haar zijde. Het Fortuyn-jaar 2002 vormt een hoogtepunt in deze ontwikkeling. De ervaringen met criminaliteit en overlast en ‘het multiculturele drama’ (Scheffer, 2000) leiden tot de zogenoemde ‘opstand der burgers’. Het is tekenend dat het vechtkabinet Balkenende 1 de acht maanden van haar bestaan één beleidsnota weet te produceren: Naar een veiliger samenleving (2003). Waar goed gedrag geen vanzelf- sprekende resultante meer is van de civiele samenleving, trekt de staat de sociale orde verder naar zich toe. Onder de noemer veiligheid wordt getracht de geërodeerde civiele samenleving nieuw leven in te blazen. Het verlangen naar civiel burgerschap is zelfs zo groot dat het nog wel eens wil botsen met de rechten die besloten liggen in het staatsburger- schap (bijvoorbeeld in de sfeer van de privacy). Ook in het veiligheidsbeleid is de burger dus tegelijk oplossing en probleem. Enerzijds wordt een appél gedaan om ‘verantwoordelijkheid te nemen’, hetgeen met enige regelmaat ook daadwerkelijk gebeurt. Anderzijds stelt de overheid zich steeds offensiever op in zijn eis aan burgers ‘om zich te voegen naar de wet’. Een voorbeeld van het eerste zijn de Marokkaanse buurtvaders (De Gruyter en Pels 2004), het tweede zien we in de zogenaamde interventieteams in bijvoor- beeld Rotterdam (zie voor kritiek hierop: Ombudsman van Rotterdam, 2008). Veiligheid begint bij voorkomen (2007) heet het programma van Balkenende 4. Het opent de weg naar een veiligheidsbeleid dat preventief, proactief, en zelfs op voorzorg is ingericht (zie Pieterman, 2008). Binnen deze ontwikkeling is actief burgerschap vanzelfsprekend de meest vergaande vorm van ‘voorkomen’. …maar worden zij ook gehoord? Burgers zijn behoorlijk actief in de veiligheid. Scholte (2008) heeft op basis van twee jaar mediabank een categorisering gemaakt van verschillende vormen van burgerparticipatie op het terrein van veilig- heid.11 Hij onderscheidt toezicht, zowel passief als actief,12 relationele
  10. 10. 16 17PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier met dit uitgangspunt verdiep ik me meer specifiek in de relatie tussen burger en het (straf)recht. Burger in rechte(n) … Met enige regelmaat wordt het publiek opgeschrikt door falende rechtspraak. Neem de Schiedamse parkmoord. Door toedoen van politiepsycholoog Timmerman werd duidelijk dat het Openbaar Ministerie steken had laten vallen. Aanwijzingen voor gerede twijfel aan de schuld van Kees B., eerder veroordeeld voor de moord, bleken te zijn achtergehouden. Het OM had de zaak voor de rechter gepresenteerd zonder de kanttekeningen die bij het bewijsmateriaal konden worden geplaatst. Meer in het bijzonder betrof het de DNA-sporen van een derde op het moordwapen – een veter. Ook besteedde het OM geen aandacht aan de afwijkende getuigenverklaring van het tweede slacht- offer, dat de moordpartij had weten te overleven. Het gaat mij hier niet om deze zaak op zichzelf.16 Het gaat zelfs niet om het ontstane crisisgevoel rond Justitie – daaraan zijn we zo lang- zamerhand gewend geraakt.17 Waar het hier wel om gaat is de richting van de kritiek in bovenstaand voorbeeld. Justitie werd dit keer niet geattaqueerd op te laks, te laat of te weinig krachtdadig optreden, maar op het tegendeel daarvan. Het OM was juist te voortvarend opgetreden vanuit het oogpunt van rechtsbescherming van de verdachte. Dit geluid werd in Nederland sinds de commissie Van Traa niet meer gehoord. Vanzelfsprekend is er het werk van de rechtspsychologen Van Koppen, Wagenaar en Crombag. Zij leveren aanhoudend commentaar op de onzorgvuldigheid in dubieuze zaken (1992). Maar hun geluid 16 Zie voor een gedetailleerde beschrijving Van Koppen, 2003. 17 Volgens de Britse criminoloog Garland (2000, p. 19/20) is justitie zelfs in een gevaren- zone beland vanwege de risico’s, schandalen en kostenstijgingen waardoor de justitiële autoriteiten systematisch aan vertrouwen inboeten. De Nederlandse situatie is gezien Garlands oriëntatie op de VS en GB dus niet uniek. initiatief (eigenrichting). Instellingen kunnen burgers ‘gebruiken’, maar hen ook aan hun lot overlaten. De relatie tussen een proactieve over- heid en participerende burgers is met andere woorden precair, met het gevaar dat er aan weerszijden een stemming ontstaat van ‘het is niet goed of het deugt niet’. Er lijkt in ieder geval sprake van hooggespannen verwachtingen bij een weinig doordachte strategie. Voor daadwerkelijke burgerparticipatie lijkt steun van de politie cruciaal; het gaat om samenhang tussen formele en informele verbanden. Nederlandse netwerken voldoen hier volgens Terpstra nauwelijks aan: er wordt teveel gedacht vanuit de instantie en burgers worden vaak als lastig ervaren. Hij spreekt zelfs van ‘institutioneel imperialisme’. En Van Stokkom (2008) spreekt al even kritisch van ‘de retoriek van zelfredzaamheid’ in het veiligheidsbeleid. Het gaat volgens hem meer om sociologische hoop dan realiteit: burgers blijven meestal afzijdig en voelen zich bij echte veiligheidspro- blemen onmachtig. Hij pleit voor werkelijkheidszin (het temperen van verwachtingen) en mogelijkheidszin. Met dit laatste doelt hij op de belangrijke rol van professionals, die samen met burgers de hardnekkigste probleemsituaties dienen aan te pakken – het Britse reassurance policing.15 Toch wijst Van Stokkom er ook op dat in diverse onderzoeken is aangetoond dat door burgerparticipatie ‘het vertrouwen in de politie, andere professionals en het lokale veiligheidsbeleid toeneemt’ (p. 275). Er is een kleine groep die daadwerkelijk wil bijdragen; ‘de kunst is deze groep te identificeren’(p. 278). Daarbij moeten professionals actief het front zoeken en de publieke sfeer versterken. En dat leidt tot de conclusie dat in het veiligheidsbeleid eerder het vertrouwen van de burger dan diens participatie gezocht moet worden. Participatie is geen doel op zich, maar creëert een betere verstandhouding tussen over- heidsinstanties en burgers. De burger als serieuze gesprekspartner – 15 Zie over dit concept Van Calster & Gunther Moor, 2007.
  11. 11. 18 19PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier het handig laveren tussen deze twee vereisten van strafrechtelijke hand- having: voortvarendheid en betrouwbaarheid; crimefighting en objectivi- teit; doeltreffendheid en rechtvaardigheid.19 Maar het rechtssysteem kan juist door deze dubbele functie alleen vertrouwen wekken binnen een context die ook op zichzelf vertrouwen genereert. Het recht dient gedragen te worden door een zekere mate van civiele zelfregulering. Dit veronderstelt enige morele samenhang, waarvan sociaal vertrouwen de grondstof vormt. Indien deze samen- hang afneemt gaat de rechtspraak een steeds grotere rol spelen. Men vertrouwt meer en meer op het rechtssysteem, en wantrouwt juist daardoor zijn prestaties. Een vertrouwenscrisis in de rechtsorde wijst dus eerst en vooral op een vertrouwenscrisis in de samenleving. Rechtsorde behoeft een zekere morele orde – maar deze is – zoals we hebben gezien – steeds minder vanzelfsprekend geregeld. Zoals op andere beleidsterreinen gaat ook de rechtspraak op zoek naar de burger. …bijvoorbeeld in strafvordering Gedurende enige tijd is daarbij gekozen voor het uitgangspunt van de transparantie: open dagen, persvoorlichting en uitvoeriger gemo- tiveerde vonnissen. Het gaat dan uitdrukkelijk om eenrichtingverkeer waarbij de burger beter geïnformeerd moet worden over de recht- spraak. Thans wordt echter gezocht naar meer input van burgers zelf; we treffen het voornemen om de relatie met de burger te versterken bijvoorbeeld aan in de Agenda van de Rechtspraak 2008-2011. En ook het OM zoekt nadrukkelijk de burger, bijvoorbeeld via een experiment met de aanpassing van de strafvorderingsrichtlijnen (aankondiging in Perspectief op 2010, 2006). Het OM hanteert sinds 1999 het geautoma- tiseerde systeem BOS/Polaris ter bevordering van landelijke uniformiteit (zie Taraf en Dekkers, 2005)20 . Het wilde de mening van burgers over 19 En kan derhalve altijd wel een stok vinden om de hand te slaan. verstomt in de aanhoudende storm van verontwaardiging over het tekort aan strafrechtelijke handhaving. De publieke opinie, zoals De Telegraaf, keert zich vaak tegen te grote zorgvuldigheid van de strafrechtspraak (bijvoorbeeld naar aanleiding van vormfouten of in gevallen van eigen- richting). Maar met de Schiedamse parkmoord werd de keerzijde van een te voortvarende vervolging zichtbaar. De magistratelijke rol van de officier van Justitie werd min of meer herontdekt. Het incident is betekenisvol omdat het aangeeft dat het vertrouwen in het strafrechtelijk bedrijf twee kanten kent. Binnen de politieke arena is het recht gevoelig voor de populistische roep om meer en hardere strafrechtelijke interventies. Gerede twijfel scoort niet binnen een dergelijke benadering, hetgeen een serieuze bedreiging vormt voor de waarheidsvinding. Maar met dit incident werd duidelijk dat het vertrouwen in het rechtssysteem ook is gebaseerd op de onafhan- kelijkheid van de rechter en de rechtsbescherming van de verdachte. Dat is dus niet louter een zaak van strafrechtsgeleerden. Het wijst op het tweeledige karakter van de rechtsstaat, maar ook van het rechts- gevoel.18 Veiligheid en rechtsbescherming is het begrippenpaar dat voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat van belang is. Deze tweeledig- heid is nog weer eens uitgebreid beargumenteerd in het WRR-rapport De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002). Lag tot midden jaren tachtig de nadruk op de rechtsbescherming (tegen de overheid), in de laatste twee decennia leek de bescherming van het publiek (het gegeneraliseerde slachtoffer) door de overheid de overhand te krijgen. Maar voor het vertrouwen in de rechtspraak zijn beide van belang. Zelfs het misdaadprogramma van Peter R. de Vries ontleent zijn succes aan 18 De aard van dit rechtsgevoel blijkt nog gecompliceerder wanneer we ook kijken naar de zaken waarin de beslissing om te vervolgen juist in twijfel is getrokken, zoals in de zaken tegen Eric O., de tasjesroverdoodrijdster, de AH-winkelbedienden en de jeugdzorgmedewerkster.
  12. 12. 20 21PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier burgers en OM-vertegenwoordigers. Er bleek eigenlijk geen reëel beeld te bestaan van wat het OM doet; er kwamen veel persoonlijke ervaringen naar voren en men had veel waardering voor het initiatief. Er is een grote variatie in argumenten en meningen over het strafrechte- lijk bedrijf en de rol van het openbaar ministerie. Onkunde, persoonlijke betrokkenheid en waardering voor de openheid van het OM vormen evenzovele argumenten voor de stelling dat niet zozeer de partcipatie als wel het vertrouwen van de burger moet worden gezocht. Daarbij zijn er voldoende verschillen tussen het rechtsgevoel van de burger en de opvattingen van het OM om ‘het gesprek’ met burgers op serieuze wijze aan te gaan. Legitimiteit van het strafrecht De gedachte aan raadpleging van burgers door het OM roept vanzelf- sprekend veel commentaar op vanuit de juridische wereld. Knigge (2006) en Lensing (2007) betwijfelen bijvoorbeeld of het vertrouwen zal worden teruggewonnen door ‘naar de pijpen van de burger te dansen’. Deze formulering van Lensing verraadt de diepe afkeer die in de juridische schoot verborgen ligt, en die begrijpelijk is gezien het normstellende karakter van het strafrecht. Het kan zich bijna per definitie niet teveel laten leiden door wat de burger wil; het dient juist boven het slachtoffer en de dader uit te torenen. Het zou volgens Groenhuijsen (2007) hooguit responsief kunnen zijn via voorlichting of via relevante relaties van het OM met maatschappelijke organisaties. Dit juridische wantrouwen ten opzichte van ‘de burger’ is begrijpelijk 22 Vergelijkbare verbanden vinden we overigens ook bij vertrouwen in de rechtspraak. Alleen voor de seksen is sprake van een omgekeerd verband: mannen hebben meer vertrouwen in de rechtspraak dan vrouwen (Dekker e.a. 2004; Dekker & Van der Meer, 2007). Deze auteurs wijzen er op dat vertrouwen sterk fluctueert met incidenten (Dekker, 2004 en Dekker & Van der Meer, 2007). Een negatief incident heeft een veel grotere impact dan tienduizenden positief verlopen zaken. deze richtlijnen weten in het kader van de actualisering ervan. Lünnemann e.a. (2008) voerden de burgerraadpleging over de richtlijnen uit. Vijfentwintighonderd burgers werden bevraagd via een internetenquête en vierenvijftig via vijf panels.21 Aan burgers werden variaties voorgelegd op een basissituatie voor mishandeling, bedreiging, vernieling, wapenbezit, verkeersovertredingen, discriminatie en soft- drugs. Zij moesten daar de ernst van aangeven. Tevens werd om een rangordening van veertien delicten gevraagd. Het onderzoek leverde wel wat verschillen op tussen de richtlijnen en de mening van burgers, maar er was grotendeels overeenstemming. Bij het rangordenen wegen voor burgers delicten waarbij geen slachtoffer valt minder zwaar. Opvallend is dat sommige delicten zowel het meest als het minst ernstig worden bevonden (stelen uit woning respectievelijk voor vijftien en elf procent van de respondenten). Lünnemann e.a. (2008) vinden geen aanwijzingen dat burgers punitiever zouden zijn dan professionele rechters. Zij zien wel dat de mate van punitiviteit samenhangt met leeftijd (ouder), sekse (man), onveiligheidsgevoel, en ernstinschatting. In een simulatieonder- zoek vinden Keijser e.a. (2006) een samenhang met kennis van het rechtssysteem, opleidingsniveau en interesse in politiek. Met meer informatie wordt minder streng gestraft, maar toch altijd nog zwaarder dan rechters. Vierentachtig procent van de respondenten vindt dat rechters te mild straffen. Deze auteurs vinden dus wel degelijk een punitivity-gap (zie ook Elffers en Van Koppen, 2007).22 Lünnemann e.a. (2008) registreerden tevens ontmoetingen tussen 20 BOS/Polaris is een puntensysteem voor de ernst van delicten; voor minder dan twintig punten wordt een geldtransactie en voor meer dan 120 punten een gevangenis- straf geadviseerd. Daartussen zitten andere varianten zoals de taakstraf, al dan niet via dagvaarding voor de rechtbank. 21 In de raadpleging werd de moeilijke bereikbaarheid van sommige groepen bevestigd.
  13. 13. 22 23PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier is opgenomen in het bedrijfskundige register van sturing, planning en control. Daarbovenop is ook de visie op het recht veranderd: het recht neemt steeds meer het karakter aan van een governance-instrument. Minister Donner van Justitie sprak bijvoorbeeld van een ‘bruikbare rechtsorde’: je kunt er alle kanten mee op. Van politisering is sprake omdat de politiek zich niet langer beperkt tot de wetgeving, maar ook de rechtstoepassing tot voorwerp van debat maakt. Deze drie symptomen wijzen op een wat getroebleerde relatie tussen samenleving en recht. Recht vormt idealiter zowel de articulatie als de codificatie van hetgeen als noodzakelijk en wenselijk wordt ervaren. Dit bepaalt zijn legitimiteit als het aankomt op de handhaving van zijn regels. Burgers zijn bereid zich te onderschikken aan de wet omdat zij deze wenselijk achten en zich erdoor beschermd weten. Deze virtuele contractsrelatie (beargumenteerd door de verlichtingsfilosofen) is aan het eind van de twintigste eeuw onder druk komen te staan. Het recht neemt in de genoemde vormen het karakter aan van een many- possibilities-thing. Dat zet het rechtssysteem onder grote druk – waarbij de richting waarin de druk wordt uitgeoefend nogal eens verschilt. Ambivalent vertrouwen De grote betrokkenheid bij het recht is verklaarbaar uit de onzekere tijden: men verlangt naar het recht en wil het graag kunnen vertrouwen. Dit brengt een paradoxale situatie met zich mee. Het verlangen naar vertrouwen brengt wantrouwen met zich mee. Burgers ervaren het recht enigszins als vervreemdend en lijken te pleiten voor een minder dogmatische rechtspraak. Toch schrikt men terug voor de conse- quenties daarvan. In een studie naar de beleving van de rechtspraak (Boutellier, Lünnemann, 2007) waren emotie en objectiviteit de twee terugkerende begrippen. Incidenten worden als een teleurstelling ervaren of soms zelfs als persoonlijke krenking. De houding van de 24 Een belangrijk argument voor de oprichting van de Raad voor de rechtspraak. en ook niet helemaal onterecht. Inzake het recht prevaleert de objectiviteit, het staat boven de partijen en bewaakt de rechts- gelijkheid – de relatie met het rechtssubject dient met andere woorden te zijn gewaarborgd. Toch dient men zich te realiseren dat de tijd dat recht een rustig bezit23 kon worden genoemd ver achter ons ligt. Recht is voorwerp van politieke en culturele strijd geworden. Het dient zich eenvoudigweg actief met de burger te bemoeien, anders doet de burger dat wel met het recht. In deze laatste categorie valt de recente bemoeienis van figuren als Maurice de Hond, Maarten ’t Hart en diverse hoogleraren uit andere disciplines. Hoeveel moeite het ook kost om deze ongevraagde participatie serieus te nemen, zij wijst in ieder geval op de volstrekt nieuwe betekenis die het strafrecht heeft gekregen in de huidige culturele omgeving. De hoge inzet van het strafrecht daarvan komt tot uitdruk- king in drie samenhangende vormen: popularisering, instrumentalisering en politisering. Popularisering betekent dat burgers ‘de producten’ van het rechtssysteem steeds meer afwegen tegen het eigen rechtsgevoel. Een gerechtelijke uitspraak wordt niet zonder meer voor zoete koek aangenomen. Dit komt overeen met de situatie in andere professionele domeinen: het medisch oordeel is niet meer heilig, de leerkracht heeft niet vanzelfsprekend gelijk en het gezag van de politie wordt regel- matig getart. Geleidelijk aan lijkt ook het rechtssysteem onderworpen te worden aan de dynamiek van de populariserende mediacratie. Instrumentalisering verwijst naar een ontwikkeling waarin het recht steeds meer te maken krijgt met de doelrationele criteria van effectiviteit en efficiëntie. Weliswaar is de onafhankelijkheid van het gerechtelijk oordeel ongeschonden, toch is ook de rechtspraak steeds meer onderworpen aan moderne organisatie-eisen.24 De rechtspraak 23 Deze beroemde typering is van Paul Scholten die het Burgerlijk Wetboek van 1838 vergeleek met een oud, groot huis met vele gebreken, maar waarin men zich toch thuis voelt: een rustig bezit.
  14. 14. 24 25PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier rechtsgevoel is waarschijnlijk altijd al gespannen geweest. Kenmerkend voor de huidige tijd is dat het vanzelfsprekende gezag, dat kon worden afgeleid van de positie van staat, niet meer bestaat. Met burgers in gesprek Voorzitter Brouwer van het PG-college heeft aangegeven de dialoog met de samenleving te willen zoeken (bijvoorbeeld Brouwer, 2007, p.16). Daarmee sluit hij aan bij een grotere beweging waarin gezocht wordt naar een nieuwe relatie tussen overheid en burgers. Deze is niet langer bemiddeld door een vanzelfsprekend, gemeenschappelijk referentiekader. De overheid zoekt de burger, die met enige regelmaat wordt gevonden. Ook op veiligheidsterrein is dat het geval. Daarbij dienen de verwachtingen niet te hoog gespannen te zijn. De belang- rijkste functie van burgerparticipatie is waarschijnlijk een toegenomen legitimiteit. Daartoe dienen burgers, dat wil zeggen de selectie die zich daartoe aanbiedt, serieuze gesprekspartner te zijn. Dit geldt onverkort voor het OM: er is vaak weinig kennis, er zijn verschillende opvattingen en contact wordt gewaardeerd, zo blijkt uit eerste experimenten. Deze waardering is begrijpelijk gezien de prominente positie die het strafrecht heeft gekregen binnen een onzekere samenleving. Als de burger niet wordt gezocht, dan wordt het OM door sommigen van hen en de media wel gevonden. Een vorm van ‘in gesprek raken’ is het beleid van het Engelse OM om concept- beleidsregels ter consultatie op de eigen website te zetten. Iedere burger kan zijn mening daarover geven alvorens zij worden vastgesteld. Een iets verdergaande vorm is het Sentencing Advisory Panel (zie beschrijving in Lünnemann, 2008). Dit panel bestaat uit veertien leden: elf juristen en drie burgers en adviseerde vanaf het eind van de jaren negentig het Court of Appeal. Sinds 2004 adviseert het panel de Sentencing Guidelines Council. Deze raad vergadert eens per drie à vier weken over conceptrichtlijnen op basis van consultaties van maatschappelijke organisaties (in een periode van drie maanden) en de reacties op de website. Zij vat haar burgers is ambivalent. Enerzijds wordt de klassieke verticale positie van het strafrecht niet geaccepteerd, maar men wil haar ook niet loslaten. In deze studie was er uiteindelijk slechts één persoon (van circa vijftig respondenten) die pleitte voor een directe invloed van leken op de uitkomst van het strafproces. Men vertrouwt de rechter misschien niet helemaal, maar de medeburger nog veel minder! Tegen deze achtergrond lijkt het zinvol de positie van de rechtspraak in verband te brengen met ‘de wet’, zoals die in de psychoanalyse wordt begrepen. De rechter vertegenwoordigt de symbolische orde die van belang is voor de ervaring van het (rechts)subject als op zichzelfstaande identi- teit. De wet vertegenwoordigt bescherming, onkreukbaarheid en een superieur oordeelsvermogen. Men hecht veel waarde aan een dergelijke rechtspraak, maar heeft tegelijkertijd het gevoel dat deze te weinig responsief is naar de eigen behoeften en verlangens. Men wil bescherming én invoelend vermogen, een objectieve autoriteit die ook communicatief is, een superieure oordeelskracht met een goed gevoel voor wat er speelt. Men verlangt naar een menselijke, empathische rechter die toch neutraal en objectief is. Het vertrouwen zal toenemen als de rechterlijke uitspraak recht doet aan de emotie van de burger zonder verlies van objectiviteit. Vertrouwen veronderstelt meer informatie, over het verloop van de zaak en over het proces. Maar ook meer contact met burgers over wat politie, justitie en rechters doen zou de relatie verbeteren. Burgers vinden dat er voeling moet zijn met wat onder slachtoffers en nabestaanden leeft. Er is behoefte aan een consequent moreel oordeel over het gedrag van de dader. Men wil in de buurt komen, maar hoeft er niet mee samen te vallen. Burgers blijken een meer open houding van het openbaar ministerie op prijs te stellen. Lekenrechtspraak is het verkeerde antwoord op de gevoelde behoefte; men wil het gevoel hebben dat het ‘hun recht’ is, dat gesproken wordt. Zoals een van de respondenten in eerder panelonderzoek (Boutellier, Lünnemann, 2007) zei: ‘ik hou van de fictie dat het recht ons allemaal vertegenwoordigt, ons soort staat, de samenleving die we willen hebben.’ De relatie tussen rechtspraak en
  15. 15. 26 27PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier 1 Het OM organiseert in grote gemeentes en in combinaties van kleinere gemeentes minimaal een keer per jaar ‘burger- ontmoetingen’. Deze zijn voor iedereen toegankelijk, maar worden professioneel voorbereid. Op de agenda staan informatie over strafrechtspleging in het algemeen, explicatie van het lokale beleid van het afgelopen jaar en een vooruitblik naar het komende jaar. Er is tevens ruimte voor inbreng van burgers. De gebiedsofficier gaat op informatieve wijze het gesprek aan over het gevoerde beleid. De bijeenkomst wordt verslagen en de verwerking ervan wordt meegenomen in het jaarverslag van het parket. Burgers worden via maatschappelijke organisaties actief geworven. 2 Het OM organiseert per arrondissement een ‘maatschappelijke raad’. Het betreft een gezelschap met een adviserende stem, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de samenleving die op persoonlijke titel spreken en zijn gerekruteerd uit maatschappelijke organisaties of onder bewonersgroepen. Men denke hierbij aan woningcorporaties, scholen, welzijnsorganisaties, winkeliersvereni- gingen, ouderenbonden, verzekeraars en dergelijke. De voorzitter van de raad wordt uit haar midden gekozen; in ieder geval de hoofdofficier is bij de vergaderingen aanwezig; de raad stelt een eigen adviesagenda op; het parket verplicht zich tot een schrifte- lijke reactie op de adviezen. 3 Het parket-generaal stelt een permanente Raad van advies inzake de strafvordering in. Deze raad adviseert het PG-college, of een namens hem ingestelde strafvorderingscommissie, ten aanzien van de strafvorderingsrichtlijnen in BOS/Polaris. De raad komt eens per drie maanden bij elkaar en adviseert op basis van grondig voorbereide documenten. Zij laat zich onder andere informeren over de burgerontmoetingen en de maatschappelijke raden. Zij roept tevens via een website burgers op om mee te denken en te adviseren over de conceptrichtlijnen. Opdracht aan de raad is het gehele richtlijnensysteem fasegewijs en permanent door te lichten. advies samen in zogenoemde Consultation papers. Na een reactie van de overheid stelt zij de richtlijn vast. Deze council heeft twaalf leden, waarvan er vijf niet afkomstig zijn uit de rechterlijke macht. Afgezien van de concrete vorm lijken deze Britse experimenten op een zekere levens- vatbaarheid van burgerraadpleging te wijzen. Op grond van de eerste Nederlandse ervaringen met voorlichting, raadpleging en ontmoeting kan een aantal conclusies worden getrokken. Dé burger bestaat niet, ook niet voor het strafrecht. Er bestaan gevarieerde oordelen over ernst en strafmaat en er is geen eenduidig geluid waar het OM zich op zou kunnen richten. Dat is niet opzienbarend, maar wel van belang. Het OM kan niet gaan luisteren naar de grootste gemene deler en moet dat ook niet willen. De enige manier om dit op te lossen zou zijn om burgers mee te laten doen in de rechtspraak zelf – de jury – of lekenrechtspraak. Vooralsnog lijken daar in de Nederlandse rechtstraditie weinig voorstanders voor te vinden, ook niet onder burgers (zie hiervoor onder andere Boutellier en Lünnemann, 2007). Blijft staan dat het OM een eisende rol in de rechtspraak speelt, die door burgers als legitiem en rechtvaardig moet worden herkend. Burgers willen zich vertegenwoordigd c.q. beschermd weten door een openbaar lichaam dat namens hen sanctioneert. Dit kan steeds minder leunen op vanzelfsprekend gezag van de overheid. Het dient om die reden een directere relatie te onderhouden met burgers. Daarbij kan het in zijn strafrechtelijke rol geen gebruik maken van verregaande vormen van burgerparticipatie zoals we die hebben gezien in geval van het veiligheidsbeleid. Overigens geldt zelfs daar al dat de burger uiteindelijk niet meer wil en kan zijn dan een serieuze gespreks- partner van politie en gemeente. Het OM moet in gesprek met de burger en zou naar mijn mening drie vormen serieus in overweging kunnen nemen.
  16. 16. 28 29PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier LITERATUUR Boutellier, H. (1993). Solidariteit en Slachtofferschap. De morele betekenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur. Nijmegen: SUN Boutellier, H. (2000). ‘Het geluid van stille marsen; de maatschappelijke betekenis van burgerinitiatieven tegen geweld.’ Tijdschrift voor Criminologie, 42 (4), 317-332. Boutellier, H. (2002). De veiligheidsutopie. Hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Boutellier, H. (2005). Meer dan veilig: over bestuur, bescherming en burgerschap. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Boutellier, H. (2007). Nodale orde: Veiligheid en burgerschap in een netwerksamen- leving: Oratie. Amsterdam: Vrije Universiteit, Faculteit der Sociale Wetenschappen. Boutellier, H. & Lünnemann, K. (2007). Burgers over rechters: over de beleving van de rechtspraak. Rechtstreeks 2007/1, 45-62. Boutellier, H. & Van Steden, R. (red.) (2008), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Bovens, M.A.P. (2005). De verspreiding van de democratie. Beleid en maatschappij, 32 (3), 119-127. Brink, G. van der (2006). Van waarheid naar veiligheid; twee lessen voor een door angst bevangen burgerij. Amsterdam: SUN Brouwer, H.N. (2007). ‘Over de stem van het volk, I Het B-woord’. Themis, nr. 3, pp. 108-110 Deze raad van advies bestaat uit personen die op grond van hun maatschappelijke functie geacht mogen worden over voldoende bagage te beschikken om tot afgewogen adviezen te komen. Tot besluit Het OM wordt aangevallen zowel op vooronderstelde lankmoedigheid als doorgeschoten crimefighting. Deze tweeledigheid van het commen- taar is een positief gegeven. Het OM zou er verkeerd aan doen zich te zeer te buigen naar de burger, waarvan de grootste schreeuwers via de media de meeste aandacht krijgen. Maar het kan evenmin doof blijven voor het kritische geluid dat knaagt aan haar legitimiteit. In dat verband stel ik voor op een professionele en systematische manier het gesprek aan te gaan met burgers en maatschappelijke organisa- ties via lokale burgerontmoetingen, arrondissementale maatschap- pelijke raden en een landelijk raad van advies voor de strafvordering. Burgerparticipatie is geen panacee, maar kan wel degelijk een verster- king bieden aan een strafrechtelijk systeem dat handelt in overeenstem- ming met het rechtsgevoel.
  17. 17. 30 31PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier Groenhuijsen, M.S. (2007), II Het D-woord, een reactie op Brouwer. Themis, nr. 3, pp. 110-111 Gruijter, M. de & Pels, T. (2005). De toekomst van buurtvaderschap. Professionalisering met behoud van zeggenschap. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Gunsteren, H.R. van (1988). Admission to Citizenship. Ethics, 98 (4): 731-741 Keijser, J.W. de, Koppen P.J., van Elffers, H. (2006). ‘Op de stoel van de rechter; oordeelt het publiek net zo als de strafrechter?’. Research Memoranda nr. 2, Den Haag: Raad voor de Rechtspraak. Keijser, J.W. de, Koppen, P.J., van & H. Elffers (2007). Bridging the gap between judges and the public? A multi-method study. Journal of Experimental Criminology (2007). Knigge, G. (2006). ‘De stem van het volk’. Themis, nr. 6, pp. 235-236. Koppen, P. van (2003). De Schiedammer parkmoord: Een rechtspsychologische reconstructie. Nijmegen: Ars Aequi Libri. Lans, J. van der (2005). Koning burger; Nederland als zelfbedieningszaak. Amsterdam: Augustus Lensing, J.A.W. (2007). ‘Inspraak in de strafmeting’. Trema, april Bulletin 1, 3-5. Lünnemann, K., Moll, M. & Ter Woerds, S. (2008). Burgers geraadpleegd; burgers over straftoemetingsrichtlijnen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut Lünnemann, K., De Meere, F. & Ter Woerds S. (2008) Het raadplegen van burgers; op zoek naar een kader voor burgerraadpleging door het Openbaar Ministerie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut (in voorbereiding) Caem, B. van (2008). Verborgen kracht; burgerparticipatie en veiligheid in Amsterdam. Amsterdam: VU, FSW (nog niet gepubliceerd). Calster, P. van & Gunther Moor, L. (Eds.), Reassurance Policing: een alliantie tussen burgers en politie?, Dordrecht/Gent: SMVP/CPS, 2007. Carr, P.J. (2005). Clean Streets. Controlling Crime, Maintaining Order, and Building Community Activism. New York: New York University Press Crombag, H.F.M., Koppen, P.J. van, Wagenaar, W.A. (1992). Dubieuze zaken: De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Amsterdam: Contact. Dekker, P., Maas-de Waal, C. & Van der Meer, T. (2004). Vertrouwen in de recht- spraak. Theoretische en empirische verkenningen voor een monitor. Den Haag: SCP. Dekker P. & J. de Hart (2005). Goede burgers, in P. Dekker en J. de Hart (red), De goede burger: Tien beschouwingen over een morele categorie. Den Haag: SCP, pp. 11-19 Dekker, P. & Van der Meer, T. (2007). Vertrouwen in de rechtspraak nader onderzocht. Den Haag: SCP. Fiers, L. & A. Jansen (2004). Het succes van buurtbemiddeling; resultaten van het evaluatieonderzoek. Utrecht: Expertisecentrum Buurtbemiddeling Fung, A. & Wright, E.O. (2001). ‘Deepening Democracy; Innovations in Empowered Participatory Governance’. Politics & Society, 29 (1), 5-41 Garland, D. (1996). The Limits of Sovereign State; Strategies of Crime Control in Contemporary Societies. British Journal of Criminology, 36 (4): pp. 445-471 Garland, D. (2001). The Culture of Control; Crime and Social Order in Contemporary Societies. Chicago: The University of Chicago Press
  18. 18. 32 33PARTICIPATIE ALS PANACEE | Prof. dr. Hans Boutellier Stokkom, B. van (2008). Bange burgers, doortastende dienstverleners. Voorbij de retoriek van burgerschap en zelfredzaamheid. In: H. Boutellier & R. van Steden (Eds), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Taraf, S.B. & Dekkers, M. (2005). Evaluatie BOS/Polaris. Amsterdam: UvA (stage-rapport) Terpstra, J. (2008). Burgers in veiligheid. In: H. Boutellier & R. van Steden (Eds), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Terpstra, J. & Kouwenhoven, R. (2004). Samenwerking en netwerken in de lokale veiligheidszorg. Enschede: UT, P&W/ IPIT Tonkens, E., Hurenkamp, M., Duyvendak, J.W. (2006). Wat burgers bezielt. Een onderzoek naar burgerinitiatieven. Amsterdam: UvA/Nicis Tonkens, E. (2008). Mondige burgers, getemde professionals. Amsterdam: uitgeverij Van Gennep Vries, M. de &. Van der Vijver, K. (2002). Beelden van gezag bij de bevolking en bij de politie. Dordrecht: SMVP Winter, M. de (2005). Democratieopvoeding versus de code van de straat. Utrecht: Universiteit van Utrecht (oratie) Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (2002). De toekomst van de nationale rechtsstaat. Den Haag: SDU Ministerie van Justitie & Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2002). Naar een veiliger samenleving. Den Haag Ombudsman van Rotterdam (2007). Baas in eigen huis; ‘Tja, we komen eigenlijk voor alles’; een rapport van een ambtshalve onderzoek naar de praktijk van huisbezoeken. Rotterdam: De Ombudsman Openbaar Ministerie parket-generaal (2006). Perspectief op 2010. Den Haag: auteur. Schinkel, W. (2007). ‘Tegen actief burgerschap’. Justitiële Verkenningen, 33 (8), 70-90. Pieterman, R. (2008). De voorzorgcultuur : streven naar veiligheid in een wereld vol risico en onzekerheid. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Ponsaers, P., Gunther Moor, L. (2007). Reassurance Policing: concepten en receptie, Cahier Politiestudies, nr. 3, Brussel: Politeia. Scheffer, P. (2000), Het multiculturele drama. NRC-Handelsblad 29 januari Scholte, R. (2008). Burgerparticipatie in veiligheidsprojecten. Een empirische verkenning. In: H. Boutellier & R. van Steden (Eds), Veiligheid en burgerschap in een netwerksamenleving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers. Stewart, A. (1995). ‘Two Conceptions of Citizenship’. The British Journal of Sociology, 46 (1), 63-78.
  19. 19. 35BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE Prof. mr. Ybo Buruma1* Deze beschouwing is een vervolg – zo u wilt een antwoord – op enkele prangende vragen die Harm Brouwer, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, heeft gesteld in de mr. Gonsalves lezing van 15 februari 2008. Hij vroeg zich af of het OM zichzelf beperkingen moet opleggen bij het gebruik van de vruchten van burgeropsporing en of er (nog meer) wettelijke verboden tot burgeropsporing moeten komen. “Bij burgeropsporing gaat het om activiteiten die, wanneer de politie ze zou ondernemen, als toepassing van een opsporingsbevoegdheid gelden. Voorbeelden zijn: het opvragen van gegevens, mensen horen, camera’s ophangen of observeren. Wanneer de overheid dat doet, gelden wettelijke waarborgen, zoals voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris of een verplichting tot nauwkeurige verslaglegging. Een particulier recherchebureau mag daarentegen iemand langdurig op de openbare weg volgen en daarbij foto’s en video- opnamen maken.” Met een soort klaroenstoot zei Brouwer: “We willen niet in een politie- staat leven, maar al helemaal niet in een amateurpolitiestaat”. Ik wil het thema in een wat bredere sleutel plaatsen – de sleutel van de dramademocratie. Het gaat me dan vooral om onderzoek van particulieren – wetenschappers of geëngageerde burgers – en journalisten om dramatische misdrijven op te lossen en/of fouten van politie en justitie aan de kaak te stellen. Wij kennen diverse voor- beelden. Er zijn heel wat mensen die in het voetspoor van Maurice de Hond werkelijk onderzoek hebben verricht naar de gebeurtenissen 1 De auteur is hoogleraar straf- en procesrecht aan de Radboud Universiteit en voorzitter van de toegangscommissie van de commissie evaluatie afgesloten strafzaken. * Met veel dank aan mrs. Sven Brinkhoff en Pieter Verrest.
  20. 20. 36 37BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma is worden ontmoedigd? Mijn stelling is dat dit de verkeerde vraag is en niet alleen omdat het een valse tegenstelling is. Burgeropsporing is een onvermijdelijk bijproduct van de dramademocratie ten aanzien waarvan wel bezien moet worden hoe we ermee zouden moeten omgaan. Om die stelling te onderbouwen geef ik eerst wat context, waarbij ik de term dramademocratie nadere inhoud geef. Vervolgens bezie ik wat Frankrijk ons te leren heeft en dan ga ik op de vragen van Brouwer in. Dramademocratie De term dramademocratie is afkomstig van de Belgische socioloog Mark Elchardus.3 Zijn boek – zowel analyse als pamflet – was een reactie op de heftige emotionaliteit van en in de media en de politiek in het België van de jaren 1990 (met de Dutrouxaffaire als hoogtepunt). Het boek werd in Nederland goed ontvangen toen het uitkwam in het jaar waarin Pim Fortuyn werd vermoord. Volgens Elchardus hebben de media de rol van vertrouwde instellingen zoals het gezin, de zuilen en de daarmee verbonden sociale organisaties aan het eind van de 20ste eeuw overgenomen. Onder de bevolking maken de media gevoelens van onbehagen en onvrede toegankelijk voor de gehele bevolking, terwijl zij deze gevoelens versterken door ze te dramatiseren. Dit is gepaard gegaan met (en heeft misschien wel geleid tot) een erosie van ver- trouwen van burgers in hun leiders en in democratische instellingen. Het boek was inspirerend, maar met het oog op ons onderwerp is enige precisering op zijn plaats. Ik geef die door drie aspecten uit te lichten: de veranderde rol van wat de media doen; de veranderde democratische betekenis van de media; en het belang van de media voor de veiligheidszorg. 3 M. Elchardus, De dramademocratie, Lannoo 2002; zie ook diens De schizofrenie van populaire politiek of: hoe ernstig te zijn in een dramademocratie, WRR lecture 2003. rondom de z.g. Deventer moordzaak. Wetenschappers als de rechts- psychologen Van Koppen en Crombag en de wetenschapsfilosoof Ton Derksen hebben boeken geschreven op basis van gedegen onderzoek naar strafbare feiten. Hun activiteiten zijn in feite ‘beloond’ doordat in de instructie van de Toegangscommissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken een ontvankelijkheidseis bestaat in de omstandigheid dat het verzoek onderzoek naar een afgesloten ernstige strafzaak te doen moet zijn ingediend door een wetenschapper die over de kwestie heeft gepubliceerd (of een klokkenluider).2 Wat moeten we van dergelijke burgeropsporing vinden? Het is evident dat er risico’s aan verbonden zijn. Men kan zich afvragen of burgers niet over de schreef zullen gaan, of eigenrichting niet wordt gestimuleerd en wat justitie eigenlijk aan moet met gegevens die zijn verkregen met behulp van methoden waarover de politie zelf niet beschikt. Brouwer waarschuwde voor een cultuur van amateuropsporing waarin alles maar mag, zolang het mogelijk aan de opheldering van misdrijven bijdraagt. Ook ik heb mijn bedenkingen bij journalisten die met een verborgen camera heimelijke opnamen maken in iemands woning. Datzelfde geldt voor het optreden van de onbekende middenstander die via YouTube beelden verspreidt van degenen die zijn winkel hebben beroofd. De clausulering ‘waarin alles maar mag’ maakt het gemakkelijk het met de stelling van Brouwer eens te zijn. Maar lang niet alle amateuropsporing gaat gepaard met handelen op of over de schreef. Wat moet de Nederlandse rechtsstaat vinden van Peter R. de Vries, Maurice de Hond en Peter van Koppen? Moet hun werk worden toegejuicht, of moet het sterker dan nu het geval 2 De Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken heeft tot doel ‘door middel van onder- zoek na te gaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolgingen/of de presentatie van het bewijs ter terechtzitting ernstige manco’s hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan’ (Instellingsbesluit Stcrt 2006, nr 74).
  21. 21. 38 39BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma visie. Camera’s in winkels en banken leveren beelden die dienstig zijn voor het opsporen van overvallers. En als in 1991 Rodney King wordt afgetuigd door de politie van Los Angeles gaat een amateur-video- filmpje van een toevallige voorbijganger de wereld over. Dankzij het world wide web duurt het dan nog maar een paar jaar totdat burgers zelf nieuws gaan uitzenden, eerst via nieuwsbrieven en dankzij YouTube ook al snel door het uploaden van beeldmateriaal. Dit is mogelijk zonder tussenkomst van de klassieke poortwachters (de uitgevers en hoofd- redacteuren). Het belang hiervan werd zichtbaar toen internetjournalist Matt Drudge de aanjager werd van wat de Lewinskyaffaire zou worden, die de Amerikaanse president Clinton ernstige moeilijkheden heeft bezorgd. De traditionele media (kranten, radio en tv) probeerden zich aan te passen aan deze omstandigheden. In hun onderlinge concurrentie hielden zij vast aan het klassieke belang van scoops. De snelheid van de berichtgeving ging gepaard met een verlaging van de standaarden van verificatie van de juistheid van de berichtgeving. Zo werden anonieme bronnen steeds vaker aanvaard: was Deep Throat – de bron van Woodward en Bernstein in de Watergate-affaire – ook niet anoniem geweest? Bovendien ging distantie als journalistieke waarde verloren. Zeker onder invloed van de televisie werd emotie ook in steeds meer serieuze media toegelaten. Dat heeft een vertekenend effect. Omdat het gemakkelijker is het leed van een individu te tonen dan de complexiteit van factoren die een bepaalde situatie hebben doen ontstaan, draagt deze ontwikkeling bij aan een zeker wantrouwen ten opzichte van ‘het systeem’. Een derde gevolg van de proliferatie van nieuwsmedia was dat het belang van nieuwsgaring en verslaglegging het soms welhaast leek af te leggen tegen het belang van commentaar van politici en al dan niet verstandige publieke intellectuelen. Zo wordt nieuws gemaakt.5 5 Bill Kovach and Tom Rosenstiel, Warp Speed, New York : Century Foundation Press 1999. De dramademocratie wordt in de eerste plaats gekenmerkt door media die 24-uur beschikbaar zijn en moeten concurreren met elkaar (kranten onderling; tv-zenders onderling) en tussen elkaar (televisie en internet). Dat heeft gevolgen gehad en ik licht er drie toe: minder verificatie, meer emotie, meer commentaar dan feiten. Na de daartoe benodigde uitvindingen in de tweede helft van de 19e eeuw, hebben kranten, radio en bioscoopjournaals het grote publieksbereik gekregen waar we nu mee vertrouwd zijn. Redacteuren en uitgevers bepalen wat ‘fit to print is’. Die omstandigheid heeft bijgedragen aan het gebruik van media voor propagandadoeleinden in en om WO I en WO II, maar in rustiger tijden zeker ook aan een nadruk op kwaliteit. Degelijke kranten verifiëren het nieuws en betrachten een zekere distantie. Het publiek wordt geïnformeerd en verstrooid op een wijze die door de elite goed gevonden wordt. Daar verandert aanvanke- lijk weinig in als in de jaren 50 de televisie aan zijn opmars begint.4 Als in de jaren 60 beelden uit Vietnam en van het optreden van studenten in de hele wereld via de televisie ook in de Nederlandse huiskamers binnenkomen, blijkt de kracht van de media op een nieuwe manier. De indringendheid van de beelden, de snelheid waarmee ze verspreid worden en de komst van steeds meer (na 1989 ten onzent ook commerciële) tv-stations, dragen dan bij aan een culturele omslag die in Nederland samenviel met de ontzuiling. In het algemeen lijkt het individuele oordeel van mensen steeds meer te worden bepaald door wat ze zelf willen zien dan door wat zuilen of andere institutionele opinieleiders voor hen hebben gekozen. De uitvinding van Tim Berners-Lee in 1989 van het world wide web zal een nog revolutionairdere ontwikkeling in gang zetten. Door de beschikbaarheid bij het grote publiek van allerlei foto- en filmapparatuur kunnen opnames van particulieren al worden gebruikt voor de tele- 4 Asa Briggs & Peter Burke, Sociale geschiedenis van de media, Sun 2003 (2002).
  22. 22. 40 41BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma Veiligheid in de dramademocratie De algemenere gevoelens van onbehagen en onvrede die in de drama- democratie snel de kop opsteken, zijn bij uitstek te projecteren op het domein van het strafrecht. Het gaat om emoties die minder van doen hebben met eigen ervaringen, dan met gebeurtenissen waarover men via de media heeft gehoord. Dat kunnen ook emotionele gebeurtenissen zijn waarover de media nauwelijks geïnformeerd rapporteren. Het beeld van een onthutst slachtoffer en het commentaar van een politicus of een publieke intellectueel bepalen op dat vlak nogal eens het gevoel van de rest van de bevolking. Maar er is een derde aspect van de dramademocratie – naast de mediageschiedenis en de ontwikkeling naar de controledemo- cratie – dat we niet mogen miskennen. Dat is dat de overheid zelf een appèl doet op de burgers. Ik herinnerde en passant al aan het gebruik van beelden van bewakingscamera’s in door de politie gebruikte programma’s als Opsporing Verzocht. Dit is echter maar één voorbeeld. Bij herhaling wijst de regering er op dat veiligheid niet alleen door de overheid kan worden bewerkstelligd, maar dat de burgers er zelf aan moeten bijdragen. Laatstelijk gebeurde dat in de begroting 2008-2009: “Veiligheid is ook een verantwoordelijkheid van burgers. Dat geldt voor het voorkomen van delicten en daderschap, maar ook voor het omgaan met slachtofferschap. Een overheid die zich in toenemende mate exclusief verantwoordelijk maakt voor veiligheid, moet ervoor waken waardevolle maatschappelijke mechanismen te verstoren. Justitie wil daarom aansluiten bij het vermogen van de samenleving om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor veiligheid en andere publieke of semi-publieke taken”.7 Deze gedachte is weinig bedreigend, als we daarbij vooral preventieve maatregelen van burgers en bedrijven voor ogen hebben. Het gaat dan om maatregelen ter beperking van de gelegenheid tot het plegen 7 Rijksbegroting 2009; Justitie, begroting VI, pag. 8. Deze mediageschiedenis die niet alleen Nederland betreft, heeft gevolgen voor de manier waarop de democratie functioneert. Natuurlijk is het zo dat nieuws en commentaar soms gepaard gaan met over- verhitting van de parlementaire debatten. Het volstaat echter niet om in dat verband louter schamper te doen over incidentenpolitiek. De Franse politicoloog Pierre Rosanvallon heeft een constructiever beeld en spreekt in dit verband van de ‘controledemocratie’.6 Hij bedoelt daarmee dat controle vanuit de burgerlijke samenleving op de politiek steeds meer plaatsvindt door enerzijds aantijgingen en onthullingen en ander- zijds door verantwoorde evaluaties en contra-expertise. In de controle- democratie lijkt een veto vanwege een schandaal soms belangrijker dan de passieve consensus die voortvloeit uit de verkiezingen (de indirecte democratie) of de actieve participatie in de partijpolitiek. Door onthullingen e.d. wordt de reputatie van de overheid getest. Dat moeten we niet alleen negatief duiden. Het betekent immers dat controle op de executieve overheid niet met intervallen gebeurt (zoals bij verkiezingen) maar permanent plaatsvindt. Het betekent tevens dat de controle niet louter door georganiseerde (maar daarmee ook deels gecompromitteerde) machtsblokken geschiedt, maar ook door indivi- duen. En steeds vaker door onafhankelijke, nieuwe belangengroepen en nieuwe toezichtmechanismen. De afdaling van de controle op de executieve van parlement en rechter naar media en particuliere onder- zoekers past daarbij. In de hedendaagse controledemocratie wordt de burger als kiezer steeds meer vervangen door het publiek als ‘jury’. Wat ik zojuist noteerde met betrekking tot de ontwikkelingen ten aanzien van de media en de werking van de democratieën, is uiteraard nogal grofkorrelig. Maar zonder deze achtergrond is het m.i. moeilijk te begrijpen wat er op het spel staat als we ons buigen over de vraag hoe we moeten aankijken tegen burgeropsporing in de dramademocratie. 6 Pierre Rosanvallon, Democracy Past and Future, Columbia UP 2006, p. 235-252.
  23. 23. 42 43BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma democratie schuilt er een zekere rechtvaardiging in dergelijk onderzoek, maar dat gaat soms tegen overheidsbelangen in. Leidde de uitzending van het filmpje van het geweld tegen Rodney King niet tot afschuwelijke rellen? In elk geval heeft het helpen van de overheid via burgeropspo- ring als logische tegenpool dat controle van de overheid via burgerop- sporing evenzeer kan plaatsvinden. Franse toestanden De verhouding tussen media en strafrecht is weliswaar wereldwijd veranderd, maar hoe dat is gebeurd verschilt per land. Wij denken misschien dat in Nederland met de activiteiten van de Emmy-award winnende misdaadjournalist Peter R. de Vries en de opiniepeiler (en –leider) Maurice de Hond iets bijzonders aan de hand is, maar het is niets vergeleken met wat in het buitenland gebeurt. Ter illustratie een paar opmerkingen over Frankrijk. Strikt juridisch is Frankrijk voor ons geen erg interessant voorbeeld, omdat het slachtoffer daar zelf de vervolging op zich kan nemen (action civile). Dat onder die omstandigheden burgeropsporing anders in elkaar zit dan in Nederland is niet verrassend. Vanuit een media- oogpunt is Frankrijk niettemin hoogst interessant, zo bleek mij uit informatie van mr. Pieter Verrest. De aandacht voor misdaad in de Franse media verschilt sterk van die in Nederland. Onderzoeksjournalisten leggen herhaaldelijk schandalen bloot, onder meer over witteboordencriminaliteit. Te denken is aan krantenartikelen, boeken en documentairefilms over Crédit Lyonnais, oliebedrijf Elf, en recenter over ‘Angolagate’ – het internationale wapenhandelschandaal waarbij de zoon van oud-president Mitterrand is betrokken. We zouden kunnen zeggen dat de research neerkomt op burgeropsporing met dien verstande dat van de vruchten van het onderzoek eerst verslag wordt gedaan in de journalistieke berichtgeving ongeacht of de politie en justitie daar eerst van op de hoogte worden gesteld. Die verslaglegging wordt vervolgens gelardeerd met commen- van delicten, zoals het plaatsen van extra sloten op de deur. Of om maatregelen waardoor de (gepercipieerde) pakkans wordt vergroot, zoals menselijk toezicht of het ophangen van camera’s in parkeer- garages.8 Diverse wetswijzigingen zijn zelfs tot stand gekomen om burgers en particuliere organisaties onder omstandigheden te dwingen aan hen ter beschikking staande gegevens (zoals video-opnames) in het belang van de opsporing af te staan aan de overheid. Natuurlijk heeft de overheid er ook overigens baat bij als zij wordt geïnformeerd. Daarbij gaat het niet alleen om de klassieke getuigenverklaringen die worden afgelegd op verzoek van de politie, maar ook om het streven om informatieverstrekking uit eigen beweging te vergemakkelijken. Dat streven blijkt uit de invoering van het algemene hulpnummer 112, de mogelijkheden om via internet aangifte te doen en de invoering van kliklijnen die het anoniem melden mogelijk maken. Het wordt echter ingewikkelder als burgers opstaan om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen. Dergelijk burgeringrijpen is onder- werp van een ander onderzoek dat ik zojuist heb afgerond in opdracht van de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie. Het wordt even- eens ingewikkelder als de burger zelf quasi-opsporings-onderzoek gaat doen. En daar gaat het vandaag om. Een tussenconclusie is wel mogelijk. De ontwikkeling van de burgeropsporing is een wereldwijd verschijnsel. De media maken publicatie van eigen bevindingen van burgers gemak- kelijk, maar ze maken het ook gemakkelijker dan vroeger zelf onderzoek te doen. Soms is de justitiële overheid daarmee geholpen. In de zaak over de vermoorde Corine Bolhaar en haar twee kinderen werd de zaak onder invloed van een uitzending van Peter R. de Vries hervat – hetgeen leidde tot een veroordeling, 22 jaar na de moorden.9 In de controle- 8 Zie L. van Noije en K. Wittebrood, Sociale veiligheid ontsleuteld, SCP 2008. 9 HR 21 november 2006, NJ 2007, 543 m.nt YB
  24. 24. 44 45BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma Maandag 22 september TF1, prime time: L’Affaire Bruay-en-Artois, een nagespeelde echte moordzaak uit 1972. Maandag 22 september France 3, prime time – Cour d’assises: crimes et châtiments’, een documentaire over leden van de jury. Dinsdag 23 september, France 2, late night – Faites entrer l’accusé, een uitzending waarin een strafdossier van een reeds opgeloste strafzaak (een pedofiliekwestie uit 2003) wordt behandeld. Vrijdag 26 september,Canal+, late night – Henri Curiel, un crime politique, documentaire over een onopgeloste politieke moord uit 1978. Zaterdag 27 september, France 3, late night – Affaires classées, ook een uitzending waarin een strafdossier van een reeds opgeloste strafzaak (een moord uit 1993) wordt behandeld. Zondag 28 september, M6, prime time – Zone interdite, een programma waarin twee uur wordt meegelopen met een ‘mythique brigade criminelle du 36, quai des Orfèvres’. Voor al die programma’s moet diepgaand onderzoek zijn gedaan. Het meest treffen we uitgebreide reportages aan over zaken die al geheel zijn opgelost en berecht. Een soort reconstructie dus van daad, opsporing en berechting. Populair is ook het ‘reality-format’. Journalisten mogen een dag mee met een recherche-eenheid, een week officieren van justitie vergezellen of een ochtend invallen doen met het arrestatieteam. De Franse situatie leert ons dat Nederland op dit vlak niet voor een uniek probleem staat. Met enige jaloezie kijk ik naar de onderzoeks- journalistiek over de witteboordencriminaliteit. Dit type journalistiek is bij ons zeldzaam, maar bij gebrek aan parlementaire belangstelling voor dit soort thema’s broodnodig. Maar ik kan niet ontkennen dat het Franse journalistieke activisme ook nadelen toont. Een goed voorbeeld waarin een ‘faits divers’-onderzoek letterlijk of figuurlijk bezweek onder alle media-aandacht is het geval van de Petit Grégory. taar, waardoor politiek en justitie een indruk krijgen van de urgentie van het aangedragen onderwerp.10 Hoewel de door onderzoeksjournalisten opgediepte politiek-financiële schandalen tot politieke interventies leidden, is dat veel minder het geval met commune strafzaken. De Franse politiek is minder geïnteresseerd in lopende strafzaken dan de Nederlandse politiek. Wel komen er vaker dan in Nederland processen voor tegen journalisten en boekenschrij- vers. Dat zit als volgt. Er is een levendige traditie om achtergrond- verhalen van strafzaken te maken. Serieuze sterverslaggevers als Pascale Robert-Diard (Le Monde) beschrijven dan met een bijna literaire pen de dialoog tussen rechter en verdachte en vragen die rijzen over de totstandkoming van het bewijs. Maar onder de noemer ‘faits divers’ waartoe ook de misdaadverslaggeving wordt gerekend, publiceren regionale kranten en het glossy Paris Match de bloederigste details – sommige gestaafd met foto’s van de crime scene, jeugdfoto’s van de dader en foto’s van de laatste zonvakantie van het slachtoffer. En dat leidt dan tot strafzaken die met een action civile beginnen (naar aanlei- ding van beweerde strafbare feiten op grond van het mediarecht) en tot korte gedingen tegen publicaties. De rechter toetst in deze procedures uitvoerig de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, de diepgang van het journalistieke onderzoek en recht op hoor- en wederhoor. Opvallend is hoezeer in vergelijking met Nederland misdaadverslag- geving ook een plaats inneemt op de televisie. Zeker, naast Peter R. zijn er ten onzent meer programma’s over misdaadverslaggeving. Maar de frequentie in Frankrijk is groter en er zijn meer genres. In de tv-gids van 22-28 september 2008 telde ik zes ‘real crime’ programma’s, waarvan de helft op prime time werd uitgezonden en we aan een duur van minstens 90 minuten moeten denken. 10 Over agendasetting en ontijdige maatschappelijke oordeelsvorming schreef ik Media en de parlementaire enquête opsporingsmethoden, in: A. Ellian en I.M. Koopmans (red.), Media en strafrecht, Kluwer 2001.
  25. 25. 46 47BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma reguliere opsporing in de weg lopen en bijdragen aan een afnemende kwaliteit van de opsporing. 2. Men vreest dat burgers derden benadelen, zoals in de zaak van petit Grégory. 3. Men vreest een verlies aan gezag voor politie en justitie ten gevolge van burgeropsporing. Ik zal deze drie punten nader uitwerken. Laat ik vooropstellen dat het eerste punt – de storingsfactor – reëel is. Het is nu al zo dat de druk die uitgaat van slachtoffers of nabe- staanden, van indirect getroffenen of zelfs het grote publiek ietwat storend kan werken. Politie en justitie worden steeds vaker geacht tekst en uitleg te geven in onderzoeksfasen waarin zij dat niet noodzakelijk willen. Dat kost tijd aan woordvoering. Dit aspect is evenwel in zoverre te relativeren dat het OM blijkens de nieuwe richtlijnen op dit gebied principieel hebben gekozen voor een ‘alert en assertief voorlichtings- beleid’: dat vergroot het vertrouwen in en de legitimiteit van OM en politie.12 Natuurlijk: het OM moet zich voegen naar de eisen van de drama-democratie. Toch kunnen er hinderlijke neveneffecten ontstaan. Wat gebeurt er met zo’n dorpje als het dorp van de petit Grégory – maar we kunnen ook denken aan Aruba of Bonaire – wanneer daar een zwerm journalisten opduikt? En meer van justitiële aard is de hinder die ontstaat als derden bijvoorbeeld via de media en onbedoeld komen te beschikken over daderkennis. Dat kan zelfs gevaarlijk zijn vanwege het verschijnsel dat veel media-aandacht voor grote zaken wonderlijk genoeg ook leidt tot vrijwillige valse bekentenissen. Ook ander onder- zoek kan hierdoor worden beïnvloed. Druk uit de samenleving heeft effect op de prioritering van onderzoek.13 De media kunnen bijdragen aan een soort moral panic waardoor men aan ander onderzoek minder toekomt.14 Ik verbeeld me dat dit een van de redenen is waarom in 12 Aanwijzing voorlichting en opsporing 2007/A017 13 C.J. de Poot, R.J. Bokhorst, P.J. van Koppen, E.R. Muller, Rechercheportret, Kluwer 2004, p. 326. 14 Michael Tonry, Thinking about Crime, Oxford UP 2004, p. 86; David Garland, The Culture of Control, Oxford UP 2001, p. 172. Het ging om de moord in 1984 op een vierjarig jongetje Grégory Villemin in een klein dorpje in de Vogezen. Een invasie van journalisten volgde en de media schiepen een hysterische sfeer. De politie houdt de zwager van de vader aan. Kort nadat deze weer is vrijgelaten, wordt hij door de vader doodgeschoten. Die had in de media verklaard, dat als de justitie haar werk niet deed, hij dat wel zou doen. De vader wordt later tot (slechts) 5 jaar cel veroordeeld voor deze moord. Vervolgens wordt de moeder op grond van grafologisch onderzoek aange- houden en kort daarop weer vrijgelaten. De beroemde schrijfster Marguerite Duras schrijft in een landelijk dagblad een openbare aanklacht tegen haar zonder al teveel van de feiten van het onderzoek te kennen. Geleidelijk aan wordt de moeder steeds meer beschreven als een diabolische manipulator. In 1993 zal ze buiten vervolging worden gesteld. In 2001 wordt het onderzoek zonder succes heropend. Als voorlopig besluit van de affaire du Petit Grégory wordt de Franse Staat in 2004 veroordeeld voor faute lourde (een administratiefrechtelijke onrecht- matige daad), in een procedure aangespannen door de ouders. Het onderzoek is dermate slecht verricht, dat de Franse Staat schuldig is aan een série de faits traduisant l’inaptitude du service public de la justice à remplir la mission dont il est investi.11 Die zaak riep minstens drie vragen op die illustratief zijn voor de gevaren van de rol van de media in de dramademocratie. Is de kwaliteit van het opsporingsonderzoek afgenomen als gevolg van de activi- teiten van de journalisten? Is de vader – die een vrijgelaten verdachte doodschoot – door de media tot zijn emotionele daad gebracht? Is de moeder onschuldig als dader aan de schandpaal genageld door het commentaar van een beroemde schrijfster die de feiten onvoldoende had geverifieerd? De laatste twee vragen sluiten naadloos aan bij wat ik hiervoor kenmerkend noemde voor de ontwikkeling van de media in de dramademocratie: minder verificatie, meer emotie en commentaar. Wat is er eigenlijk mis met burgeropsporing? Dat brengt me dan bij de kern van deze beschouwing: de behandeling van de vraag wat er mis is met burgeropsporing? Ik denk dat drie typen argumenten zijn te onderscheiden. 1. Men vreest dat burgers bij de 11 Berichtgeving uit L’Alsacien, L’Humanité, Le Monde; en verder M. Chavannes, Wraak aan de Vologne, in: NRC Handelsblad 18-12-1993. Over de kwalijke rol van de media in de affaire schreef Laurence Lacour, Le Bûcher des innocents, Plon, Parijs 1993, herdruk 2006 (en verfilmd voor de tv).
  26. 26. 48 49BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma onrechtmatigheden is inmiddels een zekere jurisprudentie ontwikkeld die door Sven Brinkhoff op een rij is gezet. Deze inventarisatie is even- eens in deze bundel opgenomen. Heel kort samengevat komt de juridische stand van zaken op het volgende neer. Strafbare feiten die in het kader van burgeropsporing worden gepleegd, blijven strafbare feiten. Inbraak (art. 138 en 311 Sr), het maken van illegale opnamen (art. 139a-d Sr), heimelijk fotograferen of filmen (art. 139f Sr), vrijheidsberoving (art. 282 Sr), het bedreigen of chanteren van mensen teneinde dingen te vertellen (art. 284-285 Sr), verduistering (art. 321 Sr) en niet in de laatste plaats heling, het uit misdrijf verkregen goed voor handen hebben (art. 416 Sr)– het zijn evident verboden methoden waarvan een burgeropspoorder zich dus niet mag bedienen.16 Ze komen wel voor. Een voorbeeld is een zaak waarin een creditcard-maatschappij medewerkers op pad stuurde om vermoedelijke fraudeurs te achterhalen en ontmaskeren. Deze medewerkers bleken zich onder meer te hebben schuldig gemaakt aan uitlokking van diefstal (uit de brievenbussen van de fraudeurs) en illegaal maken van geluidsopnames.17 De meeste (bijzondere) opsporingsmethoden waarover de politie kan beschikken worden gespiegeld in deze aan de burgers verboden feiten. Als we ons wat dit betreft zorgen maken over burgeropsporing, is nadere strafbaarstelling niet nodig. Nu zijn er twijfelgevallen en in zijn eerder aangehaalde tekst heeft Brouwer juist die twijfelgevallen aangewezen. Iemand langdurig heimelijk volgen op een openbare weg vergt soms – namelijk op grond van een interne OM-richtlijn in geval gebruik wordt gemaakt van een video-apparaat – een observatiebevel als de politie het doet, terwijl een particulier het zo maar mag. En het verhoor van een verdachte 16 Voorbeelden van bedreiging of chantage zijn ons overigens niet onder ogen gekomen. 17 HR 1 juni 1999, wAAe 2000 (2): 117-121 (Particuliere opsporing); ook opgenomen in A.B. Hoogenboom e.a. (red.), Privatisering van toezicht en opsporing, Vermande, Den Haag 2000: 139-144. Nederland zo buitengewoon weinig aan witteboordencriminaliteit wordt gedaan. Natuurlijk zijn er ook andere factoren in dat verband van belang (gebrek aan expertise bij politie en OM), maar een individueel slacht- offer waarvan het betraande gezicht in alle huiskamers te zien is, heeft meer impact dan duffe opnames van kasregisters. Niettemin meen ik dat deze problemen moeten kunnen worden ondervangen. Professionele woordvoerders kwijten zich tegenwoordig heel behoorlijk tot uitstekend van hun taak; men is zorgvuldig in het bepalen wat wel en wat niet naar buiten komt. Het is zelfs zo dat de vraag steeds interessanter wordt of en zo ja in welke mate de politie zelf de media gebruikt. Via het programma Opsporing Verzocht gebeurt dat op transparante manier. Maar er wordt zoveel uit politiedossiers naar de media gelekt, dat je je soms afvraagt of dat niet gebeurt met de bewuste bedoeling om ‘reuring’ teweeg te brengen in de onderwereld. En wat betreft de vraag of politie en justitie wel de juiste prioriteiten stellen lijkt het probleem uiteindelijk minder te liggen bij de massamedia dan bij politici en leidinggevenden voor wie het moeilijk is het minder spectaculaire onderzoek te beschermen tegen de waan van de dag. Onrechtmatigheden tegen derden Het tweede probleem krijgt doorgaans de meeste aandacht: burger- opsporing kan leiden tot onrechtmatigheden jegens derden. We zagen al de akelige situatie dat de moeder in de zaak van petit Grégory aan de schandpaal werd genageld. Iets dergelijks – maar op een veel kleiner niveau hebben we in Nederland meegemaakt naar aanleiding van een steekpartij in Scheveningen. Nadrukkelijk overweegt de rechtbank in die zaak dat verdachte die had geprobeerd de zaak te beëindigen zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig feit dat hem ten laste is gelegd. Die ongebruikelijke formulering – er staat niet louter dat er wordt vrij- gesproken – is ingegeven door het feit dat verdachte door alle media- aandacht door de publieke opinie reeds was veroordeeld.15 Over de 15 Rb Den Haag 18 oktober 2007, LJN BB5930
  27. 27. 50 51BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma volgens het Hof niet nodig om de door hem beweerde misstand aan de kaak te stellen.19 De bijzondere omstandigheden aangaande art. 139f Sr gelden niet voor de andere strafbepalingen waar burgeropspoorders zich schuldig aan kunnen maken. Toch komen ook andere vervolgingen zelden voor. Ik herinner me bijvoorbeeld geen gevallen na 1996, waarin journalisten die gebruik maken van kennelijk gestolen of met schending van een geheimhoudingsplicht (verg. art. 273 Sr) verstrekte stukken, wegens heling werden vervolgd.20 Wel was er een recenter geval waarin de auteur van een boek zich (93 keer) voordeed als een ander om mogelijk misbruik te maken van het vertrouwen waarop het bancaire systeem van automatische incasso is gebaseerd. Hij werd onder meer wegens valsheid in geschrift vervolgd en schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Daarmee volgde het Hof een eerder geval van een journalist die wilde uitzoeken of de controle van overheidswege bij de uitgifte van rijbewijzen adequaat was en zich daarbij van een valse naam had bediend. Noch diens beroep op het journalistieke privilege, noch op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid ging op. Ook hij was schuldig verklaard zonder oplegging van straf.21 Als er dus in een geval van burgeropsporing vervolgd wordt wegens de gebruikte onderzoeks- methodes, blijkt de rechter nogal weinig lust te hebben een straf op te leggen. De belangrijkste voorbeelden van vervolging die wij hebben kunnen vaststellen waren gevallen waarin de vruchten van burgeropsporing werden gepubliceerd in de media. Dan ging de vervolging dus niet om het gebruik van verboden methoden, maar om smaad o.i.d. 19 Hof Leeuwarden 24 juli 2008, NJFS 2008, 202, LJN: BD8528. 20 De Rechtbank Amsterdam 2 januari 1996 liet twee journalisten vrijuit gaan aan wie gestolen diskettes van een officier van justitie in handen waren gespeeld en die deze in hun programma hadden getoond. 21 Hof Amsterdam 8 maart 2005, LJN AS9143 resp. HR 27 juni 1995, NJ 1995, 711. kent inderdaad de voorwaarde dat de politie de cautie geeft (en sinds kort soms een band laat meelopen), terwijl een particulier zomaar een praatje kan aanknopen. Dat zijn geen verschillen waar ik erg warm van word, maar ik zie het punt van Brouwer wel. Zelf zou ik eerder hebben gedacht aan hoogwaardige datamining waar particulieren toe in staat zijn en de politie zelden of nooit aan toekomt. Maar meer nog zou ik hebben gedacht aan het volgende. De vervolging van strafbaar gestelde methoden komt niet – of uiterst sporadisch – voor. Dat is nog te begrijpen als het om heimelijk filmen gaat. In het betreffende art. 139f Sr is als vereiste opgenomen dat het filmen wederrechtelijk geschiedt en dat is vooral gebeurd met het oog op de overweging dat de vrije nieuwsgaring kan betekenen dat het filmen niet wederrechtelijk was. Of in een concreet geval de vrije nieuwsgaring inderdaad het zwaarst moet wegen, is een kwestie waarover in de Leidraad van de Raad voor de journalistiek het volgende is geschreven: “De journalist publiceert geen foto’s en zendt geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegan- kelijke ruimten zonder hun toestemming, en gebruikt evenmin brieven en persoonlijke aantekeningen zonder toestemming van betrokkenen” (art. 2.4.3). Maar de Raad is van oordeel dat de journalist van deze norm kan afwijken als een gewichtig maatschappelijk belang dit recht- vaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden.18 Het zijn terechte maatstaven die zo zacht zijn, dat je er ogenschijnlijk weinig aan hebt. Toch hanteerde het Hof Leeuwarden dezelfde norm toen het undercover-journalist Alberto Stegeman veroordeelde tot 1000 euro wegens het heimelijk filmen in een woning. Die methode was 18 In de Code voor de journalistiek van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren staat onder 20. “De journalist publiceert geen tekst of foto’s en zendt geen audio-opnames of beelden uit die zijn gemaakt van personen in privé-situaties zonder toestemming van de betrokkene, tenzij met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend”
  28. 28. 52 53BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma vervolging van grove inbreuken op de privacy door de burgeropspoor- ders en voor de introductie van een geclausuleerd verbod aan de over- heid om te profiteren van onrechtmatige burgeropsporing. Hij schrijft: “Handelt de opsporende burger strafrechtelijk onrechtmatig, dan zou ten eerste dat materiaal niet mogen worden gebruikt dat met een grove inbreuk op het recht op privacy en op een haast professionele wijze is vergaard. Ten tweede dient het materiaal terzijde te worden gelegd dat verkregen is door het schenden van de lichamelijke integriteit of het dreigen hiermee.” Dat lijkt een verstandige benadering. Een extra over- weging zou kunnen zijn dat de politie dan ook niet in de verleiding komt om onrechtmatige opsporingsmethoden te ‘outsourcen’ naar burgers. Toch zit ik een beetje met deze oplossing. Laten we eens een ogen- schijnlijk gemakkelijke casus nemen. Het kind van Piet is gekidnapt. Hij komt de kidnapper op het spoor en slaat deze man – die niets wil zeggen over de verblijfplaats van het kind – op zodanige wijze dat dit onbetwist als foltering is aan te merken. De kidnapper vertelt dat het kind dood is en wijst de plaats aan waar het lichaam is te vinden. Daarmee is doorslaggevend bewijs tegen de kidnapper/moordenaar geleverd, dat is gebaseerd op foltering door Piet. Natuurlijk kan Piet worden vervolgd voor foltering, zoals ook de vader van le petit Grégory werd vervolgd voor moord. Maar zouden we het bewijs moeten uitsluiten? Het gaat nota bene om foltering – een schending van art. 3 EVRM ten aanzien waarvan is vol te houden dat de lidstaten de posi- tieve verplichting hebben deze tegen te gaan. Is profijt van de foltering dan niet (zoals Brinkhoff ook suggereert) uit den boze? Het Europese Hof vond laatst van niet in een casus waarin niet de vader folterde, maar een politiefunctionaris dreigde met foltering.23 Bij dat oordeel speelde echter een grote rol dat er wel een vervolging tegen de folteraars was ingesteld. Het zou ook wel heel onverkwikkelijk zijn als de moorde- 23 EHRM 30 juni 2008 (Gäfgen v. Germany). Soms wordt overigens niet strafrechtelijk opgetreden, maar kiest een betrokken partij de civielrechtelijke weg. Een voorbeeld is het geval waarin een vordering tot rectificatie tegen een programma van Peter R. de Vries (uit 2004) door de Amsterdamse politie en een inspecteur van politie gedeeltelijk werd toegewezen, omdat niet alle aantijgingen aan het adres van de politie en de betreffende inspecteur eenduidig steun vonden in de feiten.22 Maar ook in de civiele praktijk lijkt het eerder te gaan om bezwaren wegens publicatie dan wegens het toepassen van onrechtmatige methoden. Het gebruik van de vruchten Een ook door Brouwer uitdrukkelijk aan de orde gestelde volgende vraag is wat het Openbaar Ministerie aanmoet met de vruchten van onrechtmatig optreden van burgers. Kan de officier van justitie door een burger toegespeeld materiaal voor het bewijs gebruiken? Doorslaggevend blijkt – o.m. als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens – of (en zo ja, in welke mate) de autoriteiten de burgeropsporing hebben aangestuurd. Is er sprake van een sturende of faciliterende rol van politie of justitie dan kan de rechter besluiten tot bewijsuitsluiting. Maar ook hiervan zien we in de praktijk bijzonder weinig voorbeelden. Rechtsvergelijking met de situatie in de VS of België suggereert dat het van een bijna onver- antwoord idealisme getuigt, als men zou menen dat dit wat betreft het rechterlijk optreden anders zou kunnen. Onrechtmatige burgeropsporing leidt niet of nauwelijks tot vervolging en evenmin tot bewijsuitsluiting – hoewel beide juridisch-theoretisch mogelijk zijn. Het lijkt me goed om even stil te staan bij de wenselijk- heid van deze stand van zaken. Brinkhoff heeft in zijn studie gepleit voor 22 Rb. Amsterdam 30 september 2004, LJN: AR3019. Een uitzonderlijk geval waarin een wetenschapper (die voor de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden had gerapporteerd) deed zich voor in HR 28 juni 2002, LJN AE1544.
  29. 29. 54 55BURGEROPSPORING IN DE DRAMADEMOCRATIE | Prof. mr. Ybo Buruma gebruiken. Maar ten aanzien van het aanvaarden van hulp van de zijde van particulieren die hun wettelijke grenzen hebben overschreden denk ik dat een herstel van de morele functie van het OM wel op zijn plaats is. Ik meen me te herinneren dat de tot nu toe door mij zo geroemde Peter R. de Vries ook een keer een programma heeft gemaakt, waarin hij jonge mannen die eruit zagen als tieners min of meer als lokvogels voor een pedoseksueel inzette. Deze man is toen naar een afgesproken plaats gegaan met het kennelijk doel daar verboden seks te bedrijven. Hij is overigens niet vervolgd. Terecht niet (nog los van de vraag waavoor dan wel). Soms moet worden gezegd: “Zo doen we dat niet en dat heeft gevolgen”. Maar als het OM dan ondanks de daartoe niet verplichtende recht- spraak soms zelf moet besluiten de vruchten van onrechtmatige burgeropsporing niet te gebruiken, kunnen we ook een andere vraag stellen. Is de vanuit een juridische logica zo aannemelijke conclusie dat onrechtmatige burgeropspoorders vaker moeten worden vervolgd dan ook wel zo juist? Dat is een beduidend kwestieuzere conclusie dan hij lijkt als we louter uitgaan van duidelijke, scherpe voorbeelden. En dat heeft te maken met het derde probleem van burgeropsporing in de dramademocratie. Het verlies aan gezag Het derde probleem waar burgeropsporing ons voor stelt, brengt ons terug bij de dramademocratie. Het is ontegenzeggelijk zo dat journalistiek en wetenschappelijk onderzoek kan leiden tot politieke of juridisch relevante kritiek. Programma’s van Peter R. de Vries hebben zowel geleid tot kamervragen als tot de heropening van het onder- zoek in de Puttense moordzaak. De boeken van Van Koppen over de Schiedammer parkmoord en Derksen over Lucia de B. hebben eveneens een indringende betekenis gehad. Er is echter ook ander onderzoek geweest dat achteraf geen gevolgen had. Het interview met de ‘undercover partner’ van Peter R. de Vries in de Hollowayzaak eindigde voorshands toch vooral in een deceptie. De veronderstelde naar zijn straf ontliep omdat de vader hem had geslagen! Als deze benadering al voor foltering door een burger opgaat, zal hij helemaal gelden voor inbraak en andere inbreuken op de privacy die een burger- opspoorder toepast. De conclusie lijkt helder: vaker straffen, maar geen bewijs uitsluiten (ondanks het profijtargument)! Nu zouden we de vraag kunnen stellen of het OM wat dit betreft de taak van de rechter moet overnemen en zelf het bewijs uitsluiten van het onderzoek. Er is iets voor te zeggen, dat het OM als filter zou moeten fungeren voor de aanbrengers van delicten. Het argument is al door W. Boot in 1885 – 123 jaar geleden – naar voren gebracht dat het openbaar ministerie is ingesteld om vervolging uit particuliere wraakzucht te voorkomen. “Daarmee is onverenigbaar dat het open- baar ministerie – zoals bij aanvaarding van het legaliteitsbeginsel s– gedwongen zou zijn <op alle klachte eene vervolging in te stellen, zelfs op de onbeduidendste, op die welke niet onmiddellijk de algemeene rechtsorde raken en die vaak geen ander doel hebben dan om particu- liere hartstocht of wraakzucht te voldoen>”.24 Wees gerust, ik grijp deze gelegenheid niet aan om nog eens te fulmineren tegen de vervolging van flutdelicten. Vanuit deze redeneerlijn is evenwel te betogen dat het OM ook als filter moet fungeren voor gevallen waarin het de inbreuk van de burgeropspoorder niet in verhouding vindt staan tot het door de inbreuk bekend geworden delict. De door onrechtmatige burger- opsporing ontdekte verdachte moet alleen worden vervolgd als daarmee een groot maatschappelijk belang wordt gediend. Dat eist overigens wel dat het OM bereid is bij dit soort zaken minder in termen van beleid te denken dan in termen van controle in individuele zaken. Er zullen ongetwijfeld gevallen zijn dat het delict dermate ernstig is, dat je als OM wel degelijk het onrechtmatig verkregen, aangeleverde burgerbewijs wilt 24 Aangehaald door J. Simmelink, Rondom de vervolgingsbeslissing, in M.S. Groenhuijsen en G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording. Onderzoeksproject Strafvordering 2001, Kluwer 2004, p. 192-193.
  1. A particular slide catching your eye?

    Clipping is a handy way to collect important slides you want to go back to later.

×