Uploaded on

 

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
426
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1

Actions

Shares
Downloads
1
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. PU; Huisje Boompje Kindje
  • 2. Amy kijkt om zich heen. ‘Waar is Tessa?’ vraagt ze aan haar oudste broer die naast haar staat. ‘Ze is thuis en past op Nienke en Lynn. Volgens mij was ze niet zo blij, maar Dave stond erop dat ze thuis bleef. Ik weet dat Tessa altijd zegt dat hij te bezorgd is, maar ik ben het dit keer toch met hem eens.’ Legt Pim uit.
  • 3. Daan schraapt zijn keel en neemt het woord. ‘Fijn dat jullie allemaal hier zijn. Ik snap het als jullie er niets van begrijpen, maar het is echt heel dringend.’ Zegt hij zenuwachtig. Hij en Susan staat bij de deur en hun kinderen staan tegenover hen. Toch is de familie niet compleet.
  • 4. Toch is de familie niet compleet. Naomi heeft een bezorgde uitdrukking op haar gezicht. ‘Wat is er met Noa aan de hand?’ vraagt ze. Haar ouders hebben nog geen van haar broers en zussen vertelt wat er aan de hand is. Het enige wat ze weet is dat Noa niet op haar werk is aangekomen.
  • 5. Daan neemt opnieuw het woord. ‘Noa is weggelopen.’ Zegt hij en hij kijkt alle personen in de kamer stuk voor stuk aan. ‘Ze ging overstuur naar haar werk, maar ze is nooit aangekomen.’
  • 6. Nu is het Carmen die iets vraagt. ‘Maar waarom was ze dan overstuur? Ze loopt toch niet zomaar weg? Dat kan ik me van Noa echt niet voorstellen.’ Zegt ze en hij haar schoonouders verbaasd aan.
  • 7. Susan knikt. ‘Het ging al een tijdje niet zo goed met Noa. Ze was vaak misselijk, vooral ’s ochtends. Ik was al een paar weken ongerust, maar deze middag heb ik met haar een zwangerschapstest gedaan. Die was dus positief. Toen ik haar naar de vader van het kindje vroeg werd ze kwaad en ze liep het huis uit.’
  • 8. Geen van de personen in de kamer weet nog iets te zeggen. Als standbeelden staan ze in de kamer en ze proberen de informatie in hun hoofd te verwerken. Amy is de eerste die iets zegt. ‘Maar ik wist helemaal niet dat ze een jongen zag. Laat staan dat ze een vriendje had.’
  • 9. De anderen kijken haar aan. ‘Volgens mij is de verrassing voor ons alleen maar groter. Wij wonen met haar in huis en zelfs wij hebben niets gemerkt.’ Zegt Timo. Naomi draait zich naar haar vader en moeder. ‘En nu?’ vraagt ze. Ze voelt de tranen in haar ogen prikken, maar laat het niet merken.
  • 10. Susan haalt haar schouders op. ‘Wij weten het ook niet precies. Ik denk dat we haar moeten gaan zoeken, daarom hebben we jullie allemaal laten komen. Ze kan intussen overal zijn.’
  • 11. Daan knikt. ‘We hoopten ook dat jullie misschien iets meer wisten over een mogelijke vader van het kind.’ Plotseling gaat de deur achter Daan open. ‘Wat is het hier gezellig? Jullie organiseren een familiereünie en ik mag gewoon werken?’ zegt Saskia.
  • 12. Daan stapt opzij zodat Saskia naar binnen kan lopen. Nu pas ziet ze alle aangeslagen gezichten. Ze richt zich tot haar vader. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt ze.
  • 13. Daan legt snel het hele verhaal uit. Met elk woord begint het gezicht van Saskia meer te lijken op dat van haar broers en zussen. ‘Waar wachten we nu nog op? We moeten haar gaan zoeken.’ Zegt ze dan ook als haar vader klaar is met zijn verhaal.
  • 14. Iedereen is het met Saskia eens. Niemand wil binnen zitten afwachten. Ze splitsen zich op en gaan ik groepjes van twee de nacht in, opzoek naar hun zusje.
  • 15. Amy en Luke lopen samen door een park een paar kilometers van hun ouderlijk huis vandaan. Elk koppel heeft een deel van de stad gekregen om te doorzoeken en zij beginnen nu aan hun zoektocht.
  • 16. Na ruim een uur door het donker lopen gaat Amy op een van de bankjes in het park zitten. Luke volgt haar voorbeeld. ‘Ik kan het gewoon niet geloven.’ Zucht ze.
  • 17. Luke slaat zijn arm om haar heen en zijn warmte doet haar toch weer een beetje opleven. ‘Ik denk dat niemand dit heeft voorzien. Noa heeft haar relatie, als ze die al heeft, heel goed geheim kunnen houden.’
  • 18. ‘Toch kan ik het niet geloven. Zoiets had ik nooit achter Noa gezocht. Het is meer iets voor... Anna.’ zegt Amy. Luke lacht. ‘Jullie lijken allemaal meer op elkaar dan jullie willen toegeven.’
  • 19. Amy grijnst. ‘Laten we hier maar niet te lang blijven zitten. We weten niet waar Noa op dit moment toe is staat is.’ Luke knikt. ‘We vinden haar wel. Daar moeten we in vertrouwen.’ Zegt hij en na een laatste kus staat hij op.
  • 20. ‘Waar moeten we in hemelsnaam beginnen?’ zegt Emiel. Hij en Saskia zijn samen op pad. Susan wilde eigenlijk dat ze niet samen zouden gaan, maar samen hebben ze hun moeder er toch van kunnen overtuigen dat hen niets zou gebeuren en dat ze samen best konden zoeken.
  • 21. Saskia haalt haar schouders op. ‘Als jij Noa zou zijn, waar zou jij jezelf dan verstoppen?’ vraagt ze. Emiel schudt zijn hoofd. ‘Dat kan overal zijn. Misschien moeten we het aan iemand vragen.’ Stelt hij voor.
  • 22. Saskia knikt en de eerste vrouw die ze tegen komen houden ze aan. ‘Sorry dat we u storen, mevrouw.’ Zegt Saskia vriendelijk. ‘We zijn opzoek naar ons zusje.’ Zegt ze en pakt een oude familiefoto uit haar zak.
  • 23. De vrouw knijpt haar ogen samen. ‘Sorry, maar ik kan jullie niet verder helpen.’ Zegt ze en ze loopt weer verder. Saskia zucht. ‘Laten we verder gaan kijken.’
  • 24. Ze vragen het nog aan een paar mensen, maar niemand heeft Noa gezien. Emiel zucht geïrriteerd. ‘Wiens idee was dit eigenlijk?’ vraagt hij, maar Saskia reageert niet. Emiel volgt haar blik en ziet waar ze naar kijkt. Hij blijft staan en hij houdt haar tegen.
  • 25. ‘Nee Saskia, zo moet je niet denken.’ Zegt hij streng. ‘Sorry, het is gewoon… Die grafstenen herinneren me eraan wat er allemaal wel niet kan gebeuren. Straks doet ze zichzelf iets aan!’ Emiel schudt zijn hoofd. ‘Niet als we haar eerst vinden.’ Zegt hij en loopt stug door.
  • 26. Timo en Naomi zijn ook samen op pad. Ze hebben een ander deel van de omgeving gekregen. Naomi voelt nog steeds de tranen in haar ogen. Timo legt zijn hand op haar schouder. Ze kijkt hem voorzichtig aan en tovert een klein lachje op haar gezicht.
  • 27. Ze vindt het fijn om met Timo door het donker te lopen. Ze begrijpen elkaar veel sneller dan alle anderen. Samen met Noa hebben ze zo vaak gespeeld. Ze dacht dat ze alles deelden, maar daar heeft ze zich toch in vergist.
  • 28. Op het midden van de brug blijven ze staan en kijken over het water. Het park is verlaten. Ze lopen nu al een paar uur door de donkere nacht. Ze hebben nog niet veel tegen elkaar gezegd, maar Naomi weet dat Timo hetzelfde voelt als zij.
  • 29. Ook Timo heeft geen woorden nodig om te weten wat zijn zus voelt. Verbaasdheid, bezorgdheid, teleurstelling, verdriet en nog veel meer. Hij heeft moeite om zijn emoties uit elkaar te houden.
  • 30. Naomi tuurt gespannen over de grote vijver. Alles om haar heen lijkt zo vredig, maar vanbinnen is ze alles behalve rustig. Haar zus is zwanger en ook nog eens spoorloos. Plotseling houdt ze haar adem in. Ze knijpt haar ogen dicht, maar het beeld op haar netvlies liegt niet.
  • 31. Ze laat haar adem ontsnappen en Timo kijkt verbaasd haar kant op, maar Naomi is al om hem heen gerend. De tranen stromen over haar wangen van geluk. Ze hebben Noa gevonden!
  • 32. Ze hoort de adem van Timo achter zich, maar ze stopt niet met rennen, niet voor ze haar zus in haar armen heeft. Nog een paar meter, nog een paar stappen en dan is deze hele zoektocht voorbij.
  • 33. Ze wil de vrouw om de nek vallen, maar de vrouw houdt haar van zich af. ‘Ben je gek geworden ofzo? Ga iemand anders lastigvallen!’ roept ze en draait zich woedend om. Op dat moment haalt Timo haar in.
  • 34. Naomi blijft beduusd staan. Dit is Noa niet. Haar zus is nog steeds ergens in de donkere nacht, helemaal alleen. Ze slaat haar handen voor haar ogen en begint onbedaarlijk te huilen. Timo slaat zijn armen om haar heen.
  • 35. ‘Stil maar.’ Fluistert hij in haar oor, maar Naomi kan horen dat hij het zelf ook heel moeilijk heeft. Na een paar minuten veegt ze de tranen van haar ogen. ‘We gaan haar vinden.’ Zegt Timo. ‘Het moet.’
  • 36. Thomas heeft veel minder geluk. Hij en Anna waren de enige die overbleven. Hij heeft geen tweelingbroer of zus en ook een relatie heeft hij niet zoals Pim of Amy.
  • 37. Hij zucht en blijft staan. ‘Waar zullen we beginnen met zoeken?’ vraagt hij, maar Anna kijkt totaal een andere kant op. ‘Wat zie je?’ vraagt hij hoopvol en hij volgt haar blik.
  • 38. Teleurgesteld draait hij zijn hoofd terug. ‘Een jongen… ik had het kunnen weten.’ Zucht hij. Anna haalt haar schouders op. ‘Laten we maar die kant opgaan.’ Stelt ze voor en gaat Thomas voor.
  • 39. Thomas volgt haar. Hij is verbaasd dat Anna haar best doet. Ze heeft de hele avond nog niets gedaan om Noa te vinden. Ze lijkt het helemaal niet erg te vinden dat iedereen ongerust is.
  • 40. Maar ook deze keer wordt hij teleurgesteld. Al snel staat Anna bij een espressobar en natuurlijk staat er een man achter de kassa. Hij voelt de woede door zijn aderen stromen.
  • 41. Met een paar grote stappen staat hij voor haar. Zijn hele gezicht is vol woede. ‘Hoe kun je op dit moment aan mannen denken?!’ roept hij en kijkt haar uitdagend aan.
  • 42. ‘Noa is spoorloos verdwenen! Niemand weet waar ze is en iedereen is doodongerust en wat doe jij?! Jij gaat hier even een espressootje bestellen alleen maar omdat er toevallig een man achter de kassa staat die je wel leuk lijkt!’ roept hij.
  • 43. ‘Doe eens rustig, joh.’ Zegt Anna verveeld. ‘Ik weet ook wel dat jullie je allemaal zorgen maken, maar ik vind het een beetje overbodig om hier op mijn vrije avond naartoe te komen. Dan mag ik toch ook nog wel een beetje lol hebben?’
  • 44. Thomas zucht. ‘Wat heb ik toch aan jou?’ Anna haalt haar schouders op. ‘Je mag ook wel alleen verder gaan.’ Zegt ze en wil ze omdraaien, maar Thomas houdt haar tegen. ‘Nee Anna. Zoiets doe je niet. We zijn familie en we helpen elkaar als iemand het moeilijk heeft.’
  • 45. Anna is even stil. ‘Goed dan. We gaan wel verder zoeken.’ ‘Wacht even.’ Zegt een zware stem achter hen. ‘Hier heb je mijn nummer.’ De espressomeester geeft Anna een klein papiertje. ‘Misschien kunnen we eens wat afspreken, maar laat je waakhond thuis.’
  • 46. Anna knikt en met een triomfantelijke blik kijkt ze Thomas aan. ‘Zullen we verder gaan?’ vraagt ze poeslief. Thomas zucht geïrriteerd, maar draait zich toch om.
  • 47. Anna volgt hem zonder iets te zeggen. Ze zal het nooit toegeven, maar de woorden van Thomas zetten haar aan het denken. Ze kijkt opzij en ziet een man aan de schaaktafel zitten. Normaal zou ze op hem afgestapt zijn, maar ze twijfelt. ‘Opschieten, we hebben niet de hele nacht de tijd om haar te zoeken.’ Zegt ze en haalt Thomas in.
  • 48. Daan en Susan hebben samen een ander deel van de omgeving op hun rekening genomen. Ze zijn allebei diep in gedachten als ze het kleine parkje inlopen.
  • 49. Plots blijft Susan staan. ‘Hadden we dit niet veel eerder moeten opmerken?’ vraagt ze zich hardop af. ‘Ik bedoel, we zijn haar ouders. We hadden er voor haar moeten zijn. Ze had ons in vertrouwen kunnen nemen.’
  • 50. Haar stem vult zich steeds meer met tranen en Daan legt zijn vinger op haar lippen om haar stil te krijgen. Hij trekt haar naar zich toe. ‘We konden het niet weten.’
  • 51. Susan schudt haar hoofd en wil zich lostrekken, maar Daan houdt haar stevig vast. Susan merkt dat ze niet meer kan vechten tegen haar tranen. Ze laat de druppels over haar wangen lopen en ze op de trui van Daan vallen.
  • 52. Na een paar minuten haalt ze haar neus op. ‘Laten we verder zoeken. Ik vind het vreselijk om te moeten denken dat ze helemaal alleen in het donker zit nu.’
  • 53. Daan knikt en volgt haar. Hij vindt het idee dat zijn kleine meisje nu helemaal alleen is ook vreselijk en hij verdringt de gedachten eraan. Hij moet sterk zijn, voor Susan, voor Noa en voor zichzelf.
  • 54. Hij kijkt om zich heen. De straten zijn donker en er is bijna niemand meer te zien. Hij heeft geen idee hoe laat het is, maar hij voelt ook geen aandrang om op zijn horloge te kijken.
  • 55. Plots blijft Susan staan. Daan loopt bijna tegen haar aan en kijkt naar haar gezicht waar geen emoties op te lezen zijn. ‘Wat is er?’ vraagt hij. ‘Wat nu als het aan ons ligt? Misschien hebben wij wel iets helemaal verkeerd gedaan?’
  • 56. Daan kijkt haar verbaasd aan. ‘Hoezo hebben wij iets verkeerds gedaan? Wanneer dan?’ Susan kijkt hem indringend aan. ‘Kijk maar naar Pim en Carmen. Carmen durfde Pim toch ook niet te vertellen dat ze geen kinderen kon krijgen.’
  • 57. Daan kijkt haar nog steeds niet begrijpend aan. ‘Of Tessa dan. Zij en Dave draaiden ook jaren om elkaar heen en deze zwangerschap was ook helemaal niet gepland. Het is toch geen toeval dat onze kinderen allemaal in de problemen komen en ….’
  • 58. Daan gebaart dat ze stil moet zijn. ‘Stil eens. Wij kunnen er toch niets aan doen dat Carmen dat ongeluk kreeg of dat Dave een ingewikkeld verleden heeft. Bovendien is het bij hen allebei weer goed gekomen. Ze zijn allebei gelukkiger dan ooit en kijk ook eens naar Amy. Zij en Luke hebben helemaal geen problemen en ook nooit gehad.’
  • 59. Susan zegt niets. Er lopen weer tranen over haar wangen. Daan veegt ze voorzichtig weg. ‘Ik weet zeker dat het met Noa ook weer helemaal goed gaat komen. Ze is sterk en wij kunnen haar allemaal helpen.’ Susan knikt voorzichtig en Daan kust haar. ‘Laten we haar gaan zoeken.
  • 60. Ergens in het donkerste hoekje dat ze kon vinden zit Noa. Ze weet niet hoe laat het is of hoe lang ze hier al zit. Ze weet niets meer. Het enige waar ze zich bewust van is, is haar eigen gesnik.
  • 61. Met waterige ogen staart ze over de vijver. Het water kalmeert haar een beetje. Dan ziet ze een familie eenden in het water zwemmen. Voorop zwemt een moedereend met daarachter haar kleintjes.
  • 62. Ze slikt haar tranen in en staart naar de moedereend. Haar hand gaat automatisch naar haar buik. Ze voelt de tranen opnieuw in haar ogen opkomen, maar dit keer verzet ze zich ertegen.
  • 63. Ze staat op. Haar benen voelen stijf. Ze weet niet hoelang ze in het gras bij de vijver gezeten heeft, maar het zijn toch wel heel wat uren, merkt ze aan haar spieren.
  • 64. Ze strekt haar benen en loopt een stukje bij de vijver vandaan. Nu haar ogen niet meer geblokkeerd worden door de tranen kan ze de omgeving pas goed zien. Ze gaat op een van de bankjes zitten en ze rilt een beetje.
  • 65. Ze negeert de kou en staart voor zich uit. Ze laat haar gedachten vrij en beleeft de middag nog eens. Het leek zo’n gewone dag, maar de uitslag van de test staat in haar geheugen gebrand. Ze is zwanger. Hier heeft ze van gedroomd. Dit hoorde bij haar toekomstplannen.
  • 66. Ze wilde een lieve man vinden, studeren, trouwen en kinderen krijgen. In Mick dacht ze die man gevonden te hebben, maar hij dacht daar duidelijk anders over. Nu is ze zwanger en er is geen twijfel over wie de vader is, Mick. Ze voelt de tranen weer in haar ogen stromen en ze staat op. Bij de vijver laat ze zich weer op de grond vallen en laat de tranen over haar wangen lopen.
  • 67. Niet ver van Noa vandaan lopen Pim en Carmen door de donkere nacht. Ze hebben de omgeving het dichtste bij huis gekregen voor het geval er iets met Nienke of Lynn is.
  • 68. Bij de ingang van het park blijft Pim staan. ‘Zou Noa hier echt zitten?’ vraagt hij en hij kijkt moeilijk naar de donkere struiken en bomen. Carmen kijkt hem aan. ‘Ik weet niet wat het is, maar ik krijg een goed gevoel bij deze plek.’ Zegt ze.
  • 69. Pim knikt en hij volgt zijn vrouw. Het donkere park bevalt hem nog steeds niet, maar hij vertrouwt Carmen. Ze moeten alles proberen om Noa te vinden.
  • 70. Carmen loopt stilletjes naast hem. Ze heeft een raar gevoel bij deze plek, sterker dan ze de hele avond al heeft. Deze zoektocht doet haar denken aan de dag dat ze te horen kreeg dat ze zwanger was.
  • 71. Ze kan zich goed voorstellen hoe Noa zich nu voelt. Zij had ook nooit gedacht ooit moeder te worden, maar toen het echt waar bleek te zijn stond haar hele wereld op z’n kop.
  • 72. Pim gaat op een van de bankjes zitten en ze volgt hem zonder erbij na te denken. ‘Je bent een beetje afwezig, waar denk je aan?’ vraagt Pim en hij kijkt haar vriendelijk aan.
  • 73. Carmen smelt zoals altijd bij het zien van zijn ogen. ‘Ik dacht terug aan de dag dat we te horen kregen dat ik zwanger was. Door deze zoektocht komt het helemaal terug.’ Zegt ze.
  • 74. Pim slaat zijn arm om haar heen en trekt haar een stukje naar zich toe. ‘Je weet een beetje hoe Noa zich nu voelt?’ raadt hij en Carmen knikt.
  • 75. ‘Bij jou weglopen is het stomste wat ik ooit heb gedaan. Het is alsof ik nu pas besef hoeveel pijn ik jou daarmee gedaan heb, maar jij vergaf me zo makkelijk.’
  • 76. Pim kijkt haar aan. ‘Ik was inderdaad behoorlijk overstuur toen ik geen idee had waar je was, maar toen ik je weer in mijn armen kon houden was ik het allemaal weer vergeten. Ik wist vanaf het begin dat jij de ware voor mij was. Ik kon niet anders dan je vergeven.’
  • 77. ‘Ik hoop gewoon dat Noa net zoveel geluk heeft als ik en dat ze uit mijn verhaal begrijpt dat ze dit beter niet kan verzwijgen.’ Zegt Carmen. Pim trekt haar op schoot. ‘Ze weet het niet.’ Zegt hij en Carmen kijkt hem verbaasd aan.
  • 78. ‘Ze waren nog klein toen jij zwanger was en ik vond het niet nodig om ze te vertellen wat er allemaal gebeurd was. Ik heb ze vertelt dat je dit al bij onze eerste ontmoeting vertelt hebt, maar dat ik het nooit eerder nodig vond om het te vertellen.’ Carmen kijkt hem nog steeds verbaasd aan. ‘Dat is heel lief van je.’ Zegt ze en ze kust hem.
  • 79. ‘Dit had je echt niet voor me hoeven doen.’ Zegt ze en Pim haalt zijn schouders op. Carmen springt van zijn schoot. ‘Misschien is dit wel extra reden om haar te gaan zoeken.’ Zegt ze en Pim volgt haar verder het park in.
  • 80. Bij de grote vijver blijven ze even staan. ‘Hoor jij ook iets?’ vraagt Pim, maar Carmen gebaart dat hij stil moet zijn. Ze knijpt haar ogen samen en tuurt naar de overkant van de vijver. Pim volgt haar voorbeeld.
  • 81. ‘Dat lijkt wel…’ mompelt hij en kijkt zijn vrouw dan met grote ogen aan. ‘Noa!’ vult Carmen hem aan en ze rent naar de andere kant van de vijver, op de voet gevolgd door Pim.
  • 82. Als ze dichterbij komen, wordt het gesnik steeds harder. ‘Noa! Eindelijk! Je weet niet half hoe ongerust we waren!’ roept Pim zodra hij zijn zusje op de grond ziet zitten.
  • 83. Carmen laat zich naast Noa op haar knieën zakken, maar Noa draait zich van haar af. ‘Ga weg.’ Snikt ze en slaat haar handen voor haar ogen. ‘Ik heb alles verpest.’
  • 84. Carmen schudt haar hoofd. ‘Het valt allemaal wel mee.’ Zegt ze en legt haar hand op de schouder van Noa. Noa schudt hem weg. ‘Wel waar, ik heb alles fout gedaan. Jullie willen me nooit meer zien.’ Snikt ze nu nog harder.
  • 85. Carmen kijkt Pim aan. ‘Ga maar.’ Fluistert ze. ‘Ik praat wel met haar.’ Pim kijkt haar twijfelend aan. ‘Weet je het zeker?’ vraagt hij en Carmen knikt. ‘Je moet Daan en Susan bellen.’
  • 86. Pim knikt en hij loopt naar de andere kant van de vijver. Ook Noa staat op. ‘Hij mag papa en mama niet bellen.’ Zegt ze met een stem die verstikt wordt door tranen. ‘Ik kan ze niet meer onder ogen komen.’
  • 87. Ze wil achter Pim aanlopen, maar Carmen houdt haar tegen. ‘Je moet eerst rustig worden.’ Zegt ze. Noa schudt haar hoofd. ‘Het kan niet, het mag niet…’ Noa kan niet meer uit haar woorden komen en slaat haar handen opnieuw voor haar ogen. Carmen slaat haar armen om haar heen. ‘Stil maar.’
  • 88. Noa wil zich verzetten, maar ze merkt al snel dat Carmen haar niet zomaar los laat. Ze begraaft haar gezicht in het rode haar van Carmen. De tranen blijven over haar wangen stromen en verdwijnen in de kleding van Carmen.
  • 89. Uiteindelijk wordt het gesnik minder. Carmen laat haar los en Noa blijft met betraande ogen voor haar staan. ‘Meisje toch.’ Fluistert Carmen. ‘Het is niet altijd makkelijk, hè?’ Noa schudt haar hoofd en veegt de tranen uit haar ogen.
  • 90. ‘Laten we even gaan zitten.’ Zegt Carmen en ze wijst naar de grond. Noa knikt en gaat op de grond zitten. ‘Waarom ben je weggelopen?’ vraagt Carmen voorzichtig na een paar minuten stilte.
  • 91. Noa haalt haar schouders op. ‘Ik weet het niet.’ Zegt ze zacht. ‘Ik ben gewoon zo stom geweest. Ik wist of weet niet wat ik moet doen en toen mam begon over…’ De tranen komen weer in haar ogen en ze maakt haar zin niet af. ‘Waarom wil je niet over hem praten? Je kunt dit niet voor hem verzwijgen.’ Vraagt Carmen.
  • 92. Noa schudt haar hoofd. ‘Hij hoeft het niet te weten.’ Zegt ze. ‘Jij hebt trouwens makkelijk praten, jij hebt Pim.’ Carmen kijkt naar haar handen. ‘Zo makkelijk was het anders niet. Ik weet wat Pim tegen jullie heeft gezegd, maar ik denk dat het beter is dat je het echte verhaal hoort.’
  • 93. Pim staat aan de andere kant van de vijver. Hij kan niet horen wat Carmen en Noa zeggen, maar hij kan nog net zien hoe ze op de grond, bij het water gaan zitten. Hij is trots op zijn vrouw dat ze dit doet, want hij weet dat dit niet makkelijk voor haar moet zijn.
  • 94. Hij pakt zijn mobiel uit zijn zak en typt het bekende nummer van zijn ouders in. De telefoon gaat maar twee keer over en dan neemt Daan al op.
  • 95. Pim legt snel uit wat er allemaal is gebeurd. ‘Carmen praat nu met haar. Ik ga zo de anderen bellen om te zeggen dat ze kunnen stoppen met zoeken. Zie ik jullie dan zo?’ vraagt hij. Daan stemt toe en voor Pim nog iets kan zeggen is de verbinding verbroken.
  • 96. Carmen vertelt intussen haar verhaal aan Noa. Ze vertelt over het ongeluk, haar ontmoeting met Pim en over haar geheim. ‘Toen we uiteindelijk ontdekten dat ik zwanger was, moest ik het Pim wel vertellen.’ Noa luistert ingespannen naar het verhaal.
  • 97. ‘Ik was er al die jaren van overtuigt dat hij me nooit meer zou willen zien en daarom kon ik het niet eerder aan hem vertellen. Hij was de liefste jongen die ik ooit had ontmoet en ik wilde hem niet kwijt.’ Noa draait zich op haar buik zodat Carmen haar gezicht niet ziet. Een eenzame traan loopt over haar wang.
  • 98. ‘Toen ik het Pim uiteindelijk vertelde durfde ik hem ook niet meer onder ogen te komen. Ik bedacht dat ik het beste zelf uit zijn leven kon verdwijnen, want anders zou hij er wel voor zorgen. Gelukkig gaf Pim niet zomaar op en hij vond me al snel. Ik besef dat ik heel veel geluk heb gehad met Pim. Ik heb jaren tegen hem gelogen, maar hij houdt nog steeds van me.’
  • 99. Noa slikt. ‘Waarom vertel je dit? Ik neem aan dat dit niet het idee van Pim was.’ Carmen knikt. ‘Pim weet nog niet dat ik je dit vertel. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat je zoiets niet geheim kan houden voor de vader. Hij zal er vroeg of laat achter komen en hij zal niet zo positief reageren als Pim.’
  • 100. Noa schudt haar hoofd. ‘Er is geen vader. Tenminste voor mij niet. Ik moet vergeten wat er gebeurd is en ik moet me richten op de toekomst. Hij is verleden tijd en we hoeven niet meer over hem te praten.’ zegt ze vastbesloten. Carmen knikt. ‘Als jij dat wilt.’
  • 101. Noa knikt. Ze gaat rechtop zitten en legt haar hand voorzichtig op haar buik. Niemand hoeft te weten van Mick. Hij is er niet meer en ze hoeft hem ook niet met een kind op te zadelen. ‘Bedankt.’ Fluistert ze en ze staat op.
  • 102. Carmen volgt haar voorbeeld. ‘Graag gedaan. Ik hoop dat je iets aan mijn verhaal hebt.’ Noa knikt. ‘Dank je.’ zegt ze nogmaals en ze omhelst Carmen. ‘Ik denk dat Daan en Susan er nu wel zullen zijn. Wil je naar ze toe?’ vraagt Carmen als ze Noa los laat.
  • 103. Noa aarzelt even, maar de vriendelijke blik van Carmen laat haar toch knikken. Met haar blik op de grond gericht loopt ze achter Carmen aan. Aan de andere kant van de vijver staat Pim.
  • 104. Haar blik blijft op de grond gericht terwijl Carmen naar Pim kijkt. Hij trekt zijn wenkbrauw op en kijkt naar Noa. Carmen gebaart dat het goed is en Pim knikt opgelucht.
  • 105. ‘Ik ben blij dat je er weer bent, zusje.’ Zegt hij en slaat zijn armen om Noa heen. Noa is verbaasd door de armen om haar heen. Pim laat haar los en er loopt weer een traan over haar wang. ‘Heb ik je nu weer aan het huilen gemaakt?’ vraagt Pim en hij wrijft de traan van haar wang.
  • 106. Noa schudt haar hoofd. ‘Ik ben gewoon heel erg blij dat je er bent.’ Zegt ze met tranen in haar stem. Pim lacht. ‘Daar ben ik blij om.’ Op dat moment verschijnen ook Daan en Susan.
  • 107. Susan loopt meteen naar Noa toe. ‘Ik ben zo blij dat we je gevonden hebben.’ Zegt ze en er lopen tranen over haar wangen. Noa begraaft haar gezicht in de haren van haar moeder.
  • 108. ‘Ik heb jou ook heel erg gemist.’ Snikt ze. ‘Het spijt me zo. Ik had nooit weg moeten lopen.’ Pim kijkt even vragend naar Carmen, maar die kijkt hem niet aan. Hij denkt al te weten waar Carmen en Noa het over gehad hebben.
  • 109. Zodra Susan Noa los laat is het de beurt aan Daan. ‘Wil je ons nooit meer zo laten schrikken?’ vraagt hij streng, maar toch ook lachend. Noa knikt. ‘Het spijt me zo.’ Daan schudt zijn hoofd en veegt de nieuwe tranen van haar wangen. ‘Ik ben allang blij dat we je weer gevonden hebben.’ Zegt hij.
  • 110. ‘Hoe wisten jullie eigenlijk waar ik was?’ vraagt Noa dan. ‘Dat wisten we niet, maar we hebben iedereen gebeld en al je broers en zussen zijn mee komen zoeken.’ Antwoordt Daan en Noa kijkt hem met grote ogen aan. ‘Zijn ze allemaal hier?’ vraagt ze verbaasd en Daan knikt. ‘Wil je ze zien?’ Noa aarzelt even, maar knikt dan.
  • 111. Zodra ze iedereen ziet voelt Noa nieuwe tranen opkomen. Ze weet nu dat ze er niet alleen voor staat. Na deze dag zal haar leven voorgoed veranderen, maar ze zal het niet alleen hoeven doen. Haar familie is er en dat is voor nu meer dan genoeg.
  • 112. Tot de volgende update!