Thomas Merton Geestelijke Begeleiding

1,445 views
1,333 views

Published on

Een tweede vertaling van een ander artikel van Thomas Merton over de geestelijke begeleiding

Published in: Spiritual, Health & Medicine
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,445
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
13
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Thomas Merton Geestelijke Begeleiding

  1. 1. THOMAS MERTON GEESTELIJKE BEGELEIDINGa VOORWOORD Dit boekje bevat een herziene en aanzienlijk uitgebreide versie van eerder verschenen materiaal over geestelijke begeleiding dat in delen verscheen in het tijdschrift Sponsa Regis. Dit boekje richt zich tot die christenen, in het bijzonder de religieuzen, die een begeleider zoeken of tot diegenen die er al één hebben en die er naar verlangen om het optimale resultaat te halen uit de gegeven mogelijkheden. Tegelijkertijd hoop ik dat sommige priesters die te verlegen zijn om zichzelf als potentiële “geestelijk begeleiders” te zien, door het lezen van deze pagina’s hun natuurlijke aarzelingen overwinnen en, vertrouwend op de hulp van God, aangemoedigd mogen worden om raad en bemoediging te geven tijdens de biecht als de kansen zich voordoen. Tegelijkertijd is het te hopen dat enkele starre en stereotype ideeën over begeleiding in ieder geval gedeeltelijk weerlegd zullen worden door één van de stellingen die op deze pagina’s staan. In het bijzonder de stelling dat de begeleider niet gezien moet worden als een magische machine die problemen oplost en de wil van God uitlegt voorbij alle hoop op clementieb. Maar als een betrouwbare vriend die in een atmosfeer van meevoelend begrijpen ons helpt en bemoedigt in onze tastende pogingen te beantwoorden aan de genade van de Heilige Geest. Hij alleen is de ware Begeleider in de volle zin van het woord. Ik wil tevens benadrukken dat, aangezien genade zich op natuur baseert, we het meest profiteren van geestelijke begeleiding als we aangemoedigd worden onze natuurlijke eenvoud, oprechtheid en onverbloemde geestelijke eerlijkheid te ontwikkelen; kort gezegd om “onszelf te zijn” in de ware zin van het woord. Op deze manier zal een gezond en wijdverspreid gebruik van dit belangrijke hulpmiddel op de weg van heiliging de christenen helpen een vitaliserend contact met de realiteit van hun roeping en van hun leven te maken, in plaats van zichzelf te verliezen in een netwerk van abstracte devotionele verzinsels. Abbey of Gethsemani Herfst 1959 GEESTELIJKE BEGELEIDING 1. De betekenis en het doel van geestelijke begeleiding ` De oorspronkelijke, oeroude bedoeling van geestelijke begeleiding suggereert een specifieke behoefte verbonden met een speciale ascetische taak; een uitzonderlijke roeping waarvoor een professionele vorming is vereist. Met andere woorden: spirituele begeleiding is een monastiek concept. Het is een gebruik dat niet nodig was totdat mensen zich terugtrokken uit de christelijke gemeenschap om afgezonderdc te leven in de woestijn. Voor het gewone lid van de christelijke gemeenschap was er geen specifieke behoefte aan persoonlijke begeleiding in de professionele zin. De bisschop, de levende en zichtbare vertegenwoordiger van de apostel die de plaatselijke kerk gesticht had, sprak namens Christus en de apostelen en zorgde met hulp van de ouderlingen voor de geestelijke behoeften van zijn kudde. Het individuele lid werd “gevormd” en “geleid” door zijn deelname aan het leven in de gemeenschap en het onderricht dat nodig was werd in de eerste plaats gegeven door de bisschop en de ouderlingen en vervolgens door middel van informele vermaningen door iemands ouders, echtgenoot, vrienden en medechristenen. Maar toen de eerste eenlingen zich terugtrokken in de woestijn, scheidden zij zich af van de Christelijke gemeenschap. Hun vertrek naar de wildernis was goedgekeurd en in een bepaalde zin gecanoniseerd door niemand minder dan de bisschop st. Athanasius, spoedig nagevolgd door vele anderen. Maar zij leefden een eenzaam en gevaarlijk leven, ver van welke kerk dan ook en namen zelfs nog maar zelden deel aan het geheim van de eucharistie. En toch waren ze de wildernis ingegaan om Christus te zoeken. Zij waren net als Christus, “door de Geest de wildernis in geleid om verzocht te worden”. En zij werden, zoals de Heer zelf, ook door de boze verzocht. Vandaar de behoefte aan “onderscheiding van geesten” en aan een begeleider. We kijken vele eeuwen later terug op de woestijnvaders en duiden hun roeping in het licht van onze eigen roeping. Zij waren tenslotte de “eerste religieuzen”. We doorzien nauwelijks hoezeer hun levens in velerlei opzicht verschilden van die van ons. In ieder geval was hun a Uit: Thomas Merton, Spiritual Direction & Meditation, The Liturgical Press, Collegeville, Minesota, 1960 (waarvan alleen het gedeelte over geestelijke begeleiding) b case: evt spreken van een geding c solitary 1
  2. 2. moedwillige uittocht uit het normale leven van de zichtbare kerk een zeer hachelijk spiritueel avontuur en een soort vernieuwing die door velen vandaag de dag als uitgesloten zou worden beschouwd. Op dit avontuur waren bepaalde veiligheidsvoorzieningen absoluut essentieel en de meest voor de hand liggende en belangrijke daarvan was de training en begeleiding van de novice door een “geestelijk vader”. In dit geval verving de geestelijke vader de bisschop en de ouderling als de vertegenwoordiger van Christus. En toch was er een verschil. Er was namelijk niets hiërarchisch aan zijn functie, het was geheel en al charismatisch. Het werd van gezag voorzien door de persoonlijke heiligheid van de vader. De grootste “abten“ in de Egyptische en Syrische woestijn waren over het algemeen geen priesters. De Apothegmata oftewel de “Vaderspreuken” blijven een welsprekende getuige van de eenvoud en de diepte van deze geestelijke begeleiding. Leerlingen reisden vaak vele kilometers door de wildernis om alleen maar een kort adviserend woord te horen, een “reddend woord” dat het oordeel en de wil van God samenvatte voor hun huidige en concrete situatie. De impact van deze “woorden” berustte niet zozeer in hun eenvoudige inhoud alswel in de innerlijke werking van de Heilige Geest die de woorden vergezelde in de ziel van de hoorder. Dit vooronderstelt natuurlijk een vurig geloof en een diepe honger naar het woord van God en naar redding/verlossing. Deze geestelijke trek, deze behoefte aan licht was op zijn beurt weer voortgekomen uit tegenspoed en wroeging. “Begeleiding” was dan vervolgens Gods antwoord op een behoefte die gecreëerd was in de ziel door beproeving en wroeging, doorgegeven via een charismatische vertegenwoordiger van het Mystieke Lichaam, de Abbas of geestelijk Vader. Dit brengt ons bij de kern van geestelijke begeleiding. Het is een continu proces van vorming en begeleiding waarin een christen geleid en bemoedigd wordt in zijn specifieke roeping, zodat door een trouwe afstemming op de genadegaven van de Heilige Geest hij tot het specifieke einddoel van zijn roeping kan komen, en tot vereniging met God. Deze vereniging met God duidt niet alleen het visoen van de vereniging met God in de hemel aan maar ook, zoals Cassianus duidelijk maakte, die volmaakte reinheid van het hart welke zelfs op aarde de heiligheid constitueert en uitmondt in een bijzondere ervaring van de hemelse werkelijkheid. Geestelijke begeleiding was toentertijd een van de belangrijkste instrumenten voor monastieke geestelijke groei. Deze beschrijving van geestelijke begeleiding brengt bepaalde belangrijke verschillen tussen begeleiding en counseling of tussen begeleiding en psychotherapie aan het licht. Spirituele begeleiding is niet alleen het stapelende effect van bemoedigingen en vermaningen die we allemaal nodig hebben om naar onze staat te leven. Het is niet slechts ethische, sociale of psychologische begeleiding. Het is geestelijk. Het is echter belangrijk voor ons om te begrijpen wat het woord “geestelijk” hier betekent. Het is verleidelijk om te denken dat geestelijke begeleiding de begeleiding is van iemands geestelijke activiteiten, hierbij gezien als een klein deel of gebied in iemands leven. Je gaat dan naar een geestelijk begeleider om hem voor je geest te laten zorgen zoals je naar een tandarts gaat om hem voor je tanden te laten zorgen of naar de kapper om je te laten knippen. Dat is helemaal mis. De geestelijke begeleider richt zijn zorg op de gehele persoon, want het geestelijke leven is niet alleen iets van het verstand, of van het gevoel, of van het “topje van de ziel”- het is het leven van de gehele persoon. Want de geestelijke mens (pneumatikos) is iemand die zijn hele leven, in al zijn facetten en al zijn activiteiten, vergeestelijkt heeft door de actie van de Heilige Geest, of dat nu is door de sacramenten of door persoonlijke en innerlijke ingevingen. Bovendien richt de geestelijke begeleiding zijn aandacht op de hele persoon, niet slechts als een individueel mens maar als een zoon van God, een andere Christus die op zoek is naar het herstel van de gelijkenis aan God in Christus; en dat door de Geest van Christus. De geestelijke mens is iemand die “of hij nu eet of drinkt of wat hij ook doet, dit allemaal doet voor de verheelijking van God”(I Cor. 10:31). Nogmaals, dat betekent niet dat hij alleen maar een abstracte intentie om God te verheerlijken in zijn geest registreert. Het betekent dat hij in al zijn handelingen vrij is van de oppervlakkige automatismen van conventionele routine. Het betekent dat hij bij alles wat hij doet vrij handelt, eenvoudig, spontaan, vanuit de diepten van zijn hart, bewogen door liefde. Oorspronkelijk is, zoals we gezegd hebben, het concept van de “geestelijk vader” verbonden met het idee van een speciale roeping en heel specifieke risico’s. Maar we zien natuurlijk door heel de monastieke geschiedenis bewijzen dat de monnik in bepaalde gevallen de neiging vertoont een geestelijk vader te worden voor iedereen die hem bezoekt en over alles adviezen te geven. Dit was zeer gebruikelijk onder de cisterciënzer lekenbroeders in de 12de eeuw in Engeland, van wie sommigen een grote reputatie verwierven vanwege hun bekwaamheid zielen te lezen en te leiden. Misschien was die plotselinge volkse gekte wel een beetje onzinnig: dezelfde lichtgelovigheid die mensen ertoe bracht ingemetselde zonderlingen en kluizenaars in de buurt van dorpen en kerken vaak te bezoeken die, hoewel zij ongetwijfeld nogal vroom waren, een universele reputatie hadden kletskousen te zijn. 2
  3. 3. Toch moeten we over deze manifestaties van volkse vroomheid niet te hard oordelen. Er is geen twijfel dat de Heer in het verleden op deze wijze zeer effectief zielen heeft bereikt en we moeten niet de fout maken te denken dat begeleiding een luxe is die gereserveerd is voor een speciale elite. Want als, zoals Eric Gill zei, “iedereen een bijzonder soort kunstenaar is”, is het misschien waar dat elk mens een bijzondere en zelfs hachelijke roeping heeft om het uitzonderlijke kunstwerk wat zijn heiliging is, te vervolmaken. Vandaar de gevatte uitspraak van een Russische Staretz die bekritiseerd werd omdat hij zijn tijd besteedde aan het serieus adviseren van een vrouw over de zorg voor haar kalkoenen: “Geenszins“, zei hij, “haar hele leven zit in die kalkoenen”. Begeleiding richt zich dus op de hele mens in de concrete omstandigheden van zijn leven, hoe onnozel die ook mogen zijn. Het gaat er dus niet om de relatieve verdiensten van gehoorzaamheid en het boetekleed bespreekbaar te maken of om vast te stellen of men al dan niet het “woordeloos gebed” heeft bereikt. Het hele doel van geestelijke begeleiding is om tot onder de oppervlakte van iemands leven door te dringen, om achter de façade van de conventionele gebaren en houdingen te komen waarmee iemand zich in de wereld manifesteert, en om zijn innerlijke geestelijke vrijheid aan het licht te brengen; zijn innerlijke waarheid, welke we de gelijkheid aan Christus in zijn ziel noemen. Dit is een geheel bovennatuurlijk iets, want het werk van de bevrijding van de innerlijke mens van automatismen behoort in de eerste plaats toe aan de Heilige Geest. De geestelijke begeleider doet dat werk niet zelf. Zijn functie is om vast te stellen wat werkelijk geestelijk is in de ziel en dat aan te moedigen. Hij moet anderen leren om te “onderscheiden” tussen goede en kwade neigingen; tussen de ingevingen van de geest van het kwaad en die van de Heilige Geest. Een geestelijk begeleider is dus iemand die een ander helpt om de bezieling van genade te herkennen en te volgen zodat hij het doel bereikt waar God hem naartoe leidt. En deze rol, zoals we eerder zeiden, vooronderstelde een bijzonder roeping. Een geestelijk begeleider was vooral nodig voor iemand die geroepen was God te zoeken langs een ongebruikelijke en avontuurlijke weg. Men moet niet vergeten dat in vroeger tijd de geestelijke begeleider veel meer was dan wij er tegenwoordig onder verstaan. Hij was de geestelijke vader die het volmaakte leven in de ziel van zijn leerling “verwekte”, in de eerste plaats door zijn instructies, maar tevens door zijn gebed, zijn heiligheid en zijn voorbeeld. Hij was voor de jonge monnik een soort “sacrament” van de aanwezigheid van de Heer binnen de kerkelijke gemeenschap. In het begin van het christelijke monastieke leven gaf de geestelijke vader veel meer dan instructie en advies. De neofiet leefde in dezelfde cel met hem, dag en nacht, en deed wat hij zag van zijn vader. Hij maakte aan zijn vader “al de gedachten die in zijn hart opkwamen” bekend en kreeg ter plekke te horen hoe hij moest reageren. Op deze manier leerde hij heel het geestelijk leven op een concrete en experimentele wijze kennen. Hij verinnerlijkte en reproduceerde het leven en de geest van zijn “vader in Christus” in zijn eigen leven. Hetzelfde concept leeft tegenwoordig voort in Azië bijvoorbeeld in Yoga waar de moeilijke en ingewikkelde oefeningen alleen op de juiste wijze geleerd kunnen worden van een goeroe die niet alleen als een expert wordt gezien in zijn professionele terrein maar ook als een vertegenwoordiger en instrument van God. De Russische literatuur uit de negentiende eeuw introduceert ons de opmerkelijke gestalten van de geestelijk begeleiders Startzi: heilige monniken die een grote invloed uitoefenden op het leven van hun tijd. Niet alleen op dat van de armen en eenvoudigen zoals we zojuist hebben gezien, maar ook op de intelligentsia. Het is belangrijk dat we de visie op geestelijke begeleiding in zijn volle breedte herontdekken en het concept redden van zijn verarming - volgens welke de begeleider alleen maar iemand is die we gebruiken voor quasi-onfeilbare oplossingen en voor morele en ascetische “gevallen”. Als dat is wat we bedoelen met een begeleider, dan zullen we gaan ontdekken dat ons verstaan geperverteerd wordt door een soort magische en pragmatische burgerlijkheid. De “begeleider” is dan iemand die, begiftigd met speciale, bijna miraculeuze autoriteit, het vermogen heeft om het “juiste recept” te verstrekken als hem daar om gevraagd wordt. Hij wordt dan gezien als een machine die antwoorden produceert die werken, die moeilijkheden oplost en ons volmaakt maakt. Hij heeft een “systeem”, of liever gezegd: hij is een expert geworden in de werking van de systemen van iemand anders; met goedkeuring van de kerk waardoor hij door de vrome als in elke zaak als onfeilbaar wordt gezien. Daarbij maakt het niet uit hoe de begeleiding wordt toegepast en of het, met volledige veronachtzaming van individuele omstandigheden, willekeurig wordt gebruikt. Een dergelijke geestelijke begeleiding is mechanisch en zal het echte doel van zuivere geestelijke begeleiding frustreren. Het heeft de neiging de mechanismen en gewoontes te versterken die de eigen capaciteiten van de ziel om spontaan te reageren op genade vernietigen. Het belangrijkste dat zuivere geestelijke begeleiding nodig heeft om op de juiste wijze te werken is een normale spontane menselijke relatie. We moeten niet denken dat het op de een of andere wijze “niet bovennatuurlijk” is als we ons eenvoudig openstellen aan een begeleider en in een prettige en ontspannen vertrouwelijke sfeer met hem converseren. Dit helpt het werk van genade: wederom een voorbeeld van genade die gebruik maakt van het natuurlijke. 3
  4. 4. Het is een paradox dat degenen die het strengst “bovennatuurlijk” zijn in hun theorie van het geestelijk leven soms het meest “natuurlijk in de praktijk zijn”. De voorstelling dat geloof alleen werkzaam zou kunnen zijn in een situatie die menselijk gezien weerzinwekkend is en dat de "bovennatuurlijke” beslissingen alleen diegene zijn waartegen de biechteling zich verzet of die hij praktisch onmogelijk acht, houdt een blokkade in van het essentiële doel van begeleiding. Sommige begeleiders zijn tiranniek en willekeurig onder het voorwendsel dat ze alleen maar handelen volgens ‘bovennatuurlijke“ principes. Zij staan zichzelf toe om de individuele behoeften en zwakheden van hun biechteling te negeren en over het hoofd te zien. Ze hebben standaard antwoorden welke “harde gezegden” zijn die geen uitzonderingen en verzachting toestaan en die altijd hetzelfde zijn, onafhankelijk van de veranderende omstandigheden van de casus. Op deze manier bevredigen zij op heimelijke wijze hun agressieve drijfveren. Natuurlijk moeten wij erop voorbereid zijn dat ons dingen verteld worden die we niet leuk vinden en dat we eisen tegen het lijf zullen lopen die bijzonder veeleisend zijn. We moeten voorbereid zijn op opoffering. Een goede begeleider zal niet aarzelen om een offer te vragen als hij gelooft dat dat de wil van God is. Maar het probleem is dat een bepaald type van spiritualiteit, als onderdeel van een weloverwogen aanpak, willekeurig en ongevoelig is. Het gaat er van uit dat in het spirituele leven elke ziel vernederd, tegengewerkt en onderuitgehaald moet worden; dat elke spontane aspiratie alleen al door het feit dat ze spontaan is, verdacht is. Elke individualiteit moet afgesneden worden en de ziel dient in hetzelfde fantastische keurslijf geperst te worden tot een staat van absoluut, mechanisch conformisme. Met als resultaat: een stoet van robotachtige “geslachtofferde zielen” die zich als misbaksels van de ene geestelijke oefening naar de andere bewegen, terwijl ze in het geheim de hele onderneming haten en bidden om een vroege dood, intussen alles opofferend in de hoop dat het geheel niet verloren zal gaan. Het moge duidelijk zijn dat men dan maar beter helemaal geen geestelijke begeleiding kan krijgen. Dit is in ieder geval de dood van het geestelijk leven. De Benedictijnse mysticus uit de zeventiende eeuw, de Dominicaan Augustinus Baker voerde een vastberaden gevecht voor de innerlijke vrijheid van contemplatieve zielen in een tijdperk gekenmerkt door autocratische begeleiders. Hij heeft het volgende te zeggen over dit onderwerp: “De begeleider moet niet zijn eigen weg onderwijzen, zelfs niet eens een bepaalde wijze van bidden, maar moet zijn leerling zo onderwijzen dat hij zelf die manier van bidden uitvindt die bij hem past…. Kort gezegd: hij wordt alleen maar door God gebruikt en hij moet de zielen begeleiden zodat ze Gods wijze voor henzelf ontdekken, niet zijn eigen manier.” 2. Is begeleiding noodzakelijk? Het antwoord op deze vraag hebben we al voorbereid in de openingsparagrafen van onze studie. Strikt genomen is geestelijke begeleiding niet noodzakelijk voor een gewoon christen. Maar als er sprake is van een speciale missie of roeping dan veronderstelt dat een zeker minimum aan begeleiding, inherent is aan de eigen aard van de roeping. Laten we dat verduidelijken. Ten eerste nemen we kort de plaats van begeleiding in het leven van de gewone christelijke leek in ogenschouw. Op zichzelf genomen zijn de normale contacten van de gelovigen met hun pastor en biechtvader voldoende om in hun behoeften te voorzien. Maar dat houdt natuurlijk in dat de pastor hen kent en dat ze regelmatig hun biechtvader bezoeken. In een grote parochie waar de contacten met de pastor minimaal of er zelfs helemaal niet zijn, zou men tenminste een regelmatig contact met een biechtvader bij wie hij bekend is moeten hebben, ook al is de biechtvader geen formele en expliciete “geestelijk begeleider”. De reden hiervoor is dat de biecht een zeker minimum aan geestelijke begeleiding impliceert. De biechtvader zal tenminste de biechteling in die mate moeten instrueren en begeleiden dat het sacrament van de biecht vruchtbaar ontvangen kan worden. Maar als men gewend is zwaar te zondigen zijn adviezen en speciale instructies zeker nodig indien de biechteling effectieve stappen wil nemen om zonden te vermijden. En als hij niet bereid is zulke stappen te nemen, kunnen e dan zeggen dat hij het sacrament vruchtbaar ontvangt? Vandaar dat zelfs de gewone biecht enige geestelijke begeleiding zou moeten bevatten. Het is erg ongelukkig dat vele drukke priesters deze plicht zijn vergeten of veronachtzamen; misschien is het echter in sommige gevallen moreel onmogelijk om daar aan te voldoen. Als we het in deze studie hebben over geestelijke begeleiding, hebben we echter niet die wijze van begeleiding die onlosmakelijk verbonden is met het sacrament van de biecht op het oog. Het gaat niet diep genoeg en het is niet gefocust op het richting geven aan iemands hele leven als het gaat om een ascetische roeping of een apostolische missie. Je zou je kunnen voorstellen dat de leek deze begeleiding niet nodig heeft, omdat hij niet de “staat van volmaaktheid” heeft. Maar als hij een bijzondere taak doet voor de kerk of als hij zich in een situatie met bijzondere problemen bevindt, moet hij zeker een begeleider hebben. Bijvoorbeeld medewerkers van katholieke organisaties, studenten aan de universiteit, 4
  5. 5. professionals, of stellen die hun huwelijk voorbereiden; zij allen hebben geestelijke begeleiding nodig. Voldoende over de leek. Voor religieuzen is de begeleiding een veel belangrijkere zaak. Het lijkt mij duidelijk dat geestelijke begeleiding voor een kloosterling moreel gezien noodzakelijk is. Iedereen die vrijwillig professionele middelen van toewijding op zich neemt om vereniging met God te bereiken, moet uiteraard speciale vorming ontvangen. Hij of zij moet onderwezen worden in de bedoeling, de geest, de doelen en de karakteristieke problemen van zijn roeping. Het gaat hier om iets veel wezenlijker dan de oppervlakkige vorming – leren hoe je te houden aan de regels, wat de verschillende rituelen en ceremonies zijn in het leven van een orde. Vanaf het moment van intrede in het streng geïnstitutionaliseerde leven waarin alles tot in het minutieuze detail geregeld is wordt vertrouwelijke persoonlijke begeleiding een moreel noodzakelijke beveiliging tegen deformatie. Het is incorrect te denken dat enkel uiterlijke gehoorzaamheid aan de regels van een religieuze gemeenschap voldoende is om de novice innerlijk op te voeden en hem de juiste geestelijke oriëntatie te geven die zijn nieuwe staat van hem vraagt. Behalve wanneer de regels en observanties in persoonlijke begeleiding uitgelegd worden; behalve wanneer zij binnen de actuele omstandigheden van het leven van het individu worden toepast, zullen ze ontegenzeglijk een geest van onbegrijpelijke en levensloze routine produceren. Zonder echte innerlijke en sensitieve begeleiding gedurende de cruciale perioden van de vorming zal de jonge religieus in een kwetsbare positie verkeren en zal zijn leven verworden tot een zinloze pantomime van volmaaktheid. Geluk in het religieuze leven is werkelijk afhankelijk van wijze begeleiding, in het bijzonder gedurende de tijd van vorming. Natuurlijk kan een religieus “gered” worden zonder een goede begeleider. Dat is het punt niet. De vraag is of hij een vruchtbaar, gelukkig, intelligent geestelijk leven kan leiden. Zonder tenminste enige begeleiding is dat nauwelijks mogelijk. Natuurlijk is hier de begeleiding door een priester, theoloog of een vakgeleerde niet noodzakelijk geïndiceerd. Als het zusters betreft is een wijze priores of een goede novicemeesters zeker in staat enige begeleiding in deze zin te geven. Zelfs na de periode van vorming heeft de gevormde religieus begeleiding nodig. In sommige gevallen zullen de serieuzere problemen pas na de vorming worden aangepakt. Het is dan ook zo dat geestelijke begeleiding in sommige omstandigheden essentieel is. Het is zeer belangrijk dat alle novicen zich, indien mogelijk, in een onafgebroken begeleiding kunnen verheugen hoewel niet noodzakelijkerwijs frequent. Wat zonder meer wenselijk is, is de persoonlijke begeleiding van iemand die hen kent en hen begrijpt en dat in een sfeer van informaliteit en vertrouwen; welke niet eenvoudig te bereiken is met de overste. Zij die jarenlange ervaring hebben in het geestelijk leven zijn mogelijkerwijs in staat zichzelf te begeleiden – maar zelfs zij hebben soms de behoefte om een wijze geestelijke begeleider om raad te vragen. Geen enkele religieus moet denken dat hij geen behoefte zou hebben, op enig moment, aan geestelijke begeleiding. Het moge duidelijk zijn dat we zeer zeker niet bedoelen dat de behoefte aan geestelijke begeleiding bij alle religieuzen gelijk is. De jongeren hebben het meer nodig dan de ouderen, maar alles hangt in feite af van het individuele geval. In zijn algemeenheid is het echter wel zinvol de stelling te herhalen dat een volwassen religieus normaal gesproken zichzelf zou moeten kunnen begeleiden. Zeker iemand in een verantwoordelijke positie met een moeilijke opdracht zal ontdekken dat hij vele beslissingen moet nemen waarin hij alleen aansprakelijk is, in de aanwezigheid van God. Het kan zelfs zijn dat hij problemen moet oplossen waarbij het onmogelijk is zich te laten leiden door het oordeel van een ander. Dit plaatst hem in een voorwaar verschrikkelijke eenzaamheid. Sommige religieuzen en priesters huiveren bij de gedachte aan zulke beslissingen. Toch is dat een vergissing. Wij moeten niet vluchten voor verantwoordelijkheid en we moeten niet zo’n punt maken van geestelijke begeleiding dat hoewel wij zelf volwassen en verantwoordelijke geestelijken zijn, wij het weigeren een centimeter te bewegen zonder “onder gehoorzaamheid gebracht” te zijn; met andere woorden zonder de vooronderstelling dat iemand verantwoordelijk voor ons is. Het is overbodig te zeggen dat het concept dat wij onze geestelijke begeleider zouden moeten “gehoorzamen” in elk geval een andere dwaling is, zoals we later uiteen zullen zetten. De normale religieus dient de deugd van voorzichtigheid te ontwikkelen, overeenkomstig zijn geestelijke vorming, en zichzelf begeleiden wanneer hij geen begeleiding van iemand anders kan of hoeft te krijgen. Dit impliceert vertrouwen in God en oprecht toevertrouwen aan de Heilige Geest, door wie we ons te allen tijde kunnen laten leiden door het licht van goddelijke Pleitbezorger, gegeven dat we gewetensvol religieus zijn en mensen van gebed. Het is overbodig hieraan toe te voegen dat in de loop der eeuwen geestelijke begeleiding een specifieke functie is geworden die losstaat van de van de overste en van de biechtvader. In het begin van het georganiseerde monastieke leven was de abt niet alleen canonieke overste van alle monniken maar tegelijkertijd hun geestelijk begeleider en biechtvader. Vandaag de dag is het voor de abt verboden de biecht af te nemen van zijn ondergeschikten; een paar zeldzame gevallen 5
  6. 6. uitgezonderd. Heel vaak is de geestelijke begeleiding gescheiden van de biecht en wordt de “begeleiding” gegeven door een gespecialiseerde priester, een paar gevallen daargelaten. Tegenwoordig hebben mensen geluk als ze iemand kunnen vinden die hun “begeleiding” kan geven als ze belast worden met zich opeenstapelende problemen. Het ideaal zou zijn dat iedereen een vader zou hebben tot wie hij zich kon wenden voor regelmatige begeleiding. Oversten zullen altijd bereidwillig zijn om toestemming te verlenen om brieven over gewetenskwesties naar een gekwalificeerde begeleider te sturen. Het reglement garandeert toegang tot welke competente begeleider dan ook. Geestelijke begeleiders zijn echter niet makkelijk te vinden; zelfs niet in het religieuze leven. Zelfs als er meerdere priesters beschikbaar zijn betekent dat nog niet dat zij allemaal geschikt zijn als “begeleider”. Het tekort aan echt goede geestelijke begeleiders voor religieuzen zou wel eens de oorzaak kunnen zijn van de omvang van de problemen in bepaalde gemeenschappen. Soms krijgen de religieuzen geen echt adequate vorming en zijn ze toch gewijd met alle ongelukkige gevolgen van dien. Na de wijding kunnen de effecten van een goede vorming verdampen omdat er geen begeleider is die het werk afmaakt dat zo goed begonnen was. Zonder twijfel hadden vele verloren gegane roepingen voorkomen kunnen worden door een werkelijk fundamentele en houvast gevende geestelijke begeleiding in de eerste jaren na hun noviciaat. Zij die stevig geworteld zijn en die hun kunde en krachten met anderen kunnen delen ontvangen in dit gebeuren verhelderingen die van onschatbare waarde voor hun eigen geestelijk leven zijn. Desondanks zou zelfs voor een overste een tijdige beraadslaging met een goede begeleider vele schijnbaar hopeloze problemen oplossen en de ogen openen voor onverwachte gevaren en daarmee behoeden voor een ramp. Te allen tijde is geestelijke begeleiding van de grootste waarde voor een religieus. Zelfs als het niet strikt noodzakelijk is, is het nog altijd zinvol. In veel gevallen kan de afwezigheid van begeleiding het verschil tussen heiligheid en middelmatigheid in het geestelijk leven betekenen. Natuurlijk zal hij die begeleiding gezocht heeft maar niet gevonden niet verantwoordelijk worden geacht voor dit tekort en zal God zelf op Zijn manier aan de ziel goedmaken wat nodig is. We hebben hierboven gezegd dat goede begeleiders zeldzaam zijn. Dit is een nogal belangrijke zaak. Als we echt verlangen naar geestelijke begeleiders voor onze gemeenschappen laten we ze dan zoeken. We kunnen in ieder geval voor dit verlangen bidden. De laatste tien jaar is er een geweldige groei geweest in de publicatie van geestelijke boeken en in de bestudering van het geestelijk leven. Deze groei kwam op een moment waarop het nodig was en ernaar verlangd werd door de gelovigen. Als we ons realiseren dat er niet alleen een behoefte is aan geestelijke begeleiding maar dat er ook een heel oprechte honger naar is van de kant van de religieuzen dan mogen we ook geloven dat God hiervoor zal zorgen en dat het aantal geestelijk begeleiders zal toenemen. Hij zal priesters opvoeden die er naar zullen verlangen zichzelf voor dit werk in te zetten; ondanks de vele moeilijkheden en opofferingen die daar mee gepaard gaan. Maar er bestaat altijd het gevaar dat de priester, opgeleid om religieuzen serieus te begeleiden, overspoeld zal worden door de vraag naar zijn diensten. Zijn hoogste plicht is, als hij een effectieve begeleider wil zijn, om toe te zien op zijn eigen innerlijke leven en tijd voor gebed en meditatie te nemen omdat hij niet in staat zal zijn de ander iets te geven wat hijzelf niet heeft. 3. Hoe baat te hebben bij begeleiding Als we het bovenstaande probleem nu even opzij zetten en aannemen dat iemand een begeleider heeft gevonden, hoe kan hij deze genade dan het beste benutten? In de eerste plaats moeten zij die een regelmatig geestelijke begeleiding krijgen zich realiseren dat dit een gave van God is en dat zij, hoewel ze misschien niet geheel tevreden zijn, het feit dat ze überhaupt een begeleider hebben nederig dienen te waarderen. Dat stelt hen in staat baat te hebben bij wat ze hebben en zullen ze wellicht zien dat ze bovennatuurlijk gezien veel beter af zijn dan ze zich bewust waren. Dankbaarheid zal hen veel oplettender maken naar de begeleiding die zij ontvangen en hun geloof afstemmen op de mogelijkheden die zij over het hoofd hadden gezien. Zelfs als hun begeleider niet een andere heilige Benedictus of heilige Johannes van het Kruis is zullen zij zich wellicht realiseren dat hij desondanks tot hen spreekt in de naam van Christus en als een instrument van Hem bedoeld is in hun levens. Wat mogen we normaal gesproken van geestelijke begeleiding verwachten? Het is zeker een hulpmiddel maar we moeten niet denken dat het wonderen zal verrichten. Sommige mensen, en vooral sommige religieuzen die toch beter zouden moeten weten, schijnen te denken dat ze in staat moeten zijn een geestelijk begeleider te vinden die met één woord al hun problemen kan doen verdwijnen. Zij zoeken geen begeleider maar een wonderdoener. In feite leunen wij allemaal vaak op iemand anders om problemen op te lossen die wijzelf in staat zouden moeten zijn op te lossen, niet zozeer door onze eigen wijsheid maar door onze royale bereidwilligheid om de feiten en verplichtingen onder ogen te zien die de wil van God voor ons vertegenwoordigen. Onze menselijke 6
  7. 7. natuur is niettemin zwak en de vriendelijke steun en de wijze adviezen van iemand die we vertrouwen stellen ons in staat dat wat we al weten en zien op een raadselachtige wijze volmaakter te aanvaarden. Een begeleider zal ons niet direct iets vertellen wat we niet al wisten maar het is geweldig als hij ons helpt om onze aarzelingen te overwinnen en onze vrijgevigheid versterkt in de dienst voor de Heer. In veel gevallen echter zal een begeleider ons zaken onthullen die we tot dan toe niet hebben gezien, hoewel ze ons recht in het gezicht keken. Dit is zeer zeker ook een geweldige genade waar we dankbaar voor zouden moeten zijn. Een ding dat een goede begeleider niet zal doen is onze ongerichte, onbewuste neigingen naar perfectie in een handomdraai waar maken. Hij zal ons niet in staat stellen de dingen te bereiken die we ons “wensen”, omdat het geestelijk leven niet een zaak van “wensen” om volmaaktheid is. Mensen denken te vaak dat ze alleen maar een “wens” om hoeven te zetten in de “wil van God” om het bevestigd te krijgen door de begeleider. Helaas werkt deze alchemie niet en is iemand die dit probeert op weg naar ontgoocheling Het gebeurt vaak dat, zakelijk gezien, zogenaamde “vrome zielen” hun “geestelijk leven” met een verkeerd soort ernst opnemen. Natuurlijk moeten we serieus zijn in onze zoektocht naar God – niets is belangrijker dan dat. Maar we moeten onze eigen inspanningen om vooruit te komen niet constant observeren en geen overdreven aandacht schenken aan “ons geestelijk leven”. Sommige mensen die klagen dat ze geen goede begeleider kunnen vinden hebben in werkelijkheid alle kansen op begeleiding maar zijn niet ingenomen met de beschikbare begeleider omdat die hun ego niet streelt of voedsel geeft aan hun illusies over henzelf. Zij willen met andere woorden liever een begeleider die hen bevestigt in hun zelfgenoegzaamheid in hun deugden dan iemand die ze hun liefde voor henzelf ontneemt en hun zou kunnen laten zien hoe ze bevrijd kunnen worden van de preoccupatie met zichzelf en van hun kleinzieligheid om zichzelf aan God en de Kerk te kunnen geven. Dat betekent niet dat alles wat er in geestelijke begeleiding gebeurt echt adequaat is. Integendeel, heel vaak is de gegeven “begeleiding” na een biecht niet meer dan een korte onpersoonlijke preek die bij elke biechteling wordt gehouden. Deze kan doctrinair correct zijn en zeer goed als preek, maar begeleiding is naar haar aard iets persoonlijks. Het moge duidelijk zijn dat een zuster die weet dat zij precies dezelfde vage, algemene vermaning ontvangt als de twintig die voor haar ter biecht gingen, nauwelijks het gevoel krijgt dat zij geestelijke begeleiding ontvangt. Natuurlijk krijgt zij dat niet. En toch zou ze moeten proberen er het beste van te maken. Als ze nederig genoeg is om tenminste dit te aanvaarden, zal ze ontdekken dat de Heer een boodschap voor haar heeft in dit alles. En die boodschap zal persoonlijk zijn. Aan de andere kant zal een priester die graag begeleiding wil geven die afgestemd is op het individuele geval hier soms niet in slagen omdat de biechteling zijn geweten niet voldoende openbaar heeft gemaakta 4. Het uitspreken/openbaar maken van de bewegingen van het hart (zelfonthulling) en Begeleiding Het uitspreken van de bewegingen van het hart, wat absoluut noodzakelijk is in geestelijke begeleiding, is iets anders dan de sacramentele belijdenis van zonden. Soms zijn onze echte problemen in werkelijkheid niet eens zo nauw verbonden met onze zondige daden die wij aan de ‘sleutelmacht’ toevertrouwen. En dan nog voegt de belijdenis daarvan soms niets toe aan de duidelijkheid van zo’n verband, als dat wel bestaat. In werkelijkheid vertoont zonde zichzelf gewoonlijk als iets nogal onpersoonlijks; oorsprong en soort zijn voor iedereen hetzelfde. Als gevolg daarvan is het beste wat de begeleider kan doen met een min of meer algemeen en universeel advies te reageren. Dat kan op zichzelf een goed advies zijn en perfect in overeenstemming met de morele theologie zijn, en toch niet in de buurt van de oorsprong van het concrete, persoonlijke probleem in de ziel van de biechteling komen. Degenen die er nog nooit bij stil hebben gestaan wat het verschil is tussen biecht en begeleiding zullen als het moment daar is om een begeleider te hebben, geen voordeel halen uit die situatie omdat ze niet weten wat het is om je bewegingen van het hart uit te spreken. Dit komt dan misschien omdat ze een vaag professioneel en technisch beeld hebben van geestelijke begeleiding – het beeld dat we in het de eerste paragraaf misschien wel in een karikatuur hebben geschetst. Voor hen is begeleiding een vreemd, efficiënt, magisch systeem. Men gaat met een ingewikkeld ascetisch probleem naar de begeleider en hij rondt het af met de juiste technische oplossingen. Vandaar dat het vanaf het begin een verleiding is om de hele zaak voor de gek te houden door met een “interessant probleem” of een “nieuw geval” binnen te komen; alleen maar om te laten zien hoe belangrijk en hoe anders we zijn. Dat kan wel eens gebeuren. Maar meestal a ‘manifestation of conscience’ = uitspreken/ openbaar maken van de bewegingen van het hart/zelfonthulling/= logismoi 7
  8. 8. zijn we zo weinig fantasierijk dat we dit soort materiaal niet eens kunnen bedenken en dat we daardoor ontmoedigd raken. Natuurlijk is dit allemaal erg onverstandig. Als we werkelijk van geestelijke begeleiding willen profiteren zullen we aan de ene kant traagheid en passiviteit moeten vermijden -het gewoonweg niets zeggen en op de magische begeleider wachten die onze gedachten kan lezen en spirituele balsem kan toedienen. Aan de andere kant moeten we de situatie niet verhullen en dramatiseren door fictieve problemen te scheppen. Wat we moeten doen is onze begeleider in contact brengen met ons echte zelfa, zo goed als we kunnen en er niet bang voor te zijn hem te laten zien wat bedrog is in ons onechte zelf. Dit vraagt, van begin af aan een ontspannen, nederige houding waarin wij ons zelf loslaten en afzien van onze onbewuste pogingen om een façade overeind te houden. We moeten onze begeleider laten zien wat we werkelijk denken, wat we werkelijk voelen en wat we werkelijk verlangen; zelfs als deze dingen niet geheel eervol zijn. We moeten zo openhartig mogelijk zijn over onze motieven. Alleen al de poging om toe te geven dat we niet zo onzelfzuchtig of zo ijverig zijn als we ons voordoen is een geweldige bron van genade. Vandaar dat we de begeleiding zouden moeten benaderen in een geest van nederigheid en berouw, volledig bereid om dingen waar we niet trots op zijn te onthullen! Dit betekent dat we alle strijdlust voor ons zelf achter ons moeten laten en af moeten komen van onze instinctieve neiging tot zelfverdediging en zelfrechtvaardiging, die de grootse obstakels voor genade zijn in onze relatie met de begeleider. De onthulling van ons innerlijk leven die bij gewone geestelijke begeleiding verondersteld wordt impliceert een sfeer van vrije tijd zonder haast; een vriendelijk, oprecht en informeel gesprek op basis van persoonlijke intimiteit. De begeleider is degene die weet en meevoelt, die clementie verleent, die omstandigheden begrijpt, die zich niet haast, die geduldig en ootmoedig wacht op de aanwijzingen van Gods werk aan de ziel. Hij houdt zich niet alleen bezig met dit of dat urgente probleem, deze of gene zonde maar met het hele leven van de ziel. Hij is niet alleen maar geïnteresseerd in onze handelingen. Hij heeft veel meer belangstelling voor de basale houdingen van onze ziel, onze diepste verlangens, in hoe wij met problemen omgaan, onze wijze van reageren op goed en kwaad. De begeleider is in één woord geïnteresseerd in onze diepste zelf, in zijn uniciteit, zijn beklagenswaardige misère en zijn adembenemende grootheid. Een ware begeleider komt nooit over het ontzag heen dat hij ervaart in de aanwezigheid van een persoon, een onsterfelijke ziel, geliefd door Christus, gereinigd in Kostbaar Bloed van Hem en welke gevoed wordt door het sacrament van Zijn liefde. In feite is het dit respect voor het mysterie van het persoon-zijn wat hem tot echte begeleider maakt; dit samen met gezond verstand, de gave van gebed, geduld, ervaring en compassie. Natuurlijk moet hij, zoals de heilige Therésa al benadrukt, ook theoloog zijn. Maar geen enkele hoeveelheid theologische studie kan een mens de geestelijke onderscheiding geven als hem het gevoel van respect voor het unieke karakter van een ziel, wat een gave is die hoort bij nederigheid en liefde, ontbreekt. Openheid over het innerlijke leven in de diepste zin van het woord is vaak heel moeilijk. Het zou wel eens moeilijker kunnen zijn dan de belijdenis van zonden. Men voelt een niet uit te spreken schaamte en ontreddering als men de meest innerlijke diepten van de ziel wil uitspreken, zelfs als er niets is om je voor te schamen. In feite is het vaak veel moeilijker het goede dat in ons is te onthullen dan het kwade. Maar daar gaat het nu net om in begeleiding. We zullen de geheime aspiraties die wij in ons hart koesteren bloot moeten leggen omdat zij de dierbare schuilplaatsen zijn waarin wij aan de realiteit kunnen ontsnappen. We moeten in staat zijn ze bloot te leggen, zelfs als we maar al te goed weten dat we daarmee het risico lopen ze in een ander licht te gaan zien waardoor ze hun geheim en magie verliezen. De begeleider moet weten wat we echt willen om daarmee te kunnen zeggen wat wij werkelijk zijn. Het probleem is dat wij zelf vaak niet weten wat we “echt willen”. En dat brengt ons bij een belangrijk maar delicaat onderwerp: de houding van religieuzen en van Christenen in zijn algemeenheid t.o.v. de wil van God. Te vaak leidt een wettische opvatting van de wil van God tot een hypocriete vervalsing van het innerlijke leven. Nemen we vaak niet onbewust voor lief dat God een strenge wetgever is zonder belangstelling voor de gedachten en verlangens van ons hart, een God die alleen maar de arbitraire dictaten van zijn eigen ondoorgrondelijke, vooropgezette plannen aan ons wil opleggen? En dat terwijl, zoals de heilige Paulus zegt, wij geroepen zijn om mee te werken met God. “Wij zijn Gods medewerkers”(1 Kor. 3:9). Als zonen van God zijn wij geroepen om onze vrijheid te gebruiken om God te helpen Zijn gelijkenis in onze zielen te scheppen. En natuurlijk helpen wij hem ook Zijn Koninkrijk in de wereld te bouwen. In dit samenwerkingsproject zijn we niet alleen passieve mechanische instrumenten. Onze vrijheid, onze liefde, onze spontane bijdrage aan het werk van God is op zichzelf het door Hem meest gewilde en meest waardevolle effect van Zijn a waar ‘echte zelf’ staat zou ook ‘ware zelf’vertaald kunnen worden (= real) 8
  9. 9. genade. Door deze actieve deelname aan het werk van God te frustreren, frustreren wij dat wat door Hem het meest geliefd is. Dit betekent concreet dat het in geestelijke begeleiding erg belangrijk zal zijn te ontdekken welke heilige en geestelijke verlangens in de ziel van de biechteling werkelijk een bijzondere, spontane en persoonlijke gift, welke hij alleen aan God kan geven, zouden kunnen vertegenwoordigen. Als het een geschenk is dat alleen hij kan geven, dan is het vrijwel zeker dat God dit geschenk vraagt en een heilig, nederig en oprecht verlangen kan één van de tekenen zijn dat God het vraagt. Maar hier komt vaak een bepaalde onoprechtheid aan het licht. Wij zijn bang om dit spontane geschenk te geven, bang als we zijn voor spontaniteit op zichzelf omdat we zo misvormd zijn door het idee dat alles wat spontaan is “alleen maar natuurlijk” is en dat we voor bovennatuurlijk werk tegen de stroom in moeten gaan en dat het ons moet frustreren en tegenstaan. De waarheid is natuurlijk nogal anders. Het is voor ons noodzakelijk dat we ons wellustige, egocentrische en uiterlijke zelf moeten tegenwerken en overwinnen; het dwangmatige en automatische zelf dat niet in staat is tot werkelijke liefde. Door dit te doen bevrijden wij ons innerlijke en eenvoudige zelf; ons goddelijke zelf, het beeld van God, “Christus in ons” en zijn we in staat God lief te hebben in spirituele vrijheid en in alle eenvoud Hem de gave te geven die Hij van ons vraagt. Maar als we bang zijn voor spontaniteit zijn we geneigd onze verlangens te verhullen en ze als het ware te onthullen door ze te ontkennen. We hebben het gevoel dat de begeleider, wat we dan ook maar werkelijk verlangen, automatisch zal verwerpen. We geloven dat God en de begeleider beide een aanleg hebben om tegen alles wat spontaan is te zijn. Vandaar dat wij liever dan gewoon te laten zien wat we echt voelen of echt verlangen, iets anders zeggen waarvan wij denken dat wij dat moeten voelen of verlangen en de indruk wekken dat we niet verlangen wat we werkelijk verlangen. Dit is, ondanks onze goede bedoelingen, gewoonweg schijnheilig. De gevolgen zijn echt nogal gevaarlijk, omdat met dit concept van innerlijk leven wij eigenlijk zeggen dat God een façade wil. We concentreren ons in ons eigen leven dan op het bouwen aan deze façade en zelfs misschien aan dat van anderen. Het resultaat is een vervalsing van het totale religieuze leven in onze gemeenschap. Nee, wij moeten geheel open en eenduidig zijn zonder vooroordelen en zonder kunstmatige theorieën over onszelf. We moeten leren in overeenstemming met onze innerlijke waarheid te spreken, voorzover wij die kunnen waarnemen. We moeten leren te zeggen wat we werkelijk bedoelen in het diepst van onze ziel en niet zeggen wat we denken dat anderen van ons verwachten dat we zullen zeggen, of dat wat iemand anders net gezegd heeft. En we moeten ons erop voorbereiden verantwoordelijkheid te dragen voor onze verlangens en de gevolgen te aanvaarden. Dit is hard noch onnatuurlijk omdat elk mens die deze wereld binnenkomt met deze eenvoud geboren is. Het is de eenvoud van een kind welke wij allemaal helaas al verliezen nog voordat we een mogelijkheid hebben er goed gebruik van te maken. Tussen haakjes, deze kinderlijke eenvoud heeft niets te maken met de kunstmatig gecultiveerde brutaliteit van de gemiddelde tiener van vandaag. Het cynisme is geen diepgaande overtuiging die hem vergezelt (hij heeft geen diepgaande overtuigingen). Het is alleen maar een pose die hij zich eigen heeft gemaakt omdat hij onzeker is en bang is de goedkeuring van de groep te verliezen. Ware eenvoud betekent liefde en vertrouwen – hij verwacht niet te worden bespot en verworpen evenmin als hij verwacht te worden bewonderd en geprezen. Hij hoopt alleen op basis van wie hij is te worden aanvaard. Dit is het klimaat dat de goede begeleider tracht te scheppen: een klimaat van vertrouwelijkheid en vriendelijkheid waarbinnen de biechteling alles kan zeggen dat hij op zijn hart heeft met de zekerheid, dat daar open en eerlijk mee zal worden omgegaan. Als hij in het proberen oprecht te zijn dan nog steeds een pose aanneemt moet hij bereid zijn de gevolgen daarvan te ondervinden. Maar alles wat hij oprecht vertelt, wat recht uit zijn hart komt zal door de wijze begeleider begrepen en aanvaard worden. Zulke echte, oprechte verzuchtingen van het hart zijn soms zeer belangrijke aanwijzingen van de wil van God voor die ziel en soms moeten zij opgeofferd worden. Deze dingen geven ons een aanwijzing van wat de begeleider voor ons aan het uitzoeken is. Hij wil niet alleen maar onze problemen, onze moeilijkheden, onze geheimen kennen. En daarom moeten wij ook niet denken dat een begeleidingssessie die geen probleem oplost geen goede begeleiding zou zijn. De begeleider wil ons diepste zelf kennen, ons echte zelf. Hij wil ons niet kennen zoals wij in de ogen van mensen zijn, zelfs niet zoals wij in onze eigen ogen zijn, maar zoals wij zijn in de ogen van God. Hij wil de diepste waarheid over onze roeping kennen, het handelen van de genade in onze zielen. Zijn begeleiding is in werkelijkheid niets meer dan een manier van leiding waarin wij onze echte Begeleider gaan zien – de Heilige Geest, verborgen in de diepten van onze ziel. We moeten nooit vergeten dat we in werkelijkheid niet door mensen begeleid en onderwezen worden en dat we menselijke “begeleiding nodig hebben is alleen maar zo 9
  10. 10. omdat we niet zonder de hulp van mensen in contact kunnen komen met die “zalving” (van de Geest) die ons onderwijst in alle dingen”(1 Joh. 2:20). We moeten in het uitspreken van onze diepste verlangens en beproevingen boven alles volledig open en transparant zijn. Begeleiding wil ons leren trouw aan onszelf en trouw aan de genade van God te zijn. De discipline van oprechtheid en eenvoud in de omgang die een goede begeleider op een discrete wijze misschien met indirecte middelen zal opleggen is één van de meest vitale en noodzakelijke zaken op het gebied van het innerlijke leven vandaag de dag. Soms lijkt het erop dat het zogenaamde “innerlijke leven” niet veel meer is dan een web van illusies, gesponnen van jargon en vrome frasen die we uit boeken en preken hebben gehaald waarmee we datgene wat zich in ons afspeelt eerder bedekken dan onthullen. Hoe vaak komt het niet voor dat een begeleider luisterend naar schijnbaar bewonderenswaardig religieuze zielen verdrietig wordt en de rillingen krijgt omdat hij de indruk heeft dat een braaf iemand, vol onbewuste zelfvoldaanheid, gewapend met de clichés van vrome schrijvers voor hem staat; volledig bereid om zich tegen elke benadering van nederigheid en waarheid te verzetten. Zijn hart is ineengeschrompeld door een soort hopeloosheid, het gevoel dat er geen doorbraak en bevrijding mogelijk is van de echte persoon, die begraven en gevangen blijft achter een bedrieglijke gevel, die helaas het gevolg is van een religieuze misvorming. Misschien is onverstandige begeleiding zelf de schuld van deze geestelijke “vergroeiing” van de persoon. Zulke zielen zijn niet in staat te laten zien wat er in hen leeft omdat ze zichzelf volledig blind hebben gemaakt voor wat daar leeft en er iets anders voor in de plaats zetten. En toch zijn ze volledig te goeder trouw en hebben ze op een bepaalde manier een soort vrede, gebaseerd op het rigide bouwwerk van kunstmatigheid die zij juist als een verdedigingswal opgeworpen hebben tegen de angst. Misschien kan een beetje angst soms juist wel heel goed zijn! In ieder geval moet de begeleider op zijn hoede zijn voor de onbewuste geestelijke ijdelheid die maakt dat deugdzame zielen op een subtiele manier proberen te stralen in zijn ogen en proberen zijn goedkeuring te verwerven. Waar dingen goed zijn moet hij dat zeker bevestigen en aanmoedigen, in alle eenvoud. Kunstmatige vernederingen zijn niet nodig om de ziel deemoedig te houden. Maar discretie en misschien een zachtaardig gevoel voor humor van de begeleider zullen op scherp moeten staan om alles wat dan ook maar riekt naar een vroom “toneel” van de kant van de biechteling op te sporen. Niets is zo schadelijk als de begeleider die een onbewust voorwenden van volmaaktheid accepteert in plaats van het echte werk. Er is voor de begeleider misschien geen moeilijkere en delicatere taak dan de begeleiding van christenen die een roeping hebben tot een leven van innerlijk gebed. Dit wordt nog moeilijker door het gegeven dat er zoveel vrome nonsens geschreven, gedrukt en gezegd is over “mystici”, “uitverkoren zielen” en andere van zulke categorieën. Begeleiding is zeer belangrijk in een leven van gebed, maar het is nu zo dat een begeleider die niet heel erg integer en uit één stuk (heel/gezond, vert.)is, grote schade bij iemand kan aanrichten die dicht bij God leeft in gebed. Het hele probleem komt voort uit buitensporige zelfreflectie die door de kennis van “graden in gebed” en stappen bij het bestijgen van de “berg van liefde” wordt opgeroepen. Eigenlijk is hij op het moment dat iemand zijn gebedsleven te serieus begint te nemen en als iets gaat zien dat om bijzonder serieuze begeleiding vraagt, geneigd het door reflectie te ondermijnen. Hij begint naar zichzelf te kijken, zijn eigen reacties te beoordelen en nog erger, hij begint te overwegen of hij ze wel bekend zal maken aan zijn begeleider. Dit is natuurlijk fataal voor authentiek gebed en zal zelfs op de lange duur naar de verwoesting leiden van volledig goede contemplatieve roepingen. Het lijkt erop dat het grootste deel van de pseudo technische vragen die schijnbaar om overweging vragen in begeleiding volledig onbruikbaar zijn en vergeten zouden moeten worden. Wat voor nut heeft het voor een monnik om te beslissen of zijn contemplatie al of niet “geïnspireerd is? Zelfs zij die nog steeds geïnteresseerd zijn in de fundamentele discussie van geïnspireerde versus verworven contemplatie zijn het er over eens dat dit in de praktijk weinig verschil maakt voor de begeleiding van een persoon wiens gebed in algemene zin eenvoudig en contemplatief is. Een contemplatief is niet iemand die zijn gebed serieus neemt maar iemand die God serieus neemt, die hongert naar waarheid, die een leven zoekt in royale geestelijke eenvoud. Een vurige en oprechte nederigheid is de beste bescherming van zijn leven in gebed. Een begeleider die eenvoud en geloof kan stimuleren zal veel authentieke, eenvoudige contemplatieven op zijn weg vinden die onzin praten over aangegane verplichtingen, stil gebed, volledig verenigd gebed enzovoort. Het probleem is niet dat zulke dingen niet belangrijk zijn of niet bestaan, maar veeleer dat de woordenvloed die daarmee gewoonlijk gepaard gaat in werkelijkheid tussen de contemplatief en de realiteit, tussen de ziel en God in komt te staan. Het gevaarlijkste van dergelijk reflexief zelfbewustzijn in gebed is dat die ziel in een ondoorzichtige spiegel verandert waarin de contemplatief niet langer naar God kijkt maar naar zichzelf. Een dergelijke theoretische dwaasheid, samen met de nog ergere verdwazing van visioenen en stemmen die zonder voldoende reden serieus worden genomen, eindigt in verabsolutering van de geest die een soort van afgrijselijke eenzaamheid wordt waarin 10
  11. 11. de stem van God niet kan worden gehoord omdat de muren aan alle kanten de echo’s met clichés van “spirituele auteurs” weerkaatsen. Een kunstmatige onvriendelijkheid en het gebruik van opzettelijke vernederingen zullen deze toestand niet genezen indien de begeleider zelf, net zo stiekem, hetzelfde bedrieglijke waardepatroon adopteert en impliciet, alleen al door de manier waarop hij zijn biechteling “vernedert”, verklaart dat dit de geweldige genadegaven zijn die iemands hoofd kunnen doen omkeren. Dit is alleen maar een andere manier om dezelfde fout te maken. De begeleider noch de begeleide moet gefixeerd raken op de problemen van gaven en gunsten, zij zouden zich bezig moeten gaan houden met God de Schenker; niet met Zijn gaven. Waar het om gaat is de wil van God en Zijn liefde. Hoe zakelijker men hierover kan zijn hoe beter. Gunsten en gaven zullen nooit de gedachten kunnen omvormen van iemand die zijn aandacht op God gericht houdt in plaats van op zichzelf; en hoe meer waarlijk contemplatief het gebed is hoe onduidelijker, transparanter en onbewuster van zichzelf het gebed zal zijn. Wat over de genadegaven van het gebed is gezegd, is in dezelfde mate van toepassing op beproevingen en louteringen die men moet ondergaan. Belangrijk is om de ziel, die angstig en verontrust is op een rustige wijze te bemoedigen zodat geestelijke beproevingen op de juiste wijze begrepen worden zonder de “nacht” van de ziel te dramatiseren. In werkelijkheid is er net zoveel gevaar van gerichtheid op jezelf bij beproevingen als bij vertroostingen, op voorwaarde dat de beproevingen zelf niet erg zwaar zijn. Veel duisternis in het gebed die zichzelf verheerlijkt als “passieve loutering” is vermoedelijk in belangrijke mate een zaak van verveling die veroorzaakt wordt door verwarring over en fixatie op de subjectieve en bijkomstige aspecten van het geestelijk leven. De ziel moet weer in volledig contact komen met de werkelijkheid, dan zal de dorheid voor een groot gedeelte verdwijnen. Helaas roepen de routine en de aangemoedigde spiritualiteit in bepaalde contemplatieve gemeenschappen frustratie op en wordt elke vorm van infantiele humeurigheid verheerlijkt tot een spirituele nacht. De slachtoffers van dit soort systemen worden aangemoedigd tot masochisme en zelfmedelijden omdat dit iets te maken zou hebben met “contemplatie”. In feite is dit een voorbijgaan aan de genade en in wezen een schijnspiritualiteit. Op de lange duur leidt het naar talloze vormen van ontsnapping zoals nutteloze en onbelangrijke activiteiten, onnodige projecten, etc. die min of meer moedwillig tevoorschijn zijn getoverd om de obsessieve fascinatie voor het zelf te doorbreken. Ze hebben geen effect maar produceren alleen maar andere soorten angst en nieuwe frustraties. Wat echt nodig is, is een gewoon, realistisch en eenvoudig begrip van wat het contemplatieve leven is in al zijn bescheidenheid, met zijn ootmoedige, spontane activiteiten, zijn echte voldoening - als ze niet al te groots doet en de echte ontspanning die je kunt ontvangen bij het lezen van allerlei lectuur en een verbreding van de gezonde algemeen menselijke interesse, die in het geheel niet strijdig is met een leven van gebed. Het is echter ook weer niet nodig om de ongezonde fixatie op de ervaringen in gebed te doorbreken door extreem naar de andere kant door te slaan; door de verbijsterde ondergeschikte een rondje te laten maken langs feestjes en seculiere verstrooiing zoals te veel begeleiders geneigd zijn te doen, naar het schijnt. We moeten zorgvuldig zoeken naar een zegenrijk en evenwichtig gemiddelde. Dit bestaat niet in het uiterste van een zelfbewuste ascese, noch in het tegenovergestelde uiterste van de vergetelheid in gezelligheid en feestelijkheid, maar veel meer in het herstel van een eenvoudig en heelmakend gewoon leven, geleefd in een gematigd en menselijk aanvaardbaar tempo met slechts enkele heel deemoedige vergenoegdheden en vreugden van min of meer eenvoudige aard. Handenarbeid (in het bijzonder het werk buiten) speelt een belangrijke rol in deze omvorming, niet alleen als boete maar ook als een weg naar het ontspannen en het opfrissen van de geest. Samenvattend: één van de meest belangrijke voordelen die een begeleider oplevert voor het leven in gebed van zijn contemplatieve biechtelingen is de hulp bij het zo ver mogelijk reïntegreren van hun hele bestaan op een eenvoudig, natuurlijk en gewoon niveau waarop zij volledig mens kunnen zijn. Dan zal de genade zijn uitwerking op hen hebben en hen ten volle zonen van God maken. 5. Bijzondere problemen Als we de diepten van onze ziel eenmaal openbaar gemaakt hebben aan de begeleider, zal deze doorstoten tot op onze motieven en, als “door verduisterd glas”, doorzien tot in welke mate zij overeenstemmen met de waarheid en genade van God. De waarde van de begeleider wordt bepaald door de helderheid en eenvoud van zijn onderscheiden, zijn juiste oordeel; veel meer dan door de vermaningen die hij geeft. Want als zijn vermaning gebaseerd is op een foute beoordeling dan is die van weinig waarde. In feite zou hij schade kunnen berokkenen. Deze competentie in het bovennatuurlijk onderscheiden is een genade; in feite is het een gave van de Geest, een genade van een hogere orde die door God speciaal wordt gegeven omwille van de zielen. En zulke geestesgaven zijn zeker niet zo zeldzaam als men wel zou verwachten. De Heilige Geest werkt nog 11
  12. 12. steeds krachtig in Zijn kerk hoewel Zijn macht meer verborgen is dan in de eerste eeuwen! Hebben we enige reden om hier aan te twijfelen? Soms prikt het licht van de waarheid dat aan de begeleider is gegeven dwars door onze onbewuste bewapening heen, ondanks onszelf. Het zou kunnen zijn dat de begeleider iets zegt dat ons ernstig in de war brengt. Het zou kunnen dat we ons in het begin verzetten. We zouden ons kunnen voorstellen dat hij een ernstige fout heeft gemaakt en ons niet begrijpt. We betogen dan dat alles wat hij zegt ons vredig zou moeten stemmen, terwijl deze nieuwe stellingname van hem ons diep verontrust! We zouden in de verleiding kunnen komen zijn beslissing te verwerpen en zijn advies niet serieus te nemen; hem zelfs helemaal te verlaten. Op een dergelijk moment moeten wij op onze hoede zijn. Het zou kunnen zijn dat we ons tegen het licht van God verzetten. Het zou kunnen zijn dat we een genade weigeren te aanvaarden die ons hele leven zal omvormen. Het zou kunnen zijn dat we op de drempel staan van een van die “omkeringen” die ons naar een heel nieuw niveau van geestelijk leven en naar een diepere intimiteit met Christus zou brengen, maar aarzelen en ons omkeren. Laten we heel voorzichtig zijn als we boos zijn op onze begeleider. Laten we alert zijn als we niet kunnen accepteren wat hij gezegd heeft, hoe fout het ook schijnt te zijn. Laten we tenminste proberen met hem mee te gaan om te zien wat het teweegbrengt. Een beetje goede wil, een beetje geloof en een nederig gebed tot God zou ons in staat kunnen stellen te doen wat onmogelijk scheen te zijn en we zouden wel eens verrast kunnen staan te ontdekken dat er plotseling een bijna wonderbaarlijke verandering in ons leven heeft plaatsgevonden. Zelfs als de begeleider zelf onhandig of arrogant was kan het zijn dat God onze nederigheid en goede bedoeling met bijzondere gunsten zal belonen. Natuurlijk is het, zoals we boven al aangaven, terdege mogelijk dat we een begeleider hebben die ons niet begrijpt. Er bestaat geen volmaakte begeleider en zelfs de meest verlichte en gevoelige geestelijk begeleider kan falen en onjuist reageren op de fijnzinnige echo’s die de ware diepste geheimen van iemands karakten onthullen. Er zijn mensen die gewoonweg niet “klikken”. Als de situatie ernstig genoeg is kan veranderen van begeleider de aangewezen weg zijn. Wanneer bijvoorbeeld de begeleider eenvoudigweg weigert te luisteren naar onze oprechte zienswijzen en elk serieus bediscussiëren daarvan verwerpt, kan dat een reden zijn van verandering. Wees echter niet te haastig. We moeten de zaak tijd geven en overdenken. Zijn er genoeg redenen om te wisselen? Stel je eens voor dat hij je niet grondig begrijpt: stel je eens voor dat er een soort muur tussen jullie bestaat: kun je zelfs dan nog niet zeggen dat hij veel belangrijk zaken aan jou heeft onthuld die niemand anders tot nu toe aan jou verteld heeft? Als dat het geval is, dan gebruikt God hem als een instrument en moet je bij je begeleider blijven, behalve als het heel duidelijk is dat er een andere, beter begrijpende begeleider beschikbaar is. In ieder geval zal de verandering van begeleider alleen na zorgvuldige overweging mogen gebeuren en, indien mogelijk, na het consulteren van een verstandige vriend, een competente overste, of een alternatieve biechtvader; bijvoorbeeld gedurende een jaarlijkse retraite of een buitengewone biecht. Wat is de waarde van begeleiding via brieven? We moeten dat niet overschatten. Een brief van tijd tot tijd van een geestelijk begeleider die je goed kent en een goed theoloog of diep spiritueel persoon, kan van belang zijn. Maar begeleiding via een brief heeft één belangrijke handicap: de afwezigheid van direct persoonlijk contact In mondelinge geestelijke begeleiding wordt veel gecommuniceerd zonder woorden; zelfs ondanks woorden. Het directe contact van persoon-tot-persoon is iets dat niet goed vervangen kan worden. Christus Zelf zei: “Waar twee of drie bij elkaar zijn in mijn Naam daar ben Ik in hun midden”. Er is sprake van een bijzondere spirituele aanwezigheid van Christus in een direct persoonlijk gesprek die de hele waarheid dieper en intiemere tot uitdrukking brengt. Natuurlijk zijn brieven van een echt goede begeleider misschien beter dan direct contact met een slechte. Maar de meeste goede begeleiders hebben heel weinig tijd om lange brieven te schrijven. Ze hebben teveel andere dingen te doen. Men moet niet denken dat men strikte gehoorzaamheid verschuldigd is aan de geestelijke begeleider. Een begeleider is geen overste. Onze relatie met hem is niet die van een ondergeschikte aan een door God ingestelde juridische autoriteit. Het heeft meer van een relatie tussen een vriend en een adviseur. De deugd die hier van belang is, is daarom ook eerder leergierige volgzaamheid dan gehoorzaamheid, en deze volgzaamheid is een zaak van omzichtigheid. Gehoorzaamheid is een juridische zaak. Het negeren van de leiding van de begeleider zou onvoorzichtigheid kunnen zijn maar het is geen zonde tegen de wet of tegen de gelofte van gehoorzaamheid. We zouden daar aan toe kunnen voegen dat de theologen van vandaag privé-geloften van gehoorzaamheid aan de begeleider afraden. Echter, als mensen voortdurend aarzelen wat de juiste handeling is, moeten zij de instructie van de begeleider letterlijk uitvoeren en niet in discussie gaan over woorden; in dat geval is er in de praktijk sprake van gehoorzaamheid. In dit geval echter is de scrupuleuze persoon niet in staat om met beleid te werk te gaan en vandaar dat hij de 12
  13. 13. begeleider dient te gehoorzamen. Hij bevindt zich in de positie van een kind die zijn ouders moet gehoorzamen omdat hij niet in staat is zijn eigen inzichten te volgen. Een laatste punt. De begeleider is geen psychoanalyticus. Hij moet zich beperken tot zijn van God gegeven missie en twee grote fouten vermijden. In de eerste plaats moet hij geen amateur- psychotherapeut worden. Hij moet zich niet in eerste instantie bezig houden met onbewuste motieven en emotionele problemen. Hij moet genoeg hierover weten om hun aanwezigheid te kunnen herkennen. Hij moet een diep respect opbrengen voor het onbewuste van mensen en hun instinctieve natuur. Hij moet niet de fout maken een begeleiding te geven die de onbewuste en infantiele autoritaire neigingen in stand houdt. Tegelijkertijd moet hij niet te makkelijk en te zachtzinnig zijn door iedere bevlieging, hoe onredelijk ook, maar goed te keuren. In de tweede plaats moet hij zich realiseren dat de psychologische problemen zeer reëel kunnen zijn en dat ze als ze zich voordoen, ze buiten het bereik van zijn eigen competenties vallen. Hij moet niet iemand zijn die uit principe psychiatrie bespottelijk vindt en de pretentie heeft dat alle emotionele problemen langs ascetische weg opgelost kunnen worden. Hij moet weten wanneer hij iemand naar een psychiater moet verwijzen voor de juiste behandeling. Hij moet niet proberen een neuroot te genezen door hem te “overbluffen” of hem te dollen en nog minder door op hem te springen! We hebben korte blik geworpen op de voordelen van geestelijke begeleiding en enkele van bijbehorende moeilijkheden. Een behandeling als deze mist onvermijdelijk diepgang. Het wekt de indruk, dat er altijd heel veel gaande is tussen de begeleider en de begeleide. Het schept een beeld dat de begeleider altijd op zijn hoede moet zijn om niet bedrogen te worden - alsof elke begeleidingssessie in een strijd tussen licht en donker verandert. Dit is zeer zeker niet het geval. Als de begeleider en zijn biechteling elkaar eenmaal leren kennen gaat de begeleiding meestal vredig en zonder al te veel incidenten van maand tot maand en van jaar tot jaar steeds voort. Grote problemen doen zich nauwelijks voor. Er zijn maar weinig moeilijkheden. Als ze er al zijn worden ze eenvoudig en rustig zonder al te veel rompslomp aangepakt. Er zullen zeldzame moeilijke en stressvolle momenten zijn maar die gaan voorbij. Je zou in de verleiding kunnen komen te denken dat dit allemaal te tam, te stil, te veilig is. Het lijkt er bijna op dat begeleiding een tijdsverspilling is, alsof het niet meer betekent dan een vriendelijk kletspraatje over de triviale gebeurtenissen van het seizoen. Als we echter verstandig zijn dan zullen we ons realiseren dat dit nu juist de belangrijkste waarde is van begeleiding. Het vredige, in zijn eenvoud bijna alledaagse leven, zou wel eens heel anders kunnen zijn zonder deze vriendelijke gelegenheidsgesprekjes die gelijkmoedigheid brengen en de zaken gaande houden in hun zachte loop. Hoeveel roepingen zouden niet veel veiliger zijn als alle religieuzen in zulke rustige en veilige wateren als deze zouden kunnen navigeren! 13

×