Studieresultaten naar de effecten van de Leefloonwet
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Studieresultaten naar de effecten van de Leefloonwet

on

  • 790 views

Gedurende de laatste twintig jaar kwamen de fundamenten van de welvaartsstaat meer en meer onder druk te staan ten gevolge van economische, sociale, demografische en culturele veranderingen. Onder ...

Gedurende de laatste twintig jaar kwamen de fundamenten van de welvaartsstaat meer en meer onder druk te staan ten gevolge van economische, sociale, demografische en culturele veranderingen. Onder impuls van de OESO en van de Europese Unie werd derhalve in de jaren negentig gepleit om de sociale bescherming werkgelegenheidsvriendelijker te maken door mensen te activeren in plaats van te voorzien in uitkeringen. Alhoewel daarvoor al heel wat activeringsmaatregelen getroffen waren in België, brak het discours pas door in 1999 met de komst van de nieuwe regering die België wilde ombouwen tot een actieve welvaartsstaat. Eén van de doelgroepen voor dit activeringsbeleid vormen de bestaansminimumgerechtigden. De mogelijkheden voor de OCMW’s – als uitvoerder van de wet op het bestaansminimum – om cliënten te activeren en tewerk te stellen werden door de nieuwe regeling daarom ook in toenemende mate uitgebreid. Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de wet inzake het recht op maatschappelijke integratie van mei 2002 (ook wel RMI-wet of leefloonwet genoemd) werd afgesproken de effecten van de wet te onderzoeken en te evalueren. Deze studie evalueert de RMI-wet één jaar na toepassing ervan, dit wil zeggen gedurende de periode september 2002 tot en met september 2003.

Statistics

Views

Total Views
790
Views on SlideShare
790
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
3
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Microsoft Word

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Studieresultaten naar de effecten van de Leefloonwet Studieresultaten naar de effecten van de Leefloonwet Document Transcript

  • POD Maatschappelijke Integratie,Armoedebestrijding en SocialeEconomie STUDIE NAAR DE EFFECTEN VAN DE INVOERING VAN DE WET BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE IN OPDRACHT VAN 5 NOVEMBER 2004
  • Voorwoord Wij hebben onderhavige opdracht objectief en conform onze deontologische regels en intellectuele eerlijkheid uitgevoerd en dragen de verantwoordelijkheid voor alle voorstellen, op basis van de aangereikte en verzamelde informatie. Wij voorzagen in onze opdracht een aanpak met een aantal duidelijke fasen, waarbij telkens teruggekoppeld werd naar een stuurgroep. De stuurgroep had een initiërende, signaliserende en bijsturende rol in het project. Ze stond tevens in voor de besluitvorming en validering van tussentijdse resultaten en het ontwerp van het eindrapport. Wij danken de leden van de stuurgroep voor hun actieve medewerking en constructieve inbreng: dhr. Lesiw en mevr. Depuyt namens het kabinet van de Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen; dhr. Van Geertsom, mevr. Voets en mevr. Goris namens POD Maatschappelijke Integratie. In dit rapport worden de begrippen stuurgroep en begeleidingscommissie gebruikt. Beide begrippen zijn in dit verband synoniemen. Wij danken ook dhr. Neuckermans, dhr. De Coninck en dhr. Seruvire, medewerkers van de POD Maatschappelijke Integratie, voor het verstrekken van bijkomende kwantitatieve gegevens waar nodig, en hun gewaardeerde inspanningen. Tevens danken wij de leden van de werkgroep: mevr. Debast (VVSG), mevr. Wastchenko (AVCB-VSGB), dhr. Ernotte (UVCW), dhr. Wauters (OCMW Gent), dhr. Van Velthoven (OCMW Turnhout), dhr. Bienfait (OCMW Sint-Joost-ten-node) en dhr. Jacques (OCMW Charleroi). Ook dhr. Termote van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting danken wij als lid van de werkgroep. Wel merken wij volledigheidshalve op dat de contacten met dhr. Termote niet plaatsvonden tijdens de eigenlijke bijeenkomsten van de werkgroep. In dit rapport worden de begrippen werkgroep en strategisch klankbord gebruikt. Beide begrippen zijn in dit verband synoniemen. Ten slotte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve analyse dankzij de medewerking van een groot aantal OCMW’s tot stand kunnen komen. Ook tal van OCMW-gebruikers waren bereid vrijwillig deel te nemen aan de individuele enquêtesgesprekken. Al deze mensen wensen wij eveneens te bedanken voor hun medewerking, hun beschikbaarheid en hun onthaal.VOORWOORD
  • Inhoud 1. INLEIDING.............................................................................................................. 1 1. AANLEIDING VOOR DEZE STUDIE........................................................................... 1 1.1 Geschiedenis van de betreffende wetgeving.............................................. 1 1.1.1 Bestaansminimumwet ............................................................................ 1 1.1.2 Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie....................1 1.2 Belangrijkste wijzigingen door invoering van de RMI-wet........................... 2 1.2.1 Individualisering van het recht............................................................... 2 1.2.2 Beklemtonen van tewerkstelling............................................................. 2 2. DOELSTELLINGEN VAN DE STUDIE......................................................................... 4 3. ONAFHANKELIJKHEID VAN DE STUDIE..................................................................... 5 2. OPZET & METHODIEK VAN HET ONDERZOEK ................................................. 6 AANPAK VAN HET ONDERZOEKSPROJECT.................................................................. 7 1.1 Initiële aanpak............................................................................................. 7 1.1.1 Stap 1: Kick-off ....................................................................................... 7 1.1.2 Stap 2: Kwantitatief onderzoek & budgettaire effecten.......................... 8 1.1.3 Stap 3: Kwalitatief onderzoek................................................................. 9 1.1.4 Stap 4: Formuleren van knelpunten en problemen .............................10 1.1.5 Stap 5: Formuleren van verbeteringsvoorstellen en oplossingspistes 11 1.2 Herziene aanpak....................................................................................... 11 2. W ERKGROEP EN STUURGROEP........................................................................... 13 2.1 Samenstelling werkgroep.......................................................................... 13 2.2 Samenstelling stuurgroep.......................................................................... 13 3. KWANTITATIEVE BEVRAGING............................................................................... 14 3.1 Selectie van de steekproef ........................................................................ 14 3.1.1 Representativiteit van de steekproef................................................... 14 3.1.2 Steekproefkader en samenstelling van de steekproef......................... 14 3.1.3 Selectie van de steekproef................................................................... 16 3.1.4 Uiteindelijke steekproef........................................................................ 17 3.2 Opmaak & structuur van de vragenlijst voor kwantitatieve bevraging ......19 3.2.1 Opmaak vragenlijst .............................................................................. 19 3.2.2 Structuur van de vragenlijst ................................................................. 20 3.3 Methode van versturing............................................................................ 20 3.3.1 E-mail ................................................................................................... 20 3.3.2 Herinneringsbrief .................................................................................. 20 3.3.3 Opvolging............................................................................................. 21 4. KWALITATIEVE BEVRAGING................................................................................. 22 4.1 Respons.................................................................................................... 22 4.2 Methode van bevraging............................................................................ 22 4.3 Opmaak vragenlijst................................................................................... 23 4.4 Geïnterviewde personen .......................................................................... 23 4.5 Samenstelling van de steekproef .............................................................. 23 3. ONDERZOEKS-RESULTATEN : KWANTITATIEVE ANALYSE ........................ 25 1. RESPONS OP DE KWANTITATIEVE BEVRAGING ...................................................... 26 1.1 Overzicht van de OCMW’s met ingevulde kwantitatieve bevraging ........26 1.2 Respons.................................................................................................... 28 1.2.1 Algemene respons................................................................................ 28 1.2.2 De representativiteit en de gedetailleerdheid van de respons op elke vraag wordt in het hiernavolgende hoofdstuk 2 toegelicht. Respons per gewest..................................................................... 28 1.2.3 Respons per grootte............................................................................. 28 1.2.4 Respons per belasting.......................................................................... 29 1.2.5 Respons per deelname volgens monitoring criterium .........................29 1.2.6 Respons per deelname volgens cluster criterium ................................ 30 1.2.7 Kruising van de criteria ........................................................................ 30 2. ANALYSE VAN DE ONDERZOEKSRESULTATEN VOOR DE KWANTITATIEVE BEVRAGING...31 2.1 Analyse van het aantal RMI-gerechtigden................................................ 31 2.1.1 Inleiding................................................................................................ 31 2.1.2 Evolutie van het totale aantal gerechtigden......................................... 32 2.1.3 Methodologische opmerking................................................................ 34INHOUD
  • 2.2 Gerechtigden met een financiële tegemoetkoming – gedetailleerde analyse............................................................................................. 34 2.2.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 34 2.2.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 36 2.2.3 Analyse gegevens................................................................................ 36 2.3 Gerechtigden met een activeringsmaatregel – gedetailleerde analyse ....40 2.3.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 40 2.3.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 41 2.3.3 Analyse gegevens................................................................................ 41 2.4 Gerechtigden met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie........................................................................................... 45 2.4.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 45 2.4.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 46 2.4.3 Analyse gegevens................................................................................ 46 2.5 Aantal gerechtigden onderhevig aan terugvorderingen............................ 52 2.5.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 52 2.5.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 52 2.5.3 Analyse gegevens................................................................................ 53 2.6 Aantal personen onderhevig aan doorverwijzingen naar onderhoudsplichtigen ....................................................................... 54 2.6.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 54 2.6.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 54 2.6.3 Analyse gegevens................................................................................ 54 2.7 Aantal sancties ......................................................................................... 55 2.7.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 55 2.7.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 55 2.7.3 Analyse gegevens................................................................................ 55 2.8 Samenstelling van de specifieke doelgroepen.......................................... 56 2.8.1 Toelichting bij de vraag........................................................................ 56 2.8.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 57 2.8.3 Analyse gegevens................................................................................ 57 2.9 Weigeringen m.b.t. bestaansminimum- of leefloon-dossiers en beroepen ingesteld bij de Arbeidsrechtbank .................................................... 58 2.9.1 Toelichting bij de vragen...................................................................... 58 2.9.2 Representativiteit van de antwoorden.................................................. 59 2.9.3 Analyse gegevens................................................................................ 59 2.10 Budgettaire effecten ............................................................................... 60 2.10.1 Toelichting bij de vraag...................................................................... 60 2.10.2 Representativiteit van de antwoorden................................................ 63 2.10.3 Analyse gegevens.............................................................................. 64 2.11 Samenwerking met partners.................................................................... 64 2.11.1 Toelichting bij vraag 11...................................................................... 64 2.11.2 Representativiteit van de antwoorden................................................ 64 2.11.3 Analyse gegevens.............................................................................. 65 4. ONDERZOEKS-RESULTATEN : KWALITATIEVE ANALYSE ............................ 66 1. BEVRAGING VAN OCMW-VOORZITTERS EN OCMW-MEDEWERKERS...................... 67 1.1 Inleiding .................................................................................................... 67 1.2 Algemene perceptie over de nieuwe wetgeving........................................ 68 1.2.1 Het recht op maatschappelijke intergatie............................................. 68 1.2.2 Financiële aspecten............................................................................. 68 1.2.3 Toepassing van de wet........................................................................ 69 1.3 Categorieën van rechthebbenden............................................................. 70 1.3.1 Algemene opmerkingen ...................................................................... 70 1.3.2 Categorieën jongeren en studenten..................................................... 71 1.3.3 Categorie “vreemdelingen ingeschreven in bevolkingsregister” ..........73 1.4 Individualisering van het recht.................................................................. 74 1.5 Communicatie en publiciteit van de nieuwe wet....................................... 74 1.6 Netwerk en samenwerking........................................................................ 75 1.7 Bevoegdheid van het OCMW ................................................................... 77 1.8 Motivatie van de beslissing....................................................................... 78 1.9 Wettelijke bezinningstermijn..................................................................... 78 1.10 Dringende aanvraag................................................................................ 79 1.11 Doorverwijzing en terugvordering............................................................ 79 1.12 Bijstandsrecht.......................................................................................... 80 1.13 Hoorrecht................................................................................................. 80INHOUD
  • 1.14 Sancties................................................................................................... 80 1.15 Tewerkstelling / activering....................................................................... 81 1.15.1 Algemene vaststellingen.................................................................... 81 1.15.2 Terminologie “Aangepaste tewerkstelling” ......................................... 82 1.15.3 Artikel 60§7 of artikel 61.................................................................... 82 1.15.4 Contractverplichting ........................................................................... 82 1.15.5 Einde van de tewerkstelling Art.60§7 of Art.61 onder de RMI-wet ....83 1.16 Verzameling gegevens van de aanvrager............................................... 83 1.17 Extra subsidies....................................................................................... 84 1.18 Inschakelen van een controlegeneesheer .............................................. 84 1.19 Controlefunctie versus begeleidingsfunctie van de maatschappelijk werker............................................................................................... 85 2. BEVRAGING VAN GEBRUIKERS............................................................................. 86 2.1 Inleiding..................................................................................................... 86 2.2 Algemeen.................................................................................................. 86 2.3 Kennis van de wet van 26 mei 2002......................................................... 87 2.4 Eerste stap naar het OCMW ..................................................................... 87 2.5 Reden van aanvraag................................................................................. 87 2.6 Dringende aanvraag en snelheid van behandelen van de aanvraag........88 2.7 Aantal tussenpersonen.............................................................................. 88 2.8 Tewerkstelling of project............................................................................ 88 2.8.1 Algemene vaststellingen...................................................................... 88 2.8.2 Contractverplichting ............................................................................. 89 2.8.3 Tijdelijke duur van tewerkstellingsproject ............................................ 89 2.8.4 Bezinningstermijn van 5 dagen............................................................ 89 2.9 Doorverwijzing en terugvordering............................................................. 90 2.10 Bijstandsrecht.......................................................................................... 90 2.11 Hoorrecht................................................................................................. 91 2.12 Kwaliteit van de relatie met de maatschappelijk werker ......................... 91 2.13 Overeenstemming tussen de verwachtingen van de gebruiker en de oplossing voorgesteld door het OCMW ............................................ 91 2.14 Dubbele rol van de maatschappelijk werker........................................... 92 5. CONCLUSIES....................................................................................................... 93 1. ALGEMEEN ...................................................................................................... 94 2. KWANTITATIEF LUIK........................................................................................... 95 3. KWALITATIEF LUIK.............................................................................................. 97 6. AANBEVELINGEN.............................................................................................. 101 1. INHOUD.......................................................................................................... 102 2. INTERNE WERKING VAN HET OCMW ................................................................ 103 2.1 Management Informatie Systeem ........................................................... 103 2.2 Communicatie door het OCMW naar doelgroep..................................... 104 3. SAMENWERKING OCMW EN ANDERE DIENSTEN................................................. 105 3.1 Samenwerking OCMW en POD Maatschappelijke Integratie .................105 3.1.1 Integratie van M.I.S. in “nationaal” M.I.S. .......................................... 105 3.1.2 Communicatie & informatie naar OCMW’s....................................... 105 3.1.3 Hulplijn ................................................................................................ 106 3.1.4 Calculatietools voor OCMW’s............................................................ 106 3.2 Kruispuntdatabank.................................................................................. 107 3.3 Samenwerking OCMW & andere lokale partners.................................... 108 3.4 Samenwerking OCMW & andere instellingen van sociale zekerheid .....109 3.5 Samenwerking OCMW & Administratie Kadaster, registratie en domeinen ........................................................................................................ 109 3.6 Samenwerking OCMW & onderwijs........................................................ 109 4. REGELGEVING................................................................................................. 111 4.1 Het recht op maatschappelijke integratie ................................................. 111 4.1.1 Nieuwe categorieën............................................................................ 111 4.1.2 Categorie vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister....111 4.1.3 Doelgroep studenten.......................................................................... 111 4.1.4 Opdeling tussen min-25jarigen en plus-25jarigen inzake tewerkstelling .................................................................................................... 112 4.1.5 Doorlooptijd van 3 maanden voor geïndividualiseerd project ...........112 4.2 Instrument tegen armoedebestrijding...................................................... 113 4.3 Administratieve regels............................................................................. 114INHOUD
  • 4.3.1 Periode van doorverwijzing (doorzendingsverplichting van het onbevoegde OCMW).................................................................. 114 4.3.2 De informatieplicht ten aanzien van de aanvrager............................ 114 4.3.3 Schorsing (sanctie)............................................................................ 114 4.3.4 Toelage in de personeelskosten (250 EUR per dossier op jaarbasis) .................................................................................................... 115 4.3.5 Privacy (loonfiche).............................................................................. 115 VARIA..................................................................................................................... 116 5. TABELLEN....................................................................................................... 117 6. FIGUREN........................................................................................................ 119 7. LITERATUUR................................................................................................... 120 7. BIJLAGEN........................................................................................................... 121 1. GECODEERDE KWANTITATIEVE VRAGENLIJST...................................................... 122 2. KWALITATIEVE VRAGENLIJSTEN......................................................................... 123 2.1 Vragenlijst OCMW voorzitter................................................................... 123 2.2 Vragenlijst OCMW secretaris.................................................................. 125 2.3 Vragenlijst OCMW maatschappelijk werker............................................ 128 2.4 Vragenlijst gebruikers.............................................................................. 132 3. W ET BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE..................... 135INHOUD
  • 1. INLEIDING In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de aanleiding en het doel van deze studie en aan de belangrijkste objectieven voor de invoering van de wet voor het recht op maatschappelijke integratie.INLEIDING P.1
  • 1. Aanleiding voor deze studie Gedurende de laatste twintig jaar kwamen de fundamenten van de welvaartsstaat meer en meer onder druk te staan ten gevolge van economische, sociale, demografische en culturele veranderingen. Onder impuls van de OESO en van de Europese Unie werd derhalve in de jaren negentig gepleit om de sociale bescherming werkgelegenheidsvriendelijker te maken door mensen te activeren in plaats van te voorzien in uitkeringen. Alhoewel daarvoor al heel wat activeringsmaatregelen getroffen waren in België, brak het discours pas door in 1999 met de komst van de nieuwe regering die België wilde ombouwen tot een actieve welvaartsstaat. Eén van de doelgroepen voor dit activeringsbeleid vormen de bestaansminimumgerechtigden. De mogelijkheden voor de OCMW’s – als uitvoerder van de wet op het bestaansminimum – om cliënten te activeren en tewerk te stellen werden door de nieuwe regeling daarom ook in toenemende mate uitgebreid. Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de wet inzake het recht op maatschappelijke integratie van mei 2002 (ook wel RMI-wet of leefloonwet genoemd) werd afgesproken de effecten van de wet te onderzoeken en te evalueren. Deze studie evalueert de RMI-wet één jaar na toepassing ervan, dit wil zeggen gedurende de periode september 2002 tot en met september 2003.1.1 Geschiedenis van de betreffende wetgeving De wet inzake het recht op maatschappelijke integratie van 26 mei 2002, ter vervanging van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op bestaansminimum (ook wel de bestaansminimumwet genoemd), is van kracht geworden op 1 oktober 2002.1.1.1 Bestaansminimumwet De oude bestaansminimumwet, één der drie belangrijkste pijlers van de OCMW- regelgeving, was immers op tal van punten niet meer aangepast aan de grondige economische en maatschappelijke veranderingen die we sedert 1974 kennen. Bovendien was deze wetgeving eerder gericht op het verlenen van financiële steun en minder op maatschappelijke integratie. Het OCMW is sinds 1993 verplicht om binnen de drie maanden volgend op een bestaansminimumaanvraag, een sociaal integratiecontract op te stellen en aan te bieden aan elke bestaansminimumgerechtigde jonger dan 25 jaar. In dit contract zijn de rechten en plichten van de jongere en het OCMW geëxpliciteerd.1.1.2 Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie Net zoals de oude bestaansminimumwet, voorziet de nieuwe wet (ook wel leefloonwet genoemd) in een uitkering voor mensen waarvan het inkomen kleiner is dan het bestaansminimum. De RMI-wet is echter veel meer dan een louter uitkeringsgerichte wetgeving. De nieuwe wet:  legt ook het recht op maatschappelijke integratie vast en dit per persoon,  versterkt de rechten van de begunstigde en de aanvrager,Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.1
  •  voert een hogere leefloonvergoeding in,  zorgt voor een aantal extra kostenvergoedingen voor de inspanningen van OCMW’s m.b.t. leefloondossiers,  herdefinieert het toepassingsgebied conform de actuele diversiteit van gezinsstructuren  en breidt het toepassingsgebied uit tot de vreemdelingen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister met het oog op en betere maatschappelijke integratie van deze doelgroep. Streefdoel van de nieuwe wet is niet enkel een inkomensgarantie, maar evenzeer een actieve participatie van elkeen in onze samenleving middels deelname aan het maatschappelijk leven, in eerste instantie door integratie middels tewerkstelling. De klemtoon verschuift dus van een minimumloon naar maatschappelijke integratie. Hierbij wordt uitgegaan van een wederzijds solidariteitsprincipe tussen zowel maatschappij als cliënt. Bijzondere aandacht wordt daarbij besteed aan de begeleiding van de min-25jarigen qua autonome participatie in onze samenleving en aan de versterking van de gebruikersrechten.1.2 Belangrijkste wijzigingen door invoering van de RMI-wet1.2.1 Individualisering van het recht In tegenstelling tot de oude bestaansminimumwet worden gehuwde leefloon- gerechtigden nu als individu behandeld en niet meer als een koppel. Terwijl vroeger een gehuwd koppel in één dossier behandeld werd, worden de partners nu in twee dossiers behandeld. Tevens worden gehuwde partners en niet-gehuwde partners op gelijke voet behandeld. Achterliggende motivatie is om zich specifiek te richten op elk individu afzonderlijk teneinde de sociale integratie efficiënter te laten verlopen.1.2.2 Beklemtonen van tewerkstelling De filosofie van de RMI-wet stelt dat tewerkstelling de ultieme vorm van integratie is en maakt hiervan dan ook een topprioriteit. En dit in het bijzonder voor de min- 25jarige leefloners. Enerzijds is deze bevolkingsgroep volgens studies verhoudingsgewijs het sterkst gegroeid qua aantal en qua relatief belang in de bestaansminimumpopulatie gedurende het decennium voorafgaand aan de invoering van de nieuwe regelgeving. Anderzijds wenste de wetgever een “positieve discriminatie” van deze doelgroep om te voorkomen dat jongeren anders in de totaliteit van de leefloonpopulatie opgingen en zo een groter risico op een langere of “eeuwige” inactiviteit en afhankelijkheid van werkloosheidssteun of nood aan leefloon of andere hulp. Met alle bijhorende negatieve gevolgen & gevoelens bij de betrokkenen qua maatschappelijke waarde & waardering. In de nieuwe regelgeving is de maatschappelijke integratie voor min-25jarigen enkel mogelijk in de vorm van tewerkstelling of van een geïndividualiseerd project. Een OCMW krijgt drie maanden de tijd om de jongere te activeren (enge interpretatie van de regelgeving) of te begeleiden richting activering (ruime interpretatie van de regelgeving).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.2
  • Voor de plus-25jarigen geldt deze termijn niet, wat niet wegneemt dat ook voor hen tewerkstelling de ultieme vorm van integratie is. Voor de OCMW’s zijn de belangrijkste wijzigingen: 1. Actieve rol voor het OCMW bij het realiseren van de tewerkstelling. 2. Overheidsbetoelaging voor werkingskosten, afhankelijk van het aantal dossiers. Andere krachtlijnen zijn de verhoging van het leefloon, de aanpassing van categorieën op basis van de gewijzigde gezinsstructuren en de gelijke behandeling van de betrokkenen, waarbij ook vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister recht hebben op een leefloon.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.3
  • 2. Doelstellingen van de studie Het doel van deze studie is drieledig: 1. De evaluatie van de nieuwe RMI-wet ten aanzien van de vroegere bestaansminimumwet. Dit zal verwezenlijkt worden door het uitgebreide kwantitatief onderzoek waarbij een aantal cijfergegevens ons een duidelijk beeld moet geven over de evolutie van diverse aspecten van de bestaansminimumwet naar de RMI-wet. 2. Een vergelijking van de letter van de wet met de geest van de wet. Hierbij moet nagegaan worden wat de nieuwe wet in de praktijk betekent voor de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW’s) en voor de begunstigden. Deze vergelijking zal gebeuren aan de hand van een kwalitatief onderzoek waarbij we een groot aantal mandatarissen van OCMW’s en een afdoend aantal begunstigden zullen interviewen, om zo te toetsen in hoeverre de wet in de praktijk wordt omgezet. 3. Het uitwerken van verbeteringsvoorstellen en mogelijke oplossingspistes voor de eventueel vastgestelde knelpunten of problemen van de nieuwe wet. Uit het kwalitatief onderzoek en uit de correlatie ervan met het kwantitatief onderzoek zal blijken waar er problemen opduiken en waar de eventuele knelpunten in de nieuwe wet zich bevinden. Hiervoor zullen wij oplossingen bieden en verbeteringsvoorstellen formuleren.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.4
  • 3. Onafhankelijkheid van de studie Belangrijk is op te merken dat onze analyse onafhankelijk is en gebaseerd is op de eigen resultaten verkregen door de kwantitatieve en kwalitatieve bevragingen. Dit betekent dat wij geen rekening hebben gehouden met de resultaten van studies uitgevoerd door andere vorsers of door andere actoren, zoals de VVSG, de AVCB- VSGB en de UVCW. Wel is er tijdens het onderzoek akte genomen van de opmerkingen van de verschillende actoren. Wij hebben waar mogelijk onderzocht in hoeverre deze opmerkingen door onze kwantitatieve en kwalitatieve analyse bevestigd worden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.5
  • 2. OPZET & METHODIEK VAN HET ONDERZOEKONDERZOEKSOPZET & METHODIEK P.6
  • Aanpak van het onderzoeksproject Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de stappen en methodieken in het onderzoek. In bepaalde stappen van het onderzoek werd op advies van de werkgroep en/of stuurgroep en na akkoord van de stuurgroep een andere aanpak gevolgd dan de initieel voorgestelde aanpak. Deze herzieningen tijdens de loop van het onderzoek vonden plaats in functie van de beoogde representatieve resultaten van het onderzoek. Terwijl § 1.1onder de originele aanpak beschrijft, verduidelijken we in § 1.2onder de wijzigingen in deze aanpak.1.1 Initiële aanpak Onderstaande figuur toont schematisch de verschillende stappen in het onderzoek. De aanpak wordt vervolgens stap per stap toegelicht. Wij merken op dat de beschrijving slaat op de initiële aanpak, zoals voorgesteld in onze offerte. Fig.1. Stappenplan van het onderzoek Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5 Kick - off Kwantitatief Kwalitatief Formuleren Formuleren onderzoek onderzoek Van van & knelpunten Verbeterings- budgettaire voorstellen En effecten en problemen Oplossings- - pistes1.1.1 Stap 1: Kick-off 1.1.1.1 Objectieven − Bepalen van de aanpak en voortgang, de samenwerkingsprincipes tussen begeleidingscommissie en onderzoeksteam. − Validatie van strategisch klankbord van externe experts. − Verfijnen van de scope van de opdracht en haar doelstellingen, en van de aanpak van de opdracht. − Verzamelen van alle relevante input: wetgevingsteksten, gegevens van de reeds in gebruik zijnde monitoringtool bij 60 OCMW’s, projectdocumenten, … − Inzicht krijgen in de spreiding van OCMW’s en begunstigden. − Taakaflijning voor alle partijen die bij het project betrokken zullen worden. 1.1.1.2 Initiële aanpak − Voorstelling van de methodologie, de aanpak van het project, en de leden van het onderzoeksteam. − Samenstelling van de begeleidingscommissie. − Taakaflijning van interne POD-medewerkers en OCMW-medewerkers.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.7
  • − Opmaak finale projectplanning en timing. 1.1.1.3 Resultaat − Concrete afspraken betreffende het projectverloop en de verantwoordelijken van de verschillende actoren. − Projectplanning met mijlpalen, inclusief tussentijdse vergaderingen van de begeleidingscommissie en de gewenste tussentijdse rapporteringen.1.1.2 Stap 2: Kwantitatief onderzoek & budgettaire effecten 1.1.2.1 Objectieven − Onderzoek naar evoluties van de aantallen en profielen van de gerechtigden op maatschappelijke integratie tussen september 2002 en september 2003 met aanduiding van onder meer categorieën begunstigden, leeftijdscategorieën, types activering, types individuele integratieplichtigen, verhaal onderhoudsplichtigen, sancties met bijzondere aandacht voor studenten, vreemdelingen en artiesten. − Berekenen van eventuele meerkost OCMW’s inzake hun maatschappelijke opdracht. 1.1.2.2 Initiële aanpak − Opstellen van een vragenlijst voor OCMW-mandatarissen, en van een bevragingsmeetinstrument om minimum al de in het bestek gevraagde informatie (ook budgettaire) te kunnen bekomen, rekening houdende met de door de POD reeds gebruikte monitoringtool bij 60 OCMW’s. − Tussentijdse validatie van de vragenlijst en het meetinstrument door het strategisch klankbord én door de begeleidingscommissie. − Schriftelijke bevraging van een representatief staal van ca. 120 OCMW’s, verspreid over België (middels port betaald door bestemmeling). Hoofddoel hierbij was om een antwoord te bekomen van minstens 60 OCMW’s, met een belangrijke vertegenwoordiging erin van die OCMW’s die reeds via de monitoringtool door de POD bevraagd worden. Deze OCMW’s zullen daarom individueel opgevolgd worden qua deelname (m.a.w. telefonische contactname na zekere responstijd). Wij verwijzen naar §1.2onder voor de herziene aanpak hieromtrent. − De bekomen budgettaire informatie van elk deelnemend OCMW wordt vergeleken met de informatie, zoals beschikbaar op niveau van de 3 gemeenschappen. − Verwerking van de verkregen gegevens in overzichtelijke tabellen, die zo opgesteld zijn dat de opdrachtgever hen in de toekomst zelf kan hanteren voor nieuwe en/of bijkomende onderzoeken. 1.1.2.3 Resultaat − Tussentijds rapport met resultaten van kwantitatieve bevraging waarbij reeds de eerste eventuele pijnpunten inzake budgettaire effecten worden blootgelegd, en waarin de kwantitatieve evolutie van aantallen en profielen visueel verwoord worden. − Uitgebreide bespreking in begeleidingscommissie van eerste resultaten, en formuleren van aandachtspunten voor nader onderzoek in kwalitatief gedeelte.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.8
  • 1.1.3 Stap 3: Kwalitatief onderzoek Deze fase behelsde een uitgebreide interviewronde van OCMW-mandatarissen én een diepgaand gesprek met een aantal begunstigden. Op deze wijze streefden wij ernaar om zowel vanwege de aanbodzijde als vanwege de vraagzijde relevant inzicht te bekomen in de problematiek. Aangezien de aanpak sterk verschillend was naargelang de doelgroep, lichten we de aanpak per doelgroep afzonderlijk toe. 1.1.3.1 Stap 3a. Kwalitatief onderzoek bij OCMW’s A. Objectieven − Middels diepgaande bevraging van OCMW’s komen tot een grondige interpretatie en analyse van de wet en tot een interpretatie van de cijfers uit het kwantitatief onderzoeksgedeelte, teneinde na te gaan of de opzet en de motieven van de wet ook daadwerkelijk in de praktijk hun uitwerking hebben. − Onderzoek bij een representatieve steekproef van OCMW’s. B. Initiële aanpak − Op grond van een diepgaande vergelijking van nieuwe wet en oude wet en op basis van de gegevens van het kwantitatieve onderzoeksgedeelte wordt een interviewvragenlijst opgesteld, die tevens toelaat om naargelang de gesprekssituatie op specifieke aandachtspunten dieper in te gaan. − Voorafgaandelijk toezending van de interviewleidraad aan uitgenodigde sleutelfiguren en telefonische opvolging van en aansporing tot hun deelname. Ons oorspronkelijk voorstel was om 2 interviewleidraden uit te werken: één voor de sociale dienstverleners en één de voor voorzitter, ontvanger en secretaris. Qua aantal deel te nemen OCMW’s stelden wij initieel voor om alle OCMW’s uit te nodigen die de kwantitatieve bevraging ingevuld terugstuurden (d.w.z. min. 60). Wij verwijzen naar §1.2onder voor de gewijzigde aanpak. − Interviews met behulp van deze vragenlijst bij de sleutelfiguren van OCMW’s, middels een rondetafelgesprek met o.a. voorzitter, secretaris, hoofd sociale dienst, één of meerdere veldwerkers. Initieel stelden wij voor om deze geleide discussies niet per individueel OCMW (tenzij een OCMW dit expliciet verkoos) doch per groep van 2 à 3 OCMW’s, en dit op subprovinciale basis, te organiseren. Dit met het oog op een kruisbestuiving en interne dynamiek die in dergelijke groepsgesprekken ontstaat. Wij voorzagen 3 à 4 dergelijke rondetafelgesprekken per provincie, dus ca. 30 à 40 (inclusief 2 in Brussels Hoofdstedelijk Gewest), en dit in één van de deelnemende OCMW’s dan wel in één van onze lokale kantoren in België. − Ook de jaarverslagen van de deelnemende OCMW’s worden bestudeerd inzake gegevens relevant voor deze studie. C. Resultaat − Rapport van kwalitatief onderzoek met daarin eerste resultaten van eventuele discrepantie tussen theorie en praktijk wetgeving. − Rapportering van de verschillenanalyse tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek. 1.1.3.2 Stap 3b. Kwalitatief onderzoek bij begunstigden en/of rechthebbenden A. Objectieven − Middels individuele bevraging nagaan of het opzet en de motieven van de wet ook als positief geëvalueerd worden, en in hoeverre de relevante gegevens bij hen op een sluitende en duidelijke wijze gekend zijn. Hierbij wordt onder meer deFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.9
  • toepassing van de informatieplicht van het OCMW, het bijstandsrecht en het respect van alle andere rechten van de begunstigden geëvalueerd. − Onderzoek van een beperkt maar representatief staal van begunstigden en/of rechthebbenden, die cliënt zijn bij die OCMW’s die deelnamen aan het kwantitatief én het kwalitatief onderzoeksgedeelte. − En dit alles met inachtneming van de wetgeving inzake privacy. B. Initiële aanpak − Uitwerking van een interviewleidraad en een eenvoudig begrijpbaar en leesbaar meerkeuze-antwoordblad, in samenwerking met hoofden sociale dienst en maatschappelijk werkers van een aantal OCMW’s, die aan het kwantitatief onderzoek deelnamen. − Deze interviewleidraad en meerkeuze-antwoordblad toesturen aan de verantwoordelijken sociale dienst van die OCMW’s die hun medewerking verlenen aan de lokale rondetafelgesprekken, en dit voorafgaandelijk aan de rondetafelgesprekken. Vergezeld van de vraag aan de verantwoordelijke sociale dienst opdat zij in hun cliënteel op basis van door ons opgegeven criteria een representatief staal van ca. 5 à 10 begunstigden om hun vrijwillige medewerking verzoeken (dit teneinde de privacyregelgeving te respecteren) en hen uitnodigen op het OCMW-centrum op de datum van het lokale rondetafelgesprek met OCMW-sleutelfiguren. Wij verwijzen naar §1.2onder voor de details van de gewijzigde aanpak. − Aansluitend of voorafgaand aan lokale rondetafelgesprekken met OCMW’s: mondelinge debriefing van de interviewleidraad en de doelstellingen aan de medewerker sociale dienst, en vervolgens kort interview met de uitgenodigde of aanwezige begunstigden door de betrokken maatschappelijk werker (= hun vertrouwenspersoon) in aanwezigheid van een lid van het onderzoeksteam (= bewaker van objectiviteit). Wij verwijzen naar §1.2onder voor de gewijzigde aanpak. C. Resultaat − Rapport van kwalitatief onderzoek − Aanzet tot resultaatbeoordeling in Ernst & Young strategisch klankbord cq. werkgroep en in begeleidingscommissie cq. stuurgroep1.1.4 Stap 4: Formuleren van knelpunten en problemen 1.1.4.1 Objectieven − De gegevens van kwalitatief en kwantitatief onderzoek worden in het grotere perspectief van het onderzoek onderling vergeleken. − Verbanden tussen beide onderzoeken moeten een aanzet geven tot inventarisrapport. − Overleg in werkgroep en stuurgroep. 1.1.4.2 Initiële aanpak − Grondige studie van resultaten van kwantitatief en kwalitatief onderzoek en de budgettaire effecten. − Terugkoppeling van de bekomen knelpunten en problemen naar een beperkt aantal materie-experten, verzameld in de werkgroep. − Overleg in begeleidingscommissie over bekomen resultaten. 1.1.4.3 Resultaat − Definitieve inventaris van problemen en knelpunten.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.10
  • − Verbeteringsvoorstellen en oplossingspistes.1.1.5 Stap 5: Formuleren van verbeteringsvoorstellen en oplossingspistes 1.1.5.1 Objectieven − Definitieve formulering van analyseresultaten, verbeteringsvoorstellen en oplossingspistes op socio-juridisch en socio-financieel vlak. − Overdracht ontwikkelde tools en meetinstrumenten. − Raadgevingen en aanbevelingen in het kader van eventuele latere, toekomstige evaluaties meegeven zodat de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale economie latere evaluaties zelf aankan. 1.1.5.2 Initiële aanpak − Presentatie van het eindrapport aan opdrachtgever. − Oplevering van het eindrapport. − Overdracht ontwikkelde tools en meetinstrumenten.1.2 Herziene aanpak Zowel in stap 2 (kwantitatief onderzoek), stap 3a (Kwalitatief onderzoek bij OCMW’s) als stap 3b (Kwalitatief onderzoek bij begunstigden) hebben wij tijdens het project de aanpak enigszins herzien, met het oog op representatievere respons. Vooreerst hebben wij de uitgewerkte vragenlijsten en meetinstrumenten diepgaand besproken tijdens hun conceptfase met een groter dan initieel voorzien aantal OMCW’s, teneinde de diversiteit tussen OCMW’s volledig op te vangen. Vervolgens hebben wij in stap 2 alle aangeschreven OCMW’s die nog niet geantwoord hadden, zowel voor het einde van de eerste deadline als voor het verstrijken van de tweede deadline minstens tweemaal telefonisch gevraagd tot reactie & deelname. Na ontvangst van de gegevens hebben wij vervolgens een groot aantal deelnemende OCMW’s nogmaals gecontacteerd in het kader van verduidelijking van opgeleverde informatie. Waar mogelijk werden “eigenaardige” kwantitatieve gegevens vergeleken met de door het betrokken OCMW aan Ernst & Young of aan de POD opgeleverde jaarverslagen, en met andere kwantitatieve rapporteringen die aan POD werden bezorgd. Tevens werden de antwoorden van diverse vragen (meer bepaald vragen 1, 2, 3 en 10), zoals opgeleverd door de deelnemende OCMW’s aan ons, vergeleken qua tendens met de door die OCMW’s aan POD opgeleverde gegevens. Verder werd besloten om de informatieverwerking niet te beperken tot het initieel aantal van circa 60, maar dit uit te breiden tot 81. In akkoord met de stuurgroep heeft dit geleid tot een niet onaanzienlijke verlenging van de onderzoeksperiode, mede gezien de afwezigheid van diverse OCMW- mandatarissen tijdens de traditionele vakantiemaanden. In stap 3.a was oorspronkelijk voorzien dat we de kwalitatieve bevragingen hielden door middel van rondetafelgesprekken op subprovinciale basis. Uiteindelijk werd geopteerd voor individuele gesprekken met voorzitter, secretaris en hoofd sociale dienst of maatschappelijk werker van de deelnemende OCMW’s, en dit op basis van een specifieke vragenlijst per functiehouder. Tevens werd beslist om een groter dan initieel voorzien aantal mandatarissen te interviewen. De finale samenstelling van de te interviewen personen in de kwalitatieve bevraging vindt u terug in 3.4.1.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.11
  • In stap 3.b tenslotte werd geopteerd voor individuele interviews met begunstigden, zonder aanwezigheid van OCMW-medewerkers. De selectiecriteria voor de begunstigden en het OCMW waaronder ze ressorteren, werden door Ernst & Young opgemaakt en aan de diverse deelnemende OCMW’s bezorgd, zodat het OCMW enkel nog in de rangen van haar cliënteel een aantal personen diende te selecteren die aan onze selectiecriteria beantwoordden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.12
  • 2. Werkgroep en stuurgroep Bij aanvang van het project werd een werk- en stuurgroep opgericht. Werkgroep De werkgroep betrekt experts uit de dagelijkse praktijk in de studie. De werkgroep dient als klankbord en voor het aftoetsen van de opgestelde vragenlijsten en analyseresultaten. Stuurgroep De stuurgroep heeft niet alleen een rol in het bewaken van de vooruitgang en kwaliteit, maar heeft ook de autoriteit om tussentijdse rapporten te valideren.2.1 Samenstelling werkgroep De samenstelling van de werk groep verduidelijkt dat verschillende belangengroepen bij deze studie betrokken werden: − Mevr. Debast, stafmedewerker OCMW-wetgeving & schuldbemiddeling van de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG) − Mevr. Wastchenko, secretaris van de Afdeling Maatschappelijk welzijn en Sociale bijstand van de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (VSGB) − Dhr. Ernotte, Directeur Général van de Fédération des CPAS binnen de L’Union des Villes et Communes de Wallonie (UVCW) en als dusdanig expert inzake de problematiek van “Droit à l’intégration sociale”. − Dhr. Wouters, secretaris OCMW Gent en voorzitter van de Vereniging van de Vlaamse OCMW-Secretarissen (VVOS). − Dhr. Van Velthoven, Hoofd Sociale Dienst Turnhout − Dhr. Bienfait, CPAS Saint-Josse-ten-Noode − Dhr. Jacques, Premier Conseiller Service Social CPAS Charleroi − Dhr. Termote, Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting2.2 Samenstelling stuurgroep − Dhr.Van Geertsom, voorzitter POD Maatschappelijke integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie − Dhr. Lesiw, Kabinet minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen − Mevr. Depuyt, Kabinet minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen − Mevr. Voets, POD Maatschappelijke integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie − Mevr. Goris, POD Maatschappelijke integratie, Armoedebestrijding en Sociale EconomieFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.13
  • 3. Kwantitatieve bevraging3.1 Selectie van de steekproef3.1.1 Representativiteit van de steekproef De steekproef is representatief als, ten opzichte van de variabelen, de frequentieverdeling van de variabelen overeenkomt met de frequentieverdeling van de variabelen in de totale populatie. Deze werkwijze geeft dus geen representativiteit over alle steekproefvariabelen in de populatie, enkel ten aanzien van de geselecteerde variabelen. In het kader van deze evaluatie werden volgende steekproefvariabelen weerhouden: − Aantal inwoners (van de gemeente): grootte van het OCMW, uitgedrukt in groot, middelgroot en klein, met als maatstaf het aantal inwoners van de gemeente − Aantal cliënten van het OCMW: belasting van het OCMW op basis van de verhouding tussen aantal cliënten en aantal inwoners − Gewest: op basis van de ligging van het OCMW, namelijk in Vlaanderen, Wallonië of Brussel Hoofdstedelijk Gewest − Deelname aan de periodieke monitoring, georganiseerd door de POD − Deelname clustering : het al dan niet lidmaatschap van het OCMW in een lokale cluster of lokaal samenwerkingsverband met andere OCMW’s De uiteindelijke samenstelling van de steekproef vond plaats na overleg met en in consensus met werkgroep en stuurgroep.3.1.2 Steekproefkader en samenstelling van de steekproef Omdat alle OCMW’s gekend zijn, komt binnen deze studie het steekproefkader volledig overeen met de populatie (alle Belgische OCMW’s). Voor de kwantitatieve bevraging werden 120 OCMW’s geselecteerd middels een gewogen combinatie van de verschillende steekproefvariabelen. 3.1.2.1 Monitoring Wij merken op dat de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie een zogenaamde monitoringgroep heeft uitgebouwd met een 60- tal OCMW’s. Deze groep engageert zich om op maandelijkse basis een aantal specifieke cijfers over de operationele en financiële status van hun OCMW aan de POD door te geven. Doordat deze groep van 60 OCMW’s in principe de gewoonte heeft om informatie aan te leveren en wij ervan uitgingen dat hun informaticastructuur hier wellicht op afgestemd was, werd besloten om deze groep van 60 OCMW’s volledig in de samen te stellen steekproef op te nemen. Tijdens de loop van het onderzoek bleek echter dat meerdere van deze OCMW’s die aan onze bevraging deelnamen, geen of onvolledige informatie aan de POD bezorgd hadden met betrekking tot de informatie die wij voor de maanden september 2002 en september 2003 vroegen. Dit leidde ertoe dat wij vaak lege of onvolledige monitoring-fiches van de betrokken OCMW’s ontvingen. Daarom werd door de POD tijdens ons onderzoek een extra gegevensinzameling succesvol opgestart.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.14
  • Om de steekproef verder gestratifieerd aselect op te kunnen stellen werden de steekproefvariabelen in drie klassen opgedeeld, om op die manier een evenwichtige spreiding te bekomen. De gegevens betreffende aantal cliënten, grootte van gemeenten en steden, en gewest zijn afkomstig van enerzijds het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) en anderzijds de POD Maatsschappelijke integratie. 3.1.2.2 Gewest A. Definitie − Vlaams − Brussels − Waals B. Bepaling van het quotum Tab.1. Bepaling van het quotum voor gewest Totaal Theoretisch Populatie Reeds in Bijkomend Totaal Steekproef aantal e verdeling verdeling monitoring nodig verdeling OCMWs Vlaams 308 63 52% 26 32 58 48% Brussel 19 4 3% 11 1 12 10% Waals 262 53 44% 23 27 50 42% Totaal 589 120 100% 60 60 120 100% De Vlaamse OCMW’s vertegenwoordigen 52%, de Waalse OCMW’s 44% en de Brusselse OCMW’s slechts 3% in de totale OCMW-populatie. In de samenstelling van de steekproef hebben wij geopteerd om een groter aantal Brusselse OCMW’s dan het vereiste aantal van 3 aan te schrijven, en dit teneinde een toereikende representativiteit van Brusselse OCMW’s te bekomen. Dit heeft ertoe geleid dat “slechts” 58 i.p.v. 63 Vlaamse OCMW’s en “slechts” 50 i.p.v. 53 Waalse OCMW’s werden uitgenodigd tot deelname. 3.1.2.3 Grootte van het OCMW A. Definitie Deze variabele wordt bepaald door het aantal inwoners van de stad of gemeente waar het OCMW zich bevindt. Wij merken hierbij op dat deze indeling gekozen werd in het streven naar een representatieve steekproef, en dus niet noodzakelijk overeenkomt met andere mogelijke definities van de OCMW-grootte. − Klein OCMW : < 10.800 inwoners − Middelgroot OCMW : 10.800 tot 80.000 inwoners − Groot OCMW : > 80.000 inwoners B. Bepaling van het quotum In de monitoringgroep zijn alle 11 grote OCMW’s aanwezig. In de theoretische verdeling zijn maar 2 dergelijke OCMW’s nodig. Toch werd besloten om alle 11 grote OCMW’s in de steekproef te houden, teneinde een representatief staal te bekomen van de grote OCMW’s. Zoniet zouden grote steden als Antwerpen, Luik, … niet in de steekproef opgenomen zijn, en zou de variabele “grootte” tot weinig relevante resultaten geleid hebben. Tab.2. Bepaling van het quotum voor grootte Totaal Theoretisch Populatie Aangepast Reeds in Bijkomend Totaal Steekproef aantal e verdeling verdeling e verdeling monitoring nodig verdeling OCMWs Kleine 276 56 47% 52 12 40 52 43% Middelgrote 302 62 51% 57 37 20 57 48% Grote 11 2 2% 11 11 0 11 9% Totaal 589 120 100% 120 60 60 120 100%Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.15
  • Verder hebben wij niet enkel rekening gehouden met een toereikend aantal grote en middelgrote OCMW’s, maar ook met een voldoende aantal kleine OCMW’s. Als dusdanig is deze groep weinig vertegenwoordigd in de “monitoringgroep”, maar vertegenwoordigen ze wel een belangrijk deel van de OCMW-populatie. 3.1.2.4 Belasting van het OCMW A. Variabelen Deze variabele is een indicatie van hoe zwaar een OCMW “belast” is. Wij merken op dat de term “belasting” in deze studie slechts een indicatie is van de OCMW-belasting, gebaseerd op de verhouding van het aantal cliënten tot het aantal inwoners in de stad of gemeente. In die zin mag de term belasting in deze studie dus niet verward worden met de reële werkdruk van de OCMW-medewerkers. De belasting wordt berekend door het aantal cliënten te delen door het aantal inwoners in de stad of gemeente: − Licht belast : < 0,27% − Middel belast : tussen 0,27% tot 1,27% − Zwaar belast : > 1, 27% B. Bepaling van het quotum De cijfergegevens over het aantal cliënten zijn afkomstig van de POD Maatschappelijke integratie en slaan op het aantal bestaansminimumgerechtigden in 2002. Tab.3. Bepaling van het quotum voor belasting Aantal Theoretisch Populatie Aangepast Reeds in Bijkomend Totaal Verdeling OCMWs e verdeling e monitoring nodig verdeling verdeling Licht belast 258 53 44% 49 9 40 49 41% Middel belast 310 63 53% 55 35 20 55 46% Zwaar belast 21 4 4% 16 16 0 16 13% Totaal 589 120 100% 120 60 60 120 100% De monitoringgroep omvat reeds 16 zwaar belaste OCMW’s, alhoewel er voor de theoretische verdeling slechts 4 vereist zijn. Er werd besloten om alle 16 zwaar belaste OCMW’s toch in de steekproef op te nemen. 3.1.2.5 Clustergroep Sommige OCMW’s maken deel uit van een lokale cluster, d.w.z. een overleggroepering van verschillende OCMW’s. Voor zover mogelijk wensen wij in de steekproef een representatief aantal clustergroep OCMW’s op te nemen, teneinde na te gaan of cluster-OCMW’s wezenlijk verschillen van niet-cluster OCMW’s inzake activering, individuele integratieprojecten, samenwerking met andere diensten binnen en buiten OCMW, … 50 OCMW’s zijn lid van dergelijke clusters. Op 589 OCMW wil dit zeggen 8,4% cluster-OCMW’s. De steekproef van 120 aan te schrijven OCMW’s bevatte daarom 11 cluster-OCMW’s.3.1.3 Selectie van de steekproef De uiteindelijke selectie en samenstelling van de steekproef gebeurden in twee delen: − Om te voorkomen dat een te groot aantal OCMW’s werd aangeschreven, dat niet op een vlotte wijze de verscheidenheid aan informatie kon aanleveren, werden alle 60 OCMW’s uit de monitoringgroep de facto opgenomen in de steekproef. − 60 andere OCMW’s werden willekeurig uit de overblijvende lijst van Belgische OCMW’s geselecteerd, rekening houdend met volgende criteria:Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.16
  • Tab.4. Selectie en samenstelling van de bijkomende steekproef Theoretische verdeling Werkelijke verdeling Brussel 1 OCMW 1 OCMW Vlaanderen 14 Kleine OCMWs, licht belast 14 Kleine OCMWs, licht belast 7 Kleine OCMWs,Middel belast 7 Kleine OCMWs,Middel belast 7 Middelgrote OCMWs, licht belast 7 Middelgrote OCMWs, licht belast 4 Middelgrote OCMWs Middel belast 4 Middelgrote OCMWs Middel belast Wallonië 12 Kleine OCMWs, licht belast 12 Kleine OCMWs, licht belast 6 Kleine OCMWs,Middel belast 6 Kleine OCMWs,Middel belast 6 Middelgrote OCMWs, licht belast 2 Middelgrote OCMWs, licht belast 3 Middelgrote OCMWs Middel belast 7 Middelgrote OCMWs Middel belast Wij merken op dat wij hierdoor in Wallonië slechts 2 middelgrote, licht belaste OCMW’s zouden bereikt hebben zijn in plaats van de theoretisch noodzakelijke 6. Daarom werden er 4 bijkomende middelgrote middelzwaar belaste OCMW’s toegevoegd aan de oorspronkelijke verdeling (7 in plaats van 3). Bovendien is er 1 extra Brusselse OCMW bijgekomen, waardoor ook 1 extra zwaar belast. De hiernavolgende tabel geeft de synthese volgens de gehanteerde criteria. Tab.5. Samenstelling steekproef volgens de gehanteerde criteria Regio Belasting Grootte Licht Middel Zwaar Totaal Klein Middel Groot Totaal Brussel - 6 6 12 9 3 12 Wallonië 14 26 10 50 26 20 4 50 Liege 4 6 4 14 6 7 1 14 Namur 1 5 1 7 4 2 1 7 Brabant Wallon 5 4 - 9 5 4 9 Hainaut 2 8 4 14 6 6 2 14 Luxemburg 2 3 1 6 5 1 6 Vlaanderen 29 28 1 58 25 29 4 58 Antwerpen 8 6 14 7 6 1 14 Limburg 3 2 5 3 2 5 Oost-Vlaanderen 5 9 14 6 7 1 14 Vlaams Brabant 8 3 11 5 5 1 11 West-Vlaanderen 5 8 1 14 4 9 1 14 Totaal 43 60 17 120 51 58 11 1203.1.4 Uiteindelijke steekproef De tabel op de hiernavolgende pagina’s geeft het detail van de geselecteerde 120 OCMW’s. Tab.6. Lijst van geselecteerde OCMW’s* Regio / Provincie Gemeente Grootte Belasting Monitoring Cluster Brussel Koekelberg M M Sint-Joost-ten-Node M Z m Etterbeek M Z m Sint-Gillis M Z m Vorst M M m Sint-Lambrechts-Woluwe M M m Sint-Jans-Molenbeek M Z m Elsene M Z m Ukkel M M m Anderlecht G M m Schaarbeek G M m Brussel G Z m Wallonië Province de Liège Crisnée K L * Legende: Grootte  K = klein / M = Middelgroot / G = Groot ; Belasting  L = Lichte belasting / M = Middelmatige belasting / Z = Zware belasting ; Monitoring  m = behorend tot monitoringgroep ; Cluster  c = behorend tot clustergroepFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.17
  • Province de Liège Stoumont K L Province de Liège Dalhem K L Province de Liège Sankt-Vith K L c Province de Liège Blégny M M Province de Liège Herve M M Province de Liège Ans M M Province de Liège Donceel K M m Province de Liège Comblain-au-Pont K M m Province de Liège Eupen M M m Province de Liège Huy M Z m Province de Liège Verviers M Z m Province de Liège Seraing M Z m Province de Liège Liège G Z m Province de Namur La Bruyère K L Province de Namur Beauraing K M Province de Namur Mettet M M Province de Namur Viroinval K M m Province de Namur Assesse K M m Province de Namur Eghezée M M m Province de Namur Namur G Z m Prov. du Brabant wallon Mont-Saint-Guibert K M Prov. du Brabant wallon Beauvechain K L Prov. du Brabant wallon Perwez K L Prov. du Brabant wallon Chaumont-Gistoux K L Prov. du Brabant wallon Grez-Doiceau M L Prov. du Brabant wallon Lasne M L Prov. du Brabant wallon Nivelles M M Prov. du Brabant wallon Braine-le-Château K M m Prov. du Brabant wallon Braine-lAlleud M M m Province du Hainaut Froidchapelle K M c Province du Hainaut Sivry-Rance K M c Province du Hainaut Silly K L Province du Hainaut Estaimpuis K L Province du Hainaut Thuin M M Province du Hainaut Manage M M Province du Hainaut Celles K M m Province du Hainaut Chièvres K M m Province du Hainaut Châtelet M Z m Province du Hainaut Mouscron M M m Province du Hainaut Tournai M M m Province du Hainaut La Louvière M Z m Province du Hainaut Mons G Z m Province du Hainaut Charleroi G Z m Prov. du Luxembourg Martelange K Z Prov. du Luxembourg Saint-Léger K L Prov. du Luxembourg Attert K L Prov. du Luxembourg Vielsalm K M c Prov. du Luxembourg Meix-devant-Virton K M m Prov. du Luxembourg Arlon M M m Vlaanderen Provincie Antwerpen Vorselaar K M Provincie Antwerpen Sint-Amands K L Provincie Antwerpen Schelle K M Provincie Antwerpen Hove K L Provincie Antwerpen Retie K L Provincie Antwerpen Berlaar K L c Provincie Antwerpen Malle M M Provincie Antwerpen Mol M L Provincie Antwerpen Hulshout K L m Provincie Antwerpen Duffel M L m c Provincie Antwerpen Ranst M L mFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.18
  • Provincie Antwerpen Turnhout M M m Provincie Antwerpen Mechelen M M m Provincie Antwerpen Antwerpen G M m Provincie Limburg As K L Provincie Limburg Borgloon K M c Provincie Limburg Halen K L m Provincie Limburg Genk M L m Provincie Limburg Hasselt M M m Prov. Oost-Vlaanderen Kluisbergen K L Prov. Oost-Vlaanderen Sint-Laureins K L c Prov. Oost-Vlaanderen Knesselare K L Prov. Oost-Vlaanderen Zomergem K M Prov. Oost-Vlaanderen Sint-Lievens-Houtem K L Prov. Oost-Vlaanderen Denderleeuw M M Prov. Oost-Vlaanderen Lebbeke M M Prov. Oost-Vlaanderen Lokeren M M Prov. Oost-Vlaanderen Moerbeke K L m Prov. Oost-Vlaanderen Ronse M M m Prov. Oost-Vlaanderen Dendermonde M M m Prov. Oost-Vlaanderen Sint-Niklaas M M m Prov. Oost-Vlaanderen Aalst M M m Prov. Oost-Vlaanderen Gent G M m Prov. Vlaams-Brabant Drogenbos K M Prov. Vlaams-Brabant Bekkevoort K L Prov. Vlaams-Brabant Huldenberg K L Prov. Vlaams-Brabant Oud-Heverlee K L Prov. Vlaams-Brabant Liedekerke M L Prov. Vlaams-Brabant Aarschot M L Prov. Vlaams-Brabant Bever K L m Prov. Vlaams-Brabant Keerbergen M L m c Prov. Vlaams-Brabant Tremelo M L m c Prov. Vlaams-Brabant Vilvoorde M M m Prov. Vlaams-Brabant Leuven G M m Prov. West-Vlaanderen Alveringem K L Prov. West-Vlaanderen Heuvelland K M Prov. West-Vlaanderen Oudenburg K L Prov. West-Vlaanderen Nieuwpoort K M Prov. West-Vlaanderen Damme M L Prov. West-Vlaanderen Wingene M L Prov. West-Vlaanderen Oostkamp M L Prov. West-Vlaanderen Knokke-Heist M M Prov. West-Vlaanderen Blankenberge M M m Prov. West-Vlaanderen Wervik M M m Prov. West-Vlaanderen Roeselare M M m c Prov. West-Vlaanderen Oostende M Z m Prov. West-Vlaanderen Kortrijk M M m Prov. West-Vlaanderen Brugge G M m3.2 Opmaak & structuur van de vragenlijst voor kwantitatieve bevraging3.2.1 Opmaak vragenlijst De vragenlijst werd in een aantal opeenvolgende stappen in een iteratief proces uitgewerkt.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.19
  • Een eerste draft versie werd besproken met de werkgroep en vervolgens met de stuurgroep. De herziene versie werd nogmaals besproken met werkgroep en stuurgroep, en vervolgens verrijkt met suggesties van een aantal door het onderzoeksteam gecontacteerde OCMW-secretarissen en OCMW-maatschappelijk werkers. Tevens werd hierbij de nodige aandacht besteed aan een voor mandatarissen begrijpbare taal en correct jargon. Tenslotte werd deze versie opnieuw besproken met werkgroep en stuurgroep, teneinde de finale versie te bekomen.3.2.2 Structuur van de vragenlijst De kwantitatieve vragenlijst werd opgebouwd in twee hoofddelen. Vooreerst worden in het luik “profiel van het OCMW” een aantal algemene gegevens opgevraagd. Vervolgens worden in het luik “ kwantitatieve bevraging” een uitgebreide set gegevens opgevraagd middels 10 gesloten hoofdvragen en 1 open hoofdvraag. Elke vraag behandelt een afzonderlijke thematiek. Dit neemt niet weg dat wij in meerdere vragen een aantal deelaspecten bevroegen die ook in andere vragen in bijna identieke verwoording aan bod kwamen. Dit liet ons toe om een dubbelcheck op deze gegevens te houden, en op deze wijze de gegevens te corrigeren middels contacten met de betrokken OCMW’s waarbij zich dergelijke anomalieën voordeden. De volledige vragenlijst vindt u in bijlage (p.121). De dubbelcheck-gegevens worden naargelang de vraag waarin ze voorkomen, behandeld in de diverse paragrafen van hoofdstuk 5, waarin de analyseresultaten worden toegelicht.3.3 Methode van versturing3.3.1 E-mail De vragenlijsten werden verstuurd per e-mail, samen met een begeleidende brief vanwege minister Arena. Indien geen e-mail coördinaten van een OCMW gekend waren, bezorgden wij het betrokken OCMW de vragenlijst per post en per fax. De e-mail en het postverkeer werd geadresseerd aan de secretaris. Door alle e-mails te voorzien van een ‘return receipt’ werd opgevolgd in hoeverre de e-mails ook daadwerkelijk hun bestemmeling bereikten. Indien na telefonische contactname bleek dat e-mail verkeer niet mogelijk was, werd de vragenlijst per post en per fax toegezonden. In een eerste fase beschikten de aangeschreven OCMW’s over een periode van 4 weken om de vragenlijsten in te vullen en aan Ernst & Young terug te sturen.3.3.2 Herinneringsbrief Na drie weken was slechts 7% van de enquêtes ingevuld teruggestuurd. Daarom stuurde Ernst & Young een herinneringsbrief, mede-ondertekend door dhr. Van Geertsom, voorzitter van de POD Maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en sociale economie. Het responspercentage steeg in de daaropvolgende weken tot 30%.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.20
  • 3.3.3 Opvolging Na deze periode heeft het onderzoeksteam alle OCMW’s waarvan het nog geen ingevulde vragenlijst mocht ontvangen, telefonisch gecontacteerd. Dit teneinde de beoogde minimale responsgraad van 50% te halen. Uiteindelijk verkregen wij van 81 van de 120 aangeschreven OCMW’s gedeeltelijke of volledige en valabele antwoorden, of een respons van 67%! Ten opzichte van de totale populatie van 589 OCMW’s betekent dit een representativiteit van 13,8%. Dankzij de telefonische opvolging was het ook mogelijk om na te gaan wat de belangrijkste redenen waren van het niet invullen van de vragenlijst:  Overbevraging van de OCMW-medewerkers qua diverse enquêtes vanwege diverse instanties (POD, verenigingen, lokale besturen,...) en de o.i. logische reactie van “we hebben dit al bezorgd aan deze of gene overheidsdienst”.  Het niet vlot beschikbaar hebben van cijfermateriaal door onvoldoende IT- ondersteuning, weinig soepele software of geen software,…  Andere prioriteitenstelling  Het niet kunnen beantwoorden van een aantal vragen doordat het OCMW niet de verplichting heeft om de informatie in een aantal van de door het team gestelde vragen bij te houden of te registreren. Wij wijzen erop dat blijkbaar veel OCMW’s, ongeacht hun grootte, niet of nauwelijks op een vlotte wijze de gevraagde informatie konden reproduceren of terugvinden. Tijdens de kwalitatieve bevraging bleek dit ofwel te wijten te zijn aan niet-soepele software (vnl. in grote en middelgrote OCMW’s), andere registratie van gegevens, of de noodzaak tot manuele verwerking van de gevraagde gegevens ten gevolge van geen registratiesoftware (vnl. in kleine OCMW’s). Wij komen hierop terug in hoofdstuk 7 “Aanbevelingen”.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.21
  • 4. Kwalitatieve bevraging De doelstelling van de kwalitatieve bevraging was om na te gaan in hoeverre de letter van de wet overeenstemt met de geest van de wet. Met andere woorden, in hoeverre de wet toegepast wordt in de praktijk en waar er eventuele knelpunten opduiken. Hiervoor hebben we de kwalitatieve bevraging uitgevoerd bij de actoren die dagelijks met de wet te maken hebben, namelijk voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker van de deelnemende OCMW’s. Tevens hebben wij een toereikend aantal begunstigden en/of leefloongerechtigden geïnterviewd. Dit liet ons toe om beide partijen te horen en daaruit conclusies te trekken.4.1 Respons De geselecteerde OCMW’s werden telefonisch verzocht mee te werken aan het kwalitatieve luik van de bevraging: een interview met de voorzitter, secretaris, maatschappelijk werker en een aantal leefloongerechtigden. We mogen zeker stellen dat de respons positief was en dat omzeggens alle oorspronkelijk geselecteerde OCMW’s graag wensten mee te werken aan het kwalitatieve onderzoeksluik. Slechts enkele OCMW’s weigerden categoriek mee te werken, meestal met overbevraging en/of geen tijd als aangehaalde reden. Deze OCMW’s werden vervangen door OCMW’s die aan dezelfde steekproefcriteria beantwoordden.4.2 Methode van bevraging De voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker werden individueel bevraagd door één of twee van onze medewerkers. De interviews verliepen volgens een vragenlijst die enkele dagen op voorhand aan elk OCMW was bezorgd, en dit ter attentie van elke te interviewen functiehouder. Dit liet de te interviewen functiehouder toe om zich op basis van zijn functiegebonden vragenlijst voor te bereiden. Hierbij merken we op dat deze vragenlijst niet altijd strikt gevolgd werd. De ene functiehouder verkoos om de vragenlijst strikt te volgen, terwijl andere functiehouders een minder strikte interviewmethodiek verkozen. Tevens hebben wij naargelang het interview bijkomende vragen gesteld wanneer we dit nodig achtten. Deze vragen hadden overwegend betrekking op de eerder opgeleverde resultaten van de kwantitatieve bevraging, en lieten ons enerzijds toe om de betrokkenheid van de geïnterviewde te toetsen aan het cijfermateriaal en anderzijds om het cijfermateriaal te vervolledigen. De begunstigden werden uitgenodigd door de maatschappelijk werker en werden in alle anonimiteit door één of twee van onze medewerkers geïnterviewd.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.22
  • 4.3 Opmaak vragenlijst Er werden vier verschillende vragenlijsten opgesteld. Eén voor de begunstigden die totaal verschillend is van deze voor de voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker. Verder een aangepaste vragenlijst per type functiehouder. Ofschoon de drie vragenlijsten voor voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker overwegend dezelfde vragen bevatte, vertonen zij een beperkt aantal verschillen. De vragenlijsten zelf vindt u in bijlage (p.121).4.4 Geïnterviewde personen In de kwalitatieve bevraging werden uiteindelijk individuele interviews afgenomen ter plaatse bij 48 OCMW’s van de 81 OCMW’s met valabele antwoorden, en dit met: − 47 voorzitters − 47 secretarissen − 55 maatschappelijk werkers − Of samen, 149 mandatarissen. − en 110 gebruikers en of begunstigden. Dit betekent dat wij in 40% van de 120 aangeschreven OCMW’s of in 8,1% van de totale OCMW-populatie (589 OCMW’s ) individuele interviews ter plaatse hielden. In overleg met de POD werd volgend scenario vastgelegd: In 22 OCMW’s vonden individuele interviews plaats met de voorzitter, de secretaris en een maatschappelijk werker. In elk van deze OCMW’s vonden tevens individuele interviews plaats met de gebruikers. In 26 OCMW’s vonden enkel individuele interviews met de voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker plaats.4.5 Samenstelling van de steekproef De te interviewen OCMW’s worden geselecteerd uit de 81 OCMW’s die de kwantitatieve vragenlijst ingevuld teruggestuurd hebben. Bij de selectie wordt erover gewaakt om zoveel als mogelijk de selectiecriteria van de kwantitatieve steekproef te volgen. Voor de selectie van de gebruikers werden er samen met de vragenlijsten een aantal selectiecriteria meegestuurd waarop de maatschappelijk werkers zich dienden te baseren om de begunstigden te selecteren en uit te nodigen. De selectiecriteria voor de 5 uit te nodigen personen per OCMW waren: − 3 personen jonger dan 25 jaar, waaronder  1 persoon tewerkgesteld in artikel 60§7  1 persoon met een individueel project  1 student − 1 persoon ouder dan 25 jaar die gebruik gemaakt heeft van het hoorrecht − 1 persoon ouder dan 25 jaar die tewerkgesteld is in artikel 60§7 Hierdoor werd voorkomen dat de resultaten te sterk afhankelijk konden worden van de individuele keuze van het betrokken OCMW.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.23
  • Zoals uit hoofdstuk 4 blijkt, zal deze stratificatie ertoe bijgedragen hebben dat wij een aantal kritische begunstigden mochten ontmoeten. Tab.7. Steekproef voor kwalitatieve interviews van gebruikers Grootte Vlaanderen Wallonië Brussel TOTAAL interviews interviews interviews interviews # steden # steden # steden # steden % % # # # # Groot 3 15 2 10 2 10 7 29% 35 29% Middelg. 4 20 3 15 2 10 9 38% 45 38% Klein 3 15 5 25 8 33% 40 33% TOTAAL 10 50 10 50 4 20 24 100% 120 100% % steden / regio 42% 42% 8% 100% In 4.5boven geven wij de spreiding weer van de OCMW’s, waar wij de diepte- interviews met de gebruikers hielden. Wij hebben hierbij een spreiding nagestreefd die toeliet om een representatief gewicht aan elk gewest te geven, en met een representatief aantal OCMW’s per grootte, conform de nationale populatie, de steekproef en de respons op de steekproef. Tab.8. Spreiding van de individueel te bevragen OCMW-mandatarissen Grootte Vlaanderen Wallonië Brussel TOTAL # steden # steden # steden # steden % tot. % tot. % tot. % Klein 7 14% 11 22% - 0% 18 36% Middelg. 11 22% 9 18% 2 4% 22 44% Groot 4 8% 3 6% 3 6% 10 20% Totaal 22 44% 23 46% 5 10% 50 100% In 4.5 vindt u de synthese van de steekproefsamenstelling voor de interviews met de OCMW-mandatarissen. Wij hebben ook hierbij een spreiding nagestreefd die toeliet om een representatief gewicht aan elk gewest te geven, en met een representatief aantal OCMW’s per grootte, conform de nationale populatie, de steekproef en de respons op de steekproef. Binnen de grootteclassificatie hebben we vervolgens zowel voor de interviews met gebruikers als voor de interviews met OCMW-functiehouders een representatieve verdeling nagestreefd van de OCMW’s op basis van het criterium “belasting”, het criterium “monitoring” en het criterium “cluster”.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.24
  • 3. ONDERZOEKS- RESULTATEN : KWANTITATIEVE ANALYSE In dit hoofdstuk verduidelijken wij de herkomst en spreiding van de kwantitatieve bevragingen.ONDERZOEKSRESULTATEN – KWANTITATIEVE ANALYSE P.25
  • 1. Respons op de kwantitatieve bevraging1.1 Overzicht van de OCMW’s met ingevulde kwantitatieve bevraging In de lijst hieronder vindt u de details van de 81 respondenten. Wij verduidelijken de correlatie met de gehanteerde criteria van grootte, “belasting”’ en gewest in paragraaf 1.2onder. Tab.9. Lijst OCMW die kwantitatieve enquête hebben beantwoord Regio Gemeente Belasting % Belasting Grootte # Inwoners Brussel Anderlecht Middelz. 1,26 Groot 87.812 Brussel Bruxelles Hoog 1,71 Groot 133.859 Brussel Etterbeek Hoog 2,23 Middelg. 39.404 Brussel Ixelles Hoog 1,82 Middelg. 73.174 Brussel Koekelberg Middelz. 0,72 Middelg. 16.211 Brussel Schaerbeek Middelz. 1,07 Groot 105.692 Brussel Saint-Jos-ten-Node Hoog 2,67 Middelg. 22.097 Wallonië Ans Middelz. 1,06 Middelg. 27.528 Wallonië Beauvechain Laag 0,21 Klein 6.199 Wallonië Braine-lAlleud Middelz. 0,49 Middelg. 35.259 Wallonië Braine-le-Château Middelz. 0,30 Klein 8.994 Wallonië Celles Middelz. 0,37 Klein 5.415 Wallonië Charleroi Hoog 1,63 Groot 200.827 Wallonië Châtelet Hoog 1,35 Middelg. 35.452 Wallonië Comblain-au-Pont Middelz. 0,40 Klein 5.189 Wallonië Dalhem Laag 0,15 Klein 6.145 Wallonië Donceel Middelz. 0,34 Klein 2.653 Wallonië Eghezée Middelz. 0,37 Middelg. 13.414 Wallonië Estaimpuis Laag 0,24 Klein 9.538 Wallonië Froidchapelle Middelz. 1,15 Klein 3.315 Wallonië Herve Middelz. 0,52 Middelg. 16.469 Wallonië Huy Hoog 2,70 Middelg. 19.056 Wallonië La Bruyère Laag 0,13 Klein 7.836 Wallonië La Louvière Hoog 1,60 Middelg. 76.568 Wallonië Liège Hoog 2,69 Groot 185.639 Wallonië Manage Middelz. 1,22 Middelg. 21.812 Wallonië Martelange Hoog 1,40 Klein 1.428 Wallonië Meix-devant-Virton Middelz. 0,41 Klein 2.691 Wallonië Mons Hoog 1,98 Groot 90.935 Wallonië Mont-Saint-Guibert Middelz. 0,95 Klein 5.871 Wallonië Mouscron Middelz. 1,01 Middelg. 52.492 Wallonië Namur Hoog 1,57 Groot 105.419Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.26
  • Wallonië Nivelles Middelz. 0,83 Middelg. 23.751 Wallonië Perwez Laag 0,18 Klein 7.057 Wallonië Saint-Léger Laag 0,25 Klein 3.192 Wallonië Sankt-Vith Laag 0,26 Klein 8.941 Wallonië Seraing Hoog 1,62 Middelg. 60.557 Wallonië Sivry-Rance Middelz. 0,89 Klein 4.506 Wallonië Stoumont Laag 0,21 Klein 2.873 Wallonië Tournai Middelz. 1,13 Middelg. 67.379 Wallonië Verviers Hoog 2,31 Middelg. 53.148 Wallonië Vielsalm Middelz. 0,56 Klein 7.182 Wallonië Viroinval Middelz. 0,82 Klein 5.623 Vlaanderen Alveringem Laag 0,23 Klein 4.805 Vlaanderen Antwerpen Middelz. 1,17 Groot 446.525 Vlaanderen Bekkevoort Laag 0,03 Klein 5.726 Vlaanderen Berlaar Laag 0,15 Klein 10.150 Vlaanderen Blankenberge Middelz. 1,09 Middelg. 17.414 Vlaanderen Borgloon Middelz. 0,37 Klein 10.116 Vlaanderen Brugge Middelz. 0,71 Groot 116.246 Vlaanderen Damme Laag 0,09 Middelg. 11.058 Vlaanderen Dendermonde Middelz. 0,51 Middelg. 43.137 Vlaanderen Genk Laag 0,25 Middelg. 62.842 Vlaanderen Gent Middelz. 1,15 Groot 224.180 Vlaanderen Halen Laag 0,04 Klein 8.216 Vlaanderen Hasselt Middelz. 0,42 Middelg. 68.058 Vlaanderen Hove Laag 0,14 Klein 8.306 Vlaanderen Huldenberg Laag 0,10 Klein 9.009 Vlaanderen Hulshout Laag 0,15 Klein 8.626 Vlaanderen Keerbergen Laag 0,19 Middelg. 11.992 Vlaanderen Knokke-Heist Middelz. 0,66 Middelg. 33.148 Vlaanderen Kortrijk Middelz. 0,74 Middelg. 74.790 Vlaanderen Lebbeke Middelz. 0,37 Middelg. 17.234 Vlaanderen Leuven Middelz. 0,82 Groot 88.014 Vlaanderen Liedekerke Laag 0,15 Middelg. 11.800 Vlaanderen Lokeren Middelz. 0,60 Middelg. 36.458 Vlaanderen Malle Middelz. 0,34 Middelg. 13.922 Vlaanderen Mechelen Middelz. 0,97 Middelg. 75.438 Vlaanderen Moerbeke Laag 0,10 Klein 5.753 Vlaanderen Mol Laag 0,20 Middelg. 31.683 Vlaanderen Oostende Hoog 1,47 Middelg. 67.279 Vlaanderen Oudenburg Laag 0,22 Klein 8.810 Vlaanderen Oud-Heverlee Laag 0,14 Klein 10.522 Vlaanderen Roeselare Middelz. 0,31 Middelg. 54.199 Vlaanderen Ronse Middelz. 0,73 Middelg. 23.849 Vlaanderen Sint-Amands Laag 0,11 Klein 7.560 Vlaanderen Sint-Laureins Laag 0,15 Klein 6.513 Vlaanderen Sint-Lievens-Houtem Laag 0,20 Klein 9.171 Vlaanderen Turnhout Middelz. 0,68 Middelg. 38.596 Vlaanderen Vilvoorde Middelz. 0,36 Middelg. 34.982 Vlaanderen Zomergem Middelz. 0,28 Klein 8.245Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.27
  • 1.2 Respons1.2.1 Algemene respons De kwantitatieve bevraging werd uiteindelijk afgesloten met 81 ingevulde vragenlijsten, wat neerkomt op 68% van de aangeschreven OCMW’s. Niet alle OCMW’s hebben echter alle vragen beantwoord, of hebben de vragen steeds gedetailleerd ingevuld. De responsgraad van 68% geeft dus enkel een globaal overzicht van de ontvangen enquêtes.1.2.2 De representativiteit en de gedetailleerdheid van de respons op elke vraag wordt in het hiernavolgende hoofdstuk 2 toegelicht. Respons per gewest De behaalde respons per gewest is quasi gelijk aan de originele samenstelling van de steekproef, en beantwoordt hierdoor in toereikende mate aan de oorspronkelijk gestelde steekproefcriteria. Er hebben verhoudingsgewijs meer Waalse OCMW’s gereageerd op de enquête (72%) dan Vlaamse of Brusselse OCMW’s (66% resp. 58%). Fig.2. Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per gewest Steekproef Verdeling Respons Gewenst % resp. Respons Gewenst Delta Wallonië 36 50 72% 44% 42% 2% Vlaanderen 38 58 66% 47% 48% -1% Brussel 7 12 58% 9% 10% -1% Respons verdeling per gewest Gewenste steekproef verdeling per gewest 9% 10% 44% 42% 47% 48% Wallonië Vlaanderen Brussel Wallonië Vlaanderen Brussel1.2.3 Respons per grootte De verdeling van de respons over de verschillende klassen van grootte is representatief volgens de steekproefcriteria. Wel merken wij op dat alle grote OCMW’s die aangeschreven werden, deelnamen aan de enquête. De middelgrote OCMW’s hebben verhoudingsgewijs de laagste responsgraad (62%). Dit leidt ertoe dat de grote OCMW’s enigszins oververtegenwoordigd zijn in de resultaten (14% i.p.v. 9% van de steekproef), en dit ten nadele van de middelgrote OCMW’s (44% i.p.v. 48% van de steekproef).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.28
  • Fig.3. Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per grootte Steekproef Verdeling Respons Gewenst % resp. Respons Gewenst Delta Klein 34 51 67% 42% 43% -1% Middelgroot 36 58 62% 44% 48% -4% Groot 11 11 100% 14% 9% 5% Respons verdeling per grootte Gewenste steekproef verdeling per grootte 14% 9% 42% 43% 44% 48% Klein Middelgroot Groot Klein Middelgroot Groot1.2.4 Respons per belasting De verdeling van de respons over de verschillende klassen van belasting is representatief volgens de steekproefcriteria. De zwaar belaste OCMW’s reageerden massaal op de steekproef: 15 reacties op 17 aangeschrevenen (88%). Ook de middelzwaar belaste OCMW’s reageerden sterk op de vraag tot deelname: 40 op 60 aangeschrevenen (67%). De lichtbelaste OCMW’s waren met 43 present in de steekproef, doch slechts 26 beantwoordden de enquête. Op zich toch 60% van de aangeschrevenen, maar gezien de sterkere respons van de middelzwaar belaste en de zwaar belaste OCMW’s wegen ze minder zwaar in de enquête dan initieel vooropgesteld (32% vs. gewenst 36%). Fig.4. Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per belasting Steekproef Verdeling Respons Gewenst % resp. Respons Gewenst Delta Licht 26 43 60% 32% 36% -4% Middelzwaar 40 60 67% 49% 50% -1% Zwaar 15 17 88% 19% 14% 5% Respons verdeling per belasting Gewenste steekproef verdeling per belasting 19% 14% 32% 36% 49% 50% Licht Middelzwaar Zwaar Licht Middelzwaar Zwaar1.2.5 Respons per deelname volgens monitoring criterium 52% van de respondenten zijn OCMW’s die behoren tot de monitoringgroep. De beoogde 50% werd dus behaald.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.29
  • 1.2.6 Respons per deelname volgens cluster criterium 10% van de respondenten maakt deel uit van een cluster. Dit betekent dat de respons correleert met het aandeel van cluster-OCMW’s dat in de aangeschreven steekproef aanwezig was. 1.2.7 Kruising van de criteria In de hiernavolgende tabellen vindt u de samenvatting van de respondenten, gerangschikt volgens de gekruiste gehanteerde selectiecriteria. De representativiteit van de respondenten ten opzichte van de uitgenodigde steekproef wordt hier aangeduid. Tab.10. Responsverdeling versus gewenste steekproefverdeling, per combinatie van criteriaL CPAS ayant répondu au TOTAAL # geselecteerde OCMWs voor TOTAAL # OCMWs die enquête TOTAAL # OCMWs die enquêtenaire en % des sélectionnés versturen enquête beantwoordden beantwoordden in % van geselecteerde Belasting TOTAAL Belasting TOTAAL Belasting TOTAAL Grootte Licht Middelz. Zwaar Licht Middelz. Zwaar Licht Middelz. Zwaar Groot - 10% 29% 9% - 15% 33% 14% - 5% 4% 4% Middelg. 30% 57% 65% 48% 19% 55% 60% 44% -11% -2% -5% -4% Klein 70% 33% 6% 43% 81% 30% 7% 42% 11% -3% 1% -1% TOTAAL 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Belasting TOTAAL Belasting TOTAAL Belasting TOTAAL Regio Licht Middelz. Zwaar Licht Middelz. Zwaar Licht Middelz. Zwaar Brussel - 10% 35% 10% - 8% 27% 9% - -2% -8% -1% Vlaanderen 67% 47% 6% 48% 69% 48% 7% 47% 2% 1% 1% -1% Wallonië 33% 43% 59% 42% 31% 45% 67% 44% -2% 2% 8% 3% TOTAAL 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Regio TOTAAL Regio TOTAAL Regio TOTAAL Grootte B V W B V W B V W Groot 25% 7% 8% 9% 43% 11% 11% 14% 18% 4% 3% 4% Middelg. 75% 50% 40% 48% 57% 50% 36% 44% -18% 0% -4% -4% Klein - 43% 52% 43% - 39% 53% 42% - -4% 1% -1% TOTAAL 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% Legende B= Brussel W= Wallonië V= Vlaanderen G= groot M= middelg. K= klein Z= zwaar M= middelz. L= licht In globo zijn de lichtbelaste middelgrote OCMW’s ondervertegenwoordigd ten opzichte van de gewenste steekproef (19% i.p.v. 30% van de steekproef), terwijl de kleine lichtbelaste OCMW’s oververtegenwoordigd zijn (81% i.p.v. 70%). De andere mogelijke kruisingen van de criteria grootte en belasting leidden niet tot grote afwijkingen t.o.v. de gewenste steekproef (max. 5% afwijking). In Brussel zijn de zwaarbelaste OCMW’s ietwat ondervertegenwoordigd t.o.v. de gewenste steekproef (27% i.p.v. 35%). In Wallonië daarentegen zijn deze OCMW’s ietwat oververtegenwoordigd (8% meer dan beoogd). De ander combinaties van de criteria regio en belasting geven enkel kleine afwijkingen (max. 2%). In Brussel hebben een groter aantal grote OCMW’s gereageerd dan initieel beoogd in de steekproef (43% i.p.v. 25%), wat de relatieve ondervertegenwoordiging van de middelgrote OCMW’s versterkt. Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.30
  • 2. Analyse van de onderzoeksresultaten voor de kwantitatieve bevraging Voor een vlotte lezing van de resultaten van de kwantitatieve bevraging raden wij aan om de gecodeerde vragenlijst zoals opgenomen in bijlage (p.121), bij de hand te nemen. Niet alleen beschikt u op deze wijze bij het lezen van de analyseresultaten over de originele vraag, maar kan u op een vlotte wijze de codes waarnaar in de hiernavolgende teksten verwezen wordt, vlot terugvinden. Elke vraag uit de kwantitatieve bevraging wordt hiernavolgend afzonderlijk behandeld. Telkens wordt daarbij een uniforme structuur gevolgd: − een toelichting van de oorspronkelijke vraag − een inzicht in de representativiteit van de antwoorden op de vraag en haar deelrubrieken − de eigenlijke analyse van de antwoorden.2.1 Analyse van het aantal RMI-gerechtigden2.1.1 Inleiding Fig.5. RMI-rechthebbenden: samenvattend overzicht Begunstigden van een financiële Begunstigden van een uitkering activeringsmaatregel (Vraag 1) (Vraag 2) Begunstigden van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (Vraag 3) Geheel van begunstigenden van de wet Geheel van begunstigenden van de wet In het kader van onze analyse hebben wij verschillende groepen onderscheiden in de populatie gerechtigden, en dit zowel in de periode van de oude regelgeving als in de periode van de nieuwe regelgeving: − De gerechtigen genietend van een financiële tegemoetkoming: dit zijn personen die een bestaansminimum resp. een leefloon ontvangen. De verzameling van de gegevens hieromtrent gebeurt op basis van vraag 1 van de bevraging. Voor meer details verwijzen wij u naar §2.2, p.34, hiernavolgend. − De gerechtigden genietend van een integratieproject: deze groep is een subgroep van de totale groep “gerechtigden genietend van financiële hulp” (zie vorige gedachtestreep) en omvat de personen die ofwel over een integratiecontract volgens de oude regelgeving beschikken ofwel over een geïndividualiseerd project volgens de RMI-wet beschikken. In onze enquête wordt dit behandeld in vraag 3. De bespreking ervan vindt in u hiernavolgend in §2.3.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.31
  • De gerechtigden genietend van een activeringsmaatregel: via vraag 2 van onze bevraging verzamelden wij deze informatie. De bespreking ervan vindt u in §2.4 hiernavolgend. Wij presenteren in §2.1 de evoluties van deze groepen en komen in §2.2, §2.3 en §2.4 op elke groep individueel en in detail terug.2.1.2 Evolutie van het totale aantal gerechtigden 2.1.2.1 Evolutie van het totale aantal gerechtigden (inclusief activeringen) Tab.11. # rechthebbenden (incl. geactiveerden, in aantal dossiers) in de steekproef, globaal, per regio, grootte en per belasting, inclusief geactiveerden: absolute cijfers. # OCMWs Begunst. Bestaansmin.-wet Begunst. RMI-wet 30/09/2003 30/09/2002 in analyse Bestaans- Activering TOTAAL Leefloon Activering TOTAAL min. (incl. vreemd.) V1T5 ATT+BTT V1CT5 CTT Alle OCMWs 78 39.907 4.439 44.346 41.089 5.215 46.304 Groot 11 26.959 2.721 29.680 28.043 3.270 31.313 Grootte Middelg. 34 12.335 1.622 13.957 12.554 1.839 14.393 Klein 33 613 96 709 492 106 598 Wallonië 35 17.518 1.909 19.427 18.043 2.148 20.191 Regio Vlaanderen 37 14.451 1.750 16.201 14.079 2.021 16.100 Brussel 6 7.938 780 8.718 8.967 1.046 10.013 Licht 14 20.342 2.275 22.617 21.592 2.681 24.273 Belasting Middelz. 40 19.047 2.040 21.087 19.025 2.420 21.445 Zwaar 24 518 124 642 472 114 586 Bovenstaande tabel geeft in absolute cijfers het totale aantal rechthebbenden, inclusief de gerechtigden met een activering. Tab.12. Evolutie van het aantal rechthebbenden (incl. geactiveerden, in aantal dossiers) in de steekproef, globaal, per regio, grootte en per belasting, inclusief geactiveerden: absolute cijfers. # OCMWs Evolutie van 30/9/2002 tot 30/9/2003 in analyse Begunst. Begunst. TOTAAL Begunst. Begunst. TOTAAL fin. uitk. activering fin. uitk. activering in absolute cijfers in % Alle OCMWs 78 1.182 776 1.958 3,0% 17,5% 4,4% Groot 11 1.084 549 1.633 4,0% 20,2% 5,5% Grootte Middelg. 34 219 217 436 1,8% 13,4% 3,1% Klein 33 -121 10 -111 -19,7% 10,4% -15,7% Wallonië 35 525 239 764 3,0% 12,5% 3,9% Regio Vlaanderen 37 -372 271 -101 -2,6% 15,5% -0,6% Brussel 6 1.029 266 1.295 13,0% 34,1% 14,9% Licht 14 1.250 406 1.656 6,1% 17,8% 7,3% Belasting Middelz. 40 -22 380 358 -0,1% 18,6% 1,7% Zwaar 24 -46 -10 -56 -8,9% -8,1% -8,7% Bovenstaande tabel geeft voor dezelfde 78 OCMW’s als in tabel 11 de evolutie van het aantal leefloongerechtigden, het aantal activeringen en de som van beiden d.w.z; het totaal aantal gerechtigden (uitgedrukt in aantal dossiers). Globaal gezien kent het totaal aantal gerechtigden een stijging van 4,4% tussen 30/09/2002 en 30/09/2003. De stijging van het aantal personen genietend van een activeringsmaatregel is duidelijk veel belangrijker dan deze van het aantal personen genietend van een financiële tegemoetkoming: +17,5% t.o.v. +3,0%. Deze algemene vaststelling wordt genuanceerder wanneer we de evolutie volgens de diverse analysecriteria bekijken. Opvallend is immers dat kleine OCMW’s, relatief gesproken, een vrij sterke daling van het aantal leefloongerechtigden kennen, terwijl er een stijging van het aantal activeringen is. Blijkbaar slagen kleinere OCMW’s er beter of gemakkelijker in om meer gerechtigden van een activeringsmaatregel te laten genieten. De 11 groteFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.32
  • OCMW’s daarentegen kennen samen de sterkste evolutie, zowel absoluut (+ 1.633 gerechtigden) als procentueel (+ 5,5%).Qua regio vertoont Brussel de opmerkelijkste evoluties: niet alleen een toename van 13% van de gerechtigden met een financiële tegemoetkoming, of 10% meer dan het gemiddelde van de steekproef, maar ook een stijging van 34% activeringen, of het dubbele van de globale evolutie. Vlaanderen is de enige regio met een daling van het aantal gerechtigden met een tegemoetkoming (in aantal dossiers). Tezelfdertijd zien we er een aangroei van het aantal activeringen met 15%. Bij de licht belaste OCMW’s is er een daling van het aantal leefloongerechtigden. Ook het aantal activeringen daalt er in dezelfde mate.! Enkel bij dit OCMW-profiel is er sprake van een daling van het aantal gerechtigden én van het aantal geactiveerden. 2.1.2.2 Aantal rechthebbenden (inclusief activeringen), rekening houdende met het individualiseringseffect  De nieuwe wetgeving introduceerde ook de individualisering van het recht op maatschappelijke integratie. Eén van de effecten hiervan is dat een aantal dossiers uit 2002 ontdubbeld worden in 2003, met een schijnbare stijging van het aantal rechthebbenden tot gevolg. Dit betreft het dossier van gehuwden. (1dossier in de bestaansminimumwet worden er twee in de leefloonwet.) De opgeleverde resultaten uit onze bevraging waren onvoldoende gedetailleerd om de werkelijke stijging door het individualiseringseffect te berekenen. Om toch een inschatting van dit individualiseringseffect te maken, baseren wij ons in de hiernavolgende analyse op de recentste cijfers terzake, namelijk zoals door de POD Maatschappelijke Integratie opgegeven in ‘Beleidsnotacijfers 2004 – gegevens over het leefloon, het lenteprogramma, de maatschappelijke hulp en het onderhoudsgeld voor kinderen’. Volgens deze bron is 6,9% van de dossiers in 2002 te koppelen aan gerechtigden uit categorie 1 (gehuwden en samenwonenden). Dit percentage is betrekkelijk stabiel gebleven tussen 1990 en 2002 (minimum 6,6% en maximum 7,2%) en is dus een geldige schattingsbasis voor onze analyse. Willen wij onze cijfers van 30/09/2002 vergelijken met deze van 30/09/2003 én daarbij rekening houden met het individualiseringseffect van het recht, dan moeten we dus het aantal bestaansminimumdossiers (incl. vreemdelingen) van 30/09/2002 verhogen met 6,9%. Het resultaat is opgenomen in de figuren 2.1.2.2 en 2.1.2.2 en leidt tot een toename van dus 2.754 gerechtigden met een financiële tegemoetkoming bij de originele 39.907. Om deze analyse sluitend te maken, nemen wij tenslotte als werkhypothese dat er geen gerechtigden van de oude categorie 1 hun recht op leefloon verloren als gevolg van de invoering van de nieuwe wet. Tab.13. # gerechtigden (incl. geactiveerden), rekening houdend met 6,9% individualiseringseffect, globaal, per grootte, regio en per belasting: absolute cijfers # OCMW Begunst. Bestaansmin.-wet Begunst. RMI-wet 30/09/2003 30/09/2002 in analyse Bestaans- Activering TOTAAL Leefloon Activering TOTAAL min. (incl. vreemdelin gen) V1T5 ATT+BTT V1CT5 CTT Alle OCMWs 78 42.699 4.439 47.138 41.089 5.215 46.304 Groot 11 28.819 2.721 31.540 28.043 3.270 31.313 Grootte Middelg. 34 13.220 1.622 14.842 12.554 1.839 14.393 Klein 33 660 96 756 492 106 598 Wallonië 35 18.731 1.909 20.640 18.043 2.148 20.191 Regio Vlaanderen 37 15.482 1.750 17.232 14.079 2.021 16.100 Brussel 6 8.486 780 9.266 8.967 1.046 10.013 Licht 14 21.746 2.275 24.021 21.592 2.681 24.273 Belasting Middelz. 40 20.361 2.040 22.401 19.025 2.420 21.445 Zwaar 24 592 124 716 472 114 586Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.33
  •  Belangrijke opmerking: bij deze analyse vertalen wij een nationaal percentage voor het individualiseringseffect naar 78 respondenten. Dat impliceert dat wij de samenstelling van de rechthebbenden volgens de verschillende categorieën als identiek voor alle Belgische OCMW’s moeten beschouwen. In de praktijk zal deze samenstelling echter afhangen van diverse factoren, waaronder ongetwijfeld ook de door ons gebruikte dimensies grootte, belasting en regio. Wij wijzen er daarom expliciet op dat de analyse van de gecorrigeerde cijfers in 2.1.2.2 en 2.1.2.2 louter ter informatie wordt weergegeven en met de nodige voorzichtigheid en voorbehoud geïnterpreteerd moet worden. Tab.14. Evolutie van het aantal gerechtigden (incl. geactiveerden), rekening houdend met 6,9% individualiseringseffect, globaal, per grootte, regio en per belasting # OCMW Evolutie van 30/9/2002 tot 30/9/2003 in analyse Begunst. Begunst. TOTAAL Begunst. Begunst. TOTAAL fin. uitk. activering fin. uitk. activering in absolute cijfers in % Alle OCMWs 78 -1.610 776 -834 -3,8% 17,5% -1,8% Groot 11 -776 549 -227 -2,7% 20,2% -0,7% Grootte Middelg. 34 -666 217 -449 -5,0% 13,4% -3,0% Klein 33 -168 10 -158 -25,4% 10,4% -20,9% Wallonië 35 -688 239 -449 -3,7% 12,5% -2,2% Regio Vlaanderen 37 -1.403 271 -1.132 -9,1% 15,5% -6,6% Brussel 6 481 266 747 5,7% 34,1% 8,1% Licht 14 -154 406 252 -0,7% 17,8% 1,1% Belasting Middelz. 40 -1.336 380 -956 -6,6% 18,6% -4,3% Zwaar 24 -120 -10 -130 -20,3% -8,1% -18,2% De rechterkolom in de boven tabel geeft de netto-evolutie van het aantal activeringen bij de 78 respondenten weer, rekening houdend met de evolutie van de gebruikers in deze periode én met het vooropgestelde individualiseringseffect van 6,9%. Wanneer we op deze manier de zuivere evolutie van het aantal gerechtigden bekijken, dan valt meteen op dat in onze steekproef het aantal gerechtigden gedaald is met 1,7%! Deze daling is dus geldig voor zowat alle dimensies (grootte, regio en belasting), doch met uitzondering van de Brusselse OCMW’s die een stijging kennen van 8,1% en van de zwaar belaste OCMW’s waar een stijging van 1,1% terug te vinden is.2.1.3 Methodologische opmerking In het vervolg van dit rapport drukken wij het aantal gerechtigden uit in aantal dossiers zonder rekening te houden met het individualiseringseffect .2.2 Gerechtigden met een financiële tegemoetkoming – gedetailleerde analyse2.2.1 Toelichting bij de vraag 2.2.1.1 Overzicht Vraag 1 is opgebouwd uit drie grote luiken, namelijk 2 luiken m.b.t. het aantal rechthebbenden op 30.09.2002 en één luik (inclusief vreemdelingen) m.b.t. het aantal rechthebbenden op 30.09.2003 (uitgedrukt in aantal dossiers).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.34
  • 2.2.1.2 Detail Vraag 1.a. Aantal bestaansminimumgerechtigden op 30/09/2002 per leeftijdscategorie en per categorie van rechthebbenden Vraag 1.b. Aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van sociale hulp op 30/09/2002 per leeftijdscategorie en per categorie van rechthebbenden Vraag 1.c. Aantal leefloongerechtigden op 30/09/2003 per leeftijdscategorie en per categorie van rechthebbenden. 2.2.1.3 Commentaren In de vraagstelling m.b.t. 30.09.2002 werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de bestaansminimumgerechtigden en anderzijds de vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van maatschappelijke hulp. Immers, in de oude wetgeving werden de vreemdelingen die ingeschreven waren in het bevolkingsregister en genoten van sociale hulp, niet de facto opgenomen in de categorie bestaansminimumgerechtigden. Op 30.09.2003 hoefde dit onderscheid niet meer gemaakt te worden omdat deze categorie in ieder geval opgenomen is in de groep leefloongerechtigden, teneinde een gelijke behandeling na te streven. Indien we het aantal leefloongerechtigden in 2003 willen vergelijken met het totale aantal bestaansminimumgerechtigden in 2002, moeten we daarom bij deze laatste groep het aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van sociale hulp bijtellen. In elk luik hebben wij aan de respondenten de gegevens gevraagd per leeftijdsklasse en per categorie rechthebbenden. Door de wet van 26 mei 2002 zijn de categorieën van rechthebbenden aangepast. De nieuwe categorieën waren bij de invoering van de nieuwe wet: − Categorie 1: samenwonend. Dit is elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwonen wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. − Categorie 2: alleenstaande personen. − Categorie 3: alleenstaande personen met recht op een verhoogd bedrag. Dit is:  Een alleenstaande ouder die onderhoudsuitkeringen betaalt voor zijn/haar kind(eren), op grond van hetzij een rechterlijke beslissing, hetzij een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming en die het bewijs van de betaling hiervan levert;  Een alleenstaande ouder die voor de helft van de tijd uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste huisvest, hetzij meerdere kinderen huisvest onder wie minstens één ongehuwde minderjarige, en dit in het kader van een afwisselend verblijf, vastgelegd bij gerechtelijke beslissing of bij overeenkomst, bedoeld in Art.1288 van het Gerechtelijk Wetboek (“co- ouderschap”). − Categorie 4: éénoudergezin met kinderlast. Hiermee wordt bedoeld de alleenstaande persoon die uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwde minderjarige te zijnen laste huisvest. Deze categorieën werden vanaf 27 februari 2004 gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 en worden nogmaals gewijzigd vanaf 1 januari 2005. Doch gezien de tijdsspanne van onze studie (periode september 2002 t.e.m. september 2003) dienen de categorieën beschouwd te worden als deze zoals origineel door de wet gedefinieerd.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.35
  • 2.2.2 Representativiteit van de antwoorden 2.2.2.1 Globale gegevens 96% (in abs. 78) van de deelnemende OCMW’s hebben deze vraag ingevuld. Hierbij merken we echter op dat het merendeel van de OCMW’s enkel totale gegevens opgaf, d.w.z.: − ofwel de som van vraag 1.a en vraag 1.b, en dit al dan niet met detaillering qua geslacht en leeftijd (code V1T5), − ofwel de som van vraag 1.a. (code V1AT5) en de som van vraag 1.b (code V1BT5), opnieuw in een kleiner aantal gevallen inclusief leeftijd en geslacht. Slechts een minderheid van de OCMW’s bezorgde ons de gevraagde detailgegevens per categorie, of de gevraagde detailgegevens per categorie en leeftijd, of de gevraagde detailgegevens per categorie en geslacht en leeftijd. Tijdens de kwalitatieve bevraging hebben wij vernomen dat dit te wijten was aan de andere registratietechnieken in de gebruikelijke OCMW-registratie-software-tools, mede doordat de gegevens tot dan niet eerder in de door ons gewenste detailleringgraad werden opgevraagd door interne of externe stakeholders. Bij deze vraag werd vermeld dat wanneer de OCMW’s reeds de maandelijkse monitoring invulden, het voldoende was om deze monitoring-gegevens mee te sturen. De meeste OCMW’s die deel uitmaken van de monitoringgroep hebben hiervan gebruik gemaakt, wat verklaart waarom hun gegevens quasi steeds identiek zijn aan de gegevens van de monitoring-fiches. Doch ook hier merken wij op dat deze fiches niet de categorieën vermelden ten tijde van de oude regelgeving. 2.2.2.2 - 25 jarigen Voor het aandeel van de –25 jarigen als groep is de responsgraad 85% (69 OCMW’s). De reden waarom dit cijfer lager ligt dan de totale responsscore, is te wijten aan het feit dat meerdere OCMW’s onder de oude regelgeving geen opdeling maakten en/of registreerden volgens leeftijdscategorie. Het is duidelijk dat de responsgraad van het aantal OCMW’s dat vraag 1a en 1b in detail kon invullen voor de periode 09/2002, zeer laag was. Weliswaar was deze detailgraad merkelijk hoger voor de periode 09/2003, maar een representatieve detailvergelijking per categorie en leeftijd en geslacht was hierdoor niet mogelijk.2.2.3 Analyse gegevens 2.2.3.1 Totaal aantal gerechtigden met een financiële tegemoetkoming A. Globale analyse van de evolutie tussen 30 september 2002 en 30 september 2003 Op het geheel van de steekproef is er een stijging van het aantal gerechtigden van 3,0% (1.182 meer). Deze stijging is toe te schrijven aan de regio’s Brussel (+13,0%) en Wallonië (+3,0%).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.36
  • Tab.15. # gerechtigden in de totale steekproef, per regio, belasting en grootte # OCMWs in Bestaansminimum Leefloon- Evolutie Evolutie in % analyse (incl. vreemd) op gerechtigden op 30/09/2002 30/09/2003 V1T5 V1CT5 V1CT5-V1T5 (V1CT5-V1T5)/V1T5 Alle OCMWs 78 39.907 41.089 1.182 3,0% Groot 11 26.959 28.043 1.084 4,0% Grootte Middelg. 34 12.335 12.554 219 1,8% Klein 33 613 492 -121 -19,7% Wallonië 35 17.518 18.043 525 3,0% Regio Vlaanderen 37 14.451 14.079 -372 -2,6% Brussel 6 7.938 8.967 1.029 13,0% Licht 14 20.342 21.592 1.250 6,1% Belasting Middelz. 40 19.047 19.025 -22 -0,1% Zwaar 24 518 472 -46 -8,9% Volgens het criterium “grootte” vertonen de grote OCMW’s de belangrijkste stijging van het aantal gerechtigden (+4,0%) en kennen de kleine OCMW’s daarentegen een forse daling (-19,7%). Qua “belasting” kennen de OCMW’s met zware belasting als enigen een aangroei van het aantal gerechtigden. Zij tekenen voor de totaliteit van de stijging. Uit bovenstaande tabel is een duidelijke relatie te zien tussen de evolutie van het aantal rechthebbenden en de dimensies “grootte” en “belasting” van het OCMW: − Hoe groter het OCMW, hoe sterker de toename van het aantal rechthebbenden. − Hoe zwaarder het OCMW “belast” is (d.w.z. de verhouding tussen aantal bestaansminimumgebruikers en het aantal inwoners), hoe sterker de toename van het aantal rechthebbenden. B. Gekruiste analyse van de evolutie tussen 30 september 2002 en 30 september 2003 − Grootte t.o.v. belasting De stijging van het aantal gerechtigden in de 14 OCMW’s met zware belasting concentreert zich bij de grote OCMW’s (+7,4% of +1.084 tussen de twee data). De daling bij de kleine OCMW’s is gelinkt aan de lichtbelaste OCMW’s; zij zijn de enigen die een daling vertonen (-46 of –8,9%). Bij de OCMW’s met middelzware belasting vertonen enkel de grote OCMW’s een aangroei (+2,2%). De andere OCMW-types tonen een daling. Tab.16. # gerechtigen (totaal, inclusief de vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), volgens belasting en volgens grootte Grootte TOTAAL Belasting Groot Middelg. Klein Licht # bestaansminimum (incl. vreemd.) 0 220 298 518 # leefloongerechtigden 0 259 213 472 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 0 39 -85 -46 in % van 9/2002 0,0% 17,7% -28,5% -8,9% Middelz. # bestaansminimum (incl. vreemd.) 13.619 5.131 297 19.047 # leefloongerechtigden 13.715 5.051 259 19.025 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 96 -80 -38 -22 in % van 9/2002 0,7% -1,6% -12,8% -0,1% Zwaar # bestaansminimum (incl. vreemd.) 13.340 6.984 18 20.342 # leefloongerechtigden 14.328 7.244 20 21.592 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 988 260 2 1.250 in % van 9/2002 7,4% 3,7% 11,1% 6,1% TOTAAL # bestaansminimum (incl. vreemd.) 26.959 12.335 613 39.907 TOTAAL # leefloongerechtigden 28.043 12.554 492 41.089 TOTAAL Evolutie 9/2002 tot 9/2003 1.084 219 -121 1.182 TOTAAL in % van 9/2002 4,0% 1,8% -19,7% 3,0%Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.37
  • Tab.17. Vraag 1: vergelijking van OCMW’s volgens combinatie grootte en belasting # OCMW Grootte TOTAAL Belasting Groot Middelg. Klein Licht 0 4 20 24 Middelz. 6 22 12 40 Zwaar 5 8 1 14 TOTAAL 11 34 33 78 − Grootte versus regio De daling in Vlaanderen is toe te schrijven aan de grote OCMW’s. Deze evolutie is atypisch t.o.v. andere regio’s. Immers, het grootste deel van de stijging in Brussel en Wallonië is toe te schrijven aan de grote OCMW’s. De kleine OCMW’s in Wallonië vertonen eveneens een opmerkelijke evolutie: een daling van meer dan 25% van het aantal gerechtigden. Tab.18. # gerechtigden (totaal, inclusief vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), per grootte en per regio Grootte TOTAAL Regio Groot Middelg. Klein Brussel # bestaansminimum (incl. vreemd.) 5.501 2.437 0 7.938 # leefloongerechtigden 6.357 2.610 0 8.967 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 856 173 0 1.029 in % van 9/2002 15,6% 7,1% 0,0% 13,0% Vlaanderen # bestaansminimum (incl. vreemd.) 10.580 3.676 195 14.451 # leefloongerechtigden 10.166 3.732 181 14.079 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 -414 56 -14 -372 in % van 9/2002 -3,9% 1,5% -7,2% -2,6% Wallonië # bestaansminimum (incl. vreemd.) 10.878 6.222 418 17.518 # leefloongerechtigden 11.520 6.212 311 18.043 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 642 -10 -107 525 in % van 9/2002 5,9% -0,2% -25,6% 3,0% TOTAAL # bestaansminimum (incl. vreemd.) 26.959 12.335 613 39.907 TOTAAL # leefloongerechtigden 28.043 12.554 492 41.089 TOTAAL Evolutie 9/2002 tot 9/2003 1.084 219 -121 1.182 TOTAAL in % van 9/2002 4,0% 1,8% -19,7% 3,0% Tab.19. Vraag 1: vergelijking van aantal OCMW’s in steekproef, volgens combinatie grootte en regio # OCMW Grootte TOTAAL Regio Groot Middelg. Klein Brussel 3 3 0 6 Vlaanderen 4 18 15 37 Wallonië 4 13 18 35 TOTAAL 11 34 33 78 − Belasting versus regio De sterke Brusselse stijging is proportioneel gezien belangrijker in de OCMW’s met middelzware belasting (+17,9%). In Vlaanderen en in Wallonië daarentegen kennen de middelzwaar belaste OCMW’s dan weer een daling van het aantal gerechtigden. Deze daling wordt gecompenseerd door de Brusselse stijging zodat in globo deze categorie stabiel blijft in de betrokken periode.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.38
  • Tab.20. # gerechtigden (totaal, inclusief vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), per belasting en per regio Belasting TOTAAL Regio Licht Middelz. Zwaar Brussel # bestaansminimum (incl. vreemd.) 4.698 3.240 0 7.938 # leefloongerechtigden 5.148 3.819 0 8.967 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 450 579 0 1.029 in % van 9/2002 9,6% 17,9% 0,0% 13,0% Vlaanderen # bestaansminimum (incl. vreemd.) 577 13.533 341 14.451 # leefloongerechtigden 687 12.998 394 14.079 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 110 -535 53 -372 in % van 9/2002 19,1% -4,0% 15,5% -2,6% Wallonië # bestaansminimum (incl. vreemd.) 15.067 2.274 177 17.518 # leefloongerechtigden 15.757 2.208 78 18.043 Evolutie 9/2002 tot 9/2003 690 -66 -99 525 in % van 9/2002 4,6% -2,9% -55,9% 3,0% TOTAAL # bestaansminimum (incl. vreemd.) 20.342 19.047 518 39.907 TOTAAL # leefloongerechtigden 21.592 19.025 472 41.089 TOTAAL Evolutie 9/2002 tot 9/2003 1.250 -22 -46 1.182 TOTAAL in % van 9/2002 6,1% -0,1% -8,9% 3,0% Tab.21. Vraag 1: vergelijking van aantal OCMW’s in steekproef, volgens combinatie belasting en regio # OCMW Werklast TOTAAL Regio Hoog Middelz. Laag Brussel 3 3 0 6 Vlaanderen 1 19 17 37 Wallonië 10 18 7 35 TOTAAL 14 40 24 78 2.2.3.2 Aantal gerechtigden met een financiële tegemoetkoming, jonger dan 25 jaar Tab.22. # gerechtigden jonger dan 25 jaar in totale steekproef, volgens grootte, regio en belasting # OCMWs in Begunst. Begunst. Absolute evolutie <25-jarig. (9/2002 % <25 jarig. van % <25-jarig. van Evolutie van het analyse bestaansmin.< leefloon <25 tot 9/2003) totaal op totaal op aandeel van de 25-jarig. (incl. jarig. op 30/9/2002 30/9/2003 <25-jarig. in totaal vreemd.) op 30/9/2003 begunst. 30/9/2002 V1T1+V1T2 VICT1+VICT2 ABSOLUUT % (V1T1+V1T2) /V1T5 (V1CT1+V1CT2) /V1CT5 Alle OCMWs 69 7.392 8.223 833 11,3% 23,4% 25,1% 7,3% Groot 10 4.921 5.540 619 12,6% 23,2% 24,7% 6,7% Grootte Middelg. 29 2.329 2.563 236 10,1% 23,9% 26,0% 8,9% Klein 30 142 120 -22 -15,5% 24,5% 26,1% 6,4% Wallonië 30 3.836 4.130 294 7,7% 24,3% 25,5% 4,8% Regio Vlaanderen 33 2.076 2.178 104 5,0% 26,3% 28,7% 8,9% Brussel 6 1.480 1.915 435 29,4% 18,6% 21,4% 14,5% Licht 12 4.289 4.823 534 12,5% 22,5% 23,8% 6,0% Belasting Middelz. 35 3.023 3.316 293 9,7% 24,9% 27,2% 9,2% Zwaar 22 80 84 6 7,5% 21,6% 26,8% 24,1% Bovenstaande tabel geeft in de kolom ‘Absolute evolutie <25 jarig. (9/2002 à 9/2003)’ de evolutie in absolute cijfers en in percentage weer van het aantal gerechtigden jonger dan 25 jaar tussen 2 momentopnames. Met 833 gerechtigden jonger dan 25 jaar kennen de 69 OCMW’s in deze analyse een stijging van 11,3%. In alle dimensies (grootte, regio en belasting) is deze stijging in meer of mindere mate terug te vinden, met uitzondering van de kleine OCMW’s, die een daling van 15,5% kennen, maar dit betreft pas 22 gerechtigden.  Bij het analyseren van deze gegevens dient men er rekening mee te houden dat de evolutie van het aantal min-25jarigen niet los gezien mag worden van de evolutie van het totale aantal gerechtigden (d.w.z. alle leeftijdsklassen samen) in dezelfde periode. Willen we de “gezuiverde tendens” of de netto-evolutie van de gegevens inzake het aantal min-25jarigen tonen, dan moet de evolutie getoond worden van de verhouding “aantal min-25jarigen gedeeld door totaal aantal gerechtigden”. Volgend fictief voorbeeld verduidelijkt dit:Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.39
  • Situatie 1: stel 100 resp.120 min-25jarigen op 30/9/2002 resp. 30/9/2003. Op zich is de aangroei 20%. Situatie 2: stel 100 resp. 120 min-25jarigen op 30/9/2002 resp.30/9/2003 (of een aangroei van 20%) én 200 resp. 210 totaal aantal gerechtigden (dus incl. min- 25jarigen) op 30/9/2002 resp. 30/9/2003 (of een aangroei van 5%). Nemen we de evolutie van 100/200 naar 120/210, dan is de gezuiverde aangroei van de min- 25jarigen 14%. In bovenstaande tabel vindt u deze netto-evolutie in de rechterkolom. Hieruit blijkt dat het aantal gerechtigden jonger dan 25 jaar een stijging van 7,3% vertoont, wat groter is dan de evolutie van het totaal aantal gerechtigden (3%, zie hierboven). De evolutie van de categorie min-25jarigen blijft dezelfde ongeacht de invalshoek van de analyse: er is altijd sprake van een stijging, en dit ongeacht de grootte, de “belasting” of de regio van het OCMW! De middelgrote OCMW’s tonen wel de belangrijkste groei in het aantal min-25jarigen (+8,9% voor de betrokken periode), terwijl de kleine OCMW’s het grootste aandeel min-25jarigen in het totaal aantal gerechtigden hebben (+24,1%). Deze laatste vaststelling is des te opmerkelijker vermits de kleine OCMW’s een sterke daling vertonen van het totaal aantal gerechtigden (-19,7%). De analyse voor de kleine OCMW’s is vertaalbaar naar de Vlaamse OCMW’s: de min-25jarigen stijgen met 8,9% om uiteindelijk 28,7% van het totaal aantal gerechtigden te vertegenwoordigen. In Brussel was het aandeel van de min-25jarigen relatief het zwakst (18,6% in 09/2002) en blijft het zwakst(21,4% in 09/2003). Wel valt in deze regio een “inhaalbeweging” op: de groei is in deze regio duidelijk groter dan deze in de andere regio’s (+14,5%, ten opzichte van +8,9% in Vlaanderen en +4,8% in Wallonië). De analyse op basis van het criterium ”belasting” maakt duidelijk dat de lichtbelaste OCMW’s, relatief gezien, de grootste groei kennen (+26,8% tussen 09/2002 en 09/2003). Deze evolutie gaat echter slechts over 84 gerechtigden op 8.223!! In de 2 andere soorten OCMW’s zijn de evoluties vergelijkbaar en dicht bij het globaal gemiddelde (+6% en +9,2% voor de zwaar belaste resp. de middelzwaar belaste OCMW’s).2.3 Gerechtigden met een activeringsmaatregel – gedetailleerde analyse2.3.1 Toelichting bij de vraag Deze vraag polst naar het aantal geactiveerde rechthebbenden op dezelfde data als in vraag 1, nl. per eind september 2002 en per eind september 2003. Omdat onder de oude regelgeving de vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van sociale hulp niet behoorden tot de categorie bestaansminimumgenieters, terwijl dit wel het geval is onder de nieuwe regelgeving, worden de gegevens afzonderlijk opgevraagd. Voor elke categorie (bestaansminimumgenieters per 30/09/2002, vreemdelingen ingeschreven in bevolkingsregister en genietend van sociale hulp per 30/09/2002 en aantal RMI-gerechtigden per 30/09/2003) wordt het detail van de activering gevraagd. Dit kan zijn: − Art.60 §7:  Geen terbeschikkingstelling (eigen OCMW)  Terbeschikkingstelling  PubliekFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.40
  •  VZW  Privé  Sociaal economisch − Art.61 − Andere activering  Doorstromingsprogramma’s  Activa  Smetbaan  Banenplan  SINE  Invoeginterim Teneinde een evolutie te kunnen becijferen tussen 2 momentopnames, wordt in vraag 2d gevraagd naar het totaal aantal personen dat tussen 1/1/2003 en 31/12/2003 van minstens één activeringsmaatregel genoten heeft.2.3.2 Representativiteit van de antwoorden 94% (76) van de OCMW’s heeft deze vraag toereikend ingevuld voor 2a, 2b en 2c. De verklaring voor de hoge respons is toe te schrijven aan het feit dat de OCMW’s deze gegevens sowieso reeds bijhouden en opgeven in het “jaarverslag betreffende de besteding van de staatstoelage in de personeelskosten”. Bovendien worden deze gegevens ook op maandbasis bijgehouden door die helft van de respondenten die de monitoring-fiches invullen. De respondenten maakten dan ook gebruik van de mogelijkheid om ons een kopie van hun monitoring-fiches dan wel een kopie van het jaarverslag betreffende de besteding van de staatstoelage in de personeelskosten te bezorgen. Vraag 2d bleek echter voor de meeste OCMW’s niet of moeilijk te becijferen.2.3.3 Analyse gegevens 2.3.3.1 Aantal gerechtigden met een activeringsmaatregel A. Globale analyse van de evolutie tussen 30 september 2002 (bestaansminimumwet) en 30 september 2003 (RMI-wet) Door het percentuele aandeel van activeringen ten opzichte van het aantal rechthebbenden op respectievelijk 30/09/2002 en 30/09/2003 te vergelijken, houden we rekening met de evolutie van het aantal rechthebbenden.  De meeste OCMW’s hebben de gegevens voor het totaal aantal rechthebbenden in vraag ‘Profiel’ (code ARMI en ARMI-A) niet ingevuld. Om toch een analyse te kunnen uitvoeren, hebben wij het aantal activeringen geplaatst tegenover de som van het aantal “financiële hulp” rechthebbenden (vraag 1) en het aantal activeringen (vraag 2). Tab.23. # activeringen in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers en als% van het totaal aantal gerechtigden # OCMWs in # activeringen op # activeringen op Absolute evolutie # activeringen % activeringen % activeringen Evolutie van % analyse 30/9/2002 30/9/2003 (RMI- (9/2002 tot 9/2003) van totaal van totaal activ. van totaal (Bestaansmin.- wet) begunstigden op begunstigden op begunst. wet) 30/9/2002 30/9/2003 ATT+BTT CTT ABSOLUUT % (ATT+BTT)/ CTT/ (V1CT5+CTT) % (V1T5+ATT+BTT) Alle OCMWs 78 4.439 5.215 776 17,5% 10,0% 11,3% 12,5% Groot 11 2.721 3.270 549 20,2% 9,2% 10,4% 13,9% Grootte Middelg. 34 1.622 1.839 217 13,4% 11,6% 12,8% 9,9% Klein 33 96 106 10 10,4% 13,5% 17,7% 30,9% Wallonië 35 1.909 2.148 239 12,5% 9,8% 10,6% 8,3% Regio Vlaanderen 37 1.750 2.021 271 15,5% 10,8% 12,6% 16,2% Brussel 6 780 1.046 266 34,1% 8,9% 10,4% 16,8% Licht 14 2.275 2.681 406 17,8% 10,1% 11,0% 9,8% Belasting Middelz. 40 2.040 2.420 380 18,6% 9,7% 11,3% 16,6% Zwaar 24 124 114 -10 -8,1% 19,3% 19,5% 0,7%Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.41
  •  Bij het analyseren van deze gegevens dient men er rekening mee te houden dat de evolutie van het aantal activeringen niet los mag gezien worden van de evolutie van het aantal gerechtigden in dezelfde periode. Willen we de “gezuiverde tendens” of de netto-evolutie van de gegevens inzake het aantal activeringen tonen, dan moet de evolutie getoond worden van de verhouding “aantal activeringen gedeeld door totaal aantal gerechtigden”. Wij verwijzen naar pagina 39 voor een cijfervoorbeeld. De rechterkolom in A geeft de netto-evolutie weer. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de 78 respondenten samen een stijging van 12,5% activeringen kennen. In absolute cijfers gaat het hier over 776 activeringen méér tussen 30/09/2002 en 30/09/2003. De stijging van het aantal activeringen is eenduidig over alle OCMW’s, ongeacht de dimensie waarin we de gegevens analyseren: grootte, regio of belasting. Wel zijn er grote verschillen merkbaar binnen één dimensie. De stijging van het aantal activeringen bij kleine OCMW’s is zeer groot (30,9%) in vergelijking met de stijging bij grote en middelgrote OCMW’s. We dienen deze stijging echter te relativeren: in absolute cijfers spreken we hier over een stijging van slechts 10 activeringen op een oorspronkelijk totaal van 96, wat wil zeggen dat een toename van enkele activeringen al snel tot grote procentuele stijgingen leidt. Daarenboven daalt het aantal gerechtigden in kleine OCMW’s, waardoor een lichte stijging van het aantal activeringen verder uitvergroot wordt in de percentuele stijging. Als regio tekent Brussel voor de grootste stijging (+16,8%) en komt het hierdoor bijna op het niveau van Wallonië (op zich de zwakste aangroei met +8,3%) indien wij kijken naar de verhouding van het aantal activeringen ten opzichte van het totaal aantal gerechtigden. Vlaanderen was en blijft de regio waar het grootste aantal van de gerechtigden is geactiveerd. Hetzelfde is geldig voor het lage stijgingspercentage van de activeringen bij OCMW’s met een lage belasting (0,7%) in verhouding tot de stijgingspercentages bij OCMW’s met zware of middelzware belasting. In absolute cijfers gaat het hier over een daling van 10 activeringen op een oorspronkelijk totaal van 124. Ook hier leidt een geringe toe- of afname tot sterk gewijzigde percentages. De daling in het absolute aantal activeringen voor laag belaste OCMW’s resulteert, door rekening te houden met de daling van het absolute aantal rechthebbenden in deze groep OCMW’s, uiteindelijk in een netto stijging van 0,7%. De dalende trend van het aantal activeringen komt er dus quasi overeen met de dalende trend van het aantal rechthebbenden. B. Evolutie van de samenstelling van de gebruikte activeringsmaatregelen tussen 30/09/2002 en 30/09/2003 Onderstaande tabel geeft de evolutie van de verschillende gebruikte activeringsmaatregelen weer, waarbij het effect van de evolutie van het aantal gerechtigden werd uitgeschakeld. De gegevens zijn gebaseerd op 78 OCMW’s.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.42
  • Tab.24. Detail van het # activeringen in totale steekproef, in absolute cijfers en als% van het totaal aantal gerechtigden. # OCMWs # activeringen # activeringen Absolute evolutie # % activeringen % activeringen Evolutie van in analyse op 30/9/2002 op 30/9/2003 activeringen (9/2002 tot van totaal van totaal % activ. van (Bestaansmin.- (RMI-wet) 9/2003) begunstigden begunstigden totaal wet) op 30/9/2002 op 30/9/2003 begunst. ABSOLUUT % % Art.60§7 - Interne terbeschikkingstelling aan de OCMWs 78 1.615 1.864 249 15% 3,6% 4,0% 10,5% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling publiek 78 594 802 208 35% 1,3% 1,7% 29,3% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling VZW 78 655 894 239 36% 1,5% 1,9% 30,7% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling privé 78 469 295 -174 -37% 1,1% 0,6% -39,8% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling soc. econ. 78 407 567 160 39% 0,9% 1,2% 33,4% TOTAAL Art. 60§7 78 3.740 4.422 682 18% 8,4% 9,5% 13,2% TOTAAL Art. 61 78 142 101 -41 -29% 0,3% 0,2% -31,9% Professioneel doorstromingsprogramma 78 321 295 -26 -8% 0,7% 0,6% -12,0% Activaplan 78 10 249 239 2390% 0,0% 0,5% 2284,7% Erkende arbeidspost (Smet-baan) 78 79 31 -48 -61% 0,2% 0,1% -62,4% Tewerkstellingsplan 78 18 5 -13 -72% 0,0% 0,0% -73,4% Sociaal-inschakelingsinitiatief (SINE) 78 11 28 17 155% 0,0% 0,1% 143,8% Invoeginterim 78 118 84 -34 -29% 0,3% 0,2% -31,8% TOTAAL andere activeringen 78 557 692 135 24% 1,3% 1,5% 19,0% TOTAAL alle activeringen 78 4.439 5.215 776 17% 10,0% 11,3% 12,5%  Bij het analyseren van deze gegevens houden we opnieuw rekening met het feit dat de evolutie van de activeringsmaatregelen niet los mag gezien worden van de evolutie van het aantal gerechtigden in dezelfde periode. Willen we de “gezuiverde tendens” of de netto-evolutie van de gegevens inzake het aantal activeringsmaatregelen tonen, dan moet de evolutie getoond worden van de verhouding “aantal activeringsmaatregelen gedeeld door totaal aantal gerechtigden”. Wij verwijzen naar pagina 39 voor een cijfervoorbeeld. In de hiernavolgende figuren (B t.e.m. B) vindt u een grafische voorstelling van de gebruikte activeringsmaatregelen. Let op! In deze figuren is gebruik gemaakt van de absolute aantallen. Er is dus geen rekening gehouden met de evolutie van het aantal gerechtigden. Toch blijkt duidelijk dat het grootste aandeel activeringsmaatregelen valt onder Art.60§7, namelijk 85% van alle activeringsmaatregelen. Fig.6. Activeringen per type in totale steekproef (% van totaal aantal activeringen) Activeringen RMI-wet 30/09/2003 13% 2% 85% TOTAAL Art. 60§7 TOTAAL Art. 61 TOTAAL andere activeringenFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.43
  • Fig.7. Activeringen per type in totale steekproef (absolute cijfers) Activeringen RMI-wet 30/09/2003 Art.60§7 - Interne terbeschikkingstelling aan de OCMWs Art.60§7 - Terbeschikkingstelling publiek Art.60§7 - Terbeschikkingstelling VZW Art.60§7 - Terbeschikkingstelling privé Art.60§7 - Terbeschikkingstelling soc. econ. Art. 61 Professioneel doorstromingsprogramma Activaplan Erkende arbeidspost (Smet-baan) Tew erkstellingsplan Sociaal-inschakelingsinitiatief (SINE) Invoeginterim 0 200 400 600 800 1.000 1.200 1.400 1.600 1.800 2.000 Onderstaande figuur geeft de evolutie van de diverse soorten activeringen tussen 30/09/2002 en 30/09/2003 weer, indien we hen plaatsen ten opzichte van de evolutie van het aantal rechthebbenden. In globo is het aantal activeringen toegenomen, doch de evolutie is verschillend per activeringsmaatregel. Fig.8. Procentuele netto-evolutie in activeringen tussen 30/09/2002 en 30/09/2003 over de verschillende vormen van activeringsmaatregelen. Evolutie van de activeringen van 30/9/2002 tot 30/9/2003 Art.60§7 - Interne terbeschikkingstelling aan de 10,5% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling publiek 29,3% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling VZW 30,7% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling privé -39,8% Art.60§7 - Terbeschikkingstelling soc. econ. 33,4% Art. 61 -31,9% < Professioneel doorstromingsprogramma -12,0% Activaplan 2284,7% Erkende arbeidspost (Smet-baan) -62,4% Tew erkstellingsplan -73,4% Sociaal-inschakelingsinitiatief (SINE) 143,8% Invoeginterim -31,8% -100% -50% 0% 50% 100% 150% 200% − Art.60§7 Het grootste aandeel van activeringsmaatregelen valt onder Art.60§7. Belangrijkste component binnen Art.60§7 is onbetwistbaar ‘terbeschikking binnen het OCMW zelf’ met 1.615 activeringen op 30/09/2002 en een stijging tot 1.864 op 30/09/2003. Toch is deze stijging slechts goed voor een netto-evolutie van 10,5%,Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.44
  • wat erop kan wijzen dat deze vorm van activering ‘uitgeput geraakt’ doordat het aantal mogelijke plaatsen binnen het OCMW niet onbeperkt is. Alle overige activeringsmaatregelen onder Art.60§7 stijgen in belangrijke mate (tussen 29 en 33%), met uitzondering van de ‘terbeschikkingstelling voor de privé’, die een relatieve daling kent van 39,8%. − Artikel 61 Deze maatregel kent een netto-daling van 31,9% of een absolute daling van 41 activeringen.Dit is wellicht deels te verklaren doordat een aantal Art.61- geactiveerden gewijzigd werd in Activa-geactiveerden. − Overige activeringen In globo kennen de overige activeringsmaatregelen een netto-stijging van 19%, of in absolute cijfers een stijging van 135 “eenheden” op een oorspronkelijk totaal van 557. Alle “andere types” van activeringen tonen een daling van het aantal gerechtigden, met uitzondering van Plan Activa en in mindere mate SINE. Wij merken hierbij op dat de sterke relatieve stijging van ‘Plan Activa’ toe te schrijven is aan het feit dat deze maatregel pas in 2002 van kracht werd en er op 30/09/2002 dus maar een zeer beperkt aantal gerechtigden onder de ‘Plan Activa’ maatregel vielen. De absolute volumes voor ‘Tewerkstellingsplan’ en ‘SINE’ op 30/09/2002 zijn in onze steekproef vrij laag, waardoor een kleine toe- of afname al snel tot grote percentuele evoluties zal leiden. De evolutie van -73,4% en +143,8% voor respectievelijk ‘Tewerkstellingsplan’ en ‘SINE’ dient dus met het nodige voorbehoud geïnterpreteerd te worden.2.4 Gerechtigden met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie2.4.1 Toelichting bij de vraag Een aspect dat in de nieuwe regelgeving belangrijker geaccentueerd wordt dan in de oude regelgeving, is het individueel integratieproject. Omdat de wetgever de integratie van jongeren (-25 jarigen) sterk wil stimuleren, teneinde te voorkomen dat zij in een permanente leefloonspiraal terechtkomen, maken wij een onderscheid tussen de personen jonger dan 25 jaar en de personen van 25 jaar of ouder. Immers, bij de jongere categorie heeft het OCMW de plicht om binnen een termijn van 3 maanden werk te maken van de integratie, terwijl bij de oudere categorie de termijn als dusdanig niet bepaald is. Wij hebben voor beide leeftijdscategorieën de diverse mogelijke integratieprojecten als volgt benoemd: − Opleiding − Tewerkstelling − Combinatie opleiding/tewerkstelling − Student(e) − Ander soort integratiecontract En dit voor drie momentopnames (30/09/2002, 30/09/2003 en 31/12/2003), wat ons diende toe te laten om niet alleen een gedetailleerd inzicht qua type integratiecontract op een gegeven moment te bekomen, maar ook om een totale evolutie en een detailevolutie te becijferen. Verder hebben we het aantal jongeren gevraagd dat vrijgesteld is om redenen van billijkheid of gezondheid.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.45
  • Redenen van billijkheid kunnen bij wijze van voorbeeld zijn dat de jongere een hulpbehoevende ouder verzorgt en daardoor vrijgesteld wordt om een geïndividualiseerd integratieproject te aanvaarden. Ook indien een jongere door gezondheidsredenen een geïndividualiseerd integratieproject niet aan kan, wordt hij vrijgesteld. Tenslotte werd ook gepolst naar het aantal jongeren dat om andere redenen geen contract heeft.2.4.2 Representativiteit van de antwoorden Wij hielden rekening met de antwoorden van 60 OCMW’s voor deze analyse. De representativiteit van deze groep is gegarandeerd voor alle dimensies, met uitzondering van de dimensie “regio” aangezien er slechts 1 Brussels OCMW deze vraag beantwoordde. De reden waarom “slechts” 74% van de OCMW’s deze vraag hebben beantwoord, is te wijten aan het feit dat wij de opsplitsing van min-25 jarigen en plus-25 jarigen gevraagd hebben. Tot op heden maken slechts weinig OCMW’s op eigen initiatief dit onderscheid. Ook in het door de POD gevraagde “jaarverslag betreffende de besteding van de staatstoelage in de personeelskosten” dient dit onderscheid naar leeftijdsgroep niet gemaakt te worden. Tijdens het kwalitatieve onderzoeksgedeelte mochten wij vaststellen dat diverse van de bewuste 60 OCMW’s zich de moeite getroost hadden om de dossiers manueel te tellen. Net zoals een aantal andere OCMW’s wegens tijdsgebrek of andere prioriteiten de verdeling niet kon opmaken.2.4.3 Analyse gegevens 2.4.3.1 Aantal gerechtigden met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie A. Globale analyse van de evolutie tussen 30/09/2002 (bestaansminimumwet) en 30/09/2003 (RMI-wet) Tab.25. # personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers en als% van totaal aantal gerechtigden met leefloon (exclusief activeringen) # OCMWs in # integ. # GPMI (RMI-wet) Absolute evolutie # GPMI van % integ. % GPMI van Evolutie van % analyse contracten op 30/9/2003 30/9/2002 tot 30/9/2003 contracten van totaal begunst. GPMI van totaal (Bestaansmin.- totaal begunst. fin. uitk. op begunst. fin. uitk. wet) op 30/9/2002 fin. uitk. op 30/9/2003 30/9/2002 (1) = AT902TO+ (2) = AT903TO+ (1) - (2) % (a) = (1) / (V1T5) (b) = (2) / (V1CT5) % = (b)/(a) -1 BT902TO BT903TO Alle OCMWs 60 3.164 4.294 1.130 35,7% 16,6% 22,4% 34,8% Groot 3 1.616 1.943 327 20,2% 15,7% 18,5% 18,0% Grootte Middelg. 25 1.411 2.199 788 55,8% 17,2% 26,7% 55,0% Klein 32 137 152 15 10,9% 24,3% 34,2% 40,7% Wallonië 28 2.215 2.999 784 35,4% 19,3% 25,5% 32,2% Regio Vlaanderen 31 759 1.071 312 41,1% 12,4% 18,3% 47,7% Brussel 1 190 224 34 17,9% 12,8% 14,1% 9,4% Licht 8 2.064 2.751 687 33,3% 18,1% 23,0% 26,9% Belasting Middelz. 28 1.009 1.411 402 39,8% 14,1% 20,9% 48,2% Zwaar 24 91 132 41 45,1% 17,6% 28,0% 59,2%  Om de netto-tendens van de integratieprojecten te tonen, delen we op elke datum het aantal integratieprojecten door het aantal gerechtigden. De rechterkolom in bovenstaande tabel geeft deze netto-evolutie weer (zie pagina 39). Uit de bovenstaande tabel blijkt dat 60 OCMW’s in totaal een netto-stijging van 34,8% individuele projecten kennen tussen 30/09/2002 en 30/09/2003. In absolute cijfers is dit een stijging van 1.130 individuele projecten op een totaal van 3.164 op 30/09/2002. Doordat slechts één Brussels OCMW sluitende vergelijkbare gegevens inzake het aantal individuele projecten heeft aangeleverd, zijn de resultaten o.i. nietFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.46
  • representatief voor de regio Brussel. Ook de resultaten voor grote OCMW’s geven een vertekend beeld, gezien hun lage respons op deze vraag. Wat men toch kan vaststellen, is het feit dat de middelgrote OCMW’s de grootste groei kennen inzake aantal gerechtigden met een integratiecontract (+55%). De kleine OCMW’s hebben dan weer verhoudingsgewijs het grootste aantal integratieprojecten ten opzichte van het totaal aantal gerechtigden: op 30/09/2003 heeft meer dan een derde een geïndividualiseerd project, wat een stijging ten opzichte van 2002 inhoudt van +40,7%. Wallonië is op beide data de regio waarin het grootste aantal gerechtigden met een financiële tegemoetkoming ook beschikt over een integratiecontract (19,3% op 30/09/2002 en 25,5% op 30/09/2003). Vlaanderen haalt echter zijn achterstand ten opzichte van 2002 in, gezien de netto stijging van 47,7% (t.o.v. 32,2% in Wallonië). Ondanks – of misschien door – de verhoudingsgewijs lage absolute cijfers zijn het de OCMW’s met lage belasting die in 2003 het grootste aantal geïndividualiseerde projecten aan hun gerechtigden aanbieden: 28% beschikt er over een dergelijk contract. De zwaar belaste OCMW’s tonen een minder belangrijke stijging, maar hebben wel de grootste populatie in absolute cijfers. e OCMW’s met middelzware belasting halen ook een achterstand ten opzichte van 09/2002 in door een stijging van bijna 50%. B. Analyse van de individuele projecten, naar verdeling over de leeftijd Omwille van het feit dat de nieuwe wetgeving sterk de nadruk legt op de integratie van jongeren (<25 jaar), wordt in onderstaande tabel een beeld geschetst van de verdeling van de individuele projecten tussen jongeren van minder dan 25 jaar en rechthebbenden van 25 jaar en ouder. Tab.26. # personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers% de PIIS pour # OCMWs in # integ. % integ. % integ. # GPMI (RMI-wet) % GPMI voor <25- % GPMI voor >25- >25 ans au analyse contracten contracten voor contracten voor op 30/9/2003 jarig. op jarig. op 30/9/2003 (Bestaansmin.- <25-jarig. op >25-jarig. op 30/9/2003 30/9/2003 wet) op 30/9/2002 30/9/2002 30/9/2002 (1) = AT902TO+ AT902TO / (1) BT902TO / (1) (1) = AT903TO+ AT903TO / (1) BT903TO / (1) BT902TO BT903TO Alle OCMWs 60 3.164 85,0% 15,0% 4.294 87,9% 12,1% Groot 3 1.616 96,6% 3,4% 1.943 93,8% 6,2% Grootte Middelg. 25 1.411 73,8% 26,2% 2.199 84,9% 15,1% Klein 32 137 62,8% 37,2% 152 54,6% 45,4% Wallonië 28 2.215 80,4% 19,6% 2.999 84,5% 15,5% Regio Vlaanderen 31 759 94,7% 5,3% 1.071 94,9% 5,1% Brussel 1 190 100,0% 0,0% 224 100,0% 0,0% Zwaar 8 2.064 82,2% 17,8% 2.751 88,3% 11,7% Belasting Middelz. 28 1.009 92,7% 7,3% 1.411 89,3% 10,7% Licht 24 91 63,7% 36,3% 132 64,4% 35,6% De tabel is opgemaakt aan de hand van de gegevens van dezelfde 60 OCMW’s als de vorige tabel (A), waaronder slechts één Brussels OCMW en 3 grote. Hierdoor zijn de opmerkingen inzake de representativiteit eveneens geldig. In globo blijkt de grote meerderheid van de individuele contracten opgemaakt te zijn voor jongeren <25 jaar. Het aantal individuele contracten met rechthebbenden van 25 jaar en ouder evolueert zelfs neerwaarts, doch beperkt: 15% van het totaal op 30/09/2002 t.o.v. 12,1% op 30/09/2003. De nadruk wordt dus blijkbaar meer gelegd op jongeren dan voorheen. In Vlaanderen hebben weinig rechthebbenden van 25 jaar en ouder een individueel project: slechts 5,3% en 5,1% op respectievelijk 30/09/2002 en 30/09/2003. In Wallonië heeft 15,5% van de individuele projecten op 30/09/2003 afgesloten met gebruikers van 25 jaar en ouder, een daling van 4% ten opzichte van 2002. Eveneens opvallend is dat OCMW’s met lichte belasting en kleine OCMW’s op 30/09/2002 respectievelijk 36,3% en zelfs 37,2% van de individuele projecten voor gebruikers van 25 jaar of ouder hebben. Vermits het hier OCMW’s betreft met de minst grote absolute populatie, moeten wij deze vaststelling relativeren. Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.47
  • Het is echter ook opmerkelijk dat enkel de kleine OCMW’s een stijging vertonen van de plus-25jarigen in het totaal aantal gerechtigden met een integratiecontract (van 37,2% tot 45,4%). Mogelijke verklaringen die hiervoor tijdens de kwalitatieve bevragingsronde door een aantal gesprekspartners werden aangehaald, zijn: − Kleine OCMW’s en licht belaste OCMW’s slagen er in om meer begeleidingstijd vrij te maken voor hun cliënten en kunnen ‘extra werk’ besteden aan het realiseren van een (wettelijk niet verplicht) individueel project voor een rechthebbende van 25 jaar of ouder. − Doordat de wet geen verplichting voor een individueel project oplegt voor rechthebbenden van 25 jaar en ouder, blijkt het aantal niet steeds zo geregistreerd te worden dat het achteraf terug vlot reproduceerbaar is. Wat ertoe bijdraagt dat in grote OCMW’s met veel cliënten het blijkbaar moeilijk is om na te gaan hoeveel rechthebbenden van 25 jaar of ouder een individueel project hebben, en om die gegevens vlot uit de registratie-tools te halen. Hierdoor zijn o.i. de opgegeven cijfers te laag. In kleinere en licht belaste OCMW’s is het aantal rechthebbenden beperkter en kan men het juiste aantal vlotter opgeven. − Het feit dat men geen aparte extra subsidie ontvangt voor integratie van plus- 25jarigen, dit in tegenstelling tot min-25jarigen, kan ertoe bijdragen dat men minder prioriteit verleent aan de integratieprojecten voor plus-25jarigen. Tijdens de kwalitatieve bevragingsronde werd dit trouwens ook bevestigd. Wij verwijzen naar desbetreffend hoofdstuk. C. Analyse van de individuele projecten, naar verdeling over het soort project Voor deze analyse is onvoldoende informatie beschikbaar over het aantal rechthebbenden ouder dan 25 jaar, waardoor het niet mogelijk is om de verdeling van het aantal rechthebbenden te becommentariëren. Tab.27. # personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per type integratieproject, in absolute cijfers en als% van het totaal aantal gerechtigden met financiële tegemoetkoming (excl. geactiveerden) # OCMWs in # integ. # GPMI (RMI-wet) Absolute evolutie # GPMI van % integ. % GPMI van Evolutie van % analyse contracten op 30/9/2003 30/9/2002 tot 30/9/2003 contracten van totaal begunst. GPMI van totaal (Bestaansmin.- totaal begunst. fin. uitk. op begunst. fin. uitk. wet) op 30/9/2002 fin. uitk. op 30/9/2003 30/9/2002 (1) = AT902TO+ (2) = AT903TO+ (1) - (2) % (a) = (1) / (V1T5) (b) = (2) / (V1CT5) % = (b)/(a) -1 BT902TO BT903TO Opleiding 60 262 348 86 32,8% 1,4% 1,8% 32,0% Tewerkstelling 60 348 512 164 47,1% 1,8% 2,7% 46,2% Combin. opleiding/tewerkstelling 60 39 88 49 125,6% 0,2% 0,5% 124,2% Student(e) 60 1.868 2.091 223 11,9% 9,8% 10,9% 11,2% Ander type integratiecontract 60 546 1.089 543 99,5% 2,9% 5,7% 98,2% SUB-TOTAAL < 25-jarig. 60 3.063 4.128 1.065 34,8% 16,1% 21,5% 33,9% > 25-jarig. 60 101 168 67 66,3% 0,5% 0,9% 65,3% TOTAAL 60 3.164 4.296 1.132 35,8% 16,6% 22,4% 34,9%  Om de netto-tendens van het aantal individuele integratiecontracten te bekomen, delen we op elke datum het aantal individuele integratiecontracten door het aantal gerechtigden. De rechterkolom in bovenstaande tabel geeft deze netto- evolutie weer (zie pagina 39). Het meest voorkomende type individueel project is ‘Student(e)’, gevolgd door ‘Overige integratiecontracten’ en ‘Tewerkstelling’. De ‘Overige integratiecontracten’ groeien in absolute cijfers het sterkst: + 543 tussen de metingen op 30/09/2002 en 30/09/2003.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.48
  • Fig.9. Verdeling van het aantal individuele projecten voor gerechtigden jonger dan 25 jaar op 30/09/2003 Verdeling van de geïndividualiseerde contracten voor de jongeren (minder dan 25 jaar) op 30/09/2003 8% 26% 12% 2% 52% Opleiding Tew erkstelling Combin. opleiding/tew erkstelling Student(e) Ander type integratiecontract Deze grafiek geeft een overzicht van de samenstelling van de soorten individuele projecten voor rechthebbenden jonger dan 25 jaar op 30/09/2003. Heel duidelijk is dat de ‘Opleiding’ met 52% het merendeel vormt, gevolgd door ‘Overige projecten’. Fig.10. Verdeling van de percentuele evolutie van individuele projecten voor jongeren onder de 25 jaar in functie van het type project Evolutie # GPMI van het totaal aantal rechthebbenden op een financiële uitkering van 30/9/2002 tot 30/9/2003 140,0% 120,0% 100,0% 80,0% 60,0% 40,0% 20,0% 0,0% Opleiding Tew erkstelling Combin. Student(e) Ander type opleiding/tew erkstelling integratiecontract De bovenstaande grafiek toont de evolutie van het aantal individuele projecten voor rechthebbenden jonger dan 25 jaar tussen 30/09/2002 en 30/09/2003. De sterkste groei is te vinden in projecten ‘Combinatie opleiding/tewerkstelling’ en ‘Overige projecten’.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.49
  • D. Min-25jarigen met een geïndividualiseerd contract Tab.28. Aantal min-25jarigen met individualisatieproject of -contract ten opzichte van totaal aantal min-25jarigen genietend van financiële tegemoetkoming; per regio, grootte en belasting % de bénéf. # OCMWs in # integ. Begunst. leefloon % begunst. # GPMI <25-jarig. Begunst. % begunst.revenu intégration analyse contracten <25- <25-jarig. (incl. leefloon <25-jarig. (RMI-wet) op bestaansmin. <25- bestaansmin. <25-<25 ans avec PIIS jarig. vreemd.) op met een integ. 30/9/2003 jarig. op jarig. met GPMI au 30/9/2003 (Bestaansmin.- 30/9/2002 contract op 30/9/2003 op 30/9/2003 wet) op 30/9/2002 30/9/2002 (1) = AT902TO (2) = V1T1+V1T2 (1) / (2) (3) = AT903TO (4)=VICT1+VICT2 (3) / (4) Alle OCMWs 55 2.497 4.463 55,9% 3.559 4.867 73,1% Groot 3 1.561 2.572 60,7% 1.823 2.744 66,4% Grootte Middelg. 23 852 1.765 48,3% 1.654 2.015 82,1% Klein 29 84 126 66,7% 82 108 75,9% Wallonië 25 1.600 2.596 61,6% 2.339 2.802 83,5% Regio Vlaanderen 29 707 1.567 45,1% 996 1.679 59,3% Brussel 1 190 300 63,3% 224 386 58,0% Zwaar 7 1.517 2.476 61,3% 2.234 2.847 78,5% Belasting Middelz. 26 934 1.907 49,0% 1.260 1.936 65,1% Licht 22 46 80 57,5% 65 84 77,4% In bovenstaande tabel zijn de gegevens voor Brussel niet representatief: slechts één Brussels OCMW bezorgde ons de informatie. Ook het aantal grote OCMW’s (slechts 3 van de 11 respondenten) en het aantal zwaar belaste OCMW’s (slechts 7 van de 15 respondenten) is spijtig genoeg te laag om van een volledig sluitend marktbeeld te kunnen gewagen. Uit bovenstaande tabel blijkt dat het aantal min-25jarigen met een “integratiecontract” toch wel een zeer belangrijke stijging heeft gekend in de betrokken periode:. terwijl zij op 30/9/2002 56% van het totaal aantal min-25jarigen vertegenwoordigen, is hun aantal een jaar later aangegroeid tot 73,1%. Dit geeft aan dat de OCMW’s zich inderdaad gekwijt hebben van de taak die de wetgever hen via de nieuwe leefloonwet toebedeelde. Uit de interviews blijkt dat het behalen van het 100% streefdoel echter onmogelijk is: niet iedereen komt voor een integratieproject in aanmerking, terwijl voor hen die wel in aanmerking komen, het niet evident is om steeds een zinvol project te vinden. Ondanks deze vaststelling is het belangrijk om op te merken dat de proportie van jongeren met een integratiecontract in het totaal aantal gerechtigde jongeren een stijgende evolutie kent in elk van de gehanteerde evaluatieparameters (grootte, regio of belasting). Zo beschikt bijvoorbeeld in Wallonië op 30/09/2003 83,5% van de gerechtigde jongeren over een integratiecontract, ten opzichte van 61,6% in 2002, m.a.w. een absolute stijging van meer dan 20%.. De middelgrote OCMW’s vertonen ook een belangrijke groei, bijna identiek aan de Waalse evolutie: 82,1% van de jongeren genieten er op 30/9/2003 van een contract, of quasi een verdubbeling ten opzichte van 30/9/2002. De OCMW’s in Vlaanderen halen de laagste groei: 59,3% in 2003, of een (absolute) stijging van 14% ten opzichte van 2002. Niettegenstaande het feit dat dit data op 30/9/2003 in de Waalse OCMW’s van onze steekproef groter is dan in de Vlaamse, hebben de Waalse OCMW’s op dezelfde momentopname bijna 2 keer zoveel individuele projecten afgesloten als de Vlaamse. Ook al laat een responsscore van 55 op 81 deelnemers (67%) niet toe om bovenstaande analyse als statistisch representatief te beschouwen, toch durven wij op basis van de informatie zoals verzameld tijdens de kwalitatieve ronde (zie betreffend hoofdstuk), stellen dat de globale tendens correct is. Tab.29. Aantal studenten (<25 jaar) met integratiecontract of –project ten opzichte van totaal aantal studenten met financiële tegemoetkoming # OCMWs in # begunst. # begunst. GPMI Evolutie van 30/9/2002 tot 30/9/2003 analyse integratiecontract (RMI-wet) op (Bestaansmin.-wet) 30/9/2003 op 30/9/2002 (1) (2) (1) - (2) % GPMI - Student(e) 70 2.486 2.820 334 13,4% # Studenten globaal (zie V7) 70 2.540 3.071 531 20,9% % Studenten met GPMI van totaal 97,9% 91,8% -6,0% -6,2% Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.50
  • Door de vergelijking tussen vraag 3 en vraag 7 (samenstelling van de doelgroep) te maken, is het mogelijk om na te gaan hoeveel procent van de rechthebbende studenten een individueel project heeft. Uit bovenstaande tabel blijkt dat het aantal rechthebbende studenten met een individueel project zeer hoog ligt: uit de gegevens van bovenstaande 70 OCMW’s blijkt het percentage op 30/09/2002 resp.30/09/2002 97,9% resp. 91,8% bedraagt. Men zou kunnen verwachten dat dit percentage vrijwel 100% moet zijn en een stijgende evolutie vertoont tussen de 2 meetpunten, gezien de verplichting voor OCMW’s om elke student een dergelijk contract aan te bieden. De gemeten percentages en de tussentijdse daling met 6,2% zijn in die zin een verrassing. Hoe kan men dit verklaren? Louter kwantitatief: het aantal studenten met individueel contract groeide weliswaar aan met 13,4%, maar het totaal aantal studenten die recht hebben op leefloon kende echter een nog grotere aangroei, namelijk 20,9%. Tijdens de kwalitatieve interviewronde werden een aantal redenen aangehaald die kunnen bijdragen aan het niet-behalen van 100%: − De metingen betreffen telkens de periode september. Op zich de drukste maand: enerzijds zijn er de studenten die net gestart zijn met hun jaarstudie, anderzijds zijn er de studenten die aanvang oktober starten met hun studie. De drukte van deze maand kan bijdragen tot het nog niet “gerealiseerd” hebben van de overeenkomende integratieprojecten. − Tussen registratie als student en realisatie van het integratieproject is er steeds een tijdsinterval. Neem daarbij de drukste maand van het jaar qua toeloop van studenten, dan heb je sowieso een tijdsvertraging tussen aantal studenten en aantal integratieprojecten. Tab.30. Aantal studenten (<25 jaar) met integratieproject ten opzichte van totaal aantal studenten met financiële tegemoetkoming, per regio # OCMWs in GPMI - Student(e) # Studenten op % Studenten met GPMI - Student(e) # Studenten op % Studenten met analyse op 30/9/2002 30/9/2002 (groep GPMI van totaal op 30/9/2003 30/9/2003 (groep GPMI van totaal (Bestaansmin.-wet) V7) op 30/9/2002 (RMI-wet) V7) (RMI-wet) (RMI-wet) (Bestaansmin.- (Bestaansmin.- wet) wet) (1) = AT902S (2) = A902STU (1)/(2) (1) = AT903S (2) = A903STU (1)/(2) Wallonië 32 1.518 1.520 99,9% 1.707 1.916 89,1% Vlaanderen 36 613 613 100,0% 720 722 99,7% Brussel 2 355 407 87,2% 393 433 90,8% Alle OCMWs 70 2.486 2.540 97,9% 2.820 3.071 91,8% Het procentueel aandeel van de studenten die genieten van een leefloon en van een geïndividualiseerd project is verschillend naargelang de regio. Terwijl het globale percentage van de steekproef op 30.9/2003 91,8% bedraagt, is dit in Vlaanderen 99,7%. Brussel en Wallonië hebben een lager percentage dan Vlaanderen, namelijk 90,8% en 89,1%. De resultaten van Brussel moeten echter zeker gerelativeerd worden vermits zij in deze vraag sterk ondervertegenwoordigd zijn: slechts 2 OCMW’s leverden ons de gevraagde informatie aan. Wat Wallonië betreft, is deze vaststelling ook relatief: men kent er immers verhoudingsgewijs een veel groter aantal gerechtigden jonger dan 25 jaar die men aan een integratieproject moet helpen, wat het werkvolume vergroot en kan bijdragen tot een groter vertragingseffect dan in de andere regio’s.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.51
  • 2.5 Aantal gerechtigden onderhevig aan terugvorderingen2.5.1 Toelichting bij de vraag 2.5.1.1 Overzicht Drie aspecten worden in deze vraag gemeten, en dit in twee identieke tijdsbalken (periode 01/10/2001 – 30/09/2002 en periode 01/10/2002 – 30/09/2003), namelijk: − het aantal terugvorderingen op de rechthebbende (Art.24 van de wet van 26 mei 2002) − het aantal keren dat “Verhaal” op de onderhoudsplichtigen (Art.26 van de wet van 26 mei 2002) wordt toegepast, en − het aantal terugvorderingen op derden (Art.27 van de wet van 26 mei 2002). 2.5.1.2 Detail Wij lichten deze drie aspecten als volgt toe: − Het aantal terugvorderingen op de rechthebbende zelf. Art.24 van de wet van 26 mei 2002 voorziet dat het leefloon dat uitgekeerd wordt, met toepassing van deze wet verhaald kan worden op de betrokkene, in geval van een herziening met terugwerkende kracht. In geval van een vergissing vanwege het centrum kan het centrum ofwel het onverschuldigde bedrag terugvorderen, ofwel op eigen initiatief, of op aanvraag van de betrokkene geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering. Indien de betrokkene de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald, dan is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er ten dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. − Het aantal gevallen waarin verhaal uitgeoefend werd ten opzichte van de onderhoudsplichtigen. Art.26 van de wet van 26 mei 2002 voorziet dat het leefloon dat door een centrum uitgekeerd is met toepassing van deze wet, krachtens een eigen recht door dit centrum wordt verhaald op de onderhoudsplichtigen, en dit ten belope van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd. − Het aantal gevallen waarin terugvorderingen op derden plaats gevonden heeft. Art.27 van de wet van 26 mei 2002 voorziet dat het centrum het leefloon kan verhalen krachtens een eigen recht op de persoon die verantwoordelijk is voor een verwonding of ziekte die aanleiding gegeven heeft tot de betaling van het leefloon. Wanneer die verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering bovendien tegelijk met de strafrechtelijke vordering en voor dezelfde rechter worden ingesteld.2.5.2 Representativiteit van de antwoorden Weliswaar zijn de OCMW’s verplicht om de terugvorderingen te registreren, zij het beperkt tot registratie in elk individueel dossier. Doch tijdens de kwalitatieve bevragingen bleek dat men niet de facto het aantal beslissingen als een totaal in een management informatie systeem (op papier dan wel in een registratiesoftware) bijhoudt. Dit verklaart waarom het aantal antwoorden op deze vraag opmerkelijk lager is dan bij de andere vragen uit onze enquête.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.52
  • Sommige OCMW’s houden het wel als een meetpunt bij, anderen deden de inspanning om het manueel op te tellen, nog anderen hadden andere prioriteiten of tijdsgebrek. Deze gegevens konden hierdoor - logischerwijze - door ons ook niet bij andere instanties opgevraagd of geverifieerd worden. In het kwalitatieve gedeelte van ons onderzoek wordt dieper ingegaan op dit onderwerp. Wij verwijzen hiervoor naar §1.11onder, p.79.2.5.3 Analyse gegevens Indien we de antwoorden analyseren van die respondenten die zowel het aantal terugvorderingen als het aantal beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Werk opgaven (43 in totaal, zie 2.5.3), dan blijkt het aantal terugvorderingen een groeiend aandeel in het aantal beslissingen te vertegenwoordigen: van 6,4% naar 6,8%. Weliswaar is het aantal respondenten te beperkt om van een statistisch representatief antwoord te kunnen spreken, maar bovenstaande analyse zou aangeven dat de OCMW’s zich intensiever kwijten van de wettelijke verplichting inzake terugvordering. Tab.31. Aantal terugvorderingbeslissingen versus totaal aantal beslissingen (alle types) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 01/10/2002 tot tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal aantal beslissingen tot terugvordering (1) = A1001TO / A1002TO 43 4.520 5.254 16,2% in % van het totaal aantal beslissingen (alle types) = (1) / (2) 43 6,4% 6,8% 5,8% Totaal aantal beslissingen (alle types) (2) = A1001TAR / A1002TAR 43 70.192 77.150 9,9% Tab.32. Aantal terugvorderingbeslissingen volgens type Code cijfers # OCMWs # beslissingen in analyse 01/10/2001 tot 30/09/2002 01/10/2001 tot 30/09/2002 Totaal in % tot. Totaal in % tot. Terugvordering bij de rechthebbenden (art.24) A1001TR / A1002TR 61 3.073 49,4% 3.380 49,1% Terugvordering bij de onderhoudsplichtigen (art.26) A1001VO / A1002VO 61 208 3,3% 282 4,1% Terugvordering bij derden (art.27) A1001TD / A1002TD 61 2.943 47,3% 3.218 46,8% TOTAAL aantal beslissingen tot terugvordering A1001TO / A1002TO 61 6.224 100% 6.880 100% 61 OCMW’s gaven aan op wie teruggevorderd wordt. De terugvordering op onderhoudsplichtigen vertegenwoordigt 4,1% van alle terugvorderingen in de periode 1/10/2002-30/09/2003, wat een lichte stijging inhoudt ten opzichte van de voorgaande periode (+0,8%). D e terugvorderingen ten aanzien van derden en van rechthebbenden dalen lichtjes. De redenen van het verhaal op onderhoudsplichtigen ontbreken in de kwantitatieve analyse, zodat wij de doelgroepen die onderhevig zijn aan terugvordering (bv. ouders van studenten, …) niet nader kunnen identificeren. Indien we de informatie uit de kwalitatieve interviews aan bovenstaande analyse koppelen, dan blijkt een meerderheid van de OCMW’s geen hoogste prioriteit toe te kennen aan terugvordering of, sterker nog, vorderen een aantal OCMW’s eenvoudigweg niet terug van ex-echtgenoten en van descendenten (in geval van rustoordgelden). Wel wordt het terugvorderingrecht steeds geciteerd in de context van onrechtmatige uitkeringen aan rechthebbenden en in de context van hulpverzoekende min- 25jarigen en studenten. Doch in verband met beide laatstgenoemde doelgroepen dient ook opgemerkt te worden dat het OCMW middels het sociaal vooronderzoek vaak tot een regeling tracht te komen waarbij ouders en jongere een vergelijk treffen of tot een verzoening komen. Wat dan weer impliceert dat een aantal terugvorderingen voorkomen wordt.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.53
  • 2.6 Aantal personen onderhevig aan doorverwijzingen naar onderhoudsplichtigen2.6.1 Toelichting bij de vraag In Art.4 van de wet van 26 mei 2002 staat dat er van de betrokkene kan worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen. Deze personen kunnen zijn: de echtgenoot of de ex- echtgenoot; de ascendenten en descendenten in de eerste graad; de adoptant en de geadopteerde. Hierbij zijn de overeenkomsten over onderhoudsgeld niet tegenwerpelijk aan het centrum. Het centrum kan van rechtswege in naam en ten voordele van de betrokkene optreden om de hierboven bedoelde rechten te laten gelden. De cijfergegevens die hier gevraagd worden, hebben betrekking op het aantal personen dat door het centrum doorverwezen wordt naar hun onderhoudsplichtigen om de hierboven vermelde rechten te laten gelden.2.6.2 Representativiteit van de antwoorden Weliswaar zijn de OCMW’s verplicht om de personen onderhevig aan doorverwijzing te registreren, zij het dat dit beperkt is tot registratie in hun individueel dossier. Tijdens de kwalitatieve bevragingen bleek opnieuw dat men niet de facto het aantal beslissingen als een totaal in een management informatie systeem (op papier dan wel in een registratiesoftware) bijhoudt. Dit verklaart waarom het aantal antwoorden op deze vraag opmerkelijk lager dan bij de andere vragen uit onze enquête. Sommige OCMW’s houden het wel als een meetpunt bij, anderen deden de inspanning om het manueel op te tellen, nog anderen hadden andere prioriteiten of tijdsgebrek. Deze gegevens konden hierdoor - logischerwijze - door ons ook niet bij andere instanties opgevraagd of geverifieerd worden.2.6.3 Analyse gegevens Tab.33. Aantal doorverwijzingen naar onderhoudsplichtigen versus totaal aantal beslissingen (alle types) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 01/10/2002 tot tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal aantal doorverwijzingsbeslissingen (1) = A1001A / A1002A 34 199 363 82,4% in % van het totaal aantal beslissingen (alle types) = (1) / (2) 34 0,4% 0,6% 65,7% TOTAAL aantal beslissingen (alle types) (2) = A1001TAR / A1002TAR 34 55.182 60.763 10,1% Ofschoon uit bovenstaande tabel een stijging van het aantal doorverwijzingen kan afgeleid worden, zowel als meetpunt op zich als in verhouding tot het totaal aantal beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, willen wij er op wijzen dat de bekomen informatie statistisch niet representatief is wegens het veel te lage aantal respondenten (34 OCMW’s of amper 42%). Dit neemt niet weg dat tijdens de kwalitatieve interviews door alle geïnterviewde OCMW’s bevestigd werd dat zij sinds de invoegetreding van de nieuwe regelgeving meer expliciete aandacht besteden aan de correctheid van de aanvraag, wat dan weer leidt tot een frequenter hanteren van de mogelijkheid tot doorverwijzingen. Vooral jongeren worden in dit verband door de geïnterviewden specifiek vermeld.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.54
  • 2.7 Aantal sancties2.7.1 Toelichting bij de vraag Wij polsten hier naar het aantal administratieve sancties waartoe een OCMW beslist, met een opsplitsing naar duurtijd van de sanctie en inzake het bedrag van het leefloon. Art.30 van de wet van 26 mei 2002 voorziet dat indien de betrokkene verzuimt om bestaansmiddelen aan te geven waarvan hij het bestaan kent, of als hij onjuiste of onvolledige verklaringen aflegt die het bedrag van het leefloon beïnvloeden, de uitbetaling van het leefloon geheel of gedeeltelijk geschorst kan worden voor een periode van ten hoogste zes maanden, of in geval van bedrieglijk opzet, voor ten hoogste twaalf maanden. In geval van herhaling binnen een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de sanctie voor een vorig verzuim of onjuiste verklaring definitief is geworden, kunnen de bovenvermelde periodes worden verdubbeld. Indien de betrokkene, na aanmaning, de verplichtingen die in het contract betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie vermeld zijn, zonder wettige redenen niet naleeft, kan de uitbetaling van het leefloon na het advies van de maatschappelijk werker belast met het dossier, geheel of gedeeltelijk worden geschorst, voor een periode van ten hoogste één maand. In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste 1 jaar, kan de uitbetaling van het leefloon voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst. Deze sanctie gaat in op de eerste dag van de tweede maand volgend op de beslissing van het centrum.2.7.2 Representativiteit van de antwoorden Weliswaar zijn de OCMW’s verplicht om de motivatie en duurtijd van sancties te registreren, zij het dat dit beperkt is tot registratie in individuele dossiers. Tijdens de kwalitatieve bevragingen bleek opnieuw dat men niet de facto het aantal beslissingen dienaangaande onder de vorm van cijfermateriaal in een management informatie systeem (op papier dan wel in een registratiesoftware) bijhoudt, of in een jaarverslag moet publiceren. Dit verklaart waarom het aantal antwoorden op deze vraag opmerkelijk laag is. Sommige OCMW’s houden het wel als een meetpunt bij, anderen deden de inspanning om het manueel op te tellen, nog anderen hadden andere prioriteiten of tijdsgebrek. Deze gegevens konden hierdoor - logischerwijze - door ons ook niet bij andere instanties opgevraagd of geverifieerd worden.2.7.3 Analyse gegevens Tab.34. Aantal administratieve en penale sancties versus totaal aantal beslissingen (alle types) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 01/10/2002 tot tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal beslissingen tot admin. sancties (a) = AATT / BATT 37 120 105 -12,5% Totaal beslissingen tot strafrechtelijke sancties (b) = AST / BST 37 0 0 0,0% Totaal aantal sancties (1) = (a) + (b) 37 120 105 -12,5% in % van het totaal aantal beslissingen (alle types) = (1) / (2) 37 0,2% 0,1% -20,1% Totaal aantal beslissingen (alle types) (2) = A1001TAR / A1002TAR 37 64.295 70.397 9,5%Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.55
  • Tab.35. Detail van administratieve sancties qua duurtijd Code cijfers # OCMWs # beslissingen in analyse 01/10/2001 tot 30/09/2002 01/10/2001 tot 30/09/2002 Totaal in % tot. Totaal in % tot. Max.1 maand AATM1 / BATM1 53 67 51,5% 72 61,0% Tussen 1 en 3 maanden AATT13 / BATT13 53 26 20,0% 19 16,1% Meer dan 3 maanden AATM3 / BATM3 53 37 28,5% 27 22,9% TOTAAL aantal admin. sancties AATT / BATT 53 130 100% 118 100% Ofschoon het aantal antwoorden statistisch irrelevant is (slechts 37 respondenten of 46%), zou men uit bovenstaande resultaten (2.7.3 en 2.7.3) kunnen veronderstellen dat het aantal administratieve sancties niet alleen daalt in aantal, maar ook over een kortere periode loopt. En dat strafrechterlijke sancties nooit voorkomen! Tijdens de kwalitatieve interviews vernamen wij dat een meerderheid van de geconsulteerde OCMW’s inderdaad weinig heil ziet in langdurige administratieve sancties omdat men dan vaak elk spoor van de cliënt verliest en men het risico loopt om de cliënt in niet-officiële arbeidscircuits terecht te laten komen, zonder enige bescherming (zie §1.14,deel 4 onder, blz.80). Het gros van de OCMW’s getuigde tijdens de kwalitatieve interviews dat een meerderheid van de gesanctioneerden na de sanctieperiode terug aankloppen. Doch de interviews lieten ons niet toe om de dalende evolutie qua aantal sancties te bevestigen dan wel te ontkennen.2.8 Samenstelling van de specifieke doelgroepen2.8.1 Toelichting bij de vraag 2.8.1.1 Overzicht In deze vraag polsen wij naar de grootte en de evolutie van een aantal specifieke doelgroepen, die in de nieuwe regelgeving een grotere aandacht genieten dan in de oude. Deze doelgroepen zijn: − Studenten − Het totaal aantal vreemdelingen, met onderscheid tussen:  Niet EU-vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister  Vreemdelingen, behorend tot de EU − Personen genietend van de vrijstelling van inkomsten voortspruitend uit artistieke activiteiten 2.8.1.2 Detail − De studenten jonger dan 25 jaar en de studenten ouder dan 25 jaar. Deze vraag werd onder meer ingegeven als een dubbelcheck-mogelijkheid op vraag 3. De som van de studenten jonger dan 25, ingevuld in vraag 3a, en de studenten ouder dan 25, ingevuld in vraag 3b, moet immers gelijk zijn aan het totaal aantal studenten ingevuld in vraag 7. − Het totaal aantal vreemdelingen, opgesplitst in het aantal niet EU-vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister, en het totaal aantal vreemdelingen behorend tot de EU. Enerzijds liet deze vraag ons toe om een onderscheid te bekomen tussen deze beide groepen vreemdelingen. Anderzijds bood dit ons het bijkomend voordeel dat een dubbelcheck uitgeoefend kon worden met vraag 1b, waarin het aantal vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van sociale hulp op 30/09/2002 werd gevraagd. Het totaal aantal vreemdelingen uit vraag 7 op 30/09/2002 moet immers gelijk zijn aan het totaal van deze bevolkingsgroep in vraag 1b.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.56
  • − Het aantal personen genietend van de vrijstelling van inkomsten voortspruitend uit artistieke activiteiten. Hiermee worden de artiesten in het algemeen bedoeld.2.8.2 Representativiteit van de antwoorden 88% van de OCMW’s heeft de vraag in verband met de studenten ingevuld. Dit hoge percentage wordt wellicht mede verklaard door de vaststelling dat een OCMW het aantal studenten sowieso reeds bijhoudt voor intern gebruik en voor opgave in het reeds geciteerde “jaarverslag betreffende de besteding van de staatstoelage in de personeelskosten”. 58% van de OCMW’s heeft de vraag in verband met de vreemdelingen ingevuld. Althans in die zin dat 58% of 47 OCMW’s een totaal aantal vreemdelingen opgaf, en slechts een veel kleiner, niet representatief aantal (35 0CMW’s of 43%) ons het detail bezorgde tussen EU- en niet-EU-vreemdelingen. Deze laatste vaststelling is te verklaren door het feit dat OCMW’s dergelijke opdeling meestal (nog) niet als een afzonderlijk meetpunt bijhouden. Ook al was de vermelding gemaakt in de vragenlijst dat indien men deze opdeling niet kon maken, men enkel het totaal diende op te geven, toch blijft de responsgraad op deze vraag laag.2.8.3 Analyse gegevens 2.8.3.1 Evolutie doelgroepsamenstelling De analyse in verband met de studenten is hierboven reeds vermeld (zie Dboven). Wij verwijzen de lezer naar die sectie. Slechts 28% van de OCMW’s heeft de vraag in verband met de artiesten ingevuld. Ten opzichte van het aantal gerechtigden vertegenwoordigt deze populatie in de betrokken steekproef een stabiele 0,01%. Doch gezien de lage respons is dit cijfer niet representatief. Voor de overige 72% weten we niet of ze deze vraag niet ingevuld hebben omdat ze geen artiesten hebben, of omdat ze deze gegevens niet registreren. Inzake het aantal vreemdelingen willen we benadrukken dat de cijfers statistisch niet representatief zijn voor de omvang én voor de samenstelling van de steekproef (verhouding gewest, grootte OCMW, belasting OCMW). Indien we toch de gegevens bestuderen van de 35 OCMW’s die zich de moeite troostten om de details inzake EU- en niet-EU-vreemdelingen te verzamelen, dan is er bij deze OCMW’s een stijging van het totale aantal van 32% tussen 30/9/2002 en 30/9/2003 en van een bijkomende 4% tussen 30/9/2003 en 31/12/2003. Of een netto-evolutie van + 3,8%. Deze stijging is waarschijnlijk gelinkt aan het feit dat de OCMW’s ons enkel de gegevens aanleverden over het aantal vreemdelingen genietend van een bestaansminimum in 2002, zonder rekening te houden met de vreemdelingen genietend van maatschappelijke hulp. Willen we dus een vergelijkbare basis ten opzichte van de situatie in 2003 bekomen, dan moeten we er deze laatstgenoemde groep aan toevoegen.Spijtig genoeg hebben we in vraag 1 onvoldoende detailgegevens over vreemdelingen ontvangen. We kunnen deze vergelijking dus niet maken. Tijdens de kwalitatieve interviewronde mochten wij geen indicaties krijgen dat het aantal vreemdelingen tijdens onze referentieperiode sterker dan wel zwakker aangroeide dan de hierboven geciteerde evolutie.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.57
  • 2.9 Weigeringen m.b.t. bestaansminimum- of leefloon- dossiers en beroepen ingesteld bij de Arbeidsrechtbank2.9.1 Toelichting bij de vragen 2.9.1.1 Vraag 8 Deze gegevens betreffen het aantal weigeringen voor bestaansminimum of leefloon geweigerd door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, omwille van reden van werkweigering of omwille van reden van niet samenwerkingsbereidheid met het OCMW. − Weigeringen omwille van reden van werkweigering. Eén van de voornaamste voorwaarden om recht te hebben op een leefloon is werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is (Art.3 5° van de wet van 26 mei 2002). Dit betekent dat zowel het centrum als de betrokkene actief moeten zoeken naar werk. Daarnaast moet de aanvrager ook ingaan op een werkaanbieding die in overeenstemming is met zijn fysieke en intellectuele capaciteiten. Indien de persoon weigert aangepast werk te aanvaarden, dan kan getwijfeld worden aan de werkwilligheid van de aanvrager en is deze persoon niet in overeenstemming met de basisvoorwaarden om een leefloon te ontvangen, waardoor zijn aanvraag kan uitmonden in een weigering door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. − Weigeringen omwille van reden van niet samenwerkingsbereidheid met het OCMW. Indien de aanvrager niet vrijwillig zijn medewerking verleent aan het OCMW, of indien hij pogingen van het OCMW tegenwerkt, en waaruit blijkt dat er een gebrek is aan samenwerkingsbereidheid met het OCMW in hoofde van de aanvrager, dan kan de aanvraag leiden tot een weigering door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. 2.9.1.2 Vraag 9 In het eerste luik wordt gevraagd naar het aantal individueel ingestelde beroepen tegen beslissingen inzake: − Afgewezen bestaansminimumaanvragen (2001) of RMI-aanvragen (2003) Dit betreft beroepen die aanvragers ingesteld hebben tegen het OCMW omdat hun aanvraag om een bestaansminimum/leefloon te ontvangen, werd geweigerd. Indien deze aanvragers vinden dat zij ten onrechte geweigerd werden, dan kunnen zij hiertegen beroep aantekenen. − Andere beslissingen inzake bestaansminimum (2001) of RMI (2003) Dit gaat over de beroepen die aangetekend werden tegen het OCMW in verband met de beslissingen genomen door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. Denken we bij voorbeeld aan beslissingen inzake het toegekend bedrag, … Het tweede luik gaat over het totaal aantal individuele beslissingen genomen door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn inzake dossiers bestaansminimum in 2001 en inzake RMI-dossiers in 2003..Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.58
  • 2.9.2 Representativiteit van de antwoorden 2.9.2.1 Vraag 8 65% van de OCMW’s heeft deze vraag ingevuld, zij het overwegend zonder het detail op te geven van de reden van weigering. Tijdens de kwalitatieve bevraging bleek de lage respons toe te schrijven zijn aan het feit dat men de gegevens in verband met weigeringen niet afzonderlijk bijhoudt. Indien men deze gegevens al bij houdt, houdt men vaak enkel de totalen bij, zonder vermelding van de reden van weigering. Tenslotte mag niet uit het oog verloren worden dat een aantal OCMW’s wellicht niet geconfronteerd werden met weigeringen in de desbetreffende periodes. 2.9.2.2 Vraag 9 78% van de OCMW’s heeft de vraag over de individueel ingestelde beroepen ingevuld, zij het in 90% van de gevallen zonder het detail qua reden op te geven. Met andere woorden, enkel code A1001VT en code A1001AT. De lage respons komt omdat de OCMW’s deze gegevens vaak enkel in de individuele dossiers registreren, en niet als een beleidscijfer bijhouden voor interne of externe belanghebbenden. Tijdsgebrek en andere prioriteiten zullen er bij een aantal OCMW’s ook toe bijgedragen hebben dat het niet evident was om de juiste aantallen op te zoeken en ons te bezorgen. Voor de beslissingen door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn is de responsgraad slechts 62%. De reden hiervoor is dezelfde als de hierboven genoemde.2.9.3 Analyse gegevens 2.9.3.1 Aantal weigeringen De opvallende stijging van het aantal weigeringen dient omzichtig geïnterpreteerd te worden. Immers, tijdens de kwalitatieve ronde vernamen wij het volgende: waar vroeger een dossier pas geregistreerd werd eenmaal duidelijk bleek dat de aanvrager recht had op OCMW-bijstand, wordt sinds de nieuwe regelgeving een dossier reeds geregistreerd op het moment van het eerste onderhoud. Wat natuurlijk op zich al bijdraagt tot een stijging van het aantal weigeringen wanneer in de eropvolgende fase blijkt dat de aanvrager niet voldoet aan de criteria voor bepaalde hulpverlening. Tab.36. Aantal geweigerde aanvragen versus totaal aantal beslissingen (alle types) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 tot 01/10/2002 tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal van de weigeringsbeslissingen (1) = A1001VT / A1001AT 53 3.192 4.281 34,1% in % van totaal aantal beslissingen (alle types) = (1) / (2) 53 2,6% 3,1% 20,5% Totaal aantal beslissingen (alle types) (2) = A1001TAR / A1002TAR 53 124.577 138.690 11,3% Vergelijken we het aantal geweigerde aanvragen met het aantal beslissingen (zie vraag 9), dan stijgt de verhouding “aantal geweigerde aanvragen t.o.v. aantal beslissingen” relatief beperkt: van 2,6% in de eerste periode naar 3,1% in de tweede periode. Wij merken op dat deze vergelijkende gegevens betrekking hebben op een statistisch niet representatieve want te kleine groep respondenten (65%), en geven de vergelijking dus louter informatief.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.59
  • 2.9.3.2 Evolutie beslissingen Tab.37. Aantal beslissingen versus aantal begunstigden (incl. geactiveerden) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 tot 01/10/2002 tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal aantal beroepsprocedures voor de arbeidsrechtbank (1) = A1001ALL / A1002ALL 51 431 498 15,5% in % van totaal aantal weigeringen = (1) / (2) 51 13,3% 11,5% -13,4% Totaal aantal weigeringsbeslissingen (2) = A1001VT / A1001AT 51 3.252 4.339 33,4% Het aantal beslissingen neemt toe. Indien we de netto-evolutie van het aantal beslissingen berekenen, door het effect van het aantal gerechtigden in de betrokken 48 OCMW’s te verrekenen, dan stijgt de verhouding tussen beide parameters van 5,9 naar 6,4 (7,8% stijging). 2.9.3.3 Beroepen t.o.v. weigeringen Tab.38. Aantal beroepen bij Arbeidsrechtbank versus aantal weigeringen Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 tot 01/10/2002 tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal aantal beroepsprocedures voor de arbeidsrechtbank (1) = A1001ALL / A1002ALL 48 442 521 17,9% in % van totaal van de beslissingen = (1) / (2) 48 0,35% 0,37% 5,9% Totaal aantal beslissingen (alle types) (2) = A1001TAR / A1002TAR 48 128.044 142.529 11,3% Plaatsen we het aantal beroepen tegenover het aantal weigeringen, dan zien we een daling. Met andere woorden, er wordt minder snel beroep aangetekend tegen een weigering. Tijdens de kwalitatieve bevraging werd deze evolutie toegeschreven aan enerzijds het feit dat het OCMW haar cliënt uitvoerig informeert over de aard en de reden van de weigering en anderzijds dat een cliënt na benutting van bijstandsrecht en hoorrecht vlotter de beslissing erkent. 2.9.3.4 Beroepen t.o.v. beslissingen Tab.39. Aantal beroepen bij Arbeidsrechtbank versus aantal beslissingen (alle types) Code cijfers # OCMWs # beslissingen Evolutie in analyse 01/10/2001 tot 01/10/2002 tot in % 30/09/2002 30/09/2003 Totaal aantal beslissingen (alle types) (1) = A1001ALL / A1002ALL 48 124.486 135.803 9,1% Totaal aantal begunstigden financiële uitkering + activeringen (2) = V1T5+ATT+BTT / V1CT5 + CTT 48 20.969 21.224 1,2% Verhouding # beslissingen / # begunstigden = (1) / (2) 48 5,94 6,40 7,8% Vergelijken we dit aantal met het aantal beslissingen, dan stijgt de verhouding “aantal ingestelde beroepen t.o.v. aantal beslissingen” van 0,35% in de eerste periode naar 0,37% in de tweede periode. Met andere woorden, er wordt iets meer dan voorheen in beroep gegaan tegen een beslissing. Wel merken wij hierbij op dat de beschouwde beslissingen alle beslissingen betreffen. Dit is inclusief die beslissingen waartegen nooit beroep wordt aangetekend. De verhouding “aantal beroepen ten opzichte van aantal weigeringen” lijkt ons daarom zinvoller als maatstaf (zie vorige paragraaf).2.10 Budgettaire effecten2.10.1 Toelichting bij de vraag 2.10.1.1 Overzicht In deze vraag streven wij naar enig financieel inzicht inzake nettokosten per OCMW en inzake nettokasstromen. Natuurlijk wordt dit beperkt tot die kosten- enFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.60
  • opbrengsten- of uitgaven- en inkomstenposten die op een sluitende én transparante wijze gekoppeld kunnen worden aan bestaansminimum en leefloon. In vraag 10a proberen we de nettokost voor het OCMW van bestaansminimum en leefloon in een vergelijkbare periode te achterhalen. In principe is dit het verschil tussen enerzijds uitgekeerd bedrag (=uitgave) en anderzijds de som van reeds teruggevorderd en nog terugvorderbaar bedrag, ongeacht de instantie of persoon die de vordering moet invullen. In vraag 10b bevragen we een specifiek aantal ontvangststromen en uitgavenstromen, opnieuw beperkt tot deze die direct toewijsbaar zijn aan leefloon en bestaansminimum. Het betreft volgende ontvangstposten: − Basissubsidie bestaansminimum (2001) − Basissubsidie leefloon (2003) − Subsidies personeelskost (2003) − Subsidies jongeren Art.60 (2003) − Verhoogde subsidies studenten (2003) − Verhoogde subsidies vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister (2003) En volgende uitgavenposten: − Toekenning bestaansminimum (2001) − Toekenning leefloon (2003) − Verhoogde toewijzing voor categorie 3 alleenstaanden (2003) − Artikel 60 jonger dan 25 jaar (2003) 2.10.1.2 Detail per rubriek A. Totale nettokost bestaansminimum en leefloon − Totaal uitgekeerd bedrag aan bestaansminimum en leefloon: dit bedrag is het totaal van alle bedragen die door het OCMW werden uitgekeerd onder vorm bestaansminimum (2001) of leefloon (2003). − Totaal teruggevorderd bedrag van bestaanminimum (2001) en leefloon (2003) en dit van cliënten, onderhoudsplichtigen en derden, afgezien van de Belgische staat: dit bedrag zou in principe moeten overeenstemmen met het totale bedrag zoals besproken in vraag 4. − Totaal terugvorderbaar bedrag van de Belgische Staat voor bestaansminimum (2001) en leefloon (2003): dit bedrag is de totale som aan subsidies die de Belgische Staat verschuldigd is aan de OCMW’s. − Totaal teruggevorderd bedrag van de Belgische Staat voor bestaansminimum (2001) en leefloon (2003): dit bedrag omvat het deel van het terugvorderbare bedrag dat door de Belgische Staat reeds teruggestort werd aan de OCMW’s. B. Jaarlijks bedrag van ontvangsten en uitgaven voor bestaansminimum (2001) en leefloon (2003) ONTVANGSTEN − Basissubsidie bestaansminimum (2001): dit bedrag is het totale subsidiebedrag dat de OCMW’s ontvangen vanwege de Belgische Staat, op basis van het aantal bestaansminimumgerechtigden. − Basissubsidie leefloon (2003): dit bedrag is de basissubsidie dat de OCMW’s ontvangen van de Belgische Staat op basis van het aantal rechthebbenden, variërend van 50% tot 65% (Art.32 van de wet van 26 mei 2002). − Subsidies personeelskosten (onbestaand in 2001, enkel van toepassing voor de gevraagde periode 2003)Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.61
  • Dit bedrag impliceert de toelage dat aan het centrum wordt verleend als tegemoetkoming in de personeelskosten per dossier waarvoor het centrum een staatstoelage ontvangt naar aanleiding van de toekenning van een leefloon of een tewerkstelling. Deze toelage bedraagt EUR 250 op jaarbasis en wordt berekend in functie van het aantal dagen dat het centrum voormelde staatstoelage ontvangt (Art.40 van de wet van 26 mei 2002). − Subsidies jongeren Art.60 (niet als dusdanig bestaand in 2001, wel in periode 2003) Dit bedrag betreft de toelage die is verschuldigd door de Belgische Staat aan het centrum wanneer het optreedt in de hoedanigheid van werkgever in toepassing van Art.60 §7. Bij een voltijdse betrekking is het bedrag van de toelage gelijk aan het bedrag van het leefloon. De toelage blijft verschuldigd aan het centrum tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, zelfs als de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of indien hij zich in een andere gemeente vestigt. − Verhoogde subsidies studenten (niet bestaand in 2001, dus enkel van toepassing voor gevraagde periode 2003): dit bedrag heeft betrekking op de verhoging van de basissubsidie met 10% voor de OCMW’s die jongeren beneden de 25 jaar een leefloon toekennen terwijl zij een studie met voltijds leerplan aanvatten, hervatten of verder zetten. (Art.34 van de wet van 26 mei 2002) − Verhoogde subsidies vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister (enkel geldig voor gevraagde periode 2003, onbestaand in periode 2001): deze toelage bedraagt 100% van het bedrag van het leefloon voor een periode van maximum 5 jaar wanneer het wordt toegekend aan een rechthebbende ingeschreven in het vreemdelingenregister en dit tot de dag van zijn inschrijving in het bevolkingsregister. (Art.43 van de wet van 26 mei 2002) UITGAVEN − Toekenning bestaansminimum (2001): dit bedrag is het totale bedrag dat uitgekeerd wordt aan bestaansminimumgerechtigden − Toekenning leefloon (2003): dit bedrag is het bedrag van het leefloon dat uitgekeerd wordt zonder de uitkeringen voor alleenstaanden categorie 3 en zonder het bedrag dat uitgekeerd wordt aan Art.60 jonger dan 25. − Verhoogde toewijzing voor categorie 3 alleenstaanden (enkel van toepassing in bevragingsperiode 2003, niet 2001) Dit bedrag is de som die uitgekeerd wordt aan:  een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is ten aanzien van zijn kinderen, op grond van hetzij een rechterlijke beslissing, hetzij een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming en die het bewijs van de betaling hiervan levert;  een alleenstaand persoon die voor de helft van de tijd uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind dat hij ten zijnen laste heeft gedurende deze periode huisvest, hetzij meerdere kinderen huisvest, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige die hij ten zijnen laste heeft gedurende deze periode, in het kader van een afwisselend verblijf, vastgelegd bij gerechtelijke beslissing of bij overeenkomst, bedoeld in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. (Art.14 §1 3 van de wet van 26 mei 2002) − Art.60 jonger dan 25 jaar Dit is het bedrag dat uitgekeerd werd aan personen jonger dan 25 jaar die tewerkgesteld werden in het kader van Art.60 §7 van de organieke wet voor OCMW’s van 1976. Als dusdanig bestond deze uitkering zowel in de oude als in de nieuwe regelgevingFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.62
  • 2.10.2 Representativiteit van de antwoorden 2.10.2.1 Ingevulde gegevens Blijkbaar is dit een materie die alle OCMW’s sterk aanbelangt, vermits 77 van de 81 respondenten deze vraag invulden, althans de vragen met de grootste bedragen: uitgekeerd bedrag, teruggevorderde bedragen, terugvorderbare bedragen, basissubsidie leefloon en bestaansminimum, toekenning bestaansminimum en leefloon. Slechts een niet-representatief aantal OCMW’s gaf het detail op van de uitgaven voor Artikel 60 jonger dan 25 jaar (codes BU01A60 en BU03A60) en de uitgave voor “verhoogde toewijzing voor cat.3” (code BU03VTC). Ook de ontvangstrubrieken “subsidie personeelskosten” (BO03SP), “subsidie jongeren Art.60” (BO03SJ) en “verhoogde subsidies” (BO03VSS en BO03VSJ) werden slechts door een niet- representatief aantal OCMW’s in detail opgegeven. Tijdens de telefonische bevraging en tijdens de kwalitatieve interviews bij OCMW’s die deze detailrubrieken niet opgaven, werd ons echter opgemerkt dat de bedragen voor deze detailrubrieken onderdeel waren van het bedrag opgenomen in de hoofdrubriek. Zo bevat de hoofdrubrieken “toekenning bestaansminimum” (BU01TB) en “toekenning leefloon” (BU03TL) bij deze OCMW’s het detail van uitgave “artikel 60 jonger dan 25 jaar” en van “verhoogde toewijzing categorie 3”, en bevat de rubriek “basissubsidie leefloon” (BO03BL) de sommen van “subsidie personeelskosten”, “subsidie jongeren Art.60” en “verhoogde subsidies”. Daarom hebben wij in de verwerking alle details van ontvangsten en uitgaven gegroepeerd op niveau van de basissubsidies respectievelijk toekenningen. 2.10.2.2 Terugvorderbaar versus teruggevorderd Tenslotte dienen wij op te merken dat de respondenten de begrippen “terugvorderbaar” en “teruggevorderd” niet uniform geïnterpreteerd hebben, en dit vooral in de periode m.b.t. het bestaansminimum en veel minder frequent voor de periode m.b.t. het leefloon. Voor het merendeel der OCMW’s zijn de rubrieken terugvorderbaar (bv. 150 EUR)en teruggevorderd (bv. 100 EUR) onderling optelbaar tot een nieuwe som (bv. 250 EUR). Bij deze OCMW’s wordt “terugvorderbaar” geïnterpreteerd als “nog openstaand”. Uit de detailanalyse en de gesprekken bleek echter dat voor sommigen de rubriek “terugvorderbaar ” niet het nu nog openstaande deel bevat, maar wel het oorspronkelijk openstaande bedrag, m.a.w. in ons cijfervoorbeeld 250 EUR. En waarbij het begrip “teruggevorderd” dat deel bevat van het oorspronkelijk openstaande dat reeds ontvangen werd. Tenslotte bleken een beperkt aantal OCMW’s een hoger bedrag aan teruggevorderd respectievelijk terugvorderbaar respectievelijk de som van beiden te kennen dat ze opgaven in de rubriek “totaal uitgekeerd bedrag”… Daarom werden de opgegeven bedragen voor de belangrijkste rubrieken (teruggevorderd, terugvorderbaar, basissubsidie, toekenning) vergeleken met de bedragen die voor deze rubrieken binnen de POD gekend zijn. Dit teneinde de meest frappante afwijkingen en de meest tegendraadse evoluties op basis van een onderlinge vergelijking van beide gegevensbronnen te identificeren. Dit liet ons toe om een aantal OCMW’s opnieuw te contacteren met de bede voor correctie dan wel validatie van de door hen aan ons opgeleverde informatie. De vaststelling dat de som van de gegevens van de 77 OCMW’s voor de rubriek ‘terugvorderbaar’ voor 99% overeenstemde met de som voor de rubriek ‘teruggevorderd’ voor de bestaansminimumperiode, deed ons besluiten om deze rubrieken geenszins samen te voegen. Verder dienden wij vast te stellen dat een niet-representatief aantal OCMW’s de rubriek ‘totaal teruggevorderd vanwege cliënten, onderhoudsplichtigen, …’ ingevuld had, en dat bovendien bij zij die het invulden slechts in 47% de opgegeven bedragen overeenstemden met de som van de opgegeven bedragen voor vraag 4.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.63
  • 2.10.2.3 Besluit: uitgevoerde analyses Ondanks bovenstaande kanttekeningen hebben wij hiernavolgend die analyses opgenomen die o.i. wel representatief zijn, zij het dat wij aandringen om de hiernavolgende analyses met de nodige omzichtigheid te interpreteren gezien de cijfers niet geauditeerd zijn.2.10.3 Analyse gegevens Tab.40. Evolutie van budgettaire gegevens (totale ontvangsten en totale uitgaven) tussen 2001 en 2003, in EUR Code cijfers # OCMWs EUR Evolutie in analyse 2001 2003 in % Totaal ontvangsten OCMWs (1) = BO01T / BO03T 77 125.541.788 177.987.223 41,8% Totaal uitgaven OCMWs (1) = BU01T / BU03T 77 184.153.118 234.183.944 27,2% Dekking van de uitgaven door de ontvangsten (in % van de uitgaven) = (1) / (2) 77 68% 76% 11,5% De evolutie tussen 2001 en 2003 vertoont een zeer belangrijke stijging, en dit zowel in ontvangsten als in uitgaven. Zij het dat de ontvangsten meer gestegen zijn dan de uitgaven. Bemerk echter dat de evolutie over 3 kalenderjaren loopt: 2001, 2002 en 2003! Bij de invoegetreding van de nieuwe regelgeving zijn een aantal nieuwe financiële tegemoetkomingen vanwege de federale overheid aan de OCMW’s doorgevoerd: subsidie personeelskosten, subsidie jongeren, subsidie studenten, subsidie vreemdelingen (50% subsidie in 2001 versus 60% in 2003, zij het dat dit enkel geldt voor de grote OCMW’s), verhoging leefloon met 4%. Tenslotte merken we op dat de zwaar belaste OCMW’s relatief meer vertegenwoordigd zijn in onze steekproef dan in de nationale populatie (zie p.29, §1.2.4), wat dan weer zijn impact heeft op bovenstaande financiële gegevens. Immers, de Staat verleent aan alle OCMW’s in principe een toelage van 50% van het bedrag van het leefloon. Deze toelage wordt verhoogd tot 60% resp. 65% van het bedrag van het leefloon voor het centrum dat in de loop van het voorlaatste jaar maandelijks gemiddeld aan tenminste 500 resp. 1.000 rechthebbenden een leefloon heeft toegekend. Tijdens de kwalitatieve interviews bleek in globo een positieve waardering voor de initiatieven vanwege de federale overheid om o.m. een extra tegemoetkoming te koppelen aan de dossier-load (=werking OCMW) en aan bepaalde doelgroepen (= begunstigden). Wel merken wij op dat wij geen kwalitatieve interviews gevoerd hebben met de financiële afdeling van OCMW’s (ontvangerij) omdat dit buiten de scope van het onderzoek viel.2.11 Samenwerking met partners2.11.1 Toelichting bij vraag 11 Via deze open vraag wensten wij een eerste indicatie te bekomen van de partners waarmee een OCMW samenwerkt voor activering van begunstigden dan wel voor inschakeling van begunstigden in individuele projecten. Bij wijze van voorbeeld worden VDAB, FOREM, werkwinkels, … geciteerd.2.11.2 Representativiteit van de antwoorden Wat te verwachten viel met dergelijke open vraag, is de vaststelling dat sommige OCMW’s hiervan geen gebruik maakten, anderen (42%) van de steekproef een summiere dan wel uitgebreide lijst van partners vermeldden. Qua statistische relevantie is deze vraag dus niet representatief.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.64
  • 2.11.3 Analyse gegevens Ondanks het feit dat de respons op zich statistisch niet relevant was, boden de antwoorden een eerste waardevol inzicht in de samenwerkingsverbanden van OCMW’s met andere stakeholders. Wij behandelden deze materie diepgaand tijdens de bespreking van de resultaten uit de kwalitatieve interviews (zie §1.6onder, blz.75).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.65
  • 4. ONDERZOEKS- RESULTATEN : KWALITATIEVE ANALYSEONDERZOEKSRESULTATEN:KWALITATIEVE ANALYSE P.66
  • 1. Bevraging van OCMW-voorzitters en OCMW-medewerkers1.1 Inleiding De doelstelling van de kwalitatieve bevraging was om na te gaan in hoeverre de letter van de wet overeenstemt met de geest van de wet. Met andere woorden, in hoeverre de wet toegepast wordt in de praktijk en waar er eventuele knelpunten opduiken. Hiervoor hebben we deze bevraging uitgevoerd bij de actoren die dagelijks met de wet te maken hebben, namelijk voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker van de deelnemende OCMW’s, én met begunstigden. Er werden vier verschillende vragenlijsten opgesteld: − Eén voor de begunstigden die totaal verschillend is van deze voor de voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker; − Eén aangepaste vragenlijst per type functiehouder: offschoon de drie vragenlijsten voor voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker overwegend dezelfde vragen bevatten, vertonen zij een beperkt aantal verschillen. De vragenlijsten zelf vindt u in bijlage (p.121). De voorzitter, secretaris en maatschappelijk werker werden individueel bevraagd door één of twee van onze medewerkers. De interviews verliepen volgens de vragenlijst die wij hen enkele dagen op voorhand via het OCMW hadden bezorgd. Dit liet de te interviewen functiehouder toe om zich op basis van zijn functiegebonden vragenlijst voor te bereiden. Hierbij merken we op dat deze vragenlijst niet altijd strikt gevolgd werd. De ene functiehouder verkoos om de vragenlijst strikt te volgen, terwijl andere functiehouders een minder strikte interviewmethodiek verkozen. Tevens hebben wij naargelang het interview bijkomende vragen gesteld wanneer we dit nodig achtten. Deze vragen hadden overwegend betrekking op de eerder opgeleverde resultaten van de kwantitatieve bevraging, en lieten ons enerzijds toe om de betrokkenheid van de geïnterviewde te toetsen aan het cijfermateriaal en anderzijds om het cijfermateriaal te vervolledigen. Zoals reeds aangehaald hebben wij ook een toereikend aantal begunstigden geïnterviewd. De begunstigden werden op basis van door Ernst & Young opgegeven criteria door de maatschappelijk werker uitgenodigd en werden in alle anonimiteit door één of twee van onze medewerkers geïnterviewd. In de kwalitatieve bevraging werden uiteindelijk individuele interviews afgenomen ter plaatse bij 48 OCMW’s van de 81 respondenten uit de kwantitatieve bevraging. Dit betekent dat wij in 40% van de 120 aangeschreven OCMW’s of in 8,1% van de totale OCMW-populatie (589 OCMW’s) individuele interviews ter plaatse hielden. In 22 OCMW’s vonden individuele interviews plaats met de voorzitter, de secretaris en een maatschappelijk werker, evenals met de gebruikers. In de overblijvende 26 OCMW’s vonden enkel individuele interviews met de professionelen plaats. In totaal hebben wij interviews uitgevoerd met: − 149 professionelen, namelijk 47 voorzitters, 47 secretarissen en 55 maatschappelijk werkers − en 110 gebruikers.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.67
  • 1.2 Algemene perceptie over de nieuwe wetgeving1.2.1 Het recht op maatschappelijke intergatie De wet van 26 mei 2002 wordt begrepen als een wet die een “proactieve” geest wil ontwikkelen bij de begunstigden en die de OCMW’s wil responsabiliseren in hun rol in het proces van integratie. Men ziet integratie vooral als het zoeken naar een tewerkstelling. 73% van de OCMW’s geven te kennen dat ze de filosofie van de RMI-wetgeving inzake tewerkstelling en integratie al in grote lijnen hanteerden vóór de invoering ervan. De invoering van de RMI-wet was volgens hen voor die OCMW’s vaak een formalisering van een reeds gehanteerde werkwijze. Deze vaststelling komt sterk overeen met de resultaten van de kwantitatieve enquête. Alle OCMW’s die hebben geantwoord hebben inderdaad aangegeven dat zij reeds ten tijde van de bestaansmininimumwet reeds kozen voor de activering van hun begunstigden en in mindere mate voor de integratie via geïndividualiseerde projecten(zie A en A, blz. 41 en 46). Men kan dus uit deze cijfers afleiden dat het merendeel van de respondenten reeds vóór de nieuwe wetgeving de sociale integratie via tewerkstelling aanmoedigden. Wel moeten o.i. hieraan de volgende vaststellingen gekoppeld worden, zoniet minimaliseert men het positief effect van de nieuwe wet. Ten eerste hebben wij in het kwantitatieve luik van deze studie vastgelegd dat: − het aandeel van het aantal geactiveerden in de totale begunstigden-populatie groeide tussen 30/9/2002 en 30/9/2003 met 12,5% (zie A), − het aandeel van het aantal rechthebbenden met een integratieproject in de totale leefloonpopulatie groeide tijdens dezelfde periode met 34,8% (zie A), en deze groei situeerde zich bij zowel min-25jarigen als plus-25 jarigen (zie C,p.48), − de aangroei van min-25 jarigen met een integratieproject situeert zich meer in de andere integratievormen dan in het loutere “student”-project (zie C). Bovendien bleek uit de kwalitatieve interviews dat OCMW’s momenteel actiever op het vlak van integratie of activering zijn geworden, destemeer zij die hier voorheen weinig aandacht aan besteedden. Men kan dus stellen dat de wet in haar opzet van een gegarandeerd recht op activering en integratie geslaagd is omdat ze het effectieve gebruik van die maatregelen versterkt heeft. De wet is er bovendien in geslaagd om de visie te veralgemenen. Alle gesprekspartners signaleerden dat integratie onder de oude wetgeving facultatief was qua einddatum en qua resultaatverbintenis, terwijl het sinds de nieuwe regelgeving zowel qua doorlooptijd als qua resultaatsverbintenis een verplichtend karakter heeft (althans ten aanzien van min-25jarigen). De meningen over de accentuering van activering en tewerkstelling waren verdeeld. Elke gesprekspartner was van oordeel dat tewerkstelling een zeer goed beginsel is van maatschappelijke integratie, zij het niet het enige. Doch de plicht om binnen 3 maand tot een dergelijk project te komen (voor min 25 jarigen) kon op heel wat minder bijval rekenen (zie verder, paragraaf 1.3.2).1.2.2 Financiële aspecten Een meerderheid van de voorzitters (75%), van de maatschappelijk werkers (90%) en vooral van de secretarissen (95%) kent één of meerdere van de nieuwe subsidiemogelijkheden die de federale overheid gecreëerd heeft naar aanleiding van de invoering van de leefloonwet. Terwijl maatschappelijk werkers zich overwegend onthouden op de vraag naar de kostendekking van deze subsidies, wegens gebrek aan inzage in financiële cijfers, mochten wij geen secretaris ontmoeten die de subsidiebedragen toereikend vond. Voorzitters zagen deze subsidiemaatregelen als “één van de inkomstenstromen”.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.68
  • Het financiële verhaal was minder tot niet aan onze gesprekspartners besteed. Niemand kon bij benadering de jaarlijkse uitgave van het eigen OCMW aan leefloonmaatregelen opgeven, en iedereen aan wie de vraag voorgelegd werd, aanvaardde de gegevens van vraag 10 uit het kwantitatief onderzoek zonder verdere correctie-initiatieven. Ook al klinkt voorgaand statement hard en ietwat negatief, toch willen wij opmerken dat deze vaststelling o.i. ook relatief logisch is: wij confronteerden onze gesprekspartners met cijfermateriaal dat op het ogenblik van het interview reeds minstens 6 maand was (financiële data per eind 2003), en zelfs anderhalf jaar oud was (financiële data per eind 2002).1.2.3 Toepassing van de wet Globaal genomen zijn alle respondenten goed gemotiveerd om de nieuwe wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie toe te passen. De meerderheid hanteert daarbij een goed evenwicht tussen humanisme en realisme. De kennis van de regelgeving is in globo goed, zij het dat omzeggens alle maatschappelijk werkers beter de details ervan kennen dan voorzitters en secretarissen. De voorzitters en secretarissen die op een aantal aspecten het antwoord schuldig bleven, merkten echter –o.i. terecht – op dat het niet hun taak is om alle details te kennen, temeer daar dit volgens hen tot het dagelijkse takenpakket van de maatschappelijk werkers behoort. Wel kennen zij vrijwel altijd de belangrijkste vernieuwingen, zoals de individualisering van het recht en de verplichting om voor jongeren onder de 25 jaar binnen de drie maanden een tewerkstelling of geïndividualiseerd project te starten. De voorzitters vertrouwen de uitvoering van de wet hoofdzakelijk toe aan de maatschappelijk werkers. Dit is los van de grootte of belasting van het OCMW. Het hangt af van persoon tot persoon of men al dan niet detailkennis heeft van deze nieuwe wet. Zeker in kleine en middelgrote OCMW’s blijken de maatschappelijk werkers de personen te zijn die instaan voor de interpretatie van de wettekst en haar toepassing in de dagelijkse praktijk Wel wordt door 73% van alle ondervraagde maatschappelijke werkers opgemerkt dat zij in het begin te weinig voorbereiding en zeker te weinig opleiding in de diverse artikels van de wet kregen, wat dan weer tot interpretatieproblemen leidde en leidt. Tevens is 65% van de maatschappelijk werkers van oordeel dat er een nood blijft bestaan aan continue bijscholing & informatieverstrekking, zodat zij steeds de wetwijzigingen of wetsverduidelijkingen juist begrijpen en toepassen. Omzeggens alle gesprekspartners hopen dat de toekomstige kruispuntdatabank de sociale dienst zal toelaten om veel administratieve tijd te besparen in het behandelen van RMI-dossiers. De meerderheid geeft dit initiatief het voordeel van de twijfel. De formalisering van de contracten en de individualisering van de rechten zorgen volgens de maatschappelijk werkers voor een groei van het administratieve werkvolume. De maatschappelijk werkers benadrukken dat men soms de tijd, nodig om een persoonlijke relatie, een vertrouwensrelatie met de gebruikers op te bouwen, moet opofferen. Zo blijkt dat 53% van de ondervraagden meent dat het formalisme teweeggebracht door de nieuwe wet ten koste gaat van de relatie met de begunstigde; 47% heeft hierover geen commentaar geleverd, terwijl niemand expliciet het tegenovergestelde beweerde. Een beperkte minderheid van de geïnterviewde voorzitters (20%) en secretarissen, en ongeveer de helft van de maatschappelijk werkers (55%) merkt spontaan op dat de nieuwe regelgeving op zich niet het enige instrument is, kan zijn en mag zijn als instrument tegen armoedebestrijding. Er dient ook gewerkt te worden aan betaalbare huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, enz.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.69
  • 1.3 Categorieën van rechthebbenden1.3.1 Algemene opmerkingen Alle geïnterviewden zijn het erover eens dat de creatie van de nieuwe categorieën van rechthebbenden in globo een verbetering is. De overgrote meerderheid (met uitzondering van circa 10% van de maatschappelijk werkers) vindt het een pluspunt dat rekening gehouden werd met de evolutie qua gezinssamenstelling (samenwonenden, co-ouderschap, individualisering van gehuwde partners). Diegene met opmerkingen inzake categorieën vonden de individualisering van gehuwden geen relevante verbetering. Ook het feit dat vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en voorheen genietend van sociale hulp, sinds de nieuwe regelgeving als “volwaardige burgers” worden beschouwd, leidde nauwelijks tot negatieve opmerkingen tijdens de interviews. Zij het dat deze wetswijziging volgens het gros der gesprekspartners niets meer was dan een beperkte wijziging aan de reeds bestaande regelgeving (bestaansminimum). Een meerderheid van de maatschappelijk werkers merkt op dat vooral in de beginfase de ontdubbeling van bepaalde dossiers een belangrijke werklast veroorzaakte. Indien gevraagd naar de actuele dagelijkse situatie, zijn zij van oordeel dat de dossier-ontdubbeling in de huidige werking geen onoverkomelijke extra administratieve last veroorzaakt. Die vaststelling hangt echter af van de grootte van de OCMW.In de kleinere OCMW’s is inderdaad een meerderheid van de maatschappelijk werkers van oordeel dat hun begeleidingstaak steeds meer onder druk komt te staan door een veelheid aan administratieve taken. In de grotere OCMW’s werd dit minder frequent opgemerkt, en verwees men naar de beschikbaarheid van (een) administratieve medewerker(s). Tevens bleken 70% van de middelgrote en grote OCMW’s hun sociale dienst gestructureerd te hebben volgens het principe: intake maatschappelijk werker  begeleidings-maatschappelijk werker  integratie- of werkbemiddelingscel. Bij kleinere OCMW’s was deze situatie minder voorkomend (55% signaleerde dat ze niet over deze organisatievorm beschikken). De OCMW’s waarin maatschappelijk werkers van oordeel waren dat de administratieve taken te sterk toegenomen waren sinds de leefloonwet, bleken overwegend OCMW’s te zijn die voorheen minder via gestandaardiseerde methodieken werkten. Alle geïnterviewde maatschappelijk werkers menen dat de wet nu meer duidelijkheid biedt over welke bestaansmiddelen in aanmerking moeten worden genomen. Wel is 45% van de geïnterviewde maatschappelijk werkers van oordeel dat de berekening tijdrovender is geworden, en dit voor de categorie “co-ouderschap” en de doelgroep studenten. Negatieve opmerkingen inzake de nieuwe categorieën kwamen niet van voorzitters of secretarissen, wel van circa 22% van de maatschappelijk werkers. De opmerkingen hadden betrekking op de berekening van de bestaansmiddelen en op deelaspecten van categorieën, en waren: − De categorie samenwonenden is financieel minder aantrekkelijk dan voorheen. Volgens hen worden samenwonenden financieel benadeeld ten opzichte van alleenstaanden. Zij beschouwden dit als negatief, vermits zij van oordeel waren dat samenwonen ook armoede tegen gaat: de ene begunstigde vindt kracht en steun bij de andere begunstigde, en deelt niet enkel kosten maar ook leed. (Door de aanpassing van de categorieën is dit probleem nu reeds opgelost.) − Voor het bepalen van de categorieën houdt de wet geen rekening met het aantal kinderen ten laste. Wij merken hierbij op dat dit op zich niet onlogisch is: leefloon is een inkomen, qua principe vergelijkbaar met een wedde. En eenFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.70
  • weddetrekker krijgt een vast bedrag aan kinderbijslag ongeacht zijn inkomen, maar ziet evenmin zijn wedde evolueren in functie van het aantal kinderen. − Bij personen die onderhoudsgeld betalen is het te betalen onderhoudsgeld vaak hoger dan het verschil in bedrag tussen deze categorie en de categorie alleenstaande. − Voor personen met co-ouderschap, moet de verblijfsregeling effectief voor de helft van de tijd zijn. Hun inziens zou ook rekening gehouden moeten worden met de feitelijke situatie en in mindere mate met de juridische zoals omschreven in een vonnis of een arrest. Wij merken hierbij op dat de oorspronkelijke categorieën ondertussen achterhaald zijn: deze categorieën werden vanaf 27 februari 2004 gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 en worden nogmaals gewijzigd vanaf 1 januari 2005. In hoeverre de wijzigingen aan de categorieën een aantal van de hierboven geciteerde knelpunten verholpen hebben, hebben wij tijdens onze bevraging niet kunnen achterhalen. De echte kansarmen blijven volgens 65% van de maatschappelijk werkers uit de boot vallen. Immers, wegens werkoverlast én wegens prioriteiten wordt minder aandacht besteed aan de integratie van hen die ouder dan 25 jaar zijn en te weinig over de fysische, psychische of intellectuele mogelijkheden beschikken om tewerkgesteld te worden. In dit verband werd een aantal keren gewezen op een tekort aan beschikbare, nog vrije tewerkstellingsmogelijkheden in sociale werkplaatsen. Zowel in stedelijke als in landelijke OCMW’s vrezen voorzitters en secretarissen (zij het beperkt tot circa 30%) en maatschappelijk werkers (43%) dat de drempelvrees voor bepaalde potentiële rechthebbenden om op eigen initiatief de eerste stap naar het OCMW te zetten, hoog is gebleven, en dit vooral uit psychologische motieven. Dit werd vooral aangehaald voor oudere mensen (bejaarden), en nooit voor jongeren beneden 25 jaar, vreemdelingen (al dan niet ingeschreven in het bevolkingsregister) of voor studenten. Laatstgenoemde doelgroepen hebben hun inziens duidelijk minder ‘drempelvrees’ en stappen snel zelf naar het OCMW om steun te krijgen. Ze zijn duidelijk goed op de hoogte van hun rechten, maar sommigen onder hen (in het bijzonder de jongeren) schrikken wanneer men hen van de bijhorende verplichtingen (geïndividualiseerd project, tewerkstelling,…) op de hoogte brengt.1.3.2 Categorieën jongeren en studenten 1.3.2.1 Leeftijdsgrens: 25 jaar Zowel OCMW-voorzitters, secretarissen als maatschappelijk werkers zijn het er over eens dat het goed is dat de doelgroep van jongeren sinds de nieuwe wetgeving voorrang krijgt qua begeleiding naar tewerkstelling. 72% van de OCMW’s vindt echter dat de leeftijdsgrens van 25 jaar té artificieel én te strikt is. Wij hoorden frequent suggesties om deze leeftijdsgrens af te schaffen en het aan de maatschappelijk werkers over te laten om te bepalen of een rechthebbende tot de “prioritaire categorie” behoort of niet. Veelal wordt de opmerking gemaakt dat er moet gekeken worden naar de capaciteiten van de aanvrager, ongeacht de leeftijd. Nochtans blijkt uit de kwantitatieve bevraging dat men in de praktijk wel een onderscheid maakt tussen integratieprojecten en activering van min-25jarigen versus plus-25jarigen. Zo blijkt uit C (p.48) dat het aantal integratieprojecten voor plus- 25jarigen heel klein is ten opzichte van dit voor min-25jarigen (168 vs. 4.128). Een meerderheid van de respondenten schreef dit toe aan: − Het feit dat alle taken van de sociale dienst, en in het bijzonder deze voor de begeleiding en administratie rond tewerkstelling en integratie van min-25jarigen, dermate veel tijd vergen dat er te weinig tijd overblijft om voldoende te investeren in begeleiding van plus-25jarigen qua tewerkstelling en integratieprojecten.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.71
  • − Het tekort aan mogelijkheden in de eigen regio om behalve voor min-25jarigen ook nog voldoende tewerkstellingsmogelijkheden te vinden voor plus-25jarigen. Een kwart van de ondervraagde secretarissen schreef dit eveneens toe aan het feit dat het OCMW middels subsidies (ten dele) vergoed wordt voor de tijdsinvestering in begeleiding naar tewerkstelling en integratie van min-25jarigen, doch geen dergelijke subsidie krijgt voor tewerkstellingsbegeleiding van plus-25jarigen. Anderzijds stelden wij vast dat zowel voorzitters, secretarissen als maatschappelijk werkers – in dit laatste geval soms door dezelfde personen als in voorgaand gedachtenstreepje – menen dat de ‘dwang’ die de wet met deze leeftijdsgrens oplegt, toch ook wel nodig is. Enkel zo kan bekomen worden dat een bepaalde doelgroep effectief een prioriteit krijgt m.b.t. maatschappelijke integratie. Dit teneinde te voorkomen dat ze “levenslang” in de armoedespiraal vertoeven. 1.3.2.2 Studenten 70% van de grote en middelgrote OCMW’s klagen over het grote aantal studenten en potentiële studenten dat soms terecht, soms onterecht een leefloon aanvraagt. De “onterechte” aanvragers creëren extra administratie en nemen tijd die aan andere cliënten vruchtbaarder besteed kan worden. Immers, een niet gespecificeerd aantal onder deze aanvragers blijkt af te haken na een eerste informatief gesprek. Wat de “terechte” aanvragers betreft, zijn diverse gesprekspartners van oordeel dat het niet de taak van het OCMW is om studies te bekostigen, maar dit behoort tot de opdracht van regionale en/of communautaire diensten zoals Onderwijs. Alternatieve bedenkingen concentreerden zich op het verstrekken van leefloon-leningen, die na het behalen van diploma en na tewerkstelling via fiscale maatregelen in jaarlijkse schijven terugbetaald worden aan het OCMW. De invulling van de notie “student met voltijds leerplan” is voor sommige OCMW’s problematisch. Zoals: wat met aanvragen van personen die willen gaan studeren, maar op het moment van hun aanvraag nog niet ingeschreven zijn aan een onderwijsinstelling. Ook de territoriale bevoegdheid inzake studenten is voor een aantal gesprekspartners (maatschappelijk werkers) onduidelijk. Volledigheidshalve merken wij op dat de POD kort na onze interviewronde, meer bepaald in augustus 2004, een verduidelijkende omzendbrief aan alle OCMW-voorzitters verstuurd heeft die specifiek de interpretatie van de diverse aspecten van de regelgeving inzake “studenten en het recht op leefloon” behandelde. Volgens onze gesprekspartners waren er in de aanvangsfase van de wet veel meer aanvragen door studenten dan voorheen. Maar dit aantal is sindsdien opnieuw opmerkelijk gedaald eenmaal het OCMW de voorwaarden had uitgelegd en eenmaal duidelijk werd dat zeker niet iedere student recht heeft op een leefloon. Het struikelblok voor velen is het sociaal onderzoek en de terugvordering op het thuisfront. De categorie “min-25 jarigen” bevat heel verschillende profielen, wat volgens de ondervraagde maatschappelijk werkers hun taak en het realiseren van zinvolle integratieprojecten en/of tewerkstellingsprojecten geenszins vereenvoudigt. De OCMW’s willen ageren als verantwoordelijke ouders. Dit is vooral aan de orde wanneer studenten falen en de vraag gesteld wordt of men toelaat om het studiejaar over te doen. De situatie van een jongere die uit zijn familiale context wil stappen omdat hij ze als “bedreigend” ervaart, is dan weer gans anders. De hoofdambitie hier is om onafhankelijkheid te verwerven vanaf het moment dat men de meerderjarigheid bereikt. Deze doelgroep vormt volgens de maatschappelijk werkers de echte moeilijkheid. Enerrzijds moet men voorkomen dat hun onafhankelijkheid ten opzichte van het gezin zich niet gedurende langere tijd vertaalt in een afhankelijkheid ten opzichte van de maatschappij, en moet daarom een echt integratieproject opgesteld worden. Anderzijds betreft het vaak revolterende individuen.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.72
  • 1.3.2.3 De periode van 3 maanden De wetgever geeft aan OCMW’s een periode van 3 maanden om werk te maken van begeleiding van leefloongerechtigde jongeren (<25 jaar) op weg naar professionele integratie. Dit neemt niet weg dat 74% van de OCMW’s de maximale termijn van drie maanden om voor jongeren onder de 25 jaar een aangepaste tewerkstelling of een geïndividualiseerd project op te starten, als een probleem ervaren. Vooral de maatschappelijk werkers gaven aan dat er bij de intake van een nieuwe cliënt vaak reeds een maand besteed wordt aan kennismaking en aan onderzoek van de capaciteiten van de cliënt in functie tot een tewerkstelling of geïndividualiseerd project. Verder sluipen er in vele OCMW’s vaak enkele weken tussen datum van aanvraag en de beslissing van de raad. Tenslotte wordt opgemerkt dat het vinden van een aangepaste tewerkstelling in een “verplichte” doorlooptijd niet evident is. Wat onduidelijk blijft voor veel maatschappelijk werkers in de wet van 26 mei 2002 is welke soort verbintenis gerealiseerd moet worden in de periode van 3 maanden. Gaat het over een “middelenverbintenis” of over een “resultaatsverbintenis”? Uit de interviews bleek dat zowel voorzitters, secretarissen als maatschappelijk werkers de wet anders interpreteren naargelang het OCMW. Sommige OCMW’s vinden het ondoenbaar (de enge interpretators), anderen opteren voor de ruimere interpretatie maar stellen er dan weer geen alternatieve doorlooptijd tegenover. Wel wensen wij op te merken dat de leefloonwet o.i. een ruime interpretatie toelaat van wat gedurende de eerste 3 maanden moet gebeuren (trajectbegeleiding versus jobverschaffing). De Raad van State -en voor haar het Arbitragehof - geeft bovendien in haar arrest 5/2004 van 14 januari 2004 aan dat het een middelenverbintenis betreft. Uit de kwantitatieve bevraging komt de problematiek van de haalbaarheid of onhaalbaarheid van de bewuste 3 maanden niet naar boven.1.3.3 Categorie “vreemdelingen ingeschreven in bevolkingsregister” 43% van de geconsulteerde OCMW’s benadrukken dat deze wijziging voor hen eerder een kwestie van terminologie is dan iets anders. Volgens de maatschappelijk werkers is de impact op hun werk zwak. 24% vindt dit een wezenlijke verandering gaat en 33% spreekt zich hierover niet uit. Deze antwoorden zijn niet echt verbazingwekkend: ook al betekent het feit dat deze doelgroep door de nieuwe wet nu wel beschouwd wordt als een doelgroep evenwaardig aan de Belgen - wat toch een aanzienlijke verandering is ten opzichte van vroeger -, het is een feit dat dit voor de maatschappelijk assistenten geen wezenlijke werkverandering teweegbracht. Wij merken hierbij volledigheidshalve op dat, indien financiële steun aan deze doelgroep moet verleend worden, het actuele systeem toelaat om hogere tegemoetkomingen van federale afkomst te verwerven. Verder mochten wij vaststellen dat het voor de meerderheid der sociale assistenten en voorzitters tijdens de interviews niet evident was om het onderscheid qua wettelijke implicaties en qua OCMW-taakimplicaties tussen EU- en niet-EU- vreemdelingen te duiden. Tenslotte werd door een meerderheid van de geïnterviewden aangegeven dat integratie van vreemdelingen niet bekomen wordt door alleen maar een leefloon of financiële steun, al dan niet aangevuld met een arbeidsproject. Concrete maatregelen zoals aangepaste vorming, taallessen, stimuleren van deelname aan verenigingsleven, … worden als even noodzakelijk gezien.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.73
  • 1.4 Individualisering van het recht Over de individualisering van het recht zijn de meningen overwegend positief. Voorstanders van de individualisering (79% van alle gesprekspartners in de OCMW’s, met voorzitters en maatschappelijk assistenten als grootste groep voorstanders) vinden het emancipatieaspect ervan zeer belangrijk, alsook het feit dat de individualisering het OCMW de mogelijkheid geeft om zowel elk individu afzonderlijk te begeleiden in zijn/haar integratie. Een aantal onder de voorstanders merkte tevens op dat de individualisering de mogelijkheid biedt om een individu te sanctioneren zonder hierbij de overige gezinsleden te straffen. Tegenstanders (33% van de secretarissen en 10% van de maatschappelijk werkers) wijzen dan weer op het extra administratieve werk dat de individualisering met zich meebrengt (zij het vooral in de aanvangsfase, wanneer de bestaande dossiers van gehuwden ontdubbeld dienden te worden), alsook op het feit dat voor één familie nu meerdere dossiers voor de raad moeten komen, wat moeilijkheden in het behouden van de coherentie in dossiers qua kan veroorzaken. In deze context werd ook verwezen naar de diversiteit van het sociaal onderzoek, dat nu meer dan vroeger als een verplicht instrument wordt ervaren. Met dien verstande dat alle respondenten het ook als een noodzakelijk instrument beschouwden. Wanneer we dieper ingingen op deze materie, bleek de administratieve “extra” workload op zich nog mee te vallen, maar werd door een meerderheid van de maatschappelijk werkers gewezen op het feit dat de aard van de hulpverlening complexer wordt: volgens hen werd vroeger vaker één vorm van hulpverlening geboden om een bepaalde probleemsituatie op te lossen (bv. huurwaarborg, of bestaansminimum, of …), terwijl nu meer dan vroeger de oplossing divers is, namelijk meerdere vormen van hulpverlening in één dossier: huurwaarborg én leefloon én budgetbegeleiding én integratieproject of tewerkstelling, psychosociale begeleiding, enz. Weinig gesprekspartners merkten spontaan op dat sinds de nieuwe leefloonwet de administratieve inspanningen per dossier gesubsidieerd werden (tegemoetkoming in personeelskosten), net zoals de extra subsidies voor andere doelgroepen (jongeren Art.60§7, studenten, vreemdelingen) omzeggens nooit spontaan werden aangehaald. Eenmaal wij ze aankaartten, bleken ze vooral bij secretarissen volledig of ten dele gekend te zijn. Wij verwijzen naar het kwantitatieve deel voor een indicatie van het belang van deze nieuwe tegemoetkomingen.1.5 Communicatie en publiciteit van de nieuwe wet Het gros der OCMW’s heeft zware kritiek op de manier waarop de massacommunicatie rond de tekst van 2002 verliep: de communicatie bracht blijkbaar de opvatting teweeg dat men in globo enkel rechten had, en geen plichten, en dat de leefloongerechtigden van minder dan 25 jaar een subjectief recht op tewerkstelling verwierven. Vooral de maatschappelijk werkers en secretarissen vinden de wijze waarop het leefloon en de bijhorende wet betreffende het recht op maatschappelijk integratie tot nu toe naar het grote publiek werd gepromoot, weinig doeltreffend. Vooreerst merken ze op dat de communicatie beperkt bleef tot de eerste maanden van de invoegetreding van de nieuwe wet. Maar vooral zijn zij kritisch tegenover de inhoud van de lanceringcampagne: zij menen dat de publiciteit hierrond tot nu toe vaak verkeerde verwachtingen schept bij potentiële rechthebbenden in de zin dat:Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.74
  • − zij menen dat het OCMW hen onvoorwaardelijk financiële middelen zal verschaffen, terwijl in sommige situaties er betere manieren van hulpverlening zijn (vb. budgetbeheer). − het een recht is, zonder expliciete toetredingsvoorwaarden en zonder plichten. Volgens de maatschappelijk werkers zou de communicatiestrategie er beter op gericht zijn om het OCMW te profileren als een hulporganisatie waar de cliënt na één of meerdere intake gesprekken de best passende oplossing voor zijn situatie aangeboden krijgt. Momenteel is de communicatie bij het merendeel der ondervraagde OCMW’s beperkt tot directe, mondelinge informatie in de zetel van het OCMW (afspraak of spreekuur). Slechts weinig OCMW’s blijken eigen brochures of publicaties uitgewerkt te hebben. De meest gebruikte publicatie is nog steeds de originele brochure die door de federale overheid ter beschikking werd gesteld tijdens de aanvangsfase van de nieuwe wet. Noch de financiën van de OCMW’s noch hun communicatieobjectieven zetten de OCMW’s aan om een beroep te doen op massacommunicatie. De spreekuren zijn volgens de ondervraagden sowieso reeds volgeboekt door enkel maar te informeren via een gemeentelijke publicatie. Doordat ze op lokaal niveau gestructureerd zijn, beheren de OCMW’s hun communicatie logischerwijze ook lokaal. Momenteel heeft elk OCMW zijn eigen logo (althans in Wallonië en Brussel, niet in Vlaanderen) en voert elk OCMW haar communicatie zoals zij dit verkiest. Internet wordt door zeer weinig OCMW’s benut als een communicatie- en informatie-instrument naar hun cliënten toe. Wel verwezen een aantal Vlaamse gesprekspartners naar de website van bijvoorbeeld OCMW Antwerpen als een mogelijke “best practice”, en gaven ons trouwens te kennen dat ze er sporadisch voor eigen OCMW-clienteel al eens brochures van downloaden. Een ander concept werd gedurende een periode uitgetest door een groot OCMW, namelijk de plaatsing van interactieve zuilen conform de WIS-computers van de VDAB. Van de weinige OCMW’s die wel positief waren over hun informatie-inspanningen, bleek een meerderheid deel te nemen aan de formule van een Sociaal Huis. Als centraal ontvangstpunt voor meerdere dienstverleners beschikte men er over een eigen brochure.1.6 Netwerk en samenwerking Gezien hun bevoegdheid inzake integratie zijn de OCMW’s de natuurlijke partners van een aantal andere organisaties die zich inlaten met integratie : andere OCMW’s (in het geval het eerste centrum onbevoegd is om de hulpaanvrager te helpen), syndicaten, mutualiteiten, diverse caritatieve vzw’s, politie… Samengevat leeft de perceptie dat wanneer andere intermediaire organisaties of andere sociale zekerheidsorganisaties geen raad weten met iemand die hun insziens geen recht heeft op enerlei hulpverlening, men het dossier doorverwijstr naar het lokale OCMW. 40% van de Vlaamse OCMW’s respectievelijk 50% van de Waalse OCMW’s vindt dat de samenwerking met de VDAB respectievelijk FOREM stroef tot slecht loopt: vooral de maatschappelijk werkers geven aan dat ze het gevoel hebben niet goed geholpen te worden bij hun zoektocht naar tewerkstelling voor hun (ex-)cliënt. Dit gold zowel voor Art.60§7-einde contract (zie verder, paragraaf 1.15.5, blz.83) als voor andere personen die recht hebben op begeleiding door VDAB resp. FOREM. De OCMW’s verwoorden hun rol als deze van « ouders » met weinig troeven voor maatschappelijke integratie (vnl. inzake tewerkstellingsmogelijkheden), die dit voor het moeilijkste want meest delicate publiek moeten realiseren. Een vaak gehoorde opmerking was dat dit deels te wijten is aan de afwijkende doelstellingen van de VDAB en FOREM, als volgt verwoord: “LeefloongerechtigdenFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.75
  • zitten niet als werkzoekenden in de werkloosheidstatistieken, waardoor de statistieken niet wijzigen indien zij een leefloner aan werk helpen. Met andere woorden, de VDAB of FOREM hebben geen financiële stimulans om leefloongerechtigden te helpen.” Wij merken hierbij op dat de aangehaalde verklaringen onjuist zijn!! Enerzijds zitten leefloners wel in de werkloosheidsstatistieken. Dit kan zijn als uitkeringsgerechtigde werkloze of als niet-uitkeringsgerechtigde werkloze. Anderzijds is de subsidie van VDAB en FOREM niet afhankelijk van de hoogte of evolutie van de werkloosheidsstatistieken. Maar wat wel essentieel overeind blijft aan de genoteerde opmerking, is de perceptie die een aantal OCMW-medewerkers heeft over de samenwerkingsbereidheid van deze organisaties. In globo durven we stellen dat het voor de meeste maatschappelijk werkers niet duidelijk is hoever hun taak reikt in het zoeken naar een tewerkstelling voor hun cliënt. Maatschappelijk werkers geven in dat opzicht aan dat er een kader ontbreekt waarmee de samenwerking tussen het OCMW en organisaties als de werkwinkel, VDAB, … gedefinieerd wordt. Zij zijn vragende partij voor een duidelijke(re) omschrijving van waar de tewerkstellingstaak van de maatschappelijk werker stopt en deze van andere organisaties begint. Positieve signalen over de samenwerking met VDAB resp. FOREM waren er echter ook, zij het dat slechts 33% van de respondenten ze aanhaalden. Opvallend was dat dit zich overwegend voordeed in: − stedelijke OCMW’s die sinds lang met de VDAB resp. FOREM samenwerkten; − OCMW’s in Vlaanderen die via een Sociaal Huis1 met diverse dienstverleners, o.m. VDAB, intens samenwerkten; − OCMW’s in Vlaanderen die een eigen maatschappelijk assistent gehuisvestigd hadden in de VDAB-kantoren, met als taak leefloners in het arbeidscircuit te helpen; − OCMW’s die samenwerkten met initiatieven zoals Werkwinkel resp. Maison de l’Emploi 2. Een andere opvallende vaststelling was de opmerking van meerdere OCMW’s (30%) dat ertussen OCMW’s onderling te weinig formeel overleg of samenwerking plaatsvindt betreffende de uitvoering van de wet inzake het recht op maatschappelijke integratie. Het betrof voornamelijk uitwisseling van kennis inzake calculatie van leefloon ngl. categorie, administratieve methodieken, opzet van documenten, werkprocessen. Op zich een merkwaardige opmerking, omdat er toch diverse overlegplatforms bestaan: afgezien van de initiatieven van VVSG, AVCB/USGB en UVCW zijn er clusters, provinciale en supralokale overleggroepen, … Ofwel duidt de opmerking op een latent gebrek aan streamlining ofwel op een niet afdekken van de noden van de doelgroep maatschappelijk werkers. Tenslotte werd door de meerderheid van de geïnterviewden (68%) de samenwerking met Administratie van het kadaster, registratie en domeinen en financiële instellingen als een pijnpunt geciteerd. 1 Het Decreet Lokaal Sociaal Beleid dd. 12 mei 2004 verplicht het OCMW en de gemeente om samen één gezamenlijk Lokaal Sociaal Beleidsplan op te maken (Art.8). Dit Lokaal Sociaal Beleidsplan moet gericht zijn op een maximale toegankelijkheid van de dienstverlening voor elke burger en een optimaal bereik van de beoogde doelgroep in het kader van het Lokaal Sociaal Beleid (Art.1). Het Lokaal Sociaal Beleidsplan is een overkoepelend strategisch plan dat niet enkel de beleidsvisie van alle relevante lokale sociale partners maar ook alle acties, nodig om dat beleid te realiseren, bevat. Het bevat dus niet alleen het beleid en de acties uit de traditionele welzijnszorg- en welzijnsdomeinen, maar ook die van alle andere beleidsdomeinen die een rol spelen in het het welzijn van de burger zoals werkgelegenheid, huisvesting, kinderopvang, onderwijs, sport, cultuur…. (Art.10). Om dit plan uit te voeren, realiseert het lokaal bestuur het concept (dus niet een fysisch huis) van het Sociaal Huis. In dit concept moeten minstens drie functies vervuld worden: een informatie-, een loket- en een doorverwijsfunctie heeft (Art.9). Het decreet wil dus vooral de samenwerking bevorderen tussen OCMW en Gemeente onderling, tussen OCMW, gemeente en de lokale sociale partners (VDAB, RVA, Werkwinkel, …), én tussen lokaal bestuur en de private sector. Terzelfdertijd wil het decreet streven naar een aanbod dat tot stand komt door samenwerking en onderlinge afstemming, dat voor de hulpzoekende klaar en duidelijk is en alle aspecten bevat, en dat de drempel verlaagt. 2 Een lokale werkwinkel brengt alle diensten samen die voor een werkzoekende interessant zijn (begeleiding in de zoektocht naar werk, gebruik maken van instrumenten zoals WIS-vacaturebank, informatie over arbeidsreglementering,…) of die hem helpen aan tijdelijke klusjes-arbeid (PWA-werk, werk via dienstencheques). Er zijn minstens drie partners in een werkwinkel: 1 VDAB- consulent, 1 PWA-beambte (= werknemer van RVA), en 1 andere actor, bijvoorbeeld het OCMW.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.76
  • Zo zou de doorlooptijd tot het bekomen van informatie vanwege de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen vaak erg lang zijn (d.w.z. langer dan de termijn van 15 dagen), en zou de werkwijze verschillend zijn tussen de diverse kantoren van deze administratie. Ook werd opgemerkt dat deze kantoren blijkbaar geen gemeenschappelijk informatieplatform benutten, zodat een OCMW meerdere kantoren moet aanschrijven om alle gegevens van één cliënt te bekomen. Banken blijken dan weer in de meeste gevallen een financiële vergoeding te vragen voor het ter beschikking stellen van financiële informatie over de situatie van OCMW-cliënten. Ook het inroepen van het bankgeheim blijkt zich geregeld voor te doen. Inzake banken werd door de maatschappelijk werkers ook opgemerkt dat alles staat en valt met de vrijwillige medewerking van de cliënt. Immers, door het grote aantal banken is het voor een OCMW niet doenbaar om ze allen telkenmale opnieuw aan te schrijven en zo een sluitend totaalbeeld te bekomen van de financiële reserves van de cliënt. Een meerderheid van de geïnterviewden pleitte daarom voor een uitgebreid recht om financiële gegevens op te vragen.1.7 Bevoegdheid van het OCMW Praten over bevoegdheidsproblemen tussen verschillende OCMW’s, is ook in zekere zin de verscholen vraag beantwoorden van “wie moet betalen?”. De geïnterviewde OCMW-medewerkers benadrukken dat de mechanismen die door de nieuwe wet gecreëerd werden, correct functioneren. Zeker wat de federale arbitragediensten betreft. Opmerkelijk is dat de overige geïnterviewden gaven te kennen dat ze er nog geen gebruik hadden van gemaakt. Zo geven 70% van de -OCMW’s aan dat zij geen opmerkingen hebben over de arbitrage diensten die de POD levert in geval van bevoegdheidsconflict. Slechts 3 OCMW’s hadden negatieve ervaringen, meer bepaald over de tijdigheid van de reactie. Daarentegen wordt de verplichting voor het OCMW om in geval van onbevoegdheid de aanvrager binnen de vijf dagen door te verwijzen naar een ander OCMW, door 58% van de OCMW’s als “soms” problematisch aanzien. Men beseft duidelijk het voordeel om de aanvrager zo snel mogelijk door te verwijzen naar het bevoegde OCMW, maar de termijn van vijf dagen blijkt vaak te krap te zijn om de nodige formaliteiten voor de doorverwijzing in orde te brengen. Inzake bevoegdheid werd ook de problematiek aangaande studentendossiers aangehaald. De notie “ononderbroken duur van de studies” is voor een niet- onbelangrijk aantal maatschappelijk werkers (30%) onduidelijk. Tevens vindt een meerderheid van de OCMW’s het te verregaand dat men bevoegd blijft als ook de ouders uit de gemeente van oorsprong verhuizen. De toepassing van de bevoegdheidsregel op zichzelf wordt blijkbaar ook als problematisch ervaren: men zou immers al moeten beslist hebben tot toekenning van “student met voltijds leerplan”, alvorens men de bevoegdheid kan onderzoeken, en komt zo in een vicieuze cirkel terecht. Wij verwijzen in dit verband naar de recente omzendbrief inzake “studenten en leefloon” die door de POD na onze interviewronde werd uitgestuurd, en die de problematiek van territoriumbevoegdheid behandelt. Verder meende 42% van de geïnterviewde maatschappelijk werkers dat het OCMW te weinig “bindende” mogelijkheden heeft ten aanzien van derden, om als coördinator te kunnen optreden inzake hulpverlening. Volgens hen zouden derden zoals artsen, schuldbemiddelaars, deurwaarders, vrederechters, psychosociale centra, ziekenhuizen, politie, banken, Administratie van het kadaster, registratie en domeinen, … verplicht moeten worden om gestelde vragen te beantwoorden indien dit het dossier en de hulpverlening ten goede komt.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.77
  • 1.8 Motivatie van de beslissing De nieuwe wetgeving voorziet dat het OCMW bij haar beslissing om al dan niet leefloon toe te kennen een uitgebreide motivatie dient op te stellen. Deze motivatie wordt aan de aanvrager meegedeeld. Voorzitters en secretarissen beschouwen dit omzeggens unaniem als een positief aspect. Bij de maatsschappelijk werkers zijn de meningen over de toegevoegde waarde van deze maatregel ietwat verdeeld. De tegenstanders van deze uitgebreide motivatie vormen een minderheid en stellen dat de aanvragers het toch niet lezen omdat het volgens hen in een te weinig bevattelijke taal wordt opgesteld, en een vermijdbare administratieve werklast veroorzaakt. De voorstanders zijn in de meerderheid en geven aan dat op deze manier de rechten van de gebruikers beter gewaarborgd blijven. Over het algemeen is het de maatschappelijk werker die de motivatie opstelt. In het geval van een positieve beslissing van de raad blijft de motivatie beperkt tot enkele regeltjes; in het geval van een negatieve beslissing zorgt de maatschappelijk werker veelal voor een uitgebreidere tekst. Bij het meedelen van de beslissing van de OCMW-raad over het al dan niet toekennen van een leefloon wordt door vrijwel alle OCMW’s eerder de geest van de wet dan de letter van de wet gevolgd: in het geval van een negatieve beslissing wordt het bericht schriftelijk en aangetekend verstuurd. In geval van een positief antwoord wordt het bericht meestal per gewone post verstuurd. Opmerkelijk is dat sommige OCMW’s een beslissing van de raad niet enkel aangetekend aan de cliënt versturen, maar ook steevast per gewone post. Uit ervaring blijkt immers dat gebruikers aangetekende brieven als negatief beschouwen (aanmaningen, …) en ze dus niet afhalen.1.9 Wettelijke bezinningstermijn De wettelijke bezinningstermijn van vijf dagen die de cliënt krijgt om het contract te tekenen, wordt bij 80% van de maatschappelijke assistenten in de Vlaamse OCMW’s en 66% van de maatschappelijke assistenten in de Waalse OCMW’s als beginsel als goed tot zeer goed beschouwd maar als instrument in de dagelijkse praktijk als weinig nuttig beschouwd. De contracten worden blijkbaar tijdens voorafgaandelijke gesprekken tussen maatschappelijk werker en cliënt als het ware gezamenlijk opgebouwd. Het contract is dan blijkbaar een geformaliseerde neerslag van wat de cliënt en zijn maatschappelijk werker voordien onderhandeld en overeengekomen zijn. Hierdoor omvat het contract geen nieuwe elementen waar de cliënt zich nog eens over zou moeten bezinnen. Wenst een cliënt het contract alsnog mee te nemen naar huis om er over te bezinnen, dan wordt dit niet als negatief ervaren. Integendeel, de meeste maatschappelijk werkers vinden dit een positieve, geïnteresseerde instelling. Dit neemt echter niet weg dat de grote meerderheid van de geïnterviewde gebruikers (69%, zie §2.8.4onder, blz.89) geen weet hebben van het bestaan van een bezinningstermijn van 5 dagen. Dit percentage was bij de nog-niet-tewerkgestelden ongeveer even groot als bij de tewerkgestelden. 30% van de gebruikers merkte trouwens op: “In een bedrijf laat een werkgever ons toch ook geen 5 dagen bedenktijd?”. Dit neemt niet weg dat 70% een te hoog cijfer is indien men ermee rekening houdt dat de RMI-wet het verstrekken van deze informatie als een informatieplicht beschouwt. Voorzichtigheidshalve merken wij op dat een aantal gebruikers tezelfdertijd expliciet opmerkte dat ze dit recht misschien ooit kenden, maar het ondertussen wellicht vergeten zijn.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.78
  • 1.10 Dringende aanvraag Slechts 8% van de OCMW’s heeft formele criteria bepaald om te onderzoeken of een aanvraag dringend is of niet. Bij 92% ligt de beslissing hierover in handen van de maatschappelijk werker. De voorzitter volgt over het algemeen het voorstel van de maatschappelijk werker.1.11 Doorverwijzing en terugvordering 73% van de maatschappelijke assistenten gaf te kennen dat de terugvorderingschaal, zoals gedefinieerd in de RMI-wet, billijk en rechtvaardig is, in het bijzonder omwille van de eenvormigheid onder de OCMW’s en omwille van de mogelijkheid om op basis van het kadastraal inkomen één en ander te corrigeren. Slechts 45% van de geïnterviewde maatschappelijk assistenten geeft te kennen dat zij terugvordering van onderhoudsplichtigen systematisch toepassen. 48% gaf ook aan dat zij niet terugvorderden zogauw ze de indruk hadden dat het tot niets (d.w.z. tot geen recuperatie van middelen) zou leidden. Bij de overige 7% kwam dit onderwerp niet ter sprake. Verschillende redenen werden aangehaald: − In een aantal situaties en zoals de wet voorschrijft, zien de OCMW’s af van alle stappen tegenover onderhoudsplichtigen omdat hun inkomsten te laag zijn. − Een instabiliteit wegwerken door een andere te creëren wordt niet als een aanvaardbare oplossing aanzien. − In navolging van Art. 100bis §2 al.2 van de organieke wet wordt er ook van afgezien wanneer het te behalen resultaat veel lager is dan de kosten om een terugvordering te bekomen. Wij merken nog verder op dat 25% van de respondenten in de overtuiging was dat zij nog geen situatie hadden gehad waarin zij de terugvordering dienden toe te passen. Een ander groot probleem dat zich stelt bij de terugvordering is dat, éénmaal de stap gezet is, men nog altijd het resultaat moet afwachten. Het blijkt immers dat de teruggevorderde bedragen zelden de bedragen die uitgegeven zijn om tot een terugvordering te komen, bereiken. In 43% van de ondervraagde OCMW’s worden de terug te vorderen bedragen als verwaarloosbaar beschouwd. Niemand verklaart dat terugvorderingen een rendabel middel zijn. Op diezelfde wijze heeft Art.34 met zijn extrasubsidie van 10% een heel kleine invloed op het budget van het OCMW. In geen enkele gemeente speelt dit een belangrijke rol bij de beslissing tot terugvordering. Een meerderheid der OCMW’s ervaart dus terugvordering als een weliswaar verplichte maar weinig zinvolle stap. Samenvattend durven wij stellen: zonder dat de OCMW’s hun verantwoordelijkheid verwaarlozen om ten allen tijde de terechte aanwending van maatschappelijke gelden na te streven, is het hoofdcriterium bij een terugvorderingbeslissing voor een meerderheid onder hen het menselijk belang van de gerechtigde/schuldenaar in het geheel van zijn integratieproces. 62% van de geïnterviewden staan achter het idee dat het menselijk belang moet primeren op de terugvordering; 38% heeft hierover geen mening. Een sluitende correlatie tussen bovenstaande vaststellingen en de resultaten uit de kwantitatieve bevraging is niet maakbaar, gezien het aantal OCMW’s dat aan beide vraagstellingen deelnam te beperkt is.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.79
  • 1.12 Bijstandsrecht 95% van de OCMW’s is van mening dat de gebruikers dit recht slechts weinig benutten. In de relatief zeldzame situaties waarin een cliënt zich toch laat bijstaan, blijkt dit meestal een familielid of een vriend te zijn, of in geval van anderstaligen een tolk. Een advocaat of vakbondsvertegenwoordiger was hoogst uitzonderlijk. De eerste reden waarom het zo weinig gebruikt wordt is waarschijnlijk omdat het niet gekend is door de gebruiker, hoewel ze in theorie systematisch op de hoogte gesteld moeten worden van deze mogelijkheid. Dit blijkt uit de bevraging van de gebruikers zelf (zie §2.10, blz.90). 89% van de ondervraagde maatschappelijk werkers gaf echetr aan dat ze de mogelijkheden van dit recht toelichten aan hun cliënt, en vinden het bovendien terecht dat dit conform Art.17 hun informatieplicht is. De tweede reden is dat de relatie tussen de maatschappelijk werker en de gebruiker over het algemeen positief verloopt, en gezien moet worden als een vorm van partnership richting integratie. Dit wordt ook bevestigd door de gebruikers zelf (zie §2.10). De gegeven uitleg wordt als duidelijk en voldoende beoordeeld. In de -situaties waarin dit niet het geval is, bestaat de mogelijkheid om de besproken punten opnieuw te laten uitleggen. Dezelfde opmerkingen werden trouwens geformuleerde door beide partijen wat betreft de voorafgaandelijke onderhandelingen voor een tewerkstelling of voor de opmaak van een project. Bovenstaande vaststellingen nemen niet weg dat twee derden van de geïnterviewde OCMW-medewerkers en OCMW-mandatarissen het bijstandsrecht als een positieve verworvenheid van de nieuwe wet beschouwen.1.13 Hoorrecht Gebruikers kennen het hoorrecht over het algemeen niet. Ondanks dat het OCMW, en in het bijzonder de maatschappelijk werkers, volgens eigen zeggen voldoende moeite doen om dit recht aan de cliënten te communiceren. Temeer daar het een informatieplicht is, conform Art.17. Wel blijkt dit recht in het merendeel der gevallen pas specifiek meegedeeld te worden als zich een risico aanbiedt dat een beslissing negatief zal zijn. 52% van de geïnterviewde OCMW’s bevestigen het niet- of weinig gebruik van het hoorrecht door de cliënten. Doch alle gesprekspartners zijn overtuigd van de positieve toegevoegde waarde van dit mechanisme.1.14 Sancties 86% van de geïnterviewde OCMW’s beoordeelt de wettelijke periode van twee maanden tussen het opleggen van een sanctie en de effectieve uitvoering als té lang. Men is van oordeel dat het effect van de sanctie hierdoor verloren gaat omdat de kans te groot is dat de gebruiker na verloop van die twee maanden “wachttijd” de oorzaak van de sanctie vergeten is. Het principe dat de cliënt over deze twee maanden moet beschikken teneinde zich financieel voor te kunnen bereiden op de sanctie, kan volgens hen vervangen worden door een kortere “wachtperiode”, met daaraan al dan niet gekoppeld (althans volgens een derde onder hen) andere oplossingen, zoals bijvoorbeeld het verschaffen van maaltijdcheques gedurende de sanctieperiode. De algemene perceptie van vele OCMW’s over sancties kan als volgt samengevat worden : eigenlijk zijn er nauwelijks sancties die echt toegepast kunnen worden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.80
  • Immers, de taak én de politiek van een OCMW is om nooit iemand in een situatie van geen enkele vorm van hulp te plaatsen. Iemand financieel straffen door het tijdelijk wegnemen of verminderen van het leefloon, leidt er vaak toe dat het OCMW hem/haar een andere financiële of materiële hulp verleent die het uit eigen fondsen moet betalen (dit in tegenstelling tot leefloon). Een duidelijke correlatie tussen de resultaten van de kwalitatieve interviews en de kwantitatieve meting omtrent “sancties” is niet maakbaar. Immers, het gros van de geïnterviewde OCMW’s houdt niet het aantal beslissingen inzake sancties onder de vorm van cijfermateriaal in een management informatie systeem (op papier dan wel in een registratiesoftware) bij. Dit verklaart wellicht waarom het aantal antwoorden op deze vraag in de kwantitatieve bevraging laag is. Sommige OCMW’s houden het wel als een meetpunt bij, anderen deden de inspanning om het manueel op te tellen, nog anderen hadden andere prioriteiten of tijdsgebrek.1.15 Tewerkstelling / activering1.15.1 Algemene vaststellingen Vooraf willen we opmerken dat tijdens de interviews onze gesprekspartners spontaan het accent op tewerkstelling en opleiding legden, en veel minder op de andere vormen van integratieprojecten. Dit niettegenstaande men ze wel benut, wat blijkt uit de kwantitatieve analyse (zie §2.4, blz.45). Enkele algemene opmerkingen die vaak terugkwamen, zijn: − Sedert de RMI-wet zijn er niet méér jongeren bij het OCMW om werk komen vragen dan tijdens de bestaansminimumwet. Hun aantal is weliswaar gestegen, maar hun eerste bezorgdheid is niet werk maar leefloon. − In dit verband verwees men ons ook geregeld naar de als ongenuanceerd ervaren promotiecampagne van de nieuwe leefloonwet, wat de verkeerde perceptie bij jongeren zou aangewakkerd dan versterkt hebben (zie ook §1.5boven, blz.74). − Plus-25 jarigen hebben vaker een expliciete vraag naar werk, en niet enkel naar leefloon. − De arbeidsvraag van jongeren is vaak minder makkelijk en veel tijdsintensiever in te vullen, gezien hun lagere ervaring, eventuele lagere kennis, enz. − In de huidige economische situatie, namelijk laagconjunctuur op de arbeidsmarkt, kan onmogelijk voor iedereen een aangepaste tewerkstelling gevonden worden. In weerwil van bovenstaande opmerkingen stellen wij in het kwantitatief onderzoeksgedeelte vast (zie §2.4, blz.45) dat het aantal integratieprojecten voor min-25jarigen merkelijk hoger ligt dan dit voor plus-25jarigen. Een kwart van de ondervraagde secretarissen schreef dit toe aan het feit dat het OCMW middels subsidies (ten dele) vergoed wordt voor de tijdsinvestering in begeleiding naar tewerkstelling en integratie van min-25jarigen, doch geen dergelijke subsidie krijgt voor tewerkstellingsbegeleiding van plus-25jarigen. Een meerderheid van alle respondenten schreef dit toe aan: − Het feit dat alle taken van de sociale dienst, en in het bijzonder deze voor de begeleiding en administratie rond tewerkstelling en integratie van min-25jarigen, dermate veel tijd vergen zodat er te weinig tijd overblijft om voldoende te investeren in de begeleiding van plus-25jarigen qua tewerkstelling en integratieprojecten.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.81
  • − Het tekort aan mogelijkheden in de eigen regio om behalve voor min-25jarigen ook nog voldoende tewerkstellingsmogelijkheden te vinden voor alle arbeidsgeschikte plus-25jarigen. Een opmerking van een geheel andere orde is de vaststelling dat tewerkstellingsprojecten zoals Artikel 60§7 en Artikel 61 goed gekend zijn, maar dat de andere tewerkstellingsmaatregelen zoals plan Activa (eigenlijk te aanzien als de “opvolger” van Artikel 61), SINE, Banenplan,… (zie Bboven, blz.43) heel wat minder spontane bekendheid genieten. Zoals uit de kwantitatieve analyse blijkt, vertegenwoordigen het aantal Art.60§7- banen het gros van de activeringen, doch het aantal “andere activeringen” kent wel de grootste groei.1.15.2 Terminologie “Aangepaste tewerkstelling” De term aangepaste tewerkstelling veroorzaakt over het algemeen weinig reactie. Toch vinden 20% van de ondervraagde maatschappelijke werkers dat de term ietwat ongelukkig gekozen is. Men verwijst in dit verband naar het concept zoals gebruikt door organisaties die ijveren voor de integratie van gehandicapten, waarbij sprake is van vorming op basis van aangepaste tewerkstelling. Terwijl nood aan maatschappelijke-financiële hulp (leefloon & integratiebegeleiding) toch geen handicap is.1.15.3 Artikel 60§7 of artikel 61 1.15.3.1 Artikel 60§7 De mogelijkheden van Art.60§7 als middel van tewerkstelling worden intensief benut. Dit blijkt tevens uit de kwantitatieve bevraging (zie B, blz.43). Afgezien van de moeilijkheden die zich vaak voordoen om geschikte kandidaten te hebben, zijn de maatschappelijk werkers tevreden met de mogelijkheden die Art.60§7 hen aanreikt. Ook alle gebruikers die wij mochten ontmoeten en die onder dit statuut werkten, waren hierover tevreden en kijken met spijt uit naar het einde van hun contract. Zowel de maatschappelijk werkers als de gebruikers zelf zien het einde van de Art.60§7-tewerkstelling als een overgang naar de werkloosheidslijsten waarbij beide partijen vrezen dat de ex-Art.60§7-tewerkgestelde er gedurende zeer lange tijd zal op voorkomen, wegens enerzijds wellicht minder kans op geschikt werk en anderzijds lange rijen van wachtenden met soms betere jobmogelijkheden. Zelfs als de motivatie van de gebruiker bij aanvang van het contract laag of onbestaande is, blijkt deze motivatie meestal enorm te stijgen eenmaal de gebruiker zijn eigen nuttigheid ontdekt. 1.15.3.2 Artikel 61 De beperkte benutting van de mogelijkheid tot tewerkstelling via Art.61 (bevestigd door de kwantitatieve bevraging, zie B) wordt vooral in kleine en middelgrote OCMW’s toegeschreven aan de te beperkte economische mogelijkheden in de regio. Men wijst ook op de moeilijkheid (lees onmogelijkheid) om ondernemingen te overtuigen om mee te helpen aan de integratie van de gebruikers.1.15.4 Contractverplichting Ook al meent 16% van de geïnterviewde maatschappelijk werkers dat deze verplichting bijdraagt tot extra administratief werk, toch bekritiseren slechts weinigen de verplichting op zich. In theorie draagt de verplichting er volgens de geïnterviewden toe bij dat een rechthebbende beter begrijpt dat hij niet enkel rechten heeft, maar ook plichten. Tegenstanders (d.i. 9% van secretarissen en voorzitters, 14% van maatschappelijk assistenten) van de contractverplichting wijzen op de machtspositie van het OCMWFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.82
  • ten opzichte van de aanvrager, die als laatste redmiddel bij het OCMW komt aankloppen. In die zin is het contract geen formalisering van een onderhandelingsproces tussen cliënt en OCMW. Ook merken enkele tegenstanders op dat het afsluiten van een contract met de cliënt maar nut heeft als het OCMW ook effectief de uitvoering van de contractuele voorwaarden door de cliënt opvolgt. Rekening houdend met de beperking in tijd en vaak hoge werkdruk van de maatschappelijk werker, is een nauwgezette opvolging geen evidentie. Voorstanders daarentegen (62% van voorzitters en secretarissen, 48% van maatschappelijk werkers) hechten belang aan de ‘gewichtigheid’ die het contract uitstraalt en aan het feit dat dergelijk contract in de perceptie van de cliënt het belang van zijn afspraken met het OCMW onderstreept.1.15.5 Einde van de tewerkstelling Art.60§7 of Art.61 onder de RMI-wet Het beheer van het einde van de Art.60§7-dossiers wordt als negatief ervaren. Het OCMW kan de persoon in kwestie niet opnieuw aanwerven, terwijl ook de gebruiker niet uitkijkt naar dit einde (zie §2.8onder, blz.88). De samenwerking tussen OCMW en werkloosheidsdienst m.b.t. overdracht en eventuele verdere tijdelijke begeleiding van de ex-Art.60§7-medewerker wordt trouwens als quasi onbestaande ervaren. Eenmaal de tewerkstelling - waarin de tewerkgestelde zich zinvol en gewaardeerd voelt – beëindigd wordt, voelt de ex-tewerkgestelde zich aan zijn lot overgelaten. Vanuit het oogpunt van de maatschappelijk werker zijn op dat ogenblik alle geleverde inspanningen m.b.t. integratie grotendeels verloren. Bij het einde van een Art.61-contract kan de werkgever, als hij tevreden is, de persoon in kwestie via een klassiek arbeidscontract aanwerven of via andere gesubsidieerde mogelijkheden (zoals Plan Activa). Volgens de OCMW-medewerkers zijn werkgevers echter weinig geïnteresseerd in deze aanwervingmogelijkheden.1.16 Verzameling gegevens van de aanvrager Volgens een meerderheid van de maatschappelijk werkers, wordt een aanvrager overspoeld door informatie als zij alles meedelen wat wettelijk meegedeeld moet worden. Zodat hij/zij er uiteindelijk weinig van onthoudt. Bovendien komt een aanvrager op dat ogenblik niet om -in zijn ogen- algemene informatie te horen die niet van toepassing is op hem/haar. Aanvragers hebben tijdens de eerste contactmomenten met hun maatschappelijk werker meer behoefte aan een persoonsgebonden, inhoudelijk gesprek dan aan wettelijke voorschriften. Dit verklaart wellicht waarom de maatschappelijk werker tijdens de eerste gesprekken niet alle wettelijk verplichte informatie toelicht. Wat eventueel dan weer kan verklaren waarom de 5-dagen-regel voor contract, het hoorrecht, het bijstandsrecht minder gekend zijn dan verhoopt. Verder merken vooral de maatschappelijk assistenten van kleinere OCMW’s op dat het intakeformulier en het sociaal onderzoek hun inziens te omslachtig en te uitgebreid is. Bij nadere analyse bleek dit overwegend OCMW’s te betreffen die voor de nieuwe wet in mindere mate of nog niet met dergelijke uitgeschreven tools werkten. Tevens willen wij hierbij opmerken dat de wet niet het intakeformulier als dusdanig oplegt, maar wel de inhoud van de intake.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.83
  • 1.17 Extra subsidies Een toelage wordt aan het centrum verleend als tegemoetkoming in de personeelskosten per dossier waarvoor het centrum een staatstoelage ontvangt naar aanleiding van de toekenning van een leefloon of een tewerkstelling. Deze toelage bedraagt 250 EUR op jaarbasis en wordt berekend in functie van het aantal dagen dat het centrum voormelde staatstoelage ontvangt. Deze nieuwigheid wordt unaniem geapprecieerd. Maar er zijn ook kritische bedenkingen, en dit door een meerderheid van de OCMW’s (circa 70%). Zo wordt benadrukt dat het niet voldoende is om de toelage toe te kennen op basis van dossiers waarin reeds beslist werd om een leefloon of een tewerkstelling toe te kennen. Immers, alvorens men tot dergelijke beslissing kan komen, moet het zwaarste werk reeds gebeurd zijn, namelijk de intake, het sociaal onderzoek en het opmaken van een sociaal verslag. Deze inspanningen worden altijd gedaan, ook voor die dossiers waarin geen positieve beslissing wordt genomen. Wat er dan toe leidt dat men geen subsidie voor dergelijk “negatief” dossier krijgt. In globo wordt gesteld dat de personeelstoelage te klein is om het meerwerk van de wet te compenseren. Dit is natuurlijk niet meetbaar. Wel moeten wij hierbij opmerken dat uit de kwantitatieve analyse een toch wel opmerkelijke stijging blijkt van de tussenkomst onder diverse subsidievormen ten opzichte van de vorige regelgeving. De personeelstoelage is wettelijk bedoeld om enkel supplementair personeel aan te werven, maar een aantal OCMW’s gaf ronduit te kennen dat dit bedrag aangewend wordt voor andere werkingskosten, al dan niet binnen de sociale dienst. Verder was het ons inziens opvallend dat omzeggens de helft van de voorzitters en de maatschappelijk werkers ofwel niet op de hoogte is dan wel geen weet heeft van de grootte van de andere extra subsidiëringen die sinds de nieuwe regelgeving in voege zijn. Zij die de hoogte kenden dan wel het bestaan ervan afweten, met de secretarissen als grootste groep, beamen de correctheid van het principe waarbij extra werkzaamheden voor leefloon door subsidies, specifiek voor die extra taken en/of inspanningen, worden gesteund.1.18 Inschakelen van een controlegeneesheer In de nieuwe leefloonwet wordt aan het OCMW de mogelijkheid gegeven om al dan niet beroep te doen op een controlegeneesheer wanneer een cliënt gezondheidsredenen inroept om een tewerkstelling te weigeren, of wanneer een cliënt zijn verplichtingen niet nakomt. Onder de oude regelgeving bestond deze mogelijkheid ook, zij het dat ze niet expliciet in de originele bestaansminimumwet was opgenomen. 43% van de gecontacteerde OCMW’s benut de mogelijkheid. Doch hiervan geeft slechts 18% aan dat ze dit frequenter toepassen dan voorheen. Opvallend is de vaststelling dat de OCMW’s die deze mogelijkheid benutten, eerder OCMW’s in grote en middelgrote steden zijn, en slechts in een beperkt aantal gevallen OCMW’s in kleine gemeenten. In 11% van de interviews met maatschappelijk werkers twijfelde men niet aan de noodzaak van deze wettelijke mogelijkheid, wel aan de praktische haalbaarheid: immers, men twijfelde of een arts uit hetzelfde dorp in alle gevallen ook echt wel streng was en/of kon zijn, en dus op die wijze “onterecht” iemand werkonbekwaam kon verklaren. Die maatshcappelijke werkers dragen de verantwoordelijkheid van zulke analyse.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.84
  • 1.19 Controlefunctie versus begeleidingsfunctie van de maatschappelijk werker Een minderheid van de maatschappelijk werkers (23%) is voorstander van het loskoppelen van de controlefunctie van de maatschappelijk werker. Volgens hen schaadt de controlefunctie de vertrouwensband met de cliënt, wat dan weer tot extra inspanningen voor dezelfde maatschappelijk werker leidt om de vertrouwensband te herstellen. De meerderheid die zich uitsprak (67%) is van oordeel dat de maatschappelijk werker het best geplaatst is om dergelijke controle uit te oefenen, en dat het controleaspect ook een onderdeel is van de maatschappij waarin men de cliënt wenst te integreren. Dat maakt dan volledig onderdeel van hun werk.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.85
  • 2. Bevraging van gebruikers2.1 Inleiding Zoals reeds aangehaald hebben wij ook een toereikend aantal begunstigden en/of leefloongerechtigden geïnterviewd. De begunstigden werden op basis van door Ernst & Young opgegeven criteria door de maatschappelijk werker uitgenodigd en werden in alle anonimiteit door één of twee van onze medewerkers geïnterviewd. Voor de selectie van de gebruikers werden er samen met de vragenlijsten een aantal selectiecriteria meegestuurd waarop de maatschappelijk werkers zich dienden te baseren om de begunstigden te selecteren en uit te nodigen. De selectiecriteria voor de 5 uit te nodigen personen per OCMW waren: − 1 persoon ouder dan 25 jaar die gebruik gemaakt heeft van het hoorrecht − 1 persoon ouder dan 25 jaar die tewerkgesteld is in artikel 60§7 − 3 personen jonger dan 25 jaar, waaronder  1 persoon tewerkgesteld in artikel 60§7  1 persoon met een individueel project  1 student Hierdoor wilden wij voorkomen dat de resultaten te sterk afhankelijk konden worden van de individuele keuze van het betrokken OCMW. Zoals uit de hiernavolgende analyse blijkt, heeft deze stratificatie ertoe bijgedragen dat wij een aantal kritische begunstigden mochten ontmoeten. In de kwalitatieve bevraging werden uiteindelijk individuele interviews afgenomen ter plaatse bij 22 OCMW’s, en dit met 110 gebruikers en of begunstigden. De samenstelling van de geïnterviewden was uiteindelijk als volgt: − 15 personen ouder dan 25 jaar die gebruik gemaakt heeft van het hoorrecht − 26 personen ouder dan 25 jaar die tewerkgesteld is in artikel 60§7 − 23 personen jonger dan 25 jaar en tewerkgesteld in artikel 60§7 − 24 personen jonger dan 25 jaar en met een individueel project − 22 studenten jonger dan 25 jaar2.2 Algemeen Door het streven vanwege het OCMW naar tewerkstelling of naar een geïndividualiseerd project vindt de gebruiker dat bij beter geïntegreerd wordt. Hij merkt op dat zijn sociale contacten hierdoor uitgebreider werden en dat hij zich meer betrokken voelt in het “gewone” dagelijkse leven, met andere woorden hij voelt zich meer geïntegreerd in de maatschappij. De idee dat het OCMW een rol speelt bij de integratie op basis van een tewerkstelling, of door het opstellen van een individueel project, lokt bijna nergens negatieve commentaar uit. Afgezien van twee respondenten (2%) die het verplichte karakter van de maatregelen hekelden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.86
  • Ook het feit dat er een contract aan de individuele projecten verbonden is, met wederzijdse rechten en plichten, stoot op weinig kritiek. 40% van de respondenten zien dit als een noodzakelijke administratieve verplichting. Zij die reeds OCMW-cliënt waren ten tijde van de oude regelgeving, zijn van oordeel dat zij weinig of geen veranderingen gemerkt hebben naar aanleiding van de invoering van de nieuwe regelgeving. De groep respondenten die nog geen OCMW- cliënt was ten tijde van de oude regelgeving, kan natuurlijk geen vergelijking maken tussen de oude en de nieuwe situatie. De onvoldoende kennis van de wetteksten wordt niet als een handicap aanzien. De gebruikers rekenen op hun persoonlijke relatie met hun maatschappelijk werker om alle nuttige informatie te krijgen. De rest houdt hen minder bezig.2.3 Kennis van de wet van 26 mei 2002 Over het algemeen is de wet slecht gekend door de gebruiker. Slechts 52% van de Vlaamse respondenten en 32% van de Waalse respondenten weet dat er een nieuwe wet bestaat! Men weet enkel de naamsverandering of het feit dat “er nu moet gewerkt worden om een leefloon te ontvangen”. Zij verwijzen hierdoor naar de vershillende administratieve stappen die nodig zijn om het dossier te kunnenn indienen. Dit gebrek aan interesse is o.i. niet onlogisch: de meeste gebruikers voegen eraan toe dat voor hen enkel die informatie telt die voor hen van nut is of kan zijn en die hun individuele situatie kan oplossen. Als kennisbronnen m.b.t. de nieuwe wet vermelden zij: regionale TV, radio, informatiebrochures, kennissen en - indien ze reeds cliënt waren - hun maatschappelijk werker. Opvallend is dat de informatie beter in de gorte OCMW’s is doorgegeven. Slechts 64% van de begunstigden van kleine en middelgrote OCMW’s beweren immers door hun OCMW over de nieuwe wetgeving geïnformeerd te zijn geworden. Onder hen die cliënt zijn van grote OCMW’s, is dit 83%.2.4 Eerste stap naar het OCMW Een verrassende vaststelling is het feit dat 74% van de geïnterviewde gebruikers vermeldt dat zij snel de eerste stap naar het OCMW namen. Deze hoge positieve respons staat op het eerste zicht in contrast met het oordeel van de OCMW-medewerkers (zie §1.3 boven, blz.71). Wel moet men zich hierbij realiseren dat de gecontacteerde begunstigden enkel maar mensen betreft die reeds gebruik maken van de dienstverlening van het OCMW, terwijl het oordeel van de OCMW-medewerkers ook slaat op zij die nog niet tot bij het OCMW zijn gekomen. Zij die pas na een langere periode van nood naar het OCMW stapten, geven als verklaring dat ze psychologisch het zeer moeilijk hadden om de stap te zetten. De vormstelling van hun eerste vraag richting OCMW is meestal heel algemeen, in de zin van “Ik heb niets meer; wat kan u voor mij doen?”.2.5 Reden van aanvraag Het OCMW staat bekend als sociale instelling, maar enkel de financiële dienstverlening is algemeen gekend. Diensten zoals schuldbeheer, voedselbedeling, tewerkstellingsprojecten, integratieprojecten, zijn aanvankelijk minder of niet gekend.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.87
  • Dit brengt met zich mee dat 88% van de gebruikers initieel naar het OCMW stapte om financiële hulp te krijgen. Bij hun eerste of tweede contact met het OCMW vernamen ze dat er nog andere mogelijkheden zijn om hen te helpen.2.6 Dringende aanvraag en snelheid van behandelen van de aanvraag Dit aspect roept weinig commentaar op. Algemeen is men tevreden over de snelheid van behandelen van de aanvraag. 77% van de ontmoete begunstigden vinden immers dat hun aanvraag snel behandeld werd (traag: 12%; geen antwoord: 11%). 31% onder hen beschreven hun aanvraag als dringend (niet dringend: 47%; geen antwoord: 22%). Hierbij valt op dat de meeste dringende aanvragen zich voordeden bij grote OCMW’s, of bij OCMW’s met een zware belasting. Tijdens de kwalitatieve interviews met maatschappelijk werkers werd dit verklaard door het fenomeen dat sociaal minderbedeelden meer geneigd zijn om hun toevlucht te zoeken in de grotere steden. Ook daklozen komen over het algemeen voor in de grootsteden, waardoor het aantal dringende aanvragen bij grote OCMW’s en bij OCMW’s met een zware belasting over het algemeen hoger ligt dan bij andere OCMW’s.2.7 Aantal tussenpersonen Volgens de geïnterviewde gebruikers komt men snel terecht bij de juiste persoon die hun aanvraag behandelt. Dit is heel positief beschouwd. De helft van de gebruikers beweert direct of na hoogstens één tussenpersoon (de intake) bij de juiste persoon terecht te zijn gekomen. Dit is “hun” maatschappelijk werker die gedurende de loop van het dossier hen verder begeleidt. Een kleine 40% geeft aan 2 à 3 personen ontmoet te hebben alvorens “hun” maatschappelijk werker te hebben “gekregen”. Bij kleine OCMW’s komen de gebruikers snel bij de juiste persoon terecht, net zoals bij OCMW’s met een lage of middelzware belasting. Bij de middelgrote en grote OCMW’s en bij de OCMW’s met een zware belasting, ziet men over het algemeen 2 à 3 personen. Tijdens de kwalitatieve bevraging van de maatschappelijk werkers werd dit toegeschreven aan de werking van intaketeams. Dit zijn maatschappelijk werkers die zich enkel bezighouden met de kennismakingsgesprekken met gebruikers, bij hun eerste contact met het OCMW. Deze intakers sturen de gebruikers door naar een maatschappelijk werker die zich verder over het dossier zal ontfermen.2.8 Tewerkstelling of project2.8.1 Algemene vaststellingen 90% van de respondenten staat positief tegenover het feit dat de wet voorziet dat het OCMW een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project kan of moet opstellen. De enkelingen die dit negatief beoordeelden, waren van mening dat dit niet de taak is van het OCMW, of omdat het OCMW slechts in hun ogen minderwaardige werkopdrachten kon aanbieden, of omdat men daardoor beknopt wordt in zijnFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.88
  • vrijheid en/of zijn andere verplichtingen. Zo ontmoetten we enkele rechthebbenden die dagdagelijks zorg dragen voor kleine kinderen of hulpbehoevende familieleden. Verder werd ons door enkele gebruikers opgemerkt dat de vermelding “inhouding voor leefloon” op de loonfiche psychologisch weegt. Enerzijds is men tevreden dat men tewerkgesteld is of een project wordt benut en op die wijze deel uitmaakt van de maatschappij, anderzijds wordt de gebruiker in die situaties waarin zijn loonfiche voorgelegd moet worden (bv. huur), opnieuw geconfronteerd met het feit dat hij afhankelijk is van het OCMW. De tewerkgestelde gebruikers geven aan dat hun tewerkstelling voor hen een echte job is, zij het een tijdelijke job. Slechts 2% van de personen die tewerkgesteld zijn, weten niet dat dit van tijdelijke duur is. Wie het wel weet, blijkt weinig voorbereid te zijn op wat volgt eenmaal het contract eenmaal afgelopen. Allen vrezen de dag dat de tewerkstelling stopt, en betreuren dat dit volgens hen niet verlengd kan worden, en vrezen dat ze bij de werkloosheidsorganisaties “één van de vele werklozen” zullen worden met bovendien minder kans op werk dan anderen en minder individuele begeleiding. Vaak werd in deze context op gewezen op de kwaliteit van de relatie met “hun” maatschappelijk werker, d.w.z. een relatie die naar hun aanvoelen stoelt op vertrouwen en begeleiding.2.8.2 Contractverplichting 61% van de gebruikers vindt het goed dat men aan het begin van een geïndividualiseerd project een contract moet afsluiten. Men voelt zich daardoor op gelijke voet behandeld als iedereen, omdat dit in het gewone bedrijfsleven ook moet gebeuren. Wel vernamen we dat de gebruikers over het algemeen niet weten wat het contract inhoudt. Ze weten dat de wederzijdse verplichtingen erin vermeld staan maar welke deze verplichtingen net zijn, weet men niet. Ook het feit dat het niet alleen een bewijsmiddel is voor de gebruiker zelf, maar ook een middel voor het OCMW zelf is, wordt niet vaak begrepen.2.8.3 Tijdelijke duur van tewerkstellingsproject Slechts 2% van de personen die tewerkgesteld zijn, weten niet dat dit van tijdelijke duur is. Wie het wel weet, blijkt weinig tot niet voorbereid te zijn op wat volgt eenmaal het contract eenmaal afgelopen. De vrees voor de werkloosheid doet de meerderheid van onze respondenten hopen op een vaste betrekking, ook al is men er zich van bewust dat ze nu een tijdelijk contract hebben.2.8.4 Bezinningstermijn van 5 dagen Vooraleer een gebruiker het geïndividualiseerd contract voor maatschappelijke integratie ondertekent, heeft hij 5 dagen tijd om zich over het contractvoorstel te bezinnen. De OCMW’s hebben hiervoor een meldingsplicht en moeten de gebruikers dus inlichten over dit recht. 17% van de gebruikers kent de bezinningstermijn; 69% kent deze niet; 14% heeft hierover geen mening (zie ook §1.9boven, p.78).Vooral in de kleine OCMW’s en de OCMW’s met een lage belasting gaven weinig gebruikers aan dat zij weten dat zij over een bezinningstermijn beschikten/beschikken. Zoals ze zelf aangaven, komt dit wellicht doordat de maatschappelijk werkers er meer tijd kan besteden aan begeleiding. Voordat het contract getekend werd, waren er reeds enkele gesprekken gevoerd, waardoor alle eventuele hindernissen besproken zijn. De gebruikers hebben aldaar dan wellicht minder nood aan een extra bezinningstermijn. Uit de gesprekken bleek ook dat het voor de gebruiker niet steeds duidelijk was of die gesprekken reeds kaderden in de eigenlijke bezinningstermijn. Nochtans lijken deFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.89
  • gebruikers meer gehecht aan deze bezinningstermijn dan de OCMW-medewerkers, ook al zijn er weinigen die deze bezinningstermijn ook zouden benutten. De meningen hierover zijn verdeeld tussen diegenen die het normaal vinden dat je voor dergelijke “levenskeuzes” een bedenktijd krijgt (34%) en diegenen die vinden dat je het moet accepteren zonder uitstel, omdat het OCMW je de kans geeft om uit je hulpbehoevendheid te geraken (61%). Slechts 8% heeft gebruik gemaakt van de bezinningstermijn. De overige tewerkgestelden hebben ofwel direct ofwel snel erna beslist, en vonden de termijn van 5 dagen (als ze hem überhaupt kenden) te lang.2.9 Doorverwijzing en terugvordering Bij de gerechtigden zorgde dit onderwerp voor heel wat opschudding, zij het vooral bij de min-25jarigen en in veel mindere mate bij de plus-25jarigen. Dit is ons inziens niet onlogisch: de eerste doelgroep heeft vaker nog ouders dan de tweede doelgroep, en bovendien telt de eerste doelgroep overwegend meer studenten. Terugvordering raakt aan gevoelige en intieme elementen, gelinkt aan familiale omstandigheden. Met deze elementen heeft de wetgever rekening willen houden via de notie billijkheidsredenen. Voor de geïnterviewden is het niet eenvoudig om hierover een standpunt in te nemen. Het merendeel van de geïnterviewden vindt het principe van de terugvordering van de onderhoudsplichtigen begrijpelijk vanuit het standpunt van de maatschappij en van de belastingbetaler. Maar men wijst op de noodzaak om rekening te houden met de mogelijkheden van de gebruikers / schuldenaars en om hen niet te verplichten om zelf stappen te ondernemen. Dit standpunt wordt vooral door jongeren aangehaald die het ouderlijke huis verlieten na conflictsituaties. In vele gevallen heeft de vraag tot terugvordering of doorverwijzing volgens het gros van de geïnterviewden trouwens weinig tot geen zin omdat hun onderhoudsplichtigen toch niet genoeg middelen hebben.2.10 Bijstandsrecht Deze mogelijkheid wordt weinig gebruikt, deels omdat ze blijkbaar vaak niet gekend is. Amper 9% van de gebruikers beweerde gebruik te hebben gemaakt van de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een derde. Opvallend hierbij is dat 68% van de gebruikers zei niets af te weten van deze mogelijkheid. Geen enkele gebruiker twijfelde aan het nut van deze mogelijkheid: het administratief jargon wordt als te moeilijk en te weinig duidelijk aanzien, zodat men de mogelijkheid wil hebben om zich te laten bijstaan door iemand die dit woordgebruik beter kent en hanteert. Eigenaardig genoeg vermeldden zij dit van dit recht gebruik maakten, dat zij zich niet door een advocaat, wel door een familielid of vriend lieten bijstaan. Het feit dat het zij die dit recht kennen doch er geen gebruik van maken, is volgens hen toe te schrijven aan de goede relatie met hun maatschappelijk werker. Een relatie gebaseerd op vertrouwen, waarbij men ervan uitgaat dat hun maatschappelijk werker het beste met hen voor heeft.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.90
  • 2.11 Hoorrecht Het idee om gehoord te worden interesseert de gebruiker niet zo erg, behalve wanneer hij ervan uitgaat dat hij een weigering ontvangt die volgens hem niet gerechtigd is. Hierbij merken we op dat de Raad van het OCMW in de ogen van de gebruikers een negatieve perceptie heeft, namelijk deze van een soort rechtbank. In elk geval is het hoorrecht als mogelijkheid te weinig gekend bij de gebruiker. En relatief gezien ook te weinig gebruikt. De helft van de Vlaamse gebruikers en 75% van de Waalse gebruikers verklaarde niet te weten dat ze beschikken over een recht om zich te laten horen voor de Raad van het OCMW. De 10% die er wel gebruik van maakte, was van oordeel dat zij zelf beter konden uitleggen hoe hun situatie in elkaar zat. Zij die de mogelijkheid kennen maar ze niet nog gebruikt hebben, gaven aan dat ze hun maatschappelijk werker voldoende vertrouwden om hun situatie zo goed mogelijk voor de Raad voor te leggen. Opvallend hierbij is dat zeer weinig cliënten (20%) van de OCMW’s met zware belasting op de hoogte waren van dit hoorrecht. Bij de OCMW’s met een lage belasting wordt het meest gebruik gemaakt van dit recht, namelijk door 20% van de respondenten in onze steekproef die cliënt was bij een dergelijk OCMW.2.12 Kwaliteit van de relatie met de maatschappelijk werker De gebruikers formuleerden zelden kritiek op deze relatie, doch vermelden wel geregeld de machtsverhouding, waarbij de maatschappelijk werker de macht in de onderlinge relatie heeft en waarbij de gebruiker in een afhankelijkheidspositie zit. Slechts 5% vermeldt samenwerkingsproblemen met hun (ex-) maatschappelijk werker. Deze problemen werden opgelost door het veranderen van tussenpersoon. De luisterbereidheid en het vertrouwen, het partnership en de echte zoektocht naar oplossingen worden het vaakst aangehaald als positieve aspecten van de relatie. In tegenstelling tot wat men zou kunnen vermoeden, zijn de gebruikers in grote OCMW’s even tevreden over hun relatie met het OCMW als de gebruikers in kleine of middelgrote OCMW’s. Geen enkele gebruiker maakte gewag van een gevoel dat het op een “fabriek” begint te lijken, of dat de integratie als “lopendebandwerk” wordt ervaren.2.13 Overeenstemming tussen de verwachtingen van de gebruiker en de oplossing voorgesteld door het OCMW Doordat 96% van de gebruikers verklaart dat men hen nooit zaken oplegde die absoluut niet overeenkwamen met hun verwachtingen, is de balans zeer positief. Voor zover wij vernamen worden de oplossingen die het OCMW voorstelt in het kader van tewerkstelling, integratie en opleiding, als toereikend beschouwd. Slechts 3 gebruikers gaven ons te kennen dat naar hun mening hun OCMW te weinig werk maakte van hun tewerkstelling of integratieproject. De geïnterviewde studenten halen aan dat zij de mogelijkheid kregen om de studies aan te vatten of verder te zetten waarvoor ze ofwel zelf ofwel in overleg met hun maatschappelijk werker kozen.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.91
  • 2.14 Dubbele rol van de maatschappelijk werker 75% van de gebruikers heeft geen probleem met het feit dat hun maatschappelijk werker zowel een begeleidende als een controlerende functie heeft. Ze zijn van oordeel dat controle nodig is om alle misbruik te voorkomen. Doch 30% onder hen meent dat deze controle niet te ver mag gaan. Vooral het onderwerp “samenwonen” ligt bij veel gebruikers nogal gevoelig, en de controle daarop wordt dan ook niet altijd geapprecieerd. 13% van alle respondenten heeft moeite met de controlerende taak van hun begeleider, omdat dit volgens hen de vertrouwensrelatie tussen de maatschappelijk werker en de gebruiker aantast. De overigen hebben zich hierover niet uitgesproken.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.92
  • 5. CONCLUSIESCONCLUSIES P.93
  • 1. Algemeen A. Respons 81 van de 120 aangeschreven OCMW’s verleenden hun medewerking aan de kwantitatieve bevraging over de gevolgen van één jaar leefloonwet, terwijl interviews in 42 OCMW’s met 149 professionelen, namelijk voorzitters, secretarissen en maatschappelijk werkers, én in 22 OCMW’s met 110 gebruikers ons toelieten om diverse directe en indirecte aspecten van deze nieuwe regelgeving diepgaander te leren kennen. Meerdere OCMW’s slaagden er niet om één of meerdere kwantitatieve vragen in detail te beantwoorden en beperkten zich tot een totaalantwoord. Dit is vaak te wijten aan het ontberen van boordtabellen. B. Algemene vaststellingen Over het algemeen wordt de nieuwe wet als positief ervaren. Men is het er over eens dat deze wet beter afgestemd is op de maatschappelijke en sociale evolutie van de voorbije jaren, wat niet meer gezegd kon worden van de 28 jaar oude bestaansminimumwet. De indeling in nieuwe categorieën, de uitbreiding van de gebruikersrechten, de mogelijkheid tot tewerkstelling of tot geïndividualiseerde integratie, de betoelaging van de extra personeelsinspanningen, de duidelijkheid inzake procedures, … worden als belangrijkste positieve verwezenlijkingen aanzien. Ook de mogelijkheid tot betere integratie van de jongerendoelgroep, via de verplichting om hen te activeren door middel van een tewerkstelling of door middel van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat na verloop leidt tot een arbeidsovereenkomst, wordt als positief beoordeeld. Uit de kwantitatieve en kwalitatieve analyses blijkt bovendien dat de belangrijkste doelstellingen van de wet ook gerealiseerd worden door de OCMW’s. Dit neemt niet weg dat men ook een aantal knelpunten aanhaalt en dat een aantal artikels door sommigen onjuist geïnterpreteerd worden, wat vooral te wijten is aan een niet-adequate communicatie tussen de wetgevende macht en de uitvoerende instanties. Wij lichten de belangrijkste negatieve vaststellingen in de hiernavolgende paragrafen uitgebreid toe.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.94
  • 2. Kwantitatief luik Vooraf willen we opmerken dat in een samenvatting steeds compromissen worden gesloten tussen enerzijds het weergeven van de hoofdevoluties en anderzijds het weglaten van een aantal belangrijke details of verfijningen. Tevens vestigen wij uw aandacht erop dat wij in de hiernavolgende commentaren geen melding maken van het aantal respondenten waarop elke becijfering gebaseerd is. Daarom dringen wij er toch op aan om niet enkel deze synthese te lezen, maar wel het volledige verslag. Mocht dit niet haalbaar zijn voor elke lezer, dan hopen wij dat de syntheselezer de gegevens met de nodige omzichtigheid interpreteert. A. Total aantal gerechtigden Uit de steekproef blijkt dat het aantal leefloongerechtigden (dossiers) gestegen is met 3%. Het aantal geactiveerden kende een veel forsere absolute groei: 17,5% (2.1.2.1, blz.32). Nemen we beide doelgroepen samen, dan spreken we van een totale stijging van 4,4%. Houden we rekening met de ontdubbeling van een aantal dossiers (met een verdubbeling van het aantal rechthebbenden tot gevolg, bv. categorie gehuwden), dan is het totaal aantal rechthebbenden (personen) in de referentieperiode met -3,8% gedaald en het aantal geactiveerden met +17,5% gestegen (2.1.2.2, blz.34)! B. Gerechtigden van een financiële uitkering Het totaal aantal leefloongerechtigden (dossiers) excl. geactiveerden daalde in de kleine en de lichtbelaste OCMW’s (-19,7% resp. -8,9%), terwijl de zwaar belaste OCMW’s en de OCMW’s in grote steden de relatief sterkste toename kende (+ 6,1% resp. +4%) (2.1.2.1, blz.32; “belasting” op basis van het aantal OCMW- rechthebbenden t.o.v. totale gemeentelijke bevolking). Vlaanderen toont een daling (-2,6%) van het totaal aantal rechthebbenden (dossiers; incl. vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister en genietend van sociale hulp), terwijl Wallonië (+3%) en vooral het Brusselse Gewest (+13%!) een aangroei tonen. De doelgroep jongeren genietend van een leefloon (min-25jarigen) is in globo toegenomen (+7,3%) (2.2.3.2, blz.39): het aandeel van de min-25jarigen in de totale leefloonpopulatie stijgt immers van 23,4% op 30/9/2002 naar 25,1% op 30/9/2003. In tegenstelling tot de evolutie van het totaal aantal gerechtigden (d.w.z.de som van min-25jarigen en plus-25jarigen), kent Vlaanderen een forse aangroei van het aantal min-25jarigen (+8,9%). Ook de kleine en lichtbelaste OCMW’s vertonen een tegengestelde evolutie: terwijl het totaal aantal rechthebbenden daalt, groeit het aantal rechthebbenden jonger dan 25 jaar (+6,4% resp. +24,1%). Met andere woorden, de OCMW-leefloonpopulatie wordt in de aangehaalde voorbeelden merkelijk jonger. C. Gerechtigden van een activeringsmaatregel Hierbij dient onverwijld opgemerkt te worden dat het aantal activeringen eveneens toenam, namelijk met een netto-stijging van 12,5% en 17,5% in absolute cijfers (A, blz.41). Deze stijging is sterker dan gemiddeld in Brussel (+16,8%) en Vlaanderen (+16,2%), in kleine OCMW’s (+30,9%!) maar ook in grote OCMW’s (+13,9%), en in middelzwaar belaste OCMW’s (+16,6%). De licht belaste OCMW’s kennen slechts een geringe netto-stijging (+0,7%). D. Gerechtigden van een integratieproject Het aantal geïndividualiseerde integratieprojecten stijgt. Terwijl eind september 2002 16,6% van alle leefloongerechtigden genoot van een integratieproject, is dit eind september 2003 gestegen tot 22,4%. Of in relatie tot de stijging van het aantal leefloongerechtigden een netto-stijging van 34,8%! (A, blz.46). De stijging is sterkerFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.95
  • dan gemiddeld in Vlaanderen, in zwaar belaste OCMW’s, en in middelgrote OCMW’s. Het aantal integratieprojecten betreft essentieel de min-25jarigen: 4.128 min-25jarige gerechtigden vs. 168 plus-25jarigen in de steekproef op 30/9/2003, wat aantoont dat OCMW’s inderdaad eerst en vooral werk maken van de integratie voor de min- 25jarigen (C, blz.48). Doch opmerkelijk is dat het aantal integratieprojecten voor plus-25jarigen sneller steeg dan die voor de min-25jarigen over de geanalyseerde periode. Het meest voorkomende type individueel integratieproject is “student”, gevolgd door “overige integratiecontracten” en “tewerkstelling”. Binnen de groep “min-25 jarige leefloners” stijgt de subgroep die beschikt over een integratiecontract aanzienlijk, namelijk van 56% naar 73% (D, blz.50). Het blijkt dat deze subgroep sterker groeide dan de globale groep: de wet heeft dus een positieve invloed gehad op een van de voornaamste doelgroepen. E. Beslissingen De respons op de vragen in verband met doorverwijzingen, terugvorderingen, sancties en beroepen, is te laag voor een statistisch representatieve analyse. Het aantal leefloon-weigeringen door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn vertoont een aangroei van 20,5% ten opzichte van het totaal aantal raadsbeslissingen (2.9.3.1, blz.59), doch moet met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Immers, waar vroeger een dossier pas geregistreerd werd eenmaal duidelijk bleek dat de aanvrager recht had op OCMW-bijstand, moet sinds de nieuwe regelgeving een dossier reeds geregistreerd worden op het moment van het eerste onderhoud. Wat natuurlijk met zich meebrengt dat ook de niet-geschikte dossiers nu beoordeeld worden door de Raad en zodoende tot een de facto stijging van het aantal weigeringen leiden. F. Budgetaire effecten Uit het financieel luik van de analyse (2.10.3, blz.64) blijkt dat de OCMW’s nu procentueel meer inkomsten ontvangen dan in 2001. Wat niet onlogisch is: naar aanleiding van de invoegetreding van de nieuwe regelgeving werden een aantal nieuwe financiële tegemoetkomingen vanwege de federale overheid aan de OCMW’s doorgevoerd: subsidie personeelskosten, subsidie jongeren, subsidie studenten, subsidie vreemdelingen (van 50% subsidie in 2001 naar 60% in 2003, zij het enkel in de grote OCMW’s), verhoging leefloon met 4%.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.96
  • 3. Kwalitatief luik A. Positieve evaluatie Het weze duidelijk dat de respondenten de nieuwe wetgeving overwegend positief beoordelen. Wij vatten ze kort samen: − De categorieën houden beter rekening met de sociale en maatschappelijke evoluties van de voorbije decennia. − Vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister zijn volwaardige burgers geworden. − Er ligt een duidelijke nadruk op integratie, en op tewerkstelling en opleiding. − Het recht op leefloon en integratie is nu een individueel recht (individualisering). − Grotere aandacht via duidelijke regels voor de rechten van de cliënt. − Voor de eerste maal worden inspanningen vergoed via direct toewijsbare subsidies (betoelaging personeelskost per dossier, extra subsidies voor jongeren, studenten, …). − In het algemeen zijn de procedures die de wet oplegt, duidelijk en begrijpbaar. Voor een nadere toelichting van de positieve evaluatie van de wet, verwijzen wij naar deel 4boven (blz. 66 à 93), betreffende de kwalitatieve analyse van het impact van de nieuwe wet. Wij focussen ons in deze paragraaf meer op de “negatieve” oordelen dan op de “positieve” uitspraken om de komende aanbevelingen (zie deel 6onder, vanaf blz.101) beter te kunnen onderbouwen. B. Filosofie van de wet 73% van de ondervraagde OCMW’s geven echter te kennen dat ze de filosofie achter de RMI-wetgeving al hanteerden vóór de invoering ervan. De invoering van de RMI-wet was in die gevallen dus een formalisering van de reeds gehanteerde werkwijze. Teneinde deze opmerking in een juistere context te plaatsen, willen wij erop wijzen dat de belangrijkste kwantitatieve indicatoren inzake activatie, integratieprojecten, jongeren, …toch op een – soms zeer sterke – groei wijzen tussen september 2002 en sptember 2003. Met andere woorden, de nieuwe wet heeft de toepassing van de reeds bestaande praktijken versterkt, en ze ingevoerd in die OCMW’s die ze voordien nog niet hanteerden, in het bijzonder de kleine OCMW’s. Het zou dus o.i. verkeerd zijn om deze stijging enkel en alleen toe te schrijven aan de simpele wettelijke verplichting van een voorheen bestaande werkwijze. C. Administratieve werk De wet vereist een groter formalisme dan voorheen, doch afgezien van de als te zwaar beoordeelde intake (gezien de veelheid aan administratieve informatie die moet meegedeeld worden), vindt het merendeel van de respondenten de administratieve werklast weliswaar zwaarder maar toch nog draaglijk. Vele respondenten stellen hun hoop op een snelle invoering van de oplossingen die de Kruispuntbank zou bieden, om zo enerzijds de administratieve werklast te verlagen en anderzijds dubbel werk te voorkomen. D. Interpretaties van de wet Een belangrijke vaststelling is het feit dat een aantal opmerkingen betrekking hebben op onduidelijkheden of fouten in de regelgeving die tijdens of na onze bevragingsperiode middels omzendbrieven werden uitgeklaard. Wij citeren deFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.97
  • wijziging van de leeflooncategorieën, de verwarring rond bepaalde aspecten van de regelgeving inzake studenten en inzake daklozen. Toch blijven een aantal opmerkingen gelden met betrekking tot enkele enge interpretaties van de wet, en die o.i. kunnen opgelost worden door een betere en uitgebreide communicatie. Dit is het geval bij de verplichting om binnen de drie maanden een tewerkstelling aan te bieden aan de min-25jarigen: indien men de enge interpretatie van de wet volgt, dan moet het OCMW binnen de drie maanden reeds een tewerkstelling of geïndividualiseerd project hebben klaar liggen. De ruime interpretatie daarentegen, bevestigd door de Raad van State, stelt dat het kan zijn dat er na de periode van 3 maanden nog geen tewerkstelling aangeboden is, maar dat er toch een integratiecontract kan worden aangeboden dat binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst. De boodschap is dat de verbintenis is binnen de drie maanden alle mogelijke inspanningen te leveren om de professionele inschakeling van de jongere te bevorderen. E. Subsidies voor personneelskosten Een andere misvatting die bij nogal wat gesprekspartners leeft, is dat de extra betoelaging van personeelskosten (250 EUR per dossier) enkel mag gespendeerd worden aan extra personeel in de eigen sociale dienst. Nochtans stipuleert de wet dat, wanneer de toelage ontoereikend is om de kosten van een halftijdse betrekking te dekken, het OCMW deze middelen ook mag besteden aan het financieren van externe diensten die deze opdrachten inzake sociale en beroepsbegeleiding voor rekening van het OCMW uitvoeren, of deze middelen met andere OCMW’s samen mag beheren om de loonkosten van het bijkomend personeel gemeenschappelijk te financieren. F. Informatieplicht De informatieplicht van het OCMW ten opzichte van de gebruikers wordt volgens de gebruikers niet zo nauw gevolgd. Hoewel de maatschappelijk werkers in de kwalitatieve bevraging duidelijk verklaren dat zij het recht op bijstand en hoorrecht aan de gebruikers meedelen tijdens de gesprekken, geeft een meerderheid van de gebruikers aan dat zij niet op de hoogte waren van deze rechten. G. Studenten Een ander aspect dat binnen de professionele respondenten tot eerder negatieve dan wel positieve beoordeling leidt, is de regelgeving ten aanzien van studenten. Hierbij merken wij op dat vele vragen en onduidelijkheden werden beantwoord door middel van de omzendbrief van 3 augustus 2004. Als negatieve bedenking blijft de vaststelling overeind dat een aantal OCMW’s het niet eens is met de “eeuwige bevoegdheid”, d.w.z. dat men bevoegd blijft voor de studenten, ook nadat zijn ouders uit de gemeente verhuizen. H. Bezinningstermijn De bezinningstermijn voor ondertekening van een contract wordt door beide partijen (OCMW en begunstigde) beoordeeld als nuttig in de wet maar minder relevant in de praktijk. Het id daarom vaak niet nageleefd. Als verklaring wordt aangehaald dat voorafgaandelijk aan het contractvoorstel reeds voorbereidende gesprekken plaatsvonden waarin alle mogelijke hindernissen besproken werden. De gebruiker heeft hierdoor meestal geen nood aan de bezinningstermijn. Wanneer een gebruiker wel beslist om gebruik te maken van deze vijf dagen, wordt dit niet als negatief aanzien. I. Sancties Veel OCMW’s hebben bedenkingen bij de regelgeving rond sancties, zelfs als zij die als klaar en duidelijk beschouwen. De OCMW’s bevestigen tijdens de interviews de kwantitatieve gegevens door aan te geven dat zij geen groot gebruik maken van die wettelijke mogelijkheden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.98
  • Zij wijten dit voornamelijk aan 2 motivaties. Vooreerst vinden de meeste respondenten dat het tijdsinterval tussen de uitspraak en de aanvang van de sanctieperiode te lang is. De sanctieperiode gaat nu pas in op de eerste dag van de tweede maand volgend op de beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. Verder menen een aantal OCMW’s dat sancties op het leefloon weinig zin hebben vermits het OCMW de plicht heeft om de gebruiker dan op een andere wijze te helpen tijdens zijn/haar sanctieperiode. Een aantal gesprekspartners vermeldde hierbij het belang van bepaalde financiële aspecten : leeflloon wordt deels federaal gesubsidieerd, terwijl de gebruikte alternatieve financiële hulpverleningsvormen niet door de federale overheid worden . J. Administratieve knelpunten Een aantal knelpunten zijn tijdens de kwalitatieve bevraging opgemerkt. Wij vatten die puntsgewijs samen: − De periode van doorverwijzing bij onbevoegdheid (5 kalenderdagen) wordt vaak als te kort beoordeeld. − De berekening van het leefloon wordt regelmatig als te complex ervaren. − Het intakeformulier en het intakeproces worden als te omslachtig ervaren3. − De toelage inzake personeelskosten wordt enkel toegekend voor dossiers die uitmonden in een toekenning van een leefloon en niet voor diegene die uitmonden in een weigering. − De kans dat de trajectbegeleiding verloren gaat door ofwel het toegenomen formalisme en de administratieve werklast, is latent aanwezig in kleinere OCMW’s waarin men niet over een afzonderlijke intakecel4 of over een specifieke administratieve ondersteuning beschikt. K. Andere knelpunten De overige belangrijkste knelpunten van “algemene” aard volgen: − Bij personen met co-ouderschap moet het effectief gaan om een verblijfsregeling van 50% van de tijd. − Er is te weinig samenwerking tussen de onderwijsinstellingen en de OCMW’s in het kader van de geïndividualiseerde projecten voor studenten. − De maatschappelijk werkers weten momenteel niet waar hun taak in het zoeken naar een tewerkstelling eindigt en waar deze van de VDAB / FOREM / ORBEM en andere tewerkstellingsorganen begint. − De samenwerking met andere instellingen van sociale zekerheid, zoals andere werkgelegenheidsactoren, laat vaak te wensen over. − De integratie van vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister wordt niet bevorderd door enkel maar het uitkeren van een leefloon, maar vereist ook andere maatregelen. − De wachttijd bij de RVA of de behandeling van dossiers duurt soms te lang waardoor het OCMW ook niet verder kan. − De leefloonbedragen worden door een meerderheid van de respondenten als te laag beschouwd, en laten een volledige integratie niet toe. Diverse respondenten 3 Wij wijzen er nogmaals op dat de opbouw en inhoud van het intakeformulier als dusdanig niet door de wet is opgelegd. Wel verplicht de wet om een aantal gegevens te vragen tijdens de eerste contacten met de cliënt. En blijkbaar vereisen deze gegevens een aanpak die door meerdere OCMW’s vertaald werd in een gestandaardiseerd intakeformulier en en een gestandaardiseerd sociaal onderzoek, die op hun beurt dan weer door een aantal maatschappelijke werkers als zwaar en omslachtig wordt ervaren. Wij verwijzen naar Art.19 van de RMI-wet van 26 mei 2002 en naar het KB van 11 juli 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. 4 In een aantal OCMW’s zijn de taken zo verdeeld dat de hulpvrager eerst een intake procedure doorloopt waarin een medewerker van de sociale dienst - in de door ons gecontacteerde OCMW’s was dit steeds een maatschappelijk werker - de nodige administratieve vragen stelt die moeten toelaten dat de hulpvrager al dan niet recht heeft op één of meerdere aspecten van het recht op maatschappelijke integratie. Vervolgens wordt de hulpvrager doorverwezen naar een maatschappelijk werker « begeleiding ».Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.99
  • merkten op dat het OCMW in vele situaties bijkomende steun geeft (huurwaarborg, budgetbegeleiding, ...). − De leefloonwet is slechts één instrument tegen armoedebestrijding, maar andere instrumenten zijn onontbeerlijk: er dient ook gewerkt te worden aan huisvesting, onderwijs, kinderopvang. − De opdeling tussen min-25jarigen en plus-25jarigen wordt als artificieel gezien5. Het OCMW zou ook de plicht moeten hebben om plus-25jarigen binnen een aanvaardbare periode (d.w.z. langer dan 3 maand) te begeleiden richting tewerkstelling of richting individueel integratieproject 5 Dit neemt niet weg dat men in de realiteit wel rekening hield met deze grens. Het aantal min-25jarigen dat op 30/9/2003 met een activering of een geïndividualiseerd project benut wordt is veel groter dan het aantal plus- 25jarigen met dezelfde mogelijkheden (zie C, blz.48).Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.100
  • 6. AANBEVELINGENAANBEVELINGEN P.101
  • 1. Inhoud Sinds oktober 2002 werd één van de pijlers van de OCMW-regelgeving, de bestaansminimumwet die al dateerde van 1974, vervangen door een nieuwe regelgeving, namelijk de wet op maatschappelijke integratie. De oude bestaansmiminumwet was te sterk gericht op het louter geven van financiële steun, en was niet meer langer aangepast aan de maatschappelijke, sociale en economische veranderingen die zich in de afgelopen 28 jaar hadden voorgedaan. Daarom wou men via de nieuwe wet de groeiende kloof tussen enerzijds de beroepsactieven, de werkenden, en anderzijds zij die van een uitkering leven en inactief zijn, verkleinen. Op basis van het solidariteitprincipe van de samenleving naar een OCMW-cliënt en vice versa, wou men middels de nieuwe wet een actieve participatie van iedereen in de samenleving realiseren, en dit in eerste instantie door tewerkstelling. De wet besteedt in dit verband bijzondere aandacht aan de begeleiding van de min-25jarigen. Onze opdrachtgever, de Minister van Maatschappelijke Integratie, besliste om deze nieuwe regelgeving na één jaar werking te evalueren. In de hiernavolgende paragrafen vindt u onze belangrijkste verbeteringsvoorstellen. Zij zijn gebaseerd op onze interpretatie van de resultaten van de schriftelijke bevraging van 81 OCMW’s over de eerste 12 maanden waarin de regelgeving van kracht was, en op de diepte-interviews met OCMW-medewerkers, OCMW- beleidsverantwoordelijken (149) en OCMW-gebruikers (110) waarbij de praktijk van de eerste 18 maanden gepolst werd. Vergelijkingen met de regelgeving en haar toepassing in andere landen werden niet gemaakt, vermits dit niet tot de scope van de opdracht hoorde. De verbetervoorstellen zijn als volgt gegroepeerd geworden: − Een aantal verbetervoorstellen richten zich op de interne werking van het OCMW. − Waar mogelijk, suggereren wij verbeteringen in de samenwerking met andere federale of regionale diensten. − Een aantal verbeteringsmogelijkheden hebben betrekking op de relatie tussen OCMW’s en andere lokale dienstverleners. − Terwijl een laatste groep verbetervoorstellen zich richt op inhoudelijke aspecten van de regelgeving.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.102
  • 2. Interne werking van het OCMW2.1 Management Informatie Systeem Tijdens de kwantitatieve en de kwalitatieve bevraging stelden wij vast dat het gros van de OCMW’s veel relevante informatie bijhoudt op dossierniveau, doch deze informatie niet benut als meetinstrument of als onderdeel van een beleidsinformatiesysteem. Wij vermelden ter illustratie: aantal sancties en aard & looptijd, aantal terugvorderingen & aard, aantal beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, aantal doorverwijzingen, enz. Dit leidt er natuurlijk ook toe dat de informatie op OCMW-niveau vaak versnipperd is binnen de organisatie. Bij wijze van illustratie beperken we ons tot het citeren van slechts 2 willekeurige voorbeelden: − de dienst maatschappelijk werk beschikt over de basisinformatie, doch mist de tools om deze informatie in een gesynthetiseerde vorm ter beschikking te stellen van de OCMW-raad, zodat deze niet steeds over alle informatie beschikt om een op facts en figures onderbouwd beleidsplan uit te werken. − de ontvangerij beschikt over het bedrag en het aantal dossiers waarvoor men 10% verhoogde subsidie ontvangt voor integratie van studenten, doch vaak kan dit niet op een eenvormige en eenvoudige wijze gekoppeld worden aan de informatie zoals geregistreerd in de dienst maatschappelijk werk. Ook de jaarverslagen van de diverse OCMW’s getuigen van een verregaande eigen aanpak, opbouw en invulling. Weinig is gestandaardiseerd, waardoor niet steeds alle relevante kwantitatieve beleidsinformatie zoals gevraagd in onze enquête, hierin terug te vinden is. Het gebrek aan standaardisatie maakt een onderlinge vergelijking tussen OCMW’s over de diverse aspecten van de leefloon-materie slechts beperkt mogelijk. Wij pleiten daarom dat prioriteit wordt verleend aan: − Een project dat als doel heeft een geuniformiseerd management informatie systeem uit te werken, waarbij de boordtabellen en de invulvelden in de praktijk zo benut kunnen worden dat elk OCMW er eigen accenten kan aan toevoegen (bijvoorbeeld eigen analyses of eigen interne rapporteringmodellen). Dit systeem dient zo opgevat te worden dat men op niveau van het OCMW, via geautomatiseerde tools, op periodieke basis een up-to-date overzicht en inzicht heeft van de diverse aspecten van de leefloon-materie die relevant zijn als beleidsinput. Wij menen dat hierin minstens de gegevens zoals gevraagd in onze kwantitatieve bevraging, moeten opgenomen zijn. De aanpak van dit project kan gebeuren via een projectgroep die samengesteld is uit minstens een aantal OCMW’s, geselecteerd op grootte, belasting, regio, …, de POD en de gewestelijke verenigingen van steden en gemeenten. − Een project met als doel de standaardisatie van het inhoudelijk en financieel stramien van rapportering van een OCMW aan zijn diverse stakeholders (lokaal, provinciaal, gewestelijk, nationaal). Dit project beoogt dus een standaardisatie van de productie en van de verspreiding van de OCMW-jaarrekening, en dit op basis van de reeds bestaande rapporteringen in OCMW’s, en eventueel geïnspireerd op modellen die men reeds jaren gebruikt in het bedrijfsleven en sinds enkele jaren in de not-Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.103
  • for-profit sector (vzw’s, …). De bekomen financiële, beleidsmatige en boekhoudkundige rapporten zouden op electronische wijze ter beschikking gesteld moeten kunnen worden van de diverse doelgroepen, en dit op zon’ wijze dat ze uniform is voor alle OCMW’s. Bovendien moeten deze rapporten zo ontworpen worden dat ze onafhankelijk zijn van de actuele systemen en de actuele financiële en boekhoudkundige en beledismatige software-tools die OCMW’s gebruiken. Op die wijze wordt de consolidatie van deze informatie en de interpretatie op een hoger niveau mogelijk. Dit zou moeten toelaten om de financiële stromen tussen de diverse subsidiërende partners te objectiveren, en om zowel een globale als een gedetailleerde opvolging van de budgetten en de evolutie van de ontvangsten en de uitgaven te bewaken. Dergelijke standaarden worden sinds jaren gebruikt door privé-bedrijven. Bij wijze van voorbeeld verwijzen wij naar de BNB en de software-tool BelFirst© van Bureau Van Dijk. Ook de aanpak van dit project kan gebeuren via een projectgroep die minstens samengesteld is uit OCMW’s, (geselecteerd op grootte, belasting, regio, …), de diverse betrokken overheden en de gewestelijke verenigingen van steden en gemeenten.2.2 Communicatie door het OCMW naar doelgroep Weinig OCMW’s communiceren proactief over hun dienstverlening, afgezien van een periodiek summier overzicht in een lokale (meestal gemeentelijke) uitgave. Weinig OCMW’s beschikken trouwens over een eigen, uitgebouwde website. Toch merkten diverse respondenten, zowel gebruikers als OCMW-medewerkers, op dat het OCMW weliswaar gekend is, doch voornamelijk als verschaffer van financiële middelen, en te weinig als verschaffer van sociale hulp & begeleiding. Diensten zoals schuldbeheer, voedselbedeling, tewerkstellingsbegeleiding, huurbemiddeling, juridische ondersteuning, budgetbegeleiding, … zijn blijkbaar heel wat minder gekend. Daardoor komt het h.i. regelmatig voor dat personen pas komen aankloppen eenmaal de aanvrager nog dieper in de problemen zit en absoluut geen uitweg meer ziet, en waardoor het OCMW wel genoodzaakt is om een leefloon uit te keren en niet langer met “kleinere” hulpverleningen de situatie kan helpen omturnen. Daarom pleiten wij dat de OCMW-Raad middelen vrijmaakt voor een proactieve communicatie, middels themagebonden begrijpbare korte publicaties en/of via een eigen website. Een website moet o.i. in deze situatie gezien worden als een aanvulling op, niet een vervanging van papieren communicatie. Deze prospectussen moeten ter beschikking gesteld worden van de doelgroepen in een zo groot mogelijk aantal instellingen en niet enkel in de OCMW’s lokalen. O.i. kunnen de verenigingen (VVSG, AVCB-VSGB, UVCW), de POD en anderen hierin middels overlegkoepels of samenwerkingsverbanden een stimulerende rol spelen. Bij wijze van voorbeeld verwijzen wij naar de website van OCMW Antwerpen, de enige website die door enkele gebruikers werd aangehaald. Ook enkele maatschappelijk werkers gaven aan dat zij deze website benutten om informatiefolders, bevattelijk opgesteld voor de gebruiker, voor gebruik binnen hun dienstverlening aan te wenden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.104
  • 3. Samenwerking OCMW en andere diensten3.1 Samenwerking OCMW en POD Maatschappelijke Integratie3.1.1 Integratie van M.I.S. in “nationaal” M.I.S. Momenteel wordt een veelheid aan informatie op vrijwillige (bv. monitoring-fiches) dan wel verplichte basis (bv. rapporteringen zoals jaarverslag over de evolutie van de personeelskosten) door de OCMW’s aan een veelheid van overheidsdiensten doorgegeven. Volgens de OCMW’s impliceert dit vaak dat men stand-alone applicaties ontwikkelt om deze gegevens te consolideren of dat men de gegevens manueel verzamelt, omdat in de in OCMW’s gehanteerde registratiepakketten niet of onvoldoende mogelijkheden zijn ingebouwd om de gevraagde informatie in de gewenste vorm te extraheren. Voor het gros der OCMW’s vertegenwoordigt de rapportering aan diverse belanghebbenden een aanzienlijke administratieve belasting, die door moderne beheerstools aanzienlijk gereduceerd kan worden. Daarom zijn wij van mening dat de beheerssystemen eigen aan OCMW’s (zie §2.1boven, blz.103) zo otnworpen moeten worden dat de vele gebruikte gegevens op een eenvoudige wijze toegankelijk worden en in gestandaardiseerde formaten beschikbaar worden om doorgestuurd en geïntegreerd te worden in één of meerdere centrael databanken. Deze gegevenscentralisatie moet zo geautomatiseerd mogelijk verlopen, met zo weinig mogelijk menselijke tussenkomsten. Bovendien moeten deze gegevensbestanden o.i. beheerd worden door een specifieke instelling, die de rol speelt van contactpunt voor de diverse informatie- aanvragen vanwege diverse relevante doelgroepen. Indien de POD Maatschappelijke Integratie over een dergelijke oplossing zou beschikken, kan zij altijd beleidsvoorbereidend acteren op basis van up-to-date informatie die afkomstig is van alle OCMW’s. Blijkbaar zou deze mogelijkheid in het concept van de Kruispuntbank (zie §3.2onder, blz.107) ingebouwd zijn of worden.3.1.2 Communicatie & informatie naar OCMW’s Sinds de invoering van de nieuwe regelgeving hebben een aantal wetsartikelen geleid tot interpretatiemoeilijkheden. Dit werd versterkt door de vaststelling dat de maatschappelijk werkers volgens eigen zeggen over omzeggens geen opleiding beschikten bij de invoering van de wet. Een aantal van deze wetsartikelen werden inmiddels via omzendbrieven beter verduidelijkt. Wij citeren zonder volledig te willen zijn onder meer de omzendbrief dd. 03-08-2004 inzake studenten en het recht op leefloon, de omzendbrief dd. 24-02- 2003 inzake daklozen en de omzendbrief inzake wijziging van de leeflooncategorieën.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.105
  • Anderzijds blijkt uit de analyse dat OCMW’s onderling, en binnen OCMW’s de geïnterviewde doelgroepen, nog steeds niet altijd op een zelfde wijze een zelfde wetsartikel interpreteren. Wij vermelden in deze context 2 actuele voorbeelden: − Enge interpretatie (resultaatsverbintenis) versus ruime interpretatie (middelenverbintenis) inzake de termijn van 3 maanden bedoeld voor tewerkstelling van min-25jarigen (Art.6). − Aanwendingsmogelijkheden van de “extra financiering voor personeelskosten” voor eigen extra personeel dan wel in een partnership met andere dienstverleners (Art.40). Wij pleiten daarom dat de POD Maatschappelijke Integratie ook rond deze wetsartikelen een verduidelijkende omzendbrief opstelt en aan de OCMW’s bezorgt. Wij pleiten er ook voor dat de verzending van deze omzendbrieven gegeneraliseerd wordt en dat dergelijke brieven dus steeds aan elke relevante OCMW-medewerker rechtstreeks toegestuurd worden. Verder is het ons inziens zinvol dat de POD middels een omzendbrief het bestaan van haar - o.i. overigens goed uitgebouwde en rijk gestoffeerde - website en vooral de informatie die erop beschikbaar is, aan alle maatschappelijk werkers verduidelijkt. En de mogelijkheden van deze website als bidirectioneel communicatieplatform, al dan niet in samenwerking met de verenigingen (VVSG, AVCB-VSGB, UVCW), benut. In het tijdperk van de overvloed aan informatie en van de beschikbaarheid van on- line communicatie is het immers steevast opvallend dat de uiteindelijke bestemmeling door het bos de bomen niet meer ziet, en de voor hem bedoelde informatie niet vindt of niet kent. Tevens pleiten wij ervoor dat op de website van de POD een informatiegids voor de gebruiker ter beschikking komt, die in een vulgariserende, begrijpbare taal voor die gebruiker is opgesteld. De huidige tekst wordt ervaren als te juridisch-administratief geformuleerd. Tenslotte menen wij dat schriftelijke toelichting op zich ontoereikend is, en dat er door de POD, in samenwerking met de gewestelijke verenigingen, te velde korte informatie- en verduidelijkingsessies voor die OCMW-medewerkers georganiseerd moeten worden die met de RMI-wet werken.3.1.3 Hulplijn Meerdere gesprekspartners – in het bijzonder onder de maatschappelijk werkers – haalden een ruime verscheidenheid aan punten aan, waarvoor volgens hen extra toelichting of verduidelijking noodzakelijk was. Daarom stellen wij voor dat een centrale dienst gecreëerd wordt binnen de POD, met een groen nummer of 0800-nummer, waarop elkeen met vragen inzake de RMI-wet en haar toepassingen terechtkan. Wij menen dat een zeer beperkte staf van enkele medewerkers toereikend moet zijn. Uit de hier gestelde vragen kan de POD vervolgens een lijst van “meest gestelde vragen” afleiden, en deze vragen-met-antwoord plaatsen op een speciaal luik van haar website, zodat elkeen die met dergelijke vraag worstelt, snel het antwoord kan terugvinden.3.1.4 Calculatietools voor OCMW’s Een aantal OCMW’s gaf te kennen dat de nieuwe berekeningen in een aantal gevallen (vooral met betrekking tot co-ouderschap en tot alleenstaanden met verhoogd bedrag) ingewikkelder en arbeidsintensiever zijn geworden. Sommige OCMW’s beschikken over geautomatiseerde tools voor deze berekening, anderen dan weer niet. O.i. kan de POD haar klantgerichtheid verhogen door aan alle OCMW’s via haar website of via een gesloten netwerk on-line of off-line calculatietools ter beschikkingFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.106
  • te stellen. Dit voorkomt zoekwerk en rekenwerk bij het OCMW zelf en reduceert de kans op fouten en de frustratie over complexiteit.3.2 Kruispuntdatabank Diverse OCMW’s merkten op dat ze hoge verwachtingen koesteren over de mogelijkheden die de Kruispuntdatabank hen zal bieden. Zij zien hierin een mogelijkheid om de administratieve werklast van de sociale dienst te verlagen én om sneller en efficiënter te werken, waardoor opnieuw meer tijd beschikbaar komt voor de eigenlijke begeleidingsopdracht. Opvallend was hierbij dat slechts weinig gesprekspartners ook daadwerkelijk konden schetsen wat die mogelijkheden effectief zullen zijn. De meest gestelde bedenkingen van de OCMW’s hadden betrekking op het feit dat het ganse project zich sinds “te lang” in een testfase zou bevinden, dat diverse informatiegegevens blijkbaar nog niet aanwezig zijn, dat OCMW’s geen prioriteit waren (tot nu toe?), en dat er een schijnend gebrek aan duidelijke informatie is betreffende deze materie. Ook bleek men geen idee te hebben over wat nu de definitieve datum van zowel verplichting als operationaliteit zou worden. Daarom pogen wij de essentie m.b.t. OCMW’s als volgt samen te vatten. De Kruispuntbank wil het elektronische netwerk worden tussen het Rijksregister, alle OCMW’s en alle andere instellingen van sociale zekerheid. De verschillende instellingen zullen met elkaar verbonden worden via een beveiligd netwerk. Het is de bedoeling dat alle OCMW’s van het land zullen toetreden tot het netwerk van de sociale zekerheid. Door toe te treden tot dit netwerk, tekenen zij tegelijkertijd in op een proces van modernisering en rationalisering van hun eigen werk en van het werk van alle andere “participanten”. Immers, eens aangesloten op het netwerk krijgen de OCMW’s een beveiligde toegang tot gegevens die beschikbaar zijn in de databanken van de instellingen van sociale zekerheid die aangesloten zijn op het netwerk van de sociale zekerheid. Natuurlijk is het de bedoeling dat de OCMW’s ook zelf gegevens ter beschikking stellen van het netwerk. De Kruispuntbank zal dus alle informatie van alle deelnemende verschillende instellingen aan elkaar doorgeven, zonder zelf een reuze-databank te zijn. De voordelen hiervan zijn: − De OCMW’s zullen beschikken over gegevens die elders reeds ingevoerd én gecontroleerd zijn, en die zij dus niet zelf meer zullen moeten inzamelen bij de cliënt of de aanvrager. Ook de cliënt of de aanvrager zelf moet niet langer worden lastiggevallen om de gegevens te verzamelen. Dit zou een oplossing kunnen bieden aan de opmerking van de respondenten tijdens ons onderzoek dat de intakeformulieren dermate veel informatierubrieken bevatten, dat men in een eerste gesprek met de aanvrager enkel maar tijd kan besteden aan administratie. − OCMW’s zullen automatisch mutaties in persoonsgebonden dossierberichten kunnen uitwisselen met andere instellingen aangesloten op het netwerk. Ook dit zou voor de OCMW’s tot een reductie van rework moeten leiden en tot een vermindering van administratieve werklast. − Afgeleid voordeel is dat de unieke identificatiecode per aanvrager zou moeten verhinderen dat één individu als hulpbehoevend zou worden erkend door meerdere OCMW’s. Men zal onmiddellijk kunnen nagaan of de hulpvrager reeds elders gekend is. En het OCMW voorkomt dat het niet binnen de gestelde termijn van 5 kalenderdagen haar doorzendingsverplichting als onbevoegd OCMW kan uitvoeren of niet binnen de gestelde termijnen gegevens kan opvragen bij andere openbare of financiële instellingen. − Uiteindelijk zou hierdoor veel informatie, relevant voor het sociaal onderzoek en de intake, op een snellere en betrouwbaarder manier verzameld kunnen worden.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.107
  • De sociale onderzoeken en intakes van de maatschappelijk assistenten zouden sneller, betrouwbaarder, objectiever en vollediger kunnen verlopen. − Ook de papierstroom kan op deze wijze beperkt worden. Omdat wij zelf overtuigd zijn dat de voordelen van e-government opwegen tegen de nadelen, en omdat OCMW-sociale diensten aangeven dat de administratieve belasting enkel maar stijgt, pleiten wij daarom voor volgende aanbevelingen: − Een duidelijke communicatie op korte termijn naar alle OCMW’s over de stand van zaken van het Kruispuntbank-project wat betreft  de projecten en de voortgang ten voordele van OCMW’s,  het bestaan en de taken van de werkgroepen en de stuurgroep in het Kruispuntbank-project m.b.t. OCMW’s. − Een duidelijke communicatie naar alle OCMW’s over de timing, de aansluitingsmodaliteiten, het stappenplan, de procedures en regels voor OCMW’s − Het opzetten van overlegkoepels of samenwerkingsverbanden, opdat alle OCMW’s op dezelfde wijze de gecommuniceerde informatie zouden begrijpen en op een zelfde wijze de realisatie kunnen aanpakken. Op deze wijze deelt men ook snel en goedkoop de kennis inzake “best pratices”.3.3 Samenwerking OCMW & andere lokale partners De samenwerking tussen het OCMW en andere dienstverleners inzake tewerkstelling blijkt vaak moeilijk te verlopen. Dit kan natuurlijk deels te wijten zijn aan de noodzakelijke groeipijnen die zich wellicht nog manifesteren, vermits wij uiteindelijk een evaluatie maakten over een regelgeving die op het ogenblik van de interviews pas sinds anderhalf jaar in voege was. Toch was het opvallend dat die weinige OCMW’s in onze steekproef, die zich omgevormd hadden tot of die deel uitmaakten van een concept van een Sociaal Huis6 als eerste aanspreekpunt in de sociale dienstverlening én inzake tewerkstelling voor hun cliënteel, hierover minder negatieve vaststellingen maakten Wij beseffen dat aan de grondslag voor dergelijke werking vooreerst een politieke bereidheid moet bestaan op gemeentelijk vlak, met vervolgens heldere afspraken inzake bevoegdheidsverdeling en met een duidelijk bestuursakkoord tussen OCMW, gemeente, VDAB en RVA (Werkwinkel7), huisvestingsmaatschappijen, sociale verhuurkantoren, juridische diensten, enz. Toch pleiten wij voor een intensieve(re?) communicatieactie naar de OCMW’s en de andere betrokken diensten, en een aanpak via overlegkoepels, om middels “best practices” het hefboomeffect van een dergelijk vernieuwend en geïntegreerd lokaal welzijns- en tewerkstellingsbeleid aan te tonen en zo een groter aantal “sociale huizen” te laten ontstaan. Op deze wijze kan men hopen dat vooral de kleine landelijke OCMW’s over een groter aantal tewerkstellingsmogelijkheden zullen beschikken dan momenteel het geval is. Los van het voorgaande, menen wij dat een informatiecampagne naar de andere lokale tewerkstellingspartners over de toegevoegde waarde voor de maatschappij van de integratie van RMI-begunstigden via tewerkstelling en over de rol hierin van het OCMW, tot een beter begrip voor de inspanningen van het OCMW ter zake kan bijdragen. Verder lijkt het ons zinvol dat doorverwijzers zoals vakbonden, ziekenfondsen, … middels een korte opleidingssessie nog beter ingelicht worden over de mogelijke dienstverleningen door het OCMW en over de modaliteiten inzake leefloon en integratie. Dit teneinde de te hoge verwachtingen die gebruikers in een aantal situaties vanwege deze doorverwijzers kregen, te voorkomen. 6 Wij verwijzen naar §1.6 van hoofdstuk 4 (blz.76) voor een toelichting over Sociaal Huis, Werkwinkel, … 7 idem.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.108
  • Tenslotte moeten duidelijke samenwerkingsregels bepaald worden over de taak en de verantwoordelijkheid van elke partner, en over de vorm en wijze van samenwerking tussen partners m.b.t. tewerkstelling en integratie. Zo moeten bijvoorbeeld tussen VDAB resp. FOREM en OCMW duidelijke regels vastgelegd worden m.b.t. de overdracht en de opvolging van niet enkel dossiers van einde- contract-Art.60§7-ers, maar ook voor alle andere ex-OCMW-cliënten die richting werkloosheidsdienst “verhuizen”.3.4 Samenwerking OCMW & andere instellingen van sociale zekerheid Zoals aangehaald in het hoofdstuk “kwalitatieve analyse” kampen een aantal OCMW’s met de vaststelling dat niet alle instellingen van sociale zekerheid de termijnen, zoals bepaald in het “Handvest van de Sociaal Verzekerde”, nakomen. Dit leidt bij hen tot vertraging in dossierafhandeling, tot voorkombare administratieve inspanningen en uiteindelijk in een lagere klantentevredenheid. Bij wijze van voorbeeld: de wachttijd of de behandeling van dossiers bij de RVA duurt soms te lang waardoor het OCMW tijdelijk steun moet geven opdat de aanvrager zou beschikken over een vorm van inkomen. Indien de aanvraag bij de RVA achteraf goedgekeurd wordt en blijkt dat de aanvrager recht heeft op een werkloosheidsuitkering, kan het OCMW de tijdelijke steun terugvorderen en moeten daarvoor verschillende administratieve formaliteiten afgehandeld worden, waardoor veel kostbare tijd verloren gaat. Wij stellen daarom voor dat de verantwoordelijke overheidsdienst er op toeziet dat elke instelling van sociale zekerheid de termijnen en bepalingen naleeft. O.i. is het bovendien niet meer dan logisch dat dergelijke opvolging en bewaking in de toekomst geïntegreerd wordt in het concept van de Kruispuntbank.3.5 Samenwerking OCMW & Administratie Kadaster, registratie en domeinen Tijdens het sociaal onderzoek blijkt deze administratie vaak geconsulteerd te worden, doch vaak ook met de nodige problemen inzake doorlooptijd en werkwijze. Wij stellen voor dat door de bevoegde overheid gestreefd wordt naar een kader dat moet leiden tot een uniforme beantwoording door de lokale antennes van deze administratie van de door het OCMW gestelde vragen.3.6 Samenwerking OCMW & onderwijs Indien een student niet verblijft of niet langer woonachtig is in de gemeente van het OCMW dat hem steunt (en dit voor de ganse duur van de studies), is het voor het OCMW inderdaad zeer moeilijk om zelf op te volgen in hoeverre de student zijn plichten m.b.t. zijn geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie nakomt. Een actieve medewerking van de onderwijsinstelling lijkt ons daarom noodzakelijk. Een aantal respondenten zijn voorstanders van een sterkere uitbouw van het systeem van studieleningen, te verstrekken bijvoorbeeld door het departement Onderwijs. Volgens hen zou de studielening hierbij een deel of de volledigheid van het leefloon kunnen vervangen; zij denken ook dat dergelijke oplossing een aantalFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.109
  • gemotiveerde studenten nog meer zal responsabiliseren, die OCMW-cliënt zijn en die in een latere levensfase dankzij het verworven diploma over hogere inkomsten zullen beschikken. Wij zijn geen voorstander van dit voorstel. Enerzijds is dergelijk voorstel immers slechts relevant indien het voor alle categorieën van studenten wordt toegepast, d.w.z. ook voor de niet-OCMW-cliënten. Anderzijds zal waarschijnlijk een groot aantal potentiële studenten dat OCMW-afhankelijk is door het systeem van studieleningen nog meer afgeschrikt worden om een studie aan te vatten dan in vergelijking met de huidige situatie. En hierdoor nog moeilijker uit hun armoedesituatie geraken en tot zelfontplooiing kunnen komen.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.110
  • 4. Regelgeving4.1 Het recht op maatschappelijke integratie4.1.1 Nieuwe categorieën De wetgever voerde diverse wijzigingen door aan de leeflooncategorieën. De meerderheid van de OCMW’s is daar globaal gezien tevreden over, omdat ze beter aansluiten bij de evoluties die zich in onze maatschappij voordeden. Toch maken ze ook kritische bedenkingen. Voor een volledig overzicht verwijzen wij naar het hoofdstuk “kwalitatieve analyse”. Wij wensen hierbij op te merken dat de oorspronkelijke categorieën ondertussen achterhaald zijn: de categorieën werden vanaf 27 februari 2004 gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004. Bovendien worden de categorieën binnenkort nogmaals gewijzigd: vanaf januari 2005 worden de 4 categorieën teruggebracht tot 3. Desalniettemin blijft volgende bedenking voor verbetering vatbaar: Voor de subcategorie personen met co-ouderschap moet de verblijfsregeling precies de helft van de tijd betreffen, en kan de feitelijke situatie niet primeren op de juridische.4.1.2 Categorie vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister De OCMW’s beoordelen de uitbreiding van de categorieën van rechthebbenden tot vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister als positief, maar merken terecht op dat integratie van vreemdelingen niet alleen maar bevorderd wordt door het uitkeren van een leefloon. Wij pleiten daarom dat deze doelgroep, ongeacht de leeftijd (d.w.z. voor zowel min- 25jarigen als plus-25jarigen), een verplicht integratieproject krijgt met als doel het aanleren van één van de in België gebruikelijke voertalen. De motivatie voor en het welslagen van het integratieproject kunnen o.i. determinerend zijn voor de voortzetting van de leefloonsituatie. Eenmaal men de taal machtig is, is in principe inburgering vlotter haalbaar en kunnen de OCMW’s in principe gemakkelijker zorgen voor een aangepaste tewerkstelling. Wij vernamen tijdens de interviews dat men weliswaar positief staat tegenover dergelijke aanpak doch dat momenteel het aanbod aan taallessen geenszins toereikend is om de vraag in te vullen. Daarom pleiten wij tevens voor een snelle aanpak van dit probleem.4.1.3 Doelgroep studenten Uit de kwalitatieve interviewronde kwamen diverse knelpunten inzake deze doelgroep naar boven. Voor een volledig overzicht verwijzen wij naar het desbetreffend hoofdstuk. Wij merken op dat het merendeel van de aangehaalde opmerkingen uiteindelijk terug te brengen zijn tot gepercipieerde onduidelijkheden in de wet. Wij zijn erFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.111
  • daarom van overtuigd dat de omzendbrief van 3 augustus 2004 diverse knelpunten verduidelijkt heeft. Dit neemt niet weg dat de mogelijkheden van studielening bestudeerd moeten worden, net zoals het o.i. een noodzaak is dat de onderwijsinstelling haar rol vervult in het begeleidings- en controleluik van de student-met-integratieproject. Dit werd reeds toegelicht in §3.6boven (blz.109) van dit hoofdstuk.4.1.4 Opdeling tussen min-25jarigen en plus-25jarigen inzake tewerkstelling Weliswaar oordelen de OCMW’s in globo positief over de plicht om min-25jarigen via tewerkstelling of via een integratieproject te activeren, maar de opdeling in 2 leeftijdsgroepen (-25jarigen en +25jarigen), het criterium leeftijd én de gehanteerde leeftijdsgrens worden over het algemeen als ‘niet goed’ beoordeeld. Immers, volgens de wet heeft een OCMW het recht op maatschappelijke integratie voor plus-25jarigen reeds gerealiseerd wanneer het een leefloon toekent aan de plus-25jarige. Het OCMW mag op eigen initiatief, zonder wettelijke verplichting, de toekenning van dit leefloon koppelen aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of aan een tewerkstellingsproject. Diverse OCMW’s merkten op dat men geen onderscheid maakt tussen beide groepen wanneer het op tewerkstellingskansen aankomt, maar de cijfers uit het kwantitatief onderzoek spreken dit toch tegen. Toch zijn ook wij de mening van diverse OCMW’s toegedaan dat het beter zou zijn om ook de integratie van plus-25jarigen via tewerkstelling of integratieproject te “verplichten”. Wel zouden wij de OCMW’s hiervoor een langere aanlooptijd gunnen, bv. 6 maanden tot een jaar in plaats van 3 maanden. Een alternatieve aanpak is de indeling van de aanvragers op basis van hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Hierbij rijst enerzijds de bedenking dat dit sowieso slechts kan na een aantal gesprekken met de aanvrager (wat nu ook gebeurt met het oog op tewerkstelling of integratieproject) en anderzijds de vrees dat men op deze wijze een bepaalde groep duidelijk kan stigmatiseren. Hoe dan ook, een plicht om ook plus-25jarigen te activeren middels tewerkstelling moet o.i. vergoedt worden via dezelfde subsidiehoogte zoals in Art.34 en Art.35 vermeld voor min-25jarigen.4.1.5 Doorlooptijd van 3 maanden voor geïndividualiseerd project Volgens de wet moeten de OCMW’s binnen een termijn van 3 maanden voorzien in een tewerkstelling voor alle min-25jarigen. Deze tewerkstelling moet aangepast zijn aan de capaciteiten van de aanvrager en kan bestaan uit: − hetzij een arbeidsovereenkomst, − hetzij, wanneer de jongere niet klaar is voor de arbeidsmarkt, een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat na verloop van tijd leidt tot een arbeidsovereenkomst, Tenzij dit om billijkheids- of gezondheidsredenen onmogelijk is. Zoals uit de kwalitatieve analyse blijkt, vindt een belangrijk aantal OCMW’s deze 3 maanden te krap en te artificieel. In vele gevallen blijkt het immers toch minstens een maand te vergen om de capaciteiten van de aanvrager goed in te schatten. Verder gaan er vaak minstens 2 tot 3 weken voorbij tussen de datum van eerste intake en de beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn. Zeker bij jongeren die te kampen hebben met een diversiteit aan problemen (op allerlei domeinen) beoordeelt men deze termijn als te kort. Bovendien zal het aantal mogelijke activeringsplaatsen sneller verzadigd worden wanneer men integratie via tewerkstelling ook voor plus-25jarigen zal verplichten (zie ons voorstel in dit hoofdstuk, §4.1.4). Initiatieven zoals samenwerking via sociaal huis, bovengemeentelijke samenwerking tussen meerdere OCMW’s, dienstencheques, … kunnen het ogenblik van verzadiging uitstellen, doch niet voorkomen.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.112
  • Wij wijzen als oplossing vooreerst naar de interpretatie die door de Raad van State aan dit wetsartikel werd gegeven. Het artikel als dusdanig hoeft niet als een resultaatsverbintenis, wel als een middelenverbintenis te worden geïnterpreteerd, waarbij men al het mogelijke doet dat haalbaar is binnen de periode van 3 maanden om de jongere te begeleiden richting integratie. Daarom pleiten wij ervoor om de periode van 3 maanden te behouden. Op zich creëert dit geen nieuwe integratie- of tewerkstellingsuitdagingen voor het OCMW zolang de integratie van plus-25jarigen geen verplichtend karakter heeft. Wel stellen wij voor dat de POD via een afzonderlijke omzendbrief de juiste interpretatie van dit (en andere, zie verder) wetsartikelen extra toelicht. Indien ook de integratie van plus-25jarigen een verplichtend karakter aanneemt, pleiten wij nog steeds voor het behoud van de periode van 3 maanden voor min- 25jarigen. Deze doelgroep vormt o.i. immers de prioritaire doelgroep zoals door de wetgever bedoeld, waaraan prioritaire aandacht besteedt moet worden qua tewerkstelling en qua integratieproject. Een andere mogelijke invalshoek is enkel het optrekken van de leeftijdsgrens van 25 jaar naar bijvoorbeeld 30 jaar. Doch het ontbreekt ons aan een kwantitatieve onderbouwing (op basis van de kwantitatieve bevraging) om te kunnen oordelen dat de 25 tot 30 jarigen een voldoende grote doelgroep uitmaken, die hierdoor sneller maatschappelijk geïntegreerd zou worden.4.2 Instrument tegen armoedebestrijding Deze nieuwe wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie volstaat niet als instrument tegen armoedebestrijding, en is slechts één onderdeel in de strijd tegen armoede. Ook al merken diverse gesprekspartners op dat de bedragen voor leefloon te laag zijn, toch menen wij dat wij hierover geen zinvolle uitspraken kunnen doen. Wij hebben immers geen studie gevoerd naar de leefbaarheid van dergelijke bedragen. Wel menen wij dat tezelfdertijd ook werk moet gemaakt worden van betaalbare huisvesting, oplossingen voor kinderopvang, haalbaar en betaalbaar vervoer, … zijn immers voorwaarden die vervuld moeten zijn indien men een blijvende sociale integratie wenst na te streven. Inzake huisvesting blijkt uit diverse studies dat de huurprijzen op de private markt in diverse steden en gemeenten de afgelopen jaren sneller stegen dan de index, dat de sociale huisvestingsmaatschappijen worstelen met een huurderpopulatie met dalende inkomenscoëfficiënten, dat de wachtlijsten voor sociale huisvesting nog steeds hoog zijn, en dit ondanks de inhaalbeweging van de vorige en de huidige gewestregeringen. Inzake kinderopvang vernamen wij dat de kost vaak een hindernis vormt voor kandidaat-tewerkgestelden om zich te engageren. Daarom durven wij voorstellen dat tussen OCMW, gemeente en kinderopvangdiensten (dagopvang en buitenschoolse opvang) de mogelijkheden worden bestudeerd om een voor de aanvrager of voor de overheid betaalbare oplossing uit te werken. Wij zijn immers zonder diepgaand cijferonderzoek van oordeel dat het wellicht sociaal en economisch voordeliger is voor de persoon in kwestie, maar ook voor de samenleving, om iemand te activeren en ondertussen zijn/haar kinderopvang te financieren, dan om deze persoon niet te (kunnen) activeren. Ook het gebrek aan vervoersmogelijkheden bleek in een aantal gevallen een belemmering om een tewerkstelling te kunnen aanpakken. Ook hier menen wij dat gezocht moet worden naar creatieve oplossingen: vervoercheques voor de OCMW- cliënt, belbus, …Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.113
  • 4.3 Administratieve regels4.3.1 Periode van doorverwijzing (doorzendingsverplichting van het onbevoegde OCMW) Momenteel is in de wet de periode van doorverwijzing bij bevoegdheidsproblemen 5 kalenderdagen. Wanneer in deze periode een weekend valt, is deze periode vaak moeilijk haalbaar. Indien de datum waarop alle OCMW’s definitief van start kunnen gaan met een afgewerkte Kruispuntbank (zie §3.2boven, p.107) en waarop alle persoonsgebonden informatie via deze benadering opvraagbaar zal zijn, niet in de nabije toekomst ligt, stellen wij voor om deze periode te wijzigen in 5 werkdagen.4.3.2 De informatieplicht ten aanzien van de aanvrager Eén van de rode draden doorheen de RMI-wet is de versterking van de gebruikersrechten. Dit blijkt reeds vanaf de intake. In het merendeel van de OCMW’s (zie kwalitatieve bevraging) merken de maatschappelijk werkers echter op dat: − Het een erg tijdsintensieve bezigheid is om alle door de wet verplichte informatie tijdens een eerste gesprek aan de aanvrager mee te delen. − De aanvrager zich door een dergelijke informatiestroom vaak onzekerder voelt dan dat hij al was, en het gros ervan niet meedraagt. − De aanvrager op dat ogenblik meer behoefte heeft aan een luisterend oor of een tweewegsgesprek over zijn situatie en de mogelijke oplossingen dan aan een opsomming van wettelijke rechten en plichten. − Het intakeformulier veel te omslachtig is. Ofschoon men in het algemeen de versterking van de gebruikersrechten als een pluspunt van de RMI-wet beschouwt, delen wij de mening dat dit niet mag verworden tot een gevoel van administratieve verzwaring. Afgezien van de voorstellen inzake bevattelijke communicatietools (zie hoger), zijn wij van oordeel dat het tot de vakkennis van de maatschappelijk werker behoort om de veelheid aan informatie in functie van zijn begeleidingsaanpak over te brengen. M.a.w. hij is o.i. best geplaatst om de informatie tijdens opeenvolgende gesprekken met de aanvrager mee te delen, en hoeft dit niet tijdens een eerste gesprek integraal te doen. In dit verband lijkt het ons ook de moeite, in afwachting van een operationele Kruispuntbank, om na te gaan in hoeverre het intakeformulier daadwerkelijk vereenvoudigd kan worden dan wel hoe het tijdens meer dan één onderhoud ingevuld kan worden.4.3.3 Schorsing (sanctie) Samen met een aantal OCMW’s (zie kwalitatieve bevraging) vinden wij de ingangsdatum van een schorsing weinig geschikt. Momenteel gaat die schorsing pas ettelijke weken later van start, namelijk op de eerste dag van de tweede maand volgend op de beslissing van de Raad. Na een dergelijk lange periode staan een aantal gebruikers wellicht niet meer stil bij het feit dat ze gesanctioneerd werden, en moeten de maatschappelijk werkers nogmaals verduidelijken waarom men een sanctie opliep. Andere gebruikers zullen zich door de lange tussenperiode wellicht niet ‘gestimuleerd’ voelen om de gemaakte of vergelijkbare fouten te voorkomen. Terwijl nog andere gebruikers wellicht wel onmiddellijk rekening houden met de uitgesproken sanctie, maar dan alsnog na een aantal weken de sanctie moeten ondergaan.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.114
  • Daarom stellen wij voor om de ingangsdatum van de sanctie te plaatsen op de eerste dag van de eerste week na de uitspraak door de Raad.4.3.4 Toelage in de personeelskosten (250 EUR per dossier op jaarbasis) In de RMI-wet (Art.40) is voorzien dat de OCMW’s voor de toekenning van een leefloon of een tewerkstelling een toelage in de personeelskosten ontvangen. Deze toelage wordt per dossier en in functie van het aantal dagen van het dossier toegekend. Men kan deze toelage beschouwen als een eerste stap in de richting van een personeelsnormering. Deze toelage moet integraal besteed worden aan de verbetering van de personeelsnormen van ofwel de sociale dienst in globo ofwel de begeleiding van de begunstigde. Ook mag deze toelage besteed worden aan de financiering van de personeelskost van diensten waarmee het OCMW samenwerkt en die belast zijn met opdrachten inzake sociale en beroepsinschakeling of aan de financiering van de personeelskost van een gemeenschappelijke dienst voor tewerkstelling, opgestart door meerdere OCMW’s. Samen met de respondenten uit de steekproef, zijn wij positief over het feit dat er een directe relatie is tussen enerzijds het bestaan van een dossier en anderzijds de kostentegemoetkoming per dossier. Doch wij stellen, in tegenstelling tot de suggestie van een aantal OCMW’s, niet voor om ook dossiers die opgestart worden doch op een negatieve beslissing inzake leefloon stranden, te subsidiëren via een personeelstoelage. Het is weliswaar zo dat, vooraleer een positieve beslissing inzake leefloon en/of tewerkstelling wordt genomen, de sociale dienst tijd investeert in de voorafgaandelijke fases: de intake en eventueel het eropvolgende sociaal onderzoek. Doch vooreerst merken wij op dat het aantal weigeringen niet exponentieel toenam tussen september 2002 (oude regelgeving) en september 2003 (nieuwe regelgeving) (zie 2.9.3.1, blz.59). De nieuwe wetgeving heeft dus niet geleid tot een fundamenteel andere situatie ten opzichte van de vroegere wet. Verder menen wij dat dergelijke subsidiëring een nog grotere administratieve belasting zal creëren in de sociale dienst. Immers, men zal een nog meer gespecificeerd dossier moeten opmaken, in functie van eventuele latere bewijslast m.b.t. subsidie. Tenslotte zou dit niet wegnemen dat andere dossiers voor problemen bijven zorgen: bijvoorbeeld, hoe omgaan met dossiers waarin een RMI-tussenkomst als negatief beoordeeld wordt, maar waarin wel andere vormen van hulpverlening positief beoordeeld worden (poetshulp, budgetbegeleiding, …)?4.3.5 Privacy (loonfiche) Een aantal gebruikers met een tewerkstelling volgens Art.60§7 of Art.61 merkten op dat op de loonfiche steeds “inhouding van het leefloon” vermeld staat. Dit weegt psychologisch zwaar op een aantal gebruikers. Bovendien, telkens als de loonfiche voorgelegd moet worden, wordt ook voor anderen duidelijk dat de gebruiker afhankelijk is van het OCMW. Daarom stellen wij voor om deze vermelding ofwel subtieler te formuleren dan wel volledig weg te laten.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.115
  • VARIAVARIA P.116
  • 5. Tabellen Tab.1.Bepaling van het quotum voor gewest.................................................. 15 Tab.2.Bepaling van het quotum voor grootte.................................................. 15 Tab.3.Bepaling van het quotum voor belasting............................................... 16 Tab.4.Selectie en samenstelling van de bijkomende steekproef ..................... 17 Tab.5.Samenstelling steekproef volgens de gehanteerde criteria ................... 17 Tab.6.Lijst van geselecteerde OCMW’s.......................................................... 17 Tab.7.Steekproef voor kwalitatieve interviews van gebruikers ....................... 24 Tab.8.Spreiding van de individueel te bevragen OCMW-mandatarissen.......24 Tab.9.Lijst OCMW die kwantitatieve enquête hebben beantwoord .................26 Tab.10.Responsverdeling versus gewenste steekproefverdeling, per combinatie van criteria..................................................................... 30 Tab.11.# rechthebbenden (incl. geactiveerden, in aantal dossiers) in de steekproef, globaal, per regio, grootte en per belasting, inclusief geactiveerden: absolute cijfers......................................................... 32 Tab.12.Evolutie van het aantal rechthebbenden (incl. geactiveerden, in aantal dossiers) in de steekproef, globaal, per regio, grootte en per belasting, inclusief geactiveerden: absolute cijfers.......................... 32 Tab.13.# gerechtigden (incl. geactiveerden), rekening houdend met 6,9% individualiseringseffect, globaal, per grootte, regio en per belasting: absolute cijfers ................................................................................. 33 Tab.14.Evolutie van het aantal gerechtigden (incl. geactiveerden), rekening houdend met 6,9% individualiseringseffect, globaal, per grootte, regio en per belasting....................................................................... 34 Tab.15.# gerechtigden in de totale steekproef, per regio, belasting en grootte .......................................................................................................... 37 Tab.16.# gerechtigen (totaal, inclusief de vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), volgens belasting en volgens grootte............................................................................................... 37 Tab.17.Vraag 1: vergelijking van OCMW’s volgens combinatie grootte en belasting........................................................................................... 38 Tab.18. # gerechtigden (totaal, inclusief vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), per grootte en per regio .........38 Tab.19.Vraag 1: vergelijking van aantal OCMW’s in steekproef, volgens combinatie grootte en regio.............................................................. 38 Tab.20.# gerechtigden (totaal, inclusief vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister) op 30/9/2002 (Bestaansminimum & vreemdelingen) en 30/9/2003 (RMI), per belasting en per regio......39 Tab.21. Vraag 1: vergelijking van aantal OCMW’s in steekproef, volgens combinatie belasting en regio........................................................... 39 Tab.22.# gerechtigden jonger dan 25 jaar in totale steekproef, volgens grootte, regio en belasting............................................................................. 39 Tab.23.# activeringen in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers en als% van het totaal aantal gerechtigden .............41 Tab.24.Detail van het # activeringen in totale steekproef, in absolute cijfers en als% van het totaal aantal gerechtigden. .......................................... 43 Tab.25.# personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers en als% van totaal aantal gerechtigden met leefloon (exclusief activeringen) .......................................................................................................... 46 Tab.26.# personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per regio, belasting en grootte, in absolute cijfers ........47 Tab.27.# personen met geïndividualiseerd integratieproject in totale steekproef, per type integratieproject, in absolute cijfers en als% vanFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.117
  • het totaal aantal gerechtigden met financiële tegemoetkoming (excl. geactiveerden).................................................................................. 48 Tab.28. Aantal min-25jarigen met individualisatieproject of -contract ten opzichte van totaal aantal min-25jarigen genietend van financiële tegemoetkoming; per regio, grootte en belasting............................. 50 Tab.29.Aantal studenten (<25 jaar) met integratiecontract of –project ten opzichte van totaal aantal studenten met financiële tegemoetkoming .......................................................................................................... 50 Tab.30.Aantal studenten (<25 jaar) met integratieproject ten opzichte van totaal aantal studenten met financiële tegemoetkoming, per regio . 51 Tab.31.Aantal terugvorderingbeslissingen versus totaal aantal beslissingen (alle types)........................................................................................ 53 Tab.32. Aantal terugvorderingbeslissingen volgens type................................ 53 Tab.33.Aantal doorverwijzingen naar onderhoudsplichtigen versus totaal aantal beslissingen (alle types)......................................................... 54 Tab.34.Aantal administratieve en penale sancties versus totaal aantal beslissingen (alle types).................................................................... 55 Tab.35. Detail van administratieve sancties qua duurtijd ................................ 56 Tab.36.Aantal geweigerde aanvragen versus totaal aantal beslissingen (alle types)................................................................................................ 59 Tab.37.Aantal beslissingen versus aantal begunstigden (incl. geactiveerden) .......................................................................................................... 60 Tab.38.Aantal beroepen bij Arbeidsrechtbank versus aantal weigeringen ......60 Tab.39.Aantal beroepen bij Arbeidsrechtbank versus aantal beslissingen (alle types)................................................................................................ 60 Tab.40.Evolutie van budgettaire gegevens (totale ontvangsten en totale uitgaven) tussen 2001 en 2003, in EUR........................................... 64Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.118
  • 6. Figuren Fig.1.Stappenplan van het onderzoek.............................................................. 7 Fig.2.Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per gewest .......28 Fig.3.Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per grootte .......29 Fig.4.Respons verdeling vs. gewenste steekproef verdeling, per belasting ....29 Fig.5.RMI-rechthebbenden: samenvattend overzicht ..................................... 31 Fig.6.Activeringen per type in totale steekproef (% van totaal aantal activeringen)..................................................................................... 43 Fig.7.Activeringen per type in totale steekproef (absolute cijfers) .................. 44 Fig.8.Procentuele netto-evolutie in activeringen tussen 30/09/2002 en 30/09/2003 over de verschillende vormen van activeringsmaatregelen.................................................................... 44 Fig.9.Verdeling van het aantal individuele projecten voor gerechtigden jonger dan 25 jaar op 30/09/2003................................................................ 49 Fig.10.Verdeling van de percentuele evolutie van individuele projecten voor jongeren onder de 25 jaar in functie van het type project .................49Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.119
  • 7. Literatuur − ‘Het OCMW-Maatschappelijk werk aan zet’ – Koen Vansevenant – OCMW-visies 2/2003. − ‘Evaluation de la Loi du 26 Mai 2002 concernant le Droit a l’intégration sociale au travers de la jurisprudence Francophone des mois d’Octobre 2002 à Avril 2003’ – C.e.R.P./U.L.B. – A. Nayer, J-C Bodson, B. Smeesters, O. Moreno – September 2003 − ‘De grote gaten in het net – Structurele leemten in sociale bescherming en gewaarborgde minimuminkomens in 13 EU-landen’ – Hoger Instituut voor de arbeid/K.U.Leuven – I. Nicaise, S. Groenez – april 2004 − ‘Nationaal Actieplan Sociale Insluitingen 2003-2005: Indicatoren’ – NAPinc -- 2003 − ‘Armoede en sociale uitsluiting: jaarboek 2003 - Participatie in het armoedebeleid’ – H. Van Hootegem – Acco Leuven - 2003 − ‘Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting – Nota aan de Minister van Maatschappelijke Integratie en aan de Ministerraad in verband met het wetsontwerp betreffende het recht op maatschappelijke integratie’ - Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting – 2001 − ‘Evaluation de la réforme instaurant le droit à l’intégration social’ – C. Ernotte – Fédération des CPAS – CPAS Plus 10/2003 − ‘La radioscopie des services d’insertion’ – R. Cherenti – Fédération des CPAS – CPAS Plus 4/2002 − ‘Droit à l’intégration social: attentes et appréhensions liées à la réforme’ – C. Emonts – Fédération des CPAS – CPAS Plus 11/2002 − ‘Radioscopie des politiques d’insertion dans les CPAS’– R. Cherenti – Fédération des CPAS – CPAS Plus 11/2002 − ‘Het overleg tussen mensen in armoede en hun partners – Reflectie op basis van de ervaringen van het steunpunt’ - Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting – 2001 − ‘Non au projet de loi sur l’intégration sociale! Oui a une amélioration de la loi sur le Minimex!’ – Analyse, article par article – Plate-forme – 2002 − ‘Het recht op maatschappelijke dienstverlening: vragen voor een evaluatie’ in ‘In dialoog: tweejaarlijks verslag van het Steunpunt’. Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting – december 2003 − ‘Eén jaar wet recht op maatschappelijke integratie: evaluatieverslag’ VVSG – 2003 − ‘Arrest inzake het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, ingesteld door v.z.w. Ligue des droits de l’homme’ - Arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 – Arbitragehof − ‘Meer dan een nieuwe naam? Bestaansminimum wordt leefloon.’ Regionaal Instituut voor Maatschappelijk Opbouwwerk – 2003 − ‘Memorandum’ Centrum voor Algemeen Welzijnswerk – 2003 − ‘Aan de rand van de actieve welvaartsstaat: een socio-biografisch onderzoek naar jongeren en OCMW-hulpverlening’ Federaal wetenschapsbeleid – 2003Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.120
  • 7. BIJLAGENBIJLAGEN P.121
  • 1. Gecodeerde kwantitatieve vragenlijstFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.122
  • 2. Kwalitatieve vragenlijsten2.1 Vragenlijst OCMW voorzitter 1. In art. 2 staat dat het recht op maatschappelijke integratie kan bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. A. Zijn met de nieuwe wet de rechten van de gebruiker beter gewaarborgd? Waarom? B. Welke zijn de voor- en nadelen ten opzichte van de gebruikers? C. Dragen deze tewerkstellingsmaatregelen van het OCMW bij tot een betere integratie van de gebruikers? D. Zijn er situaties waarbij activering duidelijk niet werkt? Leg uit? E. Welke instrumenten worden gebruikt voor integratie door het RMI? F. Welke zijn, volgens u, de voornaamste redenen waarom rechthebbenden uiteindelijk geen beroep doen op het OCMW? Waarom volgens u? 2. In hoofdstuk 2 spreekt men nu over twee groepen van begunstigden, nl. personen jonger dan 25 en personen vanaf 25 jaar. A. Wat vindt u hiervan? B. Wat zijn de voor- en nadelen? Waarom? Leg uit. C. Wat is de wenselijkheid van deze opsplitsing? 3. Personen jonger dan 25 krijgen een prioritaire behandeling op anderen vermits er binnen de drie maand een resultaat moet volgen op hun aanvraag. (art. 6 § 1) A. Wat is uw mening hierover? B. Heeft dit iets veranderd? Zo ja, wat, waarom en hoe? C. Zou het interessant zijn om enkele voordelen van specifieke rechthebbenden uit te breiden naar alle rechthebbenden? (+voorbeeld) 4. Vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking om een leefloon te ontvangen. (art. 3 3°lid) A. Welk effect heeft dit gehad op de integratie van vreemdelingen? Leg uit. B. Zijn er volgens u categorieën personen die momenteel geen rechthebbenden zijn, maar toch dienen te worden opgenomen in het recht op maatschappelijke integratie? 5. Het recht op maatschappelijke integratie is nu geïndividualiseerd. A. Welk effect heeft dit gehad naar de gebruiker toe? B. Wat zijn de voor- en nadelen van deze benadering? Leg uit. C. Welk effect heeft de individualisatie gehad op het werk van de maatschappelijk werker? (vb. vroeger 1 dossier per koppel, nu 2 dossiers) 6. In het kader van de communicatie naar rechthebbenden (informatie naar de gebruiker) en naar het grote publiek (algemene informatie). A. Welke communicatiekanalen gebruikt u, als OCMW in het algemeen en specifiek als maatschappelijk werker? Zijn ze toereikend? B. Welke kanalen dienen verder uitgebouwd of aangesproken te worden om de gebruikers/de bevolking in het algemeen beter te informeren over het recht op maatschappelijke integratie? C. Voert het OCMW verschillende soorten van communicatie naargelang de doelgroep? Verklaar. Meer specifiek, hoe evalueert u de communicatie naar vreemdelingen? D. In welke zin dient de inhoud van de communicatie aan de gebruikers en naar de bevolking in het algemeen verbeterd worden? 7. Sommige rechthebbenden worden naar het OCMW doorverwezen door andere diensten. A. Welke organisaties of personen zijn dit voornamelijk? B. Hoe gebeurt dit? Waarom? C. Welke evaluatie maakt u over deze doorverwijzing? Leg uit.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.123
  • 8. Art. 18 § 4 zegt dat wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, het deze aanvraag binnen de vijf kalenderdagen moet doorzenden naar het volgens haar bevoegde centrum. A. Hoe oordeelt u over deze procedure? Hoe is deze geformaliseerd geweest? Is het doel bereikt? B. Doet deze situatie zich regelmatig voor? C. Wat zijn de gevolgen voor de aanvragers? D. In geval van een bevoegdheidsgeschil tussen OCMW’s moet de vraag gesteld worden aan de POD die binnen de 5 dagen moet antwoorden. Gebeurt dit en komt het antwoord op tijd terug? 9. De wet heeft voor verandering gezorgd in de behandeling van aanvragen (geïndividualiseerde projecten). Meer nog, de nadruk wordt nu gelegd op de integratie. Maatschappelijk werk A. Heeft het OCMW de manier waarop aanvragen behandeld worden aangepast, als gevolg van de nieuwe wetvoorzieningen? Zo ja, in wat? Om te beantwoorden aan welke noden? Leg uit. B. Welke impact heeft dit gehad op de werking van de sociale dienst? C. Zijn er nieuwe diensten (dienst integratie, cel 18-25 jaar, …) gecreëerd om specifiek tegemoet te komen aan de nieuwe wetvoorzieningen? D. Welke nieuwe methodologische werkmiddelen zijn gecreëerd? Administratief werk E. Is het administratief werk meer of minder belangrijk geworden in vergelijking met het oude systeem? Waarom? F. Wat zijn de gevolgen van deze veranderingen? Wie heeft zich moeten verbeteren of aanpassen? 10. De juiste behandeling van het dossier in verband met de nieuwe wet is nodig. A. Zijn hiervoor duidelijke interne procedures opgesteld door het OCMW? Zo neen, waarom? Zo ja, wie heeft deze procedures opgesteld? B. Zijn deze procedures gekend? Worden deze procedures toegepast? Zo neen, waarom? C. Onder welke vorm zijn deze procedures opgesteld? 11. Sommige OCMW’s hebben criteria opgesteld om uit te maken of een RMI-aanvraag al dan niet dringend is. A. Heeft u dergelijke criteria? B. Heeft de nieuwe wet de manier om dringende aanvragen te behandelen gewijzigd? 12. De nieuwe wet heeft een aantal wijzigingen ingevoerd in het kader van de doorverwijzing naar onderhoudsplichtigen. (art. 4) A. Wat vindt u hiervan? Wat zijn hiervan de resultaten? Leg uit. B. Hoe past u deze wijzigingen toe? Worden ze toegepast bij elke aanvraag? Is het systematisch voor bepaalde gebruikers? 13. Het leefloon kan door het OCMW verhaald worden op de naaste onderhoudsplichtigen (zijnde de echtgenoot, ex-echtgenoot, ascendenten en descendenten in de eerste graad, de adoptant en de geadopteerde). (art. 4) Dit verhaal kan zich voordoen tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd. (art. 26) A. Zijn er nog ander personen tot wie het OCMW zich kan richten om een terugbetaling te bekomen? B. Zijn er obstakels tijdens het terugvorderen? Welke? C. Hoe past u deze beschikking toe? 14. In artikel 34 van de wet staat dat OCMW’s een verhoging van 10 % van de staatstoelage krijgen als er bij studenten jonger dan 25 beroep gedaan wordt op de terugvorderingplicht bij onderhoudsplichtige ouders. A. Wat is het belang van deze regel? Is het een stimulans of is het symbolisch? Leg uit. B. Welk gevolg heeft deze regel gehad op de wijze waarop een aanvraag behandeld wordt? 15. De wet spreekt over de term “aangepaste tewerkstelling” in het kader van de RMI-wet. A. Is de term “aangepaste tewerkstelling” geschikt? B. Wat als de gebruiker het hiermee niet eens is? C. Is er een samenwerking met externe diensten om de gebruiker aan een tewerkstelling te helpen? Zo ja, met wie en waarom? D. Is het OCMW geïntegreerd in een formeel of informeel netwerk met partners (BGDA, VDAB, interim- kantoren, …)? Zo neen, waarom? Zo ja, hoe verloopt de samenwerking met de partners? E. Bent u tevreden over die samenwerking? Leg uit. 16. Het geïndividualiseerd project vertaalt zich steeds in een contract. Contractverplichting A. Heeft het contract een toegevoegde waarde? Welke?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.124
  • B. Is het wenselijk om deze maatregel aan te passen of bereikt ze haar objectieven? Leg uit. Sancties C. Welke sancties krijgt een gebruiker die het contract niet naleeft? (art. 30 § 2) D. Zijn er objectieve criteria binnen uw OCMW uitgewerkt om te sanctioneren? E. Wat doen de gebruikers tijdens deze sanctieperiode? 17. Personen vanaf 25 hebben wettelijk ook de mogelijkheid op een geïndividualiseerd project. A. Maakt u hiervan gebruik? Wanneer? B. Indien neen, waarom niet? 18. De activering en de daarbij horende tewerkstelling zijn van tijdelijke aard. A. Zijn de gebruikers door het OCMW voorbereid op het einde van het proces van tewerkstelling? B. Is er tijdens en na de tewerkstelling een specifieke opvolging/begeleiding voorzien? C. Hoe bewerkstelligt het OCMW deze overgang? 19. Enkele algemene vragen over het OCMW. A. Hoe kan het onthaal van rechthebbenden nog verbeterd worden? B. Is het wenselijk om het controleaspect los te koppelen van de begeleidende functie? Waarom? C. Wie zou deze controlerende rol dan best opnemen? 20. Als het centrum dit nodig acht, kan het de aanvrager die gezondheidsredenen inroept onderwerpen aan een onderzoek door een door het centrum gemachtigde en betaalde geneesheer. A. Hoe organiseert u dit medisch bezoek? B. Ziet u hierin een probleem? Zo ja, van welke aard zijn deze problemen en hoe kan men ze oplossen?2.2 Vragenlijst OCMW secretaris 21. In art. 2 staat dat het recht op maatschappelijke integratie kan bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. A. Zijn met de nieuwe wet de rechten van de gebruiker beter gewaarborgd? Waarom? B. Welke zijn de voor- en nadelen ten opzichte van de gebruikers? C. Dragen deze tewerkstellingsmaatregelen van het OCMW bij tot een betere integratie van de gebruikers? D. Zijn er situaties waarbij activering duidelijk niet werkt? Leg uit? E. Welke instrumenten worden gebruikt voor integratie door het RMI? F. Welke zijn, volgens u, de voornaamste redenen waarom rechthebbenden uiteindelijk geen beroep doen op het OCMW? Waarom volgens u? 22. In hoofdstuk 2 spreekt men nu over twee groepen van begunstigden, nl. personen jonger dan 25 en personen vanaf 25 jaar. A. Wat vindt u hiervan? B. Wat zijn de voor- en nadelen? Waarom? Leg uit. C. Wat is de wenselijkheid van deze opsplitsing? 23. Personen jonger dan 25 krijgen een prioritaire behandeling op anderen vermits er binnen de drie maand een resultaat moet volgen op hun aanvraag. (art. 6 § 1) A. Wat is uw mening hierover? B. Heeft dit iets veranderd? Zo ja, wat, waarom en hoe? C. Zou het interessant zijn om enkele voordelen van specifieke rechthebbenden uit te breiden naar alle rechthebbenden? (+voorbeeld) 24. Vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking om een leefloon te ontvangen. (art. 3 3°lid) A. Welk effect heeft dit gehad op de integratie van vreemdelingen? Leg uit. B. Zijn er volgens u categorieën personen die momenteel geen rechthebbenden zijn, maar toch dienen te worden opgenomen in het recht op maatschappelijke integratie? 25. Het recht op maatschappelijke integratie is nu geïndividualiseerd. A. Welk effect heeft dit gehad naar de gebruiker toe? B. Wat zijn de voor- en nadelen van deze benadering? Leg uit.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.125
  • C. Welk effect heeft de individualisatie gehad op het werk van de maatschappelijk werker? (vb. vroeger 1 dossier per koppel, nu 2 dossiers) 26. In het kader van de communicatie naar rechthebbenden (informatie naar de gebruiker) en naar het grote publiek (algemene informatie). A. Welke communicatiekanalen gebruikt het OCMW? Zijn ze toereikend? B. Welke kanalen dienen verder uitgebouwd of aangesproken te worden om de gebruikers/de bevolking in het algemeen beter te informeren over het recht op maatschappelijke integratie? C. Voert het OCMW verschillende soorten van communicatie naargelang de doelgroep? Verklaar. Meer specifiek, hoe evalueert u de communicatie naar vreemdelingen? D. In welke zin dient de inhoud van de communicatie aan de gebruikers en naar de bevolking in het algemeen verbeterd worden? 27. Sommige rechthebbenden worden naar het OCMW doorverwezen door andere diensten. A. Welke organisaties of personen zijn dit voornamelijk? B. Hoe gebeurt dit? Waarom? C. Welke evaluatie maakt u over deze doorverwijzing? Leg uit. 28. Art. 18 § 4 zegt dat wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, het deze aanvraag binnen de vijf kalenderdagen moet doorzenden naar het volgens haar bevoegde centrum. A. Hoe oordeelt u over deze procedure? Hoe is deze geformaliseerd geweest? Is het doel bereikt? B. Doet deze situatie zich regelmatig voor? C. Wat zijn de gevolgen voor de aanvragers? D. In geval van een bevoegdheidsgeschil tussen OCMW’s moet de vraag gesteld worden aan de POD die binnen de 5 dagen moet antwoorden. Gebeurt dit en komt het antwoord op tijd terug? 29. De wet heeft voor verandering gezorgd in de behandeling van aanvragen (geïndividualiseerde projecten). Meer nog, de nadruk wordt nu gelegd op de integratie. Maatschappelijk werk A. Heeft het OCMW de manier waarop aanvragen behandeld worden aangepast, als gevolg van de nieuwe wetvoorzieningen? Zo ja, in wat? Om te beantwoorden aan welke noden? Leg uit. B. Welke impact heeft dit gehad op de werking van de sociale dienst? C. Zijn er nieuwe diensten (dienst integratie, cel 18-25 jaar, …) gecreëerd om specifiek tegemoet te komen aan de nieuwe wetvoorzieningen? D. Welke nieuwe methodologische werkmiddelen zijn gecreëerd? Administratief werk E. Is het administratief werk meer of minder belangrijk geworden in vergelijking met het oude systeem? Waarom? F. Wat zijn de gevolgen van deze veranderingen? Wie heeft zich moeten verbeteren of aanpassen? G. Voor de grote OCMW’s: Is de samenhang tussen de sociale dienst en de dienst integratie verbeterd? 30. De juiste behandeling van het dossier in verband met de nieuwe wet is nodig. A. Zijn hiervoor duidelijke interne procedures opgesteld door het OCMW? Zo neen, waarom? Zo ja, wie heeft deze procedures opgesteld? B. Zijn deze procedures gekend? Worden deze procedures toegepast? Zo neen, waarom? C. Onder welke vorm zijn deze procedures opgesteld? 31. De rechthebbende beschikt over een bezinningstermijn van 5 kalenderdagen voor de ondertekening van de arbeidsovereenkomst. (art. 6 § 3) A. Hoe evolueert u deze termijn? Is deze nuttig? B. Is deze periode voldoende/te lang? C. Wat betekent het voor u als een rechthebbende gebruik wil maken van deze bezinningstermijn? 32. Sommige OCMW’s hebben criteria opgesteld om uit te maken of een RMI-aanvraag al dan niet dringend is. A. Heeft u dergelijke criteria? B. Heeft de nieuwe wet de manier om dringende aanvragen te behandelen gewijzigd? 33. De nieuwe wet heeft een aantal wijzigingen ingevoerd in het kader van de doorverwijzing naar onderhoudsplichtigen. (art. 4) A. Wat vindt u hiervan? Wat zijn hiervan de resultaten? Leg uit. B. Hoe past u deze wijzigingen toe? Worden ze toegepast bij elke aanvraag? Is het systematisch voor bepaalde gebruikers? C. Hoe verloopt het doorverwijzen van aanvragers naar onderhoudsplichtigen? D. Hoe helpt het OCMW de cliënt hierin?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.126
  • E. Worden er soms RMI-toewijzingen gedaan met de clausule tot terugbetaling van bekomen onderhoudsgeld, of met de clausule om het recht te laten vallen bij het bekomen van onderhoudsgeld? F. Gebeurt er altijd een voorafgaand sociaal onderzoek vooraleer gebruikers doorverwezen worden naar onderhoudsplichtigen? G. Is er een onderhoud tussen de vragers en de onderhoudsplichtigen? Zo ja, wat zijn de resultaten hiervan? H. Wat is het nut hiervan? 34. Het leefloon kan door het OCMW verhaald worden op de naaste onderhoudsplichtigen (zijnde de echtgenoot, ex-echtgenoot, ascendenten en descendenten in de eerste graad, de adoptant en de geadopteerde). (art. 4) Dit verhaal kan zich voordoen tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd. (art. 26) A. Zijn er nog ander personen tot wie het OCMW zich kan richten om een terugbetaling te bekomen? B. Zijn er obstakels tijdens het terugvorderen? Welke? C. Kunnen de kosten van het terugvorderen volgens u soms belangrijker zijn dan de ontvangsten? Zo ja, in welke gevallen? Waarom? D. Mondt het verplichte onderzoek naar middelen uit in veel terugvorderingen? Wat is, vanuit uw standpunt, het resultaat van deze maatregel? 35. In artikel 34 van de wet staat dat OCMW’s een verhoging van 10 % van de staatstoelage krijgen als er bij studenten jonger dan 25 beroep gedaan wordt op de terugvorderingplicht bij onderhoudsplichtige ouders. A. Wat is het belang van deze regel? B. Is het een stimulans? C. Is het symbolisch? Leg uit. 36. Wat betreft de motivatie van de beslissing naar de aanvrager toe. A. Welke verandering heeft de motivatie van de beslissing doorgemaakt naar aanleiding van de nieuwe wet van 26 mei? B. Hoe wordt deze beslissing gemotiveerd? Is dit voldoende? C. Is de gebruiker goed geïnformeerd over de genomen beslissing? D. Wie, binnen het OCMW, buigt zich over de motivatie? Is het de maatschappelijk werker die de beslissing van de Raad aan de gebruiker doorgeeft alvorens deze de beslissing op papier gekregen heeft? Is het de juridische dienst of het administratief personeel die deze beslissing doorgeeft? 37. De betrokkene kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze wanneer hij met het centrum onderhandelt over de voorgestelde arbeidsovereenkomst of over het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. (art. 6 § 3) A. Wat vindt u van dit recht? Is dit nuttig? Leg uit. B. Hoe wordt dit recht toegepast? C. Weet de gebruiker dat hij over dit recht beschikt? Hoe is hij hierover geïnformeerd? Wat doet het OCMW om hen te informeren over dit recht? D. Maakt men hier regelmatig gebruik van? Zo ja, door wie laten ze zich het vaakst bijstaan en waarom volgens u? 38. Het centrum moet de betrokkene horen, indien hij hierom verzoekt, alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot: de toekenning, weigering of herziening van het leefloon, een geïndividualiseerd project of een maatschappelijke integratie door tewerkstelling; de sancties; de terugvordering ten laste van een persoon die het leefloon heeft genoten (art. 20). A. Hoe wordt dit hoorrecht toegepast? B. Welke interne procedures zijn door het OCMW tot stand gebracht om te beantwoorden aan de vraag om gehoord te worden? C. Weet de gebruiker dat hij over dit recht beschikt? D. Hoe is hij hierover geïnformeerd? E. Wat doet het OCMW om hen te informeren? F. Gebruikt de gebruiker dit recht? Zo ja, hoe en waarom? 39. De wet spreekt over de term “aangepaste tewerkstelling” in het kader van de RMI-wet. A. Is de term “aangepaste tewerkstelling” geschikt? B. Wat als de gebruiker het hiermee niet eens is? C. Is er een samenwerking met externe diensten om de gebruiker aan een tewerkstelling te helpen? Zo ja, met wie en waarom? D. Is het OCMW geïntegreerd in een formeel of informeel netwerk met partners (BGDA, VDAB, interim- kantoren, …)? Zo neen, waarom? Zo ja, hoe verloopt de samenwerking met de partners? E. Bent u tevreden over die samenwerking? Leg uit. 40. Het geïndividualiseerd project vertaalt zich steeds in een contract. ContractverplichtingFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.127
  • A. Heeft het contract een toegevoegde waarde? Welke? B. Is het wenselijk om deze maatregel aan te passen of bereikt ze haar objectieven? Leg uit. C. Hoe staat de gebruiker tegenover deze contractverplichting? D. Hoe staat u tegenover deze contractverplichting? E. Wat doet u als een persoon die in aanmerking komt het contract niet wil tekenen? Sancties F. Welke sancties krijgt een gebruiker die het contract niet naleeft? (art. 30 § 2) G. Zijn er objectieve criteria binnen uw OCMW uitgewerkt om te sanctioneren? H. Wat doen de gebruikers tijdens deze sanctieperiode? I. Wat zijn de effecten van deze sancties op de gebruikers? Bereiken deze hun doel? J. Heeft de termijn tussen het uitspreken van de sanctie en het ingaan ervan een invloed op de efficiëntie van deze sanctie? 41. Personen vanaf 25 hebben wettelijk ook de mogelijkheid op een geïndividualiseerd project. A. Maakt u hiervan gebruik? Wanneer? B. Indien neen, waarom niet? 42. De activering en de daarbij horende tewerkstelling zijn van tijdelijke aard. A. Zijn de gebruikers door het OCMW voorbereid op het einde van het proces van tewerkstelling? B. Is er tijdens en na de tewerkstelling een specifieke opvolging/begeleiding voorzien? C. Hoe bewerkstelligt het OCMW deze overgang? 43. Om de rechten van de betrokkene te kunnen beoordelen heeft het OCMW het recht om verschillende ontbrekende gegevens te verzamelen. (art. 19 § 3) A. Heeft deze verzameling effectief plaats? Verloopt dit op een optimale manier? B. Duiken hier soms problemen op indien gegevens opgevraagd worden bij banken, kadaster, …? C. Welk gevolg heeft dit op de relatie met de gebruiker? 44. Enkele algemene vragen over het OCMW. A. Hoe kan het onthaal van rechthebbenden nog verbeterd worden? B. Is het wenselijk om het controleaspect los te koppelen van de begeleidende functie? Waarom? C. Wie zou deze controlerende rol dan best opnemen? 45. Als het centrum dit nodig acht, kan het de aanvrager die gezondheidsredenen inroept onderwerpen aan een onderzoek door een door het centrum gemachtigde en betaalde geneesheer. A. Hoe organiseert u dit medisch bezoek? B. Ziet u hierin een probleem? Zo ja, van welke aard zijn deze problemen en hoe kan men ze oplossen? 46. Als tegemoetkoming in de personeelskosten wordt aan het OCMW € 250 per dossier toegekend. (art. 40) A. Waarvoor heeft deze bijkomende tegemoetkoming van € 250 gediend? Heeft men nieuw personeel aangeworven? B. Houdt de nieuwe wet ook in dat er nieuwe kosten moeten gemaakt worden door het OCMW? Heeft het OCMW meer personeel nodig om zijn taken tot een goed einde te brengen? Zo ja, om wat te doen? Hoe? 47. De bijkomende financiering van de overheid wordt bepaald op basis van het aantal dossiers. (art. 32) A. Wat zijn de positieve en negatieve effecten hiervan?2.3 Vragenlijst OCMW maatschappelijk werker 48. In art. 2 staat dat het recht op maatschappelijke integratie kan bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. A. Zijn met de nieuwe wet de rechten van de gebruiker beter gewaarborgd? Waarom? B. Welke zijn de voor- en nadelen ten opzichte van de gebruikers? C. Dragen deze tewerkstellingsmaatregelen van het OCMW bij tot een betere integratie van de gebruikers? D. Zijn er situaties waarbij activering duidelijk niet werkt? Leg uit? E. Welke instrumenten worden gebruikt voor integratie door het RMI?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.128
  • F. Welke zijn, volgens u, de voornaamste redenen waarom rechthebbenden uiteindelijk geen beroep doen op het OCMW? Waarom volgens u? 49. In hoofdstuk 2 spreekt men nu over twee groepen van begunstigden, nl. personen jonger dan 25 en personen vanaf 25 jaar. A. Wat vindt u hiervan? B. Wat zijn de voor- en nadelen? Waarom? Leg uit. C. Wat is de wenselijkheid van deze opsplitsing? 50. Personen jonger dan 25 krijgen een prioritaire behandeling op anderen vermits er binnen de drie maand een resultaat moet volgen op hun aanvraag. (art. 6 § 1) A. Wat is uw mening hierover? B. Heeft dit iets veranderd? Zo ja, wat, waarom en hoe? C. Zou het interessant zijn om enkele voordelen van specifieke rechthebbenden uit te breiden naar alle rechthebbenden? (+voorbeeld) 51. Vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking om een leefloon te ontvangen. (art. 3 3°lid) A. Welk effect heeft dit gehad op de integratie van vreemdelingen? Leg uit. B. Zijn er volgens u categorieën personen die momenteel geen rechthebbenden zijn, maar toch dienen te worden opgenomen in het recht op maatschappelijke integratie? 52. Het recht op maatschappelijke integratie is nu geïndividualiseerd. A. Welk effect heeft dit gehad naar de gebruiker toe? B. Wat zijn de voor- en nadelen van deze benadering? Leg uit. C. Welk effect heeft de individualisatie gehad op het werk van de maatschappelijk werker? (vb. vroeger 1 dossier per koppel, nu 2 dossiers) 53. Uiteindelijk wordt er een oplossing toegekend aan de gebruiker. A. Zijn er grote verschillen tussen de verwachtingen van de aanvrager en hetgeen hen wordt toegekend? 54. In het kader van de communicatie naar rechthebbenden (informatie naar de gebruiker) en naar het grote publiek (algemene informatie). A. Welke communicatiekanalen gebruikt u, als OCMW in het algemeen en specifiek als MW, S en V? Zijn ze toereikend? B. Welke kanalen dienen verder uitgebouwd of aangesproken te worden om de gebruikers/de bevolking in het algemeen beter te informeren over het recht op maatschappelijke integratie? C. Voert het OCMW verschillende soorten van communicatie naargelang de doelgroep? Verklaar. Meer specifiek, hoe evalueert u de communicatie naar vreemdelingen? D. In welke zin dient de inhoud van de communicatie aan de gebruikers en naar de bevolking in het algemeen verbeterd worden? 55. Sommige rechthebbenden worden naar het OCMW doorverwezen door andere diensten. A. Welke organisaties of personen zijn dit voornamelijk? B. Hoe gebeurt dit? Waarom? C. Welke evaluatie maakt u over deze doorverwijzing? Leg uit. 56. Art. 18 § 4 zegt dat wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, het deze aanvraag binnen de vijf kalenderdagen moet doorzenden naar het volgens haar bevoegde centrum. A. Hoe oordeelt u over deze procedure? Hoe is deze geformaliseerd geweest? Is het doel bereikt? B. Doet deze situatie zich regelmatig voor? C. Wat zijn de gevolgen voor de aanvragers? D. In geval van een bevoegdheidsgeschil tussen OCMW’s moet de vraag gesteld worden aan de POD die binnen de 5 dagen moet antwoorden. Gebeurt dit en komt het antwoord op tijd terug? 57. De wet heeft voor verandering gezorgd in de behandeling van aanvragen (geïndividualiseerde projecten). Meer nog, de nadruk wordt nu gelegd op de integratie. Maatschappelijk werk A. Heeft het OCMW de manier waarop aanvragen behandeld worden aangepast, als gevolg van de nieuwe wetvoorzieningen? Zo ja, in wat? Om te beantwoorden aan welke noden? Leg uit. B. Welke impact heeft dit gehad op de werking van de sociale dienst? C. Zijn er nieuwe diensten (dienst integratie, cel 18-25 jaar, …) gecreëerd om specifiek tegemoet te komen aan de nieuwe wetvoorzieningen? D. Welke nieuwe methodologische werkmiddelen zijn gecreëerd? Administratief werkFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.129
  • E. Is het administratief werk meer of minder belangrijk geworden in vergelijking met het oude systeem? Waarom? F. Wat zijn de gevolgen van deze veranderingen? Wie heeft zich moeten verbeteren of aanpassen? G. Voor de grote OCMW’s: Is de samenhang tussen de sociale dienst en de dienst integratie verbeterd? 58. De juiste behandeling van het dossier in verband met de nieuwe wet is nodig. A. Zijn hiervoor duidelijke interne procedures opgesteld door het OCMW? Zo neen, waarom? Zo ja, wie heeft deze procedures opgesteld? B. Zijn deze procedures gekend? Worden deze procedures toegepast? Zo neen, waarom? C. Onder welke vorm zijn deze procedures opgesteld? 59. De rechthebbende beschikt over een bezinningstermijn van 5 kalenderdagen voor de ondertekening van de arbeidsovereenkomst. (art. 6 § 3) A. Hoe evolueert u deze termijn? Is deze nuttig? B. Is deze periode voldoende/te lang? C. Wat betekent het voor u als een rechthebbende gebruik wil maken van deze bezinningstermijn? 60. Normaalgezien wordt elke aanvraag voorgelegd aan de Raad. A. Zijn er aanvragen die niet uitmonden in een dossier en die niet voor de raad komen? B. Zo ja, welke, waarom en hoe behandelt u ze? 61. Sommige OCMW’s hebben criteria opgesteld om uit te maken of een RMI-aanvraag al dan niet dringend is. A. Heeft u dergelijke criteria? B. Heeft de nieuwe wet de manier om dringende aanvragen te behandelen gewijzigd? 62. De nieuwe wet heeft een aantal wijzigingen ingevoerd in het kader van de doorverwijzing naar onderhoudsplichtigen. (art. 4) A. Wat vindt u hiervan? Wat zijn hiervan de resultaten? Leg uit. B. Hoe past u deze wijzigingen toe? Worden ze toegepast bij elke aanvraag? Is het systematisch voor bepaalde gebruikers? C. Hoe verloopt het doorverwijzen van aanvragers naar onderhoudsplichtigen? D. Hoe helpt het OCMW de cliënt hierin? E. Worden er soms RMI-toewijzingen gedaan met de clausule tot terugbetaling van bekomen onderhoudsgeld, of met de clausule om het recht te laten vallen bij het bekomen van onderhoudsgeld? F. Gebeurt er altijd een voorafgaand sociaal onderzoek vooraleer gebruikers doorverwezen worden naar onderhoudsplichtigen? G. Is er een onderhoud tussen de vragers en de onderhoudsplichtigen? Zo ja, wat zijn de resultaten hiervan? H. Wat is het nut hiervan? 63. Het leefloon kan door het OCMW verhaald worden op de naaste onderhoudsplichtigen (zijnde de echtgenoot, ex-echtgenoot, ascendenten en descendenten in de eerste graad, de adoptant en de geadopteerde). (art. 4) Dit verhaal kan zich voordoen tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd. (art. 26) A. Zijn er nog ander personen tot wie het OCMW zich kan richten om een terugbetaling te bekomen? B. Zijn er obstakels tijdens het terugvorderen? Welke? C. Hoe past u deze beschikking toe? D. Kunnen de kosten van het terugvorderen volgens u soms belangrijker zijn dan de ontvangsten? Zo ja, in welke gevallen? Waarom? E. Mondt het verplichte onderzoek naar middelen uit in veel terugvorderingen? Wat is, vanuit uw standpunt, het resultaat van deze maatregel? 64. Wat betreft de motivatie van de beslissing naar de aanvrager toe. A. Welke verandering heeft de motivatie van de beslissing doorgemaakt naar aanleiding van de nieuwe wet van 26 mei? B. Hoe wordt deze beslissing gemotiveerd? Is dit voldoende? C. Is de gebruiker goed geïnformeerd over de genomen beslissing? D. Wie, binnen het OCMW, buigt zich over de motivatie? Is het de maatschappelijk werker die de beslissing van de Raad aan de gebruiker doorgeeft alvorens deze de beslissing op papier gekregen heeft? Is het de juridische dienst of het administratief personeel die deze beslissing doorgeeft? 65. De betrokkene kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze wanneer hij met het centrum onderhandelt over de voorgestelde arbeidsovereenkomst of over het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. (art. 6 § 3) A. Wat vindt u van dit recht? Is dit nuttig? Leg uit. B. Hoe wordt dit recht toegepast?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.130
  • C. Weet de gebruiker dat hij over dit recht beschikt? Hoe is hij hierover geïnformeerd? Wat doet het OCMW om hen te informeren over dit recht? D. Maakt men hier regelmatig gebruik van? Zo ja, door wie laten ze zich het vaakst bijstaan en waarom volgens u? 66. Het centrum moet de betrokkene horen, indien hij hierom verzoekt, alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot: de toekenning, weigering of herziening van het leefloon, een geïndividualiseerd project of een maatschappelijke integratie door tewerkstelling; de sancties; de terugvordering ten laste van een persoon die het leefloon heeft genoten (art. 20) A. Hoe wordt dit hoorrecht toegepast? B. Welke interne procedures zijn door het OCMW tot stand gebracht om te beantwoorden aan de vraag om gehoord te worden? C. Weet de gebruiker dat hij over dit recht beschikt? D. Hoe is hij hierover geïnformeerd? E. Wat doet het OCMW om hen te informeren? F. Gebruikt de gebruiker dit recht? Zo ja, hoe en waarom? 67. De wet spreekt over de term “aangepaste tewerkstelling” in het kader van de RMI-wet. A. Is de term “aangepaste tewerkstelling” geschikt? B. Wat als de gebruiker het hiermee niet eens is? C. Is er een samenwerking met externe diensten om de gebruiker aan een tewerkstelling te helpen? Zo ja, met wie en waarom? D. Is het OCMW geïntegreerd in een formeel of informeel netwerk met partners (BGDA, VDAB, interim- kantoren, …)? Zo neen, waarom? Zo ja, hoe verloopt de samenwerking met de partners? E. Bent u tevreden over die samenwerking? Leg uit. 68. Het geïndividualiseerd project vertaalt zich steeds in een contract. Contractverplichting A. Heeft het contract een toegevoegde waarde? Welke? B. Is het wenselijk om deze maatregel aan te passen of bereikt ze haar objectieven? Leg uit. C. Hoe staat de gebruiker tegenover deze contractverplichting? D. Hoe staat u tegenover deze contractverplichting? E. Wat doet u als een persoon die in aanmerking komt het contract niet wil tekenen? Sancties F. Welke sancties krijgt een gebruiker die het contract niet naleeft? (art. 30 § 2) G. Zijn er objectieve criteria binnen uw OCMW uitgewerkt om te sanctioneren? H. Wat doen de gebruikers tijdens deze sanctieperiode? I. Wat zijn de effecten van deze sancties op de gebruikers? Bereiken deze hun doel? J. Heeft de termijn tussen het uitspreken van de sanctie en het ingaan ervan een invloed op de efficiëntie van deze sanctie? 69. Personen vanaf 25 hebben wettelijk ook de mogelijkheid op een geïndividualiseerd project. A. Maakt u hiervan gebruik? Wanneer? B. Indien neen, waarom niet? 70. De activering en de daarbij horende tewerkstelling zijn van tijdelijke aard. A. Zijn de gebruikers door het OCMW voorbereid op het einde van het proces van tewerkstelling? B. Is er tijdens en na de tewerkstelling een specifieke opvolging/begeleiding voorzien? C. Hoe bewerkstelligt het OCMW deze overgang? 71. Om de rechten van de betrokkene te kunnen beoordelen heeft het OCMW het recht om verschillende ontbrekende gegevens te verzamelen. (art. 19 § 3) A. Heeft deze verzameling effectief plaats? Verloopt dit op een optimale manier? B. Duiken hier soms problemen op indien gegevens opgevraagd worden bij banken, kadaster, …? C. Welk gevolg heeft dit op de relatie met de gebruiker? 72. Enkele algemene vragen over het OCMW. A. Hoe kan het onthaal van rechthebbenden nog verbeterd worden? B. Begrijpt u altijd goed wat de gebruiker wil zeggen? C. Wat zijn de eventuele communicatiebarrières? D. Hoe zijn die op te lossen? E. Is het wenselijk om het controleaspect los te koppelen van de begeleidende functie? Waarom? F. Wie zou deze controlerende rol dan best opnemen?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.131
  • 73. Als het centrum dit nodig acht, kan het de aanvrager die gezondheidsredenen inroept onderwerpen aan een onderzoek door een door het centrum gemachtigde en betaalde geneesheer. A. Hoe organiseert u dit medisch bezoek? B. Ziet u hierin een probleem? Zo ja, van welke aard zijn deze problemen en hoe kan men ze oplossen?2.4 Vragenlijst gebruikers 74. Algemene vragen om te beginnen A. Weet je dat er een nieuwe wet bestaat om een leefloon te ontvangen? B. Door wie ben je op de hoogte gesteld over de mogelijkheden van een leefloon? C. Weet je wat die wet inhoudt? D. Heb je de aspecten die voor jou van toepassing zijn goed begrepen? E. Geniet u van bijkomende hulp? F. Heb je al een aanvraag ingediend dat geweigerd werd door een ander OCMW alvorens je door dit OCMW aanvaard werd? Indien vroeger bestaansminimumgerechtigde: G. Wat zijn de voor- en nadelen van de nieuwe wet? 75. Soms is het moeilijk om de eerste stap te zetten naar sociale hulp. A. Hoe lang heb jij gewacht alvorens contact op te nemen met het OCMW? Waarom? B. Wat wil je bereiken door uw contact met het OCMW? C. Met hoeveel mensen heb je moeten praten voor je bij de persoon terechtkwam die je effectief kon helpen? D. Ben je zelf naar het OCMW gestapt, of heeft iemand (vb. organisatie (VDAB, interim-kantoor), vriend/vriendin, buur, straathoekwerker, …) je doorverwezen? 76. Als het OCMW je een project of een tewerkstelling aanbiedt, heb je een termijn van 5 dagen voor dat je een beslissing moet nemen. A. Heeft men je hierover geïnformeerd? B. Wat vind je van deze periode? C. Is deze periode voldoende? Leg uit. 77. Indien dringende aanvraag A. Weet je of uw aanvraag behandeld is in het kader van een dringende procedure? B. Zo ja, hoe is jouw aanvraag verlopen? C. Ben je vlug geholpen geweest? D. Heb je een voorschot ontvangen? 78. Als je in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van het OCMW, worden de personen waarvan jij volgens de wet financieel afhankelijk bent aangesproken om het OCMW terug te betalen. A. Wat vind je hiervan? B. Heb je jouw onderhoudsplichtigen zelf ingelicht over jouw aanvraag bij het OCMW? C. Indien neen, waarom nam je zelf geen contact op met je onderhoudsplichtigen? 79. Als je over de arbeidsovereenkomst of over het geïndividualiseerde project met het OCMW onderhandelt kan je je door iemand laten bijstaan om je te helpen bij houw aanvraag. A. Weet je dat dit mag? Zo ja, hoe? B. Heb jij je laten bijstaan in het kader van jouw aanvraag? Zo ja, door wie en waarom? C. Heb je het gevoel dat je je MOET laten helpen om de zaken vlotter te laten verlopen, om de communicatie te verbeteren? 80. Alvorens een beslissing genomen wordt om je al dan niet het leefloon toe te kennen kan je vragen om verdere uitleg te geven aan de raad of om jouw situatie nog eens toe te lichten voor de raad. Dit recht wordt hoorrecht genoemd. A. Weet je dat je over dit recht beschikt? Zo ja, hoe? B. Heb je gebruik gemaakt van uw hoorrecht? Waarom? Indien beroep gedaan op hoorrecht: C. Heeft dit je geholpen? Hoe? D. Wat heeft het OCMW gedaan om te beantwoorden aan jouw vraag om gehoord te worden? E. Hoe heeft dit plaatsgevonden? Leg uit.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.132
  • 81. De wet voorziet dat het OCMW je aan een job helpt, of een individueel project opzet voor je. A. Wat vind je hiervan? B. Wat zijn volgens jou de voor- en nadelen hiervan? Indien tewerkstelling: C. Ben je tevreden over het werk dat je aangeboden werd? Leg uit. D. Heb je het soort werk gekregen dat je wou? Zo neen, waarom? E. Had je de keuze om het werk te aanvaarden of heeft men je het opgelegd? Was het mogelijk om te onderhandelen met het OCMW? Is dit gemotiveerd geweest door het OCMW? F. Welke bezinningstermijn heb je gekregen om te beslissen? G. Weet je dat de mogelijkheid op sancties bestaat? Indien individueel project: H. Ben je tevreden over het project dat je aangeboden werd? Leg uit. I. Had je de keuze om het project te aanvaarden of heeft men je het opgelegd? J. Was het mogelijk om te onderhandelen met het OCMW? K. Heb je het soort project gekregen dat je wou? Zo neen, waarom? L. Is dit gemotiveerd geweest door het OCMW? M. Welke bezinningstermijn heb je gekregen om te beslissen? 82. Bij de start van een geïndividualiseerd project moet je een contract afsluiten met het OCMW. A. Wat vind je hiervan? B. Heeft men je de reden uitgelegd waarom men je een contract heeft laten tekenen? Heeft men de gevolgen hiervan uitgelegd? C. Zo ja, heb je begrepen wat je hebt getekend? In geval van sancties: D. Waarvan heb je geleefd tijdens de sanctieperiode? E. Hoe heb je die sanctieperiode beleefd? 83. Het arbeidscontract/het contract voor een geïndividualiseerd project voorgesteld door het OCMW is slechts tijdelijk. A. Wist je dat? B. Weet je wat er komt na de activering? C. Ben je voorbereid op hetgeen dat komt na de activering? Hoe? D. Zie je de maatschappelijk werker geregeld tijdens de loop van het project? Heb je al eens willen veranderen van project? Waarom? Was dit mogelijk? 84. Enkele algemene vragen A. Heeft de maatschappelijk werker je gevraagd om hem/haar administratieve documenten te bezorgen? Zo ja, welke? B. Heeft men je uitgelegd waarvoor die documenten nodig zijn? C. Was het gemakkelijk voor je om die documenten te bemachtigen? D. Wat zijn volgens jou de positieve en de negatieve aspecten van de manier waarop je bij het OCMW onthaald werd? Waarom? E. Hoe verliep jouw eerste contact met het OCMW? F. Is uw aanvraag op een leefloon behoorlijk behandeld? G. Maakt de maatschappelijk werker voldoende tijd vrij voor je? H. Begrijpt de maatschappelijk werker altijd wat je wil zeggen? I. Begrijp jij wat de maatschappelijk werker wil zeggen? 85. De maatschappelijk werker heeft een begeleidende rol, maar ook een controlerende rol. A. Wist je dit? B. Hoe denk jij hierover? C. Hoe gebeurt dit bij jouw maatschappelijk werker? D. Hoe heb je het voorafgaand sociaal onderzoek ervaren (bezoek aan huis)? 86. Complementaire thema’s om aan te spreken. Studenten A. Hoe is de keuze van uw studies verlopen? B. Wat zijn de gevolgen van een tegenslag? C. Wat doet u gedurende de vakantie? Werkt u (studenten-job, …)? D. Bent u gevolgd geweest tijdens uw studies? TewerkstellingFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.133
  • E. Welke controle is uitgevoerd op de ter beschikking stelling van werk? (alleen voor degenen die niet tewerk zijn) F. Wat denkt u over de controle op gezondheidsredenen? Opleiding G. Hoe werden de opleidingen ervaren? H. Was er een verplichting om ze te volgen? Had men de keuze? I. Zijn de deelnemers geholpen?Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.134
  • 3. Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie TITEL I Recht op maatschappelijke integratie HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art.2 Elke persoon heeft recht op maatschappelijke integratie. Dit recht kan onder de voorwaarden bepaald in deze wet bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn hebben tot opdracht dit recht te verzekeren. Art.3 Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de persoon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld: 1° zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin; 2° meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet; 3° behoren tot één van de volgende categorieën van personen: – hetzij de Belgische nationaliteit bezitten; – hetzij het voordeel genieten van de toepassing van de verordening (E.E.G.) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap; – hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister; – hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen,ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; – hetzij vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 4° niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven. Het centrum berekent de bestaansmiddelen van de persoon overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II; 5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. 6° zijn rechten laten gelden op uitkeringen die hij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Art.4 §1. Er kan van de betrokkene worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen, deze laatste beperkt zijnde tot: de echtgenoot of, in voorkomend geval, de ex-echtgenoot; de ascendenten en descendenten in de eerste graad; de adoptant en de geadopteerde. §2. De overeenkomsten over onderhoudsgeld zijn niet tegenwerpelijk aan het centrum. §3. Het centrum kan van rechtswege in naam en ten voordele van de betrokkene optreden om de in artikelen 3,6°, en 4§1, bedoelde rechten te laten gelden. Art.5Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.135
  • Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° centrum: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; 2° minister: de minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie; HOOFDSTUK II - Gerechtigden Afdeling 1 - Maatschappelijke integratie voor personen jonger dan 25 jaar Art.6 §1. Iedere meerderjarige persoon jonger dan 25 jaar heeft recht op maatschappelijke integratie door tewerkstelling aangepast aan zijn persoonlijke situatie en zijn capaciteiten binnen de drie maanden vanaf de datum van zijn aanvraag wanneer hij voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden. §2. Het recht op maatschappelijke integratie door tewerkstelling kan bestaan uit hetzij een arbeidsovereenkomst hetzij een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie dat binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst. §3. De betrokkene kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze wanneer hij met het centrum onderhandelt over de voorgestelde arbeidsovereenkomst of over het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Hij beschikt ook over een bezinningstermijn van 5 kalenderdagen vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst of het contract voor maatschappelijke integratie en kan verzoeken om te worden gehoord door het centrum overeenkomstig de bepalingen van artikel 20. Art.7 Met een meerderjarige persoon wordt gelijkgesteld de minderjarige persoon die hetzij ontvoogd is door huwelijk, hetzij één of meerdere kinderen ten laste heeft, hetzij bewijst zwanger te zijn. Art.8 De tewerkstelling door middel van een arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 6, kan worden verwezenlijkt met toepassing van artikel 60§7, of artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Dit recht op tewerkstelling door middel van een arbeidsovereenkomst blijft behouden zolang betrokkene niet gerechtigd is op een sociale uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan het bedrag van het leefloon waarop hij volgens zijn categorie aanspraak zou kunnen Art.9 §1. Het recht op maatschappelijke integratie door tewerkstelling kan voor de persoon, bedoeld in artikel 6, eveneens verwezenlijkt worden doordat het centrum financieel tussenkomt in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van de rechthebbende in het beroepsleven. §2. De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt evenals het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma’s. §3. In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële tussenkomst vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële tussenkomst die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd. §4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële tussenkomst in hun loon vanwege het centrum: 1° afwijkingen voorzien aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie; 2° een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§3 en 3 bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor deFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.136
  • sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§3 en 3 bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. Art.10 In afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of ook wanneer de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, heeft hij overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon. Wanneer de inkomsten uit de tewerkstelling lager zijn dan het bedrag van het leefloon waarop de betrokkene aanspraak kan maken, blijft het recht op een leefloon onder de bij de wet gestelde voorwaarden behouden. Art.11 §1. De toekenning en het behoud van het leefloon kunnen gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie ofwel op vraag van de betrokkene zelf, ofwel op initiatief van het centrum. Het project gaat uit van de verwachtingen, de vaardigheden, de bekwaamheden en de behoeften van de betrokken persoon en van de mogelijkheden van het centrum. Naar gelang van de behoeften van de persoon zal het geïndividualiseerd project betrekking hebben ofwel op de inschakeling in het beroepsleven, ofwel op de integratie in de maatschappij. Bij het opmaken van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie ziet het centrum toe op een correcte evenredige verhouding tussen de eisen die aan de betrokkene worden gesteld en de toegekende hulp. §2. Dit project is verplicht: a) wanneer het centrum op grond van billijkheidsredenen aanvaardt dat de betrokken persoon met het oog op een verhoging van zijn inschakelingkansen in het beroepsleven, een studie met voltijds leerplan aanvat, hervat of voortzet in een door de gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling; b) wanneer het een project betreft zoals bedoeld in artikel 6§2.. §3. De betrokken persoon en het centrum sluiten een schriftelijke overeenkomst, in overeenstemming met artikel 6§3, met betrekking tot het project bedoeld in§1. Op vraag van één van de partijen kunnen ook één of meer derden partij zijn bij de overeenkomst. De overeenkomst kan tijdens de uitvoering worden gewijzigd op verzoek van elke partij. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de minimumvoorwaarden en de modaliteiten waaraan een overeenkomst betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie moet voldoen, alsook de specifieke voorwaarden voor een overeenkomst die binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst inzake studies met een voltijds leerplan of overeenkomst gericht op vorming. Afdeling 2 - Maatschappelijke integratie voor personen vanaf 25 jaar Art.12 Iedere persoon vanaf 25 jaar heeft recht op maatschappelijke integratie wanneer hij voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden. Art.13 §1. Het recht op maatschappelijke integratie kan worden gerealiseerd door ofwel de toekenning van een leefloon, ofwel een tewerkstelling door middel van een arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 8 en 9. §2. De toekenning en het behoud van een leefloon kunnen gepaard gaan met het sluiten van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bedoeld in artikel 11, §§1 en 3, ofwel op verzoek van de betrokkene zelf, ofwel op initiatief van het centrum. §3. De in artikel 6§3, voorziene bepalingen zijn van toepassing wanneer in het kader van zijn recht op maatschappelijke integratie aan betrokkene een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie wordt voorgesteld TITEL IIFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.137
  • Toepassingsmodaliteiten van het recht op maatschappelijke integratie HOOFDSTUK I - Bedrag van het leefloon Art.14 §1. Het leefloon bedraagt jaarlijks: 1° 4.400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont. Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen; 2° 6.600 EUR voor een alleenstaand persoon; 3° 7.700 EUR voor: – een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is ten aanzien van zijn kinderen, op grond van hetzij een rechterlijke beslissing, hetzij een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming en die het bewijs van de betaling hiervan levert; – een alleenstaand persoon die voor de helft van de tijd uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind dat hij te zijnen laste heeft gedurende deze periode huisvest, hetzij meerdere kinderen huisvest, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige die hij te zijnen laste heeft gedurende deze periode, in het kader van een afwisselend verblijf, vastgelegd bij gerechtelijke beslissing of bij overeenkomst, bedoeld in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. 4° 8.800 EUR voor een eenoudergezin met kinderlast. Met eenoudergezin met kinderlast wordt bedoeld de alleenstaande persoon die uitsluitend hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meer kinderen, onder wie minstens één ongehuwde minderjarige te zijnen laste huisvest. §2 Het bedrag van het leefloon wordt verminderd met de bestaansmiddelen van de aanvrager, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II. §3. De rechthebbende op een leefloon die zijn hoedanigheid van dakloze verliest door een woonst te betrekken die hem als hoofdverblijfplaats dient, heeft éénmaal in zijn leven recht op een verhoging gelijk aan één twaalfde van het jaarlijks bedrag van het leefloon, vastgesteld in§1, eerste lid, 4°. In afwijking van het voorgaande lid, kan de Koning in de mogelijkheid voorzien de verhoging gelijk aan één twaalfde van het jaarlijkse bedrag van het leefloon, bepaald bij de§1, eerste lid, 4°, in behartigenswaardige gevallen, een tweede keer toe te kennen. De Koning kan andere categorieën van personen gelijkstellen met daklozen. Art 15 De in artikel 14,§1, eerste lid, bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen. Zij schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.138
  • HOOFDSTUK II - Berekening van de bestaansmiddelen Art.16 §1. Onverminderd de toepassing van het bepaalde in§2, komen alle bestaansmiddelen in aanmerking van welke aard en oorsprong ook, waarover de aanvrager beschikt, met inbegrip van alle uitkeringen krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Kunnen eveneens in aanmerking worden genomen binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bestaansmiddelen van de personen met wie de aanvrager samenwoont. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de modaliteiten van het onderzoek naar de bestaansmiddelen en stelt de regels vast van de berekening van die middelen §2. De Koning kan bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de inkomsten aanduiden die, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet in aanmerking komen bij het berekenen van de bestaansmiddelen. HOOFDSTUK III Afdeling 1 -Informatieplicht Art.17 Het centrum is verplicht aan elke persoon die daarom verzoekt, alle dienstige inlichtingen te verstrekken betreffende zijn rechten en plichten inzake maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Het centrum is verplicht uit eigen beweging de belanghebbende persoon alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn aanvraag of het behoud van zijn rechten. De Koning bepaalt wat onder dienstige inlichtingen moet verstaan worden. Afdeling 2 - Aanvraag, ambtshalve toekenning, herziening, stopzetting Art.18 §1. Het recht op maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie wordt, hetzij op initiatief van het bevoegd centrum, hetzij op aanvraag van de belanghebbende of van ieder persoon die hij hiervoor schriftelijk heeft aangewezen, toegekend, herzien of stopgezet door dit centrum. Onder “bevoegd centrum” wordt verstaan het centrum bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, 1° en 2 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Indien het een dakloze persoon betreft, is het centrum bedoeld in artikel 57 bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bevoegd. §2. De aanvraag wordt, de dag zelf van haar ontvangst, chronologisch ingeschreven in het daartoe gehouden register. De schriftelijke aanvraag wordt ondertekend door de belanghebbende of de aangewezen persoon. Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het eerste lid. §3. Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs. Elk ontvangstbewijs moet melding maken van de onderzoekstermijn van de aanvraag, en van het bepaalde in de artikelen 20 en 22§1, tweede lid. §4. Wanneer een centrum een aanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd centrum. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld van deze overzending. Op straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd geachte OCMW, evenals de kennisgeving van de overzending aan de aanvrager, door een brief met vermelding van de redenen van onbevoegdheid. De aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het eerste centrum, zoals bepaald in§2. Het centrum dat deze verplichting niet naleeft, moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden, het leefloon of de maatschappelijke integratie door tewerkstelling toekennen zolangFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.139
  • het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld. De beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging. §5. Het centrum waarbij een verzoek tot het bekomen van sociale prestaties wordt ingediend waarvoor het niet bevoegd is, zendt dit onverwijld door aan de bevoegde instelling van sociale zekerheid. De verzoeker wordt daarvan verwittigd. §6. Wanneer het centrum een aanvraag tot het bekomen van een recht op maatschappelijke integratie ontvangt welke door een andere instelling van sociale zekerheid is overgezonden, zal de aanvraag gevalideerd worden op de datum van indiening bij de onbevoegde instelling, zijnde de datum van het postmerk en, bij gebreke hieraan, de datum van de ontvangst van de aanvraag. Afdeling 3 - Onderzoek van de aanvraag Art.19 §1. Met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon, verricht het centrum een sociaal onderzoek. Voor het sociaal onderzoek moet het centrum een beroep doen op maatschappelijk werkers, volgens de kwalificatievoorwaarden bepaald door de Koning. §2. De aanvrager is ertoe gehouden elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven. §3. Het centrum verzamelt alle ontbrekende inlichtingen om de rechten van de betrokkene te kunnen beoordelen wanneer de aanvrager dit niet kan doen. §4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad: 1° welke inlichtingen en machtigingen door de aanvrager ten minste moeten worden gegeven op een daartoe bij de aanvraag van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling in te vullen formulier; 2° onder welke voorwaarden en op welke wijze het centrum inlichtingen kan inwinnen bij de openbare besturen. Art.20 Het centrum moet de betrokkene horen, indien hij hierom verzoekt, alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot: – de toekenning, weigering of herziening van een leefloon, een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of een maatschappelijke integratie door tewerkstelling;. – de sancties bedoeld in artikel 30, §§1 en 2; – de terugvordering ten laste van een persoon die het leefloon heeft genoten. Het centrum moet de betrokkene in kennis stellen van dit recht, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning. De betrokkene wordt gehoord door hetzij de raad, hetzij het bevoegde orgaan met beslissingsbevoegdheid in het concrete geval. De betrokkene die wordt gehoord kan zich bij de uitoefening van zijn recht om te worden gehoord, laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze. Afdeling 4 - Beslissing Art.21 §1. Onverminderd de verplichting tot onmiddellijke dienstverlening hem opgelegd door de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist het centrum binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. In de gevallen bedoeld in artikel 18§4, eerste lid, en §6, beslist het centrum aan wie de aanvraag werd overgezonden binnen 30 dagen volgend op de dag waarop het eerste aangezochte centrum of instelling van sociale zekerheid de aanvraag heeft overgezonden. §2. Elke beslissing met individuele strekking die rechtsgevolgen heeft ten aanzien van het recht van de betrokken persoon op maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, een tewerkstellingFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.140
  • of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie moet op schrift worden gesteld en met redenen worden omkleed. Deze motivering moet afdoende zijn en moet zowel betrekking hebben op de juridische als op de feitelijke elementen die aan de beslissing ten gronde liggen. Wanneer de beslissing betrekking heeft op een geldsom, moet ze het toegekende bedrag vermelden, alsmede de wijze van berekening en de regelmaat van de betalingen. §3. De beslissing moet bovendien de volgende vermeldingen bevatten: 1° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank een beroep in te stellen; 2° het adres van de bevoegde rechtbank; 3° de termijn om een beroep in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren; 4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de refertes van het dossier en van de dienst en de maatschappelijk werker die het dossier beheert; 6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert; 7° het feit dat het instellen van een beroep bij de arbeidsrechtbank de uitvoering van de beslissing niet schorst; 8° in voorkomend geval, de periodiciteit van de betaling. Indien de beslissing de in dit artikel genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de in artikel 47§1, tweede lid, bedoelde termijn om een beroep in te stellen niet in. §4 De beslissing wordt binnen acht dagen bij aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs betekend aan de betrokkene op de wijze die door de Koning kan worden bepaald. De datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs zijn doorslaggevend. §5. De beslissing houdende toekenning of verhoging van een leefloon die genomen wordt ingevolge een door de betrokkene ingediende aanvraag heeft uitwerking op de datum van ontvangst van die aanvraag. In afwijking van het voorgaande lid heeft de beslissing die genomen wordt door het bevoegd centrum in het geval van artikel 18§4, derde lid, uitwerking op de dag volgend op de datum waarop de aanvraag door het eerste aangezochte centrum werd overgemaakt. Geldt het een beslissing van ambtswege dan bepaalt het centrum in zijn beslissing de dag waarop deze uitwerking heeft. §6. Elke beslissing tot toekenning, weigering of herziening van het recht op maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, wordt medegedeeld aan de minister, op de wijze door de Koning bepaald en binnen acht dagen volgend op het einde van de maand waarin deze beslissing werd genomen. Art.22 §1. Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de verjaring, herziet het centrum een beslissing in geval van: 1. gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon, 2. een wijziging van het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling; 3. een juridische of materiële vergissing van het centrum; 4. verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen van de persoon. Met het oog op een eventuele herziening moet de betrokkene onmiddellijk aangifte doen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op het hem toegekende bedrag of op zijn situatie als rechthebbende. Met hetzelfde oogmerk moet het centrum geregeld, en minstens om het jaar, nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld blijven. §2. De beslissing tot herziening heeft uitwerking met ingang van de dag waarop de reden is ontstaan die tot de herziening aanleiding heeft gegeven. In afwijking van het eerste lid, heeft de herziening uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving in geval van een juridische of materiële vergissing van het centrum wanneer de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn: 1° het recht op de prestatie is kleiner dan het aanvankelijk toegekende recht; 2°de persoon kon zich niet vergewissen van de vergissing.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.141
  • Afdeling 5 - Betaling Art.23 §1. De eerste betaling van het leefloon geschiedt binnen de vijftien dagen van de beslissing; indien voorschotten werden toegekend, wordt het bedrag ervan in mindering gebracht van de sommen toegekend voor de periode waarop zij betrekking hebben. De andere betalingen geschieden per week, per veertien dagen of per maand naar keuze van het centrum, zoals bepaald in de beslissing. De Koning kan nadere regels voor deze uitbetaling bepalen. §2. Bij laattijdige betaling brengt het leefloon van rechtswege intrest op vanaf de datum waarop het opeisbaar wordt, zijnde de zestiende dag volgend op de beslissing. Is de beslissing genomen met een vertraging die te wijten is aan het centrum, dan is de intrest verschuldigd vanaf de zesenveertigste dag na het indienen van de aanvraag. De Koning kan de modaliteiten van de berekening van de intrest bepalen. Hij kan tevens de intrestvoet bepalen, zonder dat die lager mag zijn dan het gewoon tarief van de voorschotten boven plafond op een lopende rekening vastgesteld door de Nationale Bank. §3. De Koning bepaalt de gevallen waarin de uitbetaling aan de gerechtigde wordt geschorst omdat hij het voorwerp uitmaakt van een maatregel van vrijheidsberoving of opsluiting. §4 De Koning bepaalt aan welke personen de vervallen en niet-uitgekeerde termijnen worden uitbetaald bij het overlijden van de gerechtigde op een leefloon. HOOFDSTUK IV - Terugvorderingen Art.24 §1. Het leefloon uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt op de betrokkene verhaald: 1° in geval van een herziening met terugwerkende kracht, bedoeld in artikel 22§1. In geval van een vergissing vanwege het centrum kan het centrum ofwel het onverschuldigde terugvorderen, ofwel op eigen initiatief, of op aanvraag van de betrokkene geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering. 2° indien hij de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem een leefloon werd uitbetaald. In dit geval is de terugvordering beperkt tot beloop van het bedrag waarvoor die inkomsten bij de berekening van het leefloon in aanmerking hadden moeten worden genomen indien hij er te dien tijde reeds de beschikking over zou hebben gehad. In afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek treedt het centrum van rechtswege en tot beloop van dat bedrag in de rechten die de begunstigde op de hierboven bedoelde inkomsten kan doen gelden; §2. Buiten de gevallen bedoeld in §1 is geen terugvordering van het leefloon bij de betrokkene mogelijk. Elke hiermee tegenstrijdige overeenkomst is nietig. §3. De in§1 vermelde beslissing moet conform zijn aan de bepalingen van artikel 21, §§2, 3 en 4. §4. De onverschuldigd betaalde bedragen brengen van rechtswege intrest op vanaf de betaling, indien de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist, bedrog of bedrieglijke handelingen van de belanghebbende persoon. Art.25 §1. Dit artikel is toepasselijk op het geval van terugvordering bedoeld in artikel 24§1,1°. §2. Het centrum moet aan de betrokkene schriftelijk kennis geven van zijn beslissing om het hem uitgekeerde leefloon van hem terug te vorderen. Deze beslissing moet, naast de vermeldingen bedoeld in artikel 21§3, de volgende aanduidingen bevatten: 1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald; 2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan; 3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan; 4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn; 5° de mogelijkheid voor het centrum om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.142
  • 6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel van terugbetaling in schijven voor te leggen. Wanneer de beslissing de genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de in artikel 47§1, tweede lid, bedoelde termijn om een beroep in te stellen niet in. Het centrum kan zijn beslissing tot terugvordering eerst ten uitvoer leggen na verloop van één maand. Indien de betrokkene binnen deze tijd verzoekt van de terugvordering af te zien, kan het centrum niet optreden dan na zijn beslissing te hebben bevestigd door een nieuwe beslissing die bij aangetekend schrijven aan de betrokkene wordt meegedeeld. §3. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden het centrum afziet van de terugvordering van het onverschuldigde bij het overlijden van de persoon aan wie het is betaald Art.26 Art.26 Het leefloon door een centrum uitgekeerd met toepassing van deze wet wordt krachtens een eigen recht door dit centrum verhaald, binnen de grenzen, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning, op de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 4§1, alsook de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn gedurende de tijd dat het leefloon is uitgekeerd. Art.27 Het centrum verhaalt het leefloon krachtens een eigen recht op de persoon die verantwoordelijk is voor de verwonding of ziekte die aanleiding gegeven heeft tot de betaling van het leefloon. Wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering tegelijk met de strafrechtelijke vordering en voor dezelfde rechter worden ingesteld. Art 28 Het centrum kan slechts afzien van de terugvorderingen bedoeld in de artikelen 24§1, 26 en 27 bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing vermeld worden. De betrokkene kan billijkheidsredenen aanvoeren ten einde de terugvordering te voorkomen. Geen terugvordering moet worden ingesteld indien de kosten of inspanningen hieraan verbonden, niet opwegen tegen het verwachte resultaat. Art.29 §1. De terugvordering bedoeld in artikel 24§1 en de vordering bedoeld in artikel 27, eerste lid, verjaren overeenkomstig artikel 2262 bis§1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. §2. De terugvordering bedoeld in artikel 26 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. §3. De vordering bedoeld in artikel 27, tweede lid, verjaart overeenkomstig artikel 2262 bis§1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. §4. Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs. HOOFDSTUK V - Sancties Art.30 §1. Indien de betrokkene verzuimt bestaansmiddelen aan te geven waarvan hij het bestaan kent, of als hij onjuiste of onvolledige verklaringen aflegt die het bedrag van het leefloon beïnvloeden, kan de uitbetaling van het leefloon geheel of gedeeltelijk geschorst worden voor een periode van ten hoogste zes maanden, of in geval van bedrieglijk opzet, voor ten hoogste twaalf maanden. In geval van herhaling binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de sanctie voor een vorig verzuim of onjuiste verklaring definitief is geworden, kunnen de bovenvermelde periodes worden verdubbeld. Geen sanctie kan nog worden uitgesproken na verloop van twee jaar vanaf de dag waarop het verzuim werd begaan of de onjuiste verklaring werd gedaan. Geen sanctie kan nog worden uitgevoerd na verloop van twee jaar vanaf de dag waarop de sanctie definitief is geworden. §2. Indien de betrokkene, na aanmaning, de verplichtingen die in het contract betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, zoals bedoeld in de artikelen 11 en 13, §2, vermeld zijn, zonder wettige redenen, niet naleeft, kan de uitbetaling van het leefloon na het advies van de maatschappelijk werker belast met het dossier, geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste één maand. In geval van herhaling binnen een termijnFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.143
  • van ten hoogste één jaar, kan de uitbetaling van het leefloon voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst. De in het eerste lid bepaalde sanctie gaat in op de eerste dag van de tweede maand volgend op de beslissing van het centrum. §3. De onder §§1 en 2 bedoelde administratieve sancties worden uitgesproken door het bevoegde centrum zoals bedoeld in artikel 18§1, en kunnen desgevallend verder uitgevoerd worden door het centrum dat naderhand bevoegd wordt en dit zolang de sanctie van toepassing is. De regels van de rechtspleging, bepaald door de artikelen 20, 21, §§2, 3 en 4 en artikel 47 zijn van toepassing. Art.31 Onverminderd de toepassing van andere strafbepalingen, inzonderheid die van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen te doen inzake subsidies, vergoedingen en toelagen van alle aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk zijn, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en een geldboete van 26 EUR tot 500 EUR of met één van deze straffen alleen: 1. de gerechtigde bedoeld in artikel 30§1, die met bedrieglijk oogmerk heeft gehandeld. 2. eenieder die wetens en willens valse verklaringen aflegt of valse attesten opmaakt betreffende de gezondheidstoestand of de sociale toestand van de betrokkene met de bedoeling deze een leefloon te doen toekennen waarop hij geen aanspraak kan maken. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van die van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven zoals bepaald in dit artikel. HOOFDSTUK VI - Staatstoelage Afdeling 1 - Leefloon Art.32 §1. De Staat verleent aan het in artikel 18 bedoeld centrum een toelage van 50% van het bedrag van het leefloon, toegekend overeenkomstig de bepalingen van deze wet. §2. De toelage, bedoeld in §1, wordt verhoogd tot 60% van het bedrag van het leefloon voor het centrum dat in de loop van het voorlaatste jaar maandelijks gemiddeld aan tenminste vijfhonderd rechthebbenden een leefloon heeft toegekend of voor wie het een tewerkstelling heeft gerealiseerd waarvoor een staatstoelage geldt. §3. De toelage bedoeld in§1 wordt verhoogd tot 65% wanneer het recht, onder de voorwaarden bedoeld in §2, aan ten minste duizend rechthebbenden werd toegekend. §4. De in §§2 en 3 vermelde toelage wordt voor de eerste maal toegekend aan een centrum dat de drempel van vijfhonderd of duizend rechthebbenden overschrijdt, op voorwaarde dat het aantal rechthebbenden met tenminste 5% is toegenomen in vergelijking met het voorgaande jaar. §5. Wanneer het aantal rechthebbenden in de loop van het voorlaatste jaar maandelijks gemiddeld onder de drempel van 500 of 1000 daalt, behoudt het centrum het recht op de verhoogde toelage, bedoeld in de §§2 en 3, weliswaar verminderd met 1% per jaar totdat het de toelageniveaus bereikt van respectievelijk 50% en 60% van het bedrag van het leefloon. De vermindering van de toelage met 1% per jaar wordt niet toegepast wanneer de daling van het aantal rechthebbenden minder bedraagt dan 3% ten opzichte van het voorgaande jaar. Art.33 De toelage bedraagt gedurende een periode van ten hoogste zes maanden 70% van het bedrag van het leefloon wanneer, in het kader van een contract betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, gesloten met toepassing van de artikelen 11 en 13§2, de rechthebbende een opleiding volgt gedurende minstens 10 uren per week of werkervaring opdoet gedurende minstens 10 uren en ten hoogste 20 uren per week. De opleiding moet georganiseerd worden door een openbare dienst die zorgt voor de opleiding van werklozen ofwel door een organisme voor beroepsopleiding dat een overeenkomst heeft gesloten met het centrum. De werkervaring moet verricht worden in de diensten of instellingen van het centrum of in een dienst of instelling, bedoeld onder artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Art.34Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.144
  • De toelage bedoeld in artikel 32 wordt verhoogd met 10% gedurende de looptijd van een contract betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gesloten met toepassing van artikel 11§2,a, voor zover het centrum de bepalingen van de artikelen 26 en 28 nakomt. Art.35 In afwijking van artikel 55 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, behoudt het centrum de bedragen die het in uitvoering van artikel 26 terugvordert bij de ascendenten van de eerste graad, de adoptanten, de echtenoot of, in voorkomend geval, de ex-echtgenoot en de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de begunstigde verbonden is door een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gesloten met toepassing van artikel 11§2,a. Afdeling 2 - Tewerkstelling Art.36 §1. Een toelage is verschuldigd aan het centrum wanneer het optreedt in de hoedanigheid van werkgever met toepassing van artikel 60§7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Bij een voltijdse tewerkstelling is het bedrag van de toelage gelijk aan het bedrag van het leefloon, bepaald in artikel 14,§1, 4°, van deze wet. De toelage blijft verschuldigd aan het centrum tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, zelfs als de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of indien hij zich in een andere gemeente vestigt. §2. De Koning bepaalt de hoogte van de toelage bij een deeltijdse tewerkstelling, alsmede de voorwaarden waaronder deze toelage wordt toegekend. Hij kan eveneens het bedrag van de toelage verhogen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling en er de voorwaarden van bepalen. Art.37 Wanneer het centrum optreedt in de hoedanigheid van werkgever met toepassing van artikel 60§7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, om het in artikel 6 bedoelde recht op maatschappelijke integratie door tewerkstelling te realiseren, wordt de toelage, bepaald overeenkomstig de §§1 en 2, eerste lid, van artikel 36 met 25% verhoogd tot maximaal de brutoloonkost van de tewerkgestelde persoon. Art.38 Een toelage is verschuldigd aan het centrum wanneer het met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een rechthebbende een overeenkomst inzake tewerkstelling sluit met een privé-onderneming. Deze toelage moet volledig besteed worden aan de omkadering of opleiding van de rechthebbende bedoeld in het eerste lid in de onderneming of binnen het centrum. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoogte van de in het eerste lid bedoelde toelage, evenals de voorwaarden, de duur en de modaliteiten waaronder deze toelage wordt toegekend. Art.39 Een toelage is verschuldigd aan het centrum wanneer dat tussenkomt in de kosten verbonden aan de inschakeling van de rechthebbende in het beroepsleven, met toepassing van artikel 9 of artikel 13. De toelage is gelijk aan het bedrag van de financiële tussenkomst.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.145
  • Afdeling 3 - Personeelskosten Art.40 Een toelage wordt aan het centrum verleend als tegemoetkoming in de personeelskosten per dossier waarvoor het centrum een staatstoelage ontvangt naar aanleiding van de toekenning van een leefloon of een tewerkstelling. Deze toelage bedraagt 250 EUR op jaarbasis en wordt berekend in functie van het aantal dagen dat het centrum voormelde staatstoelage ontvangt. De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de voorwaarden en toekenningsmodaliteiten van die toelage. Afdeling 4 - Andere verhoogde toelagen Art.41 De toelage bedraagt 100% van het bedrag van het leefloon gedurende een periode van ten hoogste één jaar, wanneer het wordt toegekend aan een rechthebbende die zijn hoedanigheid van dakloze verliest, zoals bedoeld door artikel 14§3, eerste lid. Art.42 De toelage bedraagt 100% van de verhoging van het leefloon, verleend met toepassing van artikel 14§3, eerste lid, aan de begunstigde die zijn hoedanigheid van dakloze verliest. Art.43 Zij bedraagt 100% van het bedrag van het leefloon voor een periode van maximaal vijf jaar wanneer dat wordt toegekend aan een rechthebbende ingeschreven in het vreemdelingenregister, en dit tot de dag van zijn inschrijving in het bevolkingsregister. Afdeling 5 - Modaliteiten Art.44 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden en op welke wijze de toelagen alsmede voorschotten hierop worden uitbetaald. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 28, tweede lid, en 57 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, worden de aan de centra te veel gestorte bedragen van de toelagen, die betrekking hebben op jaren die aan het lopend jaar voorafgaan, beschouwd als een voorschot op de toelage voor het lopende jaar. Afdeling 6 - Sancties ten aanzien van het centrum Art.45 Bij een met redenen omklede beslissing kan de minister weigeren de toelage te betalen of beslissen ze te verminderen: – indien het verslag opgesteld ten gevolge van het sociaal onderzoek, bedoeld in artikel 19, niet vermeldt dat de verschillende voorwaarden tot toekenning van het leefloon of de realisatie van de tewerkstelling vervuld zijn; – indien het centrum de bepalingen van deze wet met betrekking tot de terugvordering van het leefloon niet heeft nageleefd. Art.46 Indien het centrum zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om op te treden en krachtens een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan veroordeeld wordt tot de toekenning van het leefloon, kan de minister, wanneer zulks herhaaldelijk voorkomt, bij een met redenen omklede beslissing, weigeren de toelage te betalen of beslissen ze te verminderen. Deze sanctie gaat in op de datum van de hulpaanvraag en eindigt ten laatste drie jaar na de datum van de rechterlijke beslissing. Tegen de beslissing van de minister kan binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan beroep worden ingesteld bij de Raad van State.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.146
  • HOOFDSTUK VII - Beroep Art.47 §1. De betrokkene of de minister, of diens afgevaardigde, kunnen een beroep instellen tegen de beslissing van het centrum inzake het recht op maatschappelijke integratie bij de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de betrokkene. De betrokkene kan ook in beroep gaan tegen het uitblijven van een beslissing van het centrum in deze materie. Dit beroep moet ingesteld worden binnen de drie maanden op straffe van verval, bij verzoekschrift afgegeven aan of aangetekend gericht tot de griffie van de arbeidsrechtbank. De termijn van drie maanden loopt, naargelang het geval, vanaf: – de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 21,§4; – de dag na het verstrijken van de termijn waarin de beslissing uiterlijk had moeten worden betekend in toepassing van artikel 21, §§1 en 4. §2. Wanneer het beroep wordt ingesteld door de minister of zijn afgevaardigde, is het gericht, hetzij tegen het centrum en de betrokkene, hetzij tegen het centrum, waarbij de betrokkene in de zaak wordt geroepen. §3. Het instellen van een beroep schorst de uitvoering van de beslissing niet. §4. Wanneer het in de zaak betrokken centrum zijn territoriale bevoegdheid betwist, roept zo nodig, de arbeidsrechtbank, in afwijking van artikel 811 Gerechtelijk Wetboek, bij gerechtsbrief het bevoegd geachte centrum ambtshalve in de zaak, teneinde te verschijnen op de eerstvolgende nuttige zitting. Indien de onbevoegdheid van het centrum wordt opgeworpen op de inleidende zitting, kan de griffier de beslissing tot ambtshalve oproeping noteren op het zittingsblad. HOOFDSTUK VIII - Slot- en opheffingsbepalingen Art.48 §1. Artikel 580, 8°, c) van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid: “de wet van …..tot instelling van het recht op maatschappelijke integratie, inzake de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van de maatschappelijke integratie, alsmede de toepassing van de administratieve sancties bepaald in de desbetreffende wetgeving.” §2. In artikel 728,§3, derde lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1971, worden de woorden “inzake het bestaansminimum” vervangen door de woorden “inzake het bestaansminimum en het recht op maatschappelijke integratie” Art.49 Binnen de termijn opgelegd door de minister, verstrekt het centrum aan het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu alle gegevens die nodig zijn voor het opmaken van statistieken betreffende de evolutie van de toepassing van deze wet. De Koning kan de aard van deze gegevens evenals de wijze van mededeling ervan bepalen. Art.50 §1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen van het leefloon bedoeld in artikel 14,§1, verhogen. §2. De Koning kan naar analogie van de herwaarderingscoëfficiënt die bestaat in de wet van 28 maart 1973 de modaliteiten vastleggen van de welvaartsvastheid van de bedragen, bedoeld in artikel 14§1. Art.51 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het bedrag van de sociale minimumuitkeringen optrekken tot het bedrag van het leefloon, onverminderd de overleg- en adviesprocedures voorzien in de onderscheiden reglementeringen. Art.52 In artikel 2 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt een §6 ingevoegd, luidende: “§6. In afwijking van artikel 1, 1°, is het steunverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de persoon die een studie volgt in de zin van artikel 11§2, a, van de wet van ……… totFout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.147
  • instelling van het recht op maatschappelijke integratie, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de student, op het ogenblik van de aanvraag, zijn inschrijving als hoofdverblijfplaats heeft in het bevolkings- of vreemdelingenregister. Dit openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn blijft bevoegd voor de hele ononderbroken duur van de studie.” Art.53 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de terminologie van de vigerende wettelijke bepalingen die door deze wet stilzwijgend werden gewijzigd, in overeenstemming brengen met die van deze wet. Art.54 De wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum wordt opgeheven. HOOFDSTUK IX - Overgangsbepalingen Art.55 In afwijking van artikel 52 van deze wet, blijft het centrum dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet een bestaansminimum toekende aan een persoon bedoeld in artikel 11§2, a, bevoegd tot wanneer de betrokkene zijn studie heeft voleindigd. Art 56 De personen die met toepassing van artikel 2§5, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum gerechtigd zijn op een bestaansminimum bij een tewerkstelling in een inschakelingprogramma, worden op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet gerechtigd op een financiële tussenkomst bedoeld in artikel 9. Art.57 De bepalingen van artikel 18 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum blijven van toepassing op de uitkeringen die met toepassing van voormelde wet werden toegekend. Art.58 In de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° In artikel 60§3, tweede lid, worden de woorden “artikel 6 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum” vervangen door de woorden “de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13§2, van de wet van … betreffende het recht op maatschappelijke integratie”. 2° In artikel 68 bis,§5, worden de woorden “artikel 5 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum” vervangen door de woorden “artikel 16 van de wet van … betreffende het recht op maatschappelijke integratie”. Art.59 Voor de toepassing van artikel 32, §§2, 3, 4 en 5 worden tot 31 december 2005 ook de rechthebbenden op een bestaansminimum overeenkomstig de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum meegeteld. Art.60 Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 oktober 2002, met uitzondering van artikel 40 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002.Fout! Opmaakprofiel niet gedefinieerd. P.148