SOCIALE ACTIVERING, TUSSEN ACTIEFBURGERSCHAP EN BETAALDE ARBEIDEen verkennend onderzoek naar depraktijk van sociale active...
Gepubliceerd doorKU LeuvenHIVA - Onderzoeksinstituut voor Arbeid en SamenlevingParkstraat 47 bus 5300, BE 3000 Leuvenwww.h...
VoorwoordOp vraag van de Staatssecretaris bevoegd voor Maatschappelijke Integratievoerden we in 2011 een verkennend onderz...
InhoudVoorwoord                                                             31 | Inleiding                                ...
6 | Succesvoorwaarden van sociale activering                 61         6.1   Knelpunten                                  ...
1 | InleidingHet verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de‘actieve welvaartsstaat’ gekl...
In wat volgt leggen we ons toe op ‘sociale’ activering en de manier waarop de                          Belgische OCMW’s hi...
Murray, is het ‘Derde Weg’-denken, dat vanuit de Britse politiek van New Labouronder Tony Blair breed ingang heeft gevonde...
in de praktijk meer en meer groepen worden geactiveerd, stoten praktijkwerkers                          ook op de sociale ...
participatieperspectief zal makkelijker op het verplichten worden overgeschakeld.Dat dit kan botsen met bestaande opvattin...
met name de nog niet bemiddelbaren, is deze vorm van activering een opstap rich-                          ting doorstroom ...
om gelijksoortige praktijken te benoemen, geldt dit des te meer voor sociale acti-vering. Sommige auteurs suggereren een o...
zinvolle activiteiten te ondernemen: (1) ofwel als een doel op zich; (2) ofwel als                          een eerste sta...
2 | OnderzoeksopzetDit onderzoek heeft tot doel het veelzijdige aanbod van sociale activering dat deBelgische OCMW’s uitwe...
vincie is er een lichte oververtegenwoordiging van de Vlaamse OCMW’s en van                                de OCMW’s geves...
De webenquête is gericht aan de secretaris van elk OCMW, met de vraag omdeze te laten invullen door het hoofd van de diens...
3 | Visie en rol van het regelgevendkaderIn dit hoofdstuk gaan we dieper in op de visie op sociale activering van deBelgis...
Naast deze doelen die niet (noodzakelijk) in het teken van tewerkstelling staan,                                          ...
Tabel 3.1       Concrete doelen van sociale activering (naar gewest), in % ‘eens’Wij willen met ons OCMW bereiken dat, ......
22       hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.2         Concrete doelen van sociale activering (naa...
3.1.2     Algemeen heersende beleidsvisieBinnen welke algemene beleidsvisie op activering kaderen bovenbesproken doelenvan...
OCMW’s tegenover 100,0% van de Brusselse OCMW’s en 92,6% van de Vlaamse                                                   ...
Tabel 3.3       Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar ge...
26         hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.3          Algemeen heersende beleidsvisie op activ...
Tabel 3.4       Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar gr...
28        hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.4          Algemeen heersende beleidsvisie op active...
Tabel 3.5       Link tussen sociale activering en de voorwaardelijkheid van het leefloon                (naar gewest). Ant...
van wederkerigheid (‘voor wat hoor wat’) en een ‘breed’ begrip van wederkerig-                                            ...
Tabel 3.8      Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de               opzet en organisatie van so...
Tabel 3.9      Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de                                          ...
4 | Aanbod en doelgroepen van socialeactiveringIn dit hoofdstuk gaan we na welke activiteiten tot het aanbod inzake social...
gen krijgen eveneens een plaats binnen het sociale activeringsaanbod. In Brussel is                                       ...
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid

833

Published on

Het verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de ‘actieve welvaartsstaat’ gekleurd door een toenemende tendens tot activering. De louter passieve uitkeringsfunctie van het sociaal beleid bleek niet te volstaan om sociale uitsluiting, een multi-dimensioneel verschijnsel, tegen te gaan. Het stimuleren van actieve participatie aan de reguliere arbeidsmarkt of andere vormen van gesubsidieerde arbeid drong door als het middel bij uitstek in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting (Jørgensen, 2004; Raeymaeckers et al., 2009). Vandaag is deze opvatting stevig ingeburgerd, ook bij de OCMW’s. Maar in de praktijk blijft de activering van leefloners en equivalent leefloners weerspanniger. Vanuit het werkveld klinken soms geluiden dat voor bepaalde groepen van steuntrekkers bij het OCMW de activering op haar grenzen stoot. Vandaar dat nieuwe vormen van activering opduiken, één daarvan is wat gevat kan worden onder de noemer van ‘sociale activering’.

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
833
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
9
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid

  1. 1. SOCIALE ACTIVERING, TUSSEN ACTIEFBURGERSCHAP EN BETAALDE ARBEIDEen verkennend onderzoek naar depraktijk van sociale activering in deBelgische OCMW’sGreet Van Dooren, Janne Kuppens, Julie Druetz,Ludo Struyven & Abraham FranssenProjectleiding: Ludo Struyven & Abraham FranssenOnderzoek in opdracht van de POD Maatschappelijke Integratie,Armoedebestrijding, Sociale Economie en GrootstedenbeleidOfferte Bestek MIIS 2011 01
  2. 2. Gepubliceerd doorKU LeuvenHIVA - Onderzoeksinstituut voor Arbeid en SamenlevingParkstraat 47 bus 5300, BE 3000 Leuvenwww.hiva.beD/2012/4718/4 – ISBN 9789088360336© 2012 HIVA-KU LeuvenNiets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.No part of this book may be reproduced in any form, by mimeograph, film or any other means, without permission inwriting from the publisher.
  3. 3. VoorwoordOp vraag van de Staatssecretaris bevoegd voor Maatschappelijke Integratievoerden we in 2011 een verkennend onderzoek uit naar sociale activering bij deBelgische OCMW’s. We, zijnde een onderzoeksteam samengesteld uit onder-zoekers van het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving) van deKU Leuven, samen met het Centre d’études sociologiques (CES) van de FUSL(Facultés Universitaires Saint-Louis). Dit onderzoek is zowel in eenNederlandstalige als in een Franstalige versie beschikbaar. In de nationale en internationale literatuur is het thema sociale activering eenvrijwel onontgonnen terrein. Dit maakte het voor ons een boeiende uitdagingaangezien we vooraf moeilijk konden inschatten in hoeverre sociale activering ookin de praktijk nog onontgonnen materie was. Het thema sociale activering bleekweldegelijk te leven bij de Belgische OCMW’s. We stelden een enorme rijkdomaan praktijken vast in combinatie met een enthousiaste en actieve participatie aanzowel de webenquête, de case studies als de focusgroepen. Onze oprechte dank Voorwoordvoor jullie inspanningen. Daarnaast willen we ook de POD Maatschappelijke Integratie bedanken voor deunieke kans om dit thema te verkennen over heel België. Deze verkenning wasniet mogelijk geweest zonder de technische ondersteuning, zelfs tijdensvakantieperiodes, van Yo Gazia. Ook Prof. Dr. Yannick Vanderborgt verdient een 3bijzonder woord van dank voor zijn tweetalige input en ondersteuning. En last butnot least een woord van dank aan alle deelnemers aan sociale activeringsprojectendie hun ervaringen met ons wilden delen.
  4. 4. InhoudVoorwoord 31 | Inleiding 71.1 Normatieve uitgangspunten voor activering 8 1.1.1 Activering als emancipering 8 1.1.2 Activering als disciplinering 8 1.1.3 Activering en actief burgerschap 91.2 Voedingsbodem voor sociale activering in de Belgische OCMW’s 11 1.2.1 De praktijkervaring 11 1.2.2 Het beleidskader 121.3 Sociale activering in dit onderzoek 122 | Onderzoeksopzet 153 | Visie en rol van het regelgevend kader 193.1 Visie 19 3.1.1 Concrete doelen 19 3.1.2 Algemeen heersende beleidsvisie 23 Inhoud3.2 Regelgevend kader 304 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering 334.1 Type activiteiten 33 54.2 Identificatie van de doelgroep en bereikte deelnemers 354.3 Verband tussen sociale activering en arbeidsactivering 395 | Organisatie van het aanbod 455.1 Toeleiding en identificatie 455.2 Financiële stimuli 465.3 Evaluatie 485.4 Interne organisatie 505.5 Externe organisatie 545.6 Financiering 58
  5. 5. 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering 61 6.1 Knelpunten 61 6.2 Goede praktijken 67 6.3 Verbetervoorstellen 70 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies 73 7.1 Opstart en toeleiding 74 7.2 Doelgroep en inhoud 75 7.3 Medewerkers 76 7.4 Financiering en organisatie van het aanbod 77 7.5 Resultaten en evaluatie 77 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen 79 8.1 Samenvattend overzicht van bevindingen 79 8.2 Conclusies en discussie 83 8.3 Aanbevelingen 87 8.3.1 Federaal beleidsniveau 87 8.3.2 OCMW- en lokaal beleidsniveau 90 8.4 Sporen voor vervolgonderzoek 94 - BIJLAGEN - 97 bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) 99 bijlage 2 Info selectie casestudies 117 bijlage 3 Resultaten respons 119 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey 121 bijlage 5 Casestudies 131 bijlage 6 Tabel goede praktijken 197 Bibliografie 209Inhoud6
  6. 6. 1 | InleidingHet verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de‘actieve welvaartsstaat’ gekleurd door een toenemende tendens tot activering. Delouter passieve uitkeringsfunctie van het sociaal beleid bleek niet te volstaan omsociale uitsluiting, een multi-dimensioneel verschijnsel, tegen te gaan. Het stimule-ren van actieve participatie aan de reguliere arbeidsmarkt of andere vormen vangesubsidieerde arbeid drong door als het middel bij uitstek in de strijd tegenarmoede en sociale uitsluiting (Jørgensen, 2004; Raeymaeckers et al., 2009). Van-daag is deze opvatting stevig ingeburgerd, ook bij de OCMW’s. Maar in de prak-tijk blijft de activering van leefloners en equivalent leefloners weerspanniger.Vanuit het werkveld klinken soms geluiden dat voor bepaalde groepen van steun-trekkers bij het OCMW de activering op haar grenzen stoot. Vandaar dat nieuwe hoofdstuk 1 | Inleidingvormen van activering opduiken, één daarvan is wat gevat kan worden onder denoemer van ‘sociale activering’. Hoewel de term ‘activering’ internationaal is ingeburgerd in het politieke jargon,gaat een inhoudelijke duiding van het concept gepaard met problemen (Amilcar,2008; Barbier, 2005; Jørgensen, 2004; Serrano Pascual, 2004). Zowel in de litera-tuur als in de praktijk herkennen we twee strekkingen op het vlak van activering.In de ene strekking linkt activering het sociaal beleid expliciet aan systematische 7maatregelen en programma’s om de participatie aan de arbeidsmarkt te bevorde-ren. In de andere strekking wordt niet alleen de arbeidsmarktintegratie, maar ookde bredere maatschappelijke integratie (‘intégration sociale’) en participatie cen-traal geplaatst. Het concept activering krijgt verschillende betekenissen toebedeelden wordt dan ook op verschillende wijzen ingevuld in de praktijk. De implemen-tatie verschilt van land tot land, afhankelijk van institutionele en beleidscontexten.Maar ook binnen een land zijn er verschillen denkbaar – denken we maar aan devoor ons land op heel wat domeinen relevant bevonden verschillen tussen deregio’s, tussen gemeenten of steden en tussen lokale arbeidsmarkten.
  7. 7. In wat volgt leggen we ons toe op ‘sociale’ activering en de manier waarop de Belgische OCMW’s hier invulling aan geven. Deze inleiding biedt een korte schets van het normatieve kader dat aan de basis ligt van (sociale) activering. Vervolgens wordt de voedingsbodem voor sociale activering binnen de Belgische OCMW’s besproken, zowel vanuit de praktijk als vanuit het wettelijke kader. 1.1 Normatieve uitgangspunten voor activering Activeringspraktijken zijn moeilijk binnen één normatieve strekking te situeren, aangezien ze meestal geïnspireerd zijn door elementen uit verschillende denkrich- tingen (Grymonprez et al., 2010; Tuteleers, 2007). Een vaak gehanteerd onder- scheid is dat tussen de emancipatorische en de disciplinerende visie op activering. 1.1.1 Activering als emancipering De emancipatorische variant van activering stelt de behoefte aan re-integratie van de sociaal uitgeslotene centraal. Emanciperende activering wordt beschouwd als de realisatie van de sociale grondrechten van elk individu in de maatschappij. Maximale sociale ontplooiing is de centrale doelstelling. De focus ligt dus niet enkel op arbeidsmarktgerichte activering, maar eveneens op sociale, culturele en politieke emancipering (Grymonprez et al., 2010). Vandaar dat deze opvatting makkelijk aansluiting vindt bij een onvoorwaardelijke rechtenbenadering. Toch hoeft elke vorm van wederkerigheid niet afwezig te zijn, maar de rechten zullen wel prevaleren. Binnen deze visie op activering wordt gesteld dat men enkel plichten kan opleggen aan de burger, als de overheid daar ook mogelijkheden tegenover plaatst (Seynaeve et al., 2004).hoofdstuk 1 | Inleiding 1.1.2 Activering als disciplinering Activering kan ook gevat worden als een disciplinerende reactie op bijstandsaf- hankelijkheid (zie o.m. Mead, 1986; Murray, 1984). Bij deze denkrichting preva- leert de plichtenbenadering. Rechten zijn niet universeel, maar conditioneel al naargelang de gesanctioneerde inspanning die de uitkeringstrekker zelf opbrengt8 om werk te zoeken, in te gaan op een jobaanbod of mee te werken aan een inte- gratietraject. Uitgangspunt is dat het financiële vangnet van de verzorgingsstaat te genereus is, waardoor bijstandsgerechtigden zich gaan nestelen in een afhankelijk- heidscultuur (Hermans, Van Hamme & Lammertyn, 1999; Tuteleers, 2007). Daarom perkt het sociaal beleid het recht op een uitkering in en worden bij- standstrekkers verplicht arbeid te verrichten als tegenprestatie voor hun uitkering, zoals het geval is bij de workfare-benadering (Torfing, 1999). Een meer ‘verlichte’ benadering, weg van het conservatief geïnspireerde communitarisme van Mead en
  8. 8. Murray, is het ‘Derde Weg’-denken, dat vanuit de Britse politiek van New Labouronder Tony Blair breed ingang heeft gevonden en theoretisch geïnspireerd is doorde socioloog Anthony Giddens. Essentieel hierbij is de (her)koppeling van rechtenen plichten, of met andere woorden herstel van het wederkerigheidsprincipe. Dathierbij nog gradaties mogelijk zijn, mag blijken uit de typologie van wederkerig-heid bij Mau (2003; 2004). Hij onderscheidt vier oplopende varianten, gaande van‘gegeneraliseerde wederkerigheid’ (ruimhartig, weinig voorwaarden), over ‘geba-lanceerde wederkerigheid’ (equivalentiebeginsel afhankelijk van de betaalde pre-mie, zoals bij de werkloosheidsverzekering), ‘risicowederkerigheid’ (vangnetidee,beperkte rechten) tot ‘verplichtende wederkerigheid’ (strenge voorwaardelijkheid,sterke koppeling met plichten) (zie ook 3.1.2). Of het nu gaat om een enge of ruime opvatting van de voorwaardelijkheid, kernis dat beleidsinterventies disciplineren door middel van sanctionering. Men gaat uitvan een individueel schuldmodel waarin de oorzaak van het werkloos zijn eerderbij de bijstandstrekker wordt gelegd dan bij structurele factoren, zoals de econo-mische omstandigheden. Bijstandstrekkers worden dan ook verwacht zelf denodige inspanningen te leveren om hun integratie te bevorderen (Nicaise, 2001;Tuteleers, 2007). In de disciplinerende variant van activering wordt activeringgebruikt als een ‘stok’ (Lammertyn, 1998): men dwingt de burger zich te buigennaar het dominante waardepatroon in de samenleving en zich aan te passen aan deeisen van de arbeidsmarkt (Hermans, Van Hamme & Lammertyn, 1999). Eengebrek aan medewerking heeft een schorsing van de uitkering tot gevolg. Enigszins verwant met de disciplinerende opvatting op activering is de moralise-rende opvatting op activering. Typische vertolker van deze visie is de Britse psy-chiater Theodore Dalrymple, die zich onder meer baseert op Murray’sonderscheid tussen de ‘deserving poor’ en de ‘undeserving poor’ om de afhanke- hoofdstuk 1 | Inleidinglijkheidscultuur bij steuntrekkers te bestrijden. Deze vertolkt de bezorgdheid vande middenklasse, die het bestaan van een subcultuur van armen, werklozen enbijstandstrekkers zonder arbeidsethos als bedreigend ervaart voor de heersendearbeidsmoraal, de stabiliteit en het functioneren van de maatschappij(Grymonprez et al., 2010; Tuteleers, 2007). Activeringsmaatregelen beogen dan dekloof tussen de onderklasse en de rest van de samenleving te verkleinen. 91.1.3 Activering en actief burgerschapArbeidsintegratie en de bredere maatschappelijke integratie en participatie hoevenniet tegengesteld te zijn, maar kunnen ook in elkaars verlengde liggen. De vraag isin welke mate betaalde arbeid wordt gezien als het middel. Of kan maatschappe-lijke participatie ook een middel zijn tot (latere) arbeidsintegratie (het omgekeerdeverband)? Kan maatschappelijke participatie ook nagestreefd worden zonder dater een perspectief op arbeid is (omdat het niet haalbaar is bijvoorbeeld)? Naarmate
  9. 9. in de praktijk meer en meer groepen worden geactiveerd, stoten praktijkwerkers ook op de sociale grenzen ervan. Dit wordt goed geïllustreerd door de verruiming van het aanbod in het OCMW Antwerpen (zie onder). De klemtoon op actieve participatie door iedereen (‘iedereen doet mee’) staat voor Abraham Franssen voor een paradigmawisseling in de bijstand: beetje bij beetje zijn praktijken opgezet die we onder de noemer van ‘insertion sociale’ kunnen plaatsen. Het paradigma van ‘dépendance assistée’ heeft daarmee plaats gemaakt voor het paradigma van ‘parti- cipation active de chacun’ (Franssen, 2002). Deze verandering manifesteert zich in diverse maatregelen die geïntroduceerd zijn vanaf de jaren ’90 gekenmerkt door een groeiende conditionalisering en contractualisering tussen overheid en burger maar evengoed door een verscheidenheid aan praktijken gericht op de sociale integratie van diegenen die ver van de arbeidsmarkt verwijderd zijn. Maar zelfs los van de arbeidsplicht plaatsen bepaalde OCMW’s in ons land hun brede activiteiten inzake activering onder de ruimere noemer van ‘bevordering van de sociale cohesie’. Hier is het uitgangspunt dat elke samenleving nood heeft aan een bepaalde mate van sociale cohesie, verbondenheid tussen burgers. Actief bur- gerschap als vorm van verbondenheid houdt in dat alle leden van de samenleving hun verantwoordelijkheid opnemen en op een actieve manier vorm geven aan de maatschappij waarin ze leven. Hierdoor worden burgers tegelijk in staat gesteld hun capaciteiten te ontwikkelen (Konle-Seidl & Eichhorst, 2008; Betzelt & Bothfeld, 2011). Activering staat hier dus in functie van ‘actief burgerschap’: het vol- waardig kunnen deelnemen aan de samenleving opdat een hogere kwaliteit van leven kan worden bereikt. De empowerment-visie in het welzijnswerk beoogt bovendien mensen te prikkelen, hen aan te spreken op hun krachten, talenten, interesses, mits erkenning van en zorg voor de kwetsbaarheden op individueel, sociaal en maatschappelijk vlak (Steenssens, Sannen & Van Regenmortel, 2010).hoofdstuk 1 | Inleiding Niemand wordt ‘opgegeven’ en losgelaten, vanuit een fundamenteel geloof in ieders mogelijkheden en vanuit de wezenlijke taak van de samenleving om krach- ten en potenties van mensen te mobiliseren en mensen actief uit te nodigen tot deelname aan de samenleving. Doel van empowerment is de versterking van de betrokkenen en het verbindend werken. Participatie is een kernaspect van empo- werment. Dit betekent wel een participatie op maat, rekening houdend met krachten en met kwetsbaarheden. Empowerment is een gelaagd construct (‘multi-10 level’) en gaat ervan uit dat sociale problemen als armoede, uitsluiting, werkloos- heid tot stand komen en in stand worden gehouden door een samenspel van fac- toren op micro-, meso- en macroniveau. Deze gelaagde kijk houdt ook een gedeelde verantwoordelijkheid in bij de bestrijding van sociale problemen. Gelet op wat voorafging is de vraag of onder deze noemer ook plaats is voor het koppelen van deelname aan voorwaarden voor het behoud van de uitkering. Vanuit een welzijnsperspectief zal meer de nadruk worden gelegd op het niet- repressief, maar ondersteunend en aanmoedigend optreden. Vanuit een arbeids-
  10. 10. participatieperspectief zal makkelijker op het verplichten worden overgeschakeld.Dat dit kan botsen met bestaande opvattingen over vrijwilligerswerk - als uitingvan democratisch burgerschap - hoeft geen betoog. Volgens sommigen onder-graaft dit de wezenlijke betekenis van vrijwilligerswerk. Immers, als vrijwilligers-werk verplicht wordt, komt het vrijwillige karakter in het gedrang (VanRegenmortel, 2009).1.2 Voedingsbodem voor sociale activering in de Belgische OCMW’s1.2.1 De praktijkervaringHet Belgisch sociaal beleid is gefundeerd op twee pijlers: een pijler van socialezekerheid als inkomenshandhaving en een pijler van sociale bijstand. De socialebijstand wordt doorgaans georganiseerd op het lokale niveau, in ons land door deOCMW’s. Het vormt voor velen het laatste vangnet nadat hun recht op een werk-loosheidsuitkering, dat in België in principe (op bepaalde categorieën na) vanonbepaalde duur is, is uitgeput, of vooraleer er toegang toe te krijgen. Debijstandsgerechtigden vormen een bijzonder heterogene groep, deels gekarak-teriseerd door een multi-aspectuele problematiek (Fret, 1997; Janssens, 2011).Hun profiel beantwoordt niet altijd aan de alsmaar hogere eisen gesteld door dearbeidsmarkt. Dit kan tot uitdrukking komen in een aantal drempels opverschillende dimensies, dus niet enkel arbeidsmarktgerelateerd. In het OCMWAntwerpen worden de drempels op een systematische wijze geregistreerd op basisvan een uniform meetinstrument (MPSA of Meetinstrument voor Professioneleen Sociale Activering). Uit een doorlichting van de Antwerpse OCMW-populatie hoofdstuk 1 | Inleidingbleek dat men geconfronteerd wordt met een groep ‘(nog) niet bemiddelbaren’,die in tegenstelling tot de groep ‘bemiddelbaren’ een grote afstand tot de arbeids-markt hebben (Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010). Daar waar de bemiddel-baren professioneel geactiveerd kunnen worden (o.a. aan de hand van tewerk-stelling in toepassing van art. 60 §7 of art. 61 van de OCMW-wet, eventueelverrijkt met opleiding en vorming), zijn de (nog) niet bemiddelbaren (voorlopig)niet inzetbaar op de arbeidsmarkt. Zij behoren tot het maatschappelijk meest 11kwetsbare segment van de bevolking en een effectieve aanpak van hun problema-tiek vraagt vaak om interventies vanuit de welzijnssector. De confrontatie met deze groep ‘(nog) niet bemiddelbare’ (equivalent) leefloon-cliënten, gaf aanleiding tot het ontwikkelen van een aanbod inzake ‘sociale’ active-ring binnen het OCMW Antwerpen. Sociale activering wordt hier opgevat als hetverrichten van onbezoldigde activiteiten of persoonlijke netwerkvorming, met hetoog op sociale zelfredzaamheid en maximale maatschappelijke integratie en parti-cipatie (Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010; Stevensen, 2005). Voor sommigen,
  11. 11. met name de nog niet bemiddelbaren, is deze vorm van activering een opstap rich- ting doorstroom naar de arbeidsmarkt. Voor anderen, met name de niet bemiddel- baren, heeft sociale activering een min of meer permanent karakter; er is geen gerichtheid op betaalde arbeid. Sociale activering krijgt aldus een dubbele finaliteit: het vormt zowel een opstap naar, als een alternatief voor, betaalde arbeid. In hoeverre en hoe ook de andere OCMW’s de grenzen in het activeringswerk verleggen, blijft tot nog toe een onontgonnen terrein. Het is in die leemte dat voorliggend onder- zoek voorziet. 1.2.2 Het beleidskader Voor de dubbele gerichtheid van activering vinden we alvast aanknopingspunten in de regelgeving. De werking van de OCMW’s in België is gebaseerd op twee belangrijke wetten: de organieke wet van 8 juli 1976 en de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI) van 2002. De organieke wet van 8 juli 1976 (de ‘OCMW-wet’) bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening met als doel eenieder in de moge- lijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardig- heid. Met het Recht op Maatschappelijke Integratie werd in 2002 de activering van de leefloongerechtigde centraal gesteld (Raeymaeckers et al., 2009). Deze wet ver- vangt de voormalige Bestaansminimumwet (1974) en beoogt de (her)integratie in de samenleving te waarborgen van hen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en over onvoldoende bestaansmiddelen beschikken. Tewerkstelling wordt door de wetgever gezien als het sleutelconcept om maatschappelijke integratie te bevorde- ren. Concreet geven OCMW’s vorm aan het recht op maatschappelijke integratie aan de hand van drie instrumenten: een leefloon, tewerkstelling (via art. 60 §7 ofhoofdstuk 1 | Inleiding art. 61 van de OCMW-wet of via een andere activeringsmaatregel) en een geïndi- vidualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). OCMW’s kregen met de organieke wet dus een ruime opdracht toebedeeld, of in elk geval een opdracht van maatschappelijke integratie die ruim kon worden ingevuld. De herkomstperiode is hier niet vreemd aan. Zo kwam de organieke wet tot stand in een periode waarin de sociale rechten van de burgers primeerden, en kwam de RMI-wet er op een ogenblik dat al ruim tien jaar ervaring was opgedaan12 met de integratiecontracten voor jongeren, waarbij de opvatting van arbeid als het integratiemiddel bij uitstek buiten kijf kwam te staan. 1.3 Sociale activering in dit onderzoek De literatuur over activering laat in het midden of activering al dan niet ook soci- ale activering omvat. Als de definitie van activering al onduidelijk is, zeker in een transnationale context waarin verschillende culturen een eigen taal ontwikkelen
  12. 12. om gelijksoortige praktijken te benoemen, geldt dit des te meer voor sociale acti-vering. Sommige auteurs suggereren een open definitie van sociale activering in delijn van maatschappelijke integratie (intégration sociale), waarbij het onderscheidmet activering vervaagt.1 Anderen hebben geprobeerd het begrip nader te specifië-ren op basis van een verkenning van normatieve uitgangspunten (o.m. Tuteleers,2007). In dit onderzoek gaan we uit van de specificiteit van sociale activering tenopzichte van arbeidsactivering. Met andere woorden, niet alle activering is socialeactivering. De definitie mag anderzijds niet te beperkend geformuleerd wordenom de realiteit, de verscheidenheid in praktijk te kunnen vatten al naargelang devisie van het OCMW op sociale activering (sociale activering die niet hoeft teleiden tot activering richting werk, sociale activering als tussenstap naar werk, aldan niet gedwongen vrijwilligerswerk, ...), de realiteit op regionaal niveau (cf.decreet in Wallonië) en de afbakening van doelgroepen voor sociale activering(t.o.v. de doelgroep voor activering naar tewerkstelling). In ons land wordt sociale activering als specifieke vorm van activering nietomschreven in de regelgeving. Ook in andere landen is dit niet het geval. Een uit-zondering is Nederland, waar in art. 6 van de WWB (Wet Werk en Bijstand) soci-ale activering is beschreven als ‘het verrichten van onbeloonde maatschappelijkzinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nogniet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie’. Het kan hierbijgaan om het verrichten van vrijwilligerswerk, maar ook om mantelzorgtaken metdien verstande dat een klant voor mantelzorg zelf initiatief neemt. De opvatting isdat sociale activering de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint en daarom een pas-sende voorziening kan zijn in situaties waarin het voor een cliënt nog niet haalbaaris om te functioneren in een werksituatie. De Nederlandse Thesaurus zorg enwelzijn2 omschrijft het begrip als volgt: ‘Vorm van intensieve individuele begelei- hoofdstuk 1 | Inleidingding (georganiseerd door gemeenten, zorginstellingen of welzijnsorganisaties)waardoor mensen op vrijwillige basis nieuwe activiteiten gaan ondernemen en hunisolement doorbreken; kan ook een opstap zijn naar betaald werk; sociale active-ringstrajecten worden gezien als eindige trajecten met uitstroom naar activerendearbeidsmarkttrajecten, vrijwilligerswerk zonder begeleiding of zorgtrajecten.’ Ookhier worden beide functies – sociaal en professioneel – verbonden via een gradatiein het activiteitenaanbod. 13 Op basis van het voorgaande hanteren we in dit onderzoek volgende werkdefi-nitie van sociale activering: ‘Sociale activering is het verhogen van de maatschap-pelijke participatie en het doorbreken van sociaal isolement door maatschappelijk1 Bij wijze van voorbeeld: In een studie van het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau (2003) worden op basis van twintig projecten in Nederland drie strategieën onderscheiden voor sociale activering: de indi- viduele strategie, gericht op persoonlijke aandacht; de instrumentele strategie, gericht op specifieke instrumenten voor zinvolle activiteit of gesubsidieerd werk; en tenslotte de marktgerichte strategie, gericht op het scheppen van zelfstandige werkgelegenheid.2 http://www.thesauruszorgenwelzijn.nl/socialeactivering.htm.
  13. 13. zinvolle activiteiten te ondernemen: (1) ofwel als een doel op zich; (2) ofwel als een eerste stap in een traject voor socio-professionele inschakeling; (3) ofwel als een eerste stap in een (latere) betaalde tewerkstelling’.3 Bovenstaande definitie illustreert het multifunctionele karakter van het aanbod van sociale activering. Onder de noemer van sociale activering wordt een brede waaier aan activiteiten aangeboden, gaande van vormingsprojecten zoals taal- en computerlessen tot activiteiten in een dagcentrum, socio-culturele en recreatieve activiteiten, praatgroepen, arbeidszorg,4 etc. Ook vrijwilligerswerk kan hieronder ressorteren.5 Doel van dit onderzoek is het aanbod inzake sociale activering in kaart te bren- gen op basis van empirische gegevens verzameld in alle Belgische OCMW’s. We willen inzicht verwerven in de manier waarop sociale activering concreet vorm krijgt in de dienstverlening van de OCMW’s. Wie biedt wat aan? Waarom, hoe, voor wie en op welke schaal? Hierbij willen we ook nagaan of er verschillen zijn naargelang van het gewest, het aantal leefloners of equivalent leefloners en de grootte van de gemeente waarin de OCMW’s gevestigd zijn. Methodologisch is dit onderzoek gebaseerd op een mixed-methodbenadering. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 2. Hoofdstukken 3 tot en met 6 geven vooral een breedtezicht op het werkveld van sociale activering. De thema’s die hierbij aan bod komen zijn de volgende: de visie op sociale activering en de rol van het regel- gevend kader (hoofdstuk 3), het aanbod en de doelgroepen van sociale activering (hoofdstuk 4), de organisatie van het aanbod (hoofdstuk 5) en de succesvoor- waarden van sociale activering (hoofdstuk 6). Vervolgens worden in hoofdstuk 7 de bevindingen besproken op basis van good practices in 8 OCMW’s, gespreid over het hele land. Het afsluitende hoofdstuk 8 bevat een synthese van bevindin-hoofdstuk 1 | Inleiding gen en vormen de basis voor de geformuleerde conclusies en aanbevelingen voor het beleid. 3 Er heerst een grote eensgezindheid tussen de OCMW’s met betrekking tot deze omschrijving van sociale14 activering. De resultaten van de webenquête die bij OCMW’s werd afgenomen in kader van dit onderzoek tonen aan dat 96,6% van de bevraagde OCMW’s akkoord is met deze omschrijving (zie tabel b5 in bijlage). Dat betekent dat de term een draagvlak heeft bij zowel de Nederlandstalige als de Franstalige OCMW’s. 4 Arbeidszorg is een typisch Vlaamse term, waarvoor geen directe tegenhanger bestaat in Franstalig België. Het is een werkvorm gericht op mensen die niet, nog niet, of niet meer terecht kunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. Arbeidszorg realiseert ook voor deze personen het recht op arbeid door hen arbeidsmatige activiteiten aan te bieden in een werkomgeving gericht op productie of dienstverlening, waarbij men hen ook ondersteuning biedt. Via vrijwillig, onbetaald werk worden de latente functies van arbeid in het bereik van de arbeidszorgmedewerkers gebracht, waardoor het algemeen welzijn van deze personen gestimuleerd wordt. 5 Vrijwilligerswerk wordt steeds meer beschouwd als een opstap naar tewerkstelling, een instrument voor arbeidsmarkttoeleiding, of een soort transitie of wachtperiode voor het vinden van een job (Alaguero, 2006).
  14. 14. 2 | OnderzoeksopzetDit onderzoek heeft tot doel het veelzijdige aanbod van sociale activering dat deBelgische OCMW’s uitwerken te beschrijven en te analyseren. De drie centraleonderzoeksvragen zijn:1. Hoe geven Belgische OCMW’s invulling aan sociale activering?2. Welke goede praktijken kunnen worden opgespoord en beschreven?3. Welke beleidsmaatregelen zijn nodig om een beleid inzake sociale activering verder uit te bouwen en te optimaliseren?Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden hanteren we een multi-methoden- hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzetaanpak, met een kwantitatief en een kwalitatief luik. Het kwantitatieve luik betrefteen webenquête bij alle Belgisch OCMW’s om een representatief beeld te verkrij-gen van initiatieven, visies, doelgroepen, organisationele kenmerken van het aan-bod, goede praktijken en knelpunten. De vragenlijst die hiervoor gebruikt werd isterug te vinden in de bijlagen. De webenquête werd uitgevoerd tussen eind juli enbegin september 2011. In totaal werden 234 bruikbare enquêtes bekomen, dealgemene responsgraad bedraagt 39,7% van de 589 Belgische OCMW’s. Dit is opzich een vrij hoge respons voor een webenquête en voor een onderwerp waarvanwe aannemen dat niet alle OCMW’s er even intensief mee begaan zijn. We kunnen 15dus veronderstellen dat vooral die OCMW’s hebben meegewerkt aan de enquête,voor wie sociale activering zoals boven gedefinieerd (zie hoofdstuk 1) aanwezig isin de activiteiten die worden opgezet. Nu is het best mogelijk dat deze onder-zoeksvariabele (activiteiten inzake sociale activering) samenhangt met andere ken-merken van het OCMW, zoals het gewest, de provincie, de grootte van degemeente en het aantal leefloners of equivalent leefloners. En dat we om die redeneen scheeftrekking bekomen in de antwoorden. Op basis van een toetsing vanbeide verdelingen (responsbestand en onderzoekspopulatie) stellen we vast dat ditniet voor alle genoemde variabelen het geval is. Voor de variabelen regio en pro-
  15. 15. vincie is er een lichte oververtegenwoordiging van de Vlaamse OCMW’s en van de OCMW’s gevestigd in de provincie Antwerpen. In Vlaanderen ligt de respons- graad het hoogst (45,5% van de Vlaamse OCMW’s), gevolgd door Brussel (42,1% van de Brusselse OCMW’s) en Wallonië (32,8% van de Waalse OCMW’s).6 De respons van de OCMW’s in de provincie Antwerpen is het hoogst (55,7%), die in de provincie Luxemburg het laagst (20,5%). De respons naar grootte van de gemeente (inwonersaantal) wordt weergegeven in tabel 2.1. We hanteren hiervoor, bij gebrek aan een voor ons bruikbare bestaande indeling, een eigen indeling met de volgende categorieën: - zeer kleine gemeenten: 0 tot en met 10 000 inwoners; - kleine gemeenten: 10 001 tot en met 20 000 inwoners; - middelgrote gemeenten: 20 001 tot en met 40 000 inwoners; - grote gemeenten: 40 001 tot en met 140 000 inwoners; - zeer grote gemeenten: meer dan 140 000 inwoners (deze categorie omvat de vijf grootste steden in België, zijnde Antwerpen, Gent, Charleroi, Luik en Brussel). Tabel 2.1 Respons naar grootte van gemeente (gemeten a.d.h.v. het inwonersaantal) Grootte gemeente % Zeer klein (0-10 000 inw.) (N=241) 30,7 Klein (10 001-20 000 inw.) (N=202) 43,6 Middelgroot (20 001-40 000 inw.) (N=110) 43,6 Groot (40 001-140 000 inw.) (N=31) 61,3 Zeer groot (>140 000 inw.) (N=5) 100,0hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzet Uit de tabel blijkt dat de categorieën ‘groot’ en ‘zeer groot’ oververtegenwoordigd zijn in het responsbestand, terwijl er in absolute aantallen toch een goede sprei- ding aanwezig is in de bekomen responsratio zodat we ook uitspraken kunnen doen voor de zeer kleine gemeenten. Per OCMW gingen we ook na hoeveel (equivalent) leeflooncliënten er tewerk- gesteld zijn in art. 60 §7, als proxy-indicator voor de mate waarin een OCMW actief is op vlak van arbeidsmarktactivering. Het achterliggend idee is dat OCMW’s die actiever zijn op het vlak van arbeidsmarktactivering mogelijk ook actiever zijn op het vlak van sociale activering. Dit zou dan kunnen betekenen dat16 de vragenlijst vooral werd ingevuld door OCMW’s die ook veel inspanningen leveren op het vlak van arbeidsmarktactivering. Dit blijk echter niet het geval te zijn als het gaat om de respons op de enquête (mogelijk geldt dit wel als het gaat om de mate waarin sociaal geactiveerd wordt; zie hiervoor hoofdstuk 4). De OCMW’s die op dit vlak meer of minder actief zijn, zijn in gelijke mate vertegen- woordigd (zie bijlage). 6 De tabellen met de respons naar gewest, provincie en functie van de respondent zijn terug te vinden in de bijlagen.
  16. 16. De webenquête is gericht aan de secretaris van elk OCMW, met de vraag omdeze te laten invullen door het hoofd van de dienst die verantwoordelijk is voorsociale activering, of - in het geval dat er geen dergelijk diensthoofd is - de per-soon die het best geplaatst is om de enquête in te vullen. In de praktijk werden deenquêtes voornamelijk ingevuld door maatschappelijk werkers, hoofden van desociale dienst en (waarnemend) secretarissen (zie tabel in bijlage). De websurvey is in de eerste plaats verkennend bedoeld. In de survey werd ookgepeild naar goede praktijken. Dit vormde de basis voor de selectie van achtOCMW’s die nader bevraagd zijn over hun ervaringen. De OCMW’s voor decasestudies werden geselecteerd uit die OCMW’s die in de webenquête een eigeninitiatief of praktijk als goede praktijk naar voren schoven, dat bovendien noglopende was en een voldoende groot bereik had. Bij de uiteindelijke selectie werdeen spreiding in acht genomen over regio’s (3 uit Vlaanderen, 3 uit Wallonië en 2uit Brussel), provincies, grootte van de gemeenten, doelgroepen, thema’s enorganisationele kenmerken. Volgende OCMW’s werden geselecteerd: Asse,Bièvre, Braine-l’Alleud, Brussel, Charleroi, Dessel, Gent en Ukkel. Gedurende demaanden oktober, november en december 2011 werden individuelesemigestructureerde face-to-face interviews afgenomen bij deze OCMW’s opmanagementniveau (8), het niveau van de uitvoerende professional (11) en dedeelnemers (29) (meer info zie bijlage). De bevindingen van de goede praktijkenzijn transversaal verwerkt en beschreven in hoofdstuk 7. Voor de individuele case-beschrijvingen verwijzen we naar de betreffende bijlage. Er werden twee focusgroepen georganiseerd in januari 2012 om voorlopigeconclusies uit de enquête en de casestudies af te toetsen. De focusgroepen werden hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzettaalgemengd samengesteld, en varieerden naar grootteorde van de OCMW’s (eeneerste met vooral grotere OCMW’s en een tweede met middelgrote en kleinereOCMW’s). We vonden potentiële deelnemers in die OCMW’s die de selectie voorde casestudies niet haalden. Deze werden voor Vlaanderen nog aangevuld met destuurgroep activering van de VVSG (Vereniging voor Vlaamse Steden enGemeenten). Volgende OCMW’s namen deel aan de focusgroep met grotereOCMW’s: Antwerpen, Etterbeek, Gent, Kortrijk, La Louvière, Luik, Mechelen,Verviers. De deelnemende OCMW’s aan de focusgroep met kleinere OCMW’swaren: Braine-le-Comte, Comines-Warneton, Hechtel-Eksel, Kruibeke, Laakdal, 17Merksplas, Peruwelz, Soumagne, Wervik en Westerlo. De bevindingen van defocusgroepen zijn niet apart gerapporteerd, maar verwerkt in het slothoofdstuk.
  17. 17. 3 | Visie en rol van het regelgevendkaderIn dit hoofdstuk gaan we dieper in op de visie op sociale activering van deBelgische OCMW’s evenals het regelgevend kader waarop de opzet en uitvoer vansociale activering gebaseerd is. Achtereenvolgens behandelen we volgende vragen:(1) Wat willen Belgische OCMW’s concreet bereiken met sociale activering?; hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader(2) Binnen welke algemene beleidsvisie kaderen deze concrete doelen?; (3) Opwelk beleidskader baseren Belgische OCMW’s zich voor de opzet en uitvoer vansociale activering?3.1 Visie3.1.1 Concrete doelenIn de websurvey werd er gepeild naar wat OCMW’s concreet willen bereiken metactiviteiten inzake sociale activering. De resultaten worden weergegeven intabel 3.1 (naar gewest) en tabel 3.2 (naar grootte van de gemeente). We constate-ren dat sociale activering een veelheid aan doelen dient, waarbij sociale activeringzowel een alternatief voor, als een opstap naar tewerkstelling kan vormen. 19 Vrijwel alle OCMW’s streven ernaar om via sociale activering cliënten uit hunsociaal isolement te halen en hen het gevoel te geven dat ze er opnieuw bijhorenin de samenleving (resp. 92,0% en 90,2% van de OCMW’s). Verder willenOCMW’s de zelfredzaamheid van cliënten bevorderen en hun persoonlijke ont-wikkeling stimuleren (resp. 75,9% en 70,5% van de OCMW’s). Sociale activeringmoet er voor 63,8% van de OCMW’s toe bijdragen dat cliënten zich beter gaanvoelen en 51,8% van de OCMW’s tracht via sociale activering de eigen dienstver-lening te verbeteren in functie van de noden van de cliënt.
  18. 18. Naast deze doelen die niet (noodzakelijk) in het teken van tewerkstelling staan, kan sociale activering ook expliciet gericht zijn op tewerkstelling. Meer specifiek wilt 73,7% van de OCMW’s via sociale activering bereiken dat hun cliënten voor- bereid zijn op een professioneel traject, een sociale tewerkstelling, of een tewerk- stelling op de reguliere arbeidsmarkt. In Brussel lijkt sociale activering in dit opzicht meer als een opstap naar tewerkstelling gezien te worden dan in Vlaande- ren en Wallonië: 87,5% van de Brusselse OCMW’s, 74,1% van de Vlaamse OCMW’s en 71,6% van de Waalse OCMW’s willen hun cliënten via sociale active- ring voorbereiden op een tewerkstelling. Bovendien stellen we vast dat OCMW’s sociale activering vaker als een opstap naar tewerkstelling zien naarmate de grootte van de gemeente stijgt (zie tabel 3.2).hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader20
  19. 19. Tabel 3.1 Concrete doelen van sociale activering (naar gewest), in % ‘eens’Wij willen met ons OCMW bereiken dat, ... Algemeen Brussels Hoofdstedelijk Vlaanderen Wallonië (N=224) Gewest (N=8) (N=135) (N=81)- cliënten uit hun sociaal isolement gehaald wor- 92,0 100,0 91,1 92,6 den- cliënten het gevoel krijgen er opnieuw bij te 90,2 100,0 91,9 86,4 horen in de samenleving- cliënten zelfredzamer worden 75,9 62,5 78,5 72,8- cliënten voorbereid zijn op een professioneel 73,7 87,5 74,1 71,6 traject, een sociale tewerkstelling of een tewerk- stelling op de reguliere arbeidsmarkt- cliënten zich persoonlijk ontwikkelen 70,5 75,0 72,6 66,7- cliënten zich beter gaan voelen 63,8 75,0 64,4 61,7- we als OCMW onze dienstverlening verbeteren 51,8 87,5 51,1 49,4 in functie van de noden van de cliënten- andere* 7,1 0,0 5,2 11,1 * De categorie ‘andere’ omvat doelstellingen die slechts door een beperkt aantal OCMW’s vermeld werden, zoals de doelstellingen om de financiële situatie van de cliënt te bevorderen en om diversiteit te promoten. 21 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  20. 20. 22 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.2 Concrete doelen van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % ‘eens’Wij willen met ons OCMW bereiken dat, ... Algemeen Zeer Klein Middel- Groot Zeer (N=224) klein (N=85) groot (N=19) groot (N=68) (N=47) (N=5)- cliënten uit hun sociaal isolement gehaald worden 92,0 89,7 88,2 97,9 100,0 100,0- cliënten het gevoel krijgen er opnieuw bij te horen in de samenleving 90,2 82,4 91,8 95,7 94,7 100,0- cliënten zelfredzamer worden 75,9 72,1 76,5 72,3 94,7 80,0- cliënten voorbereid zijn op een professioneel traject, een sociale tewerkstelling of een 73,7 64,7 75,3 76,6 84,2 100,0 tewerkstelling op de reguliere arbeidsmarkt- cliënten zich persoonlijk ontwikkelen 70,5 57,4 70,6 80,9 84,2 100,0- cliënten zich beter gaan voelen 63,8 55,9 61,2 78,7 63,2 80,0- we als OCMW onze dienstverlening verbeteren in functie van de noden van de cliënten 51,8 39,7 52,9 63,8 57,9 60,0- andere* 7,1 2,9 10,6 10,6 0,0 0,0 * De categorie ‘andere’ omvat doelstellingen die slechts door een beperkt aantal OCMW’s vermeld werden, zoals de doelstellingen om de financiële situatie van de cliënt te bevorderen en om diversiteit te promoten.
  21. 21. 3.1.2 Algemeen heersende beleidsvisieBinnen welke algemene beleidsvisie op activering kaderen bovenbesproken doelenvan sociale activering? De resultaten in tabel 3.3 (naar gewest) en tabel 3.4 (naargrootte van de gemeente) illustreren dat er verschillende normatieve uitgangspun-ten aan de basis van sociale activering kunnen liggen. Ten eerste heerst er binnen OCMW’s een emanciperende kijk op activering. Zodoet 96,4%7 van de OCMW’s aan sociale activering vanuit de idee dat OCMW’sde (arbeids)integratie van de cliënt horen te bevorderen. OCMW’s vullen hun taakop vlak van arbeidsintegratie dus ruim in. Verder kadert sociale activering in95,9%8 van de OCMW’s binnen de visie dat een OCMW aan elke cliënt de moge-lijkheden moet geven om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijkewaardigheid (cf. OCMW-wet). 91,5%9 van de OCMW’s doet aan sociale activeringvanuit de visie dat alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis,vaardigheden en attitudes te ontwikkelen en in 88,8% van de OCMW’s is socialeactivering (eerder) gebaseerd op de visie dat het OCMW de taak heeft om integra-tie te bevorderen vanuit de realisering van de sociale grondrechten. Verder stellenwe vast dat sociale activering vaak benaderd wordt vanuit een ‘empowerment’-visie,10 zij het dat dit in Wallonië opvallend minder het geval is dan in Vlaanderenen Brussel: 53,1% van de OCMW’s in Wallonië stemt (eerder) in met de stelling hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderdat het OCMW activering moet bevorderen vanuit een ‘empowerment’ perspec-tief, terwijl dit in Brussel geldt voor alle OCMW’s en in Vlaanderen voor 91,1%van de OCMW’s. OCMW’s doen bovendien aan sociale activering omdat ze het als hun taakbeschouwen om het sociaal weefsel in de gemeente of stad te versterken. InVlaanderen heerst deze visie op grotere schaal dan in Brussel en Wallonië: inVlaanderen schaart 94,9% van de OCMW’s zich (eerder) achter deze visie, terwijldit in Brussel en Wallonië in 75,0% resp. 65,4% van de OCMW’s het geval is. Ook van een disciplinerende kijk op activering zijn er elementen te herkennen inde beleidsvisie van OCMW’s. Zo blijkt 86,6% van de OCMW’s het (eerder) eenste zijn met de stelling dat cliënten die de capaciteiten hebben om te werken nietalleen het recht, maar ook de plicht hebben om mee te werken aan hun(arbeids)integratie. Opmerkelijk is dat OCMW’s in Wallonië deze visie minderondersteunen dan OCMW’s in Brussel en Vlaanderen: 75,3% van de Waalse 237 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat het OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te bevorderen.8 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat het OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.9 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardigheden en attitudes te ontwikkelen.10 ‘Empowerment’ werd in de webenquête gedefinieerd als ‘een proces van versterking waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving, en dit via het ver- werven van controle, het aanscherpen van kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie’.
  22. 22. OCMW’s tegenover 100,0% van de Brusselse OCMW’s en 92,6% van de Vlaamse OCMW’s is het (eerder) eens met bovengenoemde stelling. Bovendien krijgt soci- ale activering in de visie van 49,1% van de OCMW’s een verplichtend karakter aangemeten, in die zin dat deze OCMW’s het (eerder) eens zijn met de stelling dat het OCMW cliënten moet kunnen verplichten iets terug te doen voor hun uitke- ring. Er lijkt echter een spanningsveld te zijn in de visie van de OCMW’s wat betreft de relatie tussen sociale activering en de conditionaliteit van het leefloon: 22,3% van de OCMW’s is het (eerder) oneens met bovengenoemde stelling. Bovendien stemt op gewestelijk niveau slechts een kwart van de Brusselse OCMW’s (eerder) in met deze stelling, terwijl dit in Vlaanderen 48,9% van de OCMW’s en in Wallonië 52,9% van de OCMW’s betreft. In (zeer) kleine gemeenten lijkt men zich overigens vaker (eerder) achter deze visie te scharen dan in grotere gemeenten. Dit spanningsveld vertaalt zich ook naar de praktijk. In de webenquête stelden we OCMW’s de vraag of de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden een cri- terium is dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden (zie tabel 3.5 (naar gewest) en tabel 3.6 (naar grootte van de gemeente)). In 42,2% van de OCMW’s luidt het antwoord op deze vraag ‘ja’. In 18,5% van de Waalse OCMW’s, 37,5% van de Brusselse OCMW’s en maar liefst 57,5% van de Vlaamsehoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader OCMW’s is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een crite- rium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering te behouden. Het al dan niet ondersteunen van de visie dat het OCMW cliënten moet kunnen verplichten om iets terug te doen voor hun uitkering correspondeert niet noodzakelijk met de praktijk.24
  23. 23. Tabel 3.3 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar gewest)Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eenscliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht Algemeen (N=224) 2,7 2,7 8,0 38,8 47,8 hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 50,0 50,0 (arbeids)integratie. Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 2,2 5,2 35,6 57,0 Wallonië (N=81) 7,4 3,7 13,6 43,2 32,1ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te Algemeen (N=224) 3,1 19,2 28,6 34,4 14,7 doen voor hun uitkering. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 12,5 62,5 25,0 0,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 1,5 20,7 28,9 32,6 16,3 Wallonië (N=81) 6,2 17,3 24,7 38,3 14,6ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de Algemeen (N=224) 0,9 2,2 8,0 47,3 41,5 realisering van sociale grondrechten. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 37,5 62,5 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 1,5 9,6 48,2 40,7 Wallonië (N=81) 2,5 3,7 6,2 46,9 40,7ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te Algemeen (N=224) 1,3 5,8 21,4 46,4 25,0 versterken. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 25,0 50,0 25,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 3,7 21,5 48,2 46,7 Wallonië (N=81) 3,7 9,9 21,0 43,2 22,2ons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te Algemeen (N=224) 1,3 0,9 1,3 44,6 51,8 bevorderen. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 50,0 50,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 0,7 45,2 54,1 Wallonië (N=81) 3,7 2,5 2,5 43,2 48,2 25 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  24. 24. 26 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.3 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar gewest). VervolgBinnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eensons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een Algemeen (N=224) 1,3 3,1 17,9 40,6 37,0 ‘empowerment’ visie. (Empowerment is een proces van versterking waarbij Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 75,0 25,0 individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en Gewest (N=8) hun omgeving, en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch Vlaanderen (N=135) 0,7 0,0 8,2 42,2 48,9 bewustzijn en het stimuleren van participatie.) Wallonië (N=81) 2,5 8,6 35,8 34,6 18,5alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- Algemeen (N=224) 0,9 1,3 6,3 40,6 50,9 heden en attitudes te ontwikkelen. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 25,0 75,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 6,7 41,5 51,9 Wallonië (N=81) 2,5 3,7 6,2 40,7 46,9ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een Algemeen (N=224) 1,8 0,5 1,8 13,8 82,1 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 2,2 14,8 83,0 Wallonië (N=81) 4,9 1,2 1,2 13,6 79,0
  25. 25. Tabel 3.4 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar grootte van de gemeente)Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eenscliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht Algemeen (N=224) 2,7 2,7 8,0 38,8 47,8 hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun (arbeids)- Zeer klein (N=68) 1,5 5,9 11,8 51,5 29,4 integratie. Klein (N=85) 3,5 0,0 7,1 32,9 56,5 Middelgroot (N=47) 2,1 2,1 6,4 31,9 57,5 Groot (N=19) 5,3 5,3 5,3 36,8 47,4 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 40,0 60,0ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te Algemeen (N=224) 3,1 19,2 28,6 34,4 14,7 doen voor hun uitkering. Zeer klein (N=68) 1,5 19,1 17,7 45,6 16,2 Klein (N=85) 3,5 18,8 28,2 35,3 14,1 Middelgroot (N=47) 6,4 17,0 40,4 17,0 19,2 Groot (N=19) 0,0 26,3 36,8 31,6 5,3 Zeer groot (N=5) 0,0 20,0 40,0 40,0 0,0ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de Algemeen (N=224) 0,9 2,2 8,0 47,3 41,5 realisering van sociale grondrechten. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 13,2 54,4 27,9 Klein (N=85) 1,2 1,2 9,4 42,3 45,9 Middelgroot (N=47) 0,0 2,1 2,1 42,6 53,2 Groot (N=19) 0,0 5,3 0,0 63,2 31,6 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 20,0 80,0ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te Algemeen (N=224) 1,3 5,8 21,4 46,4 25,0 versterken. Zeer klein (N=68) 2,9 1,5 23,5 45,6 26,5 Klein (N=85) 0,0 8,2 20,0 44,7 27,1 Middelgroot (N=47) 0,0 6,4 21,3 46,8 25,5 Groot (N=19) 0,0 10,5 26,3 57,9 5,3 Zeer groot (N=5) 20,0 0,0 0,0 40,0 40,0 27 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  26. 26. 28 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.4 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar grootte van de gemeente). VervolgBinnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eensons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te Algemeen (N=224) 1,3 0,9 1,3 44,6 51,8 bevorderen. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 2,9 51,5 41,2 Klein (N=85) 2,4 0,0 1,2 44,7 51,8 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 0,0 46,8 53,2 Groot (N=19) 0,0 0,0 0,0 26,3 73,7 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0ons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een Algemeen (N=224) 1,3 3,1 17,9 40,6 37,0 ‘empowerment’ visie. (Empowerment is een proces van versterking waarbij Zeer klein (N=68) 1,5 5,9 29,4 38,2 25,0 individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en Klein (N=85) 1,2 2,4 17,7 41,2 37,7 hun omgeving, en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch Middelgroot (N=47) 2,1 2,1 8,5 38,3 48,9 bewustzijn en het stimuleren van participatie.) Groot (N=19) 0,0 0,0 5,3 42,1 52,6 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 80,0 20,0alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- Algemeen (N=224) 0,9 1,3 6,3 40,6 50,9 heden en attitudes te ontwikkelen. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 7,4 52,9 35,3 Klein (N=85) 1,2 1,2 5,9 35,3 56,5 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 4,3 38,3 57,5 Groot (N=19) 0,0 0,0 10,5 31,6 57,9 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 20,0 80,0ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een Algemeen (N=224) 1,8 0,5 1,8 13,8 82,1 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Zeer klein (N=68) 2,9 1,5 1,5 20,6 73,5 Klein (N=85) 2,4 0,0 3,5 9,4 84,7 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 0,0 19,2 80,8 Groot (N=19) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0
  27. 27. Tabel 3.5 Link tussen sociale activering en de voorwaardelijkheid van het leefloon (naar gewest). Antwoord op de vraag ‘Is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een criterium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden?’, in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8)Neen 57,6 62,5 43,0 81,5Ja 42,4 37,5 57,0 18,5Tabel 3.6 Link tussen sociale activering en de voorwaardelijkheid van het leefloon (naar grootte van de gemeente). Antwoord op de vraag ‘Is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een criterium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden?’, in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5)Neen 57,6 70,6 50,6 57,5 42,1 60,0Ja 42,4 29,4 49,4 32,5 57,9 40,0Om na te gaan of er onderliggende dimensies of factoren zijn aan de achtbevraagde stellingen met betrekking tot de beleidsvisie op activering, voerden we hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kadereen exploratorische factoranalyse met varimax-rotatie uit, waarbij de acht itemsgereduceerd werden tot twee onderliggende dimensies of factoren.11 De resultatenhiervan zijn terug te vinden in tabel 3.7. De eerste twee items uit tabel 3.3 haaldenhun hoogste lading op een factor die in navolging van Mau (2003, 2004) geïnter-preteerd werd als ‘verplichtende wederkerigheid’. Een beleidvisie gebaseerd opverplichtende wederkerigheid houdt een sterke koppeling tussen rechten enplichten in. In de context van sociale activering wordt tegenover het recht op soci-ale activering de plicht tot bereidheid om deel te nemen aan sociale activeringgeplaatst. Meer extreem houdt dit wederkerigheidsprincipe in dat de uitkering aanbijstandsgerechtigden conditioneel is en dat men er streng op zal toezien dat devoorwaarden gehandhaafd worden (van der Veen, Achterberg & Raven, 2009). Deoverige items uit tabel 3.3 haalden hun hoogste lading op een tweede factor diegeïnterpreteerd werd als ‘universele wederkerigheid’ (Mau, 2003; 2004). Een visiegebaseerd op dit wederkerigheidsprincipe gaat niet zozeer uit van een koppeling 29tussen rechten en plichten, maar is ruimhartig en stelt weinig voorwaarden. Acti-veringsmaatregelen gaan in dit geval uit van een hoge mate van solidariteit en col-lectieve verantwoordelijkheid en zijn erop gericht de integratie van begunstigdente ondersteunen. We stellen dus vast dat de algemeen heersende beleidsvisie met betrekking totsociale activering gebaseerd is op twee dimensies, bestaande uit een ‘strak’ begrip11 De beslissing om twee factoren te weerhouden gebeurde op basis van de ‘screentest’, de eigenwaarden- groter-dan-één-regel en de interpreteerbaarheid van de factoren.
  28. 28. van wederkerigheid (‘voor wat hoor wat’) en een ‘breed’ begrip van wederkerig- heid. Deze bevinding illustreert de bipolariteit eigen aan het concept sociale acti- vering. Tabel 3.7 Factorladingen na varimax-rotatie van de acht items betreffende de algemeen heersende beleidsvisie (waarin de doelen van sociale activering passen) op de twee weerhouden factoren Item Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Factor 1 Factor 2 1 cliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht .26 .85 * hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun (arbeids)- integratie. 2 ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te .04 .52 * doen voor hun uitkering. 3 ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de .72 * .18 realisering van sociale grondrechten. 4 ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te .62 * -.00 versterken. 5 ons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te .68 * .39 bevorderen. 6 ons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een .66 * .05 ‘empowerment’ visie. 7 alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- .71 * .25 heden en attitudes te ontwikkelen.hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader 8 ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een .66 * .30 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. % verklaarde variantie 47,6 16,0 Cronbach α 0,85 0,65 * Lading groter dan |.40|. 3.2 Regelgevend kader De opdracht van OCMW’s om begunstigden sociaal te activeren is niet duidelijk geëxpliciteerd in de wetgeving. Vandaar werd er gepeild naar het regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en uitvoer van sociale activering. De resultaten worden weergegeven in tabel 3.8 (naar gewest) en tabel 3.9 (naar grootte van de gemeente). De voornaamste regelgevende kaders voor sociale activering zijn de wet betref- fende het recht op maatschappelijke integratie (‘RMI-wet’) en de Organieke wet30 van 8 juli 1976 (‘OCMW-wet’): in resp. 78,1% en 72,7% van de OCMW’s vormen deze wetten de voornaamste basis voor de opzet van sociale activering. De beleidsbeslissing van het OCMW zelf geldt in 54,5% van de OCMW’s als regelge- vend kader voor de opzet en uitvoer van sociale activering. Koninklijke Besluiten (vnl. betreffende socio-culturele participatie), decreten (vnl. betreffende maat- schappelijke participatie), rondzendbrieven (vnl. betreffende socio-culturele parti- cipatie) en conventies (vnl. betreffende art. 27) spelen eveneens een rol bij de opzet en uitvoer van sociale activering, maar slechts in beperkte mate.
  29. 29. Tabel 3.8 Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en organisatie van sociale activering (naar gewest), in %Regelgevend kader Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=224) Hoofdstedelijk (N=135) (N=81) Gewest (N=8)RMI-wet 26 mei 2002 (‘de 78,1 100,0 78,5 75,3 leefloonwet’)Organieke wet 8 juli 1976, 72,7 100,0 68,9 76,4 (‘de OCMW-wet)Andere wetten 2,7 0,0 3,0 2,5De beleidsbeslissing van 54,5 62,5 45,9 67,9 het OCMW zelfKoninklijke besluiten 21,9 25,0 22,2 21,0- Betreffende socio- 18,8 12,5 21,5 17,3 culturele participatie (08/04/2003; 10/09/2009; 12/04/2011)- Betreffende het recht op 2,2 0,0 0,0 3,7 maatschappelijke inte- gratie (11/07/2002)- Inzake asielzoekers 0,4 0,0 0,7 0,0- Betreffende beurzen 0,4 12,5 0,0 0,0Decreten 10,7 0,0 6,7 18,5- Betreffende maatschap- 6,3 0,0 0,0 17,3 pelijke integratie hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader- Andere 4,9 0,0 6,7 2,5Rondzendbrieven 7,1 25,0 5,9 7,4- Betreffende socio-cultu- 5,4 12,5 4,4 6,2 rele participatie- Andere 1,8 12,5 1,5 1,2Conventies 7,1 37,5 0,7 14,8- Artikel 27 4,5- Andere 2,7Andere 12,5 12,5 15,6 7,4 * Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende (sub)categorieën zijn ondergebracht. 31
  30. 30. Tabel 3.9 Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en organisatie van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Regelgevend kader Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) groot (N=19) (N=5) (N=47) RMI-wet 26 mei 2002 78,1 73,5 80,0 76,6 84,2 100,0 (‘de leefloonwet’) Organieke wet 72,7 72,1 75,3 68,1 73,7 80,0 8 juli 1976, (‘de OCMW-wet) Andere wetten 2,7 2,9 3,5 2,1 0,0 0,0 De beleidsbeslissing 54,5 60,3 45,9 51,1 68,4 100,0 van het OCMW zelf Koninklijke besluiten 21,9 13,2 21,2 34,0 31,6 0,0 - Betreffende socio- 18,8 8,8 20,0 31,9 31,6 0,0 culturele partici- patie (08/04/2003; 10/09/2009; 12/04/2011) - Betreffende het 2,2 2,9 1,2 0,0 0,0 0,0 recht op maat- schappelijke integratie (11/07/2002)hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader - Inzake asielzoekers 0,4 0,0 0,0 2,1 0,0 0,0 - Betreffende 0,4 beurzen Decreten 10,7 1,5 12,9 12,8 21,1 40,0 - Betreffende maat- 6,3 1,5 4,7 8,5 21,1 20,0 schappelijke integratie - Andere 4,9 0,0 9,4 4,3 0,0 20,0 Rondzendbrieven 7,1 7,4 7,1 8,5 0,0 20,0 - Betreffende socio- 5,4 5,9 5,9 4,3 0,0 20,0 culturele partici- patie - Andere 1,8 1,5 1,2 4,3 0,0 0,0 Conventies 7,1 7,4 5,9 4,3 21,1 0,0 - Artikel 27 4,5 7,4 3,5 0,0 10,5 0,0 - Andere 2,7 0,0 2,4 4,3 10,5 0,0 Andere 12,5 8,8 9,4 19,2 21,1 20,0 * Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende (sub)categorieën zijn ondergebracht.32
  31. 31. 4 | Aanbod en doelgroepen van socialeactiveringIn dit hoofdstuk gaan we na welke activiteiten tot het aanbod inzake sociale acti-vering behoren en welke doelgroep voor dit aanbod in aanmerking komt. Daar- hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activeringnaast schetsen we een beeld van de omvang van het publiek dat door OCMW’sbereikt wordt met sociale activering.4.1 Type activiteitenWe stelden de OCMW’s de vraag welk type activiteiten zij, al dan niet in samen-werking met anderen, inzetten voor sociale activering. De resultaten wordenweergegeven in tabel 4.1 (naar gewest) en tabel 4.2 (naar grootte van degemeente). Sociale activering wordt ingevuld door een brede waaier van activiteiten, diezowel van recreatieve als van vormende aard kunnen zijn. In dit veelzijdige aanbod hebben socio-culturele en recreatieve activiteiten debovenhand: een grote meerderheid van 79,5% van de OCMW’s zet dergelijkeactiviteiten in voor sociale activering. Daarnaast doet 52,1% van de OCMW’s aansociale activering via vrijetijdstoelagen.12 In Wallonië geldt dit evenwel in minderemate dan in Brussel en Vlaanderen: 32,6% van de Waalse OCMW’s werken met 33vrijetijdstoelagen, tegenover 62,9% van de Vlaamse OCMW’s en 75,0% van deBrusselse OCMW’s. Ook vrijwilligerswerk wordt ingezet voor sociale activering endit vooral binnen de Vlaamse OCMW’s. Vorming of opleiding zonder dat het doelprofessionele inschakeling is en kennismaking met sport(clubs) of jeugdbewegin-12 Onder een vrijetijdstoelage kunnen verschillende tegemoetkomingen vallen, onder andere toelagen voor deelname aan sportieve en culturele activiteiten of speelpleinen, een vrijetijdspas waarmee men bijvoor- beeld gratis lidmaatschap bij de bibliotheek krijgt en/of korting op inschrijvingsgelden bij allerlei verenigin- gen (muziek- en kunstacademie, sport, ...), een ‘cheque artikel 27’ die toegang verschaft tot musea, toneel of concerten, etc.
  32. 32. gen krijgen eveneens een plaats binnen het sociale activeringsaanbod. In Brussel is dit aanzienlijk vaker het geval dan in Vlaanderen, waar het op zijn beurt vaker plaatsvindt dan in Wallonië. Tewerkstelling en trajectbegeleiding spelen slechts een zeer beperkte rol in het aanbod inzake sociale activering. Wanneer een OCMW dergelijke activiteiten inzet voor sociale activering, is dit vooral in Vlaanderen. Voor bijna alle activiteiten geldt dat ze vaker ondernomen worden naargelang de grootte van de gemeente toeneemt (zie tabel 4.2). Omgekeerd stellen we vast dat het aandeel OCMW’s dat geen enkele activiteit onderneemt op vlak van sociale activering afneemt naarmate de grootte van de gemeente stijgt. De grootte van de gemeente blijkt dus een rol te spelen in het aanbod dat OCMW’s (kunnen) doen inzake sociale activering. In lijn hiermee blijkt uit nadere analyse van de data dat 50,0% van de OCMW’s die geen enkele activiteit organiseren op vlak van sociale activering aangeeft dat de kleinschaligheid van het OCMW hen verhindert actie te ondernemen op dit domein (zie tabel b4.18 in bijlage).hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering Tabel 4.1 Type activiteiten ingezet voor sociale activering (al dan niet in samenwerking met anderen) (naar gewest), in % Type activiteiten Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=234) Hoofdstedelijk (N=140) (N=86) Gewest (N=8) Socio-culturele en recreatieve 79,5 100,0 76,4 82,6 activiteiten Vrijetijdstoelages (zie voet- 52,1 75,0 62,9 32,6 noot 12) Vrijwilligerswerk 45,7 12,5 62,9 20,9 Vorming of opleidingen zonder 43,6 62,5 47,1 36,1 dat het doel professionele inschakeling is Kennismaking met sport- 42,7 75,0 48,6 30,2 (clubs)/jeugdbeweging Workshops 35,0 62,5 17,1 61,6 Praatgroepen om uit sociaal 25,6 37,5 18,6 36,1 isolement te raken Cliënt participatiegroepen 17,5 25,0 17,9 16,3 Wijkgerichte groepswerking 9,8 25,0 10,0 8,1 Tewerkstelling (i.k.v. art. 60, 7,3 0,0 11,4 1,2 sociale tewerkstelling, stage,34 arbeidszorg) Trajectbegeleiding 2,1 0,0 3,6 0,0 Andere* 13,3 37,5 11,4 13,9 Geen enkele activiteit 4,3 0,0 3,6 5,8 * De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan activiteiten , zoals activiteiten met betrekking tot de oriëntatie naar dagcentra, individuele begeleiding, vooropleidingen, een openbare computerruimte, huisvesting, teambuilding, een sociale cafetaria, etc.

×