Sociale Activering, tussen actief burgerschap en betaalde arbeid

  • 730 views
Uploaded on

Het verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de ‘actieve welvaartsstaat’ gekleurd door een toenemende tendens tot activering. De louter passieve uitkeringsfunctie van …

Het verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de ‘actieve welvaartsstaat’ gekleurd door een toenemende tendens tot activering. De louter passieve uitkeringsfunctie van het sociaal beleid bleek niet te volstaan om sociale uitsluiting, een multi-dimensioneel verschijnsel, tegen te gaan. Het stimuleren van actieve participatie aan de reguliere arbeidsmarkt of andere vormen van gesubsidieerde arbeid drong door als het middel bij uitstek in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting (Jørgensen, 2004; Raeymaeckers et al., 2009). Vandaag is deze opvatting stevig ingeburgerd, ook bij de OCMW’s. Maar in de praktijk blijft de activering van leefloners en equivalent leefloners weerspanniger. Vanuit het werkveld klinken soms geluiden dat voor bepaalde groepen van steuntrekkers bij het OCMW de activering op haar grenzen stoot. Vandaar dat nieuwe vormen van activering opduiken, één daarvan is wat gevat kan worden onder de noemer van ‘sociale activering’.

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
730
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1

Actions

Shares
Downloads
9
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. SOCIALE ACTIVERING, TUSSEN ACTIEFBURGERSCHAP EN BETAALDE ARBEIDEen verkennend onderzoek naar depraktijk van sociale activering in deBelgische OCMW’sGreet Van Dooren, Janne Kuppens, Julie Druetz,Ludo Struyven & Abraham FranssenProjectleiding: Ludo Struyven & Abraham FranssenOnderzoek in opdracht van de POD Maatschappelijke Integratie,Armoedebestrijding, Sociale Economie en GrootstedenbeleidOfferte Bestek MIIS 2011 01
  • 2. Gepubliceerd doorKU LeuvenHIVA - Onderzoeksinstituut voor Arbeid en SamenlevingParkstraat 47 bus 5300, BE 3000 Leuvenwww.hiva.beD/2012/4718/4 – ISBN 9789088360336© 2012 HIVA-KU LeuvenNiets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie,microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.No part of this book may be reproduced in any form, by mimeograph, film or any other means, without permission inwriting from the publisher.
  • 3. VoorwoordOp vraag van de Staatssecretaris bevoegd voor Maatschappelijke Integratievoerden we in 2011 een verkennend onderzoek uit naar sociale activering bij deBelgische OCMW’s. We, zijnde een onderzoeksteam samengesteld uit onder-zoekers van het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving) van deKU Leuven, samen met het Centre d’études sociologiques (CES) van de FUSL(Facultés Universitaires Saint-Louis). Dit onderzoek is zowel in eenNederlandstalige als in een Franstalige versie beschikbaar. In de nationale en internationale literatuur is het thema sociale activering eenvrijwel onontgonnen terrein. Dit maakte het voor ons een boeiende uitdagingaangezien we vooraf moeilijk konden inschatten in hoeverre sociale activering ookin de praktijk nog onontgonnen materie was. Het thema sociale activering bleekweldegelijk te leven bij de Belgische OCMW’s. We stelden een enorme rijkdomaan praktijken vast in combinatie met een enthousiaste en actieve participatie aanzowel de webenquête, de case studies als de focusgroepen. Onze oprechte dank Voorwoordvoor jullie inspanningen. Daarnaast willen we ook de POD Maatschappelijke Integratie bedanken voor deunieke kans om dit thema te verkennen over heel België. Deze verkenning wasniet mogelijk geweest zonder de technische ondersteuning, zelfs tijdensvakantieperiodes, van Yo Gazia. Ook Prof. Dr. Yannick Vanderborgt verdient een 3bijzonder woord van dank voor zijn tweetalige input en ondersteuning. En last butnot least een woord van dank aan alle deelnemers aan sociale activeringsprojectendie hun ervaringen met ons wilden delen.
  • 4. InhoudVoorwoord 31 | Inleiding 71.1 Normatieve uitgangspunten voor activering 8 1.1.1 Activering als emancipering 8 1.1.2 Activering als disciplinering 8 1.1.3 Activering en actief burgerschap 91.2 Voedingsbodem voor sociale activering in de Belgische OCMW’s 11 1.2.1 De praktijkervaring 11 1.2.2 Het beleidskader 121.3 Sociale activering in dit onderzoek 122 | Onderzoeksopzet 153 | Visie en rol van het regelgevend kader 193.1 Visie 19 3.1.1 Concrete doelen 19 3.1.2 Algemeen heersende beleidsvisie 23 Inhoud3.2 Regelgevend kader 304 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering 334.1 Type activiteiten 33 54.2 Identificatie van de doelgroep en bereikte deelnemers 354.3 Verband tussen sociale activering en arbeidsactivering 395 | Organisatie van het aanbod 455.1 Toeleiding en identificatie 455.2 Financiële stimuli 465.3 Evaluatie 485.4 Interne organisatie 505.5 Externe organisatie 545.6 Financiering 58
  • 5. 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering 61 6.1 Knelpunten 61 6.2 Goede praktijken 67 6.3 Verbetervoorstellen 70 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies 73 7.1 Opstart en toeleiding 74 7.2 Doelgroep en inhoud 75 7.3 Medewerkers 76 7.4 Financiering en organisatie van het aanbod 77 7.5 Resultaten en evaluatie 77 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen 79 8.1 Samenvattend overzicht van bevindingen 79 8.2 Conclusies en discussie 83 8.3 Aanbevelingen 87 8.3.1 Federaal beleidsniveau 87 8.3.2 OCMW- en lokaal beleidsniveau 90 8.4 Sporen voor vervolgonderzoek 94 - BIJLAGEN - 97 bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) 99 bijlage 2 Info selectie casestudies 117 bijlage 3 Resultaten respons 119 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey 121 bijlage 5 Casestudies 131 bijlage 6 Tabel goede praktijken 197 Bibliografie 209Inhoud6
  • 6. 1 | InleidingHet verlenen van uitkeringssteun wordt sinds de jaren ’90 onder de noemer van de‘actieve welvaartsstaat’ gekleurd door een toenemende tendens tot activering. Delouter passieve uitkeringsfunctie van het sociaal beleid bleek niet te volstaan omsociale uitsluiting, een multi-dimensioneel verschijnsel, tegen te gaan. Het stimule-ren van actieve participatie aan de reguliere arbeidsmarkt of andere vormen vangesubsidieerde arbeid drong door als het middel bij uitstek in de strijd tegenarmoede en sociale uitsluiting (Jørgensen, 2004; Raeymaeckers et al., 2009). Van-daag is deze opvatting stevig ingeburgerd, ook bij de OCMW’s. Maar in de prak-tijk blijft de activering van leefloners en equivalent leefloners weerspanniger.Vanuit het werkveld klinken soms geluiden dat voor bepaalde groepen van steun-trekkers bij het OCMW de activering op haar grenzen stoot. Vandaar dat nieuwe hoofdstuk 1 | Inleidingvormen van activering opduiken, één daarvan is wat gevat kan worden onder denoemer van ‘sociale activering’. Hoewel de term ‘activering’ internationaal is ingeburgerd in het politieke jargon,gaat een inhoudelijke duiding van het concept gepaard met problemen (Amilcar,2008; Barbier, 2005; Jørgensen, 2004; Serrano Pascual, 2004). Zowel in de litera-tuur als in de praktijk herkennen we twee strekkingen op het vlak van activering.In de ene strekking linkt activering het sociaal beleid expliciet aan systematische 7maatregelen en programma’s om de participatie aan de arbeidsmarkt te bevorde-ren. In de andere strekking wordt niet alleen de arbeidsmarktintegratie, maar ookde bredere maatschappelijke integratie (‘intégration sociale’) en participatie cen-traal geplaatst. Het concept activering krijgt verschillende betekenissen toebedeelden wordt dan ook op verschillende wijzen ingevuld in de praktijk. De implemen-tatie verschilt van land tot land, afhankelijk van institutionele en beleidscontexten.Maar ook binnen een land zijn er verschillen denkbaar – denken we maar aan devoor ons land op heel wat domeinen relevant bevonden verschillen tussen deregio’s, tussen gemeenten of steden en tussen lokale arbeidsmarkten.
  • 7. In wat volgt leggen we ons toe op ‘sociale’ activering en de manier waarop de Belgische OCMW’s hier invulling aan geven. Deze inleiding biedt een korte schets van het normatieve kader dat aan de basis ligt van (sociale) activering. Vervolgens wordt de voedingsbodem voor sociale activering binnen de Belgische OCMW’s besproken, zowel vanuit de praktijk als vanuit het wettelijke kader. 1.1 Normatieve uitgangspunten voor activering Activeringspraktijken zijn moeilijk binnen één normatieve strekking te situeren, aangezien ze meestal geïnspireerd zijn door elementen uit verschillende denkrich- tingen (Grymonprez et al., 2010; Tuteleers, 2007). Een vaak gehanteerd onder- scheid is dat tussen de emancipatorische en de disciplinerende visie op activering. 1.1.1 Activering als emancipering De emancipatorische variant van activering stelt de behoefte aan re-integratie van de sociaal uitgeslotene centraal. Emanciperende activering wordt beschouwd als de realisatie van de sociale grondrechten van elk individu in de maatschappij. Maximale sociale ontplooiing is de centrale doelstelling. De focus ligt dus niet enkel op arbeidsmarktgerichte activering, maar eveneens op sociale, culturele en politieke emancipering (Grymonprez et al., 2010). Vandaar dat deze opvatting makkelijk aansluiting vindt bij een onvoorwaardelijke rechtenbenadering. Toch hoeft elke vorm van wederkerigheid niet afwezig te zijn, maar de rechten zullen wel prevaleren. Binnen deze visie op activering wordt gesteld dat men enkel plichten kan opleggen aan de burger, als de overheid daar ook mogelijkheden tegenover plaatst (Seynaeve et al., 2004).hoofdstuk 1 | Inleiding 1.1.2 Activering als disciplinering Activering kan ook gevat worden als een disciplinerende reactie op bijstandsaf- hankelijkheid (zie o.m. Mead, 1986; Murray, 1984). Bij deze denkrichting preva- leert de plichtenbenadering. Rechten zijn niet universeel, maar conditioneel al naargelang de gesanctioneerde inspanning die de uitkeringstrekker zelf opbrengt8 om werk te zoeken, in te gaan op een jobaanbod of mee te werken aan een inte- gratietraject. Uitgangspunt is dat het financiële vangnet van de verzorgingsstaat te genereus is, waardoor bijstandsgerechtigden zich gaan nestelen in een afhankelijk- heidscultuur (Hermans, Van Hamme & Lammertyn, 1999; Tuteleers, 2007). Daarom perkt het sociaal beleid het recht op een uitkering in en worden bij- standstrekkers verplicht arbeid te verrichten als tegenprestatie voor hun uitkering, zoals het geval is bij de workfare-benadering (Torfing, 1999). Een meer ‘verlichte’ benadering, weg van het conservatief geïnspireerde communitarisme van Mead en
  • 8. Murray, is het ‘Derde Weg’-denken, dat vanuit de Britse politiek van New Labouronder Tony Blair breed ingang heeft gevonden en theoretisch geïnspireerd is doorde socioloog Anthony Giddens. Essentieel hierbij is de (her)koppeling van rechtenen plichten, of met andere woorden herstel van het wederkerigheidsprincipe. Dathierbij nog gradaties mogelijk zijn, mag blijken uit de typologie van wederkerig-heid bij Mau (2003; 2004). Hij onderscheidt vier oplopende varianten, gaande van‘gegeneraliseerde wederkerigheid’ (ruimhartig, weinig voorwaarden), over ‘geba-lanceerde wederkerigheid’ (equivalentiebeginsel afhankelijk van de betaalde pre-mie, zoals bij de werkloosheidsverzekering), ‘risicowederkerigheid’ (vangnetidee,beperkte rechten) tot ‘verplichtende wederkerigheid’ (strenge voorwaardelijkheid,sterke koppeling met plichten) (zie ook 3.1.2). Of het nu gaat om een enge of ruime opvatting van de voorwaardelijkheid, kernis dat beleidsinterventies disciplineren door middel van sanctionering. Men gaat uitvan een individueel schuldmodel waarin de oorzaak van het werkloos zijn eerderbij de bijstandstrekker wordt gelegd dan bij structurele factoren, zoals de econo-mische omstandigheden. Bijstandstrekkers worden dan ook verwacht zelf denodige inspanningen te leveren om hun integratie te bevorderen (Nicaise, 2001;Tuteleers, 2007). In de disciplinerende variant van activering wordt activeringgebruikt als een ‘stok’ (Lammertyn, 1998): men dwingt de burger zich te buigennaar het dominante waardepatroon in de samenleving en zich aan te passen aan deeisen van de arbeidsmarkt (Hermans, Van Hamme & Lammertyn, 1999). Eengebrek aan medewerking heeft een schorsing van de uitkering tot gevolg. Enigszins verwant met de disciplinerende opvatting op activering is de moralise-rende opvatting op activering. Typische vertolker van deze visie is de Britse psy-chiater Theodore Dalrymple, die zich onder meer baseert op Murray’sonderscheid tussen de ‘deserving poor’ en de ‘undeserving poor’ om de afhanke- hoofdstuk 1 | Inleidinglijkheidscultuur bij steuntrekkers te bestrijden. Deze vertolkt de bezorgdheid vande middenklasse, die het bestaan van een subcultuur van armen, werklozen enbijstandstrekkers zonder arbeidsethos als bedreigend ervaart voor de heersendearbeidsmoraal, de stabiliteit en het functioneren van de maatschappij(Grymonprez et al., 2010; Tuteleers, 2007). Activeringsmaatregelen beogen dan dekloof tussen de onderklasse en de rest van de samenleving te verkleinen. 91.1.3 Activering en actief burgerschapArbeidsintegratie en de bredere maatschappelijke integratie en participatie hoevenniet tegengesteld te zijn, maar kunnen ook in elkaars verlengde liggen. De vraag isin welke mate betaalde arbeid wordt gezien als het middel. Of kan maatschappe-lijke participatie ook een middel zijn tot (latere) arbeidsintegratie (het omgekeerdeverband)? Kan maatschappelijke participatie ook nagestreefd worden zonder dater een perspectief op arbeid is (omdat het niet haalbaar is bijvoorbeeld)? Naarmate
  • 9. in de praktijk meer en meer groepen worden geactiveerd, stoten praktijkwerkers ook op de sociale grenzen ervan. Dit wordt goed geïllustreerd door de verruiming van het aanbod in het OCMW Antwerpen (zie onder). De klemtoon op actieve participatie door iedereen (‘iedereen doet mee’) staat voor Abraham Franssen voor een paradigmawisseling in de bijstand: beetje bij beetje zijn praktijken opgezet die we onder de noemer van ‘insertion sociale’ kunnen plaatsen. Het paradigma van ‘dépendance assistée’ heeft daarmee plaats gemaakt voor het paradigma van ‘parti- cipation active de chacun’ (Franssen, 2002). Deze verandering manifesteert zich in diverse maatregelen die geïntroduceerd zijn vanaf de jaren ’90 gekenmerkt door een groeiende conditionalisering en contractualisering tussen overheid en burger maar evengoed door een verscheidenheid aan praktijken gericht op de sociale integratie van diegenen die ver van de arbeidsmarkt verwijderd zijn. Maar zelfs los van de arbeidsplicht plaatsen bepaalde OCMW’s in ons land hun brede activiteiten inzake activering onder de ruimere noemer van ‘bevordering van de sociale cohesie’. Hier is het uitgangspunt dat elke samenleving nood heeft aan een bepaalde mate van sociale cohesie, verbondenheid tussen burgers. Actief bur- gerschap als vorm van verbondenheid houdt in dat alle leden van de samenleving hun verantwoordelijkheid opnemen en op een actieve manier vorm geven aan de maatschappij waarin ze leven. Hierdoor worden burgers tegelijk in staat gesteld hun capaciteiten te ontwikkelen (Konle-Seidl & Eichhorst, 2008; Betzelt & Bothfeld, 2011). Activering staat hier dus in functie van ‘actief burgerschap’: het vol- waardig kunnen deelnemen aan de samenleving opdat een hogere kwaliteit van leven kan worden bereikt. De empowerment-visie in het welzijnswerk beoogt bovendien mensen te prikkelen, hen aan te spreken op hun krachten, talenten, interesses, mits erkenning van en zorg voor de kwetsbaarheden op individueel, sociaal en maatschappelijk vlak (Steenssens, Sannen & Van Regenmortel, 2010).hoofdstuk 1 | Inleiding Niemand wordt ‘opgegeven’ en losgelaten, vanuit een fundamenteel geloof in ieders mogelijkheden en vanuit de wezenlijke taak van de samenleving om krach- ten en potenties van mensen te mobiliseren en mensen actief uit te nodigen tot deelname aan de samenleving. Doel van empowerment is de versterking van de betrokkenen en het verbindend werken. Participatie is een kernaspect van empo- werment. Dit betekent wel een participatie op maat, rekening houdend met krachten en met kwetsbaarheden. Empowerment is een gelaagd construct (‘multi-10 level’) en gaat ervan uit dat sociale problemen als armoede, uitsluiting, werkloos- heid tot stand komen en in stand worden gehouden door een samenspel van fac- toren op micro-, meso- en macroniveau. Deze gelaagde kijk houdt ook een gedeelde verantwoordelijkheid in bij de bestrijding van sociale problemen. Gelet op wat voorafging is de vraag of onder deze noemer ook plaats is voor het koppelen van deelname aan voorwaarden voor het behoud van de uitkering. Vanuit een welzijnsperspectief zal meer de nadruk worden gelegd op het niet- repressief, maar ondersteunend en aanmoedigend optreden. Vanuit een arbeids-
  • 10. participatieperspectief zal makkelijker op het verplichten worden overgeschakeld.Dat dit kan botsen met bestaande opvattingen over vrijwilligerswerk - als uitingvan democratisch burgerschap - hoeft geen betoog. Volgens sommigen onder-graaft dit de wezenlijke betekenis van vrijwilligerswerk. Immers, als vrijwilligers-werk verplicht wordt, komt het vrijwillige karakter in het gedrang (VanRegenmortel, 2009).1.2 Voedingsbodem voor sociale activering in de Belgische OCMW’s1.2.1 De praktijkervaringHet Belgisch sociaal beleid is gefundeerd op twee pijlers: een pijler van socialezekerheid als inkomenshandhaving en een pijler van sociale bijstand. De socialebijstand wordt doorgaans georganiseerd op het lokale niveau, in ons land door deOCMW’s. Het vormt voor velen het laatste vangnet nadat hun recht op een werk-loosheidsuitkering, dat in België in principe (op bepaalde categorieën na) vanonbepaalde duur is, is uitgeput, of vooraleer er toegang toe te krijgen. Debijstandsgerechtigden vormen een bijzonder heterogene groep, deels gekarak-teriseerd door een multi-aspectuele problematiek (Fret, 1997; Janssens, 2011).Hun profiel beantwoordt niet altijd aan de alsmaar hogere eisen gesteld door dearbeidsmarkt. Dit kan tot uitdrukking komen in een aantal drempels opverschillende dimensies, dus niet enkel arbeidsmarktgerelateerd. In het OCMWAntwerpen worden de drempels op een systematische wijze geregistreerd op basisvan een uniform meetinstrument (MPSA of Meetinstrument voor Professioneleen Sociale Activering). Uit een doorlichting van de Antwerpse OCMW-populatie hoofdstuk 1 | Inleidingbleek dat men geconfronteerd wordt met een groep ‘(nog) niet bemiddelbaren’,die in tegenstelling tot de groep ‘bemiddelbaren’ een grote afstand tot de arbeids-markt hebben (Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010). Daar waar de bemiddel-baren professioneel geactiveerd kunnen worden (o.a. aan de hand van tewerk-stelling in toepassing van art. 60 §7 of art. 61 van de OCMW-wet, eventueelverrijkt met opleiding en vorming), zijn de (nog) niet bemiddelbaren (voorlopig)niet inzetbaar op de arbeidsmarkt. Zij behoren tot het maatschappelijk meest 11kwetsbare segment van de bevolking en een effectieve aanpak van hun problema-tiek vraagt vaak om interventies vanuit de welzijnssector. De confrontatie met deze groep ‘(nog) niet bemiddelbare’ (equivalent) leefloon-cliënten, gaf aanleiding tot het ontwikkelen van een aanbod inzake ‘sociale’ active-ring binnen het OCMW Antwerpen. Sociale activering wordt hier opgevat als hetverrichten van onbezoldigde activiteiten of persoonlijke netwerkvorming, met hetoog op sociale zelfredzaamheid en maximale maatschappelijke integratie en parti-cipatie (Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010; Stevensen, 2005). Voor sommigen,
  • 11. met name de nog niet bemiddelbaren, is deze vorm van activering een opstap rich- ting doorstroom naar de arbeidsmarkt. Voor anderen, met name de niet bemiddel- baren, heeft sociale activering een min of meer permanent karakter; er is geen gerichtheid op betaalde arbeid. Sociale activering krijgt aldus een dubbele finaliteit: het vormt zowel een opstap naar, als een alternatief voor, betaalde arbeid. In hoeverre en hoe ook de andere OCMW’s de grenzen in het activeringswerk verleggen, blijft tot nog toe een onontgonnen terrein. Het is in die leemte dat voorliggend onder- zoek voorziet. 1.2.2 Het beleidskader Voor de dubbele gerichtheid van activering vinden we alvast aanknopingspunten in de regelgeving. De werking van de OCMW’s in België is gebaseerd op twee belangrijke wetten: de organieke wet van 8 juli 1976 en de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI) van 2002. De organieke wet van 8 juli 1976 (de ‘OCMW-wet’) bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening met als doel eenieder in de moge- lijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardig- heid. Met het Recht op Maatschappelijke Integratie werd in 2002 de activering van de leefloongerechtigde centraal gesteld (Raeymaeckers et al., 2009). Deze wet ver- vangt de voormalige Bestaansminimumwet (1974) en beoogt de (her)integratie in de samenleving te waarborgen van hen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en over onvoldoende bestaansmiddelen beschikken. Tewerkstelling wordt door de wetgever gezien als het sleutelconcept om maatschappelijke integratie te bevorde- ren. Concreet geven OCMW’s vorm aan het recht op maatschappelijke integratie aan de hand van drie instrumenten: een leefloon, tewerkstelling (via art. 60 §7 ofhoofdstuk 1 | Inleiding art. 61 van de OCMW-wet of via een andere activeringsmaatregel) en een geïndi- vidualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). OCMW’s kregen met de organieke wet dus een ruime opdracht toebedeeld, of in elk geval een opdracht van maatschappelijke integratie die ruim kon worden ingevuld. De herkomstperiode is hier niet vreemd aan. Zo kwam de organieke wet tot stand in een periode waarin de sociale rechten van de burgers primeerden, en kwam de RMI-wet er op een ogenblik dat al ruim tien jaar ervaring was opgedaan12 met de integratiecontracten voor jongeren, waarbij de opvatting van arbeid als het integratiemiddel bij uitstek buiten kijf kwam te staan. 1.3 Sociale activering in dit onderzoek De literatuur over activering laat in het midden of activering al dan niet ook soci- ale activering omvat. Als de definitie van activering al onduidelijk is, zeker in een transnationale context waarin verschillende culturen een eigen taal ontwikkelen
  • 12. om gelijksoortige praktijken te benoemen, geldt dit des te meer voor sociale acti-vering. Sommige auteurs suggereren een open definitie van sociale activering in delijn van maatschappelijke integratie (intégration sociale), waarbij het onderscheidmet activering vervaagt.1 Anderen hebben geprobeerd het begrip nader te specifië-ren op basis van een verkenning van normatieve uitgangspunten (o.m. Tuteleers,2007). In dit onderzoek gaan we uit van de specificiteit van sociale activering tenopzichte van arbeidsactivering. Met andere woorden, niet alle activering is socialeactivering. De definitie mag anderzijds niet te beperkend geformuleerd wordenom de realiteit, de verscheidenheid in praktijk te kunnen vatten al naargelang devisie van het OCMW op sociale activering (sociale activering die niet hoeft teleiden tot activering richting werk, sociale activering als tussenstap naar werk, aldan niet gedwongen vrijwilligerswerk, ...), de realiteit op regionaal niveau (cf.decreet in Wallonië) en de afbakening van doelgroepen voor sociale activering(t.o.v. de doelgroep voor activering naar tewerkstelling). In ons land wordt sociale activering als specifieke vorm van activering nietomschreven in de regelgeving. Ook in andere landen is dit niet het geval. Een uit-zondering is Nederland, waar in art. 6 van de WWB (Wet Werk en Bijstand) soci-ale activering is beschreven als ‘het verrichten van onbeloonde maatschappelijkzinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nogniet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie’. Het kan hierbijgaan om het verrichten van vrijwilligerswerk, maar ook om mantelzorgtaken metdien verstande dat een klant voor mantelzorg zelf initiatief neemt. De opvatting isdat sociale activering de afstand tot de arbeidsmarkt verkleint en daarom een pas-sende voorziening kan zijn in situaties waarin het voor een cliënt nog niet haalbaaris om te functioneren in een werksituatie. De Nederlandse Thesaurus zorg enwelzijn2 omschrijft het begrip als volgt: ‘Vorm van intensieve individuele begelei- hoofdstuk 1 | Inleidingding (georganiseerd door gemeenten, zorginstellingen of welzijnsorganisaties)waardoor mensen op vrijwillige basis nieuwe activiteiten gaan ondernemen en hunisolement doorbreken; kan ook een opstap zijn naar betaald werk; sociale active-ringstrajecten worden gezien als eindige trajecten met uitstroom naar activerendearbeidsmarkttrajecten, vrijwilligerswerk zonder begeleiding of zorgtrajecten.’ Ookhier worden beide functies – sociaal en professioneel – verbonden via een gradatiein het activiteitenaanbod. 13 Op basis van het voorgaande hanteren we in dit onderzoek volgende werkdefi-nitie van sociale activering: ‘Sociale activering is het verhogen van de maatschap-pelijke participatie en het doorbreken van sociaal isolement door maatschappelijk1 Bij wijze van voorbeeld: In een studie van het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau (2003) worden op basis van twintig projecten in Nederland drie strategieën onderscheiden voor sociale activering: de indi- viduele strategie, gericht op persoonlijke aandacht; de instrumentele strategie, gericht op specifieke instrumenten voor zinvolle activiteit of gesubsidieerd werk; en tenslotte de marktgerichte strategie, gericht op het scheppen van zelfstandige werkgelegenheid.2 http://www.thesauruszorgenwelzijn.nl/socialeactivering.htm.
  • 13. zinvolle activiteiten te ondernemen: (1) ofwel als een doel op zich; (2) ofwel als een eerste stap in een traject voor socio-professionele inschakeling; (3) ofwel als een eerste stap in een (latere) betaalde tewerkstelling’.3 Bovenstaande definitie illustreert het multifunctionele karakter van het aanbod van sociale activering. Onder de noemer van sociale activering wordt een brede waaier aan activiteiten aangeboden, gaande van vormingsprojecten zoals taal- en computerlessen tot activiteiten in een dagcentrum, socio-culturele en recreatieve activiteiten, praatgroepen, arbeidszorg,4 etc. Ook vrijwilligerswerk kan hieronder ressorteren.5 Doel van dit onderzoek is het aanbod inzake sociale activering in kaart te bren- gen op basis van empirische gegevens verzameld in alle Belgische OCMW’s. We willen inzicht verwerven in de manier waarop sociale activering concreet vorm krijgt in de dienstverlening van de OCMW’s. Wie biedt wat aan? Waarom, hoe, voor wie en op welke schaal? Hierbij willen we ook nagaan of er verschillen zijn naargelang van het gewest, het aantal leefloners of equivalent leefloners en de grootte van de gemeente waarin de OCMW’s gevestigd zijn. Methodologisch is dit onderzoek gebaseerd op een mixed-methodbenadering. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 2. Hoofdstukken 3 tot en met 6 geven vooral een breedtezicht op het werkveld van sociale activering. De thema’s die hierbij aan bod komen zijn de volgende: de visie op sociale activering en de rol van het regel- gevend kader (hoofdstuk 3), het aanbod en de doelgroepen van sociale activering (hoofdstuk 4), de organisatie van het aanbod (hoofdstuk 5) en de succesvoor- waarden van sociale activering (hoofdstuk 6). Vervolgens worden in hoofdstuk 7 de bevindingen besproken op basis van good practices in 8 OCMW’s, gespreid over het hele land. Het afsluitende hoofdstuk 8 bevat een synthese van bevindin-hoofdstuk 1 | Inleiding gen en vormen de basis voor de geformuleerde conclusies en aanbevelingen voor het beleid. 3 Er heerst een grote eensgezindheid tussen de OCMW’s met betrekking tot deze omschrijving van sociale14 activering. De resultaten van de webenquête die bij OCMW’s werd afgenomen in kader van dit onderzoek tonen aan dat 96,6% van de bevraagde OCMW’s akkoord is met deze omschrijving (zie tabel b5 in bijlage). Dat betekent dat de term een draagvlak heeft bij zowel de Nederlandstalige als de Franstalige OCMW’s. 4 Arbeidszorg is een typisch Vlaamse term, waarvoor geen directe tegenhanger bestaat in Franstalig België. Het is een werkvorm gericht op mensen die niet, nog niet, of niet meer terecht kunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. Arbeidszorg realiseert ook voor deze personen het recht op arbeid door hen arbeidsmatige activiteiten aan te bieden in een werkomgeving gericht op productie of dienstverlening, waarbij men hen ook ondersteuning biedt. Via vrijwillig, onbetaald werk worden de latente functies van arbeid in het bereik van de arbeidszorgmedewerkers gebracht, waardoor het algemeen welzijn van deze personen gestimuleerd wordt. 5 Vrijwilligerswerk wordt steeds meer beschouwd als een opstap naar tewerkstelling, een instrument voor arbeidsmarkttoeleiding, of een soort transitie of wachtperiode voor het vinden van een job (Alaguero, 2006).
  • 14. 2 | OnderzoeksopzetDit onderzoek heeft tot doel het veelzijdige aanbod van sociale activering dat deBelgische OCMW’s uitwerken te beschrijven en te analyseren. De drie centraleonderzoeksvragen zijn:1. Hoe geven Belgische OCMW’s invulling aan sociale activering?2. Welke goede praktijken kunnen worden opgespoord en beschreven?3. Welke beleidsmaatregelen zijn nodig om een beleid inzake sociale activering verder uit te bouwen en te optimaliseren?Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden hanteren we een multi-methoden- hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzetaanpak, met een kwantitatief en een kwalitatief luik. Het kwantitatieve luik betrefteen webenquête bij alle Belgisch OCMW’s om een representatief beeld te verkrij-gen van initiatieven, visies, doelgroepen, organisationele kenmerken van het aan-bod, goede praktijken en knelpunten. De vragenlijst die hiervoor gebruikt werd isterug te vinden in de bijlagen. De webenquête werd uitgevoerd tussen eind juli enbegin september 2011. In totaal werden 234 bruikbare enquêtes bekomen, dealgemene responsgraad bedraagt 39,7% van de 589 Belgische OCMW’s. Dit is opzich een vrij hoge respons voor een webenquête en voor een onderwerp waarvanwe aannemen dat niet alle OCMW’s er even intensief mee begaan zijn. We kunnen 15dus veronderstellen dat vooral die OCMW’s hebben meegewerkt aan de enquête,voor wie sociale activering zoals boven gedefinieerd (zie hoofdstuk 1) aanwezig isin de activiteiten die worden opgezet. Nu is het best mogelijk dat deze onder-zoeksvariabele (activiteiten inzake sociale activering) samenhangt met andere ken-merken van het OCMW, zoals het gewest, de provincie, de grootte van degemeente en het aantal leefloners of equivalent leefloners. En dat we om die redeneen scheeftrekking bekomen in de antwoorden. Op basis van een toetsing vanbeide verdelingen (responsbestand en onderzoekspopulatie) stellen we vast dat ditniet voor alle genoemde variabelen het geval is. Voor de variabelen regio en pro-
  • 15. vincie is er een lichte oververtegenwoordiging van de Vlaamse OCMW’s en van de OCMW’s gevestigd in de provincie Antwerpen. In Vlaanderen ligt de respons- graad het hoogst (45,5% van de Vlaamse OCMW’s), gevolgd door Brussel (42,1% van de Brusselse OCMW’s) en Wallonië (32,8% van de Waalse OCMW’s).6 De respons van de OCMW’s in de provincie Antwerpen is het hoogst (55,7%), die in de provincie Luxemburg het laagst (20,5%). De respons naar grootte van de gemeente (inwonersaantal) wordt weergegeven in tabel 2.1. We hanteren hiervoor, bij gebrek aan een voor ons bruikbare bestaande indeling, een eigen indeling met de volgende categorieën: - zeer kleine gemeenten: 0 tot en met 10 000 inwoners; - kleine gemeenten: 10 001 tot en met 20 000 inwoners; - middelgrote gemeenten: 20 001 tot en met 40 000 inwoners; - grote gemeenten: 40 001 tot en met 140 000 inwoners; - zeer grote gemeenten: meer dan 140 000 inwoners (deze categorie omvat de vijf grootste steden in België, zijnde Antwerpen, Gent, Charleroi, Luik en Brussel). Tabel 2.1 Respons naar grootte van gemeente (gemeten a.d.h.v. het inwonersaantal) Grootte gemeente % Zeer klein (0-10 000 inw.) (N=241) 30,7 Klein (10 001-20 000 inw.) (N=202) 43,6 Middelgroot (20 001-40 000 inw.) (N=110) 43,6 Groot (40 001-140 000 inw.) (N=31) 61,3 Zeer groot (>140 000 inw.) (N=5) 100,0hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzet Uit de tabel blijkt dat de categorieën ‘groot’ en ‘zeer groot’ oververtegenwoordigd zijn in het responsbestand, terwijl er in absolute aantallen toch een goede sprei- ding aanwezig is in de bekomen responsratio zodat we ook uitspraken kunnen doen voor de zeer kleine gemeenten. Per OCMW gingen we ook na hoeveel (equivalent) leeflooncliënten er tewerk- gesteld zijn in art. 60 §7, als proxy-indicator voor de mate waarin een OCMW actief is op vlak van arbeidsmarktactivering. Het achterliggend idee is dat OCMW’s die actiever zijn op het vlak van arbeidsmarktactivering mogelijk ook actiever zijn op het vlak van sociale activering. Dit zou dan kunnen betekenen dat16 de vragenlijst vooral werd ingevuld door OCMW’s die ook veel inspanningen leveren op het vlak van arbeidsmarktactivering. Dit blijk echter niet het geval te zijn als het gaat om de respons op de enquête (mogelijk geldt dit wel als het gaat om de mate waarin sociaal geactiveerd wordt; zie hiervoor hoofdstuk 4). De OCMW’s die op dit vlak meer of minder actief zijn, zijn in gelijke mate vertegen- woordigd (zie bijlage). 6 De tabellen met de respons naar gewest, provincie en functie van de respondent zijn terug te vinden in de bijlagen.
  • 16. De webenquête is gericht aan de secretaris van elk OCMW, met de vraag omdeze te laten invullen door het hoofd van de dienst die verantwoordelijk is voorsociale activering, of - in het geval dat er geen dergelijk diensthoofd is - de per-soon die het best geplaatst is om de enquête in te vullen. In de praktijk werden deenquêtes voornamelijk ingevuld door maatschappelijk werkers, hoofden van desociale dienst en (waarnemend) secretarissen (zie tabel in bijlage). De websurvey is in de eerste plaats verkennend bedoeld. In de survey werd ookgepeild naar goede praktijken. Dit vormde de basis voor de selectie van achtOCMW’s die nader bevraagd zijn over hun ervaringen. De OCMW’s voor decasestudies werden geselecteerd uit die OCMW’s die in de webenquête een eigeninitiatief of praktijk als goede praktijk naar voren schoven, dat bovendien noglopende was en een voldoende groot bereik had. Bij de uiteindelijke selectie werdeen spreiding in acht genomen over regio’s (3 uit Vlaanderen, 3 uit Wallonië en 2uit Brussel), provincies, grootte van de gemeenten, doelgroepen, thema’s enorganisationele kenmerken. Volgende OCMW’s werden geselecteerd: Asse,Bièvre, Braine-l’Alleud, Brussel, Charleroi, Dessel, Gent en Ukkel. Gedurende demaanden oktober, november en december 2011 werden individuelesemigestructureerde face-to-face interviews afgenomen bij deze OCMW’s opmanagementniveau (8), het niveau van de uitvoerende professional (11) en dedeelnemers (29) (meer info zie bijlage). De bevindingen van de goede praktijkenzijn transversaal verwerkt en beschreven in hoofdstuk 7. Voor de individuele case-beschrijvingen verwijzen we naar de betreffende bijlage. Er werden twee focusgroepen georganiseerd in januari 2012 om voorlopigeconclusies uit de enquête en de casestudies af te toetsen. De focusgroepen werden hoofdstuk 2 | Onderzoeksopzettaalgemengd samengesteld, en varieerden naar grootteorde van de OCMW’s (eeneerste met vooral grotere OCMW’s en een tweede met middelgrote en kleinereOCMW’s). We vonden potentiële deelnemers in die OCMW’s die de selectie voorde casestudies niet haalden. Deze werden voor Vlaanderen nog aangevuld met destuurgroep activering van de VVSG (Vereniging voor Vlaamse Steden enGemeenten). Volgende OCMW’s namen deel aan de focusgroep met grotereOCMW’s: Antwerpen, Etterbeek, Gent, Kortrijk, La Louvière, Luik, Mechelen,Verviers. De deelnemende OCMW’s aan de focusgroep met kleinere OCMW’swaren: Braine-le-Comte, Comines-Warneton, Hechtel-Eksel, Kruibeke, Laakdal, 17Merksplas, Peruwelz, Soumagne, Wervik en Westerlo. De bevindingen van defocusgroepen zijn niet apart gerapporteerd, maar verwerkt in het slothoofdstuk.
  • 17. 3 | Visie en rol van het regelgevendkaderIn dit hoofdstuk gaan we dieper in op de visie op sociale activering van deBelgische OCMW’s evenals het regelgevend kader waarop de opzet en uitvoer vansociale activering gebaseerd is. Achtereenvolgens behandelen we volgende vragen:(1) Wat willen Belgische OCMW’s concreet bereiken met sociale activering?; hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader(2) Binnen welke algemene beleidsvisie kaderen deze concrete doelen?; (3) Opwelk beleidskader baseren Belgische OCMW’s zich voor de opzet en uitvoer vansociale activering?3.1 Visie3.1.1 Concrete doelenIn de websurvey werd er gepeild naar wat OCMW’s concreet willen bereiken metactiviteiten inzake sociale activering. De resultaten worden weergegeven intabel 3.1 (naar gewest) en tabel 3.2 (naar grootte van de gemeente). We constate-ren dat sociale activering een veelheid aan doelen dient, waarbij sociale activeringzowel een alternatief voor, als een opstap naar tewerkstelling kan vormen. 19 Vrijwel alle OCMW’s streven ernaar om via sociale activering cliënten uit hunsociaal isolement te halen en hen het gevoel te geven dat ze er opnieuw bijhorenin de samenleving (resp. 92,0% en 90,2% van de OCMW’s). Verder willenOCMW’s de zelfredzaamheid van cliënten bevorderen en hun persoonlijke ont-wikkeling stimuleren (resp. 75,9% en 70,5% van de OCMW’s). Sociale activeringmoet er voor 63,8% van de OCMW’s toe bijdragen dat cliënten zich beter gaanvoelen en 51,8% van de OCMW’s tracht via sociale activering de eigen dienstver-lening te verbeteren in functie van de noden van de cliënt.
  • 18. Naast deze doelen die niet (noodzakelijk) in het teken van tewerkstelling staan, kan sociale activering ook expliciet gericht zijn op tewerkstelling. Meer specifiek wilt 73,7% van de OCMW’s via sociale activering bereiken dat hun cliënten voor- bereid zijn op een professioneel traject, een sociale tewerkstelling, of een tewerk- stelling op de reguliere arbeidsmarkt. In Brussel lijkt sociale activering in dit opzicht meer als een opstap naar tewerkstelling gezien te worden dan in Vlaande- ren en Wallonië: 87,5% van de Brusselse OCMW’s, 74,1% van de Vlaamse OCMW’s en 71,6% van de Waalse OCMW’s willen hun cliënten via sociale active- ring voorbereiden op een tewerkstelling. Bovendien stellen we vast dat OCMW’s sociale activering vaker als een opstap naar tewerkstelling zien naarmate de grootte van de gemeente stijgt (zie tabel 3.2).hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader20
  • 19. Tabel 3.1 Concrete doelen van sociale activering (naar gewest), in % ‘eens’Wij willen met ons OCMW bereiken dat, ... Algemeen Brussels Hoofdstedelijk Vlaanderen Wallonië (N=224) Gewest (N=8) (N=135) (N=81)- cliënten uit hun sociaal isolement gehaald wor- 92,0 100,0 91,1 92,6 den- cliënten het gevoel krijgen er opnieuw bij te 90,2 100,0 91,9 86,4 horen in de samenleving- cliënten zelfredzamer worden 75,9 62,5 78,5 72,8- cliënten voorbereid zijn op een professioneel 73,7 87,5 74,1 71,6 traject, een sociale tewerkstelling of een tewerk- stelling op de reguliere arbeidsmarkt- cliënten zich persoonlijk ontwikkelen 70,5 75,0 72,6 66,7- cliënten zich beter gaan voelen 63,8 75,0 64,4 61,7- we als OCMW onze dienstverlening verbeteren 51,8 87,5 51,1 49,4 in functie van de noden van de cliënten- andere* 7,1 0,0 5,2 11,1 * De categorie ‘andere’ omvat doelstellingen die slechts door een beperkt aantal OCMW’s vermeld werden, zoals de doelstellingen om de financiële situatie van de cliënt te bevorderen en om diversiteit te promoten. 21 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  • 20. 22 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.2 Concrete doelen van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % ‘eens’Wij willen met ons OCMW bereiken dat, ... Algemeen Zeer Klein Middel- Groot Zeer (N=224) klein (N=85) groot (N=19) groot (N=68) (N=47) (N=5)- cliënten uit hun sociaal isolement gehaald worden 92,0 89,7 88,2 97,9 100,0 100,0- cliënten het gevoel krijgen er opnieuw bij te horen in de samenleving 90,2 82,4 91,8 95,7 94,7 100,0- cliënten zelfredzamer worden 75,9 72,1 76,5 72,3 94,7 80,0- cliënten voorbereid zijn op een professioneel traject, een sociale tewerkstelling of een 73,7 64,7 75,3 76,6 84,2 100,0 tewerkstelling op de reguliere arbeidsmarkt- cliënten zich persoonlijk ontwikkelen 70,5 57,4 70,6 80,9 84,2 100,0- cliënten zich beter gaan voelen 63,8 55,9 61,2 78,7 63,2 80,0- we als OCMW onze dienstverlening verbeteren in functie van de noden van de cliënten 51,8 39,7 52,9 63,8 57,9 60,0- andere* 7,1 2,9 10,6 10,6 0,0 0,0 * De categorie ‘andere’ omvat doelstellingen die slechts door een beperkt aantal OCMW’s vermeld werden, zoals de doelstellingen om de financiële situatie van de cliënt te bevorderen en om diversiteit te promoten.
  • 21. 3.1.2 Algemeen heersende beleidsvisieBinnen welke algemene beleidsvisie op activering kaderen bovenbesproken doelenvan sociale activering? De resultaten in tabel 3.3 (naar gewest) en tabel 3.4 (naargrootte van de gemeente) illustreren dat er verschillende normatieve uitgangspun-ten aan de basis van sociale activering kunnen liggen. Ten eerste heerst er binnen OCMW’s een emanciperende kijk op activering. Zodoet 96,4%7 van de OCMW’s aan sociale activering vanuit de idee dat OCMW’sde (arbeids)integratie van de cliënt horen te bevorderen. OCMW’s vullen hun taakop vlak van arbeidsintegratie dus ruim in. Verder kadert sociale activering in95,9%8 van de OCMW’s binnen de visie dat een OCMW aan elke cliënt de moge-lijkheden moet geven om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijkewaardigheid (cf. OCMW-wet). 91,5%9 van de OCMW’s doet aan sociale activeringvanuit de visie dat alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis,vaardigheden en attitudes te ontwikkelen en in 88,8% van de OCMW’s is socialeactivering (eerder) gebaseerd op de visie dat het OCMW de taak heeft om integra-tie te bevorderen vanuit de realisering van de sociale grondrechten. Verder stellenwe vast dat sociale activering vaak benaderd wordt vanuit een ‘empowerment’-visie,10 zij het dat dit in Wallonië opvallend minder het geval is dan in Vlaanderenen Brussel: 53,1% van de OCMW’s in Wallonië stemt (eerder) in met de stelling hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderdat het OCMW activering moet bevorderen vanuit een ‘empowerment’ perspec-tief, terwijl dit in Brussel geldt voor alle OCMW’s en in Vlaanderen voor 91,1%van de OCMW’s. OCMW’s doen bovendien aan sociale activering omdat ze het als hun taakbeschouwen om het sociaal weefsel in de gemeente of stad te versterken. InVlaanderen heerst deze visie op grotere schaal dan in Brussel en Wallonië: inVlaanderen schaart 94,9% van de OCMW’s zich (eerder) achter deze visie, terwijldit in Brussel en Wallonië in 75,0% resp. 65,4% van de OCMW’s het geval is. Ook van een disciplinerende kijk op activering zijn er elementen te herkennen inde beleidsvisie van OCMW’s. Zo blijkt 86,6% van de OCMW’s het (eerder) eenste zijn met de stelling dat cliënten die de capaciteiten hebben om te werken nietalleen het recht, maar ook de plicht hebben om mee te werken aan hun(arbeids)integratie. Opmerkelijk is dat OCMW’s in Wallonië deze visie minderondersteunen dan OCMW’s in Brussel en Vlaanderen: 75,3% van de Waalse 237 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat het OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te bevorderen.8 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat het OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.9 Percentage berekend op basis van het aandeel OCMW’s dat het eens/eerder eens is met de stelling dat alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardigheden en attitudes te ontwikkelen.10 ‘Empowerment’ werd in de webenquête gedefinieerd als ‘een proces van versterking waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving, en dit via het ver- werven van controle, het aanscherpen van kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie’.
  • 22. OCMW’s tegenover 100,0% van de Brusselse OCMW’s en 92,6% van de Vlaamse OCMW’s is het (eerder) eens met bovengenoemde stelling. Bovendien krijgt soci- ale activering in de visie van 49,1% van de OCMW’s een verplichtend karakter aangemeten, in die zin dat deze OCMW’s het (eerder) eens zijn met de stelling dat het OCMW cliënten moet kunnen verplichten iets terug te doen voor hun uitke- ring. Er lijkt echter een spanningsveld te zijn in de visie van de OCMW’s wat betreft de relatie tussen sociale activering en de conditionaliteit van het leefloon: 22,3% van de OCMW’s is het (eerder) oneens met bovengenoemde stelling. Bovendien stemt op gewestelijk niveau slechts een kwart van de Brusselse OCMW’s (eerder) in met deze stelling, terwijl dit in Vlaanderen 48,9% van de OCMW’s en in Wallonië 52,9% van de OCMW’s betreft. In (zeer) kleine gemeenten lijkt men zich overigens vaker (eerder) achter deze visie te scharen dan in grotere gemeenten. Dit spanningsveld vertaalt zich ook naar de praktijk. In de webenquête stelden we OCMW’s de vraag of de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden een cri- terium is dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden (zie tabel 3.5 (naar gewest) en tabel 3.6 (naar grootte van de gemeente)). In 42,2% van de OCMW’s luidt het antwoord op deze vraag ‘ja’. In 18,5% van de Waalse OCMW’s, 37,5% van de Brusselse OCMW’s en maar liefst 57,5% van de Vlaamsehoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader OCMW’s is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een crite- rium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering te behouden. Het al dan niet ondersteunen van de visie dat het OCMW cliënten moet kunnen verplichten om iets terug te doen voor hun uitkering correspondeert niet noodzakelijk met de praktijk.24
  • 23. Tabel 3.3 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar gewest)Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eenscliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht Algemeen (N=224) 2,7 2,7 8,0 38,8 47,8 hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 50,0 50,0 (arbeids)integratie. Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 2,2 5,2 35,6 57,0 Wallonië (N=81) 7,4 3,7 13,6 43,2 32,1ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te Algemeen (N=224) 3,1 19,2 28,6 34,4 14,7 doen voor hun uitkering. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 12,5 62,5 25,0 0,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 1,5 20,7 28,9 32,6 16,3 Wallonië (N=81) 6,2 17,3 24,7 38,3 14,6ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de Algemeen (N=224) 0,9 2,2 8,0 47,3 41,5 realisering van sociale grondrechten. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 37,5 62,5 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 1,5 9,6 48,2 40,7 Wallonië (N=81) 2,5 3,7 6,2 46,9 40,7ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te Algemeen (N=224) 1,3 5,8 21,4 46,4 25,0 versterken. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 25,0 50,0 25,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 3,7 21,5 48,2 46,7 Wallonië (N=81) 3,7 9,9 21,0 43,2 22,2ons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te Algemeen (N=224) 1,3 0,9 1,3 44,6 51,8 bevorderen. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 50,0 50,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 0,7 45,2 54,1 Wallonië (N=81) 3,7 2,5 2,5 43,2 48,2 25 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  • 24. 26 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.3 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar gewest). VervolgBinnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eensons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een Algemeen (N=224) 1,3 3,1 17,9 40,6 37,0 ‘empowerment’ visie. (Empowerment is een proces van versterking waarbij Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 75,0 25,0 individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en Gewest (N=8) hun omgeving, en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch Vlaanderen (N=135) 0,7 0,0 8,2 42,2 48,9 bewustzijn en het stimuleren van participatie.) Wallonië (N=81) 2,5 8,6 35,8 34,6 18,5alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- Algemeen (N=224) 0,9 1,3 6,3 40,6 50,9 heden en attitudes te ontwikkelen. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 25,0 75,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 6,7 41,5 51,9 Wallonië (N=81) 2,5 3,7 6,2 40,7 46,9ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een Algemeen (N=224) 1,8 0,5 1,8 13,8 82,1 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Brussels Hoofdstedelijk 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0 Gewest (N=8) Vlaanderen (N=135) 0,0 0,0 2,2 14,8 83,0 Wallonië (N=81) 4,9 1,2 1,2 13,6 79,0
  • 25. Tabel 3.4 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar grootte van de gemeente)Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eenscliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht Algemeen (N=224) 2,7 2,7 8,0 38,8 47,8 hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun (arbeids)- Zeer klein (N=68) 1,5 5,9 11,8 51,5 29,4 integratie. Klein (N=85) 3,5 0,0 7,1 32,9 56,5 Middelgroot (N=47) 2,1 2,1 6,4 31,9 57,5 Groot (N=19) 5,3 5,3 5,3 36,8 47,4 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 40,0 60,0ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te Algemeen (N=224) 3,1 19,2 28,6 34,4 14,7 doen voor hun uitkering. Zeer klein (N=68) 1,5 19,1 17,7 45,6 16,2 Klein (N=85) 3,5 18,8 28,2 35,3 14,1 Middelgroot (N=47) 6,4 17,0 40,4 17,0 19,2 Groot (N=19) 0,0 26,3 36,8 31,6 5,3 Zeer groot (N=5) 0,0 20,0 40,0 40,0 0,0ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de Algemeen (N=224) 0,9 2,2 8,0 47,3 41,5 realisering van sociale grondrechten. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 13,2 54,4 27,9 Klein (N=85) 1,2 1,2 9,4 42,3 45,9 Middelgroot (N=47) 0,0 2,1 2,1 42,6 53,2 Groot (N=19) 0,0 5,3 0,0 63,2 31,6 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 20,0 80,0ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te Algemeen (N=224) 1,3 5,8 21,4 46,4 25,0 versterken. Zeer klein (N=68) 2,9 1,5 23,5 45,6 26,5 Klein (N=85) 0,0 8,2 20,0 44,7 27,1 Middelgroot (N=47) 0,0 6,4 21,3 46,8 25,5 Groot (N=19) 0,0 10,5 26,3 57,9 5,3 Zeer groot (N=5) 20,0 0,0 0,0 40,0 40,0 27 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader
  • 26. 28 hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kaderTabel 3.4 Algemeen heersende beleidsvisie op activering waarbinnen de doelen van sociale activering kaderen (naar grootte van de gemeente). VervolgBinnen ons OCMW vinden wij dat, ... Helemaal Eerder Niet eens/ Eerder Helemaal oneens oneens niet oneens eens eensons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te Algemeen (N=224) 1,3 0,9 1,3 44,6 51,8 bevorderen. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 2,9 51,5 41,2 Klein (N=85) 2,4 0,0 1,2 44,7 51,8 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 0,0 46,8 53,2 Groot (N=19) 0,0 0,0 0,0 26,3 73,7 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0ons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een Algemeen (N=224) 1,3 3,1 17,9 40,6 37,0 ‘empowerment’ visie. (Empowerment is een proces van versterking waarbij Zeer klein (N=68) 1,5 5,9 29,4 38,2 25,0 individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en Klein (N=85) 1,2 2,4 17,7 41,2 37,7 hun omgeving, en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch Middelgroot (N=47) 2,1 2,1 8,5 38,3 48,9 bewustzijn en het stimuleren van participatie.) Groot (N=19) 0,0 0,0 5,3 42,1 52,6 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 80,0 20,0alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- Algemeen (N=224) 0,9 1,3 6,3 40,6 50,9 heden en attitudes te ontwikkelen. Zeer klein (N=68) 1,5 2,9 7,4 52,9 35,3 Klein (N=85) 1,2 1,2 5,9 35,3 56,5 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 4,3 38,3 57,5 Groot (N=19) 0,0 0,0 10,5 31,6 57,9 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 20,0 80,0ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een Algemeen (N=224) 1,8 0,5 1,8 13,8 82,1 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Zeer klein (N=68) 2,9 1,5 1,5 20,6 73,5 Klein (N=85) 2,4 0,0 3,5 9,4 84,7 Middelgroot (N=47) 0,0 0,0 0,0 19,2 80,8 Groot (N=19) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0 Zeer groot (N=5) 0,0 0,0 0,0 0,0 100,0
  • 27. Tabel 3.5 Link tussen sociale activering en de voorwaardelijkheid van het leefloon (naar gewest). Antwoord op de vraag ‘Is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een criterium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden?’, in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8)Neen 57,6 62,5 43,0 81,5Ja 42,4 37,5 57,0 18,5Tabel 3.6 Link tussen sociale activering en de voorwaardelijkheid van het leefloon (naar grootte van de gemeente). Antwoord op de vraag ‘Is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een criterium dat kan meespelen om de OCMW-uitkering al dan niet te behouden?’, in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5)Neen 57,6 70,6 50,6 57,5 42,1 60,0Ja 42,4 29,4 49,4 32,5 57,9 40,0Om na te gaan of er onderliggende dimensies of factoren zijn aan de achtbevraagde stellingen met betrekking tot de beleidsvisie op activering, voerden we hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kadereen exploratorische factoranalyse met varimax-rotatie uit, waarbij de acht itemsgereduceerd werden tot twee onderliggende dimensies of factoren.11 De resultatenhiervan zijn terug te vinden in tabel 3.7. De eerste twee items uit tabel 3.3 haaldenhun hoogste lading op een factor die in navolging van Mau (2003, 2004) geïnter-preteerd werd als ‘verplichtende wederkerigheid’. Een beleidvisie gebaseerd opverplichtende wederkerigheid houdt een sterke koppeling tussen rechten enplichten in. In de context van sociale activering wordt tegenover het recht op soci-ale activering de plicht tot bereidheid om deel te nemen aan sociale activeringgeplaatst. Meer extreem houdt dit wederkerigheidsprincipe in dat de uitkering aanbijstandsgerechtigden conditioneel is en dat men er streng op zal toezien dat devoorwaarden gehandhaafd worden (van der Veen, Achterberg & Raven, 2009). Deoverige items uit tabel 3.3 haalden hun hoogste lading op een tweede factor diegeïnterpreteerd werd als ‘universele wederkerigheid’ (Mau, 2003; 2004). Een visiegebaseerd op dit wederkerigheidsprincipe gaat niet zozeer uit van een koppeling 29tussen rechten en plichten, maar is ruimhartig en stelt weinig voorwaarden. Acti-veringsmaatregelen gaan in dit geval uit van een hoge mate van solidariteit en col-lectieve verantwoordelijkheid en zijn erop gericht de integratie van begunstigdente ondersteunen. We stellen dus vast dat de algemeen heersende beleidsvisie met betrekking totsociale activering gebaseerd is op twee dimensies, bestaande uit een ‘strak’ begrip11 De beslissing om twee factoren te weerhouden gebeurde op basis van de ‘screentest’, de eigenwaarden- groter-dan-één-regel en de interpreteerbaarheid van de factoren.
  • 28. van wederkerigheid (‘voor wat hoor wat’) en een ‘breed’ begrip van wederkerig- heid. Deze bevinding illustreert de bipolariteit eigen aan het concept sociale acti- vering. Tabel 3.7 Factorladingen na varimax-rotatie van de acht items betreffende de algemeen heersende beleidsvisie (waarin de doelen van sociale activering passen) op de twee weerhouden factoren Item Binnen ons OCMW vinden wij dat, ... Factor 1 Factor 2 1 cliënten die de capaciteiten hebben om te werken niet alleen het recht .26 .85 * hebben, maar ook de plicht om mee te werken aan hun (arbeids)- integratie. 2 ons OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te .04 .52 * doen voor hun uitkering. 3 ons OCMW de taak heeft om integratie te bevorderen vanuit de .72 * .18 realisering van sociale grondrechten. 4 ons OCMW de taak heeft het sociaal weefsel in de gemeente of stad te .62 * -.00 versterken. 5 ons OCMW de taak heeft de arbeidsintegratie van de cliënten te .68 * .39 bevorderen. 6 ons OCMW de taak heeft activering te bevorderen vanuit een .66 * .05 ‘empowerment’ visie. 7 alle cliënten maximaal de kans moeten krijgen om hun kennis, vaardig- .71 * .25 heden en attitudes te ontwikkelen.hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader 8 ons OCMW de taak heeft elke cliënt de mogelijkheden te geven een .66 * .30 leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. % verklaarde variantie 47,6 16,0 Cronbach α 0,85 0,65 * Lading groter dan |.40|. 3.2 Regelgevend kader De opdracht van OCMW’s om begunstigden sociaal te activeren is niet duidelijk geëxpliciteerd in de wetgeving. Vandaar werd er gepeild naar het regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en uitvoer van sociale activering. De resultaten worden weergegeven in tabel 3.8 (naar gewest) en tabel 3.9 (naar grootte van de gemeente). De voornaamste regelgevende kaders voor sociale activering zijn de wet betref- fende het recht op maatschappelijke integratie (‘RMI-wet’) en de Organieke wet30 van 8 juli 1976 (‘OCMW-wet’): in resp. 78,1% en 72,7% van de OCMW’s vormen deze wetten de voornaamste basis voor de opzet van sociale activering. De beleidsbeslissing van het OCMW zelf geldt in 54,5% van de OCMW’s als regelge- vend kader voor de opzet en uitvoer van sociale activering. Koninklijke Besluiten (vnl. betreffende socio-culturele participatie), decreten (vnl. betreffende maat- schappelijke participatie), rondzendbrieven (vnl. betreffende socio-culturele parti- cipatie) en conventies (vnl. betreffende art. 27) spelen eveneens een rol bij de opzet en uitvoer van sociale activering, maar slechts in beperkte mate.
  • 29. Tabel 3.8 Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en organisatie van sociale activering (naar gewest), in %Regelgevend kader Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=224) Hoofdstedelijk (N=135) (N=81) Gewest (N=8)RMI-wet 26 mei 2002 (‘de 78,1 100,0 78,5 75,3 leefloonwet’)Organieke wet 8 juli 1976, 72,7 100,0 68,9 76,4 (‘de OCMW-wet)Andere wetten 2,7 0,0 3,0 2,5De beleidsbeslissing van 54,5 62,5 45,9 67,9 het OCMW zelfKoninklijke besluiten 21,9 25,0 22,2 21,0- Betreffende socio- 18,8 12,5 21,5 17,3 culturele participatie (08/04/2003; 10/09/2009; 12/04/2011)- Betreffende het recht op 2,2 0,0 0,0 3,7 maatschappelijke inte- gratie (11/07/2002)- Inzake asielzoekers 0,4 0,0 0,7 0,0- Betreffende beurzen 0,4 12,5 0,0 0,0Decreten 10,7 0,0 6,7 18,5- Betreffende maatschap- 6,3 0,0 0,0 17,3 pelijke integratie hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader- Andere 4,9 0,0 6,7 2,5Rondzendbrieven 7,1 25,0 5,9 7,4- Betreffende socio-cultu- 5,4 12,5 4,4 6,2 rele participatie- Andere 1,8 12,5 1,5 1,2Conventies 7,1 37,5 0,7 14,8- Artikel 27 4,5- Andere 2,7Andere 12,5 12,5 15,6 7,4 * Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende (sub)categorieën zijn ondergebracht. 31
  • 30. Tabel 3.9 Regelgevend kader waarop OCMW’s zich voornamelijk baseren voor de opzet en organisatie van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Regelgevend kader Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) groot (N=19) (N=5) (N=47) RMI-wet 26 mei 2002 78,1 73,5 80,0 76,6 84,2 100,0 (‘de leefloonwet’) Organieke wet 72,7 72,1 75,3 68,1 73,7 80,0 8 juli 1976, (‘de OCMW-wet) Andere wetten 2,7 2,9 3,5 2,1 0,0 0,0 De beleidsbeslissing 54,5 60,3 45,9 51,1 68,4 100,0 van het OCMW zelf Koninklijke besluiten 21,9 13,2 21,2 34,0 31,6 0,0 - Betreffende socio- 18,8 8,8 20,0 31,9 31,6 0,0 culturele partici- patie (08/04/2003; 10/09/2009; 12/04/2011) - Betreffende het 2,2 2,9 1,2 0,0 0,0 0,0 recht op maat- schappelijke integratie (11/07/2002)hoofdstuk 3 | Visie en rol van het regelgevend kader - Inzake asielzoekers 0,4 0,0 0,0 2,1 0,0 0,0 - Betreffende 0,4 beurzen Decreten 10,7 1,5 12,9 12,8 21,1 40,0 - Betreffende maat- 6,3 1,5 4,7 8,5 21,1 20,0 schappelijke integratie - Andere 4,9 0,0 9,4 4,3 0,0 20,0 Rondzendbrieven 7,1 7,4 7,1 8,5 0,0 20,0 - Betreffende socio- 5,4 5,9 5,9 4,3 0,0 20,0 culturele partici- patie - Andere 1,8 1,5 1,2 4,3 0,0 0,0 Conventies 7,1 7,4 5,9 4,3 21,1 0,0 - Artikel 27 4,5 7,4 3,5 0,0 10,5 0,0 - Andere 2,7 0,0 2,4 4,3 10,5 0,0 Andere 12,5 8,8 9,4 19,2 21,1 20,0 * Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende (sub)categorieën zijn ondergebracht.32
  • 31. 4 | Aanbod en doelgroepen van socialeactiveringIn dit hoofdstuk gaan we na welke activiteiten tot het aanbod inzake sociale acti-vering behoren en welke doelgroep voor dit aanbod in aanmerking komt. Daar- hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activeringnaast schetsen we een beeld van de omvang van het publiek dat door OCMW’sbereikt wordt met sociale activering.4.1 Type activiteitenWe stelden de OCMW’s de vraag welk type activiteiten zij, al dan niet in samen-werking met anderen, inzetten voor sociale activering. De resultaten wordenweergegeven in tabel 4.1 (naar gewest) en tabel 4.2 (naar grootte van degemeente). Sociale activering wordt ingevuld door een brede waaier van activiteiten, diezowel van recreatieve als van vormende aard kunnen zijn. In dit veelzijdige aanbod hebben socio-culturele en recreatieve activiteiten debovenhand: een grote meerderheid van 79,5% van de OCMW’s zet dergelijkeactiviteiten in voor sociale activering. Daarnaast doet 52,1% van de OCMW’s aansociale activering via vrijetijdstoelagen.12 In Wallonië geldt dit evenwel in minderemate dan in Brussel en Vlaanderen: 32,6% van de Waalse OCMW’s werken met 33vrijetijdstoelagen, tegenover 62,9% van de Vlaamse OCMW’s en 75,0% van deBrusselse OCMW’s. Ook vrijwilligerswerk wordt ingezet voor sociale activering endit vooral binnen de Vlaamse OCMW’s. Vorming of opleiding zonder dat het doelprofessionele inschakeling is en kennismaking met sport(clubs) of jeugdbewegin-12 Onder een vrijetijdstoelage kunnen verschillende tegemoetkomingen vallen, onder andere toelagen voor deelname aan sportieve en culturele activiteiten of speelpleinen, een vrijetijdspas waarmee men bijvoor- beeld gratis lidmaatschap bij de bibliotheek krijgt en/of korting op inschrijvingsgelden bij allerlei verenigin- gen (muziek- en kunstacademie, sport, ...), een ‘cheque artikel 27’ die toegang verschaft tot musea, toneel of concerten, etc.
  • 32. gen krijgen eveneens een plaats binnen het sociale activeringsaanbod. In Brussel is dit aanzienlijk vaker het geval dan in Vlaanderen, waar het op zijn beurt vaker plaatsvindt dan in Wallonië. Tewerkstelling en trajectbegeleiding spelen slechts een zeer beperkte rol in het aanbod inzake sociale activering. Wanneer een OCMW dergelijke activiteiten inzet voor sociale activering, is dit vooral in Vlaanderen. Voor bijna alle activiteiten geldt dat ze vaker ondernomen worden naargelang de grootte van de gemeente toeneemt (zie tabel 4.2). Omgekeerd stellen we vast dat het aandeel OCMW’s dat geen enkele activiteit onderneemt op vlak van sociale activering afneemt naarmate de grootte van de gemeente stijgt. De grootte van de gemeente blijkt dus een rol te spelen in het aanbod dat OCMW’s (kunnen) doen inzake sociale activering. In lijn hiermee blijkt uit nadere analyse van de data dat 50,0% van de OCMW’s die geen enkele activiteit organiseren op vlak van sociale activering aangeeft dat de kleinschaligheid van het OCMW hen verhindert actie te ondernemen op dit domein (zie tabel b4.18 in bijlage).hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering Tabel 4.1 Type activiteiten ingezet voor sociale activering (al dan niet in samenwerking met anderen) (naar gewest), in % Type activiteiten Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=234) Hoofdstedelijk (N=140) (N=86) Gewest (N=8) Socio-culturele en recreatieve 79,5 100,0 76,4 82,6 activiteiten Vrijetijdstoelages (zie voet- 52,1 75,0 62,9 32,6 noot 12) Vrijwilligerswerk 45,7 12,5 62,9 20,9 Vorming of opleidingen zonder 43,6 62,5 47,1 36,1 dat het doel professionele inschakeling is Kennismaking met sport- 42,7 75,0 48,6 30,2 (clubs)/jeugdbeweging Workshops 35,0 62,5 17,1 61,6 Praatgroepen om uit sociaal 25,6 37,5 18,6 36,1 isolement te raken Cliënt participatiegroepen 17,5 25,0 17,9 16,3 Wijkgerichte groepswerking 9,8 25,0 10,0 8,1 Tewerkstelling (i.k.v. art. 60, 7,3 0,0 11,4 1,2 sociale tewerkstelling, stage,34 arbeidszorg) Trajectbegeleiding 2,1 0,0 3,6 0,0 Andere* 13,3 37,5 11,4 13,9 Geen enkele activiteit 4,3 0,0 3,6 5,8 * De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan activiteiten , zoals activiteiten met betrekking tot de oriëntatie naar dagcentra, individuele begeleiding, vooropleidingen, een openbare computerruimte, huisvesting, teambuilding, een sociale cafetaria, etc.
  • 33. Tabel 4.2 Type activiteiten ingezet voor sociale activering (al dan niet in samenwerking met anderen) (naar grootte van de gemeente), in %Type activiteiten Algemeen Zeer Klein Middel- Groot Zeer (N=234) klein (N=88) groot (N=19) groot (N=74) (N=48) (N=5)Socio-culturele en recrea- 79,5 68,9 77,3 91,7 100,0 80,0 tieve activiteitenVrijetijdstoelages (zie voet- 52,1 41,9 50,0 66,7 68,4 40,0 noot 12)Vrijwilligerswerk 45,7 31,1 48,9 56,3 57,9 60,0Vorming of opleidingen 43,6 31,1 45,5 47,9 68,4 60,0 zonder dat het doel pro- fessionele inschakeling isKennismaking met sport- 42,7 27,0 47,7 50,0 63,2 40,0 (clubs)/jeugdbewegingWorkshops 35,0 27,0 33,0 39,6 52,6 80,0Praatgroepen om uit sociaal 25,6 9,5 10,7 33,3 47,4 60,0 isolement te rakenCliënt participatiegroepen 17,5 16,2 12,5 20,8 36,8 20,0Wijkgerichte groepswerking 9,8 2,7 6,8 10,4 36,8 60,0Tewerkstelling (i.k.v. art. 60, 7,3 1,4 5,7 14,6 10,5 40,0 sociale tewerkstelling, stage, arbeidszorg) hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activeringTrajectbegeleiding 2,1 0,0 4,6 0,0 5,3 0,0Andere* 13,3 9,5 8,0 18,8 31,6 40,0Geen enkele activiteit 4,3 8,1 3,4 2,1 0,0 0,0 * De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan activiteiten , zoals activiteiten met betrekking tot de oriëntatie naar dagcentra, individuele begeleiding, vooropleidingen, een openbare computerruimte, huisvesting, teambuilding, een sociale cafetaria, etc.4.2 Identificatie van de doelgroep en bereikte deelnemersEen ander aspect dat bevraagd werd, betreft de doelgroep van sociale activering.We stelden de OCMW’s de volgende vraag: wie komt er in de praktijk in aanmer-king voor sociale activering? De resultaten worden weergegeven in tabel 4.3 (naargewest) en tabel 4.4 (naar grootte van de gemeente). Vooreerst stellen we vast dat in 56,0% van de OCMW’s ‘iedereen’13 in aanmer-king komt voor sociale activering. In Brussel geldt dit zelfs voor drie kwart van deOCMW’s. Het aandeel OCMW’s waarbinnen iedereen in aanmerking komt voorsociale activering ligt vooral in zeer kleine en grote gemeenten hoog (zie tabel 4.4). 35 Daarnaast formuleert 44,4% van de OCMW’s hun doelpubliek in termen vaneen aantal eigen, deels overlappende categorieën, zoals ‘het cliënteel van hetOCMW in het algemeen’, ‘leeflooncliënten en cliënten in schuldbemidde-ling/budgetbeheer/met een laag inkomen’, ‘het cliënteel van de sociale dienst’,‘kansarmen’, ‘mensen met een laag inkomen’, ‘leeflooncliënten’, etc. Opvallend isdat deze categorieën vrijwel altijd breed geformuleerd zijn en zich niet noodzake-13 In de webenquête werd dit begrip niet verder geconcretiseerd. ‘Iedereen’ verwijst naar alle (potentiële) cliënten van een OCMW.
  • 34. lijk beperken tot OCMW-cliënteel. Slechts 3,1% van de OCMW’s richt zich enkel tot leeflooncliënten. Tabel 4.3 Doelgroepen die in de praktijk in aanmerking komen voor sociale activering (naar gewest), in % Doelgroep Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=225) Hoofdstedelijk (N=136) (N=81) Gewest (N=8) Iedereen 56,0 75,0 52,2 60,5 Welomschreven categorieën: 44,0 25,0 47,8 39,5 - cliënteel OCMW algemeen 12,9 0,0 15,4 9,9 - leeflooncliënten & cliënten 8,0 12,5 10,3 3,7 schuldbemiddeling/budget- beheer/laag inkomen - cliënteel sociale dienst OCMW 6,7 12,5 5,9 7,4 - kansarmen 6,7 0,0 6,6 7,4 - laag inkomen 3,1 0,0 5,2 0,0 - leefloners 3,1 0,0 2,9 3,7 - andere* 3,6 0,0 1,5 7,4 * De categorie ‘andere’ omvat een grote variëteit aan doelgroepen, onder andere oudershoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering met kleine kinderen. Tabel 4.4 Doelgroepen die in de praktijk in aanmerking komen voor sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Doelgroep Algemeen Zeer Klein Middel- Groot Zeer (N=225) klein (N=86) groot (N=19) groot (N=68) (N=47) (N=5) Iedereen 56,0 64,7 46,5 53,2 80,0 40,0 Welomschreven catego- 44,0 35,3 53,5 46,8 20,0 60,0 rieën: - cliënteel OCMW alge- 12,9 10,3 12,8 19,2 10,5 0,0 meen - leeflooncliënten & cli- 8,0 4,4 10,5 10,6 0,0 20,0 ënten schuldbemidde- ling/budgetbeheer/ laag inkomen - cliënteel sociale dienst 6,7 7,4 9,3 0,0 5,3 20,0 OCMW - kansarmen 6,7 4,4 7,0 10,6 0,0 20,0 - laag inkomen 3,1 2,9 5,8 0,0 0,0 0,036 - leefloners 3,1 2,9 3,5 4,3 0,0 0,0 - andere* 3,6 2,9 4,7 2,1 5,3 0,0 * De categorie ‘andere’ omvat een grote variëteit aan doelgroepen, onder andere ouders met kleine kinderen. Vervolgens is de vraag hoe groot de doelgroep is, en of het aanbod hiertoe vol- staat. Een eerste indicator daarvoor is subjectief, uitgaande van de omvang van het bestaande aanbod. We stelden in de enquête de vraag: ‘Volstaat het huidige aan- bod inzake sociale activering om de potentiële doelgroep te bereiken?’ De resul- taten in tabel 4.5 tonen aan dat het huidige aanbod in ongeveer evenveel OCMW’s
  • 35. (eerder) volstaat, als (eerder) niet volstaat (resp. 38,4% en 36,1% van deOCMW’s). Opmerkelijk is dat slechts 6,3% van de OCMW’s het aanbod vol-doende vindt. In Brussel vindt men het aanbod in de helft van de gevallen eerder voldoende,terwijl dit in Wallonië en Vlaanderen slechts in ongeveer een derde van deOCMW’s het geval is. Bovendien scoren OCMW’s in Vlaanderen het aanbodvaker (eerder) onvoldoende dan OCMW’s in Brussel en Wallonië: in 43,0% van deVlaamse OCMW’s, tegenover 37,5% van de Brusselse OCMW’s en 24,7% van deWaalse OCMW’s volstaat het aanbod (eerder) niet om de potentiële doelgroep tebereiken. In (zeer) grote gemeenten is het aandeel ‘onvoldoende’ verhoudingsgewijs groterdan bij de kleinere gemeenten (zie tabel 4.6). Tegelijkertijd blijkt het aanbod ingrote gemeenten het vaakst (eerder) te volstaan: 52,6% van de OCMW’s in grotegemeenten vindt het aanbod (eerder) voldoende.Tabel 4.5 Mate waarin het huidige aanbod van OCMW’s inzake sociale activering hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering volstaat om de potentiële doelgroep te bereiken (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8)Onvoldoende 8,9 12,5 8,9 8,6Eerder onvoldoende 27,2 25,0 34,1 16,1Niet voldoende, niet 25,5 12,5 19,3 37,0onvoldoendeEerder voldoende 32,1 50,0 30,4 33,3Voldoende 6,3 0,0 7,4 4,9Tabel 4.6 Mate waarin het huidige aanbod van OCMW’s inzake sociale activering volstaat om de potentiële doelgroep te bereiken (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) groot (N=19) (N=5) (N=47)Onvoldoende 8,9 5,9 10,6 6,4 15,8 20,0Eerder onvoldoende 27,2 26,5 28,2 29,8 21,1 20,0 37Niet voldoende, niet 25,5 30,9 24,7 25,5 10,5 20,0onvoldoendeEerder voldoende 32,1 30,9 31,8 29,8 42,1 40,0Voldoende 6,3 5,9 4,8 8,5 10,5 0,0Een tweede indicator is gebaseerd op de subjectieve inschatting van het aantalbereikte deelnemers. Om een idee te krijgen van de omvang van de doelgroep ende geleverde inspanningen inzake sociale activering werd er gepeild naar het aantal
  • 36. personen dat in 2010 door ieder OCMW bereikt werd met sociale activering.14 Op deze vraag werd slechts een gedeeltelijke respons verkregen: amper 50,4% van de OCMW’s wist een schatting te geven van het aantal personen dat in 2010 bereikt werd met sociale activering. Er is binnen vele OCMW’s dus een gebrek aan een effectieve registratie van deze kernindicator betreffende de inspanningen van een OCMW inzake sociale activering. Enkel in de zeer grote gemeenten lijkt dit geen lacune te vormen (zie tabel b4.3 in bijlage). Exploratie van de verkregen antwoorden brengt een sterke spreiding aan het licht wat betreft het aantal personen dat in 2010 bereikt werd met sociale active- ring15 (zie tabel b4.2, tabel b4.4 en tabel b4.5 in bijlage). Gemiddeld bereiken de OCMW’s die deze vraag beantwoordden op jaarbasis 228 personen via sociale activering, terwijl dit voor een tewerkstelling via art. 60 (het belangrijkste activeringsinstrument) 71 personen bedraagt. Ongeveer de helft van de OCMW’s (49,6%) bereikte maximum 30 personen, 37,1% van de OCMW’s bereikte 31 tot 200 personen en een kleine minderheid (13,4%) van de OCMW’s overschreed de drempel van 200 bereikte personen. Doorgaans bereiken OCMW’s meer personen met sociale activering naarmate de grootte van de gemeente toeneemt (tabel b4.5hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering in bijlage). Dat grotere OCMW’s meer sociaal geactiveerden tellen dan kleinere, ligt voor de hand, gezien het grotere aantal leefloners en andere OCMW-cliënten; deels kan dit ook worden verklaard door een verschil in de aard van activiteiten die zij opzetten (grotere OCMW’s organiseren meer grootschalige activiteiten) of door een verschil in capaciteit en middelen. Toch is het opvallend dat sociale activering minder dan art. 60-tewerkstelling een zaak is van de grotere gemeenten, zeker voor Wallonië (vergelijk de correlaties voor (1) en (2) in onderstaande tabel).38 14 Voor een overzicht van het (gemiddeld) aantal personen dat in 2010 door een OCMW bereikt werd met sociale activering, zie tabel b4.2 in bijlage. 15 Het is niet uitgesloten dat sommige OCMW’s op de vraag naar het bereik ruim hebben geantwoord. Uit telefonisch contact met enkele OCMW’s blijkt immers dat de cijfers niet noodzakelijk het aantal unieke personen weergeven dat bereikt werd met sociale activering. Bijvoorbeeld wanneer één persoon aan meerdere activiteiten deelnam, is hij mogelijk ook meermaals meegeteld.
  • 37. Tabel 4.7 Pearson correlatie tussen (1) de grootte van de gemeente (inwonersaantal) en het aantal personen bereikt met sociale activering en (2) de grootte van de gemeente (inwonersaantal) en het aantal (equivalent) leeflooncliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië stedelijk Gewest(1) 0,46 - 0,61 0,41 (N=110, p<0,0001, (N=1) (N=64, p<0,0001) (N=45, p=0,0053) excl 3 outliers)(2) 0,89 - 0,96 0,98 (N=112, p<0,0001, (N=2) (N=65, p<0,0001) (N=45, p<0,0001) excl 1 outlier) Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via de POD MI en de web- enquêteNiet alleen schaalgrootte, maar ook regio laat duidelijke verschillen zien naaraantal bereikte deelnemers met sociale activering. Op basis van de bivariate relatietussen het aantal bereikte deelnemers met sociale activering en regio, scoortVlaanderen merkbaar hoger dan Wallonië. Het Brussels gewest laten we buitenbeschouwing omdat het te weinig OCMW’s betreft. De vraag is of deze hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activeringverschillen in coëfficiënten voor sociaal geactiveerden en artikel 60’ers en voor deregio’s overeind blijven na controle van andere kenmerken. Het lagere bereik inWallonië kan immers verklaard worden door de andere morfologie (groter aandeelzeer kleine gemeenten), een andere samenstelling van de populatie OCMW-cliënten (bv. meer of minder jongeren of vreemdelingen) en een andere algemenevisie op activering. Hiervoor is multivariate toetsing nodig.4.3 Verband tussen sociale activering en arbeidsactiveringBoven kwamen we reeds tot de bevinding dat in de waaier van activiteiten slechtsbeperkt werd verwezen naar alternatieve tewerkstelling of arbeidszorg, en dan nogvooral in Vlaanderen. In Brussel en Wallonië is er helemaal geen overlapping inhet aanbod voor sociale activering en arbeidsactivering. Hierop voortbouwend rijst de vraag of er een verband is tussen het aantal per-sonen bereikt met sociale activering en de mate waarin een OCMW actief is opvlak van arbeidsmarktactivering. Als indicator voor dit laatste brachten we het 39aantal personen tewerkgesteld in art. 60 §7 in rekening. Omdat het verband tussende absolute aantallen van artikel 60’ers en personen bereikt met sociale activeringkan worden toegeschreven aan het aantal (equivalent) leeflooncliënten perOCMW en/of het aantal inwoners per gemeente, berekenden we de ratio vanartikel 60’ers en sociaal geactiveerden op dubbele wijze (zie tabel 4.8): (1) hetaantal art. 60’ers en het aantal sociaal geactiveerden in verhouding tot het aantal(equivalent) leeflooncliënten per OCMW; (2) het aantal art. 60’ers en het aantalsociaal geactiveerden in verhouding tot het aantal inwoners per gemeente. De
  • 38. resultaten in tabel 4.8 suggereren dat er, ongecontroleerd voor mogelijke interveniërende variabelen, een zekere significante samenhang is tussen het aandeel (equivalent) leeflooncliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 en het aandeel (equivalent) leeflooncliënten bereikt met sociale activering (zie (1) in tabel 4.8). In Vlaanderen is deze samenhang significant, in Wallonië niet. Ook tussen het aandeel inwoners in de gemeente tewerkgesteld in art. 60 §7 en het aandeel inwoners in de gemeente bereikt met sociale activering is er een zekere significante samenhang (zie (2) in tabel 4.8). Deze is evenwel iets zwakker dan de samenhang tussen het aandeel (equivalent) leeflooncliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 en het aandeel (equivalent) leeflooncliënten bereikt met sociale activering. De vraag rijst in welke mate andere factoren zoals de algemene visie op activering, de kenmerken van de leeflonerspopulatie en de regio van invloed zijn op het verband tussen het aantal artikel 60’ers en het aantal sociaal geactiveerden per OCMW. Hiervoor is multivariate toetsing aangewezen. Tabel 4.8 Pearson correlatie (1) tussen de ratio (personen tewerkgesteld inhoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering art. 60 §7/(equivalent) leeflooncliënten) en de ratio (personen bereikt met sociale activering/(equivalent) leeflooncliënten); en (2) tussen de ratio (personen tewerkgesteld in art. 60 §7/inwoners per gemeente) en de ratio (personen bereikt met sociale activering/inwoners per gemeente) Brussels Algemeen Hoofdstedelijk Vlaanderen Wallonië Gewest 0,31 2 - 0,31 1 0,00 (1) (N=111, excl. (N=2) (N=65, p=0,0121) (N=44, p=0,9805) 2 outliers, p=0,0009) 0,20 1 - 0,16 0,21 (2) (N=111, excl. (N=1) (N=65, p=0,2059) (N=45, p=0,1604) 2 outliers, p=0,0374) 1 p<.05 2 p<.01 Bron Eigen berekeningen o.b.v. gegevens verkregen via de POD MI en de webenquête Vervolgens werd er gepeild naar hoeveel percent van de personen die in 2010 door een OCMW bereikt werden met sociale activering potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt.16 17 Dit verschaft ons inzicht in de40 overeenkomst en verschillen tussen de doelgroep voor arbeidsmarktactivering en die voor sociale activering. Tabel b4.6 (zie bijlage) toont aan dat sociale activering in 2010 hoofdzakelijk gericht was tot personen waarvoor een doorstroom naar de arbeidsmarkt (voorlo- pig) onmogelijk was. Gemiddeld kwam slechts 28,4% van de personen bereikt met 16 Dit cijfer is een inschatting van de respondent. 17 We wijzen erop dat we met betrekking tot deze vraag slechts een gedeeltelijke respons verkregen. 56,7% van de OCMW’s gaf aan deze vraag niet te kunnen beantwoorden (zie tabel b4.6 in bijlage).
  • 39. sociale activering potentieel in aanmerking voor activering naar de arbeidsmarkt.Er doen zich weliswaar opmerkelijke verschillen voor tussen de OCMW’s (zietabel 4.9 en 4.10). In 48,4% van de OCMW’s kwam maximum een vijfde van hetaantal bereikte personen met sociale activering potentieel in aanmerking vooractivering naar de arbeidsmarkt, terwijl dit in 36,1% van de OCMW’s 21,0% tot50% van de personen bereikt met sociale activering betreft. In 15,5% van deOCMW’s kwam zelfs meer dan de helft van de bereikte personen met socialeactivering potentieel in aanmerking voor activering naar de arbeidsmarkt.18 Uitverdere exploratie van de data blijkt dat deze OCMW’s op vlak van socialeactivering aanzienlijk vaker activiteiten organiseren in het kader van tewerkstellingdan de andere OCMW’s (zie tabel b4.8 in bijlage). Vooral in Wallonië wordt hetpotentieel voor arbeidsactivering onder de bereikte deelnemers in socialeactivering laag ingeschat: 71,5% van de OCMW’s blijft onder de 30%-drempel vandeelnemers die potentieel in aanmerking komen voor arbeidsactivering (tabel 4.9en 4.10).Het publiek dat sociaal geactiveerd wordt, verschilt dus (grotendeels) van het hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activeringpubliek dat geactiveerd wordt naar de arbeidsmarkt. Voor het merendeel van dedeelnemers vormt sociale activering een alternatief voor tewerkstelling; eenbeperkt aandeel kan, subjectief ingeschat, echter ook doorstromen naar dearbeidsmarkt. Waar deze laatste groep sterker vertegenwoordigd is, lijkenOCMW’s in het kader van sociale activering ook meer arbeidsgerichte activiteitenaan te bieden. 4118 In tabel b4.7 (zie bijlagen) wordt weergegeven om welke OCMW’s het hier gaat.
  • 40. Tabel 4.9 Percentage van de personen die in 2010 bereikt werden met sociale activering dat potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt (naar gewest), in % Percentage dat potenti- Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië eel in aanmerking kwam (N=97) Hoofdstedelijk (N=52) (N=42) voor activering naar de Gewest arbeidsmarkt (N=3) 0-5 22,7 0,0 21,2 26,2 6-10 8,2 0,0 7,7 9,5 11-15 6,2 0,0 7,7 4,8 16-20 11,3 0,0 9,6 14,3 21-25 10,3 0,0 11,5 9,6 26-30 8,2 33,3 7,7 7,1 31-35 2,1 66,7 0,0 0,0 36-40 9,3 0,0 7,7 11,9 41-45 0,0 0,0 0,0 0,0 46-50 6,2 0,0 11,5 0,0 51-60 4,1 0,0 3,9 4,8 61-70 2,1 0,0 3,9 0,0 71-80 7,2 0,0 5,8 9,6 81-90 0,0 0,0 0,0 0,0 91-100 2,1 0,0 1,9 2,4hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering Tabel 4.10 Percentage van de personen die in 2010 bereikt werden met sociale activering dat potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt (naar grootte van de gemeente), in % Percentage dat potenti- Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer eel in aanmerking kwam (N=97) (N=29) (N=38) groot (N=8) groot voor activering naar de (N=18) (N=4) arbeidsmarkt 0-5 22,7 44,8 18,4 11,1 0,0 0,0 6-10 8,2 3,5 7,9 0,0 50,0 0,0 11-15 6,2 3,5 7,9 5,6 0,0 25,0 16-20 11,3 17,2 0,0 27,8 0,0 25,0 21-25 10,3 6,9 7,9 11,1 25,0 25,0 26-30 8,2 6,9 7,9 11,1 12,5 0,0 31-35 2,1 0,0 0,0 5,6 0,0 25,0 36-40 9,3 0,0 15,8 11,1 12,5 0,0 41-45 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 46-50 6,2 3,5 10,5 5,6 0,0 0,0 51-60 4,1 3,5 5,3 5,6 0,0 0,0 61-70 2,1 3,5 2,6 0,0 0,0 0,0 71-80 7,2 6,9 10,5 5,6 0,0 0,042 81-90 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 91-100 2,1 0,0 5,3 0,0 0,0 0,0
  • 41. Tot slot tonen we ter info in onderstaande tabellen een aantal kerngegevens overde OCMW’s en het aantal geactiveerden.19Tabel 4.11 OCMW’s en het aantal geactiveerden via art. 60 in de totale populatie (1) Totaal Gemiddeld Aandeel Aandeel Aandeel aantal aantal per Brussel Vlaanderen Wallonië OCMW (%) (%) (%) (N=589)N OCMW’s 589N (equivalent) leefloners in 199 903 339,4 27,1 32,2 40,7 2010N personen tewerkgesteld in 21 499 36,5 21,8 42,0 36,1 art. 60 §7 in 2010 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via de POD MITabel 4.12 OCMW’s en het aantal geactiveerden via art. 60 in de totale populatie (2) Totaal Gemiddeld Brussels Vlaanderen Wallonië aantal aantal per Hoofdste- (N=308) (N=262) hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering OCMW delijk (N=589) Gewest (N=19)N OCMW’s 589N (equivalent) leefloners in 199 903 339,4 54 129 64 451 81 323 2010 (1)N personen tewerkgesteld in 21 499 36,5 4 694 9 038 7 767 art. 60 §7 in 2010 (2)% (2)/(1) 10,8 8,7 14,0 9,6 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via de POD MITabel 4.13 OCMW’s en het aantal geactiveerden in dit onderzoek Totaal aantal Gemiddeld aantal per OCMW (N=234)N OCMW’s 234N (equivalent) leefloners in 2010 115 524 493,7N personen tewerkgesteld in art. 60 §7 in 2010 12 475 53,3 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via de POD MI 4319 Informatie over de samenhang tussen een aantal andere kernvariabelen kan worden teruggevonden in bijlage 5.
  • 42. Tabel 4.14 Aantal sociaal geactiveerden voor het jaar 2010 op basis van de inschatting door het OCMW (N=113), aantal (equivalent) leefloners in 2010 (N=113) en aantal geactiveerden via art. 60 (1) Totaal Gemiddeld Brussels Vlaanderen Wallonië (N=113) aantal Hoofdstede lijk Gewest N OCMW’s met antwoord 113 2 66 45 in survey N (equivalent) leefloners in 72 127 638,3 11 035 33 952 27 140 2010 (1) N personen in sociale acti- 25 756 227,9 7 245 13 156 5 355 vering (2) N personen tewerkgesteld 8 043 71,2 1 182 4 846 2 015 in art. 60 §7 in 2010 (3) % (2)/(1) 35,7 65,7 38,8 19,7 % (3)/(1) 11,2 10,71 14,3 7,4 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via de POD MI Tabel 4.15 Aantal sociaal geactiveerden voor het jaar 2010 op basis van de inschatting door het OCMW (N=113) (2)hoofdstuk 4 | Aanbod en doelgroepen van sociale activering Totaal Gemiddelde Mediaan Standaarddeviatie Brussels Hoofdste- 7 245 3 622,5 3 622,5 4 096,4 delijk Gewest (N=2) Vlaanderen (N=66) 13 156 199,3 40,0 807,2 Wallonië (N=45) 5 355 119,0 25,0 401,2 Bron Webenquête afgenomen in kader van dit onderzoek Tabel 4.16 Percentage (equivalent) leeflooncliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 in 2010 in de totale populatie en binnen de bevraagde OCMW’s, in % Totale populatie Bevraagde OCMW’s (N=589) (N=234) Brussels Hoofdstedelijk 8,7 9,4 Gewest Vlaanderen 14,0 14,3 Wallonië 9,6 8,0 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens afkomstig van de POD MI44
  • 43. 5 | Organisatie van het aanbodNu we een zicht hebben op het aanbod van de OCMW’s inzake sociale activeringen welke doelgroepen hiervoor in aanmerking komen, buigen we ons over devraag op welke manier sociale activering door de Belgische OCMW’s georgani-seerd wordt. We belichten hierbij de volgende aspecten: (1) de identificatie van dedoelgroep en toeleiding naar sociale activering; (2) de toekenning van financiëlestimuli voor participatie aan sociale activering; (3) de evaluatie van de resultatenvan sociale activering; (4) de interne organisatie; (5) de externe organisatie; en hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod(6) de financieringsbronnen voor sociale activering.5.1 Toeleiding en identificatieWe stelden OCMW’s de vraag of ze specifieke instrumenten gebruiken om cliën-ten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering (zie tabel 5.1 (naargewest) en tabel 5.2 (naar grootte van de gemeente)). In 70,1% van de OCMW’sblijkt dit niet het geval te zijn. OCMW’s in (zeer) kleine gemeenten maken opval-lend minder gebruik van instrumenten om cliënten te identificeren en toe te leidennaar sociale activering dan OCMW’s in (middel)grote gemeenten, die hier op hunbeurt minder gebruik van maken dan de OCMW’s in zeer grote gemeenten. 45 Bij de vraag naar welke instrumenten OCMW’s hanteren om cliënten te identifi-ceren en toe te leiden naar sociale activering, omschrijven OCMW’s instrumentenvan zeer uiteenlopende aard, zoals formele instrumenten (vnl. de Socio-Professio-nele Balans), een individueel gesprek of sociaal onderzoek, de doorverwijzing vaneen maatschappelijk assistent of een andere partner, activiteiten in het kader vanarbeidstrajectbegeleiding, de organisatie van activiteiten (bv. workshops), etc. DeOCMW’s die deze instrumenten hanteren, zetten ze vrijwel allemaal in zowel bijde intake, als op latere tijdstippen (zie tabel b4.13 in bijlage).
  • 44. Tabel 5.1 Inzet van instrumenten om cliënten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering (naar gewest). Antwoord op de vraag ‘Worden er specifieke instrumenten gebruikt om cliënten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering?’, in % Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=224) Hoofdstedelijk (N=135) (N=81) Gewest (N=8) Neen 70,1 62,5 70,4 70,4 Ja, nl.: 29,9 37,5 29,6 29,6 - formeel instrument (vnl. 7,1 12,5 5,9 8,6 SPB) - individueel gesprek/ 6,7 0,0 4,4 11,1 ­sociaal onderzoek - doorverwijzing maat- 3,1 12,5 3,7 1,2 schappelijk assistent of andere partner - arbeidstrajectbegeleiding 3,6 0,0 5,9 0,0 - activiteiten (work- 3,6 0,0 4,4 2,5 shops, ...) - andere* 5,8 12,5 5,2 6,2 * De categorie ‘andere’ omvat een grote verscheidenheid aan instrumenten, zoals ‘mond- tot-mondreclame. Tabel 5.2 Inzet van instrumenten om cliënten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering (naar grootte van de gemeente). Antwoord op de vraag ‘Worden er specifieke instrumenten gebruikt om cliënten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering?’, in %hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer (N=224) (N=68) (N=85) groot (N=19) groot (N=47) (N=5) Neen 70,1 83,8 75,3 51,1 57,9 20,0 Ja, nl.: 29,9 16,3 24,7 48,9 42,1 80,0 - formeel instrument (vnl. 7,1 0,0 5,9 14,9 10,5 40,0 SPB) - individueel gesprek/ 6,7 2,9 5,9 8,5 15,8 20,0 -sociaal onderzoek - doorverwijzing maat- 3,1 1,5 2,4 4,3 5,3 20,0 schappelijk assistent of andere partner - arbeidstrajectbegeleiding 3,6 5,9 2,4 4,3 0,0 0,0 - activiteiten (work- 3,6 2,9 1,2 8,5 5,3 0,0 shops, ...)46 - andere* 5,8 2,9 7,1 8,5 5,3 0,0 * De categorie ‘andere’ omvat een grote verscheidenheid aan instrumenten, zoals ‘mond- tot-mondreclame. 5.2 Financiële stimuli Krijgen (sommige) cliënten binnen de OCMW’s een vergoeding voor participatie aan sociale activering? In 48,7% van de OCMW’s blijkt dit wel het geval te zijn (zie tabel 5.3). In Vlaanderen kent een meerderheid van 68,1% van de OCMW’s
  • 45. financiële stimuli toe aan (sommige) cliënten, terwijl dit in Brussel geldt voor eenkwart van de OCMW’s en in Wallonië slechts voor 18,5% van de OCMW’s. Hetaandeel OCMW’s dat cliënten financieel stimuleert voor participatie aan socialeactivering ligt aanzienlijk hoger in middelgrote tot (zeer) grote gemeenten dan in(zeer) kleine gemeenten (zie tabel 5.4). Wanneer we vragen naar de vergoeding die (sommige) cliënten krijgen voordeelname aan sociale activering, wordt een grote variëteit aan vergoedingen aan-gehaald. We onderscheiden hierbij volgende categorieën: (1) vergoedingen in hetkader van socio-culturele participatie; (2) vergoedingen van 1 euro in het kadervan arbeidszorg/per gevolgd lesuur/per atelier; (3) onkostenvergoedingen;(4) vrijwilligersvergoedingen; en (5) vrijetijdstoelagen. Er is dus geen uniformiteitwat betreft de financiële stimuli die (sommige) cliënten toegekend krijgen voorparticipatie aan sociale activering.Tabel 5.3 Toekenning van financiële stimuli voor participatie aan sociale activering. (naar gewest). Antwoord op de vraag ‘Krijgen (sommige) cliënten binnen uw OCMW een vergoeding voor participatie aan sociale activering?’, in %1 Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=224) Hoofdstedelijk (N=135) (N=81) Gewest (N=8)Neen 51,3 75,0 31,9 81,5Ja, nl.: 48,7 25,0 68,1 18,5 hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod‐ vergoeding in het kader 14,3 0,0 23,7 0,0 van socio-culturele par- ticipatie‐ vergoeding van 1 euro 9,8 0,0 10,4 9,9 (in kader van arbeids- zorg/gevolgde lesuren/ ­ateliers)‐ onkostenvergoeding 6,7 12,5 8,2 3,7‐ vrijwilligersvergoeding 5,4 0,0 8,2 1,2‐ vrijetijdstoelage (zie 5,4 0,0 8,9 0,0 voetnoot 12)‐ andere2 13,4 12,5 18,5 4,9 1 Binnen sommige OCMW’s wordt een combinatie van financiële stimuli toegekend aan cliënten voor participatie aan sociale activering. 2 De categorie ‘andere’ omvat een grote verscheidenheid aan vergoedingen zoals maaltijdcheques, bonnen voor activiteiten, etc. 47
  • 46. Tabel 5.4 Toekenning van financiële stimuli voor participatie aan sociale activering. (naar grootte van de gemeente). Antwoord op de vraag ‘Krijgen (sommige) cliënten binnen uw OCMW een vergoeding voor participatie aan sociale activering?’, in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5) Neen 51,3 71,5 45,9 38,3 21,1 40,0 Ja 48,7 23,5 54,1 61,7 78,9 60,0 5.3 Evaluatie Ook de evaluatie van de resultaten van sociale activering werd aangekaart in de webenquête. Tabel 5.5 illustreert dat 64,3% van de OCMW’s de resultaten van sociale activering evalueert. In (zeer) grote gemeenten gebeurt dit aanzienlijk meer dan in kleinere gemeenten (zie tabel 5.6). 56,9% van de OCMW’s die een evaluatie doen van de resultaten van sociale activering maakt hiervoor gebruik van indicatoren (tabel 5.7). Het aandeel OCMW’s dat indicatoren hanteert ter evaluatie van de resultaten van sociale acti- vering ligt hoger naarmate de grootte van de gemeente stijgt (tabel 5.8). Van de OCMW’s in Brussel en Wallonië gebruiken resp. 83,3% en 78,4% van de OCMW’s indicatoren ter evaluatie van sociale activering, terwijl dit in Vlaanderen slechts geldt voor 42,5% van de OCMW’s. Verder stellen we vast dat er geen uniformiteit is met betrekking tot het soorthoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod indicatoren dat OCMW’s gebruiken om de resultaten van sociale activering te evalueren. OCMW’s hanteren een grote verscheidenheid aan voornamelijk kwan- titatieve,20 maar ook kwalitatieve21 indicatoren (tabel 5.9 en tabel 5.10). Meer specifiek maakt 69,5% van de OCMW’s die de resultaten van sociale activering evalueren aan de hand van indicatoren gebruik van kwantitatieve indicatoren, ter- wijl 39,0% van de OCMW’s die de resultaten van sociale activering evalueren aan de hand van indicatoren gebruik maakt van kwalitatieve indicatoren. Uit verdere analyse van de data blijkt dat 24,4% van de OCMW’s die gebruik maken van indi- catoren om de resultaten van sociale activering te evalueren zowel kwantitatieve, als kwalitatieve indicatoren gebruikt. We stellen dus vast dat de resultaten van sociale activering noch op systemati-48 sche, noch op uniforme wijze geëvalueerd worden. 20 Onder de noemer ‘kwantitatieve indicatoren’ vallen onder andere statistieken met betrekking tot het aantal personen dat bereikt wordt met sociale activering, het aantal georganiseerde acties op het vlak van sociale activering, het aantal personen tewerkgesteld in art. 60 §7 en kwantitatieve tevredenheidsme- tingen. 21 Kwalitatieve indicatoren hebben betrekking op het verhaal, de persoonlijke evolutie en het welzijn van de cliënt: men gaat na of de cliënt (naar eigen aanvoelen) bepaalde capaciteiten heeft ontwikkeld, of hij zich beter voelt, etc.
  • 47. Tabel 5.5 Evaluatie van de resultaten van sociale activering (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8)Ja 64,3 75,0 64,4 63,0Neen 35,7 25,0 35,6 37,0Tabel 5.6 Evaluatie van de resultaten van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5)Ja 64,3 54,1 68,2 63,8 73,4 100,0Neen 35,7 49,6 31,8 36,2 26,3 0,0Tabel 5.7 Gebruik van indicatoren voor de evaluatie van de resultaten van sociale activering (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=144) stedelijk Gewest (N=87) (N=51) (N=6)Ja 56,9 83,3 42,5 78,4Neen 43,1 16,7 57,5 21,6 hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbodTabel 5.8 Gebruik van indicatoren voor de evaluatie van de resultaten van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=144) (N=74) (N=88) (N=48) (N=19) (N=5)Ja 56,9 45,9 55,2 60,0 71,4 100,0Neen 43,1 54,1 44,8 40,0 28,6 0,0Tabel 5.9 Aard van de indicatoren gebruikt om de resultaten van sociale activering te evalueren (naar gewest), in %Indicatoren Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=82) stedelijk Gewest (N=37) (N=40) (N=5) 49Kwantitatief 69,5 40,0 73,0 70,0Kwalitatief 39,0 0,0 27,0 55,0Andere* 14,6 60,0 16,2 7,5 * Onder de categorie ‘Andere’ vallen indicatoren waarbij niet gespecificeerd werd of ze van kwantitatieve, dan wel van kwalitatieve aard zijn.
  • 48. Tabel 5.10 Aard van indicatoren gebruikt om de resultaten van sociale activering te evalueren (naar grootte van de gemeente), in % Indicatoren Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=82) (N=17) (N=32) (N=18) (N=10) (N=5) Kwantitatief 69,5 76,5 65,6 77,8 60,0 60,0 Kwalitatief 39,0 23,5 46,9 33,3 60,0 20,0 Andere* 14,6 11,8 18,8 11,1 10,0 20,0 * Onder de categorie ‘Andere’ vallen indicatoren waarbij niet gespecificeerd werd of ze van kwantitatieve, dan wel van kwalitatieve aard zijn. 5.4 Interne organisatie Andere aspecten die bevraagd werden aangaande de organisatie van sociale active- ring hebben betrekking op de interne organisatie, meer bepaald op de structurele verankering van sociale activering in het OCMW en het aantal personeelsleden dat zijn tijd besteedt aan sociale activering. Wat betreft de structurele verankering gingen we na of sociale activering is opge- nomen in het beleidsplan van een OCMW. Dit blijkt in 72,3% van de OCMW’s het geval te zijn (zie tabel 5.11). Sociale activering blijkt meer verankerd te worden in het beleidsplan naarmate de grootte van de gemeente toeneemt (zie tabel 5.12).hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod Tabel 5.11 Opname van sociale activering in het beleidsplan van het OCMW (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8) Ja 72,3 100,0 71,9 70,4 Neen 27,7 0,0 28,1 29,6 Tabel 5.12 Opname van sociale activering in het beleidsplan van het OCMW (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5) Ja 72,3 57,4 75,3 78,7 89,5 100,050 Neen 27,7 42,6 24,7 21,3 10,5 0,0 Is sociale activering structureel verankerd in gespecialiseerde diensten die zich bezighouden met het aanbod en/of de cliënten in het aanbod inzake sociale acti- vering? Tabel 5.13 toont aan dat in 55,8% van de OCMW’s minstens één dienst zich expliciet toelegt op het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering. OCMW’s blijken meer over gespecialiseerde diensten te beschikken naarmate de grootte van de gemeente stijgt. Vooral in middelgrote tot zeer grote
  • 49. gemeenten ligt het aandeel OCMW’s met gespecialiseerde diensten hoog(tabel 5.14). Wanneer er gevraagd wordt welke deze diensten zijn, schuiven OCMW’s onderandere volgende diensten naar voren: de sociale dienst, de dienst trajectbegelei-ding/tewerkstelling en de dienst socio-professionele integratie.22Tabel 5.13 Aanwezigheid van gespecialiseerde diensten die zich bezig houden met het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8)Neen 44,2 25,0 49,6 37,0Ja 55,8 75,0 50,4 63,0Tabel 5.14 Aanwezigheid van gespecialiseerde diensten die zich bezig houden met het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) groot (N=19) (N=5) (N=47)Neen 44,2 61,8 48,2 29,8 10,5 0,0 hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbodJa 55,8 38,2 51,8 70,2 89,5 100,0Tabel 5.15 Gespecialiseerde diensten inzake het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering geformuleerd door de OCMW’s (naar gewest), in %1 Algemeen Brussels Vlaanderen Wallonië (N=125) Hoofdstedelijk (N=69) (N=51) Gewest (N=6)Sociale dienst 43,2 50,0 32,4 56,9Trajectbegeleiding/tewerkstelling 41,6 66,7 69,1 2,0Socio-professionele integratie 20,0 16,7 1,5 45,1Buurtwerking 3,2 0,0 5,9 0,0Andere2 52,8 66,7 51,5 52,9 51 1 Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende categorieën ondergebracht zijn, aangezien sommige OCMW’s over meerdere gespecialiseerde diensten beschikken inzake sociale activering. 2 De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan diensten, waaronder de dienst thuisbegeleiding, de dienst wonen en activering, projectwerk, etc.22 De dienst trajectbegeleiding/tewerkstelling en de dienst socio-professionele integratie vormen functioneel equivalenten voor resp. Vlaanderen en Wallonië.
  • 50. Tabel 5.16 Gespecialiseerde diensten inzake het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering geformuleerd door de OCMW’s (naar grootte van de gemeente), in %1 Algemeen Zeer klein Klein Middel- Groot Zeer (N=125) (N=26) (N=44) groot (N=17) groot (N=33) (N=5) Sociale dienst 43,2 42,3 50,0 42,4 29,4 40,0 Trajectbegeleiding/- 41,6 19,2 54,6 45,5 41,2 20,0 tewerkstelling Socio-professionele inte- 20,0 26,9 20,5 18,2 11,8 20,0 gratie Buurtwerking 3,2 3,9 2,3 6,1 0,0 0,0 Andere2 52,8 46,2 34,1 63,6 76,5 100,0 1 Eenzelfde OCMW kan binnen verschillende categorieën ondergebracht zijn, aangezien sommige OCMW’s over meerdere gespecialiseerde diensten beschikken inzake sociale activering. 2 De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan diensten, waaronder de dienst thuisbegeleiding, de dienst wonen en activering, projectwerk, etc. Hoeveel personeelsleden besteden (een deel van) hun tijd aan de opzet en organi- satie van sociale activering? Gemiddeld blijken de OCMW’s te beschikken over 4,2 voltijdse equivalenten voor sociale activering (zie tabel b4.2 in bijlage). Tabel 5.17 en tabel 5.18 geven evenwel een genuanceerder beeld. Hieruit blijkt dat 45,1% van de OCMW’s over maximum één voltijdse equivalent inzake sociale activering beschikt. Opmerkelijk is verder dat 5,0% van de OCMW’s over meer dan 10 voltijdse equivalenten beschikt (tabel b4.15 in de bijlage geeft weer omhoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod welke OCMW’s het hier concreet gaat.). Uiteraard moeten deze verschillen in een juist perspectief geplaatst worden. Daarom werd voor elk OCMW nagegaan wat de verhouding is tussen het aantal (equivalent) leefloners en het aantal voltijds equivalenten inzake sociale activering. Het aantal (equivalent) leeflooncliënten wordt verondersteld een benadering te zijn van het aantal personen dat in een OCMW in aanmerking komt voor sociale activering.23 De resultaten worden weergegeven in tabel 5.19 (naar gewest) en tabel 5.20 (naar grootte van de gemeente). Hieruit kan worden afgeleid dat er in 50,3% van de OCMW’s maximum 80 (equivalent) leefloners zijn per voltijdse equivalent inzake sociale activering, terwijl dit in 8,3% van de OCMW’s oploopt tot meer dan 500 (equivalent) leefloners per voltijdse equivalent. Dit geeft aan dat52 de caseload op vlak van sociale activering hoog kan oplopen vooral in de grote en zeer grote gemeenten. 23 Het aantal (equivalent) leeflooncliënten kan echter een onderschatting zijn van het aantal personen dat in aanmerking komt voor sociale activering, gezien de bevinding dat in 56,0% van de OCMW’s ‘iedereen’ in aanmerking komt voor sociale activering (zie hoger onder ‘Doelgroep’).
  • 51. Tabel 5.17 Aantal personeelsleden dat binnen een OCMW (een deel van) zijn tijd spendeert aan het opzetten en organiseren van sociale activering (naar gewest), in %Aantal voltijdse Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Walloniëequivalenten* (N=182) stedelijk Gewest (N=107) (N=68) (N=7)0-0,5 22,0 28,6 19,6 25,00,5-1 23,1 0,0 26,2 20,61-2 23,1 14,3 25,2 20,62-6 20,9 14,3 21,5 20,66-10 6,0 14,3 4,7 7,410-20 2,8 0,0 2,8 2,9>20 2,2 28,6 0,0 2,9 * Elke categorie omvat alle percentages groter dan het eerste getal(a) en kleiner of gelijk aan het tweede getal(b), met andere woorden a<x≤b. De eerste categorie vormt hier een uitzondering op: deze omvat ook 0.Tabel 5.18 Aantal personeelsleden dat binnen een OCMW (een deel van) zijn tijd spendeert aan het opzetten en organiseren van sociale activering (naar grootte van de gemeente), in %Aantal vol- Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groottijdse equiva- (N=182) (N=56) (N=73) (N=34) (N=15) (N=4)lenten*0-0,5 22,0 30,4 24,7 14,7 0,0 0,00,5-1 23,1 32,1 26,0 11,8 6,7 0,01-2 23,1 16,1 24,7 38,2 13,3 0,0 hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod2-6 20,9 19,6 16,4 23,5 40,0 25,06-10 6,0 1,8 6,9 11,8 6,7 0,010-20 2,8 0,0 1,4 0,0 20,0 25,0>20 2,2 0,0 0,0 0,0 13,3 50,0 * Elke categorie omvat alle percentages groter dan het eerste getal(a) en kleiner of gelijk aan het tweede getal(b), met andere woorden a<x≤b. De eerste categorie vormt hier een uitzondering op: deze omvat ook 0. 53
  • 52. Tabel 5.19 Aantal (equivalent) leefloners per voltijdse equivalent inzake sociale activering binnen een OCMW (naar gewest), in % (Equivalent) leef- Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië loners/VTE (N=181)2 stedelijk Gewest (N=106) (N=68) inzake sociale (N=7) activering1 4-20 17,1 0,0 22,7 10,3 20-40 15,5 0,0 15,1 17,7 40-60 7,2 28,6 8,5 2,9 60-80 10,5 0,0 14,2 5,9 80-100 6,1 14,3 5,7 5,9 100-200 19,9 0,0 17,9 25,0 200-300 6,1 0,0 3,8 10,3 300-400 4,4 0,0 2,8 7,4 400-500 5,0 0,0 2,8 8,8 500-1 000 5,0 14,3 3,7 5,9 >1 000 3,3 42,9 2,8 0,0 1 Elke categorie omvat alle percentages groter dan het eerste getal(a) en kleiner of gelijk aan het tweede getal(b), met andere woorden a<x≤b. De eerste categorie vormt hier een uitzondering op: deze omvat ook 4. 2 N=181 aangezien 1 OCMW over geen enkele voltijdse equivalent beschikt inzake soci- ale activering. Tabel 5.20 Aantal (equivalent) leefloners per voltijdse equivalent inzake sociale activering binnen een OCMW (naar grootte van de gemeente), in % (Equivalent) leef- Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groothoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod loners/VTE (N=181)2 (N=56) (N=73) (N=33) (N=15) (N=4) inzake sociale activering1 4-20 17,1 28,6 16,4 9,1 0,0 0,0 20-40 15,5 21,4 19,2 3,0 6,7 0,0 40-60 7,2 7,1 5,5 6,1 13,3 25,0 60-80 10,5 14,3 13,7 3,0 0,0 0,0 80-100 6,1 5,4 6,9 6,1 6,7 0,0 100-200 19,9 12,5 13,7 4,5 20,0 0,0 200-300 6,1 3,6 8,2 6,1 6,7 0,0 300-400 4,4 5,4 4,1 3,0 6,7 0,0 400-500 5,0 0,0 5,5 6,1 6,7 50,0 500-1 000 5,0 1,8 4,1 3,0 26,7 0,0 >1 000 3,3 0,0 2,7 6,1 6,7 25,0 1 Elke categorie omvat alle percentages groter dan het eerste getal (a) en kleiner of gelijk aan het tweede getal (b), met andere woorden a<x≤b. De eerste categorie vormt hier een uitzondering op: deze omvat ook 4.54 2 N=181 aangezien 1 OCMW over geen enkele voltijdse equivalent beschikt inzake soci- ale activering. 5.5 Externe organisatie OCMW’s zijn vandaag de dag ingebed in brede netwerken om te voorzien in een optimale dienstverlening. Wordt ook het domein van sociale activering geken- merkt door samenwerkingsverbanden met externe partners? Tabel 5.21 en tabel 5.22 geven een overzicht van alle actoren waarmee een OCMW samenwerkt
  • 53. voor sociale activering (resp. naar gewest en naar grootte van de gemeente). Vrij-wel alle OCMW’s werken voor sociale activering samen met andere actoren;slechts in 4,5% van de OCMW’s is dit niet het geval. We bespreken de belangrijk-ste partners. Vzw’s spelen een centrale rol: 75,9% van de OCMW’s werkt met deze partnersamen. In Brussel loopt dit aandeel zelfs op tot 87,5% van de OCMW’s. Naarge-lang de grootte van de gemeente toeneemt wordt er meer met vzw’s samenge-werkt (tabel 5.22). Ook de gemeente/stad maakt in 60,3% van de OCMW’s deel uit van het net-werk van OCMW’s met betrekking tot sociale activering. In Brussel werkt menopvallend meer samen met de gemeente/stad dan in Vlaanderen en Wallonië. Hoegroter de gemeente, hoe hoger het aandeel OCMW’s dat een partnerschap heeftmet de gemeente/stad.Op lokaal niveau behoren vormings- en opleidingspartners en initiatieven uit desociale economie tot het netwerk inzake sociale activering van een OCMW. Debevinding dat 51,3% van de OCMW’s samenwerkt met lokale initiatieven uit desociale economie is enigszins verrassend, gezien tewerkstelling slechts in 7,3% vande OCMW’s tot het aanbod inzake sociale activering behoort (zie ‘type activitei-ten’). Waalse OCMW’s werken opvallend minder samen met lokale initiatieven uitde sociale economie dan Vlaamse en Brusselse OCMW’s. Met lokale vormings- en hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbodopleidingspartners werken Vlaamse OCMW’s opvallend minder samen dan Brus-selse en Waalse OCMW’s. We stellen ook hier vast dat hoe groter de gemeente is,hoe hoger het aandeel OCMW’s is dat met deze partners samenwerkt. Dit kanwellicht verklaard worden door het grotere aanbod van deze partners in groteregemeenten. 43,3% van de OCMW’s schakelt lokale plaatsingsdiensten in. In Brussel enVlaanderen zetten resp. 62,5% en 47,4% van de OCMW’s een samenwerkingsver-band met lokale plaatsingsdiensten op, in Wallonië is dit slechts het geval in 34,6%van de OCMW’s. Lokale welzijnsorganisaties vormen een partner voor sociale activering in 39,7%van de OCMW’s. In Brussel gaat een opvallende meerderheid van 75,0% eensamenwerking met deze actor aan. Lokale welzijnsorganisaties krijgen een belang- 55rijkere rol toebedeeld naarmate OCMW’s gevestigd zijn in grotere gemeenten. 42,4% van de OCMW’s blijken onderling samen te werken voor sociale active-ring. OCMW’s in grote gemeenten gaan dergelijk partnerschap opvallend minderaan dan OCMW’s in andere gemeenten.Naast een beschrijving van de actoren die deel uitmaken van het netwerk van eenOCMW op het vlak van sociale activering, werd er ook gepeild naar de aard vandeze samenwerking. We onderscheiden formele en informele samenwerking
  • 54. (m.a.w. samenwerking al dan niet op basis van een schriftelijke overeenkomst). In tabel 5.23 wordt geïllustreerd dat OCMW’s in het kader van sociale activering zo- wel op formele als op informele manier samenwerken met externe actoren. Met lokale initiatieven uit de sociale economie, werkgevers in de private sector, sector- fondsen en vzw’s is de samenwerking binnen een duidelijke meerderheid van de OCMW’s formeel. Met andere OCMW’s, de gemeente/stad, lokale vormings- en opleidingspartners en lokale plaatsingsdiensten wordt door ongeveer de helft van de OCMW’s op formele basis samengewerkt. De samenwerking met de overige partners gebeurt in mindere mate op basis van een schriftelijke overeenkomst. Tabel b4.16 en tabel b4.17 (zie bijlage) geven de resultaten met betrekking tot de aard van de samenwerking weer naar gewest en naar grootte van de gemeente. Tabel 5.21 Externe actoren waarmee een OCMW samenwerkt in verband met sociale activering (naar gewest), in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8) Geen 4,5 0,0 4,4 4,9 Vzw’s 75,9 87,5 71,9 81,5 Gemeente/stad 60,3 87,5 62,2 54,3 Lokale vormings- en 51,8 87,5 44,4 60,5 opleidingspartners Lokale initiatieven uit 51,3 62,5 59,3 37,0hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod de sociale economie Lokale plaatsingsdien- 43,3 62,5 47,4 34,6 sten (Forem, VDAB, Actiris) Andere OCMW’s 42,4 50,0 38,5 48,2 Lokale welzijnsorga- 39,7 75,0 43,7 29,6 nisaties Werkgevers in de pri- 21,4 37,5 21,5 19,8 vate sector Zelforganisaties 17,9 37,5 14,8 21,0 Lokale uitzendbureaus 12,5 25,0 11,1 13,6 Sectorfondsen 1,34 0,0 0,7 2,5 Andere: ...* 20,1 25,0 15,6 27,2 Andere: ...* 5,8 0,0 4,4 8,6 Andere: ...* 0,9 0,0 0,0 2,5 * De categorieën ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan externe actoren, onder56 andere partners in de culturele sector, specifieke onderwijsinstellingen, sportverenigin- gen, de provincie, etc.
  • 55. Tabel 5.22 Externe actoren waarmee een OCMW samenwerkt in verband met sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer Klein Middel- Groot Zeer (N=224) klein (N=85) groot (N=19) groot (N=68) (N=47) (N=5)Geen 4,5 7,3 5,9 0,0 0,0 0,0Vzw’s 75,9 66,2 75,3 83,0 89,5 100,0Gemeente/stad 60,3 47,1 60,0 72,3 73,7 80,0Lokale vormings- en opleidings- 51,8 30,9 52,9 59,6 94,7 80,0 partnersLokale initiatieven uit de sociale 51,3 35,3 50,6 66,0 68,4 80,0 economieLokale plaatsingsdiensten 43,3 30,9 47,1 55,3 36,8 60,0 (Forem, VDAB, Actiris)Andere OCMW’s 42,4 47,1 45,9 38,3 21,1 40,0Lokale welzijnsorganisaties 39,7 25,0 38,8 42,6 80,0 80,0Werkgevers in de private sector 21,4 11,8 24,7 23,4 31,6 40,0Zelforganisaties 17,9 2,9 20,0 21,3 36,8 80,0Lokale uitzendbureaus 12,5 8,9 14,1 12,8 10,5 40,0Sectorfondsen 1,34 0,0 3,5 0,0 0,0 0,0Andere: ...* 20,1 26,5 21,2 6,4 26,3 20,0Andere: ...* 5,8 11,8 3,5 0,0 5,3 20,0Andere: ...* 0,9 1,5 1,2 0,0 0,0 0,0 * De categorieën ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan externe actoren, onder andere partners in de culturele sector, specifieke onderwijsinstellingen, sportverenigingen, de provincie, etc. hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbodTabel 5.23 Externe actoren waarmee een OCMW samenwerkt in verband met sociale activering (kolom 1) en mate waarin deze samenwerking formeel is (kolom 2), in % Algemeen (N=224) Waarvan, ... % op basis van een schriftelijke overeen- komst (algemeen %)Geen 4,5Vzw’s 75,9 60,0Gemeente/stad 60,3 49,6Lokale vormings- en opleidingspart- 51,8 49,1 nersLokale initiatieven uit de sociale eco- 51,3 70,4 nomieLokale plaatsingsdiensten (Forem, 43,3 48,5 VDAB, Actiris)Andere OCMW’s 42,4 51,6 57Lokale welzijnsorganisaties 39,7 24,7Werkgevers in de private sector 21,4 66,7Zelforganisaties 17,9 20,0Lokale uitzendbureaus 12,5 10,7Sectorfondsen 1,3 66,7Andere: ... 20,1 66,7Andere: ... 5,8 53,8Andere: ... 0,9 0,0
  • 56. 5.6 Financiering Een laatste aspect van de organisatie van sociale activering betreft de bronnen waarop OCMW’s zich beroepen voor de financiering van sociale activering. Tabel 5.24 illustreert dat OCMW’s zich (moeten) richten tot verschillende finan- cieringsbronnen om sociale activering te bekostigen. In 94,6% van de OCMW’s wordt sociale activering gefinancierd vanuit het OCMW zelf. Daarnaast benutten 80,0% van de OCMW’s financieringsbronnen op federaal niveau. Waalse OCMW’s maken hier opvallend minder gebruik van dan Brusselse en Vlaamse OCMW’s: 67,9% van de Waalse OCMW’s tegenover 100,0% van de Brusselse OCMW’s en 87,4% van de Vlaamse OCMW’s financiert sociale activering aan de hand van federale tussenkomsten. Verder wordt sociale activering in 39,7% van de OCMW’s bekostigd door financiering op regionaal niveau. In Vlaanderen maken OCMW’s hier minder gebruik van dan in Wallonië en Brussel. Meer specifiek beroept 31,1% van de Vlaamse OCMW’s zich op regionale financieringsbronnen, tegenover 51,9% van de Waalse OCMW’s en 62,5% van de Brusselse OCMW’s. Vervolgens vormt het ESF een financieringsbron voor ongeveer een vijfde (19,2%) van de OCMW’s. In Brussel ligt het aandeel OCMW’s dat zich richt tot het ESF meer dan dubbel zo hoog dan in Vlaanderen en Wallonië. Een beperkt aandeel OCMW’s maakt tot slot gebruik van financiële tussenkomsten vanuit onder andere de Nationale Loterij en stichtingen.. Het aandeel OCMW’s dat een financieringsbron benut, stijgt vrijwel altijd naar-hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod mate de grootte van de gemeente toeneemt (tabel 5.25). Grotere OCMW’s blijken dus een beroep te (kunnen) doen op een groter aantal financieringsbronnen. Tabel 5.24 Financieringsbronnen voor sociale activering (naar gewest), in % Financieringsbronnen Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=224) stedelijk Gewest (N=135) (N=81) (N=8) OCMW zelf 94,6 100,0 95,6 92,6 Federaal 80,0 100,0 87,4 67,9 Regionaal 39,7 62,5 31,1 51,9 ESF 19,2 50,0 17,0 19,8 Nationale Loterij 9,4 25,0 3,0 18,5 Stichtingen 4,9 12,5 3,0 7,458 Andere* 5,8 12,5 4,4 7,4 * De categorie ‘Andere’ omvat een verscheidenheid aan financieringsbronnen zoals specifieke projectsubsidies, schenkingen, etc.
  • 57. Tabel 5.25 Financieringsbronnen voor sociale activering (naar grootte van de gemeente), in %Financieringsbronnen Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5)OCMW zelf 94,6 97,1 90,6 95,7 100,0 100,0Federaal 80,0 69,1 82,4 91,5 89,5 80,0Regionaal 39,7 26,5 41,2 46,8 52,6 80,0ESF 19,2 2,9 17,7 27,7 47,4 80,0Nationale Loterij 9,4 5,9 5,9 10,6 21,1 60,0Stichtingen 4,9 0,0 4,7 2,1 10,5 80,0Andere* 5,8 2,9 4,7 6,4 15,8 20,0 * De categorie ‘Andere’ omvat een verscheidenheid aan financieringsbronnen zoals specifieke projectsubsidies, schenkingen, etc. hoofdstuk 5 | Organisatie van het aanbod 59
  • 58. 6 | Succesvoorwaarden van socialeactiveringDit hoofdstuk werpt licht op de succesvoorwaarden voor sociale activering vol-gens de Belgische OCMW’s. Vooreerst gaan we na welke knelpunten OCMW’sondervinden bij de sociale activering van cliënten. Daarna geven we een overzicht hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activeringvan ‘goede praktijken’: welke concrete initiatieven, ondernomen door BelgischeOCMW’s, worden als succesvol ervaren en welke factoren dragen hiertoe bij? Weeindigen dit hoofdstuk met een bespreking van de verbetervoorstellen vanOCMW’s voor de huidige praktijken inzake sociale activering.6.1 KnelpuntenWat zijn binnen de OCMW’s de meest voorkomende OCMW-gebonden knel-punten die de sociale activering van cliënten bemoeilijken? Het antwoord op dezevraag wordt weergegeven in tabel 6.1 (naar gewest) en tabel 6.2 (naar grootte vande gemeente). Het gebrek aan personeel (tijdsdruk) blijkt als knelpunt het zwaarstedoor te wegen. Een meerderheid van 56,8% van de OCMW’s kampt met een per-soneelstekort. In middelgrote gemeenten wordt 64,4% van de OCMW’s met ditprobleem geconfronteerd en in grote gemeenten zelfs 68,4% van de OCMW’s.Hoger in dit rapport constateerden we dan ook dat de caseload betreffende sociale 61activering binnen een OCMW erg hoog kan zijn. Een ander knelpunt is dat deel-nemers aan sociale activering in 48,7% van de OCMW’s gemakkelijk afhaken.Maar liefst 59,3% van de Waalse OCMW’s blijkt hier hinder van te ondervinden,gevolgd door 43,6% van de Vlaamse OCMW’s en ‘slechts’ een kwart van de Brus-selse OCMW’s. De OCMW’s in zeer grote gemeenten kampen vrijwel allemaalmet dit probleem. Ten derde bemoeilijkt het gebrek aan financiële middelen desociale activering van cliënten in 44,0% van de OCMW’s. In Brussel kampt 75,0%van de OCMW’s met een financieel tekort, een opvallend hoger aandeel dan inWallonië en Vlaanderen. We stellen ook vast dat het aandeel OCMW’s dat een
  • 59. gebrek heeft aan financiële middelen in (middel)grote en zeer grote gemeenten aanzienlijk hoger ligt dan in (zeer) kleine gemeenten. Een vierde knelpunt is de kleinschaligheid van een OCMW, die 44,2% van de OCMW’s verhindert om initi- atieven te nemen inzake sociale activering. Bovendien zet de groeiende belangstel- ling van het tewerkstellingsdoel binnen de OCMW-werking de sociale activering van cliënten onder druk in 23,5% van de OCMW’s. Voor andere, minder centrale OCMW-gebonden knelpunten verwijzen we naar tabel 6.1 (naar gewest) en tabel 6.2 (naar grootte van de gemeente). Naast OCMW-gebonden knelpunten werden ook de waargenomen bijkomende knelpunten inzake sociale activering bevraagd. De resultaten hiervan worden geïl- lustreerd in tabel 6.3 (naar gewest) en tabel 6.4 (naar grootte van de gemeente). Ook hier stellen we vast dat er een financieel tekort is binnen de OCMW’s voor sociale activering. Respectievelijk 43,2% en 38,0% van de OCMW’s meldt een gebrek aan financiële stimuli vanuit de regionale en federale overheden om cliën- ten sociaal te activeren. Overigens blijken OCMW’s in Brussel wederom opvallend vaker geconfronteerd te worden met een gebrek aan financiële middelen dan OCMW’s in Vlaanderen en Wallonië en stellen we vast dat er een samenhang ishoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering met de grootte van de gemeente. Vervolgens ervaart 17,5% van de OCMW’s een gebrek aan interesse van andere actoren om initiatieven te ondernemen en/of samenwerkingen op te zetten om mensen sociaal te activeren. In Brussel vormt dit evenwel geen probleem. Ook het wettelijk kader wordt door 15,0% van de OCMW’s als een knelpunt waargenomen en 12,8% van de OCMW’s vindt dat er onvoldoende beleidsvrijheid is om een beleid inzake sociale activering op maat van de betrokkene te voeren.24 Voor andere knelpunten ervaren door een eerder beperkt aantal OCMW’s, verwijzen we naar tabel 6.3 (naar gewest) en tabel 6.4 (naar grootte van de gemeente).62 24 Het knelpunt ‘wettelijk kader’ werd in de webenquête niet nader gespecificeerd. We wijzen er echter op dat OCMW’s hier iets anders mee bedoelen dan dat men onvoldoende beleidsvrijheid heeft om een beleid inzake sociale activering op maat van de betrokkenen te voeren. Uit verdere analyse van de data blijkt immers dat er slechts een beperkte overlap is tussen het aandeel OCMW’s dat ‘het wettelijk kader’ als knelpunt ervaart en het aandeel OCMW’s dat ‘onvoldoende beleidsvrijheid’ als knelpunt ervaart.
  • 60. Tabel 6.1 OCMW-gebonden knelpunten inzake sociale activering van cliënten (naar gewest), in %Knelpunten Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=234) stedelijk Gewest (N=140) (N=86) (N=8)Geen 7,3 0,0 6,4 9,3Gebrek aan voldoende personeel (tijdsdruk) 56,8 62,5 59,3 52,3Deelnemers aan sociale activering haken gemakkelijk af 48,7 25,0 43,6 59,3Gebrek aan financiële middelen 44,0 75,0 41,4 45,4OCMW is te kleinschalig om initiatieven inzake sociale activering te nemen 40,2 0,0 47,1 32,6Door het groeiende belang van het tewerkstellingsdoel binnen de OCMW-werking komt de 23,5 12,5 26,4 19,8 sociale activering van de cliënt onder druk te staanMiddelen gaan hoofdzakelijk naar andere aspecten van welzijn (huisvesting, etc.), sociale 18,4 0,0 20,0 17,4 activering is niet prioritairGebrek aan personeel met de juiste kennis (‘knowhow’) 17,1 25,0 18,6 14,0Gebrek aan samenwerking met andere actoren 9,0 12,5 8,6 9,3Gebrekkige informatiedoorstroom (m.b.t. cliëntgegevens, etc.) binnen het OCMW 7,7 25,0 5,0 10,5Andere (zelf omschreven), nl:1 18,4 25,0 15,0 23,3- moeilijkheden m.b.t. het vinden van publiek en het motiveren van hen tot deelname 6,4 12,5 4,3 9,3- beleidsgerelateerde knelpunten 5,1 0,0 5,0 5,8- moeilijkheden m.b.t. de omgang met de (zware) problematiek eigen aan de doelgroep 3,0 0,0 2,1 4,7- plaatsgebrek (infrastructuur) 1,7 12,5 0,0 3,5- moeilijkheden m.b.t. de meetbaarheid van resultaten van sociale activering 1,3 0,0 2,1 0,0- andere2 1,3 0,0 1,4 1,2 1 Binnen de hoofdcategorie ‘andere’ kan een OCMW binnen verschillende subgroepen zijn ondergebracht. 2 De subcategorie ‘andere’ omvat een verscheidenheid aan knelpunten. 63 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering
  • 61. 64 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activeringTabel 6.2 OCMW-gebonden knelpunten inzake sociale activering van cliënten (naar grootte van de gemeente), in %Knelpunten Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=234) (N=74) (N=88) (N=48) (N=19) (N=5)Geen 7,3 10,8 6,8 2,1 5,3 20,0Gebrek aan voldoende personeel (tijdsdruk) 56,8 48,7 58,0 64,6 68,4 40,0Deelnemers aan sociale activering haken gemakkelijk af 48,7 43,2 48,9 54,2 47,4 80,0Gebrek aan financiële middelen 44,0 33,8 42,1 58,3 52,6 60,0OCMW is te kleinschalig om initiatieven inzake sociale activering te 40,2 62,2 48,9 10,4 0,0 0,0 nemenDoor het groeiende belang van het tewerkstellingsdoel binnen de 23,5 10,8 26,1 39,6 15,8 40,0 OCMW-werking komt de sociale activering van de cliënt onder druk te staanMiddelen gaan hoofdzakelijk naar andere aspecten van welzijn (huisves- 18,4 17,6 22,7 14,6 15,8 0,0 ting, etc.), sociale activering is niet prioritairGebrek aan personeel met de juiste kennis (‘knowhow’) 17,1 9,5 23,9 18,8 15,8 0,0Gebrek aan samenwerking met andere actoren 9,0 10,8 8,0 4,2 10,5 40,0Gebrekkige informatiedoorstroom (m.b.t. cliëntgegevens, etc.) binnen 7,7 1,4 8,0 12,5 15,8 20,0 het OCMWAndere (zelf omschreven), nl:1 18,4 16,2 10,2 33,3 26,3 20,0- moeilijkheden m.b.t. het vinden van publiek en het motiveren van 6,4 5,4 3,4 12,5 10,5 0,0 hen tot deelname- beleidsgerelateerde knelpunten 5,1 5,4 2,3 12,5 0,0 0,0- moeilijkheden m.b.t. de omgang met de (zware) problematiek eigen 3,0 2,7 2,3 4,2 0,0 20,0 aan de doelgroep- plaatsgebrek (infrastructuur) 1,7 1,4 2,3 0,0 5,3 0,0- moeilijkheden m.b.t. de meetbaarheid van resultaten van sociale 1,3 0,0 0,0 2,1 10,5 0,0 activering- andere2 1,3 2,7 0,0 2,1 0,0 0,0 1 Binnen de hoofdcategorie ‘andere’ kan een OCMW binnen verschillende subgroepen zijn ondergebracht. 2 De subcategorie ‘andere’ omvat een verscheidenheid aan knelpunten.
  • 62. Tabel 6.3 Bijkomende knelpunten inzake sociale activering van cliënten (naar gewest), in %Knelpunten Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=234) stedelijk Gewest (N=140) (N=86) (N=8)Geen 30,8 37,5 25,0 39,5Gebrek aan financiële stimuli vanuit de regionale overheden om cliënten sociaal te activeren 43,2 62,5 42,9 41,9Gebrek aan financiële stimuli vanuit de federale overheden om cliënten sociaal te activeren 38,0 50,0 40,0 33,7Gebrek aan interesse van andere actoren (gemeente, privésector etc.) om initiatieven en/of 17,5 0,0 17,9 18,6 samenwerkingen op te zetten voor sociale activeringHet wettelijke kader 15,0 0,0 16,4 14,0Onvoldoende beleidsvrijheid om een beleid inzake sociale activering op maat van de 12,8 12,5 14,3 10,5 betrokkenen te voerenGebrekkige informatiedoorstroom vanuit de centrale overheid naar het OCMW (bv. Aan- 9,0 12,5 12,9 2,3 gaande wijzigingen in maatregelen, etc.)Andere (zelf omschreven categorieën), nl.:1 11,5 12,5 10,7 12,8- gebrek aan middelen/geen aangepaste infrastructuur 2,1 0,0 2,9 1,2- beleidsgerelateerde knelpunten 2,1 0,0 2,1 2,3- weinig motivatie vanwege cliënten 1,7 0,0 0,7 3,5- administratieve last 1,3 12,5 0,0 2,3- andere2 4,3 0,0 5,0 3,5 1 Binnen de hoofdcategorie ‘andere’ kan een OCMW binnen verschillende subgroepen zijn ondergebracht. 2 De subcategorie ‘andere’ omvat een verscheidenheid aan knelpunten. 65 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering
  • 63. 66 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activeringTabel 6.4 Bijkomende knelpunten inzake sociale activering van cliënten (naar grootte van de gemeente), in %Knelpunten Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=234) (N=74) (N=88) (N=48) (N=19) (N=5)Geen 30,8 37,8 33,0 18,8 26,3 20,0Gebrek aan financiële stimuli vanuit de regionale overheden om cliënten 43,2 35,1 42,1 50,0 52,6 80,0 sociaal te activerenGebrek aan financiële stimuli vanuit de federale overheden om cliënten 38,0 27,0 39,8 41,7 57,9 60,0 sociaal te activerenGebrek aan interesse van andere actoren (gemeente, privésector etc.) 17,5 18,9 19,3 14,6 10,5 20,0 om initiatieven en/of samenwerkingen op te zetten voor sociale acti- veringHet wettelijke kader 15,0 8,1 15,9 18,8 26,3 20,0Onvoldoende beleidsvrijheid om een beleid inzake sociale activering op 12,8 9,5 14,8 14,6 15,8 0,0 maat van de betrokkenen te voerenGebrekkige informatiedoorstroom vanuit de centrale overheid naar het 9,0 4,1 13,6 10,4 5,3 0,0 OCMW (bv. Aangaande wijzigingen in maatregelen, etc.)Andere (zelf omschreven categorieën), nl.:1 11,5 8,1 11,4 12,5 26,3 0,0- gebrek aan middelen/geen aangepaste infrastructuur 2,1 0,0 2,3 2,1 10,5 0,0- beleidsgerelateerde knelpunten 2,1 0,0 1,1 6,3 5,3 0,0- weinig motivatie vanwege cliënten 1,7 2,7 2,3 0,0 0,0 0,0- administratieve last 1,3 2,7 0,0 0,0 5,3 0,0- andere2 4,3 1,4 5,7 4,2 10,5 0,0 1 Binnen de hoofdcategorie ‘Andere’ kan een OCMW binnen verschillende subgroepen zijn ondergebracht. 2 De subcategorie ‘andere’ omvat een verscheidenheid aan knelpunten.
  • 64. 6.2 Goede praktijkenNu we een zicht hebben op de knelpunten inzake sociale activering, benaderen wede huidige sociale activeringspraktijken vanuit het tegenovergestelde perspectief:welke concrete praktijken georganiseerd door OCMW’s (al dan niet in samenwer-king met anderen) worden als succesvol ervaren? 58,1% van de OCMW’s omschreef een ‘goede praktijk’ betreffende sociale acti-vering. Deze goede praktijken werden gebundeld in een tabel in bijlage 6. Steedswerd er aan de hand van een aantal dimensies gespecificeerd rond welk thema degoede praktijk draait, bijvoorbeeld rond ‘integratie’, ‘taal’, ‘werk’, of ‘vorming’.Daarnaast werd ook de doelgroep beschreven die in aanmerking komt voor dediverse praktijken.Inhoudelijk kan er een ruw onderscheid gemaakt worden tussen vier categorieënvan goede praktijken.25 OCMW’s omschrijven initiatieven die zich toespitsen op(1) werkgerelateerde praktijken; (2) vrijwilligerswerk, (3) de algemene integratievan een individu; en (4) het beleid inzake sociale activering. Uit de resultaten intabel 6.5 blijkt dat ongeveer een kwart van de goede praktijken valt onder de cate-gorie ‘werkgerelateerde praktijken’, terwijl 7,7% van de goede praktijken is toege- hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activeringspitst op vrijwilligerswerk en 2,2% van de goede praktijken betrekking heeft ophet beleid inzake sociale activering. Vooral praktijken gericht op de ‘algemeneintegratie’ van een individu worden beschouwd als een goede praktijk inzake soci-ale activering: 66,2% van de goede praktijken valt onder deze noemer. Vooral ini-tiatieven die de dimensies ‘vorming’, ‘sociaal isolement’ en ‘recreatie’ combineren,blijken succesvol te zijn. 6725 We wijzen erop dat deze categorieën niet mutueel exclusief zijn. De indeling van de goede praktijken in de vier categorieën is enigszins arbitrair; een goede praktijk kan soms in meerdere categorieën worden onder- gebracht.
  • 65. Tabel 6.5 Thematische indeling van de goede praktijken, in % Dimensie(s) Goede praktijken dat werkt rond deze dimensie(s) (N=136) 1. Werkgerelateerde praktijken 24,3 Tewerkstelling art. 60 6,6 Tewerkstelling art. 60, vorming en integratie 0,7 Werk 2,2 Werk, materiële hulp 0,7 Werk, werkgerelateerde vorming 7,4 Werkgerelateerde vorming 6,6 2. Vrijwilligerswerk 7,4 Vrijwilligerswerk 2,9 Vrijwilligerswerk, sociaal isolement 0,7 Vrijwilligerswerk, werk 0,7 Vrijwilligerswerk, werkgerelateerde vorming, sociaal isolement 0,7 Vrijwilligerswerk, buurtwerk 1,5 3. Algemene integratie 66,2 (ruimer dan enkel werkgerelateerd) Integratie 0,7 Integratie, taal 2,9 Integratie, werkgerelateerde vorming 0,7 Taal, werkgerelateerde vorming 2,2 Vorming 4,4 Vorming, werk 0,7hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering Vorming, werkgerelateerde vorming 0,7 Vorming, sociaal isolement 3,7 Vorming, sociaal isolement en recreatie 29,4 Vorming, sociaal isolement, recreatie, materiële hulp 0,7 Vorming, sociaal isolement, recreatie, werk 0,7 Vorming, sociaal isolement, recreatie, cultuur 1,5 Sociaal isolement 0,7 Sociaal isolement, cultuur 0,7 Sociaal isolement, recreatie 3,7 Sociaal isolement, goedkope maaltijd 2,2 Sociaal isolement, recreatie, materiële hulp 3,7 Sociaal isolement, recreatie, cultuur 0,7 Cultuur 2,2 Cultuur, recreatie 3,7 4. Beleid 2,2 1 Omschrijving van de categorieën: 1) Werkgerelateerde praktijken: hieronder vallen alle praktijken waarbij de klemtoon ligt op arbeidsintegratie: werkgerelateerde vorming/tewerkstelling anders dan vrij- willigerswerk, etc. De dimensie ‘werk’ slaat op stage/tewerkstelling anders dan art. 60 of vrijwilligerswerk 2) Vrijwilligerswerk: alle initiatieven waarbij men cliënten expliciet inschakelt in vrij- willigers- of buurtwerk.68 3) Integratie: alle praktijken waarbij de nadruk ligt op de algemene integratie van een individu in de samenleving. Het gaat hier niet expliciet om arbeidsintegratie of tewerkstelling. 4) Beleid: hieronder vallen alle initiatieven waarbij men ingrijpt op het gebied van de regelgeving inzake/de organisatie van sociale activering. 2 Het bepalen van de dimensies van de goede praktijken gebeurde op basis van de omschrijving van het initiatief door de respondent. Aangezien deze omschrijving soms vrij beperkt was, is het mogelijk dat niet alle relevante dimensies van een goede praktijk in de tabel benoemd worden.
  • 66. Wanneer we de goede praktijken indelen naar doelgroep, kunnen we grofweg driecategorieën van doelpubliek onderscheiden (tabel 6.6): ‘OCMW-cliënteel’,‘OCMW-cliënteel en niet OCMW-cliënteel’ en ‘iedereen’. Een meerderheid van61,0% van de goede praktijken wordt enkel georganiseerd voor OCMW-cliënteel,terwijl voor 30,1% van de goede praktijken zowel OCMW-cliënteel, als niet-OCMW-cliënteel in aanmerking komt. In 8,8% van de goede praktijken wordt dedoelgroep nog ruimer geformuleerd en richt men zich tot iedereen (van degemeente/stad).Tabel 6.6 Indeling van de goede praktijken naar doelgroep, in %Doelgroep (N=136)1. OCMW-cliënteel 61,0Alle OCMW-cliënten 16,2Leefloners 11,8Leefloners en anderen 8,1Anderen (cliënten budgetbeheer/anderstaligen/jongeren/ ...) 25,02. OCMW-cliënteel & niet OCMW-cliënteel 30,1Kansarmen 4,4Sociaal geïsoleerden, personen met grote afstand tot de arbeidsmarkt 6,6 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activeringAllochtonen, anderstaligen 2,2Maatschappelijk kwetsbare jongeren 2,2Senioren (in combinatie met kinderen/jongeren) 3,7Anderen 11,03. Iedereen 8,8 1 Omschrijving van de categorieën: 1) OCMW-cliënteel: hieronder vallen alle subgroepen die expliciet tot het OCMW- cliënteel behoren. 2) OCMW-cliënteel en niet-OCMW-cliënteel: omvat subgroepen die ruimer zijn dan OCMW-cliënteel, maar niet zo breed als iedereen van de stad/gemeente. 3) Iedereen: iedereen( van de gemeente/stad). 2 Sommige doelgroepen, ondergebracht in de categorie ‘OCMW-cliënteel en niet- OCMW-cliënteel’, horen mogelijk thuis in de categorie ‘OCMW-cliënteel’. Het is immers plausibel dat niet alle respondenten eraan gedacht hebben om te specificeren of een doelgroep al dan niet enkel OCMW-cliënteel omvat.Het is duidelijk dat de goede praktijken zeer divers zijn wat betreft de inhoud ende doelgroep die voor de initiatieven in aanmerking komt. De volgende vraagdringt zich op: welke achterliggende factoren dragen bij tot het succes van dezeinitiatieven? 69 Tabel 6.7 verschaft ons inzicht in deze kwestie. Ten eerste omschrijvenOCMW’s de samenwerking met derden als een sleutel tot succes op vlak van soci-ale activering. Partnerschap laat toe om knowhow te ontwikkelen en een groterdraagvlak te creëren voor de georganiseerde activiteiten. Bovendien bereikenOCMW’s op deze manier een groter publiek. Andere factoren waaraan het succesvan de goede praktijken wordt toegeschreven houden verband met de begeleidingdie de deelnemers krijgen. Groepswerking en/of individuele begeleiding op maatblijken het succes van sociale activeringspraktijken te bevorderen. Ook het enga-
  • 67. gement van het omkaderend personeel en de inzet van vrijwilligers draagt bij aan het welslagen van een project. Een meerwaarde van de aangehaalde initiatieven is verder dat deelnemers sociaal contact hebben, al dan niet met lotgenoten waarmee ze zich kunnen identificeren. Hierdoor worden ze uit hun sociaal isolement gehaald. Doelgroepgericht werken is een andere factor voor succes. Op deze manier speelt men in op de reële noden van een doelgroep, men vertrekt vanuit de leefwereld van het doelpubliek zelf. Andere succesfactoren die slechts door een beperkt aantal OCMW’s werden aangehaald worden weergegeven in tabel 6.7. Tabel 6.7 Succesfactoren van de goede praktijken, in % Knelpunten (N=132) Samenwerking met derden/partnership 28,0 Groepswerking 22,0 Individuele begeleiding 18,2 Engagement, inzet 18,2 Sociaal contact, deelnemers uit sociaal isolement halen 12,1 Doelgroepgericht 12,1 Laagdrempelig 6,8 Financiering van de goede praktijk die een duurzame/degelijke werking 5,3hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering mogelijk maakt Regelmatige evaluatiemomenten, opvolging van project 4,5 Dynamiek binnen de groep 3,8 Cliënt voelt zich gewaardeerd 3,8 Empowering van cliënten 3,8 Knowhow en professionaliteit van de medewerkers 3,0 Kans op tewerkstelling wordt verhoogd 3,0 Mond-tot-mondreclame 2,3 Andere* 28,8 Project bevindt zich in beginfase; te vroeg om te beoordelen 4,5 * De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan succesfactoren. Zo wijten sommige respondenten het succes van hun praktijk aan het feit dat de cliënten zelf inspraak hebben in het project; dat er financiële stimuli worden toegekend aan cliënten voor deelname aan activiteiten; dat het project betrekking heeft op een actueel thema; dat de activiteit praktisch relevant is; dat de medewerkers zelf cliënt binnen het OCMW zijn geweest, waardoor ze zich beter kunnen inleven in de situatie van de cli- ënt; dat een groep bestaat uit een mix van OCMW-cliënten en niet-OCMW-cliënten; dat deelnemers samen succesmomenten ervaren; dat de praktijk resultaatgericht is, of gebaseerd op ervaringsgericht leren; dat er een vaste contactpersoon is die deelnemers kunnen aanspreken; dat activiteiten plaatsvinden buiten de dagelijkse context van de cliënt, of buiten het OCMW; dat cliënten de kans krijgen hun talenten te tonen, etc.70 6.3 Verbetervoorstellen We beschreven de factoren die het succes van sociale activeringspraktijken ondermijnen, dan wel bevorderen. Nu wordt er dieper ingegaan op de verbeter- voorstellen geformuleerd door OCMW’s (tabel 6.8).26 26 We merken hierbij op dat er slechts een gedeeltelijke respons verkregen werd bij de vraag naar verbetervoorstellen, namelijk 25,6% van de OCMW’s.
  • 68. In lijn met bovenbeschreven knelpunten vragen OCMW’s om meer middelentoe te kennen voor sociale activering. ‘Middelen’ dient hierbij ruim geïnterpreteerdte worden: het kan gaan om financiële tussenkomsten, extra personeel, of eenbetere infrastructuur. Ten tweede stelt men voor om de beleidsaandacht voorsociale activering te verhogen: OCMW’s vragen naar een helder regelgevend kaderen vinden dat het nut van sociale activering meer in de verf gezet moet worden.Daarnaast wensen sommige OCMW’s een (betere) samenwerking met degemeente/stad of met andere actoren, is er vraag naar een overzicht van goedepraktijken inzake sociale activering en doet men de suggestie om aandacht te ves-tigen op de lage motivatie van het doelpubliek.Tabel 6.8 Verbetervoorstellen, in %Verbetervoorstel (N=60)Toekenning van middelen 68,3Verhoogde beleidsaandacht/regelgeving 61,7Partnership 11,7Verspreiding ‘good practices’ 8,3Motivatie doelpubliek bevorderen 0,1 hoofdstuk 6 | Succesvoorwaarden van sociale activering 71
  • 69. 7 | Belangrijke bevindingen op basis vande casestudiesOm de praktijk van sociale activering in de diepte te exploreren werden casestu- hoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudiesdies uitgevoerd bij acht geselecteerde OCMW’s: drie in Vlaanderen, drie in Wallo-nië en twee in Brussel. In onderstaande tabel geven we een beknopt overzicht. Inde bijlagen is van elke case studie een uitgebreide beschrijving en analyse van deknelpunten en goede praktijken terug te vinden. De acht casestudies geven eeninkijk in de diversiteit van sociale activeringspraktijken. Toch kunnen we binnendeze diversiteit een aantal gemeenschappelijke knelpunten en goede praktijkenonderscheiden, deze beschrijven we in dit hoofdstuk. 73
  • 70. OCMW Naam van het project Korte beschrijving Asse Vrouwengroep PARLEEke Vrouwengroep PARLEEke, opgezet vanuit de buurt- werking, is een ontmoetingsplaats voor anderstalige en Nederlandstalige vrouwen waar in een ongedwongen sfeer Nederlands geoefend wordt. Dessel Buurtgerichte De buurtwerking vindt plaats in een multiculturele jongerenwerking sociale woonwijk en legt vooral de nadruk op een actief vormende jongerenwerking. Gent Extra Time Extra Time is een groepswerking voor jongeren, opgezet vanuit de dienst Emancipatorische Werking, om hen de nodige competenties (attitudes, kennis en vaardigheden) aan te leren en/of te versterken met het oog op een latere activering richting therapie, opleiding of werk. Bièvre Espace détente De ‘espace détente’ is een ontmoetingsplaats voor ouderen waar men één namiddag per week kan kaarten, knutselen, gezelschapsspelletjes spelen enz. Het doel is het sociaal isolement in deze rurale gemeente te door- breken. Braine-l’Alleud Atelier de cuisine Maandelijks wordt er een kookworkshop gehouden voor zowel OCMW- als niet OCMW-cliënten waarbij men volgens een recept van één van de deelnemers een maal- tijd klaarmaakt en deze samen opeet. Het hoofddoel ishoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies sociaal isolement te doorbreken. Charleroi Créa d’âmes Créa d’âmes is een toneelvereniging die open staat voor zowel OCMW- als niet OCMW-cliënten en uitgaat van de ‘Espace Citoyen’ Porte Ouest in Charleroi. Bruxelles Comité des spectateurs Het ‘Comité des spectateurs’ is een groepsactiviteit waar- bij men een voorstelling bijwoont van ‘Théâtre Les Tanneurs’ uit de Brusselse Marollen en vooraf met de artiesten kan kennismaken tijdens een gezamenlijke maaltijd. Uccle Pré-trajet d’activation Gedurende één jaar nemen twee groepen (equivalent) leefloners deel aan een voortraject voor activering, gefinancierd door het Europees Sociaal Fonds, gericht op socio-professionele integratie. 7.1 Opstart en toeleiding De opstart van sociale activeringsprojecten en de toeleiding van deelnemers vergt veel inspanning. Voor het opstarten van een sociaal activeringsproject is het belangrijk dat de noden van de inwoners van een gemeente of de potentiële doel- groep gekend zijn. Een goede praktijk is dan het instellen van een onderzoek of enquête waarin men de doelgroep en zijn noden in kaart brengt. Voor het toelei-74 den van de doelgroep wordt vaak een mix van instrumenten ingezet: de lokale media, sociale netwerksites, flyers, vindplaatsgerichte of outreachende technieken, mond-tot-mondreclame en toeleiding via andere OCMW-diensten en partneror- ganisaties. Toeleiding van de doelgroep vergt zeer veel inspanningen en is een constant aandachtspunt. Men moet dan ook geduld hebben bij de opstart van een project zodat mond-tot-mondreclame zijn werk kan doen. Projecten moeten de tijd krijgen om te groeien, zowel op het vlak van deelnemersaantallen als inhoude- lijk. Bovendien moet men realistische verwachtingen hebben over het bereik van
  • 71. dergelijke projecten. We concluderen immers dat er veel inspanningen wordengedaan om vaak slechts een beperkt aantal personen te bereiken. Dit hoeft echterniet als negatief gezien te worden aangezien men wel de moeilijkst bereikbarenbereikt. Om het bereik toch zo groot mogelijk te maken is het belangrijk om de drempelvoor deelname zo laag mogelijk te houden. We identificeerden lage deelnamekos-ten als goede praktijk. Ook niet financiële stimuli kunnen ingezet worden. InBraine-l’Alleud bijvoorbeeld, wordt de maaltijd die men tijdens de kookworkshopsamen klaarmaakt gratis aangeboden aan de deelnemers. Verder moeten demomenten waarop het project doorgaat afgestemd zijn op de doelgroep en is decontinuïteit, de regelmaat hiervan belangrijk. Als gaandeweg blijkt dat er nogandere drempels zijn voor deelnemers moet men deze elimineren. Zo bleek inBraine-l’Alleud dat kinderopvang een obstakel vormde, dit werd opgelost doorkinderen toe te laten tot de activiteiten. In Bièvre, een rurale gemeente, bleek datde mobiliteit van de deelnemers een probleem was, waarop carpooling georgani-seerd werd. hoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies Een belangrijk aandachtspunt is dat men de deelnemers moet blijven stimulerenen motiveren nadat de eerste drempel genomen is, men mag ze niet meer loslaten.Onderbrekingen van de deelname (bv. door zorgtaken) maken het voor sommigedeelnemers moeilijk om terug te keren naar het project. Lange onderbrekingenvan de activiteiten, zoals tijdens de schoolvakantie in juli en augustus, moetendaarom zo veel mogelijk vermeden worden. Het hanteren van een outreachendeen aanklampende benadering is een goede aanpak, bijvoorbeeld een herinneringper sms of een huisbezoek wanneer deelnemers lang wegblijven van het project.Het groepsbindend effect zorgt er ook voor dat men blijft komen. Wanneer deel-nemers echt geïntegreerd zijn in de groep haken ze niet vaak meer af tenzij omexterne redenen. Deze komen bij een OCMW-publiek vrij vaak voor, het doelpu-bliek is zeer veranderlijk(terugkeer naar de arbeidsmarkt of een opleiding) enmobiel (verhuizen). Ten slotte willen we nog opmerken dat verplichte deelname niet negatief hoeftte zijn. Zo heeft men in Gent de ervaring dat deze verplichting na verloop van tijdwordt omgezet in intrinsieke motivatie tot deelname. Verplichte deelname kanaldus gezien worden als een duwtje in de rug. 757.2 Doelgroep en inhoudHet is belangrijk om de doelgroep- en inhoudelijke aflijning van het project niet terigide te maken. Er moet flexibiliteit zijn inzake leeftijdsgrenzen of samenstellingvan de groep om het project zo goed mogelijk te doen aansluiten bij de doelgroep.Zo werd in Dessel geëxperimenteerd met een aparte werking voor meisjes nadatgebleken was dat een gemengde werking, met meisjes en jongens, cultureel gevoe-
  • 72. lig lag. Verschillende projecten hebben goede ervaringen met het mengen van deelnemersgroepen: zowel OCMW- als niet OCMW-cliënten. Deze mix lijkt voor de deelnemers een meerwaarde te zijn omdat ze zich dan op gelijke voet geplaatst voelen met personen die geen OCMW-steun ontvangen, ze voelen zich meer gewaardeerd. In de case van Bièvre wordt de ‘espace détente’ opengesteld voor iedereen omdat de potentiële doelgroep binnen het OCMW van deze kleine lan- delijke gemeente te klein is. In de Brusselse case worden de activiteiten ook open- gesteld voor niet OCMW-cliënten maar wordt de doelgroep toch sterk afgeba- kend. Men moet voldoen aan de volgende drie voorwaarden: een vorm van sociale steun ontvangen, inwoner zijn van de wijk en sociaal geïsoleerd zijn. We kunnen concluderen dat er een grote verscheidenheid bestaat inzake doelgroepafbakening waarbij men rekening houdt met de kenmerken van de doelgroep, het type activi- teit en de lokale context. Ook inhoudelijk moet men kunnen aftasten wat werkt, wat de doelgroep inte- resseert. Men moet soepel kunnen zijn inzake de inhoud en het tempo van het project. Om er voor te zorgen dat dit alles afgestemd is op de noden van de doel-hoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies groep moet men vraaggericht werken, idealiter door de deelnemers om input te vragen. Dit blijkt soms echter een knelpunt te zijn. De doelgroep nieuwe ideeën laten aanbrengen voor een project bleek soms moeilijk. Een goede oplossing is de doelgroep een duidelijk kader te geven voor het project met daarbinnen een aantal concrete suggesties voor thema’s of activiteiten van waaruit ze kunnen vertrekken. 7.3 Medewerkers Belangrijk is dat de medewerkers enthousiast, gemotiveerd en geëngageerd zijn. De medewerkers zijn immers het uithangbord van het project en hun enthousi- asme werkt aanstekelijk voor (nieuwe) deelnemers. Motivatie en engagement zijn ook nodig omdat hun taak niet altijd gemakkelijk is: de opstart gaat traag, er kruipt veel energie in het motiveren van deelnemers, ... Bovendien krijgen ze binnen het OCMW, van het bestuur en/of van hun collega’s bij andere diensten, soms weinig erkenning voor hun werk. We merken op dat medewerkers aan sociale active- ringsprojecten zich soms engageren om ook buiten de werkuren taken op te nemen. Deze extra uren zijn vaak onbetaald en kunnen niet gerecupereerd worden76 waardoor we kunnen stellen dat deze projecten soms op vrijwilligerswerk steunen. Aangezien de projectaflijning niet te rigide mag zijn moet men de medewerkers voldoende creatieve ruimte en vrijheid laten om te kunnen experimenteren. Het is goed om de medewerkers binnen deze experimenteerruimte voldoende opvolging en ondersteuning (bv. in de vorm van intervisies of supervisies) te bieden. Het werken in team heeft in dit licht belangrijke voordelen zoals het hebben van een klankbord of extra creatieve input. Daarnaast helpt een teamwerking de continuïteit van het project te verzekeren (de expertise is verdeeld over meerdere
  • 73. personen) maar ook de continuïteit binnen het project (wanneer de ene medewer-ker afwezig is, kan de andere invallen). Binnen een aantal projecten heeft mengoede ervaringen met de deeltijdse combinatie met een andere taak binnen hetOCMW die aansluit bij de problemen van de doelgroep (en eventueel gezinsle-den). Dit biedt eveneens mogelijkheden als kanaal voor toeleiding in beide richtin-gen. Dit kan bovendien bijdragen aan de laagdrempeligheid van initiatieven:deelnemers nemen gemakkelijker deel aan activiteiten wanneer ze er een anderedeelnemer of een maatschappelijk werker kennen.7.4 Financiering en organisatie van het aanbodSamenwerking extern maar zeker ook intern tussen de verschillende OCMW-diensten kan een meerwaarde betekenen op het vlak van toeleiding, laagdrempe-ligheid, ondersteuning, ... Samenwerken zorgt ervoor dat er complementairgewerkt kan worden en lasten (organisatorisch, budgettair, administratief) verdeeldkunnen worden. Wanneer er in een gemeente al een groot netwerk van verenigin- hoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudiesgen aanwezig is vergemakkelijkt dit het opzetten van samenwerking. Financiering vinden voor een sociaal activeringsproject is een veel voorkomendknelpunt. Dit blijkt vaak een kwestie van subsidies bij elkaar sprokkelen, wattijdsintensief kan zijn en veel onzekerheid meebrengt. Een meerderheid van demaatschappelijk werkers benadrukt dan ook dat ze gemakkelijker en meer activi-teiten zouden kunnen opzetten wanneer er meer financiering zou zijn. Dit is ookéén van de redenen waarom men het belang van samenwerking benadrukt, part-ners kunnen bijkomende middelen ter beschikking stellen. We merken dat men vaak bezorgd is over het behoud van een project in huidigetijden van crisis en besparingen. Daarom is het belangrijk dat de meerwaarde vansociale activering duidelijk is voor lokale besturen zodat men hier middelen voorwil (blijven) vrijmaken. Het in beeld brengen van resultaten kan daarvoor belang-rijk zijn.7.5 Resultaten en evaluatieGezien de diversiteit van projecten maar ook van deelnemers zijn de resultaten 77van sociale activering zeer divers. Een belangrijk resultaat is dat dergelijke projec-ten het OCMW in een ander daglicht stellen, positief zijn voor het imago. Deresultaten op niveau van de deelnemers kunnen gaan van een uitbreiding van hetsociaal netwerk, competenties en attitudes tot meer zelfinzicht of zelfvertrouwen.Dit kan in sommige gevallen uiteindelijk leiden tot het volgen van opleiding of tottewerkstelling, hoewel het vaak niet mogelijk is om een causaal verband aan tetonen.
  • 74. De resultaten op niveau van de deelnemers worden echter niet vaak (formeel) geëvalueerd. Men heeft het gevoel dat evaluatiecriteria niet gemakkelijk uit te wer- ken zijn. De case van Gent illustreert dat dit wel mogelijk is. Daar evalueert men de vooruitgang van jongeren op een aantal competenties aan de hand van gedragsindicatoren. We merken dat er in de praktijk meestal informeel wordt geëvalueerd en waneer er wel formeel geëvalueerd wordt dat het voornamelijk om een procesevaluatie gaat waarbij vooral outputmaatstaven worden gebruikt zoals het aantal bereikte personen.hoofdstuk 7 | Belangrijke bevindingen op basis van de casestudies78
  • 75. 8 | Algemene conclusies enbeleidsaanbevelingenDe OCMW’s in België staan vandaag voor veel meer dan het louter voorzien ineen uitkering aan (equivalent) leefloners of in aanverwante opvang en steun aan hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenhulpbehoevenden. Zo is bekend dat activering naar betaalde arbeid een vooraan-staande plaats heeft ingenomen in de werking van het OCMW. Minder geweten isdat OCMW’s ook op het vlak van sociale activering een grote actieradius ontwik-kelen. In welke mate dat zo is, voor welke doelgroepen en met welk aanbod vanactiviteiten, is tot nog toe niet in kaart gebracht voor alle OCMW’s in ons land.Dit onderzoek geeft voor het eerst een omvattend beeld van de praktijk van soci-ale activering in de Belgische OCMW’s anno 2011. Het onderzoek waarover in ditrapport verslag wordt gedaan, is gebaseerd op een websurvey bij de OCMW’s,aangevuld met casestudies naar goede praktijken bij acht OCMW’s en twee taal-gemengde focusgroepen van OCMW’s uit resp. grotere en kleinere steden engemeenten. Dit slothoofdstuk vat de voornaamste bevindingen vanuit deze drie-voudige onderzoeksopzet samen. Dit hoofdstuk is opgebouwd als volgt. In een eerste paragraaf brengen we devoornaamste bevindingen samen, vertrekkende van de websurvey. Dit kwantita-tieve beeld wordt aangevuld vanuit de bevindingen in de casestudies en de focus-groepen op basis van drie hoofdconclusies: (1) de dubbele finaliteit van sociale 79activering; (2) de toegankelijkheid voor een ruimere doelgroep dan enkel deOCMW-cliënten en (equivalent) leefloners; en (3) de noodzaak van beleidsmatigeen organisatorische verankering.8.1 Samenvattend overzicht van bevindingenEr bestaat in ons land geen geijkte definitie van sociale activering. In dit onder-zoek hebben we, geïnspireerd op de omschrijving in Nederland, dit begrip gedefi-nieerd als volgt: ‘het verhogen van de maatschappelijke participatie en het door-
  • 76. breken van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te onder- nemen: (1) ofwel als een doel op zich; (2) ofwel als een eerste stap in een traject voor socio-professionele inschakeling; (3) ofwel als een eerste stap in een (latere) betaalde tewerkstelling’. Aldus gedefinieerd, blijkt een overgrote meerderheid van de OCMW’s zich erin te herkennen. Toch bleek uit de focusgroepen dat ondanks deze genuanceerde omschrijving de term sociale activering eerder geduld wordt dan dat hij omarmd wordt door de betrokken OCMW-medewerkers. Onder meer het gebrek aan eenduidigheid en de connotatie met arbeidsactivering verklaren de reserve voor de term sociale activering. Een centrale bevinding van dit onderzoek is dat er onder deze noemer een grote waaier aan activiteiten worden opgezet voor een ruim doelpubliek, ruimer dan enkel de leefloners. Bovendien zetten de OCMW’s deze activiteiten op om verschillende doelen mee te bereiken, gevoed vanuit een ruimhartige dan wel verplichtende visie op activering als globaal doel, en elk vanuit de kenmerken van de eigen organisatie en gemeente of stad. Laten we beginnen met het veelvormige aanbod van activiteiten. De lange lijst wordt aangevoerd door recreatieve en socio-culturele activiteiten, individuele tegemoetkomingen voor deelname aan sportieve en culturele activiteiten of aanhoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen speelpleinen (de zogenoemde vrijetijdstoelages; cheque ‘art. 27’), vrijwilligerswerk en vorming of opleiding buiten de professionele sfeer. Veel minder van belang zijn de alternatieve tewerkstelling of trajectbegeleiding. Bij de Vlaamse OCMW’s komt verhoudingsgewijze het vrijwilligerswerk sterk op de voorgrond, naast de eerder genoemde vormen van alternatieve tewerkstelling. In Wallonië en Brussel domineren verhoudingsgewijze de workshops en praatgroepen. Specifiek voor Brussel zijn dan weer de kennismaking met sport of jeugdbeweging, vorming, participatiegroepen en wijkgroepen. Het zijn enkel de zeer kleine gemeenten waar een beperkt aantal OCMW’s helemaal geen activiteit voorziet. Met bovengenoemde activiteiten beogen de meeste OCMW’s een breed doel- publiek te bereiken. In niet minder dan 56,0% van de OCMW’s komt iedereen van de gemeente/stad in aanmerking voor sociale activering. Dit is meer het geval in Wallonië dan in Vlaanderen. Het geldt zowel voor de zeer kleine als voor de grote gemeenten, mogelijk omdat de kleinere OCMW’s het aanbod wel breder moeten openstellen wegens een beperkt doelpubliek binnen het OCMW, terwijl in de grote gemeenten het OCMW kan beschikken over de nodige capaciteit en midde-80 len om het aanbod breder open te stellen. Drie van de vijf OCMW’s in de vijf grootste steden van het land houden dan weer vast aan striktere doelgroepen, omdat daar zoals gekend de taakbelasting zeer groot is gezien het grote aantal steuntrekkers. De overige OCMW’s richten zich met hun aanbod tot OCMW- cliënten in de ruime zin van het woord, dus niet exclusief beperkt tot de leefloon- cliënten. Om de potentiële doelgroep te bereiken, wordt het huidige aanbod inzake sociale activering door een derde van de OCMW’s ‘eerder voldoende’ of ‘voldoende’ bevonden (met name in de grote gemeenten), en bij een ander derde
  • 77. ‘eerder onvoldoende’ of ‘onvoldoende’. Een kwart van de OCMW’s neemt hierbijeen neutrale positie in (aanbod is niet voldoende, niet onvoldoende). Vlaanderenen Wallonië vertonen een opvallend verschil: in Vlaanderen neigt het aanbod naar‘eerder onvoldoende’ tot ‘onvoldoende’, terwijl het aanbod in Wallonië neigt naar‘eerder voldoende’ of ‘neutraal’. Eenzelfde verdeeldheid stellen we vast binnen degroep OCMW’s in het Brussels gewest. Hoeveel deelnemers worden nu op jaarbasis bereikt met sociale activering? Opbasis van de antwoorden in de webenquête ging het in 2010 gemiddeld om228 deelnemers per OCMW. Dit cijfer kunnen we echter niet extrapoleren naar devolledige populatie van OCMW’s, aangezien de OCMW’s waar er überhaupt aleen dergelijk activiteitenaanbod aanwezig is vermoedelijk oververtegenwoordigdzijn in de respons. Bovendien konden een aantal meewerkende OCMW’s dezevraag niet beantwoorden bij gebrek aan registratiegegevens. Dat neemt niet wegdat voor de OCMW’s waarvan we de gegevens wel kennen we kunnen conclude-ren dat het bereik met sociale activering het aantal sociaal tewerkgestelden (art. 60)ruim overtreft: in 2010 zijn er driemaal zoveel deelnemers aan sociale activeringdan aan art. 60-projecten. In verhouding tot het totaal aantal (equivalent) leeflo- hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenners voor 2010, scoort sociale activering 35,7% in vergelijking met 11,2% voorart. 60-tewerkstelling. Van de deelnemers aan sociale activering zijn gemiddeldtwee op drie van de bevraagde OCMW’s van mening dat maximaal 30% potentieelin aanmerking zou komen voor activering naar betaalde arbeid. In Wallonië schatzelfs 71,5% van de OCMW’s het deelnemerspubliek in onder de 30%-drempel omtoegeleid te kunnen worden naar de arbeidsmarkt. Met andere woorden, met eengemiddelde van 28,4% potentieel bemiddelbaren gaat het overduidelijk om eenpubliek dat ver af staat van de arbeidsmarkt. Dit wijst alvast op de laagdrempelig-heid en toegankelijkheid van het aanbod. Ongeveer de helft van de OCMW’s zetfinanciële stimuli in voor de deelnemers (meer in Vlaanderen dan in Brussel enWallonië). Ook het proces verloopt weinig formeel: 70,1% gebruikt geen specifiekscreeningsinstrument; 64,3% doet aan evaluatie (vooral in grote en zeer grotegemeenten), hoewel lang niet altijd op basis van indicatoren (waarbij Vlaanderenvooral kwantitatieve indicatoren hanteert en Wallonië kwalitatieve). Met sociale activering streven de Belgische OCMW’s een veelheid aan doelenna: men tracht cliënten opnieuw in de samenleving te betrekken waardoor ze een 81beter gevoel krijgen, men tracht hun persoonlijke ontwikkeling te bevorderen enmen beoogt perspectieven te openen met betrekking tot tewerkstelling. Binnen dealgemeen heersende beleidsvisie waarin deze doelen zijn ingebed, wordt socialeactivering benaderd vanuit verschillende perspectieven. Deze kunnen wordenteruggebracht tot twee factoren: aan de ene kant de ruimhartige visie die meernadruk legt op de rechten, aan de andere kant de meer voorwaardelijke visie metnadruk op de plichten. Zo is ongeveer de helft van de bevraagde OCMW’s het(eerder) eens met de stelling dat men leeflooncliënten moet verplichten iets terug
  • 78. te doen voor hun uitkering. Aansluitend hierbij stellen we vast dat binnen 42,4% van de OCMW’s de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden een criterium is dat kan meespelen om de OCMW-uitkering te kunnen behouden. Uit nadere ana- lyse blijkt echter dat de OCMW’s die dit criterium hanteren, het niet noodzakelijk eens zijn met de stelling dat men leeflooncliënten moet kunnen verplichten om iets terug te doen voor hun uitkering. Met andere woorden, het verplichten om deel te nemen kan ook vanuit een ruimere rechtenbenadering worden gelegiti- meerd. Beide visies liggen in het verlengde van de kernopdracht die in de wetge- ving is vervat. Zo beweegt een OCMW tussen het doel van ‘realiseren van een menswaardig bestaan’ (cf. organieke wet op de OCMW’s) en het wederkerigheids- principe dat aan de basis ligt van activering (werkbereidheid zoals bepaald in de RMI-wet, gericht op bezoldigd werk). Beide functies komen samen voor bij soci- ale activering. Verder mag niet vergeten worden dat ook het beleid van het OCMW zelf in de ene of de andere richting kan duwen, evenals de voorhanden middelen voor socio-culturele participatie. Opvallend is wederom het verschil tus- sen de regio’s. OCMW’s in Vlaanderen en Brussel treden relatief meer de stelling bij dat ‘cliënten die de capaciteiten hebben om te werken, niet alleen het rechthoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen hebben maar ook de plicht om aan hun (arbeids)integratie mee te werken’. In Wallonië is er een beperkt aantal OCMW’s (7,4%) dat het ‘helemaal oneens’ is met deze stelling, in Vlaanderen en Brussel is voor deze stelling de mening ‘helemaal oneens’ onbestaande (0,0%). Bovendien blijken vooral kleine en zeer kleine gemeenten zich achter de stelling te scharen dat ‘het OCMW de leeflooncliënten moet kunnen verplichten iets terug te doen voor hun uitkering’: gemiddeld 49,1% van alle OCMW’s treedt dit bij, bij de zeer kleine is dit 61,8%. De meeste OCMW’s zetten eigen OCMW-middelen in. Voor het opzetten van sociale activering bestaan er verschillende subsidiemogelijkheden, zonder dat één enkel subsidie-instrument het geheel draagt. Uit welke externe bronnen zijn de middelen afkomstig? Vlaanderen verschilt hierin van Wallonië: in Vlaanderen worden meer federale middelen ingezet, in Wallonië meer regionale. In Brussel wordt geput uit beide. Bovendien maken de Brusselse OCMW’s hiervoor ook meer gebruik van het ESF als financieringsbron. Ten slotte blijkt dat hoe groter de gemeente, hoe meer verschillende bronnen kunnen worden benut.82 Voor de meerderheid van OCMW’s (72,3%) is sociale activering opgenomen in het beleidsplan, gelijk gespreid over Vlaamse en Waalse OCMW’s, en meer bij de grote en zeer grote steden. De eerste dienst binnen de OCMW’s die dit opneemt is de sociale dienst, vooral in Wallonië (2 op 3) en Brussel (3 op 4), minder in Vlaanderen (1 op 2): daar is het vooral de dienst begeleiding naar tewerkstelling. Dit kan samenhangen met de variatie in aanbod en doelgroep. Het gemiddeld aantal voltijds equivalenten bedraagt 4,2. Ongeveer de helft van de OCMW’s doet het met één voltijds equivalente medewerker, terwijl dit in de grote kan oplopen
  • 79. tot tien of meer. De OCMW’s zijn op allerlei manieren verweven in een bredernetwerk. Specifiek voor sociale activering wordt vooral samengewerkt met vzw’sen met de gemeente of stad, vooral in grotere gemeenten. Daarnaast rapporterende OCMW’s samenwerking met tal van andere actoren: vormings- en opleidings-organisaties, sociale economie, lokale welzijnsorganisaties en samenwerking metde arbeidsbemiddeling, dit laatste meer in Vlaanderen (VDAB) en Brussel (Acti-ris), minder in Wallonië (Forem).8.2 Conclusies en discussieDe belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat sociale activering bij de Belgi-sche OCMW’s een breed gewortelde praktijk is van collectieve activiteiten en indi-viduele tegemoetkomingen, waarmee zij een aanzienlijk aantal deelnemers berei-ken uit minder kansrijke groepen. Deze praktijk wordt gedragen vanuit een bredeopvatting over de eigen rol als OCMW, niet alleen in functie van tewerkstelling(het activeringsparadigma, gericht op het inspelen op arbeidsmarktnoden) maarook in functie van maatschappelijke participatie via betaalde arbeid (opnieuw het hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenactiveringsparadigma, gericht op het voorkomen van dualisering in desamenleving). Wat dit onderzoek bijkomend reveleert is dat deze rolopvatting nogverder reikt, want met deze praktijk schrijven OCMW’s zichzelf ook een rol toe infunctie van actieve participatie aan allerlei vormen van sociale, culturele en recrea-tieve activiteiten. Dit kunnen we plaatsen in het opkomend paradigma van ‘actiefburgerschap’, gericht op het bevorderen van sociale cohesie. Hiermee komen deOCMW’s dicht op het terrein van het sociaal-cultureel werk en het opbouwwerk.Conclusie 1: erkenning voor de dubbele gerichtheid van sociale activeringspraktijken, gericht oparbeidsparticipatie en gericht op actief burgerschap.De bevindingen in ons onderzoek houden een pleidooi in voor een brede opvat-ting van wat in dit onderzoek sociale activering wordt genoemd. In de enquêtestellen we vast dat OCMW’s hun activiteiten plaatsen binnen een drievoudig refe-rentiekader (cf. de werkdefinitie): participatie aan betaalde arbeid, participatie aanactiviteiten die voorbereiden op mogelijke arbeidsparticipatie, en participatie aanactiviteiten die ondersteunen bij het sociaal functioneren en als burger in de lokale 83gemeenschap. Vanuit de focusgroepen wordt deze drievoudige gerichtheid bena-drukt. Over de eerste twee functies is er een ruime consensus dat OCMW’s eenrol te spelen hebben in de activering naar tewerkstelling - een rol die de praktijk-verantwoordelijken binnen de OCMW’s in ons onderzoek ook onderschrijven.Maar de derde functie wordt minder erkend. Men vindt de term ‘activering’ overi-gens wat misleidend als het om deze laatste functie gaat, want het vigerende ‘acti-veringsdenken’ is nooit ver weg. OCMW’s ervaren namelijk een zekere mate vandruk, topdown vanuit de politiek maar soms ook bottom-up vanuit een cultuur-
  • 80. verandering bij maatschappelijk werkers, in de richting van het wederkerigheids- principe bij activering, om ‘sociale activering’ te zien als een eerste stap richting arbeidsactivering. Dit kadert binnen de RMI-wetgeving waar activeringstrajecten georiënteerd zijn naar tewerkstelling. De praktijk leert echter dat er een ruimere groep is voor wie arbeid (tijdelijk) geen optie (meer) is: ouderen (55+), nieuwko- mers met een gebrek aan elementaire taalkennis (waarvoor het bestaande aanbod niet volstaat), mensen met een psychiatrische problematiek of een multiproblema- tiek.27 Voor deze groep wordt sociale activering gerechtvaardigd vanuit zuiver sociale doelen: het opdoen van sociale contacten, het zich beter voelen, het ver- groten van zelfvertrouwen en zelfinzicht. De gesprekspartners van de OCMW’s in ons onderzoek verwijzen hiervoor expliciet naar de OCMW-wet van 8 juli 1976. Beide wetgevingen, de RMI- en de OCMW-wetgeving, benadrukken deze ver- schillende doelen en vormen een complementair wettelijk kader inzake sociale activering. We hebben dus te maken met een dubbelfunctie bij sociale activering waarbij er niet één maar twee finale oriëntaties kunnen bestaan: arbeidsparticipatie en sociale cohesie. Uit de goede praktijken leren we dat de ene finaliteit de andere nooit uitsluit. Bovendien kan eenzelfde OCMW beide finaliteiten nastreven enhoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen hiervoor onderscheiden activiteiten aanbieden (bv. een kookcursus om mensen uit sociaal isolement te halen en daarnaast een voortraject gericht op de latere door- stroom naar art. 60).Opmerkelijk is dat OCMW’s voor beide finaliteiten vaak socio-culturele (vormende) activiteiten inzetten. Dit fungeert als trigger, om inte- resse te wekken en deelnemers gemotiveerd te houden. Wel blijkt er een verschil te zijn tussen beide oriëntaties wanneer het aankomt op de vrijblijvendheid van sociale activering. Wanneer sociale activering gezien wordt als een opstap naar tewerkstelling wordt deelname vaker verplicht, in die zin dat deelname aan sociale activering één van de criteria kan zijn die kunnen mee- spelen in een beslissing tot schorsing van de uitkering. Dat wordt ook bevestigd in de focusgroepen en in de casestudies. Zo leert de praktijk van het OCMW in Gent dat verplichte deelname niet negatief hoeft te zijn, in de zin dat verplichten bevorderlijk kan zijn voor het groeien van een intrinsieke motivatie. Ook tijdens de focusgroepen werd benadrukt dat verplichte deelname evengoed gezien kan worden als een duwtje in de rug.84 Conclusie 2: toegankelijk houden van sociale activering voor een ruimere doelgroep dan enkel de (equivalent) leefloon-cliënten en het actuele OCMW-cliënteel. Nauw aansluitend bij de dubbele oriëntatie van sociale activering, komt dit onder- zoek tot de conclusie dat een ruimere doelgroepomschrijving te bepleiten is, veeleer dan de doelgroep te verengen tot de groep van (equivalent) leefloners die 27 Personen die langdurig te maken hebben met twee of meer samenhangende en elkaar versterkende problemen en die niet in staat zijn tot het ontwikkelen en voeren van een adequate regie ten aanzien van de beheersing of oplossing van het complex aan problemen, waardoor deelname aan de samenleving en de arbeidsmarkt problematisch is (Bosselaar et al., 2010).
  • 81. nog relevant kan zijn voor de arbeidsmarkt. Dit stemt het best overeen met dehuidige situatie van de OCMW’s, waarin men ook geconfronteerd wordt met soci-ale noden van een ruimere groep. Die ruimere groep, dat zijn ook OCMW-cliën-ten die niet onder de RMI-wetgeving vallen (zoals personen in schuldbemiddelingof uit rusthuizen), en zelfs personen die geen beroep doen op de dienstverleningvan het OCMW. Wat al deze categorieën gemeen hebben is dat zij behoren toteen kansarm publiek. Het ruim openstellen van sociale activering wordt onder-schreven door de OCMW’s. Wel wordt opgemerkt dat in de grote steden vaak aleen aanbod wordt gedaan voor deze groepen buiten het OCMW (door buurtwerk,socio-culturele organisaties e.d.), en dat OCMW’s vanuit het grote beroep op hetleefloon wel moeten voorrang geven aan bepaalde leeflooncategorieën. Voor dekleine OCMW’s speelt mee dat wanneer de potentiële doelgroep binnen hetOCMW te klein is, zij zich genoodzaakt zien om de deelname open te stellen vooriedereen. Het feit dat de doelgroep zich niet zou mogen beperken tot enkelOCMW-cliënteel of leefloners en equivalent leefloners, wordt door de OCMW’sverantwoord op basis van art. 1 van de OCMW-wet van 8 juli 1976: “Elke persoonheeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenstellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.” (eigen onderlij-ning). Naast deze wettelijke basis is er ook de praktijkvaststelling dat het werkenmet een brede groep van deelnemers - verschillende culturen, generaties, socialeachtergronden – bevorderlijk werkt voor sociale cohesie en integratie. Positieveeffecten zijn eveneens te onderscheiden op het niveau van de deelnemers (bv.meer zelfvertrouwen of een bredere kijk op de wereld verwerven). En last but notleast vormen deze activiteiten door hun laagdrempeligheid en brede toegankelijk-heid een rekruteringsbasis voor activering in functie van een latere hertewerkstel-ling. Dit zijn allemaal elementen om mee rekening te houden bij het uitwerken vaneen gepast financieel kader (zie onder). Het echte spanningsveld met betrekkingtot de doelgroep zit hem in de financiering. Het is niet binnen alle OCMW’s rea-listisch om het aanbod open te stellen voor iedereen. De middelen zijn, in ver-houding tot het aantal personen dat een beroep doet op de dienstverlening van hetOCMW, vaak te beperkt waardoor zowel grote als kleine OCMW’s zich somsenkel richten op (subgroepen van) het eigen cliënteel. 85Conclusie 3: een structureel en financieel kader voor sociale activering.Sociale activering mag dan al een breed gewortelde praktijk zijn, structureel enfinancieel is het dat niet. Positief is alvast dat de meeste OCMW’s het een plaatsgeven in het beleidsplan, maar dat betekent nog niet dat het een volwaardige plaatskrijgt. Meer erkenning en gedragenheid zijn wenselijk zowel op het federalebeleidsniveau als op het niveau van het OCMW-beleid en intern binnen OCMW’stussen diensten en maatschappelijk werkers. Te vaak draagt de aard van de activi-teiten (socio-cultureel, recreatief) er toe bij dat sociale activering te zeer als iets
  • 82. bijkomstigs wordt gezien waardoor de achterliggende meerwaarde onderbelicht blijft. Formalisering en structurele verankering kunnen hier een oplossing bieden. Verder verzekert een structurele verankering sociale activering van een plaats binnen de dienstverlening van het OCMW. Momenteel, in tijden van crisis, wordt de positie van sociale activering vaak als precair aangevoeld. Deze onzekerheid leidt tot een hoog personeelsverloop. Dit brengt een kwaliteitsvolle dienstverle- ning in het gedrang door het verlies van expertise en minder aandacht voor een vertrouwensband met de cliënt. Een structurele verankering opent eveneens nieuwe perspectieven wat betreft financiering. Uit het onderzoek blijkt dat OCMW’s momenteel genoodzaakt zijn sociale activering te financieren vanuit verschillende bronnen. Grote OCMW’s blijken zich te (kunnen) beroepen op een grotere diversiteit aan financierings- bronnen, onder andere omdat zij beschikken over gespecialiseerde diensten of personeel die zich kunnen toeleggen op het ‘bij elkaar sprokkelen’ van financiën. Concrete hefbomen voor financiering die in de toekomst meer ruimte kunnen maken voor sociale activering (hetzij collectief, hetzij individueel) zijn subsidies voor Socio-culturele Participatie en het Europees Sociaal Fonds. Naar schaal-hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen grootte leert het onderzoek dat sociale activering zowel een zaak is bij de grote als de kleinere OCMW’s. Financieringsinstrumenten kunnen specifieker stimuleren dat OCMW’s onderling samenwerken bij het opzetten van initiatieven. Ondanks deze voordelen is er ook weerstand tegen de structurele verankering en formalisering van sociale activering, onder meer omdat men de flexibiliteit, de mogelijkheid tot creativiteit wil behouden. Dit blijkt in de praktijk immers zeer belangrijk. De casestudies tonen aan dat men moet kunnen inspelen op de vragen, interesses en belemmeringen van de doelgroep en dat deze pas gaandeweg duidelijk worden. Daarnaast vreest men dat structurele verankering van sociale activering gepaard zal gaan met de vraag naar een kwantitatieve evaluatie van de resultaten. Hier staat men weigerachtig tegenover, zeker als die eenzijdig zou gericht zijn op deelne- mersaantallen of zou refereren naar doorstroomresultaten (voortraject naar werk) en uitstroomresultaten (tewerkstelling). Ten eerste vergt evaluatie veel (menselijke) middelen waarover de kleinere OCMW’s niet altijd beschikken. Ten tweede wil men niet afgerekend worden op outputmaatstaven zoals het aantal deelnemers.86 Dit zou ‘creaming’ immers in de hand kunnen werken, de allerzwaksten en moei- lijkst bereikbaren dreigen dan uit de boot te vallen. Bovendien kan het resultaat (outcome) meestal beter gevat worden in termen van ‘soft’ outcomes, resultaten zoals meer zelfvertrouwen of een grotere sociale cohesie. Deze zijn moeilijker te meten via kwantitatieve maatstaven. Evaluatie mag dan al wenselijk zijn, het is niet wenselijk om de OCMW’s hier buitensporig mee te belasten aangezien dit het laagdrempelige karakter van de activiteiten in het gedrang kan brengen en onge-
  • 83. wenste mechanismen van selectie kan creëren (bijvoorbeeld door enkel te focus-sen op de meest ‘actieve’ deelnemers).8.3 AanbevelingenTot slot formuleren we aanbevelingen op twee niveaus: het federale beleidsniveauen het OCMW- en lokaal beleidsniveau. Het federale beleidsniveau heeft vooraleen rol als facilitator van sociale activering. Deze rol kan ingevuld worden door denoodzakelijke voorwaarden te scheppen voor sociale activering zijnde een breeddraagvlak en de versterking van de legitimiteit van dit soort initiatieven, een wet-telijk kader dat sociale activering duidelijker naar voren schuift als mogelijke actiein functie van maatschappelijke integratie en de nodige financiële middelen voorwerkingskosten en personeel. Voor de concrete invulling van dit kader schuiven we het lokale beleidsniveau,de OCMW’s zelf, naar voren. Ondanks het feit dat OCMW’s vertrekken van eenzelfde wettelijk kader beschikken de OCMW’s in belangrijke mate over autonomieen initiatiefruimte voor de uitvoering van hun algemene opdracht. Deze bevoegd- hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenheid is belangrijk in het kader van sociale activering opdat optimaal aansluitinggevonden wordt bij de aanwezige doelgroepen, noden en de lokale context (in hetbijzonder het lokale netwerk van partners) en de reeds aanwezige diversiteit enrijkdom aan praktijken gehonoreerd worden. Eerder dan door de lokale praktijken te homogeniseren en te standaardiserenkan de federale overheid zijn faciliterende rol opnemen door het structurele kadervoor dergelijke initiatieven uit te klaren en samenwerking en uitwisseling vanexpertise tussen OCMW’s te stimuleren (des te meer omdat de aanwezige diversi-teit aan praktijken wijst op diversiteit in de achterliggende normatieve visie vanwaaruit de opdracht wordt geïnterpreteerd).8.3.1 Federaal beleidsniveauVersterk de legitimiteit van, en het draagvlak voor sociale activeringDe meerwaarde van sociale activering en de legitimiteit ervan als OCMW-initiatief 87zijn niet altijd even duidelijk voor het lokale beleid noch intern binnen OCMW’s.Sociale activeringsinitiatieven krijgen daardoor weinig erkenning en vrezen voorhun voortbestaan in huidige tijden van besparingen. De federale overheid kan eenbelangrijke rol spelen in het verbreden van het draagvlak voor sociale activering enhet versterken van de legitimiteit ervan. Ze kan een bijdrage leveren door sensi-bilisering rond de meerwaarde van sociale activering en zijn dubbele functie - eenbijdrage leveren aan arbeidsparticipatie en actief burgerschap en sociale cohesie –en de invulling van deze functies – via participatie aan betaalde arbeid, participatie
  • 84. aan activiteiten die voorbereiden op een mogelijke arbeidsparticipatie en partici- patie aan activiteiten die ondersteunen bij het sociaal functioneren als burger in de lokale gemeenschap. Deze kunnen in de kijker gezet worden via verschillende kanalen: de website, studiedagen waarop ervaringen uitgewisseld kunnen worden, de verspreiding van good practices, ... Men moet hierbij aandacht hebben voor het feit dat de term ‘sociale activering’ semantisch en symbolisch weerstand oproept. Deze term dekt immers verschil- lende ladingen (cf. de dubbele functie) en wordt door een deel van de OCMW’s te zeer geassocieerd met activering richting de arbeidsmarkt. Daarom moet de dub- bele gerichtheid van het begrip sociale activering expliciet benadrukt worden en in het bijzonder het belang en de legitimiteit van de initiatieven gericht op sociale cohesie en burgerschap. Deze worden nog al te vaak beschouwd als bezig- heidstherapie. Het zijn dus vooral dit soort initiatieven die erkend moeten worden. Veranker sociale activering wettelijk en structureel Door sociale activering structureel te verankeren, in te bedden als volwaardige opdracht van het OCMW neemt de overheid een duidelijk standpunt in over dehoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen nood aan en meerwaarde van sociale activering. De huidige wetgeving laat zeer veel ruimte voor interpretatie en het huidige beleidsdiscours is vaak gericht op tewerkstelling. Sociale activering is daardoor niet manifest aanwezig als mogelijke actie voor maatschappelijke integratie. Hoe deze opdracht binnen een OCMW wordt verankerd (bv. de oprichting van een aparte dienst of niet) kan best aan de OCMW’s zelf worden overgelaten aangezien de lokale context (bv. grootte van het OCMW, problematiek van de doelgroep, ...) hier bepalend is. Over de noodzaak om sociale activering te erkennen als één van de mogelijke acties in functie van de maatschappelijke integratie van cliënten is er een grote gelijkgestemdheid. Over de mate waarin deelname aan sociale activeringsacties verplicht kan worden en een voorwaarde kan worden voor het verkrijgen van een uitkering is er daarentegen verre van een consensus. Het feit dat er hierover verschillende opvattingen en praktijken zijn (in sommige OCMW’s is de bereid- heid om sociaal geactiveerd te worden een criterium dat kan meespelen om de uitkering al dan niet te kunnen behouden) brengt met zich mee dat sociale grond- rechten op verschillende wijzen tot uitvoering gebracht worden. Deze kwestie88 moet juridisch en politiek worden uitgeklaard. Daarenboven heeft dit onderzoek uitgewezen dat initiatieven en praktijken van sociale activering zich vaak niet exclusief richten op (equivalent) leeflooncliënten maar ook openstaan voor andere categorieën van OCMW-cliënten en zelfs ruimer voor inwoners van de gemeente, dit vanuit de gerichtheid op sociale cohesie en burgerschap.
  • 85. Voorzie permanente financiering van sociale activeringWanneer sociale activering ingebed wordt als volwaardige opdracht van hetOCMW moet hier uiteraard een volwaardige financiering tegenover staan. Dezefinanciering is een voorwaarde voor de erkenning van de legitimiteit van socialeactiveringspraktijken. Momenteel maken OCMW’s veelal gebruik van een mix aanfinancieringsbronnen waarvoor men telkens aan andere voorwaarden en criteriamoet voldoen. Bovendien zijn deze middelen meestal beperkt in de tijd. Hetsteeds opnieuw zoeken naar financieringsbronnen en het vervullen van de bij-behorende formaliteiten vraagt veel inspanning en personeelsinzet. Hieroverbeschikt niet elk OCMW in gelijke mate. Het is belangrijk dat men rekening houdtmet deze ongelijkheid bij het ontwerpen van een financieringskader.Inzake financiering hebben verschillende gesprekspartners van de OCMW’s meerconcrete aanbevelingen naar voren geschoven:1. verhoog de subsidies voor Socio-culturele Participatie. Deze subsidies worden nu al in sterke mate benut door de OCMW’s, vooral voor individuele acties. De wetgever zou een deel van deze subsidies kunnen voorbestemmen voor hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen collectieve acties van sociale emancipatie, maar dit mag niet ten koste gaan van de ondersteuning van individuele acties. Vandaag zijn het de OCMW’s zelf die over de allocatie van deze middelen beslissen;2. erken sociale activeringsinitiatieven wettelijk, vertrekkende van de subsidies voor Socio-culturele Participatie, of door deze praktijken financieel te erkennen, wat erop neer zou komen dat er voor elke persoon die deelneemt aan x activiteiten/uren per jaar een subsidie zou komen.Het is belangrijk om de werklast voor OCMW’s hierbij niet al te zeer te verzwarenmet administratieve verplichtingen. Sommige OCMW’s kiezen er nu immers voorom personeel/initiatieven voor sociale activering met eigen fondsen te financierenom de administratieve rompslomp te vermijden.Stimuleer samenwerking (tussen OCMW’s) en uitwisseling van expertiseWanneer de noodzakelijke beleidsvoorwaarden en het draagvlak voor het opzettenvan een aanbod inzake sociale activering gecreëerd zijn rest nog de ondersteuning 89van OCMW’s bij het uitwerken van dit aanbod. De kennis en expertise hiervoorzit momenteel besloten in die OCMW’s die reeds ervaring met sociale activerings-initiatieven hebben opgebouwd. Kwestie is dus deze kennis te ontsluiten doormaatregelen die samenwerking stimuleren en het verspreiden van good practicesen uitwisseling te faciliteren. Hiervoor kan het relevant zijn om een handboek tepubliceren met bestaande goede praktijken (gaande van kookcursussen, overgroepsactiviteiten tot praatgroepen) en mogelijke financieringsbronnen (ESF,
  • 86. subsidie voor Socio-culturele Participatie, Artikel 27, eigen fondsen, samenwerking met vzw, enz.) ter inspiratie. 8.3.2 OCMW- en lokaal beleidsniveau 8.3.2.1 Inbedding Kies voor lange termijn projecten Lange termijnprojecten zullen doorgaans meer ‘return on investment’ bieden dan korte termijn projecten omdat het enige tijd duurt alvorens een initiatief echt van de grond komt. Sociale activeringsinitiatieven hebben tijd nodig om te experimen- teren en te groeien zowel naar bereik als inhoudelijk. Bovendien bieden lange ter- mijn projecten medewerkers meer zekerheid waardoor personeelsverloop inge- perkt kan worden en aldus de kwaliteit van initiatieven bevorderd. Het opzetten van een lange termijnproject geeft bovendien een signaal van engagement aan de doelgroep.hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen Formuleer zowel lange als korte termijndoelstellingen voor het initiatief Lange termijndoelstellingen expliciteren het nut en de meerwaarde van een initia- tief (bv. sociale cohesie; de doelgroep stappen laten zetten richting de arbeids- markt). Het formuleren van meer concrete doelstellingen op korte termijn (bv. het organiseren van twee buurtfeesten per jaar; vooruitgang op vlak van arbeidsmarkt- competenties) biedt houvast aan de medewerkers en toont sceptici dat er wel degelijk stappen worden gezet om de lange termijndoelen te bereiken. Laat flexibiliteit toe in de projectaflijning Flexibiliteit inzake doelgroep, inhoud, tempo, organisatie enz. is nodig om te kunnen inspelen op de noden en interesses van de doelgroep. Deze worden pas gaandeweg duidelijk waardoor experimenteerruimte nodig is. Daarnaast is flexi- biliteit wenselijk om ervoor te zorgen dat het project niet uitsluitend wordt bijvoorbeeld door strikte leeftijdsgrenzen.90 8.3.2.2 Kwaliteit Voorzie evaluatie, maar kies voor een manier van evalueren die niet standaardiseert of uitsluit, door niet eenzijdig de nadruk te leggen op kwantitatieve indicatoren Aandacht schenken aan evaluatie zorgt ervoor dat het nut en de meerwaarde van het project in beeld blijven. Hierbij is het echter belangrijk om niet eenzijdig te evalueren op basis van kwantitatieve criteria zoals deelnemersaantallen, door- stroom of uitstroom. Een evaluatie moet ook aandacht schenken aan kwalitatieve
  • 87. indicatoren zoals de tevredenheid van de deelnemers (bv. over de frequentie vanactiviteiten, de duur, de inhoud van de activiteiten, de begeleiders, ... ) en effectenop niveau van de deelnemers. Deze worden idealiter gerapporteerd door de deel-nemers zelf of worden gecombineerd met de percepties van de maatschappelijkwerkers die het initiatief uitvoeren. Dit kan aan de hand van een bevraging bij dedeelnemers of aan de hand van meer uitgewerkte indicatoren bijvoorbeeldgedragsindicatoren die vooruitgang op het vlak van bepaalde competenties in kaartbrengen. Hierbij willen we tenslotte nog opmerken dat om aandacht te kunnenschenken aan evaluatie ook de nodige middelen ter beschikking gesteld moetenworden, middelen (vooral menselijke) waarover kleinere OCMW’s momenteel nietaltijd beschikken.8.3.2.3 SamenwerkingWerk samenSamenwerking kan tegemoet komen aan verschillende knelpunten die deOCMW’s aankaarten: gebrek aan personeel, gebrek aan financiële middelen, klein- hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingenschaligheid van OCMW’s, ... Externe samenwerking – bijvoorbeeld met andereOCMW’s, de gemeente of stad, verenigingen – maar ook interne samenwerkingtussen de verschillende OCMW-diensten bieden belangrijke financiële enorganisatorische voordelen. Samenwerking zorgt voor complementariteit, moge-lijke schaalvoordelen, het voorkomt overlappingen in aanbod en biedt mogelijk-heden om lasten – zowel organisatorisch, budgettair als administratief – te ver-delen. Organisatorisch kan er beroep gedaan worden op partners voor expertise,toeleiding, technische ondersteuning, infrastructuur, ... Wanneer partners voorformele of vergaande samenwerking moeilijk gevonden worden kan men ijverenvoor informele of meer bescheiden samenwerkingen die weinig engagement vande partner vragen zoals het gebruik van een lokaal of het doorverwijzen vangeïnteresseerden naar het initiatief.8.3.2.4 DoelgroepKies voor een gemengde doelgroep, met zowel OCMW als niet-OCMW cliënten 91Een belangrijke meerwaarde van sociale activeringsinitiatieven is het sociaalcontact en netwerk dat deelnemers er kunnen uitbouwen en de steun en raad vanlotgenoten die men er kan vinden. Toch heeft ook een gemengde doelgroep vanOCMW en niet-OCMW cliënten belangrijke voordelen. Het sociaal netwerkwordt dan niet alleen vergroot maar ook verbreed, het voorkomt stigmatisering enwordt door de deelnemers als verrijkend ervaren. Ook een mix van culturen,achtergronden en leeftijden werkt verrijkend.
  • 88. Stem de inhoud en organisatie af op de doelgroep, werk vraaggericht Probeer het initiatief al van bij de start zo goed mogelijk af te stemmen op de reële noden van de doelgroep en hiaten in het aanbod. Dit kan door voor de opstart de potentiële doelgroep, zijn noden en het bestaande aanbod in kaart te brengen bijvoorbeeld via inwonersstatistieken, een enquête naar de noden van de doel- groep, een overleg met lokale organisaties en verenigingen rond een bepaalde doelgroep of thematiek, ... Zorg er daarnaast voor dat het tijdstip en de locatie van het initiatief afgestemd zijn op de doelgroep. Eens het initiatief gestart is kan de afstemming verfijnd worden door deel- nemers zelf input te laten leveren bijvoorbeeld inzake activiteiten of aanpak. Vraag hen hier geregeld naar hetzij formeel, bijvoorbeeld op een evaluatiemoment, of op een meer informele manier. De ervaring leert dat de doegroep dit vaak moeilijk vindt. Om hen hierbij op weg te zetten kan vertrokken worden van een duidelijk kader voor het project met daarbinnen al een aantal concrete suggesties voor thema’s of activiteiten. 8.3.2.5 Toeleiding en laagdrempeligheidhoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen Zorg voor toeleiding via diverse kanalen en vindplaatsgerichte technieken Het persoonlijk aanspreken van de doelgroep is een krachtig medium. Zorg er daarom minimaal voor dat alle medewerkers binnen het OCMW op de hoogte zijn van het initiatief zodat zij potentiële deelnemers gericht kunnen aanspreken. Een tweede kanaal is een netwerk van organisaties, dienstverleners, verenigingen, scholen enz. die met de doelgroep in contact komen. Via dit netwerk kan de doel- groep opnieuw persoonlijk worden aangesproken en kunnen flyers en posters verspreid worden. Een derde mogelijk kanaal is het organiseren van een aantrek- kelijke activiteit of evenement om de werking bekend te maken bij de doelgroep bijvoorbeeld een workshop graffiti spuiten voor de bekendmaking van een jongerenwerking. Daarnaast zijn er nog de meer klassieke kanalen zoals de lokale media (televisie- en radiostations, kranten en magazines), websites en sociale media. Flyers en uitnodigingen kunnen ook meer gericht verstuurd worden naar de potentiële doelgroep of aan de deur worden afgegeven. Ten slotte is er nog mond-tot-mondreclame.92 Hou de drempel voor deelname laag Denk hierbij aan deelnamekosten maar ook aan andere drempels zoals mobiliteit of kinderopvang. Voorzie bijvoorbeeld carpooling, laat kinderen toe tot activi- teiten, organiseer de activiteiten op tijdstippen die passen in het dagschema van de doelgroep. Andere drempelverlagende voorbeelden zijn het initiatief laten door- gaan op een locatie die de doelgroep kent en in een gezellige ruimte, de aan- wezigheid van een maatschappelijk werker die men al kent, een warme ontvangst
  • 89. met een tas koffie, ... Een laatste inspirerend voorbeeld is het uitnodigen van eenklasgroep of vereniging om samen met de leraar of begeleider kennis te komenmaken met een initiatief. Naast het verlagen van de drempel kan de doelgroepover de drempel geholpen worden door incentieven zoals een deelnemers-vergoeding, een gratis maaltijd of tussendoortje.Zorg voor de continuïteit en regelmaatLange onderbrekingen zoals tijdens de zomervakantie zorgen ervoor dat de doel-groep opnieuw de drempel voor deelname over moet. Het initiatief laten doorgaanop regelmatige tijdstippen en het vermijden van onderbrekingen helpen om deband met de doelgroep niet te verliezen en zo uitval te vermijden.Hanteer een outreachende en aanklampende aanpakEen dergelijke aanpak zorgt er voor dat uitval vermeden wordt. Men kan deel-nemers bijvoorbeeld een sms sturen ter herinnering aan de reguliere werking, aaneen meer specifieke eenmalige activiteit, of wanneer ze niet opdagen op het uurvan afspraak. Een ander voorbeeld van deze aanpak is het contacteren van deel- hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingennemers wanneer ze gedurende lange tijd niet meer opdagen bv. via een telefoontjeof zelfs een huisbezoek.8.3.2.6 MedewerkersZorg voor enthousiaste, gemotiveerde en geëngageerde medewerkersDe medewerkers zijn het uithangbord van een initiatief en hun enthousiasme kanaanstekelijk werken voor (nieuwe) deelnemers. Laat hen dit enthousiasme, engage-ment en motivatie behouden door hen voldoende creatieve ruimte en vrijheid telaten voor de invulling van het project. Zorg langs de andere kant voor opvolgingen ondersteuning bijvoorbeeld in de vorm van intervisies. Zorg ervoor dat mede-werkers erkenning krijgen voor hun inspanningen ook van collega’s binnen anderediensten van het OCMW.Zorg voor een teamwerkingWanneer een initiatief gedragen wordt door een team van medewerkers verzekert 93dit de nodige creatieve input, ondersteuning, een klankbord. Door expertise teverdelen over meerdere personen helpt een teamwerking de continuïteit van hetproject te verzekeren wanneer medewerkers wegvallen. Ook heeft het voordelenvoor de continuïteit binnen het project doordat er steeds een, reeds door de doel-groep gekende, medewerker kan invallen. Hierbij willen we opmerken dat eenteamwerking ook mogelijk is voor kleinere initiatieven door een aantal deeltijdsemedewerkers in te zetten.
  • 90. Laat medewerkers hun taak combineren met andere taken die aansluiten bij de problematiek van de doelgroep Door medewerkers taken inzake sociale activering te laten combineren met andere taken binnen het OCMW die aansluiten bij de problematiek van de doelgroep wordt een win-win situatie gecreëerd. De medewerker wordt een laagdrempelig aanspreekpunt van andere diensten binnen het OCMW en kan toeleiden in beide richtingen. 8.4 Sporen voor vervolgonderzoek Het onderzoek waarover in dit rapport verslag wordt gedaan is exploratief van aard: het verkent een terrein van de werking van de OCMW’s in België dat tot hiertoe weinig of niet in de beleidsaandacht is gebracht. Een centrale aanbeveling die uit het onderzoek kan worden gedaan is dat er best werk wordt gemaakt van een structureel en financieel kader voor sociale activering omdat dit bijdraagt aan de kernopdracht van het OCMW. Met een mogelijk beleidskader gaat de vraag gepaard naar normering en criteria van toegang, kwaliteit en resultaten. Dezehoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen normen zijn van belang voor een mogelijk subsidiëringssysteem, dat voldoende geënt is op de reële situatie en noden. Met volgende suggesties voor verder onder- zoek kan hiertoe alvast een bijdrage worden geleverd. 1. Multivariate analyse van verklarende factoren voor verschillen in bereik tussen de OCMW’s. In dit onderzoek hebben we de participatie aan sociale activering geanalyseerd op basis van volgende drie variabelen: regio, schaalgrootte en algemene visie op acti- vering. Verdere multivariate analyse moet duidelijk maken in hoeverre gevonden univariate verschillen (bv. tussen regio’s) worden verklaard vanuit andere kenmer- ken met betrekking tot de omgeving, de populatie en het OCMW zelf. We denken hiervoor aan volgende variabelen: - de rol van de omvang en vooral ook de samenstelling van de populatie van OCMW-cliënten die een belangrijke (zij het niet de enige) doelgroep vormt voor sociale activering. Hiervoor kan een koppeling gemaakt worden met data van de POD MI inzake leeftijd, geslacht, herkomst, aandeel studenten, aandeel alleen-94 staanden, et al.; - de rol van omgevingskenmerken zoals werkloosheidsgraad of vraag op de arbeidsmarkt in verhouding tot aanbod van werkzoekenden; - een meer fijnmazige indicator voor schaalgrootte, onder meer op basis van de verstedelijkingsgraad (morfologisch en functioneel); - de mate en aard van arbeidsactivering door het betrokken OCMW. Met deze variabelen kunnen vervolgens modellen worden geschat die toelaten meer robuuste bevindingen te presenteren dan in dit rapport mogelijk was.
  • 91. 2. Bevraging van de deelnemers naar profiel en motieven, kwaliteit van het aanbod en resulta- ten van deelname.De huidige praktijk van sociale activering is in dit onderzoek in kaart gebracht opbasis van informatie verworven bij de OCMW-verantwoordelijken (websurvey,casestudies en focusgroepen). Een bevraging bij de deelnemers aan de activiteitenzelf zou een complementair inzicht kunnen geven in de deelnemers en in de kwa-liteit van het aanbod. Vandaar het voorstel voor een enquête bij de deelnemerszelf. Deze zou zich op twee aspecten kunnen focussen: enerzijds het profiel, denoden en de motieven bij de deelnemers en anderzijds de kenmerken, de kwaliteiten de resultaten van het aanbod zoals ervaren door de deelnemers. Hiervoor iseen rechtstreekse bevraging bij de deelnemers wenselijk. Gezien de grote variatietussen OCMW’s zou dit een voldoende ambitieus survey-opzet vergen. We zijnvan mening dat dit gerechtvaardigd is, omdat de mening van de deelnemer al tevaak miskend blijft en ook de OCMW’s hierin een inspiratie en aanmoedigingkunnen vinden voor de vernieuwing en de continue verbetering van het aanbod. hoofdstuk 8 | Algemene conclusies en beleidsaanbevelingen 95
  • 92. - BIJLAGEN -
  • 93. bijlage 1 Vragenlijst webenquête(Nederlandstalige versie)     bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) 99
  • 94. Websurvey i.v.m. ‘sociale  activering’ bij de Belgische  OCMW’s   Inleiding  Waarom dit onderzoek?  Sociale activering van OCMW‐cliënten is een praktijk die meer en meer voor‐ komt.  Voorbeelden  zijn  cliënten  die  als  vrijwilliger  actief  zijn  in  OCMW‐ diensten of deelnemen aan socio‐culturele activiteiten georganiseerd of aan‐ gebracht door het OCMW. Heel wat OCMW’s doen op dit vlak inspanningen,  ook  al  wordt  het  niet  noodzakelijk  benoemd  als  ‘sociale  activering’.  Om  zich bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) een systematisch beeld te vormen van deze praktijken, laat de Staatssecreta‐ ris  bevoegd  voor  Maatschappelijke  Integratie  dit  onderzoek  uitvoeren.  Dit  onderzoek wordt uitgevoerd door het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid  en  Samenleving)  van  de  KU Leuven,  samen  met  het  Centre  d’études  socio‐ logiques (CES) van de FUSL (Facultés Universitaires Saint‐Louis, U.C.L.).   Deze  websurvey  heeft  tot  doel  de  omvang,  het  aanbod,  de  doelgroep  en  de  ervaringen  van  OCMW’s  inzake  sociale  activering  in  kaart  te  brengen.  Voor  deze websurvey worden alle OCMW’s in België aangeschreven. Het is belang‐ rijk dat ook uw OCMW meedoet. In het najaar volgen nog casestudies bij een  beperkt  aantal  OCMW’s  om  goede  praktijken  en  succesfactoren  van  sociale  activering meer in de diepte te kunnen bestuderen.  Wat bedoelen we met sociale activering in deze websurvey? 100 Met sociale activering van OCMW‐cliënten doelen we in dit onderzoek op “het  verhogen van de maatschappelijke participatie en het doorbreken van sociaal  isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te ondernemen, 1) ofwel  als  een  doel  op  zich;  2)  ofwel  als  een  eerste  stap  in  een  traject  voor  socio‐ professionele inschakeling; 3) ofwel als een eerste stap in een (latere) betaal‐ de  tewerkstelling”.  Sociale  activering  kan  aldus  duidelijk  onderscheiden  wor‐ den van arbeidsmarktactivering.  
  • 95. Wie vult deze vragenlijst in? Deze vragenlijst is gericht tot het hoofd van de dienst die verantwoordelijk is voor sociale activering. In het geval dat er geen dergelijk diensthoofd is richten we ons tot de persoon die best geplaatst is om deze enquête in te vullen. Deze enquête  wordt  anoniem  verwerkt  en  de  resultaten  zullen  op  een  geaggre‐geerd  niveau  geanalyseerd  worden.  We  beogen  dus  geenszins  een  evaluatie van uw OCMW.  De meeste vragen kan u beantwoorden door het antwoord van uw keuze aan te kruisen. Indien u bij eenzelfde vraag meerdere antwoorden kan aankruisen, wordt  dit  expliciet  vermeld.  De  instructies  die  bedoeld  zijn  voor  het  invullen van  de  vragenlijst  zijn  telkens  schuin  gedrukt.  De  enquête  neemt  ongeveer 30 minuten in beslag. Voor  bijkomende  inlichtingen  kan  u  steeds  terecht  bij  Greet  Van  Dooren (HIVA)  via  sociale.activering@hiva.kuleuven.be  of  op  het  nummer:  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie)016/32.31.38.     101
  • 96. Identificatiegegevens  1. Deze enquête heeft betrekking op het OCMW van:  a) Gemeente: ……………………………………………………………………………  b) Postnummer: ……………………………………………………………………………  (Deze gegevens zijn nodig om nadien interessante cases te kunnen selecteren  voor een bijkomende bevraging en eventuele provinciale / regionale verschillen  tussen OCMW’s te detecteren. De enquêtes worden uiteraard anoniem ver‐ werkt.)  2. Functie van de persoon die deze enquête invult (meerdere antwoorden  mogelijk indien deze vragenlijst ingevuld werd door meerdere personen):  a) Secretaris of wnd. Secretaris bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) b) Voorzitter  c) Hoofd van de volgende  dienst:…………………………………………………………………………………………  d) Maatschappelijk werker  e) Andere:…………………………………….…………………………………  Wat is sociale activering? Aanbod  Een eerste reeks vragen heeft betrekking op het feitelijke aanbod van soci‐ ale activering in uw OCMW. Zoals in de inleiding gezegd, het gaat om de  louter sociale activering van uw cliënten en niet om de professionele acti‐102 vering.   3. In deze enquête definiëren we sociale activering als:  “het verhogen van de maatschappelijke participatie en het doorbreken  van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te onder‐ nemen, 1) ofwel als een doel op zich; 2) ofwel als een eerste stap in een 
  • 97. traject voor socio‐professionele inschakeling; 3) ofwel als een eerste stap  in een (latere) betaalde tewerkstelling”.  Stemt dit overeen met wat uw OCMW hieronder verstaat?  a) Ja  b) Neen, mijn OCMW verstaat hieronder  ……………………………………….………………………………….........................  ……………………………………………………….…………………………………………… …………….…………………….…………….……………………….………………………… …………….………………………………………………………….…………………………… …………………………….………………………………………………….……………………  Voor het invullen van de rest van deze vragenlijst dient u zich te baseren  op de definitie van sociale activering zoals in deze enquête geformuleerd:   bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) “het verhogen van de maatschappelijke participatie en het doorbreken  van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te onder‐ nemen, 1) ofwel als een doel op zich; 2) ofwel als een eerste stap in een  traject voor socio‐professionele inschakeling; 3) ofwel als een eerste stap  in een (latere) betaalde tewerkstelling”. 4. Welke types activiteiten worden ingezet voor sociale activering door uw  OCMW, al dan niet in samenwerking met anderen? (meerdere antwoor‐ den mogelijk)  a) Socio‐culturele en recreatieve activiteiten;  b) Vrijetijdstoelages;  c) Kennismaking met sport(clubs)/jeugdbeweging;  103 d) Praatgroepen om uit sociaal isolement te raken;  e) Cliënt participatiegroepen;  f) Wijkgerichte groepswerking;  g) Workshops; 
  • 98. h) Vorming of opleidingen zonder dat het doel professionele  inschakeling is;  i) Vrijwilligerswerk;  j) Andere:  ………………………………………………………………………………………………………  ……………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………  k) Geen enkele activiteit (ga naar volgend onderdeel van de vragen‐ lijst: Knelpunten m.b.t. sociale activering)  Sociale activering voor wie? Doelgroep  Een tweede reeks vragen behandelt de doelgroep: wie behoort tot de doel‐bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) groep, hoeveel personen worden bereikt, hoe wordt er toegeleid, is er sprake  van financiële stimuli en heeft sociale activering een verplichtend karakter?  5. Wie komt in de praktijk in aanmerking voor sociale activering?  a) Iedereen  b) Welomschreven categorieën, namelijk:  ………………………………………………….………………………………………………… …….…………………………………………………….………………………………………… …………….……………………………………………………….……………………………… …………………………………………………………………………………………………....  6. In welke mate volstaat het huidige aanbod van uw OCMW inzake sociale  activering om de potentiële doelgroep te bereiken? Het aanbod is … 104 a) Onvoldoende  b) Eerder onvoldoende  c) Niet voldoende, niet onvoldoende  d) Eerder voldoende 
  • 99. e) Voldoende 7. Hoeveel personen (ongeveer) werden in 2010 door uw OCMW bereikt  met sociale activering?  a) ………………………….(aantal)  b) Weet niet 8. Hoeveel percent van de personen die in 2010 door uw OCMW bereikt  werden met sociale activering kwamen potentieel in aanmerking voor  activering naar de arbeidsmarkt (ongeveer)?  a) …………………………. %  b) Weet niet Toeleiding  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie)9. Worden er specifieke instrumenten gebruikt om cliënten te identificeren  en toe te leiden naar sociale activering?  a) Neen (ga naar vraag 11)  b) Ja, namelijk:  …………………………………………………………………………….………………………  ……………………………………………………………………………………………….…… 10. Indien ja, wanneer worden deze instrumenten ingezet?  a) Enkel bij intake  b) Bij intake en op latere tijdstippen  105Financiële stimuli en verplichtend karakter 11. Krijgen (sommige) cliënten binnen uw OCMW een vergoeding voor  participatie aan sociale activering?  a) Neen 
  • 100. b) Ja, volgende vergoeding:  ……………………………………………………………………………………  12. Is de bereidheid om sociaal geactiveerd te worden momenteel een crite‐ rium dat kan meespelen om de OCMW‐uitkering al dan niet te kunnen  behouden?  a) Neen  b) Ja  Sociale activering waarom? Achterliggend kader  Een derde reeks vragen heeft betrekking op het achterliggend kader voor soci‐ ale activering, het beleid dat uw OCMW voert in verband met sociale active‐ ring: de doelen, de visie, en de resultaten. bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) 13. Op welk regelgevend kader baseert uw OCMW zich voornamelijk voor het  opzetten en organiseren van sociale activering? (meerdere antwoorden  mogelijk)  a) Organieke wet 8 juli 1976, “de OCMW‐wet”  b) RMI‐wet 26 mei 2002, “de leefloonwet”  c) Andere wetten, namelijk:  ……………………………………………………………………………………….............  d) Decreten, namelijk:  ……………………….……………………….……………………….……………………….…  e) Rondzendbrieven, namelijk: 106 ……………………….……………………….……………………….………………….........  f) Conventies, namelijk:  ……………………….……………………….……………………….………………………….  g) Koninklijke Besluiten, namelijk:  ……………………….……………………….……………………….…………….............. 
  • 101. h) De beleidsbeslissing van het OCMW zelf  i) Andere, namelijk:  ……………………….……………………….……………………….……………………….…  ……………………….……………………….……………………….……………………….… 14. Is het thema sociale activering opgenomen in het beleidsplan van uw  OCMW?  a) Neen  b) Ja 15. Wat wil uw OCMW concreet bereiken met activiteiten inzake sociale  activering ? (meerdere antwoorden mogelijk)   Wij willen met ons OCMW bereiken dat …  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) a) cliënten voorbereid zijn op een professioneel traject, een sociale  tewerkstelling of een tewerkstelling op de reguliere arbeidsmarkt  b) cliënten het gevoel krijgen er opnieuw bij te horen in de samenle‐ ving   c) we als OCMW onze dienstverlening verbeteren in functie van de  noden van de cliënten  d) cliënten zich beter gaan voelen   e) cliënten uit hun sociaal isolement gehaald worden  f)  cliënten zich persoonlijke ontwikkelen  107 g) cliënten zelfredzamer worden   h) Andere: ……………………… 16. Binnen welke algemene beleidsvisie op activering passen deze concrete  doelen?   Geef aan in welke mate de volgende uitspraken overeenkomen met de  beleidsvisie (expliciet of impliciet) van uw OCMW. (Aankruisen wat past) 
  • 102. Binnen ons OCMW vinden wij  Hele‐ Eer‐ Niet  Eer‐ Hele‐ dat …  maal  der  eens /  der  maal  on‐ on‐ niet  eens  eens  eens  eens  on‐ eens  a) cliënten die de capaciteiten  hebben om te werken niet  alleen het recht hebben,  maar ook de plicht om mee  te werken aan hun  (arbeids)integratie.  b) ons OCMW de  leeflooncliënten moet kun‐ nen verplichten iets terug te  doen voor hun uitkering. bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) c) ons OCMW de taak heeft om  integratie te bevorderen  vanuit de realisering van  sociale grondrechten.  d)  ons OCMW de taak heeft  het sociaal weefsel in de  gemeente of stad te ver‐ sterken.  e) ons OCMW de taak heeft de  arbeidsintegratie van de  cliënten te bevorderen. 108 f) ons OCMW de taak heeft  activering te bevorderen  vanuit een ‘empowerment’  visie. 
  • 103. g) alle cliënten maximaal de  kans moeten krijgen om hun  kennis, vaardigheden en  attitudes te ontwikkelen.  h) ons OCMW de taak heeft  elke cliënt de mogelijkheden  te geven een leven te leiden  dat beantwoordt aan de  menselijke waardigheid.     17. Worden de resultaten van sociale activering geëvalueerd in functie van  het beleid van uw OCMW?  a) Neen (naar vraag 19)  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) b) Ja 18. Worden hiervoor indicatoren gebruikt (bv. aantal personen bereikt met  sociale activering, welzijn van de cliënten, …)?  a) Neen  b) Ja, namelijk:  ………………………..………………………..………………………..………………………..  ………………..………………………..………………………..………………………..……… ………………………..………………………..………………………..……………………….. ……………………..………………………..……………………..………………………..…… ………..………………………..……………………..………………………..………………...  109Sociale activering, hoe? Organisatie van het aanbod  Een vierde reeks vragen heeft betrekking op de manier waarop sociale active‐ring van cliënten binnen uw OCMW georganiseerd wordt: de interne organisa‐tie (d.i. binnen de OCMW‐werking), de externe organisatie (d.i. de relatie van het OCMW tot andere lokale actoren) en de financieringsbronnen.  
  • 104. Interne organisatie  19. Hoeveel personeelsleden binnen uw OCMW besteden (een deel van hun )  tijd aan het opzetten en organiseren van sociale activering?  a) ..….(aantal) voltijdse equivalenten  b) Weet niet  20. Zijn er binnen uw OCMW gespecialiseerde diensten die zich bezighouden  met het aanbod en/of de cliënten in het aanbod van sociale activering?  a) Neen  b) Ja, namelijk:  Naam van de dienst  Dienst 1: bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) ………………………………………………………………  Dienst 2:  ………………………………………………………………  Dienst 3:  ………………………………………………………………       110
  • 105. Externe organisatie   21. Met welke actoren  22. Indien er samen‐ werkt uw OCMW  werking is: Is dit  samen i.v.m. soci‐ een formele sa‐ ale activering?  menwerking (op  (aankruisen wat past)  basis van een  schriftelijke over‐ eenkomst)?   (aankruisen wat past) Geen     Andere OCMW’s     Gemeente/stad     Vzw’s     Zelforganisaties     Lokale welzijnsorgani‐    saties Lokale vormings‐ en      bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie)opleidingspartners Lokale initiatieven uit     de sociale economie Werkgevers in de pri‐    vate sector Lokale plaatsingsdien‐    sten (Forem, VDAB, Actiris) Lokale uitzendbureaus     Sectorfondsen     Andere:…     Andere:…     Andere:…     Andere:…     Andere:…      111Andere:…      
  • 106. Financiering  23. Wat is het aandeel (ongeveer)van de directe bestedingen door uw OCMW  voor sociale activering in verhouding tot het totale werkingsbudget van  uw OCMW, rusthuizen e.d. niet meegerekend?   a) ......%   b) Weet niet  24. Wat zijn de financieringsbronnen voor sociale activering? (meerdere ant‐ woorden mogelijk)  a) OCMW zelf  b) Federaal  c) Regionaal bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) d) ESF   e) Nationale Loterij   f) Stichtingen  g) Andere:  …………………………….…………………………….…………………………….……………  ………………………………………….…………………………….…………………………….  Goede praktijken  Een vijfde reeks vragen heeft betrekking op goede praktijken in verband met 112 sociale activering.  25. Kan u een voorbeeld geven van een concreet initiatief of een concrete  praktijk van uw OCMW, al dan niet in samenwerking met anderen, dat u  als een goede praktijk in verband met sociale activering beschouwt?  a) Neen (ga naar vraag 28) 
  • 107. b) Ja, met name: c) Naam van het initiatief/praktijk:  …………………………………………………………………………………………………. d) Wanneer:   i. Looptijd van het initiatief/praktijk: …………………… (van  maand/jaar tot maand/jaar) e) Voor wie:  i. (sub)doelgroep(en):  ii. Hoeveel cliënten (ongeveer) uit uw OCMW‐bestand  namen gedurende de eerste zes maanden van dit  jaar deel aan dit initiatief/werden bereikt door deze  praktijk?  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) .....................(aantal)  Weet niet  Niet van Toepassing f) Hoe:   i. Samenwerking met andere organisaties, met name:  ……………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………….......  ii. Geen samenwerking met andere organisaties  113g) Wat, korte omschrijving van het initiatief/praktijk:  ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………
  • 108. ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………  h) Website met meer informatie over het  initiatief/praktijk:….………………………………………….  26. Wat maakt dit initiatief/praktijk zo succesvol? (bv. groeps/individuele wer‐ king; partnerschap; doelgroepgericht; inzet; etc.)  ……………………………………………………………………………………………………….............  ………………………………………………………….……………………………………………………… ………………………………….………………………………………………………….…………………… …………………………………………………………………….…………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) ……………………………………………………………………..……………………………………………  27. Mogen wij u hiervoor contacteren in de volgende fase van het onderzoek?  a) Liever niet  b) Ja  Knelpunten m.b.t. sociale activering   Een laatste reeks vragen heeft betrekking knelpunten met betrekking tot soci‐ ale activering. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen OCMW‐gebon‐ den factoren en mogelijke bijkomende knelpunten. Afsluitend peilen we naar  verbetervoorstellen hieromtrent. 114 28. Wat zijn binnen uw OCMW de meest voorkomende OCMW‐gebonden  kenmerken die de sociale activering van cliënten bemoeilijken? (Meerdere  antwoorden mogelijk)   a) Geen  b) Gebrek aan voldoende personeel (tijdsdruk); 
  • 109. c) Gebrek aan personeel met de juiste kennis (‘know‐how’);  d) Gebrekkige informatiedoorstroom (m.b.t. cliëntgegevens, etc.)  binnen het OCMW;  e) Gebrek aan financiële middelen;  f) Middelen gaan hoofdzakelijk naar andere aspecten van welzijn  (huisvesting, etc.), sociale activering is niet prioritair;  g) OCMW is te kleinschalig om initiatieven inzake sociale activering  te nemen   h) Gebrek aan samenwerking met andere actoren;   i) Door het groeiende belang van het tewerkstellingsdoel binnen de  OCMW‐werking komt de sociale activering van de cliënt onder  druk te staan  bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) j) Deelnemers aan sociale activering haken gemakkelijk af  k) Andere, namelijk:  …………………………………………..…………………………………………..…………..  …………………………………………..…………………………………………..…………… ……………………………..…………………………………………..…………………………  29. Wat zijn binnen uw OCMW waargenomen bijkomende knelpunten inzake  sociale activering van OCMW‐cliënten? (Meerdere antwoorden mogelijk)  a) Geen  b) Gebrekkige informatiedoorstroom vanuit de centrale overheid  naar het OCMW (bv. aangaande wijzigingen in maatregelen, etc.)  115 c) Het wettelijke kader  d) Onvoldoende beleidsvrijheid om een beleid inzake sociale active‐ ring op maat van de betrokkenen te voeren  e) Gebrek aan financiële stimuli vanuit de regionale overheden om  cliënten sociaal te activeren  
  • 110. f) Gebrek aan financiële stimuli vanuit de federale overheden om  cliënten sociaal te activeren   g) Gebrek aan interesse van andere actoren (gemeente, privé‐sector  etc.) om initiatieven en/of samenwerkingen op te zetten voor  sociale activering  h) Andere, namelijk:  …………………………………………..…………………………………………..……………  …………………………………………..…………………………………………..…………… ……………………………..…………………………………………..…………………………..  30. Kan u een aantal verbetervoorstellen formuleren?  ………………………………………………………….……………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ……………….…………………………………………………………………………………………………bijlage 1 Vragenlijst webenquête (Nederlandstalige versie) ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………….............  31. Hebt u opmerkingen bij de vragenlijst? Wat vindt u nog bijkomend van  belang om de rol van uw OCMW inzake sociale activering goed te kunnen  duiden en interpreteren?   ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………. 116 Hartelijk dank voor uw medewerking! 
  • 111. bijlage 2 Info selectie casestudies117 bijlage 2 Info selectie casestudies
  • 112. 118 bijlage 2 Info selectie casestudiesTabel b2.1 Case studie interviewsOCMW Case studie Interviews met medewerkers op Interviews met uitvoerende profes- Interviews met deelnemers managementniveau (duur) sionals (duur) (duur)Asse Vrouwengroep ’t PARLEEke Diensthoofd (1u 30 min) Buurtwerkster (1 u 11 min) Deelnemer 1 (17 min) Deelnemer 2 (20 min) Deelnemer 3 (38 min)Bièvre Espace détente pour personnes - Travailleur social (1 u 2 min) Participant 1 (18 min) âgées Employée administrative (39 min) Participant 2 (9 min) Participant 3 (9 min) Participant 4 (11 min) Participant 5 (13 min)Braine- Ateliers de cuisine Chef de service (1u 49 min) Travailleur social (1 u 38 min) Participant 1 (15 min)l’Alleud Participant 2 et 3 (17 min) Participant 4 (24 min) Participant 5 (14 min)Brussel Comité des spectateurs avec le Chargé de projet département de - Participant 1 (14 min) théâtre Les Tanneurs l’action sociale (55 min) Observation participante à un Responsable projet (1u 4 min) Comité des spectateurs et discussion avec 4 autres participants (2 u)Charleroi Groupe de théâtre Crea d’âmes Travailleur social 1 + 2 (1u 1 min) Bénévole responsable du groupe (1 u Participant 1 (21 min) 4 min) Participant 2 (9 min) Metteur en scène (22 min) Participant 3 (29 min) Participant 4 (23 min) Participant 5 (32 min)Dessel Buurtgerichte jongerenwerking Secretaris (1u 37 min) Maatschappelijk werker 1 (1 u 28 min Deelnemer 1 (9 min) Maatschappelijk werker 2 (59 min) Deelnemer 2 (12 min) Deelnemer 3 (11 min)Gent Extra-time: groepswerking voor Hoofdmaatschappelijk werkster – Groepsbegeleider 1 (1 u 2 min) Deelnemer 1 (26 min) jongeren projectcoördinator: (1u 24 min) Groepsbegeleider 2 (43 min) Deelnemer 2 (16 min) Deelnemer 3 (49 min)Ukkel Projet pre-trajet FSE Chef de service (17 min) Travailleur social (1 u 20 min) Participant 1 (40 min) Participant 2 (27 min) Participant 3 (17 min) Participant 4 (1 u 27 min)
  • 113. bijlage 3 Resultaten responsTabel b3.1 Respons naar gewest %Brussels Hoofdstedelijk Gewest (N=19) 42,1Vlaanderen (N=308) 45,5Wallonië (N=262) 32,8 * X² = 9,5/DF = 2/p<0,0087.Tabel b3.2 Respons naar provincieProvincie %Limburg (N=44) 43,2Vlaams-Brabant (N=65) 43,1 bijlage 3 Resultaten responsAntwerpen (N=70) 55,7West-Vlaanderen (N=64) 43,8Oost-Vlaanderen (N=65) 40,0Luik (N=84) 33,3Luxemburg (N=44) 20,5Namen (N=38) 34,2Henegouwen (N=69) 39,1Waals-Brabant (N=27) 33,3 119
  • 114. Tabel b3.3 Respons naar functie van de respondent, in % Functie Algemeen (N=234) Maatschappelijk werker 29,5 Hoofd van de sociale dienst 26,5 Secretaris of wnd. secretaris 22,6 Hoofd: ander 5,6 Arbeidstrajectbegeleider 3,9 Hoofdmaatschappelijk werker 3,8 Andere* 8,1 Totaal 100,0 * De categorie ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan functies, zoals projectverantwoordelijke sociale activering, coördinator lokaal sociaal beleid, etc. Tabel b3.4 Respons naar inspanningen op vlak van arbeidsmarktactivering Percentage (equivalent) leefloners dat tewerkgesteld is in % art. 60 §7 0%-5% (N=89) 32,6 5%-10% (N=165) 40,0 10%-15% (N=166) 44,0 15%-20% (N=86) 40,7 >20% (N=83) 37,3 Bron Eigen berekeningen op basis van gegevens verkregen via POD MIbijlage 3 Resultaten respons120
  • 115. bijlage 4 Tabellen: resultaten websurveyTabel b4.1 Definitie van sociale activering. Antwoord op de vraag of men sociale activering binnen het OCMW verstaat als ‘het verhogen van de maatschappelijke participatie en het doorbreken van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te ondernemen, 1) ofwel als een doel op zich; 2) ofwel als een eerste stap in een traject voor socio- professionele inschakeling; 3) ofwel als een eerste stap in een (latere) betaalde tewerkstelling’, in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=234) stedelijk Gewest (N=140) (N=86) bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey (N=8)Ja 96,6 100,0 97,9 94,2Neen 3,4 0,0 2,1 5,8 * Binnen de OCMW’s die niet met bovenbeschreven definitie instemden, definieert men sociale activering onder andere als ‘het verhogen van maatschappelijke participatie en het doorbreken van sociaal isolement door maatschappelijk zinvolle activiteiten te ondernemen als een doel op zich, merkt men op dat sociale activering betrekking heeft op ‘alles behalve professionele integratie’, of benadrukt men het belang van het bevorde- ren van de persoonlijke levenskwaliteit van cliënten. Binnen één OCMW werd de term ‘sociale activering’ tot slot niet gehanteerd.Tabel b4.2 Aantal personen bereikt met sociale activering in 2010. Antwoord op de vraag ‘Hoeveel personen werden er in 2010 door uw OCMW bereikt met 121 sociale activering?’, in % (N=224)Vraag ingevuld 50,4 Minimum aantal bereikte personen 0,0 Maximum aantal bereikte personen 6 500,0 Gemiddeld aantal bereikte personen 227,9‘Weet niet’ 49,6
  • 116. Tabel b4.3 Aandeel OCMW’s dat niet weet hoeveel personen er in 2010 bereikt werden met sociale activering (naar grootte van de gemeente), in % Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot (N=224) (N=68) (N=85) (N=47) (N=19) (N=5) ‘Weet niet’ 49,6 52,9 47,1 55,3 42,1 20,0 Tabel b4.4 Aantal personen dat in 2010 bereikt werd met sociale activering (naar gewest), in % Aantal bereikte Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië personen (N=113) stedelijk Gewest (N=66) (N=45) (N=2) 0-10 14,2 0,0 15,2 13,3 11-20 19,5 0,0 13,6 28,9 21-30 15,9 0,0 12,1 22,2 31-40 7,1 0,0 12,1 0,0 41-50 9,7 0,0 7,6 13,3 51-100 10,6 0,0 10,6 11,1 101-200 9,7 0,0 16,7 0,0 201-300 2,7 0,0 3,0 2,2 301-400 4,4 0,0 4,6 4,4 401-500 0,9 0,0 0,0 2,2 501-1 000 2,7 50,0 3,0 0,0 >1 000 2,7 50,0 1,5 2,2 Tabel b4.5 Aantal personen dat in 2010 bereikt werd met sociale activering (naarbijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey grootte van de gemeente), in % Aantal Algemeen Zeer klein Klein Middelgroot Groot Zeer groot bereikte (N=113) (N=32) (N=45) (N=21) (N=11) (N=4) personen 0-10 14,2 21,9 20,0 0,0 0,0 0,0 11-20 19,5 31,3 20,0 14,3 0,0 0,0 21-30 15,9 34,4 13,3 4,8 0,0 0,0 31-40 7,1 3,1 11,1 9,5 0,0 0,0 41-50 9,7 0,0 15,6 14,3 9,1 0,0 51-100 10,6 0,0 11,1 28,6 9,1 0,0 101-200 9,7 6,3 4,4 19,1 27,3 0,0 201-300 2,7 0,0 2,2 4,8 9,1 0,0 301-400 4,4 3,1 2,2 0,0 0,0 75,0 401-500 0,9 0,0 0,0 4,8 0,0 0,0 501-1 000 2,7 0,0 0,0 0,0 27,3 0,0122 >1 000 2,7 0,0 0,0 0,0 18,2 25,0
  • 117. Tabel b4.6 Percentage van de personen die in 2010 bereikt werden met sociale activering dat potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt. Antwoord op de vraag ‘Hoeveel percent van de personen die in 2010 door uw OCMW bereikt werden met sociale activering kwam potentieel in aanmerking voor activering naar de arbeidsmarkt?’, in % (N=224)Vraag ingevuld 43,3 Minimum 0,0 Maximum 100,0 Gemiddelde 28,4‘Weet niet’ 56,7Tabel b4.7 OCMW’s waarbinnen meer dan 50% van de personen, bereikt met sociale activering in 2010, potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarktRegio Provincie OCMW Grootte van de gemeente naar inwonersaantalVlaanderen Antwerpen Bornem Middelgroot Kalmthout Klein Lint Zeer klein Vosselaar klein Rumst Klein Stabroek Klein Oost-Vlaanderen Brakel Klein West-Vlaanderen Zwevegem MiddelgrootWallonië Namen Floreffe Zeer klein bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey Rochefort Klein Luik Esneux Klein Stavelot Zeer klein Henegouwen Ellezelles Zeer klein Comines-Warneton Klein Waals-Brabant Grez-Doiceau Zeer klein 1 N=15. 2 Opvallend is dat het in Vlaanderen, op één OCMW na, uitsluitend om OCMW’s in de provincie Antwerpen gaat. 123
  • 118. Tabel b4.8 Activiteiten ondernomen door 1) OCMW’s waarbinnen meer dan 50% van de personen bereikt met sociale activering in 2010, potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt (kolom 2); en 2) OCMW’s waarbinnen 50% of minder dan 50% van de personen bereikt met sociale activering in 2010, potentieel in aanmerking kwam voor activering naar de arbeidsmarkt (kolom 3), in % Activiteiten (N=15) (N=82) Socio-culturele en recreatieve activiteiten 73,3 81,7 Vrijwilligerswerk 53,3 45,1 Workshops 40,0 45,1 Kennismaking met sport(clubs)/jeugdbeweging 40,0 42,7 Praatgroepen om uit sociaal isolement te raken 33,3 25,6 Vorming of opleidingen zonder dat het doel professionele 33,3 45,1 inschakeling is Vrijetijdstoelages 33,3 54,9 Cliënt participatiegroepen 26,7 19,5 Wijkgerichte groepswerking 0,0 12,2 Andere, nl: 26,7 26,8 - tewerkstelling (art. 60, sociale tewerkstelling, stage, 20,0 6,1 arbeidszorg) - trajectbegeleiding 0,0 2,4 - andere 6,7 18,3 Geen enkele activiteit 0,0 0,0 Tabel b4.9 Samenhang tussen het gewest en de grootte van de gemeente (inwonersaantal) binnen de totale populatie, in % Zeer Klein Middel- Groot Zeer Totaalbijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey klein groot groot Brussels Hoofdstedelijk Gewest (N=8) 0,0 5,3 36,8 52,6 5,3 100,0 Vlaanderen (N=140) 27,9 43,5 23,4 4,5 0,7 100,0 Wallonië (N=86) 59,1 25,6 11,8 2,7 0,8 100,0 * X² = 162,6/DF = 8/p<0,0001. Tabel b4.10 Samenhang tussen het gewest en de grootte van de gemeente (inwonersaantal) binnen de bevraagde OCMW’s, in % Zeer Klein Middel- Groot Zeer Totaal klein groot groot Brussels Hoofdstedelijk Gewest (N=8) 0,0 12,5 50,0 25,0 12,5 100,0 Vlaanderen (N=140) 21,4 44,3 24,3 8,6 1,4 100,0124 Wallonië (N=86) 51,2 29,1 11,6 5,8 2,3 100,0 * X² = 37,6/DF = 8/p<0,0001.
  • 119. Tabel b4.11 Samenhang tussen de grootte van de gemeente (inwonersaantal) en functie van de respondent, in % Maatschappelijk Hoofd van de Secretaris of Hoofd: ander Arbeidstraject- Hoofdmaat- Andere Totaal werker sociale dienst wnd. secretaris (N=13) begeleider schappelijk (N=19) (N=69) (N=62) (N=53) (N=9) werker (N=9)Zeer klein 29,7 10,8 43,2 1,4 2,7 4,1 8,1 100,0Klein 35,2 28,4 18,2 1,2 6,8 3,4 6,8 100,0Middelgroot 27,1 45,8 8,3 12,5 0,0 4,2 2,1 100,0Groot 15,8 31,6 5,2 10,5 5,3 5,3 26,3 100,0Zeer groot 0,0 20,0 0,0 60,0 0,0 0,0 20,0 100,0 * X² = 93,3/DF = 24/p<0,0001.Tabel b4.12 Samenhang tussen de grootte van de gemeente (inwonersaantal) en percentage (equivalent) leeflooncliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 binnen de bevraagde OCMW’s, in % 0-5 5-10 10-15 15-20 >20 TotaalZeer klein 18,9 35,1 23,0 5,4 17,6 100,0Klein 12,5 26,1 29,5 17,1 14,8 100,0Middelgroot 6,2 18,8 41,7 25,0 8,3 100,0Groot 0,0 31,6 47,4 21,0 0,0 100,0Zeer groot 20,0 40,0 20,0 0,0 20,0 100,0 * X² = 29,0/DF =16 /p<0,0241. 125 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey
  • 120. Tabel b4.13 Moment waarop de instrumenten om cliënten te identificeren en toe te leiden naar sociale activering worden ingezet, in % Algemeen Brussels Hoofd- Vlaanderen Wallonië (N=67) stedelijk Gewest (N=40) (N=24) (N=3) Enkel bij intake 6,0 0,0 7,5 4,2 Bij intake en op 94,0 100,0 92,5 95,8 latere tijdstippen Tabel b4.14 Personeelsleden die binnen een OCMW (een deel van) hun tijd spenderen aan het opzetten en organiseren van sociale activering. Antwoord op de vraag ‘Hoeveel personeelsleden binnen uw OCMW besteden (een deel van) hun tijd aan het opzetten en uitvoeren van sociale activering?’, in % (N=224) ... aantal voltijdse equivalenten (vraag ingevuld) 81,3 Minimum 0,0 Maximum 200,0 Gemiddelde 4,2 ‘Weet niet’ 18,8 Tabel b4.15 OCMW’s die beschikken over meer dan tien voltijdse equivalenten inzake sociale activering Regio Provincie OCMW (N=9) Brussel Brusselbijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey Ukkel Vlaanderen West-Vlaanderen Brugge Oost-Vlaanderen Gent Limburg Hasselt Wallonië Luik Luik Henegouwen Doornik La Louvière Namen Ciney126
  • 121. Tabel b4.16 Externe actoren waarmee een OCMW samenwerkt in verband met sociale activering (kolom 1) en mate waarin deze samenwerking formeel is (kolom 2) (naar gewest), in % Brussels Hoofd- Waarvan ... % op Vlaanderen Waarvan ... % op Wallonië Waarvan ... % op stedelijk Gewest basis van een (N=135) basis van een (N=81) basis van een (N=8) schriftelijke over- schriftelijke over- schriftelijke over- eenkomst eenkomst eenkomstGeen 0,0 4,4 4,9Vzw’s 87,5 100,0 71,9 51,6 81,5 68,2Gemeente/stad 87,5 71,4 62,2 44,1 54,3 56,8Lokale vormings- en oplei- 87,5 85,7 44,4 43,3 60,5 51,0 dingspartnersLokale initiatieven uit de soci- 62,5 100,0 59,3 68,8 37,0 70,0 ale economieLokale plaatsingsdiensten 62,5 80,0 47,4 37,5 34,6 67,9 (Forem, VDAB, Actiris)Andere OCMW’s 50,0 25,0 38,5 51,9 48,2 53,9Lokale welzijnsorganisaties 75,0 50,0 43,7 22,0 29,6 25,0Werkgevers in de private sec- 37,5 100,0 21,5 48,3 19,8 93,8 torZelforganisaties 37,5 33,3 14,8 15,0 21,0 23,5Lokale uitzendbureaus 25,0 0,0 11,1 0,0 13,6 27,3Sectorfondsen 0,0 0,0 0,7 0,0 2,5 100,0Andere ...* 25,0 100,0 15,6 57,1 27,2 72,7Andere ...* 0,0 0,0 4,4 66,7 8,6 42,9Andere ...* 0,0 0,0 0,0 0,0 2,5 0,0 * De categorieën ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan externe actoren, o.a. partners in de culturele sector, specifieke onderwijsinstellingen, sportverenigingen, de provincie, etc. 127 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurvey
  • 122. 128 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurveyTabel b4.17 Externe actoren waarmee een OCMW samenwerkt in verband met sociale activering (kolom 1) en mate waarin deze samenwerking formeel is (kolom 2) (naar grootte van de gemeente), in % Zeer Waarvan ... % Klein Waarvan ... % Middel- Waarvan ... % Groot Waarvan ... % Zeer Waarvan ... % klein op basis van (N=85) op basis van groot op basis van (N=19) op basis van groot op basis van (N=68) een een (N=47) een een (N=5) een schriftelijke schriftelijke schriftelijke schriftelijke schriftelijke overeenkomst overeenkomst overeenkomst overeenkomst overeenkomstGeen 7,3 5,9 0,0 0,0 0,0Vzw’s 66,2 62,2 75,3 60,9 83,0 51,3 89,5 64,7 100,0 80,0Gemeente/stad 47,1 46,9 60,0 41,2 72,3 55,9 73,7 64,3 80,0 75,0Lokale vormings- en 30,9 33,3 52,9 51,1 59,6 46,4 94,7 61,1 80,0 75,0 opleidingspartnersLokale initiatieven uit 35,3 62,5 50,6 69,8 66,0 77,4 68,4 69,2 80,0 75,0 de sociale econo- mieLokale plaatsings- 30,9 33,3 47,1 40,0 55,3 57,7 36,8 85,7 60,0 100,0 diensten (Forem, VDAB, Actiris)Andere OCMW’s 47,1 50,0 45,9 56,4 38,3 44,4 21,1 50,0 40,0 50,0Lokale welzijnsorga- 25,0 23,5 38,8 9,1 42,6 40,0 80,0 40,0 80,0 25,0 nisatiesWerkgevers in de pri- 11,8 62,5 24,7 66,7 23,4 72,7 31,6 50,0 40,0 100,0 vate sectorZelforganisaties 2,9 50,0 20,0 5,9 21,3 30,0 36,8 28,6 80,0 25,0Lokale uitzendbu- 8,9 16,7 14,1 8,3 12,8 0,0 10,5 0,0 40,0 50,0 reausSectorfondsen 0,0 0,0 3,5 66,7 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0Andere ...* 26,5 55,6 21,2 66,7 6,4 66,7 26,3 100,0 20,0 100,0Andere ...* 11,8 50,0 3,5 100,0 0,0 0,0 5,3 0,0 20,0 0,0Andere ...* 1,5 0,0 1,2 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 * De categorieën ‘Andere’ omvat een grote verscheidenheid aan externe actoren, onder andere partners in de culturele sector, specifieke onderwijsinstellin- gen, sportverenigingen, de provincie, etc.
  • 123. Tabel b4.18 OCMW-gebonden knelpunten inzake sociale activering van cliënten, gerapporteerd door OCMW’s die geen activiteiten ondernemen inzake sociale activeringKnelpunten %OCMW is te kleinschalig om initiatieven inzake sociale activering te nemen 50,0Gebrek aan voldoende personeel (tijdsdruk) 40,0Geen 20,0Door het groeiende belang van het tewerkstellingsdoel binnen de OCMW-werking komt de 20,0 sociale activering van de cliënt onder druk te staanDeelnemers aan sociale activering haken gemakkelijk af 20,0Middelen gaan hoofdzakelijk naar andere aspecten van welzijn (huisvesting, etc.), sociale 20,0 activering is niet prioritairGebrek aan financiële middelen 10,0Gebrek aan personeel met de juiste kennis (‘knowhow’) 10,0Gebrek aan samenwerking met andere actoren 10,0Gebrekkige informatiedoorstroom (m.b.t. cliëntgegevens, etc.) binnen het OCMW 0,0Andere, nl: 20,0- ‘Problèmes de projets trop souvent rejettés’- ‘La politique sociale du CPAS tendant à ne prôner que l’activation par le travail’ * N=10.Tabel b4.19 Bijkomende knelpunten inzake sociale activering van cliënten, gerapporteerd door OCMW’s die geen activiteiten ondernemen inzake sociale activeringKnelpunten %Geen 50,0Het wettelijke kader 30,0 bijlage 4 Tabellen: resultaten websurveyGebrek aan interesse van andere actoren (gemeente, privésector etc.) om initiatieven en/of 30,0 samenwerkingen op te zetten voor sociale activeringGebrek aan financiële stimuli vanuit de regionale overheden om cliënten sociaal te activeren 20,0Gebrek aan financiële stimuli vanuit de federale overheden om cliënten sociaal te activeren 20,0Onvoldoende beleidsvrijheid om een beleid inzake sociale activering op maat van de betrok- 20,0 kenen te voerenGebrekkige informatiedoorstroom vanuit de centrale overheid naar het OCMW (bv. Aangaande 10,0 wijzigingen in maatregelen, etc.)Andere, nl.: 10,0- ‘l’activation sociale subsidiée a pour objectif ultime la mise au travail, mais un pan important du public ne sera jamais apte au travail; distortion de la réalité et idéal politique.’ * N=10. 129
  • 124. bijlage 5 Casestudiesb5.1 Case studie buurtgerichte jongerenwerking - OCMW Desselb5.1.1 Projectficheb5.1.1.1 Korte beschrijvingHet OCMW organiseert in een multiculturele sociale woonwijk een buurtwerkingmet de nadruk op een actief vormende jongerenwerking. Deze buurt kende heelwat problemen. Het OCMW stelde daarom een onderzoek in dat uitwees dat ernood was aan een buurtwerking en vrije tijdsinvulling voor jongeren. De focus opjongeren is er ook gekomen vanuit een proactieve visie: om mensen een volwaar-dig lid van de maatschappij te laten zijn kan men niet vroeg genoeg beginnen met bijlage 5 Casestudiessociale activering. Concrete doelstellingen zijn de jongeren te stimuleren ominvulling te geven aan hun vrije tijd, hen de weg naar de hulpverlening te lerenkennen en hen een aantal attitudes bij te brengen. ‘Er wordt gewerkt met die kinderen, rond assertiviteit, rond empathie, ... Dat zijn zaken waar ze in hun eigen milieu niet bij stil staan: ‘Wat is dat voor mezelf opkomen? Hoe moet 131 ik dat op een sociaal verantwoorde manier doen?’ […] Dat zijn de dingen die we daar probe- ren mee te geven en waarvan dat we hopen dat ze daardoor dat kleine extraatje hebben om in de maatschappij te kunnen functioneren en zelf de stap zetten naar, zelf gaan deelnemen aan het verenigingsleven, aan culturele activiteiten.’ (Secretaris)b5.1.1.2 DoelgroepInwoners en vooral de jongeren uit een multiculturele sociale woonwijk vormende doelgroep voor de buurtwerking. Het gaat in de woorden van de begeleiders
  • 125. om ‘sociaal kwetsbare jongeren’. De doelgroep bestaat overwegend uit OCMW- cliënten maar de werking staat ook open voor niet OCMW-cliënten. ‘Sociaal activeren, dat begint bij de jongeren. […] Je kan ook wel naar volwassenen, maar ik denk dat als je de boot al gemist hebt bij het kind zijn het veel moeilijker is om achteraf op al die domeinen nog te gaan werken. En daarom hebben we gekozen, we willen die groep van mensen zeker al in een vroeg stadium bereiken, louter dan te wachten totdat ze volwassen zijn en naar hier (het OCMW) komen.’ (Secretaris) b5.1.1.3 De praktijk De werking bestaat uit verschillende deelwerkingen waarbij de focus momenteel vooral ligt op de tienerwerking.28 Elke woensdag worden er voor jongeren van 10 tot 14 jaar activiteiten georganiseerd zoals stads- en gezelschapsspelen. Door hier- aan telkens een vormend element toe te voegen, rond thema’s zoals assertiviteit, omgaan met agressie of samenwerken, onderscheidt de buurtgerichte jongeren- werking zich van een klassieke jeugdbeweging. Deze thema’s worden bepaald aan de hand van wat er in de groep of de buurt leeft. Ook worden er soms cursussen of workshops georganiseerd, bijvoorbeeld de psychofysieke weerbaarheidstraining ‘Rots en water’ van Arktos vzw. Er worden kennismakingsmomenten met andere verenigingen (bv. de chiro of het Jongeren Advies Centrum) opgezet en af en toe worden er uitstapjes georganiseerd aan een sociaal tarief zoals zwemmen of een pretparkbezoek. Daarnaast wordt tijdens de schoolvakanties een activiteit voor kinderen jonger dan 10 voorzien, de kinderwerking. Voor de buurt in zijn geheel worden er occasionele activiteiten georganiseerd of ondersteund zoals het jaar- lijkse buurtfeest, een Sinterklaasactiviteit of buurtvergaderingen met de sociale huisvestingsmaatschappij. Twee OCMW-medewerkers nemen de buurtwerkingbijlage 5 Casestudies halftijds op en combineren dit met een andere functie binnen het OCMW. b5.1.2 Resultaten Door naar de tienerwerkingen te komen leren jongeren vooral bij over attitudes zoals op tijd komen, respect of samenwerken. Ze worden gesensibiliseerd over agressief gedrag, pesten, seksualiteit en drugs, ... Jongeren leren er ook andere132 (hulpverlenings-) organisaties en verenigingen kennen en worden doorverwezen naar reguliere jeugdwerkingen. 28 Het aanbod van de deelwerkingen wordt aangepast aan de noden en de potentiële doelgroep. Zo was er elke dinsdagavond een jongerenwerking voor jongeren vanaf 15 jaar. Deze is momenteel niet lopende omdat de potentiële doelgroep te klein is en meestal al een hobby in het reguliere circuit heeft (bv. Chiro, schaatsclub, …). Daarnaast werd er ook geëxperimenteerd met een meisjeswerking omdat (allochtone) meisjes moeilijker te bereiken zijn en een gemengde groep gevoelig ligt binnen allochtone milieus. Deze werking draait momenteel op een laag pitje omwille van een lage respons.
  • 126. En wat heb je aan die jongerenwerking? Haal je daar iets uit voor jezelf? ‘Soms praten we al is met elkaar over, of als er nu eens ruzies zijn ofzo dan lossen die dat eigenlijk ook op. En ja het is beter dat je hier zit samen met uw vrienden, dan heb je zo’n betere band met elkaar dan dat je thuis gaat zitten tv kijken.’ Heb je hier iets bijge- leerd, heb je nieuwe vrienden leren kennen, ... ‘Ja vrienden wel, toch een paar.’ Of bijvoorbeeld nieuwe organisaties leren kennen of, ... ‘Ja, wij hebben zo een buurtfeest, ik had dat nog nooit gedaan. Mijn eerste keer was drie jaar geleden en dat vond ik wel leuk.’ Zijn er nog dingen die je hier hebt leren kennen? ‘Ja, ik ging nooit op kamp en hier hadden ze ‘Open Kamp’ (een kamp van Scouts en Gidsen Vlaanderen voor kinderen en jongeren uit maatschappelijk kwetsbare gezinnen die niet bij Scouts en Gidsen Vlaanderen zijn aangesloten) en ik had mij dan eens ingeschreven en sindsdien ben ik al elk jaar gegaan omdat ik dat zo leuk vond. Dat is allemaal dankzij hen (de begeleiders).’ (Jon- gere, 14 en interviewer)Door de tienerwerking is er een laagdrempelig aanspreekpunt voor de jongeren enhun ouders waardoor er in bepaalde situaties sneller kan worden ingegrepen ofdoorverwezen naar de juiste instanties (zo is er bijvoorbeeld een geval van seksu-eel misbruik aan het licht gekomen). Jongeren en ouders kunnen op deze maniersneller toegeleid worden naar de juiste dienst binnen het OCMW of een andereorganisatie. ‘Ook op de korte termijn, op het moment dat jongeren echt in de problemen zitten, merken wij nu dat wij door aanwezig te zijn in die buurten, veel sneller signalen opvangen, veel sneller kunnen op pad kunnen gaan van kijk ‘is hier geen andere vorm van hulpverlening nodig?’ En hopelijk, ze misschien sneller te doen instappen in een bepaald traject.’ (Secretaris) bijlage 5 CasestudiesDe tienerwerking en de buurtwerking zorgen voor een uitbreiding van het sociaalnetwerk van jongeren en buurtbewoners. De buurtwerking bevordert de actieveparticipatie en emancipatie van buurtbewoners bijvoorbeeld door hen te stimule-ren om deel te nemen aan vergaderingen met de sociale huisvestingsmaatschappijover de vernieuwing van de wijk. Daarnaast wordt er ook gewerkt aan positievebeeldvorming over de wijk in de rest van de gemeente en positieve beeldvormingvan het OCMW zelf. 133 ‘En vroeger was dat heel erg: als meisje fietst je daar (de wijk) ‘s nachts niet door, je kwam daar niet als je daar niet moest zijn. En dat proberen wij nu om te draaien, dat beeld, door het buurtfeest open te stellen voor iedereen. Van kom maar eens kijken, daar gebeurd ook iets positief. […] Ook toch een beetje een leuk imago van het OCMW, een OCMW doet ook toffe dingen. […] Het is ineens geen schande meer om bij het OCMW te komen. Voor som- mige mensen is dat toch wel een kans.’ (Buurtwerkster - medewerker sociale dienst)
  • 127. b5.1.3 Knelpunten en goede praktijken Om een dergelijk project op te starten is het belangrijk om te weten wat het pro- fiel en de noden van de buurtbewoners zijn: de aanwezige leeftijdscategorieën, de vrije tijdsbesteding, interesses, ... Het OCMW heeft hiertoe een onderzoek laten uitvoeren door Arktos vzw en van daaruit kunnen concluderen dat er nood was aan een buurtwerking en een vrijetijdsinvulling voor de jongeren. Voor de toeleiding wordt er een mix van kanalen ingezet en gebruikt men vind- plaatsgerichte methodieken. Die jongeren uit de wijk die binnen de juiste leeftijds- categorieën vallen worden aangeschreven en de buurtwerksters gaan ook persoonlijk langs. De werking wordt algemeen bekendgemaakt in de wijk door middel van een leuke activiteit bijvoorbeeld met een DJ of graffiti kunstenaar en een facebookpagina. Daarnaast is er toeleiding vanuit de reguliere OCMW- werking door contact met de ouders. Dit werkt ook in de omgekeerde richting. De tienerwerking en de buurtwerking, het feit dat er OCMW-medewerkers aanwezig zijn in de wijk werkt drempelverlagend voor de ouders en andere buurtbewoners om naar het OCMW te stappen. ‘Ook weer daar zie je heel veel moeders die komen dan de kinderen afzetten en komen dan met een vraag voor X die dan opvoedingsondersteuning doet of naar mij toe financieel. Dan proberen we een afspraak te maken. Drempelverlagend werkt dat wel.’ (buurtwerkster, soc. dienst) Voor het opzetten van een dergelijke werking is flexibiliteit en vraaggericht wer- ken nodig. De werking wordt aangepast aan de doelgroep, niet alleen inhoudelijk maar ook de werking op zich bijvoorbeeld de leeftijdsgrenzen ofbijlage 5 Casestudies groepssamenstelling. Zo werd er een aparte meisjeswerking opgericht omdat een gemengde werking moeilijk bleek te liggen bij de ouders omwille van culturele redenen. Het is dus belangrijk rekening te houden met de interesses en de noden van de doelgroep maar ook met die van de ouders en culturele gevoeligheden. Dat buurtbewoners zelf betrokken zijn bij een buurtwerking en engagement opnemen is uiteraard ook belangrijk. Vooral dit laatste is een knelpunt. Een buurtwerking en de onderliggende sociale relaties moeten daarom tijd krijgen om134 te groeien. De rol van het OCMW kan dan stilaan van een organiserende naar een meer ondersteunende gaan. Dat dit de uiteindelijke bedoeling is kan best zo snel mogelijk duidelijk gemaakt worden aan de buurtbewoners. ‘In het begin probeerde ik wel wat aan te bieden maar je krijgt heel vlug een consumptiehou- ding van die mensen: ‘Wat ga je deze week voor ons doen?’. Dat heb ik proberen om te draaien naar een beetje vraaggericht werken. Laat hen met een vraag komen, laat hen partici- peren en dan wil ik iets mee uitwerken.’ (Buurtwerkster - medewerker sociale dienst)
  • 128. De manier van werken bevat vindplaatsgerichte en outreachende elementen. Ditmaakt de werking zeer laagdrempelig en zorgt ervoor dat moeilijker bereikbaredoelgroepen toch bereikt worden. ‘(Leest voor uit een artikel van VVSG) ‘Kleinschalige projecten in de buurt hebben vaak veel meer resultaat dan groots opgezette programma’s die de doelgroep onvoldoende bereiken.’ Ik denk de sterkte hier is: we gaan echt naar een heel beperkte doelgroep, […] maar waar we intensief aan de slag mee gaan en die we dan ook wel bereiken.’ (Secretaris)Een buurtwerking en tienerwerking vereist een open, creatieve, inventieve enflexibele manier van werken en veel betrokkenheid en inzet van de medewerkers.Deze open manier van werken en het creatieve en inventieve aspect kan een strui-kelblok zijn voor de buurtwerkers. Voldoende structuur bieden, zoals een project-plan en concrete (korte termijn) doelstellingen, helpt om de buurtwerksters enigehouvast te geven. Daarnaast is er ook voldoende ondersteuning nodig van eendiensthoofd maar ook van directe collega’s die nieuwe ideeën kunnen aanleveren.De ervaring in Dessel leert dat het werken in team zijn voordelen heeft naarondersteuning, een klankbord hebben, veiligheid en voor de continuïteit van hetproject. ‘Als je dat alleen moet doen weegt dat heel sterk. De sociale dienst enzo die willen wel eens meedenken maar je weet hoe dat gaat. Die zijn niet dermate bezig met die materie. […] Daarom hebben wij dus gekozen om naar twee personen te gaan.’ (Secretaris)Men vindt het in Dessel een belangrijke meerwaarde dat de buurtwerkers ook eenandere functie binnen het OCMW hebben. Dit maakt van hen een laagdrempelig bijlage 5 Casestudiesaanspreekpunt voor andere OCMW-diensten binnen de wijk. Hierdoor wordenproblemen inde wijk sneller opgevangen en kan er overlegd worden met collega’smet de juiste expertise en kan er toegeleid of ingegrepen worden. ‘De meerwaarde ligt ook wel in de link met de sociale dienst. Als de buurtwerkers problemen opvangen in gezinnen […] door het feit dat het hier collega’s zijn wordt er een goede terugkop- peling gedaan. […] Maar als ze zeggen van ‘kijk daar moeten we nu toch wel eens met onze 135 sociale dienst als geheel naar kijken. Willen we daar niet verder gaan en in een bepaalde hulp- verlening steken?’ (Secretaris)Interne samenwerking met andere OCMW-diensten kan dus als een belangrijkemeerwaarde gezien worden. Daarnaast is ook externe samenwerking belangrijk omde werking bekend te maken en om jongeren te kunnen toeleiden naar anderedienstverlening en organisaties.
  • 129. Als sterk punt werd ook naar voren geschoven dat het een project met een lange termijn visie is. Een visie waarbij men de armoedecirkel wil doorbreken door jon- geren kansen te geven, kennis over de hulpverlening, een aantal attitudes. Deze lange termijn visie wordt echter ook als een struikelblok aangevoeld omdat lange termijn doelen minder makkelijk meetbaar of zichtbaar te maken zijn en het beleid daarom overtuigd moet zijn van het intrinsieke nut het project. Wat is er nodig voor een project als dit om er een succes van te maken? ‘Heel veel inzet, heel veel flexibiliteit, maar vooral ook een beleid dat er wel achter staat want heel vaak zie je geen concrete zaken en voor politici en voor het beleid is dat vaak wel nodig. Wat verandert er hier nu? Hoeveel procent van de doelgroep bereik je, dat zijn cijfers die je vrij gemakkelijk kunt geven maar verandering binnen een tiener dat is moeilijk in cijfermateriaal aan te geven.’ (Interviewer en buurtwerkster – medewerkster sociale dienst) Door voldoende te evalueren en manieren te zoeken om ook effecten op korte termijn en ‘zachte’ effecten, zoals de vooruitgang op het vlak van attitudes, in beeld te brengen kan de meerwaarde van een dergelijk project beter zichtbaar worden gemaakt voor het beleid. Ook voor de medewerkers en de doelgroep zelf kan dit zeer motiverend werken. b5.1.4 Achtergrond en organisatie Ontstaan: De buurtwerking is opgestart omdat er heel wat problemen waren in de multiculturele sociale woonwijk, onder andere met jongeren. Er werd in samenwerking met Arktos vzw een onderzoek ingesteld om de buurt, het profiel van de bewoners, de problemen en noden in kaart te brengen. Hieruit werdbijlage 5 Casestudies geconcludeerd dat er nood was aan een buurtwerking en een vrije tijdsinvulling voor de jongeren. De focus op jongeren is er ook gekomen vanuit een proactieve visie: om mensen een volwaardig lid van de maatschappij te laten zijn kan men niet vroeg genoeg beginnen met sociale activering. ‘En dat wij ook zagen dat, de maatschappelijk assistenten die hier al lang werken, dat kinde- ren van die gezinnen die ze 20 jaar geleden ook gehad hebben dat die nu terug komen. En om136 die vicieuze cirkel ook wat te doorbreken hebben we daar dat project opgestart in die sociale woonwijk. Omdat daar een heel grote populatie zit van jongeren die eigenlijk heel sterk worden achtergesteld in hun kansen naar volwaardig deelnemen aan de samenleving.’ (Secretaris) Toeleiding: De mogelijke doelgroep wordt afgebakend op basis van bevolkings- gegevens van de gemeente. Die jongeren uit de wijk die binnen de juiste leeftijds- categorieën vallen worden aangeschreven en de buurtwerksters gaan ook persoon- lijk langs. De werking wordt algemeen bekendgemaakt in de wijk door het organi-
  • 130. seren van een activiteit die jongeren aanspreekt bijvoorbeeld met een DJ of graffitikunstenaar. Daarnaast is er ook toeleiding vanuit de reguliere OCMW-werking,door contact met de ouders, mond-tot-mondreclame en een facebookpagina. Dekinderwerking wordt ook gebruikt voor toeleiding door de jongere kinderen telaten proeven van en warm te maken voor de tienerwerkingen.Personeelsinzet: De buurtwerking wordt opgenomen door twee halftijdse buurt-werksters die de job combineren met een andere halftijdse functie binnen hetOCMW: medewerker opvoedingsondersteuning en medewerker van de socialedienst.Ondersteunende structuur: Elk jaar wordt een projectplan met algemene enspecifieke doelen (bv. werken rond agressie, samenwerking, zelfzekerheid) opge-steld voor de verschillende deelwerkingen. Er is een stuurgroep die vier keer perjaar samen komt om mee te denken over de werking en de problemen of moge-lijkheden die zich aanbieden en de werking zo te evalueren. Leden zijn geïnteres-seerde OCMW-raadsleden, Arktos vzw, de Preventiecel van de Bijzondere Jeugd-bijstand, de woonbegeleidster van de sociale huisvestingsmaatschappij, dewijkagent, de OCMW voorzitter en OCMW secretaris, de jeugdconsulent van degemeente en de buurt- en jongerenwerkers. Daarnaast zorgt ook het hoofd van desociale dienst voor opvolging en ondersteuning van de medewerkers.Financiën: De buurtwerking wordt gefinancierd vanuit de lokale gemeenschap enéén van de medewerkers wordt gefinancierd via de sociale Maribel.Samenwerking: Voor de tienerwerking wordt er informeel samengewerkt met bijlage 5 Casestudieshet Jongeren Advies Centrum (JAC), de jeugdraad, de Chiro, Open Kamp,29ARKTOS vzw, de sociale huisvestingsmaatschappij, scholen, ...Evaluatie: Er wordt vier keer per jaar aan procesevaluatie gedaan met de stuur-groep. De buurtwerksters en hun diensthoofd evalueren het project ook informeelsamen. Een evaluatie op niveau van de jongeren is er niet. 13729 Een Open Kamp is een kamp van Scouts en Gidsen Vlaanderen voor kinderen en jongeren uit maatschappelijk kwetsbare gezinnen die niet bij Scouts en Gidsen Vlaanderen zijn aangesloten.
  • 131. b5.2 Case studie Vrouwengroep PARLEEke – OCMW Asse b5.2.1 Projectfiche b5.2.1.1 Korte omschrijving Vrouwengroep PARLEEke geeft anderstalige vrouwen de kans om in een onge- dwongen sfeer Nederlands te oefenen en is een ontmoetingsplaats voor andersta- lige en Nederlandstalige vrouwen uit Zellik. Zellik is een verstedelijkte multicultu- rele deelgemeente van Asse die aan Brussel grenst. Dit brengt heel wat sociale en taalproblemen met zich mee, vandaar dat het OCMW een buurtwerking en van daar uit ook dit initiatief voorziet. ‘Als er drie of zes factoren rond iemand volledig verstoord zijn, dan kun je die niet gaan motiveren om te gaan werken. […] En daarom vind ik dat het heel belangrijk is om een netwerk te gaan bouwen waar je mensen activeert op andere manieren; hun leert weerbaarder te zijn in onze maatschappij. Door de taal te kennen, door culturele gebruiken te kennen, ... En als er dan in die vrouwengroepen gepraat kan worden dan is dat al een heel belangrijke stap.’ (Diensthoofd buurtwerking) b5.2.1.2 Doelgroep PARLEEke richt zich tot anderstalige en Nederlandstalige vrouwen uit Zellik en staat open voor zowel OCMW- als niet-OCMW cliënten. Het initiatief werd speci- fiek op vrouwen gericht omdat sommige anderstalige vrouwen moeilijk aansluiting vonden bij het aanbod van praatgroepen (praatcafé Combinne van Arch’educ waar mannen en vrouwen ‘s avonds hun Nederlands konden oefenen), het vereni-bijlage 5 Casestudies gingsleven of de traditionele vrouwenorganisaties. b5.2.1.3 De praktijk PARLEEke combineert het concept van een praatgroep met activiteiten. In 2011 kwamen de vrouwen twee keer per maand overdag, wanneer de kinderen naar school zijn, samen in het buurthuis van Zellik.30 Samen praten ze onder begelei- ding van een vrijwilligster over verschillende thema’s zoals het nieuws, feestdagen,138 koken, mode of lichaamsverzorging en doen ze activiteiten die hieraan gekoppeld zijn zoals een kookworkshop. Hiermee worden een vijftiental vrouwen op regel- matige basis bereikt: een viertal Vlaamse gepensioneerde vrouwen en een vijftien- tal anderstalige jonge laaggeschoolde vrouwen van verschillende nationaliteiten. De buurtwerkster van het OCMW is verantwoordelijk voor de praktische organi- 30 Omdat de woonst waarin het buurthuis gehuisvest verkocht wordt is men op zoek naar een nieuw buurthuis. Het concept van de vrouwengroep wordt aangepast en zal in 2012 bestaan uit een aanbod van activitei- ten, vormingen en uitstapjes twee keer per maand. De vrouwen kunnen ook terecht bij de praatgroep Combinne (voor mannen en vrouwen) in het buurthuis van Asse.
  • 132. satie van de vrouwengroep, de toeleiding en is het aanspreekpunt voor de vrou-wen. De praatgroepen worden thematisch voorbereid en voorgezeten door eenvrijwilligster die hiervoor is opgeleid door volkshogeschool Arch’educ. Eenmedewerkster van het provinciaal integratiecentrum (PRIC) neemt deel ter onder-steuning. Uit PARLEEke zijn op vraag van de vrouwen ook andere activiteitengegroeid zoals wekelijkse sportactiviteiten voor vrouwen en een reeks fietslessenvoor vrouwen.b5.2.2 ResultatenDe vrouwen bouwen een multicultureel netwerk uit, leren over elkaars gebruiken,cultuur, religies, en leren ook zeer praktische zaken van elkaar over koken, hulp-verlening, ... De anderstalige vrouwen werken aan hun Nederlands en hun zelf-vertrouwen om het te spreken. ‘Resultaat? Ik heb veel mensen ontmoet en nu ook altijd contacteren met veel mensen. En ik heb veel, veel vriendin hier. […] Vroeger ik altijd denk ik kan niet fietsen maar ik kom, ik probeer en nu ik fiets graag. Ja en voor koken altijd hier praten voor koken, deze koken, deze recepten.’ (Russische deelneemster, 1 jaar in België) ‘We praten over onze kinderen, over onze papieren, over onze problemen, ... Soms mensen komen hier en hebben het zelfde probleem. […] Ik leer veel dingen hier met de andere mensen, met andere culturen, met andere nationaliteit. Ook religies. En voor de taal is het ook beter te spreken.’ (Afghaanse deelneemster, 22 jaar in België)Via PARLEEke hebben de vrouwen een kanaal om hun noden kenbaar te maken. bijlage 5 CasestudiesZo zijn er op hun vraag sport- en fietslessen voor vrouwen gekomen. ‘Er waren heel wat vrouwen die wilden leren fietsen want ze nemen ofwel de bus of hun man neemt vaak de auto maar zelf zijn ze niet zo mobiel. En dan hebben we een vijftiental vrou- wen leren fietsen. Ik denk dat dat één van onze sterktes is: ons concept laat toe om in te gaan op de vragen van de groep.’ (Buurtwerkster) 139b5.2.3 Knelpunten en goede praktijkenOm de vrouwen te bereiken en toe te leiden gebruikt men in Zellik een mix vankanalen en worden er vindplaatsgerichte technieken gebruikt. Men gebruikt lokalekranten, flyers die verspreid worden bij een netwerk van organisaties en mond-tot-mondreclame. Voor anderstalige vrouwen zijn geschreven media echter mindergeschikt. Beter is hen persoonlijk aan te spreken. Dit doet men in Zellik op plaat-sen waar vrouwen regelmatig komen zoals de schoolpoort of de wachtzaal van het
  • 133. OCMW. Men geeft ook telkens een flyer mee waar in eenvoudige bewoording en eventueel met een aantal symbolen de nodige praktische informatie op terug te vinden is. Daarnaast heeft men in Zellik goede ervaringen met de vrouwen aan te spreken via eerstelijnsdiensten en hun sociaal netwerk. ‘Ik probeer om op hen af te stappen om toe te leiden. Daarvoor zaten we hier (in het buurt- huis) ook echt perfect, de mensen konden zien wie er binnen zat. Dat werkt wel zo’n lokaal- tje.’ (Buurtwerkster) Om de drempel te verlagen zijn er heel wat aspecten waarop men moet letten. Het is belangrijk dat de plaats waar de vrouwengroep doorgaat vlot bereikbaar, gezellig en uitnodigend is. Een hartelijke welkom en een kopje koffie kunnen wonderen doen. Het moet daarnaast ook een ‘veilige’ plek zijn. ‘Veilig in de zin van dat ze zich daar goed voelen en dat wat daar gezegd wordt dat dat ook in de groep blijft. Veilig ook in de zin van dat ze daar fouten mogen maken, dat ze ook niet uitgelachen worden.’ (Medewerkster PRIC) Om de drempel laag te houden moet het tijdstip afgestemd zijn op de doelgroep en kan de prijs van nevenactiviteiten zoals een uitstap best zo laag mogelijk gehouden worden. Wat ook drempelverlagend werkt is de vrouwen een eerste keer te laten meekomen met iemand die ze kennen, bv. een vriendin of zelfs met een hele klasgroep. ‘De meeste vrouwen in Zellik waren thuiswerkende vrouwen, die kon je dan overdag bereiken wanneer hun kinderen op school zijn. Een plek die ook laagdrempelig is voor hen: die zebijlage 5 Casestudies kennen en snel bereikbaar is. […] Vandaag zie ik dat er hier een groep van Basiseducatie aanwezig is. Dat is ook drempelverlagend: in groep komen, met de lesgever, want ze kennen die persoon al. Er zijn heel wat mensen die de stap niet durven zetten naar een onbekende plaats.’ (Medewerkster PRIC) Om ervoor te zorgen dat de vrouwen blijven komen is het belangrijk dat het aan- bod goed aansluit bij de interesses van de groep, dat men vraaggericht werkt. De140 beste manier om dit te verzekeren is hen hierin inbreng te laten hebben maar dit bleek een struikelblok. Nieuwe ideeën aanbrengen was moeilijk voor de vrouwen. Een oplossing is hen een kader te geven met daarbinnen een aantal concrete sug- gesties voor activiteiten en thema’s van waaruit ze kunnen vertrekken. Bij deze suggesties is het uiteraard belangrijk rekening te houden met diversiteit binnen de groep (afkomst, leeftijden).
  • 134. ‘In het begin van het nieuwe werkjaar overlopen we met alle vrouwen waar ze het graag over hebben en ook tussendoor vraag ik dat regelmatig eens. Dan vraag ik wat ze leuke activiteiten vonden en wat ze minder leuk vonden maar op een heel losse manier, een babbeltje. Daaraan merkten we wel dat sommige vrouwen het niet gemakkelijk vinden om hun interesses zomaar op tafel te gooien.’ (Buurtwerkster)Feedback krijgen van de vrouwen bleek een ander struikelblok. Ze maken hunmening niet gemakkelijk kenbaar in groep en stemmen eerder met de voeten.Daarom probeert men de vrouwen apart en informeel om feedback te vragen.Verder is er tijd en experimenteerruimte nodig om de groep, zijn leefwereld eninteresses te leren aanvoelen. Zo heeft de ervaring in Zellik geleerd dat het beterwerkt om het concept van een praatgroep te combineren met actieve elementen.Enkel aan tafel zitten en praten bleek niet voldoende om de vrouwen geboeid ofgemotiveerd te houden. Activiteiten en uitstapjes bleken echter zeer geschiktemediums om vrouwen informeel samen te brengen en hen te laten praten. ‘Bij hen is het echt de dag zelf willen ze resultaat zien, terwijl een praatgroep dat is op lange termijn. En als je zo een workshop doet waarbij ze actief, al doende, dan hebben ze het gevoel van ‘tiens we hebben toch al iets mee van de dag zelf’.’ (Medewerkster PRIC)Medewerkers moeten gemotiveerd en enthousiast zijn aangezien zij het uithang-bord van de buurtwerking en het project zijn. Men heeft goede ervaringen metwerken in team. Dit heeft verschillende voordelen: ondersteuning, complementa-riteit maar ook voor de continuïteit van het project. Voor de persoon die de praat-groep voorzit is het belangrijk dat deze een zekere opleiding heeft genoten en alenige ervaring heeft. De thema’s moeten immers goed voorbereid zijn, alle deel- bijlage 5 Casestudiesnemers moeten aan de beurt komen tijdens het gesprek, je moet een groep kun-nen animeren. Een goede ondersteuning hierbij is belangrijk. ‘Je ondersteunt die (vrijwilliger) wel maar als je het niet gewoon bent om groepen te begeleiden en je hebt daar geen ervaring in dan blijft het moeilijk. De groep voelt het ook aan dan. Het is de bedoeling in zo’n praatgroep dat er geen stille momenten vallen, dat de begeleider meteen ver- der kan en mensen kan betrekken. Niet iedereen heeft dat.’ Is dat iets dat je kan leren? 141 ‘Ja ja, zeker. […] Door zo’n praatgroep eerst mee te volgen kan je leren hoe het gaat.’ (Medewerkster PRIC en interviewer)Samenwerking extern maar zeker ook intern tussen de verschillende OCMW-diensten is zeer nuttig voor toeleiding, laagdrempeligheid, het aanvoelen van water leeft bij de doelgroep, ideeën, ondersteuning, ... Het zorgt er ook voor datcomplementair gewerkt kan worden en lasten (organisatorisch, budgettair, admini-stratief) verdeeld kunnen worden.
  • 135. Wat is de meerwaarde van samenwerking? ‘Omdat je heel kort bij de mensen moet gaan staan. […] En als wij dan met verschillende organisaties, naar mankracht, naar kapi- taal, dan iets kunnen openhouden, en zoveel dingen, zoveel verschillende zaken kunnen aan- bieden dan zie ik daar veel meer mogelijkheden in. […] En dat is ook belangrijk voor het aanbrengen van ideeën, in het aanvoelen van wat er leeft in Zellik.’ (Diensthoofd buurtwerking en interviewer) Budget maar vooral de flexibiliteit waarmee medewerkers er mee kunnen omspringen is een mogelijk struikelblok. Voor dergelijke projecten is het belang- rijk dat er snel ingespeeld kan worden op vragen van deelnemers. Een deel van het budget vooropstellen als werkbudget waar de medewerkers autonoom over kun- nen beslissen wordt vooropgesteld als een goede praktijk. ‘De financiering is heel bureaucratisch en veel administratie en dat druist soms een beetje in tegen de spontaniteit van buurtwerk. Soms als ze iets vragen duurt dat een tijd eer ik er een antwoord op kan geven en er iets mee kan gaan doen. Voor nieuwe of andere werkingen is het denk ik heel gemakkelijk als je gewoon uw spaarrekening hebt, om het simpel uit te drukken, dat je daar vlot mee kunt omgaan.’ (Buurtwerkster) Tenslotte moet een dergelijk initiatief de tijd krijgen om te groeien: om bekend- heid te verwerven, om de afstemming op de doelgroep te optimaliseren, om een geëngageerde groep te krijgen. ‘Ik denk dat het ook belangrijk is om geen te hoge verwachtingen te stellen vooraf. […] Je moet dingen durven en kunnen laten groeien. Bij ons is het ook begonnen met een klein praat- groepje en dan is er heel veel bijgekomen. Die groep breidt ook systematisch uit. Ik denk dat jebijlage 5 Casestudies er minstens een jaar voor moet gaan. […] Je moet jezelf de kans geven om de mensen te leren kennen maar anderzijds moet je ervoor zorgen dat de doelgroep u en uw organisatie leert ken- nen. Dat vraagt toch wel wat tijd.’ (Buurtwerkster) b5.2.4 Achtergrond en organisatie Ontstaan: Zellik is een verstedelijkte multiculturele deelgemeente van Asse die142 aan Brussel grenst. Dit brengt heel wat sociale en taalproblemen met zich mee. Bovendien was er een groep anderstalige vrouwen die geen aansluiting vond bij het aanbod van praatgroepen (praatcafé Combinne van Arch’educ waar mannen en vrouwen ‘s avonds hun Nederlands konden oefenen), het verenigingsleven of de traditionele vrouwenorganisaties. Daarom is men vanuit de buurtwerking van OCMW Asse in 2009 met dit initiatief gestart. Er werd in samenwerking met Arch’educ overdag (wanneer de kinderen op school zijn) een praatgroep Com- binne georganiseerd vanuit het buurthuis in Zellik, uitsluitend voor vrouwen (wat
  • 136. cultureel aanvaardbaarder is voor sommige vrouwen). In 2010 werd het projectaangepast en verdergezet zonder Arch’educ, onder de naam vrouwengroep hetPARLEEke, waarbij het praten in groep gecombineerd werd met activiteiten. Uithet PARLEEke en op vraag van de vrouwen zijn andere activiteiten gegroeid, dienog steeds doorlopen. Zo ontstond in 2009 turnen voor vrouwen waarbij vrou-wen elke donderdagnamiddag in de sporthal samen met een lesgeefster kondenturnen. In 2010 werd dit ‘Sport voor vrouwen’ en werden er verschillende sportenbeoefend, dit initiatief loopt nog steeds. In 2011 kwam er het project ‘fietsvrien-dinnen’ een reeks fietslessen voor vrouwen waarbij vrijwilligers de vrouwen lerenfietsen. Dit zal hernomen worden. In 2012 zal het aanbod van de vrouwengroepuitsluitend bestaan uit activiteiten, vormingen en uitstapjes.Toeleiding: De toeleiding gebeurd via zeer diverse kanalen: via vindplaatsgerichtwerken (bv. uitdelen van flyers en vrouwen persoonlijk aanspreken aan de school-poort), via lokale pers, via een netwerk van partners en mond-tot-mondreclame. ‘Je probeert het een beetje overal: het gemeentelijk infoblad, de pers, het staat in de streekkrant. Maar je weet dat de laaggeschoolden, de anderstaligen die het Nederlands niet goed beheersen dat je die niet gaat bereiken en dan probeer je van bijvoorbeeld, plaatsen waar die mensen wel terecht komen, van op die plaatsen mensen te gaan aanspreken zoals de schoolpoort acties ook bij de naschoolse opvang. We hebben ook al mensen aangesproken in het OCMW zelf, de wachtzaal. Zo probeer je plaatsen te zoeken om dan toch een breder publiek te bereiken.’ (Medewerkster PRIC)Personeelsinzet: De dienst buurtwerking telt twee voltijdse buurtwerksterswaarvan er één specifiek voor Zellik en dus voor PARLEEke verantwoordelijk is. bijlage 5 CasestudiesOndersteunende structuur: Het hoofd van de dienst buurtwerking zorgt vooropvolging en ondersteuning alsook de medewerkster van het PRIC die deelneemtaan de vrouwengroep.Financiën: De werkingsmiddelen worden voornamelijk uit subsidies gehaald. Deintegratiedienst van de gemeente Asse betaalt de vrijwilligster die de praatgroep 143voorzit.Samenwerking: Er is een intensieve samenwerking met de provinciale integratie-dienst (PRIC), de integratiedienst van de gemeente Asse en de volkshogeschoolArch’educ. Daarnaast heeft de buurtwerking een netwerk van partners uitge-bouwd waar ad hoc mee samengewerkt kan worden en waarmee overleg gepleegdwordt in door het OCMW opgestarte initiatieven zoals het welzijnsoverleg Zellik
  • 137. en het NT2-overleg. Ook wordt er intern samengewerkt met diverse OCMW diensten vooral in verband met toeleiding. Evaluatie: Er wordt elk jaar een procesevaluatie gedaan aan de hand van een jaarverslag en een formele evaluatie met het diensthoofd, de integratiedienst van de gemeente, het PRIC en de buurtwerkster. Met de deelneemsters wordt het project informeel geëvalueerd aan de hand van individuele gesprekken. b5.3 Case studie Extra Time - OCMW Gent b5.3.1 Projectfiche b5.3.1.1 Korte omschrijving Extra Time is een groepswerking voor jongeren, opgezet vanuit de dienst Eman- cipatorische Werking, om hen de nodige competenties (attitudes, kennis en vaar- digheden) aan te leren en/of te versterken met het oog op een latere activering richting therapie, opleiding of werk. Er wordt in groep gewerkt aan een individu- eel traject: sociaal netwerk, beroeps- of opleidingsoriëntatie, fysieke conditie, zelf- beeld, attitudes en competenties.31 Het project is ontstaan uit de vaststelling dat er een groot aantal moeilijk activeerbare jongeren is waarmee men binnen het Oplei- dings en Tewerkstellingscentrum van het OCMW of het individueel maatschappe- lijk werk weinig vooruitgang boekt. b5.3.1.2 Doelgroepbijlage 5 Casestudies Moeilijk activeerbare jongeren tussen 18 en 25 jaar oud die een leefloon ontvan- gen (vanuit deze optiek nemen sommigen verplicht deel aan de werking) of bij VDAB in begeleiding zijn vormen de doelgroep. De jongeren moeten aan voor- waarden voldoen zoals op zoek zijn, open staan of interesse hebben voor gezonde en zinvolle tijdsbesteding: sport, beweging, gezonde voeding, culturele activiteiten; willen werken aan hun fysieke conditie; kunnen functioneren in groep; voldoende Nederlands spreken. Een (beperkte) verslavingsproblematiek wordt toegelaten144 mits deze bespreekbaar is. ‘18-25 jarigen die ergens nog zoekend zijn naar wat ze met hun leven gaan doen. En die daar op de een of andere manier wat in de knoop zijn geraakt en ondersteuning nodig hebben om 31 De attitudes en competenties die nagestreefd worden zijn: de basis- of groepsregels opvolgen, punctuali- teit, motivatie, samenwerking, luistervaardigheid, leergierigheid, omgaan met kritiek, omgaan met gezag, flexibiliteit en doorzetting.
  • 138. hun weg te zoeken en om versterkt te worden op bepaalde vlakken zodat alles beter loopt en een duurzame toekomstoplossing mogelijk wordt.’ (Groepsbegeleider)b5.3.1.3 De praktijkIn 2011 werd er gedurende zeven maanden met een groep van vijftien jongeren32toegewerkt naar verschillende tussendoelen zoals het organiseren van een fiets-tocht, deelnemen aan de Belgian Homeless Cup, een eigen voetbaltoernooi orga-niseren. De jongeren komen hiervoor twee halve dagen per week samen onderbegeleiding van twee groepsbegeleiders en een sportief begeleider. Tijdensgroepsmomenten worden enerzijds activiteiten voorbereid door de jongeren enworden de jongeren anderzijds ook voorbereid in functie van een activiteit. Dejongeren volgden bijvoorbeeld een vorming van de speelpleinwerking tot hulp-monitor om daarna een week leiding te geven in een vakantiewerking. Tijdens degroepsmomenten worden ook groepsgesprekken of vormingen gehouden rondalgemene levensdomeinen (bv. huisvesting) waar de groep problemen rondondervond of ondersteuning nodig had. Daarnaast worden verschillende sportenbeoefend gaande van voetbal of basketbal tot kajakken en muurklimmen. Naastdeze groepsbegeleiding krijgen de jongeren ook individuele begeleiding van eenjongerenwerker uit de Methodische Cel Jongerenwerking33 van het OCMW envan een trajectbegeleider die de jongeren specifiek opvolgt naar werk/activering.Na één, drie en zes maanden in het project worden jongeren geëvalueerd op hetvlak van competenties door middel van een score op basis van gedragsindicatoren.Dit gebeurt telkens in aanwezigheid van alle bovenstaande begeleiders (degroepsbegeleiders, de jongerenwerker, de trajectbegeleider) en de jongere zelf. ‘Dus dat we echt gaan kijken: waar is die persoon goed in, waar kan er nog bijgestuurd wor- bijlage 5 Casestudies den, waar gaat het fout. Hiervoor werden de jongeren in andere contexten en situaties ver- plaatst bijvoorbeeld een voetbalmatch waar dan basiscompetenties aan het licht kunnen komen: zorg voor materiaal, samenwerking, communicatie, ...’ (Groepsbegeleider)b5.3.2 ResultatenDe resultaten van deelname zijn zeer divers en afhankelijk van de problematiek 145waarmee elke jongere start aan het project. We kunnen ‘harde’ en ‘zachte’ resulta-ten onderscheiden. Sommige jongeren zijn geactiveerd naar de arbeidsmarkt, vrij-32 Omdat het groepsbindend effect nagestreefd wordt, worden geen nieuwe groepsleden toegelaten door- heen het project.33 Deze methodische cel bestaat uit vijf maatschappelijk werkers, onder leiding van twee hoofdmaatschap- pelijk werkers, en is er op gericht de cliënt een hulpverlener aan te bieden die inhoudelijk gespecialiseerd is en meer ruimte/tijd heeft voor een intensieve begeleiding. Deze hulpverlener wordt bovendien onder- steund via multidisciplinaire inhoudelijke aansturing vanuit de cel en van een psycholoog. Het doelpubliek binnen deze cel zijn jongeren tussen 18 en 25 met een recent verleden in bijzondere jeugdzorg en/of jon- geren die een onstabiele verblijfssituatie hebben.
  • 139. willigerswerk, een opleiding of therapie. Daarnaast hebben de jongeren een net- werk uitgebouwd, lijken ze allemaal toch wat zelfbewuster te zijn geworden en hebben ze een aantal competenties verworven. ‘Bij het merendeel merken we dat ze een andere structuur in hun daginvulling en weekinvulling krijgen.[…] Ook rond sociale normen en sociaal gedrag merken we dat taalgebruik enzo wel sterk verandert, een meer gerelativeerde kijk naar de maatschappij, naar andere mensen en een realistisch toekomstbeeld komt er bij velen bij te pas. […] De gerichtheid op arbeid en het zelfstandig zijn, onafhankelijk van het OCMW. Voor velen die in een situatie van leefloon zijn terecht gekomen settelen zich daar na een tijd in ook al willen ze niet de stempel krijgen van een OCMW-trekker. […] Maar stilletjes aan kun je dat gaan veranderen. […] Dan beginnen ze ook in te zien dat het eigenlijk nuttig en nodig is om er (een job zoeken) aan te werken.’ (Groepsbegeleider) Wat heb je hier uitgehaald? ‘Ik weet nu eindelijk wat dat ik wil doen. En dat is al veel. Ik ben geslaagd voor mijn selectieproef bij de VDAB voor een opleiding jeugd- en gehan- dicaptenzorger. […] En ik ben zelf ook sterker geworden denk ik. Vooral na de dood van mijn grootmoeder. Ik heb het gevoel dat ik door het project minder verdriet heb. […] Het heeft mij toch geholpen.’ En hoe dan? ‘Ja, u gedachten verzetten. Veel vrienden gemaakt.’ Zijn er dingen die je hier geleerd hebt? ‘Kleine dingen zoals ja, hoe uit ik iets? Hoe zeg ik iets? Hoe reageer ik op iets? Op welke manier. En ik heb ook wel werkpuntjes en sterke puntjes heb ik ook.’ (Jongere, 19, toegeleid door OCMW en interviewer) ‘Je moet weten ik was eigenlijk vrij geïsoleerd: ik zag bijna niemand, ik was heel sociaal paniekerig, ook op straat. Dus voor mij was dat echt wel een overwinning bijvoorbeeld als we naar de sportzaal liepen en ik praatte eens met iemand anders. Dan was ik heel blij dat ikbijlage 5 Casestudies gewoon een paar minuten met iemand had gepraat, dat dat mij gelukt is.’ (Jongere, 21, toege- leid door OCMW) b5.3.3 Knelpunten en goede praktijken De jongeren motiveren om deel te nemen en die motivatie behouden is een grote uitdaging. In de door het OCMW gehanteerde aanpak van dit knelpunt herkennen146 we een outreachende en aanklampende benadering. ‘We proberen eigenlijk die uitval te beperken door als we een doorverwijzing krijgen eerst te bellen dan vragen ‘mogen we eens langskomen om een intake te doen?’ […] We doen dat graag op huisbezoek omdat je dan ook ziet de omgeving waar ze wonen. […] Om zo een beetje dichter bij hun leefwereld te staan. En dan tussen de tijd dat we op huisbezoek zijn geweest en de start van het project bellen we heel veel. Gewoon een keer bellen van ‘Hoe is het? Zie je het nog zitten? Is het wat bezonken?’ En jongerenwerkers en trajectbegeleiders trekken
  • 140. daar ook wel wat aan. Dat doen we eigenlijk door heel het project. We sturen ook elke keer een berichtje, in het begin meer dan op het einde.’ (Groepsbegeleider)Verplichte deelname blijkt overigens geen onoverkomelijk obstakel. De extrinsiekemotivatie van het behoud van een uitkering maakt bij de meesten na een aantalwerkingen plaats voor intrinsieke motivatie. ‘In de groep had de helft of zelfs drie vierde van de jongeren een GPMI (Geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie). Maar ik denk dat het merendeel wel wist van er moet hier iets gebeuren. Het is een stok achter de deur geweest. […] Dan merk je dat dat nog een tijd aansleept: geen zin hebben, tegendraads zijn, eigenlijk niet mee werken. Maar het is blijkbaar wel losgelopen. Na een aantal werkingen is dat beginnen keren: vonden ze aanslui- ting met andere gasten, vonden ze hun plaats binnen de groep, waren er activiteiten die ze wel leuk vonden.’ (Groepsbegeleider)Een zeer gevarieerd en flexibel programma dat voldoende afgestemd is op hunnoden en interesses is nodig om de motivatie van de jongeren op peil te houden.Emancipatorisch werken, jongeren inspraak geven in de inhoud van het pro-gramma en vertrekken vanuit hun leefwereld is hier een goed middel toe. ‘We mochten zelf dingen voorstellen om te doen, activiteiten. We hebben dan activiteiten voorge- steld en we moesten dat zelf organiseren. […] Ik vond dat er vree goed aan. Want wij als jon- geren zouden dat niet mogen doen normaal. Op dat vlak vond ik dat wel wijs omdat, wij heb- ben geen ervaring met organiseren ofzo en daarom dat ik het leuk vond omdat ze ons de kans hebben gegeven om dat zo wat te proberen en te zeggen hoe het moet.’ (Jongere, 21, toegeleid door OCMW) bijlage 5 CasestudiesMaar dit blijkt best binnen een duidelijke programmastructuur te gebeuren meteen aantal concrete voorstellen voor activiteiten, vormingen, thema’s om van tevertrekken. ‘We dachten van met jongeren werken, dat moet je redelijk open aannemen want ze hebben altijd al gebotst tegen vaste structuren en tegen dingen die ze moeten doen. Dus we gaan het aan 147 hen zelf vragen wat ze willen doen en waar ze aan willen werken. Maar voor sommige jongeren is het ook gewoon niet makkelijk om te weten wat ze zelf willen en om dingen uit te werken zonder dat ze een vast kader hebben.[…] Op die manier is het eigenlijk ook veel duidelijker en veel rustiger voor henzelf in een project waar een vaste structuur en een basislijn inzit, zoda- nig dat ze weten wat ze mogen verwachten.’ (Groepsbegeleider)Naar inhoud van het aanbod is het belangrijk te weten dat klassieke vormingenniet werken bij dit soort jongeren, ze zijn vaak schoolmoe. Belangrijk is om de
  • 141. vormingen goed af te stemmen op de interesses en noden van de jongeren en het nut ervan duidelijk te maken door het geleerde in de praktijk te gebruiken. We kunnen uit dit project leren dat het een goede aanpak is om te vragen waarrond de jongeren willen werken of iets willen bijleren (bv. werken met kinderen), hier een concreet doel aan te koppelen (bv. een week leiding geven aan kinderen op het speelplein) en in functie daarvan een opleiding te doen (een cursus tot hulpmoni- tor). Ook het werken met sportieve activiteiten werkt om jongeren te doen bewe- gen, in figuurlijke zin: stappen te ondernemen in hun leven. ‘Ik denk, het proberen aan te sluiten bij de jongeren zelf en van daaruit eigenlijk echt te gaan zoeken naar activiteiten enzo die de jongeren aanvaarden om daarin mee te werken. Ook als je zou zeggen we gaan hier beginnen werken aan uw competenties en attitudes, dat ze direct zou- den beginnen steigeren. Maar door de manier van het aan te pakken, eigenlijk met een omweg en activiteiten, stappen ze daar wel in zonder dat ze direct doorhebben van ik ga hier aan mijn attitudes werken. En het werken met activiteiten en sport dat werkt echt om de mensen actief te maken.’ (Groepsbegeleider) Het werken in groep, jongeren samen brengen met andere jongeren die ook al veel hebben meegemaakt, werkt motiverend. Ze leren van elkaar en nemen gemakke- lijker iets van elkaar aan dan van een begeleider. ‘Ook het effect dat dat heeft als iemand waarmee dat ze goed overeen komen werk heeft. Dat heeft echt wel een effect. ‘Als hij dat kan, kan ik dat ook.’ Je kan dat soms duizend keer zeg- gen: we gaan eens kijken naar tewerkstelling, wat zou jij graag doen? Eén oor in, ander oor uit. Tot een jongere gewoon zegt van ‘ah maar ik heb zo werk gevonden’. Het wordt dikwijls gemakkelijker aanvaard van jongeren onder elkaar dan van een groepsbegeleider.’ (Groepsbe-bijlage 5 Casestudies geleider) Het individuele traject van de jongere wordt sterk opgevolgd. Tijdens activiteiten kunnen de groepsbegeleiders een aantal competenties en attitudes bij de jongeren observeren om deze dan achteraf bespreekbaar te stellen. De attitudes en compe- tenties die nagestreefd worden zijn: de basis- of groepsregels opvolgen, punctua- liteit, motivatie, samenwerking, luistervaardigheid, leergierigheid, omgaan met148 kritiek, omgaan met gezag, flexibiliteit en doorzetting. Deze worden geëvalueerd; na één, drie en zes maanden in het traject; op basis van een scoringssysteem met gedragsindicatoren. De bespreking gebeurt met alle partijen: de jongere, zijn groepsbegeleiders, jongerenwerker en trajectbegeleider waardoor de jongere ook voelt dat er aan hetzelfde zeil getrokken wordt en de ene begeleider niet tegen de andere kan uitspelen. Een dergelijke opvolging, de aandacht voor het individuele traject en het zichtbaar maken van vooruitgang wordt als zeer positief ervaren. Met recht en rede: elke jongere kon in het interview een aantal werkpunten en
  • 142. sterke punten van zichzelf aanduiden, zelfreflectie wordt duidelijk gestimuleerddoor dit systeem. Een dergelijke doorgedreven evaluatie heeft nog meer voorde-len: zichtbaar maken van vooruitgang kan voor de jongeren en hun begeleidersmotiverend werken en kan een het project legitimeren bij het beleid. Gedreven groepsbegeleiders hebben is een voorwaarde voor succes want huntaak is niet altijd gemakkelijk. Het vinden van de juiste begeleidingshouding is eenmoeilijk punt. Het is een constante evenwichtsoefening tussen aansluiting vindenbij de jongeren maar toch een professionele afstand houden en structuur, leidinggeven. De jongeren verwachten ook van de begeleiders dat er duidelijke grenzengesteld worden en dat er consequent wordt opgetreden als deze overtreden wor-den. Een duidelijke communicatie is eveneens van belang. Om deze moeilijkhedenop te vangen is een goede ondersteuning van de groepsbegeleiders nodig: geregelddoorpraten van moeilijkheden, de mogelijkheid bieden tot het volgen van cursus-sen of opleidingen, enz. Wat verwacht je van een begeleider? ‘Dat ze de touwtjes in handen hebben, vooral dat. Ik vind begeleider, het woord zegt het zelf, iemand die u begeleidt. […] Dus dat had ik van X en Y niet. Ze wilden meer vrienden zijn dan een begeleider. Dat vind ik goed want ik heb er een goede band mee, vooral met X dan. Maar ik had toch op sommige momenten ver- wacht van ‘kijk, nu gaan we eens op tafel slaan’. (Jongere, 19, toegeleid door OCMW en interviewer) Wat verwacht je van een begeleider? ‘Iemand die warm en begripvol is zeker, da moet geen officierstype ofzo zijn maar wanneer het nodig is gewoon ‘no nonsense’. Op hun plaats zetten zodat ze weten dat ze het niet meer moeten doen. Dat je u ook veilig voelt in de groep, dat ze zich niet alles kunnen permitteren. En dat je er wel bij terecht kunt en alles, bijlage 5 Casestudies waardat je die veiligheid van voelt. Een goede ouder zou ook zo moeten zijn hè: heel goed voor de kinderen maar ook consequent opvoeden, en ook tonen waar de grens is.’ (Jongere, 21, toe- geleid door OCMW en interviewer)Samenwerking intern en extern met diverse organisaties is een pluspunt. Dat eendergelijk project vanuit een OCMW plaatsvindt wordt op dit vlak aangevoeld alseen voordeel omdat dit toegang biedt tot allerlei dienstverlening. Ook de setting, 149een grote stad met veel aanbod en organisaties waar de jongeren naar toegeleidkunnen worden, wordt op dit vlak aangehaald als een voordeel. ‘Dat maakt de rijkdom uit van uw project. Intern zeker omdat je zoveel disciplines hebt waarop dat je een beroep kan doen om rond het individuele te werken. Die externe partners zijn belangrijk om gasten te laten doorstromen en voor netwerkvorming buiten onze diensten.’ (Projectcoördinator)
  • 143. Op het vlak van financiering wordt het als een voordeel gezien dat het project gefinancierd wordt met een mix van middelen: van het OCMW, externe middelen en subsidies. Doordat men niet afhankelijk is van één enkele financieringsbron heeft men het gevoel dat dit het project meer toekomstzekerheid geeft. b5.3.4 Achtergrond en organisatie Ontstaan: Extra Time vindt zijn oorsprong in de vaststelling dat er een grote groep moeilijk activeerbare jongeren is waarmee men binnen het Opleidings en Tewerkstellingscentrum van het OCMW of het individueel maatschappelijk werk weinig vooruitgang boekt. In 2010 zette het OCMW daarom het project ‘Voorzet’ op rond sociale activering met voetbal als trigger voor jongeren. In 2011 werd dit het ESF-project ‘Extra Time’ opgezet vanuit de dienst Emancipatorische Werking van het OCMW waarbij de focus op voetbal verruimd werd naar sport, beweging en andere activiteiten. In 2012 zal het project nog ruimer worden opgevat: bewe- gen in de letterlijke en figuurlijke zin van het woord, stappen vooruit zetten. ‘De oorsprong zat hem denk ik in jongeren waarbij ze zagen dat als we die toeleiden naar de arbeidsmarkt lukt dat niet echt. Die botsen op te veel zaken qua attitudes, op tijd komen, afspraken opvolgen, waardoor arbeidstrajecten altijd fout liepen. En dat ze dan zeiden, er moet eerst nog op een andere manier aan gewerkt worden met de jongeren voor ze echt arbeid kunnen opnemen.’ (Groepsbegeleider) Toeleiding: De toeleiding gebeurt vanuit OCMW of VDAB. Hiervoor is er een formele procedure opgezet waarbij jongeren worden doorverwezen via een for- mulier op basis van een aantal toelatingsvoorwaarden. De jongeren moeten tussenbijlage 5 Casestudies 18 en 25 jaar oud zijn, een leefloon ontvangen of bij VDAB in begeleiding zijn. Ze moeten op zoek zijn, open staan of interesse hebben voor gezonde en zinvolle tijdsbesteding: sport, beweging, gezonde voeding, culturele activiteiten; kunnen functioneren in groep; voldoende Nederlands spreken. Een (beperkte) versla- vingsproblematiek wordt toegelaten mits deze bespreekbaar is. De groepsbegelei- ders van Extra Time nemen intakes af bij de doorverwezen jongeren. Op een teamvergadering worden deze intakes besproken en wordt een finale selectie van150 15 jongeren gemaakt. Personeelsinzet: Er is een projectcoördinator voor 1/5de voltijds equivalent, twee groepsbegeleiders voor 3/5de en 2/5de voltijds equivalent en een sportief begeleider die ook de functie van logistiek ondersteuner opneemt voor 4/5de voltijds equivalent. Een gespecialiseerde dienst van het OCMW regelt de financiering.
  • 144. Ondersteunende structuur: Er is een stuurgroep met de leidinggevenden vanbetrokken diensten, een projectgroep met groepsbegeleiders, de sportbegeleideren een projectcoördinator. Ongeveer tweewekelijks is er een teamvergaderingwaarop het verloop van het project wordt besproken. Maandelijks of tweemaan-delijks is er overleg met de jongerenbegeleiders en trajectbegeleiders waarbij hetverloop van het project en cases van jongeren worden overlopen. Deze wordengedurende het project overigens ook op de hoogte gehouden van de aanwezighe-den van of moeilijkheden met hun cliënten.Financiën: Er worden eigen OCMW-middelen ingezet alsook middelen van hetEuropees Sociaal Fonds, Open Stadion en VDAB.Samenwerking: Er is interne samenwerking met de verschillende OCMW dien-sten: het Opleidings en Tewerkstellingscentrum, de Methodische Cel Jongeren-werking, de psychologische dienst. Externe samenwerking is er met verschillendeorganisaties zoals Open Stadion, speelpleinwerking, Habbekratz, vzw Jong, Leer-punt enz.Evaluatie: Op projectniveau wordt er eerst intern, binnen het projectteam,geëvalueerd. Daarna is er een evaluatie in groep met de jongeren (a.d.h.v.schema’s, flappen, post-it’s). Tenslotte wordt het project in de stuurgroep geëvalu-eerd. Op niveau van de deelnemer wordt eveneens geëvalueerd. Competentiesomschreven met gedragsindicatoren worden gescoord door de begeleider (in 2012zowel door de begeleider als de jongere zelf) na één maand, na drie maanden enna zes maanden in het project. Hieraan worden ontwikkelingspunten gekoppeld.Deze evaluatie gebeurt telkens in aanwezigheid van alle betrokken partijen: bijlage 5 Casestudiestrajectbegeleider, de jongerenwerker, de groepsbegeleider en de jongere zelf.b5.4 Bièvre – Espace détenteb5.4.1 Fiche de projet 151b5.4.1.1 Brève descriptionLe CPAS de Bièvre organise depuis 2005 un ‘Espace détente’ pour personnesâgées. Il prend place une fois par semaine le mercredi après-midi et permet auxpersonnes de se rencontrer dans un espace convivial afin de lutter contrel’isolement. Bièvre est une commune rurale plutôt aisée d’environ 3 200 habitantset regroupe plusieurs villages. Elle ne compte qu’une quinzaine de bénéficiaires duRIS dont bon nombre sont étudiants.
  • 145. b5.4.1.2 Groupe-cible Même s’il reste ouvert à tous, les personnes fréquentant l’Espace détente ont en moyenne une septantaine d’années et sont toutes pensionnées. Toute personne est la bienvenue, qu’elle soit de la commune ou non, usagère du CPAS ou non. b5.4.1.3 La pratique Tous les mercredis, sauf pendant les mois de juillet et août, les personnes se réunissent de 13 à 17 heures dans une salle louée pour l’occasion. Elles y jouent aux cartes ou font des bricolages tout en discutant. Il y a occasionnellement des animations de bricolage mis sur pied. Des jeux de société et deux magasines sont mis à disposition des participants. Un goûter est prévu vers 16 heures et consiste en une collation et une boisson. La participation demandée aux personnes est de 2 euros par après-midi. Le dernier mercredi du mois c’est un repas qui est organisé et le coût de l’activité est alors de 5 euros. Deux personnes s’occupent du service et un participant bénévole s’occupe de la caisse. ‘Ils jouent aux cartes, donc il y a des joueurs de couillon et des joueurs de whist, et puis il y a 2-3 femmes qui bricolent, qui lisent un peu. On leur achète deux trois magazines, Marie- Claire et Femme d’aujourd’hui, elles essayent de, ...’ (Employée administrative) b5.4.2 Origines et organisation du projet Débuts: L’Espace détente a été mis sur pied suite au constat d’un besoin sur la commune de Bièvre. Une assistante sociale du CPAS aujourd’hui pensionnée fai- sait partie d’un Comité de maintien à domicile des personnes âgées. Le comité regroupait des représentants du CPAS de Bièvre et d’autres communes limi-bijlage 5 Casestudies trophes ainsi que des mutuelles, la Croix jaune et blanche, des médecins, etc. Le Comité constate qu’un centre de jour pourrait être nécessaire et fait une enquête pour savoir s’il rencontrerait les besoins de la population. Cela est effectivement le cas mais la mise en place d’un tel projet est très coûteuse en temps et argent. Le Président d’alors du CPAS souhaite organiser une alternative et l’Espace détente est créé.152 ‘Oui. Voilà, on essayait de voir ce qu’on pouvait faire pour garder le plus longtemps les per- sonnes chez elles. […] Et donc, au fur et à mesure, on s’est rendu compte quand même que, pour souffler, aussi parfois, quand les personnes sont chez leurs enfants etc., ... il y aurait eu besoin d’un lieu comme un centre de jour. Donc, le projet a mûri tout doucement, on a fait faire un questionnaire que les CPAS ont distribué dans la commune pour savoir si effectivement ça rencontrait un besoin. Et ça le rencontrait. Le problème, c’est que, mettre en place un centre de jour ça prend énormément de temps et d’argent, surtout qu’il y avait trois communes concernées, qui veulent un peu tirer le chapeau à eux, ... Et comme en plus nous avons un home qui est
  • 146. une intercommunale, ici sur la commune, donc ils voulaient rattacher ça au home. Le président de l’époque a dit: ‘Moi je n’attends pas dix ans. Il y a un besoin sur la commune, et bien, j’organise quelque chose’ Et donc c’est comme ça que l’espace détente a été mis en place.’ (Assistante sociale)Participation: De la publicité pour le projet a été faite lors du lancement del’activité. D’abord car une enquête sur les besoins en termes de centre de jourdans la commune avait été réalisée; ensuite parce que des toutes-boîtes ont étédistribués pour annoncer le lancement de l’Espace détente. Actuellement, c’est parle bouche à oreille que se fait le recrutement. Egalement, lorsque les assistantessociales rencontrent des personnes qui pourraient être intéressées par le projet,elles invitent y à participer. Plusieurs personnes ont fait venir des connaissances.La grande majorité des personnes fréquentant l’Espace détente ne sont pas desusagers du CPAS. Entre 20 et 30 personnes participent régulièrement à l’Espacedétente avec une moyenne de 24 participants. Le groupe est ouvert et ne sera paslimité en nombre. Au besoin, un changement de salle pourrait s’effectuer mais ladifficulté reste de motiver les personnes à venir. En effet, le temps ou les voyagestout comme l’envie ou le courage de sortir de chez soi les empêchent parfoisd’être réguliers. ‘Au départ on a quand même fait une publicité parce qu’il fallait que les gens sachent. Donc effectivement on a fait une publicité. Bon, maintenant, c’est quand même toujours relativement les mêmes qui viennent donc bon, s’ils connaissent quelqu’un, on essaye quand même de leur dire: ‘si vous connaissez quelqu’un, il peut venir’. Moi, quand je vois des personnes âgées qui viennent pour un papier ou l’autre, j’essaye quand même de leur dire: ‘il y a ça qui existe, si vous êtes intéressés venez, quoi’.’ (Assistante sociale) bijlage 5 CasestudiesFinances: Le coût moyen d’un mercredi (mercredi normal + mercredi repas) esten moyenne de 50,15 euros pour le CPAS (après déduction des participations desusagers). Les postes de dépense sont: la location de la salle, l’achat de vaisselle,l’achat de collations, repas et boissons, l’achat de journaux et magasines et laprestation de personnel (anciennement des ALE, n’est plus à charge du CPASdepuis octobre 2011). Le budget pour l’Espace détente est reconduit annuellement 153depuis 2005, sans que la question de sa pérennité ne se pose. ‘Disons que oui, ça a un coût. Par rapport au service rendu et au contentement des gens, je vais dire que ça vaut la peine. Ils l’ont mis sur pied en 2005, on est en 2011, c’est toujours d’actualité, et il n’y a pas moins de monde en 2011 qu’il n’y en avait en 2006.’ (Employée administrative)
  • 147. Investissement de personnel: Au CPAS, deux personnes s’occupent de l’Espace détente. Une assistante sociale est responsable du projet et passe occasionnelle- ment rencontrer les participants tandis qu’une administrative s’occupe de la ges- tion des comptes et de la logistique. Le projet tourne en quelque sorte ‘tout seul’, peu de temps de travail du personnel du CPAS y est consacré car ce sont une à deux personnes externes qui assurent la logistique sur place, d’où l’importance du choix des personnes engagées. Initialement, des ALE étaient responsable de la logistique pendant l’activité (servir boissons, repas et collation, faire le ménage) mais cette charge est maintenant assumée par le Patro local qui souhaitait s’investir dans le projet. Quelques difficultés avaient été rencontrées avec les personnes engagées en ALE en raison d’absences récurrentes. Une personne du CPAS devait alors se charger de trouver un remplaçant au pied-levé. ‘Donc, ... enfin, il y a eu des problèmes. Puis, nous avons pris d’autres ALE qui ne dépen- daient pas de nous mais le problème des ALE, c’est que c’était pas régulier, il n’y avait pas de stabilité et souvent il fallait faire des remplacements au pied levé et ça c’était pas possible. Ca devenait impossible. Donc, le patro a demandé s’il ne pouvait pas mettre à disposition son per- sonnel. Donc, depuis fin septembre c’est deux personnes qui travaillent au patro qui s’en occu- pent.’ (Assistante sociale) Collaborations: Une collaboration avec le Patro local a été mise sur pied. Le local est loué au Patro qui lui fournit depuis octobre 2011 les deux personnes assurant le service des repas et collations qui ne sont dès lors plus à la charge du CPAS. Evaluation: L’évaluation se fait de manière orale lors du passage occasionnel des responsables du projet à l’Espace détente. Lorsque les participants ont desbijlage 5 Casestudies remarques à faire, ils le font à cette occasion ou bien ils franchissent le pas de la porte du CPAS pour en discuter avec la responsable du projet. Un rapport oral est fait annuellement au Conseil. b5.4.3 Résultats Les personnes âgées rencontrent d’autres personnes et sortent de l’isolement et de154 la solitude dans une commune rurale où l’éloignement peut être important. Le fait de venir à l’Espace détente le mercredi permet de ‘tenir’ et de s’efforcer à rester en forme. ‘C’est vraiment le fait de dire qu’on a mis quelque chose sur pied et que ça a vraiment rencon- tré les attentes des gens. Et ces gens-là, toutes les semaines ils se disent: ah, je me lève le matin, mais c’est mercredi je vais à l’espace détente. Ca ça me suffit, voilà. Le projet il a abouti c’est parce que les gens sont contents d’y venir. Je vous dis, s’il n’y a pas moins de personnes en
  • 148. 2011 qu’en 2005 quand ça a commencé c’est que ça marche et que les gens sont accros à ça et que, ...’ (Employée administrative) ‘Ça me plaît parce que le mercredi, ... Et d’ailleurs, comment je vais vous expliquer ça? On peut me demander quelque chose, au soir je vais chercher une vieille voiture avec un ami, mais je lui dis: ‘après, c’est l’après-midi détente’. Parce que le mercredi après-midi, tout le monde le sait: personne, même ma fille, rien à faire, je ne m’en occupe. […] Oui, mais ça vous booste. Ça vous porte. Parce que vous avez envie de continuer, ...’ (Participant 1, ancien usager du CPAS) ‘Les gens rouspètent qu’on ne fait rien pour les personnes âgées et puis quand il y a un truc, ben on n’y va pas. Moi je ne comprends pas, les gens sont parfois, ... Moi quand j’ai l’occasion, je vais à tout ce que je sais pour sortir, pour passer mon temps, parce que, toute seule à la maison. Pff, ... on en a, ... Marre? On en a vite marre. On n’a pas l’occasion de causer. Moi j’aime bien de causer, et puis voilà, ...’ (Participante 4, habite à 14 km) ‘Je pense que c’était un besoin pour elles de se retrouver. Peut-être un problème de solitude, et ici elles voient un peu des gens même si on joue aux cartes, on parle quand même avec le voisin et, ... Donc la solitude c’est quelque chose contre laquelle vous luttez et que vous sentez assez présente? Oui, quand même. On a des villages fort éloignés et quand vous êtes une personne âgée et que vous êtes toute seule là, c’est pas évident.’ (Assistante sociale)b5.4.4 Bonnes pratiquesLe succès de l’activité de Bièvre repose en partie sur l’enquête préalable qui a été bijlage 5 Casestudiesréalisée afin d’évaluer les besoins de personnes de la commune, en s’axant surplusieurs points: la nécessité de l’Espace, les besoins en termes de transport,l’obstacle éventuel d’une demande de participation, la fréquence, etc. ‘Mais, oui, on a peut-être donné les moyens mais tant qu’il y a de la demande, je pense que le projet vivra. Et bon, les personnes âgées, même s’il y en a qui partent, on vieillit tout le monde chaque année d’un an, donc à un moment donné on sera peut-être là-bas aussi en train de jouer 155 aux cartes.’ (Employée administrative)Malgré cela, la difficulté de motiver les personnes à participer à une telle activitédemeure. En effet, il semblerait être difficile de convaincre les personnes de venirse joindre à l’Espace détente et de renouveler les effectifs. ‘Mais c’est toujours les mêmes partout. Je vais à Halle, c’est toujours les mêmes groupes par- tout! […] Ah, ben voilà! C’est difficile de trouver des nouvelles personnes, il n’y en a pas qui
  • 149. veulent venir! Je trouve qu’il n’y en a pas. Très peu, très peu qui veulent venir.’ (Partici- pante 4, habite à 14 km) Lorsque le projet a été lancé, peu de personnes y participaient. Mais le bouche à oreille a ensuite fait ses effets et les effectifs se sont agrandis. Il est donc important d’être patient en début de projet, avant que ‘la sauce ne prenne’. ‘Au départ, nous étions à six. Et les gens disaient: ‘Mais ça tournera à rien’. Et puis progres- sivement les gens sont venus, ...’ (Participant 1, ancien usager du CPAS) L’écoute régulière des demandes des participants et la de rencontre de leurs attentes est une bonne pratique de plus qui peut être pointée. A Bièvre, certaines dames sont en demande de davantage de matériel de bricolage et demandent l’organisation par des personnes externes d’ateliers pour pouvoir apprendre quelque chose. L’assistante sociale responsable recherche donc des personnes (rémunérées) pour venir animer ces ateliers. ‘[…] c’est vrai qu’elles m’ont demandé si nous on pouvait organiser quelque chose pour elles. Donc on va repartir là-dessus maintenant.’ (Assistante sociale) Bièvre est une petite commune rurale mais très étendue et réparties sur douze villages. Les personnes habitent donc parfois loin de l’activité et peu de transports en commun existent. De plus, certains participants ne sont que peu mobiles. Un système de covoiturage est donc organisé entre participants afin que chacun puisse participer à l’activité. Par ailleurs, le CPAS organise un système de covoiturage à tarif réduit (25 centimes le kilomètre) auquel peuvent faire appel les personnesbijlage 5 Casestudies souhaitant participer à l’Espace détente n’ayant pas de moyen de locomotion. ‘Le fait d’être une commune rurale c’est quand même quelque chose de très spécifique? Oui, parce que je vous dis, les gens ne sont pas enclins à beaucoup sortir. Donc il faut aller les chercher, il faut les motiver, il faut voilà, ... Il y a le problème, on est quand même loin des grands axes, pas quand on a une voiture, mais ceux qui sont à pied, ben voilà. Celui qui habite à Oizy ou Petit-Fays, quand il faut qu’il vienne à Bièvre à pied c’est156 pas possible. Ou si, mais alors il faut être marathonien. Voilà. Il y a ce problème-là de la mobilité dans les communes rurales, ça c’est vrai.’ (Employée administrative) Le choix du personnel semble être important. Des personnes engagées et moti- vées par le projet semblent faire la différence. ‘[…] mais il faut quand même quelqu’un qui soit ouvert, qui soit à l’écoute, parce que ces gens ils viennent chercher quoi là? Ils viennent chercher un peu d’animation avec les cartes etc., ils
  • 150. viennent discuter, raconter leurs petits malheurs, il faut savoir entendre, mais il faut savoir écouter. Ils viennent chercher un endroit convivial.’ (Employée administrative)Ce qui participe également au succès de l’activité est la régularité de celle-ci. Eneffet, l’Espace détente est ouvert tous les mercredis de l’année, sauf durant lesmois de juillet et août, ce que les participants regrettent. Il constitue ainsi unrepère dans la vie des participants. ‘Le mercredi, et tout le monde est habitué. Vous savez, Madame ou Melle, peu importe, vous êtes encore jeune, vous ne vous rendez pas compte de ça. Mais arrivés à un certain âge, moi je ne fonctionne pas comme ça, mais, eux c’est: le mercredi c’est ça, le jeudi c’est ça, ...’ (Partici- pant 1, ancien usager du CPAS) ‘Et je ne manquerais ça pour rien au monde, parce que même s’il y a des rendez-vous de doc- teur, je m’arrange pour que ça ne soit pas le mercredi.’ (Participante 3, veuve) ‘Et pourquoi on arrête deux moi les vacances? Ça c’est un peu long. Alors, vous voyez, on ne vient plus pendant 2 mois et quand il faut réattaquer, ... C’est dur de revenir. C’est dur. Oui, oui. C’est un peu comme, ... quand vous arrêtez une activité, reprendre c’est difficile.’ (Partici- pante 5, veuve)b5.5 Braine-l’Alleud – Ateliers de cuisineb5.5.1 Fiche de projet bijlage 5 Casestudiesb5.5.1.1 Brève descriptionDans le cadre du Fonds pour la participation culturelle, sportive et sociale, leCPAS de Braine-l’Alleud alloue une partie du budget (25 à 30%) à des actionscollectives dont un ‘atelier de cuisine’. Cet atelier est organisé environ une fois parmois. Des personnes se réunissent pour réaliser une recette et partager un repas.Une partie des participants cuisine tandis que d’autres prennent en charge des 157aspects tels que la décoration ou le dressage des tables. Il s’agit davantage de cuisi-ner ensemble, d’après une recette proposée au préalable par un participant qued’apprendre des techniques de cuisine.b5.5.1.2 Groupe-cibleLe groupe prenant part à l’atelier est mixte: il réunit des usagers du CPAS toutcomme des personnes n’étant pas aidées. Prenant place au sein d’une ILA de la
  • 151. commune, il accueille également ses résidents. Toute personne peut participer à l’atelier, même si les personnes les plus fragilisées sont visées en priorité. b5.5.1.3 La pratique Toute personne peut proposer une recette et réaliser celle-ci avec l’aide des autres participants au cours de l’atelier. L’équipe responsable vérifie la faisabilité et le budget nécessaires à sa réalisation. Soit la personne responsable de la recette fait les courses pour être ensuite remboursée, soit les responsables accompagnent faire les courses et les règlent. Tout participant doit s’inscrire à l’atelier afin de détermi- ner le nombre de parts à préparer. Vers 18 heures, les participants se rendent à l’ILA et aident à décharger les courses et le matériel pour l’atelier. Ceux qui doi- vent être véhiculés jusqu’au lieu se retrouvent généralement vers 17h30 devant le CPAS. Pour débuter l’atelier, la personne dont la recette a été choisie explique au groupe la recette du jour et propose à ceux qui le souhaitent de participer en cui- sine. Lors de la préparation du repas, plusieurs tâches sont réalisées, chacun aidant là où il le souhaite: cuisine, vaisselle, décoration, dressage des tables, etc. Lorsque le repas est prêt, chacun s’assied là où il le souhaite et tout le monde dîne ensemble. Ensuite, il faut ranger et nettoyer la cuisine. Il n’y a jamais d’alcool qui accompagne les repas. ‘Le principe, c’est quoi? Le principe est très simple, c’est de dire voilà, nous avons telle date, nous voudrions une personne parmi les usagers qui propose une recette et qui anime la recette. Donc la personne décrit un peu la recette. Même elle ne sait pas lire, elle vient dans nos bureaux et puis on l’écoute, on retranscrit. Si la personne sait lire, elle met au brouillon et puis on voit les ingrédients, on voit combien ça va coûter, on l’aide à acheter ou bien elle achète et on la rembourse via le Fonds culturel. Et après, le jour de l’évènement, c’est tout le monde qui metbijlage 5 Casestudies la main à la pâte. […] Et après, on se met autour d’une table et on déguste. Et donc, il y a ce coté convivial. Donc, on part d’une recette, on apprend, on découvre.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) b5.5.2 Origines et organisation du projet Débuts: Les débuts de l’activation sociale au CPAS de Braine-l’Alleud ont été158 entrepris avec la décision de diviser le Fonds de participation culturelle, sportive et sociale en deux parties: une partie pour continuer l’aide individuelle, une autre partie pour organiser des actions collectives sous forme d’ateliers divers et excur- sions. Par ailleurs, grâce à des points APE de la Région Wallonne (prolongé en CDI) et à un art. 60 §7, il y a eu la possibilité d’engager deux nouvelles personnes au CPAS afin de créer une cellule spécifique en charge du Fonds et donc de la création d’actions collectives.
  • 152. Plusieurs éléments semblent être à l’origine de l’atelier de cuisine. Il y a eu d’unepart l’impulsion et la motivation de la responsable du service d’insertion dont lacuisine est la passion, d’autre part il y a eu le concours ‘Cuisiner sain, vivre pourtrois fois rien’ que le CPAS avait lancé avec la publication d’un livre de recettes àla clé et enfin, il y a eu la rencontre propice avec un acteur local. ‘Le tout premier atelier a été fait en collaboration avec les Femmes prévoyantes socialistes parce qu’on avait rencontré une animatrice qui travaillait beaucoup sur la pyramide alimentaire. Ils étaient partis sur l’idée d’un atelier thématique suivi d’un atelier cuisine où on appliquerait ce que l’on avait appris.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle)Participation: Le CPAS de Braine-l’Alleud semble consacrer beaucoup de tempsà la mobilisation des personnes qui pourraient être intéressées par l’atelier de cui-sine. Plusieurs stratégies ont été mises sur pied: d’abord, la collaboration avec lesdifférents acteurs de terrain. Ainsi, la cellule a été à la rencontre de différentesstructures locales afin d’informer de la mise sur pied de l’atelier et de ciblerensemble les personnes pouvant être intéressées, également pour d’autres activitéscollectives. Il y a aussi la distribution d’un folder annonçant le programme desdeux mois à venir dans les boîtes aux lettres et au sein du CPAS. Les responsablesinterpellent enfin individuellement les intéressés en les appelant ou en leur rappe-lant de s’inscrire lorsqu’ils les croisent. ‘Mais l’autre étape aussi, c’est de voir comment est-ce qu’on va pouvoir identifier les groupes cibles. Et donc nous-mêmes, mais aussi via les partenaires, via le réseau, via les écoles aussi. Parce que les directeurs d’écoles, les enseignants connaissent mieux les familles en difficulté. […]On diffuse une information en dehors du CPAS. Par exemple, tous les deux mois, le bijlage 5 Casestudies document est sur la table là, on va vous donner, nous préparons une série d’activités, un petit dépliant qu’on diffuse en fait. […] Et puis cela a un avantage aussi, c’est que ces personnes qui sont dans le réseau nous servent aussi à identifier des personnes qui sont dans l’isolement, qui n’osent pas venir au CPAS.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) ‘Les mardis ‘santé’ sont organisés par la même cellule qui organise ceci. Du fait que je me suis mise dans les mardis ‘santé’, chaque fois qu’il y a une activité, ils m’ont sonné pour me le dire, 159 alors on s’inscrit. Moi je trouve ça gentil.’ (Participante, 56 ans, mutuelle)
  • 153. Notons que la mobilisation des publics restera toujours un enjeu important pour les CPAS. En effet, de nombreuses raisons peuvent expliquer l’absence des per- sonnes aux divers ateliers: ‘Au premier atelier il y avait plus d’encadrants que de participants, ils étaient 4 et puis au suivant 12 grâce à davantage de publicité et du bouche à oreille.’ (Responsable du service Réin- sertion professionnelle, sociale et culturelle) ‘Le plus difficile ce n’est pas d’organiser les activités, c’est de mobiliser les gens […] Et c’est qui les gens qui ne viennent pas, c’est quoi comme profil? Ceux qui en ont le plus besoin! Ceux qui ont le plus de mal à sortir de chez eux, les personnes qui sont en dépres- sion, les personnes qui sont seules, les personnes qui sont vraiment mal et qui ont vraiment du mal à sortir de chez eux. Et quand bien même on propose d’aller les chercher, on assure tout en fait, on assure les transports, on assure la nourriture […] Et malgré tout, il y a des gens qui ne viennent pas.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) ‘[…] il y a certaines personnes qui ne sont plus à Braine-l’Alleud. […] Deuxième raison: il y a certains usagers qui ont été réinsérés dans la vie active et qui donc ont retrouvé du travail via le service insertion et où les jours et les heures ne cadrent plus […] Ou il y a d’autres per- sonnes qui disent qu’ils n’aiment plus. Mais ça, c’est très peu. En général, les personnes que nous avons, ce sont des personnes qui aiment et qui continuent de venir en fait.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) Une attention particulière est portée à ce que les personnes qui s’engagent respec- tent leur engagement.bijlage 5 Casestudies ‘Le devoir est de venir lorsque l’on a réservé une place car sinon cela pénalise d’autres personnes qui auraient pu participer si le groupe est complet. C’est le plus gros problème, et difficulté de trouver une manière de conscientiser les personnes. La seule solution c’est la menace d’exclure aux prochaines d’activités. C’est peut-être pour faire plaisir, ou pour ne pas dire non, ou parce qu’ils oublient. Et alors on en parle avec l’assistant social qui a la gestion du dossier et on espère qu’ils travaillent sur ce point-là. Mais on ne ferme pas définitivement la porte. […] Ils ont perdu l’habitude de téléphoner, même s’ils doivent s’absenter et tout, ils ont oublié. Même160 s’ils se sont inscrits sur la liste, ils ont oublié. Donc il faut téléphoner, retéléphoner et ça, c’est difficile.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) Finances: C’est le Fonds de participation culturelle, sportive et sociale qui finance l’atelier de cuisine. Un atelier coûte en moyenne 75 euros. La gestion financière des différentes activités est stricte et la recherche d’économies importante. En effet, de nombreuses activités sont organisées avec très peu de moyens et les fonds sont souvent épuisés avant la fin de l’année. Il n’y a pas de personne res-
  • 154. ponsable dans la cellule pour la recherche d’autres fonds ou appels à projets maisla responsable du service Insertion informe des appels à projets qu’elle rencontreafin de voir s’ils pourraient être intéressants pour la cellule.Investissement de personnel: Pour développer des activités d’activation sociale,il faut non seulement de la motivation mais il faut également qu’une structure adé-quate puisse la prendre en charge. Cela signifie que du personnel doit être affecté àla réalisation de l’activation sociale et que des moyens doivent être disponibles. LeCPAS de Braine-l’Alleud a engagé deux personnes strictement attachées à la ges-tion du Fonds de participation culturelle, sportive et sociale mais la charge de tra-vail est très lourde vue l’ampleur des activités développées et de l’investissementqu’elles demandent. Il ne suffit en effet pas d’organiser une activité et de trouverles bons filons pour que le coût financier soit réduit, il faut également consacrerune large part du travail à la mobilisation des participants. Deux à trois personnes du CPAS encadrent chaque atelier de cuisine. Afin desoulager le personnel (qui assure cela partiellement en dehors des heures de tra-vail) et d’impliquer les autres travailleurs du CPAS, on invite à chaque atelier unepersonne d’un service différent à aider à l’encadrement. ‘Et il nous arrive aussi d’impliquer le personnel parce que nous avons un aspect du problème aussi, c’est qu’il faut développer les synergies internes. Donc on invite de temps en temps des personnes de différents services à venir aussi pour casser un peu cette idée, la relation qu’on a entre usager et travailleur social, usager et assistant social, usager et personnel, usager et prési- dent du CPAS, usager et secrétaire du CPAS.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) bijlage 5 CasestudiesNotons enfin que les autorités du CPAS semblent favoriser le développement del’activation sociale collective au sein du CPAS, voire même l’encourager et qu’unepartie du travail consiste également à convaincre les collègues de l’importance deces activités. ‘Et vous pensez que s’il y avait un changement dans le Conseil de l’action sociale ou de président ou de secrétaire, la cellule pourrait disparaître? 161 Oui! Donc vraiment, ça tient à des personnes? Oui! Ça tient dans le fait qu’il y a des personnes qui croient en nous et qui se rendent compte de l’impact positif que ça a sur des gens, oui. […] Et c’est vrai qu’avec l’ancien président c’était pas du tout comme ça, pas du tout, du tout, au contraire. […] Le boulot c’était quoi? Donner le revenu d’intégration, le Minimex à l’époque, c’était payer […]’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle)
  • 155. ‘Il faut savoir qu’il y a parfois la difficulté de comprendre que c’est nécessaire, que ça aide les gens, et que c’est pas aller taper sur un jambé pour le plaisir de le faire quoi. […] Au sein du CPAS on ne s’est jamais vu refuser une activité. Mais il y a parfois des petits trucs ‘Ouais, c’est ça, ils vont encore aller s’amuser’, etc. Il faut savoir que derrière chaque activité, il y a un but, et il y a un fil conducteur entre les activités. Ça c’est vraiment quelque chose auquel on tient aussi. Donc ce n’est pas de faire tout et n’importe quoi. […] C’est vrai que ça peut paraître très ludique, mais derrière cela il y a un autre travail qui est fait.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) Collaborations: Suite au travail efficace de communication avec les partenaires locaux, l’atelier de cuisine est connu et reconnu et régulièrement invité à participer aux initiatives des partenaires. ‘Il y a un engouement à Braine-l’Alleud. Ils savent désormais tous qu’au sein du CPAS de Braine-l’Alleud, il y a des ‘ateliers cuisine’ qui se font. Et parfois les gens font appel même. La dernière fois aux ’Arts d’ailleurs’, […] Ils ont dit: ‘tiens le CPAS a de l’expérience au niveau des ateliers, est ce qu’ils ne pourront pas participer au buffet?’ Et là, ce que nous on fait, ce n’est pas nous qui cuisinons forcément. Donc nous invitons nos usagers ou des personnes de l’extérieur pour proposer un buffet chiffré et puis on paye tout. Et c’est comme ça qu’on participe aussi aux activités organisées en dehors du CPAS de Braine-l’Alleud.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) ‘C’est typique de Braine j’ai envie de dire, en tout cas pour le service […], on est fort ouverts vers les partenaires extérieures parce que, mais oui, pourquoi faire quelque chose si y’a quelqu’un d’autre qui sait le faire et mieux. Voilà, pourquoi créer quelque chose et se casser la tête à mettre quelque chose sur pied ou une activité ou que sais-je alors que d’autres c’est lebijlage 5 Casestudies domaine? […] Et donc en fait on pourrait dire quelque part que ce sont les collaborations que vous mettez en place qui vous permettent de faire autant d’activités? Ah oui, bien sûr! Ah oui, parce que ça nous épargne vraiment en temps et financièrement aussi j’ai envie de dire.’ (Responsable du service Réinsertion profes- sionnelle, sociale et culturelle) Evaluation: Avant de débuter les activités d’activation sociale, une évaluation des162 attentes, des besoins et des ressources au sein de la commune a été réalisée. ‘On dit souvent que quand il faut définir des objectifs, il faut avoir une méthode de travail. Celui qui n’a pas d’objectifs ne sait pas là où il va, celui qui ne fait pas d’évaluations ne sait pas d’où il vient, il ne sait pas où il va non plus.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)
  • 156. Ensuite, les évaluations se sont faites de manière informelle avec le personnelencadrant l’activité, après chaque activité, pour en pointer les forces et lesfaiblesses ainsi que mettre en place des ajustements. Aujourd’hui, par manque detemps, cette évaluation est moins systématique mais sera sous peu formalisée sousforme d’une fiche d’évaluation. Il n’y a pas actuellement d’évaluation auprès desparticipants, hormis les retours informels faits de manière orale. ‘Bon je peux dire que ça a un impact, à la fois oui et non. Oui dans la mesure où ceux qui retournent au travail par cet accompagnement, parce que la cellule fait partie d’un service ‘insertion’, donc c’est un plus. S’ils retrouvent un travail et qu’ils s’ouvrent un peu plus et qu’ils sortent de l’isolement, qu’ils deviennent moins dépressifs, ça c’est positif, c’est même quantifiable. Mais les autres qu’on ne peut pas quantifier, c’est difficile de quantifier, c’est des personnes qu’on accompagne et qui continuent de venir mais qui ne sont pas encore sortis soit de la dépression, soit de l’isolement et tout, mais qui continuent de faire un effort de venir, là on peut dire qu’il y a un impact. Via les témoignages que nous avons, les gens nous disent: ‘il faut continuer, c’est bien.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)b5.5.3 Résultats ‘Ça demande beaucoup de temps de préparer quelque chose, ça demande beaucoup d’investissement de faire et ça a toujours une répercussion positive sur les gens. On n’a jamais eu une personne qui a participé à un atelier ou à une activité et qui est revenue en nous disant: ‘vous ne me verrez plus’. Jamais.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) bijlage 5 CasestudiesParticiper à un atelier cuisine, tout comme à d’autres activités organisées par leCPAS, permet aux personnes de prendre distance par rapport à leur vie quoti-dienne et les problèmes auxquels ils doivent faire face. ‘Je suis très contente, j’ai 56 ans et cela fait très longtemps que je ne sais pas le faire, je n’ai pas les moyens. Cela me permet de voir d’autres choses que mes quatre murs, que mes pro- blèmes financiers, familiaux, ... je sors un peu de là. Pour moi c’est une petite survie parce que 163 je suis avec des gens. […] Entre travailler chez moi et travailler ici, rester entre mes 4 murs où j’entends le refrain éternel de mes ennuis qui sont dans les murs, parce qu’on a des souvenirs qui restent imprimés dans la maison, un moment donné il faut fuir le mauvais sort et alors retrouver une survie, de la joie de vivre en venant à des trucs comme ici.’ (Participante, 56 ans, mutuelle)Il semble également que cela permette de tenir le coup, de redonner du courage,voire l’envie de se réinsérer socialement pour les personnes isolées. L’atelier de
  • 157. cuisine permet aux participants de reprendre confiance en eux, de croire à nou- veau en leur valeur, ce qui ne semble pas toujours possible dans le monde exté- rieur. ‘Mais des histoires comme ça, ça me permet d’aller plus loin, de tenir le coup, parce que je ne suis pas seule égarée, sans un soutien, sans une parole, d’être là égarée comme une bête qu’on n’a pas envie de voir parce qu’elle sent mauvais de loin, qu’elle a des ennuis. Vous voyez là, c’est pousser les gens au suicide. Je ne pensais pas que si ma vie est dure d’un côté, je ne pensais pas retrouver la légèreté et la gaieté de vivre, une confiance, une survie, la joie d’avoir envie de vivre en étant ici dedans parce qu’en temps normal, si j’avais pas connu tout ça, je me serais laissée mourir.’ (Participante, 56 ans, mutuelle) ‘Ils repartent quand même revigorés, revitalisés et ça leur donne envie de se battre; et cela donne envie à certains de se réinsérer dans le tissu social, de se réinsérer sur le marché du travail. Parce qu’il y a notre cellule qui dépend du service ‘insertion’ […] Et donc des personnes qui ont des compétences, qui ont des talents, qui ont perdu, qui n’ont plus cette envie de travailler et qui dépendent du chômage ou pas, ou qui s’isolent, comment est ce qu’il faut les remotiver? Notre rôle, c’est ça aussi en fait. Au-delà du plaisir, au-delà de l’aspect purement culturel, c’est de les accompagner dans ce processus pour qu’ils retrouvent cette envie de se battre.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle) Enfin, l’atelier permet aussi tout simplement de sortir de chez soi, pour rencontrer d’autres personnes. ‘Je vais dire comme ça, toutes les occasions sont bonnes pour partir, pour sortir. Et puis aussi pour rencontrer des autres gens Et jusqu’à maintenant, tous sympathiques, aussi bien ceux dubijlage 5 Casestudies CPAS que les gens qui viennent; on n’entend pas dire du mal de l’un ou de l’autre, c’est vraiment, ... Respectueux. […] Et vous faites des nouvelles connaissances, des nouveaux amis? Oui des gens qu’on ne connaît pas et tout de suite, on se tutoie. Je ne sais pas, moi je trouve que c’est agréable.’ (Participante, 78 ans, veuve non aidée par le CPAS) ‘Ici, c’est ça que je trouve très bien au niveau de la cellule culturelle, c’est que ça aide quelque part à maintenir toujours dans un réseau social, peu importe le milieu ou même les âges, parce164 qu’il y a des plus jeunes, il y a des plus âgés, ça maintient bien, je trouve. Maintenant je vois que ça fait énormément de bien aussi, j’ai ma maman qui fait partie de ce groupe là aussi, et je vois que ça lui fait énormément de bien aussi même si elle a des soucis de santé.’ (Participante, 52 ans, bénéficiaire du RIS) ‘Cela change que de rester renfermé. Et cela remonte un peu le moral. Vous vous réjouis- sez de venir à l’activité? Ah oui. Et ça nous permet de rester plus jeune. Si vous faites une activité, il faut avoir; comment est ce que je vais dire, pas le courage mais il faut avoir la
  • 158. volonté de le faire. Et je pense que ça, ça fait du bien pour ne pas vieillir trop vite.’ (Partici- pante, 68 ans, pensionnée non aidée par le CPAS)b5.5.4 Bonnes pratiques et obstaclesAvant de débuter l’atelier de cuisine, une enquête qualitative avait été réalisée afinde recueillir les attentes des usagers et de ne pas imposer des activités que le per-sonnel du CPAS aurait choisies. Cela permettrait d’être davantage en adéquationavec les demandes de la population. ‘Alors ça après, nous avons fait aussi une fiche d’enquête pour ne pas donner l’impression que nous imposons des activités […] aux citoyens. Mais c’est aussi de partir des citoyens pour recueillir leurs attentes, leurs savoir-faire aussi. […] Pour voir un petit peu leurs intérêts mais en même temps, détecter des talents. […] Et donc on a une petite farde où on a quand même déjà au début des réponses.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)La mixité du groupe peut être considérée comme une bonne pratique. En effet,plusieurs interviewés mettent en avant l’importance d’avoir un groupe composé depersonnes venant d’horizons différents. Les origines culturelles, l’âge, la situationsociale, etc. sont très variés au sein du groupe, ce qui permet notamment de nestigmatiser personne. Tout le monde est mis sur pied d’égalité, ce qui permet auxparticipants non seulement de se sentir un peu plus à l’aise mais également deprendre conscience qu’ils ont de la valeur. ‘C’est aussi pour ça qu’on a ouvert le groupe à d’autres partenaires. C’est pour éviter ce côté: voilà, le CPAS va sortir les pauvres. C’est pas ça qu’on veut. On veut créer des liens, on veut bijlage 5 Casestudies que les gens aient envie de se revoir. Y’a des gens qui habitent le même quartier et qui ne se connaissaient même pas et qui maintenant vont prendre le café chez l’un, chez l’autre. […] On essaye aussi de les envoyer chez nos partenaires. […]’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) ‘Donc nous essayons aussi de favoriser des échanges. Développer la mixité aussi, la mixité culturelle, interculturelle, intergénérationnelle aussi parce qu’on a organisé des activités, des 165 ateliers cuisines où on a eu des enfants, des adultes, des personnes de différents horizons qui sont venues. Et surtout inviter de temps en temps des personnes qui ne sont pas forcément des usagers du CPAS. Parce que la finalité, c’est quoi? C’est qu’on n’a pas envie de stigmatiser ces personnes-là.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)La mobilisation des publics afin qu’ils participent aux activités pose souvent pro-blème. Le CPAS de Braine-l’Alleud encourage la participation grâce à un folderdistribué tous les deux mois dans les boîtes aux lettres et au sein du CPAS, grâce
  • 159. aussi au bouche à oreille et grâce à une information ciblée auprès des personnes qui pourraient être intéressées. Souvent, c’est le premier pas qui est difficile. Pour pallier cette difficulté, présenter l’usager aux responsables des activités ou accom- pagner la personne qui viendrait pour la première fois à un atelier, quitte à s’éclipser en cours de route semblent des stratégies payantes. Cela permet de lever des barrières qui pour beaucoup semblent infranchissables. Une bonne pratique semble également être le fait que l’atelier ne dépend pas du service social de première ligne. En effet, il semblerait que certaines personnes puissent encore craindre voir leur RIS suspendu s’ils ne satisfont pas aux proposi- tions faites par leur assistant social. ‘Il faut créer un lien et il est peut-être plus difficilement faisable par le service de premier ligne parce qu’il y a ce côté finance, contrôle, ce côté vital. Car il y a encore la crainte que s’ils font quelque chose qui déplaît à leur assistant social, ils risquent de ne pas recevoir leur RIS.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) Les ateliers de cuisine, tout comme bon nombre d’autres activités organisées par le CPAS ou d’autres structures s’interrompent pendant les vacances scolaires. Cela semble problématique pour les usagers, qui se disent ‘perdus’ lorsqu’ils n’ont plus ces repaires. Par ailleurs, certains évoquent la difficulté de s’y ‘remettre’ lorsqu’il y a reprise des activités. ‘Comme on est tous à la même enseigne, moi je peux vous dire que j’ai ma famille là-bas. C’est ma vraie famille et quand c’est les congés, je me sens perdue parce qu’il n’y a plus personne […] Les deux mois de vacances, c’est la galère.’ (Participante, 56 ans, mutuelle)bijlage 5 Casestudies Remarquons également que les enfants sont admis au cours de cuisine: cela per- met aux parents qui n’ont pas de solution de garde de participer à l’activité. C’est aussi l’une des raisons pour lesquelles l’atelier de cuisine est organisé un vendredi: les enfants peuvent venir, même si cela termine un peu tard, car ils n’ont pas école le lendemain matin. Les responsables de l’atelier de cuisine ont également prévu un moyen de trans- port collectif pour les personnes qui seraient dans l’incapacité de se déplacer166 jusqu’au local. ‘Maintenant au niveau du déplacement, il y a des personnes qui ont des problèmes de mobilité. Donc nous, on organise des déplacements, on donne rendez-vous aux personnes inscrites et qui n’ont pas les moyens d’aller là-bas, de venir ici vers 5h, 5h30, comme ça on fait la navette pour aller les déposer et les ramener.’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)
  • 160. Enfin, terminons par un obstacle usuel dans les CPAS en matière d’activationsociale: les moyens sont restreints et l’investissement du personnel doit êtreimportant et constant pour assurer le succès des activités. Le risque est un essouf-flement sur la longue durée. ‘Le fait d’avoir peu de moyens demande beaucoup d’énergie: il faut chercher jusqu’à ce qu’on trouve. Il faut plus de personnel surtout car il doit chaque fois être présent et il n’y a pas que l’atelier cuisine. Une partie du travail se fait bénévolement car il y a trop de travail à faire.’ (Responsable du service Réinsertion professionnelle, sociale et culturelle) ‘La gestion est stricte, la demande est là. Et donc il y aura un essoufflement et à un moment donné, on sera démotivé si on n’a pas les moyens. En tout cas nous actuellement, on a même dit la dernière fois, qu’on réduise un peu les activités. C’est vrai qu’il faut des résultats mais ce n’est pas l’approche ‘résultats’ qu’on doit mettre en priorité mais c’est surtout que nous-mêmes, on garde l’efficacité et qu’on voit notre capacité de gestion aussi. Parce qu’à deux, pour une cellule qui continue à se développer, à terme cela va être très difficile. Donc s’il n’y a pas plus de budget, il n’y a pas plus de motivation. Il faut motiver la troupe, il faut moins d’administratif et quand on résout tout ça, à mon avis, on peut toujours, ...’ (Attaché à la cellule d’Insertion sociale et culturelle)b5.6 Bruxelles – Comité des spectateursb5.6.1 Fiche de projet bijlage 5 Casestudiesb5.6.1.1 Brève descriptionLe CPAS de Bruxelles délègue les activités d’activation sociale qu’il propose,notamment au Théâtre Les Tanneurs. Depuis 2003, le Théâtre propose unensemble d’activités culturelles au public défavorisé du quartier, dont des usagersdu CPAS. Une de ces activités est le Comité des spectateurs dont il sera questionici. Il s’agit de proposer à un groupe d’environ 200 inscrits d’assister à un spectacleet de rencontrer, avant qu’il n’ait lieu, l’équipe artistique de ce spectacle pour une 167rencontre autour d’un repas. Cette rencontre est suivie, pour ceux qui lesouhaitent, d’un atelier dit Traces qui propose de laisser une trace du spectaclesous forme d’art. Une vingtaine personnes participent à chaque Comité tandisqu’une poignée participe à l’atelier Traces.b5.6.1.2 Groupe-cibleLe Comité des spectateurs s’adresse à un groupe-cible déterminé selon troiscritères que le Théâtre a élaborés au fur et à mesure (notamment pour justifier
  • 161. l’accessibilité à prix réduit aux spectacles): (1) être habitant du quartier, (2) bénéficier d’une allocation sociale, quelle qu’elle soit et (3) avoir besoin d’un accompagnement vers les œuvres contemporaines ou être isolé. Environ huit usa- gers du CPAS participent régulièrement au Comité des spectateurs. b5.6.1.3 La pratique Tous les deux mois, le Théâtre envoie par mail ou par voie postale à environ 200 personnes (qui se sont inscrites au listing du Comité des spectateurs) un pro- gramme avec une explication des spectacles à venir et une fiche d’inscription qui doit obligatoirement être rendue si l’on souhaite participer à une activité. Le pro- gramme propose une quinzaine de spectacles par an (une fois chaque spectacle de la saison du Théâtre), accessible moyennant 3 euros ou un Art. 27 aux 200 personnes. Environ 20 à 25 personnes s’inscrivent effectivement pour chaque spectacle. Une heure trente avant le spectacle, le Comité se réunit autour d’une table pour discuter avec l’équipe artistique du spectacle qui explique son parcours, l’œuvre, etc. Un repas est ensuite servi et les personnes dînent ensemble avant d’assister au spectacle. Il n’y a pas de moment de rencontre après le spectacle pour les personnes y ayant assisté. C’est pourquoi l’atelier Traces a été créé. Il a pour but de laisser une trace sous forme d’art plastique du spectacle vu. Les œuvres sont alors exposées à l’entrée du Théâtre. Entre 2 et 6 personnes participent à cet atelier. b5.6.2 Origines et organisation du projet Débuts: Depuis 2003, le CPAS collabore avec diverses institutions culturelles, dont le Théâtre Les Tanneurs. Le CPAS délègue ses activités d’activation socialebijlage 5 Casestudies moyennant financement. Le Théâtre cherchait quant à lui une aide pour mettre en place une série d’activités avec un public déterminé. En effet, il souhaitait donner suite en termes de participation à un projet de spectacle mené avec les personnes du quartier. ‘Le CPAS de Bruxelles nous a fait confiance, il avait vu, déjà, le type de travail qu’on pou- vait mener, et donc c’est comme ça qu’est né le partenariat avec le CPAS. Et donc depuis168 2003, on est en partenariat avec le CPAS de la ville de Bruxelles, ce qui pour nous a été quand même une aubaine, parce que ça, on avait déjà cette volonté de travail, mais grâce aux moyens que le CPAS a pu dégager pour nous aider à ça, on a vraiment pu mettre beaucoup de choses en place.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs) Participation: Le Comité des spectateurs réunit entre vingt et vingt-cinq per- sonnes par Comité. Ces personnes sont invitées car elles répondent aux trois cri- tères établis par le Théâtre et sont inscrites dans le fichier de participants du
  • 162. Comité qui compte environ 200 membres et qui est en constante évolution. Achaque spectacle, il faut s’inscrire moyennant un talon-réponse. Comme évoquéplus haut, ce n’est pas exclusivement un public d’usagers du CPAS qui participe auComité. En effet, il y a environ une personne sur trois par comité qui est usagèredu CPAS, dans un sens large. Les bénéficiaires du CPAS peuvent être informés du Comité des spectateurs dediverses façons. Il y a bien entendu le bouche à oreille mais aussi, la participation àd’autres projets du Théâtre ou encore via les référents culturels. Ces derniers sontprésents dans chacune des Antennes sociales du CPAS de Bruxelles et ontnotamment pour mission d’informer les usagers du CPAS de l’existence de tellesinitiatives. Certains en discutent avec les usagers, d’autres affichent l’information,etc. Egalement, un stagiaire assistant social du Théâtre est chargé d’informer lesusagers du CPAS et a, par exemple, accompagné un groupes d’usagers en excur-sion afin de pouvoir prendre le temps de leur expliquer le Comité lors du voyageen car. Le Théâtre propose d’autres activités que le Comité des spectateurs. En effet, ilorganise également des ateliers d’écriture et de théâtre. Tous ateliers confondus, ily a eu 1 170 participations (une personne participant à 2 ateliers compte donc2 participations) en 2010 dont 402 ont été réalisées par des bénéficiaires du CPAS.Notons que ‘bénéficiaire du CPAS’ est entendu de façon large et ne se limite pasaux personnes bénéficiant du revenu d’intégration sociale. ‘Parce qu’on s’est posé, justement, la question de se dire mais qu’est-ce qui fait qu’on a beau essayer de mobiliser les gens devant une offre culturelle qui est quand même relativement importante […] qu’est-ce qui fait que quand on parle aux gens, en disant: ‘vous savez, il y a une activité culturelle qui se propose pour vous et ainsi de suite, est-ce que ça vous intéresse?’. bijlage 5 Casestudies Donc on a fait l’expérience, […] il y a septante personnes qui disent: ‘Oui, moi ça m’intéresse’ et le jour où on organise l’activité, plouf, on est avec vingt-cinq personnes. Qu’est-ce qui fait ça? Et bien on s’est aperçus de ceci: nous on a d’abord essayé de dire: ‘Ben c’est parce que les gens, ils nous disent ça pour nous faire plaisir et qu’il y a un désintérêt par rapport à la culture’. Ils ont un peu peur quoi, l’assistant social qui dit: ‘Il y a une activité culturelle» et l’autre qui tremble en disant «on va supprimer mon revenu d’intégration si j’y vais pas’. Il faut recon- naître, parfois, il y a ce truc-là qui s’installe. Mais c’est pas vrai quoi, en réalité. Ce dont on 169 s’est aperçus, c’est que le public bénéficiaire CPAS est un public extrêmement changeant et mobile. Comment, je vais l’expliquer, c’est que, de un […] parmi ces septante personnes […], il y en a qui ne sont pas venus à l’activité parce qu’on les avait envoyés en formation. […] D’autres ont déménagé, parce que ces gens sont très mobiles, finalement. […] Un troisième a trouvé un emploi. Donc il y avait autant de raisons valables, j’ai envie de dire, mais qui ne relevaient pas du désintérêt par rapport à l’offre culturelle, qui étaient simplement une modifi- cation dans la vie des gens quoi. Et ça, du coup, quand même, ça nous a un peu rassurés quoi. […] Quant à l’autre partie du public, je crois qu’il y a un public mais, allez, pour faire court,
  • 163. qui pour différentes raisons, on est parfois dans de telles situations sociales qu’il est difficile d’ouvrir ces gens à la culture quoi, je veux dire, ou de leur faire comprendre que la culture puisse être un outil d’émancipation quoi. Quand on a des, comment j’ai envie de dire, des acci- dents de la vie tellement forts, il y en a, on va pas se voiler la face, qui relèvent de la santé mentale, donc tellement ils ont ramassé des coups sur la tête et que donc aller avec des gens comme ça, leur parler d’émancipation culturelle, prrt. Et puis, en même temps, je vous parle, je me dis aussi c’est parfois très difficile, si on n’a pas été […] un peu baignés de culture, c’est difficile. C’est difficile de faire comprendre à quelqu’un qui est dans la rue, qui n’a jamais connu d’autre schéma, que de lui dire: ‘Viens au Théâtre Les Tanneurs, à l’atelier d’écriture tu pourras t’exprimer’. C’est très très difficile. Ca nécessite une autre forme d’approche et une autre méthode que d’avoir des référents culturels, je vais dire. Ou en tout cas, d’avoir une autre mission, plutôt, dans le cadre du référent culturel, qui va au-delà de simplement apporter une information. C’est tout un travail lourd, difficile. On l’a fait, vous savez, on a fait une forma- tion pour nos référents culturels sur comment motiver les publics, donc justement avec Art. 27. Qu’est-ce qu’on peut mettre en place pour motiver les publics, comment est-ce qu’on peut aborder la question culturelle avec des publics.’ (Chargé de projet Cellule communautaire et partenariale). Finances: Le CPAS finance les projets du Théâtre à hauteur de 75 000 euros avec le Fonds de participation culturelle, sportive et sociale. Si l’on compte 402 bénéficiaires du CPAS, le coût de chaque participation est environ de 185 euros. Si l’on compte tous les participants, qu’ils soient ou non usagers du CPAS, une participation coûte en moyenne 65 euros au CPAS de Bruxelles. Le Théâtre Les Tanneurs débloque quant à lui également un budget d’environ 75 000 euros afin de mettre les divers projets de quartier en œuvre.bijlage 5 Casestudies Investissement de personnel: Le Théâtre rémunère toutes les personnes impli- quées dans les projets, il n’y a pas de bénévolat. ‘Justement, donc c’est ça. Donc nous, comme c’est un travail artistique et qu’on a un théâtre professionnel, reconnu par la Communauté française, on met un point d’honneur, justement, à ce que tout l’encadrement soit professionnel. Et donc qui dit professionnel, dit payé aussi, oui.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)170 Collaborations: Le CPAS de Bruxelles collabore avec des partenaires culturels extérieurs pour ses activités d’activation sociale. C’est un choix qui a été fait dès le départ, notamment en raison de la densité des acteurs performants en la matière sur le territoire de la commune, acteurs par ailleurs en demande de collaboration. ‘C’est un choix qui s’est imposé d’emblée, je pense. […] Puisqu’il y a des […] des acteurs performants en tout cas sur le territoire de Bruxelles, par rapport à, d’abord, par rapport à
  • 164. l’offre culturelle, mais aussi, j’ai envie de dire, on est aussi en plein dans la pleine mouvance des lieux culturels qui veulent s’implanter dans les quartiers. Donc il y a cette mouvance-là, quand même, qui, ... Donc on n’allait pas, nous, se substituer à cette efficacité-là, j’ai envie de dire. Donc il y a des gens dont c’est le métier, qui font ça très bien. Je sais qu’il y a certains CPAS où par exemple c’est eux-mêmes qui organisent des ateliers d’activités, mais vous savez, on a quand même, ici, sur l’année 2010, aidé plus de dix-sept mille personnes. Donc ce n’est pas la même convivialité, si je peux utiliser le mot, que par rapport à un autre CPAS où du coup, il est plus aisé de faire intervenir un animateur dans la structure, qui va faire des animations avec les bénéficiaires. […] Ici, il y en a quand même, je vous dis, dix-sept mille aidés et qui justifie aussi le fait que nous ayons instauré la présence d’un référent culturel dans chaque antenne sociale.’ (Chargé de projet Cellule communautaire et partenariale).Les partenaires ne poursuivent pas forcément le même objectif; objectifs qui nesont toutefois pas inconciliables. En effet, le Théâtre souhaite exercer une missionartistique uniquement tandis que le CPAS souhaite, en finançant le Théâtre, assu-rer une mission sociale. ‘Nous, en tant que lieu théâtral, il n’y a pas d’idée d’apporter, on n’a pas des missions sociales. Donc on a des missions artistiques. Donc l’art, qu’est-ce qu’apporte l’art? Voilà, moi je ne sais pas répondre à ça. D’accord. Donc vous, c’est vraiment, vous restez dans la dimension artistique? Oui. Et vous n’entrez pas, finalement, dans le domaine social? Non, on ne saurait pas. […] Donc notre, nous on est un théâtre, donc on travaille la matière artistique, l’art, mais à qui elle s’adresse, nous, on vise qu’elle s’adresse à tout le monde. Et donc on cherche les relais associatifs et ce partenariat en est un très très bon exemple, qui nous permet d’arriver à parler avec tout le monde de ce qu’est l’art et après, la personne, là-dedans, en retire ce qu’elle veut. Et alors, dans le partenariat, et c’est pas bijlage 5 Casestudies toujours évident à faire passer auprès des travailleurs sociaux, c’est pas, le travailleur social n’est pas là pour savoir ce que ça peut apporter à la personne. C’est la personne qui le sait, ça, elle ne le sait peut-être même pas. C’est en venant et en faisant l’expérience qu’elle va peut-être se rendre compte de ce que ça lui apporte.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs) ‘Alors, moi je vais être très clair par rapport à ça. C’est clair que, en tout cas, c’est la culture 171 comme objet d’émancipation. […] Parce que c’est souvent la bagarre qu’on a d’ailleurs parfois avec le champ culturel, j’ai envie de dire. […] Et donc, je le dis souvent, par rapport à un acteur culturel, quand il s’agit notamment d’ateliers en tout cas, pas le fait d’aller assister à une pièce de théâtre, parce que ça, c’est un produit qui est fini, qui est présenté et la personne se contente d’être spectateur et pas «spec-acteur», comme on dit maintenant, donc elle va juste voir la pièce, et c’est tant mieux, c’est très bien aussi, je n’ai rien à dire par rapport à ça. Mais dès le moment où on s’inscrit dans un atelier avec une production de quelque chose, pour l’acteur social, me semble, ..., non pas me semble-t-il, je suis convaincu qu’en fait, c’est pas le produit
  • 165. fini qui a de l’importance, mais c’est le voyage qui amène au produit fini, qui a de l’importance. Par contre, pour l’acteur culturel, c’est le produit fini qui aura de l’importance. Donc s’il travaille avec un public défavorisé, on va surtout s’inquiéter, chez l’acteur culturel, de la qualité du produit fini. Et nous, on va plutôt se dire, en tant qu’acteur social, que la caméra tremble un peu, dans l’atelier vidéo, mon dieu quoi, c’est pas bien grave.’ (Chargé de projet Cellule communautaire et partenariale). Evaluation: Il n’y a pas d’évaluation formelle auprès des participants aux ateliers, si ce n’est informelle. Par contre, le Théâtre rend chaque année un rapport au CPAS qui prend la forme d’une évaluation. Ce rapport comprend notamment une présentation du projet global du Théâtre contenant des éléments sur l’objectif, le public cible, les partenaires, la méthodologie, le déroulement, l’évaluation qualita- tive et le nombre de participants au projet. Il détaille ensuite chaque atelier selon les mêmes axes. ‘[…] à partir de 2010, on est dans une logique plus individuelle, on doit plus justifier de la participation de personnes bien identifiées. Jusque là, on ne me demandait pas de rentrer exac- tement le nombre de personnes CPAS. […] Ils sont beaucoup plus regardants maintenant à ce que ça devienne une aide individuelle, parce qu’il y a eu... Enfin, ça ne doit pas être un subside culturel, c’est un subside à l’intégration, et donc il y a, en plus, comme la culture est commu- nautaire et ça c’est un subside fédéral, donc il y a eu des tensions, donc voilà. Donc mainte- nant, on doit, ... Donc on a fonctionné à hauteur d’un nombre de participants. Donc pour 2011, on devait justifier de soixante participants.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)bijlage 5 Casestudies b5.6.3 Résultats Le partenariat développé avec le Théâtre permet aux participants de faciliter l’entrée dans un lieu culturel qu’ils n’auraient sans doute pas fréquenté autrement. Par ailleurs, il permet d’ouvrir les personnes à diverses formes artistiques telles que la danse, le théâtre, etc. ‘Et donner goût au théâtre. Parce que si maintenant ils vont aux Galeries, ou ailleurs, c’est172 parce qu’ils ont connu le théâtre ici. Et vous croyez que les gens, du fait d’être venu ici au Comité, parfois ils vont dans d’autres théâtre? Ils vont à la Galerie, ils vont à l’opéra […] S’ils n’avaient pas connu le Comité, ils ne seraient jamais venus faire We can be heroes, un autre projet. Donc on pourrait dire que le Comité, c’est un premier pas pour faire d’autres choses? C’est un tremplin, c’est un trem- plin, parce qu’il faut en franchir des pas, parce qu’il se dit, il se sent pas bien, il se dit: ma veste est pas comme tous les autres et ils lui font un petit compliment, et il y va.’ (Participant, 62 ans, travaille dans une association)
  • 166. De plus, le fait d’organiser ce type d’activité en groupe, permet de faire franchir lepas qu’on ne ferait probablement pas seul. ‘[…] Le lendemain, il parle encore de la pièce de théâtre ailleurs et la personne: ‘ah, mais je savais pas que t’allais au théâtre, moi j’osais pas, j’vais aller avec toi’. J’osais pas. Ça permet aux gens de franchir le pas? Ben ouais. Abdel, il me dit: ‘j’ai un copain qui voudrait faire le mois prochain’, ben il est le bienvenu.’ (Participant, 62 ans, travaille dans une association)Le Comité permet également la rencontre de personnes et de faire, le temps d’unComité, partie d’un groupe où tout le monde est l’égal de l’autre, même si le rap-port à la culture des participants diffère parfois fortement. Les participants ren-contrés parlent d’une activité qui change du quotidien et qui permet de se changerles idées. ‘Mais ce qui est le plus intéressant, c’est qu’en dehors de ça, du coup, ces gens ont développé un réseau d’aide au sein de ce groupe quoi. […] Donc on a vu des réseaux, comme ça, informels, d’échange de services qui se sont mis en place. Et pour nous, ça, c’est gagné. Quand un gars quitte un atelier, comme on a vu aussi, et dit: ‘Je souhaiterais poursuivre une formation en photographie, parce que finalement, les images, ça m’intéresse’, on a gagné quelque chose quoi. Et je reviens toujours à dire, et donc du coup peu importe que la première image du film vidéo soit tremblotante si par après, il y a des gens qui disent: ‘Ah! je suis capable de quelque chose’. Et je ne suis pas occupé à faire de l’image d’Epinal, c’est une réalité. Alors, je vais aussi tem- poriser, on va dire, du coup, c’est pas dix-sept mille personnes qui sont dans ce registre-là. Mais je veux dire, c’est vraiment une bonne amorce quoi. Si on est capables de considérer qu’effectivement, la culture c’est un outil d’émancipation et que c’est pas de la culture pour de la bijlage 5 Casestudies culture, c’est-à-dire cette confusion que parfois les gens font en utilisant les moyens comme deve- nant un but, ça marche pas. Enfin, si, ça marche, mais donc c’est un peu tronquer l’aventure, de toute façon. Donc, non, moi, c’est clair, ça doit rester un objet d’émancipation pour les publics et ça doit amener progressivement, effectivement, à une amélioration de son bien-être, de son cadre de vie. Ca ne doit pas non plus nécessairement être le truc qui va déboucher sur un emploi, même si on connaît tous le gars qui a fait un atelier théâtre et qui, du coup, ça l’a sorti de sa timidité et que du coup, j’aime pas beaucoup le mot mais enfin, il sait mieux se vendre et 173 des choses comme ça, c’est des choses qui effectivement existent quoi.’ (Chargé de projet Cellule communautaire et partenariale). ‘C’est rencontrer des gens, et être digne. Parce qu’il n’y a personne qui sait qu’ils ont payé 1,25 euros, on les considère comme, ... le but de l’intégration est atteint. J’ai ma dignité, je vais voir une pièce de théâtre.’ (Participant, 62 ans, travaille dans une association)
  • 167. b5.6.4 Bonnes pratiques Une première bonne pratique que l’on peut relever est la collaboration et même délégation de l’activation sociale du CPAS à un acteur de terrain qui cherche à se spécialiser en la matière, ou du moins à rencontrer le public plutôt défavorisé du quartier dans lequel il s’inscrit. Le Théâtre Les Tanneurs possède en effet une expertise que le CPAS n’a pas. Afin de mobiliser le public, le Théâtre et le CPAS collaborent de manière étroite: le Théâtre informe régulièrement les référents culturels de toutes les antennes du CPAS de Bruxelles des activités organisées. C’est donc bien un partenariat en matière de mobilisation et d’information du public qui est organisé. Sans ce parte- nariat, il serait difficile pour le Théâtre d’accéder à une partie de la population pour laquelle les ateliers sont organisés. ‘C’est toujours ce qui est un peu le plus difficile, c’est ça, c’est que l’information arrive aux per- sonnes, en fait. Et leur arrive de manière traduite, entre guillemets. C’est pas juste de savoir qu’il y a un atelier avec Zouzou, les gens voient ça, les personnes justement bénéficiaires de CPAS vont pas se dire qu’elles vont venir. La personne qui va venir, c’est celle qui connaît déjà la qualité de ça ou qui a entend parler du projet et tout ça. Donc c’est comment les tra- vailleurs sociaux peuvent se faire relais et dire à la personne, mais vraiment personnellement: ‘Toi, ça peut t’intéresser, va voir, vas-y, essaye’, le fait de dire que justement, il ne faut pas avoir peur de pas savoir, d’essayer quoi, qui va donner la confiance d’essayer et du coup, voilà. Donc les relais sont très très importants pour ça.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs) Par contre, un obstacle soulevé concerne l’accès aux fichiers des usagers du CPAS. Si le Théâtre doit justifier de la participation d’usagers du CPAS, il n’a néanmoinsbijlage 5 Casestudies pas accès aux dossiers de ces usagers et ne peuvent donc pas cibler davantage le public, en raison de la confidentialité des informations. ‘Une difficulté qu’on a, c’est qu’on n’a pas droit à voir les fichiers du CPAS. Et ça, c’est déontologique, mais c’est un problème, parce que les bénéficiaires sont parfois beaucoup plus curieux.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)174 En matière d’offre, le Théâtre est flexible et s’adapte au public et aux contraintes extérieures. De plus, les responsables du projet global suivent de près le projet. ‘Donc c’est pour ça que je dis nous on a des choses qui sont proposées, mais qui sont flexibles par rapport à la réalité aussi et parce que je suis la chose, on en a encore parlé avec les artistes, qu’il y a Léopold derrière, les référents aussi, je veux dire, on est vraiment dans une co-cons- truction, à ce moment-là, on essaye d’être alors au plus proche de ce qui est réalisable concrète- ment. Parce que c’est toujours ça qui est difficile. Les propositions peuvent être chouettes, si elles
  • 168. ne rentrent pas, c’est souvent une question de timing, c’est bêtement des trucs comme ça parfois, qui font qu’on n’arrive pas à avoir la participation, parce que simplement les temps ne sont pas en, ne s’adaptent pas. […] on est, moi, dans une attention permanente à ce qu’on me dit et à renvoyer ça à l’artistique et inversement quoi.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)Afin de faciliter la participation, le Théâtre propose que les personnes viennent engroupe participer à certaines activités, ce qui semble faciliter l’accès au lieu cultu-rel. ‘Parce que ça fait peur de venir tout seul. En groupe, c’est pas un problème, ils viennent ensemble. Tandis qu’en individuel, faire le chemin, venir et tout ça, c’est pas si évident.’ (Res- ponsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)Enfin, notons, que le groupe participant au Comité des spectateurs ne regroupepas que des usagers du CPAS, il est mixte. Ceci a pour avantage de ne pas stigma-tiser plus avant les usagers du CPAS. ‘On est dans le vivant, on est avec des gens qui ne sont pas spécialement non plus faciles, qui ont des, il y a un tas de souffrances quand même, sinon ils ne seraient pas, voilà, il y a plein de raisons pour ça, mais c’est des situations quand même pas évidentes, d’être au CPAS. Quand je fais la fiche d’inscription et que je demande, parce qu’il y a une case, toujours, avec les ins- criptions pour les projets ‘Est-ce que vous êtes bénéficiaire du CPAS?’, avant qu’ils ne mettent oui, même si c’est le cas, c’est pas facile hein, de dire oui, je suis bénéficiaire du CPAS. Donc c’est vraiment pas, voilà, il y a une susceptibilité, une sensibilité derrière tout ça et donc il faut pouvoir aussi être attentif à ça et ne pas stigmatiser. Donc c’est pour ça aussi que c’est chouette, bijlage 5 Casestudies les projets qu’on a, qui ne sont pas limités qu’aux bénéficiaires, parce qu’il y a un vrai mélange et là, on s’en fout de qui est de, du statut social. On est à faire quelque chose et on travaille.’ (Responsable du Comité des spectateurs, Théâtre Les Tanneurs)b5.7 Charleroi – Créa d’âmes, atelier de théâtre 175b5.7.1 Fiche de projetb5.7.1.1 Brève descriptionCréa d’âmes est un atelier de théâtre au sein de l’Espace Citoyen Porte Ouest deCharleroi. Créée en 2002 par un groupe de 7 femmes, cette troupe de théâtreregroupe aujourd’hui une trentaine de personnes. Elle conçoit, réalise et produitdes spectacles de théâtre. La troupe réunit des citoyens de tous horizons et est
  • 169. supervisée par une bénévole, tandis que la conception artistique dirigée par un metteur en scène professionnel rémunéré. Créa d’âmes se qualifie de théâtre d’action citoyenne. Cette activité théâtre est reprise comme un atelier de l’Espace Citoyen, même si ses membres se considèrent comme autonomes de l’Espace Citoyen. b5.7.1.2 Groupe-cible Toute personne intéressée à s’inscrire dans le projet et à s’intégrer dans la troupe peut demander son adhésion. La participation à chaque projet n’est pas obliga- toire. ‘[…] au niveau de situation sociale on accepte tout le monde, mais il faut qu’ils soient intégrés dans le groupe! Oui il y a de tout. Franchement je pense qu’il y a de tout, il y a des gens, je te dis, ça part de l’analphabète, […] elle parle très mal français pourtant elle est en Belgique depuis des années. Il y a Christiane qui écrit mais elle attache tout les mots, elle ... tu vois? Elle est en apprentissage, elle est légèrement handicapée donc on a les personnes euh ... comment je vais dire pour ne pas être vexant ... des personnes intellectuellement ... difficiles ... […] en partie je crois qu’on en a 4-5. Et puis on a des gens très intellectuels, […] on a quand même des gens comme Fabienne qui a été enseignante, on a Michèle qui travaille à l’hôpital comme chercheuse […] Et puis on a des hommes au chômage, qui ont travaillé toute leur vie comme Jean ou des pensionnés, comme Luc ou comme Marc, ce sont deux pensionnés. […] On a eu, malheureusement elle a arrêté elle, parce qu’elle a eu un bébé, une elle était artisan donc elle faisait des ... donc c’était très chouette quand elle venait, elle organisait des tas de trucs sur l’artisanat. […] Ben on a des gens qui sont au CPAS hein, on a Maria qui est dans le revenu d’intégration, on a Béatrice qui est chômeuse longue durée, mais je te dis c’est vraiment un mixte un peu, je pense qu’on est vraiment le reflet de la société, en tout cas à Marchienne.’bijlage 5 Casestudies (Directrice bénévole de la troupe) b5.7.1.3 La pratique Les ateliers prennent place le samedi de 10h à 13h et consistent en des répétitions ou autres ateliers (création de costumes, de décors, etc.). Créa d’âmes, c’est aussi des excursions ainsi que de nombreux temps d’écriture, de répétition, etc. supplé- mentaires qui se réalisent parfois au domicile des participants et en sous-groupes,176 selon les préférences de chacun. Le projet est de mettre en forme ce que les citoyens ont à dire, sous forme de spectacles de théâtre. Lorsqu’un spectacle est créé, plusieurs représentations en sont faites, dans divers endroits de la ville. b5.7.2 Origines et organisation du projet Débuts: La Troupe est une véritable ‘émanation citoyenne’. Sept dames (Créa Dames) fréquentant l’Espace Citoyen pour des cours d’informatique avaient
  • 170. décidé de faire une pièce de théâtre par elles-mêmes et ont été soutenues logisti-quement par le CPAS pour mener leur projet à bout (mise à disposition de locauxet matériel, demandes de subventions, etc.). Le groupe s’étoffe ensuite et devientun atelier de théâtre de l’Espace Citoyen Porte Ouest (Monceau-Marchienne) deCharleroi. L’espace citoyen se situe au cœur du quartier afin de mobiliser les habi-tants et de les soutenir dans leur insertion. Il se veut notamment un espace dedéveloppement culturel et de projets. ‘C’est pas une ASBL, c’est une association de fait qui s’est formée dans l’Espace Citoyen. Oui qui est pratiquement ... c’est vu un peu différemment de nous et de eux. Parce que pour eux, on est un de leurs ateliers, et en fait on est quand même très indépendants, très auto- nomes. Mais eux vous considèrent comme un atelier au sein de l’Espace Citoyen? Au sein de l’Espace Citoyen oui. Mais ils nous laissent carte blanche pour l’organisation de nos projets etc.’ (Directrice bénévole de la troupe)Participation: La participation se fait sur base volontaire et toute personne peutdemander de participer aux projets. Il n’y a pas de recrutement à proprement par-ler, c’est le bouche à oreille qui assure l’adhésion de nouveaux participants. ‘Ç’a été une boule de neige. C’est-à-dire quand on a joué Créa Dames et que les gens venaient voir, ils aimaient bien. Ben donc ils demandaient: ‘Comment vous travaillez, etc. Et moi ça me plairait bien de faire du théâtre, est ce que je peux venir?’. Et c’est comme ça, de bouche à oreille.’ (Directrice bénévole de la troupe)Parfois aussi c’est le CPAS qui envoie certains usagers pour une participationéventuelle. bijlage 5 Casestudies ‘[…] un travailleur social nous a dit: ‘Il faut qu’on aille voir Créa d’âmes parce que c’est un groupe bien’. Il y a deux ans qu’ils étaient en route, qu’ils avaient commencé, et quand je suis allée les voir, j’ai passé vraiment un bon moment parce que c’était toi, moi, un peu monsieur et madame tout le monde. J’ai dit si eux savent faire ça, pourquoi pas moi? Et j’ai voulu essayer et c’est comme ça que j’y suis quoi.’ (Femme, 59 ans, bénéficiaire du CPAS, participante depuis 4 ans) 177Le toutes-boîtes, via un journal de l’Espace Citoyen semble également être uneporte d’entrée. La troupe se qualifie de ‘très mixte’ mais elle semble toutefois fort homogène dupoint de vue des origines (belges et italiennes) des participants. En effet, alors quel’Espace Citoyen est situé dans un quartier ‘mixte’ avec une forte proportion depersonnes immigrées d’origine maghrébine, très peu de personnes d’originemaghrébine participent au projet. Il semble être difficile de faire participer certains
  • 171. groupes à tels types de projets. Néanmoins ils participent, mais en étant specta- teurs. Finances: Créa d’âmes est un atelier de l’Espace Citoyen mais ne dispose pas de source de financement propre. Chaque projet doit faire l’objet de cherches de financements pour être réalisé. Il y a notamment les Budgets Participatifs du CPAS tout comme des subventions de la Communauté, de la Région, de la Pro- vince, etc. Investissement de personnel et de ressources: L’initiatrice du projet et ‘direc- trice’ de la troupe est une bénévole d’une petite cinquantaine d’années. Elle tra- vaille bénévolement mais préfère se qualifier de ‘citoyenne active’. C’est elle qui est responsable de l’agenda des répétitions, de la motivation, de la recherche de fonds, des lieux où faire les représentations, etc. tandis que diverses personnes sont en charge d’autres aspects: le metteur en scène de la gestion artistique du projet, la costumière des costumes, etc. qui prennent la forme d’ateliers. ‘Totalement bénévole, voilà. Bon bénévole euh ... disons que je suis plutôt une citoyenne active. Parce que bénévole ça veut dire je travaille pour quelqu’un, je travaille pour un organisme et ce n’est pas le cas. Je ne fais pas de bénévolat parce qu’en fait je suis une citoyenne active qui tra- vaille au niveau du quartier et qui a ses quartiers à l’Espace Citoyen parce que c’est ce qu’il y a de plus facile pour la mobilisation citoyenne.’ (Directrice bénévole de la troupe) Toutefois, chaque projet émane bien d’un souhait des participants et les projets et ateliers ne sont donc pas organisés pour ‘occuper’ les participants. La collaboration du coordinateur de l’Espace Citoyen et de son équipe semblebijlage 5 Casestudies avoir été importante. En effet, à l’origine de la création de la troupe, c’est cette personne qui a aidé à mettre certaines choses en place. ‘Tu as dit au début que vous aviez été poussées, portées par l’Espace Citoyen, mais c’était qui dans l’Espace Citoyen? C’était le coordinateur hein. […] Le coordinateur qui avait une équipe, qui était une équipe ... ça se créait, elle était très motivée parce que ça venait de se créer et donc on avait envie de faire des choses importantes178 et ... et là ils avaient trouvé matière à créer quelque chose sur le quartier.’ (Directrice bénévole de la troupe) La troupe bénéficie d’un local de répétition le samedi matin à l’Espace Citoyen dit ‘le garage’, espace dans lequel peuvent également être stockés décors et costumes. Elle peut également profiter de la cafétéria de l’Espace Citoyen si une personne du CPAS est présente.
  • 172. Collaborations: La troupe est à l’initiative d’un projet de très grande envergure‘Mai’tallurgie’ qui se crée tous les deux ans depuis 2008. Il consiste en un mois defête et de réalisations artistiques et sociales autour de la métallurgie. Plusieursassociations et professionnels des Arts participent au projet financé par de nom-breux partenaires. Par ailleurs, la troupe collabore tout au long de l’année avec d’autres partenairescomme Avanti (ASBL, réinsertion professionnelle et sociale), le théâtre de laGuimbarde, la prison de Jamioulx, etc. Ces partenaires semblent essentiels dans lasurvie de l’atelier, notamment en termes financiers puisqu’ils avancent régulière-ment les fonds nécessaires.Evaluation: Aucune évaluation n’est organisée en tant que telle. Le renouvelle-ment des projets et les succès rencontrés lors des représentations font en quelquesorte office d’évaluation au quotidien.b5.7.3 RésultatsLes personnes prenant part à l’atelier Créa d’âmes parlent de beaucoup de résul-tats. Puisque le groupe est extrêmement hétéroclite et que les voies d’arrivée versl’atelier sont très divergentes, il est aisé de comprendre que les résultats pour cha-cun diffèrent. Globalement il s’agit, pour les uns, de retrouver un espace de con-fiance où s’exprimer et reprendre des forces tandis que pour d’autres, il s’agitdavantage d’un passe-temps. Néanmoins, les cinq participants que nous avonsrencontrés évoquent l’idée de se sentir plus fort et d’avoir davantage confiance eneux-mêmes. Par ailleurs, les cinq participants rencontrés, reflets du groupe, sem-blent avoir rencontré de graves difficultés dans leurs vies respectives et semblent bijlage 5 Casestudiesêtre arrivés à Créa d’âme dans le but de se reconstruire. ‘Ben le fait que, je sais pas, je te dis une femme qui a une cinquantaine d’années, qui est ita- lienne, qui ne sait ni lire, ni écrire mais qu’elle soit acceptée par vraiment ... par exemple Caroline qui est chimiste, tu vois? Ben qu’il n’y ait pas de problème entre elles, je trouve que ça, ça redonne de la dignité tu vois.’ (Metteur en scène de la troupe) 179 ‘Donc ça permet de sortir de l’isolement? Ah oui, surtout ça oui. Et tu te sentais seule avant Créa d’âmes? Oui, seule, avant Créa d’âmes, oui, oui. Seule mal- gré que j’allais à des ateliers. […] Ici j’ai repris goût à la vie.’ (Femme, 59 ans, bénéficiaire du CPAS, participante depuis 4 ans) ‘[…] ça m’a aidé à prendre confiance en moi, me sentir valorisé, euh pff ... faire quelque chose pour les autres alors qu’avant je faisais tout pour moi, me sentir utile.’ (Homme de 45 ans, chômeur, participant depuis 2 ans)
  • 173. ‘Mais ça c’est le chemin de fer, et ici je viens de réussir un examen, et je sors lauréat de mon examen et premier. […] Donc c’est bien la preuve que le théâtre m’a apporté beaucoup plus que ce qu’on ne pouvait le croire […] Et tout le monde m’a aidé ici. Ici? Dans Créa d’âme? Oui ici. Et aidé comment? On m’a soutenu moralement, on m’a encouragé, j’ai été franchement ... et voilà. Et bon ben cette réussite c’est à eux que je la dois. Et si tu n’avais pas été dans Créa d’âme est ce que tu aurais entrepris cette exa- men? Je ne pense pas.’ (Homme, 56 ans, travailleur, participant depuis 4 ans) b5.7.4 Bonnes pratiques Un des premiers éléments de bonne pratique consiste en l’agenda de Créa d’âmes: puisque le groupe est ouvert à des personnes de tous horizons, il se réunit le samedi matin, afin que les personnes travaillant la semaine puissent participer à l’atelier. Les autres moments nécessaires pour le projet tels que le temps d’écriture, les répétitions supplémentaires, etc. se font en fonction des disponibilités de cha- cun. Par ailleurs, chaque projet de pièce demande un ensemble de réalisations dif- férentes qui permettent aux participants de s’investir de manière variable et en fonction des affinités qu’ils ont avec les différentes tâches à réaliser. Un des atouts de la troupe de théâtre semble par ailleurs être de pouvoir s’investir ou se désin- vestir en fonction de ses occupations dans d’autres domaines de la vie, tout en continuant à faire partie de la troupe, et de ne pas se sentir obligé de prendre part à l’ensemble des activités. ‘Est-ce qu’il y en a qui quittent parfois? Il y en a qui, qui ... Il y en a qui font comme moi, qui prennent un peu de recul parce qu’ils ont d’autres occupations entre temps. Donc pour moi pouvoir étudier, je ne savais pas faire partie de la troupe, mais bon maintenantbijlage 5 Casestudies je reviens quoi! J’ai fini d’étudier donc je reviens. Je reviens, je reviens mais heureusement d’ailleurs qu’il ait une place encore pour que je puisse revenir. […] Comment est-ce que la personne revient après? C’est pas compliqué! On ne coupe jamais vraiment les liens! Déjà on les invite régulièrement, ‘t’as pas envie de jouer?’ ‘Non’, ben d’ailleurs on en a une qui est là et qui ne joue pas avec nous pour l’instant, elle vient voir la répétition!’ (Homme, 56 ans, travailleur, participant depuis 4 ans)180 Si les participants ne participent pas à l’ensemble des activités de la troupe (cer- tains préfèrent écrire tandis que d’autres s’occuper des décors, etc.), il semble toutefois important de ne pas interrompre la continuité des ateliers. En effet, les participants seraient en demande d’une activité continue et non de projets espacés dans le temps. En lien avec ceci est la mobilisation constante des participants. Une personne, la ‘directrice bénévole’ comme on pourrait la qualifier, est en charge de cet aspect. C’est ce qui fait que les participants restent ‘accrochés’ au projet.
  • 174. ‘Mais il faut trouver tout ça pour les garder. Si tu fais pas tout ça, ils abandonnent, ils bais- sent les bras, ils s’ennuient, ils s’en vont. Donc moi mon rôle c’est ça, je cherche plein de petit trucs où ils peuvent aller jouer. En gros, c’est un groupe qui doit être tous les temps stimulé pour que les gens restent accrochés et dès que l’on baisse la garde ils abandonnent? Tous le temps. Ah oui. Ben c’est peut-être pas qu’ils aban- donnent mais ils font autre chose.’ (Directrice bénévole de la troupe) ‘Non mais tu vois, c’est ça, il y a une mobilisation qui doit se faire aussi hein. Mais tu as l’impression de devoir toujours recommencer le même travail de remobi- lisation? Tout le temps. Oui. Oui et c’est un, c’est constant, quand tu gères un truc comme ça si tu ... tu es pas tout le temps en train d’être dans le mouvement de la mobilisation, de parler avec les gens, essayer quand même qu’ils restent mobilisés aussi. Parce qu’il y a une dif- férence entre faire ça avec les gens et imposer au gens. Donc ça vient aussi d’eux, qu’ils aient envie ... D’où la méthode de travail en fait? Voilà et il faut donner envie d’avoir envie. C’est un peu ça, c’est ça que je fais avec le groupe, je leur donne envie.’ (Directrice béné- vole de la troupe) ‘Et si toi tu n’es plus là, qu’est-ce qu’il se passe avec Créa d’âme? On dit toujours que per- sonne n’est indispensable mais je ne sais pas. Je ne sais pas parce que, moi personnellement je pense que ça ne continuerait pas, parce que je fais un travail que je crois qu’il n’y a pas beau- coup qui feraient ... bénévolement. […] Parce qu’ils ne savent pas mobiliser, parce que ça ne les intéresse pas au fond d’eux-mêmes. Tu sais, si tu fais marcher un truc c’est parce que toi t’as envie. Si toi t’as pas envie, si tu fais ton job, tu ne fais rien!’ (Directrice bénévole de la troupe)Plusieurs personnes de Créa d’âme fréquentaient déjà d’autres ateliers au sein de bijlage 5 Casestudiesl’Espace Citoyen. Il semble que le fait que l’atelier prenne place dans un cadre oùde nombreuses activités d’insertion sont réalisées facilité l’intégration des per-sonnes dans le groupe et fait qu’ils continuent de projet en projet: ils se sont déjàinvestis dans d’autres groupes et savent le travail que cela demande. ‘Et est-ce que c’était plus facile de venir dans le groupe du fait d’être déjà dans d’autres groupes ou dans d’autres activités? Oui hein, je pense parce que je 181 voyais, je côtoyais déjà certaines personnes qui venaient à l’Espace Citoyen. Et donc ça, ça aidait? Oui je pense que ça, ça m’a aidé et pff c’est plus facile. Comme ça moi, atterrir et dire: ‘je vais aller faire du théâtre, je vais arriver au théâtre’, non. J’aurais eu du mal, quand même, je suis fort réservé, […] non, c’est difficile.’ (Homme de 45 ans, chômeur, participant depuis 2 ans) ‘Donc il y avait une formation ici qui se faisait donc je suis venue à la formation, et c’est en venant ici que j’ai vu, parce qu’en fait je croyais qu’il fallait être absolument du CPAS pour
  • 175. venir ici, participer ou aider, mais ce n’est pas du tout le cas. Donc qu’est-ce que j’ai fait, ben j’ai pris note de tout ce qu’il se passait et je me suis rendue compte qu’il y avait des choses qui pouvaient m’intéresser et me combler, m’apporter du plaisir. […] il faut essayer de ... peut-être de toucher à plusieurs choses avant de trouver la chose qui convient mais bon, c’est quand même ... ça vaut la peine.’ (Femme, 50 ans, invalidité, participante depuis 6 mois) Une autre bonne pratique de l’atelier théâtre est que les projets sont choisis par les participants: on n’impose pas de pièce. C’est aux participants à décider des thèmes qu’ils ont envie d’aborder. Et, rappelons-le, l’investissement dans tous les projets n’est pas obligatoire, on peut continuer à faire partie de la troupe sans pour autant prendre une part active dans chaque projet. ‘Ce sont des gens qui demandent à des artistes de les aider à mettre en forme ce qu’ils ont à dire. Donc tu ne viens pas comme Mère Térésa apporter la bonne parole, tu vois, en disant ‘l’art est important’, non.’ (Metteur en scène de la troupe) ‘Tout projet, ben le projet il est décidé par tout le monde. Le projet est choisi ensemble par tout le monde? Tout le monde. On en fait rien ... rien d’imposé. Voilà. On ne nous impose rien, on propose ‘ah ben voilà on désirerait faire ceci, qu’est-ce que vous en pensez?’. Et puis ben ‘ah moi je suis intéressé, je veux participer’ et un autre va dire ‘non moi je ne suis pas intéressé, ça ne me plait pas’. Voilà, il n’y a aucune obligation. La seule obligation c’est qu’une fois qu’on s’est lancé il ne faut pas arrêter en chemin.’ (Homme, 56 ans, travailleur, participant depuis 4 ans) Enfin, évoquons que pour les plus démunis, et même si ce n’est pas la raison qui pousse à participer, il y a des remboursements pour les frais de déplacement et desbijlage 5 Casestudies repas ou collations sont prévues lors des répétitions et représentations. ‘Et ceux qui en ont besoin, ils peuvent être aidés pour se déplacer? Oui, il y a, il y a, de temps en temps je sais qu’il y a des, des, par exemple des carte de bus et tout ça qui sont quand même distribuées, voilà.’ (Homme, 56 ans, travailleur, participant depuis 4 ans)182 ‘Et par exemple pour les transports tout ça, tu es un peu aidée pour pou- voir venir, etc.? Oui, oui. Il y a un petit défraiement? Voilà, on a un petit défraiement, […] et le déplacement et tout ça, on va avoir un défraiement et on a, on a de quoi manger et boire à chaque représentation. Donc ça ne te coûte pas de l’argent de venir faire ça? Non, non. Non pas du tout, non.’ (Femme, 59 ans, bénéficiaire du CPAS, participante depuis 4 ans)
  • 176. Quelques obstacles peuvent également être pointés. Nous l’avions évoqué, latroupe est motivée et tenue par une bénévole. Si l’investissement presque à tempsplein d’un bénévole semble être une bonne pratique, elle est néanmoins un obs-tacle: lorsque celle-ci ne pourra plus s’investir, la pérennité de l’atelier sembleremise en cause. ‘[…] mais Anne-Marie, il n’y a pas de miracle, si Anne-Marie n’était pas dans ce groupe, je pense que le groupe se serait disloqué très vite. Parce qu’elle sait rappeler des gens, on va faire comme ça, on va faire comme ça. Et elle vous rappelle tout le temps, elle vous sollicite. Oui voilà, elle motive les gens, elle met une bonne ambiance.’ (Homme de 45 ans, chômeur, participant depuis 2 ans) ‘Oui, oui, Anne-Marie, Anne-Marie c’est notre, notre ... c’est celle qui va nous rebooster quand on a un coup de blues ... c’est un petit peu notre maman à tous. Et sans elle se serait possible? [Pause] Oui ... oui. Difficilement, il faut le reconnaitre parce que ... diffi- cilement mais oui. Mais est ce qu’il faut quelqu’un, est ce que quelqu’un doit prendre ce rôle de lien? Oui, moi je pense que dans tout groupe, que se soit un groupe familial ou pas, il faut un leader. […] Anne-Marie est là pour ‘Aller on y va! Aller on booste hein, on repart!’. Voilà. Anne-Marie, c’est notre moteur. Et donc si Anne-Marie n’était plus là, il faudrait que quelqu’un d’autre jour ce rôle? Il faut oui. Oui, oui. Mais je vais dire, dans l’importance qu’elle peut avoir dans ce groupe, c’est justement cette faculté qu’elle a de calmer les tensions. Parce qu’il ne faut pas oublier que si nous sommes un peu plus de 20 ici, ce sont 20 caractères différents, il y a des gens qui ont le sang chaud, moi j’en fais partie. […] Donc il faut arriver à mettre tout le monde sur un même niveau. Ca ça demande énormément de, de ... D’énergie et de ... De l’énergie et puis du savoir-faire! Moi personnellement je ne crois pas que j’en serais capable.’ (Homme, 56 ans, travailleur, partici- bijlage 5 Casestudies pant depuis 4 ans)Un autre obstacle est constitué par les ressources sur lesquelles l’atelier peutcompter. D’une part, Créa d’âmes peut compter sur un local le samedi matin,prêté par le CPAS ainsi que profiter de la cafétéria de l’Espace Citoyen si unassistant social du CPAS est présent mais Davantage de ressources logistiques.Mais cela ne semble pas suffisant, un espace plus grand et plus approprié. 183 ‘Oui, peut-être pff, dans le milieu artistique peut-être d’avoir ... un autre bâtiment peut-être, où l’on puisse vraiment avoir une scène. Parce que lorsque l’on répète ici, c’est bien, c’est bien parce que nous avons au moins un local mais quelques fois on est obligés de répéter aussi chez les acteurs, chez les comédiens, et c’est pff voilà. Eh bien comme hier c’était à la maison, mais chez moi c’est un peu petit, malgré tout on a quand même réussi. C’est pas ça, quand on a envie on peut toujours mais c’est vrai que si on avait la possibilité d’avoir un théâtre même petit, même tout petit.’ (Homme, 56 ans, travailleur, participant depuis 4 ans)
  • 177. ‘[…] un endroit qui serait qu’à Créa d’âme, ou un endroit culturel dans Marchienne qui puisse accueillir Créa d’âme et d’autres, oui c’est ça voilà quoi. Ça c’est le nerf de la guerre. Un locale centrale avec tout des ... des choses qui gravitent autour […]’ (Femme, 50 ans, invali- dité, participante depuis 6 mois) D’autre part, les ressources financières de l’atelier semblent très limitées. En effet, le projet n’a pas de source de financement récurrente. A chaque projet, c’est la ‘course au financement’. Il y a notamment les budgets participatifs du CPAS (maximum 2 500 euros par projet), des demandes à la Province, à la Fondation Roi Baudouin, à la Ville, etc. et qui reposent presqu’exclusivement sur les épaules de la responsable bénévole. Si jusqu’à présent le manque de ressources n’a pas encore été un obstacle pour un projet, il pourrait le devenir et ce au ‘dernier moment’ car les projets n’attendent pas de pouvoir compter sur un financement pour être lancés. ‘C’est vrai que le même problème qui revient à chaque fois c’est l’argent, l’argent, l’argent. Ça revient toujours? Tout le temps, c’est la chose la plus importante. C’est la plus grosse diffi- culté, c’est l’argent.’ (Directrice bénévole de la troupe) ‘Ben le problème, des fois on est limités au niveau des budgets. Donc là il y a un souci, même si on est bénévoles, pour fonctionner, il faut quand même le metteur en scène, il faut quand même, oui, certaines salles, les musiciens, là ce sont des professionnels, on n’a pas de musicien bénévole. Donc des fois c’est pas toujours évident mais ça, Anne-Marie vous le dirait bien, mais c’est pas toujours facile. Je pense que là, je pense qu’il faudrait donner, au niveau des politiques tout ça, ils devraient essayer de prendre plus conscience de ça que des ateliers de théâtre des choses ainsi c’est important pour le public parce que ça les aide à s’intégrer, à se ... c’est un plus. Je pensebijlage 5 Casestudies que je serais tout seul à la maison, avec mes problèmes de dos, je serais peut-être en dépression, je serais peut-être euh ... vous voyez? Et il y a des gens qui viennent ici, qui étaient mal et qui, ils ont repris confiance en eux.’ (Homme de 45 ans, chômeur, participant depuis 2 ans) b5.8 Uccle – Pré-trajet Fonds Social Européen184 b5.8.1 Fiche de projet b5.8.1.1 Brève description Le pôle remobilisation du service d’insertion socioprofessionnelle du CPAS d’Uccle organise deux groupes de ‘pré-trajet d’activation’, financés en partie par le Fonds Social Européen (FSE) depuis 2008. Les groupes se réunissent pendant une année complète et l’objectif déclaré est triple: réduire la distance entre le public et
  • 178. l’insertion socioprofessionnelle, réaliser l’intégration sociale et si possiblel’intégration professionnelle, permettre la stabilisation sociale et personnelle. ‘Alors le projet a duré une année, si je ne m’abuse. Et donc le principe était ... en fait il était prévu pour des personnes qui sont un petit peu en marge depuis déjà un certain temps. Je ne suis pas dans la confidence des critères de sélection mais d’après ce que j’ai compris, c’était ça; et alors le but était d’un petit peu resociabiliser ou resocialiser. […] Donc d’une part, retrouver un rythme, donc voilà se lever, etc. Quand on n’a rien à faire, évidemment ...’ (Participant, 37 ans, d’origine marocaine, groupe Construire mon projet, en formation)b5.8.1.2 Groupe-cibleDeux groupes sont constitués par les agents d’insertion responsables du projet, encollaboration avec les assistants sociaux de première ligne. Le premier groupes’intitule ‘Fabrique de soi’ et regroupe des personnes d’origine étrangère en mald’intégration et ne maîtrisant pas bien le français tandis que le second se nomme‘Construire mon projet’ et réunit des personnes éloignées du marché de l’emploi etrencontrant des problèmes en termes de santé, de dépendances, des troubles psy-chosociaux, etc. ‘Et donc les indicateurs, c’était: manque d’intégration sociale, problèmes dans un groupe, anal- phabétisme, manque de repères culturels lié à un vécu d’exil, problèmes d’isolement, problème de santé, manque de qualifications et manque de confiance en soi.’ (Agent d’insertion)b5.8.1.3 La pratiqueLe pré-trajet d’activation est constitué d’un ensemble d’ateliers auxquels partici-pent les deux groupes, d’abord de manière séparée, puis parfois réunis. Ils sont bijlage 5 Casestudiesorganisés sur différentes thématiques, soit par des partenaires extérieurs, soit parles agents d’insertion prenant part au projet ou encore par d’autres assistantssociaux ou agents d’insertion du CPAS. ‘Par exemple les ateliers, c’étaient des ateliers du changement: comment gérer le changement? D’autres ateliers, c’était la santé mentale, d’autres ateliers, c’était la constitution belge, d’autres ateliers, c’était les monuments, les sorties.’ (Participante, 35 ans, d’origine marocaine, en 185 Belgique depuis 4 ans, groupe Fabrique de soi, en art. 60 §7)Le programme des ateliers est constitué de trois étapes: 1) apprendre à mieux seconnaître et développer l’estime de soi; 2) mieux connaître son environnementsocial; et 3) participer à la concrétisation d’un projet final. Le planning des ateliersest plus ‘light’ au commencement du projet et s’intensifie à mesure que lessemaines et mois passent et que les participants retrouvent un rythme. La partici-pation au projet est défrayée: 1 euro/heure d’activation.
  • 179. b5.8.2 Origines et organisation du projet Débuts: Le CPAS d’Uccle a obtenu un financement du FSE en 2008 pour un projet d’activation de personnes ‘en dehors du parcours d’insertion profession- nelle classique’. Le CPAS avait déjà deux groupes constitués sur lesquels le projet s’est greffé. Les personnes participant à ces groupes étaient principalement ‘des personnes d’origine étrangère, isolées, en mal d’intégration due à la non-connaissance de la société dans laquelle les gens se retrouvaient, des gens qui ne parlaient pas très bien le français […] mais là-dedans, on trouvait aussi des gens qui étaient belges, d’origine belge, qui participaient au groupe parce qu’il n’y avait rien d’autre’. Depuis, une sélection des personnes est réali- sée en partenariat avec les assistants sociaux de première ligne. Participation: C’est avant tout un projet qui se réalise en groupe: on mise sur le collectif pour soutenir la participation de chacun. Mais les participants au projet FSE réalisent également un travail individuel d’apprentissage, de remise en ordre de leur vie, de recherche de projet, etc. ‘Donc le but c’était de travailler la dynamique de groupe et utiliser la force de groupe pour por- ter les gens qui sont complètements ‘out’. Donc l’appartenance à un groupe, la solidarité crée dans un groupe qui les a portés. Franchement, le résultat est là, on a eu pas mal de bons résultats. Et à coté de ça, on avait un accompagnement individuel, aussi sur le projet de la per- sonne. D’abord projet de vie, projet personnel; on ne basait pas le travail sur le projet de tra- vail. Donc d’abord voir ce qui manque dans la vie et donc voilà, c’était un travail collectif, principalement collectif et après, en même temps, parallèlement, un travail individuel.’ (Agent d’insertion) Le FSE demande une participation de minimum 480 heures d’activation. En 2010,bijlage 5 Casestudies le CPAS d’Uccle a organisé 800 heures d’activation. Chaque participation d’une heure est défrayée 1 euro. L’ensemble des participants rencontrés affirme que cet élément ne pèse pas (vraiment) dans la balance lorsque la décision de participer est prise. Par contre, ils mettent en avant que ce petit plus permet d’être un peu plus détendu par rapport à son budget et ainsi de se concentrer plus facilement sur autre chose que sur la survie quotidienne. La sélection des publics représente une lourde tâche. En effet, les projets sont186 dans un premier temps présentés aux assistants sociaux de première ligne et aux agents d’insertion du service ISP. Il y a ensuite une rencontre avec chacun d’entre eux pour la proposition des candidats. Ces derniers assistent alors à une séance d’information collective avant que les responsables du projet ne fassent un entre- tien individuel avec les candidats intéressés afin de sélectionner les participants. Un rapport est ensuite fait au Comité pour accord du projet. Ainsi, sur les 50 candidats potentiels, 20 seront sélectionnés en début de projet. Tous sont bénéficiaires du revenu d’intégration sociale ou de l’aide sociale équivalente et
  • 180. signent un contrat pour s’engager en début de projet. Il mentionne notamment ladurée du projet et l’indisponibilité pour le marché de l’emploi ce qui, notons-le, nesemble pas toujours facile à accepter et semble pour certains un (trop) grand sacri-fice. ‘Et bon, j’ai vu, j’ai remarqué, il y avait beaucoup les participants de ce premier rendez-vous qui ont simplement laissé tomber, qui se sont dit: ‘Non, ça ce n’est pas pour moi, ça c’est trop long, un an, ça c’est un grand sacrifice et je vois pas, je comprends pas pourquoi. Ça c’est une formation qui ne donne pas certains diplômes, c’est pas une formation qualifiante, donc je gagne rien. Je sacrifie un an de ma vie pour faire certaines occupations, ce n’est pas assez con- cret’. J’ai entendu les commentaires comme ça, des personnes qui ont laissé tomber, qui ont dit: ‘non merci’.’ (Participante, 44 ans, bosnienne, groupe Fabrique de soi puis Construire mon projet, étudiante en master 1)Les décrochages ne sont pas rares, surtout en début de projet. Des remplaçantssont alors choisis pour combler les places dans les groupes. Le cas semble être unique mais un participant s’est quelque peu senti contraint àla participation: ‘Ben oui, bien sûr. Je pense que c’est un plus. Mais par contre, je pense que si j’avais refusé d’y participer, je pense que j’aurais eu des problèmes avec ma rente mensuelle quoi. Enfin, je ne sais pas.’ (Participant, 55 ans, belge, groupe Construire mon projet, en attente de projet)Finances: Les projets ‘pré-trajet’ sont financés en partie par le Fonds SocialEuropéen. Pour toute action financée par le FSE, il doit y avoir un cofinancementbelge proportionnel. Sont financés les postes des personnes encadrant le projet bijlage 5 Casestudiesmais également les participants qui touchent un défraiement d’un euro par heured’activation, les sous-traitances et les frais indirects.Investissement de personnel: Ce sont principalement trois personnes quis’investissent dans le projet de pré-trajet. Deux agents d’insertion sont chacunresponsables d’un groupe pour lequel ils assurent l’accompagnement, le suivi indi-viduel et l’animation de divers ateliers. Une coordinatrice contrôle quant à elle les 187feuilles de présences, se charge du travail administratif et de l’encodage ainsi quedes partenariats (conventions, marchés publics, etc.). D’autres ressources en per-sonnel sont mobilisées à l’intérieur du CPAS: on utilise des ateliers existants ou lesavoir-faire de certains collègues pour des thèmes spécifiques (informatique,citoyenneté, budget éco-consommation, écriture créative, etc.). L’ensemble des participants rencontrés souligne la qualité de l’investissement dupersonnel dans le projet de pré-trajet. Ils insistent également sur les qualités per-sonnelles du personnel qui a accompagné les participants tout au long du projet.
  • 181. ‘Mais pour moi le projet, s’il réussit, c’est grâce à l’équipe. Franchement ils étaient trois; s’il y avait eu trois autres personnes, je ne suis pas certain que cela aurait marché, enfin moi à mon avis. Je pense que la qualité des personnes était vraiment formidable quoi. Beaucoup de respect. Et puis, il y avait aussi cet aspect, c’est qu’on nous a tout de suite dit que c’était séparé les gens du CPAS, que c’est un tout petit peu ‘à part’, entre guillemets; donc on était très respecté dans notre état, avec nos difficultés etc., dont ils ont tenu compte. Beaucoup de respect, beaucoup de considération et en même temps, très, très sympathique. Enfin, ils avaient réussi à créer quelque chose d’assez chaleureux. Ce n’est pas donné à tout le monde à mon avis. […] Enfin bon, ils étaient vraiment investis à fond.’ (Participant, 37 ans, d’origine marocaine, groupe Construire mon projet, en formation) Collaborations: Le FSE impose aux CPAS de travailler avec des partenaires dans le cadre du projet ‘pré-trajet d’activation’. Le CPAS passe donc des conventions avec de nombreux partenaires afin qu’ils animent des ateliers dans le cadre de ce projet. En 2010, il s’agissait de 600 heures de sous-traitance d’ateliers sur 12 mois assurés par environ sept partenaires. L’équipe a également pu compter en 2010 sur une supervision réalisée par un professeur de Cardijn. Chaque mois, une réunion d’équipe permettait de structurer le travail afin de clarifier la vision du projet. Evaluation: Qui dit projet FSE dit évaluation. C’est pour cette raison notamment qu’une évaluation du projet est réalisée chaque année. Celle-ci est subdivisée en deux volets: quantitatif et qualitatif. En termes quantitatifs, les deux groupes sont évalués quant à la suite du pré- trajet. Ainsi, en 2010, pour le public ‘migrant’ et le public ‘psychosocial’ respecti- vement, 10% et 22% ont été mis à l’emploi via l’article 60 §7, 20% et 45% sont enbijlage 5 Casestudies formation ou en ‘recherche active d’emploi’, 20% et 22% sont en détermination de projet, 20% et 11% sont dispensés de leur disposition au travail en raison de problèmes de santé et/ou d’équité et enfin 10% et 22% des participants ont aban- donné. Quant à l’évaluation qualitative, elle a permis de pointer la valorisation des com- pétences personnelles, la reprise de confiance en soi à travers le travail de groupe, une meilleure connaissance de la langue française et de son environnement social188 et culturel, le développement de sa créativité et enfin la détermination de projet professionnel en lien avec son projet personnel. Les personnes sont par ailleurs évaluées en début et fin de projet à l’aide du BSP ou d’un outil équivalent et, tout au long du projet, une évaluation de groupe est faite avec les participants. ‘On a fait aussi, ce qui est aussi important, une évaluation tout au long de l’année avec les participants. Donc il y avait une évaluation du travail des travailleurs sociaux et du projet par
  • 182. un superviseur et une évaluation des ateliers, leur pertinence, une fois par mois; il y avait un atelier, on rigolait, on disait atelier ‘blanc’ et alors il y avait des africains qui disaient ’ben alors, on ne vient pas’. Je rigole. Donc on avait des ateliers ‘blancs’ ou ateliers ‘évaluation’ où on parlait: ’voilà cet atelier, qu’est ce qui a été, qu’est ce qui n’a pas été? Les horaires, le con- tenu, ...’. (Agent d’insertion)b5.8.3 RésultatsLes résultats du pré-trajet d’activation sont évidemment multiples. Avant decommencer, notons toutefois que la participation au projet est souvent aussi elle-même le résultat d’une amélioration de plusieurs points dans la vie des participantscomme par exemple la sortie progressive d’une dépression qui permet d’envisagerla participation au pré-trajet d’activation ou la rencontre de personnes bienveil-lantes qui permettent de faire à nouveau confiance. Les participants rencontrés évoquent tous une remise en ordre de leur vie et desconditions matérielles difficiles auxquelles ils doivent faire face. Ils ont égalementappris à connaître le fonctionnement de la société belge, leurs droits et obligations,les outils qui peuvent les aider, etc. ‘Donc j’ai retrouvé la place de se relaxer, la place qui m’a structurée, la place qui m’a donné certaines occupations, la place qui m’a bien renseignée par rapport à la société belge, qui était une société nouvelle pour moi et mon fils. Donc les premiers quelques mois, je me suis trouvée soudain un peu plus forte. J’ai dégagé les problèmes techniques de ma vie, les problèmes d’électricité, les problèmes j’ai pas la télévision, j’ai pas la ligne de téléphone fixe, mais c’est toujours la raison pour dors pas, pour être perturbée. Mais quand tu ranges ta vie, tous les compartiments, pas à pas, quand tu retrouves ta vie confortable, on mange bien, on regarde la bijlage 5 Casestudies télévision avec Michaël, mon fils, il sort pour faire ses activités, moi je sors pour faire mes acti- vités. Mes finances étaient modestes mais stables et voilà. On commence à respirer un peu. Donc ça, c’était les premiers quelques mois de notre formation. Et après la pause d’été, on a recommencé. […] Donc ça, c’était une richesse, j’ai créé une certaine portfolio qui m’a donné une base de se sentir forte dans la société. Bon, tous les problèmes que je rencontre dans l’avenir, je vais trouver une réponse, ce n’est pas dangereux, ce n’est pas quelque chose qui me perturbe, il y a quelqu’un qui va m’aider.» (Participante, 44 ans, bosnienne, groupe Fabrique 189 de soi puis Construire mon projet, étudiante en master 1)Ils mettent également en avant la restructuration que leur a apportée le projet. Ilfaut en effet être présent au maximum d’ateliers, ce qui oblige à suivre un horaire.Cela permet de restructurer la vie et l’emploi du temps des participants qui, sou-vent, n’avaient plus que très peu de contraintes.
  • 183. ‘Ben c’est la vie active. […] Au début le FSE, c’était des horaires un peu: deux fois le matin et puis deux fois l’après-midi; après trois fois le matin, trois fois l’après-midi, après c’était con- tinu. Et cela m’a aidé à retrouver un rythme, ce que j’avais complètement perdu parce que j’ai fait une dépression, je prenais des médicaments qui m’empêchaient de me lever, qui m’empêchaient de me réveiller vraiment complètement.’ (Participante, 35 ans, d’origine maro- caine, en Belgique depuis 4 ans, groupe Fabrique de soi, en article 60 §7) Les ateliers sont organisés pour des groupes. C’est une part essentielle du travail. En effet, cela permet non seulement de réapprendre à fonctionner en groupe mais également d’apprendre à connaître de nouvelles personnes et à créer éventuelle- ment des liens d’amitié. Il s’agit d’une véritable resocialisation pour des personnes qui étaient pour la plupart fortement isolées. ‘Je ne savais pas que cela allait m’apporter autant. La vérité, au début c’était surtout plus pour remplir mon emploi du temps, sortir de la maison, connaître d’autre monde parce que je n’ai pas de famille ici en Belgique.’ (Participante, 35 ans, d’origine marocaine, en Belgique depuis 4 ans, groupe Fabrique de soi, en article 60 §7) ‘J’ai retrouvé un groupe d’amis, nous étions tellement différents, pas vraiment compatibles, mais finalement, compatibles, parce que chacun est venu avec la bienveillance.’ (Participante, 44 ans, bosnienne, groupe Fabrique de soi puis Construire mon projet, étudiante en master 1) Participer au projet au sein d’une équipe et avec un encadrement respectueux a également permis aux participants de reprendre confiance en eux, d’avoir une meilleure estime de leur personne et d’avoir une vision plus optimiste de son avenir.bijlage 5 Casestudies ‘[…] une confiance à l’autre. Le Fonds social européen m’a remis une certaine confiance en moi et à l’autre que j’avais perdue […] C’était une découverte sur la vie, sur ma nouvelle vie. Le Fonds social européen pour moi, c’est la découverte pour ma nouvelle vie. Qui m’a aidé un peu à mettre les points sur les i, dans ma vie personnelle et professionnelle aussi.’ (Participante, 35 ans, d’origine marocaine, en Belgique depuis 4 ans, groupe Fabrique de soi, en article 60 §7)190 Enfin, un autre résultat de projet que les participants mettent pour la plupart en avant et leur retour en formation ou au travail. En effet, une quantité non négli- geable d’entre eux se crée un projet professionnel pendant ou après le pré-trajet d’activation.
  • 184. b5.8.4 Bonnes pratiquesLes bonnes pratiques et obstacles concernant le projet de pré-trajet financés par leFSE peuvent être distingués selon qu’ils portent sur la mise en œuvre pour lesparticipants ou sur les conditions davantage pratiques ou logistiques de la mise enœuvre du projet. Pour ce qui est de la mise en œuvre à l’égard des participants, l’importance dutravail de groupe ne semble pas négligeable. En effet, le travail collectif sembleporteur et semble pouvoir apporter davantage qu’un travail individuel unique-ment. Il a en effet l’avantage de permettre de travailler sur l’estime de soi, peutdonner le sentiment d’être valorisé par autrui, etc., ce que n’offre pas toujours letravail individuel. L’atout du projet de pré-trajet réside notamment dans la combi-naison d’un travail de groupe et individuel. ‘Mais parce que le travail individuel est beaucoup plus limité. Et c’est la dynamique de groupe, je pense, qui est porteuse. Donc nous aussi, on porte, on porte énormément. C’est des gens qui sont souvent déstructurés. Il y a une partie que nous, en tant que travailleurs, nous portons mais aussi, c’est le groupe qui se porte. Donc il y en a un qui ne vient pas, les autres disent ‘mais qu’est ce qui se passe, pourquoi?’. Donc après le groupe, à la fin, il y a des gens qui se voient tout le temps. Il y en a une qui a perdu sa maman, l’autre qui est venue, qui est plus technique en disant ‘je viens t’aider’. Il y a une solidarité qui se crée, il y a un partage. C’est des gens qui sont seuls, donc travailler seul, c’est important parce que parfois, on n’a pas toujours envie de partager tout. Tandis que dans un entretien individuel, la relation de con- fiance est là, il y a tout qui sort; on peut parler de plein, plein de choses. Mais dans un travail de groupe, il y a un soutien, il y a une solidarité, il y a des amitiés, il y a ce sentiment de ‘je ne suis pas seul, je partage avec les autres’, qu’on ne pourrait jamais trouver à travers un travail individuel. Mais c’est aussi important d’avoir les deux en même temps.’ (Agent d’insertion) bijlage 5 Casestudies ‘Il fallait passer par là, d’être en contact avec les gens. Ils ont été vraiment, moi je pense, en groupe, ils ont été valorisés en tant que personnes. Ils ont été reconnus.’ (Agent d’insertion)Par ailleurs, les responsables du projet semblent fort attentifs aux besoins et auxattentes des participants et paraissent ouverts à re-réfléchir le projet, afin del’ajuster pour qu’il soit au plus près des besoins et attentes des usagers. Cela se 191marque notamment par l’évaluation mensuelle faite avec chaque participant. C’estaussi pour cette raison que deux groupes sont organisés: ils ont des besoins diffé-rents. Enfin, cette attention aux usagers se manifeste aussi dans le caractère évolu-tif des ateliers, tant en termes de contenu qu’en intensité, c’est-à-dire en nombred’heures par semaine. ‘Nous, on construit des choses; nous on a une idée des besoins mais on n’est pas sûr toujours d’être vraiment, vraiment pertinent, correspondre vraiment à ce que les gens veulent. Après, on
  • 185. a appris par exemple les besoins, il y a aussi tout ce qui est activité physique, gestion de stress. Ça pour après, si on remet de nouveau un projet en place, ça va faire partie du projet.’ (Agent d’insertion) ‘C’est des besoins différents, c’est des besoins tout à fait différents. Moi je dirais que le groupe d’origine étrangère, ils sont beaucoup moins déstructurés, beaucoup plus motivés et assez curieux, très réguliers. Bon, on le voit aux résultats qu’on a obtenus. Tandis que le groupe ‘belge’, c’est des personnes qui ont des parcours de vie très difficiles, ils sont dans un moment, vraiment comme ça, un creux de leur vie. Donc ça ne rentrait pas mais on fait beaucoup d’activités ensemble. Même dans le contenu des ateliers, on avait convenu avec nos partenaires que les contenus étaient différents. ‘Estime de soi’, c’était différent pour l’un et l’autre.’ (Agent d’insertion) C’est grâce à cette attention permanente aux besoins et attentes du groupe que le prochain projet sera modifié quant à sa durée. En effet, plusieurs participants trouvaient dommage que le projet ait  été  organisé sur une année complète, de janvier à janvier. Cela semble un timing trop long pour deux raisons: d’une part, si les participants souhaitent entamer une formation, ils ratent le début de la rentrée scolaire qui se fait le plus souvent au mois de septembre. Ils doivent alors attendre de janvier à septembre avant de pouvoir entamer un tel projet. Sachant qu’ils ont commencé le processus de sélection pour participer au projet au mois de sep- tembre précédent le début du projet, ceci signifie que ceux qui souhaitent débuter une formation auront passé 2 années complètes à être indisponibles pour le mar- ché du travail; d’autre part, il faut porter le projet pendant une année complète, ce qui demande un investissement considérable de la part des collaborateursbijlage 5 Casestudies ‘C’est beaucoup trop long. D’autant plus que nous, on avait l’obligation du Fonds social euro- péen de faire de janvier à janvier. Mais ce n’est pas bon parce que pour ceux qui veulent com- mencer quelque chose, ils ratent une année. Ils ont septembre, octobre, novembre. Janvier, le projet est fini, tous les cours, toutes les formations sont déjà commencées, ils ratent. Donc pour moi, le meilleur délai, c’est 6 mois. De commencer vers octobre, novembre, terminer jusque juin. Ça fait plus ou moins 5, 6 mois et, quitte à continuer quelques ateliers pendant l’été. Mais vraiment la bonne durée pour moi, c’est 6 mois.’ (Agent d’insertion)192 Néanmoins, l’intensité et la durée du projet peuvent être considérées comme de bonnes pratiques. En effet, le projet a une durée de 1 an, sans doute nécessaire pour certains participants, et a compté pas moins de 800 heures d’ateliers, les nombres d’heures par semaine s’intensifiant au fur et à mesure des semaines. Cela permet aux personnes de retrouver petit à petit un rythme et de leur donner à nouveau envie d’être dans le projet.
  • 186. ‘Non je pense qu’un an, c’est bien pour des gens qui ... Bon, ça peut paraître long, je ne sais pas, mais cela me paraît proportionnel par rapport au vécu des gens qui sont restés longtemps. Je veux dire, il faut quand même du temps quoi.’ (Participant, 37 ans, d’origine marocaine, groupe Construire mon projet, en formation)Une troisième bonne pratique que nous pouvons mettre en avant est la charteéthique ou ‘contrat’ comme l’ont nommé certains signée par les participants endébut de projet: elle reprend les engagements de chacun et les modalités du travailbasés sur le respect de tous. Cette charte éthique engage moralement l’usager quipeut en retour se sentir reconnu ou valorisé. Ceci n’empêche toutefois pas certainsd’abandonner. L’abandon est en effet un des points noirs du projet, même si,comme le font remarquer les collaborateurs, ils ont souvent lieu en début de pro-jet et peuvent être expliqués par le public qui prend part au projet. ‘Oui, il y a quand même pas mal d’abandons. Le dernier projet, il a fallu remplacer pas mal de personnes. Il y a un taux de remplacement permis mais c’est vrai qu’ils ont du quand même jongler par rapport au remplacement des personnes. Mais c’est surtout au début qu’il y a des abandons. Une fois que les personnes accrochent, en général elles restent jusqu’au bout. Cela concerne chaque fois des groupes de 10 à 15 personnes.’ (Responsable du service d’insertion)Enfin, un dernier élément peut-être pointé parmi les bonnes pratiques autour de lamise en œuvre du projet pour les participants: lorsque le projet est terminé, lesparticipants ne sont pas livrés à eux-mêmes. En effet, ils sont orientés au sein duservice d’ISP et pris en charge par des agents d’insertion pour poursuivre le projetqu’ils se sont créés. Cela permet de passer de manière encadrée d’une prise encharge totale à une certaine autonomie. bijlage 5 Casestudies ‘Et le travail individuel continuait, on a même continué les sorties. Et le dossier a été assez rapidement transféré au pôle guidance pour qu’il y ait un accompagnement plus adéquat pour quelqu’un qui rentre dans un parcours d’insertion. Donc, c’est vrai que c’est important de tra- vailler l’après. C’est soit l’emploi, soit des démarches auprès de mutuelles, ... A coté de ça, il y a deux, trois personnes qui ont participé, qui sont toujours là et qui ne sont nulle part.’ (Agent d’insertion) 193 ‘Le risque, je pense que le risque est peu à peu, après quelques mois, cette énergie qui a, pen- dant un an de notre formation, l’énergie a élevé, élevé, élevé, élevé, l’énergie, notre concentration, notre envie, envie de diriger notre vie, toute cette idée qui n’était pas concrète, mais était presque. Donc on est arrivés sur certains points. […] Sans la continuation, en restant chez toi, à la maison, seule, sans la guidance, sans la structure, je suis presque sûre que toute cette cons- truction ... S’écroule? S’écroule. Parce que si cette construction n’est pas tellement stable, nous étions tous malades. Toujours fragiles? Toujours fragiles. Donc cette construction
  • 187. était construite vraiment à la manière dans les jambes de verre, de glace. Si l’attrape pas, si on ne continue pas, on peut, ça c’est arrivé aussi. Je connais une chère chère chère copine qui après la formation, elle n’est pas présente dans la société, elle est toujours, même aujourd’hui, à rester fermée à la maison, sans idée, sans but, sans le sens de la vie, parce qu’elle n’a pas trouvé la continuation. Mais franchement, ça c’est à chacun, individuellement, de trouver. Ce n’est pas le staff ou quoi qui peut faire le miracle pour nous. Ils ont déjà fait cette structure pendant une année, ils nous ont déjà guidés sur ce point. Et une fois que tu es là, c’est à toi.’ (Participante, 44 ans, bosnienne, groupe Fabrique de soi puis Construire mon projet, étudiante en master 1) Passons maintenant aux conditions logistiques et pratiques de la mise en œuvre du projet. Le premier élément que nous pourrions mettre en avant est la liberté quant au contenu du projet et dans la manière de l’organiser. C’est une bonne pratique car les CPAS diffèrent fortement dans leur organisation mais également dans les ressources sur lesquelles ils peuvent compter. ‘Le contenu du projet, vraiment on était libre, on avait la liberté totale, quasi, à mettre en place le projet qu’on voulait. Nous, on a fait comme ça, il y a des autres CPAS qui ont fait, par exemple, il n’y a pas beaucoup de CPAS qui ont pris ça. Il y a des autres CPAS qui ont complètement fait sous-traiter le projet par une ASBL.’ (Agent d’insertion) Mais la pérennité du projet est aujourd’hui remise en cause. En effet, les exigences du FSE sont extrêmement lourdes en termes administratifs (feuilles de présence, justification de toutes les activités, etc.) et les conditions qui étaient réunies aupa- ravant pour la bonne marche du projet ne le sont plus: problèmes de locaux, per- sonnel qui part, lourdeur du projet, etc. Le projet sera donc peut-être reconduit, mais pour une durée de six mois et sur fonds propres du CPAS.bijlage 5 Casestudies ‘Une charge administrative terrible. Donc pour chercher des partenaires, il faut faire un marché public. Il y a une charge administrative, donc tout ce qu’on fait doit être signé. Les entretiens individuels, le travail collectif, signé par les partenaires, par les participants. Chaque entretien individuel, ça doit faire aussi ... tout notre emploi du temps doit faire l’objet de ... on doit tout noter. Donc quand on travaille dans le Fonds social européen, le matin quand on arrive, on doit commencer l’encodage et c’est impossible. Donc, quand on a des groupes, on a des parte-194 naires, quand on a des préparations d’ateliers, quand on a des entretiens individuels, quand on doit sortir. Faire en plus de ça, un travail qui prend quand même tous les jours une demi-heure d’encodage et de rentrer ..., c’est impossible. Voilà, ça, c’était trop lourd. Donc voilà, il y a des moments où on a dit ‘on ne prend pas, on fait le point, on réfléchit un peu sur ce qu’on a fait, on envisage comment améliorer le projet’.’ (Agent d’insertion) ‘Pourquoi vous avez renoncé? Parce que la coordinatrice est partie et il faut réengager de nouvelles personnes, parce qu’on est en attente de travaux à l’antenne, car il y a de gros pro-
  • 188. blèmes d’humidité et de champignons et donc l’occupation des lieux devient problématique, même pour les agents; il manque des espaces […] Tout le côté infrastructure pose problème en fait.’ (Responsable du service d’insertion)Par ailleurs, au-delà des problèmes de mise en œuvre du projet, une questiond’acceptation du projet au sein du CPAS se pose. En effet, la légitimité des pré-trajets semble parfois être questionnée tant par des collègues que par les autorités.La visibilité des résultats des pré-trajets est en effet difficile à mettre en exerguepar les agents d’insertion et les collègues ou autorités ont parfois tendance à voirles pré-trajets comme de ‘l’occupationnel’. Les facteurs ne favorisant pas la com-préhension du projet sont notamment l’important turn-over chez les assistantssociaux et la chaussée qui sépare les locaux où se déroule le projet des locaux desautres assistants sociaux et agents d’insertion. Mais par ailleurs, d’autres respon-sables et travailleurs sociaux croient fortement en ce projet et soutiennent l’équipe. ‘Si vous aviez autant de locaux que nécessaire, vous seriez repartie dans le projet? Oui, c’est une question d’infrastructure mais de politique sociale aussi. Je pense que la remobilisation est quelque chose qui n’est pas encore très bien perçue. Dans l’esprit les per- sonnes qui sont aidées doivent travailler et parfois, qu’il y ait besoin d’une période intermé- diaire n’est pas encore dans l’air du temps. Ce n’est pas encore dans l’air du temps de se dire qu’il faut du temps pour que les personnes puissent réintégrer le monde du travail. Et chez qui ce n’est pas encore... au Conseil de l’action sociale? Oui pour eux, ce sont des choses utiles mais pas indispensables donc je ne suis pas sûre que si ça disparaît, cela posera un problème. Donc je ne sens pas une motivation d’autant qu’il y a peu de visibilité à ce travail. C’est aussi une caractéristique de la remobilisation et peut-être parfois de l’insertion aussi, les dossiers ne passent pas forcément en séance. C’est un travail qui n’est pas visible au bijlage 5 Casestudies niveau du comité parce que toute demande d’aide au niveau du service social de quartier passe en séance, donc il y a automatiquement des rapports et on peut suivre la personne. Au niveau de la remobilisation et de l’insertion, que fait-on avec ces personnes? Est-ce qu’on ne les pousse pas à ne rien faire, à rester dans cet état oisif? C’est un peu ça qui est difficile à faire évo- luer ...’ (Responsable du service d’insertion) ‘Ben tout le travail social d’animation qu’on fait, parfois est considéré comme occupationnel 195 alors que ce n’est pas occupationnel. Nous, on ne fait rien d’occupationnel. Il y a deux groupes, un groupe qui ne comprend absolument pas ce qu’on fait, l’autre groupe qui nous prend pour la clinique du CPAS où ils nous envoient tous les cas psychiatriques. Mais bon, même je dirais quand on a fait l’expo, il y a une partie qui a été impressionnée par le travail qui a été accom- pli, parce qu’ils voyaient l’évolution des personnes et une partie qui n’a pas compris ‘c’est quoi? On chante, on danse’. Ça dépend aussi mais je dirais aussi que c’est un travail, il faut dire qu’on est séparé. Local. Au niveau des bâtiments.’ (Agent d’insertion)
  • 189. Pour finir, mentionnons que l’équipe encadrant le projet pré-trajet a été suivie tout au long de l’année par un professeur de Cardijn (école d’assistant social). Cette supervision a permis à l’équipe de structurer le travail et de clarifier les objectifs tout en se sentant soutenue.bijlage 5 Casestudies196
  • 190. bijlage 6 Tabel goede praktijkenOnderstaande tabel biedt een overzicht van concrete initiatieven binnen debevraagde OCMW’s, die door de OCMW’s beschouwd worden als een succes-volle praktijk inzake sociale activering. bijlage 6 Tabel goede praktijken 197
  • 191. 198 bijlage 6 Tabel goede praktijkenTabel b6.1 Tabel goede praktijkenVLAANDERENProvincie Gemeente Initiatief Thema DoelgroepVLAAMS-BRABANT Aarschot Vitamine G/gezond en goedkoop koken Vorming, sociaal isole- Leefloners en kansarmen (OCMW- ment, recreatie cliënten) Affligem Terbeschikkingstelling van de sociale economie Werk Leefloners en equivalent leefloners Asse Vrouwengroep ‘t Parleeke’ Taal, Integratie Autochtone en allochtone vrouwen van verschillende leeftijden Begijnendijk Groepswerking rond gezond en budgetvriende- Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten in budgetbeheer lijk koken. ment, recreatie Bekkevoort Sollicitatiecursus Werkgerelateerde vor- OCMW-cliënten ming Gooik Zorgnetwerk Pajottenland Sociaal isolement Senioren, langdurig zieken, min- dervaliden, sociaal geïsoleerden Grimbergen Intensieve cursus Nederlands en oriëntatiecursus Taal, werkgerelateerde Anderstalige OCMW-cliënten VDAB vorming Hoegaarden Project ‘Buren voor Mekaar’ Buurtwerk, sociaal isole- Sociaal geïsoleerden ment Holsbeek Tewerkstelling art. 60 Art. 60 OCMW-cliënten Huldenberg Groepswerking rond armoedebestrijding Vorming OCMW-cliënten in budgetbeheer Keerbergen Vzw Rozemarijn Vorming, sociaal isole- Bewoners vzw Rozemarijn met ment, recreatie mentale handicap Kortenaken Vrijwilligerswerk door en tewerkstelling van Vrijwilligerswerk, werk Leefloners leefloner Kraainem Afvalproject Buurtwerk, vrijwilligers- Bewoners sociale woonwijk werk Leuven Stroomproject (i.s.m. Arktos) Vorming, sociaal isole- Maatschappelijk kwetsbare jonge- ment ren Opwijk Intro Halle-Vilvoorde Werkgerelateerde vor- Cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 ming Scherpenheuvel-Zichem Workshop ‘Kook-je-fit’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie
  • 192. Tabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema Doelgroep Ternat Ploterproject Sociaal isolement, cultuur OCMW-cliënteel en niet OCMW- cliënteel Tremelo Kringwinkel Hageland Art. 60 Leefloners Wemmel ESF project – voortraject: ‘Op weg naar werk’ Werkgerelateerde vor- Leefloners en equivalent leefloners mingANTWERPEN Aartselaar Kringloopwinkel vzw Wrak Art. 60 Cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 Antwerpen Positieve doorstroom van cliënt sociale active- / / ring; doorstroom naar sociale tewerkstelling Balen Regiecomité Beleid OCMW-secretarissen en –voorzit- ters, gemeentelijke afvaardiging in Forum Lokale Werkgelegenheid Boom ‘Taterkaai’ Taal, integratie Nederlands- en anderstaligen Bornem Kringloopwinkel Bis Art. 60 Leefloners, steuntrekkers, arbeids- handicap, psychische problema- tiek, ... Brasschaat ‘Kabas’ Sociaal isolement, recrea- Alle kansarmen tie, materiële hulp Dessel Buurtgerichte jongerenwerking Buurtwerk, vrijwilligers- Vnl. jongeren in kwetsbare gezin- werk nen Geel ESF-voortraject Werkgerelateerde vor- Leefloners en equivalent leefloners ming Grobbendonk ‘Travoo’ en poetsproject vanuit ISOM Werkgerelateerde vor- OCMW-cliënten die niet onmid- ming, werk dellijk kunnen doorstromen naar sociale/reguliere tewerkstelling Herentals Groepswerking (budgetbeheer) Vorming OCMW-cliënten in budgetbeheer Kalmthout ‘Digidak’ Vorming, art. 60, inte- Leefloners, kansengroepen gratie Laakdal Kookgroepen, computerinitiatie Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten en niet-OCMW- ment, recreatie cliënten 199 bijlage 6 Tabel goede praktijken
  • 193. 200 bijlage 6 Tabel goede praktijkenTabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema Doelgroep Lille ‘Travoo’ (voortraject vanuit ISOM) Werkgerelateerde vor- Leefloners, werklozen die nog niet ming klaar zijn voor een tewerkstelling Lint ‘Kiemen’ Sociaal isolement, recrea- Alle inwoners van Lint (vnl. sociaal tie, materiële hulp geïsoleerden, probleemgezinnen, leefloongezinnen) Mechelen Project ‘Taal werkt’ Taal, werkgerelateerde Anderstalige OCMW-cliënten vorming Merksplas Welzijnsschakel Sociaal isolement, recrea- Iedereen tie, materiële hulp Oud-Turnhout BOOST (WEB) Werkgerelateerde vor- Cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 ming Schoten Vrijwilligerswerk in rusthuis gemeente Sociaal isolement, vrijwil- OCMW-cliënten sociale dienst die ligerswerk nog niet klaar zijn voor een tewerk- stelling Turnhout Fietslessen Vorming OCMW-cliënten Westerlo ‘De Dreef’ Vorming, sociaal isole- Alle kansarmen ment, recreatie Wommelgem ‘Project Z’ (inburgeringslessen voor Roma- Integratie Roma-zigeuners Wommelgem zigeuners) Wuustwezel ‘De Vlegels’ (welzijnsschakel) Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten en niet-OCMW- ment, recreatie cliënten: financiële problematiek en sociaal geïsoleerden Zandhoven Welzijnsschakel Zandhoven, initiatieven sociale Vorming, sociaal isole- Iedereen, maar vnl. sociaal geïso- economie ment, recreatie leerden
  • 194. Tabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema DoelgroepLIMBURG Alken Rationeel energieverbruik Vorming OCMW-cliënten Beringen Theaterproject ‘Kans-arm of Talent-rijk’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie Bilzen Vzw Arbeidskansen Werkgerelateerde vor- OCMW-cliënten ming, vrijwilligerswerk, sociaal isolement Genk ‘KRC Genk-project’ Vrijwilligerswerk OCMW-cliënt van 18 tot 25j met een niet-blanco strafregister (crimi- naliteit) Hasselt Lessen Kopa Werkgerelateerde vor- Cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 ming Hechtel-Eksel Cultuurclub Cultuur, recreatie Leefloners, OCMW-cliënten in budgetbeheer, beperkt inkomen, inwoners LOI Heusden-Zolder Ondersteuning van 4de wereldbeweging Sociaal isolement, recrea- Kansarme inwoners tie, cultuur Lummen Samenwerking met VZW Vreebos-De Winning Werkgerelateerde vor- OCMW-cliënten sociale dienst ming Maasmechelen Sociaal bedrijvencentrum Maasmechelen Werk OCMW-cliënten en werkzoeken- den Opglabbeek Trajectbemiddeling Werkgerelateerde vor- OCMW-cliënten die niet tewerkge- ming steld zijn, maar wel geschikt voor de arbeidsmarkt Overpelt Groepswerking ‘loslaten & vasthouden’ (uit- Vorming, sociaal isole- Leefloners, OCMW-cliënten in stroom budgetbeheer) ment, recreatie schuldbemiddeling en budgetbe- heer Zonhoven Sociale kruidenier, groenteteelt Vrijwilligerswerk OCMW-cliënten arbeidszorg, andere geïnteresseerden Zutendaal Arbeidstrajectbegeleiding OCMW Genk - As - Werkgerelateerde vor- Leefloners, erkende politieke of Opglabbeek - Zutendaal ming, integratie geregulariseerde vluchtelingen 201 bijlage 6 Tabel goede praktijken
  • 195. 202 bijlage 6 Tabel goede praktijkenTabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema DoelgroepWEST-VLAANDEREN Ardooie Zinvolle tijdsbesteding voor een mindervalide Vorming, sociaal isole- Een mindervalide, niet-uitkerings- jongere ment gerechtigde jongere Brugge ESF-jongerentraject/ESF-project trajectoriënte- Vorming, Werk, Taal Jongeren 18-25j/ allochto- ring met taalondersteuning/vormingsreeks nen/vrouwelijke OCMW-cliënten ‘uitstraling’ Izegem Vrijetijdspas Cultuur, recreatie OCMW-cliënten in budgetbeheer, personen met beperkt inkomen, op doorverwijzing van sociale organi- saties Kortrijk ‘Belgian Homeless Cup’ Vorming, sociaal isole- Dak- en thuislozen, mensen met ment, recreatie verslavingsproblemen Menen Lokale Werkwinkel (samenwerking tussen ver- Vorming, Werk OCMW-cliënten schillende partners) Middelkerke Vrijwilligerswerk in dienstencentrum van het Vrijwilligerswerk Sociaal geïsoleerden OCMW Nieuwerkerken Trajectbegeleiding Art. 60 Iedereen in gemeente, vnl. leeflo- ners Poperinge Vrijwilligerswerk bij vervoersdienst Vrijwilligerswerk Leefloners, OCMW-cliënten bud- OCMW/woon- en zorgcentrum OCMW/vzw getbeheer ‘De Wervel’ Roeselare Project inloophuis ‘De Kom-Af’ Vorming, sociaal isole- Maatschappelijk kwetsbare doel- ment, recreatie groepen Veurne 10 sessies beeldhouwen bij plaatselijke kunste- Vorming, sociaal isole- Leefloners, OCMW-cliënten bud- naar ment, recreatie getbeheer Wervik Vrouwencentrum Vorming, sociaal isole- Langdurig werkloze, niet-uitke- ment, recreatie ringsgerechtigde vrouwen, laagge- schoold en eventueel gezinspro- blematiek Wielsbeke Kookcursus, praatgroep Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten, vnl. gebruikers ment, recreatie voedselbedeling
  • 196. Tabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema Doelgroep Wingene ‘Tot uw dienst’ Roeselare Werk, werkgerelateerde Leefloners, steungerechtigden vorming Zwevegem Arbeidszorginitiatief binnen de lokale kring- Werk, werkgerelateerde OCMW-cliënten met werkloos- loopwinkel vorming heids- of ziekte-uitkeringOOST-VLAANDEREN Beveren Nauwe samenwerking met vereniging ‘Tarara’: Sociaal isolement, recrea- Alle kansarmen (gemeente) organiseren activiteiten voor en door kansarmen tie Berlare Voortraject (stage) in samenwerking met voet- Werk, werkgerelateerde Leefloners balclub Sporting Lokeren en OCMW Lokeren vorming De Pinte Tewerkstelling in het OCMW in art. 60 §7 Art. 60 Leefloners Eeklo Wijkcentrum ‘De Kring’ Sociaal isolement, recrea- Alle kansarmen tie, materiële hulp Gent ‘Extra time’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten: maatschappelijk ment, recreatie kwetsbare jongeren Hamme Tewerkstelling in het OCMW in art. 60 §7 Art. 60 Gerechtigden maatschappelijke integratie, laaggeschoolden Kruibeke Buurtrestaurant ‘De Passant’ Sociaal isolement, goed- Beperkt inkomen, bewoners servi- kope maaltijd ceflat, OCMW-cliënten in budget- beheer of schuldbemiddeling Lokeren ‘Schop het net iets verder in je leven’ Werk, werkgerelateerde Jongeren die voldoen aan de voor- vorming waarden van recht op maatschap- pelijke integratie Oudenaarde ‘Oké-Swarréé’-activiteiten Cultuur, recreatie Iedereen Sint-Laureins ‘Waar oud en jong samen in het potje roeren, Vorming, sociaal isole- Kinderen en senioren proef je wonderen’ ment, recreatie Temse Tweedehandswinkel Werk, materiële hulp Leefloners Waasmunster Kooklessen ‘krok gezond’ (i.s.m. gemeente) Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie Wichelen Sinterklaas- en kerstfeest, theaterbezoek Cultuur, recreatie OCMW-cliënten 203 bijlage 6 Tabel goede praktijken
  • 197. 204 bijlage 6 Tabel goede praktijkenTabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema DoelgroepWALLONIËLUIK Amay ‘Grandir Dans Ma Cité’, qui gère des ateliers Vorming, sociaal isole- Sociaal geïsoleerden, personen met sociaux ment, recreatie grote afstand tot arbeidsmarkt Amel ‘Verbraucherschule’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie Beyne-Heusay Atelier cuisine, jardinage et découverte- groupe Vorming, sociaal isole- Iedereen met sociale problematiek de redynamisation ment, recreatie Butgenbach Abonnement au quotidien Cultuur Leefloners Chaudfontaine Stage de vie Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie, Werk Dison Apprentissage du français à travers la parentalité Taal, integratie OCMW-cliënten: anderstaligen et la citoyenneté Esneux ‘La Table d’Hôtes’ Sociaal isolement, goed- Iedereen kope maaltijd Herstal Cours de couture Vorming, sociaal isole- Sociaal geïsoleerden, allochtonen, ... ment, recreatie Marchin Groupe de parole Vorming, sociaal isole- Leefloners ment Modave Atelier ‘Touche à tout’ Vorming, sociaal isole- Sociaal geïsoleerden, steungerech- ment, recreatie tigden Sankt Vith Patchwork VoG Vorming, sociaal isole- Iedereen ment, recreatie Seraing Utilisation des techniques de récit de vie Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten (maatschappelijke ment, recreatie integratie) Soumagne Potager social Vorming, sociaal isole- Iedereen ment, recreatie Stavelot Groupe d’appui et de surendettement Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment Verlaine Atelier cuisine Vorming, sociaal isole- Iedereen ment, recreatie
  • 198. Tabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema Doelgroep Visi Stage d’immersion Werk Personen met grote afstand tot arbeidsmarkt Luik Projet FEI: Alpha citoyen Taal, integratie OCMW-cliënten: allochtonenLUXEMBURG Habay Organisation de module de remobilisation Werk, werkgerelateerde OCMW-cliënten, vnl. leefloners vorming Leglise Groupe partages de savoir Vorming, sociaal isole- Sociaal geïsoleerden ment, recreatie Tintigny Distribution de tickets art. 27, mise au travail Art. 60, cultuur Leefloners, personen met wer- art. 60 kloosheidsuitkering, personen met schuldenNAMEN Bièvre Espace rencontre détente Sociaal isolement, recrea- Iedereen tie Ciney Création de l’entreprise de formation par le Werk, werkgerelateerde Pour les personnes ne disposant travail vorming pas du CESI, sauf dérogation pour 20%, pour les personnes rentrantes, pour les personnes inscrites comme demandeuses d’emploi depuis au moins 2 ans. Havelange Sortie collective Sociaal isolement, recrea- OCMW-cliënten tie Namur ‘La Traque aux Energivores’ Vorming OCMW-cliënten en niet-OCMW- cliënten (laag inkomen, ...) Ohey Le service de maraîchage Art. 60 Cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 Profondeville Groupe ‘EVASION’ Cultuur, recreatie OCMW-cliënten, vnl. sociaal geï- soleerden Rochefort Atelier relatif à la consommation avisée, atelier Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten relatif à la bonne utilisation de l’énergie ment Sambreville Samenwerking OCMW - Restaurant du coeur Sociaal isolement, goed- Leefloners, OCMW-cliënten sociale kope maaltijd dienst 205 bijlage 6 Tabel goede praktijken
  • 199. 206 bijlage 6 Tabel goede praktijkenTabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema DoelgroepHENEGOUWEN Binche Groupe de resocialisation ‘La cordée’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten sociale dienst ment, recreatie Boussu Groupe de parole, formation, mise à l’emploi / / dans le cadre de l’art. 60 §7 de la loi organique, ... Braine-le-Comte Ateliers musical et art plastique avec prestation Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten sociale dienst et vernissage devant public et média ment, recreatie Charleroi Jaarlijkse startvergadering, bespreking van parti- Beleid Groepen met/zonder professionals cipatieve projecten, ... die burgerlijke acties (sociaal, cultu- reel, ...)kunnen ondersteunen Chièvres Organisation d’un réveillon soldiaire en période Sociaal isolement, recrea- Iedereen de fêtes de fin d’année avec plusieurs partenaires tie Comines-Warneton Projet intergénérationnel avec les maisons de Vorming, sociaal isole- Stagiairs (maatschappelijke integra- repos: atelier floral. ment, recreatie tie) en senioren rusthuis OCMW Estinnes Ateliers créatifs Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie Frameries Atelier artistique Vorming, sociaal isole- Iedereen ment, recreatie Jurbise Organisation mensuelle jeux de cartes pour Sociaal isolement, recrea- Senioren (60+) seniors tie La Louvière Statistiques semestrielles de la population aidée Beleid OCMW-cliënten sociale dienst permettant de dresser le profil du public Les Bons Villers Atelier culinaire Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten ment, recreatie Mouscron Club de minifoot Sociaal isolement, recrea- (oud-)OCMW-cliënten sociale tie dienst, (oud-)cliënten tewerkgesteld in art. 60 §7 Piruwelz Projet de réduction des inégalités en santé Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten en sociaal financé par la Communauté française ment, recreatie geïsoleerden
  • 200. Tabel b6.1 Tabel goede praktijken. VervolgProvincie Gemeente Initiatief Thema Doelgroep Silly Recherche accompagnée d’emploi et/ou de Werk, werkgerelateerde OCMW-cliënten sociale dienst, vnl. formation vorming leefloners Thuin Espace femmes Vorming, sociaal isole- Uitkeringsgerechtigde vrouwen ment, recreatie Tournai La Ruche Sociaal isolement, recrea- OCMW-cliënten sociale dienst tie, materiële hulp (gezinnen, volwassenen, kinderen)WAALS-BRABANT Braine-l’Alleud Ateliers cuisine Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten en niet-OCMW- ment, recreatie cliënten Chastre Initiation aux arts plastiques Vorming, sociaal isole- Vrouwen ment, recreatie Court-Saint-Etienne Projet ‘Côté Court - Côté Jardin’ Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten, personen met ment, recreatie, materiële grote afstand/geen toegang tot hulp arbeidsmarkt Genappe ‘Sortir de soi, sortir de chez soi’ Vorming, werkgerela- Vrouwelijke OCMW-cliënten teerde vormingBRUSSEL Evere L’espace numérique Vorming, sociaal isole- Personen met laag inko- ment, recreatie men/schuldenlast, gepensioneer- den, jongeren, … Koekelberg Cheques fnac, cinéma Cultuur OCMW-cliënten: leefloners, sociale dienst, laag inkomen, ... Sint-Agatha-Berchem Groupes de remobilisation Werkgerelateerde vor- OCMW-cliênten met grote afstand ming tot arbeidsmarkt Ukkel Antenne de remobilisation sociale Vorming, sociaal isole- Personen met grote afstand tot de ment, cultuur, recreatie arbeidsmarkt Watermaal-Bosvoorde Projet culturel impliquant usagers CPAS, maison Vorming, sociaal isole- OCMW-cliënten, jeugdhuizen, de jeunes et maison de repos du CPAS ment, cultuur, recreatie rusthuizen OCMW 207 bijlage 6 Tabel goede praktijken
  • 201. BibliografieAlaguero A. (2006), Voluntary work as a strategy of labour market incorporation in a con-text of labour market crisis. How insecurity and non–standard forms of employment arebeing fostered within the third sector in Spain. Paper gepresenteerd op Aspen-Etui Confe-rence Activation Policies in the EU, Brussel, 20-21 oktober 2006.Amilcar M. (2008), The activation dilemma: Reconciling the fairness and effectiveness ofminimum income schemes in Europe, Policy Press, Bristol.Barbier J.C. (2005), Citizenship and the activation of social protection: a comparativeapproach, in J.G. Andersen, A. Guillemard, P.H. Jensen & B. Pfau-Effinger (eds.), Thechanging face of welfare, p. 113-134, Policy Press, Bristol.Bosselaar H., Maurits E., Molenaar-Cox P. & Prins R. (2010), Multiproblematiek bij cliënten,verslag van een verkenning in relatie tot (arbeids)participatie, Meccano/Astri.Franssen A. (2002), La fabrique du sujet. Transformations normatives, crises identitaires etattentes de reconnaissance, Epreuve doctorale présentée en vue de l’obtention dugrade de docteur en sociologie, UCL, Louvain-la-Neuve.Fret L. (1997), Sociale activering: een weg naar sociale integratie en/of sociale uitsluiting?Alert, (23)(4), p. 17-45.Gaskin K. (2004), Volunteering and availability for work: an evaluation of the change to Bibliografiejobseeker’s allowance regulations, Department for Work and Pensions, Sheffield.Grymonprez H., Krols A., Claessens D., Dehertogh B. & Maelstaf H. (2010), De socio-profes-sionele balans vanuit een ontgrenzende benadering, Artesis Hogeschool, Antwerpen.Hermans K., Van Hamme E. & Lammertyn F. (1999), Sociale activering in Vlaamse OCMW’s:een empirische toetsing, Tijdschrift voor Sociologie, 20(2), p. 149-175.Janssens P. (2011), Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract, De Bezige Bij, 209Antwerpen.Konle-Seidl R. & Eichhorst W. (2008), Does activation work? In W. Eichhorst, O. Kaufmann &R. Konle-Seidl (eds.), Bringing the jobless into work? Experiences with activation schemes inEurope and the US, p. 415-443, Springer, Berlin.Lammertyn F. (1998), ‘Le nouveau social’: maatschappij op zoek naar nieuwe vormen vansociale bescherming, De Gids op Maatschappelijk Gebied, 89 (11), p. 819-845.Mau S. (2003), The moral economy of welfare states: Britain and Germany compared,Routledge, London.Mau S. (2004), Welfare regimes and the norms of social exchange, Current Sociology,52(1), p. 53-74.
  • 202. Mead L. (1986), Beyond entitlement. The social obligations of citizenship, Free Press, New York. Murray C. (1984), Losing ground. American social policy 1950-1980. Basic Books, New York. Nicaise I. (2001), De actieve welvaartsstaat en de werkers van het elfde uur. Een internationale vergelijking van grootschalige herintegratieprogramma’s voor langdurig werklozen en bijstandscliënten, Over.Werk, Tijdschrift van het Steunpunt Werkgelegenheid- Arbeid-Vorming, 2001(1-2), p. 19-28. Raeymaekers P., Nisen L., Dierckx D., Vranken J. & Casman M.T. (2009), Activering binnen de Belgische OCMW’s: op zoek naar duurzame trajecten en goede praktijken, POD Maat- schappelijke Integratie, Brussel. Serrano Pascual A. (2004), Are European activation policies converging? In J. Lind, H. Knudsen, H. Jørgensen (eds.), Labour and employment regulation in Europe, p. 211-231, Peter Lang, New York. Seynaeve T., Hermans K., Declerq A. & Lammertyn F. (2004), Aan de rand van de actieve welvaartsstaat: een socio-biografisch onderzoek naar jongeren en OCMW-hulpverlening. Gent: Academia Press. Stevens I. (2005), Is niet iedereen actief dan? Leidraad voor het ondersteunen van sociale activeringsprojecten voor vluchtelingen en asielzoekers. Brussel: Vlaams Minderhedencen-