• Save

Loading…

Flash Player 9 (or above) is needed to view presentations.
We have detected that you do not have it on your computer. To install it, go here.

Like this document? Why not share!

Like this? Share it with your network

Share
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
1,346
On Slideshare
1,344
From Embeds
2
Number of Embeds
2

Actions

Shares
Downloads
0
Comments
0
Likes
0

Embeds 2

http://www.slideshare.net 1
http://www.pearlfmradio.com 1

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. ( Landsverordening parlementaire enquête Artikel1 Hoofdstuk 1. Aigemene bepaling 1. In deze landsverordering wordt verstaan onder: ð.commissie: commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid; b.document: schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. 2. In deze landsverordening wordt mede verstaan onder ambtenaar: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is of is geweest. Hoofdstuk 2. De instelling van een parlementaire enquête Artikel2 1. De Staten kunnen op voorstel van één of rtleer leden besluiten een parlementaire enquête te houden. 2. Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een commissie van de Staten. 3. Het besluit tot het houden van een parlementaire enquête bevat een omschrijving van het onderwerp waarop de parlementaire enquête betrekking zal hebben. De Staten kunnen al dan niet op voorstel van de commissie die de parlementaire enquête verricht, de omschrijving wijzigen. 4. De Staten benoemen de leden van de commissie uit zijn midden. De Staten kunnen een lid van de commissie; al dan niet op zijn verzoek, in zijn hoedanigheid van lid van de commissie ontslaan. 5. De voorzitter van de Staten doen van de besluiten, bedoeld in dit artikel, mededeling in de Landscourant. Artikel3 1. De Staten stellen de raming op van de uitgaven, uitgesplitst naar begrotingsjaren, die naar zijn oordeel voor een parlementaire enquête nodig zijn, en brengt deze ter kennis van de Minister van Aigemene Zaken. 2. De uitgaven worden verwerkt in de begroting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Comptabiliteitsverordening. 1
  • 2. Hoofdstuk 3. De bevoegdheden van de commissie Paragraaf 1. Algemene bepaling Artikel4 1. De commissie kan de haar bij deze landsverordening verleende bevoegdheden uitoefenen met ingang van de dag na de dagtekening van de Landscourant waarin het besluit tot het houden van een parlementaire enquête bekend is gemaakt tot de dag met ingang waarvan de enquête door de Staten wordt beêindigd. bij deze landsverordening verleende bevoegdheden slechts uit 2. De commissie oefent de haar voor zover dat naar het redelijk oordeel van de commissie voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De bevoegdheden en werkzaamheden van de commissie worden niet beêindigd door het verstrijken van de zittingsduur of de ontbinding van de Staten. Paragraaf 2. De bevoegdheden van de enquêtecommìssie Artikel5 1. De commissie kan schriftelijke inlichtingen vorderen. 2. De commissie kan de wijze waarop de schriftelijke inlichtingen worden verstrekt bepalen. Artikel6 1. De commissie kan inzage in, afschrift van of kennisneming op andere wijze van documenten vorderen. 2. De commissie kan de wijze waarop de kennisneming wordt verleend bepalen. Artikel7 . 1. De commissie kan een besloten voorgesprek houden met personen die zij mogelíjk als getuige of deskundige zal horen. 2. Niemand is verpllcht om medewerking te verlenen aan een voorgesprek. Artikel 13 is niet van toepassing. 3. De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens het voorgesprek ter kennis komt. 2
  • 3. 4. Van een voorgesprek wordt een vertrouwelijk verslag opgemaakt, dat door de voorzitter of een ander lid van de commissie en de persoon met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden, wordt ondertekend. Artikel8 1. De commissie kan personen als getuige of deskundige horen. 2. De commissle kan een getuige of deskundige uitsluitend horen, indien ten minste drie leden aanwezig zijn. Paragraaf 3. Bljzondere bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie getuigen en deskundigen te horen Artikel9 1. De voorzitter van de commissie roept een persoon die zij als getuige of deskundige wil horen bij aangetekende brief op, hetzij in persoon, hetzij op de woonplaats, hetzij op het werkadres van de persoon. De voorzitter kan de oproeping blj deurwaardersexpJoot doen betekenen. 2. Het horen vindt niet eerder pJaats dan op de achtste dag na de ontvangst van de oproeplng. 3. De oproeplng maakt melding van dag, uur en plaats van het horen, van de felten waaromtrent informatie wordt verlangd en van de gevolgen, verbonden aan het "iet verschijnen voor het horen. 4. In afwijking van het tweede lid kan de commissie bepalen dat het horen eerder plaats vindt dan op de achtste dag na ontvangst van de oproeping, indien: a. naar het redelijk oordeel van de commlssle in het beJang van de parlementalre enquête het horen op een kortere termijn nodig is, of b. de betrokken getuige of deskundige met een kortere termijn instemt. Artikell0 1. Een getuige of deskundige wordt in een openbare zitting van de commissie gehoord. 2. De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of deskundige, om gewichtige redenen besluiten dat van een open bare zitting geen beeJd- of geJuidsregistraties door derden mogen worden gemaakt. 3. Van een openbare zitting wordt een openbaar verslag opgemaakt dat door de voorzitter of een ander lid van de commissie en de persoon die de commissie heeft gehoord, wordt ondertekend. 20 spoedig mogelijk na ondertekening kan een ieder het verslag inzien op de griffie van de Staten. 3
  • 4. Artikelll 1. De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of deskundige, om gewichtige redenen besluiten het horen of een gedeelte daarvan in een besloten zitting van de commissie .Jf te nemen. 2. De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens de besloten zitting ter kennis komt. 3. Van een besloten zitting wordt een vertrouwelijk verslag opgemaakt dat door de voorzitter of een ander lid van de commissie en de persoon die de commissie heeft gehoord, wordt ondertekend. Artikel12 1. Voorafgaande aan het horen legt een getuige, mits deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, In handen van de voorzitter de eed of de belofte af dat hlj de gehele waarheld en niets dan de waarheid zal zeggen, tenzij de commissie besluit het horen zonder voorafgaande eed of belofte te doen plaatsvinden. 2. Voorafgaand aan het horen legt een deskundige in handen van de voorzitter de eed of de belofte af dat hij zijn verslag onpartijdig en naar beste weten zal ultbrengen. Hoofdstuk 4. De positie van personen die verplicht zijn medewerking te verlenen aan een parlementaire enquête Paragraaf 1. Aigemene bepalíngen Artikel13 1. Elke Ingezetene van Sint Maarten, elke natuurlijke persoon die in Sint Maarten verblijf houdt, elke rechtspersoon die in Sint Maarten is gevestigd en elke rechtspersoon die haar bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk in Sint Maarten uitoefent, is verplicht de commissie binnen de door haar gestelde termijn aile medewerking te verlenen die deze vordert bij de ultoefening van de haar bij deze landsverordening verleende bevoegdheden, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 23. 2. Voorde toe passing van het eerste lid worden zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens in Sint Maarten, geacht ingezetene van Sint Maarten te zijn. Artikel14 4
  • 5. 0JÞj 1. De verplichting tot medewerking geldt eveneens voor degene voor wie een verplichting tot geheimhouding geldt, ook indien deze verplichtlng bij landsverordenlng is opgelegd, behoudens de mogelijkheld van verschoning overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 23. 2. Degene die bij landsverordening verplicht is tot geheimhouding en ten behoeve van een ander werkzaam is of is geweest, is slechts verpllcht tot medewerking voor zover de persoon ten behoeve van wie hij werkzaam is of is geweest, hem op vordering van de commissie schriftelijk van de verplichting tot gehelmhouding heeft ontheven. Indien de commissie onthefflng van de geheimhoudlngsverpllchting vordert, is de persoon ten behoeve van wie hij werkzaam is of is geweest, verplicht deze ontheffing te verlenen, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 23. Artlkel15 1. Een gewezen minister verleent ten aanzien van informatie die betrekking heeft op de periode van zijn ambtsvervulling uitsluitend door tussenkomst van de Minister-President medewerking aan vorderingen van de commissie als bedoeld in artikel 5 of 6. 2. Een ambtenaar die ten behoeve van een minister werkzaam is of is geweest, verleent ten aanzien van informatie die betrekking heeft op de periode van zijn ambtsvervulling uitsluitend door tussenkomst van de Minister wie het aangaat medewerking aan een vordering van de commissie als bedoeld in artikel 5 of 6. Artlkel16 1. Een ieder kan zich in het verkeer met de commissie doen bijstaan. 2. De commissie kan om gewichtige redenen besluiten dat iemand zich tijdens een voorgesprek of een verhoor niet mag laten bijstaan. 3. De commissie stelt de betrokkene onverwijld van een weigering in kennis. Artlkel17 Voor een vergoeding van de commissie overeenkomstig het krachtens artikel 14 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken bepaalde komen in aanmerking: a. personen met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden, en b. personen die de commissie heeft gehoord. Paragraaf 2. Verschoningsrechten en -gronden Artlkel18 5
  • 6. 1. Een minister, een gewezen minister, een lid of bestuurder van een tot het land behorend orgaan, een gewezen lid of bestuurder van een tot het land behorend orgaan en een ambtenaar, werkzaam of werkzaam geweest ten behoeve van een tot het land behorend orgaan, zijn niet verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor .lOver deze verstrekking in strijd met het belang van het land of met het Koninkrijk is. 2. Indien een lid of bestuurder van een tot het land behorend orgaan, een gewezen lid of bestuurder van een tot het land behorend orgaan of een ambtenaar, werkzaam of werkzaam geweest ten behoeve van een tot het land behorend orgaan, zich beroept op het belang van het land of van het Koninkrijk, kan de commissie verlangen dat de gegrondheid van zijn beroep op verschoning wordt bevestigd door de Minister wie het aangaat. 3. Indien een gewezen minister zich beroept op het belang van het land of het Koninkrijk ten aanzien van informatie die betrekking heeft op de periode van zijn ambtsvervulling, kan de commissie verlangen dat de gegrondheid van zijn beroep op verschoning wordt bevestigd door de Minister-President. Artikel19 1. Een minister, een gewezen minister en een ambtenaar die ten behoeve van een minister werkzaam is of is geweest, zijn niet verplicht informatie aan de commissie te verstrekken over de beraadslagingen in een vergadering van de ministerraad. Een ambtenaar die ten behoeve is van een minister werkzaam is of is geweest, evenmin verplicht informatie aan de commissie te verstrekken over de in een vergadering van de ministerraad genomen beslissingen en de gronden waarop zij berusten. 2. Onverminderd artikel 18, verstrekt een minister of een gewezen minister aan de commissie op haar vordering informatie over de in die vergadering genomen beslissingen en de gronden waarop zij berusten. Voor zover deze informatie schriftelijk wordt verlangd, geschiedt dit door de Minister-President. Artikel20 1. Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor zover het informatie betreft over de beraadslagingen in een vergadering van een college en bij landsverordening een verplichting tot geheimhouding over die beraadslagingen is opgelegd. 2. Het college dat het betreft kan op verzoek van de commissie besluiten ontheffing te verlenen van de geheimhoudingsverplichting. 3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van een gerechtelijke raadkamer. Artikel21 6
  • 7. ," .. Nlemand Is verpllcht informatie aan de commissie te verstrekken, voor zover deze informatie geheime bedrljfs. en fabricagegegevens of anderszins bedrijfsvertrouwelljke en concurrentiegevoelige Informatie van een onderneming betreft en het belang van informatieverkrijging door de commissie niet opweegt tegen het belang de van vertrouwelljkheid van deze informatie. Artikel22 Niemand Is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor zover deze informatie de persoonlijke levenssfeer betreft en het belang van informatieverkrijging door de commissie niet opweegt tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Artikel23 Niemand is verplicht informatie aan de commissie te verstrekken, voor zover hij uit hoofde van zijn ambt of beroep tot geheimhouding verplicht is en het informatie betreft die aan hem in die hoedanigheid is toevertrouwd. Hoofdstuk 5. Dwangmiddelen Artikel24 1. De voorzieningenrechter van het Gerecht in eerste aanleg kan op verzoek van de commissie een persoon die weigert haar medewerking te verlenen bij de uitoefening van de haar bij deze landsverordening verleende bevoegdheden bevelen deze medewerking alsnog te verlenen. Het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift. 2. Het verzoek van de commissie vermeldt welke medewerking van de betrokken persoon wordt verlangd. 3. De commlssie kan het verzoek indienen zonder de bijstand van een procureur. 4. De voorzleningenrechter doet ultspraak uiterlijk op de zevende dag nadat hij het verzoek heeft ontvangen, tenzij de commissie hem heeft verzocht onverwijld uitspraak te doen. 5. De voorzleningenrechter wijst het verzoek toe, tenzij: a. het verzoek niet berust op de wet; b. de betrokken persoon een wettelijke grond tot weigering heeft, of c. de commissie In redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen dat de verlangde medewerking nodig is voor de vervulling van haar taak. 6. De uitspraak van de voorzieningenrechter is ultvoerbaar bij voorraad. 7
  • 8. ,,' Artlkel2S De voorzieningenrechter kan op verzoek van de commissie aan een bevel als bedoeld in artikel 24, eerste lid, een dwangsom verbinden. De derde afdeling van de vijfde titel van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing. Artlkel26 De voorzieningenrechter kan op verzoek van de commissie bepalen, dat een bevel als bedoeld in artikel 24, eerste lid, met ondersteuning van de openbare macht ten uitvoer kan worden gelegd. Artlkel27 1. Jndien een getuige of deskundige voor de commissie is verschenen, maar zonder wettelijke grond weigert zijn verklaring af te leggen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de commissie bevelen dat hij op kosten van de staat in gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal hebben voldaan. Het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift. 2. De commissie kan het verzoek indienen zonder de bijstand van een procureur. 3. De commissie kan de getuige of deskundige in bewaring houden totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Zij kan daarbij de ondersteuning van de openbare macht inroepen. 4. De voorzieningenrechter doet onverwijld, doch uitertijk binnen drie dagen na ontvangst van het verzoek uitspraak. 5. De voorzieningenrechter wijst een verzoek als bedoeld in dit artikel toe, tenzij: a. de getuige of deskundige een wettelijke grond tot weigering heeft of b. de commissie in redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen dat de gijzeling nodig is voor de vervulling van haar taak. 6. De uitspraak van de voorzieningenrechter is uitvoerbaar bij voorraad. 7. Gedurende de bewaring en de gijzeling kan de getuige of deskundige zich beraden met een advocaat. De advocaat heeft vrije toegang tot de getuige of deskundige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht en met inachtneming van de huishoudelijke reglementen. 8. De gijzeling kan ten hoogste dertig dagen duren. De voorzieningenrechter beëindigt ambtshalve, op verzoek van de commissie of op verzoek van de getuige of deskundige de gijzeling indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer door het belang dat met de 8
  • 9. f' toepasslng van de gljzeling werd gediend, wordt gerechtvaardigd, of hem blijkt dat de getuige of deskundige een wettlge grond tot weigering heeft. Artikel28 Dit hoofdstuk is niet van toe passing op een lid van de Staten of een minister. Hoofdstuk 6. De verhouding tot andere procedures Artikel29 In een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure kunnen verklaringen en documenten die op vordering van de commissie zijn afgelegd onderscheidenlijk verstrekt, niet als bewijs worden gebruikt. Evenmin kan op zulke verklaringen en documenten een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel worden gebaseerd. Artikel30 1. De commissie verstrekt geen informatie aan andere personen of organen ten behoeve van een strafrechtelijk, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedure of een procedure tot oplegging van een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel, ook niet indien de commissie of het lid op grond van een wettelijk voorschrift tot het verstrekken van informatie is verplicht. 2. In afwijking van het eerste lid verstrekt de commissie informatie aan andere personen of organen indien degene die de informatie heeft verstrekt en degene op wie de informatie betrekking heeft, daarvoor schriftelijk toestemming hebben verleend. Artikel31 1. In afwijking van artikel 29 kunnen verklaringen en documenten die in het kader van een parlementaire enquête zijn afgelegd onderscheidenlijk verstrekt als bewijs worden gebruikt in een strafrechtelijke procedure naar meineed, naar omkoping van een getuige of deskundige bij een parlementaire enquête of naar de delicten, bedoeld in de artikelen 198 tot en met 198c van het Wetboek van Strafrecht. 2. In afwijking van artikel 30 verstrekt de commissie aan het openbaar ministerie ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek naar meineed, naar omkoping van een getuige of deskundige bij een parlementaire enquête of naar het delicten beoeld in de artikelen 198 tot en met 198c van het Wetboek van Strafrecht de informatie die redelijkerwijs hiervoor nodig is, 9
  • 10. ....."i ook indien het informatie betreft ten aanzien waarvan voor de leden van de commissle op grond van deze landsverordening een gehelmhoudingsverplichtlng geldt. Hoofdstuk 7. De beëindlglng van een parlementalre enquête en het einde van het lidmaatschap van de commissle Artikel32 De commlssie legt haar bevlndlngen vast in een openbaar rapport dat zlj aan de Staten aanbledt. Artikel33 1. Nadat de commlssie aan de Staten verantwoordlng over haar werkzaamheden heeft afgelegd, beëlndlgen de Staten de enquête. 2. De Staten kunnen besluiten een parlementaire enquête voortijdig te beëlndlgen. 3. De voorzitter van de Staten doet van het beslult tot beëlndiglng van de enquête mededellng In de Landscourant. Artikel34 De documenten die onder de commlssle berusten, gaan met ingang van de dag waarop de enquête door de Staten wordt beëindigd van rechtswege over op de Staten. Artikel35 Het Iidmaatschap van de commissle elndigt op de dag met Ingang waarvan: a. het Iidmaatschap van de Staten van het betrokken commisslelid elndigt en dit Iidmaatschap nlet terstond opnleuw aanvangt; b. het lid van de commissle door de commissle als getuige of deskundige wordt gehoord; c. de enquête door de Staten wordt beëlndigd of d. het lid van de commlssie, at dan niet op zijn verzoek, door de Staten In zijn hoedanlgheid van lid van de commlssie wordt ontslagen. Hoofdstuk 8. Openbaarheld en vertrouwelijkheid van documenten Artikel36 10
  • 11. Onverminderd artikel 10, derde lid, heeft niemand tot op de dag 1. waarop de commissie haar rapport aanbiedt aan de Staten recht op inzage in documenten die onder de commissie berusten. 2. De commissie kan getuigen, deskundigen en personen die in opdracht van de commissie werkzaamheden verrichten inzage verlenen in documenten die op haar vordering aan de commissie zijn verstrekt. Degenen die de documenten inzien bewaren geheimhouding over de inhoud van deze documenten. Artikel37 1. Met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport aan de Staten aanbiedt kan elk lid van de Staten de documenten die op vordering van de commissie aan haar zijn overgelegd, inzien. 2. De leden van de Staten bewaren geheimhouding over de inhoud van documenten waarin hen inzage is verleend, voor zover de commissie op grond van artikel 39 beperkingen heeft gesteld aan de openbaarheid. 3. Met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport aan de Staten aanbiedt, kan elk lid van de Staten een vertrouwelijk verslag van een besloten verhoor inzien. De leden van de Staten bewaren geheimhouding over de inhoud van het verslag. Artikel38 1. Een ieder heeft, behoudens de beperkingen die de commissie op grond van artikel 39 aan de openbaarheid heeft gesteld, met ingang van de dag na de dag waarop de commissie haar rapport aanbiedt aan de Staten recht op inzage in de documenten die onder de commissie berusten of, nadat deze documenten op grand van artikel 34 zijn overgegaan op de Staten, hebben berust. Dit inzagerecht geldt zolang de documenten onder de commissie onderscheidenlijk de Staten berusten. 2. De Staten kunnen besluiten een op grond van artikel 39 aan de openbaarheid gestelde beperking ap te hetten, dan wet ten aanzien van een verzoeker, die bij kennisneming een bijzonder belang heeft, buiten toepassing te laten. De Staten kunnen een verzoeker geheimhouding opleggen over de inhoud van documenten waarin hem inzage is verleend. Artikel39 1. De commissie kan voor de periode na de dag waarop zij haar rapport aanbiedt aan de Staten beperkingen stellen aan de openbaarheid van documenten die onder de commissie berusten of, nadat deze documenten op grond van artikel 34 zijn overgegaan op de Staten, 11
  • 12. ~. " hebben berust. Deze beperkingen getden 20lang de documenten onder de commissie onderscheldenlijk de Staten berusten. 2. De commissie stelt beperkingen aan de openbaarheid voor lOver: a. de openbaarmaklng van het document de eenheld van de regering in gevaar zou kunnen brengen; b. de openbaarmaklng van het document de velligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. het document bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheld zijn meegedeeld; d. het document gegevens bevat betreffende een geindentiflceerde of indentlflceerbare natuurlijke persoon, tenzij de openbaarmaking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt of de persoon op wíe de gegevens betrekking hebben heeft Ingestemd met de openbaarmakíng; e. het document een verstag van een voorgesprek of een besloten verhoor betreft. 3. De commissíe kan eveneens beperkingen aan de openbaarheid stell en voor zover het betang van openbaarheid van het document niet opweegt tegen de volgende betangen: a. de betrekkingen van Sint Maarten of het Koninkrijk met andere land en en met internationate organisaties; b. de economische of ftnanclële belangen van het land; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbíediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeting van bij de aangelegenheíd betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 4. De beperkingen aan de openbaarheíd kunnen eveneens worden gesteld voor zover het document is opgesteld ten behoeve van intern beraad van de commíssie. 5. De leden van de commissie bewaren gehelmhoudlng over de Inhoud van documenten, voor zover de commlssle beperkingen heeft gesteld aan de openbaarheid. Hoofdstuk 9. Slot- en overgangsbepalingen Artikel40 Het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd als voIgt: A In artiket 5, eerste lid, onder 1 wordt voor <<212>> ingevoegd: 198a, 198b, 198c,. B 12
  • 13. t , . Na artikel 198 worden vier artikelen ingevoegd, die luiden: Artikel 19Sa Hij die opzettelijk niet vo/doet aan de vordering van een par/ementaire enquêtecommissie tot het hebben van inzage in of het nemen van afschrift van of het op andere wijze kennisnemen van documenten wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. Artikel 19Sb Hij die opzettelijk niet vo/doet aan een vordering van een par/ementaire enquêtecommissie tot het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Artikel 19Sc Hij die opzettelijk een parlementaire enquêtecommissie of door haar aangewezen personen belet, belemmert of verhindert een plaats te betreden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Artikel 19Sd De misdrijven genoemd in de artikelen 198 tot en met 198c worden niet vervo/gd, indien zij zijn begaan door een lid van de Staten, een minister of gevo/machtigde minister. Artikel41 Deze landsverordening wordt aangehaa/d a/s: Landsverordening parlementaire enquête. 13
  • 14. " "j MEMORIE VAN TOELICHTING 1. Aigemeen dee' Volgens artikel 64 van de ontwerp-Staatsregelíng hebben de Staten het recht van onderzoek, te regelen bij landsverordening. De parlementaire enquete is een controleinstrument van de De parlementaire enquete kan ook als Staten en een instrument voor waarheidsvinding. wegbereider dienen bij de totstandkoming van wetgeving of misstanden aan de kaak stellen. De belangrijkste doelen zijn waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst. de parlementaire enquete principieel van ander parlementair onderzoek, zoals Wat of tijdelíjke commissies, onderscheidt, is het feit dat een onderzoekscommissie werkgroepen, bij een enquete over machtsmiddelen beschikt, die zich niet alleen tot de overheid, maar ook tot de burger uitstrekken. Dit vereist een zorgvuldige inzet van het middel. De Nederlands-Antilliaanse Staatsregeling bevat in artikel 82 het recht van onderzoek [enquête] voor de Staten. De Nederlands-Antillaanse enquêteregeling 1948 is gebaseerd op is in 2008 een geheel nieuwe wet op de Nederlandse wet van 5 augustus 1850. In Nederland de enquete in werking getreden. De aanleiding was dat de oude wet, onlangs parlementaire verschillende wijzigingen, in de praktijk tot vele vragen heeft geleid en multHnterpretabel 30 415, biz. 3-4). Anders dan op de werd geacht (Kamerstukken II 2005/06, nr. 6, de laatste Nederlandse Antillen, heeft het gebruik van de parlementaire enquete in Nederland 25 jaar een hoge vlucht genomen. Voor het onderhavige ontwerp heeft de nieuwe Nederlandse wet op de parlementaire enquete 2008 als leidraad gediend. Het ontwerp bevat de volgende hoofdlijnen in vergelíjking tot de Nederlandse-Antilliaanse regeling: _ de openbaarheid van het horen van getuigen wordt als uitgangspunt neergelegd; _ evenredigheidsbeginsel m.b.t. de uitoefening van de aan de commissie verleende bevoegdheden; - de openbaarheid en toegang tot en archivering van documenten; _ de bevoegdheden van de enquetecommissie worden op enkele punten verruimd en verduidelijkt; _ de positie van personen die tot medewerking aan een parlementaire enquete verplicht zijn wordt verduidelijkt en verbeterd; _ de samenloop met ander, al dan niet strafrechtelíjk, onderzoek wordt verhelderd. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige landsverordering zijn: _ de openbaarheid van het horen van getuigen wordt als uitgangspunt neergelegd (artikel 10, eerste Iíd); 14
  • 15. de toekenning van bevoegdheden aan de commissie schriftelijke inlichtingen te vorderen (artikelen 5); - een algemene verpllchting tot medewerking aan een enquete (artikel 13); - een regellng over het voorgesprek (artikel 7); een regeling over de mogelljkheid om openbare verhoren in afwezigheid van beeld- en geluidsregistraties te doen plaatsvinden (artikel 10, tweede lid); - een algemeen recht op bijstand tijdens de parlementaire enquete (artikel 16); - in elke fase van de enquete kan een beroep worden gedaan op verschoningsrechten (artikelen 18 tot en met 23); - de invoering van twee nieuwe dwangmiddelen, te weten, de oplegging van een rechterlijk bevel tot medewerking onder dwangsom (artikel 26) en de mogelijkheid van oplegging van een rechterlìjk tot medewerking dat met de politie ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 26); een regellng ter verdere bescherming van personen waarover informatie wordt verstrekt in - andere procedures (artikelen 29 en 30); - een heldere regeling van de openbaarheid/vertrouwelijkheid van de commissiearchieven (artikelen 36 tot en met 39). Tevens heeft het ontwerp een duidelijker indeling gekregen. De uitgebreide kamerstukken bij de Nederlandse wet dienen ter toelichting op dit ontwerp; in het bijzonder deel wordt summier ingegaan op de Nederlandse regeling en worden de afwijkingen van de Nederlands-Antilliaanse verordening vermeld. In de Eerste en Tweede Kamer zijn door het kabinet bezwaren geuit tegen de in het initiatiefvoorstel neergelegde bevoegdheid om plaatsen te betreden, waaronder woningen, en tegen het niet opnemen van een verschoningsrecht.1 Naar het oordeel van het kabinet is het nut van een binnentredingsbevoegdheid voor de waarheidsvinding niet duidelijk. Deze opvatting wordt door het bestuurscollegehier gedeeld, mede in het Iicht van artikel 31 van de ontwerp-Staatsregellng dat bepaalt dat beperkingen van klassieke grondrechten, waaronder het huisrecht in artikel 7, noodzakelijk dienen zijn. Dit betekent dat dit ontwerp geen betredingsbevoegdheid is opgenomen. In dit opzicht wijkt dit ontwerp af van de Nederlandse wet. Verder was er bezwaar tegen het ontbreken van een verschoningsrecht voor de getuige die zichzelf of zijn naasten aan een strafrechtelljke veroordeling blootstelt. 2 Toch heeft de wetgever er niet voor gekozen om zo'n recht op te nemen. Het belangrijkte argument daarvoor is dat de waarheidsvinding in een concreet geval onder druk komt te staan. Bovendien worden belangen van direct betrokkenen voldoende op andere wijze beschermd. In de artikelen 29 en 30 is een regeling getroffen die erin voorziet dat verklaringen en documenten die zijn afgelegd over overgelegd op vordering van de commissie in principe niet 1 Vergelijk Kamerstukken I, 2006/07, 30 415C, biz. 27. 1 Kamerstukken 12006/07, 30 415C, bIz. 27. 15
  • 16. als bewíjs in een andere procedure mogen worden gebruikt. Bovendíen mag de commissíe geen informatíe verstrekken aan andere instanties. Tenslotte bevatten ook de geldende Nederlands~Antillaanse landsverordening parlementaire enquete en het ontwerp van het land Curaçao geen familiaal verschoningsrecht of een recht op non incrimination. Artíkel 39 van het ontwerp leidt tot enige wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, dat door het land Sint Maarten zal worden overgenomen, naar het voorbeeld van het Nederlandse Wetboek an Strafrecht. Volgens artikel 39, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk wordt het strafrecht in de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld. De uitoefening van het recht van onderzoek (enquete) is overigens geregeld in Hoofdstuk 14 van het ontwerp-Reglement van Orde voor de Staten van Sint Maarten. 2. Bljzonder deel Artike/l Deze begrípsbepaling is een overname van artikel 1 van de Nederlandse wet op de parlementaire enquete 2008, met uitzondering van onderdeel a, dat het begrip Kamer omschrijft. Waar artikel 70 van de Grondwet beide Kamers van de Staten-Generaal zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering de bevoegdheid geeft am een enquete te houden, kent het land Sint Maarten alleen de Staten als vertegenwoordigd orgaan. Onder "document" vallen niet alleen schriftelijke stukken, maar elk ander materiaal dat gegevens bevat zoals banden, memoriesticks, computerbestanden etc. Artike/2 Deze bepaling betreft de instelling van een enquete en is een overname van artikel 2 van de wet parlementaire enquete 2008. Hoewel het gelet op de omvang van de Staten van 15 leden voorstelbaar zou zijn dat de hele Staten een parlementaire enquete uitvoeren, is ervoor gekozen dat een enquete wordt uitgevoerd door een commissie van de Staten. Dit is in lijn met artikel 1 van de Nederlands-Antilliaanse regeling. Waar die regeling voorschreef dat de commissie ten minste bestond uit een lid, tevens voorzitter en ten minste vier andere leden, zijn de Staten van Sint Maarten vrij in het bepalen van de omvang van de commissie. Er is geen goede noodzaak om de omvang van de commissie bij landsverordening te regelen. Wel voigt uit artikel 8, tweede lid, dat het horen van een getuige pas kan plaatsvinden indien ten minste drie leden aanwezig zijn. Ten opzichte van de Antilliaanse regeling is, in lijn met de 16
  • 17. . . , Nederlandse regeling, het nauwkeurigheidsvereiste geschrapt, omdat het aan de Staten is te bepalen waarover het onderzoek heeft te gaan. Artikel3 Artikel 3 regelt dat de kosten voor een enquete niet uit de reguliere kosten van de Staten bekostigd dienen te worden en is een overname van artikel 3 van de wet op de parlementaire enquete. Op die manier wordt voorkomen dat financiële argumenten een rol spelen bij de beslissing een enquete te houden. Ten opzichte van de Nederlandse regeling is in het eerste lid de Minister van Binnenlandse Zaken gewijzigd in de Minister van Aigemene Zaken, aangezien het land Sint Maarten geen ministerie van Binnenlandse Zaken kent. Artike/en 4-12 Deze artikelen bevatten de bevoegdheden van de commissie en zijn een overname van de artikelen 4-13 van de wet parlementaire enquete 2008, met uizondering van de betredi ngsbevoegdheid. Artike/4 In artikel 4, eerste lid, is neergelegd gedurende welke periode de commissie haar werkzaamheden kan uitoefenen. In artikel 4, tweede lid, is het evenredigheidsbeginsel opgenomen. Dit betekent dat de commissie haar bevoegdheden alleen uitoefent indien dit naar het redelijke oordeel van de commissie voor de vervulling van haar taak nodig is. Anders dan artikel 23, eerste lid, van de Antilliaanse regeling bepaalt artikel 4, derde lid, dat de bevoegdheden en werkzaamheden van de commissie niet worden beëindigd door het verstrijken van de zittingsduur of de ontbinding van de Staten. In feite vloeit dit ook al voort uit het eerste lid. Het derde lid is opgenomen om dit duidelijk te stellen. Artike/5 Artikel 5 bevat de nieuwe bevoegdheid tot het vorderen van schriftelijke inlichtingen; het gaat hier am inlichtingen die nog niet in een reeds bestaand document zijn vastgelegd, anders is artikel 6 toepasselijk. De bevoegdheid om vat uitsluitend het verkrijgen van feitelijke informatie; de commissie kan personen dus niet verplichten tot het geven van een advies. Artike/6 17
  • 18. ti .. Deze níeuwe bepaling heeft betrekkíng op de bevoegdheid van de commissie om kennis te nemen van bestaande documenten. Het tweede lid bepaalt dat de commissie de wijze waarop de kennisneming wordt verleend, bepaalt. In bepaalde gevallen zal de commissie orgininele documenten willen zien, in andere gevallen kan worden volstaan met een kopie. Artike/7 Híerin is de in Nederland gegroeide praktijk van het voorgesprek vastgelegd. Door middel van de besloten voorgesprekken wordt meer inzicht In de algemene problematiek verkregen. Aan de hand van het voorgesprek kan de commissie besluiten om een getulge al dan niet voor een openbaar verhoor op te roepen. De regeling van het voorgesprek kan tevens nuttig zljn voor parlementaire enquetes door de Staten van het land Sint Maarten. Artike/en 8 tot en met 12 Deze artikelen bevatten bijzondere voorschriften over het horen van getuigen en deskundigen door de commissie en zijn een overname van de artikelen 9 tot en met 13 van de wet op de parlementaire enquete 2008. Een wezenlijk verschil ten opzichte van de Antilliaanse regeling is het bepaalde In artlkel 10, eerste lid, dat een getuige of deskundige in een openbare zitting van de commissie wordt gehoord. Dit uitgangspunt van openbaarheid van verhoren houdt verband met het oogpunt van controleerbaarheid en transparantie en voor het leereffect van de enquete. De belasting van een openbaar verhoor kan voor betrokkene zeer groot zijn. Daarom is voorzien in de mogelijkheid dat de commisie om gewichtige redenen kan besluiten dat van een open bare zitting geen beeld en geluidsregistraties door derden mogen worden gemaakt (artikel 10, tweede lid). Het horen is dan wel openbaar, maar er worden geen beeld- en geluidsopnemen toegelaten. Bij gewichtige redenen kan het verhoor in een besloten zitting worden afgenomen (artikel 11, eerste lid). Gelet op het uitgangspunt van openbaarheid zal dit hoge uitzondering dienen zijn. Artikel 12 regelt de eed of belofte voorafgaande aan het openbare of besloten verhoor. Het artikel is niet van toepassing op het voorgesprek. De commissie kan besluiten het verhoor niet onder ede te late plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer iemand vanwege een gebrekkige geestelijke ontwikkeling de betekenis van de eed niet voldoende beseft. Artike/13 Dlt artikel is gebaseerd op artikel 14 van de wet op de parlementaire enquete 2008, met het volgende verschil. Artikel 14 van de wet op de parlementaire enquete 2008 stelt voorop dat elke Nederlander verplicht is aile medewerking te verlenen die de commissie vordert. De term 18
  • 19. Nederlander is ontleend aan de Rijkswet Nederlandschap. Dit betekent dat ook Nederlanders die woonachtig zijn op Nederlandse Antillen en Aruba onder de werking van de Nederlandse enquetewet vallen. Er is geen noodzaak am de medewerkingsplicht tevens van toepassing te laten zijn op aile Nederlanders in het Europese deel van het Koninkrijk, ook al niet omdat het niet nakomen van de plicht strafrechtelìjk is gesanctioneerd (zie artikel 40). Daarom is in dit ontwerp de zinsnede "elke Nederlander" geschrapt. In dit verband is aansluiting gezocht bij de Nederlands-Antilliaanse enquêteregeling die beperkt is tot degenen die zich op het grondgebied van de Nederlandse Antillen bevinden. De fictie in het tweede lid dat degene die is ingeschreven in de basisadministratie van Sint Maarten geacht wordt ingezetene van Sint Maarten te zijn, komt ook voor in artikel 1 van de ontwerp- Kiesverordeni ng. Op grond van dit ontwerp is - net als voor Statenleden - de mogelijkheid om dwangmiddelen in te zetten jegens bewindspersonen expliciet uitgesloten (artikel 28). Het inzetten van dwangmiddelen past niet binnen de staatsrechtelijke verhoudingen tussen regering en Staten. Een ander verschil tussen bewindspersonen en andere personen die verplicht worden tot medewerking, is dat bewindspersonen - net als Statenleden - niet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden wegens niet medewerking aan de enquête (zie het in artikel 40 opgenomen voorstel voor een nieuw artlkel 198d van het Wetboek van Strafrecht). De mogelijkheid van strafrechtelìjke vervolging is niet passend binnen de staatsrechtelijke verhoudingen tussen regering en Staten. Bij niet-medewerking door een bewindspersoon kunnen ultsluitend politi eke conclusies worden getrokken. Ten behoeve van een minister werkzame ambtenaren, nemen In de parlementaire enquête eveneens een bijzondere positie in. De ministeriële verantwoordelijkheid brengt dit mee. Onder ambtenaar dient op grond van artikel 1, tweede lid, van het ontwerp mede te worden verstaan personen die op arbeidsovereenkomst werkzaamheden op een ministerie verrichtingen. In het vervolg zal worden gesproken over ambtenaren, waarmee aile personen worden bedoeld die ten behoeve van een bewindspersoon werkzaam zijn. Uitgangspunt in het normale verkeer met de Staten is dat ambtenaren geen directe contacten hebben met Statenleden over hun functievervulling als ambtenaar. Het is de minister die de Staten informeert, en niet de ambtenaren. Dit hangt samen met het feit dat de ambtenaren onder ministeriële verantwoordelljkheid werkzaam zijn. Dit betekent echter niet dat rechtstreekse contacten tussen Staten en ambtenaren uitgesloten zijn. De Nederlandse Aanwijzlngen inzake externe contacten van rijksambtenaren bevatten hierover voorschriften. Het ultgangspunt daarin is dat de minister van geval tot geval beslist of het contact is toegestaan. Voor de contacten tussen de enquêtecommissie en ambtenaren geldt het volgende. Op grond van dlt ontwerp heeft de enquêtecommissle de bevoegdheid om, zonder voorafgaande instemmlng van de minister, ambtenaren als getuige of deskundlge te horen. De ambtenaren zijn ook 19
  • 20. " verplicht hieraan medewerking te verlenen. Dit voigt uit de algemene verplichting tot medewerking, zoals neergelegd in artikel 13 van het antwerp. Op grond van het huidige artikel 3, derde lid, zijn aile ambtenaren vanaf het tijdstip van eerste bekendmaking gehouden om gevolg te geven aan de vorderingen van de enquêtecommissie die deze tot ultvoering van haar taak nodlg oordeelt. In het ontwerp is geen specifleke verplichting tot medewerking opgenomen voor ambtenaren. Dit is niet nodig naast de in artikel 13 opgenomen algemene verpllchting tot medewerklng. Oat de ambtenaren rechtstreeks door de enquêtecommlssle gehoord kunnen worden, betreft geen doorkrulslng van de minlsterlële verantwoordelijkheid. De ambtenaren zijn immers niet zelf verantwoordelijk ten opzlchte van de Staten voor de inlichtingen die door hen worden gegeven. De mondelinge Informatie die een ambtenaar blj een verhoar verstrekt, wordt aan de minister toegerekend. 20 valt de door een ambtenaar verstrekte Informatie, voor zover deze betrekklng heeft op zljn ambtsvervulling, volledlg onder de mlnlsterlêle verantwoordelijkheld. Over de inlichtingen die de ambtenaar verstrekt, kan de betrokken minister dus door de Staten ter verantwoording worden geroepen. Net als de bewindspersonen zelf, kunnen ambtenaren welgeren informatie te verstrekken met een beroep op het belang van het land of het Koninkrijk. De enquêtecommissie kan in zo'n geval vragen om bevestiging van dit beroep door de betrokken bewindspersoon. Vraagt een enquêtecommissie echter schriftelijke informatie aan een ambtenaar of wenst zij documenten in te zien die de betrokken ambtenaar in zijn bezit heeft, dan kan dit ap grond van artikel 15 van het ontwerp alleen via de betrokken bewindspersoon. In concreto betekent dit dat de minister de gevraagde schriftelijke inlichtingen en/of documenten zelf zal verstrekken, dan wel hiervoor toestemming zal moeten geven. Artike/14 Artikel 14 regelt dat de verplichting tot medewerking aan de enquete voorgaat op (wettelijke) geheimhoudingsverplichtingen. Deze voorrang geldt uitsluitend voorzover geen beroep kan worden gedaan op een van de In het ontwerp opgenomen wettelijke verschoningsgronden. Het artikel is een overname van artikel 15 van de wet op de parlementaire enquete 2008. Artike/15 Dit artikel bevat een bijzondere voorziening voor personen die ten behoeve van een minister werkzaam zijn. Het gaat hier nlet alleen om personen die als ambtenaar bij het mlnlsterie zljn aangesteld, maar ook om personen die op basis van arbeidscontract bij het desbetreffende ministerie werkzaam zijn (vgl. artikel 1, tweede lid). Personen die bij een zelfstandig bestuursorgaan werkzaam zijn, vallen er echter nlet onder. De personen die ten behoeve van een bewlndspersoon werkzaam zljn, zljn nlet verplicht om zelfstandig medewerking te verlenen aan een vordering van de commissie om schriftelijke inlichtingen te 20
  • 21. verstrekken of om documenten te verstrekken, ten minste voor zover het gaat om informatie die betrekking heeft op hun functle. De ministerlële verantwoordelìjkheid brengt dat mee. De informatie of de documenten kunnen uitsluitend via tussenkomst van de minister aan de enquêtecommissie worden verstrekt. De woorden <<door tussenkomst van de minister>> houden in dat het de minister is die deze documenten en schriftelìjke inlichtingen verstrekt. Op de onder verantwoordelijkheid van de minister werkzame ambtenaren berust dus geen zelfstandige verantwoordelijkheid om de enquêtecommissie schriftelijk te informeren. De ambtenaar kan in die hoedanigheid uitsluitend als getuige of deskundige worden opgeroepen. Overigens zal de enquêtecommissie over het algemeen rechtstreeks de minister benaderen voor het inzien van documenten of het verkrijgen van schriftelijke inlìchtingen. In het geval een enquêtecommissie ambtenaren zou benaderen, kunnen deze de schriftelijke inlichtingen uitsluitend via de minister verstrekken. De tussenkomst van de minister kan in de praktijk op verschillende wijze worden vormgegeven. Zo kan de minister de betrokkenen personen machtiging verlenen om de enquêtecommissie inzage te geven in bepaalde documenten. Een andere varm is dat de minister de documenten of schriftelijke informatie zelf aan de enquêtecommissie verstrekt, waarbij de ambtenaren het voorwerk verrichten. In aile gevallen vindt de informatieverstrekking echter plaats onder verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Artíkel16 Artikel 16 heeft betrekking op bijstand aan personen en is nieuw in vergelijking tot de Antilllaanse regeling. De mogelijkheid van bijstand ziet op aile contacten met de commissie. Voorzover het gaat om een voorgesprek of een verhoor, kan de commissie om gewichtige redenen verbieden dat bijstand wordt verleend. Te denken valt aan het belang van het onderzoek of de persoon van degene die bijstand verleent. De term "gewichtige redenen" brengt mee dat slechts in uitzonderingssituaties bijstand kan worden geweigerd. Tegen een weigering staat geen rechtsmiddel open. Oat zou het onderzoek te zeer juridiseren. Het artikel is een overname van artikel 17 van de wet op de parlementaire enquete 2008. Artíkel17 Dit artikel is eveneens overgenomen uit de wet parlementaire enquete 2008 en regelt de vergoeding van getuigen en deskundigen en de personene met wie de commissie een voorgesprek heeft gehad. De vergoeding is overeenkomstig de vergoeding die getuigen en deskundigen ontvangen bij gerechtelijke procedures. Artíkel18 en 19 21
  • 22. Artikel 18 bevat voor een minister en de andere daar genoemde personen een verschoningsrecht informatie te verstrekken voor lover deze in strijd met het belang van het land of het Koninkrijk is. De verschoningsgrond "belang van het land of het Koninkrijk" houdt direct verband met de artikelen 63 en 107 van de ontwerp.Staatsregeling. Het is lastig aan te geven wat hieronder in abstracto is te verstaan. Artikel 63 bepaalt dat de ministers door de Staten kunnen worden uitgenodigd om op de vergadering aanwezig te lijn ten einde de verlangde inlíchtingen te geven, "voor lover het geven daarvan niet strijdig geoordeeld kan worden met het belang van het land of van het Koninkrijk". Volgens artikel 107 van de ontwerp.Staatsregeling betracht de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid voor zover dit niet strijd is te achten met het belang van het land of van het Koninkrijk dan wel met andere belangen die het achterwege laten van openbaarmaking rechtvaardigen. In artikel 11 van de ontwerp-Iandsverordening openbaarheid van bestuur blljft het verstrekken van informatle onder meer achterwege "voorzover dlt het belang van de velligheld van het land of van het Koninkrijk lOU kunnen schade nil. Voorts bevat artikel 68 van de Grondwet, de Nederlandse pendant van artikel 63, als uitzonderingsclausule het belang van de staat. In de Nederlandse praktijk worden slechts in uitzonderlljke omstandigheden inllchtlngen gewelgerd met een beroep op het belang van de staat.3 De mogelljkheld de verschoningsgrond in het belang van het land of het Koninkrijk in te roepen staat open voor aile personen die werkzaam zijn bij een onder het land vallend orgaan. Onder de term "onder het land vallend orgaan" worden naast de ministeries begrepen, aile Hoge Colleges van Staat en aile advlescolleges. Voorzover een beroep op het belang van het land of het Koninkrijk wordt gedaan door een ander dan de minister in functle, kan worden velangd dat het beroep wordt bevestigd. Artikel 19 erkent het belang van het geheim van de minlsterraad ter bescherming van de eenheid van het regeringsbeleld (artlkel 39 vlerde lid, ontwerp-Staatsregellng). De geheimhoudlng is neergelegd in het Reglement van orde voor de ministerraad. In hoofdlijnen komt het erop neer dat ministers niet gehouden zijn om informatie te verstrekken over de beraads/agingen binnen de ministerraad. De informatie over de in de ministerraad gevallen besluiten en de gronden die daaraan ten grondslag Ilggen dienen echter wel aan de enquetecommissie verstrekt te worden. Artike/20 Dit voorschrift bevat een verschoningsrecht voor beraadslagingen van colleges waarvoor een wettelijke verplíchting tot geheimhouding geldt, zoals een raadkamer van de rechtbank. De J In een notltie van 21 januari 2002 van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt uitgebreid ingegaan op de reikwijdte van artikel 68 Grondwet. Daarin worden een aantal aspecten genoemd die een rol spelen bij de beantwoording van de vraag in welke gevallen het belang van de staat zich verzet tegen het verstrekken van inlichtingen, dan wel de inlichtingen slechts vertrouwelijk te verstrekken. De notitie kan bij enquetes een rol spelen als beoordelingskader. 22
  • 23. t f bepaling is fuìmer gesteld omdat niet is uitgesloten dat bij landsverordening andere colleges met een wettelijke verpllchting tot geheimhouding in het leven worden geroepen. Artikel21 Artikel 21 bevat de verschoningsgrond ten aanzien van geheime bedrijfs- en fabricagegevens en overige bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoellge informatie. De verschoningsgrond bestaat onafhankelijk of deze gegevens betrekking hebben ap het eigen bedrijf, dan wel op andersmans bedrijf. Net zoals bij artikel 22, betreft het hier een relatieve grond. Artikel22 De Nederlandse wetgever van 1850 ging er van uit dat een parlementaire enquête alleen over zaken zou gaan. Het hoeft vanuit die optiek niet te verbazen dat die wet uitsluitend een verschoningsrecht voor bedrijfsgegevens bevatte, en niet voor informatie die de persoonlljke levenssfeer betreft. Daarnaast is uiteraard van belang dat eerst in de loop van de vorige eeuwde eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als een van de grondslagen van onze rechtsorde werd beschouwd. In principe gaan parlementaire enquêtes nog steeds over zakelijke aangelegenheden. Dit neemt niet weg, dat hierin ook onderwerpen aan bod kunnen komen die privacygevoelig zijn. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen die medewerking verlenen aan een enquête,is het wenselijk dat deze in beginsel niet verpllcht zijn privacygevoelige informatie te verstrekken. Het grondrecht op persoonlijke levenssfeer is zo fundamenteel, dat dit recht onder omstandigheden zwaarder kan wegen dat het belang van waarheidsvinding door de enquêtecommissie. Daarom bevat het ontwerp een verschoningsgrond op de persoonlijke levenssfeer. De huidige Enquêteregeling bevat geen specifieke regeling op dit punt. Er kan echter vanuit worden gegaan dat personen zich in bepaalde gevallen ook onder de huidige regeling met een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kunnen onthouden van het verstrekken van inlichtingen die de persoonlijke levenssfeer betreffen. Net als de verschoningsgrond voor geheime bedrijfs- en fabricagegegevens is de verschoningsgrond op de persoonlijke levenssfeer een relatieve verschoningsgrond: het belang van de privacy dient te worden afgewogen tegen het belang van de waarheidsvinding. In bepaalde gevallen zal dus wel informatie die tot de persoonlijke levenssfeer behoort aan de parlementaire enquêtecommissie verstrekt moeten worden. Door deze verplichting wordt, zodra het persoonsgegevens betreft, inbreuk gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals opgenomen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Is de inbreuk echter in overeenstemming met de beperkingclausules van deze artikelen, dan leidt deze niet tot schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer. Artikel 5, eerste lid, van de ontwerp-Staatsregeling vereist een wettelijke basis voor de inbreuk. Hiervan is met dit ontwerp sprake. Artikel 8, tweede lid, 23
  • 24. ' . EVRM stelt dat er sprake moet zijn van een legitiem doel. De te maken inbreuk moet voorts voorzienbaar en toegankeliìk zljn voor de burger en bovendlen noodzakelijk in de democratische samenleving. Voor wat betreft de kenbaarheid van de inbreuk biedt dit antwerp een gerede grondslag. De noodzaak van de beperking dlent te worden aangetoond met een drlngend maatschappelijk belang. Dat belang Is In casu gelegen In het belang van de waarheidsvlndlng. Het gekozen mlddel moet tenslotte proportloneel zijn ten opzichte van het te bereiken doel. Ultsluitend wanneer het belang van de waarheídsvindlng door de parlementaíre enquêtecommíssíe zwaarder weegt dan de prívacy, díent de informatle verstrekt te worden. Van belang is dat er geen mlnder vergaande middelen zijn om het doel te bereiken. Bovendien dat het míddel passend is in de gegeven sítuatíe. Ten slotte ís relevant dat per concrete casus de afwegíng zal worden gemaakt door de enquêtecommíssíe. Deze afwegíng ís bovendíen toetsbaar door de rechter zodat rechtsbeschermíng verzekerd Is. Aan de vereísten van artíkel 8 EVRM en artikel 31 eerste lid, van de ontwerp-Staatsregeling wordt in dít antwerp aldus voldaan. Artike/23 Dit artikel betreft het beroepsgeheím. Het gaat hier om personen die typísche vertrouwensfunctles vervullen. De geheímhoudíngsplicht waarmee het verschoníngsrecht samenhangt, hoeft nlet ín een landsverordeníng te zíjn geregeld, maar kan ook uít de aard van de functíe voortvloelen. Artike/24 Artíkel 24 voorzíet ín de mogelijkheíd dat de commíssíe de rechter ínschakelt om een persoon die weígert medewerklng te verlenen aan de enquête een bevel tot medewerkíng op te legen. De bevoegde rechter ín eerste aanleg is de voorzieníngenrechter van het Gerecht in eerste aanleg. Het verzoek moet worden ingeleid bij verzoekschrlft. Dlt betekent onder meer dat de verzoekschríftprocedure zoals neergelegd In de derde titel van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassíng Is. Ook staat tegen de uitspraak van de rechter op grond van artikel 358 van het Wetboek van Burgerlljke Rechtsvordering hoger beroep open en kan beroep In cassatíe worden ingesteld. De regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderlng met betrekkíng tot de verzoekschrlftprocedure gelden, mits híervan In dít ontwerp nlet wordt afgeweken.Een afwíjkíng van de regulíere procedure Is In de eerste plaats dat het verzoekschríft níet door een procureur behoeft te worden ondertekend (artikel 24, derde lid). Hlervoor Is gekozen omdat In spoedsítuatles de ínschakeling van een procureur een extra stap kan betekenen. Overlgens Ilgt het voor de hand dat een enquêtecommlssle In de praktíjk wet de hulp van een procureur zal ínroepen. Verplícht Is dlt echter nlet.Een andere afwijklng betreft het felt dat het ontwerp een maximumtermíjn bevat waarop de rechter díent 24
  • 25. te beslìssen. In pnncipe is dit uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het verzoekschrift. Heeft de enquètecommissie echter om een onverwijlde uitspraak verzocht, dan dient de uitspraak onverwijld te geschieden (vierde lid). Het rechterlijke bevel is ten slotte altijd uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep (lid 6). Ult het vijfde lid voigt dat de rechter in principe het verzoek tot het opleggen van een rechterlijk bevel tot medewerking zal moeten honoreren. Dit betreft in feite een omkering van de bewijslast. Het is aan de verweerder om te bewijzen dat het verzoek niet op de wet berust. Dlt neemt niet weg dat in de praktijk ook de enquêtecommissie door de rechter gevraagd zal worden een toelichting op haar verzoek tot het opleggen van een bevel tot medewerking te geven. Gezien het bijzondere karakter van de enquête en de bijzondere positie van de enquêtecommissie, is een omkering van de bewijslast aangewezen. In drie situaties kan de rechter het verzoek afwijzen. Het eerste geval betreft de situatie dat het verzoek niet berust op de wet (lid 5, onder a). Hiervan zal sprake zijn indien om een andere vorm van medewerking wordt gevraagd dan waartoe de commissie bevoegd is. Te den ken valt aan een verzoek om een persoon te bevelen documenten die hij onder zich heeft niet te vernietigen. De enquêtecommissie is niet bevoegd om deze medewerking aan een enquête te verlangen. Daarnaast dient de rechter het verzoek af te wijzen als de betrokken persoon een wettelijke grond tot weigering heeft (lid 5, onder b). Hiervan zal sprake zijn als betrokkene met succes een beroep kan doen op een verschoningsgrond. Ten slotte zal de rechter het verzoek moeten afwijzen als de commissie in redelijkheid niet tot haar oordeel kan komen dat de verlangde medewerking nodig is voor de vervulling van haar taak (lid 5, onder c). Het spreekt voor zich dat als de rechter tot de conclusie komt dat hiervan sprake is, hij een verzoek tot het opleggen van een rechterlijk bevel tot medewerking naast zich neer zal moeten leggen. Het betreft hier overigens een marginale toets. Artike/25 Artikel 25 voorziet in de mogelijkheid dat de rechter op verzoek van de enquêtecommissie aan een bevel tot medewerking een dwangsom verbindt. In dat geval is de derde afdeling van de vijfde titel van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. De dwangsom betreft net als de overige in hoofdstuk 4 opgenomen dwangmiddelen geen strafsanctie. Het bevel onder dwangsom strekt er toe dat betrokkene alsnog zijn medewerking aan de enquêtecommissie verleent. Het bevel kan worden opgelegd ter medewerking aan elke bevoegdheid van de enquêtecommissie. Het is wenselìjk dat een enquêtecommissie ook over een meer eigentijds dwangmiddel beschikt dan de gijzeling. De dwangsom zal in bepaalde gevallen effectiever zal kunnen zijn dan de gijzeling. Bovendien grijpt dit mid del minder in in de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. 25
  • 26. . }I Oat de betreffende artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toe passing lijn betekent onder meer dat de weigerachtige persoon een termijn dient te worden gegund gedurende welke hij het bevel kan uitvoeren lander dat hlj een dwangsom verbeurd. De termijn lal lO kort mogelijk gesteld moeten worden. Welke termljn In het concrete geval wenselijk is, zal afhankelijk zijn van de situatle. De dwangsom kan worden vastgesteld op een bed rag ineens of op een bedrag per tijdseenheid waarin het bevel niet is uitgevoerd. Indien de enquêtecommlssie binnen een bepaalde termijn de desbetreffende Informatie nodig heeft, Iigt een bed rag ineens meer voor de hand dan een bed rag per tljdseenheid. In aile gevallen dlent de hoogte van de dwangsom in redelijke verhoudlng te staan tot enerzljds het belang van de gevorderde medewerking en anderlijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Artìke/26 In artlkel 26 is de mogelijkheid opgenomen dat de enquêtecommissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden ondersteuning verkrijgt van <<de openbare macht>>. In concreto betekent dit dat de politie assistentie kan verlenen bij de uitoefening van bevoegdheden. De mogelijkheid de hulp van <<de openbare macht>> in te roepen be staat in principe bij elke bevoegdheidsuitoefening van de commissie. Het ligt voor de hand dat deze in de praktijk alleen gehanteerd zal worden bij de bevoegdheid van de enquêtecommissie kennis te nemen van documenten (artikel 6) en haar bevoegdheid getuigen en deskundigen te horen (artikel 8). Het is niet goed denkbaar dat de enquêtecommissie ondersteuning van de politie nodig lal hebben bij het verstrekken van schriftelijke inlichtingen (artikel 5). Formeel is dit echter niet uitgesloten. Artìke/27 In artikel 27 is de mogelijkheid van gijzeling van weigerachtige getuigen en deskundigen opgenomen. Voor een verzoek om gijzeling geldt eveneens dat hierop de verzoekschriftprocedure zoals neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is. Voorzien is in de expliciete mogelijkheid dat de enquêtecommissie een getuige of deskundige zelf in bewaring kan houden totdat de voorzieningenrechter op het verzoek van de enquêtecommissie he eft beslist. Deze uitspraak dient op grond van het vierde lid binnen drie dagen na ontvangst van het verzoekschrift te worden gedaan. Hieruit voigt dat de bewaring door een enquêtecommissie maximaal drie dagen kan duren. De opneming van de termijn van drie dagen vloeit voort uit artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit artikel stelt eisen aan het door de enquêtecommissie - in afwachting van een uitspraak van de rechter op een verzoek tot gijzeling - in bewaring houden van een getuige of deskundige. Artikel 5 EVRM bepaalt dat 26
  • 27. vrijheldsontneming die wordt opgelegd door een ander orgaan dan de rechter, snel door de rechter moet kunnen worden getoetst. In dit ontwerp is er echter nlet voor gekozen een afzonderlijke voorzlenlng blj de rechter open te stellen voor de getuige of deskundlge gedurende de bewaring door de enquêtecommlssle. Een aparte voorzlenlng voor de getulge of deskundige zouimmers betekenen dat er een tweede procedure naast de door de enquêtecommíssle gestarte procedure kan gaan lopen. Nu Is voorzlen In een beslistermljn voor de rechter op het verzoek van de enquêtecommlssle, is een dergelijke aparte voorzlenlng voor de burger ongewenst en overbodlg. Ook In andere wetgevlng komt het voor dat nlet Is voorzien In een elgen voorzlening van de burger, maar bljvoorbeeld In een termljn waarblnnen een bepaald orgaan een rechterlijke voorzlenlng moet ultlokken. Het Ilgt overlgens voor de hand dat In de praktljk een enquêtecommlssle al vooraf contact opneemt met de voorzlenlngenrechter van de rechtbank als zlj verwacht dat een getulge of deskundige tljdens een zlttlng zal welgeren om Informatle te verstrekken. Hlervan zal bljvoorbeeld sprake zljn, Indlen een getulge of deskundlge met behulp van de polltle voor de enquêtecommlssle Is gebracht. De voorzlenlngenrechter zal In dergelijke gevallen spoedlg kunnen beslissen. Voor de korte periode van de bewarlng kan de enquêtecommlssle Indlen nodlg zelfstandlg de hulp van de politle Inroepen. Dlt Is geregeld In het derde lid, tweede volzln. Het ontwerp voorzlet nlet In een bekrachtlglng van de ultspraak van de voorzlenlngenrechter. Mede doordat het Gerecht In eerste aanleg In clvlele zaken doorgaans als <<unus>> besllst, is de constructle dat de beslisslng van de voorzlenlngenrechter spoedlg wordt gevolgd door een beslissíng van het Gerecht In eerste aanleg nodeloos omslachtlg. Daaram Is er voor gekozen dat de voorzlenlngenrechter meteen de besllsslng ten grande kan nemen. Tegen de besllsslng van de voorzlenlngenrechter staan ulteraard wet de regullere rechtsmlddelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderlng open. Voor het verzoek om gljzeling geldt eveneens dat de rechter dlt verzoek In principe zal moeten honoreren (zle het vljfde lid). Net als In artlkel 24 Is derhalve van een omkerlng van de bewljslast sprake. Op de regel dat de rechter het verzoek van de enquêtecommlssle moet honoreren, zljn twee ultzonderlngen. In de eerste plaats zal de rechter geen gljzellng opleggen als de betrokken persoon zlch terecht op een verschonlngsgrond beroept. In dat geval heeft hlj een wettelijke grond tot welgerlng (vlerde lid, onder a). Daarnaast za! de rechter de oplegglng van de gljzellng kunnen welgeren als de commlssle In redelijkheld nlet tot haar oordeel kan komen dat de gljzeling nodlg is voor de vervulling van haar taak (vlerde lid, ander b). Oak hler is sprake van een marglnale toetslng. De gljzeling kan ap grand van het achtste lid maxlmaal dertlg dagen duren. Te allen tljde kan op grond van hetzelfde lid de gljzeling echter door de vaorzlenlngenrechter worden beëlndlgd. Hlj Is hlertoe verpllcht Indlen er geen belang meer bestaat blj de gljzellng af als de betrokken persoon terecht een beraep ap een verschonlngsgrand doet. Voorbeetden van sltuatles dat er geen belang meer bestaat blj de gljzellng zljn dat degetulge aan zljn verplichtlngen heeft voldaan af dat zijn getuigenls nlet meer nodlg is. De rechter kan de 27
  • 28. 1'r gijzelingen beeindigen op eigen initiatief (ambtshalve), dan wel op verzoek van de enquêtecommissie dan wel op verzoek van de betrokken persoon. Artìke/28 Het ontwerp kent een drietal dwangmiddelen. In de eerste plaats kan de enquêtecommissie behulp van de een getuige of deskundige die niet op een verhoor verschijnt via de rechter met <<openbare macht>> voor haar laten brengen. Het inschakelen van de openbare macht houdt in dat de enquêtecommissie assistentie van de politie verkrijgt. De mogelijkheid om de open bare macht in te schakelen wordt in het ontwerp uitgebreid naar de andere bevoegdheden van de enquêtecommissie. Dit betekent dat als een persoon weigert inzage te geven in bescheiden, danwel medewerking te verlenen aan het betreden van een plaats, de enquêtecommissie via de rechter de politie kan inschakelen om te bewerkstelligen dat alsnog kennis kan worden genomen van de bescheiden, onderscheidenlijk dat alsnog de plaats kan worden betreden. Verder krijgt de enquêtecommissie de bevoegdheid aan de rechter te verzoeken om een bevel onder dwangsom op te leggen. Deze bevoegdheid bestaat zowel ten aanzien van personen die weigeren als getuige of deskundige op te treden, als ten opzichte van personen die anderszins weigeren medewerking te verlenen aan de enquête, bijvoorbeeld door te weigeren inzage in documenten te geven of door te weigeren schriftelijke inlichtingen aan de commissie te verstrekken. Ten slotte komt de commissie de bevoegdheid toe om de rechter te verzoeken de gijzeling van getuige of deskundige te gelasten.Van belang is dat het inzetten van een weigerachtige dwangmiddelen uitsluitend mogelijk is na inschakeling van de rechter. De enquêtecommissie kan dus niet zelfstandig tot de toepassing van dwangmiddelen besluiten. Een enquêtecommissie zal altijd de rechter moeten inschakelen indien zij nakoming door personen van hun verplichtingen op grond van dit ontwerp verlangt. verlangt. Het is onwenselijk dat een commissie uit de Staten ten opzichte van burgers zelfstandig dwangmiddelen kan inzetten. Los daarvan zou het inzetten van eigen machtsmiddelen zich slechts kunnen ontwikkelen binnen de sfeer van een eigen parlementaire rechtsmacht zoals de parlementen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bezitten. Het ontwerp legt de bevoegdheid tot het opleggen van dwangmiddelen neer bij de voorzieni ngenrechter. Het is niet gepast indien de mogelijkheid bestaat dat Statenleden onderling dwangmiddelen jegens elkaar inzetten. Evenmin is het binnen de staatsrechtelijke verhoudingen tussen regering en Staten correct, als de enquêtecommissie ten opzichte van bewindspersonen dwangmiddelen zou kunnen inzetten. Het ontwerp bevat daarom expliciet een uitzondering voor het inzetten van dwangmiddelen jegens Statenleden en bewindspersonen. In aanvulling daarop wordt op deze plaats opgemerkt dat de verhouding tussen regering en parlement tijdens de enquête niet anders behoort te zijn dan daarbuiten. Dit betekent dat de Staten in 28
  • 29. ,. î. ,~ geval van niet-medewerking aan een enquête, het vertrouwen in de bewindspersoon zou kunnen opzeggen. Zoals het ontwerp geen mogelijkheid bevat om dwangmiddelen in te zetten jegens Statenleden en bewindspersonen, bestaat evenmin de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van Statenleden en bewindspersonen wegens niet-medewerking aan de enquête. Dit is bepaald in het voorgestelde artikel 198d van het Wetboek van Strafrecht. Artike/29 Artikel 29 bevat een verbod om verklaringen en documenten die de enquêtecommissie in het kader van haar enquête vergaart in andere procedures te gebruiken. Hiermee wordt bereikt dat de enquêtecommissie over zoveel mogelijk informatie komt te beschikken, zodat zij zich een zo juist mogelijk beeld van hetgeen is gebeurd kan vormen. Het verbod geldt uitsluitend voor documenten en verklaringen die op vordering van de enquêtecommissie zijn verstrekt onderscheidenlijk afgelegd. De informatie die vrijwillig aan de enquêtecommissie wordt verstrekt, kan derhalve wel gebruikt worden in andere procedures. In artikel 31 is een uitzondering opgenomen op het verbod om informatie in een andere procedure te gebruiken. In een strafrechtelijke procedure naar meineed, omkoping van een getuige of deskundig bij een enquête of naar de delicten, bedoeld in de artikelen 198 tot en met 198c van het Wetboek van Strafrecht, mag de bij een enquête verkregen informatie wel worden gebruikt. Zie hiervoor de toelichting op artikel 31. Artike/30 Artikel 30 be vat voor de commissie en haar leden een in beginsel absoluut verbod om informatie te verstrekken aan andere instanties ten behoeve van een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of CÎvielrechtelijke procedure of een procedure tot oplegging van een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel. Hoewel dit niet expliciet is bepaald, geldt dit verbod vanzelfsprekend ook voor de voormalige commissieleden. Door het verbod tevens neer te leggen op de individuele leden, in plaats van uitsluitend op de commissie, is juist ook bedoeld te regelen dat het niet mogelijk is dat andere instanties na afloop van de enquête informatie kunnen inwinnen bij de voormalige leden van de enquêtecommissie. Het verbod houdt ook in dat de commissie en haar (gewezen) leden geen aangifte mogen doen en niet als getuigen mogen optreden. In artikel 31 is een uitzondering op dit verbod opgenomen. Zie hiervoor de toelichting op dat artikel. Artike/31 29
  • 30. 1 , dat informatle die verkregen is bij een Artikel 31 bevat uitzonderingen op de verboden parlementalre enquête niet in andere procedures mag worden gebruikt of ten behoeve van een andere procedure mag worden verstrekt. De uitzonderlngen betreffen een strafrechtelljke procedure naar meineed, een strafrechtelljke procedure naar omkoplng van een getulge of deskundlge ot een strafrechtelljke procedure naar één van de delicten, bedoeld in de artikelen 198 tot en met 198c. Het gaat hler om delicten die niet~medewerklng aan een parlementalre enquête sanctloneren. De ultzonderingen zijn nodlg, omdat anders strafrechtelijke procedure wegens deze delicten mogelijk lOuden zljn. De geen enquêtecommlssle kan dus aanglfte doen van deze dellcten en eventueel kunnen de leden als getuigen optreden. Artike/32 Op grond van artikel 32 dient de enquêtecommissle na het beëlndigen van haar werkzaamheden een openbaar rapport op te stellen dat zij aan de Staten aanbledt. De aanbieding van het rapport sluit niet ult dat zij nadien nog wettelijke bevoegdheden dlent uit te oetenen, bljvoorbeeld omdat zij een bepaald aspect nader wenst te onderzoeken. Dat de vrlj theoretlsche enquêtecommlssle nadien nog bevoegdheden zal ultoefenen, betreft een sítuatie. Artike/33 Artikel eerste lid, heeft betrekking op de beëlndlging van de enquête nadat de 33, enquêtecommlssle verantwoording heeft afgelegd aan de Staten over haar werkzaamheden. worden toegekend, is het Omdat aan een enquêtecommissie vergaande bevoegdheden passend dat zij aan de Staten verantwoording aflegt over de werkzaamheden die zij heeft zij met haar opdracht en bevoegdheden Is verricht. De commissle zal moeten aangeven hoe omgegaan. Het tweede lid heeft betrekking op het voortljdlg beëindigen van de enquête. Gesteld zou In te stellen reeds impliceert kunnen worden dat de bevoegdheid van de Staten een enquête dat de Staten een enquête voortijdig kunnen beëindigen. Voor de duidelijkheid is deze bevoegdheid van de Staten echter uitdrukkelljk opgenomen. De voortijdige beëindiging van de enquête houdt automatisch in dat de enquêtecommissie geen bevoegdheden meer kan uitoefenen (artikel 4, eerste lid) en dat het IIdmaatschap van de enquêtecommissie eindigt (artikel 35, aanhef en onder c). Het besluit tot beëindiging van de enquête gaat terstond in. De mededeling van het besluit in de Landscourant op grond van het derde lid heeft geen verdere rechtsgevolgen. Artike/34 30
  • 31. , . f: t t Met artikel 34 wordt duldelìjk dat de onder de enquêtecommissle berustende documenten na beëlndiging van de enquête van rechtswege overgaan op de Staten. Tot dat moment dlent men een eventueel recht op lnzage van documenten geldend te maken ten opzlchte van de enquêtecommlssle. Nadlen dlent een verzoek tot inzage aan de Staten te worden gerlcht. Artike/35 Artlkel 35 regelt het einde van het Iìdmaatschap van de enquêtecommlssie.Er zijn vier situatles waarin het lidmaatschap van de enquêtecommissie eindlgt. In onderdeel is a. opgenomen de situatle dat het Statenlìdmaatschap elndigt en betrokkene nlet terstond opnleuw lid van de Staten wordt. Op grond van dlt ontwer mogen alleen Statenleden lid van een enquêtecommissle mogen zljn. In concreto betekent dlt in de eerste plaats dat het Iidmaatschap van de enquêtecommlssle eindlgt blj voortljdig vertrek van een Statenlìd wegens ontslag, het verlles van de verelsten voor het Statenlldmaatschap of het vervullen van een onverenlgbare betrekklng. Daarnaast elndlgt het commlsslelldmaatschap indlen de zittingsduur van de Staten elndlgt of de Staten worden ontbonden, en betrokkene nlet wordt herkozen in de Staten. Wordt betrokkene wel terstond herkozen, dan loopt zljn commlsslelldmaatschap gewoon door. In artikel 4, derde lid, is geregeld dat de enquête nlet wordt gestopt door het verstrijken van de zlttlngsduur of de ontbindlng van de Staten. Uit onderdeel b. voigt dat het commissielldmaatschap eindigt met ingang de dag van waarop een lid van de commlssie door de commissle wordt gehoord. Uit het voorgestelde onderdeel b. voigt dat het IIdmaatschap van een commlssielld die door de commlssle wordt gehoord van rechtswege elndlgt met lngang van de dag waarop het verhoor plaatsvlndt. Hiervoor Is gekozen, omdat hlermee duldelljkheid wordt geschapen over de consequenties van het horen door de commissle van een elgen lid. De commissle zal moeten afwegen of zij het zo belangrljk vlndt een bepaald commisslelld als getulge of deskundige te horen, dat betrokkene hlervoor zljn IIdmaatschap van de commlssle zal moeten opgeven. Overlgens zal het slechts in uitzonderlljke omstandigheden zo zijn, dat een commlssie julst een eigen commlssielld zal willen horen. Wellicht ten overvloede wordt er op gewezen dat het IIdmaatschap van de commlssie in principe deflnitief eindlgt en dus niet is beperkt tot de duur van het verhoor. Formeel is echter niet ultgesloten dat betrokkene opnleuw in de enquêtecommlssie wordt benoemd. Indien betrokkene een sleutelfiguur is, ligt dit echter niet erg voor de hand. Uit onderdeel c. voigt dat het commlsslelidmaatschap eindlgt met ingang van de dag dat de enquête wordt beëindlgd. Deze beëindiglng vindt in ieder geval plaats nadat de enquêtecommlssle aan de Staten verantwoordlng heeft afgelegd over haar werkzaamheden (artikel 33/ eerste lid). De Staten hebben evenwel de bevoegdheld de enquête voortijdig te beëindigen artlkel 33, tweede lid). In dat geval wordt de enquêtecommlssle eveneens ontbonden. 31
  • 32. Ii.' (d Tenslotte kan ap grand van onderdeel d. een lid van de enquêtecommissie in die hoedanigheid bijvoorbeeld wegens worden ontslagen. Dit kan zowel op eigen verzoek van het betrokken lid, het tijdsbeslag voor de tractie ot privé-omstandigheden, als op initiatiet van de Staten, bijVoorbeeld wegens distunctioneren. Niet is geregeld dat de Staten ook op verzoek van de enquêtecommissie zeit een commissielid kan ontslaan. Materieel is dit uiteraard wel mogelijk. de orde wordt opgemerkt dat het antslag van een commissielid in die Vaor gaede hoedanigheid geen enkele consequenties heeft voor het Statenlidmaatschap. Het Statenlidmaatschap kan uitsluitend eindigen op de gronden, genoemd in de ontwerp- Staatsregeling en ontwerp-Kiesverordening. Artikel36 In artikel 36, eerste lid, is het algemene beginsel neergelegd dat tot de openbaarmaking van het enquêterapport niemand inzage heeft in de documenten die onder de commissie berusten. Het gaat hier zowel om documenten die op vordering van de commissie aan de commissie zijn verstrekt, als om documenten die de enquêtecommissie zelf heeft opgesteld. Het spreekt voor zich dat het eerste lid niet als gevolg heeft, dat de commissieleden ot de stat die haar ondersteunt zeit geen inzage hebben in onder de commissie berusten documenten. Het is niet nodig om dit expliciet te regelen. Het kan nodig zijn om getuigen en deskundigen inzage te die op haar vordering aan de enquêtecommissie zijn verstrekt, verlenen in documenten bijvoorbeeld om herinneringen op te halen. Het tweede lid voorziet in deze mogelijkheid. Het lid voorziet uitdrukkelijk niet in een recht op inzage van een getuige of deskundige. Het gaat van de enquêtecommissie om een bepaalde getuige ot uitsluitend om de bevoegdheid deskundige inzage te verlenen in documenten. Daarnaast kan het onder omstandigheden gewenst zijn om externe onderzoekers inzage in documenten te geven, bijvoorbeeld omdat een technisch oordeel gewenst is. In deze mogelijkheid voorziet het tweede lid eveneens. Opgemerkt dat deze onderzoekers nimmer bevoegdheden van de wordt externe enquêtecommissie kunnen uitoetenen. Wel kan hen inzage in documenten worden verleend. Artikel37 Artikel 37 regelt een onbeperkt inzagerecht voor aile Statenleden na de aanbieding van het enquêterapport aan de Staten. Dit specifieke inzagerecht betreft uitsluitend de documenten die op vordering van de enquêtecommissie aan haar zijn overgelegd. Het gaat echter zowel om vertrouwelijke documenten, als om documenten waartoe ook andere personen inzage hebben. Gaat het echter om vertrouwelijke documenten, dan zijn de Statenleden op grond van het tweede lid verplicht tot geheimhouding. Het spreekt voor zich dat deze geheimhoudingsverpllchting in stand blijft na beëindiging van het 32
  • 33. ,I- ; Statenlidmaatschap. Voor zover het gaat om documenten die de commissie zelf íntern heeft opgesteld, geldt voor wat betreft de ínzagemogelijkheden van Statenleden de algemene regeling van artlkel 38 juncto artikel 39, vierde líd. Deze regeling houdt ín dat de commíssíe zelf kan bepalen of deze ter ínzage voor derden zijn of níet. Een uítzonderlng geldt echter voor de besloten verslagen van de voorgesprekken en het besloten verhoren. Deze zijn ín principe voor niemand ter ínzage (artikel 39, tweede lid, aanhef en onder e). De verslagen van het besloten verhoren zijn op grond van het derde lid echter wet ter inzage van Statenleden (artikel 37, derde líd). Artìkelen 38 en 39 Deze artikelen bevatten een openbaarheídsregeling voor documenten die onder de commíssie berusten onderscheidenlijk, na beëindiging van de enquête, hebben berust. Het uítgangspunt is dat aile commissiedocumenten na de aanbiedíng van het rapport door derden zíjn in te zien. Op grand van artikel 39 kan de enquêtecommíssíe echter beperkingen stellen aan de openbaarheid. Deze systematiek ís ontleend aan de artikelen 14 en 15 van de Nederlandse Archiefwet 1995. Tevens Is aansluitlng gezocht blj het systeem en de uitzonderings- en beperkingsgronden van de ontwerp-Iandsverordening openbaarheid van bestuur. Het ínzagerecht gaat ín de dag na de aanbieding van het enquêterapport aan de Staten en geldt zolang de documenten blj enquêtecommissíe en vervolgens de Staten berusten. Dlt laatste wíl zeggen dat het Inzagerecht geldt tot het moment dat de documenten worden overgebracht naar het Archlef, dan wet worden vernletlgd. Het ínzagerecht ímpliceert dat het kosteloos Is. Er ís nlet voor gekozen dlt explicíet ín het ontwerp te vermelden. Het recht betreft ultslultend een ínzagerecht, en nlet het recht op afschrlft van de documenten of het op andere wljze kennisnemen van documenten. Dat de openbaarheidsregeling Ingaat de dag na de aanbíeding van het enquêterapport aan de Staten, betekent dat de enquêtecommissle al voor de datum van openbaarmaklng van het rapport besluíten dlent te nemen over de al dan nlet openbaarheíd van de diverse documenten. Omdat het commisslearchlef honderden dan wel nlet dulzenden documenten kan omvatten, kan dlt een tljdrovende werkzaamheid betreffen. am oak anderen dan de andere Statenleden, bijvoorbeeld de media, In staat te stell en de werkzaamheden van de enquêtecommlssie te controleren, Is het echter gewenst dat het Inzagerecht reeds ingaat de dag na de aanbledíng van het enquêterapport. Enquêtecommissles zullen met het oog híerop een procedure kunnen bedenken, bijvoorbeeld het na bínnenkomst markeren van de verschillende documenten. Uit artikel 39, tweede lid, onder e, voigt dat de verslagen van de voorgesprekken en het besloten verhoren, door nlemand buiten de kring van de commissie zijn in te zíen. Dít verbod geldt voor zover het het voorgesprek betreft ook voor de overige Statenleden. Het verslag van het besloten verhoor is wel voor de overige Statenleden In te zlen. Voor de interne stukken van de enquêtecommissie geldt een speclfieke regellng. Het gaat hier met name om interne 33
  • 34. t , '" I , discussiestukken en verslagen van besloten vergaderingen van de enquêtecommissie. Op beperkingen stellen aan de grond van artikel 39, vierde lid, kan de enquêtecommissie bevoegdheid van de openbaarheid van deze documenten. Het betreft echter een discretlonaire enquêtecommissie. Zlj kan er ook toe besluiten om aile interne stukken openbaar te verklaren. openbarheid Volgens artikel 39, derde lid, kan de commissie beperkingen stell en aan de voor zover het belang van openbaarheid nlet opweegt tegen onder andere betrekkkingen van Sint Is hier toegevoegd: of Maarten met andere organisaties. Ten opzichte van de Nederlande wet het Konlnkrijk. Het tweede lid van artlkel 38 voorziet In de mogefíjkheid dat de Staten niettegenstaande een door de commissie gestelde openbaarheidsbeperking inzage aan derden geven in documenten ult het commissiearchief. Nadat de enquête is beëindlgd, Is het niet meer mogelijk dat de is de bevoegdheid enquêtecommlssie zelf besfíst over eventuele verzoeken tot Inzage. Daarom beperking kan In algemene tot het opheffen van een beperking neergelegd bij de Staten. De zin worden opgeheven, dan wet ten aanzlen van een bepaalde verzoeker die bij de inzage een bijzonder belang heert. Het Is gewenst dat de Staten terughoudend met deze bevoegdheid lid van artikel 39 dienen de commissieleden, omgaan. Op grond van het vijfde vanzelfsprekend ook nadat de enquête Is beëindigd, geheimhouding te bewaren over de inhoud van de documenten die door de commlssle als vertrouwelíjk zijn bestempeld. In artikel 39, tweede lid, onderdeel d, van de Nederlandse wet wordt verwezen naar 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Nu persoonsgevens als bedoeld in Hoofdstuk het land Sint Maarten een ontwerp terzake aan het voorbereiden is, wordt vooralsnog niet verwezen naar de ontwerplandsverordening terzake, maar is de verwijzing ultgeschreven aan de hand van de definitie van persoonsgegevens in artikel 1, onderdeel a, van de wet beschermlng persoonsgegevens. Artìke/40 Onderdeel A 5 van het Wetboek van Strafrecht betreffende Deze wljziging ziet op een wljziging van artikel de toepasselijkheid van de strafwet van Sint Maarten bulten Sint Maarten. Onderdeel B Anders dan het Nederlandse Wetboek van Strafrecht bevat het Wetboek van Strafrecht van de gedragingen in het kader van Nederlandse Antillen geen specifieke delicten met betrekking tot parlementaire enquentes. In verband met de voorgestelde enquêteregeling die onder meer 34
  • 35. ' , nieuwe dwangmiddelen bevat, is een uitbreiding van de strafdreígíngen noodzakelijk. Met de vier voorgestelde delícten wordt hieraan voldaan. De delíctsomschrijvingen, alsmede de vervolgingsluitsluitingsgrond van artikel 198d, zijn ontleend aan de artikelen 192-192d van het Nederlandse strafwetboek. Op dìt moment is een nieuw Wetboek van Strafecht van de Nederlandse Antillen in voorbereiding. De voorgestelde wijzìgingen in het onderhavige ontwerp dienen te worden verwerkt in het nieuwe Wetboek. *** 35