Veilig over de streep - collectieve actie door lokale ondernemers
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Veilig over de streep - collectieve actie door lokale ondernemers

on

  • 157 views

Het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte was de topprioriteit van het vorige Rotterdamse college en één van de vier pijlers van het huidige gemeentebestuur. Bij het verbeteren van de ...

Het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte was de topprioriteit van het vorige Rotterdamse college en één van de vier pijlers van het huidige gemeentebestuur. Bij het verbeteren van de veiligheid streeft de gemeente naar de samenwerking met partners. Eén van deze partners is het bedrijfsleven. In Rotterdam lopen drie initiatieven om lokale ondernemers te betrekken bij het verbeteren van de veiligheid: de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en het project Samen Veilig Ondernemen. De afgelopen jaren is gebleken dat het niet eenvoudig is alle ondernemers te betrekken. ‘Freeriders’ grijpen hun kans. Dit onderzoek richt zich op de vraag onder welke condities de gemeente in staat is om zoveel mogelijk lokale ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte.

Statistics

Views

Total Views
157
Views on SlideShare
157
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
0
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Veilig over de streep - collectieve actie door lokale ondernemers Veilig over de streep - collectieve actie door lokale ondernemers Presentation Transcript

    • Tekst: Onno de Vries Datum: Februari 2008 Veilig over de streep! Onderzoek naar de condities waaronder lokale ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte De Rotterdamse praktijk... “Veldwerk toont ons regelmatig individuen die via systematische collectieve actie lokale collectieve goederen (…) produceren zonder een externe autoriteit die prikkels uitlooft of sancties oplegt.” Tekst: Elinor Ostrom, 1998. Via verschillende initiatieven dragen lokale ondernemers in Rotterdam zichtbaar bij aan de veiligheid in de openbare ruimte
    • Veilig over de streep! Onderzoek naar de condities waaronder lokale ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte Onno de Vries Studentnummer: 138531 Tekst: Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit Sociale Wetenschappen Sociologie Master: Grootstedelijke vraagstukken en beleid Onderwijsinstelling: Begeleider: Jack Burgers Onderwijsinstelling: Onderwijsinstelling: Datum: Februari 2008
    • E Voorwoord ind 2004 ben ik begonnen met onderzoek naar de wijze waarop de overheid private partijen kan betrekken bij de totstandkoming van publieke goederen. Concreet heb ik de focus gelegd op de bijdrage die ondernemers kunnen leveren aan het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte. Het is een boeiend onderzoek geworden, waarbij het interessant is om te zien dat theorieën die al tientallen jaren voorhanden zijn nog steeds niet altijd in de praktijk worden toegepast. Dit onderzoek geeft geen inzicht in de redenen van deze lacune, maar geeft wel een beeld van de wijze waarop de overheid de ondernemers kan betrekken bij het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte, zonder dat hierbij (financiële) dwang wordt toegepast. Dit onderzoek richt zich op bestaande initiatieven in Rotterdam. Bewust heb ik me tijdens dit onderzoek gericht op bestaand bronnenmateriaal, waaronder beleidsplannen, evaluaties, onderzoeken en (deel)plannen van de aanpak. Juist omdat het boeiend is om te zien of en in hoeverre beleidsmakers gebruikmaken van de sociaal-wetenschappelijke inzichten die voorhanden zijn. Daarbij heb ik de beleidsintenties wel zoveel mogelijk via evaluaties, uitgevoerde onderzoeken en enkele interviews getoetst met de bestaande uitvoeringspraktijk, zodat het niet alleen bij een theoretische excercitie blijft. Het is uiteindelijk een goed afgerond onderzoek geworden, waarbij een grondige theoretische uiteenzetting over collectieve actie wordt gevolgd met de Rotterdamse uitvoeringspraktijk. De conclusies geven antwoord op de vraag op welke wijze de lokale overheid ondernemers kan betrekken bij het verbeteren van veiligheid in de openbare ruimte. Duidelijk wordt waar zich nog blinde vlekken bevinden in de huidige aanpak. De conclusies zijn daarbij ook interessant voor andere terreinen waarop publiek-private samenwerking plaatsvindt. Ik heb voor dit onderzoek bewust gekozen voor een onderwerp dat sterke raakvlakken heeft met mijn professionele werkzaamheden. Binnen het vakgebied overheidscommunicatie ben ik intensief betrokken bij projecten rond interactieve beleidsvorming. Ik vind het een bijzonder boeiend fenomeen, waarop we nog veel vooruitgang kunnen boeken. Samenwerking leidt immers altijd tot de beste oplossingen. Vaak zoekt de (lokale) overheid de betrokkenheid van bewoners. Ik had mij niet eerder zo intensief verdiept in de wijze waarop de overheid ondernemers kan betrekken binnen de verschillende fasen van het beleidvormingsproces. Dit onderzoek heeft me uiteindelijk dan ook veel kennis opgeleverd die toepasbaar Voorwoord is in de dagelijkse praktijk. Ik hoop dat dit ook voor andere professionals op het gebied van het openbaar bestuur zal gelden. Aan het begin van dit voorwoord schreef ik dat mijn eerste opzet dateert van eind 2004. Dit betekent dat ik aanzienlijk langer over dit onderzoek heb gedaan dan oorspronkelijk gepland. Enerzijds heeft dit te maken met de grondige en zorgvuldige wijze van onderzoeken die ik heb geprobeerd na te streven. Anderzijds heeft het ontegenzeggelijk te maken met het feit dat met name het afstudeertraject van de deeltijdstudie voor mij vaak moeilijk te combineren bleek met mijn andere verplichtingen. Uiteindelijk hebben het boeiende onderwerp en de daadwerkelijk interessante conclusies ervoor gezorgd dat ik het onderzoek heb afgerond. Op deze plaats kan ik er niet onderuit om mijn thuisfront, Bianca en Stijn, te bedanken. Zij hebben me de ruimte gegeven om naast mijn drukke werkzaamheden overdag, ’s avonds thuis ook de nodige uren achter de computer door te brengen. Het voelde regelmatig als een grote opgave die ik niet zonder hen had kunnen volbrengen. Dank! De lange doorlooptijd van het onderzoek heeft naar mijn mening niets afgedaan aan de kwaliteit en relevantie ervan. Ik ga er vanuit dat anderen dezelfde inschatting maken bij het lezen ervan! 3
    • I n h o u d s o p g av e Inhoudsopgave Samenvatting ....................................................................5 1. Inleiding ......................................................................7 1.1 Drie initiatieven uitgelicht .............................................................8 1.2 Collectieve goederen ..................................................................10 1.3 Leeswijzer ...............................................................................11 2. Theorie van collective action ...........................................12 2.1 Publieke en private goederen ........................................................13 2.2 De dilemma’s het hoofd bieden......................................................16 2.3 Toespitsing onderzoeksvraag..........................................................24 3. Onderzoeksopzet en -verantwoording .................................25 3.1 Onderzoeksvragen ......................................................................26 3.2 Onderzoeksmethode ...................................................................27 3.3 Het risico van ‘goal displacement’ ..................................................28 4. Groepsgrootte en financiële consequenties ..........................29 4.1 Groepsgrootte ...........................................................................30 4.2 Transactiekosten en andere economische factoren...............................32 4.3 Conclusies................................................................................36 5. Gebiedsbepaling en inbedding ...........................................38 5.1 Bestaande gebiedsnetwerken.........................................................39 5.2 Organisatie collectieve actie .........................................................41 5.3 Conslusies ................................................................................44 6. Communicatie ..............................................................45 6.1 Communicatieaanpak ..................................................................46 6.2 Face-to-face communicatie...........................................................48 6.3 Conclusies................................................................................51 7. Conclusies en aanbevelingen ............................................52 7.1 Toetsing aan theoretische uitgangspunten .........................................53 7.2 Algemene conclusies ...................................................................55 7.3 Discussie .................................................................................56 Geraadpleegde literatuur ....................................................59 4
    • H Sa m e n va tt i n g et verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte was de topprioriteit van het vorige Rotterdamse college en één van de vier pijlers van het huidige gemeentebestuur. Bij het verbeteren van de veiligheid streeft de gemeente naar de samenwerking met partners. Eén van deze partners is het bedrijfsleven. In Rotterdam lopen drie initiatieven om lokale ondernemers te betrekken bij het verbeteren van de veiligheid: de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en het project Samen Veilig Ondernemen. De afgelopen jaren is gebleken dat het niet eenvoudig is alle ondernemers te betrekken. ‘Freeriders’ grijpen hun kans. Dit onderzoek richt zich op de vraag onder welke condities de gemeente in staat is om zoveel mogelijk lokale ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte. Alle (economische) goederen kunnen globaal worden verdeeld in twee groepen: publieke en private goederen. Dit onderscheid wordt gemaakt op basis van de uitsluitbaarheid en rivaliteit van goederen. Publieke goederen zijn niet-uitsluitbaar, wat wil zeggen dat als het goed eenmaal is geproduceerd, niemand van het gebruik kan worden uitgesloten. Veiligheid is een publiek goed. Het verschil tussen publieke en private goederen ligt aan de basis van de dilemma’s van collectieve actie. Het niet-uitsluitbare karakter van publieke goederen leidt tot het ontstaan van freeriders, waarbij ondernemers niet bijdragen aan de totstandkoming van veiligheid, maar er vervolgens wel van meeprofiteren. Als veel ondernemers besluiten niet bij te dragen lukt het niet de veiligheid in de openbare ruimte daadwerkelijk te verbeteren. Olson heeft in 1965 voor het eerst fundamenteel onderzoek verricht naar de wijze waarop met de dilemma’s van collectieve actie kan worden omgegaan. Hij ging hierbij uit van het doelrationeel handelen van mensen. In de jaren na Olson’s theorie is het inzicht gegroeid dat de problemen bij collectieve actie niet alleen voortkomen uit rationaliteit, maar dat er meer sociale oorzaken zijn aan te wijzen. Uit wetenschappelijke onderzoeken komen grofweg vijf oplossingen voor de dilemma’s van collectieve actie naar voren. Samenvatting Collectieve actie komt het meest optimaal tot stand als: 1. De transactiekosten zo laag mogelijk zijn; 2. De meeropbrengsten van het project worden gestoken in een collectief goed met een continue productiefunctie; 3. De groepen dusdanig klein zijn dat individuele bijdragen een waarneembaar effect hebben; 4 Onder de deelnemers sprake is van vertrouwen, reciprociteit en burgerschapszin; 5. De deelnemers regelmatig met elkaar communiceren en er vooral sprake is van face-to-face communicatie. Onderzoek Dit onderzoek heeft als doel om na te gaan of in de bestaande praktijk gebruik wordt gemaakt van de theoretische oplossingsrichtingen en welke oplossingsrichting uiteindelijk het meest effectief is. Dat wordt in het kader van dit onderzoek afgemeten aan de mate van samenwerking (‘collectieve actie’) tussen de ondernemers bij de verschillende projecten. Het onderzoek vindt plaats op basis van de centrale probleemstelling en vijf aanvullende onderzoeksvragen op basis van de bovenstaande condities. De vragen worden beantwoord via een beschrijvende vergelijking van de drie initiatieven. Deze beschrijving komt tot stand met behulp van een analyse van verschillende beleidsdocumenten, (deel)plannen van aanpak, (tussen)evaluaties en handboeken, daar waar nodig aangevuld met interviews met sleutelfiguren binnen de drie initiatieven. Resultaat Uit het onderzoek blijkt dat de drie initiatieven om Rotterdamse ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte vergelijkbaar zijn als het gaat om economische oplossingsrichtingen en aanzienlijk van elkaar verschillen op het gebied van de meer sociale oplossingsrichtingen. Juist op dit laatste punt kan nog veel vooruitgang worden geboekt als het gaat om het betrekken van private partijen bij de ‘publieke zaak’. Conclusies De algemene conclusie is dat de aandacht van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot collectieve actie terecht is verschoven van economische naar sociale factoren. De sociale factoren hebben immers ook een grote invloed op de betrokkenheid van ondernemers bij de veiligheid in de openbare ruimte. Lage transactiekosten vormen voor collectieve actie een basisvoorwaarde, maar de echte winst als het gaat om de participatiegraad is te boeken met het klein 5
    • houden van de groep ondernemers en het bewust creëren van face-toface communicatie tussen de ondernemers. Het klein houden van het gebied zorgt hierbij voor een vliegwiel voor de overige voorwaarden. Samenvatting Het onderzoek biedt verschillende inzichten. Naast de bovenstaande conclusie is misschien wel het meest opvallende resultaat dat het initiatief dat in Rotterdam op grote schaal wordt uitgevoerd, niet altijd leidt tot het beste resultaat als het gaat om collectieve actie. De participatiegraden van de verschillende initiatieven lopen sterk uiteen. Een belangrijke reden hiervoor is dat de initiatieven ieder uiterst zorgvuldig worden aangepakt, maar dat er onvoldoende gebruik wordt gemaakt van bestaande sociaal wetenschappelijke inzichten. Uit wetenschappelijke onderzoeken is zeer veel kennis gekomen die op dit moment nog grotendeels onbenut blijft. Welk resultaat zou mogelijk zijn als deze theoretische inzichten wel worden verwerkt in de aanpak van de verschillende projecten? Een interessante vraag. Ook in het licht van het huidige collegeprogramma van het Rotterdamse gemeentebestuur. Het college meldt hierin: “De ‘veilig ondernemen’-methodiek, die we (...) hebben ontwikkeld, wordt vóór 2010 uitgebreid naar elk winkelgebied of bedrijventerrein.” Een mooie kans. Aanbevelingen Het onderzoek leidt uiteindelijk tot de volgende zeven aanbevelingen: 1: Houd aandacht voor economische factoren, maar leg er niet de nadruk op 2: Investeer voortdurend in actieve ondernemersnetwerken 3: Geef ondernemers daadwerkelijk verantwoordelijkheid 4: Verdeel de publieke ruimte in kleine gebieden 5: Stimuleer face-to-face communicatie 6: Maak bijdragen van ondernemers inzichtelijk 7: Zorg voor een planmatige aanpak en maak hierbij gebruik van wetenschappelijke inzichten 6
    • 1 . In l e i di n g De Rotterdamse praktijk... “De afgelopen periode is samenwerking de sleutel van succes gebleken. Samenwerking met bewoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, deelgemeenten en gemeentelijke organisaties. Deze samenwerking wordt daarom voortgezet en versterkt. De betrokkenheid van burgers en ondernemers wordt de komende jaren vergroot.” Aan de Noordmolenstraat nemen ondernemers deel aan Veilig Ondernemen Oude Noorden Tekst: College van burgemeester en wethouder van de gemeente Rotterdam in het collegeprogramma 2006-2010
    • H et verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte was niet alleen voor het vorige, maar ook voor het huidige Rotterdamse gemeentebestuur een absoluut speerpunt. Tijdens de vorige collegeperiode domineerde veiligheid het politieke klimaat: stadsmariniers, veiligheidsindex, hotspots, no-go areas, stadswachten, zero-tolerance. Het vorige college had zich ten doel gesteld om aan het einde van de periode geen onveilige wijken meer te hebben op de veiligheidsindex. Deze doelstelling is nagenoeg bereikt. Het huidige college zet het beleid voort. Bovendien wil het college meer investeren in samenwerking met bewoners en ondernemers. Tijdens de vorige collegeperiode zijn er in Rotterdam verschillende initiatieven ontstaan om specifiek Rotterdamse ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte. Nu het nieuwe college nog steviger op deze betrokkenheid wil inzetten, is het een goed moment om de bestaande initiatieven te evalueren. Wat is er nodig om ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte en op welke punten kunnen de huidige initiatieven hun effectiviteit vergroten? Voor het vorige college van burgemeester en wethouders was veiligheid de absolute topprioriteit. Hoofddoelstelling van het college was om Rotterdam meetbaar veiliger te maken (College van burgemeester en wethouder, gemeente Rotterdam, 2002). Het huidige college zet dit beleid door en veiligheid is naast sociaal, wonen en economie een pijler van het collegeprogramma. De noodzaak hiertoe komt voor een belangrijk deel voort uit de Rotterdamse veiligheidsindex. De veiligheidsindex wordt opgebouwd uit subjectieve en objectieve gegevens en vertaalt deze gegevens in een veiligheidssituatie (score) per stadswijk. Hierbij maakt de index onderscheid in onveilige-, probleem-, bedreigde- aandachts- en veilige wijken. Het totaalcijfer voor de stad Rotterdam is onder het vorige college gestegen van een 5,6 in 2001 naar een 6,9 in 2005 (Programmabureau Veilig, 2006). Ondanks deze aanzienlijke stijging heeft het college niet alle veiligheidsdoelstellingen gerealiseerd. Zo is het niet gelukt om alle onveilige wijken op te heffen. Het huidige college zet het beleid daarom onverminderd voort. Zo staat in het college programma 2006-2010 (College van burgemeester en wethouders, gemeente Rotterdam, 2006) te lezen: “We geven prioriteit aan de enig overgebleven onveilige wijk, het Oude Westen, en aan de negen probleemwijken uit de veiligheidsindex 2006. Wij verrichten bovendien een maximale inspanning om ook de categorie bedreigde wijken volledig weg te werken”. 1. Inleiding Samenwerking Hoewel veiligheid vanuit sociologisch perspectief op zichzelf al een boeiend onderwerp van onderzoek is, biedt de Rotterdamse aanpak nog meer interessante sociologische kansen. Zo ontstaat een mooie kans voor onderzoek op het kruispunt waar veiligheid en publiek-private samenwerking elkaar ontmoeten. Het vorige college heeft op het gebied van veiligheid de samenwerking met het Rotterdamse bedrijfsleven ingezet en het huidige college wil deze samenwerking intensiveren. In het collegeprogramma 2006-2010 (College van burgemeester en wethouders, gemeente Rotterdam, 2006) schrijft het college: “De afgelopen periode is samenwerking de sleutel van succes gebleken. Samenwerking met bewoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, deelgemeenten en gemeentelijke organisaties. Deze samenwerking wordt daarom voortgezet en versterkt. De betrokkenheid van burgers en ondernemers wordt de komende jaren vergroot.” De samenwerking met ondernemers kreeg vanuit de gemeente onder meer vorm in de pilot Veilig Ondernemen. Daarnaast zijn er los van de gemeente nog andere intiatieven ontplooit om de ondernemers te betrekken bij de veiligheid in de openbare ruimte. Twee structurele initiatieven in Rotterdam zijn het landelijke Keurmerk Veiligheid Ondernemen en het project Samen Veilig Ondernemen waarin met name de Kamer van Koophandel actief is. Hieronder volgt een nadere omschrijving van deze drie initiatieven. 1.1 Drie initiatieven uitgelicht Er zijn verschillende initiatieven waarmee de overheid via een publiekprivate samenwerking het veilig ondernemen in de stad wil stimuleren. In Rotterdam zijn de drie meest voorname initiatieven Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen. Dit zijn gelijkwaardige initiatieven die alledrie een totaaloplossing bieden voor de publiekprivate samenwerking op het gebied van de lokale veiligheid. Niet bij ieder initiatief ligt de regie bij de gemeente, maar bij alle initiatieven speelt de gemeente direct of indirect een rol. Hieronder een korte uiteenzetting van de drie initiatieven. Veilig Ondernemen Een van de manieren waarop Rotterdam werkt aan de veiligheid in en rond winkels is de pilot Veilig Ondernemen. Onder deze proef vielen onder de vorige collegeperiode vier winkelgebieden en twee bedrijventerreinen, die niet behoorden tot de acht wijken die in 2001 als ‘onveilig’ zijn getypeerd en waarin de gemeente bijvoorbeeld met behulp van een standsmarinier intensief werkt aan een 8
    • 1. Inleiding grotere veiligheid. Overigens vallen de twee bedrijventerreinen binnen de pilot Veilig Ondernemen buiten het kader van dit onderzoek en worden deze dan ook buiten beschouwing gelaten. De vier winkelgebieden zijn: Noord (Noorderboulevard), Charlois, Kralingen (Kralingen-Crooswijk) en Alexandrium. fende gebied moet voldoen aan heldere en uniforme criteria. Lokale partijen die een KVO willen behalen worden gefaciliteerd met overzichtelijke handboeken, checklist en stappenplannen. Deze gestructureerde opzet en heldere methodiek is onderscheidend voor deze aanpak van onveiligheid. Winkels zijn vanuit veiligheidsoogpunt een gevoelige plek. Het intensieve gebruik van een winkelgebied maakt het extra kwetsbaar voor verloedering, zoals kapot straatmeubilair en vervuiling. Ook zijn winkelgebieden aantrekkelijke plekken voor overlastgevende groepen (Programmabureau Veilig, 2003, p. 2). Doelstelling van Veilig Ondernemen is niet alleen het verbeteren van de veiligheid van de openbare ruimte, maar ook het versterken van de economische kwaliteit van Rotterdam. Veiligheid en economische ontwikkeling gaan volgens het Rotterdamse college hand in hand. Bedrijven vestigen zich op plaatsen waar het schoon, heel en veilig is. En klanten winkelen het liefst in gebieden waar ze zich veilig en op hun gemak voelen (Programmabureau Veilig, 2003, p. 3). Per gebied worden aanvullende doelen bepaald. Zo worden in het Convenant Veilig Ondernemen Charlois de volgende drie doelstellingen genoemd: 1. Vermindering van het aantal delicten; 2. Verhogen van het veiligheidsgevoel van ondernemers en consument; 3. Vergroten van de aangiftebereidheid. Het Keurmerk Veilig Ondernemen voor Winkelgebieden kent 3 sterren: 1. Veiligheid in het openbare gedeelte van het winkelgebied; 2. Veiligheid in de aansluiting van het winkelgebied op zijn omgeving; 3. Veiligheid in de individuele winkels. Keurmerk Veilig Ondernemen Het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO), ontwikkeld door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, betreft een certificeringregeling die ontwikkeld is voor groepen bedrijven die een geografische eenheid vormen, zoals bedrijventerreinen en winkelcentra. Het KVO is een werkwijze die het mogelijk maakt om door middel van een stappenplan gestructureerd maatregelen te treffen voor de veiligheid op bedrijventerreinen en in winkelgebieden. De criteria voor het verkrijgen van het keurmerk zijn helder omschreven in de KVO-handboeken. Uitgangspunt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is dat er een duurzame samenwerkingsrelatie is tussen politie, gemeenten, ondernemers en andere betrokken organisaties (ILV, 2001). Het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) is een landelijk initiatief waarbij lokale partijen duidelijk gestructureerde handvatten wordt geboden om in winkelcentra of bedrijventerreinen gericht onveiligheid te bestrijden. Binnen het KVO zijn er vier varianten: het KVO voor bestaande winkelcentra, nieuwe winkelcentra, bestaande bedrijventerreinen en nieuwe bedrijventerreinen. Dat het om een ‘Keurmerk’ gaat houdt in dat er een certificering door een onafhankelijke partij plaatsvindt en dat het betref- Ster 1 is de basis voor certificering en daarmee verplicht. Daarna kunnen de sterren 2 en 3 – in willekeurige volgorde – worden behaald. De sterren 2 en 3 en de daarvoor benodigde inspanningen zijn voor het Keurmerk niet verplicht (Stuurgroep Veilig Ondernemen, 2003). Samen Veilig Ondernemen Naast de pilot Veilig Ondernemen bestaan er ook projecten onder de noemer Samen Veilig Ondernemen. Kenmerken van deze projecten zijn de intensieve samenwerking tussen partijen op basis van een juiste analyse van de situatie met een daarop afgestemd pakket van maatregelen en onderlinge afspraken. Een grote verantwoordelijkheid ligt bij de ondernemers die op de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de veiligheid binnen de eigen bedrijven maar daar bovenop een bijdrage leveren aan de beveiliging van de openbare ruimte (Kamer van Koophandel, 2003, p. 2). In Rotterdam wordt op verschillende plaatsen via de methodiek Samen Veilig Ondernemen gewerkt, zowel in winkelcentra als op bedrijventerreinen. Voorwaarde hierbij is dat de winkelgebieden niet binnen een pilotgebied Veilig Ondernemen vallen. Samen Veilig Ondernemen wordt vaak geïnitieerd en gestimuleerd door het Platform Criminaliteitsbeheersing Rotterdam-Rijnmond (PCR). Het PCR heeft ten doel ‘het (doen) ontwikkelen, nastreven en bevorderen van veiligheid en veiligheidszorg voor bedrijven en instellingen in de politieregio Rotterdam-Rijnmond en voorts alles wat daarmee in de meest uitgebreide zin des woords verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.’ Om de effectiviteit te vergroten zijn in het PCR een groot aantal organisaties vertegenwoordigd. Zo nemen deel: de overheid (politie, douane, Gemeente Rotterdam, 9
    • OBR en het Openbaar Ministerie), het bedrijfsleven (MKB Nederland, VNO/NCW, Kamer van Koophandel Rotterdam, Deltalinqs, KPMG, bank- en verzekeringswezen) en de vrije beroepsbeoefenaren (notariaat, advocatuur en forensic accountancy). De Kamer van Koophandel voert het secretariaat van de PCR. Ieder project Samen Veilig Ondernemen bestaat min of meer uit dezelfde stappen. Deze stappen worden begeleid door de projectgroep, waarbij de Kamer van Koophandel in veel gevallen de procesbegeleiding verzorgt. De stappen die tijdens het project worden gezet, zijn globaal als volgt: 1. Partijen samenbrengen 2. Probleeminventarisatie: de nulmeting 3. Formuleren doelstellingen 4. Plan van aanpak 5. Aan de slag! 6. Evaluatie (Bron: Kamer van Koophandel, www.kvk.nl) Meeliften De bovenstaande drie initiatieven zijn er op gericht om zoveel mogelijk ondernemers te betrekken bij het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte. Maar niet alleen op het gebied van veiligheid, ook op andere terreinen zoekt de overheid naar publiek-private samenwerkingen om oplossingen te zoeken voor maatschappelijke vraagstukken. De overheid onderzoekt in toenemende mate op welke wijze de kwaliteit en doelmatigheid van publieke voorzieningen kan worden verbeterd door de inbreng van marktpartijen en door meer gebruik te maken van het marktmechanisme. Niet alleen door de toename van maatschappelijke vraagstukken maar ook door de verandering van de vraagstukken, is samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven essentieel. Overleg en samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven zijn noodzakelijk voor een optimaal rendement (Silljé, 2002, p. 65). Samenwerking is echter wel vaak op vrijwillige basis en daar ontstaan in de praktijk regelmatig problemen. Zo meldt de website van MKB-Nederland (www.midden.mkb.nl) op 23 december 2004: “Freeriders zijn een probleem bij zowel het opzetten als het in standhouden van veiligheidsprojecten. Freeridergedrag kan een hindernis zijn om projecten te starten of in leven te houden. Al enkele jaren ontvangt MKB-Nederland vele klachten over het gedrag van freeriders: ondernemers die wel profiteren van allerlei voorzieningen, maar daar (financieel) niet aan bij willen dragen.” Het is interessant om te onderzoeken op welke manieren de drie hierboven aangehaalde initiatieven rekening houden met freeriders en onder welke condities lokale ondernemers zich wel laten organiseren om een bijdrage te leveren aan 1. Inleiding het verbeteren van de veiligheid van de Rotterdamse openbare ruimte. Dit vraagt allereerst om een theoretische verkenning van de private betrokkenheid bij veiligheid in de openbare ruimte en het bijkomende gedrag van meelifters. Welke theorie is voorhanden om de Rotterdamse praktijk te kunnen duiden? 1.2 Collectieve goederen Veiligheid in het algemeen en dus ook de veiligheid van de Rotterdamse openbare ruimte is een collectief goed. Olson (1965) was één van de eersten die uitgebreid onderzoek deed naar de productie van collectieve goederen door private partijen, of wat hij noemt; collectieve actie. Voorbeelden van dergelijke goederen zijn vuurtorens, straatverlichting, defensie en ook veiligheid. Olson definieert een collectief goed ‘as any good such that, if any person in a group consumes it, it cannot feasibly be withheld from the others in that group’ (Olson, 1965). Met andere woorden, als een collectief goed eenmaal is gerealiseerd, dan kunnen mensen er niet van worden uitgesloten. Daarom worden collectieve goederen ook vaak door de overheid gerealiseerd. Voor private partijen is het immers niet aantrekkelijk om een goed te produceren waarvan anderen vervolgens vrij gebruik kunnen maken. Er is hierdoor immers geen direct commercieel voordeel te behalen. Wordt de verantwoordelijkheid toch bij private partijen gelegd, dan onstaat er ruimte voor ‘freeriders’. Individuen die profiteren van een goed zonder zelf aan de realisatie van het goed bij te dragen. Collectieve actie Ondanks de ruimte die er is om mee te liften, is het daadwerkelijk mogelijk om private partijen collectieve goederen te laten produceren. Dit kan echter alleen onder specifieke condities. Het betrekken van ondernemers bij het vergroten van de veiligheid in de openbare ruimte vraagt dan ook een aparte aanpak. Als we onderzoek doen naar collectieve actie, kunnen we niet om de theorie van Mancur Olson heen. Hoewel Olson zijn theorie al in de jaren ’60 formuleerde, heeft deze nog nauwelijks aan actualiteitswaarde ingeboet. De belangrijkste bewering van Olson (1965) is dat het gedrag van rationele individuen niet leidt tot de optimale realisatie van het groepsbelang. Zeker niet als de groep waarbinnen het individu opereert groot is en dwang of een positieve prikkel ontbreekt. Individuele rationaliteit leidt kortom tot collectieve irrationaliteit. Het is interessant om te onderzoeken aan welke voorwaarden collectieve actie volgens de theorie zou moeten voldoen en in welke mate de huidige initiatieven in Rotterdam deze voorwaarden hebben overgenomen in 10
    • hun aanpak. 1. Inleiding De vraag die dit onderzoek zal beantwoorden luidt dan ook: “Onder welke condities kunnen lokale ondernemers (MKB) in Rotterdam een effectieve bijdrage leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte?” 1.3 Leeswijzer Het tweede hoofdstuk van dit onderzoek gaat uitgebreid in op de theorie rond collectieve goederen en de realisatie ervan door private partijen. De theorie vormt de grond onder het onderzoek en levert uiteindelijk vijf nadere onderzoeksvragen voor het empirische gedeelte. In hoofdstuk 3 volgt de onderzoeksopzet, waarin wordt aangegeven op welke wijze de onderzoeksvragen worden beantwoord. In de hoofdstukken die hier op volgen worden de vragen vervolgens beantwoord aan de hand van de aanpak die de Rotterdamse initiatieven kiezen. Hoofdstuk 4 gaat in op organisatorische en economische factoren die een rol spelen bij collectieve actie. In het hoofdstuk daarna wordt gekeken in welke gebieden de initiatieven in Rotterdam plaatsvinden en of de projecten goed worden ingebed in bestaande sociale structuren. Hoofdstuk 6 is tenslotte volledig gericht op de communicatie binnen de initiatieven. Communicatie blijkt volgens de theorie immers een kritische succesfactor te zijn voor de totstandkoming van collectieve actie. Na deze empirische verkenningen volgen de conclusies, discussie en aanbevelingen. In dit laatste hoofdstuk wordt duidelijk in hoeverre de Rotterdamse initiatieven gebruikmaken van de mechanismen die collectieve actie mogelijk maken en waar verbetering mogelijk is. Het resultaat van dit onderzoek kan bijdragen aan een effectieve samenwerking tussen de Rotterdamse lokale overheid en de ondernemers bij het verbeteren van de veiligheid in de openbare ruimte. Daarnaast biedt het onderzoek aanknopingspunten voor publiek-private samenwerking op tal van fronten. 11
    • 2. Theo rie van collec tieve act ie De Rotterdamse praktijk... “Tenzij het aantal individuen vrij klein is, of er sprake is van dwang of een ander mechanisme om individuen zich in het algemeen belang te laten gedragen, zetten rationele baatzuchtige individuen zich niet in om het groepsof algemene belang te realiseren.” Tekst: Mancur Olson, 1965. In winkelcentrum Hesseplaats liep enkele jaren het project Samen Veilig Ondernemen
    • A l enkele decennia geleden besteedden wetenschappers voor het eerst aandacht aan de totstandkoming van publieke goederen door private partijen. In 1965 was de econoom Mancur Olson één van de eersten die helder wist te omschrijven welke problemen zich voordoen bij wat hij noemde collectieve actie. Zijn visie was nieuw en afwijkend van heersende standpunten. Net als veel wetenschappers voor hem, ging Olson nog wel uit van het rationele keuze perspectief, maar in tegenstelling tot zijn voorgangers kwam Olson tot een fundamenteel andere conclusie: ‘unless the number of individuals is quite small, or unless there is coercion or some other special device to make individuals act in their common interest, rational self-interested individuals will not act to achieve their common or group interests’ (Olson, 1965). Dit hoofdstuk neemt de dilemma’s van collectieve actie onder de loep. Het blijft hierbij niet alleen bij de theorie van Olson, maar het hoofdstuk schetst ook recente aanvullingen en kritieken op Olson’s opvattingen. Allereerst komt het verschil tussen publieke en private goederen aan de orde zoals dat historisch is gedefinieerd en zoals dat vandaag de dag wordt gehanteerd. Ook komen hierbij de twee verschillende publieke goederen - gemeenschapsgoederen en collectieve goederen – aan bod en worden de begrippen toegepast op het onderwerp veiligheid. Hierna volgen de problemen die gepaard gaan met collectieve actie, maar vooral ook de oplossingen die de afgelopen decennia door wetenschappers zijn aangedragen. Het zal duidelijk worden dat er geen eenduidige oplossing is, maar dat een pallet aan mogelijke interventies mogelijk is om de dilemma’s van collectieve actie het hoofd te bieden. Het hoofdstuk eindigt met een aanscherping van de probleemstelling zoals die in het vorige hoofdstuk is gedefinieerd. 2.1 Publieke en private goederen Het verschil tussen publieke en private goederen ligt aan de basis van de dilemma’s van collectieve actie. De eigenschappen van publieke goederen leiden ertoe dat een collectief van private partijen de goederen maar moeilijk in optimale hoeveelheid tot stand kan brengen. Toen Mancur Olson (1965) zijn boek The Logic of Collective Action schreef, was er onder wetenschappers veel discussie over de attributen van publieke goederen. Het debat werd in 1954 gestart door Paul Samuelson, toen hij het niet-rivaliserende karakter [‘jointness of consumption’, OV] gebruikte om alle goederen te verdelen in twee groepen: private consumptiegoederen en collectieve consumptiegoederen. Het nietrivaliserende karakter wil zeggen dat de consumptie van het goed door de 2. Theorie van collectieve actie één, niet ten koste gaat van de mogelijkheden tot consumptie van de ander (Hummel, 1990). In 1959 gaf Richard Musgrave een vervolg aan de discussie door te beweren dat de niet-uitsluitbaarheid van een product belangrijker is dan het niet-rivaliserende karakter en dat alleen dit attribuut het onderscheid maakt tussen private en publieke goederen (Ostrom, 2002). Een publiek goed is niet-uitsluitbaar, omdat het niet mogelijk is om een persoon in een collectief goed te voorzien, zonder het gelijktijdig te verstrekken aan anderen (Hummel, 1990). Het niet-uitsluitbare karakter van een publiek goed creëert kansen voor ‘freeriders’, die alleen voor het product betalen als dit absoluut noodzakelijk is om het goed te ontvangen. Vanuit het perspectief van economisch eigenbelang wordt iedere potentiële participant geprikkeld om te proberen een meelifter te zijn. Als voldoende individuen zich door deze prikkel laten leiden, wordt het product in zijn geheel niet geproduceerd, of in ieder geval niet in een optimale kwantiteit (Hummel, 1990). Olson ging bij zijn definitie van publieke goederen uit van Musgrave’s benadering: “A common, collective, or public good is defined as any good such that, if any person in a group consumes it, it cannot feasibly be withheld from the others in that group” (Olson, 1965, p. 14). Later is op deze eenzijdige benadering van Olson veel kritiek gekomen. Musgrave definieerde publieke en private goederen op basis van de mogelijkheden van uitsluiting die het betreffende goed biedt. Olson nam deze ééndimensionale definitie over ‘en maakte hiermee een grote fout’ (Ostrom, 1987). Collectieve goederen worden per definitie gekenmerkt door zowel hun niet-rivaliserende karakter als het feit dat de producent niet-participerende partijen niet kan uitsluiten (Pasour, 1981). In zijn boek herstelt Olson zich echter door wat hij noemt collectieve goederen onder te verdelen in twee groepen: inclusieve en exclusieve collectieve goederen (Olson, 1965). De exclusieve goederen komen overeen met collectieve goederen en de inclusieve goederen met gemeenschapsgoederen. 13
    • In de onderstaande tabel 2.1 worden de eigenschappen van publieke en private goederen overzichtelijk weergegeven. Zowel private als publieke goederen zijn op te delen in twee nieuwe goederen. Private goederen kunnen worden opgedeeld in private (cel A) en clubgoederen (cel B) en publieke goederen kunnen worden onderscheiden in gemeenschaps- (cel C) en collectieve goederen (cel D). Samuelson (1954) Het gebruik door de één gaat Het gebruik door de één gaat ten koste van het gebruik niet ten koste van het gebruik door een ander door een ander Cel A: private goederen Uitsluiting van het product is niet mogelijk Cel C: gemeenschapsgoederen Cel D: collectieve goederen Olson: exclusive collective Olson: inclusive collective goods goods Ostrom: common pool resources Musgrave (1959) Uitsluiting van het product is mogelijk Cel B: clubgoederen Tabel 2.1 - Het onderscheid tussen private en publieke goederen 2.1.1. Gemeenschapsgoederen en collectieve goederen Publieke goederen kunnen dus worden opgedeeld in gemeenschaps- en collectieve goederen. Gemeenschapsgoederen zijn rivaliserend, maar nietuitsluitbaar. Hierbij kan vooral gedacht worden aan bestaande natuurlijke goederen of bronnen, zoals lucht, water en het klassieke voorbeeld weidegrond waarop vee van verschillende eigenaren grazen. Collectieve goederen zijn zowel niet-uitsluitbaar als niet-rivaliserend. Bij collectieve goederen gaat het om goederen die het resultaat zijn van het gezamenlijk handelen van mensen. Voorbeelden hiervan zijn openbare bruggen, tunnels maar ook veiligheid in de wijk. Beide soorten goederen delen de moeilijkheid van het creëren van fysieke of institutionele grenzen waarmee individuen kunnen worden afgesloten van de opbrengsten (Ostrom, 2002). Zoals hierboven reeds aan de orde gekomen leidt dit niet-uitsluitbare karakter van publieke goederen tot het ontstaan van freeriders. Mensen die niet willen bijdragen aan de totstandkoming van een goed, maar er wel van willen profiteren. Als er wel een keuze zou zijn tussen gelijke en selectieve toegang, dan kan de eigenaar ‘uitsluiten’ en is er geen freerider probleem (Pasour, 1981). Er zijn echter belangrijke verschillen tussen gemeenschaps- en collectieve goederen. Deze verschillen bepalen in grote mate hoe de beide goederen totstandkomen en hoe kan worden omgegaan met het ‘freerider-probleem’. 2. Theorie van collectieve actie Gemeenschapsgoederen Gemeenschapsgoederen zijn goederen waaronder voornamelijk natuurlijke hulpbronnen, waar iedereen toegang tot heeft, maar waarvan niemand de eigendomsrechten bezit. Het streven naar eigen belang onder deze omstandigheden kan goed leiden tot een freerider probleem en misbruik van (natuurlijke) bronnen. Gemeenschapsgoederen delen met collectieve goederen het probleem van meelifters, maar zij kennen ook het probleem van verdringing en uitputting. Het is niet in het belang van een individu die wordt gemotiveerd door een enge definitie van eigen belang om gebruik van bronnen terug te dringen terwijl andere mensen dit niet doen (Pasour, 1981). Het gedrag van individuen die bijdragen aan de totstandkoming van gemeenschapsgoederen kan als volgt worden gekarakteriseerd (Ostrom, 1987): 1. Zij zullen hun groep zo klein mogelijk proberen te houden door potentiële nieuwelingen te ontmoedigen. 2. Zij zullen grote moeite doen om zo dicht mogelijk bij de 100% participatie te komen, omdat ‘zelfs een enkel niet-participerend individu alle voordelen die door anderen zijn gecreëerd voor zichzelf kan houden’ (Olson, 1965: 41). 3. Er zijn relatief veel prikkels om niet te participeren en daarom is collectieve actie minder vanzelfsprekend. 4. Ieder individu is zich meer bewust van de structurele afhankelijkheid tussen de uitkomsten en de acties van zichzelf en anderen. 5. Vanwege het vierde punt zullen de onderhandelingsprocessen intensiever en complexer zijn. In de praktijk blijkt dat groepen die gemeenschapsgoederen gebruiken, manieren hebben gevonden om een teveel aan toe-eigeningen tegen te gaan door het aantal groepsleden te limiteren, zoals Olson voorspelde. De groepen doen dit door heldere grenzen te stellen en te handhaven, waardoor precies duidelijk wordt wie wel en niet van de (natuurlijke hulp)bron gebruik mag maken (Ostrom, 2002). Elinor Ostrom schetst in het standaardwerk Governing the Commons een analystisch kader voor de bestudering van common pool resources. Ostrom haalt vele onderzoeken aan en komt tot de conclusie dat er verschillende mechanismen zijn die er toe kunnen leiden dat individuen wel gezamenlijk en zonder dwang of externe actor tot de realisatie en instandhouding van gemeenschapsgoederen komen. Zoals gezegd gaat Ostrom in Governing the Commons specifiek in 14
    • op zogenoemde common pool resources, oftewel natuurlijke hulpbronnen. Deze gemeenschapsgoederen verschillen van collectieve goederen door hun rivaliserende karakter. Het gebruik van een gemeenschapsgoed door de één gaat tenkoste van het gebruik door een ander. Gevolgen van overconsumptie van natuurlijke hulpbronnen zijn bijvoorbeeld overbevissing en ontbossing. De kaders die Ostrom schetst zijn vooral gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen van overconsumptie van natuurlijke hulpbronnen. Om deze reden is Ostrom’s theorie uit Governing the Commons niet volledig toepasbaar in dit onderzoek. De elementen die wel toepasbaar zijn en andere onderzoeken waarin Ostrom ingaat op de totstandkoming van collectieve goederen komen uiteraard wel terug in het theoretisch kader in dit hoofdstuk en ook in de hierop volgende analyse. Collectieve goederen Bij collectieve actie voor collectieve goederen zullen groepen anders dan bij gemeenschapsgroepen proberen het aantal leden te vergroten. Hoe meer leden betrokken zijn bij collectieve actie, hoe meer individuen er zijn die in de kosten van een collectief goed waarvan iedereen kan profiteren, willen delen. Olson voorspelde ook dat onderhandelingen en strategische interacties minder voor zullen komen bij collectieve goederen dan bij publieke goederen (Ostrom, 2002). Overigens proberen groepen bij het realiseren van collectieve goederen binnen hun gebied zoveel mogelijk leden te werven, maar zegt dit niet dat het gebied ook zo groot mogelijk zou moeten zijn. Later in dit hoofdstuk en ook in de volgende hoofdstukken komt dit aspect uitvoerig ter sprake. 2. Theorie van collectieve actie beeld als hen door de rechter de toegang tot een bepaald gebied wordt ontzegd of als zij een celstraf uitzitten en dus niet in staat zijn om het bepaalde gebied te betreden. Dit zijn echter bijzondere omstandigheden en spelen geen rol bij de definiëring van veiligheid als collectief goed. Omdat veiligheid kan worden gedefinieerd als collectief goed, zal de rest van het hoofdstuk en ook de rest van dit onderzoek zich hoofdzakelijk richten op dit type goederen. 2.1.2. De totstandkoming van collectieve goederen via collectieve actie Nu duidelijk is welke verschillende goederen bestaan en tot welke type goed veiligheid behoort, komen we bij de totstandkoming van collectieve goederen. Eerder is al gesteld dat het creëren van collectieve goederen door private partijen gepaard gaat met problemen. Deze alinea gaat verder in op de kenmerken van en problemen rond collectieve actie. Hoe kan collectieve actie worden getypeerd en waarom ontstaan er volgens theoretici problemen? Een groep individuen dat een collectief goed probeert te creëren zal een langetermijnstrategie hanteren bij het realiseren van mechanismen die het aantal leden verhogen. Hoe meer deelnemers aan collectieve actie, hoe meer individuen die bijdragen in de kosten van de realisatie van het goed. Groepen die een collectief goed willen realiseren dat per definitie niet-rivaliserend in consumptie is, zullen proberen uit te groeien tot een grote groep, maar zullen minder streven naar 100% participatie dan bij gemeenschapsgoederen het geval is. Bovendien zal deze groep worden gekenmerkt door minder intensieve onderhandelingen (Ostrom, 1987). Olson beweerde in 1965 dat ‘tenzij het aantal individuen vrij klein is, of er sprake is van dwang of een ander mechanisme om individuen zich in het algemeen belang te laten gedragen, rationele baatzuchtige individuen zich niet inzetten om het groeps- of algemene belang te realiseren’ (Ostrom, 2002). Individuen die hun kosten willen minimaliseren hebben bij collectieve goederen immers een motivatie om ‘freeriders’ te worden; wel profiteren van de voordelen, maar anderen laten betalen. Olson’s bewering uit 1965 was volledig gestoeld op de rationele keuze theorie, die in die jaren door veel wetenschappers als uitgangspunt werd gehanteerd. Zo is de meest gehanteerde karakterisering van een individu die betrokken is bij collectieve actie die van ‘homo economicus’ uit de rationele keuze theorie. De rationele keuze theorie schetst mensen als ‘self-interested, short-term maximizers’ (Ostrom, 1998). Deze karakterisering veronderstelt dat individuen complete en goed gestructureerde voorkeuren hebben, over volledige informatie beschikken en dat zij uit zijn op een maximalisatie van de verwachte opbrengsten (Ostrom, 2004). Veiligheid als collectief goed Veiligheid is een typisch collectief goed. Wanneer er veiligheid in een bepaald gebied is gecreëerd, kan over het algemeen genomen niemand ervan worden uitgesloten en gaat het gebruik van veiligheid door de één niet ten koste van het gebruik door een ander. Uitgangspunt hierbij is overigens dat er sprake is van normaal gebruik. En ook zijn er situaties denkbaar waarin mensen wel van veiligheid worden uitgesloten, bijvoor- Als iets van Olson’s theorie de afgelopen decennia is bekritiseerd en aangevochten, dan is het zijn mensbeeld waarop de theorie rust. In de jaren na Olson’s theorie is het inzicht gegroeid dat de problemen bij collectieve actie niet alleen voortkomen uit rationaliteit, maar dat er meer sociale oorzaken zijn aan te wijzen. Alle veronderstellingen met betrekking tot het rationele mensbeeld zijn controversieel en worden betwist op tal van fronten (Ostrom, 2004). De veronderstel- 15
    • ling dat mensen altijd streven naar korte termijn eigen belang leidt bovendien tot een conceptueel raadsel: waarom liften niet alle mensen mee wanneer ze iets voor niets kunnen krijgen? De sociaal-wetenschapper Schuessler beweert dan ook dat je collectieve actie moet zien als een uitkomst van symbolische communicatie. Individuen gedragen zich niet op een bepaalde wijze om iets te krijgen, maar door hun keuze proberen zij iemand te zijn (Gupta, 2005). Dit maakt een einde aan rationaliteit als basis van collectieve actie. Ook andere wetenschappers stappen af van de rationele keuze theorie. Zo stelt Ostrom (1998) dat er bij collectieve actie niet alleen sprake is van puur eigen belang, maar veel meer van begrensde rationaliteit en moreel gedrag. De verschuiving in het denken over collectieve actie, van de rationele keuze theorie naar meer sociale wetmatigheden, heeft ook de kijk op mogelijke oplossingen voor de dilemma’s van collectieve actie ingrijpend gewijzigd. Van puur economische en technische oplossingen naar sociale en culturele interventies om de dilemma’s het hoofd te bieden. “Veldwerk toont ons regelmatig individuen die via systematische collectieve actie lokale collectieve goederen (…) produceren zonder een externe autoriteit die prikkels uitlooft of sancties oplegt” (Ostrom, 1998). In de volgende paragraaf komt het hele scala aan oplossingsrichtingen aan bod. Duidelijk zal worden dat er geen eenduidige oplossing is, maar dat een pallet aan mogelijke interventies mogelijk is om de dilemma’s van collectieve actie effectief te beantwoorden. 2.2 De dilemma’s het hoofd bieden Zoals eerder gesteld, is de blik op de dilemma’s van collectieve actie in de loop van de jaren verschoven van een economische naar een meer sociale invalshoek. Door dit vernieuwde blikveld is het oog gevallen op nieuwe attributen die een direct of indirect effect hebben op het resultaat van collectieve actie. Hieronder komen de verschillende aspecten aan bod en wordt per factor beschreven wat het (in)directe effect is op de totstandkoming van collectieve goederen. Achtereenvolgens worden de economische, structurele, culturele en sociale factoren besproken. Ten slotte volgt als afsluiting van dit hoofdstuk een toespitsing op de probleemstelling 2. Theorie van collectieve actie waarbij aan de hand van dit hoofdstuk nadere onderzoeksvragen worden geformuleerd. 2.2.1. Economische oplossingsrichtingen Niet alleen omdat wetenschappers zoals Olson de dilemma’s van collectieve actie in de beginjaren voornamelijk vanuit economisch perspectief benaderde, maar ook omdat de productie van goederen altijd economische aspecten met zich meedraagt, zijn er verschillende economische oplossingsrichtingen die bijdragen aan het oplossen van problemen rond collectieve actie. Hieronder allereerst de rol van transactiekosten bij collectieve goederen en vervolgens mogelijkheden om naast het collectieve goed bijproducten te produceren, waardoor (potentiële) participanten eerder geneigd zijn bij te dragen aan de totstandkoming van collectieve goederen. Transactiekosten Transactiekosten spelen een grote rol bij de totstandkoming van collectieve goederen. Iedere groep die zich moet organiseren om een collectief goed te realiseren, wordt geconfronteerd met een minimum aan organisatorische kosten, ongeacht welk gedeelte van het collectief goed daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Hoe groter de groep, hoe hoger de organisatorische kosten zullen zijn (Olson, 1965, p. 46 e.v.). Olson (1965) spreekt niet van transactionele kosten, maar van organisatorische kosten. Hij schaart hieronder de kosten van de communicatie tussen de groepsleden, maar ook de kosten van onderhandelingen en de kosten van het creëren, onderhouden en ondersteunen van de formele organisatie van de groep (Olson, 1965, p. 47). Het gaat hier niet alleen om daadwerkelijke financiële kosten, maar ook om bijvoorbeeld investeringen in tijd en moeite. Participanten dragen bij aan deze kosten, maar krijgen hier niet direct resultaat voor terug. Hoe hoger de transactiekosten, hoe lager het waargenomen effect van de bijdrage en hoe groter de stimulans om mee te liften. De meest gunstige situatie is wanneer er voor de participanten geen transactiekosten zijn. Zonder transactiekosten zouden individuen vrijwillig publieksgoederen produceren op een optimaal niveau. Dit zou immers betekenen dat er sprake is van perfecte informatie, vrije en kostenloze communicatie en een gestructureerde omgeving om te onderhandelen (Landesman, 1994). In de praktijk bestaat er echter geen situatie waarin individuen zich kunnen organiseren, zonder dat er transactiekosten ontstaan. Wel zijn er mogelijkheden om de transactiekosten bij collectieve actie zo laag mogelijk te houden en het effect van de bijdrage van individuen te vergroten. Dit is belangrijk, want één van de vari- 16
    • abelen die bepalen of een groep een succesvolle oplossing vindt voor de dilemma’s is het verschil tussen de waarde van het publieke goed voor de participanten en de kosten die zij moeten opbrengen om het goed te realiseren. Hoe lager de kosten, hoe groter dit verschil, hoe groter de kans dat zij zich succesvol zullen organiseren (Hummel, 1990). Groepen waarbij de individuele leden het effect van hun bijdrage herkennen zijn hierbij in het voordeel. Wanneer in een dergelijke groep bijvoorbeeld één van de leden besluit te stoppen met zijn bijdrage, stijgen de kosten voor de overblijvende leden aanzienlijk. Het gevolg kan zijn dat de overblijvers besluiten ook te stoppen met hun bijdrage of deze aanzienlijk verlagen, waardoor het collectieve goed ophoudt te bestaan of verschraald. Als het eerste lid dat uitstapt dit effect van zijn besluit herkent, kan hij besluiten alsnog aan te blijven (Olson, 1965). Onder alle omstandigheden heeft het voordelen de transactiekosten zo laag mogelijk te houden. De eerste mogelijkheid voor het verlagen van de transactiekosten is het beperken van het aantal participanten, of liever gezegd het gebied waarin de collectieve actie plaatsvindt. De grootte van de groep is op twee verschillende manieren van belang voor de hoogte van de transactiekosten. Ten eerste beweert Olson dat middelgrote en kleine groepen gemakkelijker en tegen lagere kosten regels en organisatorische structuren kunnen realiseren dan grote groepen (Olson, 1965). Een stijging van het aantal participanten gaat immers in de regel gepaard met een stijging van de transactiekosten. Ten tweede worden arbeidsintensieve diensten, waaronder het creëren en waarborgen van veiligheid, tegen lagere gemiddelde kosten geproduceerd wanneer sprake is van kleine ‘productie units’. Bij kapitaalintensieve producten is dit precies andersom en alleen dan ontstaan schaalvoordelen bij grotere productie-eenheden (Ostrom, 1983). Bij veiligheid gaat dit laatste niet op en kan het beste gekozen worden voor kleinere groepen en dus kleinere afzonderlijke gebieden waarin geprobeerd wordt de veiligheid te verbeteren. In de volgende alinea over de structurele oplossingsrichtingen wordt nader ingegaan op de consequenties van groepsgrootte. Ten slotte heeft de econoom Oliver Williamson de rol beklemtoond die formele instituties kunnen spelen bij het terugdringen van transactiekosten, kosten voor het monitoren en het afdwingen van de afspraken (Putnam, 1993). Wanneer bijvoorbeeld de overheid zou zorgen voor de dekking van de transactiekosten, kunnen de bijdragen van participanten volledig worden ingezet voor het te realiseren goed en is er een groter waarneembaar effect van de bijdragen. Zoals gezegd; hoe groter dit waarneembare effect, hoe groter de motivatie bij (potentiële) participanten om deel te nemen. Wanneer hieronder de structurele oplossingsrichtingen worden 2. Theorie van collectieve actie besproken, wordt nader ingegaan op dit fenomeen. Allereerst nog twee andere economische oplossingsrichtingen. Bijproducten Bij collectieve actie kan het zo zijn dat door een groot aantal deelnemers meer geld binnenkomt dat voor het primaire doel noodzakelijk is, of dat lopende het project het aantal deelnemers stijgt, waardoor additionele middelen binnenkomen. In 1998 hebben Marks en Croson onderzocht welke actie in geval van een meeropbrengst bij collectieve actie het meest effectief is. Zij hebben hierbij gekeken naar het resultaat van de situaties waarin niets met de meeropbrengsten werd gedaan, waar de meeropbrengsten proportioneel werden verdeeld over de participanten en waar de meeropbrengsten werden geïnvesteerd in een collectief goed met een continue productiefunctie. In dit laatste geval gaat het bijvoorbeeld om het gebruik van de meeropbrengsten voor de aanschaf van bomen bij een gerealiseerde infrastructuur. Deze bomen hebben een continue productiefunctie, omdat iedere geplante boom direct resultaat oplevert. Met behulp van verschillende experimenten kwamen Marks en Croson tot de conclusie dat de contributies van participanten significant hoger waren wanneer de meeropbrengsten werden gestoken in een nieuw collectief goed met een continue productiefunctie. De uitkomsten gelden voor alle goederen die niet-uitsluitbaar zijn en het wel of niet aanwezig zijn van een niet-rivaliserend karakter is hierbij niet meegenomen in de definitie (Ostrom, 2002). De oplossing geldt dus zowel voor de totstandkoming van collectieve als gemeenschapsgoederen. Olson omschrijft ook een situatie waarbij individuen zichzelf toch succesvol organiseren, ondanks de sociale dilemma’s, namelijk als naast het niet-uitsluitbare collectieve goed ook uitsluitbare bijproducten [Olson noemt deze ‘selective incentives’, OdV] totstandkomen. Verschillende wetenschappers hebben op deze oplossing kritiek geleverd. Zo vindt Hummel (1990) de oplossing te gemakkelijk: “Als het uitsluitbare bijproduct werkelijk is wat de participanten willen, dan zal een concurrent het ook produceren, zonder het te linken aan een niet-uitsluitbaar collectief goed en dus tegen een lagere prijs. Alleen als de groep het legale monopolie voor het bijproduct heeft, is dit een effectieve oplossing.” Step-level productie functie Er is ten slotte nog een derde economische oplossingsrichting voor het oplossen van problemen rond collectieve actie. Deze oplossing 17
    • gaat echter niet op voor het creëren van veiligheid, maar voor de volledigheid is het toch goed de oplossing hier te noemen. In de praktijk zijn er verschillende modellen mogelijk waarop de output van een collectief goed tot stand kan komen. Eén model is de zogenaamde ‘step-level productie functie’. Dit model toont dat slechts een kleine aanpassing in de productiefunctie van een collectief goed een groot verschil kan maken in gedrag en uitkomsten. Voorbeelden van goederen die worden gekenmerkt door een step-functie zijn bijvoorbeeld bruggen, tunnels en wegen, die pas van waarde zijn als ze volledig zijn gerealiseerd. In een step-level productie functie maken de acties van een aantal tot k participanten geen verschil in de uitkomsten die worden gerealiseerd. Acties van k participanten of meer zorgen voor een onderbreking en een stijging van de voordelen (Ostrom, 2002). Russel Hardin was in 1976 één van de eersten die beweerde dat wanneer de productiefunctie van een collectief goed een step-functie is, de sociale dilemma’s kunnen worden opgelost, omdat het goed niet tot stand komt als de participanten niet voldoende input (= k) weten te leveren. Tot het goed daadwerkelijk tot stand komt is het niet mogelijk om mee te liften op de bijdrage van anderen. In een dergelijk geval zullen individuen aannemen dat hun bijdrage kritiek is voor de totstandkoming van het product (Hardin, 1982). Veiligheid wordt zoals gezegd niet gekenmerkt door een step-functie. Een groep kan starten met het nemen van maatregelen, zodra de eerste bijdragen binnen zijn. Alleen wanneer dusdanige kapitaalintensieve maatregelen nodig zijn dat daar een aantal vanaf k participanten nodig is, ontstaat een ‘kunstmatige’ step-level functie. 2.2.2. Structurele oplossingsrichtingen; de groepsgrootte Naast economische oplossingsrichtingen zijn er ook zogenaamde structurele oplossingen denkbaar. Deze oplossingen hebben betrekking op de organisatie van de collectieve actie en dan voornamelijk op de grootte van het gebied waarin de collectieve actie plaatsvindt en het aantal (potentiële) participanten. Olson besteedde in zijn werk uit 1965 uitgebreid aandacht aan de effecten van groepsgrootte op de resultaten van collectieve actie. Tot op de dag van vandaag wordt Olson’s werk door wetenschappers vaak als uitgangspunt genomen als het gaat om de beschrijving van de rol van groepsgrootte bij collectieve actie. In het publieke domein zijn volgens Olson (1965, p. 49 e.v.) verschillende groepen te definiëren, waarbij het resultaat van collectieve actie op voorhand valt te voorspellen. In tabel 2.2 worden drie groepen uitgelicht en vervolgens verder toegelicht. Groep1 De bevoorrechte groep Grootte Klein 2. Theorie van collectieve actie Omschrijving Resultaat Alle of in ieder geval enkele Ja optimaal, zelfs zonder groepsleden hebben zo’n groot coördinatie of organisatie. voordeel van het collectieve goed, dat ze eventueel bereid zijn alle realisatiekosten op zich te nemen. De tussenliggende Klein tot Er is niemand met zo’n groot Mogelijk optimaal, maar groep (middel)groot voordeel dat die de gehele reali- in ieder geval niet zonder satiekosten op zich wil nemen, coördinatie en organisamaar het is wel zichtbaar welke tie. individuen wel en niet bijdragen aan de realisatie van het collectieve goed. De latente groep Zeer groot De bijdrage van een individu is Mogelijk alleen wanneer per definitie niet waarneembaar sprake is van dwang of en niemand wordt dus gestimu- andere (positieve) prikleerd om bij te dragen. Er is kels. geen stimulans om voor het algemeen belang op te komen. Tabel 2.2 - Drie groepen in het publieke domein met hun karakteristieken. 1 Olson (1965) gebruikt voor de groepsaanduidingen achtereenvolgens de begrippen: ‘single individual’, ‘privileged group’, ‘intermediate group’ en ‘latent group’. De ‘single individual’ is in dit onderzoek naar collectieve actie niet relevant en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Het is duidelijk dat groepen met een groter aantal leden over het algemeen minder efficiënt zijn dan groepen met een kleiner aantal leden (Olson, 1965, p. 28). In de vorige paragraaf over economische oplossingsrichting is dit ook al aan de orde gekomen bij de invloed van transactiekosten. Maar er zijn nog meer redenen te bedenken waarom grotere groepen minder snel of niet tot succesvolle collectieve actie komen. Hoe groter de groep of het gebied waarin de collectieve actie plaatsvindt bijvoorbeeld, hoe moeilijker het is om voldoende participanten te vinden om het publieke goed tot stand te brengen (Hummel, 1990). Dit hangt deels samen met sociale factoren die verderop in dit hoofdstuk aan bod komen, maar hierop vooruitlopend stelt bijvoorbeeld Putnam (2000) dat de grootte van een gemeenschap een belangrijke rol speelt. Formeel vrijwilligerswerk, werken voor projecten in de buurt, het bieden van informele hulp en charitatieve hulp komen allemaal meer voor in kleine dan in grote gemeenschappen (Putnam, 2000). Hieronder worden de karakteristieken van de verschillende groepen uitvoerig doorgenomen en wordt duidelijk waarom kleine groepen van nature beter in staat zijn om het collectieve belang te realiseren 18
    • dan grote groepen. De bevoorrechte groep In tegenstelling tot andere groepen, zijn kleine groepen waarschijnlijk in staat om functies te vervullen die gunstig zijn voor iedereen (Olson, 1965, p. 58). Wanneer in een kleine groep bijvoorbeeld een deelnemer aanwezig is die zo’n groot voordeel heeft, dat hij liever de gehele kosten voor zijn rekening zou nemen dan dat hij het zonder collectief goed zou moeten stellen, kunnen we er vanuit gaan dat het collectieve goed daadwerkelijk tot stand komt (Olson, 1965, p. 44). Soms wordt van dit mechanisme in een groep bewust gebruikgemaakt. Wanneer bij kleine groepen het algemeen belang een rol speelt, is er een systematische neiging van de kleine leden om de grote leden te ‘exploiteren’ (Olson, 1965, p. 29). Een ‘kleine’ deelnemer profiteert in een mate van de bijdrage van een ‘grote’ deelnemer die hij nooit zelf zou kunnen opbrengen. “We hebben gevonden dat groepen klein moeten zijn als je actie verwacht, en relatief groot wanneer je op zoek bent naar reacties of oplossingsrichtingen.” (James, 1951, p. 474 e.v.) In een kleine groep, waar ieder lid aanzienlijk van het collectieve goed profiteert, kan een collectief goed vaak op vrijwillige basis tot stand komen op basis van het individuele eigen belang (Olson, 1965, p. 34). Maar zelfs in de allerkleinste groepen wordt het collectieve goed niet vanzelf gecreëerd in de meest optimale schaal. Of anders gezegd: de individuele leden van de groep dragen niet de hoeveelheid van het goed bij die in hun algemeen belang is. De tussenliggende groep Wanneer een goed door meer dan één persoon wordt gerealiseerd en de bijdrage van ieder individu waarneembaar is, dan spreekt Olson van een tussenliggende groep. Het onderscheid tussen een bevoorrechte en tussenliggende groep ligt in het feit of er één of enkele deelnemers zijn die vanwege het (te verwachten) voordeel alle kosten voor hun rekening willen nemen. In een tussenliggende groep zijn deze deelnemers niet aanwezig en komt het op alle deelnemers aan. Wanneer binnen een groep geen partij aanwezig is die vanwege zijn voordeel de gehele kosten voor zijn rekening zou willen nemen, maar waar het individu wel dusdanig belangrijk is voor de totale groep omdat zijn bijdrage of intrekken van 2. Theorie van collectieve actie zijn bijdrage een waarneembaar effect heeft op de benodigde bijdragen of het voordeel van anderen binnen de groep, is het resultaat van de collectieve actie onbepaald (Olson, 1965, p. 44). Het is overigens wel mogelijk dat deze groepen zichzelf van een collectief kunnen voorzien zonder te steunen op dwang of een uitsluitbaar bijproduct buiten het collectieve goed zelf. Dit komt doordat in deze groepen de leden vinden dat het persoonlijke profijt van het goed de kosten om (een bepaald gedeelte van) het collectieve goed te creëren overstijgen. De latente groep Hoe groter de groep hoe meer zij zal falen om een optimaal collectief goed te realiseren en hoe kleiner de kans dat zij zal proberen om zelfs een minimaal goed te realiseren. Een latente groep heeft geen aanleg om zich dusdanig te organiseren dat de doelen worden bereikt via vrijwillige rationele acties van de leden van de groep, ook niet als er sprake is van perfecte consensus. Kortom, hoe groter de groep, hoe minder de mate waarin zij het algemeen belang zal behartigen (Olson, 1965, p. 36). Bij grote groepen neemt het aantal meelifters relatief snel toe. In een grote groep, waarin iemand zich er net als in een kleine groep van bewust is dat zijn onafhankelijke opstelling onwenselijke effecten heeft voor de anderen, is het individu wel geneigd om anderen het goed te laten realiseren terwijl hijzelf meelift (Pasour, 1981). Er zijn volgens Olson (1965, p. 48) drie losstaande maar cumulatieve factoren die grotere groepen er van weerhouden om hun doel te bereiken: 1. Hoe groter de groep, hoe kleiner het gedeelte van het groepsvoordeel dat een individu die handelt in het algemeen belang ontvangt. Hoe kleiner de beloning is voor groepsgeoriënteerd gedrag, hoe meer de groep tekort schiet in het verkrijgen van een optimaal collectief resultaat. 2. Hoe groter de groep hoe kleiner het aandeel van het resultaat dat naar een individu gaat of naar een afvaardiging van de totale groep. Hoe kleiner dan ook de kans dat een afvaardiging of zelfs een individu voldoende voordeel van zijn inspanning heeft dat hij de inspanning daadwerkelijk wil leveren. Kortom: hoe groter de groep hoe kleiner de kans op oligopolistische interactie die kan bijdragen aan de realisatie van het collectieve goed. 3. Hoe groter het aantal leden van de groep, hoe hoger de organisatorische kosten en hoe hoger de drempel ligt om ook maar een 19
    • deel van het collectieve goed te kunnen realiseren. Deze factor is hiervoor ook aan de orde gekomen bij de bespreking van de economische oplossingsrichtingen. Om de bovenstaande redenen is het voor grote groepen moeilijk een collectief goed optimaal te realiseren en grote groepen zullen normaal gesproken nog geen minimum van het collectieve goed kunnen realiseren, tenzij er sprake is van dwang of een externe stimulans, zoals de realisatie van een uitsluitbaar bijproduct. Bij de grootste groepen kan een bijdrage van potentiële gebruikers doorgaans alleen tot stand komen door het opleggen van sancties (dwang) of het bieden van voordelen die losstaan van het collectieve goed (externe prikkel). In grote verbanden is het probleem bij vrijwillige bijdragen, dat degene die een bijdrage levert hiervan geen direct voordeel heeft. Ook personen die niet bijdragen kunnen immers van andermans bijdrage profiteren. Bij grote verbanden waar geen dwang kan worden opgelegd, moet daarom volgens Olson als externe prikkel aan potentiële leden extra voordelen worden geboden (Olson, 1965, p. 16). Hierboven bij de bespreking van bijproducten als economische oplossingsrichting is aan de orde gekomen dat wetenschappers tegenwoordig niet altijd veel heil zien in deze oplossing van Olson. Hardin (1982) noemt overigens drie verzachtende omstandigheden waarin een latente groep niet volledig faalt en dus wel tot enig succes kan leiden: 1. Political entrepreneurship: wanneer mensen het voortouw nemen en handelen in hun eigen belang vanwege gewenste carrière perspectieven. Zo zijn er bijvoorbeeld individuen die de actieve rol van trekker op zich nemen uit een soort van profileringsdwang. De beloning voor dergelijke mensen is een andere dan het collectieve goed zelf. 2. Selective incentives: prikkels om de organisatie in stand te houden lang na de oorspronkelijk aanleiding die zorgde voor de oprichting. De selective incentives zijn ondergeschikt aan het collectieve goed dat de organisatie probeert te realiseren. Hardin heeft een bredere definitie van de term ‘selective incentives’ dan Olson en schaart er bijvoorbeeld ook sociale aspecten als vriendschap, normen en waarden onder. 3. Extrarational behavior: dit gedrag kan een groep stimuleren om zich te organiseren. Dit gebeurt wanneer onzelfzuchtige motieven van individuen een collectief goed voortbrengen. Het gaat hierbij voornamelijk om morele motivaties die vaak voor komen wanneer een groep individuen zich organiseert om iets te voorkomen [bijvoorbeeld vervuiling of onveiligheid, OdV] in plaats van iets te creëren. 2. Theorie van collectieve actie De ‘federale’ groep Olson (1965) beschrijft een situatie waarin een grote latente groep kan functioneren als latente groep, namelijk als de grote groep een federatie vormt. Een dergelijke groep is verdeeld in een aantal kleine groepen, die elk een reden hebben om zich samen met de andere kleine groepen aan te sluiten bij de federatie die tot een grote groep leidt. Omdat alle voorwaardelijke groepsprocessen zich binnen de afzonderlijke kleine groepen zullen afspelen, wordt verder in dit onderzoek aan de ‘federale’ groep geen speciale aandacht meer besteed, maar staat genoteerd dat grote groepen zich via een federatie kunnen opsplitsen in verschillende tussenliggende of kleine groepen. Samenvattend is de bevoorrechte groep vanaf het begin in een meer gunstige positie, omdat enkele of alle leden een prikkel hebben om het doel te realiseren. Dit geldt niet voor de grote latente groep. De latente groep is niet automatisch van mening dat de voordelen van het groepsresultaat ook alle individuen toekomen. Het is dus niet mogelijk voor grote groepen om vanwege het succes van kleine groepen simpelweg haar handelswijze te kopiëren (Olson, 1965, p. 57). Bij de bevoorrechte groep mogen we dus verwachten dat het collectieve doel op de één of andere manier wel gerealiseerd wordt en de relatief kleine tussenliggende groep heeft een gerede kans dat vrijwillige acties leiden tot de oplossing van het collectieve probleem. De grote latente groep kan echter niet handelen volgens haar gemeenschappelijke belang zolang de leden van de groep vrij zijn om hun individuele belangen te realiseren (Olson, 1965, p. 58). 2.2.3. Gemeenschapsgebonden oplossingsrichtingen Tot nu toe is vooral gekeken naar ‘harde’ oplossingsrichting in de lijn van Olson’s werk uit 1965. Zoals eerder gezegd werd de discussie over de problemen bij collectieve actie voornamelijk gevoerd door economen en werden oplossingen gezocht in economische en structuurtechnische factoren. De afgelopen decennia is het blikveld verschoven door de deelname van sociaal-wetenschappers aan het debat en zijn hiermee nieuwe oplossingsrichtingen ontstaan. Deze alinea beschrijft de oplossingsrichtingen die in de sociale sfeer liggen. Hierbij gaat het voornamelijk om kenmerken van de gemeenschap waarin collectieve actie plaatsvindt of moet gaan vinden. Binnen processen van collectieve actie zijn de kenmerken van een gemeenschap van belang. Variaties in gebruiken, tradities en ethische standaarden kunnen de grenzen verschuiven tussen ‘klein- 20
    • groepsgedrag’ en ‘groot-groepsgedrag’ (Pasour, 1981). Eerder in het hoofdstuk is op verschillende plaatsen beargumenteerd dat collectieve actie gemakkelijker in kleine dan in grote groepen tot stand komt en daarom is de gemeenschap waarin collectieve actie plaatsvindt van groot belang. Vrijwillige samenwerking, wat collectieve actie vaak is, is makkelijker in een lokale samenleving die een aanzienlijke hoeveelheid sociaal kapitaal bezit, in de vorm van normen van reciprociteit en netwerken van burgerschapszin. Sociaal kapitaal refereert hier aan de kenmerken van sociale organisatie, zoals vertrouwen, normen en netwerken die de efficiency van de samenleving kunnen verbeteren door gecoördineerde acties te faciliteren. Normen van gegeneraliseerde reciprociteit en netwerken van burgerschapszin stimuleren sociaal vertrouwen en samenwerking, omdat ze de voordelen van het meeliften en de onzekerheid verminderen. Sociaal vertrouwen in complexe moderne omstandigheden kan dus ontstaan uit twee samenhangende bronnen: reciprociteitsnormen en netwerken van burgerschap (Putnam, 1993). Vertrouwen en reciprociteit zijn individuele kenmerken die bepalend zijn voor het gedrag bij sociale dilemma’s. Deze kenmerken moeten worden toegevoegd aan formele gedragsmodellen van individuen. Vertrouwen, reciprociteit en een betrouwbare reputatie versterken elkaar, maar dit betekent tegelijkertijd dat een afname van bijvoorbeeld het vertrouwen kan leiden tot een neerwaartse spiraal (Ostrom, 1998). Verderop wordt nader ingegaan op de onderling samenhangende factoren vertrouwen, reciprociteit en netwerken van burgerschap. Samen beschrijven ze de gewenste kenmerken van de gemeenschap waardoor collectieve actie vrijwillig tot stand kan komen. Vertrouwen Vertrouwen is een essentieel component van sociaal kapitaal. Vertrouwen is de smeerolie van samenwerking. Een groep deelnemers die vertrouwen wekken en ook op elkaar vertrouwen zullen meer tot stand brengen dan een groep individuen zonder onderling vertrouwen. Hoe meer vertrouwen binnen een lokale samenleving, hoe groter dus de kans op vrijwillige samenwerking (Putnam, 1993). Vertrouwen beïnvloedt de kans dat een individu een samenwerking opzet met de verwachting dat hij er iets voor terugkrijgt (Ostrom, 1998). En samenwerking wekt vervolgens weer vertrouwen op (Putnam, 1993). Het begint binnen een gemeenschap dus allemaal met onderling vertrouwen. Dit vertrouwen komt allereerst tot stand tussen enkele individuen binnen een eerste netwerk. Sociale netwerken binnen een gemeenschap zorgen ervoor dat vertrouwen overgankelijk wordt en zich vervolgens verspreid; ik vertrouw jouw, omdat ik haar vertrouw en zij mij verzekerd dat jij te vertrouwen bent (Putnam, 2. Theorie van collectieve actie 1993). Sociale netwerken ontstaan en groeien door persoonlijk contact tussen mensen binnen de gemeenschap. Mensen moeten via uitwisseling van elkaar leren dat ze te vertrouwen zijn en dat je met elkaar afspraken kunt maken. Persoonlijke interactie genereert goedkope en betrouwbare informatie over de mate waarin je op andere deelnemers kunt vertrouwen (Putnam, 1993). Wanneer het onderlinge vertrouwen ontstaat en wordt herbevestigd binnen een groeiend sociaal netwerk ontstaan netwerken van reciprociteit en burgerschap, twee bronnen die het vertrouwen in standhouden en de basis leggen voor langdurige en succesvolle collectieve actie. Reciprociteit Zoals gezegd is reciprociteit een belangrijke bron voor onderling vertrouwen, een belangrijke pijler van sociaal kapitaal dat een voorwaarde is om in een gemeenschap tot collectieve actie te komen. Reciprociteit is een basisnorm die eigenlijk in alle samenlevingen voorkomt, maar in wisselende mate. Alle normen gebaseerd op reciprociteit kennen dezelfde ingrediënten: individuen reageren op positieve acties van anderen met een positief antwoord en op negatieve acties met een negatieve reactie (Ostrom, 1998). In iedere populatie zullen individuen één van de drie onderstaande reciprociteitsnormen hanteren (Ostrom, 1998): 1. Ik zoek altijd als eerste de samenwerking. Ik stop met de samenwerking als anderen niet deelnemen. Ik straf mensen die niet samenwerken als dat mogelijk is. 2. Ik werk onmiddellijk samen wanneer ik het gevoel heb dat ik de anderen binnen de groep kan vertrouwen. Ik stop met de samenwerking als anderen niet deelnemen. Ik straf mensen die niet samenwerken als dat mogelijk is. 3. Wanneer de samenwerking door anderen tot stand is gebracht sluit ik aan. Ik stop met de samenwerking als anderen niet deelnemen. Ik straf mensen die niet samenwerken als dat mogelijk is. Aanvullend zijn er nog drie anderen normen die individuen kunnen hanteren: 4. Ik werk nooit samen. 5. Ik hanteer de norm 1 of 2 (zie boven), maar ik stop direct wanneer ik de mogelijkheid heb om mee te liften met anderen. 6. Ik werk altijd samen (een extreem zeldzame norm in alle culturen). De verdeling van de normen over verschillende groepen individuen 21
    • verschilt zoals gezegd per populatie en is ook situatieafhankelijk. Laboratoriumexperimenten tonen echter aan dat een substantieel deel van alle mensen normen van reciprociteit hanteert (Ostrom, 1998). Normen van gegeneraliseerde reciprociteit zijn een zeer productieve component van sociaal kapitaal. Samenlevingen waarin deze norm actief wordt gehanteerd kunnen opportunisme effectief weerstaan en problemen rond collectieve actie oplossen. Reciprociteit kan immers helpen om de sterke verleidingen van korte termijn eigen belang te weerstaan. Ieder individu binnen een systeem van reciprociteit wordt normaal gesproken immers gekenmerkt door een combinatie van altruïsme op korte termijn en eigenbelang op de lange termijn (Putnam, 1993).Wanneer veel individuen binnen een gemeenschap reciproceren hebben de individuen een stimulans om een reputatie te creëren van beloftes die worden nagekomen. Individuen komen gezamenlijk tot acties die op korte termijn kosten met zich meebrengen, maar op de lange termijn renderen (Ostrom, 1998). Netwerken van burgerschap Vertrouwen en normen van reciprociteit zoals hierboven beschreven leiden tot netwerken van burgerschap. Netwerken van burgerschap zijn een essentiële vorm van sociaal kapitaal: hoe dichter zulke netwerken in een lokale samenleving, hoe groter de kans dat de bewoners samenwerken in het wederzijdse belang en dus komen tot collectieve actie. De netwerken ontstaan doordat het vertrouwen dat is opgebouwd continu wordt herbevestigd en hierdoor normen van reciprociteit ontstaan. Individuen die zich volgens deze normen gedragen, bouwen goede reputaties. Binnen dichte netwerken komt sneller collectieve actie tot stand, omdat individuen minder snel geneigd zijn om mee te liften en hiermee het risico nemen om hun reputatie op het spel te zetten. Opportunisme door mee te liften zet de voordelen die een deelnemer verwacht van alle transacties waarin hij participeert en waarin hij in de toekomst zal participeren op het spel. De individuen worden lid van netwerken die communicatie faciliteren en de informatiestroom over de mate waarin individuen vertrouwd kunnen worden verbeteren. Netwerken zorgen ervoor dat reputaties worden overgedragen en versterkt, maar ook snel worden afgebroken wanneer individuen zich niet volgens de normen gedragen. De netwerken zorgen voor betrouwbare informatie over het gedrag en de huidige interesses van potentiële participanten en vormen hiermee de bron voor het vertrouwen dat leidt tot succesvolle samenwerking in collectieve acties (Putnam, 1993). 2. Theorie van collectieve actie 2.2.4. Groepsgebonden oplossingsrichtingen In de vorige alinea ging het om gemeenschapsgebonden factoren en is gekeken naar de kenmerken van een gemeenschap waarin succesvolle collectieve actie tot stand kan komen. In deze laatste alinea met oplossingsrichtingen komen uiteindelijk de groepsgebonden aspecten aan de orde. Deze zijn niet alleen een resultaat van de gemeenschap waarin de collectieve actie plaatsvindt, maar geven ook vorm aan de gemeenschap. Wanneer binnen de gemeenschap een hecht netwerk is ontstaan van individuen die elkaar vertrouwen en actief reciproceren, is het belangrijk deze normen binnen de samenwerking te handhaven. Onderlinge face-to-face communicatie blijkt hierbij het toverwoord. Face-to-face communicatie heeft een groot effect op de mate van samenwerking, omdat het een sterke invloed heeft op de relatie tussen vertrouwen, reciprociteit en een betrouwbare reputatie (Ostrom, 1998). Hierboven is gesteld dat onderling vertrouwen binnen de gemeenschap een voorwaarde is om tot vrijwillige samenwerking te komen. Wanneer de samenwerking vervolgens ontstaat, is vertrouwen opnieuw de bindende factor. Onderling vertrouwen en de mate van samenwerking die uit het vertrouwen voorkomt nemen onder meer toe door (Ostrom, 1998): 1. De individuen de kans te geven elkaar te zien; 2. Participanten mogelijkheden te bieden om individuen die niet reciproceren op een duidelijke manier te straffen; 3. Mogelijkheden te bieden voor face-to-face communicatie. De eerste maatregel in het bovenstaande rijtje lijkt voor de hand liggend, maar is dit in de praktijk zeker niet. Vooral in grote samenwerkingsverbanden zijn er nauwelijks momenten waarop de participanten elkaar zien. Maar er is in dit opzicht nog een voordeel van kleinere samenwerkingsverbanden, die ook inspeelt op de tweede maatregel. Individuen in kleine groepen kunnen elkaars gedrag monitoren en elkaar persoonlijk dwingen om de kosten te delen. Tijdens persoonlijke bijeenkomsten kunnen deelnemers praten over iedereen die nog niet deelneemt, hen aansporen om hun gedrag te veranderen en dreigen om alle arbeidsinspanningen te staken als zij niet bijdraaien (Ostrom, 1998). Olson (1965) stelde hiervoor als voorwaarde voor vrijwillige collectieve actie dat individuele acties van een willekeurig groepslid waarneembaar zijn voor alle overige individuen in de groep. Hiervoor kunnen groepen zelfs speciale communicatiemiddelen in het leven roepen. Zo kan een groep de contributies van leden of het uitblijven van contributies door bepaalde 22
    • individuen bekendmaken via eigen media. Hetzelfde kan gedaan worden met de handelswijze van individuen die leidt tot een voor- of nadeel van andere leden. Deze informatie-uitwisseling kan persoonlijk plaatsvinden, of ‘kunstmatig’ als in grotere groepen gebruik wordt gemaakt van speciaal in het leven geroepen communicatiemiddelen. Grote groepen hebben vanwege het grote aantal deelnemers normaal gesproken moeite om persoonlijke contactmomenten te creëren en kunnen zich hierdoor niet strikt vrijwillig en effectief organiseren. In te grote groepen is ieder individu anoniem, de deelnemers kunnen elkaar niet aanspreken op gedrag en ieders bijdrage in de totale kosten lijkt insignificant. Gevolg is dat ieder individu in de verleiding komt om mee te liften (Ostrom, 1983). De participanten moeten elkaar dus fysiek zien en bijeenkomsten kunnen participanten de mogelijkheid geven om elkaar aan te spreken op gedrag en sancties te bespreken voor degenen die zich niet houden aan de geldende normen. De fysieke bijeenkomst moet echter vaker dan eens plaatsvinden. Een eenmalige ontmoeting kan het onderlinge vertrouwen vergroten, maar als enkele individuen niet direct aan de samenwerking deelnemen, heeft de groep nooit meer de mogelijk deze sociale problemen op te lossen. Ieder bewijs van een lagere betrokkenheid ondermijnt het onderlinge vertrouwen dat tijdens de eerste ontmoeting gecreëerd wordt en er is geen verdere mogelijkheid om vertrouwen op te bouwen of gebruik te maken van verbale sanctionering. Individuen beoordelen iemands betrouwbaarheid op basis van gezichtuitdrukkingen en de wijze en toon waarop gesproken wordt. Het is moeilijk om vertrouwen op te bouwen tussen een groep vreemden die onafhankelijk van elkaar en helemaal alleen besluiten nemen, zonder dat ze elkaar regelmatig zien of met elkaar praten (Ostrom, 1998). Uit het bovenstaande blijkt de noodzaak van face-to-face communicatie en de motivatie achter de noodzaak van de derde maatregel voor het laten toenemen van onderling vertrouwen en de mate van samenwerking. Hoe meer directe en indirecte communicatie tussen participanten, hoe groter hun onderlinge en wederzijdse vertrouwen en hoe gemakkelijker ze het vinden om samen te werken (Putnam, 1993). Face-to-face communicatie Ostrom heeft face-to-face communicatie niet voor niets opgenomen als voorwaarde om tot samenwerking te komen. Consistente, repliceerbare en omvangrijke onderzoeken wijzen uit dat de samenwerking substantieel toeneemt wanneer individuen in staat worden gesteld om persoonlijk met elkaar te communiceren. Dit geldt voor alle soorten sociale dilemma’s. Sterker nog: er is geen andere variabele met een dergelijk sterk en con- 2. Theorie van collectieve actie sistent effect op de uitkomsten van collectieve actie als face-to-face communicatie. Het effect is veruit het grootst bij persoonlijke faceto-face communicatie en aanzienlijk kleiner bij digitale communicatie (Ostrom, 1998). Er zijn volgens onderzoekers verschillende redenen waarom communicatie de samenwerking stimuleert (Ostrom, 1998): 1. Communicatie transfereert informatie van degene die een optimale strategie kan bedenken naar degenen die zelf niet tot een optimale strategie kunnen komen. 2. Communicatie zorgt voor de uitwisseling van wederzijds commitment. 3. Door communicatie neemt het onderlinge vertrouwen toe en communicatie beïnvloedt dus de verwachtingen van andermans gedrag. 4. Communicatie versterkt de bestaande normatieve waarden. 5. Communciatie ontwikkelt een groepsidentiteit. Voor een kleine groep is het gemakkelijk om tot face-to-face communicatie te komen. Wanneer deze communicatie succesvol is, zullen individuen hun verwachtingen bijstellen van een geringe verwachting dat anderen zullen reciproceren, tot een hoge kans dat anderen vertrouwen schenken en zullen samenwerken (Ostrom, 1998). Daarnaast kunnen deelnemers van kleine groepen hun voorkeuren bespreken tijdens persoonlijk overleg en hierbij ook tot consensus komen. In grotere groepen worden keuzes vaak gemaakt via mechanismen als stemmingen of een delegatie van zeggenschap waarna het moeilijk is om de individuele voorkeuren te vertalen in een gezamenlijke keuze die alle individuele voorkeuren nog genoeg reflecteert (Ostrom, 2004). Electorale mechanismen zijn niet geschikt om het private deelnemers mogelijk te maken om mee te beslissen over de collectieve goederen die in hun buurt totstandkomen (Ostrom, 1983). In grote samenwerkingsverbanden nemen de belangen vaak toe en wordt het bovendien moeilijk om individuele bijdragen te monitoren. Communicatie werkt onder deze omstandigheden minder doeltreffend. Communicatie alleen is dus onvoldoende om onder alle omstandigheden tot succesvolle collectieve actie te komen (Ostrom, 1998). Het blijft belangrijk om ook aan de andere oplossingsrichtingen die in dit hoofdstuk zijn beschreven voldoende aandacht te besteden. Waarneembaarheid van effecten door individuele bijdragen Communicatie heeft nog een functie. Olson benadrukt in zijn werk 23
    • het belang van mechanismen die de individuele acties waarneembaar maken. Voor een bevoorrechte groep voorspelt Olson dat een enkel individu de realisatie van het goed op zich zal nemen. Om het verschil tussen een tussenliggende en grote groep aan te duiden, introduceert Olson het concept waarneembaarheid. In latente groepen zien deelnemers niet het effect van hun bijdrage, waardoor een stimulans om deel te nemen ontbreekt en meeliften hierdoor een goede optie wordt. De waarneembaarheid van effecten die door individuen wordt bereikt hoeft niet van nature aanwezig te zijn, maar mag ook kunstmatig tot stand komen door middel van communicatie (Ostrom, 1987; Olson, 1965). Maar zoals Ostrom (1998) stelt: het effect is veruit het grootst bij persoonlijke face-to-face communicatie en dat blijft bij grote groepen moeilijker te organiseren. 2.3 Toespitsing onderzoeksvraag In het vorige hoofdstuk is de probleemstelling van het onderzoek besproken. Als probleemstelling is geformuleerd: “Onder welke condities kunnen lokale ondernemers (MKB) in Rotterdam een effectieve bijdrage leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte?” Met behulp van de theoretische uiteenzetting in dit hoofdstuk, is het mogelijk de probleemstelling aan te scherpen en deelvragen op te stellen die dienen als hypothesen. Op basis van voornamelijk de vier oplossingsrichtingen die aan bod zijn gekomen – economische, structurele, gemeenschapsgebonden en groepsgebonden – is het mogelijk de volgende onderzoeksvragen te formuleren: 1. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie waarbij sprake is van lage transactiekosten? 2. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie waarbij de meeropbrengsten worden gestoken in collectieve goederen met een continue productiefunctie? 3. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie in kleine of middelgrote groepen waarbij individuele bijdragen een waarneembaar effect hebben? 4. Is de participatie van ondernemers hoger in gebieden waar ook buiten de collectieve actie sprake is van persoonlijke interactie, bijvoorbeeld via een actieve winkeliersvereniging? 5. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie waar sprake is van bewust gehanteerde vormen van communicatie, waarbij 2. Theorie van collectieve actie alle participanten regelmatig bijeenkomen en hierbij sprake is van face-to-face communicatie tussen alle participanten? De bovenstaande vijf vragen vormen een operationalisering van de economische, structurele, gemeenschaps- en groepsgebonden oplossingsrichtingen. De eerste drie onderzoeksvragen zijn een vrij directe vertaling van de aangehaalde theorie. De laatste twee onderzoeksvragen vragen om een korte toelichting. In vraag 4 is niet de collectieve actie, maar het gebied waarin de collectieve actie plaasvindt onderwerp van onderzoek. Vraag 4 is een operationalisering van paragraaf 2.2.3. over de gemeenschapsgebonden oplossingsrichting. Deze paragraaf gaat in op de elementen die binnen een gemeenschap als randvoorwaarden dienen om tot collectieve actie te kunnen komen. Het gaat hierbij om sociaal kapitaal in de vorm van onderling vertrouwen, normen van reciprociteit en netwerken van burgerschap. De theorie is voornamelijk gericht op een gemeenschap die bestaat uit individuen en is niet direct toepasbaar op ondernemers die gezamenlijk een winkelgebied vormen. Daarom is gekozen voor de operationalisatie naar ondernemers die in een gebied een netwerk vormen, in de praktijk meestal een ondernemers- en/of winkeliersvereniging. Ten slotte is bij onderzoeksvraag 5, in tegenstelling tot vraag 4, de collectieve actie wel onderwerp van onderzoek. Deze laatste vraag gaat in op de noodzakelijke communicatie tussen deelnemers van de collectieve actie. Hoewel bewust gehanteerde vormen van zowel indirecte als directe communicatie bijdragen aan het resultaat, heeft face-to-face communicatie het grootste effect op het uiteindelijke resultaat. In het volgende hoofdstuk wordt allereerst de onderzoeksopzet weergegeven en verantwoord. Vervolgens volgen drie hoofdstukken waarin de bovenstaande onderzoeksvragen worden beantwoord. In hoofdstuk 4 volgt de beantwoording van vraag 3 over de groepsgrootte en de economische onderzoeksvragen 1 en 2, in het hoofdstuk daarna volgt onderzoeksvraag 4 over het gebied waarin de collectieve actie plaatsvindt. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de wijze waarop de collectieve actie binnen het gebied wordt georganiseerd en wat er daarbij nog wordt ondernomen om de betrokkenheid van ondernemers in het gebied te vergroten. Ten slotte wordt de allerlaatste vraag over communicatie beantwoord in hoofdstuk 6. 24
    • 3 . O nd e rzoe ks opz e t en - v erantw oordi ng De Rotterdamse praktijk... De Katendrechtse Lagedijk is één van de straten binnen Veilig Ondernemen Charlois Ten tijde van dit onderzoek lopen in Rotterdam drie verschillende initiatieven die als doel hebben ondernemers te betrekken bij het verbeteren van de veiligheid. De initiatieven zijn de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen. Voor het beantwoorden van de probleemstelling worden deze drie initiatieven onderzocht.
    • 3. Onderzoeksopzet en -verantwoording In de inleiding is de probleemstelling van dit onderzoek aan de orde gekomen en tijdens de theoretische verkenning in hoofdstuk 2 is deze probleemstelling uitgebreid met een vijftal nadere onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen komen voort uit de theorie en vragen een antwoord met behulp van empirisch onderzoek. In dit hoofdstuk volgt voor de overzichtelijkheid allereerst nog een keer de centrale probleemstelling, gevolgd door de nadere onderzoeksvragen. Daarna wordt uiteengezet op welke wijze de onderzoeksvragen worden beantwoord aan de hand van de geldende praktijk. Dit hoofdstuk eindigt met een uitwerking van het theoretische concept ‘goal displacement’. Dit is noodzakelijk omdat zal blijken dat ‘goal displacement’ een belangrijke valkuil is bij een onderzoek naar collectieve actie. van het project bepaald. In de werkelijkheid wordt het succes bepaald door de mate waarin de veiligheid in een winkelgebied toeneemt. Dit onderzoek richt zich echter niet op veiligheid, maar op collectieve actie, of wel de bijdrage die ondernemers leveren aan collectieve goederen. Het doel van collectieve actie is een zo hoog mogelijke participatie van lokale ondernemers bij het verbeteren van de veiligheid. Dit is ook de definitie van ‘effectieve bijdrage’ in de probleemstelling. Leidend is de wijze waarop de participatiegraad van collectieve actie kan worden verhoogd. In dit onderzoek wordt deze participatiegraad niet gekoppeld aan de daadwerkelijke verbetering van het resultaat die de collectieve actie oplevert. De wijze waarop dit onderzoek plaatsvindt, komt aan de orde in de volgende paragraaf. De probleemstelling van dit onderzoek luidt als volgt: Veiligheid Het begrip veiligheid in de probleemstelling duidt op zowel fysieke als subjectieve veiligheid. Hoewel veiligheid in de probleemstelling een dominante rol speelt, zal het onderzoek niet primair op dit onderwerp ingaan. De nadruk ligt zeer sterk op ‘de condities waaronder ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan...’, dat in het vorige hoofdstuk is omschreven met het begrip ‘collectieve actie’. Dit onderzoek richt zich op veiligheid omdat dit een duidelijk collectief goed is en de afgelopen jaren sterk de aandacht heeft gekregen op politiek en bestuurlijk vlak. 3.1 Onderzoeksvragen “Onder welke condities kunnen lokale ondernemers (MKB) in Rotterdam een effectieve bijdrage leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte?” 3.1.1. Definiëring probleemstelling In de geformuleerde probleemstelling staan meerdere kernbegrippen die om een nadere definiëring vragen. Deze definiëring dient vooral ter afbakening en hiermee een toespitsing van de vraag. Lokale ondernemers Het onderzoek richt zich op lokale ondernemers in een verzorgingsgebied dat niet veel groter is dan de wijk waarin zij zijn gevestigd en die gericht zijn op de consumentenmarkt. In de bovenstaande probleemstelling is duidelijk en doelbewust Rotterdam als plaatsbepaling opgenomen. Hoewel het onderzoek zich specifiek richt op de bijdrage die lokale ondernemers aan het vergroten van de veiligheid kunnen leveren, wordt in de uiteindelijke rapportage zoals eerder gezegd wel in een breder kader aangegeven of en in hoeverre het uiteindelijke antwoord op de probleemstelling ook van toepassing is op andere gebieden. Dit laatste heeft echter niet de nadruk en is geen primair doel van het onderzoek. Effectieve bijdrage In dit onderzoek is het van groot belang om te definieren wat het succes Openbare ruimte De openbare ruimte wordt in dit onderzoek gezien als de publieke ruimte in een winkelgebied. Dat wil zeggen de ruimte die het winkelend publiek betreden als zij de ene winkel verlaten en een naast gelegen winkel betreden. Zoals gezegd richt dit onderzoek zich specifiek op winkelgebieden en de openbare ruimte mag dan ook worden gezien als de niet-private openbare ruimten in het winkelgebied. 3.1.2. Nadere onderzoeksvragen Met behulp van de theoretische uiteenzetting in het vorige hoofdstuk, is de probleemstelling aangescherpt met deelvragen. Deze deelvragen komen voort uit de theoretische verkenning en bevatten de ingrediënten die volgens wetenschappers nodig zijn om tot effectieve collectieve actie te komen. De onderstaande onderzoeksvragen richten het empirische onderzoek en kunnen daarmee gezien worden als hypothesen: 1. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie 26
    • waarbij sprake is van lage transactiekosten? 2. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie waarbij de meeropbrengsten worden gestoken in collectieve goederen met een continue productiefunctie? 3. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie in kleine of middelgrote groepen waarbij individuele bijdragen een waarneembaar effect hebben? 4. Is de participatie van ondernemers hoger in gebieden waar ook buiten de collectieve actie sprake is van persoonlijke interactie, bijvoorbeeld via een actieve winkeliersvereniging? 5. Is de participatie van ondernemers hoger bij collectieve actie waar sprake is van bewust gehanteerde vormen van communicatie, waarbij alle participanten regelmatig bijeenkomen en hierbij sprake is van face-to-face communicatie tussen alle participanten? 3.2 Onderzoeksmethode Zoals gezegd richt dit onderzoek zich op de condities waaronder lokale ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid in de openbare ruimte. Volgens de theorie over collectieve actie kent deze vraag verschillende antwoorden, die als hypothesen zijn vertaald in vijf onderzoeksvragen. Om te onderzoeken of de algemene theorie over collectieve actie toepasbaar is op de bijdrage die ondernemers kunnen leveren aan de veiligheid in de Rotterdamse publieke ruimte, wordt tijdens het onderzoek de bestaande praktijk onderzocht. Het onderzoek betreft een kwalitatieve analyse van mechanismen die collectieve actie mogelijk maken. Ten tijde van dit onderzoek lopen in Rotterdam drie verschillende initiatieven die als doel hebben ondernemers te betrekken bij het verbeteren van de veiligheid. De initiatieven zijn de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen. Voor het beantwoorden van de probleemstelling worden deze drie initiatieven onderzocht. In hoeverre maken de verschillende iniatieven gebruik van de theoretische oplossingsrichtingen die zijn vertaald in de onderzoeksvragen? Dit kan worden achterhaald door één voor één de vijf onderzoeksvragen los te laten op de drie initiatieven. Het resultaat is een beschrijvende analyse van mechanismen die collectieve actie mogelijk maken. Hierdoor ontstaat het inzicht welke oplossingensrichtingen leiden tot de hoogste participatiegraad. Dit maakt het vervolgens mogelijk om conclusies te trekken over de factoren die daadwerkelijk het succes van collectieve actie bepalen. 3. Onderzoeksopzet en -verantwoording 3.2.1. Onderzoekseenheden In de inleiding is al veel gezegd over de drie initiatieven die ten tijde van het onderzoek en nu nog in Rotterdam plaatsvinden. De keuze om het empirisch onderzoek op deze drie initiatieven te richten ligt in het feit dat ze de mogelijkheid geven om de bestaande uitvoeringspraktijk te toetsen. Alle initiatieven lopen al langere tijd en aan hun uitvoering is een zorgvuldig plan van aanpak voorafgegaan. De mogelijkheid om de bestaande uitvoeringspraktijk via de drie lopende initiatieven te onderzoeken richt het onderzoek en biedt handvaten om middels een gestructureerde dataverzameling antwoord te geven op de onderzoeksvragen. Bijkomend voordeel dat tegemoet komt aan de eisen van betrouwbaarheid en validitiet is dat de drie initiatieven verschillende opzetten kennen. Deze verschillen zitten op verschillende gebieden, waaronder financiering, organisatie, doelgroepen en communicatie. Als deze verschillen tussen de initiatieven niet aanwezig zouden zijn, is een vergelijking weinig zinvol. Juist de verschillen bieden mogelijkheden om na te gaan welke factoren daadwerkelijk van invloed zijn op de participatiegraad van ondernemers. 3.2.2. Dataverzameling Zoals hierboven beschreven worden tijdens het onderzoek drie initiatieven met elkaar vergelijken en wordt nagegaan welk initiatief het beste resultaat oplevert. Het ‘beste resultaat’ wordt in het kader van dit onderzoek afgementen aan de mate van samenwerking (‘collectieve actie’) tussen de ondernemers. Deze samenwerking is te meten via de participatiegraad van de verschillende projecten. De vergelijking tussen de verschillende onderzoeken komt tot stand via kwalitatief onderzoek. Hoewel uiteindelijk wel de participatiegraden van de verschillende initiatieven worden vergeleken, vindt de kern van het onderzoek plaats via een beschrijvende vergelijking tussen de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen. Deze beschrijving vindt plaats op basis van de vijf onderzoeksvragen en met behulp van voornamelijk bestaand bronmateriaal en daar waar nodig aangevuld met interviews met sleutelfiguren. Deze sleutelfiguren zijn: 1. Henk Visser, projectmanager MKB bij het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR); 2. Paul Smolders, projectleider KVO-Zuidplein 3. Leon Hoek, verantwoordelijk voor Samen Veilig Ondernemen bij de Kamer van Koophandel 27
    • Het onderzoek betreft nadrukkelijk geen kwantitatieve analyse van inidivuele gedragingen van ondernemers als het gaat om hun bijdrage aan de totstandkoming van publieke goederen. Dit onderzoek heeft immers als doel om na te gaan of in de praktijk gebruik wordt gemaakt van de theoretische oplossingsrichtingen en welke oplossingsrichting uiteindelijk het meest effectief is. Hiervoor is het noodzakelijk de opzet van de verschillende initiatieven grondig te onderzoeken. Dit gebeurt in dit onderzoek via een analyse van de verschillende beleidsdocumenten, (deel)plannen van aanpak, (tussen)evaluaties en handboeken. Daar waar in de beschikbare documenten onvoldoende informatie aanwezig is om de onderzoeksvragen te beantwoorden, vinden interviews plaats met sleutelfiguren om de informatie alsnog te achterhalen. Voorwaarde is dat van ieder initiatief voldoende en gelijkwaardige informatie aanwezig is om een betrouwbare vergelijking te kunnen maken. 3. Onderzoeksopzet en -verantwoording veiligheid in de openbare ruimte. Uit dit onderzoek komen aanbevelingen die niet alleen relevant zijn voor het domein van de lokale veiligheid, maar ongetwijfeld ook voor andere gebieden waarin collectieve actie steeds meer aan belang toeneemt. Overheden zoeken steeds vaker de samenwerking met (private) partners bij het oplossen van maatschappelijke problemen. Dit onderzoek geeft niet alleen een theoretische uiteenzetting van de condities waaronder collectieve actie tot stand komt, maar leidt ook tot praktische aanbevelingen. 3.3 Het risico van ‘goal displacement’ Het onderzoek en de hierboven beschreven onderzoeksopzet veroorzaken een belangrijke valkuil: doelverschuiving. Het succes van de collectieve actie wordt immers tijdens het onderzoek maar ook vaak daadwerkelijk in de praktijk afgelezen aan de participatiegraad van de verschillende initiatieven. Deze participatiegraad geeft aan welk deel van de ondernemers in een betreffend gebied deelneemt aan de collectieve actie. Aan de hand van de participatiegraad wordt bepaald welk initiatief succesvol is, waarna vervolgens gekeken wordt welke theoretische oplossingsrichtingen hieraan ten grondslag liggen. Deze grote aandacht voor de participatiegraad als indicator voor het succes van collectieve actie is in feite een doelverschuiving. Als het gaat om de veiligheid in de publieke ruimte heeft collectieve actie tot doel de veiligheid te vergroten door middel van een goede samenwerking tussen betrokken partijen, waaronder de ondernemers. Het vergroten van veiligheid is het hoofddoel. Tijdens dit onderzoek wordt het succes van initiatieven niet afgemeten aan de mate waarin ze de veiligheid in de openbare ruimte verbeteren, maar in de mate waarin ze ondernemers tot samenwerking weten te stimuleren. Samenwerking tussen ondernemers is in de praktijk uiteraard geen doel op zich, maar ondergeschikt aan de daadwerkelijke verbetering van de veiligheid in de openbare ruimte. In dit onderzoek is de participatie van ondernemers middels collectieve actie echter wel het primaire onderwerp van onderzoek. Dit onderzoek bestaat uit een kwalitatieve analyse van mechanismen die collectieve actie mogelijk maken. De kwalitatieve analyse geeft inzicht in de condities waaronder ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan de 28
    • 4. Gro epsg root te en fin anciële cons equent ies De Rotterdamse praktijk... “Op het moment dat een ondernemer zelf moet investeren, dan is hij ook betrokken bij het verhaal, dan heb je draagvlak en hij vindt ook dat hijzelf mee moet praten over zijn investering. Het moet winst zijn voor hem, anders doet hij niet mee.” Tekst: Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR) Winkelcentrum Zuidplein heeft al drie sterren behaald van het Keurmerk Veilig Ondernemen
    • 4. Groepsgrootte en financiële consequenties Olson besteedde in zijn werk uit 1965 uitgebreid aandacht aan de effecten van groepsgrootte op de resultaten van collectieve actie. De theoretische analyses zijn met name gericht op de feitelijke grootte van de groep die de collectieve actie onderneemt. Met betrekking tot de verschillende initiatieven op het gebied van de betrokkenheid van lokale ondernemers bij de veiligheid in de openbare ruimte is het allereerst noodzakelijk te kijken naar de grootte van het gebied waarin het initiatief wordt ontplooid. Hoe groter het gebied waarin men deelnemers gaat werven, hoe groter uiteindelijk ook de kans op een grote groep met deelnemende ondernemers. Hieronder wordt dan ook allereerst uiteengezet op welke gebieden de initiatieven Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen zich richten, waarna vervolgens de feitelijke groepsgrootte van de verschillende initiatieven volgt. vitaliteit en haalbaarheid, speelt hierbij ook de aard van het gebied een belangrijk rol. Wil een winkelgebied voor een project Veilig Ondernemen in aanmerking komen, dan moet het een duidelijk winkel/verblijfsklimaat hebben met hoofdzakelijk winkels aan beide straatzijden en een duidelijke bezoekersstroom (dus geen primaire verkeersader met her en der verspreide ondernemingen). Daarnaast moet het gaan om een homogeen, geconcentreerd en samenhangend winkelgebied. Geen afgesloten – private – bedrijventerreinen (maar 24-uurs openbaar toegankelijke gebieden) (Weltens, 2005). Het KVO heeft vergelijkbare criteria voor de gebiedskeuze, maar gaat een stap verder dan Veilig Ondernemen. Het keurmerk betreft een certificeringregeling die ontwikkeld is voor groepen bedrijven die een geografische eenheid vormen, zoals bedrijventerreinen en winkelcentra (ILV, 2001). Het KVO-W is dus naar eigen zeggen bestemd voor specifieke gebieden. En ook de handboeken die deelnemers aan het KVO-W ontvangen, zijn feitelijk ontwikkeld voor planmatig opgezette winkelcentra (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2005). De beschrijving van de gebieden waarvoor het KVO-W geldt is niet zozeer een kader of richtlijn, maar min of meer een voorwaarde. Indien het handboek wordt toegepast op niet-planmatig opgezette winkelcentra (binnensteden of winkelstraten) moet er rekening mee worden gehouden dat sommige zaken moeilijker toepasbaar zijn (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2005). De projecten Samen Veilig Ondernemen vinden ten slotte plaats op zowel bedrijventerreinen als in winkelcentra. Gezien het doel van dit onderzoek, worden de projecten op bedrijventerreinen buiten beschouwing gelaten. Bij de winkelcentra gaat het voornamelijk om lokale wijkcentra. De Kamer van Koophandel neemt vaak het initiatief voor de projecten Samen Veilig Ondernemen en richt zich op specifieke gebieden. “Veilig Ondernemen is een initiatief van de gemeente en die richten zich op grotere gebieden. Het gaat de Kamer van Koophandel meer om de praktische uitwerking. Een goede organisatiegraad van ondernemers is hierbij uiterst belangrijk, dus komen we uit op kleinere winkelgebieden. Die kleine gebieden zijn ook beter beheersbaar”, aldus Leon Hoek (Kamer van Koophandel). Vrijwel alle drie de initiatieven op het gebied van veilig ondernemen die in dit onderzoek centraal staan, hebben duidelijke richtlijnen of kaders voor wat betreft het gebied waarin het initiatief plaatsvindt. De methodiek Veilig Ondernemen heeft vaste aspecten beschreven waarop de keuze voor een locatie plaatsvindt. Naast de veiligheidssituatie, economische Aantallen ondernemers De hierboven geschetste kaders en richtlijnen voor de gebieden waarin de verschillende initiatieven actief (kunnen) zijn, bepalen grotendeels het aantal lokale ondernemers dat aan een project kan deelnemen. Zo vormt de schaalgrootte van het doelgebied een belangrijk verschil tussen de projecten Veilig Ondernemen en Samen In hoofdstuk 2 is naar voren gekomen dat de groepsgrootte op verschillende manieren van invloed is op het resultaat van collectieve actie. Een kleine groep verkeert in een meer gunstige positie, omdat enkele of alle leden een prikkel hebben om het doel te realiseren. En ook een middelgrote groep zal het collectieve doel waarschijnlijk bereiken. Dit geldt echter niet voor de grote groep. In grote groepen zien lokale ondernemers niet meer het effect van hun individuele bijdrage (Olson, 1965). Volgens de theorie neemt in grote groepen het aantal meelifters dan ook relatief snel toe (Pasour, 1981). Maar de groepsgrootte heeft niet alleen een direct effect op het resultaat van collectieve actie, maar ook een indirect effect. Zo is de groepsgrootte van invloed op de transactiekosten die met de collectieve actie gepaard gaan. Olson stelde al in 1965 dat de transactiekosten toenemen, naarmate de groep groter wordt. De hoogte van de transactiekosten heeft net als de groepsgrootte ook een belangrijke invloed op het uiteindelijke succes van de collectieve actie. Hoe hoger de transactiekosten, hoe lager het waargenomen effect van de bijdrage en hoe groter de stimulans om mee te liften. In dit hoofdstuk komen allereerst de gebiedsgrootte en de groepsgrootte van de verschillende initiatieven Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen aan bod, waarna vervolgens gekeken wordt naar de transactiekosten die met de verschillende initiatieven gepaard gaan. 4.1 Groepsgrootte 4.1.1. Gebiedskaders 30
    • Veilig Ondernemen. Bij Samen Veilig Ondernemen is de schaalgrootte in veel gevallen beperkter. Zo loopt een project Samen Veilig Ondernemen in winkelcentrum Hesseplaats in de deelgemeente Prins Alexander. Dit winkelcentrum biedt onderdak aan ongeveer 40 ondernemers. De pilots Veilig Ondernemen vinden daarentegen plaats in gebieden die bestaan uit diverse winkelstraten en dus vaak een groot aantal ondernemers. Zo vallen onder de pilot Veilig Ondernemen Noord de winkelstraten Benthuizerstraat, Bergweg, Noordmolenstraat, Zwaanshals en de Zwartjanstraat. In totaal zijn in deze straten 270 ondernemers actief (Van der Meide, 2004). Overigens vormt ook het winkelgebied in Charlois een pilot Veilig Ondernemen en in de onderliggende straten Katendrechtse Lagedijk, Pleinweg en Wolphaertsbocht zijn in totaal ‘maar’ 82 ondernemers actief (Van der Meide, 2005). Wel is het gebied uitgestrekt en is er geen sprake van een gestructureerd (wijk)winkelcentrum. Ook is het aantal ondernemers nog altijd aanzienlijk groter dan het gemiddelde aantal ondernemers per project Samen Veilig Ondernemen. Voor wat betreft ten slotte het Keurmerk Veilig Ondernemen beperkt de hierboven beschreven voorwaarde van een geografische eenheid in belangrijke mate het aantal deelnemende ondernemers. Hoewel Nederland enkele grotere planmatig opgezette winkelcentra kent, zijn de meeste centra beperkt van omvang (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). In Rotterdam neemt het winkelcentrum Zuidplein deel aan het Keurmerk Veilig Ondernemen en dit winkelcentrum telt 150 winkels. Voor het overzicht toont tabel 4.1 van ieder initiatief enkele willekeurige voorbeeldprojecten, met daarbij het aantal actieve ondernemers in het gebied. Voorbeeldproject Aantal ondernemers SVO - Hesseplaats 40 SVO - Binnenhof +/- 30 SVO - Beverwaard 32 KVO - Zuidplein 150 VO Noord 270 VO Kralingen 182 VO Charlois 82 Tabel 4.1 - Willekeurige winkelgebieden met het aantal aanwezige ondernemers 4.1.3. Groepsclassificatie Olson In hoofdstuk 2 is uitvoerig aandacht besteed aan de verschillende groepen die Olson heeft gedefinieerd en waarvan het gedrag volgens Olson (1965) op voorhand valt te voorspellen. Olson heeft zijn verschillende groepen dusdanig helder gedefinieerd, dat het mogelijk moet zijn de verschillende initiatieven Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen te labelen. Voordat we overigens de ver- 4. Groepsgrootte en financiële consequenties schillende Rotterdamse initiatieven koppelen aan de groepsdefinities van Olson, is het goed om kort aandacht te besteden aan een onduidelijkheid in Olson’s uitwerking. Deze onduidelijk is later door wetenschappers rechtgezet. Op het eerste gezicht lijkt Olson groepen alleen te definiëren op basis van het aantal leden. Dit is echter niet correct. De verschillende groepen die Olson definieert combineren de twee variabelen groepsgrootte en relatieve kosten van het goed. Zo bestaat een kleine bevoorrechte groep niet per definitie uit een klein aantal ondernemers, maar kan het ook zijn dat maar één ondernemer betaalt en de overige ondernemers meeprofiteren. Zo kan een bevoorrechte groep, waarbij één participant alle kosten voor zijn rekening neemt, in theorie toch behoorlijk groot zijn (Hummel, 1990). In dit onderzoek wordt uitgegaan van de gebieden waarop het betreffende initiatief zich richt en is het aantal ondernemers in dat gebied leidend voor de koppeling met de groepsclassificatie van Olson. De kleine ‘bevoorrechte’ groep Geen van de Rotterdamse initiatieven kan per definitie gekenmerkt worden als een bevoorrechte groep. Er is immers geen initiatief dat zijn groep bewust uiterst klein houdt. Er wordt bij geen enkel initiatief bewust gezocht naar een situatie waarin één deelnemer aanwezig is die zo’n groot voordeel heeft, dat hij liever de gehele kosten voor zijn rekening zou nemen dan dat hij het zonder collectief goed zou moeten stellen (Olson, 1965). Zo kennen Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en de projecten van Veilig Ondernemen vrijwel allemaal meer deelnemers. Dit blijkt ook uit tabel 4.1 hiernaast. Binnen de verschillende projecten is er echter een belangrijke uitzondering. In het Rotterdamse winkelgebied Alexandrium, dat bestaat uit Alexandrium I, II en III, zijn ruim 200 bedrijven actief. In eerste instantie is in dit gebied een pilot Veilig Ondernemen opgestart, maar het doel is om uiteindelijk te komen tot het Keurmerk Veilig Ondernemen. Op basis van het aantal winkels zou dit gebied waarschijnlijk een grote ‘latente’ groep zijn. De winkels zijn echter in eigendom bij een zeer klein aantal projectontwikkelaars. Deze hebben een dusdanig belang bij een veilig winkelcentrum, dat zij de benodigde bijdrage leveren. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Alexandrium is erg makkelijk, want daar zit Corio, ING en nog een aantal bedrijven boven, dus daar doen alle bedrijven mee.” Ondanks de aanwezigheid van 200 ondernemers, kan Alexandrium dus gekenmerkt worden als een kleine ‘bevoorrechte’ groep. 31
    • De tussenliggende groep Volgens de classificatie van Olson (1965) en zoals besproken in hoofdstuk 2 is er sprake van een tussenliggende groep wanneer een goed door meer dan één persoon wordt gerealiseerd en de bijdrage van ieder individu waarneembaar is. Het onderscheid tussen een bevoorrechte en tussenliggende groep ligt in het feit of er één of enkele deelnemers zijn die vanwege het (te verwachten) voordeel alle kosten voor hun rekening willen nemen. In een tussenliggende groep zijn deze deelnemers niet aanwezig en komt het op alle deelnemers aan. Het verschil met een grote ‘latente’ groep is het feit dat bij een tussenliggende groep de bijdrage en met name het effect van de bijdrage van ieder individu waarneembaar is. Van de Rotterdamse initiatieven kan zeker Samen Veilig Ondernemen als tussenliggende groep worden gekenmerkt. Zoals hierboven aan de orde is gekomen, ligt het gemiddelde aantal ondernemers in een gebied van Samen Veilig Ondernemen rond de 35. Naast dit relatief kleine aantal ondernemers vinden de projecten vrijwel altijd in lokale winkelcentra plaats die vaak bestaan uit een geografische kleine eenheid die vaak maar (een deel van) één straat beslaat. In dit kleine gebied is snel duidelijk welke ondernemers wel en niet deelnemen en wordt het effect van de bijdrage van individuele ondernemers redelijk snel zichtbaar. De grote ‘latente’ groep Hoe groter de groep hoe meer zij zal falen om een optimaal collectief goed te realiseren en hoe kleiner de kans dat zij zal proberen om zelfs een minimaal goed te realiseren. In een grote groep is de bijdrage van een individuele deelnemer per definitie niet zichtbaar. Bij de grootste groepen kan volgens Olson (1965) een bijdrage van een potentiële deelnemer doorgaans alleen tot stand komen door het opleggen van sancties of het bieden van voordelen die losstaan van het collectieve goed. De meeste pilots Veilig Ondernemen kunnen worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. Zoals eerder aan de orde gekomen beslaan de pilotgebieden grote geografische gebieden die bestaan uit verschillende winkelstraten met een groot aantal ondernemers verspreid over het gebied. Bij de pilot Veilig Ondernemen Noord loopt het aantal ondernemers op tot bijna 300. Wanneer sprake zou zijn van volledige participatie kan een individuele ondernemer eenvoudig zijn bijdrage intrekken zonder dat dit direct een zichtbaar effect heeft op het totaalresultaat van collectieve actie. Hoewel het project Veilig Ondernemen Charlois zoals we hebben gezien over een aanzienlijk kleiner aantal ondernemers gaat, kan ook dit project worden gekenmerkt als een grote latente groep. Het gebied is relatief groot, waarbij de ondernemers verspreid zitten en vermengd zijn met andere functies, waaronder een woonfunctie. De individuele bijdrage van een ondernemer zal onder deze omstandigheden niet automatisch tot 4. Groepsgrootte en financiële consequenties een zichtbaar resultaat leiden en de ondernemers wordt niet vanzelf geprikkeld om een bijdrage te leveren. Overigens hebben we hiervoor gezien dat binnen de pilot Veilig Ondernemen, het project in Alexandrium een uitzondering vormt en gekarakteriseerd kan worden als een kleine ‘bevoorrechte’ groep. Van het Keurmerk Veilig Ondernemen en dan voornamelijk het project in het winkelcentrum Zuidplein kan niet simpelweg worden gesteld dat het een tussenliggende of grote ‘latente’ groep is. Het aantal ondernemers in het winkelcentrum, ongeveer 150, is relatief groot. Wel is het Zuidplein een geografische eenheid, een afgebakend winkelcentrum zonder andere functies. Dit verhoogt mogelijk de kans dat ondernemers het gevoel hebben dat zij medeverantwoordelijk zijn voor de veiligheid. Toch kan ook bij een aantal van 150 ondernemers worden gesteld dat wanneer één ondernemers besluit zijn bijdrage in te trekken dit niet direct een waarneembaar effect zal hebben op het resultaat van de collectieve actie. Volgens de strikte typologie van Olson kan ook het Keurmerk Veilig Ondernemen worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. Tabel 4.2 geeft overzichtelijk weer hoe de verschillende Rotterdamse initiatieven gekenmerkt kunnen worden volgens Olson’s typologie: Groep1 De bevoorrechte groep De tussenliggende groep Grootte Klein Resultaat Initiatief Ja optimaal, zelfs zonder KVO Alexandrium coördinatie of organisatie. Klein tot Mogelijk optimaal, maar in SVO-projecten (middel)groot ieder geval niet zonder coördinatie en organisatie. De latente groep Zeer groot Mogelijk alleen wanneer KVO Zuidplein sprake is van dwang of ande- VO-projecten re (positieve) prikkels. Tabel 4.2 - Olson’s groepsclassificatie toegepast op de drie initiatieven. 1 Olson (1965) gebruikt voor de groepsaanduidingen achtereenvolgens de begrippen: ‘single individual’, ‘privileged group’, ‘intermediate group’ en ‘latent group’. De ‘single individual’ is in dit onderzoek naar collectieve actie niet relevant en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. 4.2 Transactiekosten en andere economische factoren Hoewel de laatste decennia de problemen rond collectieve actie voornamelijk vanuit een sociale invalshoek worden bekeken, zijn er ook economische oplossingsrichtingen. Deze economische invalshoeken stammen deels nog uit de tijd dat Olson zijn klassieker ‘The Logic of Collective Action’ (1965) schreef en individuen voornamelijk 32
    • werden bestempeld als ‘homo economicus’. Hoewel de transactiekosten het grootste effect hebben in relatie tot de groepsgrootte en een direct invloed hebben op het resultaat van collectieve actie, worden hieronder als afsluiter ook de bijproducten en de step-level functie meegenomen. Deze drie economische factoren zijn gelijk aan de economische oplossingsrichtingen zoals uiteengezet in hoofdstuk 2. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet in hoeverre de initiatieven Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen de economische oplossingsrichtingen benutten. Weten zij de transactiekosten laag te houden? Gaan ze nuttig om met de meeropbrengsten binnen ieder project? En ten slotte; weten zij voor veiligheid toch kunstmatige step-level productiefuncties te scheppen, zodat iedere lokale ondernemer zijn bijdrage als kritiek ervaart? 4.2.1. Transactiekosten Allereerst de transactiekosten. Transactiekosten spelen een belangrijke rol binnen processen van collectieve actie. Iedere groep die zich moet organiseren om een collectief goed te realiseren, wordt geconfronteerd met een minimum aan organisatorische kosten, ongeacht welk gedeelte van het collectief goed daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Onder transactiekosten worden de kosten verstaan die moeten worden gemaakt voor de organisatie, coördinatie en communicatie van het collectief, zonder dat een directe bijdrage wordt geleverd aan de productie van het beoogde goed. Het gaat hierbij niet alleen om daadwerkelijke financiële kosten, maar ook om bijvoorbeeld investeringen in tijd en moeite. In hoofdstuk 2 is gesteld dat hoe hoger de transactiekosten, hoe lager het waargenomen effect van de bijdrage en hoe groter de stimulans voor lokale ondernemers om mee te liften. De drie initiatieven gaan ieder op een geheel eigen wijze om met de berekening van bijdragen van (potentiële) deelnemers. Hieronder volgt per project een korte uiteenzetting van de wijze waarop de organisatie plaatsvindt en de hoogte en wijze van toerekening van de transactiekosten. Hoewel de drie initiatieven ieder op eigen wijze omgaan met de financiering, hebben ze ook minimaal één ding gemeen: zij kennen alledrie externe partijen die de regierol op zich nemen en bepalend zijn voor de wijze waarop met kosten wordt omgegaan. De externe partijen nemen grotendeels de transactiekosten voor hun rekening, inclusief de investeringen in bijvoorbeeld tijd en moeite om de organisatie van het collectieve goed tot stand te brengen. Wanneer vervolgens de transactiekosten aan de deelnemers worden doorberekend, gebeurt dit vaak in een financiële bijdrage. In hoofdstuk 5 wordt uitvoerig op de organisatie van de verschillende projecten ingegaan, maar bij deze bespreking van de rol van 4. Groepsgrootte en financiële consequenties transactiekosten wordt al kort op die uiteenzetting vooruit gelopen. Pilot Veilig Ondernemen De kostenverdeling komt binnen iedere pilot Veilig Ondernemen op dezelfde wijze tot stand: bij ieder project leggen het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR), de deelgemeente en de deelnemende ondernemers elk 25.000 tot 100.000 euro per jaar in. De hoogte van het bedrag is in de praktijk afhankelijk van de ondernemers, omdat het aantal deelnemende bedrijven bepaalt hoeveel geld er beschikbaar komt. Vanuit het oogpunt van de ondernemers geldt dat hun inleg verdrievoudigd wordt door de bijdragen van de deelgemeente en het OBR. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Als je de ondernemers een taak geeft, dan creëer je draagvlak. Ze voelen zich dan verantwoordelijk voor iets. (…) Op het moment dat een ondernemer zelf moet investeren, dan is hij ook betrokken bij het verhaal, dan heb je draagvlak en hij vindt ook dat hijzelf mee moet praten over zijn investering. Het moet winst zijn voor hem, anders doet hij niet mee. Bij vijf van de zes pilots [Veilig Ondernemen, OdV] blijkt dit zo te werken.” Overigens heeft de pilot Veilig Ondernemen als insteek dat de eerste drie jaar de gemeente en deelgemeenten bijdragen, maar dat na deze periode de ondernemers zelf volledig in staat zijn het project te dragen, zonder externe financiering. De organisatiekosten van ieder project die een belangrijk onderdeel vormen van de transactiekosten worden veelal gedragen door de deelgemeente en het OBR. In hoofdstuk 2 is de econoom Oliver Williamson aangehaald. Deze econoom heeft de rol beklemtoond die formele instituties kunnen spelen bij het terugdringen van transactiekosten, kosten voor het monitoren en het afdwingen van de afspraken (Putnam, 1993). Wanneer de overheid zorgt voor de dekking van de transactiekosten, zoals bij Veilig Ondernemen het geval is, kunnen de bijdragen van de lokale ondernemers volledig worden ingezet voor het realiseren van veiligheid en is er een groter waarneembaar effect van de bijdragen. Overigens heeft ook de gelijkmatige verdeling van de kosten over de ondernemers, de deelgemeente en de gemeente invloed op het waarneembare effect van de eigen bijdrage van ondernemers. Als immers de nadruk te veel komt te liggen op de bijdrage van de overheid, is het waarneembare effect van de eigen bijdrage van ondernemers zeer gering. Wordt echter de nadruk gelegd op de noodzakelijke bijdrage van ondernemers en het feit dat de overheid alleen bijdraagt als de ondernemer het initiatief neemt, dan wordt de waarneembaarheid van de eigen bijdrage groter, zelfs groter dan wanneer de overheid niet twee keer hetzelfde bedrag als de ondernemer zou bijdragen. 33
    • Voor de waarneembaarheid van de eigen bijdrage is de wijze waarop de kostenverdeling wordt gecommuniceerd van groot belang. Afhankelijk van de ‘positionering’ van deze specifieke kostenverdeling, kan het een positieve of negatieve bijdrage leveren aan de waarneembaarheid van de eigen bijdrage en hiermee aan de motivatie van (potentiële) participanten om deel te nemen aan een pilot Veilig Ondernemen. Keurmerk Veilig Ondernemen In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Rotterdamse pilot Veilig Ondernemen, ligt de nadruk bij het KVO niet op middelen. Sterker nog, het uitgangspunt bij het KVO is dat de verschillende partijen niet aanzienlijk meer gaan investeren. Het Handboek KVO-W (Stuurgroep Veilig Ondernemen, 2003) stelt: “Samenwerking is niet per definitie duurder. De praktijk van het KVO-W laat zien dat betere en meer veiligheid in een winkelgebied haalbaar en betaalbaar is: de betrokken partners kunnen meer doen met dezelfde inspanningen en voor hetzelfde geld. Dat komt omdat ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid zijn mogelijkheden op die van de anderen afstemt. (…) De samenwerking zorgt ervoor dat iedereen zijn inspanningen voor veiligheid zó op die van de andere partners afstemt dat zij elkaar versterken. De praktijk van het KVO-W wijst uit dat daarmee een groter resultaat bereikt wordt dan de som der delen.” In het stappenplan voor het KVO-W bevat de allereerste stap het opstellen van een voorlopige begroting voor in te zetten uren per organisatie, projectleiding, procesbegeleiding, communicatie, PR-kosten, vergaderaccomodatie, algemene fysieke en organisatorische maatregelen en ten slotte de certificeringskosten (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Paul Smolders (projectleider KVO-Zuidplein): “Bij het KVO Rotterdam-Zuidplein bedragen de totale kosten ongeveer 25.000 euro. Dit bedrag is inclusief de certificering door certificeringsbureau KIWA. De kosten worden gedragen door de deelgemeente en de Meeus Groep die de vereniging van eigenaren van het winkelcentrum vormt. De ondernemersvereniging of individuele ondernemers betalen niet mee aan het keurmerk.” Het tot stand brengen van een KVO-samenwerking stuit in de praktijk meestal dan ook niet op grote problemen. De methode is eenvoudig en (relatief) niet duur (Dander, 2005). Samen Veilig Ondernemen Bij de projecten Samen Veilig Ondernemen slaan ondernemers, politie, (deel)gemeente, Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) en de Kamer van Koophandel de handen ineen om de criminaliteit in een specifiek gebied terug te dringen. De Kamer van Koophandel neemt hierbij vaak het initiatief om de partijen rond te tafel te krijgen en ondernemers, maar ook de andere partijen, te motiveren en stimuleren om deel te nemen. De bere- 4. Groepsgrootte en financiële consequenties kening van de kosten bij een project van Samen Veilig Ondernemen komt pragmatisch tot stand en hangt af van de problemen die moeten worden opgelost. Het project richt zich in veel gevallen onder meer op eenvoudig te realiseren oplossingen, zoals de bekendheid van de buurtagenten in een specifiek winkelgebied, of het vergemakkelijken van het doen van aangifte door eenvoudige aangifteformulieren. Bij oplossingen die wel een investering vragen, zoals het plaatsen van rampaaltjes of het inhuren van een particulier beveiligingsbedrijf, wordt per actie bepaald wat de kosten zijn en welke partij deze voor haar rekening neemt. Overigens vindt de inventarisatie van de noodzakelijke acties en kosten telkens aan het begin van het project plaats, zodat voor alle partijen inzicht bestaat in de noodzakelijke investering. De partijen gaan hierbij ook de mogelijkheden van subsidies na, om de kosten voor de partijen zo laag mogelijk te houden. Omdat de Kamer van Koophandel vaak initiatiefnemer is en specifieke taken voor haar rekening neemt, blijven de transactiekosten voor ondernemers laag. De Kamer van Koophandel neemt vaak niet alleen het initiatief, maar zorgt ook dat de partijen rond de tafel komen, er contacten met politie, justitie en de politiek worden gelegd, er een goede procesbegeleider en –begeleiding is en ten slotte verzorgt de Kamer van Koophandel ondersteuning bij een subsidieaanvraag. Hiermee zijn een deel van de transactiekosten gedekt. Zo organiseerde het Platform Criminaliteitsbeheersing Rotterdam-Rijnmond, een samenwerkingsverband waarvan de Kamer van Koophandel het secreta-riaat voert, voor het project Samen Veilig Ondernemen in Rotterdam-Zuidwijk in maart 2004 een veiligheidsavond voor ondernemers. Bij een lokale dansschool in de wijk werden de maatregelen van het project gepresenteerd, konden ondernemers kennismaken met de buurtagenten en konden de ondernemers een gratis training ‘omgaan met agressie’ volgen, aangeboden door de Kamer van Koophandel (Kamer van Koophandel, persbericht 9 maart 2004). Door de bewuste kleinschaligheid van de projecten, de nadruk op een betere samenwerking tussen bestaande partijen en het streven naar eenvoudig te realiseren maar effectieve maatregelen, blijven de kosten van Samen Veilig Ondernemen vaak laag. 4.2.2. Bijproducten Naast de transactiekosten is een andere belangrijke economische factor de wijze waarop wordt omgegaan met meeropbrengsten. In hoofdstuk 2 is een onderzoek van Marks en Croson uit 1998 besproken, waaruit blijkt dat de contributies van participanten significant hoger zijn wanneer de meeropbrengsten worden gestoken in een 34
    • 4. Groepsgrootte en financiële consequenties nieuw collectief goed met een continue productiefunctie (Ostrom, 2002). Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het planten van bomen bij een tunnel die door collectieve actie tot stand is gekomen en waarbij de bomen worden betaald met het geld dat over is van de tunnelbouw. De bomen leveren een continue bijdrage aan schone lucht en van de voordelen hiervan kan niemand worden uitgesloten. en worden de bijdragen van de deelnemende partijen per maatregel voldaan (Kamer van Koophandel, www.kvk.nl). Het is dus onmogelijk om tot meeropbrengsten te komen en binnen het project Samen Veilig Ondernemen wordt dus net als bij de andere twee initiatieven ook niet geïnvesteerd in een nieuw collectief goed met een continue productiefunctie. Bij Veilig Ondernemen komt de financiering tot stand via een kostenverdeling tussen de deelnemende ondernemers, de betreffende deelgemeente en het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR). Ondernemers moeten per jaar een bedrag tussen de 25.000 euro en 100.000 euro inzetten en dit bedrag wordt vervolgens ook bijgedragen door de deelgemeente en het OBR. De inleg van ondernemers wordt dus als het ware verdrievoudigd. Het totaal besteedbare bedrag is in de praktijk geheel afhankelijk van de hoogte van de inleg van de deelnemende ondernemers. Vervolgens wordt op basis van het beschikbare bedrag gekeken welke maatregelen kunnen worden ondernomen. In de praktijk blijkt er vaak niet veel geld over te blijven, omdat alles wordt geïnvesteerd in noodzakelijke maatregelen om de veiligheid te verbeteren. Overigens ontstaan bij Veilig Ondernemen wel zogenaamde ‘selective incentives’ zoals Olson ze noemde. In hoofdstuk 2 zijn deze beschreven en later dit hoofdstuk hierover meer. Net als bij de pilot Veilig Ondernemen worden bij het Keurmerk Veilig Ondernemen ook geen meeropbrengsten gecreëerd die worden geïnvesteerd in nieuwe collectieve goederen. Dit heeft vooral te maken met de uiterst beperkte stroom van financiële middelen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Rotterdamse pilot Veilig Ondernemen, ligt de nadruk bij het KVO niet op middelen. Sterker nog, het uitgangspunt bij het KVO is dat de verschillende partijen niet aanzienlijk meer gaan investeren. Het Handboek KVO-W (Stuurgroep Veilig Ondernemen, 2003) stelt: “Samenwerking is niet per definitie duurder. De praktijk van het KVO-W laat zien dat betere en meer veiligheid in een winkelgebied haalbaar en betaalbaar is: de betrokken partners kunnen meer doen met dezelfde inspanningen en voor hetzelfde geld.” Als er geen extra geldstromen op gang komen en de bijdragen van de verschillende ondernemers en partijen worden afgestemd op de noodzakelijke acties, is het onmogelijk tot meeropbrengsten te komen die kunnen worden geïnvesteerd in nieuwe collectieve goederen. Ten slotte wordt bij het project Samen Veilig Ondernemen bij de start van het project geïnventariseerd wat de gewenste acties of maatregelen zijn. Hierbij wordt door de betrokken partijen ook direct bepaald wat de kosten van de maatregelen zijn en wie deze kosten dient te dragen. Deze inventarisatie wordt gemaakt bij het opstellen van een plan van aanpak tijdens de allereerste fase van het project. Na deze inventarisatie worden de verschillende maatregelen uitgevoerd Van de Rotterdamse initiatieven Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen produceert er geen enkele standaard een nieuw collectief goed dat wordt gefinancierd met de meeropbrengsten binnen het project. Dit komt grotendeels door de wijze waarop binnen de initiatieven de kosten worden berekend en verdeeld. Ondanks de verschillen in de financieringsstructuur en projectopzet van de drie verschillende initiatieven, is het bij ieder initiatief vrijwel onmogelijk om tot meeropbrengsten te komen die worden geïnvesteerd in een collectief goed met een continue productiefunctie. Selective incentives Hierboven is al kort aangehaald dat binnen de pilot Veilig Ondernemen regelmatig zogenaamde ‘selective incentives’ worden geproduceerd. In hoofdstuk 2 wordt het begrip ‘selective incentive’ van Olson (1965) besproken, als tegenhanger van het onderzoek van Marks en Croson. Olson omschrijft een situatie waarbij individuen die een grote ‘latente’ groep vormen zichzelf toch succesvol organiseren, ondanks de sociale dilemma’s, namelijk als naast het nietuitsluitbare collectieve goed ook uitsluitbare bijproducten totstandkomen. Zoals hierboven aan de orde is gekomen produceert de pilot Veilig Ondernemen geen collectieve goederen met een continue productiefunctie die worden geproduceerd van de meeropbrengsten. Wel wordt bij verschillende projecten binnen de pilot Veilig Ondernemen geïnvesteerd in min of meer private goederen die overeenkomen met Olson’s ‘selective incentives’. Als één van de maatregelen kunnen namelijk private beveiligers worden ingezet in het betreffende gebied. Deze beveiligers houden naast de politie een oogje in het zeil. Hoewel min of meer alle ondernemers van de aanwezigheid van deze beveiligers profiteren, hebben de surveillanten een duidelijke private functie. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Deelnemers van Veilig Ondernemen krijgen een winkelscan aangeboden en een training voor zichzelf en het personeel. Pas daarna kunnen ze [gratis, OdV] een beroep doen op de beveiligers. (…) Een dief gaat op een gegeven moment naar winkels toe die geen winkelscan hebben gehad en ook hun personeel niet getraind 35
    • hebben.” De beveiligers die actief zijn binnen de pilot Veilig Ondernemen kunnen dus niet worden getypeerd als een collectief goed en zijn dus niet van toepassing op het onderzoek van Marks en Croson. Er kan niet vanuit een aansluiting bij dit onderzoek gesteld worden dat ze voor ‘significant hogere contributies van participanten leiden’. De private beveiligers kunnen echter wel getypeerd worden als een ‘selective incentive’ uit de theorie van Olson. De in hoofdstuk 2 besproken kritiek op dit deel van Olson’s theorie gaat in dit geval niet op. De beveiligers kunnen niet onder dezelfde voorwaarden en voor een lagere prijs door concurrenten worden ingezet. De inzet van de beveiligers wordt binnen de pilot Veilig Ondernemen immers gekoppeld aan de inzet van andere maatregelen binnen de pilot; de winkelscan en de personeelstraining. Samengevat investeert de pilot Veilig Ondernemen dus niet standaard meeropbrengsten in collectieve goederen, maar is het voor de projecten binnen de pilot wel mogelijk te investeren in private goederen die volgens Olson kunnen leiden tot een succesvolle organisatie van collectieve actie binnen grote ‘latente’ groepen. 4.2.3. Step-level productiefunctie Hoofdstuk 2 behandelde bij de economische oplossingsrichtingen de steplevel productiefunctie. Er is sprake van een step-level productiefunctie wanneer een collectief goed pas tot stand komt vanaf k participanten. De acties van een aantal tot deze k participanten maakt geen verschil in de uitkomsten die worden gerealiseerd. Denk bijvoorbeeld heel eenvoudig aan de realisatie van een brug, waarvoor het noodzakelijk is dat een bepaald aantal ondernemers bijdragen. Tot de gehele realisatie van de brug levert meeliften niets op, omdat het over een halve brug moeilijk rijden is. Anders gezegd; tot het goed daadwerkelijk totstandkomt is het niet mogelijk om mee te liften en zullen lokale ondernemers sneller ervaren dat hun bijdrage kritiek is voor de totstandkoming van de veiligheid in de openbare ruimte. In hoofdstuk 2 is al gesteld dat veiligheid van nature niet gekenmerkt wordt door een step-functie. Een collectief kan beginnen met het nemen van maatregelen, zodra de eerste bijdragen binnen zijn. Alleen wanneer dusdanige kapitaalintensieve maatregelen nodig zijn dat daar een aantal vanaf k participanten nodig is, ontstaat een ‘kunstmatige’ step-level functie. Bij het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen is dit niet het geval en komt de step-level functie niet voor. De pilot Veilig Ondernemen wijkt op het gebied van kostenverdeling echter enigszins af. Zoals eerder uitgebreid aan de orde is gekomen, worden de bijdragen van de ondernemers voor eenzelfde bedrag aangevuld door de deelgemeente en vervolgens ook door het OBR. Zij doen dit echter pas wanneer de ondernemers minimaal een bedrag van € 25.000,00 bijeen hebben gebracht. Elke bijdrage van het collectief ondernemers onder deze 4. Groepsgrootte en financiële consequenties som leidt niet tot een verdrievoudiging door de deelgemeente en het OBR. Deze constructie kan door de overheid of de ondernemers, mits juist gecommuniceerd (zie kader 4.1), worden ingezet als steplevel productiefunctie die de participatiegraad van ondernemers verhoogd. 4.3 Conclusies • De meeste pilots Veilig Ondernemen kunnen worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. De pilotgebieden beslaan vaak grote geografische gebieden die bestaan uit verschillende winkelstraten met een groot aantal ondernemers verspreid over het gebied. Wat betreft transactiekosten worden deze in verreweg de meeste gevallen gedragen door de deelgemeente en het OBR, waardoor de bijdragen van lokale ondernemers volledig worden ingezet voor het realiseren van veiligheid in de openbare ruimte. De pilot Veilig Ondernemen produceert naast de veiligheid geen goed met een continue productiefunctie, wel realiseren enkele projecten binnen de pilot ‘selective incentives’ volgens de theorie van Olson. Een voorbeeld hiervan zijn de particuliere surveillanten, waarop winkeliers pas een beroep kunnen doen na een winkelscan en het volgen van een training. • Hoewel de gebieden bij het Keurmerk Veilig Ondernemen geografisch afgebakende eenheden vormen, moeten zij gezien de grote aantallen ondernemers (150 bij het winkelcentrum Zuidplein) strikt worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. Het Keurmerk Veilig Ondernemen Alexandrium vormt hierop een uitzondering, omdat hier enkele projectontwikkelaars de kosten en uitvoering van het keurmerk voor hun rekening nemen. De transactiekosten worden vaak verdeeld onder de lokale overheid en de eigenaar of eigenaren van het winkelcentrum. In het voorbeeld van het KVO Zuidplein delen de deelgemeente en de eigenaar van het winkelcentrum de transactiekosten, inclusief de kosten voor certificering. De ondernemers dragen geen transactiekosten. Er zijn evenals bij de pilot Veilig Ondernemen geen meeropbrengsten die worden geïnvesteerd in goederen met een continue productiefunctie. • De projecten volgens de aanpak Samen Veilig Ondernemen kunnen als tussenliggende groep worden gekenmerkt. In de kleine winkelgebieden is snel duidelijk welke ondernemers wel en niet deelnemen en het effect van de bijdrage van individuele ondernemers wordt redelijk snel zichtbaar. De Kamer van Koophandel is vaak initiatiefnemer en deze organisatie neemt een groot deel van de transactiekosten voor haar rekening. De transactiekosten voor 36
    • ondernemers blijven hierdoor laag. Ook bij Samen Veilig Ondernemen ontstaan er door de wijze van financieren geen meeropbrengsten die kunnen worden geïnvesteerd in goederen met een continue productiefunctie. 4. Groepsgrootte en financiële consequenties Communicatie over deelnamekosten Veilig Ondernemen tussen winkeliers Hieronder allereerst een citaat uit de Nieuwsbrief Veilig Ondernemen Charlois (Winkeliersverenigingen Hart van Charlois e.a., 2003), vervolgens een alternatieve communicatieboodschap die mogelijk beter zou inspelen op de step-level productiefunctie. ‘Het aanbod van de gemeente Rotterdam en de deelgemeente Charlois aan de ondernemers is dat voor iedere € die de ondernemer inzet om veiligheid te verbeteren de gemeente en deelgemeente er ieder een € bijleggen. Samen bepalen de ondernemers en participanten waar dit geld voor beveiligingsmaatregelen aan geïnvesteerd wordt. Er is door de Wethouder wel een minimum jaarbedrag neergezet om de pilot te kunnen starten, namelijk € 25.000,- wat door de gemeente en deelgemeente verhoogt wordt tot € 75.000,-. Nu is € 25.000,- een berg geld, maar als zoveel mogelijk ondernemers lid worden van de winkeliersvereniging dan wordt het bedrag dat de ondernemers individueel moeten betalen lager. Voorbeeld: €25.000,— gedeeld door 25 leden is per lid € 1.000,— per jaar. €25.000,— gedeeld door 50 leden is per lid € 500,— per jaar. €25.000,— gedeeld door 75 leden is per lid € 334,— per jaar. €25.000,— gedeeld door 100 leden is per lid € 250,— per jaar. Samen kunnen wij zorgen dat per ondernemer de investering lager wordt. Word lid van de winkeliersvereniging en sta samen als ondernemers voor een nog veiliger winkelgebied. Samen staan wij sterker!’ Al met al een uiterst wervende en heldere tekst. Het opgestelde rekenvoorbeeld beschrijft echter voornamelijk het voordeel van nieuwe deelnemers voor huidige participanten en is weinig wervend. Een alternatieve tekst die inspeelt op de step-level productiefunctie op de participatiegraad zou als volgt kunnen luiden: ‘Wanneer we als ondernemers in Charlois samen minimaal € 25.000,00 bijdragen aan de veiligheid van het winkelgebied, leggen de deelgemeente en de gemeente hier ieder eenzelfde bedrag bij. Onze inleg wordt dus verdrievoudigd! Inmiddels heeft 60% van de Charloisse ondernemers aangegeven bij te willen dragen aan de veiligheid van het winkelgebied en staat de teller op € 20.000,00. Nog € 5.000,00 en we ontvangen € 50.000,00 van de gemeente voor het verbeteren van ons winkelgebied. Draag jij ook bij?’ Kader 4.1 - Het gebruik van de step-level productiefunctie bij de pilot Veilig Ondernemen. 37
    • 5. Gebiedsb epaling en inbed ding De Rotterdamse praktijk... “Voor een betere samenwerking tussen de verschillende partijen en de ondernemers is een goede organisatiegraad bij de ondernemers onontbeerlijk. Die belangrijke organisatiegraad kom je vooral tegen in kleine winkelgebieden.” Tekst: Leon Hoek, Kamer van Koophandel Ondernemers aan de Vlietlaan nemen deel aan het project Veilig Ondernemen Kralingen
    • In het vorige hoofdstuk is vooral gekeken naar ‘harde’ oplossingsrichtingen in de lijn van Olson’s werk uit 1965. De discussies rond collectieve actie werden toen voornamelijk gevoerd door economen. De afgelopen decennia is het blikveld bij de analyse van de dilemma’s van collectieve actie echter meer verschoven van economische naar sociale aspecten. In hoofdstuk 2 is gesteld dat collectieve actie het beste van de grond komt in bestaande gebieden met voldoende sociaal kapitaal. Vertaald naar lokale ondernemers betekent dit dat er sociale netwerken moeten bestaan tussen de aanwezige ondernemers en dat deze netwerken worden gekenmerkt door samenwerking, vertrouwen en reciprociteit. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kenmerken van de gebieden waarin de verschillende initiatieven Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen plaatsvinden. Daarnaast wordt ook weergegeven hoe de verschillende projecten zich in deze gebieden inbedden ofwel organiseren. 5.1 Bestaande gebiedsnetwerken In hoofdstuk 2 is gesteld dat vrijwillige samenwerking gemakkelijker tot stand komt in een lokale samenleving die een aanzienlijke hoeveelheid sociaal kapitaal bezit, in de vorm van normen van reciprociteit en netwerken van burgerschapszin. Sociaal kapitaal refereert hier aan de kenmerken van sociale organisatie, zoals vertrouwen, normen en netwerken die de efficiency van de samenleving kunnen verbeteren door gecoördineerde acties te faciliteren (Putnam, 1993). Of het nu gaat om individuele bewoners in een buurt, of in het geval van dit onderzoek de ondernemers, altijd speelt ‘vertrouwen’ een sleutelrol. Nog voor er sprake is van collectieve actie dient dit vertrouwen tot stand te komen via een eerste netwerk. In het geval van lokaal ondernemerschap is het in de meeste gevallen een ondernemersvereniging die mogelijkheden biedt voor onderling contact en wederzijds vertrouwen tussen de aanwezige ondernemers in een gebied. De ondernemersverenigingen bieden de ondernemers de mogelijkheden voor persoonlijk onderling contact. Dit persoonlijke contact tussen ondernemers is belangrijk om onderling vertrouwen te kunnen generen en de basis te leggen voor succesvolle collectieve actie. Ondanks de voordelen die er voor ondernemers zijn, is een actieve ondernemersvereniging geen vanzelfsprekendheid. Dit ondervindt ook de gemeente Rotterdam bij haar veiligheidsbeleid. In 2003 sprak wethouder Van Sluis (Economische Zaken) tijdens een stadsdebat over de betrokkenheid van ondernemers bij de kwaliteit van de openbare ruimte: “Voorwaarde is dat winkeliers en bedrijven zich beter organiseren. Ik maak regelmatig mee dat ondernemers klagen over criminaliteit, maar zelf met hun armen over elkaar blij- 5. Gebiedsbepaling en inbedding ven toekijken. Die gaan ervan uit dat onveiligheid alleen een probleem voor de politie of de overheid is. Dat is natuurlijk onzin”, aldus Van Sluis (Weltens, 2005). Ondanks de problemen en uitdagingen op dit gebied stellen de drie initiatieven de aanwezigheid van een actieve ondernemersvereniging allen als voorwaarde. Hieronder wordt ingegaan op de geldende ‘sociale’ criteria voor de gebieden waarin de initiatieven Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen worden ondernomen en de sociale netwerken die in de betreffende gebieden aanwezig zijn. Alle drie de initiatieven erkennen de noodzaak van een bestaand netwerk van de aanwezige ondernemers. Dit bestaande netwerk heeft echter bij ieder initiatief een andere omvang. Dit komt grotendeels door verschillen in schaalgrootte. Zoals in hoofstuk 4 aan de orde is gekomen, stellen de drie initiatieven verschillende eisen aan het gebied waarin het opgestart kan worden. Hieronder wordt duidelijk dat alledrie de initiatieven een actief ondernemersnetwerk eisen, maar dat de initiatieven dit netwerk elk op hun eigen manier inpassen in een eigen concept. Veilig Ondernemen In de Rotterdamse wijk Noord vindt een pilot Veilig Ondernemen plaats in een gebied met diverse winkelstraten en in totaal bijna 300 ondernemers. Ondanks deze schaalgrootte is bij de start wel gekeken naar aanwezige en actieve ondernemersnetwerken. De aanwezigheid van een functionerende ondernemersorganisatie, waarvan direct gebruik kan worden gemaakt bij de start van Veilig Ondernemen is een voorwaarde (Weltens, 2005). Toen men in 2002 de pilot Veilig Ondernemen in Rotterdam wilde opstarten is in samenwerking met de deelgemeenten en wijkeconomen gezocht naar gebieden die een extra inzet behoefden om te voorkomen dat ze in een neerwaartse spiraal terecht kwamen. Daarnaast was ook de aanwezigheid van een actief ondernemersnetwerk een voorwaarde. Uiteindelijk zijn alleen de gebieden geselecteerd met actieve en betrokken ondernemers. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Van de eerste zes [geselecteerde, OdV] gebieden zijn er twee later afgevallen. Van de twee gebieden die zijn afgevallen was bij de één de organisatiegraad wel hoog, alleen de afstemming onderling was er niet. In het andere gebied kon men niet aan de financiën komen en zij men: ‘alles wat buiten mijn deur gebeurt, is voor de overheid, daar doen wij niets aan.’” Uiteindelijk zijn voor de pilot Veilig Ondernemen alleen gebieden geselecteerd met een actief ondernemersnetwerk. De pilot wil 39
    • gebruikmaken van het aanwezige sociaal kapitaal, in de geest van de eerder aangehaalde Putnam (1993). Een voorbeeld hiervan is de pilot in de Rotterdamse wijk Charlois. Bij de start van iedere pilot stellen de deelnemende partijen (gemeente, deelgemeente en ondernemers) een convenant op dat door alle partijen wordt ondertekend. In Charlois is het convenant op 4 juli 2003 ondertekend door de Charloisse Winkeliersvereniging en de ondernemersvereniging Hart van Charlois. Beide ondernemersverenigingen vertegenwoordigen de deelnemende ondernemers in de pilot en zijn hierdoor het aanspreekpunt van beide andere partners, de gemeente en de deelgemeente. Overigens heeft het feit dat er twee actieve ondernemersverenigingen zijn alles te maken met de geografische omvang van het gebied. In hoofdstuk 4 is al gesteld dat het aantal ondernemers van de pilot Veilig Ondernemen in Charlois beperkt is, maar dat het project plaatsvindt op en rond drie grote straten die geen afgesloten geografische eenheid vormen. Dit project toont wel dat de pilot Veilig Ondernemen de aanwezigheid van actieve ondernemersnetwerken niet alleen als voorwaarde stelt, maar dat zij er ook daadwerkelijk actief gebruik van maakt binnen de pilot. Keurmerk Veilig Ondernemen Ook bij het Keurmerk Veilig Ondernemen let men bij de start van een project op de organisatiegraad van ondernemers. Het KVO, ontwikkeld door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, betreft een certificeringregeling die ontwikkeld is voor groepen bedrijven die een geografische eenheid vormen, zoals bedrijventerreinen en winkelcentra. Uitgangspunt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is dat er een duurzame samenwerkingsrelatie is tussen politie, gemeenten, ondernemers en andere betrokken organisaties (ILV, 2001). En hiernaast zijn aanvullende criteria voor een winkelgebied dat in aanmerking wil komen voor het KVO onder meer de aanwezigheid van een actieve ondernemersvereniging en een zekere mate van commitment van alle betrokken partijen (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Het KVO gaat dus niet alleen uit van een bestaand actief netwerk van ondernemers, maar ook van een situatie waarin dit netwerk ‘vertrouwen’ genereert en ondernemers betrokken zijn bij elkaar en het gebied waarin ze actief zijn. Om te waarborgen dat het initiatief inderdaad plaatsvindt in een gebied met een actief ondernemersnetwerk, maakt een analyse van de organisatiegraad standaard onderdeel uit van het stappenplan om te komen tot een KVO (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Samen Veilig Ondernemen Samen Veilig Ondernemen heeft als belangrijkste doel het verbeteren van de samenwerking tussen de partijen die de veiligheid in een winkelgebied 5. Gebiedsbepaling en inbedding kunnen verbeteren. Hierbij spelen de ondernemers een belangrijke rol. Het belang van een goed ondernemersnetwerk is dan ook meegenomen bij de opzet van het initiatief. In hoofdstuk 4 werd duidelijk dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de pilot Veilig Ondernemen, het project Samen Veilig Ondernemen met name plaatsvindt in kleine gebieden. Leon Hoek (Kamer van Koophandel): “Samenwerking is binnen het project Samen Veilig Ondernemen het sleutelwoord. Het gaat dan om een betere samenwerking tussen bijvoorbeeld ondernemers, de politie, de deelgemeente en de ROTEB. Voor een betere samenwerking tussen de verschillende partijen en de ondernemers is een goede organisatiegraad bij de ondernemers onontbeerlijk. Die belangrijke organisatiegraad kom je vooral tegen in kleine winkelgebieden. Terwijl de gemeente bij de pilot Veilig Ondernemen vooral uitkwam bij grote winkelgebieden, richten wij ons dus vooral op de kleine gebieden zoals compacte wijkwinkelcentra.” 5.1.1. Actieve ondernemers en schaalgrootte Hoewel elk van de drie initiatieven de aanwezigheid van een actief ondernemersnetwerk bij de start van het initiatief als voorwaarde stelt, vult ieder project dit op haar eigen wijze in. De pilot Veilig Ondernemen selecteert op basis van aanwezige actieve ondernemers die bereid zijn te investeren in de openbare ruimte. Hierbij worden niet of nauwelijks eisen gesteld aan de omvang van het gebied of het aantal aanwezige ondernemers. Bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is naast de eis van een actief ondernemersnetwerk ook de voorwaarde opgenomen dat het betreffende gebied een geografische eenheid dient te zijn. Deze twee voorwaarden vormen samen een duidelijk pakket van eisen, waaraan alleen specifieke gebieden voldoen. Het project Samen Veilig Ondernemen stelt dat een actief ondernemersnetwerk voornamelijk ontstaat in kleiner verband en richt zich tenslotte dan ook op kleinere winkelgebieden. Zoals in hoofdstuk 2 is gebleken, vormt ook bij de aanwezigheid van actieve ondernemersnetwerken de schaalgrootte een duidelijke scheidslijn tussen de initiatieven. Met name de pilot Veilig Ondernemen verbindt de eis van actieve ondernemers niet aan de omvang van het winkelgebied. In de praktijk blijkt de gebiedsomvang echter wel degelijk invloed te hebben op de deelname van ondernemers. Die betrokkenheid blijkt namelijk deels af te hangen van de grootte van het winkelgebied. Zo heeft de omvang van een winkelgebied logischerwijs consequenties voor de winkels die zich er vestigen. Landelijke ketens kiezen bijvoorbeeld sneller voor grote 40
    • winkelcentra, met een grote aantrekkingskracht op potentiële klanten, terwijl relatief kleine wijkwinkelcentra voornamelijk worden gevormd door kleine zelfstandigen. De aanwezigheid van grote professionele winkelketens met hoge omzetten is in de praktijk niet altijd een voordeel voor de organisatiegraad van ondernemers en zeker geen garantie voor de betrokkenheid bij het verbeteren van de veiligheid in het winkelgebied. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Het is erg moeilijk om de grote ondernemers te betrekken in het verhaal. Vaak staat er een zetbaas of een winkelmanager in en die zegt: ‘ik ben afhankelijk van het hoofdkantoor’.” Gevolg hiervan is dat deze winkels niet betrokken zijn bij het verbeteren van de veiligheid in het winkelgebied of dat ze een financiële bijdrage leveren, maar verder geen betrokkenheid tonen. Alledrie de initiatieven stellen voorwaarden aan de organisatiegraad van ondernemers voor een project wordt opgestart. Het Keurmerk Veilig Ondernemen, de pilot Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen vullen deze voorwaarden echter ieder anders in en stellen hierdoor verschillende eisen aan een gebied waarin mogelijk een project opgestart zal worden. Nadat hierboven aandacht is besteed aan het belang dat de verschillende initiatieven aan de organisatiegraad in een winkelgebied stellen, komt vervolgens hieronder aan de orde op welke wijze de initiatieven het actieve ondernemersnetwerk inbedden in het project. Hoe worden projecten georganiseerd en op welke wijze worden ondernemersnetwerken van burgerschapszin en vertrouwen geborgd? 5.2 Organisatie collectieve actie Tot nu toe is aan de orde gekomen in welke gebieden de verschillende projecten plaatsvinden, op welke wijze financiën een rol spelen en welke eisen de projecten stellen aan de organisatiegraad van ondernemers in potentiële projectgebieden. Wanneer eenmaal een gebied is geselecteerd, is het belangrijk om na te gaan hoe de verschillende initiatieven gebruikmaken van de aanwezige ondernemersnetwerken en hoe zij deze borgen in hun organisatie. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen zich organiseren in een geselecteerd gebied en op welke wijze zij de ondernemers in hun organisatie inbedden. 5.2.1. Participatie tijdens opstartfase De verschillende initiatieven verschillen in de wijze waarop ze het project organiseren. Hiervoor is aan de orde gekomen dat alledrie de initiatieven de participatie van ondernemers noodzakelijk achten, maar er blijken verschillende manieren om de deelname van ondernemers in de projectorganisatie te borgen. 5. Gebiedsbepaling en inbedding Veilig Ondernemen Allereerst kiest de pilot Veilig Ondernemen voor een formele organisatie. Bij de start van een project Veilig Ondernemen worden intenties en basisafspraken tussen partners vastgelegd in een convenant. Het convenant geldt als bezegeling van de samenwerking. In het convenant geven de partners aan zich in te zetten voor de veiligheid in een bepaald winkelgebied en expliciteren zij hoe ze dat willen bereiken, inclusief daarvoor benodigde en toegezegde middelen (Weltens, 2005). Zo vertegenwoordigen de Charloisse Winkeliersvereniging, NettoMarkt, ondernemersvereniging Hart van Charlois en Laurus alle ondernemers bij het project Veilig Ondernemen Charlois (zie kader 5.1). Overigens wordt de formele organisatie van de pilot Veilig Ondernemen, anders dan bij de andere initiatieven, centraal vastgelegd. De pilot is immers een centraal initiatief van de gemeente Rotterdam om de ondernemers te betrekken om zo de veiligheid in de openbare ruimte te verbeteren. Binnen de pilot Veilig Ondernemen vinden verschillende projecten plaats. Het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) voert de regie over deze projecten en stemt af met het gemeentelijk programmabureau Veilig, ondernemers en de deelgemeenten. Veilig Ondernemen Charlois Op 4 juli 2003 hebben de gemeente Rotterdam, deelgemeente Charlois, ondernemersvereniging Charloisse Winkeliersvereniging, NettoMarkt, ondernemersvereniging Hart van Charlois en Laurus het Convenant Veilig Ondernemen Charlois ondertekend. Het convenant geldt voor het gebied Wolphaertsbocht, Katendrechtse Lagedijk en Carnisse en loopt tot 31 december 2005. Per jaar dragen de ondernemers, de deelgemeente en het OBR namens de gemeente ieder €25.000,- bij aan het project. Vanaf 2006 moeten de ondernemers de activiteiten binnen het project zelfstandig kunnen voortzetten, zonder bijdrage van de gemeente en de deelgemeente. Kader 5.1 - Het convenant van Veilig Ondernemen Charlois Keurmerk Veilig Ondernemen Bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is ieder project opzichzelfstaand en vindt er geen centrale coördinatie plaats zoals bij de pilot Veilig Ondernemen. Wel maakt een formele borging van het project onderdeel uit van het stappenplan om een Keurmerk Veilig Ondernemen op te starten. Wanneer een gebied is geselecteerd, is het allereerste doel van het Keurmerk Veilig Ondernemen het realiseren van een krachtig lokaal samenwerkingsverband tussen 41
    • publieke en private partijen zoals ondernemers, gemeente en politie (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Het KVO gaat er vanuit dat publiek-private samenwerking vrijwillig maar niet vrijblijvend is. Voor een KVO is dan ook een rechtspersoon (stichting, coöperatie, vereniging of vennootschap) of een convenant noodzakelijk. Hierin moet worden vastgelegd dat vertegenwoordigers van de gemeente, de politie, de brandweer, en de ondernemers samen zullen werken aan de veiligheid in het winkelgebied. Ook worden taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de publieke en private partners gedefinieerd, evenals de loop van de geldstromen binnen de samenwerking, en inhoud, doorlooptijd en evaluatie van de samenwerking (Stuurgroep Veilig Ondernemen, 2003). De insteek van het Keurmerk Veilig Ondernemen is dus vergelijkbaar met de pilot Veilig Ondernemen. Alle afspraken over verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financien worden formeel vastgelegd en de ondernemers gelden als formele samenwerkingspartners en ondertekenen het akkoord. Anders gaat het bij Samen Veilig Ondernemen. Samen Veilig Ondernemen In tegenstelling tot het Keurmerk Veilig Ondernemen en de pilot Veilig Ondernemen kent Samen Veilig Ondernemen geen sterke projectmatige aanpak die formeel wordt vastgelegd in een convenant of rechtspersoon. Het doel is een overleg tussen verschillende partijen tot stand te brengen, die niet eindigt na Samen Veilig Ondernemen, maar structureel wordt. Wanneer een goed onderling contact tussen politie, ondernemers en (deel)gemeente ontbreekt, neemt in veel gevallen de Kamer van Koophandel het initiatief om de partijen rond de tafel te krijgen. Leon Hoek (Kamer van Koophandel): “We kiezen voor Samen Veilig Ondernemen vaak kleinere winkelcentra omdat deze goed beheersbaar zijn en de ondernemers elkaar al vaak kennen. Ons doel is allereerst om de ondernemers in gesprek te brengen met de gemeente, de reinigingsdienst en de politie. Alleen afstemming lost al veel problemen op. Partijen bij elkaar zetten is winst en wat er dan ook uitkomt, die winst pak je sowieso.” Het ontbreken van een formele bezegeling van de organisatie in een convenant of rechtspersoon tekent de meer vrijblijvende aanpak van Samen Veilig Ondernemen. Een andere reden waarom het, in tegenstelling tot de pilot Veilig Ondernemen, niet noodzakelijk is een convenant op te stellen is het ontbreken van financiële afspraken. “Vooraf betalen werkt niet. De ondernemers hebben dan nog geen vertrouwen in elkaar. Wij kiezen ervoor om pas over financiën te praten als de samenwerking is opgestart en er concrete maatregelen genomen moeten worden. De samenwerking heeft zich dan al bewezen en de bereidheid om te betalen is dan groter. Veel problemen, ik schat zo’n 70 tot 80 procent, is echter op te 5. Gebiedsbepaling en inbedding lossen door alleen al partijen in gesprek te brengen. Dit kost helemaal geen geld”, aldus Leon Hoek (Kamer van Koophandel). Wanneer gekeken wordt naar de borging van de deelname van ondernemers bij de start van de verschillende initiatieven, zijn er opmerkelijke verschillen. De pilot Veilig Ondernemen en het Keurmerk Veilig Ondernemen kiezen allebei voor een formele projectorganisatie, met een convenant of de oprichting van een rechtspersoon. De participatie van ondernemers is geborgd doordat de ondernemers een formele samenwerkingspartner zijn die het formele startdocument (het convenant of de oprichting van een rechtspersoon) ondertekenen. Samen Veilig Ondernemen kiest voor een andere aanpak. Bewust kiest dit project voor een informele aanpak, waarbij de verschillende partijen eerst rond de tafel worden gezet om met elkaar in gesprek te raken. Er worden bij de start geen financiële afspraken gemaakt en over een financiële bijdrage van ondernemers wordt pas gesproken als er daadwerkelijk maatregelen worden opgestart. Dit laatste gebeurt pas als de samenwerking zich heeft bewezen. Nu bekend is hoe de verschillende initiatieven worden opgestart, is het belangrijk te kijken hoe de initiatieven na de start worden uitgevoerd. Alleen borging van ondernemersparticipatie bij de start is onvoldoende, juist in de fase daarna, wanneer het tot daden moet komen, is het belangrijk de participatie te borgen. 5.2.2. Participatie tijdens uitvoeringsfase Hierboven is aan de orde gekomen hoe de inzet van ondernemers wordt gewaarborgd tijdens de opstartfase van de verschillende initiatieven. Hierbij zijn opvallende verschillen aan de orde gekomen. Het hoofdstuk eindigt met een analyse van de participatie van ondernemers tijdens de uitvoeringsfase. Op welke wijze is de participatie van ondernemers gewaarborgd wanneer het daadwerkelijk tot actie moet komen? In dit hoofdstuk gaat het voornamelijk om de organisatie tijdens de uitvoeringsfase. De communicatie tussen ondernemers onderling en de begeleidings-, project- of werkgroep en de ondernemers komt specifiek het volgende hoofdstuk aan de orde. Veilig Ondernemen Allereerst de pilot Veilig Ondernemen. Wanneer in een winkelgebied gestart wordt met de Veilig Ondernemen-aanpak wordt vaak een begeleidingscommissie geformeerd die het project tijdens de hele 42
    • looptijd begeleidt. Deze commissie staat onder regie van de deelgemeente en bepaalt de te nemen maatregelen en het actieprogramma en geeft doelen en prioriteiten aan. In de meest gangbare vorm bestaat de begeleidingscommissie uit vertegenwoordigers van de deelgemeente, ondernemers- of winkeliersvereniging, de politie en het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam die veelal vertegenwoordigd is via de wijkeconoom (Programmabureau Veilig, 2003, p. 12). Naast deelname van ondernemers in deze commissie hebben ondernemers ook via een andere weg invloed op het actieprogramma. Iedere pilot volgt een vast aantal fasen voor de uitvoering start. In de eerste fase vindt een analyse plaats van de aard en de omvang van het veiligheidsprobleem. Deze analyse wordt uitgevoerd met behulp van enquêtes, eigen waarneming, gesprekken met betrokkenen en dossier-onderzoek (Programmabureau Veilig, 2003). In alle gevallen wordt onderzoek gedaan onder zowel ondernemers als passanten, waarbij alle ondernemers uit het betreffende gebied aan kunnen geven wat volgens hun de grootste veiligheidsproblemen zijn en waar het project prioriteit moet leggen. Deze input van ondernemers wordt in latere fasen meegenomen bij het inventariseren van noodzakelijke maatregelen en vervolgens bij het opstellen van het actieprogramma. De maatregelen in dit actieprogramma worden na goedkeurig van het wijkveiligheidsactieprogramma uitgevoerd. De sturing van het actieprogramma ligt bij de deelgemeente, de begeleidingscommissie zorgt voor de afstemming en monitoring (Programmabureau Veilig, 2003). Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “De begeleidingscommissie overlegt één keer in de drie weken. Hier zit ook een vertegenwoordiger in van de ondernemers.” Keurmerk Veilig Ondernemen Net als bij de formele borging van de inbreng van ondernemers tijdens de opstartfase, zitten er ook belangrijke overeenkomsten tussen de pilot Veilig Ondernemen en het Keurmerk Veilig Ondernemen tijdens de uitvoeringsfase. Ook bij het Keurmerk heeft een vertegenwoordiging van de ondernemers zitting in een projectgroep en denken ondernemers mee bij het opstellen van noodzakelijke maatregelen om de veiligheid van het winkelgebied te verbeteren. De vorm waarop is echter verschillend. Het keurmerk wil niet zozeer komen tot een nieuwe taakverdeling tussen lokale partijen, maar veel meer onderlinge verantwoordelijkheden op elkaar afstemmen. De winkelier krijgt er niet de verantwoordelijkheid voor de openbare ruimte bij, maar wel stemmen bijvoorbeeld winkeliers en politie activiteiten op elkaar af, zodat er synergie-effecten ontstaan. Iedere partij houdt zijn eigen verantwoordelijkheden. (Stuurgroep Veilig Ondernemen, 2003). 5. Gebiedsbepaling en inbedding Alle betrokken partijen stellen samen bij de start van een project een actieplan op, met daarin vrijwillige maar niet vrijblijvende doelen en inspanningsverplichtingen. Tijdens de introductiefase van het Keurmerk wordt ook een werkgroep ingericht met hierin vertegenwoordigers van de verschillende private en publieke partijen. In deze werkgroep zijn uiteraard ook de ondernemers vertegenwoordigd, door een ondernemer met het mandaat om namens de overige ondernemers op te treden. Bij de start van de werkgroep gaat elke vertegenwoordiger na wat de organisatiegraad van zijn achterban is. Voor de ondernemer in de werkgroep betekent dit dat hij nagaat hoeveel winkeliers zijn aangesloten bij de vereniging (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). De vertegenwoordigers in de werkgroep worden geacht regelmatig de achterban bij elkaar te roepen om het draagvlak voor belangrijke documenten te peilen. Dit geldt uiteraard ook voor de ondernemer in de werkgroep. Zo organiseert de ondernemer in de werkgroep aan het begin van het project een bijeenkomst voor alle winkeliers om het concept Plan van Aanpak te bespreken. Maar ook verder tijdens het proces communiceert de werkgroep op regelmatige basis met de ondernemers. Zo zijn in de begroting, die bij de start van ieder project wordt opgesteld, public relations en communicatie standaard begrotingsposten. Hierbij gaat het onder meer om kickoff- en voorlichtingsbijeenkomsten en presentaties voor deelnemende ondernemers (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Hoewel het volgende hoofdstuk specifiek ingaat op de wijze waarop deelnemende bedrijven tijdens het project met elkaar communiceren, worden in dit hoofdstuk de communicatie-inspanningen van het KVO aangehaald om te beschrijven dat het Keurmerk bewust en planmatig werk maakt van het verankeren van het project in het bestaande ondernemersnetwerk. Door te zorgen voor een structurele informatievoorziening wil het KVO de participatie van de aanwezige ondernemers borgen (Centrum voor Crimininaliteitspreventie en Veiligheid, 2005). Samen Veilig Ondernemen Eerder zijn al verschillen tussen de aanpak van Samen Veilig Ondernemen en de overige initiatieven aan de orde gekomen en ook op dit onderdeel kiest Samen Veilig Ondernemen voor een andere aanpak. Dit komt deels door de kleinere schaal en de minder centraal gestuurde projectmatige aanpak. Ieder project dat is gestoeld op Samen Veilig Ondernemen staat op zichzelf, waarbij er centraal een plan van aanpak is gedefinieerd, dat per project afgestemd en ingevuld kan worden. Wel wordt er net als bij de twee andere initiatieven een centrale coördinatiegroep ingericht. Deze wordt in tegen- 43
    • stelling tot de andere twee initiatieven niet voorgezeten door de lokale overheid, maar in veel gevallen door de Kamer van Koophandel. De Kamer van Koophandel neemt in de meeste gevallen het initiatief om partijen te enthousiasmeren en te stimuleren om deel te nemen. Het gaat hierbij onder meer om de ondernemers, politie, (deel)gemeente en het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR). (bron: Kamer van Koophandel, www.kvk.nl). De werkgroep heeft hiermee een vergelijkbare samenstelling als bij de andere twee initiatieven. Namens de ondernemers neemt een winkelier zitting in de werkgroep. Ook binnen SVO wordt erkend dat het belangrijk is dat deze ondernemer een georganiseerde achterban vertegenwoordigt. “De organisatiegraad van ondernemers in het betreffende gebied is ons speerpunt. Ondernemers moeten zich verenigen om succesvol in gesprek te kunnen gaan met de gemeente, politie en bijvoorbeeld de reinigingsdienst. Vereniging geeft kracht. Als er in een gebied nog geen ondernemersvereniging is, nemen wij hiertoe vaak het voortouw. In de praktijk blijkt dat een ondernemersvereniging in oprichting veiligheid direct als eerste bij de hoorns pakt. Het is voor de vereniging ook een goed verkoopargument richting winkeliers die nog geen lid zijn”, aldus Leon Hoek (Kamer van Koophandel). Samen Veilig Ondernemen is het enige initiatief dat hiermee direct stuurt op de oprichting van ondernemersverenigingen. Dit komt onder meer doordat de Kamer van Koophandel de regie heeft bij Samen Veilig Ondernemen. Deze organisatie is gericht op het stimuleren van ondernemerschap en het creëren van een goed ondernemersklimaat (bron: Kamer van Koophandel, www.kvk.nl). De ondernemers, bij voorkeur samengekomen in een vereniging, zorgen niet alleen voor een vertegenwoordiging in de werkgroep, maar krijgen binnen de uitvoeringsfase een nadrukkelijke participatieve rol. Onderdeel van het stappenplan dat de Kamer van Koophandel standaard hanteert bij projecten Samen Veilig Ondernemen is een probleeminventarisatie. Er wordt onderzocht met welke problematiek de ondernemers te maken hebben en in welke mate. De veiligheidssituatie wordt in kaart gebracht door middel van een enquête onder ondernemers. De resultaten van dit onderzoek vormen de basis voor het plan van aanpak, waarin de werkgroep doelstellingen vastlegt en bepaalt met welke maatregelen zij deze doelstellingen denkt te realiseren (bron: Kamer van Koophandel, www.kvk.nl). De inbreng van ondernemers in het betreffende gebied, hebben hiermee een belangrijke inbreng in het project en de inspanning van de Kamer van Koophandel om de ondernemers te verenigingen toont het belang dat binnen Samen Veilig Ondernemen wordt gehecht aan de participatie van de lokale ondernemers. 5. Gebiedsbepaling en inbedding In dit hoofdstuk is gekeken naar de wijze waarop ondernemers tijdens de opstartfase en de uitvoeringsfase binnen de verschillende initiatieven participeren of in ieder geval hiertoe de mogelijkheid hebben. Er zijn hierbij fundamentele verschillen aan de orde gekomen over de wijze waarop ondernemers tijdens de verschillende fasen de ruimte wordt geboden om te participeren en de manier waarop de verschillende initiatieven dit stimuleren en borgen. In het volgende en laatste hoofdstuk wordt gekeken op welke wijze de verschillende initiatieven met ondernemers communiceren. Tijdens de theoretische verkenning in hoofdstuk 2 bleek communicatie van doorslaggevende betekenis voor de private bijdrage aan collectieve goederen. 5.3 Conslusies • De aanwezigheid van een functionerende ondernemersorganisatie, waarvan bij de start direct gebruik kan worden gemaakt is voor Veilig Ondernemen een voorwaarde. Bij de selectie van gebieden waarin een pilot wordt opgestart is de aanwezigheid van actieve en betrokken ondernemers een absolute voorwaarde. De betrokkenheid van ondernemers wordt vooral gemeten door de individuele bereidheid om een financiële bijdrage aan het project te leveren. Daarnaast worden ook pilots gestart in gebieden met verschillende winkeliersverenigingen, waarbij de ondernemers niet rechtstreeks met elkaar contact hebben. • Uitgangspunt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is dat er een duurzame samenwerkingsrelatie is tussen politie, gemeenten, ondernemers en andere betrokken organisaties. En hiernaast zijn aanvullende criteria voor een winkelgebied dat in aanmerking wil komen voor het keurmerk onder meer de aanwezigheid van een actieve ondernemersvereniging en een zekere mate van commitment van alle betrokken partijen. Een analyse van de organisatiegraad maakt standaard onderdeel uit van het stappenplan om te komen tot het keurmerk. • Het belang van een goed ondernemersnetwerk is meegenomen bij de opzet van Samen Veilig Ondernemen. Het project richt zich specifiek op kleinere winkelgebieden omdat hier volgens het project de organisatiegraad van ondernemers het hoogst is. Als er nog geen actieve ondernemersvereniging aanwezig is, wordt binnen het project gestuurd op de oprichting ervan. 44
    • 6 . C om mu n i ca t i e De Rotterdamse praktijk... Er is geen andere variabele met een dergelijk sterk en consistent effect op de uitkomsten van collectieve actie als face-to-face communicatie. Het effect is veruit het grootst bij persoonlijke face-to-face communicatie en aanzienlijk kleiner bij digitale communicatie. Tekst: Elinor Ostrom, 1998. In het Oude Noorden zijn de ondernemers inmiddels overgestapt op het Keurmerk Veilig Ondernemn
    • In het vorige hoofdstuk is gekeken naar de kenmerken van het gebied waarin ieder project zich afspeelt en naar de wijze waarop de projecten de participatie van ondernemers procesmatig borgen. In dit hoofdstuk wordt ten slotte gekeken naar de communicatie binnen de groep participanten. In hoofdstuk 2 is immers gesteld dat consistente, repliceerbare en omvangrijke onderzoeken uitwijzen dat de samenwerking substantieel toeneemt wanneer individuen in staat worden gesteld om persoonlijk met elkaar te communiceren. Sterker nog: er is volgens Ostrom (1998) geen andere variabele met een dergelijk sterk en consistent effect op de uitkomsten van collectieve actie als face-to-face communicatie. Het is dus voldoende gerechtvaardigd dit laatste hoofdstuk volledig aan communicatie binnen de verschillende initiatieven te wijden. Allereerst wordt gekeken naar de algemene communicatieaanpak van de verschillende initiatieven en het belang dat zij aan bewust gehanteerde vormen van communicatie hechten. Vervolgens wordt specifiek gekeken naar face-to-face communicatie en de mate waarin de drie verschillende initiatieven hier waarde aan hechten in hun projectopzet. 6.1 Communicatieaanpak Als het gaat om het betrekken van ondernemers bij de veiligheid van de openbare ruimte is communicatie onontbeerlijk. Communicatie tussen de overheid en ondernemers, maar ook communicatie tussen ondernemers onderling. Hoe passen de projecten Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen het instrument communicatie toe binnen hun projectaanpak? Later dit hoofdstuk komt uitgebreid aan de orde dat face-to-face communicatie het meest sterke instrument is als het gaat om het creëren van vertrouwen en onderlinge samenwerking. Communicatie kan echter ook op andere en minder persoonlijke en directe wijze een rol spelen bij collectieve actie. Zo is in hoofdstuk 2 gesteld dat communicatie een belangrijke functie kan vervullen als het gaat om het waarneembaar maken van effecten van individuele acties. In grote groepen zien deelnemers niet het effect van hun bijdrage, waardoor een stimulans om deel te nemen ontbreekt en meeliften hierdoor een goede optie wordt. De waarneembaarheid van effecten die door individuen worden bereikt, hoeft niet van nature aanwezig te zijn, maar mag ook kunstmatig tot stand komen door middel van communicatie (Ostrom, 1987; Olson, 1965). Het is dus allereerst goed om te kijken naar de algemene communicatieaanpak van Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen. Veilig Ondernemen Communicatie vormt een wezenlijk onderdeel van de Veilig Ondernemenaanpak. Communicatie gaat niet vanzelf. Wil de Veilig Ondernemen- 6. Communicatie aanpak slagen, dan dient er planmatig en doelgericht gecommuniceerd te worden (Programmabureau Veilig, 2003). En dat is wat de pilot Veilig Ondernemen dan ook wil doen. Omdat de deelgemeente de regie heeft bij de aanpak van veilig ondernemen ligt hier ook de eerste verantwoordelijkheid voor de communicatieaanpak. De afdeling Communicatie van de deelgemeente vervult hierin een belangrijke rol. Deze afdeling heeft ook de regierol bij het informeren van de media (Programmabureau Veilig, 2003, p. 12 en 13). Een goede interne en externe communicatie is een wezenlijk onderdeel van Veilig Ondernemen en voorwaarde voor succes. Doelgroepen van de communicatie zijn alle ondernemers in het gebied, de achterban van de partners, bewoners, politiek (deelgemeente/stad) en pers. Vaste doelen van communicatie zijn bekendheid met de aanpak bij ondernemers, bewoners en bestuurders, het zichtbaar maken van de resultaten en het vertrouwen wekken in de aanpak. Middelen per doelgroep kunnen variëren. In een communicatieplan worden onder meer per doelgroep de in te zetten middelen benoemd. Dat kan variëren van ondernemerskranten, wijkbladen en lokale radio tot voorlichtingsbijeenkomsten, ondernemersavonden, nieuwsbrieven en bewonersbrieven. Naast de projectmatig ingezette communicatiemiddelen hebben ondernemers een eigen verantwoordelijkheid om te communiceren over de aanpak en de resultaten via hun eigen netwerken en informatiekanalen (Weltens, 2005). Communicatie wordt binnen de pilot niet alleen ingezet om ondersteuning te bieden aan andere instrumenten om de veiligheid te verbeteren, maar wordt ook gezien als instrument op zichzelf. Als meest bekende maatregel noemen de ondernemers die deelnemen aan de pilot Veilig Ondernemen Charlois (bron: www.veiligondernemencharlois.nl): 1. Particuliere beveiliging 2. Nieuwsbrief VO 3. Burenbelsysteem Dit betekent dat communicatie geborgd is in het project en dat de participanten deze inspanningen opmerken. Wel gaat het hier niet om een persoonlijk en direct communicatiemiddel. In hoeverre de pilot werk maakt van face-to-face communicatie tussen de deelnemers komt later dit hoofdstuk aan de orde. Keurmerk Veilig Ondernemen Binnen het KVO-W wordt veel belang gehecht aan een zorgvuldige communicatie binnen de samenwerkingspartners, als ook aan com- 46
    • municatie met andere belanghebbenden. Niet alleen de samenwerking tussen de partijen, maar ook de verplichting om over de activiteiten te communiceren met andere belanghebbenden dan de samenwerkingspartners, is vastgelegd in het Model Convenant Veilig Ondernemen. Daarnaast bevat het stappen plan om te komen tot een KVO (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005) verschillende activiteiten om een zorgvuldige onderlinge communicatie te waarborgen: “Er moet een efficiënte en effectieve informatie-uitwisseling plaatsvinden tussen de partijen. E-mail is uitermate geschikt. Een geactualiseerd overzicht van relevante namen, adressen en e-mailadressen is van belang.” In de aanloop naar de certificering bevat het stappenplan van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005) bewuste activiteiten om zoveel mogelijk draagvlak te creëren onder participanten en ondernemers die nog niet deelnemen en om hen actief te stimuleren om dit wel te doen. Zo bestaat stap 3 van het stappenplan uit een ‘kick-off (bijeenkomst) van het project’. Volgens het stappenplan is het van belang om deze bijeenkomst op een aantrekkelijke wijze vorm en inhoud te geven, onder meer met behulp van een ‘wervende’ presentatie. Tijdens deze presentatie komen de voordelen van het KVO, de subsidiemogelijkheden en de planning aan de orde. Om de (potentiële) ondernemers extra te stimuleren, komen ook ‘best practices’ uit vergelijkbare winkelgebieden aan de orde. Naast de presentatie wordt tijdens de kickoff gebruik gemaakt van ‘ondersteunend PR-materiaal’. Om mensen bekend te maken met KVO worden stickers, brochures, handboeken en pennen uitgereikt. Buiten de kick-off bijeenkomst worden mogelijk extra voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd om draagvlak te verwerven voor het project. Ook tijdens deze bijeenkomsten wordt bewust geprobeerd potentiële deelnemers te prikkelen. Zo schrijft het stappenplan voor om ‘gezaghebbende sprekers’ uit te nodigen, met een brede ervaring op het gebied van veiligheid en het voorkomen van criminaliteit (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Om de betrokkenheid van de partijen na de bijeenkomsten te vergroten of ondernemers alsnog te prikkelen om deel te nemen, worden ondernemers structureel geïnformeerd over en betrokken bij ontwikkelingen. Hiervoor kan volgens het stappenplan onder meer gebruik worden gemaakt van schriftelijke informatie, hoorzittingen, voorlichtingsbijeenkomsten, persberichten, lokale radio en televisie (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Communicatie wordt bij het KVO niet alleen ingezet om te informeren en draagvlak te verwerven onder (potentiële) participanten, maar ook om binding tussen de deelnemers te creëren. Binnen de methode van het KVO wordt namelijk veel aandacht besteed aan herkenbaarheid. Voor het 6. Communicatie keurmerk is een eigen logo ontwikkeld en ook op andere manieren wordt geprobeerd de herkenbaarheid van het project te vergroten. Zo geeft het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid het advies om de herkenbaarheid van het project voor alle deelnemers te vergroten door speciaal briefpapier te (laten) maken waarin het logo van het KVO is verwerkt (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2005). Communicatie Keurmerk Veilig Ondernemen Communicatie over de voortgang van het Keurmerk is erg belangrijk. Doelgroepen van communicatie zijn: de achterban van ondernemers en de consumenten. Er zijn diverse vormen van communicatie: 1. Perspublicaties; Een kort persbericht waarin uitleg wordt gegeven over het KVO (wat is het, voor wie is het bestemd, wat zijn de voordelen, wat zijn de te nemen stappen, etc.) 2. Publicaties in het winkelcentrum; a. Borden bij de entrees van het winkelcentrum; b. Speciale stickers* en/of posters voor de deelnemers; c. Flyers/pamfletten. 3. Presentaties/informatieavonden; a. Voor de deelnemers (achterban); b. Voor (lokale) politieke partijen, raadsleden en het college van b&w. 4. Overige; a. Eigen internetpagina of vermelding op bestaande pagina’s; b. Voorlichtingsmateriaal voor scholen. * Raamstickers met het KVO-logo op winkels zorgt voor herkenbaarheid (voor de consumenten) en betrokkenheid (voor de deelnemers). Bron (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2005) Kader 6.1 - Communicatie rond het Keurmerk Veilig Ondernemen. Zoals hierboven is geschetst, speelt communicatie met name in de eerste fase tot de certificering een rol. Het KVO is zich er van bewust dat communicatie echter niet alleen voor de certificering belangrijk is, maar ook daarna een belangrijke rol kan spelen. Na het behalen van de eerste ster is het zaak de doelstellingen daadwerkelijk in de dagelijkse praktijk te realiseren. Een aandachtspunt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is dat niet alle partijen altijd 47
    • 6. Communicatie even nauw betrokken zijn bij het opstellen van het plan van aanpak, waardoor ze ook niet allemaal even sterk gecommitteerd zijn. Door gericht te communiceren en betrokkenheid te creëren tot en met de hercertificering, kunnen steden partijen ‘bij de les’ en gemotiveerd houden (Dander, 2005). veiligheid suggereert dat het gebied onveilig is of dat er iets aan de hand is en verbloemd wordt. Hesseplaats is een veilig gebied. Ook aangetoond door cijfers en feiten van de politie en de veiligheidsindex van de stad”, aldus het publiciteitsplan. Samen Veilig Ondernemen De Kamer van Koophandel ziet communicatie tussen partners als belangrijkste pijler binnen hun aanpak. “We kiezen voor Samen Veilig Ondernemen vaak kleinere winkelcentra omdat deze goed beheersbaar zijn en de ondernemers elkaar al vaak kennen. Ons doel is allereerst om de ondernemers in gesprek te brengen met de gemeente, de reinigingsdienst en de politie. Alleen afstemming lost al veel problemen op. Partijen bij elkaar zetten is winst en wat er dan ook uitkomt, die winst pak je sowieso”, aldus Leon Hoek (Kamer van Koophandel). De communicatie krijgt dus allereerst vorm door een samenwerking op te zetten tussen betrokken partijen en leden hiervan letterlijk met elkaar rond de tafel te zetten. Zo is voor het project Samen Veilig Ondernemen Hesseplaats een afstemmingsoverleg gestart waaraan vertegenwoordigers van Stadstoezicht, Kamer van Koophandel, deelgemeente Prins Alexander, politie, de eigenaar van het winkelcentrum, de beheerder en de ondernemers deelnemen (Deelgemeente Prins Alexander, 2004). In hoofdstuk 2 bleek face-to-face communicatie de kritische succesfactor. Face-to-face communicatie heeft immers een groot effect op de mate van samenwerking, omdat het een sterke invloed heeft op de relatie tussen vertrouwen, reciprociteit en een betrouwbare reputatie (Ostrom, 1998). Deze persoonlijke communicatie moet plaatsvinden tijdens regelmatige bijeenkomsten. Hoe vaak zien en spreken de deelnemende ondernemers aan de verschillende initiatieven elkaar en hoe sterk is persoonlijke en directe communicatie geworteld in de opzet van Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en Samen Veilig Ondernemen? De communicatie bij Samen Veilig Ondernemen gaat echter verder dan het afstemmingsoverleg. Voor SVO Hesseplaats is een publiciteitsplan geschreven waarin de communicatiestrategie staat beschreven van het project. Communicatie richt zich op consumenten, ondernemers/winkeliers en het winkelpersoneel. Het communicatieplan (Deelgemeente Prins Alexander, 2004) meldt: “Consumenten proberen we te bereiken via intermediairs zoals winkeliers en hun personeel (ambassadeurs van het winkelcentrum), opbouwwerk, bewonersorganisaties en door zoveel mogelijk gebruik te maken van reeds bestaande middelen. Dergelijke middelen zijn de deelgemeentepagina in de huis-aan-huiskrant Groot Alexander, de krant Ondernemend Alexander, de websites van de deelgemeente, de Kamer van Koophandel en het winkelcentrum en berichten in de lokale media. De ondernemers en het winkelpersoneel bereiken we zoveel mogelijk via persoonlijke communicatie.” Over deze persoonlijke communicatie richting ondernemers gaat het in de volgende paragraaf. Binnen de communicatiestrategie is de volgende kernboodschap voor Samen Veilig Ondernemen Hesseplaats geformuleerd: “Wij werken samen en met succes aan een veilig en aantrekkelijk winkelcentrum!” Het publiciteitsplan (Deelgemeente Prins Alexander, 2004) vermeld hierbij als noot dat de communicatie subtiel moet zijn. “Nadrukkelijk communiceren over 6.2 Face-to-face communicatie Veilig Ondernemen Bij de beschrijving van de algemene communicatieaanpak is aan de orde gekomen dat de pilot Veilig Ondernemen bewust communicatie toepast. Vaste doelen van communicatie zijn bekendheid met de aanpak bij ondernemers, bewoners en bestuurders, het zichtbaar maken van de resultaten en het vertrouwen wekken in de aanpak. Bij deze doelen behoren communicatiemiddelen die variëren per doelgroep. Wel is er relatief vaak sprake van schriftelijke of digitale media, waaronder: ondernemerskranten, wijkbladen, lokale radio, nieuwsbrieven en bewonersbrieven. Daarbij komen ook voorlichtingsbijeenkomsten en ondernemersavonden, maar worden deze bewust toegepast vanwege de waarde van face-to-face communicatie? Binnen de projecten Veilig Ondernemen worden bewust niet heel regelmatig bijeenkomsten georganiseerd. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Twee keer per jaar zijn er bijeenkomsten met alle deelnemers. Eén keer is er een presentatie van de cijfers en de voorstellen van wat je gaat doen. De andere keer is zeg maar even bijpraten, stand van zaken doornemen, nieuwe ideeën lanceren, vragen of ondernemers nieuwe ideeën hebben en het jaar uitluiden en het volgende jaar weer met frisse moed verder en in ieder geval aangeven wat je het nieuwe jaar wil gaan doen.” Het doel van deze bijeenkomsten is vooral van functionele aard en niet primair vanwege de positieve waarde van persoonlijke communicatie tussen de participanten voor het collectieve proces. “We hebben er ook wel- 48
    • eens bij één keer in de twee maanden [iedere twee maanden een bijeenkomst, OdV], maar dat is wel erg veel. Moet ik iedere twee maanden vertellen dat ik weer een stukje verder ben.”, aldus Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR). Ondanks het feit dat de pilot Veilig Ondernemen persoonlijke bijeenkomsten met name functioneel inzet, ziet het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam wel een mogelijke nieuwe functie van bijeenkomsten tijdens collectieve actie. Deze functie hebben ze ontdekt toen een Rotterdamse delegatie in de eerste helft van 2005 in Birmingham ging kijken naar de werking van de zogenoemde Business Improvement Districts (BID). Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR) vervolgt: “In Engeland werken ze niet met economische sancties, maar het is wel zo dat je als ondernemer aangesproken wordt. Je bent daar gevoelig voor, omdat iedere keer je naam genoemd wordt als jij er zo’n zooitje van maakt voor je deur. Dat wordt tijdens de bijeenkomsten betoogd. Dat soort bijeenkomsten is ook wel interessant, omdat zo naar buiten te communiceren.” In hoofdstuk 2 is deze functie van face-to-feace communicatie uitvoerig beschreven. Ostrom (1998) is van mening dat face-to-face communicatie normen binnen de groep kan handhaven. Onderling vertrouwen en de mate van samenwerking nemen volgens Ostrom onder meer toe wanneer participanten de mogelijkheid worden geboden om elkaar aan te spreken, individuen die niet reciproceren op een duidelijke manier te straffen en sancties te bespreken voor degenen die zich niet houden aan de geldende normen. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat de participanten elkaar regelmatig zien en spreken. Binnen de pilot Veilig Ondernemen is het aantal bijeenkomsten bewust beperkt en wordt deze functie nog niet benut. Communicatie met allochtone ondernemers Hoewel men binnen de pilot Veilig Ondernemen dus niet heel bewust zeer regelmatige directe en persoonlijke communicatie toepast, wordt face-toface communicatie wel heel bewust ingezet om allochtone ondernemers te betrekken. Dit gebeurt voornamelijk bij de start van het project, om allochtone ondernemers over te halen om bij te dragen aan het project. Henk Visser (projectmanager MKB van het OBR): “Niemand weet nog hoe het moet met ondernemers die eigenlijk moeilijk te verstaan zijn, om ze te overtuigen dat het belangrijk is dat ze meedoen in dit verhaal. Als we een avond bij de deelgemeente organiseren dan komt er niemand, doen we het bij een lokaal koffie- of theehuis dan zitten er behoorlijk wat allochtone ondernemers. Dus tegenwoordig gaan we op locatie.” Hoewel de opkomst dus behoorlijk is, is het resultaat nog niet altijd bevredigend. “Als voorbeeld, in Charlois aan de Katendrechtse Lagendijk daar zijn we 6. Communicatie een aantal weken dagen achter elkaar bij allochtone ondernemers binnengeweest. Dat heeft echt tientallen uren gekost en we hebben vier leden gemaakt voor Veilig Ondernemen.” De pilot Veilig Ondernemen wordt veel toegepast in gebieden met allochtone ondernemers en de communicatie levert daarom veel leerpunten en nieuwe inzichten op. Seyfi Özgüzel van SSNT-CCS, een bureau dat oplossingen aanreikt voor zakelijke en maatschappelijke vragen die ontstaan op plaatsen waar culturen elkaar raken of elkaar juist niet ontmoeten: “Door de pilot Veilig Ondernemen Charlois zijn wij ingehuurd om de participatie van allochtone ondernemers bij Veilig Ondernemen te vergroten maar ook om de allochtone en autochtone ondernemers dichter bij elkaar te brengen. De verschillende ondernemers moeten met elkaar leren communiceren, want communicatie gaat vaak om meer dan alleen de taal. Zo willen allochtone ondernemers bijvoorbeeld persoonlijk uitgenodigd worden voor een bijeenkomst. Een uitnodigingsbrief zegt hen niet veel, want ze hebben de persoon die hen uitnodigt nog nooit gezien!” (Weltens, 2005). Keurmerk Veilig Ondernemen Bij de beschrijving van de algemene communicatieaanpak van het KVO is aan de orde gekomen dat communicatie bewust wordt ingezet om draagvlak onder participanten te vergroten en ondernemers die nog niet deelnemen te stimuleren dit alsnog te gaan doen. Dit gebeurt met een verscheidenheid aan communicatiemiddelen en ‘ondersteunend PR-materiaal’, waaronder face-to-face communicatie. Bij het Keurmerk Veilig Ondernemen wordt veel aandacht besteedt aan het informeren en betrekken van deelnemende partijen. In de begroting, die bij de start van ieder project wordt opgesteld, zijn public relations en communicatie standaard begrotingsposten. Deze posten moeten omvangrijk genoeg zijn om de verschillende communicatie-instrumenten die deel uitmaken van het standaard draaiboek KVO uit te voeren. Hierbij gaat het onder meer om kick-off bijeenkomsten, PR-materiaal als stickers, brochures en pennen, voorlichtingsbijeenkomsten, de inhuur van deskundige sprekers, hoorzittingen en verschillende schriftelijke informatiemiddelen (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Er wordt opvallend veel geïnvesteerd in bijeenkomsten en ceremonies waarbij wordt stilgestaan bij behaalde resultaten. Dit is een bewuste keuze. Voor ondernemers die willen deelnemen aan een KVO, is deze deelname niet vrijblijvend. De vertegenwoordigers in de werkgroep worden geacht regelmatig de achterban bij elkaar te roepen om het draagvlak voor belangrijke documenten te peilen. Dit geldt uiteraard ook voor de 49
    • ondernemer in de werkgroep. Zo organiseert de ondernemer in de werkgroep aan het begin van het project een bijeenkomst voor alle winkeliers om het concept Plan van Aanpak te bespreken. Maar ook verder tijdens het proces communiceert de werkgroep op regelmatige basis met de ondernemers. Zoals gezegd zijn kickoff- en voorlichtingsbijeenkomsten en presentaties voor deelnemende ondernemers standaard begrotingsposten (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Een goed voorbeeld van bewust toegepaste face-to-face communicatie is de ceremonie die volgens het standaard stappenplan plaatsvindt nadat certificering heeft plaatsgevonden. De certificering wordt ‘gevierd’ met een feestelijke ceremonie. Uiteraard worden alle betrokken partijen, waaronder ondernemers, gemeente, brandweer en beveiligingsbedrijven, voor de viering uitgenodigd. Daarnaast worden een professionele ceremoniemeester, sprekers en de locatie geregeld. Het stappenplan geeft als advies mee om voor de burgemeester een prominente rol weg te leggen. Verder stelt het stappenplan voor om de ceremonie in het winkelcentrum plaats te laten vinden. Daarnaast moet volgens het stappenplan een professionele organisatie worden belast met de organisatie van de communicatie. Een opvallend aandachtspunt wat het stappenplan in deze fase noemt is de bereikbaarheid van alle winkeliers. Uiteindelijk krijgen alleen de deelnemende organisaties tijdens de ceremonie een speciale deursticker om zich van niet-deelnemende winkeliers te kunnen onderscheiden (Hoofdbedrijfschap Detailhandel, 2005). Samen Veilig Ondernemen In de vorige paragraaf is gesteld dat communicatie één van de pijlers is binnen de aanpak van Samen Veilig Ondernemen. Specifiek gaat het hier met name om face-to-face communicatie. Leon Hoek (Kamer van Koophandel): “Het doel van Samen Veilig Ondernemen is om partijen met elkaar in gesprek te brengen. Zo is het belangrijk dat ondernemers in gesprek gaan met de gemeente, de Roteb en de politie. Onderlinge afstemming lost veel problemen op. Door communicatie slaagt 70 tot 80 procent van al onze maatregelen.” Eerder in dit hoofdstuk is aan de orde gekomen dat Samen Veilig Ondernemen zich specifiek richt op de kleinere winkelgebieden, omdat deze beter beheersbaar zijn en de ondernemers elkaar al vaak kennen. Dit laatste is belangrijk om daadwerkelijk een gesprek tussen betrokken partijen tot stand te brengen. In specifieke gevallen waarin er nog weinig onderling contact is tussen aanwezige ondernemers, volgt er concrete actie. Zo vindt er ook een project Samen Veilig Ondernemen plaats aan de Lusthofstraat in Kralingen. Het Rotterdams Dagblad meldt op 4 september 2003 dat in deze straat twee winkelstraatmanagers zijn aangesteld. Zij kijken niet alleen in nauwe 6. Communicatie samenspraak met de winkeliers hoe de winkelstraat weer aantrekkelijk kan worden, maar hebben ook als belangrijke taak ‘het verbeteren van de persoonlijke contacten tussen de ondernemers onderling’. Hiervoor bij de beschrijving van de algemene communicatiestrategie werd duidelijk dat SVO de communicatie splitst in twee richtingen. Communicatie richting consumenten van bijvoorbeeld winkelcentrum Hesseplaats verloopt via bestaande middelen en de ambassadeurs van het winkelcentrum. Communicatie met de ondernemers en het winkelpersoneel van het winkelcentrum vindt zoveel mogelijk persoonlijk plaats. “Ondernemers moeten tijdig op de hoogte zijn van de maatregelen en de acties die in dit kader uitgevoerd gaan worden. De vertegenwoordigers van de winkeliers in het afstemmingsoverleg en de beheerder van het winkelcentrum zijn het eerste aanspreekpunt voor de ondernemers. Zij zorgen ervoor dat de ondernemers en hun personeel goed geïnformeerd zijn. Het is zaak dat ondernemers in elk geval eerder dan consumenten weten wat er gebeurt in het kader van SVO” (Deelgemeente Prins Alexander, 2004). Communicatie richting ondernemers en het winkelpersoneel verloopt dus via ‘de lijn’ en begint bij de vertegenwoordigers in het afstemmingsoverleg. De vertegenwoordigers communiceren persoonlijk en mondeling met de ondernemers en de ondernemers informeren vervolgens hun personeel. Naast de communicatie via ‘de lijn’ zijn er ook momenten waarop de ondernemers tegelijkertijd worden geïnformeerd. Leon Hoek (Kamer van Koophandel): “Momenten waarop alle ondernemers bijeen zijn, zijn zeer belangrijk. Dergelijke communicatiemomenten maken een vast onderdeel uit van onze opzet. Denk bijvoorbeeld aan informatieavonden met buurtagenten, over winkelscans en voor de presentatie van tussenresultaten.” Zo is winkelcentrum Zuidwijk één van de centra waar een project Samen Veilig Ondernemen is opgestart. Op 17 maart 2004 werd een speciale avond voor ondernemers georganiseerd in dansschool Minerva. Tijdens deze avond konden ondernemers kennismaken met hun buurtagenten en kregen de leden van de Ondernemersorganisatie Zuidwijk (OOZ) een gratis training ‘omgaan met agressie’ aangeboden door de Kamer van Koophandel (www.kvk.nl, 2004). De gezamenlijke avonden worden bewust ingezet om de ondernemers tegelijkertijd van informatie te voorzien en communicatie te initiëren tussen de aanwezige ondernemers. 50
    • 6.3 Conclusies 6. Communicatie • Communicatie krijgt in de aanpak van Veilig Ondernemen een nadrukkelijke rol. Niet alleen als procesinstrument, maar ook als instrument om daadwerkelijk de veiligheid te verbeteren. Er wordt wel vaak gekozen voor schriftelijke communicatiemiddelen en bewust minder voor face-to-face communicatie, waardoor de aanpak de functie van face-to-face communicatie niet volledig weet te benutten. • Zorgvuldige geplande communicatie wordt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen niet alleen ingezet om te informeren en draagvlak te verwerven onder de participanten, maar ook om binding tussen de deelnemers te creëren. Er wordt opvallend veel geïnvesteerd in bijeenkomsten en ceremonies waarbij wordt stilgestaan bij behaalde resultaten. Professioneel georganiseerde kickoff- en voorlichtingsbijeenkomsten en presentaties voor deelnemende ondernemers maken standaard onderdeel uit van de begroting. • Bij Samen Veilig Ondernemen is face-to-face communicatie bijna de hoofddoelstelling van de aanpak. De aanpak is er immers op gericht om de verschillende partijen persoonlijk met elkaar in gesprek te brengen. Communicatie tussen ondernemers en winkelpersoneel vindt veel ‘via de lijn’ plaats en daarnaast worden bewust avonden ingezet waarop alle ondernemers aanwezig zijn. Het doel hiervan is om ondernemers gelijktijdig te informeren en communicatie te initiëren tussen de aanwezige ondernemers. Vooral dit laatste doel speelt in op de theoretische uitgangspunten. 51
    • 7. Co nclusies en aan beveling en De Rotterdamse praktijk... Ondernemers aan de Weteringstraat kunnen deelnemen aan Veilig Ondernemen Kralingen Er wordt opvallend veel geïnvesteerd in het betrekken van ondernemers bij het veiligheidsbeleid en dat is op zich bijzonder positief. Wel liggen lang niet altijd goed doordachte en onderbouwde plannen aan de investeringen ten grondslag. Uit wetenschappelijke onderzoeken is zeer veel kennis gekomen die op dit moment nog grotendeels onbenut blijft. Tekst: pagina 54
    • Na de inhoudelijke hoofdstukken met de theorie en praktijk van collectieve actie met betrekking tot de veiligheid in de Rotterdamse openbare ruimte volgen in dit laatste hoofdstuk de conclusies en discussie. Allereerst vindt er een toetsing plaats van de theoretische uitgangspunten uit hoofdstuk 2 aan de praktijk. Per theoretische voorwaarde wordt nagegaan in hoeverre deze is ingebed in de aanpak van de verschillende initiatieven. Daarna volgen de algemene conclusies en wordt duidelijk welke theoretische component de grootste invloed heeft op een hoge participatiegraad. Uiteindelijk eindigt dit hoofdstuk met een discussie waarbij algemene aanbevelingen worden gedaan voor het betrekken van ondernemers bij de realisatie van collectieve goederen in het algemeen en veiligheid in de openbare ruimte in het bijzonder. 7.1 Toetsing aan theoretische uitgangspunten Aan het einde van hoofdstuk 2 is de probleemstelling uiteengelegd met een vijftal onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen bevatten vijf theoretische voorwaarden voor het realiseren van collectieve actie. Hieronder wordt per voorwaarde gekeken in hoeverre de verschillende initiatieven hieraan voldoen. Waarna dit voor alle vijf de voorwaarden is gedaan, worden per aanpak de participatiegraden van enkele willekeurige voorbeeldprojecten ingevoegd om opmerkelijke verschillen te achterhalen. Hoewel het hierbij gaat om een kwalitatieve analyse, is het mogelijk de meest opvallende elementen te benoemen. De analyse levert uiteindelijk de belangrijkste mechanismen op als het gaat om collectieve actie rond veiligheid in de openbare ruimte. 7.1.1. Lage transactiekosten Onder transactiekosten worden in dit onderzoek de kosten verstaan die moeten worden gemaakt voor organisatie, coördinatie en communicatie van het collectief, zonder dat een directe bijdrage wordt geleverd aan de productie van veiligheid in de openbare ruimte. Het gaat niet alleen om daadwerkelijke financiële kosten, maar ook om investeringen in bijvoorbeeld tijd en moeite. In hoofdstuk 2 is gesteld dat hoe hoger de transactiekosten voor ondernemers, hoe lager het waargenomen effect van de bijdrage en hoe groter de stimulans voor lokale ondernemers om mee te liften. In hoofdstuk 4 is uitgebreid stilgestaan bij de economische oplossingsrichtingen. • Bij de pilot Veilig Ondernemen worden de transactiekosten in verreweg de meeste gevallen gedragen door de deelgemeente en het OBR, waardoor de bijdragen van lokale ondernemers volledig worden ingezet voor het realiseren van veiligheid in de openbare ruimte. • Bij het Keurmerk Veilig Ondernemen worden de kosten vaak ver- 7. Conclusies en aanbevelingen deeld onder de lokale overheid en de eigenaar of eigenaren van het winkelcentrum. In het voorbeeld van het KVO Zuidplein delen de deelgemeente en de eigenaar van het winkelcentrum de transactiekosten, inclusief de kosten voor certificering. De ondernemers dragen niet bij aan de transactiekosten. • Bij Samen Veilig Ondernemen is de Kamer van Koophandel vaak initiatiefnemer en de organisatie neemt een groot deel van de transactiekosten voor haar rekening. De transactiekosten voor ondernemers blijven hierdoor laag. Bij de vaak eenvoudig te realiseren oplossingen waarop de aanpak is gericht, wordt niet gekozen voor een vaste kostenverdeelsleutel, maar gaan de deelnemende partijen na wie primair verantwoordelijk is voor de oplossing en vindt op basis daarvan de verrekening van kosten plaats. 7.1.2. Meeropbrengsten in continue productiefunctie Uit onderzoek van Marks en Croson uit 1998 (Ostrom, 2002) blijkt dat de contributies van participanten significant hoger zijn wanneer de meeropbrengsten worden gestoken in een nieuw collectief goed met een continue productiefunctie. Olson (1965) beschrijft in relatie hiermee dat individuen zichzelf – ondanks de sociale dilemma’s succesvol kunnen organiseren als naast het niet-uitsluitbare collectieve goed ook uitsluitbare bijproducten totstandkomen. De continue productiefunctie in relatie tot de drie initiatieven is besproken in hoofdstuk 4. • Bij de pilot Veilig Ondernemen leggen ondernemers vooraf een bedrag in en dit bedrag wordt, aangevuld met de bijdragen van de deelgemeente en het OBR, volledig besteed aan noodzakelijke maatregelen om de veiligheid in het gebied te verbeteren. De pilot Veilig Ondernemen produceert dus geen goed met een continue productiefunctie, wel realiseren enkele projecten binnen de pilot ‘selective incentives’ volgens de theorie van Olson. Een voorbeeld hiervan zijn de particuliere surveillanten, waarop winkeliers pas een beroep kunnen doen na een winkelscan en het volgen van een training. • Het Keurmerk Veilig Ondernemen is gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen partijen, waarbij er niet direct extra geldstromen loskomen en er dus geen meeropbrengsten ontstaan die kunnen worden geïnvesteerd in goederen met een continue productiefunctie. • Bij Samen Veilig Ondernemen betalen ondernemers pas een financiële bijdrage als een concreet instrument is bedacht en gepland. Omdat financiering gebeurt op basis van concrete plan- 53
    • ningen en kosteninschatting is er geen ruimte om tot meeropbrengsten te komen. 7.1.3. Kleine of middelgrote groepen Olson (1965) definieert verschillende groepen, waarbij het resultaat van collectieve actie op voorhand valt te voorspellen. De groepen noemt hij bevoorrechte, tussenliggende en latente groepen. De tabel op pagina 18 van hoofdstuk 2 geeft een specifieke beschrijving van de verschillende groepen en de groepsclassificatie van Olson is in hoofdstuk 4 toegepast op de initiatieven. Diverse sociale en economische wetenschappers, waaronder Olson, Hummel en Putnam, hanteren allemaal hetzelfde uitgangspunt: kleine groepen komen om verschillende redenen over het algemeen efficiënter en effectiever tot collectieve actie dan grotere groepen. • De meeste pilots Veilig Ondernemen kunnen worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. De pilotgebieden beslaan vaak grote geografische gebieden die bestaan uit verschillende winkelstraten met een groot aantal ondernemers verspreid over het gebied. • Hoewel de gebieden bij het Keurmerk Veilig Ondernemen geografisch afgebakende eenheden vormen, moeten zij gezien de grote aantallen ondernemers (150 bij het winkelcentrum Zuidplein) strikt worden gekenmerkt als een grote ‘latente’ groep. Het Keurmerk Veilig Ondernemen Alexandrium vormt hierop een uitzondering, omdat hier enkele projectontwikkelaars de kosten en uitvoering van het keurmerk voor hun rekening nemen. • De projecten volgens de aanpak Samen Veilig Ondernemen kunnen als tussenliggende groep worden gekenmerkt. In de kleine winkelgebieden is snel duidelijk welke ondernemers wel en niet deelnemen en wordt het effect van de bijdrage van individuele ondernemers redelijk snel zichtbaar. 7.1.4. Geografische gebieden met interactie tussen ondernemers Vrijwillige samenwerking, wat collectieve actie in de ideale situatie is, komt gemakkelijker tot stand in een lokale samenleving die een aanzienlijke hoeveelheid sociaal kapitaal bezit, in de vorm van normen van reciprociteit en netwerken van burgerschapszin. Vertaald naar lokale ondernemers betekent dit dat er sociale netwerken moeten bestaan tussen de aanwezige ondernemers en dat deze netwerken worden gekenmerkt door samenwerking, vertrouwen en reciprociteit. In hoofdstuk 5 is met name onderzocht of de verschillende projecten aansluiten bij bestaande gebiedsnetwerken. 7. Conclusies en aanbevelingen • De aanwezigheid van een functionerende ondernemersorganisatie, waarvan bij de start direct gebruik kan worden gemaakt is voor Veilig Ondernemen een voorwaarde. Bij de selectie van gebieden waarin een pilot wordt opgestart is de aanwezigheid van actieve en betrokken ondernemers een absolute voorwaarde. De betrokkenheid van ondernemers wordt vooral gemeten door de individuele bereidheid om een financiële bijdrage aan het project te leveren. Daarnaast worden ook pilots gestart in gebieden met verschillende winkeliersverenigingen, waarbij de ondernemers niet rechtstreeks met elkaar contact hebben. • Uitgangspunt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen is dat er een duurzame samenwerkingsrelatie is tussen politie, gemeenten, ondernemers en andere betrokken organisaties. En hiernaast zijn aanvullende criteria voor een winkelgebied dat in aanmerking wil komen voor het keurmerk onder meer de aanwezigheid van een actieve ondernemersvereniging en een zekere mate van commitment van alle betrokken partijen. Een analyse van de organisatiegraad maakt standaard onderdeel uit van het stappenplan om te komen tot het keurmerk. • Het belang van een goed ondernemersnetwerk is meegenomen bij de opzet van Samen Veilig Ondernemen. Het project richt zich specifiek op kleinere winkelgebieden omdat hier volgens het project de organisatiegraad van ondernemers het hoogst is. Als er nog geen actieve ondernemersvereniging aanwezig is, wordt binnen het project gestuurd op de oprichting ervan. 7.1.5. Face-to-face communicatie tussen participanten Putnam (1993) stelt dat hoe meer directe en indirecte communicatie tussen participanten, hoe groter hun onderlinge en wederzijdse vertrouwen en hoe gemakkelijker ze het vinden om samen te werken. Consistent, repliceerbare en omvangrijke onderzoeken wijze uit dat de samenwerking substantieel toeneemt wanneer individuen in staat worden gesteld om persoonlijk met elkaar te communiceren. Er is geen andere variabele met een dergelijk sterk en consistent effect op de uitkomsten van collectieve actie als face-to-face communicatie (Ostrom, 1998). In hoofdstuk 6 is uitgebreid stilgestaan bij de wijze waarop en mate waarin binnen de drie initiatieven communicatie plaatsvindt. • Communicatie krijgt in de aanpak van Veilig Ondernemen een nadrukkelijke rol. Niet alleen als procesinstrument, maar ook als instrument om daadwerkelijk de veiligheid te verbeteren. Er wordt wel vaak gekozen voor schriftelijke communicatiemiddelen en 54
    • bewust minder voor face-to-face communicatie, waardoor de aanpak de functie van face-to-face communicatie niet volledig weet te benutten. • Zorgvuldige geplande communicatie wordt bij het Keurmerk Veilig Ondernemen niet alleen ingezet om te informeren en draagvlak te verwerven onder de participanten, maar ook om binding tussen de deelnemers te creëren. Er wordt opvallend veel geïnvesteerd in bijeenkomsten en ceremonies waarbij wordt stilgestaan bij behaalde resultaten. Professioneel georganiseerde kickoff- en voorlichtingsbijeenkomsten en presentaties voor deelnemende ondernemers maken standaard onderdeel uit van de begroting. • Bij Samen Veilig Ondernemen is face-to-face communicatie bijna de hoofddoelstelling van de aanpak. De aanpak is er immers op gericht om de verschillende partijen persoonlijk met elkaar in gesprek te brengen. Communicatie tussen ondernemers en winkelpersoneel vindt veel ‘via de lijn’ plaats en daarnaast worden bewust avonden ingezet waarop alle ondernemers aanwezig zijn. Het doel hiervan is om ondernemers gelijktijdig te informeren en communicatie te initiëren tussen de aanwezige ondernemers. Vooral dit laatste doel speelt in op de theoretische uitgangspunten. 7.2 Algemene conclusies In deze paragraaf volgen de algemene conclusies voor wat betreft het betrekken van ondernemers bij de veilgheid in de openbare ruimte volgens de drie initiatieven die in het onderzoek zijn meegenomen. Welke aanpak slaagt er het beste in de ondernemers daadwerkelijk te betrekken en welke mechanismen zijn hierbij doorslaggevend? In de vorige paragraaf is gekeken naar de mate waarin de verschillende intiatieven voldoen aan de theoretische voorwaarden voor collectieve actie. Om conclusies te kunnen trekken is het allereerst zinvol om te kijken in hoeverre het de verschillende initiatieven in de praktijk lukt om ondernemers daadwerkelijk te betrekken. In Tabel 7.2 hieronder staat de participatiegraad van de verschillende initiatieven. Deze ‘gemiddelde’ participatiegraad is ingevuld op basis van enkele willekeurige voorbeeldprojecten per aanpak. De percentages geven aan hoeveel ondernemers uit een bepaald gebied actief heeft deelgenomen aan het project. De participatiegraad is afkomstig uit evaluatieonderzoek van de betreffende projecten en vormen een indicatie. De waarde van participatiegraden in dit onderzoek is aan de orde gekomen bij de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Ook is hier stilgestaan bij het aspect ‘goal displacement’. VO KVO SVO Participatiegraad (o.b.v. willekeurige voorbeeldprojecten) 45%1 80%2 87,5%3 Tabel 7.1 - Participatiegraden 7. Conclusies en aanbevelingen Omdat het in dit onderzoek gaat om een kwalitatieve analyse is het niet mogelijk om causale relaties te leggen tussen de participatiegraden en de onderzoeksresultaten. Dat is overigens ook niet persé noodzakelijk voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag. De participatiegraden worden bij de onderstaande algemene conclusies wel gebruikt om de onderzoeksresultaten te kunnen duiden. Theoretische implicaties voor collectieve actie worden gedeeltelijk, in wijzigende samenstellingen, overgenomen door de verschillende initiatieven. Er is geen initiatief dat volledig voldoet aan de theoretische uitgangspunten zoals geschetst in hoofdstuk 2. De algemene conclusie is dat de projectaanpak van Samen Veilig Ondernemen het beste voldoet aan de theoretische uitgangspunten en ook de hoogste participatiegraad laat zien. Het allerbelangrijkste verschil met de andere twee aanpakken lijkt de groepsgrootte. De projecten van de pilot Veilig Ondernemen vinden bewust plaats in grotere gebieden dan Samen Veilig Ondernemen, maar de effectiviteit in de vorm van de participatiegraad is lager. Samen Veilig Ondernemen erkent het belang van een kleiner gebied waarin de ondernemers elkaar kennen en lijkt hiermee een doorslaggevende factor gevonden te hebben voor het succes. Dit overigens in combinatie met de bewuste investering in (face-to-face) communicatie. Samen met de groepsgrootte levert het onderwerp communicatie de grootste verschillen op tussen de verschillende initiatieven. Zo vindt het Keurmerk Veilig Ondernemen plaats in gebieden met grotere aantallen ondernemers, maar investeren zij wel heel bewust en planmatig in communicatie. Een causale relatie is niet aan te tonen, maar mogelijk dat mede hierdoor de participatiegraad toch opvallend hoog uit valt. De vraag rijst tot welke participatiegraad de aanpak van het Keurmerk in kleine winkelgebieden zou leiden. Dat is op basis van dit onderzoek onmogelijk in te schatten, maar dat het huidige percentage van 80% aanzienlijk zou stijgen lijkt aannemelijk. Veilig Ondernemen scoort met name goed op de economische oplossingsrichtingen en minder op de overige voorwaarden. Op het vlak van bewust gehanteerde vormen van (face-to-face) communicatie, door wetenschappers één van de belangrijkste voorwaarden genoemd, investeert Veilig Ondernemen minder dan beide andere initiatieven. De algemene conclusie is dat de aandacht van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot collectieve actie terecht is verschoven van economische naar sociale factoren. De sociale factoren hebben immers ook een grote invloed op de betrokkenheid van ondernemers bij de veiligheid in de openbare ruimte. Lage transactie- 55
    • kosten vormen voor collectieve actie een basisvoorwaarde, maar de echte winst als het gaat om participatiegraden is te boeken met het klein houden van de groep ondernemers en het bewust creëren van face-to-face communicatie tussen de ondernemers. Het klein houden van het gebied zorgt voor een vliegwiel voor de overige voorwaarden. Zo hebben ondernemers in een kleiner gebied eerder contact met elkaar, ook buiten het project om. Er ontstaat hierdoor een belangrijk netwerk dat ook vertrouwen kan genereren. Tenslotte is het in een kleiner gebied ook relatief eenvoudiger om face-to-face communicatie tot stand te brengen of te stimuleren. 7.3 Discussie Dit hoofdstuk eindigt met een reflectie van de praktijk met de theorie en de belangrijkste aanbevelingen. Welke opvallende zaken zijn tijdens het onderzoek aan de orde gekomen en waar ligt ruimte voor een betere toepassing van wetenschappelijke kennis op het gebied van collectieve actie? Misschien wel het meest opvallende resultaat is dat het initiatief dat in Rotterdam op grote schaal wordt uitgevoerd, niet voldoet aan alle theoretische uitgangspunten. De pilot Veilig Ondernemen was en is voor het Rotterdamse gemeentebestuur een belangrijke pijler binnen de veiligheidsaanpak. In de pilot is aanzienlijk meer geïnvesteerd dan in bijvoorbeeld het project Samen Veilig Ondernemen dat vaak wordt getrokken door de Kamer van Koophandel. Deze investering is niet voldoende terug te zien in de resultaten. Een belangrijke reden hiervoor is dat de projecten ieder uiterst zorgvuldig worden aangepakt, maar dat er onvoldoende gebruik wordt gemaakt van bestaande sociaal wetenschappelijke inzichten. Dit is een belangrijk feit dat uit het onderzoek naar voren komt. Er wordt opvallend veel geïnvesteerd in het betrekken van ondernemers bij het veiligheidsbeleid en dat is op zich bijzonder positief. Wel liggen lang niet altijd goed doordachte en onderbouwde plannen aan de investeringen ten grondslag. Uit wetenschappelijke onderzoeken is zeer veel kennis gekomen die op dit moment nog grotendeels onbenut blijft. Er is nog veel verbetering mogelijk. Geen enkele aanpak maakt optimaal gebruik van de theoretische uitgangspunten voor collectieve actie. Welk resultaat zou mogelijk zijn als deze theoretische inzichten wel worden verwerkt in de opzetten van de verschillende projecten? Een interessante vraag. Ook in het licht van het huidige collegeprogramma van het Rotterdamse gemeentebestuur. Het college meldt hierin: “De ‘veilig ondernemen’methodiek, die we (...) hebben ontwikkeld, wordt vóór 2010 uitgebreid naar elk winkelgebied of bedrijventerrein.” Een mooie kans. Het grootste winstpunt is te behalen in de sociale component van de pro- 7. Conclusies en aanbevelingen jecten. Het streven moet zijn naar kleine gebieden, waar ondernemers elkaar veelal kennen of waar in ieder geval regelmatige faceto-face communicatie tussen alle ondernemers mogelijk is. Tijdens deze momenten kunnen ondernemers elkaar aanspreken, ontstaat een netwerk, kunnen ervaringen worden gedeeld en voelen ondernemers zich meer verantwoordelijk voor elkaar en het gebied waarin zij ondernemen. Op dit punt kunnen alle initiatieven nog winst boeken. Samen Veilig Ondernemen probeert al veel te werken in kleine gebieden met bewuste persoonlijke communicatie, maar deze communicatie vindt nog veelal plaats tussen vertegenwoordigers van de verschillende betrokken partijen. De pilot Veilig Ondernemen maakt zelfs bewust weinig gebruik van persoonlijke communicatie en schroeft het aantal momenten waarop alle ondernemers samen zijn terug omdat er naar eigen zeggen te weinig te bespreken is. Dit is een gemiste kans. De persoonlijke bijeenkomsten die plaatsvinden zijn te vaak voor vertegenwoordigers van betrokken partijen en te weinig gericht op alle ondernemers in een specifiek gebied. De ondernemers krijgen hierdoor te weinig gelegenheid om sociale relaties op te bouwen en vertrouwen in elkaar te krijgen of te bevestigen, waardoor geen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de publieke ruimte kan ontstaan. Dit onderzoek is een kwalitatieve verkenning geworden die op verschillende punten verder uitgediept kan worden. Vervolgonderzoek is mogelijk op met name het sociale vlak van collectieve actie. Zo was het gezien de scope van dit onderzoek niet mogelijk om diepgaand en op micro-niveau in te gaan op de rol van sociaal kapitaal bij ondernemers. Volgens de theorie ligt hier echter de doorslaggevende voorwaarden voor succesvolle collectieve actie en dit onderzoek onderschrijft dat. Nader sociologisch onderzoek naar de waarde van sociale ondernemersnetwerken en (face-to-face) communicatie bij collectieve actie zou sociologisch gezien zeer boeiend zijn en bovendien veel waardevolle inzichten kunnen opleveren. 7.3.1. Aanbevelingen Na de toetsing van de drie initiatieven aan de theoretische uitgangspunten, de algemene conclusies en discussie eindigt dit hoofdstuk met algemene aanbevelingen voor het betrekken van ondernemers bij de realisatie van collectieve goederen in het algemeen en het realiseren van veiligheid in de openbare ruimte in het bijzonder. Gezien de uitkomsten van het onderzoek en de bovenstaande con- 56
    • clusies gelden de volgende aanbevelingen voor het realiseren van collectieve goederen in het algemeen en het realiseren van veiligheid in de openbare ruimte in het bijzonder: • 1: Houd aandacht voor economische factoren, maar leg er niet de nadruk op Onderzoek naar collectieve actie richtte zich enkele decennia geleden voornamelijk op de economische factoren van de samenwerking en in de praktijk ligt hier nog vaak de nadruk. Zo scoort de aanpak van de pilot Veilig Ondernemen zeer positief op de wijze waarop de economische oplossingen zijn geïmplementeerd. Structurele, gemeenschapsgebonden en groepsgebonden oplossingsrichtingen zijn echter minimaal van even groot belang voor het betrekken van zoveel mogelijk ondernemers. Kleine gebieden, actieve ondernemersnetwerken en bewust toegepaste vormen van face-to-face communicatie zijn sleutelwoorden. Op sociaal gebied is er voor bestaande initiatieven op het gebied van collectieve actie nog een wereld te winnen. • 2: Investeer voortdurend in actieve ondernemersnetwerken Bij de verschillende initiatieven is de aanwezigheid van actieve ondernemers een voorwaarde. Zo ook bij de pilot Veilig Ondernemen. Tegelijkertijd wordt collectieve actie bij dit project ingezet als instrument om de leefbaarheid in wijken te verhogen. Dit lijkt tegenstrijdig. Bij de start van collectieve actie is vertrouwen tussen de aanwezige ondernemers een voorwaarde. Het is de lokale overheid aan te bevelen om al voor de start van collectieve actie te investeren in contacten tussen de ondernemers onderling en initiatieven op dit gebied te stimuleren. Pas als dit gebeurt, is het realistisch een actief ondernemersnetwerk als voorwaarde te stellen voor collectieve actie. • 3: Geef ondernemers daadwerkelijk verantwoordelijkheid Willen ondernemers daadwerkelijk de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de publieke ruimte op zich nemen, dan moet de (lokale) overheid die verantwoordelijkheid ook overdragen. Bij alle onderzochte projecten is er een centrale organisatie (veelal gemeente of Kamer van Koophandel) die niet alleen als regisseur optreedt, maar ook vaak als trekker en uitvoerder. De ondernemers krijgen te weinig eigen verantwoordelijkheid binnen het project en gaan zich dus ook niet verantwoordelijk voelen. Daarbij kan betwijfeld worden of het leveren van een puur financiële bijdrage de verantwoordelijkheid is die je zou moeten willen nastreven. Het gaat veel meer om het bieden van ruimte aan ondernemers om het probleem te definieren, oplossingen aan te dragen en deze ook zoveel mogelijk zelf te realiseren. Kortom: als je wilt dat onderne- 7. Conclusies en aanbevelingen mers verantwoordelijkheid dragen, dan moet je ze ook daadwerkelijk verantwoordelijkheid geven. • 4: Verdeel de publieke ruimte in kleine gebieden Uit dit onderzoek blijkt dat het te gemakkelijk is om uit het oogpunt van efficiëntie te streven naar collectieve actie in grote winkelgebieden. Ongetwijfeld levert het operationele voordelen op, maar deze gaan ten koste van de effectiviteit van het project. Ook als het gaat om veiligheid in de publieke ruimte blijkt collectieve actie beter van de grond te komen in kleine groepen dan in grote groepen ondernemers. Als het gaat om collectieve actie levert schaalvergroting geen schaalvoordelen. Dit betekent dat de publieke ruimte in kleine gebieden moet worden verdeeld op basis van bestaande sociale structuren. Dit kunnen wijkwinkelcentra zijn, maar ook winkelstraten, pleinen of lanen in grote winkelgebieden. Grote winkelcentra kunnen hierbij gebruikmaken van wat Olson (1965) ‘federaties’ noemt. Hierbij worden grote groepen opgedeeld in kleine groepen die wel met elkaar samenhangen. Het gaat te ver om hier op deze plaats uitgebreid op in te gaan, maar er zijn dus ook voor grote winkelgebieden mogelijkheden om de effectiviteit van kleine groepen te realiseren. • 5: Stimuleer face-to-face communicatie Dit onderzoek maakt duidelijk dat face-to-face communicatie tussen de ondernemers in een gebied ontegenzeggelijk waarde heeft bij collectieve actie. Onderlinge persoonlijke en directe communicatie blijkt van groot belang. Deze communiatie hoeft niet per definitie georganiseerd te zijn en te verlopen via een programma van voorlichting en informatie. Dit laatste gebeurt met name bij de pilot Veilig Ondernemen, waar bijeenkomsten worden georganiseerd op momenten dat er daadwerkelijk vanuit de centrale organisatie boodschappen te communiceren zijn. De organisatie maakt het zich hiermee moeilijker dan noodzakelijk. Het belangrijkste doel van face-to-face communicatie moet zijn dat er sociale processen op gang komen en netwerken ontstaan. Hiervoor is het niet noodzakelijk dat de ondernemers tijdens een georganiseerde bijeenkomst met elkaar een inhoudelijk programma doorlopen, maar is het voldoende als de ondernemers alleen al de gelegenheid krijgen om op eigen initiatief met elkaar in gesprek te gaan. Ondernemers kunnen een netwerk bouwen dat tijdens het project van grote waarde kan zijn. De rol van de organisor wordt hierbij beperkt tot arrangeur van het onderling contact. Een beperkte, maar niet te onderschatten taak binnen collectieve actie. 57
    • • 6: Maak bijdragen van ondernemers inzichtelijk Een belangrijk voorwaarde voor de totstandkoming van collectieve actie volgens de theorie is de zichtbaarheid van individuele bijdragen van private partijen. Ondernemers moeten kunnen ervaren wat het effect is van hun individuele bijdrage en moeten ook kunnen waarnemen welke ondernemers al dan niet bijdragen. Hierdoor wordt het voor ondernemers mogelijk om met elkaar in gesprek te gaan en elkaar aan te spreken. De sociale relaties kunnen dan optimaal hun werk doen. Het inzichtelijk maken van de bijdrage van de verschillende ondernemers in het gebied kan zeer eenvoudig en op creatieve wijze. Het Keurmerk Veilig Ondernemen doet het met deurstickers voor deelnemende ondernemers. Een mogelijkheid is ook om in het betreffende winkelgebied plattegronden te plaatsen waarop de winkels die bijdragen aan de veiligheid van de openbare ruimte nadrukkelijker vermeld staan dan nietdeelnemers. Dit zorgt niet alleen voor sociale druk richting ondernemers die nog niet deelnemen, maar biedt ook promotionele voordelen. Hiermee ontstaat direct een ‘selective incentive’ zoals Olson (1965) deze beschrijft. Dit is niet de plaats om praktische oplossingen uit te werken, wel is het belangrijk om aan te geven dat de waarneembaarheid van individuele bijdragen aan collectieve actie van groot belang is voor de effectiviteit ervan. Ook de pilot Veilig Ondernemen, het Keurmerk Veilig Ondernemen en het project Samen Veilig Ondernemen kunnen op dit punt nog verbeteringen boeken. Vooral als ze tegelijkertijd met het vergroten van de waarneembaarheid van individuele bijdragen streven naar ‘selective incentives’. 7. Conclusies en aanbevelingen Verwijzingen: 1 Charlois 42% volgens 2-meting van januari 2005, Kralingen 49% volgens 2-meting van januari 2005 en Noord 42% volgens 3-meting van augustus 2004. 2 Winkelcentrum Zuidplein heeft op 14 oktober 2005 de 3e ster van het Keurmerk Veilig Ondernemen ontvangen omdat 80% van de winkels aan de hoogste veiligheidseisen voldoet. Uit een onlangs gehouden onderzoek door de projectorganisatie naar de deelname aan het Keurmerk was de respons met 51% aanzienlijk lager. 3 Hesseplaats telt 40 winkels, waarvan 35 winkeliers lid zijn van de winkeliersvereniging die de ondernemers vertegenwoordigt binnen het project. • 7: Zorg voor een planmatige aanpak en maak hierbij gebruik van wetenschappelijke inzichten Het betrekken van ondernemers bij de realisatie van collectieve goederen en veiligheid in de openbare ruimte in het bijzonder, vraagt om een gedegen aanpak. In deze aanpak moeten de verschillende oplossingsrichtingen aan bod komen, waarbij ook aandacht is voor de proceskant. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van wetenschappelijke kennis die voortkomt uit de talrijke onderzoeken die op het gebied van collectieve actie zijn gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat nog veel onbenutte wetenschappelijke inzichten voorhanden zijn. Daarbij is er extra winst te boeken als de initiatieven ook van elkaar leren, ervaringen en resultaten delen en sterke punten van elkaar overnemen. 58
    • G e r a a d p le e gd e l i t e r a t u u r De Rotterdamse praktijk... Winkelcentrum Hesseplaats doet inmiddels mee aan het Keurmerk Veilig Ondernemen
    • Geraadpleegde literatuur Babbie, E. (2004). The practice of social research. Belmont: Thomson, Wadsworth. Gupta, D.K. (2005). Seminar in Politics. Seminar aan de San Diego State University. Ball, S. (2003). Business in the Community. Een kans voor de sociale sector. Utrecht: NIZW Sociaal Beleid. Hardin, R. (1982). Collective Action. Baltimore: The Johns Hopkins University Press. Baum, F. & Palmer, C. (2002, december). ‘Opportunity Structures’; urban landscape, social capital and health promotion in Australia. Health Promotion International. Vol. 17, No. 4, 351-361. Hoofdbedrijfschap Detailhandel (2005), HBD Stappenplan Keurmerk Veilig Ondernemen Winkelgebieden, Hoofdbedrijfschap Detailhandel. Berger, P.L. en B. Berger (1972). Sociologie. Een biografische opzet. Baarn: Uitgeverij Ambo bv. Braster, dr. J.F.A. (2000). De kern van casestudy’s. Assen: Van Gorcum. Centrum voor Crimininaliteitspreventie en Veiligheid (2005). KVO tips en valkuilen. Centrum voor Crimininaliteitspreventie en Veiligheid. College van burgemeester en wethouders (2002), Het nieuwe elan van Rotterdam ...en zo gaan we dat doen. Collegeprogramma 2002-2006. Gemeente Rotterdam. College van burgemeester en wethouders (2006), De Stad van aanpakken. Voor een Rotterdams resultaat. Collegeprogramma 2006-2010. Gemeente Rotterdam. Dander, T. (2005). Veilig Ondernemen. Den Haag: Kenniscentrum Grote Steden. Decisio (2004). Freeriderproblematiek en –oplossingen. Naar structurele collectieve beveiligingsmaatregelen voor bedrijven en winkels. Eindrapportage. Amsterdam: Decisio BV. Deelgemeente Prins Alexander (2003). Raadsvoorstel inzake de wijkveiligheidsactieprogramma’s. Rotterdam: Deelgemeente Prins Alexander. Deelgemeente Prins Alexander (2004). Publiciteitsplan Samen Veilig Ondernemen Hesseplaats. Rotterdam: Deelgemeente Prins Alexander. Forrest, R. (2004, november). Who cares about neighbourhoods? Paper gepresenteerd tijdens de Housing Studies Association Autumn Conference ‘Community, Neighbourhood, Responsibility’ Universiteit van Bristol. Hummel, J.R. (1990). National Goods Versus Public Goods: Defense, Disarmament, and Free Riders. The Review of Austrian Economics, Vol. 4, 1990, 88-122. ILV, VNO-NCW (2001), Veiligheid – Een gezamenlijke onderneming. Den Haag: ILV, VNO-NCW. James, J. (1951). A Preliminary Study of the Size Determinant in Small Group Interaction. American Sociological Review, XVI, 474477. Kamer van Koophandel (2003), De Kamer van Koophandel en criminaliteitspreventie. Rotterdam: Kamer van Koophandel. Kinds, H., Münz, A., Stadler-Via, M. & Strümpel, C. (2002). Bruggenbouwers; hoe overheden in Europa nieuwe sociale partnerschappen met bedrijven en maatschappelijke organisaties bevorden. Amsterdam: Community Partnership Consultants. Lammers, C.J., A.A. Mijs, W.J. van Noort (2000). Organisaties vergelijkenderwijs. Ontwikkeling en relevantie van het sociologisch denken voor organisaties. Utrecht: het Spectrum B.V. Landesman, C. (1994). The Voluntary Provision of Collective Goods. Dissertatie voor de Princeton University. Maxwell, J.A. (1996). Qualitative research design. An interactive approach. Thousand Oaks: Sage Publications. Meide, A. van der (2003). Veilig Ondernemen in het winkelgebied Oude Noorden. Meting 2003. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). 60
    • Geraadpleegde literatuur Meide, A. van der (2004). Veilig Ondernemen Noord. Mening ondernemers en passanten. Derde meting, augustus 2004. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). Ostrom, E. (2002, februari). Type of good and collective action. Paper gepresenteerd op de University of Maryland, Collective Choice Center en IRIS ter ere van Mancur Olson. Meide, A. van der (2004-I). Veilig Ondernemen Winkelcentrum Hesseplaats. Mening ondernemers en passanten. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). Ostrom, E. (2004). The quest for meaning in public choice. The American Journal of Economics and Sociology, januari. Meide, A. van der (2004-II). Veilig Ondernemen Winkelstraten Kralingen. Mening ondernemers en passanten. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). Meide, A. van der (2005). Veilig Ondernemen Winkelgebied Charlois. Mening ondernemers en passanten tweede meting, januari 2005. Concept. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). Meide, A. van der (2005-I). Veilig Ondernemen Winkelstraten Kralingen. Mening ondernemers en passanten. Tweede meting, januari 2005. Rotterdam: Bureau Onderzoek op maat (BOOM). Pasour Jr., E.C. (1981). The Free Rider as a Basis for Government Intervention. The Journal of Libertarian Studies, 4, 453-464. Pawson, R. en Nick Tilley (1997). Realistic Evaluation. Londen: Sage Publications. Programmabureau Veilig (2003), Werken aan een veiliger Rotterdam, de aanpak – De Veilig Ondernemen-methodiek voor het midden- en kleinbedrijf. Gemeente Rotterdam. Programmabureau Veilig (2004), Veiligheidsindex 2004. Gemeente Rotterdam. Meier, drs. J. (2002). Projectvoorstel Samen Veilig Ondernemen winkelcentrum ‘Hesseplaats’. Rotterdam: Kamer van Koophandel. Programmabureau Veilig (2005), Veiligheidsindex 2005. Gemeente Rotterdam. Olson, M. (1965). The logic of collective action. Public goods and the theory of goods. Cambridge: Harvard University Press. Programmabureau Veilig (2006), Veiligheidsindex 2006. Gemeente Rotterdam. Orum, A.M. (1997). The Centrality of Place: The Urban Imagination of Sociologists. Chicago: University of Illinois. Projectteam Veilig Ondernemen (2003). Nieuwsbrief Veilig Ondernemen. Nummer 1. Winkeliersverenigingen Hart van Charlois, Wolphaertsbocht, De Charloise Winkeliersvereniging, Katendrechtse Lagedijk en Nettomarkt. Ostrom, E. (1983, maart). Analyzing institutions for the delivery of local collective goods. Paper gepresenteerd tijdens de meetings van de American Society for Public Administration Meetings in New York Ciry. Ostrom, E. (1987, december). The implications of the logic of collective inaction for administrative theory. Paper ten behoeve van de Workshop in Political Theory and Policy Analysis aan de Indiana University. Bloomington, Indiana. Ostrom, E. (1990). Governing the Commons. New York: Cambridge University Press. Ostrom, E. (1998). A behavioural approach tot the rational choice theory of collective action. American Political Science Review, 1, 1-22. Putnam, Robert D. (1993). Making Democracy Work: Civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press. Putnam, Robert D. (2000). Bowling Alone: the collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster. Reijndorp, A. (2004). Stedelijke vernieuwing in de dramademocratie. Tijdschrift voor de volkshuisvesting, 2004-1, 6-9. Silljé, A. (2002). Waarborging van waarden: over het samenspel van kwaliteitsmanagement en bedrijfsethiek. Assen: Koninklijke Van Gorcum. 61
    • Stuurgroep Veilig Ondernemen (2003), Handboek KVO-W versie 2.0, handboek voor het Keurmerk Veilig Ondernemen voor bestaande Winkelgebieden. Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Geraadpleegde literatuur Weltens, L. (2005). Vuistregels voor veilig ondernemen. Rotterdam: Ontwikkelingsbedrijf Rotterdan en Programmabureau Veilig. 62