Hertog Ernst van Beieren
Een middeleeuws avonturenverhaal
Vertaald door Norbert Voorwinden
Voor wie dit boek bestemd is (v...
glorie van God deelde hij alles wat hij verwierf. Hij behandelde zijn ministerialen vriendelijk
[100] en zorgde ervoor dat...
allerlei gevaren. Zijn wetgeving was streng. Hij bracht de allerbeste vrede tot stand in het
gehele land die zowel daarvoo...
alle rust aan de hertogin datgene over, wat de machtige keizer van het Roomse Rijk, die haar
deze brief zo liefedevol had ...
opgewekt naar Beieren naar zijn aanstaande. Daar kon men spoedig veel flinke ridders zien,
toen de hertogin Adelheid met d...
“Beste jongen, je6
bent een gelukkig mens. Ik wil je als zoon aannemen zolang wij
beiden leven. Ik wil je als leen en in e...
uw aanzien verliezen. Wilt u, heer, niet een betrouwbaarder vertrouweling kiezen? Hij bazuint
overal rond dat hij wat mach...
zijn straf ondergaat voordat hij het in de gaten heeft. Men moet de kastelen in zijn erfland
veroveren en hem op die manie...
stellen. Ondertussen zou u moeten trachten bij onze vrouwe, de koningin, erachter te komen
wat de redenen kunnen zijn, waa...
wanneer de keizer u eenmaal zal hebben verdreven, altijd van u zal zeggen dat uw erfland u
na aan het hart lag en dat alle...
meer bieden tegen de macht van de keizer en tegen de andere vijanden. Toen de bode
teruggekomen was en Ernst het besluit v...
kon aanbinden. De duistere nacht maakte het mogelijk dat ze zonder problemen de Rijn
konden oversteken. In de daarop volge...
De oorlog breekt uit (vv. 1453-1598)
Het keizerlijk vaandel werd door sterke mannen meegevoerd, zoals men dat nog steeds b...
tegelijk die plaats bestormen. Met hun stormrammen verbrijzelden ze de borstwering. Wat
men maar kon raken werd verwoest. ...
wilden toelaten dat hun land verwoest werd. Zolang ze konden en in staat waren om te
vechten vochten ze heel manhaftig. [1...
kruistocht10
te gaan en in dienst te treden van het Heilige Graf. Op die manier kunnen wij ons
eervol uit de strijd terugt...
en het zal van ons allen gemeenschappelijk zijn. Nu u zich bij mij aansluit en bij mij
betrouwbare steun hoopt te vinden, ...
leek. De edele en prijzenswaardige koning gaf opdracht hen naar dat schip te leiden en
ruimschoots te voorzien van goede, ...
blauw en de zee helder en doorschijnend. Ook ging de wind liggen [2200] die hen voordien zo
hevig heen en weer geslingerd ...
“We zullen eerst proberen om wijn en brood en andere levensmiddelen aan te
schaffen, voordat we hier de dood vinden. We zi...
kunnen vertellen. Een koning had met datgene wat ze er vonden, zijn hele leger rijkelijk van
leeftocht kunnen voorzien. Op...
genoot ervan. Twee dekens lagen erop [2600] die met kostbare zijde van grote waarde waren
overtrokken. De lakens waren van...
niemand hun schade zou kunnen berokkenen. Ze snelden door het schitterende paleis, waar ze
niemand zagen, naar de slaapkam...
waren trots en blijmoedig. Ze beschikten over grote rijkdommen aan zilver en goud, zoveel
als ze maar wilden. Bovendien ha...
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Hertog ernst
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Hertog ernst

796

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
796
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Transcript of "Hertog ernst"

  1. 1. Hertog Ernst van Beieren Een middeleeuws avonturenverhaal Vertaald door Norbert Voorwinden Voor wie dit boek bestemd is (vv. 1-30) Luistert u allemaal goed, ik ga u nu wonderlijke dingen vertellen over een edele ridder. U moet er aandachtig naar luisteren! Het is goed om aan te horen, want als over heldendaden wordt verteld, dan vervult dat de luisteraar met geestdrift. Velen die thuis hun land beheren en nooit datgene durven te doen wat verteld wordt aan beproevingen die een held moet doorstaan, zijn in hun hart verdrietig. Zij zijn te laf voor ridderlijke daden. Zij hebben nooit die inspanningen geleverd en gaan ze ook zoveel mogelijk uit de weg, want ze zijn er niet geschikt voor. Ze betitelen de verhalen erover als leugens, bestrijden ze met kracht en doen er meewarig over alsof het alleen maar leugens zijn. Zulke mensen deugen niet. Maar flinke kerels letten niet op zulke praatjes. Diegenen die zich dikwijls in den vreemde aan gevaren blootstellen om hun moed te bewijzen en zowel vreugde als narigheid beleven onder vreemde mensen, die zullen niet twijfelen aan wat men erover vertellen kan, want zij hebben zelf het een en ander meegemaakt. Wie is de held van dit verhaal? (vv. 31-158) Dit vertel ik allemaal opdat u des te beter luistert naar mijn gedicht dat ik voor u ga voordragen. Want ik wil voor u niet de narigheid en de grote inspanning verzwijgen, die hertog Ernst heeft moeten ondergaan, toen hij uit Beieren werd verdreven. In de boeken staat beschreven dat hij over het Beierse land regeerde en zowel de sterken als de zwakkeren beschermde. Alles wat hij ondernam strekte hem tot roem en eer. Met kracht beheerde de jongeman het erfgoed dat zijn vader hem naliet, net zo lang tot een keizer hem met het rijksleger uit zijn land verjaagde. Daardoor moesten veel edele ridders hem tot hun spijt in de steek laten. Vervolgens koos hij voor een eervolle aftocht, samen met menige ridder die aan zijn zijde leven en bezit op het spel durfde te zetten, als het moest tot het bittere einde. Sindsdien kwam hij in vele gevaarlijke situaties terecht waar hij zich dapper doorheen sloeg, want hij was een onverschrokken held. Ik wil u ook nog vertellen hoe het kwam dat de edele man zo door de keizer werd vervolgd. Men zegt dat hij nog een klein kind was toen zijn vader stierf. Van deze erfde hij vele dappere ridders die hem opvoedden, zoals het hoort. Zij zorgden ervoor dat hem niets vervelends overkwam. Zijn moeder heette Adelheid en was van hoge adel. Zij was jong, bezat vele goede eigenschappen en stond in hoog aanzien. Ze gaf opdracht haar zoon in het Frans en het Latijn te onderwijzen. Ook stuurde ze het kind naar Griekenland om het daar te laten opvoeden. Daar leerde hij beoefenaren van verschillende wetenschappen kennen. Het kind deed zijn best zoveel mogelijk nuttige zaken te leren, waardoor zijn aanzien steeds groter werd. Zo bracht de opgewekte jongeling zijn kinderjaren door, terwijl hij vreemde landen leerde kennen. Hij maakte alom naam in menig koninkrijk, waar hij op prijzenswaardige wijze een goede reputatie opbouwde. Overal sprak men van hem vol lof. Hij was bescheiden, trouw en vrijgevig. Er verzamelden zich dan ook van heinde en verre ridders om hem heen, wanneer hij ze in geval van nood nodig had. Hij was capabel en voorbeeldig en streefde uitsluitend naar het goede. Daarin slaagde hij ook. Hij vreesde alleen laster en spot. Ter wille van zijn eigen reputatie en ter meerdere 1
  2. 2. glorie van God deelde hij alles wat hij verwierf. Hij behandelde zijn ministerialen vriendelijk [100] en zorgde ervoor dat zij ook aanzien verwierven. Daarom zetten zij zich later ook voor hem in: toen hij in groot gevaar geraakte en veel narigheid te verwerken kreeg, hielpen zij hem, waar hij ze ook maar nodig had, en ze ondersteunden hem dapper. Of ze nu vrije ridders waren of ministerialen,1 ze lieten hem niet in de steek zolang ze leefden. Zo groeide de jongeman op totdat hijzelf ernaar verlangde wapens te dragen. Toen gaf hij opdracht alles wat hij daarvoor nodig had in gereedheid te brengen. Onmiddellijk zorgde men ervoor dat er een strijdros, een rijpaard en een rusting beschikbaar waren. Vervolgens ontving de edele jongeling2 op plechtige wijze het zwaard, samen met een jongeman van adel, de onverschrokken graaf Wetzel, zijn vazal, en andere leden van het gevolg die sinds hun vroege jeugd ridderlijk waren opgevoed. Wetzel zou hem daarom steeds trouw en oprecht terzijde staan. In geen enkel gevaar zou hij van zijn zijde wijken. Hij bleef hem tot aan zijn dood trouw. Veel vreemde landen hebben beiden bezocht, maar ze lieten elkaar nooit in geen enkele noodsituatie in de steek, totdat ten slotte de dood hen scheidde. Toen de prijzenswaardige jongeman aldus plechtig het zwaard had ontvangen, samen met de dappere graaf Wetzel, toen was hij zeer machtig. Hij stelde niemand teleur. In alle delen van Duitsland, overal waar men van hem gehoord had, was er niet zijn gelijke. Toen trok hij met een trotse schare ridders door het land. Een grote schare ridders en schildknapen volgde hem. Hij zorgde voorbeeldig voor hen: hij schonk hun geld en kleding. Met zijn vrijgevige hand maakte hij iedereen tot zijn vriend. Om zijn aanzien te vergroten was hij niet zuinig met zilver en goud. Daarom waren de vazallen van deze hooggeplaatste man zeer betrouwbaar, in welke noodsituatie men ook zou geraken. Ernsts moeder hertrouwt (vv. 159-544) Hertogin Adelheid was blij en gelukkig, dat ze haar kind zo had opgevoed. Ze werd er algemeen en oprecht voor geprezen in het hele land. Zij gedroeg zich ook onberispelijk, hetgeen de jongeling ten goede kwam. Machtige vorsten3 vroegen haar ten huwelijk, omdat zij vermaard was om haar voortreffelijke eigenschappen. Menig vorst had haar ook graag tot vrouw gekozen wegens haar intelligentie en haar macht. De veel geprezen vorstin wilde destijds echter niet hertrouwen. Zij wilde veeleer kuis leven en als weduwe sterven. Dat speet de edele vorsten zeer. In de tijd waarin dit speelt, heerste er een machtige koning4 over het Roomse Rijk die Otto heette. De vorsten van vele landen in Duitsland en Italië waren hem gehoorzaamheid verschuldigd. Ook had deze vorst de landen van de Slaven en de Friezen onderworpen. Men kon daar velen van hen aantreffen die zich aan zijn hof moesten melden. Zijn aanzien onder alle vorsten was groot. De keizer beschermde op gepaste wijze weduwen en wezen voor 1 Ministerialen of dienstmannen zijn lieden van onvrije geboorte, die als ridder of klerk aan het hof van een heer verbonden zijn. Vanaf ongeveer 1200 wordt deze functie erfelijk en worden de ministerialen tot de (lage) adel gerekend. 2 Hertog Ernst wordt hier in de Middelhoogduitse tekst wîgant, ‘strijder’ of ‘krijger’, genoemd; op andere plaatsen wordt hij degen, ‘jonge weerbare man’, helt, ‘krijgsman’ of ‘edelman’, recke, ‘krijgsman in ballingschap’, riter, ‘ridder’, of eenvoudig man genoemd. In de vertaling is zoveel mogelijk gekozen voor woorden als ‘man’ of ‘ridder’. 3 Het woord ‘vorst’ wordt zowel voor de keizer als voor hertog Ernst als ook voor de overige rijksvorsten gebruikt; om verwarring te voorkomen is het in de vertaling vaak vervangen door ‘hertog’, ‘keizer’, etc. 4 In de Middeleeuwen kozen de vorsten in het Duitse Rijk uit hun midden een koning. De koning was dus de eerste onder gelijken. Nadat een vorst tot koning was gekozen, begaf hij zich naar Rome om zich door de paus tot keizer te laten kronen. De keizer werd beschouwd als de hoogste wereldlijke gezagsdrager in christelijk Westeuropa en als opvolger van de keizers van het (Westromeinse) Rijk. Daarom spreekt men ook van het Roomse Rijk. In deze tekst wordt Otto willekeurig soms als keizer, soms als koning betiteld. Zijn echtgenote wordt alleen koningin genoemd. Dit gebruik is in de vertaling zo gelaten. 2
  3. 3. allerlei gevaren. Zijn wetgeving was streng. Hij bracht de allerbeste vrede tot stand in het gehele land die zowel daarvoor als daarna ooit op Saksische bodem heeft bestaan. De vorst stichtte destijds ter ere van God een machtig aartsbisdom, zoals ik u naar waarheid kan vertellen. [200] Dat is algemeen bekend. Het heet Maagdenburg en ligt aan de oevers van de Elbe. Destijds leed de duivel een grote nederlaag, omdat de mensen zich van hem afwendden en hun zieleheil trachtten veilig te stellen. De keizer haalde ze zonder wapens ertoe over. Het werd gewijd aan Sint Maurits en diens makkers ter meerdere glorie van God, die hem de kans had gegeven heilig te worden. De keizer schonk land en horigen aan het aartsbisdom en voorzag het op die manier van een gezonde financiële basis. Daarom verdient hij voor altijd lof en eer voor God. Deze edele en voorname koning stichtte ter ere van God ook een klooster. Daardoor danken velen door zijn toedoen dagelijks God. Ik verzeker u dat deze machtige koning zich altijd voorbeeldig gedroeg. Hij was een voortreffelijk strijder en een beroemde held. Het gehele Roomse Rijk werd door hem goed beschermd. Hij was een voorbeeldig en edel ridder die zich het lot van zowel rijken als armen aantrok. Allen die zich tot hem wendden en hem om hulp vroegen, bood hij ondersteuning. In zijn jeugd was deze vorst in het huwelijk getreden met een vrouw die uit Engeland afkomstig was. Zij was overleden en haar edel lichaam werd op plechtige wijze in de domkerk bijgezet. Zij had zich steeds geheel op Onze Heer gericht. Deze zeer vrome koningin heette Ottegebe en ze leek op een vruchtbare wijnstok. Zij was zeer godvruchtig. Toen zij stierf verwierf zij het koninkrijk Gods en de eeuwige zaligheid. Haar ziel is nu net zo zalig als haar leven was. U moet ook weten dat God ter wille van deze vrouw veel wonderen liet gebeuren die een ieder die ze graag wil zien, nog vandaag de dag daar kan waarnemen, en dat God deze edele vorstin zijn genade ten deel liet vallen zolang zij leefde. Zo was de keizer dus sindsdien zonder echtgenote, zoals u zojuist hebt gehoord, en hij had er graag een gekozen die bij hem paste en die ook staatsrechtelijk als koningin in aanmerking kwam. Toen liet hij de vorsten bij zich komen en vertelde hun wat zijn bedoeling was. Hij zei: “Beste vrienden, staat mij terzijde bij alles wat u goeddunkt en wat zonder mijn aanzien te schaden kan geschieden. Helpt mij een koningin te vinden die u geschikt acht. Ik zal u allen daarvoor belonen met wat u maar wilt. Daarvan kunt u verzekerd zijn.” Toen de vorsten dit hoorden kwamen ze in vergadering bijeen. Ze overlegden hoe ze het zouden aanpakken om 's konings wens te vervullen. Allen waren het erover eens dat ze er geen wisten die zo goed bij hem paste als hertogin Adelheid, als hij haar tot vrouw zou nemen. Die wordt terecht meer dan alle andere vrouwen geprezen. Ze wisten over haar levenswandel niets negatiefs te vertellen. “Dat zeggen allen die het kunnen weten.” Als hij haar zou kunnen krijgen, “dan zou het ons allen goed dunken.” Als de keizer zijn zinnen op haar zou zetten, dan zou hij haar zeker in alle eer tot koningin van het rijk kunnen maken. Wegens haar vrouwelijke deugden zouden zij haar allen geschikt achten. Zij had zich immers sinds haar jeugd voorbeeldig gedragen en bovendien was ze capabel en voor haar taak berekend. [300] Dat zeiden ze allemaal. De vorsten gingen nu naar de koning en vertelden hem wat zij vonden van deze prijzenswaardige vrouw, van haar adellijke afkomst en van haar goede eigenschappen, van haar intelligentie, haar jeugdige verschijning en haar onvolprezen aard. Ze zou heel goed koningin van het rijk kunnen worden, want er was er geen onder de vrouwen die zij kenden in alle streken van Duitsland, die zich met haar kon meten. Toen de keizer dit hoorde, beviel hem deze raad wegens de voortreffelijke aard van deze edele vrouw. De keizer aarzelde niet langer en schreef eigenhandig een brief, zo goed hij maar kon, en tedere woorden, zo lief als hij ze maar kon verzinnen. Een vorst die hem daartoe geschikt leek, stuurde hij als bode met de brief naar Beieren. Toen deze daar aankwam en met de brief aanklopte, heette de hertogin hem welkom en begroette hem vriendelijk. De vorst bracht nu in 3
  4. 4. alle rust aan de hertogin datgene over, wat de machtige keizer van het Roomse Rijk, die haar deze brief zo liefedevol had gestuurd, haar te zeggen had. “Moge deze brief u eraan herinneren zo vriendelijk te zijn datgene te doen waarom de keizer en zijn vazallen, de vorsten, u verzoeken. Als u aan het verzoek van de keizer voldoet zult u altijd hoog in aanzien staan.” De hertogin was heel beleefd, ze boog toen ze de brief in ontvangst nam en zei: “Ik zal de keizer gehoorzamen, zoals het hoort.” Vervolgens liet de edele hertogin door een bode vlug haar kapelaan halen, die haar de brief voorlas, en wel precies zoals het erin geschreven stond. Luister, hoe hij begint: “Zeer edele hertogin, deze brief heeft de voogd en heerser van het Roomse Rijk eigenhandig geschreven en aan u gestuurd. Hij verzoekt u, vrouwe, op grond van uw voortreffelijke eigenschappen en uw voorname opvoeding te willen begrijpen wat dit betekent. Al zijn adviseurs hebben hem over uw voortreffelijkheid ingelicht. Nu verzoek ik u uw hart open te stellen voor mijn liefde. Ik wil u verheffen tot heerseres over het gehele Roomse Rijk. Dan is er in de hele wereld geen enkele vrouw uw gelijke. U zult dan nog meer gewaardeerd worden. Alle vorsten zullen u, edele vrouwe, dienen. Zowel arme als rijke mensen die in mijn rijk wonen, zullen uw onderdanen zijn. U kunt dan, edele vrouwe, wegens het grote aanzien dat u zult genieten, opgewekt door het leven gaan. Er is mij veel over uw voortreffelijke eigenschappen verteld en bericht. Ik verzoek u, liefste vrouwe, het verzoek van mij en mijn vorsten in te willigen. Als u niet boos op mij bent, vrouwe, en u zich met mij wilt verloven, dan zal het u in dit leven aan niets meer ontbreken. Ik zal u grote macht geven en u zult kunnen bevelen en tot uw genoegen kunnen vaststellen dat allen, die nu nog uw gelijken zijn, u, vrouwe, zullen dienen. Over hen zult u koningin zijn.” Toen de voortreffelijke vrouw de inhoud van deze brief geheel ter kennis had genomen, aangevuld met datgene wat de bode van de keizer haar had verteld, richtte zij zich tot God en dankte Hem voor de grote eer die Hij haar ten deel wilde laten vallen. Daarvoor prees zij Hem en ze smeekte Hem uit de grond van haar hart [400] dat dit haar zieleheil ten goede zou mogen komen. Ze stuurde meteen iemand naar haar zoon en vroeg hem om te komen en dit verhaal, het bericht van de keizer, aan te horen. Het was niet meer dan billijk dat ze zijn advies over deze kwestie wilde inwinnen. De jongeman kwam onmiddellijk naar zijn moeder toe. De hertogin lichtte hem terstond in over het bericht dat ze had ontvangen. Toen hij het verhaal had vernomen, vervulde hem dat met vreugde. Hij zei: “Dit zal ook mijn positie ten goede komen. U moet het aanzoek niet afslaan, nu hij u zo hoog schat dat hij u tot vrouw begeert. We zullen in uw vreugde delen, nu is gebleken dat u bij alle vorsten als koningin in de smaak bent gevallen; u zult er nooit spijt van krijgen. Ik adviseer u oprecht het aanzoek bereidwillig te aanvaarden.” Zo sprak de voortreffelijke jongeman. Toen de hertogin van hem had gehoord dat het aanzoek zeer eervol was en hij haar oprecht de raad had gegeven het te accepteren, zond zij de bode met vriendelijke woorden weer terug en verzocht hem aan de machtige keizer en aan alle vorsten te melden, dat zij hem zou gehoorzamen in alles wat hij maar van haar verlangde. Opgewekt aanvaardde de bode de terugweg. De edele ridder spoedde zich voort, hij reed dag en nacht door en gunde zich geen rust, tot hij bij de machtige keizer aankwam. Terstond vertelde hij aan zijn heer wat hij daarginds had vernomen. Toen was hij zeer welkom bij de vorsten en de keizer zelf, omdat hij succesvol het aanzoek ter meerdere glorie van de keizer had overgebracht. Daarvoor waren allen hem zeer dankbaar. Nu werd de keizer bij de gedachte aan die mooie vrouw door een groot geluksgevoel vervuld. Ook al zijn vazallen waren over het bericht verheugd. Vervolgens liet hij met grote inspanning van 's morgens vroeg tot 's avonds laat de noodzakelijke voorbereidingen voor de bruiloft treffen. Het feest zou over zes weken in de rijke stad Mainz plaatsvinden, zoals de edele koning het zich had gewenst. Hij reed onmiddellijk daarna samen met zijn mannen 4
  5. 5. opgewekt naar Beieren naar zijn aanstaande. Daar kon men spoedig veel flinke ridders zien, toen de hertogin Adelheid met de keizer in de echt werd verbonden. Toen zag men de keizer en al zijn begeleiders in opperbeste stemming. Toen ze met de keizerin vertrokken reed menige dappere ridder opgewekt over de weg, ze hadden plezier achter hun schilden. Het uitgestrekte terrein werd door het toestromen van de menigte, die zich onderweg naar Mainz bij hen aansloot, veel te klein. Toen ze de Rijn waren overgestoken en het veld voor de stad hadden bereikt waar het feest zou worden gevierd, waren daar al veel fraaie tenten op het groene weiland opgebouwd. Er vonden veel feestelijkheden plaats toen de keizer zijn bruiloft vierde. Men hoorde er luid geschreeuw en gebrul, gezang en gejuich en allerlei soorten snarenspel. Er was daar veel vertier, zoals dat bij feesten gebruikelijk is. Niemand was er in een slechte bui, armen noch rijken. In het hele Roomse Rijk is er nooit een mooier feest gevierd en zal ook nooit meer een mooier feest gevierd worden ter ere van de keizer. Daardoor werd de koning ook in veel landen geprezen. Hij gaf de ridders [500] veel kostbare fluwelen stoffen en muilezels met het bijbehorende tuig; zilver en goud en menige schitterende beloning liet hij voor de voorname heren aanslepen. Niemand zou u de omvang van het geluksgevoel en de vreugde volledig kunnen beschrijven. Er waren daar ook veel speellieden, die eveneens royale geschenken ontvingen, zodat ook zij verblijd waren. Toen het feest was afgelopen verschenen de vorsten en veel prelaten en bisschoppen een voor een voor de keizer om afscheid van hem te nemen. Het feestelijk samenzijn was ten einde. De trouwe ridders gingen in vriendschap en welgemoed uiteen en vertrokken in alle richtingen. Tenslotte reed ook de koning met zijn schone echtgenote weg. Een grote schare volgde hem tot hij hen naar een plaats had gebracht waar hij van plan was te blijven. De edele koningin was in staat zijn vreugde nog te vergroten. Hij behandelde haar zeer attent. Door haar grote liefde ging hij steeds meer van haar houden. Hij hield meer van deze lieftallige vrouw dan van wat dan ook. Hij was tegenover haar te allen tijde heel voorkomend en ook zij bedierf zijn stemming nooit met opzet, maar trachtte steeds met haar vrouwelijke charmes in zijn gunst te blijven. Telkens wanneer iets wat hij van plan was mislukte, ving zij hem op een prettige manier op. Zij stond hem zo liefdevol terzijde dat hij alle verkeerde gewoonten ter wille van haar afleerde en beiden voeren er wel bij. Ernst komt aan het hof (vv. 545-626) De keizer en de koningin waren in liefde verbonden, ze genoten aanzien en leefden gedurende lange tijd gelukkig en eendrachtig, en hun geluk werd door hun verwanten op geen enkele wijze verstoord. Hoe zou het hen ooit beter kunnen gaan? Ze leefden gelukkig en kenden geen verdriet. Ook het rijk stond onder de keizer in hoog aanzien en er heerste vrede. Hij kende destijds zijn gelijke niet. Toen stuurde de koning boden naar hertog5 Ernst, die hij werkelijk heel graag mocht, omdat hij uit liefde voor zijn moeder ook van hem hield. De keizer, deze edele heer, verzekerde hem van zijn genegenheid en wenste hem het allerbeste toe, zoals een heer dat tegenover zijn vazallen doet, en verzocht hem oprecht zijn moeder, de koningin, te komen bezoeken. Aan dit verzoek voldeed de jongeling als volgt: hij riep zijn vazallen bij zich en verscheen met hen als een heer aan het hof, waar hij de koning tegemoettrad. Deze ontving de jongeman vriendelijk en heette hem welkom. Hetzelfde deed de koningin met vreugde. Ze ontvingen de jongeman met allerlei geschenken. De keizer verleende hem daar de macht over veel grote bezittingen. Hij zei: 5 De koningen werden oorspronkelijk door de hertogen van de verschillende stammen gekozen: Zwaben, Saksen, Beieren en Franken. De hertog van Beieren was dus een van de belangrijkste vorsten in het Rijk. Later (1356) ontstond er een college van keurvorsten, waar de hertog van Beieren niet toe behoorde. 5
  6. 6. “Beste jongen, je6 bent een gelukkig mens. Ik wil je als zoon aannemen zolang wij beiden leven. Ik wil je als leen en in eigendom zoveel van mijn bezittingen geven dat jouw liefde voor mij nooit zal ophouden. Al mijn zaken zullen nooit zonder jou geregeld worden. Beste jongen, God heeft je naar mij toegestuurd. Regeer nu krachtig over mensen en land en help mij het rijk te beschermen en te beheren, zodat niemand daarbinnen roofovervallen kan plegen of brand kan stichten. Daarvoor zal ik jou, edele ridder, [600] altijd oprecht belonen.” De koning gaf hem en zijn volgelingen meer dan genoeg, het leek hun veel te veel. Daaruit kon de jongeling opmaken dat de keizer werkelijk van hem hield. Heel vaak gaf de keizer sindsdien blijk van zijn vaderlijke gevoelens. Hij behandelde de edele hertog als zijn eigen zoon. Hij lette er ook te allen tijde op dat diens aanzien niet werd geschaad. Zijn verwanten en zijn vazallen hielpen hem daarbij. Ook liet de koning hem vaak aan het hof komen om aan beraadslagingen deel te nemen. Daar maakte hij zo'n indruk, zowel door zijn woorden als door zijn welgemanierd optreden, dat de koning en de hele regering naar hem moesten luisteren. Hij gaf destijds zulke verstandige adviezen dat niemand betere had kunnen verzinnen. Hij bleek in al zijn doen en laten een flinke ridder te zijn. Ernst valt in ongenade (vv. 627-902) De keizer hield van deze man. Dat had hij ook zeker wel verdiend door zijn houding ten opzichte van keizer en rijk. Ook de koningin was blij dat hij aan het hof zo werd geprezen. Onder degenen die al vele jaren lid waren van de keizerlijke raad, stond zijn naam aan de top. De koning was hem zeer toegenegen en bewees hem vele gunsten. Dat had hij ook echt wel verdiend, omdat hij in menige benauwde situatie de edele koning had bijgestaan. Deze gaf hem vaak onbeperkte hoeveelheden zilver en rood goud. Daardoor bleef de voorname jongeling hem ook trouw gedurende de vele jaren die ze bij elkaar waren, en ze vielen elkaar nooit af. Een zekere Heinrich kon dat echter niet hebben. Hij verstoorde de hartelijke verhouding tussen hen beiden op een gemene wijze, wat hem door de duivel was ingefluisterd die sindsdien nog velen tot ontrouw heeft aangezet. Deze laffe schurk was een neef van de keizer en een van zijn adviseurs. Elke dag weer dacht hij na hoe hij de gevierde jongeman bij de keizer in diskrediet zou kunnen brengen, zodat deze een hekel aan hem zou krijgen. Dat deed hij enkel en alleen, omdat Ernst zich zo in de gunst van de keizer verheugde. Toen dacht hij erover na wat hij zou kunnen zeggen om hem bij de keizer in ongenade te laten vallen en zijn aanzien zo te ondermijnen dat de keizer heel kwaad op hem zou worden. Hij deed dit omdat men aan het hof niet meer zo goed naar hem luisterde als voordien. Dat vervulde hem met verdriet en woede en het verdroot hem en de zijnen. De ontrouwe man over wie ik het nu heb, was de paltsgraaf7 van de Rijn. Die valse, ontrouwe man ging zonder scrupules naar zijn heer en vertelde hem terstond een leugenverhaal, namelijk dat hertog Ernst hem alleen voor de schijn onderdanig was: “U moet weten dat hij u maar al te graag van de troon wil stoten, zoals ik van hemzelf heb gehoord. Hij wil uw gelijke worden wat adeldom en macht betreft. Dat verdriet mij, heer, en bekommert mij. Het komt door uw goud. De vorsten zijn allen al op zijn hand, u kunt licht 6 In de Middelhoogduitse tekst worden de familiaire vorm en de beleefdheidsvorm soms willekeurig door elkaar gebruikt; in de vertaling is doorgaans voor de beleefdheidsvorm gekozen, ook als die in de tekst niet gebruikt wordt. Vanwege de context is hier voor de jij-vorm gekozen. 7 In de Middeleeuwen bestond er in het Duitse Rijk geen vaste residentie; de koning/keizer trok voortdurend met zijn gehele hofhouding van palts naar palts. Een palts was een kasteel waarin alle voorzieningen aanwezig waren om het hof gedurende enige tijd te herbergen. Elke palts werd beheerd door een paltsgraaf, die in latere tijden als heerser over het omliggende land ook een belangrijk vorst kon worden. Zo was de paltsgraaf aan de Rijn sinds 1356 een van de keurvorsten. Hij zetelde in Heidelberg. Andere belangrijke paltsen die tot heden bewaard zijn gebleven zijn Goslar en Paderborn; ruïnes van paltsen zijn er in Gelnhausen (bij Frankfurt aan de Main) en Kaiserswerth (bij Düsseldorf); een laatste rest van een palts is ook het Valkhof in Nijmegen. 6
  7. 7. uw aanzien verliezen. Wilt u, heer, niet een betrouwbaarder vertrouweling kiezen? Hij bazuint overal rond dat hij wat macht, afkomst en adeldom uw gelijke wil zijn, heer, en dat hij dagelijks van 's morgens vroeg tot 's avonds laat erover piekert hoe hij het moet aanpakken om uw bezit en uw waardigheid te verwerven. Edele vorst, dat heeft mij iemand verteld die het hem echt heeft horen zeggen. Die verzocht mij in het geheim [700] u te waarschuwen, voordat hij u zou overvallen en uw macht zou breken. Wanneer hij, heer, u zou verdrijven, wat komt er dan van mij terecht? Dan zou ik ook verdreven worden. Bedenk dat wel, geliefde heer, zodat wij op tijd maatregelen kunnen nemen. Wanneer hij heerser van het rijk mocht worden, dan zou hij ook mij mijn macht afnemen. Daar ben ik heel bang voor!” De keizer schrok hevig van deze mededeling en zei: “Hoe zou ik zo'n verhaal als u me hebt verteld kunnen geloven, namelijk dat hij mij zo vijandig gezind zou zijn? Het wordt uit afgunst en uit schaamteloze haat over hem verteld. U moet weten dat hij zoiets in geen geval zou doen, want hij is betrouwbaar en goed, rechtschapen en eerlijk en hij heeft zowel mij als het rijk tot op heden met volle inzet zo enthousiast en loyaal gediend, dat ik zo'n afschuwelijk verhaal over hem niet kan geloven. Valsheid en ontrouw zijn hem volkomen vreemd. Ik acht zijn trouw te groot voor zoiets. Ik weet zeker dat hij zo standvastig is dat hij zoiets nooit zou doen. Hij is een edele ridder en heeft mij tot nu toe steeds bereidwillig terzijde gestaan. Als u net zoveel om mij geeft, houd dan zulke praatjes voor u. U wilt hem alleen maar uit mijn omgeving verdrijven. Het zou mij zeer spijten, als ik hem op die manier zou verliezen. Laat hem toch met rust.” “Ach, wat moet ik nu! Moge God zich over mij ontfermen”, zei de paltsgraaf toen, “dat hij u, heer, zo met zijn listen heeft weten te bedriegen en zo uw verstand heeft weten te benevelen dat u van hem houdt en niet van mij. Ik weet heel goed dat ik u grote trouw en vriendschap schuldig ben en ik ben ook tegenover u en het rijk altijd zo eerlijk geweest, en ik acht mijzelf zijn gelijke evenals hij zich mijn gelijke acht. Ik heb eveneens land en bezittingen, ik ben ook een vorst en de zoon van een vorst, maar ik handel alleen zo omdat ik het mijn plicht acht en omdat het in overeenstemming is met de wet.Als uw macht groot genoeg was, dan zou ik weinig te vrezen hebben. Maar, heer, als uw leven of uw positie in gevaar zouden komen, dan zou ik dat nooit te boven komen. Als ik hem hier was tegengekomen, dan zou ik hem terstond van hoogverraad hebben beschuldigd dat hij jegens u beraamt. Hij had het tegenover mij niet kunnen ontkennen. Een heel betrouwbare man, die mij bezwoer dat hij de waarheid sprak, heeft het me verteld, zodat Ernst het nooit had kunnen ontkennen. Wees ervan overtuigd: het doet me pijn dat u mij niet gelooft. U moet begrijpen dat u daardoor uw leven en uw waardigheid in gevaar brengt. U moet nu, edele keizer, in deze kwestie verstandig handelen en uw positie wijselijk verdedigen. Als men van alle kanten met legerscharen tegen u oprukt zal het te laat zijn. Dan hebben we geen middel meer om ons te verdedigen. Hij zal een zeer sterk leger op de been brengen, omdat de vorsten hem ondersteunen, en ze zullen met geweld te voet en te paard tegen u optrekken en verwoestingen aanrichten in het rijk.” Toen de keizer deze lasterpraat hoorde, werd hij verschrikkelijk boos op hertog Ernst. Hij geloofde dat het werkelijk zo was [800] als zijn neef hem had gezegd. Het beviel hem helemaal niet en het deed hem veel verdriet. “God belone u ervoor, beste man, dat u zich zorgen maakt over het gevaar waarin ik mij bevind. Hij zal het bezuren, als ik nog tijd van leven heb. Hoe hoog hij ook denkt op te kunnen klimmen, ik zal hem bestrijden en hem zo klein krijgen dat ik in mijn rijk geen last meer van hem zal hebben.” De koning geraakte steeds meer in toorn. Toen zei de valse man: “Wees nu niet zo boos, maar doe wat ik u aanraad, dan kunt u gemakkelijk en zonder grote schade te lijden met hem afrekenen. U moet voor de koningin en voor uw gehele gevolg verzwijgen wat ik u heb verteld, anders zou men hem waarschuwen. Zorg er nu voor dat hij 7
  8. 8. zijn straf ondergaat voordat hij het in de gaten heeft. Men moet de kastelen in zijn erfland veroveren en hem op die manier te gronde richten, voordat hij een leger bijeen kan brengen en durft op te trekken om zich te verdedigen. Wij moeten hem met een leger overvallen, want als hij kans ziet zijn verdediging te organiseren, dan brengt hij het rijk in groot gevaar. Zijn mensen staan achter hem en zullen hem met grote scharen te hulp komen. Dat alles kunt u verhinderen en voorkomen zonder verliezen te lijden. U moet een leger mobiliseren, maar dat moet in het geheim gebeuren, zodat niemand te weten kan komen tegen wie u ten strijde wilt trekken of wat het doel van de krijgstocht is, totdat men hem verliezen heeft toegebracht. Daar kan hij dan niets tegen doen, omdat hij geen mogelijkheid heeft zich te verdedigen. Heer, dat is mijn raad. Probeer zijn kastelen met beloftes en geschenken in handen te krijgen, zodat ze niet deelnemen aan deze strijd. Dan zal de stoutmoedige man spoedig zonder verzet uw rijk als vluchteling moeten verlaten.” De koning volgde onmiddellijk de raad van de paltsgraaf op en deed wat deze hem had gezegd. Later zou hij er spijt van krijgen, want hij moest de gevolgen ondervinden. Hij mobiliseerde een groot leger en stuurde het op de hertog af. Met plundering en brandschatting verklaarde hij zijn stiefzoon de oorlog. Deze kon er niets tegen ondernemen, behalve dan dat hij zijn eigen kasteel verdedigde. Met verwoestingen vergold men zijn genegenheid voor de keizer. De paltsgraaf richtte veel schade aan in zijn land, zowel aan kastelen als aan steden, waarvan hij er vele veroverde en met zijn eigen mensen bezette. De overige stak hij in brand. Dat gebeurde allemaal op grond van een grote leugen. Nadat de paltsgraaf Heinrich in zijn moorddadige haat in het hele land door plundering en brandstichting grote schade had aangericht, begon hij vervuld van haat Neurenberg te belegeren. Destijds waren er in die stad vele dappere strijders die lijf en leven zeer moedig verdedigden. Menigeen die rondom de stad in de stadsgrachten en op ladders de stad wilde bestormen, lieten ze in het stof bijten. Vooral bij de stadspoort sneuvelden er velen van hen. De paltsgraaf zelf droeg tijdens de aanval het vaandel van het rijk. Hij was zeer wel in staat de mensen aan te sporen. Zowel veteranen als nieuwelingen dromden zo samen dat ze grote verliezen leden, voordat ze weer weg konden komen, want ze moesten terugwijken, de voorsten het eerst, van de stad naar het open veld, waar ze hun tenten weer af moesten breken. [900] Ze konden nog maar net ontkomen en moesten afzien van het veroveren van de stad. Ernst tracht zich te rechtvaardigen (vv. 903-1242) Ik weet niet hoeveel dagen de paltsgraaf daarna met zijn leger plunderend en brandschattend door het land van de hertog trok, omdat niemand hem dat belette. Hij verwoestte het land grondig, zowel dorpen als kastelen en steden. Niemand hield hem tegen. De edele en vermaarde hertog wist, dat het in opdracht van de keizer geschiedde. Ten slotte kwam de edele en koene man met de beste adviseurs waarover hij beschikte bijeen om te beraadslagen wat hij nu het beste zou kunnen doen. Bij die gelegenheid zei zijn vazal, graaf Wetzel: “Als u nu iets hiertegen onderneemt dan kunt u later, als u ter verantwoording wordt geroepen, niet beweren dat u niet tegen het rijk in opstand bent gekomen en dan zou u dus schuldig zijn. U zou veel beter kunnen trachten weer bij de keizer in de gratie te komen. Als hij u desondanks in het verderf wil storten, dan weet men,” zo sprak de voortreffelijke ridder, “dat de keizer geweld tegen u heeft gebruikt. Ik adviseer u dan ook u niet te verdedigen, want al had u de beschikking over duizend legers, u zou zich toch niet tegen de keizer moeten verzetten. Hij kan u immers de schade die hij u heeft toegebracht gemakkelijk vergoeden, als hij bereid is tot een onderhoud met u. Zolang moet u geen verzet bieden. Maar als hij u toch wil verdrijven, dan moet u zich dapper verdedigen. Voordat u het rijk verlaat en uw eigen hertogdom opgeeft, moet hij de strijd leren kennen waarbij wij hem veel leed zullen bezorgen. Wij zullen niet zo gemakkelijk het veld voor hem ruimen, maar ons heel dapper te weer 8
  9. 9. stellen. Ondertussen zou u moeten trachten bij onze vrouwe, de koningin, erachter te komen wat de redenen kunnen zijn, waarom u in ongenade bent gevallen. Dat is mijn advies,” zei de edele ridder. Toen stuurde de hertog een bode naar zijn moeder en verzocht hem, haar alles te vertellen en de grote schade te beschrijven die men hem ten onrechte had toegebracht. Deze boodschap bracht de flinke ridder die hij daartoe zeer wel in staat achtte, over. De ridder ging meteen op weg. Met list en verstand kwam hij bij de koningin en vertelde haar wat er gebeurd was. Vol verdriet hoorde ze het met tranen in haar ogen aan. Ze verzocht de bode in het geheim gedurende de nacht te blijven. Vervolgens ging ze meteen naar de keizer, waar ze hem onder vier ogen kon spreken. Weloverwogen zei ze tegen hem: “Ik smeek u, hooggeboren keizer, met het oog op uw eigen reputatie en ter wille van de almachtige God, genadig te zijn en naar mij te luisteren. Mijn zoon Ernst heeft een bode naar u gezonden en deze heeft tegenover mij geklaagd over de schade die Ernst heeft geleden en over het feit dat hij buiten zijn schuld bij u in ongenade is gevallen. Hij begrijpt niet waarom en hij begrijpt ook niet dat u hem in uw toorn zijn hertogdom wilt afnemen en hem zonder rekenschap af te laten leggen en zonder juridische basis geheel in het verderf wilt storten. De edele ridder verzoekt u nu Ernst te willen ontvangen. Als er iemand is die gehoord heeft dat hij u iets heeft aangedaan, dan wil hij daarvoor de straf ondergaan die hem door allen, machtigen en minder machtigen, in overeenstemming met de wet wordt opgelegd. Wat u ook maar van hem verlangt, dat wil hij u graag geven, als u tegenover hem genade laat gelden en hem zolang een wapenstilstand toestaat tot hij u kan bewijzen dat hij u trouw en altijd oprecht toegenegen is geweest.” Toen viel de machtige koning woedend uit en zei: “Om zoiets mag u mij niet vragen, [1000] want dat kan ik niet doen. Vrouwe, uw zoon heeft mij dusdanig beledigd dat hij nooit meer in mijn omgeving mag verschijnen. Laat daar geen misverstand over bestaan. Ik zal hem wel aan zijn verstand brengen dat hij mij leed berokkend heeft, tenzij ik voor die tijd sterf. Daarvan kunt u zeker zijn: ik zal ervoor zorgen dat hij geen plezier meer heeft van zijn land. Hij zal in mij een onverbiddelijke vijand hebben, zolang ik leef, daar kunt u zeker van zijn!” Toen de edele vrouwe zag dat de koning woedend was, schrok zij zeer. Ze durfde hem toen niets meer te vragen. Met de zelfbeheersing van een dame ging zij meteen naar haar kamer. De bode stuurde ze snel weer terug naar zijn land en liet aan haar zoon, de hertog, meedelen dat de paltsgraaf hem op een verschrikkelijke manier bij de koning had zwart gemaakt, zodat hem werkelijk niemand meer zou kunnen helpen. Dat hij zou moeten handelen als een held en zijn land zo zou moeten beschermen dat, wat er ook mocht gebeuren, zijn eer niet in het geding zou komen. De keizer is laaiend en zegt in het openbaar dat hij hem zou doden en hem alles zou afnemen waarop zijn aanzien berust, tenzij hij het land zou verlaten. Dat liet ze aan de hertog meedelen. Toen de bode dit had vernomen reed hij zo snel hij maar kon terug en arriveerde korte tijd later weer in Beieren waar hij zijn heer op een van zijn kastelen aantrof. Die vroeg hem of hij wist, waarom de vermaarde keizer hem zo vijandig gezind was en wat hij hem dan wel had gedaan. Daarop antwoordde de moedige man: “Dat zal ik u vertellen. Uw moeder, de koningin, wenst u het allerbeste en ze zegt ook dat u, voortreffelijke jongeling, moet trachten uw onschuld aan te tonen. U bent buiten uw schuld in grote moeilijkheden geraakt. De paltsgraaf heeft er in het geheim voor gezorgd dat u bij de keizer in ongenade bent gevallen. Denk nu goed na, edele ridder, hoe men het hem betaald kan zetten. Deze schurk wil u uit uw erfland verdrijven. Wanneer u er niets tegen zou ondernemen, zou dit haar veel verdriet doen. De koningin zei mij dat ze werkelijk had gehoord dat niemand u hulp zou kunnen bieden. De keizer is uw onverzoenlijke vijand. Laat nu, hertog, blijken dat u altijd al een goede ridder bent geweest. De keizer behandelt u onrechtvaardig, des te eerder zal God u helpen. Zorg er nu met Gods hulp voor dat men, 9
  10. 10. wanneer de keizer u eenmaal zal hebben verdreven, altijd van u zal zeggen dat uw erfland u na aan het hart lag en dat alleen de keizer u eruit heeft kunnen verdrijven.” “Maar ik8 adviseer het niet alleen om die reden. Hij moet het ook nog op een andere manier proberen. Licht de vorsten in die de keizer bijeen heeft geroepen. Hij wil met hen beraadslagen over Ernst, voor zover ik weet. Laat hij hun met vriendelijke woorden verzoeken bij de keizer voor hem te pleiten. Wat daar over hem besloten wordt zal hij onmiddellijk te weten komen. Daaraan moet hij zich dan houden.” Dat liet ze aan de hertog meedelen. Ernst stuurde nu een bode die zich terstond naar de vorsten spoedde. Hij kwam er midden in de nacht aan. Toen de bode verslag aan hen had uitgebracht en de benauwde situatie had geschetst waarin zijn heer zich bevond, toen hadden ze medelijden met hem [1100] omdat hij buiten zijn schuld in deze ellendige toestand verzeild was geraakt. Zij beloofden voor hem te pleiten en zijn zaak aan de orde te zullen stellen. De volgende morgen, nadat ze de mis hadden bijgewoond en aan het hof waren verschenen, gingen ze naar de keizer. Ze brachten hun verzoek naar voren, terwijl ze aan zijn voeten neerknielden. “Heer, wanneer het u behaagt dat wij een verzoek tot u richten, sta ons dan toe dat wij volgens goed gebruik naar voren brengen wat wij u willen vragen en hoor het aan zonder kwaad te worden.” Toen zei de hooggeboren vorst: “Sta op, het zij u toegestaan een verzoek te doen. Laat horen waarop het verzoek betrekking heeft.” Toen zei een van de vorsten: “Wij verzoeken u met klem, edele keizer, ter wille van de almachtige God vergevingsgezind te zijn en de hertog, die door leugens bij u in diskrediet is gebracht, gratie te verlenen. Hij is buiten zijn schuld bij u uit de gunst geraakt en hij weet niet eens waarom. De hier verzamelde vorsten vragen u hem gratie te willen verlenen, omdat ook hij om genade heeft gesmeekt. Wij willen hem helpen alles wat hij u heeft aangedaan, weer goed te maken, totdat wij uw wrevel hebben weggenomen en uw toorn hebben gesust en geheel in overeenstemming met uw wens, met uw oordeel en uw keuze uw leed hebben afgewend ter meerdere glorie van het rijk. Laat hem, heer, hier verschijnen. Straf hem voor datgene wat hij u heeft aangedaan, zoals het u belieft, opdat wij u ook in de toekomst dienstbaar zullen zijn. Laat hem, edele vorst, niet onschuldig te gronde gaan. Hij wil loyaal om uw gunst vragen. Met leven en bezit wil hij zich hopend op uw genade aan u uitleveren. Geef hem een vrijgeleide totdat wij hem voor de terechtzitting naar u toe brengen. Voor alles wat u van hem eist zullen wij borg staan, totdat u van zijn onschuld overtuigd zult zijn.” Terstond viel de koning woedend uit en zei: “Wat u vraagt is ondenkbaar. Ik heb mij door een plechtige eed dusdanig vastgelegd, dat ik er nooit van zal kunnen afzien. Hij zal nooit ofte nimmer een vrijgeleide krijgen noch zal het tot een verzoening komen. Een ieder die mij en het rijk liefheeft, mag mij niet met zo'n verzoek lastig vallen als hij mij tot vriend wil houden. Die man wil mij verdrijven en wil wat adel en capaciteiten betreft mijn gelijke zijn. Hij zal er spijt van krijgen, als ik tijd van leven heb. Ik jaag hem het land uit, tenzij hij mij verdrijft, dat moet hij goed beseffen. De vorst die hem ertoe heeft aangezet zich tegen mij te keren, die zal ik altijd vijandig gezind zijn. Daar kunt u van op aan!” De vorsten moesten weer gaan staan en ze moesten het verzoek uit angst inslikken. Hoe zeer ze de hertog daarvoor ook toegenegen geweest waren en hoe bereidwillig ze ook met opgeheven handen voor hem het verzoek hadden ingediend, nu moesten ze zweren tegen hem ten strijde te trekken. Ze durfden niet te weigeren, en waren nu gedwongen hem de oorlog te verklaren. Zelfs zijn familieleden moesten de wapens tegen hem opnemen; dat beval hun de keizer. Daardoor ontstond er grote ellende in alle Duitse landen, omdat de hertog zich gedurende zes jaar manmoedig tegen de keizer te weer stelde, totdat men hem ten slotte een totale nederlaag toebracht. Toen moest hij het land verlaten, want hij kon geen weerstand 8 Tot hier werden de woorden van de bode in de directe rede weergegeven, de woorden van de koningin in de indirecte rede; vanaf hier spreekt de koningin. 10
  11. 11. meer bieden tegen de macht van de keizer en tegen de andere vijanden. Toen de bode teruggekomen was en Ernst het besluit van het hof had vernomen, zei de grote volksheld: “Moge God [1200] in zijn genade ons nu behoeden en mij op die trouweloze kerel wreken, die mij deze schade en deze grote narigheid heeft aangedaan, want ik heb het gezag van de keizer op geen enkele manier aangetast. Ik verzeker u: hij zal nog moeten boeten voor de kwade influistering waardoor hij mijn geliefde heer tegen mij heeft opgezet, wiens waardigheid ik steeds trouw heb gerespecteerd. Tot nu toe deed iedere tegenslag die hij te verwerken kreeg, mij pijn,” zei de edele ridder. “Maar nu word ik gedwongen ernaar te streven hem dwars te zitten. Als ik zonder mijn aanzien te schaden van deze verplichting af kan komen, dan zou ik heel blij zijn. God weet, dat het de waarheid is, dat ik niet door een of andere stommiteit bij de keizer in ongenade ben gevallen. Nu geeft hij genadeloos toe aan zijn toorn. Maar ik wil nog wel een poosje samen met hem in zijn rijk vertoeven, dat moet hij mij toestaan, of hij het leuk vindt of niet, daar kan hij zeker van zijn. Alleen nog grotere ellende, zoals ziekte, armoede of de dood, die zoveel mensen bedwingen, kan mij ervan afbrengen. Ik heb zoveel goede strijders die, zolang zij nog in leven zijn, niet zullen toelaten dat men mij verdrijft, zodat ik best wel weerstand kan bieden aan de keizer. Het zal niet gebeuren,” zei de held, “dat hij me mijn land afpakt dat ik door mijn afkomst heb geërfd; zo ver is het nog lang niet!” Ernst wreekt zich op zijn vijanden (vv. 1243-1452) De keizer had een rijksdag bijeengeroepen in Spiers. Toen men dit aan de hertog vertelde, dacht hij: “Waarachtig, daar moet ik heen, hoe het er mij ook moge vergaan. Ik moet de Rijn oversteken en mijn vijanden die mij dit leed hebben aangedaan opzoeken.” Vervolgens koos hij twee van zijn mannen uit wier dapperheid hij kende en reed met hen erheen. Toen zij de Rijn waren overgestoken ontvouwde hij voor zijn metgezellen zijn plan en zijn intentie. Zij vonden het een goed idee wat hij had bedacht. Het was al heel laat toen hij de binnenplaats van de palts kwam oprijden. Graaf Wetzel nam hij met zich mee en hij beval de andere ridder goed op de paarden te passen en er voor te zorgen dat hij gereed en gewapend zou zijn als ze hem nodig zouden hebben, zodat ze meteen weg zouden kunnen rijden, voordat men ze gevangen kon nemen. De hertog galoppeerde direct vol woede naar de deur van het keizerlijke vertrek. Er stonden kamerdienaren voor, maar die letten niet goed op. De hertog en zijn vazal troffen de deur niet vergrendeld aan. Ze hadden het zich niet beter kunnen wensen. De koning zat samen met zijn neef in het geheim te overleggen. De dappere ridders drongen de kamer binnen. Ze trokken onmiddellijk het zwaard en verstoorden op grove wijze het gesprek. De koning kon nog net ontsnappen. Hij sprong van zijn plaats haastig over een bank. Het was maar een ogenblik, maar het leek hem een eeuwigheid te duren! Hij vluchtte in een kapel. Zijn vazal, de paltsgraaf, moest zijn valse beschuldiging bezuren: de hertog gaf hem een zo harde klap met zijn zwaard dat hij smadelijk ter aarde stortte. Zijn hoofd vloog een heel eind weg. Hij zei: “De keizer zij vervloekt dat hij ooit naar je geluisterd heeft. Ik had het op hem gemunt die mij nu aldus is ontkomen. Ik had hem met zekerheid vermoord. Hij heeft deze benarde toestand zeker verdiend, [1300] omdat hij steeds naar jou heeft geluisterd. Wat kun jij, duivel, mij nu nog doen? Moge God je straffen. Ik heb noch jou, noch wie dan ook ooit kwaad gedaan. Daarvoor had ik eigenlijk zowel door jou als door de keizer beloond moeten worden. Nu lig je hier jammerlijk in een plas bloed. Dat is je verdiende loon. Je hebt tegen mij geageerd zonder enige aanleiding. Door jouw misdadig gestook moeten velen sterven. Onze Lieve Heer, die alles vermag, moge jouw ziel genadig zijn.” De hertog ging naar de paarden. Er was nog niemand verschenen. Zij sprongen alle drie in het zadel en reden vlug weg, zodat niemand met deze onverschrokken ridders de strijd 11
  12. 12. kon aanbinden. De duistere nacht maakte het mogelijk dat ze zonder problemen de Rijn konden oversteken. In de daarop volgende tijd bood de hertog dapper weerstand, voordat hij zijn land zou verlaten. In de hele burcht ontstond een groot rumoer, toen het verhaal bekend werd dat de dappere ridder Ernst de paltsgraaf had doodgeslagen. Men hoorde er hevig geweeklaag en geween. Het leek hun een groot wonder dat hij zo maar had kunnen ontkomen. Van alle kanten weerklonk geschreeuw. De koene ridders zochten bovendien, bewapend met speren en schilden, in alle richtingen de omgeving af, zowel in de buurt van de stad als verder weg, maar ze konden ze ontdekken noch inhalen. Toen ze ze niet konden vinden, reden ze terug naar de stad. Daar gaven ze luid klagend uiting aan hun frustratie, dat ze ze niet meer konden achtervolgen. Maar hoezeer daar ook werd geklaagd, de drie overvallers waren in veiligheid. Aldus had de hertog zich gewroken. De koning die moest constateren dat zijn neef dood was, terwijl de hertog nog leefde en in grote haast was ontkomen, was diep bedroefd. “Ter wille van jou, mijn edele neef, zal hij voor altijd vervolgd worden. Hij heeft mijn hart met gramschap vervuld. Ik betreur jouw dood zo zeer! Nooit zal ik meer vreugde kennen, als ik niet in staat zal zijn je zo te wreken dat men er in alle eeuwigheid over zal spreken. Als ik morgen nog leef, zal ik hem spoedig thuis in zijn land opzoeken, tenzij alle mannen waarover ik beschik, mijn verwanten, mijn vazallen en mijn overige vrienden mij in de steek laten. Dit leed en deze schande zijn godgeklaagd! Ik vraag nu al mijn vrienden, hem er spijt van te laten krijgen dat hij ooit hier naar het hof is komen rijden, om zo'n schandelijke misdaad te plegen. Het zal me, zolang ik leef, altijd dwars zitten dat hij het ooit heeft gewaagd zo'n wandaad jegens mijn neef te plegen. Hij kan er verzekerd van zijn dat er voor hem geen pardon bestaat. Nooit is een koning zoiets aangedaan. De schande, dat hij mij in aanwezigheid van al mijn vazallen zo'n euveldaad heeft aangedaan, zal mij altijd met droefheid vervullen.” De keizer was dus ongelukkig. Hij gaf opdracht om het lijk waardig op te baren. Hij beval gedurende de nacht bij de jongeman te waken, zoals dat nog steeds het gebruik is. 's Morgens werd hij met alle eer begraven. Aansluitend liet hij de vorsten allen naar het hof komen. Daar maakte hij het grote verlies aan allen, machtigen en minder machtigen, bekend, en hij formuleerde een aanklacht [1400] tegen hertog Ernst en diens vazal graaf Wetzel, die op misdadige wijze het hof waren binnengedrongen en hem schande en verlies hadden bezorgd, hetgeen hij nooit van zich zou kunnen afzetten, zolang hij leefde. Hij zou hem zijn schuld aan de dood van zijn neef nooit kunnen vergeven. Nog erger was dat ze ook hem bijna hadden vermoord. Als hij niet in een kapel had kunnen vluchten zou hij het leven hebben verloren. “Mannen, sluit u aan bij mijn toorn over het feit dat hij zowel u als het rijk op zo'n schandalige wijze te schande heeft gemaakt.” Nu ze tegen hem ten strijde moesten trekken verklaarden ze meteen zijn bezittingen en leengoederen en ook al zijn erfgoed verbeurd. “Heer, u hebt volkomen gelijk: hij dient hoe dan ook vernietigd te worden,” zei menige ridder. “Hij heeft de ellende zelf over zich afgeroepen.” De keizer deed hem en de zijnen in de ban. Voordat hij de palts aan de Rijn verliet, gaf de keizer bevel een krijgstocht naar het land van de hertog te ondernemen. Daartoe werden terstond al diegenen opgeroepen die ridder waren en wapens konden dragen, jongeren zowel als ouderen. Heel veel dappere strijders verzamelde hij uit alle streken van Duitsland, dertigduizend of meer goede krijgslieden. Ook de voorname vorsten trokken met vele dappere ridders die het gevecht wel aandurfden en er ook naar uitzagen, ten strijde. Toen gaf de keizer opdracht de legerscharen onder zijn banier naar Beieren, het land van de hertog, zijn vijand, te voeren. Hij bereikte Regensburg en belegerde de stad met groot machtsvertoon. Dat had tot gevolg dat zeer vele ridders daar het leven verloren en de dood vonden. 12
  13. 13. De oorlog breekt uit (vv. 1453-1598) Het keizerlijk vaandel werd door sterke mannen meegevoerd, zoals men dat nog steeds bij een bestorming doet. Veel dappere ridders deden hun maliënkolder aan. De trotse jongelingen hadden de stad omsingeld en bestormden van alle kanten met geweld de muren. Daarbij verloren veel ridders en voetvolk het leven. De strijders van de hertog voerden een groene vlag. Toen trokken de dappere mannen in gesloten gelederen naar buiten voor de stadspoort. Hier stonden ze tegenover de koning en zijn troepen. Toen zij de aanvallers daar ontvingen brachten ze hun zware verliezen toe. Ze botsten op elkaar en er ontbrandde een hevig gevecht. De blinkende helmen werden gedeukt, de slag van menig zwaard weerklonk, toen de scharen elkaar ontmoetten. Menige strijder raakte daar gewond, met bloed besmeurd, en er werd menige rekening vereffend. Ter wille van de roem offerden helden hun leven in de strijd. Gapende wonden werden er dwars door de glinsterende maliënkolders heen geslagen. De trotse jongelingen letten er nauwelijks op. Ze sloegen met zwaarden en gooiden hun speren en werpspiesen. Verdedigers en aanvallers verwondden velen. Veel dappere mannen die er de dood vonden, viel de koele rust van het massagraf ten deel. De bestorming duurde tot de avond. Met geweldige inzet werd aan beide zijden gevochten, zodat de verdedigers niet in staat waren zich van de troepen van de keizer te ontdoen, totdat de duistere nacht ze ten slotte scheidde. De burgers trokken zich in de stad terug. De aanvallers moesten overal in het rond [1500] op het open veld een slaapplaats zoeken. Men had er allerlei hutten en tenten opgebouwd. De gesneuvelden, die in de manhaftige strijd de dood hadden gevonden, werden op baren gelegd en weggedragen. De belegerden hadden de belegeraars zulke pijnlijke verliezen toegebracht dat de keizer de schade later nog hevig zou betreuren. Hij had tijdens de bestorming meer dan duizend man verloren. Dat maakte hem zowel verdrietig als woedend en hij was er zeer bedroefd onder. Maar hij zou nog veel meer mensen verliezen, want diegenen die tijdens de strijd aan de stadsmuur zo zwaar gewond waren dat ze niet meer beter konden worden, stierven jammerlijk. Zoals ik heb gehoord, hadden de burgers ook verliezen geleden, zowel doden als gewonden, die ze nauwelijks te boven konden komen. Die moesten ze toen opgeven, zoals men al zo vaak heeft gedaan wanneer men oorlog voert. De keizer belegerde de stad nu met een geweldig leger. De burgers zorgden voor de verdediging op torens en tinnen. Ze toonden de vijand dat ze van plan waren weerstand te bieden. Toen liet men wederom het gehele leger tot de aanval overgaan, zowel ridders als voetvolk, machtige en eenvoudige lieden. Van alle kanten rukten ze tot vlak onder de muur op. Dat had voor de belegeraars geweldige verliezen ten gevolge. Van de torens wierp men scherpe projectielen op hen en van de tinnen bekogelde men ze met stenen uit de erkers. Menig dodelijk gewonde zag men in de gracht vallen. Hij zou nooit meer aan een bestorming deelnemen. Men zag er vele glinsterende maliënkolders die rood waren van het bloed. De trotse jongelingen die roem wilden verwerven, vonden hier de dood. De keizer werd steeds woedender, omdat hij de stad al meer dan zes maanden belegerde. Maar het meest deed hem verdriet dat hij zo grote verliezen had geleden. Hij had het liefst zijn woede op deze grote stad gekoeld. Hij liet dan ook heel snel stormrammen, schutdaken en belegeringstorens bouwen en hij beval ze voor een lange strijd gereed te maken. Toen hij de burgers niet vermocht te bedwingen en ze zich niet wilden onderwerpen, liet hij de belegeringsinstrumenten, bemand met onverschrokken jongelingen, tot vlak bij de stadsgracht schuiven. Daarop begon een nieuwe grimmige aanval op de stad. De dappere burgers gingen weer achter de tinnen staan. Hoe groot het leger ook was dat men uit verre streken daar bijeen had gebracht, zij verdedigden hun muren met grote moed. De strijd bracht wel grote verliezen met zich mee: de mensen vielen als sneeuwvlokken. Diegenen die niet meer op hun benen konden staan, riepen ach en wee. Toen liet de koning zijn hele leger 13
  14. 14. tegelijk die plaats bestormen. Met hun stormrammen verbrijzelden ze de borstwering. Wat men maar kon raken werd verwoest. De burgers werden door de schutters op de belegeringstorens zwaar onder druk gezet. Ze hadden graag vrede gesloten, want ze waren als de dood voor de belegeringsinstrumenten die de vijanden tegen hen inzetten. Menige strijder sneuvelde daar. De aanval duurde de hele dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, ononderbroken en met groot geweld, totdat de duisternis de aanvallers verdreef. De val van Regensburg (vv. 1599-1674) De stad bleef die nacht nog behouden.[1600] In het geheim stuurde men een bode naar de plek waar hertog Ernst zich bevond, die hem inlichtte en hem vroeg hoe ze zich eruit moesten redden. Ze zouden de stad alleen maar kunnen verdedigen door zich dood te vechten. Ze hadden zich alleen met de grootste moeite tot nu toe kunnen handhaven en ze zouden haar op geen enkele wijze langer kunnen houden. Toen deelde de edele vorst hun mee dat hij de stad nog liever zou opgeven dan dat hij een van de burgers zou verliezen. “Onverschillig, waar ik ook heen moge gaan, laat ze onderhandelen, zodat ze levend de stad kunnen verlaten, en laat ze proberen de toorn van de keizer, die mij zo vijandig is gezind, tot bedaren te brengen.” De bode keerde spoedig terug en bracht het bericht aan hen over. 's Morgens in het ochtendgloren ontving de keizer het bericht dat de burgers zich aan hem wilden overgeven, rekenend op zijn genade, als hij de strijders levend en in vrede huns weegs zou laten gaan. Ook de belegeraars hadden er wel oren naar wegens de grote verliezen die ze hadden geleden. De keizer vroeg de vorsten wat zij ervan vonden. Ze waren het er allemaal over eens dat ze het graag zo zagen gebeuren. Toen zei de keizer: “Dan zal het zo gebeuren!” Toen de vrede was gesloten, zoals ik u daarnet heb verteld, en de keizer hun de hand had gegeven,9 liet hij zijn vlag op een hoge toren hijsen. Hij trok de stad binnen, wat sommigen weliswaar niet beviel, maar het kon niet anders, want hij had de stad immers belegerd. Ze hadden zich zolang hevig tegen de keizer verzet, totdat ze zich niet langer meer konden handhaven. Ze hadden dikwijls dapper van zich af gebeten, zodat men van deze voortreffelijke mannen wel kon zeggen dat ze niet bang waren om te vechten. De keizer en zijn mannen waren blij dat de stad aan hen werd overgedragen. Degenen die naar buiten kwamen liet men levend en wel wegtrekken, waarheen ze maar wilden. Er bleven veel wezen achter! Nu was ook voor degenen die met de keizer waren gekomen het gevaar geweken. Sommigen hadden er echter verwondingen opgelopen waar ze nooit meer van zouden genezen. De edele koning liet daarop de stad door zijn mannen bezetten en vertrok onmiddellijk daarna. Ze braken de tenten af, ruimden het veld en staken de hutten in brand. De glinsterende maliënkolders zag men weer schitteren, boven hun hoofden wapperde de keizerlijke vlag en menige ridder reed er achter aan. Het leger was weer sterk en groot. De burgeroorlog verspreidt zich over het hele land (vv. 1675-1738) De koning trok nu vol woede plunderend en brandstichtend door het land van de hertog. Hij berokkende hem grote schade en sloopte al zijn kastelen. Dat moest de hertog allemaal accepteren, want de keizer was zo machtig dat niemand hem kon weerstaan. Hij wilde niets voor de hertog overlaten: die moest en zou alles kwijtraken. Zo koelde de keizer zijn woede door het land van de hertog te verwoesten, in ruil waarvoor hij menige strijder moest opofferen, die nooit meer levend naar huis zou komen. Wat hij hem ook aan schade toebracht, hij wilde hem niet vergeven. De troepen van de hertog vochten dapper, omdat ze het niet 9 Als teken van bevestiging van de overeenkomst en van de gratiëring. 14
  15. 15. wilden toelaten dat hun land verwoest werd. Zolang ze konden en in staat waren om te vechten vochten ze heel manhaftig. [1700] Toen hertog Ernst besefte dat zijn land was verwoest en men zijn burchten had veroverd, klaagde de stoutmoedige man tegenover de zijnen die hem in deze nood tot de dood hadden ondersteund, omdat hij zich ook steeds energiek voor hen had ingezet. Daarom hadden ze hem ook dag en nacht geholpen het grote verdriet dat hem was aangedaan te wreken. Hij reed nu terstond naar het gebied van de koning, waar zijn mensen eveneens op grote schaal her en der brandstichtten. Menig kasteel verwoestte hij daar. Waar hij een overwining kon behalen verminkte hij de leenmannen van de koning en sommigen sloeg hij dood. Hij bracht de keizer grote verliezen toe. Al degenen die tegen hem hadden samengespannen moesten leven en bezittingen verliezen. Zo verbleef de trotse hertog waarachtig meer dan vijf jaar al oorlog voerende in zijn land, waar die stoutmoedige man zich tegen de wil van de keizer staande hield en niemand hem met behulp van welke krijgslist dan ook kon verdrijven. Hij was heel goed in staat zich met moed en beleid te handhaven. Zijn mensen stonden altijd voor hem klaar en verdedigden zijn eer net zolang, totdat de hertog alles wat hij bezat had weggegeven en opgemaakt in verband met de oorlogsinspanningen. Toen pas moest hij het land verlaten. Ernst besluit in ballingschap te gaan (vv. 1739-1972) Toen de voorname vorst Ernst de oorlog tegen de keizer niet meer voort kon zetten, handelde hij verstandig, “omdat ik gedwongen ben ermee te stoppen.” Toen liet hij al zijn vazallen komen, de besten van het land wier moed hij kende. Hij koos uit de ervaren strijders de vijftig allerbesten uit die hem nooit in de steek hadden gelaten en in geen enkele strijd op de vlucht waren geslagen. Zij wilden samen met hem naar het buitenland gaan. Hij zei: “U bent mijn beste vrienden en u hebt mij nog nooit in de steek gelaten. In welke noodsituatie ik ook geraakte, u hebt mij dapper terzijde gestaan. Ik wil uw advies inwinnen, want u bent mij altijd trouw geweest. Mijn land ligt er nu verwoest bij, leeg geplunderd en in puin. Bovendien heb ik alles opgemaakt wat ik ooit bijeen heb vergaard. Mijn beminde helpers hopen nu iets van mijn rijkdom te ontvangen. Zij menen te weten dat ik goud in overvloed bezit. Maar ik ben nu,” zei de voortreffelijke held, “door de oorlog volledig aan de grond geraakt. Bovendien zijn de koning en al zijn vazallen mij buitengewoon vijandig gezind, naar ik heb gehoord. Zij beraden zich hoe ze mijn aanzien kunnen schaden. Ik kan helaas niet langer weerstand bieden tegen de keizer. Ik heb al zo veel gedaan door hem zo lang te weerstaan dat het iedereen die het hoort of te weten komt verbaast. Dat komt echter vooral doordat u mij zo goed hebt geholpen. Nu moet ik wijken voor de macht die ik moet vrezen. Ik kan u zeggen, en dat is echt waar: wie tegen de stroom op zwemt, al lijkt het een tijdje goed te gaan, zal ten slotte toch stroomafwaarts drijven. Nu vrees ik dezelfde afloop, want deze situatie is nu ingetreden. U hebt het al vaak gehoord: wie lange tijd tegen de keizer oorlog voert zal, al kan hij ook een tijdje weerstand bieden, ten slotte toch altijd verliezen. Zo zal het ook mij vergaan. We hebben ons zo hardnekkig tegen de keizer verzet en ook al zijn vazallen zo grote schade berokkend dat ik echt niet langer in het land kan blijven. Mijn beste vrienden, u weet ook dat we alles rondom ons heen hebben verwoest en onze eigen bezittingen hebben uitgeput, [1800] zodat we te gronde zouden moeten gaan. Als wij nu nog buit zouden kunnen maken, zoals wij dat vroeger deden toen we erop uit waren onze vijanden schade toe te brengen, dan zouden we geen armoede hoeven te lijden en dan zouden we ons de vijanden wel van het lijf kunnen houden. Maar nu we totaal zonder middelen zijn om ons te verdedigen, moeten we voor de keizer vluchten. Ik ben vast besloten naar overzee te vertrekken. Als het u, heren, goeddunkt dan lijkt het mij gepast om in Gods naam op 15
  16. 16. kruistocht10 te gaan en in dienst te treden van het Heilige Graf. Op die manier kunnen wij ons eervol uit de strijd terugtrekken, voordat we ons laten verjagen. We hebben immers ook in strijd met Gods gebod gehandeld, zodat het alleen maar billijk is boete te doen opdat wij zijn genade weer deelachtig worden en opdat hij onze schuld moge vergeven. Wanneer wij later, als we dat nog mochten beleven, weer thuiskomen, dan zullen we misschien alles weer terugkrijgen wat de keizer ons heeft afgenomen. Nu verzoek ik u allen, familieleden en leenmannen, dat u mij niet alleen uit dit land laat vertrekken. Ook u, makkers in de strijd, zou daardoor steun en aanzien ten deel vallen, en ook ik zal u voor uw trouw altijd beloning verschuldigd zijn en deze door wederdiensten vereffenen,” zei de voortreffelijke jongeman. Toen zeiden de edele ridders unaniem, dat God hem op dat idee moest hebben gebracht. Ze waren bereid ter wille van deze man hun leven op het spel te zetten en vrouw en kinderen thuis aan God toe te vertrouwen, en ze wilden bij hem blijven en samen met hem voor God naar overzeese gebieden varen. Alleen de dood zou ze daarvan af kunnen houden. Eenstemmig beloofden ze met hem op reis te gaan. Nu werd er niet meer langer getreuzeld. De hertog en zijn mannen gingen opgewekt naar de plaats waar ze het kruis opgespeld kregen. Het bericht dat de dappere strijder Ernst kruisvaarder was geworden, werd spoedig in het hele land bekend – alle mensen waren blij dat te horen – en ook dat vijftig van zijn mannen die de voorname jongeman had uitgekozen voor deze reis hem zouden vergezellen om God overzee te dienen. Daarna groeide het aantal van degenen die het teken van de kruisvaarder op hun kleding bevestigden geweldig. De hertog rustte zichzelf en zijn mannen goed en zorgvuldig uit met glinsterende maliënkolders en ijzeren beenbeschermers, stevige stalen helmen en bovendien nog met scherpe zwaarden – de uitstekende krijgslieden waren al deze dingen dubbel en dwars waard. In een zo kostbare uitrusting verlieten zij het land dat men waarlijk in geen enkel land krijgslieden had kunnen vinden – of in de toekomst zal kunnen vinden – die beter uitgerust waren. Alleen kwaadsprekers zouden het gewaagd hebben te beweren dat deze voortreffelijke ridders uit armoede hun land hadden verlaten. Maar iedereen wist het wel. Ze maakten zich gereed voor de vaart over zee. Veel voortreffelijke ridders die ook God wilden dienen, waren blij dat ze met hem mee mochten gaan. Veel uitstekende strijders uit alle delen van Duitsland verheugden zich op deze onderneming. Zijn moeder, de koningin, stuurde hem een bijdrage van vijfhonderd mark en veel kostbare geborduurde stoffen, gewaden van hermelijn en zijde, met gouddraad versierd, en veel prachtig beddegoed. De held nam dit geschenk aan [1900] en dankte haar ervoor. Het geschenk verdeelde hij onder zijn jonge volgelingen, zoals het hoort. Hij was in elk opzicht een voorbeeldig ridder. Wat kon de machtige vorst eraan doen dat men hem onschuldig uit het land verdreef? Zolang hij in het land vertoefde, had hij zo'n strijd moeten leveren dat men er nog steeds over vertelt. De dag kwam dichterbij waarop de hertog en zijn mannen zouden vertrekken. Er kwamen grote groepen ridders uit verre landen naar hem toe bij wie hij als een goede heer bekend stond. Die verzochten hem in Gods naam en met een beroep op zijn ridderlijke inborst, dat hij daar blijk van zou geven en zo vriendelijk zou willen zijn hen mee te laten gaan, omdat hij hen zou kunnen beschermen in welke noodsituatie ze ook mochten geraken en opdat hij van hun diensten gebruik zou maken totdat ze de stad Jeruzalem zouden hebben bereikt. Bij alles wat hij wilde ondernemen zouden ze hem terzijde staan en hem nooit in welke noodsituatie dan ook in de steek laten. Ze zeiden dat ze met hun leven en bezittingen voor hem klaar stonden tot in de dood. “Zo denken wij erover. U kunt dus beschikken over alles wat wij hebben!” Toen zei de stoutmoedige man: “Ik heb uw woorden gehoord. Beste vrienden, wees God en mij welkom en wees ervan overtuigd dat ik u zolang ik leef nooit in de steek zal laten. Voor u zal ik mijn leven op het spel zetten en alles wat ik van God heb ontvangen, grote en kleine dingen, zal ik met u delen 10 De tekst spreekt van kruistocht, maar in feite gaat het om een pelgrimstocht. 16
  17. 17. en het zal van ons allen gemeenschappelijk zijn. Nu u zich bij mij aansluit en bij mij betrouwbare steun hoopt te vinden, zult u er geen spijt van hebben zolang als ik leef. Ik wil u allen graag als broeders en reisgenoten opnemen en zal mij nooit als heer van een uwer gedragen. U zult op deze tocht allemaal evenveel aanzien genieten als ik en u moet weten dat ik u dag en nacht naar beste vermogen zal beschermen.” De koene ridders dankten hem voor deze woorden. De hertog was heel blij dat hij zoveel flinke mannen voor zijn expeditie had verzameld. Hij beschikte over een schare van zeker duizend goed uitgeruste ridders, uitstekende strijders, die op dat moment samen met hem het land verlieten en die hem allen als aanvoerder gehoorzaamheid hadden gezworen. De reis naar Konstantinopel (vv. 1973-2122) Toen de hertog zijn zeereis tot in de puntjes had voorbereid, zoals het een vorst betaamt, en nadat hij afscheid had genomen en op weg wilde gaan, treurden al zijn verwanten en leenmannen, toen ze afscheid van hem moesten nemen, zo hevig dat men nooit meer zo'n verdriet zal meemaken. Al zijn onderdanen waren droevig gestemd, omdat de voortreffelijke jongeling steeds met grote toewijding voor ze had gezorgd zolang hij hun heer was geweest. Vervolgens verliet de edele strijder onverschrokken het land en gaf kastelen en land, horigen en leenmannen aan zijn verwanten die zijn erfgenamen waren, voor zover het hun later niet werd ontnomen. Aldus reed de machtige vorst samen met een schare uitgelezen ridders uit zijn geboortestreek weg. Hertog Ernst was verheugd dat zijn schare zo groot was, [2000] want een machtig leger volgde hem op weg naar zee. Ze trokken opgewekt voort. Graaf Wetzel, zijn vazal, was een voortreffelijk ridder. Aan hem gaf hij de opdracht het leger te leiden, wat hij manhaftig deed. Zij trokken zo zwaar bewapend voort dat ze niet werden aangevallen. Zo reden ze vol goede moed naar Hongarije. Toen de koning aldaar ervan hoorde heette hij Ernst van harte welkom, omdat hij van hem zulke heldendaden had gehoord, namelijk dat hij zich door zijn dapperheid zo lang had weten te verdedigen en in de strijd tegen de keizer stand had gehouden. Hij ontving de hertog en al zijn mannen buitengewoon vriendelijk. Toen ze arriveerden nodigde hij de mannen bij zich uit en fêteerde ze op zeer eervolle wijze. De hertog bedankte hem er hartelijk voor. Ook zorgde hij voor een onderkomen voor de nacht. Vervolgens overhandigde hij ter verhoging van de feestvreugde geschenken aan de hertog en beval hem met alle eer door zijn land te escorteren. De hertog nam de geschenken aan en nam blijmoedig afscheid. De koning van Hongarije gaf hun toen nog militaire steun tijdens het doorkruisen van het Bulgaarse woud. Zo trokken die stoutmoedige ridders opgewekt voort naar het Griekse keizerrijk. In een evenzo opgewekte stemming trokken de koene ridders de stad Konstantinopel binnen. De hertog gaf zijn kwartiermeester de opdracht niet te treuzelen, maar met zijn knechten vooruit te rijden en onderdak te organiseren, zodat ze als ze er later zouden aankomen, meteen zouden kunnen uitrusten. De heerser van het rijk werd onmiddellijk op de hoogte gebracht. Hij ontving de hertog en zijn mannen heel voorkomend, want hij had al horen vertellen dat de hertog buiten zijn schuld uit zijn land was verdreven en dat hij lang had standgehouden en zich tegen de keizer had verzet en verwoestingen in diens rijk had aangericht en hoe eervol hij tenslotte zijn land had verlaten. Toen beval hij zijn gehele volk goed voor de hertog en zijn mannen te zorgen zolang ze er zouden verblijven. Aan dat verzoek werd ijverig gevolg gegeven. Allen, armen en rijken, zorgden vorstelijk voor hen en nog beter dan hun was opgedragen. Men vervulde al hun wensen. Zo vertoefde de gerespecteerde hertog daar een week of drie, voordat het de koning lukte een schip te vinden of te kopen dat de hertog geschikt vond en dat groot genoeg was om proviand en rustingen te vervoeren. Tenslotte vond hij toch een boot die voor de reis geschikt 17
  18. 18. leek. De edele en prijzenswaardige koning gaf opdracht hen naar dat schip te leiden en ruimschoots te voorzien van goede, verse levensmiddelen waar ze een half jaar mee toe zouden komen. Bovendien gaf hij hun goud. Hij was de hertog wegens diens grote dappperheid zeer toegenegen. Toen alles in gereedheid was gebracht en ze op het punt stonden te vertrekken ging Ernst, die indrukwekkende man, naar de machtige koning. De beroemde held vroeg beleefd om toestemming te mogen vertrekken, omdat hij gereed was en rijkelijk van levensmiddelen voor de reis was voorzien. “Wij zijn u dankbaar voor uw vrijgevigheid en daarom zullen we te allen tijde zolang we leven tot wederdienst bereid zijn en we zullen God bidden u te beschermen. Laat ons nu vertrekken,” sprak de voorname jongeman. Toen liet de koning een grote hoeveelheid goud uit zijn schat afwegen. Dat werd naar het schip gebracht.[2100] Ten slotte sprak de machtige koning: “Moge God u allen in zijn dienst de reis laten volbrengen en u behoeden, opdat u door uw dienst uzelf en ons gelukkig zult maken. Dat wens ik u en uw schare toe.” Toen nam de hertog afscheid van de machtige koning. Opgewekt ging hij met zijn mannen aan boord. De hertog en zijn leger waren bij de Grieken zeer in de smaak gevallen. Uit genegenheid en vriendschap scheepte een sterk Grieks leger zich op meer dan vijftig schepen in, vertrok met hem naar overzee en plaatste zich onder zijn bevel. Dat hij met de zijnen weer veilig land zou bereiken, beloofden ze de hertog. De zeereis (vv. 2123-2176) Toen ze allen afscheid hadden genomen en aan boord waren gegaan, werden de zeilen gehesen. De edele strijders staken in zee op weg naar het land Syrië. Ze hadden voldoende voorraden aan boord en voeren opgewekt voort zonder ooit hun goede humeur te verliezen. Toen ze al vijf dagen op volle zee waren, brak er plotseling gejammer en geweeklaag uit onder Gods strijders. Een zeer zware storm blies alle schepen zo uit elkaar dat er geen een bij de ander in de buurt kon blijven. Twaalf gingen er meteen ten onder, terwijl de opvarenden verdronken en op een verschrikkelijke manier om het leven kwamen. De anderen bevonden zich in grote nood op de meedogenloze zee. Toen werd het leger van de hertog zo ver de zee op gestuwd, dat geen van hen de ander ooit nog levend terug zou zien. Daardoor was hij zeer ongerust. De hertog ontdekte tot zijn verdriet dat hij op die manier gescheiden was van de Griekse ridders. De wind dreef ze nu steeds verder de zee op. Maar de voortreffelijke hertog had er verstandig aan gedaan dat hij al zijn koene strijders die zich in Duitsland en onderweg bij hem hadden aangesloten, allen bij elkaar op zijn schip had ondergebracht. Hij was nu zeer verheugd dat hij ze op die manier nog bij zich had. Toen de vloot ver buiten op de woeste baren, waar voordien noch nadien ooit een mens is geweest, uiteengeslagen werd, verkeerde de prijzenswaardige hertog met zijn mannen in groot gevaar, omdat ze de bittere dood steeds voor ogen hadden. Men kan echt wel zeggen dat ze in de rats zaten. Men heeft sindsdien nooit meer horen vertellen over grotere beproevingen dan die waaraan hertog Ernst toen was blootgesteld. In het land Grippia (vv. 2177-2816) Toen de hertog met zijn leger aldus meer dan drie maanden op zee had rondgedobberd en de dappere krijgers geen kust meer wisten te bereiken, toen was onze held zeer bedroefd, want hun proviand was opgeraakt en ze geloofden niet meer dat ze nog zouden overleven. Zo zaten de mannen gevangen met hun zorgen. Op een dag in de ochtendschemering begon de hemel op te klaren. Toen kwam er een einde aan hun ellende. Het morgenrood verlichtte de hemel en het weer klaarde weer op, zoals dat na een onweer wel vaker gebeurt. De hemel werd strak 18
  19. 19. blauw en de zee helder en doorschijnend. Ook ging de wind liggen [2200] die hen voordien zo hevig heen en weer geslingerd had. De ridders ontdekten dat redding nabij was. Ze zagen ineens een prachtig land, dat Grippia heette. Daarover waren ze zeer verheugd. Ze stuurden erop af en zeilden een haven binnen. Ze wierpen het anker uit dat houvast in de bodem vond. Op hetzelfde ogenblik zagen ze een schitterende stad die rondom door een stevige muur was omgeven. Die was zeer kostbaar en bestond uit kostbare marmeren blokken die allemaal geel, groen, blauw, zwart, rood of wit waren, fraaier kon het niet. Daarmee was ze zorgvuldig in schaakbordmotief opgetrokken en ze was aan alle kanten versierd met verschillende voorstellingen van allerlei bekende en vreemde zaken, die men maar opnoemen of herkennen kon, helderder stralend dan glas. Er was een gracht rondom gegraven die de stad geheel omsloot, waar water door stroomde. Ook de tinnen waren zowel van buiten als van binnen meesterkijk geconstrueerd en met goud en grote en kleine edelstenen versierd, en dat alles was een knap staaltje vakwerk. De stad straalde onverschrokkenheid uit, ze vreesde geen enkel leger. Verdedigingswerken, torens en borstweringen waren kennelijk door vakmensen beschilderd en met beeldhouwwerk getooid, zoals de boeken vermelden waarin het beschreven staat. Geprezen zij degeen die het voor ons zo heeft gedicht dat we het goed kunnen begrijpen. Merkwaardige mensen bewoonden11 de stad waarvan de glans van verre te zien was. Toen de dappere strijders daar het land bereikten, streken ze onmiddellijk de zeilen, gingen voor anker en lieten de sloepen te water. Toen sprak de held Ernst tot zijn vrienden en zijn mannen: “Het lijkt me verstandig, nu God ons naar dit mooie land heeft geleid, naar deze fraaie stad, dat we nu we zo weinig proviand meer hebben, hier proberen voedsel te krijgen voordat we helemaal te gronde gaan. We hebben lange tijd in grote zorgen verkeerd en lang op zee rondgezwalkt, terwijl we nergens aan land konden gaan. Nu we deze zo schitterend gebouwde stad hebben bereikt, lijkt me toch dat daar mensen zijn die haar bewaken. We zullen vandaag nog te weten komen of het heidenen of christenen zijn en we zullen voorzichtig moeten onderhandelen, opdat ze ons levensmiddelen verkopen. Mochten het geen christenen zijn, dan zullen ze ons niet laten leven. Dan maakt het voor ons niet uit of we daar of hier sterven. Daar we ter wille van God op weg zijn gegaan is het minder erg als we hier als martelaren sterven dan dat we op het schip verhongeren.” Toen ze deze woorden hadden vernomen zeiden ze: “Wij zijn ter wille van God op weg gegaan en om geen andere reden!” Ze wilden graag in dienst van de hertog sterven en altijd lief en leed met hem delen. De dappere en positief ingestelde mannen trokken nu zorgvuldig hun glinsterende maliënkolders aan. Toen ze zich hadden bewapend gingen ze in de sloepen. Toen ze aan land gingen bevestigde hertog Ernst een rood vaandel aan een stok en gaf aan graaf Wetzel bevel [2300] het te dragen. Daarop leidde deze man hen zeer manhaftig voorwaarts. Ze hadden hun rustingen aan, hun helmen op en hun schilden bij zich. De dappere man leidde ze over het open veld. Manhaftig droeg hij het vaandel tot voor de stadspoort waar ze halt hielden. De deuren stonden wijd open. Toen zagen de dappere mannen dat er niemand op de tinnen stond, binnen noch buiten, wat ze ten zeerste verbaasde. Toen zeiden ze tegen elkaar: “Ik snap hier niets van. Het zijn rare lui dat ze zich niet vertonen. Ik geloof dat ze zich hebben verstopt om ons aan het lijntje te houden. Ze willen ons op die manier listig de stad in lokken, zodat ze ons des te gemakkelijker klein kunnen krijgen als we eenmaal binnen zijn. Dat ze zich niet willen vertonen heeft geen andere reden. Maar laten ze oppassen! Wij kunnen ze nog wel flink in de problemen brengen. Voordat zij ons doden zullen wij menigeen om zeep brengen en in stukken hakken!” Toen zei Ernst, de stoutmoedige man: 11 Het werkwoord ontbreekt in het handschrift. 19
  20. 20. “We zullen eerst proberen om wijn en brood en andere levensmiddelen aan te schaffen, voordat we hier de dood vinden. We zijn volledig op de strijd voorbereid in onze stevige glinsterende maliënkolders. Mannen, u moet zich nu aaneensluiten en met het vaandel over de brug de poort binnendringen. Voordat ze op het idee komen ons hier buiten te verjagen, zijn we al bij hen binnen met geweld, besef dat wel, mannen! Dappere helden, verkoop binnen in de stad uw huid zo duur dat men zich zulke bezoekers altijd met leedwezen en verdriet zal blijven herinneren.” Toen verzamelden de beproefde strijders zich vastbesloten rondom het vaandel. De dappere graaf hield het stevig in zijn hand en leidde de bannelingen naar de stad en door de stadspoort naar binnen. Niemand hield ze daar tegen. Ze liepen en renden naar binnen, en toen ze de stad waren binnengedrongen, was daar op dat ogenblik ook niemand die hen enige weerstand bood. Zo kwamen de ridders zonder strijd tot midden in de stad. De stoutmoedige mannen waren er nog steeds op verdacht dat iemand hen tegemoet zou kunnen treden. In een groene, altijd koele tuin, een soort dierentuin,12 troffen ze vele zitgelegenheden aan. Voor geen keizer, hoe machtig hij ook mocht zijn, zou het te min zijn geweest om daar aan tafel te gaan. Toen zagen de edele jongelingen daarbinnen in een kring allemaal schitterende tafels staan waarop met gouddraad geborduurde zijden tafelkleden lagen die aan de randen heel kunstig van kostbare biezen waren voorzien. Ook de stoelen waren onberispelijk. Voorts kan ik u vertellen dat alle tafels netjes gedekt waren. Op elke tafel zagen ze vlees, brood en vissen, moerbeiwijn, honingwijn, kruidenwijn en andere soorten wijn, de beste die er maar te krijgen zijn, en bovendien wild en vlees. Waar ze het in dat land vandaan haalden, hoeven we niet te weten. Kopjes en bekers waren van puur goud, de schotels kunstig van zilver gemaakt. Alles wat ze nodig hadden om van te leven vonden ze daar in overvloed. Toen zei Ernst, de stoutmoedige jongeling, tegen zijn ridders: “Nu doet u er verstandig aan [2400] als u zich netjes gedraagt. U moet vol overgave Onze Lieve Heer danken voor de zeer royale gaven die Hij ons vandaag heeft geschonken,” zei de dappere krijgsman. “Wat wij aan voor ons geschikt voedsel kunnen vinden en opeten, dat kunnen wij zonder te zondigen nemen. Al het andere moet u laten liggen. Misschien wil God ons op de proef stellen. Daarom moet u niets van hun goud en hun kostbaarheden begeren. Sla geen acht op deze kostbare tafelkleden. Dank Onze Heer, die ons zo vaak heeft gered en die ons deze spijs heeft gegeven. Wij hebben er nog nooit zo naar verlangd. We zouden smadelijk en zonder strijd op de woeste baren een verschrikkelijke hongerdood zijn gestorven. Daarom moet u allen Hem danken. God heeft aan ons een groot wonder laten geschieden. U moet nu allen aan tafel gaan en opgewekt gaan eten, opdat uw lichaam weer op krachten komt. Als u dat hebt gedaan, volg dan mijn raad en breng heel snel proviand aan boord van het schip voor de tijd die we nog te gaan hebben voordat God ons de weg naar het land van Jeruzalem wijst. Hier kunnen we,” sprak de hertog, “niet langer blijven dan tot de ochtend, dan moeten we weer wegzeilen, houd daar rekening mee. Het is mij namelijk duidelijk geworden dat deze stad niet geheel verlaten is, haar inwoners moeten ergens in de buurt zijn,” zei de jongeling, “we moeten er rekening mee houden dat ze er ineens zijn.” Toen gingen de knappe jongemannen hun handen wassen. De dappere strijders gingen aan de tafels zitten en ze aten en dronken tot ze geen honger meer hadden. Hoeveel ze ook van de spijzen verorberden, er was geen gebrek. De vermetele mannen stonden meteen weer op en verlieten de tafels waaraan ze gegeten hadden, en allen, ervaren lieden en nieuwelingen, liepen door de stad en bekeken nauwkeurig de vele schatten van goud en edelstenen van grote schoonheid. Nadat ze dit hadden gezien kwamen ze in een huis waar ze vlees, wijn en brood aantroffen, dat had God zo beschikt. Er was er zoveel van opgeslagen dat niemand het u zou 12 In het Middelhoogduits is er sprake van een würmelâge, een woord waarvan de betekenis niet geheel duidelijk is; waarschijnlijk gaat het om een soort dierentuin voor reptielen, een slangenkuil. 20
  21. 21. kunnen vertellen. Een koning had met datgene wat ze er vonden, zijn hele leger rijkelijk van leeftocht kunnen voorzien. Op dat moment waren allen zeer verheugd. Ze bevoorraadden hun schip, wat heel snel gebeurd was. Ze gingen weg om uit te rusten en lieten de stad open en verlaten achter. De opgewekte strijders kwamen naar het schip terug en rustten uit na gedane arbeid. Toen ze zo een poosje hadden gelegen en zich hadden uitgerust, zei hertog Ernst tegen zijn vazal graaf Wetzel: “Ik heb er zin in nog eens terug te gaan en de stad nauwkeuriger te bekijken, wat dat ook voor gevolgen moge hebben. Ze is zo mooi. Laat me meteen weten of u er met mij heen wilt gaan.” “Ja,” zei de ridder, “ik wil graag met u meegaan. U moet niet bang zijn dat ik daar om het leven zou kunnen komen. Maar u moet wel, mijn waarde heer, al onze makkers verzoeken bereid te zijn ons als broeders te helpen en, ter wille van hun eigen aanzien [2500] en in het bijzonder ter wille van de almachtige God en uit fatsoen, meteen met een schare strijders naar ons toe te komen, zodra ze hebben vernomen dat wij worden aangevallen, en ons terstond dapper te hulp snellen als ze strijdrumoer horen, zodat ze ons op tijd kunnen ontzetten. De stad is groot en uitgestrekt, we moeten haar nog beter bekijken. Ik kan maar niet geloven dat er geen mensen in zijn. Hoe kan men het verklaren dat ze zich niet willen vertonen? Ik geloof dat ze alleen maar te weten willen komen wat we gaan doen. Nu ze ons niet hebben willen aanvallen, moeten wij weloverwogen proberen uit te vinden wat ze van plan zijn tegen ons te ondernemen. Moge de almachtige God ons bijstaan! Maar wat ze ook hebben bedacht, wij zullen beslist teruggaan, of we er baat bij hebben of ten onder gaan. Ook als we er vandaag niet meer vandaan mochten komen, zullen we het toch blijven proberen.” Toen beloofden de mannen hun dat ze ze zouden redden uit de nood, tenzij ze samen met hen zouden sterven. Toen ze weer in de stad teruggekeerd waren zagen ze er vele prachtige kunstwerken, fraai versierd met goud. Ze zagen er allerlei verbazingwekkende voorwerpen van goud en edelstenen. Menig schitterend paleis zagen ze er, van grote schoonheid en kunstig om te zien, en van een zeer vreemdsoortige stijl. Ook zagen de onverschrokken mannen veel hoge poorten onder hoge gewelven die straalden als sterren en die nergens op aarde mooier versierd hadden kunnen zijn. De stad verried zowel van buiten als van binnen in elk opzicht de hand van een meesterlijke architekt. Ze zagen er ook veel prachtige zalen. Deze stad lag weliswaar heel dicht bij de zee, maar haar verdedigingswerken waren zo stevig dat zelfs een machtige koning met zijn leger, als hij haar had willen verwoesten, haar met rust had moeten laten. Nadat ze die verbazingwekkende dingen hadden bekeken spoedden ze zich voort. Ze kwamen weer bij de dierentuin waar ze eerder die dag hadden gegeten. Ze liepen er nu doorheen. Vlakbij zagen ze een buitengewoon fraai paleis dat geheel met goud was bedekt. De wanden waren aan alle kanten van groen doorschijnend smaragd. Toen ontdekte de zeer voorname en dappere hertog Ernst een prachtig ingerichte slaapkamer13 die van binnen zeer artistiek met edelstenen was versierd. Die waren allemaal bijzonder fraai in glimmend goud ingebed en meesterlijk geslepen. Toen ze daar naar binnen gingen zagen ze een veldbed staan dat, zoals het verhaal wil, met mooi en kostbaar goudbeslag was versierd en op een zeer ongebruikelijke manier heel kunstzinnig met parels en edelstenen was getooid. Leeuwen en draken, adders en slangen, uit helder goud gesmeed, waren op het beslag aangebracht. Kosten noch moeite waren gespaard, ze waren volmaakt. Boven op de vier poten waren vier edelstenen bevestigd. Die waren behoorlijk groot, ze leken wel op de zon en straalden alsof ze brandden. Ze glommen als een gloeiende gloed. Ernst, de edele man en opgewekte strijder, 13 In het Middelhoogduits is er sprake van een kemenâte; daarmee wordt een vertrek aangeduid waarin zich een stookgelegenheid bevindt; vaak gaat het daarbij om een vertrek voor vrouwen. Uit de inrichting blijkt hier dat het een slaapkamer is, bestemd voor het bruidspaar. 21
  22. 22. genoot ervan. Twee dekens lagen erop [2600] die met kostbare zijde van grote waarde waren overtrokken. De lakens waren van zijde, de deken van hermelijnbont, waaromheen kunstig een kostbaar boord was genaaid waarop vele edelstenen waren bevestigd. Daaroverheen lag nog een zijden sprei, eveneens met gouddraad versierd, van glimmende zijde en eromheen was weer een kostbaar wit boord genaaid. Dat alles verbaasde de beide jongemannen zeer. Een grote zware en fraai ontworpen fauteuil zagen ze voor het bed staan. Hij was helemaal van wit ivoor, van kunstig snijwerk en van vakkundig aangebracht gouden beslag voorzien. Boven op de uiteinden van poten en leuningen waren vier grote amethisten, wit en bloedrood, op bewonderenswaardige wijze aangebracht. Een kostbaar en kwalitatief buitengewoon goed doek was erover gespreid. Zo stond deze fauteuil naast het luxueuze bed gereed. Een vierkant fluwelen kleed van onschatbare waarde lag op de grond, voorzien van een rijk versierd boord. Twee kostbare gouden bekers zagen ze ook bij het bed staan met de beste wijn die in het land te vinden was of die men ooit zou kunnen proeven. Op deze fraaie manier was een grootse ontvangst zorgvuldig voorbereid. De grootste luxe die er op de wereld te vinden was, was daar bijeengebracht. Dat bleek uit alle details. Toen de edele ridders die grote luxe in de slaapkamer hadden bekeken en weer naar buiten gingen zagen ze ernaast een prachtig aangelegde tuin, uitgestrekt en fraai en vol groene ceders. Ze gingen er snel heen en zagen er twee fonteinen, waarvan het water de tuin uit stroomde. De ene was warm, de ander koud. Op een slimme manier waren ze zo geconstrueerd dat ze naast elkaar stroomden en liefelijk voortkabbelden naar een plek waar een mooi badhuis stond. Dat was in zijn geheel met groen marmer bekleed en had een gewelf dat op sterke steunbogen rustte. Een sierlijker staaltje van bouwkunst kan nauwelijks bestaan. Twee roodgouden badkuipen stonden erin te schitteren. Twee zilveren buizen, buitengewoon kunstig gesmeed, leidden het water naar binnen. Hier was over nagedacht! Welk water men ook wilde hebben, warm of koud, het stroomde door de buizen in een krachtige straal in de beide badkuipen. We hebben horen vertellen dat het door een ijzeren buis aan de andere kant weer uit het bad werd afgevoerd. Het water werd ook door de hele uitgestrekte stad geleid. Dat was met opzet gedaan. De straten in de stad, smalle en brede, waren namelijk van marmer, sommige waren groen als gras. Wanneer men in de stad was opgestaan en men de straten schoon wilde maken, dan liet men het water meteen door de hele stad stromen. Dan werden vuil en mest weggespoeld. Binnen zeer korte tijd was de stad dan weer schoon. Ik geloof dat er op aarde geen andere stad zo schitterend is: haar straten glinsterden als vers gevallen sneeuw. Toen de edele, stoutmoedige hertog Ernst al deze wonderen [2700] in de stad had aanschouwd, zei hij tegen graaf Wetzel: “Beste strijdmakker, ik heb zin om in bad te gaan. We hoeven niet bang te zijn. Als ik het wel heb, is hier geen levend wezen in de stad dat ons schade zou kunnen berokkenen terwijl wij een bad nemen. Als er iemand naar de stad wil komen, dan zullen we dat gauw doorhebben en zijn we gereed om ons te verdedigen. We hebben op de woeste baren zo'n ellende meegemaakt, terwijl we nauwelijks tijd hadden om bij te komen. Laten we nu God loven dat we hierheen zijn gekomen waar we tot rust kunnen komen.” Toen antwoordde de graaf, zijn vazal: “Omdat u het per se wilt, moet ik u volgen. Maar u moet weten, als het aan mij lag, dan zou u het niet moeten doen. Nu u echter geen advies van mij verwacht,” zei de dappere man, “zal ook ik heel snel daarheen gaan en eventjes in bad gaan. Maar weet dat het een merkwaardige situatie is, want ik vrees hier te moeten sterven zonder mij te kunnen verdedigen.” Toen trokken ze snel hun rusting en hun kleding uit. De edele strijders namen plaats in de badkuipen. Ze moesten het badwater er zelf in laten lopen, dus openden ze de kranen. Er stroomde helder water, warm en koud, in ieders badkuip. Daarover waren de stoere kerels zeer verheugd. Zo namen ze daar een bad. Toen ze gebaad hadden stapten ze uit het bad opdat 22
  23. 23. niemand hun schade zou kunnen berokkenen. Ze snelden door het schitterende paleis, waar ze niemand zagen, naar de slaapkamer. Daar gingen ze op het mooie bed liggen dat daar in al zijn heerlijkheid stond en rustten uit na het baden. Dat zou velen later in het ongeluk storten. Toen de heer en zijn vazal een poosje op bed hadden gelegen, zei graaf Wetzel tegen zijn heer: “Het is tijd om op te staan en weer naar het schip te gaan waar wij onze metgezellen hebben achtergelaten. Ze maken zich ongetwijfeld zorgen en willen terecht weten hoe het ons hier in de stad is vergaan. Ik ben bang dat ze vreselijk boos op ons zijn. Heer, u moet zich gauw weer aankleden opdat wij, als er iets mocht gebeuren, gereed zijn om ons te verdedigen. We hebben de grote luxe in deze stad grondig bekeken, en we kunnen wel zeggen dat we nog nooit, thuis noch in den vreemde, iets hebben gezien dat deze luxe ook maar benadert. De stad is groot en uitgestrekt, ruim en sterk, fraai en machtig, indrukwekkend en vorstelijk. Er is nog nooit een zo prachtige stad op aarde gebouwd en er zal er ook nooit meer zo een gebouwd kunnen worden. Ze is de schoonste van alle steden die men ooit op aarde heeft gezien. Dat zal ik haar altijd moeten nageven.” De twee voorname ridders treuzelden toen niet langer, maar trokken vlug hun wapenrusting weer aan. Ze zagen er uit als pronte strijders en zo gedroegen ze zich ook. Hun rusting was prachtig en zeer degelijk. Ze hadden niet misstaan in het gevolg van een keizer, [2800] hoe machtig die ook was. Ze zagen er zo weerbaar uit! Ze namen hun schilden en verlieten terstond de slaapkamer en liepen door het paleis dat aan alle kanten schitterde. Er waren veel gewelfde plafonds die met edelstenen waren versierd. Het paleis was bijzonder fraai en een lust voor het oog. Onvoorstelbaar mooi waren de decoraties die erin gegraveerd waren. Het daglicht zal wel nergens op de wereld een zo prachtige zaal verlichten. De komst van de kraanvogelmensen (vv. 2817-3250) Toen ze dit wonderwerk precies hadden bekeken hoorden ze plotseling een merkwaardig geluid, hard en dreigend, op het veld voor de stad, alsof wilde kraanvogels het hele terrein in bezit hadden genomen. Het was een zo woest geschreeuw als nog nooit iemand heeft gehoord. Heel hard en angstaanjagend was het gebrul. De beide voortreffelijke ridders verbaasden zich er zeer over. Toen verborgen de beide dappere ridders zich in een donker gewelf om zich in veiligheid te brengen. Er bevond zich een raam in dat gewelf, hoog boven de dierentuin, en ze bogen zich over de vensterbank naar voren. Ze keken over de hele stad uit en zagen alles wat erbinnen en erbuiten gebeurde, zowel dichtbij als veraf, maar niemand kon hen zien. Daarbinnen moesten ze nu wachten. Niemand kon naar hen toekomen zonder dat ze hem in de gaten zouden hebben. Zo zorgden ze wijselijk voor hun veiligheid. Toen de dappere mannen aldus een poosje hadden afgewacht en naar alle kanten hadden uitgekeken, ontdekten ze plotseling voor de stadspoort een merkwaardige schare mannen en vrouwen. Hun lichamen waren mooi, of ze nu jong waren of oud waren, en hun handen en voeten waren goed gevormd. Wat hun ledematen betreft waren het mooie en goed gebouwde mensen, alleen hun hals en hoofd leken op die van kraanvogels. Van deze wezens zagen ze een grote menigte lopend en rijdend op de stad afkomen. Ze hadden geen andere wapens bij zich dan schild en boog en kunstig vervaardigde pijlkokers waar vervaarlijke pijlen uit staken. Dat had een ieder van hen bij zich. Hun gewaden waren gemaakt van prachtige zijde en fluweel, sommigen droegen zelfs met dubbele draad geweven zijde, ieder naar eigen goeddunken, en hun gewaden waren versierd met zijde en goud. Aan hun lichamen had niemand enig gebrek kunnen ontdekken, behalve dan dat hun nekken lang waren. Allen, mannen en vrouwen, zagen er zo uit. Het was kennelijk een machtig en sterk volk! Ik wil u nog meer vertellen over deze merkwaardige mensen, wat ik verder nog over hen heb vernomen. De stad was van hen, daar woonden ze, leidden een overmoedig leven en 23
  24. 24. waren trots en blijmoedig. Ze beschikten over grote rijkdommen aan zilver en goud, zoveel als ze maar wilden. Bovendien hadden ze omvangrijke inkomsten. Ze hadden een koning aan wie vrouwen en mannen ondergeschikt en dienstbaar waren. Die was met zijn leger met een groot aantal galeien overzee naar het land India gevaren. Daar had hij de koning gedood, toen deze met zijn vrouw onderweg was naar een van de steden in zijn rijk. Hij kon zich er toen niet tegen beschermen [2900] en zo trof hem een groot ongeluk. De machtige koning van Grippia sloeg hem ter plekke dood. Het schip waarop zich de koningin bevond, boorde hij in de grond. Niemand overleefde het toen, behalve de dochter van de koning van India. Van alle anderen die aan boord waren, overleefde er geen een. Zij alleen bleef in leven dank zij haar schoonheid, want de machtige koning van Grippia wilde haar tot vrouw nemen. Daarom bracht hij haar vol vreugde mee naar huis. Voor haar was deze royale ontvangst voorbereid en vrouwen, kinderen en mannen waren haar tegemoet getrokken om haar met gejuich te ontvangen, nadat de vloot het strand had bereikt en de burgers ervan hadden gehoord. Deze merkwaardige lieden kwamen samen met de bruid onder luid geschreeuw naar de stadspoort gelopen. Daar waren allen van hun paarden afgestegen. Hun kleding was door de vele versieringen heel mooi. Toen de stoutmoedige strijders dit spektakel hadden aanschouwd en dat merkwaardige volk goed hadden bekeken, zagen ze geen reden om bang te zijn. Het leek hun kinderspel. Toen zei de hertog tegen zijn vazal, de graaf: “Ik stel voor dat we hier blijven. Ze kunnen ons toch niets maken. Van hier uit kunnen we alles zien wat ze gaan doen. We zullen ook tegen hun wil van hieruit het schip weer kunnen bereiken. Het duurt nog lang tot de avond, daarom kunnen we nog veel langer hier blijven, totdat we alles hebben gezien wat ze van plan zijn te gaan doen. Ik moet er wel om lachen dat hun hals zo dun is. Ik weet dat ze met z'n allen naar de dierentuin gaan, naar de tafels die daar gereed staan en waarop het feestmaal is uitgestald. Vanmorgen was het eten al voor ze opgediend. Ze vreesden dan ook niet, toen ze de spijzen zo zonder toezicht lieten staan, dat er enige schade zou worden aangericht. Dat begrijpt u ook wel.” Daarop antwoordde de graaf: “Heer, ik ben uw vazal. U rekent op mijn loyale dienst, die zal ik bereidwillig met leven en bezit bewijzen. Ik ben vol goede moed, want dit volk kan zich nauwelijks tegen ons verdedigen. Al was hun leger nog groter, ik zou er niet bang voor zijn. In m'n eentje durf ik het tegen duizend van hen op te nemen, of zelfs nog tegen meer. Die krijgen allen van mij een afstraffing, als ze het tegen mij op durven te nemen. Met mijn zwaard zal ik een doorgang door hun leger hakken. U kunt er zeker van zijn dat ik er geen zal ontzien. Wij zijn geheel gereed voor de strijd. Als we onder hun pijlen door lopen, dan kunnen we – als ik me niet vergis – in korte tijd zoveel van hen uitschakelen dat ze hun bogen kunnen vergeten en dan kunnen we nog vandaag velen van hen het hoofd afslaan. We zullen ze een lesje leren! Ze hebben veel te dunne halzen: als ze ons aanvallen zal er een slachtpartij losbarsten. Wij zullen ze hier in hun eigen burcht laten voelen dat ze nog nooit in hun eigen land met zulke ongewenste gasten te maken hebben gehad en er ook nooit meer mee te maken zullen krijgen.” Zo bleven ze daar op hun post. Toen zagen ze twee mannen zij aan zij de stadspoort binnengaan. Ze konden zien dat ze twee prachtige gewaden aan hadden van heel bijzondere zijde, [3000] die fraai geborduurd en genaaid waren. Daaroverheen droegen die twee heren een driekleurig zijden wambuis. Die kleren pasten goed bij elkaar. Hun beider broeken14 waren volgens hoofse mode ontworpen en voorzien van een split die door gouden veters bijeen werd gehouden. Daardoor scheen linnen onderkleding, witter dan sneeuw. Over hun kousen hadden ze twee gouden sporen aangedaan. Die twee mannen waren tot de meest vooraanstaande figuren op de koning na gekozen. Daarom mochten ze voor hem lopen. Ze 14 Bedoeld wordt een nauwsluitend kledingstuk, bestaande uit twee pijpen (vandaar het meervoud); men zou dus ook van kousen kunnen spreken. 24

×