Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008:
Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten

Gemeente Nuth
Wij he...
leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken wordt eveneens begrepen het verstrekken
van alcoholhoudende drank aa...
Gemeente Cranendonck
In onze gemeente hebben wij 2 horecagelegenheden, waar door omstandigheden slechts 1
leidinggevende o...
wordt aangetast of de openbare orde wordt verstoord door de wijze van exploiteren van het
horecabedrijf. Uiteindelijk kan ...
Geen terras, toch alcoholverstrekking
Het kan zijn dat op grond van gemeentelijk beleid op een bepaalde locatie geen terra...
Feitelijk zijn hier twee horecabedrijven actief, namelijk één commercieel horecabedrijf (het
verpachte gedeelte) en één pa...
vinden in een feesttent te Almkerk gedurende de periode van 29 juli 2005 tot en met 13
augustus 2005, bekend als de zomerf...
Voor het standpunt van de burgemeester en de stichting spreekt dat in het kader van de
Almkerkse zomerfeesten diverse acti...
-   Worden de activiteiten door één of verschillende natuurlijke of rechtspersonen aangevraagd
    en georganiseerd;
-   V...
horecaondernemer bij ons een ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet moet
aanvragen. Nu wordt echter getwij...
Het gestelde voorschrift voorkomt derhalve naar het oordeel van de Afdeling niet dat sprake is
van mededinging door het ve...
Onder partijencatering wordt verstaan het, gepaard gaande met dienstverlening,bedrijfsmatig
verstrekken van gerechten en d...
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Frankjoosten Praktijkvragenuitwerking2oktober2008

1,677

Published on

Published in: Business
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,677
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
1
Actions
Shares
0
Downloads
5
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Transcript of "Frankjoosten Praktijkvragenuitwerking2oktober2008"

  1. 1. Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten Gemeente Nuth Wij hebben een drank- en horeca locatie waarbij ze een tijd geen gebruik maken van de horecavergunning. Zij willen dit wel gaan doen maar weten niet wanneer. De horeca eigenaar had nl. bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de dhw vergunningen. Nu is besloten om dit op te schorten. Een andere vraag is over alcohol schenken in een tent en met minderjarigen: wat kun je eraan doen als kinderen in een tent alleen naar binnen komen (zonder ouderlijke begeleiding)?, hoe los je het op als kinderen jonger dan 16 jaar alcohol krijgen van hun ouders? hoe ga je ermee om als je ziet als een ouder kind een jonger kind toch alcohol geeft? legitimeren in een tent werkt niet, hoe los je het dan op in de praktijk? Antwoord In artikel 33 van de Drank- en Horecawet staan de vervalgronden van een drank- en horecavergunning aangegeven. Een vergunning vervalt, wanneer: a. sinds de verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; c. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Voor het uitoefenen van het horeca- of slijtersbedrijf is een drank- en horecavergunning vereist. Op grond van de vervalgronden a en b wordt voorkomen dat een ondernemer alvast een vergunning aanvraagt en ook verkrijgt op een moment dat ligt ver voor de start van de daadwerkelijke exploitatie van het horeca- of slijtersbedrijf. De situatie zoals omschreven op de verleende vergunning is dan wellicht niet meer in overeenstemming met de werkelijke situatie. Wanneer aan een onderneming derhalve een drank- en horecavergunning is verleend die langer dan een jaar, anders dan wegens overmacht, gedurende een jaar niet wordt geëxploiteerd, dan is de vergunning van rechtswege vervallen. Wat kun je eraan doen als kinderen in een tent alleen naar binnen komen (zonder ouderlijke begeleiding)?, Bijvoorbeeld een leeftijdsgrens instellen, en in ieder geval geen alcoholhoudende drank (laten) verstrekken en verkrijgen. Hoe los je het op als kinderen jonger dan 16 jaar alcohol krijgen van hun ouders? Op grond van artikel 20, lid 1 DHW is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de 1 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  2. 2. leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. De verstrekker is er derhalve voor aansprakelijk dat de alcoholhoudende drank niet bij kinderen onder de 16 / 18 jaar terecht komt. Dat kan bijvoorbeeld door het houden van toezicht door de betreffende organisatie. In voorkomende gevallen zullen de ouders daarop moeten worden aangesproken. Hoe ga je ermee om als je ziet als een ouder kind een jonger kind toch alcohol geeft? De ouders daarop aanspreken. Het afnemen van de alcohol zou denk ik leiden tot mogelijke escalatie. Legitimeren in een tent werkt niet, hoe los je het dan op in de praktijk? Een mogelijke oplossing is het verstrekken, na legitimatie, van polsbandjes. Gemeente Zuidhorn Ik heb enkele vragen over het rookverbod. Ik heb begrepen dat de rookvrije werkplek geen betrekking heeft op vrijwilligers. De rookvrije werkplek zoals omschreven in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, heeft inderdaad, in beginsel, geen betrekking op vrijwilligers. Het is echter wél zo dat de tabaksregelgeving van toepassing is als vrijwilligers naast of in aanvulling op ‘gewone’ werknemers hun werkzaamheden verrichten. Tevens is de tabaksregelgeving wel van toepassing als vrijwilligers werken in categorieën van inrichtingen die vallen onder artikel 10 en 11 van de Tabakswet, omdat daarin ‘van de geboden voorzieningen gebruik moet kunnen worden gemaakt en de werkzaamheden moeten kunnen worden verricht zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden. Geldt er een rookverbod voor een dorpshuis waarvan de leden van de dorpsvereniging de eigenaren zijn. Het dorpshuis wordt alleen gebruikt door de leden, vrijwilligers (die zelf ook roken) draaien bardiensten. Er is bijv. op zaterdagmiddag een borreluurtje rond de stamtafel. Het gebouw wordt niet door de gemeente met subsidie in stand gehouden. Er is geen vaste beheerder. De dorpsbelangenvereniging is niet inschrijfplichtig bij het bedrijfschap Horeca en Catering. En hoe zit het als een dorpshuis niet is opengesteld voor het publiek, maar er een bestuursvergadering is? En als er een naaiclubje is voor 6 leden (waarbij het dorpshuis voor de rest niet is opengesteld)? Naar mijn inzicht is dit dorpshuis een openbaar toegankelijk inrichting en valt derhalve onder de Tabakswet. Derhalve geldt in dit dorpshuis ook het rookverbod. Voor nadere informatie is het wellicht aan te raden om contact te zoeken met de voedsel- en Warenautoriteit. Dit orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de Tabakswetgeving. De gemeente speelt hierin geen rol. Zie voor nadere informatie tevens de bijgevoegde link: http://www.vwa.nl/portal/page?_pageid=119,1640081&_dad=portal&_schema=PORTAL&p_doc ument_id=101132&p_node_id=1451895&p_mode=BROWSE 2 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  3. 3. Gemeente Cranendonck In onze gemeente hebben wij 2 horecagelegenheden, waar door omstandigheden slechts 1 leidinggevende op de vergunning staat of aanwezig KAN zijn omdat de ander er niet meer werkt. Aan beide bedrijven is een brief gestuurd, waarin is uitgelegd waarom de vergunning moet worden aangepast. Er is ze verteld waarom er voor hun bedrijf meerdere leidinggevenden nodig zijn. Met de brief zijn ook aanvraagformulieren meegestuurd, om hun vergunning aan te passen. Hierop wordt niet gereageerd. Ook op verdere correspondentie wordt niet gereageerd. Ik heb al met de afd. Handhaving en politie gesproken en voorgelegd dat beide bedrijven regelmatig open zijn ZONDER dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is. Het komt er eigenlijk op neer, dat deze bedrijven constant in de gaten gehouden zouden moeten worden of de op de vergunning vermelde leidinggevende wel aanwezig is. Dit vinden zij een onbegonnen werk. In de gaten houden of ze meer dan 60 uur open zijn is al helemaal niet te doen. Er moet wel iets gebeuren, want het speelt al een hele tijd en de rede is voortaan ver te zoeken. Is er buiten intrekken vergunning na het constateren dat de leidinggevende niet aanwezig is een andere kortere weg te bewandelen? Hoe kunnen we hier het beste mee omgaan? De meest effectieve optie lijkt mij om in het driehoeksoverleg met de burgemeester, politie en het OM, af te spreken dat de politie tijdelijk, bijvoorbeeld in een periode van maximaal drie maanden, de zaak in de gaten houdt en bij elke afwezigheid van de leidinggevende een proces- verbaal opmaakt. Een kopie kan naar de afdeling handhaving. Deze afdeling kan op basis daarvan een waarschuwingsbrief sturen dat er tijdens de openingstijden altijd een leidinggevende aanwezig moet zijn o.g.v. artikel 24 DHW. Het overtreden van deze bepaling zal leiden tot intrekking van de vergunning. Je kunt daarbij aangeven dat, wanneer de vergunning op die grond wordt ingetrokken, op grond van artikel 27, lid 1 onder d van de DHW, een nieuw aangevraagde dh-vergunning zal worden geweigerd omdat er een redelijk vermoeden bestaat dat de ondernemer zich opnieuw niet zal houden aan de vereisten van artikel 24 DHW. Bovendien kan het zijn dat de ondernemer wegens het meerdere malen overtreden van artikel 24 DHW op enig moment mogelijk niet meer voldoet aan het vereiste van artikel 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW 1999. Een andere mogelijkheid is om hierover contact op te nemen met de Voedsel- en Warenautoriteit om gezamenlijk op te trekken. Strafrechtelijke vervolging is dan niet meer aan de orde (zie artikel 44a, lid 6 onder a DHW). De VWA kan in dit kader een bestuurlijke boete opleggen van € 680,- voor de eerste overtreding. Daarna wordt dit bedrag telkens verhoogd (zie artikel 3, lid 3 Besluit bestuurlijke boete). Het boetebedrag kan derhalve aardig oplopen.. Gemeente Naarden Wij ervaren een aantal problemen rond het rookverbod en de exploitatie van de horeca. Wij hebben een aantal verzoeken binnen om het terras ook in de wintermaanden open te mogen houden. Ons terrasbeleid staat een seizoensopening toe van 1 maart tot 1 november. De terrassen zitten veelal niet in uitgaansgebieden, in ons historische vestingstadje. Wij zouden het fijn vinden om enige handreikingen te krijgen. Wanneer bezoekers van horecabedrijven het terras in de avond- en nachtelijke uren gaan gebruiken als rookplek, dan kan er overlast ontstaan voor de directe omgeving. De horecaondernemer blijft daarvoor verantwoordelijk. Op grond van een handhavingsstappenplan kan de horecaondernemer worden aangesproken op het feit dat het woon- en/of leefklimaat 3 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  4. 4. wordt aangetast of de openbare orde wordt verstoord door de wijze van exploiteren van het horecabedrijf. Uiteindelijk kan dit leiden tot sancties. Een ieder wordt van harte uitgenodigd om genomen maatregelen in dit kader aan elkaar te mailen. Gemeente Zandvoort Horecabedrijven in de gemeente Zandvoort die open mogen tot 05.00 uur, mogen bezoekers na 03.00 uur niet meer binnen laten, alleen naar buiten. Als gasten dus willen roken na 03.00 uur, dan mogen zij dus wel naar buiten, maar niet meer naar binnen. Tevens is het zo dat als de horecabedrijven terrassen hebben, moet het terras om 02.00 uur dicht. De eigenaren ruimen dan wel het terras op, maar de gasten blijven gewoon op de terrassen met hun drankje staan om hun sigaret te roken. Dit uiteraard tot grote ergernis van de buurtbewoners, vanwege de geluidsoverlast. Vanaf 1 juli 2008 hebben wij dan ook veel klachten gehad omtrent geluidsoverlast van de rokende mensen en het feit dat de deuren steeds open en dicht gaan, dus muziek is goed te horen. Hoe wordt dit in de rest van het land aan-/opgepakt? Ook in de open lucht kunnen mensen, en dus ook werknemers bij het verrichten van hun werkzaamheden, hinder of overlast van andermans tabaksrook ondervinden. De in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, omschreven verplichting geldt echter niet voor werkzaamheden die in de open lucht worden verricht. De hinder of overlast die dan eventueel wordt ondervonden kan immers eenvoudig worden vermeden, bijvoorbeeld door zich een paar passen van de hinder of overlast veroorzakende persoon te verwijderen. In gebouwen en overdekte binnenplaatsen is dit echter geen optie, omdat de rook daar blijft hangen. In genoemd Besluit wordt gerefereerd aan de “open lucht”. Gekeken naar horecabedrijven is het de vraag hoe het begrip ‘terras’ moet worden gezien in relatie tot het hier gebezigde begrip ‘open lucht’. Een terras kan worden aangeduid als een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Terrassen zijn er in vele soorten en maten. De afscheiding van sommige terrassen bestaat uit niet meer dan een markering in de straatstenen (andere kleur, andere vorm, andere materiaal, een verfstreep, etc.) of een enkele plantenbak. Andere terrassen hebben meer substantiële afscheidingen in de vorm van zijschotten (bijvoorbeeld glazen wanden of zeildoeken) en/of overkappingen (luifels, parasolvormige constructies etc.). Besloten is dat roken op een terras mogelijk blijft, ook onder een luifel of parasolvormige constructie, zolang het terras maar niet aan alle kanten (boven- en zijkanten) afgesloten is. Geen hinder Verder is het evident dat in de horecagelegenheid geen hinder of overlast mag ontstaan door het roken op het terras. Het zal niet makkelijk zijn om aan deze eis te voldoen in de situatie dat een terras is gevestigd aansluitend aan een horecabedrijf met een (half)open pui. 4 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  5. 5. Geen terras, toch alcoholverstrekking Het kan zijn dat op grond van gemeentelijk beleid op een bepaalde locatie geen terrassen kunnen worden geëxploiteerd, bijvoorbeeld wegens onvoldoende ruimte of verkeersonveiligheid. Dat betekent dan vervolgens dat op een verleende drank- en horecavergunning geen terrasaanduiding voorkomt. Wanneer bezoekers van een dergelijk horecabedrijf, gelet op het rookverbod, buiten gaan roken en daarbij alcoholhoudende dranken mee naar buiten nemen, wordt feitelijk alcohol verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse (dus buiten de lokalen die op de drank- en horecavergunning staan vermeld). Het is overeenkomstig artikel 13, lid 1 van de Drank- en Horecawet verboden in een horecalokaliteit alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse. De horecaondernemer pleegt alsdan een strafbaar feit. Degene die buiten staat te roken met een biertje in de hand is niet strafbaar in de zin van de Drank- en Horecawet. Alcoholverbod Echter, voor zover voor het gedeelte van de gemeente waar op dat moment wordt gerookt en alcohol wordt gedronken, niet zijnde een bij het horecabedrijf behorend terras, kan het zijn dat voor dat gedeelte een alcoholverbod van kracht is. Wanneer dat het geval is, kan de politie deze persoon verbaliseren wegens overtreding van het plaatselijke alcoholverbod. Venstertijden Wanneer een gemeente venstertijden hanteert ontstaat mogelijk ook een probleem. Een venstertijd houdt in dat er geen sluitingstijden gelden maar dat er na een bepaalde tijd geen bezoekers meer mogen worden toegelaten. Wanneer de bezoekers in het horecabedrijf na intreding van de venstertijd buiten willen roken, ontstaat de situatie dat deze bezoekers niet meer in het horecabedrijf mogen worden toegelaten. Om te voorkomen dat hierdoor irritaties of mogelijke ordeverstoringen ontstaan, moet de horecaondernemer hiervoor duidelijk leesbare en herkenbare huisregels opnemen. Aantasting woon- en leefklimaat De kans is aanwezig dat het woon- en leefklimaat wordt aangetast als gevolg van het feit dat bezoekers van een horecabedrijf op een terras of de openbare weg, niet zijnde het bij het horecabedrijf behorende terras, roken. De horecaondernemer blijft daarvoor verantwoordelijk. Op grond van een handhavingsstappenplan kan de horecaondernemer worden aangesproken op het feit dat het woon- en/of leefklimaat wordt aangetast of de openbare orde wordt verstoord door de wijze van exploiteren van het horecabedrijf. Zwerfpeuken Omdat er buiten het horecabedrijf wordt gerookt, zullen er mogelijk peuken op de grond gegooid worden. Deze peuken gaan vervolgens “zwerven”. In het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) is in artikel 2.13 de bepaling opgenomen die ertoe strekt dat uit de inrichting afkomstig zwerfafval wordt opgeruimd. Met dit artikel wordt degene die de inrichting drijft verplicht zwerfafval van welke aard dan ook dat afkomstig is vanuit die inrichting op te ruimen. De straal, waarbinnen de verplichting tot verwijderen geldt, is 25 meter. Gemeente Loppersum In onze gemeente is een gebouw dat eigendom is van een stichting. De stichting heeft als doel om het gebouw te exploiteren. In het gebouw zit een cafégedeelte (wordt gepacht door iemand) en een jeugdsoosgedeelte (wordt beheerd door de stichting). Moet ik in dit geval een commerciële vergunning en/of een paracommerciële vergunning verlenen? Kan gevraagd worden om een bestuursreglement voor alleen het jeugdsoosgedeelte? 5 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  6. 6. Feitelijk zijn hier twee horecabedrijven actief, namelijk één commercieel horecabedrijf (het verpachte gedeelte) en één paracommerciële instelling (jeugdsociëteit). Dat betekent dat er twee afzonderlijke drank- en horecavergunningen moeten worden verleend. Elk horecabedrijf moet een eigen vergunning verkrijgen. De paracommerciële instelling moet een bestuursreglement overleggen (zie artikel 9 DHW) en de conceptvergunning moet 6 weken ter inzage worden gelegd en worden gepubliceerd (zie artikel 6 DHW). Mogelijk worden in deze vergunning voorschriften opgenomen zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 DHW. Gemeente Den Helder In de gemeente Den Helder wordt elk jaar een evenementenvergunning (+ gebruiksvergunning) aangevraagd voor een ijsbaan (tent) die gedurende de maand december (28 dagen) wordt geëxploiteerd. Voor de verstrekking van drank verlenen wij een drietal art. 35 ontheffingen, waarbij op elke vergunning weer andere leidinggevenden worden vermeld. De voedsel en Warenautoriteit heeft in 2006 een controle uitgevoerd bij de ijsbaan en ons medegedeeld dat deze quot;constructiequot;quot; niet kan. Maar hoe dan wel? De VWA heeft gelijk. Wanneer meerdere malen door dezelfde of verschillende personen een ontheffing voor de duur van twaalf dagen wordt aangevraagd voor een evenement dat langer duurt dan de door de wetgever genoemde ‘aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen’, kan geen ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet worden verleend. Immers, uit het doel en de strekking van de wet volgt duidelijk dat wordt beoogd om voor een aaneengesloten periode van maximaal 12 dagen ontheffing te verlenen, als uitzondering op het vereiste van de reguliere vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet . Ware dit anders geweest, dan zou telkens voor aaneengesloten perioden van twaalf dagen ontheffing kunnen worden verleend, waardoor de wet zou kunnen worden omzeild. Voor evenementen die langer duren dan twaalf dagen moet dus een reguliere vergunning worden aangevraagd. In dit kader moet dan wel worden beoordeeld of het betreffende evenement dient te worden beschouwd als één evenement of als (meerdere) afzonderlijke activiteiten die op zichzelf staan. Een dergelijke vraag kwam aan de orde tijdens een beroepsprocedure bij Sector bestuursrecht van de Rechtbank Breda (LJN: AZ7645 ) met betrekking tot de zomerfeesten in de gemeente Woudrichem. Er was beroep ingesteld door de vereniging Koninklijk Horeca Nederland tegen het besluit van de inzake de verlening van een drietal ontheffingen krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet ten behoeve van de zomerfeesten in Almkerk in 2005. De Stichting Jeugdwerk Almkerk quot;De Soosquot; had een zomerprogramma van activiteiten georganiseerd, die plaats zouden 6 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  7. 7. vinden in een feesttent te Almkerk gedurende de periode van 29 juli 2005 tot en met 13 augustus 2005, bekend als de zomerfeesten. In het kader van voornoemde zomerfeesten is, ten behoeve van genoemde stichting een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Drank- en Horecawet bij de burgemeester ingediend, voor de perioden van 29 juli 2005 tot en met 30 juli 2005, 1 augustus 2005 tot en met 6 augustus 2005 en 8 augustus 2005 tot en met 13 augustus 2005. Bij drie afzonderlijke besluiten heeft de burgemeester de gevraagde ontheffing voor de drie hiervoor genoemde perioden verleend. Tegen deze drie ontheffingen is bezwaar gemaakt, kort gezegd inhoudende dat met de verlening van ontheffing voor drie verschillende perioden de in artikel 35 van de Drank- en Horecawet genoemde ontheffingsperiode van maximaal 12 aaneengesloten dagen voor één evenement wordt omzeild. De vereniging Koninklijk Horeca Nederland voerde aan dat de Almkerkse zomerfeesten: 1. moeten worden aangemerkt als één evenement als bedoeld in meergenoemd artikel 35, 2. dat geen ontheffing mag worden verleend voor een evenement dat meer dan 12 dagen duurt en 3. dat de zomerfeesten in Almkerk maximaal 12 dagen mogen duren. De rechtbank overwoog daarbij dat het ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verboden om zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Drank- en Horecawet kan de burgemeester ten aanzien van het verstrekken van zwak- alcoholhoudende drank op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 3 voor de uitoefening van het horecabedrijf gestelde verbod, bij een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen, mits de verstrekking geschiedt onder onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan artikel 8, tweede lid en vierde lid. Ingevolge genoemd artikel 35, eerste lid kan één ontheffing voor een periode van maximaal 12 aaneengesloten dagen worden verleend voor een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard. In dit kader ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of de zomerfeesten in Almkerk dienen te worden beschouwd als één evenement, of als afzonderlijke activiteiten die op zichzelf staan. In de parlementaire geschiedenis van het huidige artikel 35 wordt het begrip quot;bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aardquot; geïllustreerd door daarnaast te spreken van quot;tijdelijke evenementen zoals braderieën, jaarmarkten en dergelijkequot; en van quot;bijzondere festiviteitenquot;. Uit deze voorbeelden en formuleringen volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat onder het begrip quot;bijzondere gelegenheidquot; niet alleen afzonderlijke activiteiten maar ook een geheel van op elkaar afgestemde activiteiten kan worden begrepen als één evenement in de zin van artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 7 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  8. 8. Voor het standpunt van de burgemeester en de stichting spreekt dat in het kader van de Almkerkse zomerfeesten diverse activiteiten voor verschillende doelgroepen worden georganiseerd en dat deze verschillende activiteiten worden georganiseerd door verschillende werkgroepen binnen de stichting. Zo is er voor de kinderen een kindershowavond, voor jongeren is er een solexrace en een drive-in show, en voor ouderen is er onder meer een bingo. Op zondag is er voor de kerkgangers een kerkdienst in de feesttent. Voor het standpunt dat de activiteiten als één geheel moeten worden beschouwd, spreekt dat de activiteiten door de stichting worden georganiseerd, dat wordt beoogd voor alle doelgroepen een activiteit te organiseren en deze activiteiten onderling zijn afgestemd in één programma, dat alle activiteiten plaatsvinden in de speciaal voor de zomerfeesten opgerichte feesttent, dat naast de eenmalige activiteiten ook meerdaagse en daarmee bindende evenementen plaatsvinden in de vorm van het timmerdorp en de kermis, dat de verschillende activiteiten worden gepresenteerd als één programma, dat de ontheffingen voor de verschillende feestavonden zijn aangevraagd door één persoon van de stichting, dat voor deze ontheffingen ook maar één aanvraag is ingediend en dat niet de betreffende feestavond maar de zomerfeesten in de ontheffingen worden aangeduid als het evenement waarvoor ontheffing wordt verleend. Daar komt bij dat voor de zomerfeesten ook maar één evenementenvergunning is verleend. Vanwege deze coördinatie van activiteiten en van de organisatie daarvan en vanwege het feit dat iedereen spreekt over de zomerfeesten in plaats van over de afzonderlijke activiteiten, worden de zomerfeesten van Almkerk door de rechtbank aangemerkt als één bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard in de zin van artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Dit betekent dat voor dit evenement jaarlijks slechts één ontheffing kan worden verleend. Koninklijk Horeca Nederland stelt zich op het standpunt dat het evenement niet langer dan 12 dagen mag duren. Uit de parlementaire geschiedenis komt echter naar voren dat de wetgever niet heeft bedoeld om de duur van het evenement te beperken maar de geldingsduur van de ontheffing. Dat betekent dat een evenement wel langer dan 12 dagen mag duren, maar dat er slechts één ontheffing kan worden verleend voor een aangesloten periode van maximaal 12 dagen. Het splitsen van een ontheffing in afzonderlijke perioden, zelfs wanneer die perioden samen niet langer duren dan 12 dagen, is strijdig met de regel dat één ontheffing wordt afgegeven voor één aaneengesloten periode. Voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat burgemeester voor het geheel van activiteiten die samen de zomerfeesten van Almkerk vormen, jaarlijks slechts één ontheffing mag verlenen. Deze ontheffing dient voor één aaneengesloten periode te worden verleend. Deze aaneengesloten periode kan maximaal 12 dagen bedragen. Het verlenen van drie ontheffingen voor drie verschillende perioden is in strijd met artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. Mede op basis van het vorenstaande kunnen, ter beoordeling van de vraag of de te organiseren activiteiten moeten worden beschouwd als één evenement of als activiteiten die volledig op zichzelf staan, onderstaande aspecten in onderlinge samenhang worden beoordeeld: - Is er één evenementenvergunning of zijn er meerdere evenementenvergunningen aangevraagd en door wie; - Is er één artikel 35-ontheffing of zijn er meerdere artikel 35-ontheffingen aangevraagd en door wie; 8 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  9. 9. - Worden de activiteiten door één of verschillende natuurlijke of rechtspersonen aangevraagd en georganiseerd; - Voor welke doelgroepen wordt het evenement georganiseerd; - Worden de evenementen door één of verschillende organisaties georganiseerd; - Is voor het gehele evenement één WA-verzekering afgesloten; - Welke activiteiten vinden er plaats; - Hebben deze activiteiten relatie met de andere te organiseren activiteiten; - Wordt het evenement als één evenement gepresenteerd in het programmaboekje, advertenties, wijkkranten, folders, flyers, website, toegangsbewijzen e.d. - Hoe is de programmering / zijn de activiteiten en de doelgroepen onderling afgestemd; - Is er sprake van één evenementenlocatie; - Wordt het evenement in het beeld van de bevolking beschouwd als één evenement of als op zichzelf staande activiteiten. Als de uitkomsten op deze vragen bekend zijn, kan aan de hand daarvan gemakkelijk de conclusie worden getrokken of sprake is van één of meerdere afzonderlijke activiteiten. In het merendeel van de gevallen zal blijken dat er sprake is van één evenement waarvoor derhalve maar één artikel 35-ontheffing kan worden verleend, ook al betreft het meerdere afzonderlijke dagen. Uiteraard betekent dat, zoals gemeld, niet dat het gehele evenement niet langer mag duren dan 12 dagen. Het evenement mag best langer duren dan 12 dagen mag, maar er mag slechts één ontheffing worden verleend voor een aangesloten periode van maximaal 12 dagen. Het splitsen van de ontheffing in afzonderlijke perioden, zelfs wanneer die perioden samen niet langer duren dan 12 dagen, is strijdig met de regel dat één ontheffing wordt afgegeven voor één aaneengesloten periode. Om dit te ondervangen, kan mogelijk een tijdelijk bouwwerk(je)/horecabedrijf worden geplaatst op het evenemententerrein waarvoor een reguliere drank- en horecavergunning kan worden afgegeven. Uiteraard moet deze inrichting voldoen aan de eisen zoals genoemd in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Voor het overige moet de gemeente in het kader van de aanvraag om artikel 35-ontheffing de doeleinden van de Drank- en Horecawet afwegen, namelijk sociale hygiënische en sociaal- economische belangen en de belangen in het kader van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid. In de volgende paragrafen wordt daarop nader ingegaan. Gemeente Hulst In de ‘strijd tegen het paracommercialisme' geldt in de gemeente Hulst het beleid dat in dorpshuizen geen verjaardagsfeesten etc. mogen plaatsvinden. Een uitzondering geldt indien een reguliere horecaondernemer in het dorpshuis tijdens die gelegenheid de alcoholverstrekking voor zijn rekening neemt. In dat geval geldt bij ons de regel dat deze 9 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  10. 10. horecaondernemer bij ons een ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet moet aanvragen. Nu wordt echter getwijfeld of art. 35 hiervoor kan worden gehanteerd. Als dit niet het geval is, dan doemt uiteraard de vraag op hoe de horecaondernemer wel legaal alcohol kan verstrekken in zo'n gemeenschapshuis. Het verstrekken van een artikel 35-ontheffing is bedoeld voor bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard, niet voor dergelijke feesten. Verjaardagsfeesten zouden derhalve moeten worden gegeven in commerciële horecalocaties in de gemeente Huls en niet in deze paracommerciële instelling. Het bestrijden van paracommercie heeft inderdaad mogelijk consequenties voor het voortbestaan van verschillende paracommerciële instellingen omdat juist de kantineopbrengsten dikwijls worden benut voor het organiseren van verenigingsactiviteiten. Bovendien garanderen deze inkomsten het voortbestaan van de instelling en zal een eventuele beperking van horeca-activiteiten kunnen leiden tot verzoeken om (extra) subsidie. In de praktijk blijkt dat een aantal gemeentebesturen ondanks de noodzaak op grond van het bepaalde in artikel 4 , toch geen voorschriften opneemt in de vergunning, of voorschriften in de vergunning opneemt die weliswaar zeer creatief zijn, maar de toetst der kritiek van de Raad van State niet kunnen doorstaan. Het gemeentebestuur van Sint Anthonis had, anders dan de creatieve oplossing van de gemeente Hulst, op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet vergunningen verleend aan zes stichtingen tot het uitoefenen van een horecabedrijf. Aan deze vergunningen waren op grond van artikel 4 van de DHW de volgende voorschriften verbonden: 1. Het is verboden om in de inrichting bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, te houden waarbij alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrek 2. (..); 3. Het onder 1. gestelde verbod geldt niet indien de exploitatie van de bar onder de onmiddellijke leiding staat van een persoon die als leidinggevende vermeld staat op de Drank- en Horecavergunning van een horecabedrijf, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld in artikel 4 van de DHW (paracommercieel horecabedrijf), en voor wiens rekening en risico het betreffende (commerciële) horecabedrijf wordt uitgeoefend, mits er voor de bijeenkomst in het betreffende, hiervoor als vestigingsplaats vermelde dorp geen geschikte alternatieve horecagelegenheid voorhanden is Uiteindelijk moest de Raad van State (zaaknummer 200701840/1, 29-08-2007) zich buigen over deze opmerkelijke en zeer inventieve voorschriften. De Afdeling kwam tot het oordeel dat niet valt in te zien dat de omstandigheid dat ingevolge voormeld voorschrift de bar tijdens de betrokken bijeenkomst mag worden geëxploiteerd door iedere commerciële horecaondernemer binnen en buiten de gemeente oneerlijke concurrentie uitsluit. Ook indien een dergelijke horecaondernemer de bar exploiteert, is sprake van exploitatie van een paracommercieel horecabedrijf als bedoeld in artikel 4 van de Drank - en Horecawet en geschiedt de exploitatie ten opzichte van andere reguliere horecabedrijven nog steeds onder ongelijke voorwaarden, omdat ook dan de inrichting en de exploitatie van de horecagelegenheid niet behoeven te voldoen aan de eisen, gesteld aan commerciële horecagelegenheden. 10 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  11. 11. Het gestelde voorschrift voorkomt derhalve naar het oordeel van de Afdeling niet dat sprake is van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. Dit geldt ook het in strijd met het eigen beleid van de gemeente gestelde voorschrift dat er voor de bijeenkomst in het betreffende dorp geen geschikte alternatieve horecagelegenheid voorhanden is omdat dit voorschrift, nu het geen maatstaf biedt ter bepaling welke alternatieve gelegenheid voor welke bijeenkomst geschikt is, te weinig bepaald is en daardoor in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht. Het bestreden besluit komt gelet op het bovenstaande voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep was gegrond. De aangevallen uitspraak werd vernietigd. Gemeente Deventer Hoe zit het vergunningtechnisch met (bedrijfs)kantines? Op pagina 349 van het boek “horecawetgeving in de praktijk 2007” staat dat horeca-activiteiten in bedrijfskantines niet vallen onder de exploitatievergunningplicht, voor zover……. Er staat ook nog iets op pagina 221 en 222. Stel dat een cateraar degene is die de kantine bij een bedrijf bemant (en dus ook een dienst verricht nl. het uitserveren, afrekenen en opwarmen van een frituurhap) die in principe alleen toegankelijk is voor het personeel…..is het bedrijf dan wel of niet vergunningsplichtig? Er wordt dan bijvoorbeeld ook bij recepties (van personeelsleden) een borrel geschonken. En stel dat zo’n bedrijf 2 kantines heeft: 1 voor het personeel en 1 voor de klanten die het bedrijf (bijv. ziekenhuis) bezoeken? Het antwoord op de vraag of een dergelijk bedrijf exploitatievergunningsplichtig is hangt af van het beleid van de gemeente. De in mijn boek opgesomde bedrijven die niet-vergunningsplichtig zouden kunnen zijn, betreffen slechts voorbeelden. De burgemeester zal moeten bepalen welke bedrijven mogelijk niet-exploitatievergunningsplichtig zijn. Voor wat betreft de verplichting om en drank- en horecavergunning aan te vragen het volgende. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen partijencatering en bedrijfscatering (zie artikel 19 DHW). Bij partijencatering worden alcoholhoudende dranken verstrekt in steeds wisselende besloten ruimten. Er is derhalve geen sprake van een inrichting in de zin van de wet. De Minister van Economische Zaken heeft in dat kader op 22 juni 1990 een brief geschreven aan de Tweede Kamer waarin hij meldt dat catering ten tijde van de totstandkoming van de wet een nog onbekend verschijnsel was. Voor dit type bedrijf, waar veelal in een besloten sfeer drank gratis aan de gasten wordt verstrekt, is geen vergunning op grond van artikel 3 vereist. Later, bij de wetswijziging van 1 november 2000 is een apart artikel gewijd aan het ‘partijencateringbedrijf’, en wel in genoemd artikel 19. 11 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten
  12. 12. Onder partijencatering wordt verstaan het, gepaard gaande met dienstverlening,bedrijfsmatig verstrekken van gerechten en dranken voor gebruik bij besloten partijen op een door een opdrachtgever te bepalen locatie, die slechts incidenteel beschikbaar is voor dergelijke partijen. Die locatie wordt dus normaal voor andere activiteiten gebruikt. De etenswaren en dranken worden voorts in: opdracht en voor rekening van een cliënt gratis aan de gasten verstrekt. Voor deze ‘partijencateraar’ geldt dus niet de eis dat over een vergunning moet worden beschikt. In artikel 19 wordt gesproken over ‘dienstverlening’. Daarmee geeft de wetgever aan dat een cateraar niet alleen aflevert, maar ook bij de opdrachtgever diensten verricht, zoals het bereiden van gerechten en het (uit)serveren van drank en eetwaren. Bij deze vorm van catering gaat het dus niet om bedrijfscatering. Wanneer het een kantine van een bedrijf betreft, waar alcoholhoudende consumpties worden verstrekt, dan geldt daarvoor altijd dat een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet benodigd is. --- 12 Informatiebijeenkomst Bijzondere Wetten 2 oktober 2008: Uitwerking praktijkvragen door Frank Joosten

×