Begrijpend lezen

1,286 views
1,109 views

Published on

test

1 Comment
0 Likes
Statistics
Notes
  • ziet er niet uit
       Reply 
    Are you sure you want to  Yes  No
    Your message goes here
  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,286
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
59
Actions
Shares
0
Downloads
0
Comments
1
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Begrijpend lezen

  1. 1. Het is herfstvakantie en je moet met je ouders mee naar een museum. Je hebt van de kinderen in je klas gehoord dat een museum heel erg saai is. Als je eenmaal in het museum bent aangekomen valt het je honderd procent mee. Het is helemaal geen saai museum. Het is het omroepmuseum waar allerlei televisiecamera's staan en waar de decors van allerlei series te zien zijn. De dag vliegt voorbij en je zegt tegen je ouders dat je wel vaker naar een museum toe wilt en dat je een museum eigenlijk best leuk vindt. 1 Met wie ga je naar het museum? A Met klasgenoten. B Met je ouders. C Met je oma. 2 Van wie heb je gehoord dat een museum saai is? A Van klasgenoten. B Van je oma. C Van je ouders. 3 Hoe vind je het museum als je er zelf bent? A Het valt je heel erg mee. B Het is nog erger dan je dacht. C Je vindt er niets aan. 4 Wat voor soort museum is het? A Een spoorwegmuseum. B Een openluchtmuseum. C Een omroepmuseum. 5 Wat zeg je tegen je ouders over de dag? A Dat het je tegenviel. B Dat het je best meeviel maar dat je nooit meer naar een museum wil. C Dat je het best leuk vond en dat je nog wel vaker een museum wilt. Woensdag heb je voor het eerst een spreekbeurt. Je hebt je onderwerp redelijk goed voorbereid, maar toch ben je heel erg zenuwachtig. Je bent bang dat je rood wordt, dat je alles vergeet wat je moet zeggen of dat je gaat stotteren. Je hebt de kernpunten op een briefje geschreven en een paar keer voor de spiegel geoefend. Tijdens de les moest je als tweede een spreekbeurt houden en de zenuwen gierden door je keel. Toen je voorin moest komen en begon met te vertellen viel het eigenlijk best mee. Je keek door de klas en iedereen had interesse in je onderwerp. Toen de leerlingen vragen gingen stellen, kon je ze allemaal beantwoorden en je vond het leuk om over je onderwerp te vertellen. Je kreeg zelfs een acht voor je spreekbeurt. 6 Wanneer heb je voor het eerst een spreekbeurt? A Maandag. B Donderdag. C Woensdag. 7 Waarom ben je zenuwachtig voor je spreekbeurt? A Je bent bang dat je uitgelachen wordt. B Je bent bang dat je gaat stotteren. C Je bent bang dat je rood wordt, gaat stotteren en dat je vergeet wat je moet zeggen. 8 Hoe heb je de spreekbeurt voorbereid? A Je hebt de kernpunten op papier gezet en een paar keer geoefend. B Je hebt veel boeken doorgelezen. C Je hebt de spreekbeurt voor je ouders gehouden. 9 Wat gebeurde er toen je voor de klas moest komen? A Je kon je niets meer herinneren. B Het viel best mee en je deed het goed. C Je ging stotteren. 10 Wat deden de leerlingen aan het eind van de spreekbeurt? A Ze stelden vragen over het onderwerp. B Ze zeiden niets. C Ze zaten een beetje te lachen. Victor mocht voor zijn verjaardag zelf uitkiezen wat hij van zijn ouders wilde hebben. Hij koos een elektrische gitaar. Vaak keek hij naar clips van zijn idolen en hij droomde ervan eens ook op een podium te staan. Les wilde Victor niet, omdat hij er niet veel voor voelde moeilijke toonladders te leren. Na een paar jaar had hij zichzelf al aardig leren spelen en met een aantal vriendjes begon hij een bandje. Ze maakten leuke muziek en mochten voor het eerst tijdens een schoolfeest optreden. 11 Wat wilde Victor voor zijn verjaardag hebben? A Een televisie. B Een elektrische gitaar. C Gitaarles. 12 Waar droomde Victor van? A Hij droomde van een eigen band. B Hij droomde ervan om op een podium te staan. C Hij droomde van gitaarles. 13 Waarom wilde Victor geen les nemen? A Hij vond dat hij goed kon spelen. B Hij was bang dat hij de theorie niet kon onthouden. C Hij had geen zin om moeilijke toonladders te leren. 14 Wat deed hij toen hij na een paar jaar aardig kon spelen? A Hij ging optreden. B Hij begon met een paar vriendjes een bandje. C Hij ging alsnog op gitaarles. 15 Waar ging Victor voor het eerst optreden? A In een bar. B Op een schoolfeest. C Op het feest dat zijn ouders gaven. De ouders van Harry hebben een poes thuis, die heet Bertje. Elke middag als Harry uit school komt, gaat hij met Bertje voor televisie zitten en eten ze samen chips. Harry knuffelt de poes die dan heel hard gaat spinnen. Als Harry zijn huiswerk gaat maken, gaat de poes mee naar boven en komt bij hem op zijn bureau zitten. 's Avonds als Harry naar bed gaat, komt Bertje bij hem liggen en vallen ze samen in slaap. Ook als er vriendjes op bezoek komen is Bertje er altijd bij en ze gaat dan in de jassen liggen slapen. Harry en Bertje zijn dikke vrienden en Harry is heel erg blij met zijn poes. 16 Hoe heet de poes van Harry? A Mieke. B Nootje. C Bertje. 17 Wat eet Harry samen met de poes? A Chips. B Chocola. C Meloen. 18 Wat doet de poes als Harry huiswerk maakt? A Ze blijft beneden. B Zij zit naast hem op zijn bureau. C Ze gaat op zijn bed slapen. 19 Wat doet de poes als er vriendjes langskomen? A Ze loopt weg. B Ze gaat met de vriendjes spelen. C Ze gaat in de jassen slapen. 20 Wat vindt Harry van de poes? A Harry vindt Bertje een beetje lastig. B Harry vindt Bertje wel lief. C Harry is dol op Bertje. Heleen gaat samen met haar zus naar een verjaardagsfeestje van haar buurmeisje. Het is lekker dichtbij en ze mag wat langer blijven omdat haar ouders niet zo snel bezorgd om zijn. Het is een heel leuk feest, er komen veel jongens en meisjes. Er wordt eerst wat gekletst en daarna wordt gedanst. Als het feest is afgelopen, blijven Heleen en haar zusje nog even om te helpen met opruimen. Dan gaan ze naar huis en praten nog wat na over het feest en over wie er allemaal waren. Na een gezellige avond vallen ze in slaap. 21 Met wie gaat Heleen naar het verjaardagsfeestje? A Met haar zus. B Met haar ouders. C Met het buurmeisje. 22 Wie is er jarig? A Haar zus. B Een vriendin van school. C Het buurmeisje. 23 Is het druk op het feestje? A Het is erg druk op het feestje. B Heleen en haar zus zijn de enigen op het feestje. C Er is alleen wat familie gekomen. 24 Wat doen Heleen en haar zus als het feestje is afgelopen? A Ze gaan nog even doorfeesten. B Ze helpen mee met opruimen. C Ze gaan meteen naar huis. 25 Wat doen Heleen en haar zus als ze thuis zijn? A Ze vallen direct in slaap. B Ze praten nog wat na. C Ze krijgen ruzie. Gerard luistert graag naar de radio. Hij vindt dat heel leuk. Als hij uit school thuiskomt en zijn ouders zijn er niet, dan zet hij de radio aan. Zo heeft hij niet het gevoel dat hij alleen is, omdat hij geluid op de achtergrond heeft. Hij kan gewoon zijn huiswerk maken, want de radio leidt hem niet af. Bovendien hoort hij op de radio allerlei muziek die hij leuk vindt en hij hoort wat de nieuwste hits zijn. Als zijn ouders thuiskomen, zet hij de radio uit en gaat hij even met zijn ouders praten. 26 Waarom luistert Gerard graag naar de radio? A Omdat zijn ouders het ook doen. B Hij vindt het leuk. C Omdat hij niets te doen heeft. 27 Wanneer zet Gerard de radio aan? A Als hij uit school komt en zijn ouders zijn er niet. B Hij zet altijd de radio aan. C Als hij van voetbal komt zet hij de radio aan. 28 Wat doet Gerard als hij naar de radio luistert? A Hij doet niets. B Hij gaat tekenen. C Hij maakt zijn huiswerk. 29 Wat hoort Gerard op de radio? A Hij hoort muziek. B Hij hoort het nieuws. C Hij hoort leuke muziek en de nieuwe hits. 30 Wat doet Gerard als zijn ouders thuiskomen? A Hij laat de radio aanstaan en gaat even met zijn ouders praten. B Hij zet de radio zachter. C Hij zet de radio uit en gaat met zijn ouders praten. Erik mocht van zijn ouders kiezen welk muziekinstrument hij wilde bespelen. Na lang twijfelen tussen drums en gitaar, koos hij voor de gitaar. Hij kreeg van zijn ouders een gitaar. Hij moest elke woensdagmiddag naar de muziekschool om lessen te volgen. Na een half jaar kon hij al aardig spelen. In het begin vond hij het wel vervelend om elke woensdagmiddag naar de muziekschool te gaan, maar toen hij steeds beter ging spelen, wilde hij graag meer leren. Aan het eind van het jaar mocht hij met een aantal medeleerlingen optreden op de open dag van de muziekschool. Zijn ouders en al zijn vrienden waren bij het optreden. Hij was wel erg nerveus maar het optreden ging heel erg goed en iedereen was heel erg trots op hem. 31 Voor welk muziekinstrument koos Erik? A Gitaar. B Drums. C Piano. 32 Waarom ging Erik elke woensdagmiddag naar de muziekschool? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen omdat hij thuis geen gitaar had. C Om lessen te volgen. 33 Wat vond Erik eerst vervelend? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen. C Om elke woensdagmiddag naar les te gaan. 34 Waarom wilde hij graag meer leren? A Omdat hij moest optreden. B Omdat hij nog niets had geleerd. C Omdat hij merkte dat de lessen resultaat hadden. 35 Waar mocht Erik optreden? A Op een schoolfeest. B Op de open dag van de muziekschool. C Op een buurtfeest. Als je in een Italiaans kookboek kijkt, staan daar veel recepten voor spaghetti in. Ook staat erin dat spaghetti een Italiaans gerecht is. Maar er staat niet in hoe de spaghetti naar Nederland is gekomen. Veel mensen denken dat de spaghetti in de jaren zestig door de Italiaanse immigranten mee naar Nederland is gekomen, maar dat is niet waar. Er werd al eerder spaghetti in Nederland gegeten en al voor de Tweede Wereldoorlog stond er een fabriek in Nederland die spaghetti maakte. Waarschijnlijk hebben mensen die naar Italië op vakantie gingen, de spaghetti mee naar Nederland genomen. 36 Waar staan veel recepten voor spaghetti in? A In een Italiaans boek. B In een kookboek. C In een Italiaans kookboek. 37 Wat denken veel mensen over de Italiaanse immigranten? A Dat zij de spaghetti mee naar Nederland hebben genomen. B Dat zij goede spaghetti kunnen maken. C Dat zij veel spaghetti eten. 38 Wanneer stond er een spaghettifabriek in Nederland? A In de jaren zestig. B Al voor de Tweede Wereldoorlog. C In de vorige eeuw. 39 Wie hebben de spaghetti mee naar Nederland genomen? A Italiaanse immigranten. B De mensen die voor de fabriek werken. C Mensen die naar Italië op vakantie zijn geweest. Heleen en André hebben de allerliefste opa en oma van de hele wereld. Elke zaterdag komen ze langs. Als het mooi weer is, gaan Heleen en André mee in de auto. Ze gaan naar het park om een stuk te wandelen. Daarna gaan ze in een restaurant lunchen en Heleen en André krijgen dan een Pipopannenkoek, waar altijd een verrassing in zit. Als het slecht weer is, hebben opa en oma taartjes bij zich. Dan eten ze samen een gebakje en ze drinken iets, opa, oma en hun moeder drinken koffie en Heleen en André drinken limonade. 40 Wanneer komen opa en oma langs? A Elke zaterdag. B Elke zondag. C Elke dag. 41 Wanneer gaan ze naar het park? A Als het sneeuwt. B Als het mooi weer is. C Als het regent. 42 Wat krijgen Heleen en André in het restaurant? A Een gebakje. B Een Pipopannenkoek. C Een verassing. 43 Wat drinken Heleen en André als ze thuisblijven? A Limonade. B Thee. C Koffie. Binnenkort is het Koninginnedag en Barend verheugt zich nu al op die dag. Het is overal druk en iedereen loopt met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. Barend gaat met zijn vader op de vrijmarkt kijken naar de mensen die van alles verkopen. Nadat ze een tijdje op de vrijmarkt hebben rondgekeken, gaan Barend en zijn vader iets drinken in een café. Barend bestelt een cola en zijn vader een koffie. Daarna gaan ze weer terug naar de vrijmarkt en eten ze een hamburger. Aan het eind van de middag gaan ze weer naar huis en gaan ze samen pannenkoeken bakken. 44 Waar verheugt Barend zich op? A Op de vrijmarkt. B Op Koninginnedag. C Op pannenkoeken. 45 Wat gebeurt er op de vrijmarkt? A Daar worden pannenkoeken gebakken. B Daar gaan Barend en zijn vader iets drinken. C Daar staan een heleboel mensen die van alles verkopen. 46 Waar loopt iedereen mee? A Met koffie. B Met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. C Met hamburgers. 47 Wat drinkt de vader van Barend in het café? A Een cola. B Een koffie. C Een alcoholvrij biertje. 48 Wat eten Barend en zijn vader op de vrijmarkt? A Een hamburger. B Pannenkoeken. C Een ijsje. Zaterdag is het moederdag en Anita heeft een plan bedacht om haar moeder te verwennen. Ze is gisteren met een vriendin naar de stad geweest om een mooi cadeau voor haar moeder te kopen. Ze heeft de slingers van zolder gehaald en ze is bezig een mooie tekening te maken met een gedicht erbij. Als het zaterdag is, staat Anita vroeg op om haar moeder ontbijt op bed te brengen. Ze versiert het dienblad en zet het ontbijt op het blad. Ze pakt het cadeau en de tekening en ze neemt alles mee naar boven. Haar moeder is blij en verrast als ze ziet wat Anita heeft gedaan. 49 Waar heeft ze het cadeau voor haar moeder gekocht? A Op de markt. B In het dorp. C In de stad. 50 Wat haalt Anita van zolder? A Slingers. B Feestmutsen. C Ballonnen. 51 Wat is Anita voor haar moeder aan het maken? A Een gedicht. B Een tekening met een gedicht. C Een tekening. 52 Hoe reageert de moeder van Anita? A Ze is geschrokken. B Ze is verbaasd. C Ze is blij en verrast. Marie gaat met haar moeder naar de bibliotheek. Haar moeder moet een boek hebben voor haar werk en Marie mag op de kinderboekenafdeling rondkijken. Marie ziet een heel spannend boek en ze pakt het uit de kast. Ze zoekt een rustig plaatsje op om te zitten en ze begint in het boek te lezen. Haar moeder heeft het boek gevonden dat ze nodig heeft en loopt naar de kinderafdeling om Marie te halen, maar ze kan haar niet meer vinden. Haar moeder besluit Marie te laten omroepen. Terwijl Marie rustig zit te lezen, hoort ze opeens een mannenstem haar naam omroepen. Ze moet naar de balie komen. Ze schrikt en rent snel naar de balie toe, daar staat haar moeder. Marie vertelt dat ze een mooi boek aan het lezen was en ze mag het van haar moeder mee naar huis nemen. 53 Waarom gaan Marie en haar moeder naar de bibliotheek? A Haar moeder moet een boek voor haar werk hebben. B Haar moeder moet een aantal boeken terugbrengen. C Marie mag een mooi boek uitzoeken. 54 Waar gaat Marie rondkijken? A Bij de computer. B Bij de stripboeken. C Op de kinderboekenafdeling. 55 Wat doet Marie als ze een mooi boek heeft gevonden? A Ze gaat naar haar moeder en vraagt of ze het mag lenen. B Ze stopt het in haar tas om het mee naar huis te nemen. C Ze pakt het boek en begint erin te lezen. 56 Waarom laat de moeder van Marie haar omroepen? A Omdat ze Marie niet kan vinden. B Omdat ze geen zin heeft Marie te zoeken. C Omdat ze dat met Marie heeft afgesproken. 57 Hoe reageert de moeder van Marie als Marie vertelt waar ze was? A Ze is boos, maar Marie mag het boek wel mee naar huis nemen. B Ze is boos en voor straf moet Marie het boek terugzetten. C Ze zegt dat Marie het boek mee naar huis mag nemen. Heleen houdt erg veel van dieren en daarom heeft ze van haar opa en oma voor haar verjaardag een groot dierenboek gekregen. In dit boek staan een heleboel leuke wetenswaardigheden over dieren. Zo heeft ze bijvoorbeeld gelezen dat de Afrikaanse olifant de langste neus op aarde heeft. Ook heeft ze gelezen dat de reuzeninktvis het grootste oog heeft en de spitsmuis het kleinste oog. Ze leest met veel plezier in haar nieuwe boek en geniet van de mooie tekeningen. Aan het eind van de week belt ze haar opa en oma op om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze allemaal heeft gelezen. 58 Wat krijgt Heleen voor haar verjaardag van haar opa en oma? A Een groot dierenboek. B Een boekenbon. C Een video over dieren. 59 Welk dier heeft de langste neus? A De Afrikaanse olifant. B De olifant. C De spitsmuis. 60 Welk dier heeft de grootste ogen? A De Afrikaanse olifant. B De inktvis. C De reuzeninktvis. 61 Wat vindt Heleen van het boek? A Ze geniet van de plaatjes maar vindt de tekst te moeilijk. B Ze leest er met veel plezier in en geniet van de plaatjes. C Ze leest er met veel plezier in, maar vindt de plaatjes minder leuk. 62 Waarom belt Heleen aan het eind van de week haar opa en oma op? A Om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze heeft gelezen. B Om bij te kletsen. C Om te vertellen wat ze heeft gelezen. Brian gaat met zijn zusje en zijn ouders uit eten. Ze hebben iets te vieren, want Brians ouders vieren hun koperen bruiloft. Dat betekent dat ze twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. Ze gaan naar een Italiaans restaurant waar Italiaanse muziek klinkt, Italiaanse eten geserveerd wordt en de muren beschilderd zijn met Italiaanse taferelen. Brians zusje vindt het eten te lang duren en gaat van tafel. Ze kijkt bij de tafels van andere mensen en van de ober mag ze zelfs even in de keuken. Brian mag ook, maar hij gaat niet. In de keuken kijken is iets voor kleine kinderen, vindt hij. 63 Waarom gaat Brian uit eten? A Omdat zijn zus getrouwd is. B Omdat er een nieuw Italiaans restaurant geopend is. C Omdat zijn ouders twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. 64 Met wie gaat Brian uit eten? A Met zijn ouders en hun Italiaanse vrienden. B Met zijn zusje. C Met zijn vader, zijn moeder en zijn zusje. 65 Hoe kun je zien dat het restaurant een Italiaans restaurant is? A Aan de cd-speler. B Aan de mensen die er werken. C Aan de muurschilderingen. 66 Waarom gaat Brians zusje van tafel? A Het eten duurt voor haar te lang. B Ze heeft aan een andere tafel iemand gezien die ze kent. C Ze moet naar de wc. 67 Waarom gaat Brian niet in de keuken kijken? A Hij denkt dat alle mensen dan naar hem kijken. B Hij vindt dat hij daar te groot voor is. C De ober wil niet dat hij ook in de keuken komt. Jasmijn en Ilona hebben plannen gemaakt om wat geld te verdienen, want ze willen een nagelstudio kopen. Op de computer printen ze tekeningen uit in zwartwit. Dan bellen ze overal aan en vragen ze of de mensen die kleurplaten van ze willen kopen. Omdat ze niet zoveel verkopen bedenken ze iets anders: heitje voor een karweitje. Opnieuw bellen ze overal aan en vragen ze of ze voor een gulden een klusje mogen doen. Bij de een vegen ze de stoep, bij de ander halen ze de vuilnisbak binnen. Ze doen een afwas en maaien gras. Ze werken hard, maar ondertussen hebben ze samen veel plezier. 68 Waarom willen Jasmijn en Ilona geld verdienen? A Om een nagelstudio te kopen. B Omdat ze een nieuwe computer willen. C Omdat ze kleurplaten willen kopen. 69 Waarom printen Jasmijn en Ilona tekeningen uit? A Ze hebben geen zin meer om met de nagelstudio te spelen die ze net gekocht hebben. B Ze verdienen wat geld door achter de computer te werken. C Ze willen ze verkopen om geld te verdienen voor een nagelstudio. 70 Lukt het om de kleurplaten te verkopen? A Ja, maar niet zo heel erg goed. B Nee, helemaal niet. C Ja, maar ze zijn te goedkoop. 71 Wat is heitje voor een karweitje? A Je belt ergens aan en vraagt of de mensen een heitje voor je hebben. B Je doet een klusje en krijgt daar iets voor betaald. C Je geeft een euro om iemand te helpen. 72 Hoe vinden Jasmijn en Ilona het om heitje voor een karweitje te doen? A Leuk, ze hebben veel plezier. B Vervelend, want ze moeten allerlei vervelende klusjes doen. C Niet zo leuk, want ze moeten erg hard werken. Op de school van Tom en Wiebe doen ze elk jaar veel aan kerst. Alle gangen worden door een groep ouders versierd en in elke groep staat een kerstboom. Twee weken voor kerst werken alle groepen aan het maken van mooie dingen, die met kerst te maken hebben. Kandelaars, kerstboomversieringen, sterren voor op de ramen, ga zo maar door. De volgende week is er dan na schooltijd een kerstmarkt, waar de gemaakte spullen verkocht worden. De opbrengst gaat naar een goed doel. En de dag na de kerstmarkt is helemaal leuk, dan is 's avonds het kerstdiner. Naast de voordeur staan alle juffen en meesters samen vrolijke kerstliedjes te zingen. Alle kinderen hebben hun mooiste kleren aan en de school is alleen maar verlicht met kerstboomlichtjes en kaarsen. 73 Door wie wordt de school van Tom en Wiebe versierd voor kerst? A Door alle juffen en meesters samen. B Door een groep ouders. C Door de groep van Tom en Wiebe. 74 Waarom maken de kinderen allerlei kerstspullen? A Om extra mooi mee voor de dag te komen op het kerstdiner. B Om de school mee te versieren. C Om te verkopen op de kerstmarkt. 75 Wat maken de kinderen op de school van Tom en Wiebe voor de kerstmarkt? A Een kerstdiner. B Allerlei spullen in kerstsfeer. C Kandelaars en bloemstukjes. 76 Wat gebeurt met het geld dat wordt verdiend op de kerstmarkt? A Dat wordt geschonken aan een goed doel. B Dat wordt gebruikt voor het kerstdiner. C Dat mogen de kinderen zelf houden. 77 Wat doen de juffen en meesters met het kerstdiner? A Ze hebben mooiste kleren aangetrokken. B Ze doen alle kaarsen aan. C Ze zingen kerstliedjes bij de ingang van de school. De pandabeer is een ronde wollige beer, die eruit ziet als een knuffeldier. De zwarte vlekken op de kop zitten altijd op dezelfde plaats: rond de ogen, de oren en het puntje van de neus. De rest van het lijf is zwart, met uitzondering van een grote witte vlek in de vorm van een luier. De panda komt alleen nog voor in de bergwouden in het midden van China en wordt daar gemiddeld vijftien jaar oud. Een panda in een dierentuin kan wel eens zo oud worden! In het wild leven nog ongeveer duizend panda's. De panda eet alleen bamboe, maar niet alle soorten. Van de soorten die er zijn, eet hij er maar een paar en dan nog alleen de bladeren en de jonge takken. 78 Waarom ziet een panda eruit als een knuffeldier? A Omdat hij rond en wollig is. B Omdat hij zo zielig kijkt. C Omdat je veel knuffelpanda's in de winkels ziet. 79 Wat voor kleur heeft het lijf van de panda? A Zwart met een grote witte vlek. B Wit met een grote zwarte vlek. C Dat is niet altijd hetzelfde. 80 Hoe oud wordt een panda in de dierentuin? A Gemiddeld dertig jaar. B Gemiddeld vijftien jaar. C Gemiddeld vijfenveertig jaar. 81 Wat eet een panda? A De bladeren en jonge takken van alle soorten bamboe. B Bladeren en jonge takken. C De bladeren en jonge takken van bepaalde soorten bamboe. 82 Hoeveel panda's wonen er in China? A Miljoenen. B Ongeveer duizend. C Vijftien. De vader van Erik moest extra vroeg naar zijn werk en reed over de bosweg waar hij anders altijd 's ochtends in de file stond. Het was nog zo vroeg, dat er niemand voor of achter hem reed. Ineens zag hij een grote vlek voorbij flitsen en hoorde een klap. Hij stopte en zag toen dat hij een aanrijding had gehad met een hert! Er stonden wel waarschuwingsborden langs de weg, maar in al die jaren had hij hier nog nooit een hert gezien. Het dier lag bang en gewond in de berm. Eriks vader belde de politie en die stuurde de dierenambulance. De dierenarts verdoofde het hert en nam het mee naar een dierenpark, waar het rustig beter kon worden. 83 Waarom reed Eriks vader over de bosweg? A Hij moest voor zijn werk ergens naartoe. B Hij reed altijd over die weg naar zijn werk. C Hij hoopte dat hij zo niet in de file terecht zou komen. 84 Waarom was het zo rustig op de weg? A Omdat het nog erg vroeg was. B Omdat het een bosweg was. C Omdat er waarschuwingsborden langs de weg stonden. 85 Wat was de grote vlek, die Eriks vader ineens zag? A Hij schrok zo erg, dat hij een blinde vlek zag. B Hij werd geflitst omdat hij te hard reed. C Het hert, dat tegen zijn auto sprong. 86 Wat voor waarschuwingsborden stonden er langs de weg? A Pas op voor overstekende herten. B Pas op, je rijdt op een bosweg. C Pas op, hier controleren we op snelheid. 87 Wie stuurde de dierenambulance? A Eriks vader. B De politie. C Het dierenpark. De buren van Birgit krijgen binnenkort een baby. Ze hebben al twee jongetjes en Birgit hoopt erg dat deze baby een meisje zal zijn. Het lijkt haar erg leuk een buurmeisje te hebben met wie ze kan spelen met haar eigen oude speelgoed. Ze hoopt dat ze, als ze veertien of vijftien is, vaak bij de buren mag babysitten. Ze vindt het leuk dat zij dan de oudste is. De kleintjes moeten dan naar haar luisteren. Als de baby weer een jongetje is vindt ze het ook goed. Ze gaat zeker weer kijken als de baby in bad gedaan wordt. Misschien mag ze dit keer wel helpen, want ze is alweer twee jaar ouder dan toen de vorige baby geboren werd. 88 Hoeveel broertjes heeft Birgit? A Twee. B Dat weten we niet. C Geen. 89 Waarom hoopt Birgit dat de baby een meisje zal zijn? A Dan kan ze extra vaak babysitten. B Dan kan ze met de baby met haar eigen oude speelgoed kan spelen. C Dan kan zij de baas spelen. 90 Waarom wil ze later graag babysitten? A Omdat ze graag de kinderen in bad doet. B Omdat ze dan met de buurkinderen met haar eigen oude speelgoed spelen. C Omdat ze het leuk vindt dat zij dan de oudste is. 91 Waarom wil ze kijken als de baby in bad gedaan wordt? A Omdat ze dan kan zien of het een jongetje of een meisje is. B Omdat ze dat al eerder gedaan heeft. C Omdat ze hoopt dat ze mag helpen. 92 Waarom denkt ze dat ze vast wel mag helpen met het in bad doen van de baby? A Omdat ze later ook mag babysitten. B Omdat ze twee jaar ouder is dan toen de vorige baby werd geboren. C Omdat de kinderen naar haar moeten luisteren. Sommige woorden zijn heel gek. Neem nou bijvoorbeeld het woord 'bierworstje'. Dan denk je aan bier en bier is alleen voor grote mensen. Toch mogen kinderen bierworstjes eten. Er zijn zelfs kinderen die een bierworstje meenemen naar school als tussendoortje, dus er zal wel geen druppeltje bier inzitten. Een ander heel raar woord is het woord 'volledig'. Dat betekent zoiets als helemaal, compleet. Maar als je het woord in twee‰n hakt, dan lijkt het wel of je teveel bierworstjes hebt gegeten! De ene helft van het woord is 'vol' en de andere helft van het woord is 'ledig'. En 'ledig' betekent leeg. Dus volledig is eigenlijk vol-leeg. Wat is nou vol-leeg? Is iets nou vol of is het nou leeg? Snap jij het nog? 93 Waarom is 'bierworstje' een gek woord? A Omdat je denkt dat het een worstje is, maar blijkbaar is dat niet zo. B Omdat je denkt dat er bier in zit, maar blijkbaar is dat niet zo. C Omdat je een worstje niet kunt drinken en bier wel. 94 Waarom mogen kinderen wel bierworstjes eten? A Omdat er wel bier in zit, maar heel erg weinig. B Omdat er speciaal bier in zit, waar je niet dronken van wordt. C Omdat het een gewoon worstje is met een gekke naam. 95 Wat betekent: volledig uitgeput? A Helemaal niet uitgeput. B Helemaal uitgeput. C Wel en niet uitgeput tegelijk. 96 Waarom lijkt het of je teveel bierworstjes hebt gegeten als je het woord 'volledig' in twee stukken hakt? A Omdat je van teveel eten misselijk wordt. B Dat is een grapje, want van bierworstjes kun je niet dronken worden. C Omdat je van bierworstjes dronken kunt worden en dan rare dingen gaat zeggen. Mirjam is jarig op Sint Maarten. Vroeger vond ze dat leuk, al die lampions en zingende kinderen op haar verjaardag. Maar nu wordt ze al elf en vindt ze dat kinderachtig worden. Ze wil dit jaar graag een feestje geven, maar wel pas als het donker is. Ze wil namelijk een... griezelfeest! Ze versiert de kamer met namaakspinnenweb. Haar moeder snijdt gezichtjes uit uitgeholde pompoenen en zet er kaarsjes in. Ze schminkt haar gezicht wit met een straaltje namaakbloed uit de mondhoek. Als de feestgasten geschminkt worden, willen ze allemaal hetzelfde als Mirjam. Dat vindt ze niet leuk. Dat vindt ze na-apen. Maar als ze gaan dansen is de boosheid zo vergeten. 97 Wat vindt Mirjam van het Sint Maartenfeest? A Ze vindt het leuk, al die lampions en zingende kinderen. B Ze vindt het leuk, omdat ze dan jarig is. C Ze vindt Sint Maarten kinderachtig. 98 Waarom wil Mirjam een feest geven als het donker is? A Ze geeft een griezelfeest en in het donker lijkt alles extra griezelig. B Dan kun je de lampions van de zingende kinderen beter zien. C Omdat ze al elf wordt en geen feestje overdag meer wil. 99 Waarom wil Mirjam niet dat de gasten precies zoals zij geschminkt worden? A Ze wil de enige zijn die er zo uitziet. B Ze wil dat iedereen haar na-aapt. C Ze wil niet dat er geschminkt wordt. 100 Blijft Mirjam de rest van het feest boos? A Ja, zelfs het dansen helpt niet. B Nee, van het dansen wordt ze weer vrolijk. C Ja, alleen vergeet ze het.
  2. 2. Het is herfstvakantie en je moet met je ouders mee naar een museum. Je hebt van de kinderen in je klas gehoord dat een museum heel erg saai is. Als je eenmaal in het museum bent aangekomen valt het je honderd procent mee. Het is helemaal geen saai museum. Het is het omroepmuseum waar allerlei televisiecamera's staan en waar de decors van allerlei series te zien zijn. De dag vliegt voorbij en je zegt tegen je ouders dat je wel vaker naar een museum toe wilt en dat je een museum eigenlijk best leuk vindt. 1 Met wie ga je naar het museum? A Met klasgenoten. B Met je ouders. C Met je oma. 2 Van wie heb je gehoord dat een museum saai is? A Van klasgenoten. B Van je oma. C Van je ouders. 3 Hoe vind je het museum als je er zelf bent? A Het valt je heel erg mee. B Het is nog erger dan je dacht. C Je vindt er niets aan. 4 Wat voor soort museum is het? A Een spoorwegmuseum. B Een openluchtmuseum. C Een omroepmuseum. 5 Wat zeg je tegen je ouders over de dag? A Dat het je tegenviel. B Dat het je best meeviel maar dat je nooit meer naar een museum wil. C Dat je het best leuk vond en dat je nog wel vaker een museum wilt. Woensdag heb je voor het eerst een spreekbeurt. Je hebt je onderwerp redelijk goed voorbereid, maar toch ben je heel erg zenuwachtig. Je bent bang dat je rood wordt, dat je alles vergeet wat je moet zeggen of dat je gaat stotteren. Je hebt de kernpunten op een briefje geschreven en een paar keer voor de spiegel geoefend. Tijdens de les moest je als tweede een spreekbeurt houden en de zenuwen gierden door je keel. Toen je voorin moest komen en begon met te vertellen viel het eigenlijk best mee. Je keek door de klas en iedereen had interesse in je onderwerp. Toen de leerlingen vragen gingen stellen, kon je ze allemaal beantwoorden en je vond het leuk om over je onderwerp te vertellen. Je kreeg zelfs een acht voor je spreekbeurt. 6 Wanneer heb je voor het eerst een spreekbeurt? A 14 Wat deed hij toen hij na een paar jaar aardig kon spelen? A Hij ging optreden. B Hij begon met een paar vriendjes een bandje. C Hij ging alsnog op gitaarles. 15 Waar ging Victor voor het eerst optreden? A In een bar. B Op een schoolfeest. C Op het feest dat zijn ouders gaven. De ouders van Harry hebben een poes thuis, die heet Bertje. Elke middag als Harry uit school komt, gaat hij met Bertje voor televisie zitten en eten ze samen chips. Harry knuffelt de poes die dan heel hard gaat spinnen. Als Harry zijn huiswerk gaat maken, gaat de poes mee naar boven en komt bij hem op zijn bureau zitten. 's Avonds als Harry naar bed gaat, komt Bertje bij hem liggen en vallen ze samen in slaap. Ook als er vriendjes op bezoek komen is Bertje er altijd bij en ze gaat dan in de jassen liggen slapen. Harry en Bertje zijn dikke vrienden en Harry is heel erg blij met zijn poes. 16 Hoe heet de poes van Harry? A Mieke. B Nootje. C Bertje. 17 Wat eet Harry samen met de poes? A Chips. B Chocola. C Meloen. 18 Wat doet de poes als Harry huiswerk maakt? A Ze blijft beneden. B Zij zit naast hem op zijn bureau. C Ze gaat op zijn bed slapen. 19 Wat doet de poes als er vriendjes langskomen? A Ze loopt weg. B Ze gaat met de vriendjes spelen. C Ze gaat in de jassen slapen. 20 Wat vindt Harry van de poes? A Harry vindt Bertje een beetje lastig. B Harry vindt Bertje wel lief. C Harry is dol op Bertje. Heleen gaat samen met haar zus naar een verjaardagsfeestje van haar buurmeisje. Het is lekker dichtbij en ze mag wat langer blijven omdat haar ouders niet zo snel bezorgd om zijn. Het is een heel leuk feest, er komen veel jongens en meisjes. Er wordt eerst wat gekletst en daarna wordt gedanst. Als het feest is afgelopen, blijven Heleen en haar zusje nog even om te helpen met opruimen. Dan gaan ze naar huis en praten nog wat na over het feest en over wie er allemaal waren. Na een gezellige avond vallen ze in slaap. 21 Met wie gaat Heleen naar het verjaardagsfeestje? A Met haar zus. B Met haar ouders. C Met het buurmeisje. 22 Wie is er jarig? A Haar zus. B Een vriendin van school. C Het buurmeisje. 23 Is het druk op het feestje? A Het is erg druk op het feestje. B Heleen en haar zus zijn de enigen op het feestje. C Er is alleen wat familie gekomen. 24 Wat doen Heleen en haar zus als het feestje is afgelopen? A Ze gaan nog even doorfeesten. B Ze helpen mee met opruimen. C Ze gaan meteen naar huis. 25 Wat doen Heleen en haar zus als ze thuis zijn? A Ze vallen direct in slaap. B Ze praten nog wat na. C Ze krijgen ruzie. Gerard luistert graag naar de radio. Hij vindt dat heel leuk. Als hij uit school thuiskomt en zijn ouders zijn er niet, dan zet hij de radio aan. Zo heeft hij niet het gevoel dat hij alleen is, omdat hij geluid op de achtergrond heeft. Hij kan gewoon zijn huiswerk maken, want de radio leidt hem niet af. Bovendien hoort hij op de radio allerlei muziek die hij leuk vindt en hij hoort wat de nieuwste hits zijn. Als zijn ouders thuiskomen, zet hij de radio uit en gaat hij even met zijn ouders praten. 26 Waarom luistert Gerard graag naar de radio? A Omdat zijn ouders het ook doen. B Hij vindt het leuk. C Omdat hij niets te doen heeft. 27 Wanneer zet Gerard de radio aan? A Als hij uit school komt en zijn ouders zijn er niet. B Hij zet altijd de radio aan. C Als hij van voetbal komt zet hij de radio aan. 28 Wat doet Gerard als hij naar de radio luistert? A Hij doet niets. B Hij gaat tekenen. C Hij maakt zijn huiswerk. 29 Wat hoort Gerard op de radio? A Hij hoort muziek. B Hij hoort het nieuws. C Hij hoort leuke muziek en de nieuwe hits. 30 Wat doet Gerard als zijn ouders thuiskomen? A Hij laat de radio aanstaan en gaat even met zijn ouders praten. B Hij zet de radio zachter. C Hij zet de radio uit en gaat met zijn ouders praten. Erik mocht van zijn ouders kiezen welk muziekinstrument hij wilde bespelen. Na lang twijfelen tussen drums en gitaar, koos hij voor de gitaar. Hij kreeg van zijn ouders een gitaar. Hij moest elke woensdagmiddag naar de muziekschool om lessen te volgen. Na een half jaar kon hij al aardig spelen. In het begin vond hij het wel vervelend om elke woensdagmiddag naar de muziekschool te gaan, maar toen hij steeds beter ging spelen, wilde hij graag meer leren. Aan het eind van het jaar mocht hij met een aantal medeleerlingen optreden op de open dag van de muziekschool. Zijn ouders en al zijn vrienden waren bij het optreden. Hij was wel erg nerveus maar het optreden ging heel erg goed en iedereen was heel erg trots op hem. 31 Voor welk muziekinstrument koos Erik? A Gitaar. B Drums. C Piano. 32 Waarom ging Erik elke woensdagmiddag naar de muziekschool? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen omdat hij thuis geen gitaar had. C Om lessen te volgen. 33 Wat vond Erik eerst vervelend? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen. C Om elke woensdagmiddag naar les te gaan. 34 Waarom wilde hij graag meer leren? A Omdat hij moest optreden. B Omdat hij nog niets had geleerd. C Omdat hij merkte dat de lessen resultaat hadden. 35 Waar mocht Erik optreden? A Op een schoolfeest. B Op de open dag van de muziekschool. C Op een buurtfeest. Als je in een Italiaans kookboek kijkt, staan daar veel recepten voor spaghetti in. Ook staat erin dat spaghetti een Italiaans gerecht is. Maar er staat niet in hoe de spaghetti naar Nederland is gekomen. Veel mensen denken dat de spaghetti in de jaren zestig door de Italiaanse immigranten mee naar Nederland is gekomen, maar dat is niet waar. Er werd al eerder spaghetti in Nederland gegeten en al voor de Tweede Wereldoorlog stond er een fabriek in Nederland die spaghetti maakte. Waarschijnlijk hebben mensen die naar Italië op vakantie gingen, de spaghetti mee naar Nederland genomen. 36 Waar staan veel recepten voor spaghetti in? A In een Italiaans boek. B In een kookboek. C In een Italiaans kookboek. 37 Wat denken veel mensen over de Italiaanse immigranten? A Dat zij de spaghetti mee naar Nederland hebben genomen. B Dat zij goede spaghetti kunnen maken. C Dat zij veel spaghetti eten. 38 Wanneer stond er een spaghettifabriek in Nederland? A In de jaren zestig. B Al voor de Tweede Wereldoorlog. C In de vorige eeuw. 39 Wie hebben de spaghetti mee naar Nederland genomen? A Italiaanse immigranten. B De mensen die voor de fabriek werken. C Mensen die naar Italië op vakantie zijn geweest. Heleen en André hebben de allerliefste opa en oma van de hele wereld. Elke zaterdag komen ze langs. Als het mooi weer is, gaan Heleen en André mee in de auto. Ze gaan naar het park om een stuk te wandelen. Daarna gaan ze in een restaurant lunchen en Heleen en André krijgen dan een Pipopannenkoek, waar altijd een verrassing in zit. Als het slecht weer is, hebben opa en oma taartjes bij zich. Dan eten ze samen een gebakje en ze drinken iets, opa, oma en hun moeder drinken koffie en Heleen en André drinken limonade. 40 Wanneer komen opa en oma langs? A Elke zaterdag. B Elke zondag. C Elke dag. 41 Wanneer gaan ze naar het park? A Als het sneeuwt. B Als het mooi weer is. C Als het regent. 42 Wat krijgen Heleen en André in het restaurant? A Een gebakje. B Een Pipopannenkoek. C Een verassing. 43 Wat drinken Heleen en André als ze thuisblijven? A Limonade. B Thee. C Koffie. Binnenkort is het Koninginnedag en Barend verheugt zich nu al op die dag. Het is overal druk en iedereen loopt met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. Barend gaat met zijn vader op de vrijmarkt kijken naar de mensen die van alles verkopen. Nadat ze een tijdje op de vrijmarkt hebben rondgekeken, gaan Barend en zijn vader iets drinken in een café. Barend bestelt een cola en zijn vader een koffie. Daarna gaan ze weer terug naar de vrijmarkt en eten ze een hamburger. Aan het eind van de middag gaan ze weer naar huis en gaan ze samen pannenkoeken bakken. 44 Waar verheugt Barend zich op? A Op de vrijmarkt. B Op Koninginnedag. C Op pannenkoeken. 45 Wat gebeurt er op de vrijmarkt? A Daar worden pannenkoeken gebakken. B Daar gaan Barend en zijn vader iets drinken. C Daar staan een heleboel mensen die van alles verkopen. 46 Waar loopt iedereen mee? A Met koffie. B Met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. C Met hamburgers. 47 Wat drinkt de vader van Barend in het café? A Een cola. B Een koffie. C Een alcoholvrij biertje. 48 Wat eten Barend en zijn vader op de vrijmarkt? A Een hamburger. B Pannenkoeken. C Een ijsje. Zaterdag is het moederdag en Anita heeft een plan bedacht om haar moeder te verwennen. Ze is gisteren met een vriendin naar de stad geweest om een mooi cadeau voor haar moeder te kopen. Ze heeft de slingers van zolder gehaald en ze is bezig een mooie tekening te maken met een gedicht erbij. Als het zaterdag is, staat Anita vroeg op om haar moeder ontbijt op bed te brengen. Ze versiert het dienblad en zet het ontbijt op het blad. Ze pakt het cadeau en de tekening en ze neemt alles mee naar boven. Haar moeder is blij en verrast als ze ziet wat Anita heeft gedaan. 49 Waar heeft ze het cadeau voor haar moeder gekocht? A Op de markt. B In het dorp. C In de stad. 50 Wat haalt Anita van zolder? A Slingers. B Feestmutsen. C Ballonnen. 51 Wat is Anita voor haar moeder aan het maken? A Een gedicht. B Een tekening met een gedicht. C Een tekening. 52 Hoe reageert de moeder van Anita? A Ze is geschrokken. B Ze is verbaasd. C Ze is blij en verrast. Marie gaat met haar moeder naar de bibliotheek. Haar moeder moet een boek hebben voor haar werk en Marie mag op de kinderboekenafdeling rondkijken. Marie ziet een heel spannend boek en ze pakt het uit de kast. Ze zoekt een rustig plaatsje op om te zitten en ze begint in het boek te lezen. Haar moeder heeft het boek gevonden dat ze nodig heeft en loopt naar de kinderafdeling om Marie te halen, maar ze kan haar niet meer vinden. Haar moeder besluit Marie te laten omroepen. Terwijl Marie rustig zit te lezen, hoort ze opeens een mannenstem haar naam omroepen. Ze moet naar de balie komen. Ze schrikt en rent snel naar de balie toe, daar staat haar moeder. Marie vertelt dat ze een mooi boek aan het lezen was en ze mag het van haar moeder mee naar huis nemen. 53 Waarom gaan Marie en haar moeder naar de bibliotheek? A Haar moeder moet een boek voor haar werk hebben. B Haar moeder moet een aantal boeken terugbrengen. C Marie mag een mooi boek uitzoeken. 54 Waar gaat Marie rondkijken? A Bij de computer. B Bij de stripboeken. C Op de kinderboekenafdeling. 55 Wat doet Marie als ze een mooi boek heeft gevonden? A Ze gaat naar haar moeder en vraagt of ze het mag lenen. B Ze stopt het in haar tas om het mee naar huis te nemen. C Ze pakt het boek en begint erin te lezen. 56 Waarom laat de moeder van Marie haar omroepen? A Omdat ze Marie niet kan vinden. B Omdat ze geen zin heeft Marie te zoeken. C Omdat ze dat met Marie heeft afgesproken. 57 Hoe reageert de moeder van Marie als Marie vertelt waar ze was? A Ze is boos, maar Marie mag het boek wel mee naar huis nemen. B Ze is boos en voor straf moet Marie het boek terugzetten. C Ze zegt dat Marie het boek mee naar huis mag nemen. Heleen houdt erg veel van dieren en daarom heeft ze van haar opa en oma voor haar verjaardag een groot dierenboek gekregen. In dit boek staan een heleboel leuke wetenswaardigheden over dieren. Zo heeft ze bijvoorbeeld gelezen dat de Afrikaanse olifant de langste neus op aarde heeft. Ook heeft ze gelezen dat de reuzeninktvis het grootste oog heeft en de spitsmuis het kleinste oog. Ze leest met veel plezier in haar nieuwe boek en geniet van de mooie tekeningen. Aan het eind van de week belt ze haar opa en oma op om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze allemaal heeft gelezen. 58 Wat krijgt Heleen voor haar verjaardag van haar opa en oma? A Een groot dierenboek. B Een boekenbon. C Een video over dieren. 59 Welk dier heeft de langste neus? A De Afrikaanse olifant. B De olifant. C De spitsmuis. 60 Welk dier heeft de grootste ogen? A De Afrikaanse olifant. B De inktvis. C De reuzeninktvis. 61 Wat vindt Heleen van het boek? A Ze geniet van de plaatjes maar vindt de tekst te moeilijk. B Ze leest er met veel plezier in en geniet van de plaatjes. C Ze leest er met veel plezier in, maar vindt de plaatjes minder leuk. 62 Waarom belt Heleen aan het eind van de week haar opa en oma op? A Om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze heeft gelezen. B Om bij te kletsen. C Om te vertellen wat ze heeft gelezen. Brian gaat met zijn zusje en zijn ouders uit eten. Ze hebben iets te vieren, want Brians ouders vieren hun koperen bruiloft. Dat betekent dat ze twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. Ze gaan naar een Italiaans restaurant waar Italiaanse muziek klinkt, Italiaanse eten geserveerd wordt en de muren beschilderd zijn met Italiaanse taferelen. Brians zusje vindt het eten te lang duren en gaat van tafel. Ze kijkt bij de tafels van andere mensen en van de ober mag ze zelfs even in de keuken. Brian mag ook, maar hij gaat niet. In de keuken kijken is iets voor kleine kinderen, vindt hij. 63 Waarom gaat Brian uit eten? A Omdat zijn zus getrouwd is. B Omdat er een nieuw Italiaans restaurant geopend is. C Omdat zijn ouders twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. 64 Met wie gaat Brian uit eten? A Met zijn ouders en hun Italiaanse vrienden. B Met zijn zusje. C Met zijn vader, zijn moeder en zijn zusje. 65 Hoe kun je zien dat het restaurant een Italiaans restaurant is? A Aan de cd-speler. B Aan de mensen die er werken. C Aan de muurschilderingen. 66 Waarom gaat Brians zusje van tafel? A Het eten duurt voor haar te lang. B Ze heeft aan een andere tafel iemand gezien die ze kent. C Ze moet naar de wc. 67 Waarom gaat Brian niet in de keuken kijken? A Hij denkt dat alle mensen dan naar hem kijken. B Hij vindt dat hij daar te groot voor is. C De ober wil niet dat hij ook in de keuken komt. Jasmijn en Ilona hebben plannen gemaakt om wat geld te verdienen, want ze willen een nagelstudio kopen. Op de computer printen ze tekeningen uit in zwartwit. Dan bellen ze overal aan en vragen ze of de mensen die kleurplaten van ze willen kopen. Omdat ze niet zoveel verkopen bedenken ze iets anders: heitje voor een karweitje. Opnieuw bellen ze overal aan en vragen ze of ze voor een gulden een klusje mogen doen. Bij de een vegen ze de stoep, bij de ander halen ze de vuilnisbak binnen. Ze doen een afwas en maaien gras. Ze werken hard, maar ondertussen hebben ze samen veel plezier. 68 Waarom willen Jasmijn en Ilona geld verdienen? A Om een nagelstudio te kopen. B Omdat ze een nieuwe computer willen. C Omdat ze kleurplaten willen kopen. 69 Waarom printen Jasmijn en Ilona tekeningen uit? A Ze hebben geen zin meer om met de nagelstudio te spelen die ze net gekocht hebben. B Ze verdienen wat geld door achter de computer te werken. C Ze willen ze verkopen om geld te verdienen voor een nagelstudio. 70 Lukt het om de kleurplaten te verkopen? A Ja, maar niet zo heel erg goed. B Nee, helemaal niet. C Ja, maar ze zijn te goedkoop. 71 Wat is heitje voor een karweitje? A Je belt ergens aan en vraagt of de mensen een heitje voor je hebben. B Je doet een klusje en krijgt daar iets voor betaald. C Je geeft een euro om iemand te helpen. 72 Hoe vinden Jasmijn en Ilona het om heitje voor een karweitje te doen? A Leuk, ze hebben veel plezier. B Vervelend, want ze moeten allerlei vervelende klusjes doen. C Niet zo leuk, want ze moeten erg hard werken. Op de school van Tom en Wiebe doen ze elk jaar veel aan kerst. Alle gangen worden door een groep ouders versierd en in elke groep staat een kerstboom. Twee weken voor kerst werken alle groepen aan het maken van mooie dingen, die met kerst te maken hebben. Kandelaars, kerstboomversieringen, sterren voor op de ramen, ga zo maar door. De volgende week is er dan na schooltijd een kerstmarkt, waar de gemaakte spullen verkocht worden. De opbrengst gaat naar een goed doel. En de dag na de kerstmarkt is helemaal leuk, dan is 's avonds het kerstdiner. Naast de voordeur staan alle juffen en meesters samen vrolijke kerstliedjes te zingen. Alle kinderen hebben hun mooiste kleren aan en de school is alleen maar verlicht met kerstboomlichtjes en kaarsen. 73 Door wie wordt de school van Tom en Wiebe versierd voor kerst? A Door alle juffen en meesters samen. B Door een groep ouders. C Door de groep van Tom en Wiebe. 74 Waarom maken de kinderen allerlei kerstspullen? A Om extra mooi mee voor de dag te komen op het kerstdiner. B Om de school mee te versieren. C Om te verkopen op de kerstmarkt. 75 Wat maken de kinderen op de school van Tom en Wiebe voor de kerstmarkt? A Een kerstdiner. B Allerlei spullen in kerstsfeer. C Kandelaars en bloemstukjes. 76 Wat gebeurt met het geld dat wordt verdiend op de kerstmarkt? A Dat wordt geschonken aan een goed doel. B Dat wordt gebruikt voor het kerstdiner. C Dat mogen de kinderen zelf houden. 77 Wat doen de juffen en meesters met het kerstdiner? A Ze hebben mooiste kleren aangetrokken. B Ze doen alle kaarsen aan. C Ze zingen kerstliedjes bij de ingang van de school. De pandabeer is een ronde wollige beer, die eruit ziet als een knuffeldier. De zwarte vlekken op de kop zitten altijd op dezelfde plaats: rond de ogen, de oren en het puntje van de neus. De rest van het lijf is zwart, met uitzondering van een grote witte vlek in de vorm van een luier. De panda komt alleen nog voor in de bergwouden in het midden van China en wordt daar gemiddeld vijftien jaar oud. Een panda in een dierentuin kan wel eens zo oud worden! In het wild leven nog ongeveer duizend panda's. De panda eet alleen bamboe, maar niet alle soorten. Van de soorten die er zijn, eet hij er maar een paar en dan nog alleen de bladeren en de jonge takken. 78 Waarom ziet een panda eruit als een knuffeldier? A Omdat hij rond en wollig is. B Omdat hij zo zielig kijkt. C Omdat je veel knuffelpanda's in de winkels ziet. 79 Wat voor kleur heeft het lijf van de panda? A Zwart met een grote witte vlek. B Wit met een grote zwarte vlek. C Dat is niet altijd hetzelfde. 80 Hoe oud wordt een panda in de dierentuin? A Gemiddeld dertig jaar. B Gemiddeld vijftien jaar. C Gemiddeld vijfenveertig jaar. 81 Wat eet een panda? A De bladeren en jonge takken van alle soorten bamboe. B Bladeren en jonge takken. C De bladeren en jonge takken van bepaalde soorten bamboe. 82 Hoeveel panda's wonen er in China? A Miljoenen. B Ongeveer duizend. C Vijftien. De vader van Erik moest extra vroeg naar zijn werk en reed over de bosweg waar hij anders altijd 's ochtends in de file stond. Het was nog zo vroeg, dat er niemand voor of achter hem reed. Ineens zag hij een grote vlek voorbij flitsen en hoorde een klap. Hij stopte en zag toen dat hij een aanrijding had gehad met een hert! Er stonden wel waarschuwingsborden langs de weg, maar in al die jaren had hij hier nog nooit een hert gezien. Het dier lag bang en gewond in de berm. Eriks vader belde de politie en die stuurde de dierenambulance. De dierenarts verdoofde het hert en nam het mee naar een dierenpark, waar het rustig beter kon worden. 83 Waarom reed Eriks vader over de bosweg? A Hij moest voor zijn werk ergens naartoe. B Hij reed altijd over die weg naar zijn werk. C Hij hoopte dat hij zo niet in de file terecht zou komen. 84 Waarom was het zo rustig op de weg? A Omdat het nog erg vroeg was. B Omdat het een bosweg was. C Omdat er waarschuwingsborden langs de weg stonden. 85 Wat was de grote vlek, die Eriks vader ineens zag? A Hij schrok zo erg, dat hij een blinde vlek zag. B Hij werd geflitst omdat hij te hard reed. C Het hert, dat tegen zijn auto sprong. 86 Wat voor waarschuwingsborden stonden er langs de weg? A Pas op voor overstekende herten. B Pas op, je rijdt op een bosweg. C Pas op, hier controleren we op snelheid. 87 Wie stuurde de dierenambulance? A Eriks vader. B De politie. C Het dierenpark. De buren van Birgit krijgen binnenkort een baby. Ze hebben al twee jongetjes en Birgit hoopt erg dat deze baby een meisje zal zijn. Het lijkt haar erg leuk een buurmeisje te hebben met wie ze kan spelen met haar eigen oude speelgoed. Ze hoopt dat ze, als ze veertien of vijftien is, vaak bij de buren mag babysitten. Ze vindt het leuk dat zij dan de oudste is. De kleintjes moeten dan naar haar luisteren. Als de baby weer een jongetje is vindt ze het ook goed. Ze gaat zeker weer kijken als de baby in bad gedaan wordt. Misschien mag ze dit keer wel helpen, want ze is alweer twee jaar ouder dan toen de vorige baby geboren werd. 88 Hoeveel broertjes heeft Birgit? A Twee. B Dat weten we niet. C Geen. 89 Waarom hoopt Birgit dat de baby een meisje zal zijn? A Dan kan ze extra vaak babysitten. B Dan kan ze met de baby met haar eigen oude speelgoed kan spelen. C Dan kan zij de baas spelen. 90 Waarom wil ze later graag babysitten? A Omdat ze graag de kinderen in bad doet. B Omdat ze dan met de buurkinderen met haar eigen oude speelgoed spelen. C Omdat ze het leuk vindt dat zij dan de oudste is. 91 Waarom wil ze kijken als de baby in bad gedaan wordt? A Omdat ze dan kan zien of het een jongetje of een meisje is. B Omdat ze dat al eerder gedaan heeft. C Omdat ze hoopt dat ze mag helpen. 92 Waarom denkt ze dat ze vast wel mag helpen met het in bad doen van de baby? A Omdat ze later ook mag babysitten. B Omdat ze twee jaar ouder is dan toen de vorige baby werd geboren. C Omdat de kinderen naar haar moeten luisteren. Sommige woorden zijn heel gek. Neem nou bijvoorbeeld het woord 'bierworstje'. Dan denk je aan bier en bier is alleen voor grote mensen. Toch mogen kinderen bierworstjes eten. Er zijn zelfs kinderen die een bierworstje meenemen naar school als tussendoortje, dus er zal wel geen druppeltje bier inzitten. Een ander heel raar woord is het woord 'volledig'. Dat betekent zoiets als helemaal, compleet. Maar als je het woord in twee‰n hakt, dan lijkt het wel of je teveel bierworstjes hebt gegeten! De ene helft van het woord is 'vol' en de andere helft van het woord is 'ledig'. En 'ledig' betekent leeg. Dus volledig is eigenlijk vol-leeg. Wat is nou vol-leeg? Is iets nou vol of is het nou leeg? Snap jij het nog? 93 Waarom is 'bierworstje' een gek woord? A Omdat je denkt dat het een worstje is, maar blijkbaar is dat niet zo. B Omdat je denkt dat er bier in zit, maar blijkbaar is dat niet zo. C Omdat je een worstje niet kunt drinken en bier wel. 94 Waarom mogen kinderen wel bierworstjes eten? A Omdat er wel bier in zit, maar heel erg weinig. B Omdat er speciaal bier in zit, waar je niet dronken van wordt. C Omdat het een gewoon worstje is met een gekke naam. 95 Wat betekent: volledig uitgeput? A Helemaal niet uitgeput. B Helemaal uitgeput. C Wel en niet uitgeput tegelijk. 96 Waarom lijkt het of je teveel bierworstjes hebt gegeten als je het woord 'volledig' in twee stukken hakt? A Omdat je van teveel eten misselijk wordt. B Dat is een grapje, want van bierworstjes kun je niet dronken worden. C Omdat je van bierworstjes dronken kunt worden en dan rare dingen gaat zeggen. Mirjam is jarig op Sint Maarten. Vroeger vond ze dat leuk, al die lampions en zingende kinderen op haar verjaardag. Maar nu wordt ze al elf en vindt ze dat kinderachtig worden. Ze wil dit jaar graag een feestje geven, maar wel pas als het donker is. Ze wil namelijk een... griezelfeest! Ze versiert de kamer met namaakspinnenweb. Haar moeder snijdt gezichtjes uit uitgeholde pompoenen en zet er kaarsjes in. Ze schminkt haar gezicht wit met een straaltje namaakbloed uit de mondhoek. Als de feestgasten geschminkt worden, willen ze allemaal hetzelfde als Mirjam. Dat vindt ze niet leuk. Dat vindt ze na-apen. Maar als ze gaan dansen is de boosheid zo vergeten. 97 Wat vindt Mirjam van het Sint Maartenfeest? A Ze vindt het leuk, al die lampions en zingende kinderen. B Ze vindt het leuk, omdat ze dan jarig is. C Ze vindt Sint Maarten kinderachtig. 98 Waarom wil Mirjam een feest geven als het donker is? A Ze geeft een griezelfeest en in het donker lijkt alles extra griezelig. B Dan kun je de lampions van de zingende kinderen beter zien. C Omdat ze al elf wordt en geen feestje overdag meer wil. 99 Waarom wil Mirjam niet dat de gasten precies zoals zij geschminkt worden? A Ze wil de enige zijn die er zo uitziet. B Ze wil dat iedereen haar na-aapt. C Ze wil niet dat er geschminkt wordt. 100 Blijft Mirjam de rest van het feest boos? A Ja, zelfs het dansen helpt niet. B Nee, van het dansen wordt ze weer vrolijk. C Ja, alleen vergeet ze het.
  3. 3. Het is herfstvakantie en je moet met je ouders mee naar een museum. Je hebt van de kinderen in je klas gehoord dat een museum heel erg saai is. Als je eenmaal in het museum bent aangekomen valt het je honderd procent mee. Het is helemaal geen saai museum. Het is het omroepmuseum waar allerlei televisiecamera's staan en waar de decors van allerlei series te zien zijn. De dag vliegt voorbij en je zegt tegen je ouders dat je wel vaker naar een museum toe wilt en dat je een museum eigenlijk best leuk vindt. 1 Met wie ga je naar het museum? A Met klasgenoten. B Met je ouders. C Met je oma. 2 Van wie heb je gehoord dat een museum saai is? A Van klasgenoten. B Van je oma. C Van je ouders. 3 Hoe vind je het museum als je er zelf bent? A Het valt je heel erg mee. B Het is nog erger dan je dacht. C Je vindt er niets aan. 4 Wat voor soort museum is het? A Een spoorwegmuseum. B Een openluchtmuseum. C Een omroepmuseum. 5 Wat zeg je tegen je ouders over de dag? A Dat het je tegenviel. B Dat het je best meeviel maar dat je nooit meer naar een museum wil. C Dat je het best leuk vond en dat je nog wel vaker een museum wilt. Woensdag heb je voor het eerst een spreekbeurt. Je hebt je onderwerp redelijk goed voorbereid, maar toch ben je heel erg zenuwachtig. Je bent bang dat je rood wordt, dat je alles vergeet wat je moet zeggen of dat je gaat stotteren. Je hebt de kernpunten op een briefje geschreven en een paar keer voor de spiegel geoefend. Tijdens de les moest je als tweede een spreekbeurt houden en de zenuwen gierden door je keel. Toen je voorin moest komen en begon met te vertellen viel het eigenlijk best mee. Je keek door de klas en iedereen had interesse in je onderwerp. Toen de leerlingen vragen gingen stellen, kon je ze allemaal beantwoorden en je vond het leuk om over je onderwerp te vertellen. Je kreeg zelfs een acht voor je spreekbeurt. 6 Wanneer heb je voor het eerst een spreekbeurt? A Maandag. B Donderdag. C Woensdag. 7 Waarom ben je zenuwachtig voor je spreekbeurt? A Je bent bang dat je uitgelachen wordt. B Je bent bang dat je gaat stotteren. C Je bent bang dat je rood wordt, gaat stotteren en dat je vergeet wat je moet zeggen. 8 Hoe heb je de spreekbeurt voorbereid? A Je hebt de kernpunten op papier gezet en een paar keer geoefend. B Je hebt veel boeken doorgelezen. C Je hebt de spreekbeurt voor je ouders gehouden. 9 Wat gebeurde er toen je voor de klas moest komen? A Je kon je niets meer herinneren. B Het viel best mee en je deed het goed. C Je ging stotteren. 10 Wat deden de leerlingen aan het eind van de spreekbeurt? A Ze stelden vragen over het onderwerp. B Ze zeiden niets. C Ze zaten een beetje te lachen. Victor mocht voor zijn verjaardag zelf uitkiezen wat hij van zijn ouders wilde hebben. Hij koos een elektrische gitaar. Vaak keek hij naar clips van zijn idolen en hij droomde ervan eens ook op een podium te staan. Les wilde Victor niet, omdat hij er niet veel voor voelde moeilijke toonladders te leren. Na een paar jaar had hij zichzelf al aardig leren spelen en met een aantal vriendjes begon hij een bandje. Ze maakten leuke muziek en mochten voor het eerst tijdens een schoolfeest optreden. 11 Wat wilde Victor voor zijn verjaardag hebben? A Een televisie. B Een elektrische gitaar. C Gitaarles. 12 Waar droomde Victor van? A Hij droomde van een eigen band. B Hij droomde ervan om op een podium te staan. C Hij droomde van gitaarles. 13 Waarom wilde Victor geen les nemen? A Hij vond dat hij goed kon spelen. B Hij was bang dat hij de theorie niet kon onthouden. C Hij had geen zin om moeilijke toonladders te leren. 14 Wat deed hij toen hij na een paar jaar aardig kon spelen? A Hij ging optreden. B Hij begon met een paar vriendjes een bandje. C Hij ging alsnog op gitaarles. 15 Waar ging Victor voor het eerst optreden? A In een bar. B Op een schoolfeest. C Op het feest dat zijn ouders gaven. De ouders van Harry hebben een poes thuis, die heet Bertje. Elke middag als Harry uit school komt, gaat hij met Bertje voor televisie zitten en eten ze samen chips. Harry knuffelt de poes die dan heel hard gaat spinnen. Als Harry zijn huiswerk gaat maken, gaat de poes mee naar boven en komt bij hem op zijn bureau zitten. 's Avonds als Harry naar bed gaat, komt Bertje bij hem liggen en vallen ze samen in slaap. Ook als er vriendjes op bezoek komen is Bertje er altijd bij en ze gaat dan in de jassen liggen slapen. Harry en Bertje zijn dikke vrienden en Harry is heel erg blij met zijn poes. 16 Hoe heet de poes van Harry? A Mieke. B Nootje. C Bertje. 17 Wat eet Harry samen met de poes? A Chips. B Chocola. C Meloen. 18 Wat doet de poes als Harry huiswerk maakt? A Ze blijft beneden. B Zij zit naast hem op zijn bureau. C Ze gaat op zijn bed slapen. 19 Wat doet de poes als er vriendjes langskomen? A Ze loopt weg. B Ze gaat met de vriendjes spelen. C Ze gaat in de jassen slapen. 20 Wat vindt Harry van de poes? A Harry vindt Bertje een beetje lastig. B Harry vindt Bertje wel lief. C Harry is dol op Bertje. Heleen gaat samen met haar zus naar een verjaardagsfeestje van haar buurmeisje. Het is lekker dichtbij en ze mag wat langer blijven omdat haar ouders niet zo snel bezorgd om zijn. Het is een heel leuk feest, er komen veel jongens en meisjes. Er wordt eerst wat gekletst en daarna wordt gedanst. Als het feest is afgelopen, blijven Heleen en haar zusje nog even om te helpen met opruimen. Dan gaan ze naar huis en praten nog wat na over het feest en over wie er allemaal waren. Na een gezellige avond vallen ze in slaap. 21 Met wie gaat Heleen naar het verjaardagsfeestje? A Met haar zus. B Met haar ouders. C Met het buurmeisje. 22 Wie is er jarig? A Haar zus. B Een vriendin van school. C Het buurmeisje. 23 Is het druk op het feestje? A Het is erg druk op het feestje. B Heleen en haar zus zijn de enigen op het feestje. C Er is alleen wat familie gekomen. 24 Wat doen Heleen en haar zus als het feestje is afgelopen? A Ze gaan nog even doorfeesten. B Ze helpen mee met opruimen. C Ze gaan meteen naar huis. 25 Wat doen Heleen en haar zus als ze thuis zijn? A Ze vallen direct in slaap. B Ze praten nog wat na. C Ze krijgen ruzie. Gerard luistert graag naar de radio. Hij vindt dat heel leuk. Als hij uit school thuiskomt en zijn ouders zijn er niet, dan zet hij de radio aan. Zo heeft hij niet het gevoel dat hij alleen is, omdat hij geluid op de achtergrond heeft. Hij kan gewoon zijn huiswerk maken, want de radio leidt hem niet af. Bovendien hoort hij op de radio allerlei muziek die hij leuk vindt en hij hoort wat de nieuwste hits zijn. Als zijn ouders thuiskomen, zet hij de radio uit en gaat hij even met zijn ouders praten. 26 Waarom luistert Gerard graag naar de radio? A Omdat zijn ouders het ook doen. B Hij vindt het leuk. C Omdat hij niets te doen heeft. 27 Wanneer zet Gerard de radio aan? A Als hij uit school komt en zijn ouders zijn er niet. B Hij zet altijd de radio aan. C Als hij van voetbal komt zet hij de radio aan. 28 Wat doet Gerard als hij naar de radio luistert? A Hij doet niets. B Hij gaat tekenen. C Hij maakt zijn huiswerk. 29 Wat hoort Gerard op de radio? A Hij hoort muziek. B Hij hoort het nieuws. C Hij hoort leuke muziek en de nieuwe hits. 30 Wat doet Gerard als zijn ouders thuiskomen? A Hij laat de radio aanstaan en gaat even met zijn ouders praten. B Hij zet de radio zachter. C Hij zet de radio uit en gaat met zijn ouders praten. Erik mocht van zijn ouders kiezen welk muziekinstrument hij wilde bespelen. Na lang twijfelen tussen drums en gitaar, koos hij voor de gitaar. Hij kreeg van zijn ouders een gitaar. Hij moest elke woensdagmiddag naar de muziekschool om lessen te volgen. Na een half jaar kon hij al aardig spelen. In het begin vond hij het wel vervelend om elke woensdagmiddag naar de muziekschool te gaan, maar toen hij steeds beter ging spelen, wilde hij graag meer leren. Aan het eind van het jaar mocht hij met een aantal medeleerlingen optreden op de open dag van de muziekschool. Zijn ouders en al zijn vrienden waren bij het optreden. Hij was wel erg nerveus maar het optreden ging heel erg goed en iedereen was heel erg trots op hem. 31 Voor welk muziekinstrument koos Erik? A Gitaar. B Drums. C Piano. 32 Waarom ging Erik elke woensdagmiddag naar de muziekschool? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen omdat hij thuis geen gitaar had. C Om lessen te volgen. 33 Wat vond Erik eerst vervelend? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen. C Om elke woensdagmiddag naar les te gaan. 34 Waarom wilde hij graag meer leren? A Omdat hij moest optreden. B Omdat hij nog niets had geleerd. C Omdat hij merkte dat de lessen resultaat hadden. 35 Waar mocht Erik optreden? A Op een schoolfeest. B Op de open dag van de muziekschool. C Op een buurtfeest. Als je in een Italiaans kookboek kijkt, staan daar veel recepten voor spaghetti in. Ook staat erin dat spaghetti een Italiaans gerecht is. Maar er staat niet in hoe de spaghetti naar Nederland is gekomen. Veel mensen denken dat de spaghetti in de jaren zestig door de Italiaanse immigranten mee naar Nederland is gekomen, maar dat is niet waar. Er werd al eerder spaghetti in Nederland gegeten en al voor de Tweede Wereldoorlog stond er een fabriek in Nederland die spaghetti maakte. Waarschijnlijk hebben mensen die naar Italië op vakantie gingen, de spaghetti mee naar Nederland genomen. 36 Waar staan veel recepten voor spaghetti in? A In een Italiaans boek. B In een kookboek. C In een Italiaans kookboek. 37 Wat denken veel mensen over de Italiaanse immigranten? A Dat zij de spaghetti mee naar Nederland hebben genomen. B Dat zij goede spaghetti kunnen maken. C Dat zij veel spaghetti eten. 38 Wanneer stond er een spaghettifabriek in Nederland? A In de jaren zestig. B Al voor de Tweede Wereldoorlog. C In de vorige eeuw. 39 Wie hebben de spaghetti mee naar Nederland genomen? A Italiaanse immigranten. B De mensen die voor de fabriek werken. C Mensen die naar Italië op vakantie zijn geweest. Heleen en André hebben de allerliefste opa en oma van de hele wereld. Elke zaterdag komen ze langs. Als het mooi weer is, gaan Heleen en André mee in de auto. Ze gaan naar het park om een stuk te wandelen. Daarna gaan ze in een restaurant lunchen en Heleen en André krijgen dan een Pipopannenkoek, waar altijd een verrassing in zit. Als het slecht weer is, hebben opa en oma taartjes bij zich. Dan eten ze samen een gebakje en ze drinken iets, opa, oma en hun moeder drinken koffie en Heleen en André drinken limonade. 40 Wanneer komen opa en oma langs? A Elke zaterdag. B Elke zondag. C Elke dag. 41 Wanneer gaan ze naar het park? A Als het sneeuwt. B Als het mooi weer is. C Als het regent. 42 Wat krijgen Heleen en André in het restaurant? A Een gebakje. B Een Pipopannenkoek. C Een verassing. 43 Wat drinken Heleen en André als ze thuisblijven? A Limonade. B Thee. C Koffie. Binnenkort is het Koninginnedag en Barend verheugt zich nu al op die dag. Het is overal druk en iedereen loopt met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. Barend gaat met zijn vader op de vrijmarkt kijken naar de mensen die van alles verkopen. Nadat ze een tijdje op de vrijmarkt hebben rondgekeken, gaan Barend en zijn vader iets drinken in een café. Barend bestelt een cola en zijn vader een koffie. Daarna gaan ze weer terug naar de vrijmarkt en eten ze een hamburger. Aan het eind van de middag gaan ze weer naar huis en gaan ze samen pannenkoeken bakken. 44 Waar verheugt Barend zich op? A Op de vrijmarkt. B Op Koninginnedag. C Op pannenkoeken. 45 Wat gebeurt er op de vrijmarkt? A Daar worden pannenkoeken gebakken. B Daar gaan Barend en zijn vader iets drinken. C Daar staan een heleboel mensen die van alles verkopen. 46 Waar loopt iedereen mee? A Met koffie. B Met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. C Met hamburgers. 47 Wat drinkt de vader van Barend in het café? A Een cola. B Een koffie. C Een alcoholvrij biertje. 48 Wat eten Barend en zijn vader op de vrijmarkt? A Een hamburger. B Pannenkoeken. C Een ijsje. Zaterdag is het moederdag en Anita heeft een plan bedacht om haar moeder te verwennen. Ze is gisteren met een vriendin naar de stad geweest om een mooi cadeau voor haar moeder te kopen. Ze heeft de slingers van zolder gehaald en ze is bezig een mooie tekening te maken met een gedicht erbij. Als het zaterdag is, staat Anita vroeg op om haar moeder ontbijt op bed te brengen. Ze versiert het dienblad en zet het ontbijt op het blad. Ze pakt het cadeau en de tekening en ze neemt alles mee naar boven. Haar moeder is blij en verrast als ze ziet wat Anita heeft gedaan. 49 Waar heeft ze het cadeau voor haar moeder gekocht? A Op de markt. B In het dorp. C In de stad. 50 Wat haalt Anita van zolder? A Slingers. B Feestmutsen. C Ballonnen. 51 Wat is Anita voor haar moeder aan het maken? A Een gedicht. B Een tekening met een gedicht. C Een tekening. 52 Hoe reageert de moeder van Anita? A Ze is geschrokken. B Ze is verbaasd. C Ze is blij en verrast. Marie gaat met haar moeder naar de bibliotheek. Haar moeder moet een boek hebben voor haar werk en Marie mag op de kinderboekenafdeling rondkijken. Marie ziet een heel spannend boek en ze pakt het uit de kast. Ze zoekt een rustig plaatsje op om te zitten en ze begint in het boek te lezen. Haar moeder heeft het boek gevonden dat ze nodig heeft en loopt naar de kinderafdeling om Marie te halen, maar ze kan haar niet meer vinden. Haar moeder besluit Marie te laten omroepen. Terwijl Marie rustig zit te lezen, hoort ze opeens een mannenstem haar naam omroepen. Ze moet naar de balie komen. Ze schrikt en rent snel naar de balie toe, daar staat haar moeder. Marie vertelt dat ze een mooi boek aan het lezen was en ze mag het van haar moeder mee naar huis nemen. 53 Waarom gaan Marie en haar moeder naar de bibliotheek? A Haar moeder moet een boek voor haar werk hebben. B Haar moeder moet een aantal boeken terugbrengen. C Marie mag een mooi boek uitzoeken. 54 Waar gaat Marie rondkijken? A Bij de computer. B Bij de stripboeken. C Op de kinderboekenafdeling. 55 Wat doet Marie als ze een mooi boek heeft gevonden? A Ze gaat naar haar moeder en vraagt of ze het mag lenen. B Ze stopt het in haar tas om het mee naar huis te nemen. C Ze pakt het boek en begint erin te lezen. 56 Waarom laat de moeder van Marie haar omroepen? A Omdat ze Marie niet kan vinden. B Omdat ze geen zin heeft Marie te zoeken. C Omdat ze dat met Marie heeft afgesproken. 57 Hoe reageert de moeder van Marie als Marie vertelt waar ze was? A Ze is boos, maar Marie mag het boek wel mee naar huis nemen. B Ze is boos en voor straf moet Marie het boek terugzetten. C Ze zegt dat Marie het boek mee naar huis mag nemen. Heleen houdt erg veel van dieren en daarom heeft ze van haar opa en oma voor haar verjaardag een groot dierenboek gekregen. In dit boek staan een heleboel leuke wetenswaardigheden over dieren. Zo heeft ze bijvoorbeeld gelezen dat de Afrikaanse olifant de langste neus op aarde heeft. Ook heeft ze gelezen dat de reuzeninktvis het grootste oog heeft en de spitsmuis het kleinste oog. Ze leest met veel plezier in haar nieuwe boek en geniet van de mooie tekeningen. Aan het eind van de week belt ze haar opa en oma op om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze allemaal heeft gelezen. 58 Wat krijgt Heleen voor haar verjaardag van haar opa en oma? A Een groot dierenboek. B Een boekenbon. C Een video over dieren. 59 Welk dier heeft de langste neus? A De Afrikaanse olifant. B De olifant. C De spitsmuis. 60 Welk dier heeft de grootste ogen? A De Afrikaanse olifant. B De inktvis. C De reuzeninktvis. 61 Wat vindt Heleen van het boek? A Ze geniet van de plaatjes maar vindt de tekst te moeilijk. B Ze leest er met veel plezier in en geniet van de plaatjes. C Ze leest er met veel plezier in, maar vindt de plaatjes minder leuk. 62 Waarom belt Heleen aan het eind van de week haar opa en oma op? A Om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze heeft gelezen. B Om bij te kletsen. C Om te vertellen wat ze heeft gelezen. Brian gaat met zijn zusje en zijn ouders uit eten. Ze hebben iets te vieren, want Brians ouders vieren hun koperen bruiloft. Dat betekent dat ze twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. Ze gaan naar een Italiaans restaurant waar Italiaanse muziek klinkt, Italiaanse eten geserveerd wordt en de muren beschilderd zijn met Italiaanse taferelen. Brians zusje vindt het eten te lang duren en gaat van tafel. Ze kijkt bij de tafels van andere mensen en van de ober mag ze zelfs even in de keuken. Brian mag ook, maar hij gaat niet. In de keuken kijken is iets voor kleine kinderen, vindt hij. 63 Waarom gaat Brian uit eten? A Omdat zijn zus getrouwd is. B Omdat er een nieuw Italiaans restaurant geopend is. C Omdat zijn ouders twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. 64 Met wie gaat Brian uit eten? A Met zijn ouders en hun Italiaanse vrienden. B Met zijn zusje. C Met zijn vader, zijn moeder en zijn zusje. 65 Hoe kun je zien dat het restaurant een Italiaans restaurant is? A Aan de cd-speler. B Aan de mensen die er werken. C Aan de muurschilderingen. 66 Waarom gaat Brians zusje van tafel? A Het eten duurt voor haar te lang. B Ze heeft aan een andere tafel iemand gezien die ze kent. C Ze moet naar de wc. 67 Waarom gaat Brian niet in de keuken kijken? A Hij denkt dat alle mensen dan naar hem kijken. B Hij vindt dat hij daar te groot voor is. C De ober wil niet dat hij ook in de keuken komt. Jasmijn en Ilona hebben plannen gemaakt om wat geld te verdienen, want ze willen een nagelstudio kopen. Op de computer printen ze tekeningen uit in zwartwit. Dan bellen ze overal aan en vragen ze of de mensen die kleurplaten van ze willen kopen. Omdat ze niet zoveel verkopen bedenken ze iets anders: heitje voor een karweitje. Opnieuw bellen ze overal aan en vragen ze of ze voor een gulden een klusje mogen doen. Bij de een vegen ze de stoep, bij de ander halen ze de vuilnisbak binnen. Ze doen een afwas en maaien gras. Ze werken hard, maar ondertussen hebben ze samen veel plezier. 68 Waarom willen Jasmijn en Ilona geld verdienen? A Om een nagelstudio te kopen. B Omdat ze een nieuwe computer willen. C Omdat ze kleurplaten willen kopen. 69 Waarom printen Jasmijn en Ilona tekeningen uit? A Ze hebben geen zin meer om met de nagelstudio te spelen die ze net gekocht hebben. B Ze verdienen wat geld door achter de computer te werken. C Ze willen ze verkopen om geld te verdienen voor een nagelstudio. 70 Lukt het om de kleurplaten te verkopen? A Ja, maar niet zo heel erg goed. B Nee, helemaal niet. C Ja, maar ze zijn te goedkoop. 71 Wat is heitje voor een karweitje? A Je belt ergens aan en vraagt of de mensen een heitje voor je hebben. B Je doet een klusje en krijgt daar iets voor betaald. C Je geeft een euro om iemand te helpen. 72 Hoe vinden Jasmijn en Ilona het om heitje voor een karweitje te doen? A Leuk, ze hebben veel plezier. B Vervelend, want ze moeten allerlei vervelende klusjes doen. C Niet zo leuk, want ze moeten erg hard werken. Op de school van Tom en Wiebe doen ze elk jaar veel aan kerst. Alle gangen worden door een groep ouders versierd en in elke groep staat een kerstboom. Twee weken voor kerst werken alle groepen aan het maken van mooie dingen, die met kerst te maken hebben. Kandelaars, kerstboomversieringen, sterren voor op de ramen, ga zo maar door. De volgende week is er dan na schooltijd een kerstmarkt, waar de gemaakte spullen verkocht worden. De opbrengst gaat naar een goed doel. En de dag na de kerstmarkt is helemaal leuk, dan is 's avonds het kerstdiner. Naast de voordeur staan alle juffen en meesters samen vrolijke kerstliedjes te zingen. Alle kinderen hebben hun mooiste kleren aan en de school is alleen maar verlicht met kerstboomlichtjes en kaarsen. 73 Door wie wordt de school van Tom en Wiebe versierd voor kerst? A Door alle juffen en meesters samen. B Door een groep ouders. C Door de groep van Tom en Wiebe. 74 Waarom maken de kinderen allerlei kerstspullen? A Om extra mooi mee voor de dag te komen op het kerstdiner. B Om de school mee te versieren. C Om te verkopen op de kerstmarkt. 75 Wat maken de kinderen op de school van Tom en Wiebe voor de kerstmarkt? A Een kerstdiner. B Allerlei spullen in kerstsfeer. C Kandelaars en bloemstukjes. 76 Wat gebeurt met het geld dat wordt verdiend op de kerstmarkt? A Dat wordt geschonken aan een goed doel. B Dat wordt gebruikt voor het kerstdiner. C Dat mogen de kinderen zelf houden. 77 Wat doen de juffen en meesters met het kerstdiner? A Ze hebben mooiste kleren aangetrokken. B Ze doen alle kaarsen aan. C Ze zingen kerstliedjes bij de ingang van de school. De pandabeer is een ronde wollige beer, die eruit ziet als een knuffeldier. De zwarte vlekken op de kop zitten altijd op dezelfde plaats: rond de ogen, de oren en het puntje van de neus. De rest van het lijf is zwart, met uitzondering van een grote witte vlek in de vorm van een luier. De panda komt alleen nog voor in de bergwouden in het midden van China en wordt daar gemiddeld vijftien jaar oud. Een panda in een dierentuin kan wel eens zo oud worden! In het wild leven nog ongeveer duizend panda's. De panda eet alleen bamboe, maar niet alle soorten. Van de soorten die er zijn, eet hij er maar een paar en dan nog alleen de bladeren en de jonge takken. 78 Waarom ziet een panda eruit als een knuffeldier? A Omdat hij rond en wollig is. B Omdat hij zo zielig kijkt. C Omdat je veel knuffelpanda's in de winkels ziet. 79 Wat voor kleur heeft het lijf van de panda? A Zwart met een grote witte vlek. B Wit met een grote zwarte vlek. C Dat is niet altijd hetzelfde. 80 Hoe oud wordt een panda in de dierentuin? A Gemiddeld dertig jaar. B Gemiddeld vijftien jaar. C Gemiddeld vijfenveertig jaar. 81 Wat eet een panda? A De bladeren en jonge takken van alle soorten bamboe. B Bladeren en jonge takken. C De bladeren en jonge takken van bepaalde soorten bamboe. 82 Hoeveel panda's wonen er in China? A Miljoenen. B Ongeveer duizend. C Vijftien. De vader van Erik moest extra vroeg naar zijn werk en reed over de bosweg waar hij anders altijd 's ochtends in de file stond. Het was nog zo vroeg, dat er niemand voor of achter hem reed. Ineens zag hij een grote vlek voorbij flitsen en hoorde een klap. Hij stopte en zag toen dat hij een aanrijding had gehad met een hert! Er stonden wel waarschuwingsborden langs de weg, maar in al die jaren had hij hier nog nooit een hert gezien. Het dier lag bang en gewond in de berm. Eriks vader belde de politie en die stuurde de dierenambulance. De dierenarts verdoofde het hert en nam het mee naar een dierenpark, waar het rustig beter kon worden. 83 Waarom reed Eriks vader over de bosweg? A Hij moest voor zijn werk ergens naartoe. B Hij reed altijd over die weg naar zijn werk. C Hij hoopte dat hij zo niet in de file terecht zou komen. 84 Waarom was het zo rustig op de weg? A Omdat het nog erg vroeg was. B Omdat het een bosweg was. C Omdat er waarschuwingsborden langs de weg stonden. 85 Wat was de grote vlek, die Eriks vader ineens zag? A Hij schrok zo erg, dat hij een blinde vlek zag. B Hij werd geflitst omdat hij te hard reed. C Het hert, dat tegen zijn auto sprong. 86 Wat voor waarschuwingsborden stonden er langs de weg? A Pas op voor overstekende herten. B Pas op, je rijdt op een bosweg. C Pas op, hier controleren we op snelheid. 87 Wie stuurde de dierenambulance? A Eriks vader. B De politie. C Het dierenpark. De buren van Birgit krijgen binnenkort een baby. Ze hebben al twee jongetjes en Birgit hoopt erg dat deze baby een meisje zal zijn. Het lijkt haar erg leuk een buurmeisje te hebben met wie ze kan spelen met haar eigen oude speelgoed. Ze hoopt dat ze, als ze veertien of vijftien is, vaak bij de buren mag babysitten. Ze vindt het leuk dat zij dan de oudste is. De kleintjes moeten dan naar haar luisteren. Als de baby weer een jongetje is vindt ze het ook goed. Ze gaat zeker weer kijken als de baby in bad gedaan wordt. Misschien mag ze dit keer wel helpen, want ze is alweer twee jaar ouder dan toen de vorige baby geboren werd. 88 Hoeveel broertjes heeft Birgit? A Twee. B Dat weten we niet. C Geen. 89 Waarom hoopt Birgit dat de baby een meisje zal zijn? A Dan kan ze extra vaak babysitten. B Dan kan ze met de baby met haar eigen oude speelgoed kan spelen. C Dan kan zij de baas spelen. 90 Waarom wil ze later graag babysitten? A Omdat ze graag de kinderen in bad doet. B Omdat ze dan met de buurkinderen met haar eigen oude speelgoed spelen. C Omdat ze het leuk vindt dat zij dan de oudste is. 91 Waarom wil ze kijken als de baby in bad gedaan wordt? A Omdat ze dan kan zien of het een jongetje of een meisje is. B Omdat ze dat al eerder gedaan heeft. C Omdat ze hoopt dat ze mag helpen. 92 Waarom denkt ze dat ze vast wel mag helpen met het in bad doen van de baby? A Omdat ze later ook mag babysitten. B Omdat ze twee jaar ouder is dan toen de vorige baby werd geboren. C Omdat de kinderen naar haar moeten luisteren. Sommige woorden zijn heel gek. Neem nou bijvoorbeeld het woord 'bierworstje'. Dan denk je aan bier en bier is alleen voor grote mensen. Toch mogen kinderen bierworstjes eten. Er zijn zelfs kinderen die een bierworstje meenemen naar school als tussendoortje, dus er zal wel geen druppeltje bier inzitten. Een ander heel raar woord is het woord 'volledig'. Dat betekent zoiets als helemaal, compleet. Maar als je het woord in twee‰n hakt, dan lijkt het wel of je teveel bierworstjes hebt gegeten! De ene helft van het woord is 'vol' en de andere helft van het woord is 'ledig'. En 'ledig' betekent leeg. Dus volledig is eigenlijk vol-leeg. Wat is nou vol-leeg? Is iets nou vol of is het nou leeg? Snap jij het nog? 93 Waarom is 'bierworstje' een gek woord? A Omdat je denkt dat het een worstje is, maar blijkbaar is dat niet zo. B Omdat je denkt dat er bier in zit, maar blijkbaar is dat niet zo. C Omdat je een worstje niet kunt drinken en bier wel. 94 Waarom mogen kinderen wel bierworstjes eten? A Omdat er wel bier in zit, maar heel erg weinig. B Omdat er speciaal bier in zit, waar je niet dronken van wordt. C Omdat het een gewoon worstje is met een gekke naam. 95 Wat betekent: volledig uitgeput? A Helemaal niet uitgeput. B Helemaal uitgeput. C Wel en niet uitgeput tegelijk. 96 Waarom lijkt het of je teveel bierworstjes hebt gegeten als je het woord 'volledig' in twee stukken hakt? A Omdat je van teveel eten misselijk wordt. B Dat is een grapje, want van bierworstjes kun je niet dronken worden. C Omdat je van bierworstjes dronken kunt worden en dan rare dingen gaat zeggen. Mirjam is jarig op Sint Maarten. Vroeger vond ze dat leuk, al die lampions en zingende kinderen op haar verjaardag. Maar nu wordt ze al elf en vindt ze dat kinderachtig worden. Ze wil dit jaar graag een feestje geven, maar wel pas als het donker is. Ze wil namelijk een... griezelfeest! Ze versiert de kamer met namaakspinnenweb. Haar moeder snijdt gezichtjes uit uitgeholde pompoenen en zet er kaarsjes in. Ze schminkt haar gezicht wit met een straaltje namaakbloed uit de mondhoek. Als de feestgasten geschminkt worden, willen ze allemaal hetzelfde als Mirjam. Dat vindt ze niet leuk. Dat vindt ze na-apen. Maar als ze gaan dansen is de boosheid zo vergeten. 97 Wat vindt Mirjam van het Sint Maartenfeest? A Ze vindt het leuk, al die lampions en zingende kinderen. B Ze vindt het leuk, omdat ze dan jarig is. C Ze vindt Sint Maarten kinderachtig. 98 Waarom wil Mirjam een feest geven als het donker is? A Ze geeft een griezelfeest en in het donker lijkt alles extra griezelig. B Dan kun je de lampions van de zingende kinderen beter zien. C Omdat ze al elf wordt en geen feestje overdag meer wil. 99 Waarom wil Mirjam niet dat de gasten precies zoals zij geschminkt worden? A Ze wil de enige zijn die er zo uitziet. B Ze wil dat iedereen haar na-aapt. C Ze wil niet dat er geschminkt wordt. 100 Blijft Mirjam de rest van het feest boos? A Ja, zelfs het dansen helpt niet. B Nee, van het dansen wordt ze weer vrolijk. C Ja, alleen vergeet ze het.
  4. 4. Het is herfstvakantie en je moet met je ouders mee naar een museum. Je hebt van de kinderen in je klas gehoord dat een museum heel erg saai is. Als je eenmaal in het museum bent aangekomen valt het je honderd procent mee. Het is helemaal geen saai museum. Het is het omroepmuseum waar allerlei televisiecamera's staan en waar de decors van allerlei series te zien zijn. De dag vliegt voorbij en je zegt tegen je ouders dat je wel vaker naar een museum toe wilt en dat je een museum eigenlijk best leuk vindt. 1 Met wie ga je naar het museum? A Met klasgenoten. B Met je ouders. C Met je oma. 2 Van wie heb je gehoord dat een museum saai is? A Van klasgenoten. B Van je oma. C Van je ouders. 3 Hoe vind je het museum als je er zelf bent? A Het valt je heel erg mee. B Het is nog erger dan je dacht. C Je vindt er niets aan. 4 Wat voor soort museum is het? A Een spoorwegmuseum. B Een openluchtmuseum. C Een omroepmuseum. 5 Wat zeg je tegen je ouders over de dag? A Dat het je tegenviel. B Dat het je best meeviel maar dat je nooit meer naar een museum wil. C Dat je het best leuk vond en dat je nog wel vaker een museum wilt. Woensdag heb je voor het eerst een spreekbeurt. Je hebt je onderwerp redelijk goed voorbereid, maar toch ben je heel erg zenuwachtig. Je bent bang dat je rood wordt, dat je alles vergeet wat je moet zeggen of dat je gaat stotteren. Je hebt de kernpunten op een briefje geschreven en een paar keer voor de spiegel geoefend. Tijdens de les moest je als tweede een spreekbeurt houden en de zenuwen gierden door je keel. Toen je voorin moest komen en begon met te vertellen viel het eigenlijk best mee. Je keek door de klas en iedereen had interesse in je onderwerp. Toen de leerlingen vragen gingen stellen, kon je ze allemaal beantwoorden en je vond het leuk om over je onderwerp te vertellen. Je kreeg zelfs een acht voor je spreekbeurt. 6 Wanneer heb je voor het eerst een spreekbeurt? A Maandag. B Donderdag. C Woensdag. 7 Waarom ben je zenuwachtig voor je spreekbeurt? A Je bent bang dat je uitgelachen wordt. B Je bent bang dat je gaat stotteren. C Je bent bang dat je rood wordt, gaat stotteren en dat je vergeet wat je moet zeggen. 8 Hoe heb je de spreekbeurt voorbereid? A Je hebt de kernpunten op papier gezet en een paar keer geoefend. B Je hebt veel boeken doorgelezen. C Je hebt de spreekbeurt voor je ouders gehouden. 9 Wat gebeurde er toen je voor de klas moest komen? A Je kon je niets meer herinneren. B Het viel best mee en je deed het goed. C Je ging stotteren. 10 Wat deden de leerlingen aan het eind van de spreekbeurt? A Ze stelden vragen over het onderwerp. B Ze zeiden niets. C Ze zaten een beetje te lachen. Victor mocht voor zijn verjaardag zelf uitkiezen wat hij van zijn ouders wilde hebben. Hij koos een elektrische gitaar. Vaak keek hij naar clips van zijn idolen en hij droomde ervan eens ook op een podium te staan. Les wilde Victor niet, omdat hij er niet veel voor voelde moeilijke toonladders te leren. Na een paar jaar had hij zichzelf al aardig leren spelen en met een aantal vriendjes begon hij een bandje. Ze maakten leuke muziek en mochten voor het eerst tijdens een schoolfeest optreden. 11 Wat wilde Victor voor zijn verjaardag hebben? A Een televisie. B Een elektrische gitaar. C Gitaarles. 12 Waar droomde Victor van? A Hij droomde van een eigen band. B Hij droomde ervan om op een podium te staan. C Hij droomde van gitaarles. 13 Waarom wilde Victor geen les nemen? A Hij vond dat hij goed kon spelen. B Hij was bang dat hij de theorie niet kon onthouden. C Hij had geen zin om moeilijke toonladders te leren. 14 Wat deed hij toen hij na een paar jaar aardig kon spelen? A Hij ging optreden. B Hij begon met een paar vriendjes een bandje. C Hij ging alsnog op gitaarles. 15 Waar ging Victor voor het eerst optreden? A In een bar. B Op een schoolfeest. C Op het feest dat zijn ouders gaven. De ouders van Harry hebben een poes thuis, die heet Bertje. Elke middag als Harry uit school komt, gaat hij met Bertje voor televisie zitten en eten ze samen chips. Harry knuffelt de poes die dan heel hard gaat spinnen. Als Harry zijn huiswerk gaat maken, gaat de poes mee naar boven en komt bij hem op zijn bureau zitten. 's Avonds als Harry naar bed gaat, komt Bertje bij hem liggen en vallen ze samen in slaap. Ook als er vriendjes op bezoek komen is Bertje er altijd bij en ze gaat dan in de jassen liggen slapen. Harry en Bertje zijn dikke vrienden en Harry is heel erg blij met zijn poes. 16 Hoe heet de poes van Harry? A Mieke. B Nootje. C Bertje. 17 Wat eet Harry samen met de poes? A Chips. B Chocola. C Meloen. 18 Wat doet de poes als Harry huiswerk maakt? A Ze blijft beneden. B Zij zit naast hem op zijn bureau. C Ze gaat op zijn bed slapen. 19 Wat doet de poes als er vriendjes langskomen? A Ze loopt weg. B Ze gaat met de vriendjes spelen. C Ze gaat in de jassen slapen. 20 Wat vindt Harry van de poes? A Harry vindt Bertje een beetje lastig. B Harry vindt Bertje wel lief. C Harry is dol op Bertje. Heleen gaat samen met haar zus naar een verjaardagsfeestje van haar buurmeisje. Het is lekker dichtbij en ze mag wat langer blijven omdat haar ouders niet zo snel bezorgd om zijn. Het is een heel leuk feest, er komen veel jongens en meisjes. Er wordt eerst wat gekletst en daarna wordt gedanst. Als het feest is afgelopen, blijven Heleen en haar zusje nog even om te helpen met opruimen. Dan gaan ze naar huis en praten nog wat na over het feest en over wie er allemaal waren. Na een gezellige avond vallen ze in slaap. 21 Met wie gaat Heleen naar het verjaardagsfeestje? A Met haar zus. B Met haar ouders. C Met het buurmeisje. 22 Wie is er jarig? A Haar zus. B Een vriendin van school. C Het buurmeisje. 23 Is het druk op het feestje? A Het is erg druk op het feestje. B Heleen en haar zus zijn de enigen op het feestje. C Er is alleen wat familie gekomen. 24 Wat doen Heleen en haar zus als het feestje is afgelopen? A Ze gaan nog even doorfeesten. B Ze helpen mee met opruimen. C Ze gaan meteen naar huis. 25 Wat doen Heleen en haar zus als ze thuis zijn? A Ze vallen direct in slaap. B Ze praten nog wat na. C Ze krijgen ruzie. Gerard luistert graag naar de radio. Hij vindt dat heel leuk. Als hij uit school thuiskomt en zijn ouders zijn er niet, dan zet hij de radio aan. Zo heeft hij niet het gevoel dat hij alleen is, omdat hij geluid op de achtergrond heeft. Hij kan gewoon zijn huiswerk maken, want de radio leidt hem niet af. Bovendien hoort hij op de radio allerlei muziek die hij leuk vindt en hij hoort wat de nieuwste hits zijn. Als zijn ouders thuiskomen, zet hij de radio uit en gaat hij even met zijn ouders praten. 26 Waarom luistert Gerard graag naar de radio? A Omdat zijn ouders het ook doen. B Hij vindt het leuk. C Omdat hij niets te doen heeft. 27 Wanneer zet Gerard de radio aan? A Als hij uit school komt en zijn ouders zijn er niet. B Hij zet altijd de radio aan. C Als hij van voetbal komt zet hij de radio aan. 28 Wat doet Gerard als hij naar de radio luistert? A Hij doet niets. B Hij gaat tekenen. C Hij maakt zijn huiswerk. 29 Wat hoort Gerard op de radio? A Hij hoort muziek. B Hij hoort het nieuws. C Hij hoort leuke muziek en de nieuwe hits. 30 Wat doet Gerard als zijn ouders thuiskomen? A Hij laat de radio aanstaan en gaat even met zijn ouders praten. B Hij zet de radio zachter. C Hij zet de radio uit en gaat met zijn ouders praten. Erik mocht van zijn ouders kiezen welk muziekinstrument hij wilde bespelen. Na lang twijfelen tussen drums en gitaar, koos hij voor de gitaar. Hij kreeg van zijn ouders een gitaar. Hij moest elke woensdagmiddag naar de muziekschool om lessen te volgen. Na een half jaar kon hij al aardig spelen. In het begin vond hij het wel vervelend om elke woensdagmiddag naar de muziekschool te gaan, maar toen hij steeds beter ging spelen, wilde hij graag meer leren. Aan het eind van het jaar mocht hij met een aantal medeleerlingen optreden op de open dag van de muziekschool. Zijn ouders en al zijn vrienden waren bij het optreden. Hij was wel erg nerveus maar het optreden ging heel erg goed en iedereen was heel erg trots op hem. 31 Voor welk muziekinstrument koos Erik? A Gitaar. B Drums. C Piano. 32 Waarom ging Erik elke woensdagmiddag naar de muziekschool? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen omdat hij thuis geen gitaar had. C Om lessen te volgen. 33 Wat vond Erik eerst vervelend? A Om op te treden. B Om gitaar te spelen. C Om elke woensdagmiddag naar les te gaan. 34 Waarom wilde hij graag meer leren? A Omdat hij moest optreden. B Omdat hij nog niets had geleerd. C Omdat hij merkte dat de lessen resultaat hadden. 35 Waar mocht Erik optreden? A Op een schoolfeest. B Op de open dag van de muziekschool. C Op een buurtfeest. Als je in een Italiaans kookboek kijkt, staan daar veel recepten voor spaghetti in. Ook staat erin dat spaghetti een Italiaans gerecht is. Maar er staat niet in hoe de spaghetti naar Nederland is gekomen. Veel mensen denken dat de spaghetti in de jaren zestig door de Italiaanse immigranten mee naar Nederland is gekomen, maar dat is niet waar. Er werd al eerder spaghetti in Nederland gegeten en al voor de Tweede Wereldoorlog stond er een fabriek in Nederland die spaghetti maakte. Waarschijnlijk hebben mensen die naar Italië op vakantie gingen, de spaghetti mee naar Nederland genomen. 36 Waar staan veel recepten voor spaghetti in? A In een Italiaans boek. B In een kookboek. C In een Italiaans kookboek. 37 Wat denken veel mensen over de Italiaanse immigranten? A Dat zij de spaghetti mee naar Nederland hebben genomen. B Dat zij goede spaghetti kunnen maken. C Dat zij veel spaghetti eten. 38 Wanneer stond er een spaghettifabriek in Nederland? A In de jaren zestig. B Al voor de Tweede Wereldoorlog. C In de vorige eeuw. 39 Wie hebben de spaghetti mee naar Nederland genomen? A Italiaanse immigranten. B De mensen die voor de fabriek werken. C Mensen die naar Italië op vakantie zijn geweest. Heleen en André hebben de allerliefste opa en oma van de hele wereld. Elke zaterdag komen ze langs. Als het mooi weer is, gaan Heleen en André mee in de auto. Ze gaan naar het park om een stuk te wandelen. Daarna gaan ze in een restaurant lunchen en Heleen en André krijgen dan een Pipopannenkoek, waar altijd een verrassing in zit. Als het slecht weer is, hebben opa en oma taartjes bij zich. Dan eten ze samen een gebakje en ze drinken iets, opa, oma en hun moeder drinken koffie en Heleen en André drinken limonade. 40 Wanneer komen opa en oma langs? A Elke zaterdag. B Elke zondag. C Elke dag. 41 Wanneer gaan ze naar het park? A Als het sneeuwt. B Als het mooi weer is. C Als het regent. 42 Wat krijgen Heleen en André in het restaurant? A Een gebakje. B Een Pipopannenkoek. C Een verassing. 43 Wat drinken Heleen en André als ze thuisblijven? A Limonade. B Thee. C Koffie. Binnenkort is het Koninginnedag en Barend verheugt zich nu al op die dag. Het is overal druk en iedereen loopt met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. Barend gaat met zijn vader op de vrijmarkt kijken naar de mensen die van alles verkopen. Nadat ze een tijdje op de vrijmarkt hebben rondgekeken, gaan Barend en zijn vader iets drinken in een café. Barend bestelt een cola en zijn vader een koffie. Daarna gaan ze weer terug naar de vrijmarkt en eten ze een hamburger. Aan het eind van de middag gaan ze weer naar huis en gaan ze samen pannenkoeken bakken. 44 Waar verheugt Barend zich op? A Op de vrijmarkt. B Op Koninginnedag. C Op pannenkoeken. 45 Wat gebeurt er op de vrijmarkt? A Daar worden pannenkoeken gebakken. B Daar gaan Barend en zijn vader iets drinken. C Daar staan een heleboel mensen die van alles verkopen. 46 Waar loopt iedereen mee? A Met koffie. B Met oranje hoedjes, slingers en ballonnen. C Met hamburgers. 47 Wat drinkt de vader van Barend in het café? A Een cola. B Een koffie. C Een alcoholvrij biertje. 48 Wat eten Barend en zijn vader op de vrijmarkt? A Een hamburger. B Pannenkoeken. C Een ijsje. Zaterdag is het moederdag en Anita heeft een plan bedacht om haar moeder te verwennen. Ze is gisteren met een vriendin naar de stad geweest om een mooi cadeau voor haar moeder te kopen. Ze heeft de slingers van zolder gehaald en ze is bezig een mooie tekening te maken met een gedicht erbij. Als het zaterdag is, staat Anita vroeg op om haar moeder ontbijt op bed te brengen. Ze versiert het dienblad en zet het ontbijt op het blad. Ze pakt het cadeau en de tekening en ze neemt alles mee naar boven. Haar moeder is blij en verrast als ze ziet wat Anita heeft gedaan. 49 Waar heeft ze het cadeau voor haar moeder gekocht? A Op de markt. B In het dorp. C In de stad. 50 Wat haalt Anita van zolder? A Slingers. B Feestmutsen. C Ballonnen. 51 Wat is Anita voor haar moeder aan het maken? A Een gedicht. B Een tekening met een gedicht. C Een tekening. 52 Hoe reageert de moeder van Anita? A Ze is geschrokken. B Ze is verbaasd. C Ze is blij en verrast. Marie gaat met haar moeder naar de bibliotheek. Haar moeder moet een boek hebben voor haar werk en Marie mag op de kinderboekenafdeling rondkijken. Marie ziet een heel spannend boek en ze pakt het uit de kast. Ze zoekt een rustig plaatsje op om te zitten en ze begint in het boek te lezen. Haar moeder heeft het boek gevonden dat ze nodig heeft en loopt naar de kinderafdeling om Marie te halen, maar ze kan haar niet meer vinden. Haar moeder besluit Marie te laten omroepen. Terwijl Marie rustig zit te lezen, hoort ze opeens een mannenstem haar naam omroepen. Ze moet naar de balie komen. Ze schrikt en rent snel naar de balie toe, daar staat haar moeder. Marie vertelt dat ze een mooi boek aan het lezen was en ze mag het van haar moeder mee naar huis nemen. 53 Waarom gaan Marie en haar moeder naar de bibliotheek? A Haar moeder moet een boek voor haar werk hebben. B Haar moeder moet een aantal boeken terugbrengen. C Marie mag een mooi boek uitzoeken. 54 Waar gaat Marie rondkijken? A Bij de computer. B Bij de stripboeken. C Op de kinderboekenafdeling. 55 Wat doet Marie als ze een mooi boek heeft gevonden? A Ze gaat naar haar moeder en vraagt of ze het mag lenen. B Ze stopt het in haar tas om het mee naar huis te nemen. C Ze pakt het boek en begint erin te lezen. 56 Waarom laat de moeder van Marie haar omroepen? A Omdat ze Marie niet kan vinden. B Omdat ze geen zin heeft Marie te zoeken. C Omdat ze dat met Marie heeft afgesproken. 57 Hoe reageert de moeder van Marie als Marie vertelt waar ze was? A Ze is boos, maar Marie mag het boek wel mee naar huis nemen. B Ze is boos en voor straf moet Marie het boek terugzetten. C Ze zegt dat Marie het boek mee naar huis mag nemen. Heleen houdt erg veel van dieren en daarom heeft ze van haar opa en oma voor haar verjaardag een groot dierenboek gekregen. In dit boek staan een heleboel leuke wetenswaardigheden over dieren. Zo heeft ze bijvoorbeeld gelezen dat de Afrikaanse olifant de langste neus op aarde heeft. Ook heeft ze gelezen dat de reuzeninktvis het grootste oog heeft en de spitsmuis het kleinste oog. Ze leest met veel plezier in haar nieuwe boek en geniet van de mooie tekeningen. Aan het eind van de week belt ze haar opa en oma op om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze allemaal heeft gelezen. 58 Wat krijgt Heleen voor haar verjaardag van haar opa en oma? A Een groot dierenboek. B Een boekenbon. C Een video over dieren. 59 Welk dier heeft de langste neus? A De Afrikaanse olifant. B De olifant. C De spitsmuis. 60 Welk dier heeft de grootste ogen? A De Afrikaanse olifant. B De inktvis. C De reuzeninktvis. 61 Wat vindt Heleen van het boek? A Ze geniet van de plaatjes maar vindt de tekst te moeilijk. B Ze leest er met veel plezier in en geniet van de plaatjes. C Ze leest er met veel plezier in, maar vindt de plaatjes minder leuk. 62 Waarom belt Heleen aan het eind van de week haar opa en oma op? A Om te bedanken voor het boek en te vertellen wat ze heeft gelezen. B Om bij te kletsen. C Om te vertellen wat ze heeft gelezen. Brian gaat met zijn zusje en zijn ouders uit eten. Ze hebben iets te vieren, want Brians ouders vieren hun koperen bruiloft. Dat betekent dat ze twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. Ze gaan naar een Italiaans restaurant waar Italiaanse muziek klinkt, Italiaanse eten geserveerd wordt en de muren beschilderd zijn met Italiaanse taferelen. Brians zusje vindt het eten te lang duren en gaat van tafel. Ze kijkt bij de tafels van andere mensen en van de ober mag ze zelfs even in de keuken. Brian mag ook, maar hij gaat niet. In de keuken kijken is iets voor kleine kinderen, vindt hij. 63 Waarom gaat Brian uit eten? A Omdat zijn zus getrouwd is. B Omdat er een nieuw Italiaans restaurant geopend is. C Omdat zijn ouders twaalfeneenhalf jaar getrouwd zijn. 64 Met wie gaat Brian uit eten? A Met zijn ouders en hun Italiaanse vrienden. B Met zijn zusje. C Met zijn vader, zijn moeder en zijn zusje. 65 Hoe kun je zien dat het restaurant een Italiaans restaurant is? A Aan de cd-speler. B Aan de mensen die er werken. C Aan de muurschilderingen. 66 Waarom gaat Brians zusje van tafel? A Het eten duurt voor haar te lang. B Ze heeft aan een andere tafel iemand gezien die ze kent. C Ze moet naar de wc. 67 Waarom gaat Brian niet in de keuken kijken? A Hij denkt dat alle mensen dan naar hem kijken. B Hij vindt dat hij daar te groot voor is. C De ober wil niet dat hij ook in de keuken komt. Jasmijn en Ilona hebben plannen gemaakt om wat geld te verdienen, want ze willen een nagelstudio kopen. Op de computer printen ze tekeningen uit in zwartwit. Dan bellen ze overal aan en vragen ze of de mensen die kleurplaten van ze willen kopen. Omdat ze niet zoveel verkopen bedenken ze iets anders: heitje voor een karweitje. Opnieuw bellen ze overal aan en vragen ze of ze voor een gulden een klusje mogen doen. Bij de een vegen ze de stoep, bij de ander halen ze de vuilnisbak binnen. Ze doen een afwas en maaien gras. Ze werken hard, maar ondertussen hebben ze samen veel plezier. 68 Waarom willen Jasmijn en Ilona geld verdienen? A Om een nagelstudio te kopen. B Omdat ze een nieuwe computer willen. C Omdat ze kleurplaten willen kopen. 69 Waarom printen Jasmijn en Ilona tekeningen uit? A Ze hebben geen zin meer om met de nagelstudio te spelen die ze net gekocht hebben. B Ze verdienen wat geld door achter de computer te werken. C Ze willen ze verkopen om geld te verdienen voor een nagelstudio. 70 Lukt het om de kleurplaten te verkopen? A Ja, maar niet zo heel erg goed. B Nee, helemaal niet. C Ja, maar ze zijn te goedkoop. 71 Wat is heitje voor een karweitje? A Je belt ergens aan en vraagt of de mensen een heitje voor je hebben. B Je doet een klusje en krijgt daar iets voor betaald. C Je geeft een euro om iemand te helpen. 72 Hoe vinden Jasmijn en Ilona het om heitje voor een karweitje te doen? A Leuk, ze hebben veel plezier. B Vervelend, want ze moeten allerlei vervelende klusjes doen. C Niet zo leuk, want ze moeten erg hard werken. Op de school van Tom en Wiebe doen ze elk jaar veel aan kerst. Alle gangen worden door een groep ouders versierd en in elke groep staat een kerstboom. Twee weken voor kerst werken alle groepen aan het maken van mooie dingen, die met kerst te maken hebben. Kandelaars, kerstboomversieringen, sterren voor op de ramen, ga zo maar door. De volgende week is er dan na schooltijd een kerstmarkt, waar de gemaakte spullen verkocht worden. De opbrengst gaat naar een goed doel. En de dag na de kerstmarkt is helemaal leuk, dan is 's avonds het kerstdiner. Naast de voordeur staan alle juffen en meesters samen vrolijke kerstliedjes te zingen. Alle kinderen hebben hun mooiste kleren aan en de school is alleen maar verlicht met kerstboomlichtjes en kaarsen. 73 Door wie wordt de school van Tom en Wiebe versierd voor kerst? A Door alle juffen en meesters samen. B Door een groep ouders. C Door de groep van Tom en Wiebe. 74 Waarom maken de kinderen allerlei kerstspullen? A Om extra mooi mee voor de dag te komen op het kerstdiner. B Om de school mee te versieren. C Om te verkopen op de kerstmarkt. 75 Wat maken de kinderen op de school van Tom en Wiebe voor de kerstmarkt? A Een kerstdiner. B Allerlei spullen in kerstsfeer. C Kandelaars en bloemstukjes. 76 Wat gebeurt met het geld dat wordt verdiend op de kerstmarkt? A Dat wordt geschonken aan een goed doel. B Dat wordt gebruikt voor het kerstdiner. C Dat mogen de kinderen zelf houden. 77 Wat doen de juffen en meesters met het kerstdiner? A Ze hebben mooiste kleren aangetrokken. B Ze doen alle kaarsen aan. C Ze zingen kerstliedjes bij de in

×