Restauratie en Onderhoud van Monumenten

639 views

Published on

Om monumenten in Nederland in stand te houden worden er jaarlijks veel objecten gerestaureerd en onderhouden. Dit rapport geeft een beeld van de verwachte ontwikkeling en samenstelling van de restauratieproductie voor de periode 2013-2018. Hoeveel monumenten zijn er in Nederland, en welk deel daarvan staat op de Rijksmonumentenlijst? Welke subsidieregelingen zijn er en hoeveel budget is in de komende jaren beschikbaar? En wat betekent dit voor de restauratieproductie? Antwoorden op deze vragen komen in dit rapport aan bod.

Bron: EIB

------- INHOUD -------

1 Inleiding 13
1.1 Algemeen 13
1.2 Instandhouding 13
1.3 Herbestemming 14
1.4 Ontwikkeling van de restauratiebehoefte 14
1.5 Leeswijzer 15
2 Monumentenbestand 17 2.1 Rijksmonumenten 17
2.2 Lokale monumenten 21
3 Restauratiefinanciering 23 3.1 Subsidieregelingen 24
3.2 Indirecte subsidiëring 29
3.3 Ongesubsidieerde restauraties 31
3.4 Lokale subsidiëring en herbestemming 32
4 Restauratiemarkt 33
4.1 Direct gesubsidieerde productie 33
4.2 Indirect gesubsidieerde productie 34
4.3 Ongesubsidieerde productie 36
4.4 Landelijk overzicht 37
4.5 Regionale restauratiemarkten 38
4.6 Restauratie en bouwmarkt 40
4.7 Restauratie versus onderhoud 41

Bijlage A Onroerend-erfgoedcijfers 43
Bijlage B Achtergrond ramingen 45
Afkortingen 47
Bronnen 49
EIB-publicaties 51

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
639
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
2
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Restauratie en Onderhoud van Monumenten

  1. 1. Restauratie en onderhoud van monumenten Marktverkenning tot 2018
  2. 2. Restauratie en onderhoud van monumenten
  3. 3. Het auteursrecht voor de inhoud berust geheel bij de Stichting Economisch Instituut voor de Bouw. Overnemen van de inhoud (of delen daarvan) is uitsluitend toegestaan met schriftelijke toestemming van het EIB. Het is geoorloofd gegevens uit dit rapport te gebruiken in artikelen en dergelijke, mits daarbij de bron duidelijk en nauwkeurig wordt vermeld. September 2013
  4. 4. Restauratie en onderhoud van monumenten Marktverkenning tot 2018 M.H. Vrolijk, MSc
  5. 5. Inhoudsopgave Conclusies op hoofdlijnen 7 1 Inleiding 13 2 Monumentenbestand 17 3 Restauratiefinanciering 23 4 Restauratiemarkt 33 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 2.1 2.2 3.1 3.2 3.3 3.4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 Algemeen Instandhouding Herbestemming Ontwikkeling van de restauratiebehoefte Leeswijzer Rijksmonumenten Lokale monumenten Subsidieregelingen Indirecte subsidiëring Ongesubsidieerde restauraties Lokale subsidiëring en herbestemming Direct gesubsidieerde productie Indirect gesubsidieerde productie Ongesubsidieerde productie Landelijk overzicht Regionale restauratiemarkten Restauratie en bouwmarkt Restauratie versus onderhoud 13 13 14 14 15 17 21 24 29 31 32 33 34 36 37 38 40 41 Bijlage A Onroerend-erfgoedcijfers 43 Bijlage B Achtergrond ramingen 45 Afkortingen 47 Bronnen 49 EIB-publicaties 51 5
  6. 6. 6
  7. 7. Conclusies op hoofdlijnen Algemeen beeld De omvang van het Rijksmonumentenregister is ten opzichte van vorige jaren vrijwel ongewijzigd. Ook de lijn in het aanwijzingsbeleid voor beschermde monumenten wordt voortgezet. Daarnaast is de onderhoudsachterstand in de monumentenvoorraad gereduceerd tot maximaal 10%. Vooral dit laatste is belangrijk in het kader van het recent ingevoerde subsidiestelsel. Het ‘oude’ stelsel, waarin extra geld voor de restauratiesector beschikbaar werd gemaakt, is wegens succes gewijzigd. De destijds te hoog geachte restauratieachterstanden zijn immers weggewerkt. Doel van het nieuwe stelsel is dat tijdig planmatig onderhoud door eigenaren van rijksmonumenten wordt gestimuleerd. Daarbij worden ook herbestemmingen gestimuleerd om kostbare ingrijpende restauraties en leegstand en achteruitgang te voorkomen. De verwachte ontwikkeling van de restauratieproductie hangt daarmee vooral samen met de direct gesubsidieerde productie die, overeenkomstig met de beleidsdoelstellingen, in de komende jaren wordt genormaliseerd. Daarbij moet overigens rekening worden gehouden dat in de meerjarenbegrotingen alleen de structurele budgetten zijn vastgelegd. Het is op dit moment niet bekend of in de komende jaren, zoals in het verleden, toch nog incidenteel budgetten voor restauratie ter beschikking zullen komen. Tegen deze achtergrond verschuift in de komende jaren de nadruk van direct gesubsidieerd werk naar projecten die indirect worden gesubsidieerd. Dit betekent dat de ontwikkeling van de restauratiemarkt in toenemende mate wordt beïnvloed door de conjuncturele situatie. Van belang hierbij is wel dat (de) slechtere economische omstandigheden niet moeten leiden tot te veel uitstel of afstel van onderhoud- en restauratiewerk door monumenteneigenaren. Hierdoor zou de onderhoudsstaat achteruit kunnen gaan en (grotere) restauratiewerkzaamheden, op termijn, weer noodzakelijker kunnen worden. Restauratie-inspanning normaliseert De restauratieproductie in Nederland loopt geleidelijk terug naar een niveau van ongeveer € 400 miljoen in 2018 (in prijzen van 2012). Figuur 1 geeft de ontwikkeling weer over de periode 2005-2018. De cijfers voor de jaren tot en met 2012 zijn onder andere gebaseerd op de werkelijk verleende subsidies door het Rijk, de nog uit te betalen rijkssubsidies en uitgegeven leningen door het Restauratiefonds, de gederfde belastinginkomsten wegens de fiscale regeling voor aftrek van kosten voor monumentenpanden en de ontwikkeling van het restauratiewerk in opdracht van de Rijksgebouwendienst. De cijfers voor de jaren 2013-2018 zijn ramingen op grond van onder meer overheidsbegrotingen en de prognose van het verloop van de verplichtingen uit het Restauratiefonds. Nadat extra subsidies uit de periode 2006-2010 tot aan 2012 tot productie hadden geleid, nam in dat jaar de productie die afhankelijk is van directe rijkssubsidies scherp af. Na een tijdelijke herstel in 2013-2014 (uitgaande van een na-ijleffect van enkele aflopende regelingen) wordt vanaf 2015 een daling 7
  8. 8. Figuur 1 Restauratieproductie naar subsidiewijze, 2005-2018, prijzen 2012 € mln 700 600 500 400 300 200 100 0 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Direct rijksgesubsidieerd Indirect gesubsidieerd Ongesubsidieerd Bron: EIB in het volume verwacht. Gemiddeld daalt de productie uit deze bron tot 2018 per jaar met 4% ten opzichte van 2012 (zie tabel 1). Voor de indirect door het Rijk gesubsidieerde productie (het fiscaal aftrekbare monumentenonderhoud en de restauraties die worden gerealiseerd met een laagrentende lening van het Restauratiefonds) zijn de verwachtingen positief. In dit marktsegment wordt een gemiddelde stijging van 2½% per jaar verwacht. Voor de restauratieproductie die zonder subsidie tot stand komt, wordt gemiddeld per jaar geen krimp verwacht. Tegen deze achtergrond verschuift in de komende jaren dus de nadruk van direct gesubsidieerd werk naar projecten die indirect worden gesubsidieerd. Het normaliseren van de directe subsidies is een logisch gevolg van het enkele jaren geleden ingezette beleid om de destijds te hoog geachte restauratieachterstanden weg te werken. Daarbij zijn bovenop de reguliere budgetten veel extra subsidies ingezet om moeilijk realiseerbare restauratieprojecten alsnog tot uitvoering te brengen. Uit technisch onderzoek is gebleken dat de restauratieachterstand landelijk gezien tot minder dan 10% is teruggebracht. Dat wil zeggen dat minder dan 10% van de rijksmonumenten in een zodanige onderhoudstoestand verkeert, dat de instandhouding gevaar loopt. Dit wordt een acceptabele situatie geacht. Het beleid om extra geld voor de restauratiesector beschikbaar te maken, kan daarom - wegens succes - worden beëindigd en gewijzigd naar het stimuleren van tijdig (planmatig) onderhoud en herbestemmingen om kostbare ingrijpende restauraties te voorkomen. 8
  9. 9. Tabel 1 Restauratieproductie 2012 en 2018, volume en jaarlijkse mutatie € mln, prijzen 2012 2012 2018 ∆% per jaar Direct rijksgesubsidieerd Indirect rijksgesubsidieerd Ongesubsidieerd 216 177 36 163 203 35 -4 2½ 0 Totaal 429 402 -1 Bron: EIB Structurele subsidiëring neemt naar verhouding toe De directe subsidies van het Rijk voor restauratie en onderhoud van monumenten kennen een structurele en een incidentele component. Als structurele subsidiëring zijn aangemerkt de budgetten voor het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (Brrm 97), het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten (Brom), het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim), de Regeling restauratie monumenten (Rrm 2010), de regelingen Stadsherstel, herbestemming plan wind en waterdicht en de decentralisatie uitkering aan provincies. Voorbeelden uit het verleden van regelingen die incidenteel werden toegepast (extra budgetten) zijn de kanjersubsidies (Brgr) uit de jaren 2002 tot 2006 en de subsidieregelingen voor het wegwerken van restauratieachterstanden (Rrwr) uit de jaren 2007 tot 2009. De verwachte daling van het direct gesubsidieerde restauratievolume wordt veroorzaakt door het structurele deel van deze subsidie en hangt samen met de Regeling restauratie monumenten en overloop uit gelden van de Brrm 97 regeling. Figuur 2 laat zien dat de subsidie uit deze resterende budgetten naar verwachting tot in 2015 tot productie leidt. Daarna is vooralsnog niet in extra budgetten voor subsidiëring van restauraties voorzien. 9
  10. 10. Figuur 2 Restauratieproductie 2009-2018 op basis van directe subsidies, structureel en incidenteel, prijzen 2012 € mln 350 300 250 200 150 100 50 0 2009 2010 2011 2012 2013 2014 Structurele subsidiëring 2015 2016 2017 2018 Incidentele subsidiëring Bron: EIB Stabilisatie verwacht in ongesubsidieerd werk De ongesubsidieerde restauratieproductie maakt maar een beperkt deel uit (9%) van de totale landelijke uitgaven voor restauratie en onderhoud van monumenten. Voor 2012 groeide het ongesubsidieerde werk sterk door grote projecten als de restauratie van het Paleis op de Dam en het Rijksmuseum in Amsterdam. Door afronding van deze projecten is sprake van krimp en wordt, op basis van de begroting, geen herstel voorzien. Wel kan nog extra productie verwacht worden, bijvoorbeeld wanneer een begin wordt gemaakt met de restauratie en herbestemming van Paleis Soestdijk. Daarnaast staat het ongesubsidieerde werk voor rekening van andere opdrachtgevers (vooral bedrijven) op korte termijn onder invloed van de conjuncturele ontwikkeling van de bouw- en de vastgoedmarkt. Rol van lagere overheden nog beperkt De restauratieproductie is nog steeds sterk afhankelijk van het stimuleringsbeleid door het Rijk. Ruim de helft van de productie wordt op dit moment gerealiseerd op projecten waaraan het Rijk een directe bijdrage levert in de vorm van een subsidie (zie figuur 3). Daarnaast wordt het onderhoud aan woonhuismonumenten indirect gestimuleerd door de aftrekregeling voor dit soort werk binnen de inkomstenbelasting. Verder is het Restauratiefonds een belangrijke aanjager voor de restauratie van particuliere woonhuismonumenten. Ook hier is sprake van indirecte subsidiëring door het Rijk. Bij de start medio jaren tachtig van de vorige eeuw en ook 10
  11. 11. regelmatig daarna is dit fonds gevoed met bijdragen van de centrale overheid. Hierbij vergeleken is de rol van de lagere overheden nog zeer beperkt van omvang. Weliswaar is het aantal gemeentelijke en provinciale monumenten van behoorlijke omvang, maar de financiële betrokkenheid bij restauratie en onderhoud houdt daarmee geen gelijke tred. Op dit moment wordt nog maar weinig restauratiecapaciteit ingezet voor de instandhouding van lokale monumenten. Een aanzet daarvoor is in een aantal gemeenten en negen van de twaalf provincies overigens al aanwezig in de vorm van lokale cultuur- en restauratiefondsen. Ervaring en actieve betrokkenheid van provincies en gemeenten bij de financiering van restauraties wordt mede gestimuleerd door de structurele decentralisatie van het Rijk naar provincies van de regierol in het restauratiebeleid van rijksmonumenten. Hierin ontvangen provincies jaarlijks een bedrag van het Rijk. Vervolgens bepalen de provincies welke rijksmonumenten worden gerestaureerd. Zij verbinden geldstromen van regionale partners, waaronder gemeenten en particulieren (MinBZK, 2012). Naar verwachting is echter een groot deel van de gelden uit 2012 nog niet ter besteding gekomen. Dit heeft te maken met late beschikbaarstelling van de restauratiemiddelen vanuit het Rijk, het opstellen van provinciale subsidieregels, de voorbereidingstijd van restauraties en herbestemmingen en uitstel van investeringen in monumenten door eigenaren of het niet meer rond krijgen van de financiering daarvoor. Figuur 3 Restauratieproductie naar wijze van subsidiëren, 2012 Ongesubsidieerd 9% Indirect gesubsidieerd 41% Direct rijksgesubsidieerd 50% Bron: EIB 11
  12. 12. 12
  13. 13. 1 1.1 Inleiding Algemeen Deze marktverkenning beschrijft recente ontwikkelingen en verwachtingen van de bouwproductie die met de instandhouding van monumenten wordt gerealiseerd. Het gaat hierbij om restauratie en onderhoud. Ook komt duurzame herbestemming aan bod. Het rapport is opgesteld in opdracht van de Vakgroep Restauratie, het Nationaal Restauratiefonds en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In het rapport wordt ingegaan op ontwikkelingen rond het monumentenbestand en restauratiefinanciering en de gevolgen hiervan voor de omvang van de restauratiemarkt. 1.2 Instandhouding De instandhouding van een monument kan in technische zin op twee manieren worden veiliggesteld: door restauratie en door onderhoud. Restauratie heeft betrekking op bouwkundige ingrepen die de levensduur van een monument (of onderdelen daarvan) verlengen of die het prestatievermogen vergroten. Het gaat hier om hernieuwde investeringen in de kwaliteit of de capaciteit van een monument. Dit soort werkzaamheden worden over een periode van meerdere jaren afgeschreven. Onderhoud heeft theoretisch gezien alleen betrekking op werkzaamheden die bedoeld zijn om een monument in stand te houden gedurende de bij de bouw (of in het verleden uitgevoerde restauraties) vastgelegde levensduur, op het destijds beoogde prestatieniveau. Het betreft hier consumptieve uitgaven die volledig ten laste komen van het jaar van uitvoering. Onderhoud is uitsluitend bedoeld om het ongestoorde gebruik van een gebouw te waarborgen en beoogt op zich zelf geen verhoging van de gebruikskwaliteit of verlenging van de levensduur. De scheidslijn tussen restauratie en onderhoud is in de praktijk niet altijd scherp te trekken. Omdat een eindige exploitatietermijn bij monumentale gebouwen beleidsmatig niet aan de orde is, zal onderhoud - meer dan bij gewone gebouwen - in het teken staan van een lange termijn toekomstperspectief. Instandhouding over de voor onroerend goed gebruikelijke exploitatietermijn heen - levensduurverlenging dus - speelt bij monumenten altijd een rol, ook bij werk met een onderhoudskarakter. Bij een monument is het onderscheid tussen restauratie en onderhoud daarom meer gefundeerd op de schaal van de ingreep. Bij restauratie gaat het meestal om werkzaamheden aan meerdere bouwdelen tegelijk, terwijl onderhoud in het algemeen beperkt is tot afzonderlijk uitgevoerde activiteiten van relatief beperkte omvang. Van belang is in dit verband te onderkennen, dat beide activiteiten in de praktijk met elkaar concurreren om capaciteit op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat ze in veel gevallen een beroep doen op hetzelfde vakmanschap. Als in dit 13
  14. 14. rapport sprake is van restauratie in begrippen als ‘restauratiemarkt’ en ‘restauratieproductie’, wordt dan ook eveneens onderhoud van monumenten bedoeld, tenzij anders aangegeven. 1.3 Herbestemming De laatste jaren groeit het idee dat monumenten ‘alleen’ in stand (kunnen) worden gehouden, als zij ook van duurzaam nut zijn voor gebruikers. Dit heeft geleid tot initiatieven en beleid om monumenten die hun functie hebben verloren te herbestemmen. Hierbij wordt gezocht naar nieuwe functies voor het gebouw die van nut zijn voor nieuwe gebruikers. Het herbestemmen van monumenten kan ingrepen in de bestaande situatie tot gevolg hebben. De hoeveelheid bouwproductie hieruit ligt tussen twee uitersten. Wordt voor een logisch voortgaande bestemming voor het gebouw gekozen, waardoor het gebouw nagenoeg ongewijzigd blijft, dan zal de bouwproductie door herbestemming beperkt zijn. Het omgekeerde geldt bij fundamentele veranderingen van de voormalige functie. De ontwikkeling van de monumentale herbestemmingmarkt wordt in grote mate beïnvloed door de potentie van de locatie van het leegstaande monument. Landelijk gezien zullen tussen de regio’s verschillen bestaan in de alternatieve aanwendingsmogelijkheden voor lege monumenten. In groeiregio’s zijn de mogelijkheden groter dan in krimpregio’s, waar buiten de ‘monumentenmarkt’ ook alternatieve ruimtemarkten krimp zullen kennen. Binnen de regio’s geldt dat centrale locaties in de stadscentra vaak meerdere alternatieven bieden voor lege monumenten. Ook een (overige) locatie in een woonwijk biedt herbestemmingpotentie. Op formele (monofunctionele) locaties zoals bedrijven- en industrieterreinen bestaat mogelijk minder perspectief voor transformaties. In enige mate hangt de herbestemmingproductie af van financiering uit het Restauratiefonds (via de Restauratiefondsplus-hypotheek of lokale restauratie- en cultuurfondsen die gekoppeld kunnen zijn aan een thema zoals duurzaamheid of herbestemming). 1.4 Ontwikkeling van de restauratiebehoefte In Nederland wordt jaarlijks een grote inspanning geleverd in de vorm van restauratie- en onderhoudswerk om het nationale monumentenbezit in stand te houden. Door de groei van het aantal monumenten en door de toenemende eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van gebouwen in het algemeen, nam de behoefte aan restauratiewerk in de afgelopen decennia structureel toe. De inventarisaties van de omvang van de restauratieachterstanden bij de rijksmonumenten die sinds 1996 regelmatig werden uitgevoerd, droegen er ook toe bij dat de restauratiebehoefte nadrukkelijker in beeld kwam. Mede doordat deze groeiende behoefte ook beleidsmatig werd gehonoreerd in de vorm van het regelmatig toekennen van extra subsidiebudgetten1, was voor het volume van de restauratie-inspanning tot 2007 een trendmatige stijging te zien. Een neveneffect van het steeds weer in wisselende mate beschikbaar komen van aanvullende subsidiebudgetten was dat de ontwikkeling van de restauratie- 1 Bijvoorbeeld de verschillende tranches van de ‘kanjerregelingen’ (Brgr) en de Regeling Rijkssubsidiëring Wegwerken Restauratieachterstand (Rrwr). 14
  15. 15. inspanning van jaar op jaar een nogal ongelijkmatig patroon vertoonde. Bovendien zorgden ook de ups en downs van de conjunctuur voor schommelingen in de restauratieproductie. De ontwikkeling van de restauratiemarkt wordt in toenemende mate beïnvloed door de conjuncturele situatie. Met het wegwerken van de restauratieachterstanden is het beleid - wegens succes - gewijzigd naar het stimuleren van tijdig (planmatig) onderhoud en herbestemming om kostbare ingrijpende restauraties te voorkomen. In de eerste plaats wordt de helft van de restauratieproductie gestuurd door het aanbod van directe (lump sum) overheidssubsidies. Daarnaast hangt een zeer substantieel deel van de productie af van financiering uit het Restauratiefonds (woonhuisrestauraties) of van de fiscale regeling voor aftrek van kosten voor monumentenpanden (onderhoud van woonhuismonumenten). Deze laatste soort ingrepen zijn niet gebonden aan een vast subsidiebudget dat in de praktijk fungeert als een begrenzing van de productie naar boven. Daardoor is het gebruik meer afhankelijk van de mate waarin opdrachtgevers deze prikkels oppakken. Het gevolg is dat dit deel van de restauratieproductie gevoeliger is voor de ontwikkeling van de conjunctuur. Ten slotte komt een deel van de totale productie aan restauratie en onderhoud van monumenten geheel zonder subsidie of financieringsbijdrage tot stand. Het aandeel van het niet gesubsidieerde werk op de restauratiemarkt is vooralsnog beperkt van omvang. Externe effecten De restauratie-inspanning komt niet ‘vanzelf’ tot stand. Omdat de maatschappelijke baten van het monumentenbestand (zoals onder andere de inkomsten uit cultuurtoerisme) niet neerslaan bij de eigenaren van de individuele monumenten, is de markt in het algemeen niet in staat om de positieve externe effecten van monumenten in voldoende mate te prijzen. Daardoor komt de instandhouding in gevaar. Om de maatschappelijke baten veilig te stellen, stelt het Rijk subsidies voor restauratie en onderhoud ter beschikking. Deze moeten compensatie bieden voor de exploitatietekorten bij de eigenaren en hen ertoe aanzetten om toch op tijd onderhoud en restauratie ter hand te nemen (Schellevis, 2011) 1.5 Leeswijzer Het rapport is als volgt ingedeeld. In hoofdstuk 2 wordt de omvang, de samenstelling en het aanwijzingsbeleid van het monumentenbestand beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de verschillende manieren waarop restauratie wordt gefinancierd. Deze vormen de indicatoren waarop de productieraming, die in hoofdstuk 4 aanbod komt, is gebaseerd. 15
  16. 16. 16
  17. 17. 2 Monumentenbestand Het aantal monumenten en de onderhoudsstaat daarvan bepaalt in belangrijke mate de hoogte van de restauratiebehoefte. In dit hoofdstuk worden ontwikkelingen rond het monumentenbestand beschreven. Uit het hoofdstuk blijkt dat de omvang van het Rijksmonumentenregister en het aanwijzingsbeleid vrijwel ongewijzigd is. In combinatie met de huidige gewenste onderhoudsstaat wordt stabilisering van het marktvolume verwacht. Voorwaarde is wel dat de slechtere economische omstandigheden niet moeten leiden tot te veel uitstel of afstel van onderhoud- en restauratiewerk door monumenteneigenaren. Herbestemming van monumenten zou tot meer marktvolume kunnen leiden. 2.1 Rijksmonumenten Omvang Rijksmonumentenregister licht afgenomen Begin 2013 waren 50.643 monumentencomplexen2 in het Rijksmonumentenregister ingeschreven. Na een regelmatige toename neemt het aantal rijksmonumenten sinds 2005 licht af. Wijzigingen in het aanwijzingsbeleid liggen hieraan ten grondslag. Lijn terughoudend aanwijzingsbeleid beschermde monumenten voortgezet Sinds 2000 is het Rijk zeer terughoudend met nieuwe inschrijvingen in het Rijksmonumentenregister. Het huidige aanwijzingsbeleid is gebaseerd op de ‘Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013’. Daarin wordt ruimte gelaten voor inschrijving van objecten in het Rijksmonumentenregister die zijn opgenomen in de aanwijzingsprogramma’s ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en ‘topmonumenten uit de Wederopbouwperiode 1959 tot en met 1965’ (Stcrt, 2013). Daarmee is de maximale uitbreidingsruimte die er kwantitatief gezien nog is, in grote lijnen vastgelegd. Daarnaast kunnen er sinds 1 januari 2012 geen verzoeken meer worden ingediend voor het aanwijzen van een object als rijksbeschermd monument. Het is wel mogelijk de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed suggesties voor bescherming te doen. De vereiste leeftijdsgrens van vijftig jaar voor rijksmonumenten is komen te vervallen. Rijksmonumenten in gewenste onderhoudsstaat Uit onderzoek blijkt dat maximaal 10% van de rijksmonumenten met een restauratieachterstand te maken heeft. Daarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstelling van het Rijk (MinOCW, 2013, p. 28). Onder 22% van de rijksmonumenten is gebleken dat de staat van het casco bij 94% redelijk tot goed is. De staat van het onderhoud blijkt bij 82% redelijk tot goed te zijn (RCE, 2012b). 2 Een monumentencomplex kan bestaan uit meerdere afzonderlijke objecten (bijvoorbeeld een landhuis met losstaande bijgebouwen). Als de afzonderlijke objecten apart worden geteld, bedroeg het aantal ingeschreven rijksmonumenten 61.647. 17
  18. 18. Stabilisering marktvolume restauratiemarkt verwacht Omdat monumenten ook uit het Rijksmonumentenregister worden afgevoerd of door calamiteiten verloren gaan, leidt bovenstaande er naar verwachting toe dat het totale aantal rijksmonumenten aan het einde van de prognoseperiode (2018) niet groter zal zijn dan het huidige aantal. Dit blijkt ook uit de ontwikkeling in het totale aantal rijksmonumenten (zie bijlage Onroerend-erfgoedcijfers, tabel A.1). Ook de samenstelling naar type gebouw zal niet noemenswaardig verschillen. Voor de prognose van de restauratiemarkt is dit een belangrijk gegeven. Omdat het Rijksmonumentenregister dus kwantitatief en kwalitatief (voorlopig) zijn grenzen heeft bereikt, wordt stabilisering van het marktvolume verwacht. Voorwaarde is wel dat de slechtere economische omstandigheden niet moeten leiden tot te veel uitstel of afstel van onderhoud- en restauratiewerk door monumenteneigenaren. Hierdoor zou de onderhoudsstaat achteruit kunnen gaan en (grotere) restauratiewerkzaamheden, op termijn, weer noodzakelijker kunnen worden. Samenstelling Rijksmonumentenregister Figuur 2.1 geeft een overzicht van de objecten die in de verschillende categorieën gebouwen en bouwwerken als rijksmonument zijn geregistreerd. Woonhuizen hebben met 65% verreweg het grootste aandeel in het Rijksmonumentenregister. Ook agrarische gebouwen en kerkelijke gebouwen komen in grote mate in het Rijksmonumentenregister voor. Figuur 2.1 Rijksmonumentencomplexen naar type gebouw, 2013, procenten (tussen haakjes) en aantallen (horizontale as) Horeca-instellingen (½) Liefdadigheidsinstellingen (1) Weg- en waterwerken (1½) Verdedigingswerken (1½) Kastelen, landhuizen e.d. (2) Molens (2½) Openbare gebouwen (3) Losse objecten e.d. (3) Kerkelijke gebouwen e.d. (7½) Agrarische gebouwen (12½) Woonhuizen e.d. (65) 0 5.000 Bron: Monumentenregister, RCE 18 10.000 15.000 20.000 25.000 30.000 35.000
  19. 19. Regionale verdeling rijksmonumenten Figuur 2.2 geeft het aantal rijksmonumenten per landsdeel weer met de aandelen van de verschillende typen gebouwen. De meeste rijksmonumenten (ruim 24.000) staan in de westelijke provincies: Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Op de tweede plaats volgt het zuiden (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) met ruim 12.000 monumenten. In vergelijking tellen het oosten (Overijssel, Gelderland en Flevoland) en het noorden (Groningen, Friesland en Drenthe) minder monumenten met respectievelijk bijna 7.500 en 7.000 registraties. Opvallend is, dat het monumentenbestand in West - meer nog dan in Nederland als geheel - wordt gedomineerd door de woonhuismonumenten. Drie kwart van de rijksmonumenten in dat landsdeel valt in die categorie. Bij de agrarische en de kerkelijke gebouwen scoort West juist aanzienlijk onder het landelijk gemiddelde. Oost kent van alle landsdelen het kleinste aandeel woonhuismonumenten en het grootste aandeel agrarische gebouwen. Noord kent relatief veel kerkelijke gebouwen. In de bijlage ‘Onroerend-erfgoedcijfers’ worden de aantallen per provincie weergegeven. Figuur 2.2 Aantal rijksmonumenten per landsdeel, 2013, per categorie in procenten 55 25.000 3 9 4 12 17 75 50 12.500 3 5 12 8 2 5 3 9 21 2.500 7 60 Woonhuizen e.d. Agrarische gebouwen 3 Kerkelijke gebouwen e.d. 9 3 10 15 Molens Overige gebouwen Verdedigings- en waterwerken Bron: Monumentenregister, RCE Herbestemmingen rijksmonumenten Monumenten die hun functie verliezen, komen vaak leeg te staan. Als eigenaren van het gebouw bij langdurige leegstand noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden niet (kunnen) uitvoeren, kan verval intreden. Het Rijk ziet herbe- 19
  20. 20. stemming (functiewijziging) als belangrijke mogelijkheid om dit verval tegen te gaan en verlies van belangrijke cultuurhistorische waarden te voorkomen of te beperken. Het gaat er hierbij om dat de gebouwen weer van duurzaam nut zijn voor gebruikers. Inzicht in het (mogelijke) aantal monumentale herbestemmingen is op dit moment moeilijk te krijgen. Ongeveer 3% van de gemeenten beschikt over een leegstandsregister dat informatie geeft over het aantal leegstaande rijksmonumenten. Volgens eigen opgave van deze gemeenten stonden in 2012 zo’n 47 rijksmonumenten leeg (Erfgoedinspectie, 2013b). Echter, via een subsidieregeling draagt het Rijk bij in de kosten om de haalbaarheid van herbestemmingen van monumenten te onderzoeken. In het kader van deze regeling is aan 142 en 353 onderzoeken in 2011-2012 en 2012-2013 een financiële bijdrage geleverd (RCE, 2013). Omdat de conclusie van een haalbaarheidsonderzoek ook kan zijn dat herbestemming niet haalbaar is, betekent het dus niet dat al deze onderzoeken ook daadwerkelijk tot herbestemmingen hebben geleid. Een nauwkeuriger beeld kan worden verkregen aan de hand van uitgebrachte adviezen over herbestemmingen door de RCE. Voor wijzigingen aan een beschermd rijksmonument (zoals de functie) is een omgevingsvergunning van de gemeente nodig. De RCE brengt advies uit bij dit soort aanvragen. In 2010 bracht de RCE 156 adviezen over herbestemmingen uit (RCE, 2011). In 2011 waren dat er 120 (RCE, 2012a). Bijna de helft van de adviezen had betrekking op agrarische gebouwen en woonhuizen (zie figuur 2.3). Omdat het advies ook een Figuur 2.3 Adviezen over herbestemmingen naar type gebouw, 2010-2011, procenten en aantallen Horeca-instellingen (1½) Molens en gemalen (1½) Kastelen, landhuizen e.d. (2) Watertorens (2½) Zorginstellingen (3) Overheids- en onderwijsgebouwen (6) Bedrijfsgebouwen (7½) Verdedigingswerken (8) Kerkelijke gebouwen e.d. (9) Overige gebouwen (10½) Woonhuizen e.d. (20¼) Agrarische gebouwen (28¼) 0 10 20 2011 Bron: RCE 2011, 2012 20 30 2010 40 50 60 70 80 90
  21. 21. negatief advies kan zijn, betekent het wederom dus niet dat al deze adviezen ook daadwerkelijk tot herbestemmingen hebben geleid. Op dit moment ontbreekt het aan inzicht in welke mate leegstand, haalbaarheidsonderzoeken en adviezen ook daadwerkelijk tot herbestemmingen leiden en wat de kosten daarvan zijn (die uiteraard wel in de haalbaarheidsonderzoeken en vergunningsaanvragen voor komen). Monitoring hiervan kan nuttig zijn voor de evaluatie van de regeling. 2.2 Lokale monumenten Naast het Rijk kennen ook lagere overheden (provincies, gemeenten) monumentale eigenschappen aan gebouwen toe. De juridische status van deze monumenten wijkt af van de objecten in het Rijksmonumentenregister. De bescherming die uitgaat van plaatsing op een provinciale of gemeentelijke lijst is niet gebaseerd op de Monumentenwet, maar op bestuursrechtelijke besluiten (van provinciale staten en van colleges van burgemeester en wethouders). Aantal gemeentelijke monumenten licht afgenomen In tegenstelling tot het aantal rijksmonumenten is het totale aantal objecten op provinciale en gemeentelijke monumenten in de afgelopen tien jaar nog fors toegenomen. Desondanks lijkt de groei van het aantal gemeentelijke monumenten recent te zijn afgevlakt. Mogelijk is er zelfs sprake van een lichte afname. In 2012 telden 288 gemeenten (69% van het totaal) een aantal van 42.835 gemeentelijke monumenten (Erfgoedinspectie, 2013a). In 2009 waren dit volgens cijfers van Erfgoed Nederland nog 43.100 panden (Schellevis, 2011). Eerder onderzoek liet zien dat onder de gemeentelijke monumenten (net als bij Figuur 2.4 Gemeentelijke monumenten per categorie in procenten, 2009 Overige gebouwen Verdedigings-, 7% waterwerken Kerkelijke gebouwen e.d. 1% 2% Agrarische gebouwen 9% Woonhuizen e.d. 81% Bron: EIB 21
  22. 22. de rijksmonumenten het geval is) de woonhuizen veruit in de meerderheid zijn (zie figuur 2.4). Ook hier vormen de agrarische gebouwen in grootte de tweede categorie. In vergelijking met de Rijksmonumentenregister, ligt de nadruk bij de gemeentelijke monumenten nog sterker op de categorie woonhuizen. Meer dan 80% van de gemeentelijke monumenten bestaat uit het laatstgenoemde type gebouwen. Restauratieproductie uit lokale monumenten relatief beperkt Uit het oogpunt van de bouwproductie die samenhangt met de instandhouding van provinciale en gemeentelijke monumenten, is het afwijkende financiële regime rond de restauratie belangrijk. Gemeentelijke en provinciale monumenten kunnen geen aanspraak maken op rijkssubsidies voor restauratie en onderhoud. Verder is ook de fiscale aftrekregeling voor deze groep niet van toepassing. Wel kunnen de eigenaren van provinciale en gemeentelijke monumenten in bepaalde gevallen gebruik maken van laagrentende leningen van het Restauratiefonds. Voor een aantal gemeenten en negen provincies voert het Restauratiefonds plaatselijke restauratie- of cultuurfondsen uit die ook openstaan voor ondersteuning van lokale monumenten. Deze kunnen ook gekoppeld zijn aan een thema zoals duurzaamheid of herbestemming. De financiële middelen die lagere overheden jaarlijks voor subsidiëring van restauraties uit de eigen begroting beschikbaar (kunnen) stellen, zijn beperkt van omvang. In vergelijking met rijksmonumenteneigenaren ontbreekt daarmee grotendeels een financiële prikkel voor gemeentelijke en provinciale monumenteneigenaren waaruit restauraties geïnitieerd en gefaciliteerd kunnen worden. De restauratieproductie die voortvloeit uit de instandhouding van gemeentelijke en provinciale monumenten ligt daardoor naar verwachting veel lager dan die voortvloeit uit de instandhouding van rijksmonumenten. 22
  23. 23. 3 Restauratiefinanciering In dit hoofdstuk worden ontwikkelingen rond de restauratiefinanciering beschreven die van belang zijn voor de productieraming. Daarbij komen verschillende indicatoren voor de restauratieproductie aan bod. De omvang van het restauratiewerk en het onderhoud aan monumenten in Nederland wordt niet systematisch geregistreerd. In dit rapport wordt de ontwikkeling van deze markt berekend op basis van externe indicatoren. Dit is een effectieve methode als we bedenken dat de productie van restauratiewerk en monumentenonderhoud voor een belangrijk deel door diverse vormen van overheidsbijdragen wordt geïnitieerd en gefaciliteerd. Voor het restauratiewerk en het onderhoud aan niet-woonhuismonumenten zijn de beschikbare subsidiebudgetten van het Rijk het voornaamste uitgangspunt voor de productieprognose. Het huidige subsidiestelsel richt zich op stimulering van tijdig planmatig onderhoud door eigenaren van rijksmonumenten en herbestemming. Met een structurele uitkering van het Rijk naar de provincies is de regierol in het restauratiebeleid gedecentraliseerd. Voor de omrekening van het rijkssubsidiebudget naar de productie op de bouwplaats, wordt rekening gehouden met de nog uit te betalen rijkssubsidies aan het eind van 2012 en gebruik gemaakt van per subsector gedifferentieerde ophoogfactoren. Voor de particuliere woonhuismonumenten zijn twee indicatoren van belang. Allereerst is dat de belastingderving als gevolg van de mogelijkheid om de onderhoudskosten van rijksmonumenten af te trekken voor de inkomstenbe- Figuur 3.1 Indicatoren raming restauratieproductie Niet-woonhuismonumenten: Subsidiebudgetten Gesubsidieerd Restauratieproductie Ongesubsidieerd Particuliere woonhuismonumenten: Restauratiefonds Belastingderving Algemene bouwmarktraming EIB, beleid Rgd Bron: EIB 23
  24. 24. lasting. En verder de financieringscapaciteit die voortvloeit uit de diverse faciliteiten van het Restauratiefonds. De waarde van de productie die voortvloeit uit de belastingderving en restauratiefondsleningen wordt rechtstreeks berekend uit opgaven van het ministerie van OCW en het Restauratiefonds (die worden gekoppeld aan de bouwmarktraming van het EIB). 3.1 Subsidieregelingen Een groot deel van de restauratieproductie kan uit de toegekende subsidiebedragen (direct of indirect) en afgegeven beschikkingen worden afgeleid. Gedurende de periode waarover het onderzoek zich uitstrekt, komen uit een aantal subsidieregelingen van het Rijk gelden beschikbaar om de instandhouding van de voorraad rijksmonumenten zo goed mogelijk te faciliteren. Tabel 3.1 geeft hiervan een overzicht. Het betreft zowel regelingen die voortvloeien uit structureel beleid, als regelingen die een meer incidenteel karakter hebben. Veel regelingen zijn maar voor een deel van de periode van toepassing. Zo is enkele jaren geleden een begin gemaakt met de invoering van een nieuw subsidiestelsel. Het ‘oude’ stelsel, waarin extra geld voor de restauratiesector Tabel 3.1 Rijkssubsidieregelingen voor restauratie en onderhoud van rijksmonumenten, 2012-2018 Structurele regelingen Brrm 97 Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten Brhb Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen Rrm Regeling restauratie monumenten Stadsherstel Subsidieregeling herbestemming plan/wind en waterdicht Decentralisatieuitkering monumenten Provinciefonds Incidentele regelingen Brgr Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties IV Stimuleringsregeling 2009 WWI1 Restauratie naar provincie 2010 (€ 19 miljoen) Restauratieregeling 6 projecten (2012) Onderhoud en instandhouding Brom Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten een-/meerjarig Brim Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 1 WWI Stimuleringsregeling uit 2009 voor de woningbouw van het ministerie van Wonen, Wijken en Integratie Bron: EIB RCE 24
  25. 25. beschikbaar werd gemaakt, is wegens succes gewijzigd. De destijds te hoog geachte restauratieachterstanden zijn immers weggewerkt (zie hoofdstuk 2). Doel van het nieuwe stelsel is dat tijdig planmatig onderhoud door eigenaren van rijksmonumenten wordt gestimuleerd. Daarbij worden ook herbestemmingen gestimuleerd om kostbare ingrijpende restauraties en leegstand en achteruitgang te voorkomen. Regelingen om tijdig planmatig onderhoud en herbestemming te stimuleren Van recente datum is het ‘Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013’ (Brim-2013). De bijbehorende ‘Subsidieregeling instandhouding monumenten’ (SIM) kent een jaarlijks plafond van € 48,5 miljoen. Hiervan is € 5,8 miljoen bestemd voor beschermde archeologische en groene monumenten (Stcrt, 2012a). Het voor de productieraming relevante subsidiebedrag bedraagt zodoende € 42,7 miljoen. De ‘Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten’ bevordert een duurzaam gebruik van monumenten. Jaarlijks wordt € 2,4 miljoen beschikbaar gesteld voor haalbaarheidsonderzoeken en om het monument in de tussentijd wind- en waterdicht te maken. Bij de haalbaarheidsonderzoeken (€ 1,7 miljoen) vindt nog geen bouwproductie plaats. Zodoende is alleen het wind- en waterdicht maken (€ 0,7 miljoen) voor de productieraming relevant (Stcrt, 2012b). Regierol restauratiebeleid gedecentraliseerd In 2012 is de regierol in het restauratiebeleid structureel gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies. Hiervoor is een decentralisatieuitkering monumenten gevormd. Deze uitkering van € 20 miljoen wordt jaarlijks Figuur 3.2 Verdeling decentralisatieuitkering monumenten per provincie, mln euro en procenten Noord-Brabant 1,7 9% Groningen 0,9 Limburg Flevoland 4% Fryslân 0,1 1,8 1,5 1% 9% 7% Drenthe 0,5 2% Overijssel 1,2 6% Zeeland 1,3 7% Gelderland 1,7 8% Zuid-Holland 3,0 15% Utrecht 1,5 8% Noord-Holland 4,7 24% Bron: Min BZK, 2013a, p.64 25
  26. 26. verdeeld over de provincies (zie figuur 3.2). De sleutel voor de verdeling van deze gelden is het aantal rijksmonumenten in een provincie. Provincies bepalen welke rijksmonumenten worden gerestaureerd. Zij verbinden geldstromen van regionale partners, waaronder gemeenten en particulieren (MinBZK, 2012). Ervaringen van provincies met de eerste decentralisatieuitkering in 2012 Friesland “Voor Fryslân betekent dit dat er jaarlijks een bedrag van bijna € 1,5 mln. extra beschikbaar is voor de restauratie van rijksmonumenten. In de Nota Erfgoed 2010-2013 was dit beleidsmatig al aangekondigd. Voor 2012 zijn deze middelen samen met de provinciale middelen gebundeld in één stimuleringsregeling voor monumenten. Op grond van het Coalitieakkoord en het Uitvoeringsprogramma heeft herbestemming in de stimuleringsregeling een zwaar accent gekregen. Omdat herbestemmingen van monumentale panden vaak complex en veelal niet snel te realiseren zijn, is gekozen voor een ruimere termijn tot 31 december 2012. Gelet op de extra hoeveelheid geld, extra beschikkingen en de indieningstermijn voor herbestemming zal de uitbetaling met betrekking tot het gedecentraliseerde rijksgeld niet dit jaar maar begin 2013 plaatsvinden.” (ProvFr, 2013:358) Groningen “Via de junicirculaire is bekend gemaakt dat wij met ingang van 2012 jaarlijks een bedrag van € 902.800 als decentralisatie-uitkering via het Provinciefonds ontvangen voor de restauratie van rijksmonumenten. Bij de Integrale Bijstelling 2012 is het bedrag voor 2012 overgeheveld naar 2013. Deze middelen zullen in 2013 tot besteding komen.” (ProvGr, 2013:146) Overijssel “De rijksgelden voor gebiedsgerichte monumentenzorg worden, samen met de provinciale cofinanciering, vanaf 2013 ingezet binnen de nieuwe regeling Restauratie rijksmonumenten.” (ProvOv, 2013: 223) Noord-Holland “Halverwege 2012 heeft het Rijk structureel restauratiegelden […] aan de provincie beschikbaar gesteld. Hierdoor hebben wij meer subsidies kunnen verstrekken. […] Eigenaren van monumenten stellen, gezien de recessie, restauratie van hun monument uit.” (ProvN-H, 2013, p. 154) Zuid-Holland “Omdat de restauratiemiddelen pas medio 2012 gedecentraliseerd zijn naar provincies konden in 2012 geen monumenten gerestaureerd worden. Wel is in 2012 een subsidieregeling opgesteld op basis waarvan monumenteneigenaren subsidie kunnen aanvragen voor restauraties in 2013. Deze subsidieregeling is in nauw overleg met de Rijksdienst Cultureel Erfgoed en het NRF tot stand gekomen. […] De eerder nog verwachte aanwending van middelen voor de restauratie van rijksmonumenten is vertraagd, onder andere vanwege de voorbereidingstijd van restauraties. Het bedrag wordt toegevoegd aan de programmareserve (Restauratie rijksmonumenten).” (ProvZ-H, 2013, pp. 98, 229-230) 26
  27. 27. Een neveneffect is dat verschillende regels tussen provincies tot versnippering kan leiden. Naar verwachting is een groot deel van de gelden uit 2012 nog niet ter besteding gekomen. Dit heeft te maken met late beschikbaarstelling van de restauratiemiddelen vanuit het Rijk, het moeten opstellen van een subsidiebeleid door provincies, de voorbereidingstijd van restauraties en herbestemmingen en uitstel van investeringen in monumenten door eigenaren of het niet meer rond krijgen van de financiering daarvoor (zie kader). Ramingmethodiek In het algemeen kunnen uit de diverse regelingen budgetten per jaar worden toegekend die in meerjarenbegrotingen zijn vastgelegd (zie tabel 3.2). Rekening houdend met de budgetten per jaar en met de nog uit te betalen rijkssubsidies aan het eind van het jaar (zie tabel 3.3) worden restauratieprojecten van verschillende omvang en looptijd gestart. De productie die met die projecten samenhangt, wordt doorgaans gedurende een periode van meerdere jaren gerealiseerd. In de berekeningen van het toekomstige productievolume is dat vormgegeven door een overloop toe te passen vanuit het jaar van beschikking. Voor de onderhoudssubsidies is de overloop op 0 gesteld. Dat wil zeggen, dat de productie volledig wordt geboekt op het jaar waarin deze subsidie wordt toegewezen. Voor de verschillende restauratiesubsidieregelingen varieert de overloop in het rekenmodel van 1 tot 3 jaar. In de praktijk komt dit erop neer dat de aan het budget van het jaar t toegerekende productie wordt versleuteld over de jaren t, t+1, t+2 en eventueel nog t+3. In de bijlage Achtergrond ramingen, tabel B.1 is weergegeven hoe de overloop uitwerkt. Tabel 3.2 Overzicht van subsidieverlening (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Brrm 97 Brhb Rrm Stadsherstel Herbestemming w&wd Decentralisatieuitkering Restauratieregeling 2012 Brom eenjarig Brom meerjarig Brim 0 0,8 0 4,0 0,7 20,0 2,0 0,8 4,4 50,1 0 0 0 0 0,7 20,0 10,0 0 3,2 42,7 0 0 0 4,0 0,7 20,0 15,2 0 2,3 42,7 0 0 0 0 0,7 20,0 0 0 0,9 42,7 0 0 0 4,0 0,7 20,0 0 0 0 42,7 0 0 0 0 0,7 20,0 0 0 0 42,7 0 0 0 0 0,7 20,0 0 0 0 42,7 Totaal 82,8 76,6 84,9 64,3 67,4 63,4 63,4 Bron: EIB 2013, MinBZK, 2013a RCE 27
  28. 28. Tabel 3.3 Nog uit te betalen rijkssubsidies per 31 december (mln euro, prijzen 2012) 2007 2008 35,4 2009 2010 2011 2012 26,1 34,3 2,0 2,4 4,1 6,5 12,9 49,3 24,9 25,9 0,4 3,2 0,0 4,7 10,6 29,1 Brrm 97 Rrm Stadsherstel Herbestemming w&wd WWI Brgr IV Brom meerjarig Brim 30,1 25,5 21,7 41,6 37,1 14,1 13,3 0,4 102,2 13,4 23,8 14,2 98,8 31,9 10,5 13,1 48,5 Totaal 91,5 182,7 175,7 125,7 137,6 100,8 Bron: EIB Restauratiefonds 2008-2013, bewerking EIB Ophoogfactoren Met behulp van de voor de verschillende directe subsidieregelingen uitgekeerde budgetten en regelingspecifieke ophoogfactoren (multipliers), kan een raming worden gemaakt van de ontwikkelingen die zich op dat deel van de markt voor restauratie en onderhoud van monumenten voordoen. De ophoogfactor wordt gedefinieerd als de factor die gebruikt wordt om van het subsidiebedrag te komen tot de totale projectkosten die zijn gemoeid met de restauratie of het onderhoud van monumenten. De factor is een maatstaf voor de omvang van de bouwproductie die per saldo wordt teweeggebracht door het toekennen van restauratie- of onderhoudssubsidies door het Rijk aan eigenaren van monumenten. De ophoogfactor is geen uniforme factor. Er zijn verschillen per type monument en per soort werk. Deze worden onder andere veroorzaakt doordat er voor diverse soorten monumenten afwijkende subsidiepercentages kunnen gelden en doordat er in de praktijk ook sprake is van uiteenlopende opslagpercentages voor niet-subsidiabele kosten. De ophoogfactor is in de tijd gezien ook geen constante. Door wijzigingen in het subsidiesysteem en in de subsidievoorwaarden, door verschuivingen tussen verschillende soorten restauraties (intensieve tegenover eenvoudige ingrepen) en door schommelingen in de conjunctuur3, zijn de ophoogfactoren ook in de tijd aan veranderingen onderhevig. Voor de bepaling van de actuele hoogte van de ophoogfactoren zijn de uitkomsten van de onderzoek ‘Investeren in monumenten’ als uitgangspunt genomen. Voor de jaren 2012-2014 is per regeling veelal een tijdelijke reductie toegepast. 3 Vooral bij woonhuismonumenten en bij objecten met een bedrijfsmatig gebruik is de conjunctuur er verantwoordelijk voor dat de omvang van het werk, bovenop het subsidiabele deel dat geheel voor rekening komt van de eigenaar, kan variëren. 28
  29. 29. Dit vanwege de zwakke bouwconjunctuur in die periode. Hierbij wordt de Brrm-ophoogfactor op 3,0 gesteld in plaats van 3,2. De Brim-ophoogfactor wordt op 2,2 gesteld in plaats van 2,3. Voor de regelingen Rrm en Restauratieregeling 2012 is de ophoogfactor gelijkgesteld aan die van de Brim-regeling omdat deze regelingen bestemd zijn voor grootschalige restauraties of projecten waarbij herbestemming aan de orde is, alsmede voor projecten van ‘aangewezen organisaties voor monumentenbehoud’. De ophoogfactor voor de categorieën Stadsherstel en Herbestemming w&wd zijn vastgesteld op 1,6; dit is de waarde van de oude Kanjer-regeling. Bij de decentralisatieuitkering is sprake dat provincies de uitkering verbinden met gelden van regionale partners. De ophoogfactor voor deze categorie is daarom gelijkgesteld aan die van de Brrm-regeling. Tabel 3.4 geeft een overzicht van de waarden die voor de ophoogfactoren van de diverse regelingen in de berekeningen zijn toegepast. Tabel 3.4 Overzicht van de ophoogfactoren per subsidiecategorie Waarde ophoogfactor Oorspronkelijk Brrm 97 Brhb Rrm Stadsherstel Herbestemming w&wd Decentralisatieuitkering Restauratieregeling 2012 WWI Kanjer/Brgr Brom een-/meerjarig Brim Vorige studie 3,2 3,2 2,0 2,3 1,6 2,2 2,3 1,6 1,6 2,2 2,3 2012-‘14 2015-‘18 3,0 2,0 2,2 1,6 1,6 3,0 2,2 1,6 1,6 2,2 2,2 3,2 2,0 2,3 1,6 1,6 3,2 2,3 1,6 1,6 2,2 2,3 Bron: EIB Restauratiefonds 2007, 2010, EIB 3.2 Indirecte subsidiëring De ophoogmethode is niet voor alle gesubsidieerde monumentencategorieën een geschikt instrument om de productiewaarde van de restauratie- en onderhoudsinspanning te berekenen. Een voorbeeld van een categorie waarvoor de ophoogmethode niet toepasbaar is, is het onderhoud aan woonhuismonumenten in het bezit van particuliere eigenaren. 29
  30. 30. Fiscale subsidiëring Particulieren die hun monument gebruiken voor eigen bewoning moeten het wat betreft het onderhoud weliswaar zonder directe overheidsbijdrage stellen, maar kunnen wel een gedeelte van de kosten van onderhoudswerkzaamheden die samenhangen met het behoud van het monumentale karakter, aftrekken voor de inkomstenbelasting. Hoewel er dus geen concreet subsidieartikel op van toepassing is, kunnen deze werkzaamheden toch als gesubsidieerd (zij het indirect) worden aangemerkt, omdat materieel gezien sprake is van fiscale subsidiëring. Immers, er vloeit via de belastingderving (zie tabel 3.5) een financieringsstroom van het Rijk naar de restaurerende eigenaars. De aftrekbaarheid van monumentenonderhoud voor de inkomstenbelasting kent geen formele budgettaire begrenzing (openeinderegeling). Geldt voor restauratiesubsidies dat de omvang van de productieprikkel vooraf berekend kan worden uit de hoogte van het beschikbare (meerjaren)budget (ervan uitgaande dat de budgetten jaarlijks worden opgemaakt), het effect van de fiscale aftrekregeling is afhankelijk van de mate waarin woningeigenaren er gebruik van maken. Met behulp van veronderstellingen over het gemiddelde belastingtarief kan de omvang van de onderhoudsproductie rechtstreeks worden berekend uit informatie van het ministerie van OCW over de hoogte van de belastingderving. In het huidige onderzoek is een gemiddeld marginaal belastingtarief van 43,8%4 aangehouden. Tabel 3.5 Verwachte belastingderving door aftrek kosten monumenten woning, 2012-2018 (mln euro) 2012 2013 2014 2015 Belastingderving 59 57 56 55 2016 2017 2018 55 54 54 Bron: EIB MinOCW, 2013:18 Leningen Restauratiefonds Een andere categorie waarvoor de ophoogmethode niet werkt, betreft de restauraties die worden gefinancierd met een hypotheek van het Restauratiefonds. Ook deze projecten - die vrijwel geheel bestaan uit woonhuisrestauraties ontvangen niet in directe zin een bijdrage van het Rijk in de kosten van restauratie, maar zij genieten wel de voordelen van een laagrentende lening. Het gaat hier dus om een rentesubsidie. Deze wordt gefinancierd uit de opbrengsten van een revolving-fund, dat gevoed wordt door de aflossingen en de rente op 4 Op basis van het Rijksmonumentenregister zijn de 20 gemeenten geïdentificeerd met de meeste monumentale woonhuiscomplexen. In deze gemeenten vinden we ruim 57% van het totale aantal monumentale woonhuiscomplexen terug. Met WoOn 2012 is het gemiddelde marginale belastingtarief berekend op basis van de som van het belastbaar inkomen box 1 van huishoudens die eigenaar zijn van woningen in de geïdentificeerde gemeenten die gebouwd zijn voor 1940. Dit jaar is als uitgangspunt genomen omdat het merendeel van de woonhuismonumenten voor 1940 is gebouwd. 30
  31. 31. restauratieleningen die eerder - met rentesubsidie - verstrekt zijn en door directe stortingen van het Rijk in dat fonds. In dit geval kan de omvang van de restauratieproductie worden berekend uit de door het fonds jaarlijks aangegane verplichtingen die gekoppeld worden aan de raming van het EIB voor renovatie en onderhoudswerkzaamheden in de B&U. Hierbij moet worden bedacht dat het onderhoudsdeel van de particuliere woningrestauraties die met een Restauratiefondslening worden gefinancierd ook in aanmerking komen voor de fiscale aftrekregeling. Daarom moet een correctie voor dubbeltelling worden gemaakt. Hiervoor is als uitgangspunt genomen dat jaarlijks gemiddeld een derde van de belastingderving samenhangt met door het Restauratiefonds gefaciliteerde restauraties. 3.3 Ongesubsidieerde restauraties Met de beschreven analysetechnieken is het niet mogelijk om de hele restauratiemarkt te berekenen. Niet al het restauratiewerk vloeit voort uit projecten waar subsidie voor wordt verleend, of waar anderszins een door het Rijk gevoede financieringsbron aan ten grondslag ligt. Een relatief beperkt deel wordt uitgevoerd zonder enige vorm van overheidsbijdrage. De omvang van de ongesubsidieerde restauraties of, nauwkeuriger gezegd, de niet door het Rijk gesubsidieerde restauraties, moeten op een andere manier worden vastgesteld. Voor een deel is dat in dit onderzoek gedaan door rechtstreekse informatie bij de opdrachtgevers. De ongesubsidieerde productie bestaat onder andere uit de restauratie en het onderhoud van de monumenten die staatseigendom zijn en die in beheer zijn bij de Rijksgebouwendienst (Rgd). De Rgd kan geen aanspraak maken op de generieke subsidiebudgetten van het Rijk, maar is wel verantwoordelijk voor de instandhouding van het monumentenbezit van het Rijk. Het Rijk bezit meer dan 2005, voor een deel zeer grote, monumenten en monumentale complexen. Daarbinnen bevinden zich ongeveer 350 objecten die afzonderlijk voorkomen in het Rijksmonumentenregister (Rgd, 2013). Een deel van deze objecten wordt aangeduid als ‘monumenten met erfgoedfunctie’ (mef). Het Rijk beschouwt deze mef-monumenten als een onvervreemdbaar onderdeel van het nationale cultuurbezit. De instandhouding daarvan wordt gezien als een primaire overheidstaak. Deze wordt integraal via de begroting6 uitgevoerd en behoeft dus niet te worden gestimuleerd door middel van subsidiëring. Dit deel van de ongesubsidieerde restauratieproductie kan redelijk nauwkeurig worden bepaald uit opgave van de Rgd. Daarnaast komen op diverse plaatsen restauratie- en groot onderhoudsinitiatieven tot stand aan monumentale (bedrijfs-)gebouwen die eigendom zijn van bedrijven en lagere overheden, zonder dat daarvoor een geldelijke bijdrage van het Rijk wordt gevraagd. Een voorbeeld hiervan is de renovatie van historische stationsgebouwen door de Nederlandse Spoorwegen. 5 Hiervan wil het Rijk 34 monumenten met erfgoedfunctie verkopen (Rgd, 2013). 6 Van BZK of incidenteel van een ander ministerie dat gebruiker is van een specifiek monument of op wiens beleidsterrein een specifiek monument een huisvestingsfunctie vervult. 31
  32. 32. 3.4 Lokale subsidiëring en herbestemming De restauratieproductie is sterk afhankelijk van het stimuleringsbeleid door het Rijk. Hierbij vergeleken is de rol van de lagere overheden (nog) zeer beperkt van omvang. Weliswaar is het aantal gemeentelijke en provinciale monumenten van behoorlijke omvang, maar de financiële betrokkenheid bij restauratie en onderhoud van die objecten houdt daarmee geen gelijke tred. Diverse provincies en veel gemeenten hebben wel een budget voor monumentenzorg op hun begroting. Vaak is dit vooral bestemd voor dekking van de kosten van het eigen apparaat of voor stimulering van (particuliere) organisaties die zich bezighouden met monumentenzaken (voorlichting, educatie, vakopleiding) in het eigen werkgebied. Voor directe stimulering van restauratie en onderhoud door middel van geldelijke steun, zijn maar in zeer beperkte mate directe budgetten beschikbaar. In veel gevallen worden die budgetten aangewend voor cofinanciering van projecten waaraan ook rijkssteun is toegekend. In die zin leiden ze dan niet tot extra productie boven wat al geregistreerd is bij de berekening van de restauratieproductie uit rijkssubsidiëring. Zoals aangegeven (zie hoofdstuk 2) is de financiële ruimte voor een eigen restauratiebeleid van de lagere overheden landelijk gezien zeer beperkt. Ervaring en actieve betrokkenheid van provincies en gemeenten bij de financiering van restauraties wordt echter wel gestimuleerd. Enerzijds door de structurele decentralisatie van het Rijk naar provincies van de regierol in het restauratiebeleid van rijksmonumenten. Anderzijds geeft het Restauratiefonds ook laagrentende leningen uit ten behoeve van de restauratie van gemeentelijke en provinciale monumenten. Dit gaat ten laste van aparte restauratie- en cultuurfondsen die voor een beperkt aantal gemeenten en negen provincies worden beheerd. De waarde van de hieruit gefinancierde restauratieproductie bedroeg de laatste jaren gemiddeld 17% van de totale productiewaarde die door het Restauratiefonds wordt gegenereerd. Deze productie is in de berekening van de restauratiemarkt meegenomen (zie paragraaf 3.2). Ditzelfde geldt voor de herbestemmingsproductie. In enige mate hangt de herbestemmingsproductie af van financiering uit het Restauratiefonds. Bijvoorbeeld via de Restauratiefondsplus-hypotheek of lokale restauratie- en cultuurfondsen, die gekoppeld kunnen zijn aan een thema zoals duurzaamheid of herbestemming. 32
  33. 33. 4 Restauratiemarkt De productieraming is gebaseerd op de verschillende indicatoren die in hoofdstuk 3 zijn beschreven. In dit hoofdstuk blijkt dat de productie op volumebasis geleidelijk terugloopt tot ongeveer € 400 miljoen in 2018. De verwachte ontwikkeling van de restauratieproductie hangt vooral samen met de direct gesubsidieerde productie die, overeenkomstig met de beleidsdoelstellingen, in de komende jaren wordt genormaliseerd. Daarbij moet rekening worden gehouden dat in de meerjarenbegrotingen alleen de structurele budgetten zijn vastgelegd. Het is op dit moment niet bekend of in de komende jaren, zoals in het verleden, toch nog incidenteel budgetten voor restauratie ter beschikking zullen komen. Per saldo ligt de totale ongesubsidieerde productie aan het einde van de prognoseperiode niet ver onder het uitgangsniveau. Overeenkomstig met het overheidsbeleid verschuift de nadruk in de komende jaren van direct gesubsidieerd werk naar projecten die indirect worden gesubsidieerd. 4.1 Direct gesubsidieerde productie In tabel 4.1 is aangegeven hoe hoog de productie van restauratie- en onderhoudswerk uit de verschillende directe subsidieregelingen wordt geraamd. Bij de productie die voortvloeit uit directe subsidiëring doen zich uiteenlopende ontwikkelingen voor. Hoewel de laatste beschikking voor de Brrm 97 regeling plaatsvond in 2011 wordt, uitgaande van een na-ijleffect (overloop) van drie jaar, in 2014 de laatste productie uit deze regeling tot stand gebracht. Daarnaast loopt op termijn (2015) ook de productie af die voortkomt uit de structurele regeling Rrm en Brom (meerjarig). Deze aflopende regelingen hebben een grote invloed op het verloop van de geraamde direct gesubsidieerde restauratieproductie. Ter vervanging van de restauratieregeling Brrm 97 worden vanaf 2007 budgetten gevoteerd voor de instandhoudingsregeling (restauratie en onderhoud) Brim. De productie daaruit bedraagt naar verwachting € 98 miljoen in 2018. Daarnaast wordt via de gevormde decentralisatieuitkering structureel restauratiewerk gefaciliteerd. Aan het einde van de prognoseperiode ligt de direct gesubsidieerde productie 35% lager dan in het uitgangsjaar 2012. Er zijn dan in hoofdzaak nog twee subsidiecategorieën operationeel: Brim en de decentralisatieuitkering. 33
  34. 34. Tabel 4.1 Raming direct gesubsidieerde restauratieproductie, 2012-2018, (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 Brrm 97 Brhb Rrm Stadsherstel Herbestemming w&wd Decentralisatieuitkering Brgr Rrwr Rerrm 2009 WWI Restauratieregeling 2012 Regeling 19 miljoen Brom eenjarig Brom meerjarig Brim Totaal 2017 2018 3 2 18 6 1 30 3 5 8 19 1 18 2 15 85 45 1 23 1 1 66 4 0 0 0 7 6 0 15 89 30 0 23 6 1 66 4 0 0 0 17 0 0 13 98 0 0 12 1 1 66 0 0 0 0 20 0 0 2 110 0 0 0 6 1 64 0 0 0 0 13 0 0 0 107 0 0 0 1 1 64 0 0 0 0 3 0 0 0 101 0 0 0 0 1 64 0 0 0 0 0 0 0 0 98 216 258 258 211 191 170 163 Bron: EIB 4.2 Indirect gesubsidieerde productie Indirect worden restauratie en onderhoud bevorderd door de fiscale regeling voor aftrek van kosten voor monumentenpanden en door het beschikbaar stellen van laagrentende leningen uit het Restauratiefonds. Fiscale subsidiëring Bij de raming van de fiscaal gefaciliteerde onderhoudsproductie is uitgegaan van de door het ministerie van OCW begrote belastingderving voor de periode 2011-2017 (MinOCW, 2012, p.18). De regeling is per 1 januari 2012 gewijzigd. In de huidige regeling zijn de onderhoudskosten na aftrek van eventuele subsidies voor 80% aftrekbaar7. 7 Daarnaast wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen monumenten die als eigen woning worden belast en monumenten die als overig vermogen worden belast. Drempels om voor aftrek in aanmerking te komen zijn ook afgeschaft en de mogelijkheid tot aftrek van afschrijvingen en lasten is vervallen. Voor 2012 en 2013 geldt een overgangsregeling. Als er vóór 1 januari 2012 onherroepelijke betalingsverplichtingen zijn aangegaan, waarvan de betaling pas in 2012 of 2013 wordt gedaan, kan alleen voor de onderhoudskosten voor de betalingen die hier uit voortvloeien nog een beroep worden gedaan op de oude regeling. De onderhoudskosten zijn dan voor 100% aftrekbaar, rekening houdend met de drempel. De drempel bedraagt 0,8% van de WOZ-waarde als het monument een eigen woning is. In andere gevallen is de drempel dan 4% van de WOZ-waarde. 34
  35. 35. De begrote belastingderving is gedeeld door het gemiddelde marginale belastingtarief (42,8%, zie hoofdstuk 3). Het productiebedrag is verkregen door de begrote belastingderving te delen door 0,8. Vervolgens is het bedrag gecorrigeerd voor dubbeltellingen, omdat het onderhoudsdeel van de particuliere woningrestauraties die met een Restauratiefondslening worden gefinancierd ook in aanmerking komen voor de fiscale aftrekregeling. Hiervoor is als uitgangspunt genomen dat jaarlijks gemiddeld een derde van de belastingderving samenhangt met door het Restauratiefonds gefaciliteerde restauraties (zie ook bijlage Achtergrond ramingen, tabel B.2). Tabel 4.2 laat zien dat na een beperkte daling voor dit onderdeel op middellange termijn een stabilisatie van het productievolume wordt verwacht rond € 102 miljoen. Toekomst fiscale regeling voor aftrek van kosten voor monumentenpanden De kans bestaat dat de fiscale regeling voor aftrek van kosten voor monumentenpanden op termijn wordt omgezet in een subsidieregeling. In opdracht van het Ministerie van Financiën heeft de Commissie Van Dijkhuizen advies uitgebracht over vereenvoudiging van het belastingstelsel. Eén van voorstellen van de commissie is om ingewikkelde fiscale regelingen met behoud van budget over te hevelen naar de betrokken ministeries. De aftrek kosten monumentenpanden wordt hierbij genoemd (Belastingcie, 2013, p. 122). Wijzigingen in het belastingstelsel worden niet voor 2014 voorzien (Volkskrant, 2013). Leningen Restauratiefonds Voor de bepaling van de productie uit leningen ten laste van het Restauratiefonds8 en de gelieerde lokale restauratie- en cultuurfondsen is voor 2012 uitgegaan van de door het Restauratiefonds aangegane verplichtingen. Voor de productiewaarde is aangenomen dat het gemiddelde verplichtingsbedrag 70% bedraagt van de totale bouwkosten die met de restauratie zijn gemoeid. Voor leningen ten laste van de (recent ingevoerde) Restauratiefondsplus-hypotheek is voor 2013 uitgegaan van het door het Restauratiefonds begrote bedrag. Voor de prognose is verder gebruik gemaakt van de bouwmarktraming van het EIB. Hierin wordt o.a. rekening gehouden met macro-economische ontwikkelingen en effecten van overheidsbeleid op de bouwproductie. In dit kader staan de investeringen in monumentenrestauraties onder druk door beperking van de koopkracht van huiseigenaren en de verhuurderheffing voor woningcorporaties. Vanaf 2016 wordt weer herstel ingeboekt. Aan het einde van de prognoseperiode ligt de productie voor dit onderdeel 55% hoger dan in het uitgangsjaar 2012. Deze groei wordt in belangrijke mate verklaard door de introductie van de Restauratiefondsplus-hypotheek, die bedoeld is voor de uitvoering van restauraties aan niet-woonhuizen. 8 Het Restauratiefonds is in de jaren tachtig van de vorige eeuw ingesteld met een startkapitaal van het Rijk. Ook in latere jaren zijn door het Rijk bijstortingen gedaan. 35
  36. 36. Tabel 4.2 Raming indirect gesubsidieerde restauratieproductie, 2012-2018, (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Fiscale subsidiëring Restauratiefonds - Cultuurfondshypotheek - Regionale Restauratiefondshypotheek - Restauratiefonds-hypotheek - Restauratiefondsplushypotheek 111 66 4 108 87 6 106 86 6 104 89 6 104 99 6 102 104 7 102 102 7 5 53 5 53 5 52 5 53 6 57 6 59 6 59 4 23 23 25 30 32 30 Totaal 177 194 191 193 203 205 203 Bron: EIB 4.3 Ongesubsidieerde productie De ongesubsidieerde restauratieproductie bestaat uit werk in opdracht van een steeds wisselende groep van opdrachtgevers. Binnen deze groep vormt de Rijksgebouwendienst (Rgd) een constante factor. Bij de raming van de Rgd-productie is uitgegaan van de gerealiseerde (2012) en begrote ‘bijdrage aan de Rgd voor monumenten’ door het ministerie van BZK voor de periode 2012-2017 (MinBZK, 2013b, p.78, Tweede Kamer, 2012, p.60). De Rgd-productie bedroeg in 2012 € 14 miljoen. Door het aflopen van enkele grote projecten (het Rijksmuseum in Amsterdam en het Paleis op de Dam) is de restauratieproductie voor rekening van de Rgd ten opzichte van de jaren Tabel 4.3 Raming ongesubsidieerde restauratieproductie, 2012-2018, (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Rijksgebouwendienst Overige opdrachtgevers 14 22 10 22 10 22 10 23 10 24 10 24 10 25 Totaal 36 32 32 33 34 34 35 Bron: EIB 36
  37. 37. daarvoor sterk afgelopen. Op basis van de begroting wordt geen herstel voorzien. Wel kan extra productie verwacht worden, bijvoorbeeld wanneer een begin wordt gemaakt met de restauratie en herbestemming van Paleis Soestdijk. De ongesubsidieerde restauratieproductie van overige opdrachtgevers zal zich op korte termijn stabiliseren. Op middellange termijn zal met de verbetering van de economische situatie ruimte ontstaan voor groei. Tabel 4.3 laat zien dat vanaf 2015 rekening wordt gehouden met enig herstel. Per saldo ligt de totale ongesubsidieerde productie aan het einde van de prognoseperiode niet ver onder het uitgangsniveau. 4.4 Landelijk overzicht Uit de ramingen voor de deelsectoren blijkt dat de direct gesubsidieerde productie overeenkomstig met de beleidsdoelstellingen in de komende jaren wordt genormaliseerd. De indirect gesubsidieerde werken bieden enig tegenwicht. Figuur 4.1 geeft een overzicht van de gerealiseerde (tot 2012) en de verwachte (vanaf 2013) ontwikkeling in de periode 2005-2018. Het gaat om het productievolume in prijzen van 2012. De productie op volumebasis stabiliseert zich tot € 402 miljoen in 2018. Ten opzichte van het laatste realisatiejaar, 2012, betekent dat een daling voor de hele sector van ongeveer 6½%. Per jaar komt dat voor de periode tot 2018 neer op een gemiddelde krimp van 1%. Figuur 4.1 Restauratieproductie 2005-20181, prijzen 2012 € mln 700 600 500 400 300 200 100 0 2005 2006 2007 2008 2009 Direct rijksgesubsidieerd Ongesubsidieerd 1 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Indirect gesubsidieerd Restauratiemarkt totaal 2005-2012 realisatie, 2013-2018 raming Bron: EIB 37
  38. 38. De verwachte daling van de restauratieproductie wordt vooral veroorzaakt door de geraamde daling van de productie uit directe subsidies. De oorzaak is dat in de meerjarenbegrotingen alleen de structurele budgetten zijn vastgelegd. In de realisatiecijfers zit ook productie uit incidenteel toegekende aanvullende subsidies. In het verleden werden herhaaldelijk extra budgetten beschikbaar gesteld, buiten de reguliere regelingen om. Het is op dit moment niet bekend of in de komende jaren opnieuw extra budgetten voor restauratie ter beschikking zullen komen. De noodzaak daartoe is minder aanwezig dan voorheen, omdat de onderhoudsachterstand in de monumentenvoorraad immers gereduceerd is tot onder de 10%. In dit kader is het overheidsbeleid nu meer gericht op tijdig planmatig onderhoud en herbestemmingen (en bijbehorende subsidieregelingen) om kostbare ingrijpende restauraties en leegstand en achteruitgang te voorkomen. Uit tabel 4.4 blijkt dat de nadruk in de komende jaren verschuift van direct gesubsidieerd werk naar projecten die indirect worden gesubsidieerd (via het Restauratiefonds en de fiscale aftrekregeling). Het aandeel van het ongesubsidieerde werk blijft vrijwel gelijk Tabel 4.4 Restauratieproductie naar wijze van subsidiëren, procenten 2012 Direct rijksgesubsidieerd Indirect gesubsidieerd Ongesubsidieerd Totaal 2018 50 41 9 41 50 9 100 100 Bron: EIB 4.5 Regionale restauratiemarkten Zoals wordt geïllustreerd in figuur 4.2, loopt het restauratievolume per landsdeel sterk uiteen. Ongeveer analoog aan de verdeling van het aantal monumenten, ligt de restauratieproductie het hoogst in de westelijke provincies. Zuid volgt op ruime afstand op de tweede plaats. De figuur laat verder zien dat het Oosten en het Noorden duidelijk het laagste productievolume kennen. De verwachte ontwikkeling verloopt in de vier landsdelen volgens een vergelijkbaar landelijk patroon. Uit figuur 4.3 blijkt dat de prognose voor het Westen en het Oosten relatief een fractie gunstiger is. 38
  39. 39. Figuur 4.2 Restauratieproductie per landsdeel, 2009-2018 (prijzen 2012) € mln 300 250 200 150 100 50 0 2009 2010 2011 Noord 2012 2013 2014 Oost 2015 2016 West 2017 2018 Zuid Bron: EIB Figuur 4.2 Restauratieproductie per landsdeel, 2012-2018 (prijzen 2012) Index 2012=100 140 130 120 110 100 90 80 70 2012 2013 Noord 2014 Oost 2015 West 2016 Zuid 2017 2018 Nederland Bron: EIB 39
  40. 40. 4.6 Restauratie en bouwmarkt Na de crisis in 2009 en 2010 werd de bouw in 2012 geconfronteerd met een tweede fase van krimp. Vanaf een topproductie van € 64 miljard in 2008 liep de productie in vier jaar tijd terug naar € 52 miljard (prijzen 2012). Het dieptepunt wordt in 2013-2014 verwacht. Binnen de sector als geheel liet de burgerlijke en utiliteitsbouw nog dramatischer cijfers zien. Deze deelsector, waar de restauratieproductie deel van uitmaakt, kromp nog sterker, met name in de nieuwbouw van woningen en utiliteitsgebouwen. De renovatie en het onderhoud van gebouwen gingen minder hard onderuit. De restauratiesector toont inhoudelijk de meeste overeenkomst met die laatste deelmarkt. In figuur 4.4 wordt de deels gerealiseerde en deels verwachte ontwikkeling van de restauratiemarkt, de markt voor renovatie en onderhoud en de B&U-productie gedurende de periode 2008-2018 naast elkaar gezet. Het blijkt dat de restauratiemarkt tot 2011 duidelijk beter presteert dan de markt voor renovatie en onderhoud. De aanwezige invloed van tijdelijke stimuleringsmaatregelen zorgt ervoor dat de restauratieproductie - tegen de bouwconjunctuur in - in grote lijnen op peil blijft. Waar echter in 2012 de situatie op de markt voor renovatie en onderhoud naar verwachting stabiliseert, vertoont de prognose van de restauratiemarkt een sterke daling. Vanaf 2015 wordt duidelijk dat de restauratiesector krimpt door het wegvallen van oude structurele subsidiëringregelingen en op termijn zal stabiliseren door recent geïntroduceerde structurele subsidiëringregelingen. Figuur 4.4 Ontwikkeling restauratiemarkt en bouwmarkt, 2008-2018, index 2008=100 Index 2008=100 110 105 100 95 Renovatie& onderhoud 90 B&U totaal 85 Restauratiemarkt 80 75 70 65 60 2008 Bron: EIB 40 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
  41. 41. 4.7 Restauratie versus onderhoud Restauratie en onderhoud van monumenten worden in dit rapport gezien als ingrepen ter instandhouding van monumentale gebouwen die onderling sterk samenhangen (zie hoofdstuk 1). In de hiervoor beschreven marktcijfers zijn beide activiteiten samengenomen. In figuur 4.5 wordt de ontwikkeling van het restauratiewerk en het monumentale onderhoud apart weergegeven. Tot het onderhoud zijn hier de werkzaamheden gerekend die voortvloeien uit: • de Brom-subsidies (één- en meerjarig); • herbestemming wind en waterdicht; • een deel van de Brim-gelden; • het fiscaal gefaciliteerde onderhoud. De productie uit alle overige subsidieregelingen en uit de Restauratiefondsfinanciering, alsmede de ongesubsidieerde productie zijn in hun geheel als restauratiewerk aangemerkt. Het blijkt dat de uitgaven voor monumentenonderhoud naar verwachting een stabielere ontwikkeling zullen doormaken. De verwachte daling van de totale markt komt sterker tot uiting in het restauratiewerk in enge zin. Dit is in lijn met het overheidsbeleid om te streven naar tijdig planmatig onderhoud om kostbare ingrijpende restauraties te voorkomen. Figuur 4.5 Productieontwikkeling restauratie en onderhoud van monumenten, 2008-2018 (prijzen 2012) € mln Index 2008=100 120 900 110 800 100 700 90 600 80 500 70 400 60 300 50 200 40 100 30 0 2008 2009 2010 2011 Onderhoud monumenten 2012 2013 Restauratie 2014 2015 2016 Onderhoud, index 2017 2018 Restauratie, index Bron: EIB 41
  42. 42. 42
  43. 43. Bijlage A Tabel A.1 2003 Onroerend-erfgoedcijfers Aantal gebouwde rijksmonumenten per jaar 2004 50.821 51.048 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 50.898 50.891 50.875 50.820 50.752 50.746 50.698 50.643 Bron: Monumentenregister, RCE 43
  44. 44. 44 2.164 Totaal Bron: Monumentenregister, RCE 1.132 371 254 84 84 87 22 15 69 26 20 GR 3.674 2.311 400 445 80 98 153 30 20 79 37 21 FR 1.063 320 429 114 22 82 36 22 6 14 13 5 DR 3.085 1.628 711 191 141 77 60 86 139 35 11 6 OV 50 30 4 7 0 2 0 0 0 7 0 0 FL 4.224 2.024 849 496 150 129 149 212 122 47 28 18 GE NH 3.838 12.462 2.397 10.274 536 516 208 463 122 368 114 267 38 142 171 81 115 63 94 127 21 119 22 42 UT Aantal gebouwde rijksmonumenten per categorie en provincie, 2013 Woonhuizen Agrarisch gebouwen Kerkelijke gebouwen Losse objecten Openbare gebouwen Molens Kastelen, landhuizen Verdedigingswerken Weg- en waterwerken Liefdadigheidsinstellingen Horeca Tabel A.2 7.896 5.553 743 419 199 253 243 110 61 198 104 13 ZH 3.306 2.531 160 188 72 59 86 31 126 37 15 1 ZL 4.371 2.344 674 576 185 202 138 81 69 45 33 24 NB 4.510 2.406 971 498 139 110 114 129 78 30 11 24 LI
  45. 45. Bijlage B Tabel B.1 Achtergrond ramingen Verdeling van beschikkingsjaar naar productiejaar, 2012-2018, (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Brrm 97 1,1 Brhb 0,8 Rrm 8,4 Stadsherstel 3,6 Herbestemming w&wd 0,7 Decentralisatieuitkering 10 Brgr 1,9 Rrwr 3 Rerrm 2009 5,1 WWI 8,3 Restauratieregeling 2012 0,5 Regeling 19 miljoen 5,7 Brom eenjarig 0,8 Brom meerjarig 6,7 Brim 38,4 15 0,4 10,4 0,4 0,7 22 2,3 0 0 0 3,2 1,9 0 6,9 40,6 10 0 10,4 3,6 0,7 22 2,3 0 0 0 7,9 0 0 6,0 44,4 0 0 5,2 0,4 0,7 22 0 0 0 0 8,5 0 0 0,9 47,8 0 0 0 3,6 0,7 20 0 0 0 0 5,6 0 0 0 46,5 0 0 0 0,4 0,7 20 0 0 0 0 1,5 0 0 0 43,9 0 0 0 0 0,7 20 0 0 0 0 0 0 0 0 42,7 103,8 107,3 85,5 76,4 66,6 63,4 Totaal 95,1 Bron: EIB Tabel B.2 Berekening fiscale subsidiëring, 2012-2018, (mln euro) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Belastingderving Totale aftrek Productie Correctie dubbeltelling 59 135 168 -57 57 130 163 -55 56 128 160 -54 55 126 157 -53 55 126 157 -53 54 123 154 -52 54 123 154 -52 Totaal 111 108 106 104 104 102 102 Bron: EIB 45
  46. 46. 46
  47. 47. Afkortingen Belastingcie Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (commissie Van Dijkhuizen) Brgr Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties Brhb Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen Brim Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten Brom Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten Brrm Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten B&u Burgerlijke en utiliteitsbouw MinBZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties MinOCW Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap NRF Nationaal Restauratiefonds ProvFr Provincie Friesland ProvGr Provincie Groningen ProvN-H Provincie Noord-Holland ProvOV Provincie Overijssel ProvZ-H Provincie Zuid-Holland RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Rgd Rijksgebouwendienst Rerrm Regeling extra rijkssubsidiëring restauratie monumenten Rrm Regeling restauratie monumenten Rrwr Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand Srhce Subsidieregeling restauratie en bestemming cultureel erfgoed WWI Stimuleringsregeling voor de woningbouw van het ministerie van Wonen, Wijken en Integratie 47
  48. 48. 48
  49. 49. Bronnen Belastingcie (2013). Naar een activerender belastingstelsel: Eindrapport. Den Haag. Erfgoedinspectie (2013a). Erfgoed in goede handen. Den Haag: Erfgoedinspectie. Erfgoedinspectie (2013b). Monitor Erfgoedinspectie: Staat van de naleving 2011-2012 en Bijlage: Integrale vragenlijst met antwoorden, toezichtveld monumenten. Den Haag: Erfgoedinspectie. MinBZK (2012). Rijksbegroting 2013 C Provinciefonds, vergaderjaar 2012-2013, 33 400 C, nr. 2. Den Haag: Sdu Uitgevers. MinBZK (2013a). Provinciefonds Meicirculaire 2013. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BDF/Financieel en Informatiestelsel. MinBZK (2013b). Rijksjaarverslag 2012 VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vergaderjaar 2012-2013, 33 605 VII, nr. 1. Den Haag: Sdu Uitgevers. MinOCW (2012). Rijksbegroting 2013 VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vergaderjaar 2012-2013, 33 400 VIII, nr. 1. Den Haag: Sdu Uitgevers. MinOCW (2013). Rijksjaarverslag 2012 VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vergaderjaar 2012-2013, 33 605 VIII, nr. 1. Den Haag: Sdu Uitgevers. ProvFr (2013). Jierstikken 2012. Leeuwarden: Provincie Fryslân ProvGr (2013). Programmarekening 2012. Provincie Groningen ProvOv (2013). Jaarverslag 2012. Zwolle: Provincie Overijssel ProvN-H (2013). Jaarstukken 2012. Haarlem: Provincie Noord-Holland. ProvZ-H (2013). Jaarstukken 2012. Den Haag: Provincie Zuid-Holland. RCE (2011). Jaarverslag 2010 - Aantal herbestemmingen. Opgeroepen op jun 2013, van http://www.cultureelerfgoed.nl/organisatie/publicaties-van-rijksdienst/jaarverslag-2010/aantal-herbestemmingen RCE (2012a). Jaarverslag 2011 - Aantal herbestemmingen. Opgeroepen op jun 2013, van http://www.cultureelerfgoed.nl/organisatie/publicaties-van-rijksdienst/jaarverslag-2011/onroerend-erfgoedcijfers/vergunningen-geb-0 RCE (2012b). Monitor inzake de staat van het gebouwd erfgoed 2011. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. RCE (2013). Via e-mail. 49
  50. 50. Restauratiefonds (2007). Investeren in monumenten. Hoevelaken: Nationaal Restauratiefonds. Restauratiefonds (2008-2013). Jaarverslag 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012. Hoevelaken: Nationaal Restauratiefonds. Restauratiefonds. (2010). Investeren in monumenten 2010. Hoevelaken: Nationaal Restauratiefonds. Schellevis, J. (2011). Restauratie en onderhoud van monumenten. Amsterdam: Economisch Instituut voor de Bouw. Stcrt (2012a, oktober 9). Staatscourant Nr. 20420. Opgeroepen op juni 2013, van http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u6/Subsidieregeling%20 instandhouding%20monumenten%20incl%20leidraad.pdf Stcrt (2013, februari 26). Staatscourant Nr. 5217. Opgeroepen op juni 2013, van http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u6/stcrt-2013-5217%5B1%5D. pdf Stcrt (2012b, september 3). Staatscourant Nr. 17784. Opgeroepen op juni 2013, van http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u6/stcrt-2012-17784.pdf Tweede Kamer. (2012). Vergaderjaar 2012-2013, 33 400 VII, nr. 2. Den Haag. Volkskrant (2013, juni 18). Belastingherziening niet voor korte termijn. Opgeroepen op jun 2013, van http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/ detail/3460975/2013/06/18/Belastingherziening-niet-voor-korte-termijn.dhtml 50
  51. 51. EIB-publicaties 2008 Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2008 Procesintegratie en innovatief ondernemerschap in het bouwproces - meting 2007 Kostendruk van wet- en regelgeving in het gespecialiseerde aannemingsbedrijf Infrastructuurmonitor - MIRT 2008 Bouw in beeld 2007 Openbaarvervoerinfrastructuur in een geliberaliseerde markt Algemene kosten in het bouwbedrijf Het ziekteverzuim in de bouw in 2007 Kwaliteit van de dienstverlening en het bestuurlijk proces van lagere overheden De markt voor restauratie en onderhoud van monumenten tot 2013 Uitdagingen en beleidsopties bij nieuwbouw van woningen - regionale ontwikkelingen en beleid na 2009 De Vastgoedlezing 2008 - crisis op de Nederlandse woning- en vastgoedmarkt? (ASRE) Bedrijfseconomische kencijfers van b&u-bedrijven in 2007 Bedrijfseconomische kencijfers van gww-bedrijven in 2007 Monitor arbeidsongevallen in de bouw 2007 (ARBOUW) Bouwconcerns in beeld 2007/2008 2009 Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2009 Opdrachtgevers aan het woord - meting 2008 Procesintegratie en innovatief ondernemerschap in het bouwproces - meting 2008 51
  52. 52. Middenkaderopleidingen in de bouw Algemene kosten in het bouwbedrijf 2006-2007 Bouw in beeld 2008 Trends en ontwikkelingen in de afbouwbranche 2009-2014 De zelfstandige zonder personeel in de bestratingsbranche Het ziekteverzuim in de bouw in 2008 Verkenning effecten stimuleringsmaatregelen rond de woningbouw (www.eib.nl Monitor arbeidsongevallen in de bouw 2008 (ARBOUW) Hervorming van de woningmarkt Reïntegratie van langdurig zieke werknemers in de bouw Bouwconcerns in beeld 2008-2009 2010 Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2010 Algemene kosten in het bouwbedrijf 2006-2008 Bedrijfseconomische kencijfers b&u-bedrijven 2008 Bedrijfseconomische kencijfers gww-bedrijven 2008 Trends en ontwikkelingen in de afbouwbranche 2010-2015 Zzp’ers in de bouw De arbeidsmarkt in de bitumineuze en kunststofdakbedekkingsbranche Kantorenleegstand - probleemanalyse en oplossingsrichtingen (www.eib.nl) Ondergrondse netwerken en grondwaterbeheer Monitor arbeidsongevallen in de bouw 2009 (ARBOUW) Ziekteverzuim in de bouw 2009 Beleidsvarianten beperking hypotheekrenteaftrek en liberalisatie huursector (www.eib.nl) Nacht- en weekendwerk in het wegonderhoud 52
  53. 53. Bouw in beeld 2009 De bouwarbeidsmarkt 2010-2015 Bedrijfseconomische kencijfers gespecialiseerde bedrijven 2007-2008 Strategie en crisis Vrouwen in technische functies Marktstudie AFNL 2011-2012 Infrastuctuurmonitor - MIRT 2011 Kantorenleegstand - analyse van de marktwerking (www.eib.nl) 2011 Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2011 Algemene kosten in het bouwbedrijf 2007-2009 Openbare aanbestedingen in de gww Bedrijfseconomische kencijfers gww-bedrijven 2009 Bedrijfseconomische kencijfers b&u-bedrijven 2009 Succesvol binnenstedelijk bouwen De winst van innoveren (www.eib.nl) Algemene BouwplaatsKosten (ABK) van B&U-projecten 2010 (ARBOUW) Productiviteit en strategie (www.eib.nl) Bouwconcerns in beeld 2009-2010 Trends en ontwikkelingen in de afbouwbranche 2011-2016 Restauratie en onderhoud van monumenten - marktverkenning tot 2015 Aanbestedingsgedrag opdrachtgevers (www.eib.nl) Actuele situatie in de bouw - overzicht ten behoeve van de nieuwe woonvisie (www.eib.nl) Dynamiek op de woningmarkt De civiele betonbouw tot 2016 - ontwikkelingen op de markt en in de rolverdeling in het bouwproces (www.eib.nl) 53
  54. 54. Monumenten en corporaties - monumentenbezit en -beleid van corporaties (www.eib.nl) Ziekteverzuim in de bouw 2010 (www.eib.nl) Maatschappelijke woonagenda - van programmeren naar stimuleren Monitor arbeidsongevallen in de bouw 2010 (ARBOUW) Kantorenmonitor - analyse van vraag en aanbod (www.eib.nl) MKBA Herstructurering Eemsdelta Bedrijfseconomische kencijfers - b&u- en gww-bedrijven 2010 (www.eib.nl) Kosten en baten van de bouw bbl-opleiding (www.eib.nl) Overheid en markt; nieuw evenwicht in aanbesteden (www.eib.nl) Dienstverlening van medeoverheden - quick scan onder architectenbureaus (www.eib.nl) Infrastructuurmonitor - MIRT 2012 (www.eib.nl) Algemene kosten in het bouwbedrijf 2008-2010 (www.eib.nl) Kostenmodel omgevingsrecht (www.eib.nl) Bouwen voor kwaliteit (www.eib.nl) 2012 Evaluatie stimuleringspakket woningbouw (www.eib.nl) Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2012 Situatie op de Nederlandse hypotheekmarkt Arbeid en scholing in de restauratiesector Trends en ontwikkelingen in de wegenbouw tot 2017 (www.eib.nl) Trends en ontwikkelingen in de afbouwbranche 2012-2017 Bouwconcerns in beeld 2010-2011 Effecten van bezuinigingen in de infrastructuur (www.eib.nl) Annuïtaire beperking hypotheekrenteaftrek (www.eib.nl) Vitaliteit: van feit tot beleid (www.eib.nl) 54
  55. 55. Ziekteverzuim in de bouw 2011 (www.eib.nl) Landelijke samenvatting kantorenmonitor (www.eib.nl) Stedelijke ontwikkeling en infrastructuur (www.eib.nl) Monitor arbeidsongevallen in de bouw 2011 (ARBOUW) Aanbestedingsgedrag opdrachtgevers (www.eib.nl) Gemeentefinanciën, voorzieningen en ruimtelijke investeringen in krimpgebieden (www.eib.nl) Kantorenmarkt Noord Nederland (www.eib.nl) Kantorenmarkt Oost Nederland (www.eib.nl) Kantorenmarkt provincie Utrecht (www.eib.nl) Kantorenmarkt Noord-Holland en Flevoland (www.eib.nl) Kantorenmarkt Zuid-Holland (www.eib.nl) Kantorenmarkt Zeeland (www.eib.nl) Kantorenmarkt Noord-Brabant (www.eib.nl) Kantorenmarkt Limburg (www.eib.nl) Verkiezingsprogramma’s - gevolgen voor de woningmarkt en de bouwproductie (www.eib.nl) Bouwen voor de zorg (www.eib.nl) De bouw in 2020 (www.eib.nl) Inventarisatie projecten Noord-Holland Noord 2013 (www.eib.nl Bouwschoolverlaters (www.eib.nl) Perspectief voor de funderingsbranche (www.eib.nl) Bouw in beeld 2011-2012 Regeerakkoord en woningcorporaties (www.eib.nl) Infrastructuurmonitor - MIRT 2013 (www.eib.nl) Algemene kosten in het bouwbedrijf 2009-2011 (www.eib.nl) Bedrijfseconomische kencijfers - b&u- en gww-bedrijven 2011 (www.eib.nl) 55
  56. 56. Marktstudie AFNL 2012-2017 2013 Verwachtingen bouwproductie en werkgelegenheid 2013 Verhuurderheffing en huurmaatregelen in krimpregio’s (www.eib.nl) Bouwconcerns in beeld 2011-2012 Woonakkoord - effecten op bouwproductie en werkgelegenheid (www.eib.nl) Trends en ontwikkelingen in de afbouwbranche 2013-2018 Investeringsfaciliteit en verhuurderheffing (www.eib.nl) De Stroomversnelling (www.eib.nl) Verkenning woningbouwprogrammering Regio Amersfoort (www.eib.nl) De feiten rond aanbesteden (www.eib.nl) Bouwen voor het onderwijs (www.eib.nl) Regionale kantorenmarkten Metropoolregio Rotterdam en Den Haag (www.eib.nl) SER Energieakkoord (www.eib.nl) 56
  57. 57. Economisch Instituut voor de Bouw Basisweg 10 1043 AP Amsterdam Postbus 58248 1040 HE Amsterdam t (020) 583 19 00 f (020) 583 19 99 eib@eib.nl www.eib.nl Desktop publishing: Margo Wakidjan-Nijbroek, EIB Druk: SDA Print + Media, Amsterdam 57
  58. 58. 58
  59. 59. 59
  60. 60. 60
  61. 61. Om monumenten in Nederland in stand te houden worden er jaarlijks veel objecten gerestaureerd en onderhouden. Dit rapport geeft een beeld van de verwachte ontwikkeling en samenstelling van de restauratieproductie voor de periode 2013-2018. Hoeveel monumenten zijn er in Nederland, en welk deel daarvan staat op de Rijksmonumentenlijst? Welke subsidieregelingen zijn er en hoeveel budget is in de komende jaren beschikbaar? En wat betekent dit voor de restauratieproductie? Antwoorden op deze vragen komen in dit rapport aan bod. Basisweg 10 1043 AP Amsterdam Postbus 58248 1040 HE Amsterdam t (020) 583 19 00 f (020) 583 19 99 eib@eib.nl www.eib.nl

×